Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 291

Gepubliceerd op 31 augustus 2018 09:00



Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 juni 2018, nr. 2017-0000316593, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op de richtlijn breedband, de richtlijn energieprestatie van gebouwen, de richtlijn hernieuwbare energie, de richtlijn veiligheid wegtunnels, de verordening bouwproducten en het VN-gehandicaptenverdrag en de artikelen 4.3, eerste lid, en 5.1 van de Omgevingswet, en artikel 119 van de Woningwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 december 2017, nr. W04.17.0186/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 juni 2018, nr. 2018-0000524056, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING 1.1 ALGEMEEN

Artikel 1.1 (begrippen)

Bijlage I bevat begrippen en definities voor de toepassing van dit besluit.

AFDELING 1.2 INTERNATIONAALRECHTELIJKE VERPLICHTINGEN

Artikel 1.2 (wederzijdse erkenning)

Met een kwaliteitsverklaring bouw, certificaat, keuring of norm als bedoeld in dit besluit wordt gelijkgesteld een kwaliteitsverklaring bouw, certificaat, keuring of norm, afgegeven, uitgevoerd of goedgekeurd door een daartoe bevoegde onafhankelijke instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat die geen lidstaat van de Europese Unie is en partij is bij een verdrag dat Nederland bindt, met een beschermingsniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN VOOR BOUWWERKEN

AFDELING 2.1 ALGEMEEN

Artikel 2.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken.

Artikel 2.2 (bevoegd gezag)
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag:

    • a. waaraan een melding wordt gedaan;

    • b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; en

    • c. dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn voor een activiteit als bedoeld in dit besluit, die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt, gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.3 (maatwerkregels)

Een maatwerkregel wordt in het omgevingsplan gesteld.

Artikel 2.4 (gelijkwaardigheid bij melding of vergunningsvrije activiteit)
  • 1. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor in dit besluit een melding is voorgeschreven:

    • a. is voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist; en

    • b. is het verboden deze maatregel te treffen zonder voorafgaande melding.

  • 2. Als een gelijkwaardige maatregel betrekking heeft op een activiteit waarvoor op grond van de wet geen omgevingsvergunning is vereist en waarvoor in dit besluit geen melding is voorgeschreven, is voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 4.7 van de wet niet vereist.

Artikel 2.5 (instandhouden gelijkwaardige maatregel)

Een gelijkwaardige maatregel die betrekking heeft op een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt bij het gebruik van het bouwwerk in stand gehouden.

Artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerkinstallatie)

Een krachtens de wet aanwezige bouwwerkinstallatie:

  • a. functioneert in overeenstemming met de op die installatie van toepassing zijnde regels;

  • b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd; en

  • c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Artikel 2.7 (gemeenschappelijk en gezamenlijk)
  • 1. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel is een bouwwerk, een ruimte, een voorziening, of een gedeelte daarvan naar keuze gemeenschappelijk of niet-gemeenschappelijk, tenzij voor een regel anders is aangegeven.

  • 2. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een bouwwerk, een ruimte of een voorziening die ten dienste staat van meer dan een gebruiksfunctie, aangemerkt als gemeenschappelijk. Dit gedeelte, deze ruimte of deze voorziening maakt, met uitzondering van een nevengebruiksfunctie, voor de toepassing van deze hoofdstukken deel uit van alle daarop aangewezen gebruiksfuncties.

  • 3. Voor de toepassing van een in de hoofdstukken 3 tot en met 6 gestelde regel wordt een gedeelte van een woonfunctie, een celfunctie of een logiesfunctie of een ruimte of voorziening die ten dienste staat van die gebruiksfunctie, gebruikt door meer dan een wooneenheid, celeenheid of logiesverblijf in die gebruiksfunctie, aangemerkt als gezamenlijk.

Artikel 2.8 (monumenten)

Voor zover een omgevingsvergunning voor:

  • a. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op:

    • 1°. een activiteit in strijd met regels als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, voor een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie van gemeentelijk of provinciaal monument is toegedeeld; of

    • 2°. een activiteit in strijd met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, 4.15 of 4.16, eerste lid, van de wet, voor zover die activiteit in strijd is met regels in het voorbereidingsbesluit die betrekking hebben op een monument of archeologisch monument waarvoor het voornemen bestaat daaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie van gemeentelijk of provinciaal monument toe te delen of, wanneer die functie al is toegedeeld, om de daarvoor in het omgevingsplan of de omgevingsverordening gestelde regels te wijzigen;

  • b. een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden als die activiteit betrekking heeft op een monument of archeologisch monument waaraan in de omgevingsverordening de functie van provinciaal monument is toegedeeld; of

  • c. een rijksmonumentenactiviteit;

afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met 5 gestelde regel, zijn alleen de omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften van toepassing.

Artikel 2.9 (afwijking wegens implementatie van Europese regelgeving)

Voor zover een in het Warenwetbesluit machines, het Warenwetbesluit liften 2016 of het Besluit gastoestellen, ter implementatie van een in Europese regelgeving gestelde eis, afwijkt van een in de hoofdstukken 3 tot en met 5 gestelde regel, is alleen de krachtens die besluiten gestelde eis van toepassing.

Artikel 2.10 (drank- en horeca-inrichtingen)

Voor zover aan een activiteit op grond van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en horecawet een voorschrift is verbonden dat strenger is dan een in dit besluit opgenomen regel is alleen het aan die activiteit verbonden voorschrift van toepassing.

Artikel 2.11 (aantal personen in een bouwwerk)

In een bouwwerk of gedeelte daarvan zijn niet meer personen aanwezig dan het aantal personen waarvoor het bouwwerk of gedeelte daarvan in overeenstemming met dit besluit is bestemd.

Artikel 2.12 (overgangsrecht: aantal personen in een bouwwerk)

Zolang het aantal personen dat in een bouwwerk of een gedeelte daarvan aanwezig is niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk of dat gedeelte toegestane aantal personen blijft artikel 2.11 buiten toepassing.

AFDELING 2.2 CE-MARKERINGEN EN KWALITEITSVERKLARINGEN BOUW

Artikel 2.13 (verordening bouwproducten)

Handelen in strijd met de plichten die voortvloeien uit de verordening bouwproducten is verboden.

Artikel 2.14 (toepassing CE-markering en kwaliteitsverklaringen bouw)
  • 1. Als een bouwproduct waarop een CE-markering als bedoeld in artikel 8 van de verordening bouwproducten is aangebracht, aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden prestatieverklaring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening bouwproducten.

  • 2. Als een bouwproduct moet voldoen aan bepaalde prestaties die niet onder een in artikel 2, elfde lid, van de verordening bouwproducten bedoelde geharmoniseerde norm vallen, zodat het bouwwerk waarin het wordt toegepast voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproduct is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

  • 3. Als een bouwproces aan bepaalde prestaties moet voldoen zodat het bouwwerk waarin het wordt uitgevoerd voldoet aan een bij dit besluit gestelde regel is daaraan voldaan als het bouwproces is toegepast in overeenstemming met een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring bouw.

  • 4. Een in het eerste lid bedoelde prestatieverklaring wordt in de Nederlandse taal verstrekt.

  • 5. Instructies en informatie als bedoeld in de artikelen 11, zesde en achtste lid, 13, vierde en negende lid, en 14, tweede en vijfde lid, van de verordening bouwproducten zijn in de Nederlandse taal gesteld.

Artikel 2.15 (erkenning kwaliteitsverklaringen bouw)

Kwaliteitsverklaringen bouw als bedoeld in artikel 2.14, tweede en derde lid, worden afgegeven op basis van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw.

AFDELING 2.3 AANWIJZING VERGUNNINGPLICHTIGE GEVALLEN

P.M.

AFDELING 2.4 DRIJVENDE BOUWWERKEN

Artikel 2.16 (drijvende bouwwerken)

Op een drijvend bouwwerk met een woonfunctie dat door functiewijziging van een schip is ontstaan zijn de hoofdstukken 3 tot en met 5, met uitzondering van artikel 3.5, niet van toepassing.

HOOFDSTUK 3 BESTAANDE BOUW

AFDELING 3.1 ALGEMEEN

Artikel 3.1 (toepassingsbereik: activiteiten)

Dit hoofdstuk is van toepassing op het in stand houden van een bestaand bouwwerk.

Artikel 3.2 (toepassingsbereik: oogmerken)

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid;

  • b. het beschermen van de gezondheid; en

  • c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

Artikel 3.3 (toepassingsbereik: normadressaat)

Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.4 (toepassingsbereik: aansturingsartikel niet van toepassing)

In dit hoofdstuk is een aansturingsartikel niet van toepassing op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van dat aansturingsartikel.

Dit geldt niet bij de artikelen 3.11, 3.30, 3.36, 3.42 en 3.114.

Artikel 3.5 (specifieke zorgplicht: bestaande bouwwerken)

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 3.6 (onderzoeksplicht)

De eigenaar van een bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk is verplicht onderzoek te doen naar de staat van dat bouwwerk als het behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie bouwwerken waarvan redelijkerwijs is komen vast te staan dat die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen opleveren.

Artikel 3.7 (maatwerkvoorschriften)
  • 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 3.5 en de afdelingen 3.2 tot en met 3.7, met uitzondering van bepalingen over meet- of rekenmethoden.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift over de afdelingen 3.2 tot en met 3.7 kan alleen inhouden het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen om de staat van een bouwwerk op een niveau te brengen dat hoger is dan het niveau van de regels in dit hoofdstuk, maar niet hoger dan het niveau van de regels in hoofdstuk 4. Het maatwerkvoorschrift wordt alleen gesteld als het treffen van die voorzieningen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 3.86, 3.130 en 3.132 alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.

AFDELING 3.2 VEILIGHEID

§ 3.2.1 Constructieve veiligheid
Artikel 3.8 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen krachten die tijdens het beoogde gebruik op het bouwwerk worden uitgeoefend.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.8 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.8

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    fundamentele

    belastingscombinaties

    bepalingsmethode niet-bezwijken

       

    artikel

    3.9

    3.10

       

    lid

    *

    1

    2

    1

    Woonfunctie

         
     

    a.

    in een woongebouw

    *

    1

     

    b.

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

         
     

    a.

    in een logiesgebouw

    *

    1

     

    b.

    andere logiesfunctie

    *

    1

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    *

    1

Artikel 3.9 (fundamentele belastingscombinaties)

Een bouwconstructie bezwijkt niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingscombinaties, bedoeld in NEN 8700.

Artikel 3.10 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, wordt bepaald volgens NEN 8700.

  • 2. Bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen woonfunctie of logiesfunctie kan bij het bepalen van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.9, rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort.

§ 3.2.2 Constructieve veiligheid bij brand
Artikel 3.11 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is bestand tegen brand zodat geen sprake zal zijn van instorting die een gevaar oplevert voor het vluchten of voor hulpverlening bij brand, gedurende een redelijke tijd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.11 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.11

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    tijdsduur niet-bezwijken

    bepalingsmethode niet-

    bezwijken

       

    artikel

    3.12

    3.13

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    4

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                   
     

    a

    met bedgebied

    1

    4

    1

    2

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    1

    3

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

    1

    4

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

                   
     

    a

    voor het personenvervoer

    1

    3

    1

    2

     

    b

    andere overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    5

    1

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    6

    1

    2

Artikel 3.12 (tijdsduur niet-bezwijken)
  • 1. Een vloer, trap of hellingbaan, waarover of waaronder een beschermde route voert, bezwijkt niet binnen 20 minuten bij brand in een subbrandcompartiment waarin die beschermde route niet ligt.

  • 2. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin die bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12a aangegeven tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan dat brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op een bouwconstructie van een aan dat brandcompartiment grenzend subbrandcompartiment of grenzende buitenruimte.

    Tabel 3.12a brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    Woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

    30

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    60

  • 3. Een bouwconstructie van een gebruiksfunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 m boven het meetniveau bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 30 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

  • 4. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen de in tabel 3.12b genoemde tijdsduur door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

    Tabel 3.12b brandwerendheid met betrekking tot bezwijken

    Andere gebruiksfunctie dan een woonfunctie

    tijdsduur in minuten

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

    30

    Als een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

    60

  • 5. Een bouwconstructie van een tunnel bezwijkt niet binnen 30 minuten en voor zover deze onder open water ligt niet binnen 60 minuten bij brand in de tunnel.

  • 6. Een bouwconstructie bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen een tijdsduur die afhankelijk van de bestemming en inrichting van het bouwwerk redelijkerwijs nodig is om het bouwwerk bij brand te kunnen verlaten en te doorzoeken, door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment.

Artikel 3.13 (bepalingsmethode niet-bezwijken)
  • 1. Bij het bepalen van het niet-bezwijken van een bouwconstructie als bedoeld in artikel 3.12 wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand.

  • 2. De tijdsduur van het niet-bezwijken, bedoeld in artikel 3.12, wordt bepaald volgens:

    • a. NEN 8700; of

    • b. NEN 6069.

§ 3.2.3 Afscheiding aan de rand van een vloer, trap of hellingbaan
Artikel 3.14 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het door personen vallen van de rand van een vloer, een trap en een hellingbaan, zo veel mogelijk wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.14 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.14

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    aanwezigheid afscheiding

    hoogte afscheiding

    openingen afscheiding

    openingen afscheiding

       

    artikel

    3.15

    3.16

    3.17

    3.17

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

                               

    [m]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    0,2

    2

    Bijeenkomstfunctie

                           
     

    a

    voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    0,1

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    2

Artikel 3.15 (aanwezigheid afscheiding)
  • 1. Een voor personen bestemde vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

  • 2. Een trap heeft, voor zover een zijkant van een tredevlak meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

  • 3. Een hellingbaan heeft, voor zover een zijkant van de vloer meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water, aan die zijkant een afscheiding.

  • 4. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

    • a. een trap; of

    • b. een hellingbaan.

  • 5. Onverminderd het vierde lid geldt het eerste lid niet voor:

    • a. een rand van een podium;

    • b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst;

    • c. een rand van een laadvloer;

    • d. een rand van een perron; en

    • e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d gelijk te stellen rand van een vloer.

Artikel 3.16 (hoogte afscheiding)
  • 1. Een vloerafscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, heeft een hoogte van ten minste 0,9 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de vloer.

  • 3. In afwijking van het eerste lid heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m, als de som van die hoogte en de breedte van de bovenregel ten minste 1 m is.

  • 4. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, tweede en derde lid, heeft een hoogte van ten minste 0,6 m, gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken of vanaf de vloer van de hellingbaan.

Artikel 3.17 (openingen afscheiding)
  • 1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15 heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer, een tredevlak of een vloer van een hellingbaan, geen openingen waardoor een bol kan passeren met een doorsnede groter dan de in tabel 3.14 aangegeven waarde.

  • 2. De horizontaal gemeten afstand tussen een vloer, een trap of een hellingbaan en een afscheiding als bedoeld in artikel 3.15, is niet groter dan 0,1 m.

§ 3.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen
Artikel 3.18 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft op een vluchtroute voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen door personen.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.19 (voorziening bij hoogteverschil)
  • 1. Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Dit geldt ook voor een hoogteverschil tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein.

  • 2. Voor zover de vluchtroute door een wegtunnelbuis voert, geldt in afwijking van het eerste lid een hoogteverschil van meer dan 0,3 m.

Artikel 3.20 (afmetingen trap)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19, voldoet aan de in tabel 3.20 aangegeven afmetingen.

Tabel 3.20 afmetingen van een trap

Minimum breedte van de trap

0,7 m

Minimum vrije hoogte boven de trap

1,9 m

Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,13 m

Maximum hoogte van een optrede

0,22 m

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,2 m

Artikel 3.21 (trapbordes)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 sluit bij de bovenste trede, over de breedte van de trap, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

Artikel 3.22 (leuning)

Een trap als bedoeld in artikel 3.19 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3, heeft voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

Artikel 3.23 (afmetingen hellingbaan)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 heeft een breedte van ten minste 0,7 m en een helling van ten hoogste 1:10.

Artikel 3.24 (hellingbaanbordes)

Een hellingbaan als bedoeld in artikel 3.19 sluit aan de bovenzijde, over de breedte van de hellingbaan, aan op een vloer met een oppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,7 m.

§ 3.2.5 Beweegbare constructieonderdelen
Artikel 3.25 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige beweegbare constructieonderdelen dat deze geen gevaar veroorzaken bij het gebruik van een aangrenzende openbare ruimte.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.26 (beweegbaar constructieonderdeel: gevarenzone)
  • 1. Een beweegbaar constructieonderdeel dat zich in geopende stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, ligt, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, meer dan 4,2 m boven die weg.

  • 2. Dit geldt niet voor een deur van een ruimte met een vloeroppervlakte van minder dan 0,5 m2.

§ 3.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
Artikel 3.27 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.28 (stookplaats)
  • 1. Materiaal ter plaatse van of nabij een stookplaats is onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, als:

    • a. op het materiaal een intensiteit aan warmtestraling kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m2; of

    • b. in het materiaal een temperatuur kan optreden die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 90 °C.

  • 2. Bij toepassing van het eerste lid kan in plaats van onbrandbaar, bepaald volgens NEN 6064, worden uitgegaan van brandklasse A1, of A1fl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Artikel 3.29 (rookgasafvoer)
  • 1. Materiaal van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal dat in de nabijheid van die voorziening is toegepast, waarin een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 90 °C:

    • a. voldoet aan brandklasse A1 volgens NEN-EN 13501-1; of

    • b. is onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een samenstel van een voorziening voor de afvoer van rookgas en materiaal in de nabijheid daarvan dat voldoet aan NEN 6062.

§ 3.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
Artikel 3.30 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat brand en rook zich niet snel kunnen ontwikkelen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.30 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.30

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

                   

    zijde grenzend aan de

                   

    binnenlucht

    buitenlucht

         

    binnenoppervlak

    buitenoppervlak

    beloopbaar vlak

    vrijgestelde oppervlakte

    toepassing Euroklassen

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde route

    overig

    extra beschermde vluchtroute

    beschermde route

    overig

       

    artikel

    3.31

    3.32

    3.33

    3.34

    3.35

    3.31

    3.32

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    *

    1

    [brandklasse]

    1

    [brandklasse]

    1

    Woonfunctie

                                         
     

    a

    in een woongebouw

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    2

    4

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    3

    Celfunctie

    1

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    1

    1

    4

    1

    1

    4

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                         
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    4

    4

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    5

    Industriefunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    7

    Logiesfunctie

                                         
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    2

    4

    2

    4

    4

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    1

    *

    2

    4

    4

    2

    4

    4

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                         
     

    a

    tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    3

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    2

    *

    2

    4

    4

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    2

    *

    2

    4

    4

Artikel 3.31 (binnenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een beschermde route voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

  • 3. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

  • 4. In afwijking van het eerste lid heeft een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht in een celeenheid een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1.

Artikel 3.32 (buitenoppervlak)
  • 1. Een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht heeft een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de in tabel 3.30 aangegeven brandklasse.

  • 2. In afwijking van het eerste lid hebben een deur, een raam, een kozijn of een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan brandklasse 4.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bovenzijde van een dak.

Artikel 3.33 (beloopbaar vlak)
  • 1. In afwijking van artikel 3.31 geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, die grenst aan de binnenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1.

  • 2. In afwijking van artikel 3.32 geldt voor de bovenzijde van een vloer, trap of een hellingbaan, die grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T3.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de bovenzijde van een vloer, een trap of een hellingbaan, waarover een extra beschermde vluchtroute voert een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting van klasse T1.

Artikel 3.34 (vrijgestelde oppervlakte)
  • 1. Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, is die eis niet van toepassing.

  • 2. Voor bouwwerken geen gebouw zijnde is op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen, waarvoor volgens de artikelen 3.31 tot en met 3.33 een eis geldt, die eis niet van toepassing.

Artikel 3.35 (toepassing Euroklassen)

Bij toepassing van de artikelen 3.31 tot en met 3.33 kan in plaats van:

  • a. brandklasse 1 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse B bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  • b. brandklasse 2 bepaald volgens NEN 6065 in een besloten ruimte worden uitgegaan van brandklasse B en in een niet-besloten ruimte van brandklasse C beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  • c. brandklasse 3 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse C bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  • d. brandklasse 4 bepaald volgens NEN 6065 worden uitgegaan van brandklasse D bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  • e. brandklasse T1 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse Cfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1;

  • f. brandklasse T3 bepaald volgens NEN 1775 worden uitgegaan van brandklasse Dfl, bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

  • g. een rookproductie met een rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1 of 5,4 m-1 bepaald volgens NEN 6066 worden uitgegaan van rookklasse s2 bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

§ 3.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Artikel 3.36 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand:

    • a. naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft; en

    • b. geen gevaar oplevert voor het vluchten en hulpverlening bij brand.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.36 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.36

    gebruiksfuctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    brandcompartiment:

    ligging

    brandcompartiment:

    omvang

    opvangcompartiment

    wbdbo:

    niveau van eisen

    wbdbo:

    bepalingsmethode

    brandcompartiment:

    omvang

       

    artikel

    3.37

    3.38

    3.39

    3.40

    3.41

    3.38

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

    2

    1

    2

    1

    2

    1

                                                   

    [m2]

    1

    Woonfunctie

                                               
     

    a

    woonwagen

    1

    2

    2

    1

    2

     

    b

    andere woonfunctie

    1

    3

    1

    3

    5

    6

    7

    1

    1

    2

    2.000

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    3

    Celfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    1

    2

    2.000

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                               
     

    a

    met bedgebied

    1

    3

    1

    3

    7

    2

    1

    1

    2

    2.000

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    2.000

    5

    Industriefunctie

                                               
     

    a

    lichte industriefunctie voor het houden van dieren

    1

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

     

    b

    andere lichte industriefunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    7

    1

    3

    1

    1

    2

    3.000

     

    c

    andere industriefunctie

    1

    3

    4

    5

    1

    3

    1

    1

    2

    3.000

    6

    Kantoorfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    7

    Logiesfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    1.000

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

    9

    Sportfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    1

    1

    2

    3.000

    10

    Winkelfunctie

    1

    3

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    2.000

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    1

    3

    7

    8

    1

    1

    2

    3.000

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                               
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    3

    4

    1

    1

    2

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.37 (brandcompartiment: ligging)
  • 1. Een besloten ruimte ligt in een brandcompartiment. Dit is niet van toepassing op:

    • a. een toiletruimte;

    • b. een badruimte;

    • c. een liftschacht, als de constructieonderdelen aan de binnenzijde van de schacht voldoen aan een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting die voldoet aan klasse 2 en een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-1, of aan brandklasse B en rookklasse s2, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1; en

    • d. een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 niet bestemd voor een of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW.

  • 2. Een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m ligt in een brandcompartiment.

  • 3. In afwijking van het eerste lid voert een extra beschermde vluchtroute niet door een brandcompartiment.

  • 4. Een niet-besloten gebruiksgebied ligt in een brandcompartiment.

  • 5. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte niet meer dan 3.000 m2 en een vuurbelasting niet groter dan 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

  • 6. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie of gebruiksfuncties van dezelfde soort, met een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2.

  • 7. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een permanente vuurbelasting niet groter dan 200 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090.

Artikel 3.38 (brandcompartiment: omvang)
  • 1. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 3.36 aangegeven oppervlakte.

  • 2. In een brandcompartiment liggen ten hoogste vier woonwagens en nevengebruiksfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2.

  • 3. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een bouwwerkperceel.

  • 4. Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.

  • 5. In een brandcompartiment liggen ten hoogste een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid is een gemeenschappelijk verblijfsgebied toegestaan, als dat verblijfsgebied een afzonderlijk brandcompartiment is.

  • 7. Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 is een afzonderlijk brandcompartiment.

  • 8. Bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 is het eerste lid niet van toepassing op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties.

Artikel 3.39 (opvangcompartiment)
  • 1. In afwijking van artikel 3.38, eerste lid, is de gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment met een of meer celeenheden ten hoogste 1.000 m2 en niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw.

  • 2. Een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten is niet groter dan 77% van de gebruiksoppervlakte van de bouwlaag waarop dit brandcompartiment ligt.

Artikel 3.40 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
  • 1. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert is ten minste 20 minuten.

  • 2. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.

Artikel 3.41 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
  • 1. De in artikel 3.40 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bepaald volgens NEN 6068.

  • 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend bouwwerkperceel gelegen gebouw wordt voor het op het andere bouwwerkperceel gelegen gebouw uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Als het bouwwerkperceel grenst aan:

    • a. een openbare weg;

    • b. openbaar water;

    • c. openbaar groen; of

    • d. een perceel daarvan dat niet is bestemd voor bebouwing of voor een speeltuin, een kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen;

    vindt deze spiegeling plaats ten opzichte van het hart van die weg, dat water, dat groen of dat perceel.

§ 3.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
Artikel 3.42 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat uitbreiding van brand en verspreiding van rook in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in paragraaf 3.2.8, zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.42 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.42

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    subbrandcompartiment:

    ligging

    beschermd

    subbrandcompartiment:

    ligging

    beschermd

    subbrandcompartiment:

    omvang

    subbrandcompartiment:

    weerstand tegen

    rookdoorgang

    beschermd

    subbrandcompartiment:

    wbdbo

    beschermd

    subbrandcompartiment:

    omvang

       

    artikel

    3.43

    3.44

    3.45

    3.46

    3.47

    3.45

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    *

    1

    2

    1

                                           

    [m2]

    1

    Woonfunctie

                                       
     

    a

    voor zorg met een g.o. > 1.000 m2

    1

    2

    3

    1

    1

    2

    *

    1

    200

     

    b

    woonwagen

    1

    2

    *

     

    c

    andere woonfunctie

    1

    2

    3

    1

    1

    *

    1

    1.000

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    3

    3

    *

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                                       
     

    a

    met bedgebied

    1

    2

    3

    2

    4

    5

    *

    1

    2

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    3

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    4

    1

    6

    7

    *

    1

    1.000

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    3

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                       
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    2

    3

    *

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.43 (subbrandcompartiment: ligging)
  • 1. Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer subbrandcompartimenten of ruimten waardoor een beschermde route voert.

  • 2. Een beschermde route ligt niet in het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een verblijfsgebied voor bewaking buiten een subbrandcompartiment liggen als:

    • a. constructieonderdelen in dat gebied voldoen aan de eisen die artikel 3.31 stelt aan constructieonderdelen die grenzen aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een beschermde route voert; en

    • b. aankleding in dat gebied voldoet aan de eisen die artikel 6.14 stelt aan aankleding in een ruimte waardoor een beschermde route voert.

Artikel 3.44 (beschermd subbrandcompartiment: ligging)
  • 1. Een verblijfsruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 2. Een bedruimte ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 3. Een celeenheid ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

  • 4. Een logiesverblijf ligt in een beschermd subbrandcompartiment.

Artikel 3.45 (beschermd subbrandcompartiment: omvang)
  • 1. Een beschermd subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte van ten hoogste de in tabel 3.42 aangegeven oppervlakte.

  • 2. In afwijking van het eerste lid heeft een beschermd subbrandcompartiment met alleen gezamenlijke ruimten een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 3. Een celeenheid is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 4. Een beschermd subbrandcompartiment met bedgebied omvat alleen een of meer bedruimten en ruimten die ten dienste staan van die bedruimten, en heeft een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m2.

  • 5. Een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in het vierde lid, bestemd voor bedgebonden patiënten heeft, afhankelijk van het bewakingsniveau, een totale gebruiksoppervlakte van ten hoogste 100 m2 zonder bewaking en ten hoogste 1.000 m2 bij permanente bewaking.

  • 6. Een logiesverblijf is een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment.

  • 7. Een afzonderlijk beschermd subbrandcompartiment is een afzonderlijk subbrandcompartiment.

Artikel 3.46 (subbrandcompartiment: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.47 (beschermd subbrandcompartiment: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)
  • 1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een beschermd subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 3.44 naar een andere ruimte in het brandcompartiment is ten minste 20 minuten.

  • 2. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, bedoeld in het eerste lid, blijft onder een deur een oppervlak van niet meer dan 0,02 m2 bij een hoogte van niet meer dan 0,05 m, gemeten vanaf de vloer, buiten beschouwing.

§ 3.2.10 Vluchtroutes: verloop
Artikel 3.48 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.48 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.48

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    vluchtroute

    vluchten naar de uitgang van een

    subbrandcompartiment

    beschermde route

    extra beschermde vluchtroute

    veiligheidsroute

    tweede vluchtroute

    vluchten naar de uitgang van een

    subbrandcompartiment

       

    artikel

    3.49

    3.50

    3.51

    3.52

    3.53

    3.54

    3.50

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    3

    1

                                           

    [m]

    1

    Woonfunctie

    1

    1

    1

    1

    1

    1

    2

    3

    45

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    60

    3

    Celfunctie

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    60

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    1

    3

    2

    2

    3

    2

    1

    2

    3

    75

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                       
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    1

    3

    2

    1

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    4

Artikel 3.49 (vluchtroute)
  • 1. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg.

  • 2. Op elk punt van een voor personen bestemd gedeelte van een vloer van een celfunctie of van een nevengebruiksfunctie daarvan begint een vluchtroute die, al dan niet via een buitenruimte, leidt naar een ander brandcompartiment.

  • 3. Op elk punt van een rijbaan begint een vluchtroute die leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de buiten de wegtunnel gelegen openbare weg.

  • 4. Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende en zodanig ingerichte vluchtroutes dat bij brand op doeltreffende en veilige wijze kan worden gevlucht.

Artikel 3.50 (vluchten naar de uitgang van een subbrandcompartiment)
  • 1. De loopafstand tussen een punt in een gebruiksgebied en een uitgang van het subbrandcompartiment waarin dat gebruiksgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 3.48 aangegeven afstand.

  • 2. De loopafstand tussen een punt op een rijbaanvloer en een uitgang van het subbrandcompartiment is ten hoogste 150 m. De afstand tussen twee uitgangen is ten hoogste 250 m, gemeten langs de tunnelwand.

  • 3. Een subbrandcompartiment en een daarin gelegen verblijfsruimte, voor meer dan 225 personen hebben ten minste twee uitgangen waardoor een vluchtroute loopt.

Artikel 3.51 (beschermde route)
  • 1. Een vluchtroute is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 2. Een vluchtroute waarop ten hoogste 60 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een beschermde route, tenzij die uitgang rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.52 (extra beschermde vluchtroute)
  • 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een extra beschermde vluchtroute.

  • 2. Een vluchtroute waarop meer dan 60 en ten hoogste 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een extra beschermde vluchtroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

  • 3. Een vluchtroute in een besloten trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 12,5 m wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute.

Artikel 3.53 (veiligheidsroute)
  • 1. Een vluchtroute die door een gemeenschappelijke verkeersruimte voert waarop een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 1.500 m2 aan woonfuncties is aangewezen, is een veiligheidsroute.

  • 2. Een vluchtroute waarop meer dan 225 personen zijn aangewezen, is vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de vluchtroute begint een veiligheidsroute, tenzij dat compartiment rechtstreeks grenst aan het aansluitende terrein.

Artikel 3.54 (tweede vluchtroute)
  • 1. Als op een vluchtroute een tweede vluchtroute begint, zijn de artikelen 3.51, 3.52, eerste en tweede lid, en 3.53 niet van toepassing vanaf het punt dat de twee vluchtroutes door verschillende ruimten voeren.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren als:

    • a. de ruimte grenst aan de uitgang van het subbrandcompartiment;

    • b. de vluchtroutes in de ruimte naar verschillende uitgangen voeren; en

    • c. als de ruimte een besloten ruimte is, de loopafstand in die ruimte gemeten over beide vluchtroutes ten hoogste 30 m is en ten hoogste 70 m als de vluchtroutes in die ruimte beschermde routes zijn.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kunnen de twee vluchtroutes vanaf de uitgang van het subbrandcompartiment waarin de eerste vluchtroute begint door dezelfde ruimte voeren voor zover de vluchtroute een veiligheidsroute is.

§ 3.2.11 Vluchtroutes: inrichting
Artikel 3.55 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft vluchtroutes met een zodanige inrichting dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.55 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.55

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    inrichting vluchtroute: weerstand

    tegen rookdoorgang

    inrichting vluchtroute: wbdbo

    inrichting vluchtroute:

    permanente vuurbelasting

    inrichting vluchtroute:

    vrije doorgang

    inrichting vluchtroute: niet-

    besloten ruimte

    breedte

    hoogte

       

    artikel

    3.56

    3.57

    3.58

    3.59

    3.60

    3.59

       

    lid

    *

    *

    *

    1

    2

    *

    1

                     

    [m]

    [m]

    1

    Woonfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    2

    Bijeenkomstfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    3

    Celfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    4

    Gezondheidszorgfunctie

                   
     

    a

    met bedgebied

    *

    *

    *

    1

    2

    *

    0,5

    1,7

     

    b

    andere gezondheidszorgfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    5

    Industriefunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    6

    Kantoorfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    7

    Logiesfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    8

    Onderwijsfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    9

    Sportfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    10

    Winkelfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    11

    Overige gebruiksfunctie

    *

    *

    *

    1

    *

    0,5

    1,7

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                   
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    *

    *

    1

    *

    0,7

    1,9

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    *

Artikel 3.56 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen rookdoorgang)

De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang tussen een besloten ruimte waardoor een beschermde route of extra beschermde vluchtroute voert en de in de vluchtrichting aansluitende besloten ruimte is ten minste 20 minuten.

Artikel 3.57 (inrichting vluchtroute: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag)

Tussen de verschillende ruimten, bedoeld in artikel 3.54, eerste lid, is een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 20 minuten.

Artikel 3.58 (inrichting vluchtroute: permanente vuurlast)

Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurlast en de netto-vloeroppervlakte van een ruimte waardoor een veiligheidsroute voert is per bouwlaag ten hoogste 7.000 MJ.

Artikel 3.59 (inrichting vluchtroute: vrije doorgang)
  • 1. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met ten minste de in tabel 3.55 aangegeven breedte en hoogte.

  • 2. Een ruimte waardoor een vluchtroute voert vanuit een bedgebied voor bedgebonden patiënten naar een ander brandcompartiment als bedoeld in artikel 3.39, tweede lid, heeft een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze vluchtroute voert niet over een trap of door een liftkooi.

Artikel 3.60 (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte)

Een niet-besloten ruimte waardoor een vluchtroute voert heeft een zodanige capaciteit voor de afvoer van warmte en rook en de toevoer van verse lucht dat die ruimte tijdens brand kan worden gebruikt om te vluchten en voor het verrichten van reddings- en bluswerkzaamheden.

§ 3.2.12 Wegtunnels: hulpverlening bij brand
Artikel 3.61 (aansturingsartikel)
  • 1. Een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m is zodanig dat de hulpverlening binnen redelijke tijd personen kan redden en brand kan bestrijden.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regel in deze paragraaf.

Artikel 3.62 (hulppost wegtunnel)

Een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die alleen voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.

AFDELING 3.3 GEZONDHEID

§ 3.3.1 Wering van vocht
Artikel 3.63 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies waarmee de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende wordt beperkt.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.63 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.63

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

           

    wering van vocht van

    buiten

    wateropname

         

    artikel

    3.64

    3.65

         

    lid

    1

    2

    3

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    *

    5

    Industriefunctie

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    *

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    3

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    3

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    3

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.64 (wering van vocht van buiten)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 2. Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in de verblijfsruimte, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

  • 3. Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

Artikel 3.65 (wateropname)

Een scheidingsconstructie van een badruimte heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte tot 1 m boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname die gemiddeld niet groter is dan 0,01 kg/(m2.s½) en op geen enkele plaats groter dan 0,2 kg/(m2.s½).

§ 3.3.2 Luchtverversing
Artikel 3.66 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een voorziening voor luchtverversing waarmee het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.66 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.66

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    luchtverversing

    verblijfsruimte,

    toiletruimte en

    badruimte

    luchtverversing

    overige ruimten

    luchtkwaliteit: plaats

    van de uitmonding

    luchtkwaliteit:

    toevoer van

    ventilatielucht

    luchtkwaliteit: afvoer

    van binnenlucht

    luchtverversing

    verblijfsruimte

       

    artikel

    3.67

    3.68

    3.69

    3.70

    3.71

    3.67

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    1

    2

    3

    1

    2

    3

    4

    2

                                               

    dm³/sec per persoon

    1

    Woonfunctie

    1

    3

    4

    5

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2

    Bijeenkomstfunctie

                                           
     

    a

    voor kinderopvang

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2,12

    3

    Celfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

     
       

    1 verblijfsruimte van een celeenheid

                                         

    6,40

       

    2 andere verblijfsruimte

                                         

    3,44

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    5

    Industriefunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    6

    Kantoorfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    7

    Logiesfunctie

    2

    3

    4

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    6,40

    8

    Onderwijsfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    9

    Sportfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    3,44

    10

    Winkelfunctie

    2

    3

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    2,12

    11

    Overige gebruiksfunctie

                                           
     

    a

    voor het stallen van motorvoertuigen

    6

    1

    2

    4

    *

    1

    2

    1

    2

    4

     

    b

    andere overige gebruiksfunctie

    6

    1

    2

    3

    1

    2

    1

    2

    4

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                                           
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    5

    3

    3

     

    b

    andere tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer

    5

     

    c

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

    3

    1

    1

Artikel 3.67 (luchtverversing verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte met een minimum van 7 dm3/s.

  • 2. Een verblijfsruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de in tabel 3.66 aangegeven capaciteit per persoon.

  • 3. Onverminderd het eerste en tweede lid heeft een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel of met een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel voor warmwater een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 21 dm³/s. Een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel met een nominale belasting van meer dan 15 kW, of voor een warmwatertoestel dat geen open verbrandingstoestel is, blijft hierbij buiten beschouwing.

  • 4. Een voorziening voor luchtverversing voor meer dan een verblijfsruimte heeft een capaciteit die ten minste voldoet aan de hoogste waarde die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor een op die voorziening aangewezen verblijfsruimte.

  • 5. Een voorziening voor luchtverversing voor een verblijfsgebied dat bestaat uit meer dan een gemeenschappelijke verblijfsruimte heeft, in afwijking van het vierde lid, een capaciteit die ten minste voldoet aan de som van de waarden die volgens het eerste tot en met derde lid is bepaald voor de op die voorziening aangewezen verblijfsruimten.

  • 6. Een toiletruimte en een badruimte hebben een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste:

    • a. 7 dm3/s bij een toiletruimte; en

    • b. 14 dm3/s bij een badruimte.

Artikel 3.68 (luchtverversing overige ruimten)
  • 1. Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm3/s.

  • 2. Een schacht voor een lift heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die liftschacht.

  • 3. Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft een niet-afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte, of een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 100 dm³/s als de ruimte groter is dan 10 m2.

  • 4. Een stallingruimte voor motorvoertuigen heeft een voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste 3 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 5. Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer heeft afhankelijk van zijn bestemming en tunnellengte een voorziening voor luchtverversing met voldoende capaciteit. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de voorziening een mechanische voorziening voor luchtverversing.

Artikel 3.69 (luchtkwaliteit: plaats van de uitmonding)

Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:

  • a. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau ligt, ten minste 1 m boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

  • b. is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s.

Artikel 3.70 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
  • 1. De toevoer van verse lucht naar een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of alleen via de liftmachineruimte van buiten.

  • 2. De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt rechtstreeks van buiten plaats.

  • 3. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats.

Artikel 3.71 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
  • 1. De afvoer van binnenlucht uit een liftschacht voor een brandweerlift vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of alleen via de liftmachineruimte naar buiten.

  • 2. De afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar buiten plaats uit:

    • a. een toiletruimte;

    • b. een badruimte; en

    • c. een opslagruimte voor huishoudelijk afval.

  • 3. De afvoer van binnenlucht uit een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

  • 4. Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsruimte waarin zich een opstelplaats voor een kooktoestel bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

§ 3.3.3 Spuivoorziening
Artikel 3.72 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een voorziening voor het zo nodig snel kunnen afvoeren van sterk verontreinigde binnenlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.72 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.72

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    capaciteit

    spuivoorziening

       

    artikel

    3.73

       

    lid

    1

    2

    3

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    3

    2

    Bijeenkomstfunctie

         
     

    a

    voor kinderopvang

    1

    3

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.73 (capaciteit spuivoorziening)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een spuivoorziening met een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van de spuiventilatie van ten minste 3 dm³/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een gemeenschappelijke verblijfsruimte.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde capaciteit kan worden gerealiseerd met de in artikel 3.67 bedoelde voorziening voor luchtverversing.

§ 3.3.4 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht
Artikel 3.74 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas waarmee een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.74 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.74

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    capaciteit: afvoer van rookgas

    capaciteit: toevoer van

    verbrandingslucht

    rookdoorlatendheid

       

    artikel

    3.75

    3.76

    3.77

    3.78

       

    lid

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    3

    *

Artikel 3.75 (aanwezigheid)
  • 1. Een ruimte met een verbrandingstoestel heeft voorzieningen voor de afvoer van rookgas en de toevoer van verbrandingslucht. Dit is niet van toepassing op een verblijfsruimte met een of meer kook- of warmwatertoestellen met open verbranding met een nominale belasting van niet meer dan 15 kW per toestel.

  • 2. Een open verbrandingstoestel is niet opgesteld in een toiletruimte of badruimte.

Artikel 3.76 (capaciteit: afvoer van rookgas)
  • 1. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit.

  • 2. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

  • 3. Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.

  • 4. Rookgas stroomt, bepaald volgens NEN 8757, vanaf een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.77 (capaciteit: toevoer van verbrandingslucht)
  • 1. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8087 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde capaciteit.

  • 2. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

  • 3. De richting van de luchtstroming voor de toevoer van verbrandingslucht gaat vanuit de voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht naar een verbrandingstoestel. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing.

Artikel 3.78 (rookdoorlatendheid)

Het inwendig oppervlak van een overdrukvoorziening voor de afvoer van rookgas heeft, ter voorkoming van verspreiding van voor de gezondheid schadelijke bestanddelen uit de rook, een volgens NEN 8757 bepaalde doorlatendheid die bij een drukverschil van 200 Pa niet groter is dan 0,006 x 10-3m3/s per m2.

§ 3.3.5 Bescherming tegen ratten en muizen
Artikel 3.79 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.79 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.79

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

           

    openingen

         

    artikel

    3.80

         

    lid

    1

    2

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    3

    Celfunctie

    1

    2

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    7

    Logiesfunctie

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.80 (openingen)
  • 1. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit is niet van toepassing op een afsluitbare opening en een uitmonding van:

    • a. een voorziening voor luchtverversing;

    • b. een afvoervoorziening voor rookgas; en

    • c. een ont- en beluchting van een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een grotere opening toegestaan voor een nest of een vaste rust- of verblijfplaats voor bij of krachtens de Wet natuurbescherming beschermde diersoorten.

§ 3.3.6 Daglicht
Artikel 3.81 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.81 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.81

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

    waarden

         

    daglichtoppervlakte

    daglichtoppervlakte

       

    artikel

    3.82

    3.82

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    1

                         

    [m2]

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    8

    0,5

    2

    Bijeenkomstfunctie

                     
     

    a

    kinderopvang

    1

    2

    3

    4

    8

    0,5

     

    b

    andere bijeenkomstfunctie

    3

    Celfunctie

    1

    2

    3

    5

    8

    0,15

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    3

    6

    8

    0,5

    5

    Industriefunctie

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    3

    8

    0,5

    7

    Logiesfunctie

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    3

    7

    8

    0,5

    9

    Sportfunctie

    10

    Winkelfunctie

    11

    Overige gebruiksfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

Artikel 3.82 (daglichtoppervlakte)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.81 aangegeven oppervlakte.

  • 2. Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

    • a. blijven buiten het bouwwerkperceel gelegen belemmeringen buiten beschouwing;

    • b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de bouwwerkperceelsgrens liggen buiten beschouwing waarbij, als het bouwwerkperceel grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van die weg, dat water of dat groen; en

    • c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek α, bedoeld in NEN 2057 voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

  • 4. Het eerste lid geldt niet voor een bedruimte.

  • 5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan in een celeenheid of andere ruimte voor het insluiten van personen worden volstaan met het waarneembaar zijn van de dag- en nachtcyclus.

  • 6. Het eerste lid geldt alleen voor een bedruimte.

  • 7. Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

  • 8. Als de op grond van het eerste tot en met zevende lid vereiste equivalente daglichtoppervlakte groter is dan de met artikel 4.147 vastgestelde ten minste aan te houden equivalente daglichtoppervlakte kan in plaats van het eerste tot en met de zevende lid artikel 4.147 worden toegepast.

AFDELING 3.4 DUURZAAMHEID

Artikel 3.83 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk is voldoende energiezuinig.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.83 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.83

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    energiebesparende maatregelen

    uitvoering van aanbevelingen bij

    het energielabel

    afbakening maatwerkvoorschriften

    energiebesparende maatregelen

    overgangsrecht:

    energiebesparende maatregelen

       

    artikel

    3.84

    3.85

    3.86

    3.87

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

    1

    2

    3

    4

    *

    *

    *

Artikel 3.84 (energiebesparende maatregelen)
  • 1. Aan een gebouw of gedeelte daarvan worden alle energiebesparende maatregelen getroffen met een terugverdientijd van ten hoogste 5 jaar.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. op een gebouw of gedeelte daarvan, waarop artikel 5.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is;

    • b. op een gebouw waarvan het energieverbruik van het totaal aan activiteiten in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen; of

    • c. op een gebouw of gedeelte daarvan:

      • 1°. als bedoeld in artikel 6.28; of

      • 2°. als bedoeld in artikel 3.85.

  • 3. Bij gebouwen op hetzelfde bouwwerkperceel of op een aangrenzend bouwwerkperceel van dezelfde eigenaar of gebruiker wordt voor de bepaling van het in het tweede lid bedoelde energieverbruik uitgegaan van het gezamenlijke energieverbruik van die gebouwen.

  • 4. Aan het eerste lid is in ieder geval voldaan door het treffen van de bij ministeriële regeling vastgestelde energiebesparende maatregelen.

Artikel 3.85 (uitvoering van aanbevelingen bij het energielabel)

Een overheidsinstantie voert voor een gebouw of gedeelte daarvan, dat in haar eigendom is, de in artikel 6.29, eerste lid, bedoelde aanbevelingen uit binnen de geldigheidsperiode van het energielabel.

Artikel 3.86 (afbakening maatwerkvoorschriften energiebesparende maatregelen)

Een maatwerkvoorschrift over artikel 3.84 kan alleen inhouden het toestaan van een gefaseerde uitvoering van de in artikel 3.84, eerste lid, bedoelde maatregelen.

Artikel 3.87 (overgangsrecht: energiebesparende maatregelen)

De artikelen 3.83, 3.84 en 3.86 zijn van toepassing tot en met 31 december 2020.

AFDELING 3.5 BRUIKBAARHEID

§ 3.5.1 Verblijfsgebied en verblijfsruimte
Artikel 3.88 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft een verblijfsgebied dat bruikbaar is voor de voor de woonfunctie kenmerkende activiteiten.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.89 (aanwezigheid)

Een woonfunctie heeft een vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 aan niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied.

Artikel 3.90 (afmetingen verblijfsgebied en verblijfsruimte)
  • 1. In ten minste een verblijfsgebied ligt een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 7,5 m2 en een breedte van ten minste 2,4 m.

  • 2. Een verblijfsgebied en een verblijfsruimte hebben boven de vloer een hoogte van ten minste 2,1 m.

§ 3.5.2 Toiletruimte
Artikel 3.91 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft voldoende toiletruimte.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.92 (aanwezigheid toiletruimte)

Een woonfunctie heeft een toiletruimte.

Artikel 3.93 (afmetingen toiletruimte)

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 3.92 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,64 m2, met een breedte van ten minste 0,6 m en een hoogte boven de vloer van ten minste 2 m.

§ 3.5.3 Opstelplaatsen
Artikel 3.94 (aansturingsartikel)
  • 1. Een woonfunctie heeft opstelplaatsen voor een aanrecht en voor een kooktoestel.

  • 2. Als voor een woonfunctie in tabel 3.94 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.94

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    aanwezigheid

    opstelplaatsen

    afmetingen opstelplaatsen

       

    artikel

    3.95

    3.96

       

    lid

    *

    1

    2

    1

    Woonfunctie

         
     

    a

    voor zorg

     

    b

    andere woonfunctie

    *

    1

    2

    Alle niet hierboven genoemde gebruiksfuncties

Artikel 3.95 (aanwezigheid opstelplaatsen)

Een woonfunctie heeft een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel die in een besloten ruimte liggen.

Artikel 3.96 (afmetingen opstelplaatsen)
  • 1. Een opstelplaats voor een aanrecht als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,7 m x 0,4 m.

  • 2. Een opstelplaats voor een kooktoestel als bedoeld in artikel 3.95 heeft een vloeroppervlakte van ten minste 0,4 m x 0,4 m.

AFDELING 3.6 TOEGANKELIJKHEID, BEREIKBAARHEID VANAF DE OPENBARE WEG

Artikel 3.97 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk met een toegankelijkheidssector is vanaf de openbare weg toegankelijk voor personen met een functiebeperking.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door toepassing van de regels in deze afdeling.

Artikel 3.98 (bereikbaarheid van een gebouw)
  • 1. Ten minste een route tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector van een gebouw loopt over een pad of steiger met:

    • a. een breedte van ten minste 1,1 m; en

    • b. bij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 3.2.4.

  • 2. Een doorgang waardoor een in het eerste lid bedoelde route voert heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een vrije hoogte van ten minste 2 m.

AFDELING 3.7 BOUWWERKINSTALLATIES

§ 3.7.1 Verlichting
Artikel 3.99 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden gebruikt en verlaten.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.99 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.99

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    verlichting

    noodverlichting

    aansluiting op voorziening

    voor elektriciteit

    verduisterde ruimte

    overgangsrecht: noodverlichting

       

    artikel

    3.100

    3.101

    3.102

    3.103

    3.104

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    2

    3

    4

    5

    *

    *

    *

    1

    Woonfunctie

    4

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    3

    Celfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    5

    Industriefunctie

                             
     

    a

    lichte industriefunctie

    *

     

    b

    andere industriefunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    6

    Kantoorfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    7

    Logiesfunctie

                             
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    4

    1

    3

    5

    *

    *

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

                             
     

    a

    voor het personenvervoer

    2

    3

    4

    2

    3

    5

    *

    *

    *

     

    b

    voor het stallen van motorvoertuigen

    2

    4

    2

    3

    5

    *

    *

    *

     

    c

    andere overige gebruiksfunctie

    4

    *

    *

    *

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

                             
     

    a

    wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m

    4

    5

    3

    4

    5

    *

    *

     

    b

    ander bouwwerk geen gebouw zijnde

    4

    3

    5

    *

    *

    *

Artikel 3.100 (verlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 3. Een overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 heeft in een boven het meetniveau gelegen functieruimte een verlichtingsinstallatie die een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 4. Een besloten ruimte waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

  • 5. Een wegtunnelbuis heeft een verlichtingsinstallatie die een op een vloer en een tredevlak gemeten verlichtingssterkte kan geven van ten minste 1 lux.

Artikel 3.101 (noodverlichting)
  • 1. Een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert, hebben noodverlichting.

  • 2. Een onder het meetniveau gelegen functieruimte als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid, heeft noodverlichting.

  • 3. Een besloten ruimte als bedoeld in artikel 3.100, vierde lid, heeft noodverlichting.

  • 4. Een wegtunnelbuis heeft noodverlichting.

  • 5. Noodverlichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit gedurende ten minste 60 minuten een op een vloer, een tredevlak of een hellingbaan gemeten verlichtingssterkte van ten minste 1 lux.

Artikel 3.102 (aansluiting op voorziening voor elektriciteit)

Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in de artikelen 3.100 en 3.101 is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit.

Artikel 3.103 (verduisterde ruimte)

Een ruimte bestemd om te worden verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen heeft zodanige voorzieningen dat tijdens de verduistering een redelijke oriëntatie mogelijk is.

Artikel 3.104 (overgangsrecht: noodverlichting)

Zolang de indeling van een bouwwerk of een gedeelte daarvan niet verandert en het aantal personen in dat bouwwerk of gedeelte niet groter is dan het onmiddellijk voorafgaand aan 1 april 2012 voor dat bouwwerk toegestane aantal personen blijft op dat bouwwerk of gedeelte artikel 3.101 buiten toepassing als dat bouwwerk of dat gedeelte daarvan voldoet aan de artikelen 2.66 en 2.67 van het Bouwbesluit 2003 zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan 1 april 2012.

§ 3.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie
Artikel 3.105 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie is die voorziening veilig zodat er geen sprake kan zijn van ongevallen zoals elektrocutie, verstikking, brandwonden of verwonding door explosies.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.106 (voorziening voor elektriciteit)

Een voorziening voor elektriciteit voldoet aan:

  • a. NEN 1010 bij lage spanning;, en

  • b. de door de Hoofdcommissie voor de Normalisatie uitgegeven leidraad V 1041 bij hoge spanning.

Artikel 3.107 (voorziening voor gas)

Een voorziening voor gas voldoet aan:

  • a. NEN 8078 bij een nominale werkdruk van ten hoogste 0,5 bar; en

  • b. NEN 2078 bij een nominale werkdruk hoger dan 0,5 bar en lager dan 40 bar.

§ 3.7.3 Watervoorziening
Artikel 3.108 (aansturingsartikel)
  • 1. Bij een bouwwerk met een voorziening voor drinkwater of warmwater is die voorziening zodanig dat de gezondheid niet nadelig kan worden beïnvloed als gevolg van het vrijkomen, ontstaan of ontwikkelen van gevaarlijke stoffen of biologische agentia in drinkwater of warmwater.

  • 2. Aan de in het eerste lid gestelde eis wordt voldaan door naleving van de regels in deze paragraaf.

Artikel 3.109 (drinkwatervoorziening)

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan NEN 1006.

Artikel 3.110 (warmwatervoorziening)

Een voorziening voor warmwater voldoet aan NEN 1006.

§ 3.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Artikel 3.111 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater of hemelwater dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.111 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.111

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    afvoer van huishoudelijk

    afvalwater

    afvoer van hemelwater

       

    artikel

    3.112

    3.113

       

    lid

    1

    2

    *

    1

    Woonfunctie

    1

    2

    *

    2

    Bijeenkomstfunctie

    1

    2

    *

    3

    Celfunctie

    1

    2

    *

    4

    Gezondheidszorgfunctie

    1

    2

    *

    5

    Industriefunctie

    1

    2

    6

    Kantoorfunctie

    1

    2

    *

    7

    Logiesfunctie

         
     

    a

    in een logiesgebouw

    1

    2

    *

     

    b

    andere logiesfunctie

    1

    2

    8

    Onderwijsfunctie

    1

    2

    *

    9

    Sportfunctie

    1

    2

    *

    10

    Winkelfunctie

    1

    2

    *

    11

    Overige gebruiksfunctie

    1

    2

    12

    Bouwwerk geen gebouw zijnde

    1

    2

Artikel 3.112 (afvoer van huishoudelijk afvalwater)
  • 1. Een gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel heeft voor dat lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater.

  • 2. Een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater als bedoeld in het eerste lid heeft een zodanige capaciteit dat elk daarop aangesloten lozingstoestel binnen 5 minuten kan worden geleegd en een lucht- en waterdichtheid die voldoen aan NEN 3215.

Artikel 3.113 (afvoer van hemelwater)

Een binnen een bouwwerk gelegen voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater is, bepaald volgens NEN 3215, lucht- en waterdicht.

§ 3.7.5 Tijdig vaststellen van brand
Artikel 3.114 (aansturingsartikel)
  • 1. Een bouwwerk heeft zodanige voorzieningen dat brand tijdig kan worden ontdekt zodat veilig kan worden gevlucht.

  • 2. Als voor een gebruiksfunctie in tabel 3.114 regels zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan het eerste lid voldaan door naleving van die regels.

    Tabel 3.114

    gebruiksfunctie

    leden van toepassing

         

    brandmeldinstallatie

    melding en doormelding

    rookmelders

       

    artikel

    3.115

    3.116

    3.117

       

    lid

    1

    2

    3

    4

    1

    2

    1

    2

    3

    4

    5

    1

    Woonfunctie

                         
     

    a

    zorgclusterwoning in een woongebouw

    1

    2

    1

    2

     

    b

    zorgclusterwoning niet in een woongebouw

    1

    2

     

    c

    groepszorgwoning voor 24-uurszorg

    1

    2

    1

    2

     

    d

    groepszorgwoning niet voor 24-uurszorg

    1