Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2015, 337AMvB

Besluit van 18 september 2015 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/38586, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU 2010, L 334), richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365), richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG 1991, L 135), richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327), richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312);

Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42, 8.42a, 9.5.1 tot en met 9.5.3, 10.2, tweede lid, en 10.32 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onder i, 2.1, derde lid, 2.14, zesde lid, en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7, van de Waterwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 10 juli 2015, nr. W14.15.0062/IV;

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 september 2015, nr. IenM/BSK-2015/174813, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De volgende begrippen met de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Bs,dan:

geluidbelastingindicator inzake schietgeluid voor de dag, avond en nachtperiode, berekend overeenkomstig de berekeningsmethodiek inzake schietgeluid;

buitenschietbaan:

een schietbaan of een combinatie van schietbanen in de buitenlucht of in een gebouw of deel van een gebouw zonder een gesloten afdekking;

buitenschietbaan met beperkte onveilige zone:

buitenschietbaan met zodanige voorzieningen dat de onveilige zone wordt beperkt tot een gebied tussen het wapen en de kogelvanger;

dampterugwinningseenheid:

installatie voor de terugwinning van benzine uit damp of de omzetting naar elektrische energie of warmte uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;

EU-richtlijn industriële emissies:

EU-richtlijn industriële emissies als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

gaszak:

flexibele opslagvoorziening voor gassen;

helitraumacentrum:

een academisch ziekenhuis dat binnen de inrichting beschikt over een voorziening voor het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen en die voorziening hoofdzakelijk in gebruik heeft voor het regulier vervoeren van een mobiel medisch team;

kleiduiven:

kleiduiven als bedoeld in artikel 1 van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer;

kleiduivenbaan:

buitenschietbaan waarop wordt geschoten met hagelgeweren met als doel, kleiduiven of andere doelen in het kader van de oefening voor de jacht te raken;

laadportaal:

laadportaal als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van richtlijn 94/63;

LPG:

mengsel, bestaande uit hoofdzakelijk propaan, propeen, butanen en butenen;

LPG-afleverinstallatie:

reservoir inclusief de leidingen, appendages en toebehoren, de afleverzuilen en het vulpunt van het reservoir;

LPG-tankstation:

inrichting voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

LPG-tankwagen:

voertuig, gebouwd om LPG te vervoeren en uitgerust met één of meer vaste tanks;

mobiel medisch team:

team bestaande uit in ieder geval een arts en een verpleegkundige, ieder met een specifieke opleiding en ervaring op het gebied van de pre-hospitale spoedeisende medische hulpverlening;

munitie-QRA:

beoordeling van de veiligheidssituatie en het risico van voorgenomen activiteiten in de veiligheidszones van een militaire munitieopslagplaats;

natuurlijk koudemiddel:

koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gefluoreerd broeikasgas als bedoeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 dan wel een gereguleerde stof als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009, voor zover toegepast als koudemiddel;

NEG:

netto explosief gewicht, uitgedrukt als de massa van de explosieve stof of de massa van de explosieve stof in een ontplofbaar voorwerp;

NTA:

door de Stichting Nederlandse Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Technische Afspraak;

onveilige zone:

gebied waarin kogels dan wel hagel afkomstig uit vuurwapens kunnen neerkomen tijdens schieten op een buitenschietbaan;

ziekenhuis:

algemeen, academisch of categoriaal ziekenhuis als bedoeld in categorie 23.1, onderdeel a, onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht;

b. Het begrip «afleverinstallatie» met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

afleverinstallatie:

geheel van één of meer afleverzuilen, bestaande uit pompen, leidingen, meet en regelwerken, schakelaars en vulpistolen omgeven door een omkasting of daarmee direct in verbinding staand, met daaraan gekoppelde leidingen en appendages;

c. In de begripsomschrijving van «digestaat» vervalt: stabiel.

d. Het volgende begrip met de daarbij behorende begripsomschrijving vervalt:

NeR:

door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;

e. Het begrip «Nm3» met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

Nm3:

normaal kubieke meter;

f. Het begrip «NRB» met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

NRB:

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming;

g. Het begrip «oplosmiddeleninstallatie» met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

oplosmiddeleninstallatie:

installatie waarin activiteiten en processen als bedoeld in bijlage VII, deel 1, bij de EU-richtlijn industriële emissies plaatsvinden;

h. In de begripsomschrijving van «opslagtank» wordt «een opslagvoorziening» telkens vervangen door: een vormvaste opslagvoorziening.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies naar de lucht, verstaan onder:

    bron:

    emissie naar de lucht van een bewerkingseenheid al dan niet voorzien van emissiebeperkende voorzieningen en ongeacht de vraag of die emissie gecombineerd met andere emissies wordt geloosd op één of meer puntbronnen;

    ERP:

    emissierelevante parameter: meetbare of berekenbare grootheid die in directe of indirecte relatie staat met de te beoordelen emissies, onderverdeeld in de categorieën A en B, waarbij categorie A, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie en categorie B een kwalitatief beeld;

    grensmassastroom:

    een drempelwaarde per stofklasse, uitgedrukt in gram emissie per uur, waarboven een emissie naar de lucht als relevant beschouwd wordt;

    ISO-luchtcondities:

    temperatuur van 288 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

    kosteneffectiviteit:

    jaarkosten van emissiebeperkende maatregelen gedeeld door de emissiereductie, uitgedrukt in euro per kilogram emissiereductie;

    maximaal toelaatbaar risiconiveau:

    een op basis van wetenschappelijke gegevens afgeleide norm voor een stof die aangeeft bij welke concentratie in lucht:

    • voor ecosystemen geen onomkeerbaar nadelig effect te verwachten is;

    • voor de mens geen onomkeerbaar nadelig effect te verwachten is, of, met betrekking tot genotoxisch carcinogene stoffen, de kans op overlijden kleiner is dan 10-6 per jaar;

    meetmethode:

    het geheel van monsterneming, monsterbehandeling en analyse ten behoeve van de kwantificering van emissies;

    standaardluchtcondities:

    condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht;

    storingsemissie:

    de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in g/uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel. Deze wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom berekend uit het debiet vermenigvuldigd met de geldende emissieconcentratie;

    storingsfactor F:

    de storingsemissie gedeeld door de grensmassastroom;

    TEQ:

    toxische equivalentiefactor, te hanteren voor het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen;

    stofcategorie:

    clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische of chemische eigenschappen;

    stofklasse:

    onderverdeling binnen een stofcategorie op basis van vergelijkbare (toxicologische) eigenschappen;

    ERS:

    stofklasse van extreem risicovolle stoffen: persistente, gemakkelijk accumuleerbare en zeer toxische stof;

    gA:

    stofcategorie van gasvormige anorganische stoffen;

    gO:

    stofcategorie van gasvormige organische stoffen, met uitzondering van methaan;

    MVP:

    stofklasse van minimalisatieverplichte stoffen;

    puntbron:

    een gefixeerd punt van gekanaliseerde en daarmee in principe kwantificeerbare emissies naar de lucht;

    S:

    stofcategorie van zwevende deeltjes, uitgedrukt als totaal stof;

    sO:

    stofcategorie van stofvormige organische stoffen;

    sA:

    stofcategorie van stofvormige anorganische stoffen;

    ZZS:

    stofcategorie van zeer zorgwekkende stoffen, onderverdeeld in de stofklassen ERS, MVP1 en MVP2.

3. Het derde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

4. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen, in het belang van de bescherming van het milieu, regels worden gesteld over de aanwijzing van stoffen en de onderverdeling van stofklassen en stofcategorieën als bedoeld in het tweede lid.

B

In artikel 1.2 wordt de begripsomschrijving van «inrichting type A» als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f wordt «koudemiddel» vervangen door: synthetisch koudemiddel.

2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • h. waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

3. Onderdeel h (oud) wordt geletterd onderdeel i.

4. Onderdeel i (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer» vervangen door: bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4.

b. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 15°. het in werking hebben van een acculader;

  • 16°. Het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn;

C

Artikel 1.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt: de NeR of.

2. In het vijfde lid vervalt: de NeR en.

D

In artikel 1.3a wordt na «Dit besluit berust mede op de artikelen» ingevoegd: 8.42a, 9.5.1 tot en met 9.5.3,.

E

In artikel 1.5a wordt «en hoofdstuk 6» vervangen door: en in de artikelen 5.43 en 5.44, en in hoofdstuk 6.

F

Na artikel 1.5a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.5b

De bij of krachtens de artikelen 2.3b en 2.4 gestelde regels zijn niet van toepassing voor zover die regels niet verenigbaar zijn met internationale verdragen.

G

Artikel 1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdelen a en b, wordt «3.6 tot en met 3.6b» vervangen door: 3.6 tot en met 3.6g.

2. In het derde lid wordt «samenhangen» vervangen door: verband houden.

H

Artikel 1.7, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door: , en.

2. Onderdeel b vervalt.

3. Onderdeel c wordt geletterd onderdeel b.

I

Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het slot van onderdeel e wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

b. Aan het slot van onderdeel f wordt de punt vervangen door: , of.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. de melding betrekking heeft op een buitenschietbaan.

2. In het vierde en zevende lid wordt «de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12» vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, 2.20, 3.14a, 3.160.

3. In het vijfde lid wordt «6.12» vervangen door 2.17a.

4. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. Indien het een inrichting betreft als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht geeft het rapport tevens een beschrijving van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting op de zonegrens en op gevoelige objecten binnen de zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of aan de geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan.

5. In het tiende lid wordt na «windturbines» ingevoegd: , een buitenschietbaan.

J

In artikel 1.13a wordt «sloop-, renovatie en nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten» vervangen door: sloop-, of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

K

In artikel 1.17, vijfde lid, wordt «NTA 9065:2012» vervangen door: NTA 9065.

L

Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: ten minste 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

M

In artikel 1.19, onderdelen b en c, wordt «gpbv-installatie» vervangen door: IPPC-installatie.

N

Na artikel 1.21a wordt aan afdeling 1.2 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1.21b

  • 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een munitie-QRA gevoegd, die voldoet aan de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7, vijfde lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, indien sprake is van het binnen een inrichting die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht:

    • a. oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 worden opgeslagen;

    • b. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening;

    • c. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram NEG van deze klasse aanwezig is;

    • d. veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 wordt opgeslagen.

O

Artikel 2.1a, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting activiteiten worden verricht waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

P

In artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a en b, wordt «3.6a,» vervangen door «3.6, 3.6a, 3.6f, 3.6g,» en wordt na «4.74c» ingevoegd «, 4.74k».

Q

Artikel 2.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b wordt «NEN-EN-1483» vervangen door: NEN-EN-ISO 12846.

2. In onderdeel c wordt «NEN-EN-ISO 14403» vervangen door: NEN-EN-ISO 14403-1 of NEN-EN-ISO 14403-2.

3. a. In onderdeel o wordt «NEN 6604» vervangen door: NEN-ISO 15923-1:2013.

4. In onderdeel p wordt «NEN-ISO 5814» vervangen door: NEN-EN-ISO 5814.

R

Afdeling 2.3 komt te luiden:

Afdeling 2.3. Lucht en geur

Artikel 2.3a
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.8, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.

  • 3. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, tweede, derde en zesde lid niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in de hoofdstukken 3 en 4 emissie-eisen aan die stoffen zijn gesteld.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is artikel 2.7a, eerste, tweede en vierde lid, niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in hoofdstuk 3, 4 en 5 eisen aan geurhinder zijn gesteld.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is artikel 2.8 niet van toepassing op stoffen waarvoor op grond van hoofdstuk 5 een monitoringsbepaling geldt.

  • 6. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, 2.6 en 2.8 niet van toepassing op oplosmiddeleninstallaties die vallen onder afdeling 2.11.

Artikel 2.3b
  • 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een zeer zorgwekkende stof verstaan: een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over zeer zorgwekkende stoffen.

Artikel 2.4
  • 1. In afwijking van artikel 2.3a, eerste lid, is dit artikel, met uitzondering van het achtste lid, onder b, uitsluitend van toepassing op degene die een inrichting type C drijft.

  • 2. Emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum beperkt.

  • 3. Degene die een inrichting drijft van waaruit emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, overlegt elke vijf jaar informatie aan het bevoegd gezag over:

    • a. de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden;

    • b. de mogelijkheden om emissies van die stoffen te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken.

  • 4. In afwijking van het derde lid, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift toestaan dat:

    • a. aan de informatieverplichting niet hoeft te worden voldaan indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de bijdrage van emissies uit de inrichting aan het maximaal toelaatbaar risico, bedoeld in het vijfde lid, verwaarloosbaar is, of

    • b. de informatieverplichting, rekening houdend met de meest relevante zeer zorgwekkende stoffen, gefaseerd wordt uitgevoerd. Hierbij stelt het bevoegd gezag per stof een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie wordt aangeleverd.

  • 5. Indien bij activiteiten emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, leiden de emissiewaarden van die stoffen, genoemd in artikel 2.5, niet tot overschrijding van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van de immissieconcentratie van die stof.

  • 6. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van de bescherming van het milieu regels gesteld over:

    • a. het opstellen van de programma’s voor het voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperken van emissies van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in het derde lid;

    • b. het maximaal toelaatbaar risiconiveau en de vaststelling daarvan;

    • c. de bepaling van de immissieconcentratie, bedoeld in het vijfde lid.

  • 7. Indien voor een van de zeer zorgwekkende stoffen nog geen maximaal toelaatbaar risiconiveau is vastgesteld, is het vijfde lid niet van toepassing op die stof tot het moment waarop de vaststelling plaatsvindt.

  • 8. Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu, en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorie ZZS voor zover het betreft:

    • a. een inrichting type C, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de emissiewaarden, bedoeld in het vijfde lid, dan wel afwijken van de emissiewaarden in de tabellen 2.5 en 2.6 of de tijdelijk bij ministeriële regeling vastgestelde waarden als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, dan wel andere eisen stellen;

    • b. een inrichting type B, eisen stellen aan de situering en uitvoering van het afvoerpunt van emissies;

    • c. eisen stellen aan de emissies van diffuse bronnen.

  • 9. Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het achtste lid, wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, de kosten en baten en een integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 10. Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid en het achtste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

  • 11. De termijn van vijf jaar, genoemd in het derde lid, vangt aan:

    • a. op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 2.4. op de inrichting, of

    • b. in afwijking van onderdeel a, voor een inrichting waarvoor tot het toepassing worden van artikel 2.4 voor die inrichting in een vergunning een afwijkend tijdstip was vastgelegd, op dat afwijkende tijdstip.

Artikel 2.5
  • 1. Indien de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen in de stofcategorieën ZZS, sA en gO naar de lucht binnen eenzelfde stofklasse vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is de emissieconcentratie van die stofklasse per puntbron niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij die stofklasse.

  • 2. Voor stofklassen S en sO geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:

    • a. ten hoogste 5 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, groter of gelijk is aan 200 gram per uur, of

    • b. ten hoogste 20 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, kleiner is dan 200 gram per uur.

  • 3. Indien voor een bron geen filtrerende afscheider kan worden toegepast, emitteert deze bron in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, afzonderlijk ten hoogste 20 mg/Nm3.

  • 4. Onverminderd het eerste lid is voor de stofcategorieën ZZS, sA en gO in tabel 2.5 een emissiegrenswaarde voor alle bronnen afzonderlijk van toepassing indien:

    • a. de gedurende één uur optredende massastromen van stoffen uit een stofklasse genoemd in tabel 2.5 samen met de gedurende hetzelfde uur optredende massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere stofklasse genoemd in die tabel, vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde stofklasse overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofklassen per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hogere stofklasse;

    • b. de gedurende één uur optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één stofcategorie samen vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste stofklasse genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofcategorie per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hoogste stofklasse.

  • 5. Voor stoffen die in een andere stofklasse of stofcategorie worden ingedeeld kunnen, in afwijking van de waarden genoemd in tabel 2.5 en 2.6, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij ministeriële regeling voor de betreffende stof tijdelijk andere waarden worden vastgesteld.

  • 6. Indien in hoofdstuk 4 of bij ministeriële regeling als bedoeld in het vijfde lid, eisen zijn gesteld aan de emissie van stoffen in de stofcategorie ZZS wordt ten aanzien van de berekeningen in het eerste en vierde lid gerekend met de afwijkende massastroom en emissiegrenswaarde zoals opgenomen in de betreffende artikelen van hoofdstuk 4 of in de betreffende artikelen van de ministeriële regeling.

    Tabel 2.5

    Stofcategorie

    Stofklasse

    Grensmassastroom mg TEQ/jaar

    Emissiegrenswaarde

    ng TEQ /Nm3

    ZZS

    ERS

    20

    0,1

    Stofklasse

    Grensmassastroom g/uur

    Emissiegrenswaarde

    mg/Nm3

    MVP1

        0,15

      0,05

    MVP2

        2,5

      1

    sA

    sA.1

        0,25

      0,05

     

    sA.2

        2,5

      0,5

     

    sA.3

       10

      5

    gA

    gA.1

        2,5

      0,5

     

    gA.2

       15

      3

     

    gA.3

      150

     30

     

    gA.4

    2.000

     50

     

    gA.5

    2.000

    200

    gO

    gO.1

      100

     20

     

    gO.2

      500

     50

     

    gO.3

      500

    100

Artikel 2.6

Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens gelden in afwijking van artikel 2.5 en de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in hoofdstuk 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, de daarin genoemde emissiegrenswaarden niet voor de emissie van die bron.

Tabel 2.6

Stofcategorie

Stofklasse

Vrijstellingsgrens

(mg TEQ/jaar)

ZZS

ERS

20

Stofklasse

Vrijstellingsgrens

(kilogram per jaar)

MVP1

    0,075

MVP2

    1,25

S

S

  100

sO

sO

  100

sA

sA.1

    0,125

 

sA.2

    1,25

 

sA.3

    5

gA

gA.1

    1,25

 

gA.2

    7,5

 

gA.3

  75

 

gA.4

1.000

 

gA.5

1.000

gO

gO.1

   50

 

gO.2

  250

 

gO.3

  250

Artikel 2.7
  • 1. Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen dan wel eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken. Daarbij worden in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast.

  • 2. Ten aanzien van de technische kenmerken wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, kosteneffectiviteit en integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 3. Het bevoegd gezag stelt de kosteneffectiviteit van maatregelen vast volgens de rekenmethode in bijlage 2 en de waarden, bedoeld in het vierde tot en met het zesde lid.

  • 4. Een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), vluchtige organische stoffen (VOS) of totaal stof is in ieder geval kosteneffectief indien de berekende waarde lager is dan de laagste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

    Tabel 2.7
     

    Afwegingsgebied (€/kg)

    NOx

    5 – 20

    SO2

    5 – 10

    VOS

    8 – 15

    Stof

    8 – 15

  • 5. Een maatregel met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, is niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan de hoogste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

  • 6. Indien de berekende kosteneffectiviteit van een maatregel, met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, binnen het afwegingsgebied van tabel 2.7 ligt, bepaalt het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of die maatregel in een individueel geval kosteneffectief is.

  • 7. Indien een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen wordt overgelegd om te kunnen voldoen aan de artikelen 2.5 en 2.6.

  • 8. Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, en alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld indien:

    • a. de inrichting een andere maatregel heeft gekozen dan de maatregel die is erkend op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.7;

    • b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel onderhoud nodig is dan wel er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte van de emissies;

    • c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven, of

    • d. de grootte van de emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.

  • 9. Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door degene die de inrichting drijft, wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.

Artikel 2.7a
  • 1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

  • 2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.

  • 3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:

    • a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

    • b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

    • c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;

    • d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;

    • e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en

    • f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift:

    • a. geuremissiewaarden vaststellen;

    • b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of

    • c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 2.8
  • 1. Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast maar degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3, 4 of 5 zijn gesteld:

    • a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag eenmalig aangetoond dat de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3, 4 of 5 vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden, of

    • b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag, indien één of meer grensmassastromen als bedoeld in de hoofdstukken 3, 4, en 5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.

  • 2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.

  • 3. Indien op grond van artikel 2.5 en artikel 2.6 emissiegrenswaarden gelden dan worden de emissies gecontroleerd op basis van een controleregime als bedoeld in tabel 2.8.

    Tabel 2.8

    storingsfactor F

    Controleregime

    Mogelijke controlevormen

    F < 3

    0

    ERP’s cat. B

    3 < F < 30

    1

    Meting eenmalig + ERP’s cat. B

    30 < F < 300

    2

    Meting 1 x per 3 jaar + ERP’s cat. B

    300 < F < 3.000

    3

    Meting 1 x per jaar + ERP’s cat. B

    Bij sterke fluctuaties: controleregime 4

    F > 3.000

    4

    Continue meting of

    ERP’s cat. A of

    Meting 2 x per jaar + ERP’s cat. B

  • 4. De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 2.8. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift van de in tabel 2.8 opgenomen controlevormen afwijken.

  • 5. Voor zover de controlevorm een ERP voorschrijft, toont de drijver van de inrichting aan:

    • a. welke ERP’s dienen om de emissies van een specifieke component te controleren;

    • b. binnen welke grenzen van de waarden van de ERP’s wordt voldaan aan de emissie-eisen.

  • 6. De metingen van emissies waarvoor grenswaarden gelden als bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4 worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerde meetinstantie. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift hiervan afwijken.

  • 7. Voor de resultaten van emissiemetingen of controle van ERP’s geldt dat:

    • a. deze worden vastgelegd in een rapport;

    • b. de resultaten van emissiemetingen worden gerapporteerd bij standaard luchtcondities voor temperatuur en druk, en bij droog afgas;

    • c. de resultaten van emissiemetingen worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid;

    • d. emissies van verbrandingsprocessen worden herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

      • 1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;

      • 2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of

      • 3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.

    • e. het resultaat van afzonderlijke emissiemetingen de emissiegrenswaarde niet mag overschrijden;

    • f. de daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continu metingen, niet hoger mag zijn dan de emissiegrenswaarde, en

    • g. geen van de halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continu metingen, hoger mag zijn dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.

  • 8. De metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, en in het vierde lid, met inbegrip van berekeningen en bepalingen van ERP’s, de registratie en rapportage van de meting, voldoen, ten behoeve van de bescherming van het milieu, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 2.8a

Voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, tot 1 januari 2021 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

S

Artikel 2.8a (oud) wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2.8a wordt vernummerd tot artikel 2.8b.

2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover binnen de inrichting activiteiten worden verricht waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

T

In artikel 2.9, tweede lid, wordt «bodembeschermde voorzieningen» vervangen door: bodembeschermende voorzieningen.

U

Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9a

  • 1. In afwijking van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico wordt gerealiseerd, indien:

    • a. voor 1 januari 2008 binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd, of

    • b. tot het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gesteld indien het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet kan worden gevergd en is voldaan aan het derde lid.

  • 3. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt een plan van aanpak gevoegd, waarin ten minste is vastgelegd:

    • a. de wijze waarop het monitoringssysteem wordt uitgevoerd;

    • b. de bodemkwaliteit op dat moment, zoals die is onderzocht en vastgelegd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

    • c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem wordt hersteld door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

    • d. de kosten die daarvoor worden geraamd en de wijze waarop hiervoor financiële zekerheid wordt gesteld.

  • 4. Het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd maakt deel uit van het maatwerkvoorschrift.

  • 5. Onder een aanvaardbaar bodemrisico als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een situatie als bedoeld in de NRB waarin een bodemrisico aanvaardbaar is gemaakt middels een monitoringssysteem en door het anticiperen op het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem.

  • 6. Het monitoringssysteem als bedoeld in het derde en vijfde lid voldoet aan bijlage 3 van deel 3 van de NRB en wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

V

Het opschrift van afdeling 2.5 komt te luiden:

Afdeling 2.5. Doelmatig beheer van afvalstoffen

W

Artikel 2.12 komt te luiden:

Artikel 2.12

  • 1. Onverminderd artikel 10.54a, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden voorafgaand aan het afvalstoffenbeheer gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen het verdunnen, met andere categorieën van afvalstoffen of met andere stoffen of materialen.

  • 2. Het is verboden afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 3. Het is verboden afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, afkomstig van buiten de inrichting, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, voor zover het mengen bij ministeriële regeling is toegestaan.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden, voor toepassing van dit artikel, categorieën van afvalstoffen aangewezen.

X

Artikel 2.14a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het is verboden afvalstoffen te verbranden.

Y

Artikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

2. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een gefaseerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, toestaan waarbij rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting. Hierbij stelt het bevoegd gezag per maatregel een redelijke termijn vast waarbinnen die maatregel moet zijn uitgevoerd.

3. Het tweede tot en met vijfde lid (oud) worden vernummerd tot derde tot en met zesde lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

Z

Na artikel 2.16 wordt aan afdeling 2.7 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2.16a

Tot het tijdstip waarop artikel 2.16 in werking treedt, is artikel 2.1, vierde lid, van toepassing op het vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting.

AA

Artikel 2.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17a ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.

2. Het vierde lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17d ook gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting, en

BB

Na artikel 2.17 wordt een artikel ingevoegd toegevoegd, luidende:

Artikel 2.17a

  • 1. De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a onderscheidenlijk 2.17g worden met 5 dB(A) verhoogd indien tot het van toepassing worden van artikel 2.17 op een inrichting, op grond van een voorschrift als bedoeld in het derde lid van dat artikel hogere waarden golden.

  • 2. Indien in een milieuvergunning die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in artikel 2.17a, derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.

  • 3. De voorschriften, bedoeld in artikel 2.17, eerste en tweede lid zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer, voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer en voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.

  • 4. In afwijking van artikel 2.17, vijfde lid, gelden voor inrichtingen als bedoeld in dat lid, waarop tot 1 januari 2013, bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw van toepassing was, tot 1 januari 2016 de geluidswaarden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.

  • 5. Een gemeentelijke verordening als bedoeld in voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, berust met ingang van die datum op artikel 2.17, zevende lid.

  • 6. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit artikel 2.17 niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk in een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.

CC

Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12» vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

2. In het tweede tot en met vierde lid wordt «artikel 2.17, 2.20 dan wel 6.12» vervangen door: artikel 2.17, 2.17a dan wel 2.20.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was, en waarvoor voor muziekgeluid een bedrijfsduurcorrectie werd toegepast, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is voor de toetsing van geluidsniveaus tussen 23.00 en 07.00 uur.

  • 10. Indien op grond van het maatwerkvoorschrift, bedoeld in het negende lid, een bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast, is het door de inrichting veroorzaakte geluidsniveau gedurende de bedrijfstijd tussen 23.00 en 07.00 uur niet hoger dan op grond van artikel 2.17 is toegestaan tussen 19.00 en 23.00 uur.

DD

Na artikel 2.19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.19a

  • 1. Tot de inwerkingtreding van artikel 2.19 zijn het tweede tot en met vierde lid van toepassing.

  • 2. Artikel 2.17 is niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven, dat bij of krachtens een verordening als zodanig is aangewezen.

  • 3. In een gebied als bedoeld in het tweede lid bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval niet meer:

    • a. dan de in tabel 2.17 bedoelde waarden op de gevel of, als dat hoger is, het in dat gebied heersende referentieniveau;

    • b. dan de in tabel 2.19a aangegeven waarden binnen gevoelige gebouwen.

    Tabel 2.19a
     

    07.00–19.00 uur

    19.00–23.00 uur

    23.00–07.00 uur

    Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit dit artikel niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.

EE

Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede, vierde en zesde lid, wordt «de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12» vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 8. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van het eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting:

    • a. waarop tot het van toepassing worden van dit artikel op die inrichting, het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, het Besluit jachthavens milieubeheer, het Besluit motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was, en

    • b. die voor de inwerkingtreding van het in onderdeel a genoemde besluit dat van toepassing was, is opgericht.

  • 9. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van het eerste lid is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting waarop tot 1 januari 2008 het Besluit tankstations milieubeheer of het Besluit tandartspraktijken milieubeheer van toepassing was.

FF

In artikel 2.21, eerste lid, aanhef, wordt «de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12» vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

GG

Artikel 2.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12» wordt vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

b. Na «ongevallenbestrijding,« wordt ingevoegd: spoedeisende medische hulpverlening,.

2. In het tweede lid wordt «bij ongevallenbestrijding, brandbestrijding en gladheidbestrijding» vervangen door: ten behoeve van ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding en gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.

HH

In artikel 2.23a wordt «artikel 3.29, aanhef en onderdeel a of b» vervangen door: artikel 3.29, eerste lid.

II

In artikel 2.28, tabel 2.28a, activiteit 8, noot 4, wordt «artikel 2.29, vierde lid» vervangen door: artikel 2.29, vijfde lid.

JJ

Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel b, wordt «bedoeld in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut» vervangen door: bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het derde lid is niet van toepassing op het lozen dat is aangevangen voor het van toepassing worden van het eerste tot en met vijfde lid op de inrichting.

  • 7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het lozen in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het zesde lid, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde termijn wordt gestaakt.

KK

Aan artikel 3.4 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al regelmatig plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 5. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

LL

Aan artikel 3.5b worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op dat tijdstip een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is, dan is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten ten hoogste 1,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein dan wel buiten de bebouwde kom ten hoogste 3,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

  • 7. Voor een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in werking en onherroepelijk was, zijn het eerste, tweede, vijfde en zesde lid niet van toepassing op de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren of in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

  • 8. Bij de verandering van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in het vierde en zevende lid is de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten als gevolg van een zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de geurbelasting voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in het eerste en tweede lid niet worden overschreden.

MM

Artikel 3.5c komt te luiden:

Artikel 3.5c

De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, wordt bepaald volgens de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

NN

Na het opschrift van paragraaf 3.1.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.6.1

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden, sloop-, en renovatiewerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

OO

In artikel 3.6b, eerste lid wordt «sloop-, renovatie of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten» vervangen door: sloop-, of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

PP

Na artikel 3.6b worden aan afdeling 3.1 drie paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.1.7 Handelingen in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel 3.6c
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze paragraaf is tevens van toepassing op andere werkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam indien die plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.6d
  • 1. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden in dat oppervlaktewaterlichaam is toegestaan.

  • 2. Indien bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam de kwaliteit van de te baggeren of ontgraven waterbodem een bij ministeriële regeling aan te wijzen interventiewaarde overschrijdt, worden de werkzaamheden uitgevoerd overeenkomstig een werkplan, waarin maatregelen zijn beschreven waarmee het lozen zo veel mogelijk wordt beperkt. Het werkplan bevat in ieder geval de beschrijving van de toe te passen baggertechniek en de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 3.6e

Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.6c, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

§ 3.1.8 Lozen ten gevolge van schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 3.6f
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen ten gevolge van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor het opslaan, transporteren en de distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2. Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd en als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.

  • 3. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd.

  • 4. Het lozen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen, bedoeld in het tweede en derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater, bedoeld in het eerste lid, met geringe concentraties chemicaliën bij maatwerkvoorschrift toestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

§ 3.1.9 Lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen

Artikel 3.6g
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening met uitzondering van inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in categorie 26 van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht.

  • 2. Het lozen van afvalwater is toegestaan.

QQ

Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «6.20 tot en met 6.20c» vervangen door: 3.10q tot en met 3.10t.

b. Onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit in gevallen anders dan noodgevallen;.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel b vervalt.

b. De onderdelen c tot en met f worden geletterd b tot en met e.

RR

Artikel 3.9 komt te luiden:

Artikel 3.9

  • 1. Voor zover stookinstallaties onder de werkingssfeer van deze paragraaf vallen, zijn de artikelen 2.5, 2.7 en 2.8, derde tot en met negende lid, niet van toepassing.

  • 2. Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie.

SS

Artikel 3.10 komt te luiden:

Artikel 3.10

Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.

Tabel 3.10

Ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 megawatt of meer

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vaste vorm, met uitzondering van biomassa

100

200

5

Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa

120

200

5

Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een thermisch vermogen kleiner dan 5 megawatt heeft

275

200

20

Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een thermisch vermogen van 5 megawatt of groter heeft

145

200

5

Vergistinggas

70

200

Aardgas

70

 

Brandstof in gasvorm, met uitzondering van aardgas en vergistinggas

70 vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ per normaal kubieke meter, tot een verbrandingswaarde van 31,65 MJ per normaal kubieke meter, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt

 

TT

Artikel 3.10a, tabel 3.10a, komt te luiden:

Tabel 3.10a

Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 400 kilowatt en de 1 Megawatt

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa

120

200

20

Biomassa

300

200

40

Vergistinggas

70

200

Aardgas

70

 

Brandstof in gasvorm, met uitzondering van aardgas en vergistinggas

70 vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ per normaal kubieke meter, tot een verbrandingswaarde van 31,65 MJ per normaal kubieke meter, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt

 

Houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

300

200

40

UU

Artikel 3.10d, tabel 3.10d, komt te luiden:

Tabel 3.10d

Gasturbine

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vloeibare vorm,

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

200

15

aardgas

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

Brandstof, met uitzondering van brandstof in vloeibare vorm en aardgas

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

200

VV

Artikel 3.10e wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden vaststellen voor een dieselmotor met een thermisch vermogen van minder dan 600 kilowatt gelegen op een platform dat is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. De afwijkende emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden bedraagt ten hoogste 2.800 milligram per normaal kubieke meter.

  • 3. Degene die een inrichting drijft waartoe een dieselmotor als bedoeld in het tweede lid behoort, overlegt elke vijf jaar ten behoeve van het maatwerkvoorschrift een haalbaarheidsstudie, naar vermindering van de NOx-emissies door toepassing van emissiebeperkende maatregelen of alternatieve technieken, zoals zonne- en windenergie, gasmotoren en -turbines, Van de haalbaarheidsstudie maakt een kosteneffectiviteitsberekening deel uit.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.

  • 5. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zesde lid.

WW

Tabel 3.10f komt te luiden:

Tabel 3.10f

Gasmotor

Brandstof/vermogen

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

Thermisch vermogen kleiner dan 2,5 megawatt, met uitzondering van vergistinggas

340

 

Thermisch vermogen van 2,5 megawatt of groter, met uitzondering van vergistinggas

100

 

1.500

         

Vergistinggas ongeacht het thermisch vermogen

340

200

XX

Artikel 3.10n komt te luiden:

Artikel 3.10n

  • 1. In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, toegestaan indien:

    • a. het de verbranding in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of minder betreft;

    • b. het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en

    • c. de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

  • 2. In afwijking van artikel 2.12, tweede en derde lid, is het toegestaan verschillende categorieën van afvalstoffen, zijnde biomassa, te mengen bij de verbranding van biomassa mits wordt voldaan aan het eerste lid.

YY

Na artikel 3.10p worden aan paragraaf 3.2.1 vijf artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 3.10q

  • 1. In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

  • 2. Het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet met ingang van 1 januari 2017 aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f.

  • 3. In afwijking van het tweede lid voldoet het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.

  • 4. Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot de in het tweede of derde lid genoemde data bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.

  • 5. Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.

Artikel 3.10r

  • 1. In afwijking van de artikelen 3.10a of 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die tot 1 januari 2013 voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid.

  • 2. Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in de artikelen 3.10a of 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat:

    • a. de branders zijn vervangen;

    • b. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, of

    • c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in de artikelen 3.10a of 3.10b, met meer dan 10 procent.

  • 3. In afwijking van artikel 3.10a en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (1), totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.

    Tabel 3.10r (1)

    Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt

    Brandstof

    Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

    Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

    Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

    onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

    Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

    75

  • 4. In afwijking van de artikelen 3.10a en 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 500 kilowatt waarin biomassa wordt of houtpellets voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik zijn genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015 aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (2) totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.

    Tabel 3.10r (2)

    Ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 500 kilowatt

    Brandstof

    Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

    Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

    Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

    onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

    Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

    150

Artikel 3.10s

Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2017 onderscheidenlijk 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.

Artikel 3.10t

Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid.

Artikel 3.10u

In afwijking van artikel 3.10l, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in dat lid.

ZZ

Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «In inrichtingen» vervangen door: Voor inrichtingen.

2. In het derde lid vervalt: en de regionale brandweer.

3. In het vierde lid, onderdeel b, vervalt: periodieke.

4. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Het zesde lid is niet van toepassing op een gasdrukmeet- en regelstation:

    • a. waarop tot 1 januari 2008 het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was, is opgericht voor 1 december 2001 en waarvoor tot laatstgenoemde datum een vergunning in werking en onherroepelijk was, of

    • b. dat voor 1 januari 2008 is opgericht en waarvoor tot die datum een vergunning in werking en onherroepelijk was;

    voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de afstanden, bedoeld in tabel 3.12.

  • 10. Voor een gasdrukmeet- en regelstation als bedoeld in het negende lid zijn de afstanden opgenomen in de vergunning van toepassing.

  • 11. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de veiligheid, voor de situatie, bedoeld in het negende lid, voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de afstanden, genoemd in het zesde lid, tabel 3.12.

AAA

Artikel 3.14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «gevoelige gebouwen» ingevoegd: , tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein,.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In verband met een windturbine of een combinatie van windturbines waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10, kunnen bij ministeriële regeling maatregelen worden voorgeschreven die ertoe leiden dat binnen een bij die regeling te bepalen termijn aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein wordt voldaan in die gevallen waarin uit het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 1.11, negende lid, blijkt dat de geluidsbelasting die waarde overschrijdt.

  • 5. Bij de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met een windturbine of een combinatie van windturbines die behoort tot een andere inrichting waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10.

BBB

Aan artikel 3.15a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarvan waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10 ten aanzien van een kwetsbaar onderscheidenlijk beperkt kwetsbaar object, indien het plaatsgebonden risico ten gevolge van die windturbine of een combinatie van windturbines voor het betreffende kwetsbare onderscheidenlijk beperkt kwetsbare object voor 1 januari 2011 groter is dan 10-6 onderscheidenlijk 10-5 per jaar.

CCC

Artikel 3.16c komt te luiden:

Artikel 3.16c

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van:

  • a. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 kilogram kooldioxide,

  • b. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 5 kilogram koolwaterstoffen, of

  • c. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 en ten hoogste 1.500 kilogram ammoniak.

DDD

Artikel 3.16d komt te luiden:

Artikel 3.16d

  • 1. Een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Een koelinstallatie als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar gecontroleerd op het veilig functioneren.

  • 3. Een controle als bedoeld in het tweede lid wordt verricht door degene die het onderhoud uitvoert en beschikt over een vakbekwaamheidscertificaat als bedoeld in:

    • a. PGS 13 indien het een koelinstallatie met ammoniak als natuurlijk koudemiddel betreft,

    • b. NPR 7600 indien het een koelinstallatie met koolwaterstoffen als natuurlijk koudemiddel betreft,

    • c. NPR 7601 indien het een koelinstallatie met kooldioxide als natuurlijk koudemiddel betreft.

  • 4. Van de controle wordt een rapport opgemaakt dat aan de drijver van de inrichting ter beschikking wordt gesteld.

  • 5. In een kunstijsbaan met ammoniak als natuurlijk koudemiddel wordt een indirect koelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2010.

EEE

Na artikel 3.16p wordt aan paragraaf 3.2.8 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.16q

Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor 1 juli 2013.

FFF

Het opschrift van afdeling 3.3 komt te luiden:

Afdeling 3.3. Activiteiten met voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen

GGG

In artikel 3.17, tweede lid, vervalt: en vaartuigen.

HHH

Aan artikel 3.20 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 10. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, waarbij het afleveren van lichte olie plaatsvindt met een maximale afleversnelheid van 10 liter per minuut, die zijn opgericht voor 1 januari 2012, tot het moment waarop het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 11. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer anders dan ten behoeve van de openbare verkoop, die zijn opgericht voor 1 januari 2012, tot het moment waarop het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 12. Het tiende en elfde lid zijn met ingang van 1 januari 2019 niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer met een debiet van lichte olie van meer dan 3.000 kubieke meter per jaar.

  • 13. In afwijking van het vijfde lid wordt een systeem voor dampretour fase-II bij een inrichting die is opgericht voor 1 januari 2012 ten minste eenmaal per drie jaar op de goede werking gecontroleerd overeenkomstig de testprocedure, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, tot het moment dat het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 14. Het dertiende lid is met ingang van 1 januari 2019 niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer met een debiet van lichte olie van meer dan 3.000 kubieke meter per jaar.

III

Artikel 3.20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inpandige afleverinstallaties voor lichte olie die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2012.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin het inpandig afleveren van lichte olie is toegestaan, vindt het inpandig afleveren in het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan ten minste plaats via een EU-systeem voor dampretour fase-II.

  • 4. Op het inpandig afleveren van lichte olie, bedoeld in het derde lid, is artikel 3.20, derde tot en met achtste lid, alsmede de krachtens die leden en krachtens artikel 3.19 gestelde regels van toepassing.

JJJ

Aan artikel 3.23 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing indien voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

KKK

Aan artikel 3.23b worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een inrichting waar het wassen van motorvoertuigen of werktuigen plaatsvindt waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, indien op die inrichtingen tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing was.

  • 4. Het wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast in een inrichting als bedoeld in het derde lid, vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 5. Het lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het vierde lid vindt plaats in een vuilwaterriool waarbij ten minste wordt voldaan aan artikel 3.23c.

LLL

Artikel 3.23c, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

MMM

Artikel 3.23d, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

NNN

Artikel 3.24, aanhef, komt te luiden:

Onverminderd artikel 3.23d is het lozen op of in de bodem van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, toegestaan:

OOO

In de artikelen 3.26b, eerste lid, 3.38, tweede lid, 3.141, eerste lid, 3.143, eerste lid, 4.21, eerste lid, 4.23, eerste lid, 4.27a, eerste lid, 4.29, eerste lid, 4.31 b, eerste lid, 4.33, eerste lid, 4.34, eerste lid, 4.35, eerste lid, 4.40, eerste lid, 4.41, eerste lid, 4.42, eerste lid, 4.44, eerste lid, 4.45, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.50, eerste lid, 4.54, eerste lid, 4.58, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.62, eerste lid, 4.65, eerste lid, 4.68, eerste lid, 4.74b, eerste lid, 4.74f, eerste lid, 4.74j, tweede lid, 4.74s, eerste lid, 4.94, 4.94g, eerste lid, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, eerste en tweede lid, wordt «onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6» vervangen door: onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6.

PPP

Artikel 3.26c, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

QQQ

Artikel 3.26f vervalt.

RRR

Artikel 3.26h, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

SSS

Na artikel 3.26k wordt aan afdeling 3.3 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 3.3.6 Het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen

Artikel 3.26l
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen.

  • 2. De artikelen 2.17 tot en met 2.22 zijn niet van toepassing op het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen.

Artikel 3.26m

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat het geluidsvermogensniveau van hefschroefvliegtuigen die door hem worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger is dan 140 dB(A).

Artikel 3.26n

Degene die een ziekenhuis, niet zijnde een helitraumacentrum, drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder is aangewezen voor:

  • a. het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b. het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c. het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d. het vervoer van een lid van een mobiel medisch team dat, nadat het mobiel medisch team met een hefschroefvliegtuig op een ongevallenlocatie is ingezet, met een ongevalslachtoffer of zieke die spoedeisende medische zorg behoeft anders dan met een hefschroefvliegtuig naar het ziekenhuis is vervoerd;

  • e. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de opleiding en training van de piloot tot ten hoogste 20 vliegbewegingen per ziekenhuis per kalenderjaar.

Artikel 3.26o

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder aangewezen is voor:

  • a. het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b. het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c. het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d. het vervoer van mobiele medische teams, met inbegrip van apparatuur naar en van ongevallenlocaties;

  • e. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de komst van een ander hefschroefvliegtuig dat ongevalslachtoffers, zieken en pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, organen of transplantatieteams vervoert;

  • f. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig tot ten hoogste 400 vliegbewegingen per helitraumacentrum per kalenderjaar in verband met:

    • 1°. onderhoud of reparatie;

    • 2°. tankvluchten;

    • 3°. opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.

Artikel 3.26p
  • 1. Degene die het helitraumacentrum of het ziekenhuis, niet zijnde een helitraumacentrum drijft, registreert met betrekking tot het gebruik van zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen ten minste de volgende gegevens:

    • a. de reden voor het gebruik van de voorziening;

    • b. de tijd van vertrek;

    • c. de tijd van aankomst.

  • 2. De registratie wordt binnen twee werkdagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt en gedurende ten minste vijf jaar na het vastleggen in de registratie bewaard.

Artikel 3.26q

In afwijking van artikel 3.26m is het degene die op 1 februari 2003 een helitraumacentrum dreef, tot het moment van vervanging van het hefschroefvliegtuig dat op die datum werd ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams, toegestaan een hefschroefvliegtuig in te zetten met een geluidsvermogensniveau van ten hoogste 145 dB(A).

TTT

Artikel 3.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd.

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. De puntkomma aan het slot van onderdeel h wordt vervangen door: , of.

c. Aan het slot van onderdeel i wordt «, of» vervangen door een punt.

d. Onderdeel j vervalt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Deze paragraaf is ook van toepassing op het opslaan van een vloeibare bodembedreigende stof, die geen gevaarlijke stof of CMR-stof is, in een ondergrondse opslagtank van metaal of kunststof of in een betonnen constructie die geheel of gedeeltelijk ondergronds ligt.

UUU

Artikel 3.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «ondergrondse opslagtank» ingevoegd: of een betonnen constructie.

2. Aan het slot van onderdeel b wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

3. Aan het slot van onderdeel c wordt «of» toegevoegd.

4. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging,.

VVV

Artikel 3.30a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding »1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

WWW

Artikel 3.31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid en het derde lid, onderdeel a, wordt na «3.4.7,» ingevoegd: 3.4.11,.

2. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid is deze paragraaf van toepassing op het zeven van grond met een capaciteit daarvoor van minder dan 100.000 ton per jaar.

3. Het vierde lid (oud) wordt vernummerd tot vijfde lid.

XXX

Artikel 3.32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding »1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het zeven van grond.

YYY

Artikel 3.33 komt te luiden:

Artikel 3.33

  • 1. Het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen, is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

  • 2. Bij het in het oppervlaktewater lozen van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging.

  • 3. Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, is toegestaan.

  • 4. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen vindt slechts dan plaats indien het lozen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

  • 5. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste en vierde lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

  • 6. Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

ZZZ

Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, tabel 3.34, vervallen de parameter «Onopgeloste stoffen» en de emissiegrenswaarde «300 milligram per liter».

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Bij het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, ontstaat geen visuele verontreiniging.

3. In het zevende lid vervalt: waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

4. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. In afwijking van het zevende lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

AAAA

Aan artikel 3.36 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij het opslaan van autowrakken wordt ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

BBBB

In de artikelen 3.37, eerste lid, en 3.38, eerste en derde lid, wordt «bijlage 4.6 van de NeR» vervangen door: bijlage 3.

CCCC

Artikel 3.40 vervalt.

DDDD

Artikel 3.46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Na eerste lid worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opgeslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3. Indien het tweede lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren. Het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren vindt plaats:

    • a. in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken, of

    • b. op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object.

3. Het derde tot en met zevende lid (oud) worden vernummerd tot vijfde tot en met negende lid.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vierde lid» vervangen door: eerste lid en vierde tot en met zesde lid.

5. In het achtste lid (nieuw), aanhef, wordt «met inachtneming van de NeR» vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

6. In het negende lid (nieuw) wordt «Het eerste tot en met vierde lid is» vervangen door: Het eerste lid en vierde tot en met zesde lid zijn.

EEEE

In artikel 3.50, tweede lid, wordt voor «digestaat» ingevoegd: stabiel.

FFFF

Artikel 3.51 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het derde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor 1 januari 2013 en dat op grond van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel op grond van het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit mestbassins milieubeheer op een kleinere afstand is gelegen dan de afstand die zou gelden op grond van het eerste tot en met derde lid, de afstand tot een geurgevoelig object niet is afgenomen en verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

2. Het vierde tot en met tiende lid (oud) worden vernummerd tot zesde tot en met twaalfde lid.

3. In het zevende, achtste en tiende lid (nieuw), aanhef, wordt «vierde lid» vervangen door: zesde lid.

4. In het negende lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door: zevende lid.

5. In het elfde lid (nieuw) wordt «achtste lid» vervangen door: tiende lid.

6. In het twaalfde lid (nieuw), aanhef, wordt ««met inachtneming van de NeR» vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

GGGG

In artikel 3.52, aanhef, wordt voor «digestaat» ingevoegd: stabiel.

HHHH

Na artikel 3.54d worden aan afdeling 3.4 twee paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.4.10 Opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen

Artikel 3.54e

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.54f

Totdat voor inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht een omgevingsvergunning voor een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, van het Besluit omgevingsrecht, is verleend, wordt voor de toepassing van artikel 3.54g uitgegaan van de munitie-QRA, die is opgesteld volgens de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en op grond waarvan de op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.54g geldende, krachtens artikel 2.6.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening aangewezen veiligheidszones, zijn berekend.

Artikel 3.54g
  • 1. Gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 worden binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht zodanig opgeslagen of bewerkt dat:

    • a. de veiligheidszones van de activiteit niet groter zijn dan de veiligheidszones die volgen uit de munitie-QRA;

    • b. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 per opslagvoorziening niet groter is dan de hoeveelheid die is gebruikt in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit, en

    • c. de bouwkundige staat van de voorzieningen waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 worden opgeslagen gelijk is aan de staat waarvan is uitgegaan in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit.

  • 2. In of op elke voorziening voor het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 is duidelijk zichtbaar aangegeven welke hoeveelheid NEG per ADR klasse volgens het eerste lid, onderdeel b, aanwezig mag zijn.

  • 3. Indien sprake is van het gezamenlijk opslaan van de ADR klassen 1.1, 1.2 of 1.3, is de totale hoeveelheid NEG niet groter dan de maximaal toegestane hoeveelheid van de klasse met de meest dominante effecten, vastgesteld in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit.

  • 4. In afwijking van het derde lid is de totale hoeveelheid NEG van een gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 niet groter dan de toegestane hoeveelheid van de ADR klasse 1.1, indien de gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 kan reageren als ADR klasse 1.1.

  • 5. Bij het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§ 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest

Artikel 3.54h
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van verwijderd asbest:

    • a. bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet, of

    • b. dat afkomstig is van werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 ton.

  • 2. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een verwijderd asbesthoudend product.

Artikel 3.54i
  • 1. In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij het op- en overslaan van asbest ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Het op- en overslaan van asbest geeft geen stofverspreiding die met het blote oog waarneembaar is.

  • 3. Asbest is uitsluitend aanwezig in een container en verpakt in niet luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.

  • 4. Als de inrichtinghouder asbest van verschillende saneringen samenvoegt in een container, legt hij per container vast van welke saneringen het asbest afkomstig is. De drijver van de inrichting bewaart deze gegevens gedurende ten minste vijf jaar.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet.

IIII

Aan artikel 3.56 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid is een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast tot 1 januari 2017 aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd, indien deze lichtscherminstallatie is aangebracht voor 1 januari 2014.

  • 4. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 6. Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 7. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

JJJJ

Aan artikel 3.57 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 4. Op een kas als bedoeld in het derde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

KKKK

Aan artikel 3.58 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat onderdeel.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid is, indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, tot 1 januari 2017 gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 6. Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 7. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

LLLL

Aan artikel 3.59 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

MMMM

Aan artikel 3.63 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

NNNN

Aan artikel 3.64 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainagewater afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor tot het van toepassing worden van het eerste lid op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het eerste lid.

  • 4. Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainwater vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor tot het van toepassing worden van het tweede lid op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het tweede lid.

OOOO

Na artikel 3.74 wordt aan paragraaf 3.5.1 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.74a

Indien op 1 april 2002 door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd, en:

  • a. recirculatie plaatsvindt door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;

  • b. een drainagekoker gelegen is op een diepte van ten hoogste 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en ten hoogste 1,25 m onder het maaiveld;

  • c. ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater naar de bodem sijpelt;

  • d. door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan de in de onderdelen a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan en een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, binnen de inrichting wordt bewaard:

wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld.

PPPP

Aan artikel 3.76 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

QQQQ

Aan artikel 3.83 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. Het derde tot en met vijfde lid zijn tot 1 januari 2017 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden.

RRRR

Artikel 3.90 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «vijfde lid» vervangen door: zesde lid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van artikel 6.3, eerste lid, wordt bij een inrichting die per hectare waarop het telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt beschikt over een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter, een ontheffing die is verleend voor het in de bodem lozen van afvalwater als gevolg van het voor de waterbehandeling bij de teelt van gewassen zuiveren van water door omgekeerde osmose en die in werking en onherroepelijk was tot 1 januari 2013, tot 1 juli 2022 aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

SSSS

Aan artikel 3.91 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

TTTT

Aan artikel 3.102 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 12. In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

UUUU

Artikel 3.104 komt te luiden.

Artikel 3.104

Artikel 3.105 is van toepassing op het sorteren van gewassen.

VVVV

Artikel 3.105 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid en tweede lid, onderdeel a, vervalt: en transporteren.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool is verboden, tenzij het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en:

    • a. het afvalwater afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen, of

    • b. het is geleid door een zuiveringsvoorziening waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het vierde lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op het sorteren van gewassen die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van derden.

WWWW

Artikel 3.108 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «met inachtneming van de NeR» vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing indien het composteren plaatsvindt binnen een van de afstanden, bedoeld in dat lid, het composteren reeds plaatsvond voor 1 januari 2013 en verplaatsing redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

XXXX

Artikel 3.111, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De artikelen 3.112 tot en met 3.126 zijn niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

YYYY

Na artikel 3.114 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.114a

Totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit uitvoert als bedoeld in artikel 3.111 waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied een wijziging waarop artikel 3.113 of artikel 3.114 van toepassing is, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden en is de ammoniakemissie niet groter dan:

  • a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt tot het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of

  • b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt, tot het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer was gedaan.

ZZZZ

Na artikel 3.119 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.119a

  • 1. Totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 3.111 een wijziging waarop de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van toepassing zijn, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden, is de geurbelasting niet groter en is de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner dan:

    • a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen tot het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of

    • b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen, tot het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer is gedaan.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afstand tot een geurgevoelig object indien deze is afgenomen anders dan door wijziging van de inrichting.

AAAAA

Artikel 3.125 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Het vierde lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een luchtwassysteem dat is geïnstalleerd voor 1 januari 2013 en niet is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem als bedoeld in dat lid.

  • 9. Van een luchtwassysteem als bedoeld in het achtste lid worden tot 1 januari 2016 ten minste eenmaal per week de volgende gegevens geregistreerd:

    • a. de zuurgraad van het waswater;

    • b. de meterstand van de urenteller van de waswaterpomp;

    • c. de meterstand van de watermeter van de spuiwaterproductie in kubieke meter.

  • 10. De gegevens, genoemd in het achtste lid, worden gedurende ten minste drie jaar in de inrichting bewaard.

BBBBB

Na artikel 3.125 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.125a

  • 1. Aan een luchtwassysteem als bedoeld in artikel 3.125, achtste lid, wordt uiterlijk 1 juli 2015 een meting naar de emissiereductie van ammoniak uitgevoerd.

  • 2. Een meting als bedoeld in het eerste lid vindt plaats onder representatieve bedrijfscondities in de zomerperiode tussen 10.00 en 14.00 uur, waarbij de meting wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.8.

  • 3. Een afschrift van de rapportage van de meting wordt in de inrichting bewaard tot ten minste het tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de eerstvolgende meting.

  • 4. Indien uit de meting blijkt dat niet wordt voldaan aan de emissiereductie van ammoniak, genoemd in de systeembeschrijving, op grond waarvan krachtens artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij een emissiefactor voor dat huisvestingssysteem is vastgesteld, worden maatregelen getroffen om daar alsnog aan te voldoen en wordt binnen een jaar na het uitvoeren van de meting een herhalingsmeting uitgevoerd.

CCCCC

Na artikel 3.129b wordt aan afdeling 3.5 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 3.5.10. Kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen

Artikel 3.129c
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het vergisten van dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter mest per jaar.

  • 2. Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf eveneens van toepassing op het voor of na het vergisten, bedoeld in het eerste lid:

    • a. biologisch behandelen van dierlijke meststoffen;

    • b. opslaan van digestaat van het vergisten van dierlijke meststoffen, zolang dat nog biologisch actief is;

    • c. opslaan, bewerken en transporteren van vergistinggas met een capaciteit voor de opslag in opslagtanks van ten hoogste 20.000 liter.

Artikel 3.129d
  • 1. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen en de opslag van digestaat dat nog biologisch actief is, is gasdicht en voorzien van een overdrukbeveiliging.

  • 2. Het is verboden digestaat dat nog biologisch actief is buiten de inrichting te brengen of buiten de vergistingstank te mengen met andere dierlijke meststoffen.

  • 3. Bij het vergisten van dierlijke meststoffen en de opslag van digestaat dat nog biologisch actief is, is emissie van vergistinggas verboden anders dan een emissie via de overdrukbeveiliging die plaatsvindt als gevolg van een incident of via een fakkel of andere maatregel als bedoeld in het vijfde lid.

  • 4. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen, het opslaan van vergistinggas en het transporteren en bewerken van vergistinggas is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem dat de goede werking van de installatie controleert en de inrichtinghouder waarschuwt bij incidenten die kunnen leiden tot onveilige situaties of de emissie van vergistinggas meldt. De inrichtinghouder draagt er zorg voor dat binnen een uur na de waarschuwing actie wordt ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen.

  • 5. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de inrichtinghouder onvoldoende maatregelen treft om uitstoot van vergistinggas bij incidenten te voorkomen, bij maatwerkvoorschrift voorschrijven dat een fakkel of andere maatregel wordt toegepast om vergistinggas bij incidenten te verbranden.

Artikel 3.129e
  • 1. Vergistinggas bevat, op de plaats waar het de installatie, bedoeld in artikel 3.129d, eerste lid, verlaat, ten hoogste 430 milligram waterstofsulfide per normaal kubieke meter.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat vergistinggas dat de inrichting via een leiding verlaat ten hoogste 15 milligram ammoniak per normaal kubieke meter.

  • 3. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen heeft ten minste één monsternamepunt voor vergistinggas.

  • 4. Het vergistinggas wordt bij ingebruikname van de installatie en vervolgens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd op het gehalte waterstofsulfide en, indien het tweede lid van toepassing is, op het gehalte ammoniak.

  • 5. De resultaten van de analyses worden ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

  • 6. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de drijver van de inrichting bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het vierde en vijfde lid niet van toepassing zijn, indien de drijver van de inrichting zorgt voor een continue registratie van het gehalte waterstofsulfide en, indien het tweede lid van toepassing is, het gehalte ammoniak. In dat geval kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de toegepaste meetmethode en de verwerking van de meetonnauwkeurigheid.

Artikel 3.129f
  • 1. Tussen een gaszak met vergistinggas en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is de afstand ten minste 50 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de gaszak.

  • 2. Tussen een opslagtank voor vloeibaar biogas en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is de afstand ten minste 50 meter, gerekend vanaf het aftappunt van de opslagtank.

  • 3. Binnen de afstanden, genoemd in het eerste en tweede lid, is overnachting en recreatief verblijf door derden niet toegestaan.

Artikel 3.129g
  • 1. Een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten ligt op een afstand van ten minste 100 meter van een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen.

  • 2. Een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten ligt op een afstand van ten minste 50 meter van een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder als gevolg van het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:

    • a. de situering van de voorziening;

    • b. het gesloten uitvoeren van de voorziening;

    • c. de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, indien emissies worden afgezogen;

    • d. de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 3.129h

Bij het vergisten van dierlijke meststoffen en de activiteiten, bedoeld in artikel 3.129c, tweede lid, wordt ten behoeve van:

  • a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; of

  • c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

DDDDD

Aan artikel 3.131 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het vierde lid is niet van toepassing indien voor het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd.

  • 7. Indien op een inrichting voor 1 januari 2008 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd, geldt voor dat lozen een ontheffing die als maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vijfde lid wordt aangemerkt.

  • 8. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op een inrichting waarop van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit mestbassins milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was.

EEEEE

Artikel 3.134 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «het derde tot en met het zesde lid» vervangen door: het derde tot en met zevende lid.

2. In het vijfde lid wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het derde lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop dat lid op die inrichting van toepassing werd.

  • 7. Het derde lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

FFFFF

In de artikelen 3.137, eerste lid, aanhef, 3.138, eerste lid, 3.140, eerste en derde lid, 3.141, eerste en vierde lid, vervalt: voor menselijke consumptie.

GGGGG

Artikel 3.137, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel e wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

2. Aan het slot van onderdeel f wordt de punt vervangen door: , of.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • g. de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.

HHHHH

Artikel 3.139 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: bestemd voor menselijke consumptie.

2. In het vijfde lid wordt «het derde lid» vervangen door: het vierde lid.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Het zesde lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop dat lid op die inrichting van toepassing werd.

  • 9. Het zesde lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

IIIII

Artikel 3.140 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «neemt het bevoegd gezag de NeR in acht en houdt het rekening» vervangen door: is artikel 2.7a van overeenkomstige toepassing en houdt het bevoegd gezag rekening.

2. In het derde lid wordt «met inachtneming van de NeR» vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

JJJJJ

Artikel 3.156, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 2.12 is het bij een inrichting die voldoet aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen toegestaan afvalstoffen, zijnde grove huishoudelijke afvalstoffen, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen.

KKKKK

Na artikel 3.156 worden aan afdeling 3.8 drie paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.8.3. Buitenschietbanen

Artikel 3.157

Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op:

  • a. een buitenschietbaan die wordt gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht waar minder dan 3 miljoen schoten per jaar worden afgevuurd;

  • b. een buitenschietbaan, niet zijnde een buitenschietbaan als bedoeld onder a, met beperkte onveilige zone;

  • c. een kleiduivenbaan.

Artikel 3.158

In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het schieten op een buitenschietbaan ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

Artikel 3.159

De artikelen 2.17 tot en met 2.22 zijn niet van toepassing op een buitenschietbaan.

Artikel 3.160
  • 1. Een buitenschietbaan voldoet ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 50 dB Bs,dan op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in verband met nationale of operationele belangen bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen van ten hoogste 55 dB Bs,dan.

  • 3. De geluidvoorschriften in een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting waarvan een buitenschietbaan deel uitmaakt, die in werking en onherroepelijk was tot het tijdstip van het in werking treden van het eerste lid, blijven van toepassing gedurende ten hoogste vijf jaar na dat tijdstip dan wel tot het tijdstip waarop het gebruik, het wapentype of de constructie van de buitenschietbaan wordt gewijzigd dan wel tot het tijdstip waarop een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid, wordt opgelegd.

Artikel 3.161
  • 1. De berekening van de geluidbelasting wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. De drijver van de inrichting registreert de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens welke gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening worden bewaard en ter inzage gehouden.

Artikel 3.162

Bij het schieten op een buitenschietbaan wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriele regeling gestelde eisen.

§ 3.8.4 Coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten

Artikel 3.163

Deze paragraaf is van toepassing op het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten, anders dan hout.

Artikel 3.164

Het is verboden om in de buitenlucht planten of onderdelen van planten met behulp van een nevelspuit te coaten of lijmen.

Artikel 3.165

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 3.166

Degene die de inrichting drijft, treft bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen die zijn gesteld bij ministeriële regeling tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

Artikel 3.167

Bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;

  • b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;

  • c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, en

  • e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

§ 3.8.5 Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren

Artikel 3.168
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 3.169

Bij het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren wordt ten behoeve van:

  • a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, en

  • b. het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

LLLLL

In artikel 4a, aanhef, wordt na «gevaarlijke stoffen» ingevoegd: , CMR-stoffen.

MMMMM

Artikel 4.1a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

NNNNN

Artikel 4.5b wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

OOOOO

Artikel 4.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) vervalt: en derde.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door: derde lid.

PPPPP

Artikel 4.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) wordt «Het eerste en derde lid zijn» vervangen door: Het eerste lid is.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door: derde lid.

QQQQQ

Artikel 4.55 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) vervalt: en derde.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt «vijfde lid» vervangen door: derde lid.

RRRRR

Artikel 4.71, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

SSSSS

Na artikel 4.74 wordt aan paragraaf 4.5.12 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 4.74.0

In afwijking van artikel 6.2, vierde lid, kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift voor een daarbij aangegeven termijn bepalen dat het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 van artikel 4.73 is toegestaan, indien:

  • a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 was toegestaan op grond van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die tot het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting in werking en onherroepelijk was;

  • b. degene die de inrichting drijft aantoont dat bij het lozen niet aan de emissiegrenswaarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 kan worden voldaan, en

  • c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting bij het bevoegd gezag is gedaan.

TTTTT

Na artikel 4.74.0 (nieuw) wordt aan afdeling 4.5 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 4.5.13 Smelten en gieten van metalen

Artikel 4.74.1

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het smelten en gieten van metalen met uitzondering van goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kilo per jaar;

  • b. het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • c. het maken van croning- en coldbox-kernen ten behoeve van het gieten van metalen;

  • d. het uitbreken en ontzanden van gietstukken;

  • e. de koude regeneratie van zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • f. het maken van de vorm met behulp van was, inclusief het verwijderen van de was, waaronder keramische vormen.

Artikel 4.74.2
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies van dioxines en polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar lucht worden bij het smelten van metalen alleen metalen gesmolten die voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het smelten van metalen de emissieconcentratie van lood naar de lucht ten hoogste 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van lood naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 2,5 gram per uur.

Artikel 4.74.3

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken en coaten van verloren gietvormen en kernen uit kleigebonden of chemische gebonden zand de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;

Artikel 4.74.4

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken van croning- en coldbox-kernen de emissieconcentratie van:

  • a. totaal stof ten hoogste 20 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur, en

  • b. aminen ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter.

Artikel 4.74.5
  • 1. Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij uitbreken van gietstukken de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het gietstuk inclusief zandvorm vanwege het gewicht en de omvang niet verplaatsbaar is.

  • 3. Bij het uitbreken en ontzanden van het gietstuk, bedoeld in het tweede lid, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies van totaal stof naar de lucht voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 4.74.6

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het koud regenereren van zand, de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.74.7

Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 4.74.1, wordt ten behoeve van:

  • a. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, en

  • b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

UUUUU

Na artikel 4.74p wordt aan paragraaf 4.5a.5 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 4.74p1

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf, een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.

VVVVV

Artikel 4.75 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerst lid wordt «4.6.2.» vervangen door: 3.3.4.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het derde lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

WWWWW

Artikel 4.77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt «installatie» vervangen door: bijbehorende opslagtank.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bunkerstations en op de wal geplaatste vaste afleverinstallaties die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  • 6. In het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de locatie van een bunkerstation of een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie als bedoeld in het vijfde lid.

XXXXX

Artikel 4.80a wordt als volgt gewijzigd.

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inpandige afleverinstallaties voor lichte olie die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin het inpandig afleveren van lichte olie is toegestaan, vindt het inpandig afleveren in het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste plaats via een EU-systeem voor dampretour fase-II.

  • 4. Op het inpandig afleveren van lichte olie, bedoeld in het derde lid, zijn artikel 3.20, derde tot en met achtste lid, alsmede de krachtens die leden en krachtens artikel 4.83 gestelde regels van toepassing.

YYYYY

Aan artikel 4.82 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing indien voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting een slibvangput of een olieafscheider is geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd.

ZZZZZ

Artikel 4.94a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

2. Het derde tot en met vijfde lid vervallen.

3. het zesde lid wordt vernummerd tot derde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vijfde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

AAAAAA

Het opschrift van paragraaf 4.7a komt te luiden:

4.7a Activiteiten met betrekking tot papier, karton, textiel, leer of bont

BBBBBB

Artikel 4.94e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vierde lid vervallen.

3. het vijfde lid wordt vernummerd tot derde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vierde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

CCCCCC

De artikelen 4.96 tot en met 4.100 vervallen.

DDDDDD

Het opschrift van paragraaf 4.7a.5 komt te luiden:

§ 4.7a.5. Lijmen, coaten of veredelen van textiel, leer of bont

EEEEEE

In artikel 4.103ca wordt «coaten van textiel» vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

FFFFFF

In artikel 4.103d, aanhef, wordt na «lijmlagen» ingevoegd: en het veredelen.

GGGGGG

Na artikel 4.103d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.103da

  • 1. Bij het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het veredelen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.

  • 2. Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht («Beoordeling van stoffen en preparaten» van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.

  • 3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

HHHHHH

Artikel 4.103e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «coaten van textiel» vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

2. In het tweede lid vervalt: , zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

3. Het derde en vierde lid vervallen.

4. In het derde lid (nieuw) wordt «eerste tot en met vierde lid» vervangen door: eerste en tweede lid.

IIIIII

Artikel 4.103f wordt als volgt gewijzigd.

1. In de aanhef wordt «coaten van textiel» vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

2. Aan het slot van onderdeel c wordt toegevoegd: of.

3. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het beperken van het lozen van hulpstoffen,.

JJJJJJ

Aan artikel 4.104a worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

  • 5. Het tweede lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatieafscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd.

KKKKKK

Artikel 4.104c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen» vervangen door: waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt «als bedoeld in het tweede lid» vervangen door: waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

LLLLLL

Het opschrift van paragraaf 4.8.6 komt te luiden:

§ 4.8.6. In werking hebben van een acculader

MMMMMM

Na artikel 4.118 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.118a

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

NNNNNN

In artikel 4.119 wordt na «crematieoven» ingevoegd: niet zijnde een crematieoven voor dieren.

OOOOOO

Aan artikel 4.124 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften zoals die luidden tot 1 januari 2010, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in het eerste lid.

PPPPPP

Artikel 4.125, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «met inachtneming van de NeR» vervalt.

2. Aan het slot wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing.

QQQQQQ

Na het opschrift van hoofdstuk 5 wordt «§ 5.0. Reikwijdte hoofdstuk 5» vervangen door: Afdeling 5.1. Industriële emissies

RRRRRR

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

  • 1. De paragrafen 5.1.1 tot en met 5.1.3 zijn van toepassing op degene die een inrichting type C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in hoofdstuk III, IV of VI, of bijlage I van de EU-richtlijn industriële emissies.

  • 2. De paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7 zijn van toepassing op degene die een inrichting type B of C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in de paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7.

SSSSSS

Het opschrift van paragraaf 5.1 komt te luiden:

§ 5.1.1. Grote stookinstallatie

TTTTTT

Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een grote stookinstallatie een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide van ten hoogste 500 mg/ Nm3 vast, indien:

    • a. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag tot vergunningverlening was ingediend,

    • b. de stookinstallatie uiterlijk 27 november 2003, overeenkomstig de toen geldende regelgeving, in bedrijf was, en

    • c. de stookinstallatie gestookt wordt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.

UUUUUU

De aanhef van artikel 5.9, derde lid, komt te luiden:

In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een bestaande grote stookinstallatie een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide vast van gemiddeld ten hoogste 500 mg/Nm indien:.

VVVVVV

Het opschrift van paragraaf 5.2 komt te luiden:

§ 5.1.2. Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie

WWWWWW

In artikel 5.23, eerste lid, vervalt in de begripsomschrijving van Cproces: of 6.9.

XXXXXX

Het opschrift van paragraaf 5.3 komt te luiden:

§ 5.1.3. Installatie voor de productie van titaandioxide

YYYYYY

Na artikel 5.39 worden aan afdeling 5.1 vier paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 5.1.4. Installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel

Artikel 5.40

Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking van de BBT-conclusies op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies, van toepassing op het in werking hebben van een installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.

Artikel 5.41
  • 1. De omzettingsgraad van geconcentreerd waterstofsulfide (H2S) naar elementaire zwavel van een installatie als bedoeld in artikel 5.40 is ten minste 99,8% als maandgemiddelde.

  • 2. Een installatie als bedoeld in artikel 5.40 wordt zoveel mogelijk bedreven overeenkomstig het ontwerp.

Artikel 5.42
  • 1. In afwijking van artikel 5.41, eerste lid, geldt voor een bestaande installatie waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd dan genoemd in artikel 5.41, eerste lid, de in die vergunning voorgeschreven omzettingsgraad.

  • 2. Indien de verwerkingscapaciteit van de totale inrichting met meer dan 50% wordt verhoogd, geldt voor de verwerking van het totale H2S -aanbod, met inbegrip van een bestaande installatie als bedoeld in het eerste lid, een omzettingsgraad van ten minste 99,8% als maandgemiddelde.

§ 5.1.5. Stookinstallatie voor de regeneratie van glycol

Artikel 5.43
  • 1. Deze paragraaf is, in afwijking van paragraaf 3.2.1 en onverminderd artikel 3.10i, 3.10j en 310p, van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol.

  • 2. Een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

Artikel 5.44
  • 1. Bij de regeneratie van glycol is de emissiegrenswaarde van stikstofoxiden naar de lucht ten hoogste 80 mg/Nm3.

  • 2. Indien de samenstelling van het gewonnen gas en de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste lid vaststellen. De emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden naar de lucht is in dat geval ten hoogste 150 mg/Nm3.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste en tweede lid vaststellen voor een installatie die als brandstof grotendeels organische dampen gebruikt en waarbij de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven. De emissiegrenswaarde is in dat geval ten hoogste 250 mg/Nm3.

  • 4. Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zevende lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 5. De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste tot en met derde lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 (datum inwerkingtreding vierde tranche) in gebruik is genomen.

  • 6. Voor installaties als bedoeld in het vijfde lid blijven, in afwijking van artikel 6.1, tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden van de vergunning van toepassing.

§ 5.1.6. Installatie voor de productie van asfalt

Artikel 5.45

Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en voor zover er in deze paragraaf emissie-eisen worden gesteld aan stoffen in afwijking van die paragraaf 3.2.1, van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt.

Artikel 5.46
  • 1. Bij de productie van asfalt is de emissiegrenswaarde van:

    • a. polycyclische aromatische koolwaterstoffen ten hoogste 0,05 mg/Nm3 indien de massastroom van polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;

    • b. totaal stof ten hoogste 5 mg/Nm3, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 200 gram per uur en ten hoogste 20 mg/Nm3 indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 200 gram per uur;

    • c. stikstofoxiden ten hoogste 50 mg/Nm3 indien de massastroom van stikstofoxiden naar de lucht groter is dan 2.000 gram per uur;

    • d. zwaveloxiden ten hoogste 50 mg/Nm3 indien de massastroom van zwaveloxiden naar de lucht groter is dan 2.000 gram per uur;

    • e. vluchtige organische stoffen ten hoogste 200 mg/Nm3 indien de massastroom van vluchtige organische stoffen naar de lucht groter is dan 500 gram per uur.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder bij geurgevoelige objecten, wordt bij de productie van asfalt voldaan aan artikel 2.7a.

  • 3. In afwijking van artikel 2.8, zevende lid, onder d, worden emissies van een installatie voor de productie van asfalt herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van 17%.

Artikel 5.47

Bij het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt wordt, ten behoeve van de bescherming van het milieu, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 5.48
  • 1. Artikel 5.46, eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op een installatie voor de productie van asfalt die voor 1 januari 2009 in gebruik genomen is.

  • 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is bij de productie van asfalt, onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6, de emissiegrenswaarde van:

    • a. stikstofoxiden ten hoogste 75 mg/Nm3 indien de massastroom van stikstofoxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur;

    • b. zwaveloxiden ten hoogste 75 mg/Nm3 indien de massastroom van zwaveloxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur.

§ 5.1.7. Installatie voor de op- en overslag van vloeistoffen

Artikel 5.49
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op de diffuse emissies van vluchtige organische stoffen bij het in werking hebben van een installatie voor het op- en overslaan van vloeistoffen met een capaciteit van meer dan 150 kubieke meter.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op installaties voor het op- en overslaan van vloeistoffen binnen raffinaderijen indien en voor zover in de BBT-conclusies, bedoeld in artikel 3 van de EU-richtlijn industriële emissies eisen zijn gesteld.

  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op installaties waarop afdeling 5.2 van toepassing is.

Artikel 5.50
  • 1. In afwijking van artikel 2.5 zijn de emissiegrenswaarden behorende bij stofklasse gO niet van toepassing op diffuse emissies van vluchtige organische stoffen bij de op- en overslag van vloeistoffen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies van vluchtige organische stoffen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op vloeistoffen met een dampspanning van ten hoogste 1 kPa.

ZZZZZZ

Na artikel 5.50 worden in hoofdstuk 5 twee afdelingen toegevoegd, luidende:

Afdeling 5.2. Op- en overslag van benzine

Artikel 5.51
  • 1. Het begrip «vloeibare brandstof» is niet van toepassing op installaties waarop deze afdeling van toepassing is.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    benzine:

    benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn 94/63;

    benzinedebiet:

    de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die van een opslaginstallatie van een terminal is overgeslagen in een mobiele tank;

    damp:

    damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 94/63;

    mobiele tank:

    mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63;

    richtlijn 94/63:

    richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365);

    terminal:

    inrichting of een gedeelte van een inrichting voor de opslag of overslag van benzine in mobiele tanks;

§ 5.2.1. Opslaginstallaties
Artikel 5.52

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 94/63.

Artikel 5.53

Degene die een terminal met opslaginstallatie drijft, voldoet ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§ 5.2.2. Overslaginstallaties
Artikel 5.54
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een overslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 94/63.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op terminals met een benzinedebiet van minder dan 10.000 ton per jaar die voor 31 december 1995 in werking waren of waarvoor voor 31 december 1995 een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

Artikel 5.55
  • 1. Tijdens het vullen van een mobiele tank worden verplaatsingsdampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vullen van een tankwagen langs de bovenzijde.

  • 3. Indien het vullen langs de bovenzijde van een mobiele tank plaatsvindt, wordt het uiteinde van de vularm zoveel mogelijk onderin de mobiele tank gehouden.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan een dampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid, indien dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp.

  • 5. Op een terminal met een benzinedebiet van minder dan 25.000 ton per jaar kan onmiddellijke dampterugwinning op de terminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een tank met een vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere opslaginstallatie op een terminal.

Artikel 5.56
  • 1. De gemiddelde concentratie dampen in de afvoer van een dampterugwinningseenheid, gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling, bedraagt ten hoogste 35 g/Nm3 gedurende één uur.

  • 2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een dampverbrandingseenheid als bedoeld in artikel 5.55, vierde lid.

Artikel 5.57
  • 1. Bij het meten van de gemiddelde concentratie dampen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. De nauwkeurigheid van de meting bedraagt ten minste 95 procent van de gemeten waarde.

Artikel 5.58

Het normale laaddebiet van benzine per vularm op een laadportaal bedraagt ten hoogste 2.500 liter per minuut.

Artikel 5.59

Bij piekbelasting van een terminal brengt het dampopvangsysteem van het laadportaal, met inbegrip van de dampterugwinningseenheid, een maximale tegendruk van 55 millibar aan de voertuigzijde van de dampopvangadapter teweeg.

Artikel 5.60
  • 1. Het vullen van een tankwagen langs de onderzijde is uitsluitend toegestaan indien het vultoelatingssignaal is gegeven door de gecombineerde aardings- en overloopbedieningseenheid.

  • 2. Bij het vullen van een tankwagen langs de onderzijde is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de terminal.

  • 3. In geval van overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het laadportaal de vulcontroleklep aan het laadportaal.

Artikel 5.61
  • 1. Dampen die worden opgeslagen in een tank met vast dak voor voorlopige dampopslag worden via een dampdichte leiding teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd.

  • 2. Vulwerkzaamheden vinden alleen plaats indien de voorzieningen, bedoeld in deze paragraaf, aanwezig zijn en adequaat werken.

Artikel 5.62

Een terminal met een overslaginstallatie voor het vullen van tankwagens is uitgerust met ten minste één laadportaal dat ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 5.63

Degene die een terminal met overslaginstallatie drijft, voldoet ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling 5.3 Overige installaties

§ 5.3.1. LPG-tankstations
Artikel 5.64

Deze paragraaf is van toepassing op LPG-tankstations waar:

  • a. de doorzet van LPG meer bedraagt dan 50 m3 per jaar, en

  • b. de opslagcapaciteit voor LPG niet meer bedraagt dan 50 ton.

Artikel 5.65

Met betrekking tot een LPG-afleverinstallatie, de aflevering van LPG aan een afnemer bij een LPG-tankstation en de opstelplaats van de LPG-tankwagen, wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

AAAAAAA

De paragrafen 6.3 tot en met 6.11a, 6.13, 6.13c tot en met 6.13m, 6.14a, 6.22 tot en met 6.23, 6.23c en 6.24 vervallen.

BBBBBBB

De opschriften van de paragrafen 6.15, 6.18 tot en met 6.21, en 6.28 vervallen.

CCCCCCC

De artikelen 2.17a, vierde lid, 3.23b, derde tot en met vijfde lid, en 3.30a, de aanduiding «1.» en tweede lid, vervallen met ingang van 1 januari 2016.

DDDDDDD

De artikelen 3.83, elfde lid en 3.105, zesde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2017.

EEEEEEE

Artikel 3.59, de aanduiding «1.» en tweede lid, vervalt met ingang van 1 januari 2018.

FFFFFFF

De artikelen 3.10q en 5.44, vijfde en zesde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2019.

GGGGGGG

In artikel 6.41 vervalt: de NeR of.

HHHHHHH

In artikel 6.43 worden in de alfabetische rangschikking de volgende besluiten ingevoegd:

Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer

Besluit LPG-tankstations milieubeheer.

IIIIIII

Er worden twee bijlagen toegevoegd, luidende:

Bijlage 2 Standaard berekeningswijze van de kosteneffectiviteit behorend bij artikel 2.7

De methodiek op basis waarvan de kosteneffectiviteit wordt berekend, wordt weergegeven in het schema in figuur 1. Hieronder wordt verder ingegaan op een viertal aspecten in dit schema.

Rentevoet en afschrijving

Het resultaat van een kostenberekening is sterk afhankelijk van de gehanteerde rentevoet. In deze methodiek is gekozen voor een vaste rentevoet. De vaste rentevoet is gesteld op 10%. Deze 10% is een compromis tussen de nominale kapitaalmarktrente en de interne rentevoet die door bedrijven wordt gehanteerd («return on investment»).

Afschrijvingsmethodiek

In de methodiek worden investeringen op annuïtaire wijze afgeschreven. In principe kan op twee manieren worden afgeschreven: op lineaire of op annuïtaire wijze. In werkelijkheid worden investeringen vaak op lineaire wijze afgeschreven. De annuïtaire afschrijvingsmethode heeft echter als voordeel dat constante jaarkosten worden verkregen zodat de methodiek eenvoudiger te hanteren is.

Afschrijvingstermijn

In de methodiek worden de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd:

  • 10 jaar voor het elektromechanische deel van de milieu-investering;

  • 25 jaar voor het bouwkundig deel van de milieu-investering.

Onder het elektromechanische deel wordt alle apparatuur verstaan, compleet met instrumentatie en dergelijke. Onder het bouwkundige deel worden vaak de hallen, loodsen, funderingen, leidingbruggen en dergelijke verstaan. De reden dat deze bouwkundige investeringen over een langere termijn worden afgeschreven is dat de levensduur veelal langer is dan 10 jaar en dat deze voorzieningen ook bruikbaar blijven als de huidige apparatuur wordt vervangen. Echter, in praktijk zijn (delen van) de bouwkundige investeringen toch installatiespecifiek en moeten worden verwijderd als de apparatuur is afgeschreven, wordt ontmanteld en niet meer wordt vervangen. Indien dit wordt voorzien, dan moeten deze installatiespecifieke bouwkundige voorzieningen worden gerekend tot het elektromechanische gedeelte en dus worden afgeschreven over 10 jaar.

Berekening annuïteit

De annuïteit is de factor die uitdrukt wat de jaarlijkse kosten zijn van een eenmalige investering. De annuïteit wordt berekend uit rente plus afschrijving volgens:

Waarin i de rentevoet is (dimensieloos) en n de afschrijvingstermijn (in jaar). Voor een rentevoet van 10 procent (i = 0,1) is de annuïteit bij een afschrijvingstermijn van 10 jaar gelijk aan 0,163 en bij een afschrijvingstermijn van 25 jaar gelijk aan 0,110.

De afschrijvingstermijn vangt aan op het moment dat de installatie in bedrijf wordt genomen. Kapitaalskosten die worden gemaakt voor dit tijdstip vallen onder het begrip «bouwrente» en maken onderdeel uit van de eenmalige investeringen.

Figuur 1. Methodiek kosteneffectiviteit

a Kosten

   

Aanschaffingsprijs

Bijkomende investeringen

Eenmalige investeringen

Kapitaalvernietiging door desinvesteringen

---------------------------------------------------------- +

Totale investeringen

€......

€......

€......

€......

------- +

€ invest

 

Totale investeringen * annuïteit =>

€ invest*0.163=>

Kapitaalskosten

Bouwkundige investeringen

€ bouwk

 

Bouwkundige investeringen* annuïteit bouwk =>

€ bouwk*0.110=>

Bouwkundige kapitaalkosten

Onderhoud

Bediening

Overige vaste operationele kosten

---------------------------------------------------------- +

Totale vaste operationele kosten =>

€......

€......

€......

------- +

€......=>

Vaste operationele kosten

Voorzieningen (gas, elektriciteit, water, stoom etc.)

Reststoffenverwerking/lozingsheffingen

Overige variabele operationele kosten +

----------------------------------------------------------

Totale variabele operationele kosten =>

€......

€......

€......

------- +

€......=>

Variabele operationele kosten

   

------------------------------- +

= Totale bruto jaarlijkse kosten

Opbrengsten en besparingen =>

€...... =>

Opbrengsten en besparingen

   

------------------------------- –

= Totale netto jaarlijkse kosten

b Effecten

   

Jaarlijkse ongereinigde vracht =>

...... =>

Jaarlijkse ongereinigde vracht

Jaarlijkse restemissie

Jaarlijkse emissies tijdens storingen

Jaarlijkse emissies tijdens onderhoud

----------------------------------------------------------- +

Totale jaarlijkse restemissie =>

......

......

......

------ +

...... =>

Totale jaarlijkse restemissie

   

------------------------------- –

= Totale jaarlijkse emissiereductie

c Kosteneffectiviteit

   

Kosteneffectiviteit =

Totale netto jaarlijkse kosten

----------------------

Totale jaarlijkse emissiereductie

 

Standaard waarden*:

Som bijkomende en eenmalige investeringen*:

30–250% van aanschaffingsprijs

Eenmalige investeringen*:

25% van aanschaffingsprijs

Vaste operationele kosten*:

3–5% van de aanschaffingsprijs en bijkomende investeringen

Voorzieningen-prijzen:

Uit DACE-prijzenboekje (24)

Tijdsduur storingen en onderhoud:

2% van de bedrijfstijd

   

* Het verdient de voorkeur om bijkomende en eenmalige investeringskosten en vaste operationele kosten uit het verkennend ontwerp af te leiden. Alleen indien het verkennend ontwerp niet genoeg houvast biedt, kan met de standaard-waarden worden gewerkt.

Bijlage 3 Stuifklassen behorend bij de artikelen 3.37 en 3.38

Specificatie

Stuifklasse

Abbrände (pyrietas)

S2

Aluinaarde

 

S1

Bariet

 

S3

Bariet (gemalen)

 

S1

Bauxiet

China gecalcineerd

S1

 

gecalcineerd

S1

 

ruw bauxiet

S5

Bimskies

 

S4

Borax

 

S3

Bodemas

vochtgehalte 30%

S4

Bruinsteen

 

S2

Calcium Carbid

 

S1

Carborundum

 

S5

Cement

vochtgehalte 0,3%

S1

 

klinkers

S4

Cokes

steenkoolcokes

S4

 

petroleumcokes, grof

S4

 

petroleumcokes, fijn

S2

 

petroleumcokes, gecalcineerd

S1

 

petroleumcokes oiled/non-oiled

S4

 

fluid cokes

S1

Derivaten en aanverwante produkten

aardappelmeel

S1

aardappelschijfjes

S3

alfalfapellets

S3

 

amandelmeel

S3

 

appelpulppellets

S3

 

babassupellets

S3

 

babassuschroot

S3

 

beendermeel

S1

 

beenderschroot

S3

 

bierbostelpellets

S3

 

bladmeelpellets

S3

 

boekweitmeel

S1

 

cacaobonen

S3

 

corndistillergrainpellets

S3

 

corndistillergrainmeel

S3

 

corncobpellets

S3

 

cornplantpellets

S3

 

citruspellets

S3

 

D.F.G. pellets (maiskiempellets)

S3

 

druivenpulpgranulaat

S2

 

gerstemeel

S1

 

gerstpellets

S3

 

grondnoten

S5

 

grondnotenpellets

S3

 

grondnotenschroot

S3

 

quarbeanmealpellets

S3

 

quarbeanmeal

S3

 

havermeel

S1

 

haverpellets

S3

 

hominecychoppellets

S3

 

hominecychopmeel

S3

 

houtsnippers (vochtgehalte 44%)

S4

 

katoenzaadpellets

S3

 

katoenzaadschroot

S3

 

kapokzaadpellets

S3

 

kapokzaadschroot

S3

 

kardizaadschroot

S3

 

koffiepulppellets

S3

 

kokosgruis (vochtgehalte 81,1%)

S4

 

kopra

S5

 

kopracakes

S3

 

koprachips

S3

 

koprapellets

S3

 

kopraschroot

S3

 

lijnzaadpellets

S3

 

lijnzaadschroot

S3

 

lucernepellets

S3

 

macojapellets

S3

 

macojaschroot

S3

 

macunameel

S3

 

maisglutenpellets

S3

 

maisglutenmeel

S3

 

maismeel

S3

 

maltsproutpellets

S3

 

mangopellets

S3

 

mangoschroot

S1

 

maniokpellets, hard

S3

 

maniokwortel

S3

 

mengvoederpellets

S3

 

millrunpellets

S3

 

miloglutenpellets

S3

 

milomeel

S3

 

moutkiempellets

S3

 

negerzaadpellets

S3

 

negerzaadschroot

S3

 

olijfpulppellets

S3

 

olijfschroot

S3

 

palmpitten

S5

 

palmpittenpellets

S3

 

palmpittenschilfers

S2

 

palmpittenschroot

S3

 

palmpittencakes

S3

 

peanuthullpellets

S3

 

pine-applepellets

S3

 

pollardpellets

S3

 

raapzaadpellets

S3

 

raapzaadschroot

S3

 

ricehullpellets

S3

 

ricehuspellets

S3

 

ricebran

S1

 

roggemeel

S1

 

roggepellets

S3

 

safflowerzaadpellets

S3

 

safflowerzaadschroot

S3

 

salseedextractionpellets

S3

 

salseedschroot

S1

 

sesamzaadpellets

S3

 

sesamzaadschroot

S3

 

shearnutmeel

S2

 

shearnutschroot (vochtgehalte 10%)

S2

 

soiulacpellets

S3

 

sorghumzaadpellets

S3

 

sojapellets

S3

 

sojachips

S3

 

sojameel

S3

 

sojaschroot

S3

 

splentgrainpellets

S3

 

suikerbietenpulppellets

S3

 

suikerrietpellets

S3

 

sweetpotatopellets

S3

 

tapiochips

S1

 

tapiocabrokjes

S1

 

tapiocapellets, hard

S3

 

tapiocapellets, natives

S1

 

tarwemeel

S1

 

tarwepellets

S3

 

theepellets

S3

 

tucumschroot

S3

 

veevoederpellets

S3

 

zonnebloemzaadpellets

S3

 

zonnebloemzaadschroot

S3

Dolomiet

brokken

S5

 

gemalen

S1

Erts

amarilerts, brokken

S5

 

chroomerts

S4

 

ijzererts (zie IJzererts)

 

kopererts

S4

 

looderts

S2

 

mangaanerts, opslag

S5

 

mangaanerts, laden lossen

S4

 

tantalieterts

S4

 

titaanerts (zie Titaan)

 

zinkblende

S4

Ferrochroom, brokken

 

S5

Ferrofosfor, brokken

 

S5

Ferromangaan, brokken

 

S5

Ferrosilicium, brokken

 

S3

Fosfaat

gehalte vrij vocht >4 gew%

S4

 

gehalte vrij vocht <1 gew%

S1

Gips

 

S3

 

gipsstof grof (vochtgehalte 33,5%)

S2

Glasafval

 

S5

Graan

boekweit

S3

 

gerst (vochtgehalte 4,2%)

S3

 

gort

S3

 

haver

S5

 

haverscreenings

S3

 

kaficorn

S3

 

lijnzaadscreenings

S3

 

maïs

S3

 

milicorn

S3

 

mout

S3

 

raapzaadscreenings

S3

 

ricehusk

S3

 

rogge

S3

 

rijst

S5

 

sojagrits

S3

 

sorghumzaad

S3

 

tarwe

S3

Graniet

 

S2

Grind

 

Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie (waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat)

S5

Grond

licht verontreinigde grond (vochtgehalte 4,5%)

S4

 

leemgrond (vochtgehalte 3,6%)

S2

 

veengrond (vochtgehalte 50%)

S4

 

veengrond (vochtgehalte 60%)

S5

Hoogovenslakken

 

S4

 

slakken (vochtgehalte 0,2%)

S2

Huisvuil

 

..

IJzererts

Beeshoek, fijn erts, opslag

S5

 

Beeshoek, fijn erts, laden en lossen

S4

 

Beeshoek, stuk erts, opslag

S5

 

Beeshoek, stuk erts, laden en lossen

S4

 

Bomi Hill, stuk erts

S4

 

Bong Range pellets, opslag

S5

 

Bong Range pellets, laden en lossen

S4

 

Bong Range concentraat, opslag

S4

 

Bong Range concentraat, laden en lossen

S5

 

Braz. Nat. erts

S4

 

Carol Lake pellets, opslag

S5

 

Carol Lake pellets, laden en lossen

S4

 

Carol Lake concentraat, opslag

S4

 

Carol Lake concentraat, laden en lossen

S5

 

Cassinga, fijn erts

S4

 

Cassinga, stuk erts, opslag

S5

 

Cassinga, stuk erts, laden en lossen

S4

 

Cassinga pellets

S5

 

Cerro Bolivar erts

S4

 

Coto Wagner erts, opslag

S5

 

Coto Wagner erts, laden en lossen

S4

 

Dannemora erts

S4

 

El Pao, fijn erts

S4

 

Fabrica pellets, opslag

S5

 

Fabrica pellets, laden en lossen

S4

 

Fabrica Sinter Feed

S5

 

Fabrica Special pellet ore

S5

 

F’Derik Ho

S4

 

Fire Lake pellets, opslag

S5

 

Fire Lake pellets, laden en lossen

S4

 

Grängesberg erts

S4

 

Hamersley Pebble, opslag

S5

 

Hamersley Pebble, laden en lossen

S4

 

llmeniet erts

S5

 

Itabira Special sinter feed

S5

 

Itabira Run of Mine, opslag

S5

 

Itabira Run of Mine, laden en lossen

S4

 

Kiruna B, fijn erts

S5

 

Kiruna pellets, opslag

S5

 

Kiruna pellets, laden en lossen

S4

 

Malmberg pellets

S5

 

Manoriver Ho

S4

 

Menera, fijn erts

S5

 

Mount Newman pellets

S4

 

Migrolite

S4

 

Mount Wright concentraat, opslag

S4

 

Mount Wright concentraat, laden en lossen

S5

 

Nimba, fijn erts

S5

 

Nimba erts

S4

 

Pyriet erts

S4

 

Robe River, fijn erts, opslag

S5

 

Robe River, fijn erts, laden en lossen

S4

 

Samarco pellets, opslag

S5

 

Samarco pellets, laden en lossen

S4

 

Sishen, stuk erts, opslag

S5

 

Sishen, stuk erts, laden en lossen

S4

 

Sishen, fijn erts, opslag

S5

 

Sishen, fijn erts, laden en lossen

S4

 

Svappavaara erts

S4

 

Svappavaara pellets

S4

 

Sydvaranger pellets, opslag

S5

 

Sydvaranger pellets, laden en lossen

S4

 

Tazadit, fijn erts, opslag

S5

 

Tazadit, fijn erts, laden en lossen

S4

Kalkzout

 

S5

Kalk

brokken

S5

 

gemalen

S1

Kalkzandsteen (fijne fractie, droog)

S3

Kalkzandsteen granulaat

S3

Kattenbakkorrels

vochtgehalte 0,2%

S3

Klei

bentoniet, brokken

S3

 

bentoniet, gemalen

S1

 

chamotte klei, brokken

S4

 

chamotte klei, gemalen

S1

 

kaoline (China)klei, brokken

S3

 

kaoline (China)klei,gemalen

S1

Kolen

bruinkool, briketten

S4

 

poederkolen

S1

 

kolen vochtgehalte > 8%

S4

 

kolen vochtgehalte < 8%

S2

 

antraciet

S2

Kunstmest

ammonsulfaatsalpeter

S3

 

diamfosfaat

S1

 

dubbelsuperfosfaat, poeder

S1

 

dubbelsuperfosfaat, korrels

S3

 

kalkammon-salpeter

S3

 

nitraat meststof (vochtgehalte < 0,2%)

S1

 

nitraat meststof vermalen (vochtgehalte < 0,2%)

S1

 

tripelsuperfosfaat, poeder

S1

 

zwavelzure ammoniak

S3

Kyaniet

 

S4

Metallisch slijpstof

vochtgehalte 0,6%

S1

Metselpuin

 

S5

Nepheline

 

S3

Olivin steen

 

S4

Ongebluste kalk

 

S1

Peulvruchten

bonen

S3

 

erwten

S3

 

guarsplit

S3

 

linzen

S3

 

lupinezaad

S3

 

paardebonen

S3

 

sojabonen

S3

 

sojabeanhusk

S3

 

sojascreenings

S3

 

wikken

S3

Piekijzer

 

S4

Puin

gebroken schoon/gemengd

S5

Puingranulaat

 

S5

Pyrietas

 

S2

Polymeerprodukten

kunststofpoeder

S1

Potas

 

S3

Puimsteen

 

S5

Roet

 

S1

Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming

S4

Sillimaniet

 

S5

Sintels, slakken

 

S4

Sintermagnesiet

 

S3

Soda

 

S3

Suiker

S5

Talk

gemalen

S1

 

gebroken

S3

Tapioca (zie Derivaten)

Titaan

ilmeniet

S5

rutiel

S3

rutielzand

S3

rutielslakken

S5

Toonaarde (zie Aluinaarde)

Ureum

 

S3

Vanadiumslakken

 

S4

Veltspaat

 

S5

Vermiculiet

brokken

S3

 

gemalen

S1

Vliegas

vochtgehalte < 1%

S2

Vloeispaat

 

S5

Wolastonie

 

S5

Wegenzout

 

S5

Zaden en aanverwante produkten

darizaad

S3

 

kanariezaad

S5

 

kardizaad

S3

 

koolzaad

S3

 

lijnzaad

S5

 

maanzaad

S5

 

millietzaad

S5

 

mosterdzaad

S5

 

negerzaad

S5

 

paricumzaad

S3

 

raapzaad

S5

 

safflowerzaad

S5

 

sesamzaad

S5

 

tamarinzaad

S3

 

zonnebloemzaad

S5

Zand

fijn zand

S2

 

grof zand (waaronder beton-, metsel- en filterzand voor de betonmortel en betonproductenindustrie)

S4

 

olivin zand

S4

 

rutielzand (zie Titaan)

 

speelzand (grof zand, vochtgehalte 2,5%)

S4

 

zilverzand (vochtgehalte 2,0%)

S4

 

zilverzand (vochtgehalte 3,8%)

S5

 

zirconzand

S3

Zwaarspaat

 

S5

Zwavel

grof

S4

 

fijn

S1

ARTIKEL II

Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na «32.3,» ingevoegd «32.5,» en wordt «38.2 en 38.3» vervangen door «38.2, 38.3 en 41.1».

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt toegevoegd:

alsmede het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met andere categorieën afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer en waarop artikel 10.54a, eerste lid, van die wet van toepassing is.

b. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. het opslaan van de volgende afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens en dier en afkomstig van buiten de inrichting:

    • 1°. infectueuze afvalstoffen,

    • 2°. lichaamsdelen en organen, en

    • 3°. afvalstoffen van cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen;

c. De punt aan het slot van onderdeel g wordt vervangen door een puntkomma.

d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. het opslaan van ten hoogste 50 ton verwijderd asbest en verwijderde asbesthoudende producten, ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van bijlage I.

4. Onder vernummering van het zevende lid tot negende lid, worden na het zesde lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 7. Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, worden tevens aangewezen:

    • a. het oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen;

    • b. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening;

    • c. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van deze klasse aanwezig is;

    • d. het veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen.

  • 8. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten van een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar, alsmede het uitbreiden van de capaciteit van de installatie, het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vergistinggas of het wijzigen of uitbreiden van de bewerking van vergistinggas bij een dergelijke installatie.

5. In het negende lid (nieuw) wordt «het zesde lid» vervangen door: het achtste lid.

B

Artikel 3.3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Onze Minister is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:

    • a. activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.3 van bijlage I, onderdeel C;

    • b. een categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid.

C

Aan artikel 5.13b worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 10. Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, wordt geweigerd indien de activiteit leidt tot het ontstaan of het vergroten van een of meer veiligheidszones ten opzichte van de krachtens artikel 2.6.5, tweede lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening aangewezen veiligheidszones waardoor een nieuwe inbreuk op een veiligheidszone ontstaat of het plaatsgebonden risico bij een bestaande inbreuk op een veiligheidszone groter wordt dan 10-5.

  • 11. Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, achtste lid, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar risico voor de leefomgeving, waarbij in ieder geval wordt betrokken:

    • a. de ligging van de risicocontour;

    • b. de invloed van risicovolle activiteiten in de omgeving op de installatie, en

    • c. de kans op gevolgen van incidenten bij de installatie en de mogelijke gevolgen daarvan voor de leefomgeving.

D

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt: , 6.7.

2. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

a. Het volgende begrip met de daarbij behorende begripsomschrijving wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd, luidende:

gaszak:

gaszak als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

b. In de definitie van «opslagtank» wordt «opslagvoorziening» telkens vervangen door: vormvaste opslagvoorziening.

3. Onderdeel B, onderdeel 1, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a vervallen:

  • Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;

  • Besluit LPG-tankstations milieubeheer;.

b. In onderdeel b wordt na »32.3,» ingevoegd «32.5,» en wordt «38.2 en 38.3» vervangen door «38.2, 38.3 en 41.1».

4. Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

a. Categorie 1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. De puntkomma aan het eind van onderdeel d wordt vervangen door een punt.

2°. Onderdeel e vervalt.

b. Categorie 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • h. voor de opslag van vergistinggas in een of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 20.000 liter;

2°. De onderdelen h en i (oud) worden geletterd i en j.

3°. In onderdeel i (nieuw) wordt na «zuurstof» ingevoegd: vergistinggas,.

4°. Na onderdeel j (nieuw) wordt een onderdeel ingevoegd, luidende;

  • k. voor de opslag van andere gassen dan vergistinggas in een gaszak;

5°. De onderdelen j tot en met q (oud) worden geletterd l tot en met s.

6°. In onderdeel l (nieuw) wordt na «spuitbussen» ingevoegd «, gaszakken» en wordt na «opslagtanks» ingevoegd: van metaal of kunststof.

7°. Onderdeel n (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

i. Onderdeel 2° komt te luiden:

  • 2°. gasflessen met verstikkende gassen;

ii. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 4°. het vullen van een gasfles met een inhoud van maximaal 2 liter met zuurstof vanuit een concentrator;

  • 5°. het vullen van gasflessen met een inhoud van maximaal 3 liter en met een druk van maximaal 1,6 bar, met diep gekoelde vloeibare zuurstof vanuit een gasfles met een inhoud van maximaal 60 liter met een druk van maximaal 1,6 bar;

c. Na categorie 3.6 wordt een categorie ingevoegd, luidende:

  • 3.7. Voor de toepassing van categorie 3.6 blijft buiten beschouwing het bewerken, verwerken, verpakken of herverpakken, opslaan of overslaan van ontplofbare stoffen binnen inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

d. Categorie 4.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel i wordt «voor de opslag van gevaarlijke stoffen» vervangen door: voor de opslag van vloeibare of vaste gevaarlijke stoffen.

2°. De puntkomma aan het slot van onderdeel m wordt vervangen door een punt.

3°. Onderdeel n vervalt.

e. In categorie 6.3 vervalt telkens: harsen of.

f. In categorie 7.5 wordt voor de puntkomma aan het slot van onderdeel h toegevoegd: , uitgezonderd het vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen zonder andere producten en met een capaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar.

g. Categorie 8.3 wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b komen te luiden:

  • a. het kweken en houden van schaal- en schelpdieren in het oppervlaktewater;

  • b. het kweken van maden van vliegende insecten;.

2°. Onderdeel d vervalt.

3°. De onderdelen e tot en met q worden geletterd d tot en met p.

4°. Onderdeel n (nieuw) komt te luiden:

  • n. het ontharen of looien van huiden;

h. Categorie 9.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt «dieren» vervangen door «landbouwhuisdieren» en vervalt «, en hondenkluiven».

2°. De onderdelen b en c vervallen.

3°. De onderdelen d tot en met g worden geletterd b tot en met e.

i. Categorie 11.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel k komt te luiden:

  • k. het winnen van steen, mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen;

2°. Onderdeel l, komt te luiden:

  • l. het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kilogram per jaar of meer;.

j. Categorie 12.3 komt te luiden:

  • 12.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:

    • a. het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

    • b. het gieten van metalen anders dan:

      • 1°. aluminium en legeringen van aluminium met lood, zink, tin, koper, nikkel, ten hoogste 19% silicium, ten hoogste 1% mangaan, ten hoogste 5,5% magnesium, ten hoogste 1,5% ijzer, ten hoogste 1% titanium of ten hoogste 1% chroom;

      • 2°. koper en legeringen van koper met lood, zink, tin, aluminium, nikkel, ten hoogste 5% silicium, ten hoogste 13% mangaan, ten hoogste 6% ijzer of ten hoogste 0,1% fosfor;

      • 3°. lood, zink, tin en legeringen van deze metalen met nikkel;

      • 4°. goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kilo per jaar;

    • c. het toepassen van de verloren wasmethode als onderdeel van het gieten van metalen waarbij meer dan 500 kilogram was per jaar wordt verbruikt;

    • d. het toepassen van de lost foam methode als onderdeel van het gieten van metalen;

    • e. het thermisch regenereren van vormzand als onderdeel van het gieten van metalen;

    • f. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden toegepast;

    • g. het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan 100 liter.

k. Categorie 13.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel d vervalt.

2°. De onderdelen e tot en met h worden geletterd d tot en met g.

l. Categorie 15.2 komt te luiden:

  • 15.2. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode.

m. Categorie 16.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel a vervalt.

2°. De onderdelen b tot en met f worden geletterd a tot en met e.

3°. Onderdeel d (nieuw) komt te luiden:

d. het aanbrengen van een lijmlaag op plakband of zelfklevend tape;

n. Categorie 17.3 komt te luiden:

  • 17.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen, met uitzondering van:

    • a. inrichtingen voor het traditioneel schieten;

    • b. inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht of inrichtingen die worden gebruikt ten behoeve van overige openbare diensten;

    • c. inrichtingen waar in een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking wordt geschoten met vuurwapens met een kaliber van 0,5 inch of minder of historische vuurwapens als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de Regeling wapens en munitie;

    • d. inrichtingen voor sportief en recreatief gebruik.

o. In categorie 19.2 wordt na «gemotoriseerde voertuigen» ingevoegd: voorzien van verbrandingsmotoren.

p. Categorie 19.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt «sport of recreatie» vervangen door: open lucht attractieparken.

2°. De onderdelen b en f vervallen.

3°. De onderdelen c tot en met e worden geletterd b tot en met d.

q. Categorie 20.6 komt te luiden:

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit, worden tevens aangewezen de inrichtingen, bedoeld in:

  • a. onderdeel 20.1, onder a, 2° en 3°, met inachtneming van onderdeel 20.3, en

  • b. onderdeel 20.1, onder b.

r. Categorie 23.3 vervalt.

s. Categorie 28.10 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel 2° wordt vervangen door:

  • 2a°. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton:

    • 1°. hemelwater;

    • 2°. grondwater;

    • 3°. huishoudelijk afvalwater;

    • 4°. afvalwater dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen komt;

    • 5°. inhoud van chemische toiletten;

  • 2b°. het lozen van:

    • 1°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;

    • 2°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;

    • 3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;

    • 4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;

    • 5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

  • 2c°. het in werking hebben van een voorziening voor het beheer van afvalwater als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

2°. Onderdeel 4° wordt vervangen door:

  • 4a°. het opslaan, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer;

  • 4b°. het opslaan, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen die ontstaan zijn bij het schoonhouden van de openbare ruimte;

3°. In onderdeel 7° wordt na «het verkleinen van metaal,» ingevoegd: het gieten van metaal, voor zover dit niet valt onder categorie 12.3,

4°. Onderdeel 10° wordt vervangen door:

  • 10a°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter batterijen;

  • 10b°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter spaarlampen en gasontladingslampen;

  • 10c°. het opslaan en bijvullen van ten hoogste 5 kubieke meter inkt- en tonercassettes;

5°. Onderdeel 12° wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b, komen te luiden:

  • a. ten hoogste 50 ton totaal van de volgende gevaarlijke afvalstoffen:

    • 1°. smeervet, afgewerkte olie en olie- en vethoudend afval van onderhoud aan voorzieningen en installaties;

    • 2°. teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen;

    • 3°. brandblussers;

    • 4°. organische niet-halogeenhoudende oplosmiddelen;

    • 5°. lege ongereinigde verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige gevaarlijke stoffen;

    • 6°. vloeibare brandstoffen;

    • 7°. verwijderd asbest en verwijderde asbesthoudende producten;

  • b. afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, gescheiden gehouden in stromen die wat betreft aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn, in hoeveelheden van ten hoogste 45 kubieke meter per stroom;

2°. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. ten hoogste 45 kubieke meter gemengd bouw- en sloopafval, voor zover geen sprake is van gevaarlijk afval;

6°. Na onderdeel 12° wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 12a°. het bij een inrichting, waar olie, vet, verf, lijm, kit, hars, gewasbeschermingsmiddelen, biociden en gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen om te worden verkocht of geleverd aan professionele gebruikers en voor zover de lege ongereinigde verpakkingen zijn ingenomen van die professionele gebruikers opslaan van:

    • a. ten hoogste 50 ton lege ongereinigde verpakkingen, zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en

    • b. ten hoogste 45 kubieke meter lege ongereinigde verpakkingen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen en niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen;

7°. Onderdeel 14, komt te luiden:

  • 14.° het op een bunkerstation voor de binnenvaart opslaan van afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen, smeervet, olie- en vethoudend afval van onderhoud aan vaartuigen ingenomen van personen die brandstof, smeerolie of smeervet bij het bunkerstation aanschaffen met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton;

8°. Na onderdeel 17° wordt een onderdeel ingevoegd:

  • 17a°. het opslaan van munitie en explosieven bij inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;.

9°. Onderdeel 22° komt te luiden:

  • 22°. het opslaan, verkleinen en tot plaatmateriaal verwerken van hout, voor zover geen sprake is van geïmpregneerd hout of anderszins van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;

10°. Onderdeel 28° wordt vervangen door:

  • 28a°. het opslaan van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 28b°. het composteren van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 28c°. het versnipperen van groenafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

11°. Onderdeel 29° komt te luiden:

  • 29°. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, steenachtig materiaal of gips voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, steenachtig materiaal of gips met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;

12°. In onderdeel 31° wordt «het mengen van afvalstoffen» vervangen door: het als grondstof inzetten van afvalstoffen.

13°. Na onderdeel 32° wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 33°. Het opslaan van ten hoogste 1 kubieke meter gebruikte frituurvetten of -oliën, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen;

14°. De onderdelen 33° en 34° worden vernummerd tot de onderdelen 34° en 35°.

15°. In de onderdelen 34° en 35° (nieuw) wordt «1 tot en met 32» vervangen door: 1 tot en met 33.

16°. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 36°. het mengen van afvalstoffen binnen de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën, waarbij bij de categorieën 10a° tot en met 10c° alleen het mengen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer wordt bedoeld;

  • 37°. het mengen van afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, van de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën binnen de aangegeven grenzen met andere stoffen of materialen, niet zijnde afvalstoffen;

t. Categorie 29.1 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt «zeekrijgsmacht» vervangen door: krijgsmacht.

2°. In onderdeel b wordt» vliegbases of vliegkampen» vervangen door: militaire luchthavens.

3°. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. bestemd voor het transporteren of het opslaan van brandstoffen, die van essentieel belang zijn voor de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

4°. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. munitiecomplexen die in hoofdzaak bestemd zijn voor het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

5°. Onderdeel g komt te luiden:

  • g. schietkampen, schietranges, schietgebieden, schietterreinen, schietbanen, springterreinen of handgranaatbanen die in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

6°. De onderdelen h en i vervallen.

7°. De onderdelen j, k en l worden geletterd h, i en j.

u. Categorie 29.3 komt te luiden:

  • 29.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:

    • a. als bedoeld in categorie 29.1 onderdelen a, b, i en j;

    • b. als bedoeld in categorie 29.1 onderdeel g voor zover:

      • i. jaarlijks meer dan 3 miljoen schoten worden afgevuurd;

      • ii. explosieven uit luchtvaartuigen worden geworpen;

      • iii. het springterreinen en handgranaatbanen betreft.

v. In de categorieën 1.3, 2.6, 3.5, 4.3, 5.3, 6.2, 7.4, 8.2, 9.3, 11.3, 12.2, 13.3, 14.2, 16.3, 19.2, 20.5, 24.2, 27.3, 28.4, 28.5 en 28.6 wordt «Onverminderd de artikelen 3.3, eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin,» vervangen door «Onverminderd artikel 3.3, eerste lid, tweede volzin,» en vervalt «of omtrent een verklaring van geen bedenkingen».

5. Onderdeel D, onder 1, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na «1.3, onder a,» ingevoegd: voor zover deze motoren gelijktijdig in gebruik zijn, en onder.

b. Aan onderdeel e wordt toegevoegd: voor zover de capaciteit ten aanzien daarvan 250.000 ton per jaar of meer bedraagt,.

c. Aan onderdeel f wordt toegevoegd: waarbij de onderdelen f en j alleen van toepassing zijn voor zover gebruik wordt gemaakt van pneumatische elevatoren,.

d. In onderdeel g wordt na «11.3, onder a tot en met e,» ingevoegd: met uitzondering van c, onder 6°.

e. Aan onderdeel j wordt toegevoegd: voor zover metaalbewerkende activiteiten plaatsvinden in de open lucht of het proefdraaien van motoren in de avond- of nachtperiode,.

f. Onderdeel p vervalt.

ARTIKEL III

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarop paragraaf 5.3.1 van dat besluit van toepassing is.

B

Artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, met een inhoud van minder dan 10.000 kg ammoniak, waarvan de diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper 80 DN of minder bedraagt, of

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. draagt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, ervoor zorg dat bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, binnen de veiligheidscontour:

    • de bouw of vestiging van kwetsbare objecten niet is toegelaten, en

    • geen mogelijkheden ontstaan voor de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten, waar deze mogelijkheden tot de vaststelling van het besluit niet bestonden.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid, onderdeel b, is niet van toepassing op objecten die:

    • een functionele binding hebben met een binnen de veiligheidscontour gelegen inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, of met het gebied waarvoor de veiligheidscontour is vastgesteld, of

    • tevens binnen een andere veiligheidscontour zijn gelegen en een functionele binding hebben met een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, binnen die veiligheidscontour, of met het gebied waarvoor die veiligheidscontour is vastgesteld.

3. Het derde lid (oud) wordt vernummerd tot vierde lid.

D

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 2, eerste lid,onderdeel g, met een inhoud van 10.000 kg ammoniak of meer, of waarvan de diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper meer dan 80 DN bedraagt.

E

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid vervalt.

2. Het zesde tot en met achtste lid worden vernummerd tot vijfde tot en met zevende lid.

F

In artikel 19, wordt de zinsnede «artikel 40, eerste lid, van de Woningwet», vervangen door: artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

ARTIKEL IV

Het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 vervalt het begrip «NeR» met de daarbij behorende begripsomschrijving.

B

Artikel 1.3, onderdeel f, vervalt.

C

Artikel 1.5, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door: , en.

2. Onderdeel b vervalt.

3. Onderdeel c wordt genummerd onderdeel b.

D

In artikel 2.2, derde lid, wordt na «op of in de bodem» ingevoegd: of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool.

E

In artikel 3.4, vierde lid, onderdeel b, wordt «bedoeld in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut» vervangen door: bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie.

F

In artikel 3.11, eerste lid, wordt «sloop-, renovatie- of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten» vervangen door: sloop- of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

G

Artikel 3.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het tweede tot en met het twaalfde lid» vervangen door: het tweede tot en met dertiende lid.

2. In het vijfde en zesde lid wordt «bijlage 4.6 van de NeR» vervangen door: bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.

3. In het zevende lid vervalt: in een oppervlaktewaterlichaam of.

4. Het achtste en negende lid komen te luiden:

  • 8. Bij het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging.

  • 9. Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, is toegestaan.

5. Na het negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 10. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest vindt slechts dan plaats, indien lozen als bedoeld in het zevende tot en met het negende lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

6. Het tiende tot en met twaalfde lid worden vernummerd tot elfde tot en met dertiende lid.

7. Het elfde en twaalfde lid (nieuw) komen te luiden:

  • 11. Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 12. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het zevende en tiende lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

H

In artikel 3.19 wordt «is toegestaan indien het lozen door of in opdracht van de beheerder plaatsvindt» vervangen door: dat in beheer is bij dezelfde beheerder, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

ARTIKEL V

In voorschrift 1.2.1 van de bijlage behorende bij artikel 3 van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval wordt «de Nederlandse emissierichtlijn (september 2000)» vervangen door: bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.

ARTIKEL VI

  • 1. Een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet.

  • 2. Onverminderd artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, indien:

    • a. die aanvraag is ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, en

    • b. op die aanvraag vóór het tijdstip, bedoeld in onderdeel a, nog niet onherroepelijk is beslist.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet op het tijdstip waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. De voorschriften die aan die omgevingsvergunning zijn verbonden, worden overeenkomstig artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

ARTIKEL VII

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer

Besluit LPG-tankstations milieubeheer

ARTIKEL VIII

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Apeldoorn, 18 september 2015

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Uitgegeven de eerste oktober 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

I. Algemeen deel

1. Aanleiding en achtergrond

2. Toe te voegen activiteiten in de vierde tranche en vervallen vergunningplicht

2.1. Inleiding

2.2. Smelten en gieten van metalen

2.3. Opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen

2.4. Schieten op buitenschietbanen

2.5. Kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen (monovergisting)

2.6. Dierencrematoria

2.7. Houden van honden en bepaalde sier- en roofvogels in de buitenlucht

2.8. Op- en overslaan van verwijderd asbest van eigen werkzaamheden

2.9. Bloemenververijen

2.10. Enkele activiteiten met mergel, grind en kalk

2.11. Activiteiten waarvoor de vergunningplicht vervalt zonder extra voorschriften

3. Wijzigingen ter verduidelijking van voorschriften of ter verlichting van lasten

3.1. Inleiding

3.2. Energiebesparende maatregelen

3.3. Reinigen en wassen van textiel (PER-metingen)

3.4. Afschaffing verplichte VOS-boekhouding onder een bepaalde drempel

3.5. Wijzigingen betreffende het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie

3.6. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen

3.7. Grote lawaaimakers

3.8. Verplaatsing van het speciale overgangsrecht

3.9. Aanpassingen lozingsvoorschriften in het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen

4. Inbouw van twee besluiten, een ministeriële regeling en een Nederlandse richtlijn

4.1. Inleiding

4.2. Nederlandse emissierichtlijn lucht

4.3. Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer

4.4. Besluit LPG-tankstations milieubeheer

4.5. Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer

5. Reparatiepunten en overige wijzigingen

5.1. Inleiding

5.2. Ondergrondse opslagtanks

5.3. Koelinstallaties

5.4. Rechtsbasis tussenopslag autowrakken na demontage

5.5. Industriële emissies

5.6. Aanpassing Besluit externe veiligheid inrichtingen

5.7. Vervallen van verwijzingen naar vervallen NEN-normen

6. Effecten

6.1. Milieueffecten

6.2. Bedrijfseffecten

6.2.1. Administratieve lasten

6.2.2. Nalevingskosten

6.3. Bestuurlijke lasten

7. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

8. Advisering

9. Evaluatie

10. Voorhang, consultatie en inspraak

11. Notificatie

II. Artikelsgewijs

I. Algemeen deel

1. Aanleiding en achtergrond

Het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) bevat algemene regels (milieuvoorschriften) voor inrichtingen. Met de invoering van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) is begonnen met het reguleren door middel van algemene regels van inrichtingen en activiteiten die voorheen vergunningplichtig waren op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en later de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

Dit wijzigingsbesluit betreft de vierde tranche van de tweede fase van het project modernisering van de algemene regels1 waarbij meer vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit worden gebracht. Tegelijkertijd met het Activiteitenbesluit wordt ook de Activiteitenregeling gewijzigd. Sinds de invoering van het Activiteitenbesluit in 2008 zijn in een aantal opeenvolgende wijzigingen steeds nieuwe branches aan het Activiteitenbesluit toegevoegd. Het doel is om op deze wijze vereenvoudiging, vermindering en uniformering van regelgeving te realiseren en tegelijkertijd een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen als gevolg van rijksregelgeving te bewerkstelligen. De nieuw onder het Activiteitenbesluit te reguleren activiteiten worden beschreven in paragraaf 2.

In de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit «derde tranche van de tweede fase» worden de doelen van het project modernisering van de algemene regels samengevat weergegeven2. Deze doelen gelden eveneens voor de vierde tranche, namelijk:

  • De algemene regels voor bedrijfsmatige milieurelevante activiteiten worden zoveel mogelijk in het Activiteitenbesluit ondergebracht.

  • Bij het toevoegen van activiteiten worden niet meer regels toegevoegd dan noodzakelijk is. Het onder algemene regels brengen van vergunningplichtige activiteiten levert een reductie van administratieve lasten op.

  • De toe te voegen algemene regels dienen relevante en herkenbare milieudoelen.

  • Het onder de algemene regels brengen van de activiteiten gebeurt beleidsneutraal met dien verstande dat de regels wel uitgaan van de best beschikbare technieken.

  • De toe te voegen algemene regels moeten goed uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

  • De toe te voegen algemene regels zijn zoveel mogelijk uniform en bieden ook ruimte voor flexibiliteit en innovatie.

Ook de in die nota van toelichting genoemde redenen voor overheidsinterventie (paragraaf 4) zijn onverkort van toepassing op deze vierde tranche. Daarom wordt hier kortheidshalve naar verwezen.

Daarnaast wordt met deze wijziging een aantal andere maatregelen getroffen: de wijziging wijkt in die zin af van de eerdere tranches van het Activiteitenbesluit. Het betreft meer specifiek: invoering van enkele andere maatregelen ter verlichting van lasten voor inrichtingen of ter verduidelijking van voorschriften, waaronder het stroomlijnen van het overgangsrecht (paragraaf 3), en vereenvoudiging van regelgeving onder meer door het opnemen van enkele besluiten en een ministeriële regeling in het Activiteitenbesluit (paragraaf 4). Tevens is een aantal reparatiepunten en overige wijzigingen meegenomen (paragraaf 5).

Het wijzigingsbesluit bevat tevens een aantal met de wijzigingen van het Activiteitenbesluit samenhangende aanpassingen van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), het Besluit lozen buiten inrichtingen en deels van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi).

Het is niet de bedoeling – na deze vierde tranche – het Activiteitenbesluit opnieuw grootschalig te wijzigen of aan te vullen. Vanwege de verwachte invoering van de Omgevingswet met uitvoeringsregelgeving, waarin het Activiteitenbesluit zal opgaan en waarvan de inwerkingtreding wordt voorzien in 2018, ligt het voor de hand dat toekomstige wijzigingen van het Activiteitenbesluit zullen worden gerealiseerd door middel van opneming in een onder die wet hangend besluit of ministeriële regeling.

In de resterende paragrafen van het algemene deel komen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde: effecten van de regelgeving (paragraaf 6), uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (paragraaf 7), advisering (paragraaf 8), evaluatie (paragraaf 9), voorhang, consultatie en inspraak (paragraaf 10), en notificatie (paragraaf 11).

2. Toe te voegen branches in de vierde tranche en vervallen vergunningplicht

2.1. Inleiding

Met dit wijzigingsbesluit wordt de reikwijdte van het Activiteitenbesluit verbreed doordat een aantal nieuwe activiteiten onder de werking van de algemene regels wordt gebracht en de plicht tot het hebben van een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, de zogenaamde omgevingsvergunning milieu vervalt. Het betreft het smelten en gieten van metalen (paragraaf 2.2), opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen (paragraaf 2.3), schieten op buitenschietbanen (paragraaf 2.4), kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen (paragraaf 2.5), dierencrematoria (paragraaf 2.6), honden, lawaaivogels en dierentuinen (paragraaf 2.7), asbestverwijdering (paragraaf 2.8), bloemenververijen (paragraaf 2.9), enkele activiteiten met mergel, grind en kalk (paragraaf 2.10).

Verder worden in het Activiteitenbesluit voorschriften gesteld met betrekking tot lozingen waarmee de vergunningplicht vanuit de Waterwet voor bepaalde handelingen en specifieke lozingen vanuit inrichtingen vervalt. Het betreft handelingen in een oppervlaktewaterlichaam (paragraaf 3.1.7 van het wijzigingsbesluit), lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen (paragraaf 3.1.8 van het wijzigingsbesluit), lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteit (paragraaf 3.1.9 van het wijzigingsbesluit). Deze activiteiten worden toegelicht in paragraaf 3.9, samen met de overige wijzigingen met betrekking tot water.

Tevens heeft een doorlichting van de lijst met vergunningplichtige inrichtingen (Bijlage I bij het Bor) plaatsgevonden. Deze doorlichting betrof de meer dan 150 redenen voor vergunningplicht. Naar aanleiding daarvan zal voor een aantal andere activiteiten de vergunningplicht vervallen zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften worden ingevoerd, omdat die voorschriften al in het besluit staan, zoals bij ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg, of geen voorschriften nodig zijn. Ook zijn enkele redenen voor vergunningplicht, die vaak tot misverstanden leidden, aangepast of vervallen. Een voorbeeld is de vergunningplicht voor de productie of het verwerken van natuurhars, een activiteit die in Nederland niet voorkomt.

Ten slotte zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in het Bor die samenhangen met artikel 10.54a van de Wm en het intrekken van de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen waarmee de regels over het mengen van gevaarlijke afvalstoffen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling worden samengebracht. Het voorschrift over het mengen van afvalstoffen en de grenzen voor vergunningplicht voor afvalstoffen in categorie 28.10, van onderdeel C, van bijlage I bij het Bor, zijn hierop aangepast. Een groot deel van de wijziging wordt in de Activiteitenregeling opgenomen.

In de onderstaande tabel staat per activiteit opgenomen in hoeverre de activiteit voor de inwerkingtreding van het onderhavige wijzigingsbesluit vergunningplichtig was en in hoeverre dit na de inwerkingtreding van dit besluit is gewijzigd. Tevens is een verwijzing opgenomen naar het Bor waar de vergunningplichtige activiteiten werden benoemd en is aangegeven of en zo ja waar, in het Activiteitenbesluit nieuwe of aanvullende bepalingen voor de betreffende activiteit zijn opgenomen. Vergelijkbare informatie is ook opgenomen op de website van Rijskwaterstaat (www.infomil.nl). Hier is tevens de meest actuele versie van deze informatie beschikbaar.

Tabel verschuivingen vergunningplicht

Activiteiten die onder nieuwe voorschriften van het Activiteitenbesluit komen te vallen en waarvoor de vergunningplicht vervalt

Vóór implementatie vierde tranche

Ná implementatie vierde tranche

Gevolgen regelgeving

• Aanwijzen vergunningsplicht Bor (bijlage I, onderdeel B, of categorie uit onderdeel C) of Waterwet

• Nieuwe voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (AB)

Gieterijen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C

• Bor: Cat. 12.3

• AB: §4.5.13

Defensieinrichtingen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• OBM + Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C

• Bor: Cat. 29.3

• AB: §3.4.10 en §3.8.3

Buitenschietbanen

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (grote schietterreinen defensie)

• Bor: Cat. 17.3 en 29.3

• AB: §3.8.3

Kleinschalige mestvergisting (monovergisting, max. 25.000 m3 per jaar)

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• OBM + type B-inrichting

• Bor: Cat. 7.5

• AB: §3.5.10

Dierencrematoria

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 1.4e

• AB: artikel 4.119 (§4.8.9)

Hondenkennels, volières en dierentuinen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 8.3a/b

• AB: §3.8.5

Asbestverwijderingsbedrijven

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• OBM + type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (> 50 ton asbest)

• Bor: Cat. 28.10

• AB: §3.4.11

Bloemververijen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 4.4n

• AB: §3.8.4

Winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind en kalk

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Bor: Cat. 11.4k en l

• AB: artikel 3.31, vierde lid (§3.4.3)

Activiteiten inzake

• Ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam

• Lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen

• Lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteit

• Watervergunning + type B-inrichting, of

• Watervergunning + Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Waterwet jo artikel 1.6 AB

• AB: §3.1.7 t/m 3.1.9

Veredelen van textiel

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• OBM + type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C (grote lawaaimakers)

• Bor: Cat. 4.7a/16.4a

• AB: artikel 4.103da (§4.7a.5)

Ziekenhuizen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (meeste academische ziekenhuizen)

• Bor: Cat. 23.3

• AB: –

Sport- en recreatiebedrijven en terreinen voor modelvliegtuigen

• Type B-inrichting, of Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C (grote open lucht attractieparken)

• Bor: Cat. 19.4a/b

• Ab: –

Assemblage motorvoertuigen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• OBM + type B-inrichting

• Bor: Onderdeel B, 1b

• AB: –

Productie van houtvezels en houtplaatmateriaal: Spaanplaat, MDF, OSB-plaat, fineerplaat, triplex en multiplex

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (vergunningplichtige activiteiten met afvalhout)

• Bor: Cat: 15.2a/b

• Ab: –

Pet food-bedrijven

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (IPPC- installaties)

• Bor: Cat. 9.4a

• AB: –

Opslag ruwe cacao

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 9.4c

• AB: -

Vullen gasflessen:

– Met verstikkende gassen (koelgassen)

– Kleine draagbare zuurstofunits

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 2.7l

• AB: –

Productie en toepassing van natuurharsen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 6.3

• AB: –

Vervaardigen en bewerken van bont en leer

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (ontharen en looien van huiden)

• Bor: Cat. 8.3n

• AB: –

Meelfabrieken

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting

• Bor: Cat. 9.4b

• AB: –

Afmeren van zeegaande veerboten

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (parkeren van meer dan 3 vrachtwagens met gevaarlijke stoffen)

• Bor: Cat. 13.4d

• Ab: –

Zelfklevend maken van materialen

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting (fabricage plakband)

• Bor: Cat. 16.4e

• AB: –

Kweken van ongewervelde dieren behalve schelpdieren in oppervlaktewater en maden van vliegende insecten

• Omgevingsvergunning milieu + type C inrichting

• Type B inrichting

• Bor: Cat. 8.3

• AB: –

Diverse activiteiten met afval

• Omgevingsvergunning + type C-inrichting

• Type B-inrichting, of

• OBM + type B-inrichting (mengen van afval bij Titel 10.4 Wm bedrijven)

• Bor: Cat. 28.10

• AB: Afdeling 2.5

In onderstaande paragrafen wordt per activiteit ingegaan op de relevante wijzigingen.

2.2. Smelten en gieten van metalen

Met deze wijziging van het Activiteitenbesluit wordt een deel van de activiteit smelten en gieten van metalen, uitgezonderd goud, zilver en platina, door de invoeging van de nieuwe paragraaf 4.5.13 onder algemene regels gebracht. Het betreft het smelten en gieten van de metalen aluminium, lood, zink, tin en koper. Ook het smelten en gieten van de legeringen van deze metalen, met elkaar of met nikkel, vallen onder algemene regels en worden gereguleerd door het Activiteitenbesluit. Het gaat hierbij niet alleen om gieterijen die als hoofdactiviteit producten van metaal gieten, maar ook om inrichtingen met nevenactiviteit gieten. Het betreft ongeveer 150 inrichtingen in totaal.

Bij het «smelten en gieten van metalen» worden metalen in hun zuivere vorm of in combinaties van metalen (legeringen) vloeibaar gemaakt. Na het (eventueel) toevoegen van additieven wordt het vloeibare metaal in een vorm gegoten. Deze vorm kan eenmalig zijn (bijvoorbeeld gemaakt van zand dat behandeld is met een coating) of een zogenaamde duurvorm die vaker te gebruiken is. De keuze tussen eenmalige vorm of duurvorm hangt af van een groot aantal factoren, zoals de vraag naar het product (een eenmalige kerkklok versus een serieproductie van bijvoorbeeld tandwielen), het soort metaal dat gegoten wordt en de grootte van het werkstuk. Om holle werkstukken te kunnen maken, worden zogenaamde kernen aanbracht, die eenmalig (zand met een coating) of meermalig (bijvoorbeeld keramisch) kunnen zijn. De gietvorm en eventuele gietkern worden verwijderd en het metalen werkstuk wordt zo nodig verder bewerkt. Het smelten en gieten van metalen is vaak slechts een onderdeel van het totale productieproces. Het gegoten werkstuk moet meestal verder worden bewerkt tot een eindproduct. Het bewerken van metalen werkstukken (zoals slijpen, lassen, stralen) viel al onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit (paragrafen 4.5.1 tot en met 4.5.11). Het smelten en gieten van andere metalen dan aluminium, lood, zink, tin en koper kunnen leiden tot emissies naar het milieu, die vragen om een bedrijfsspecifieke aanpak. Een dergelijke aanpak past niet bij het uitgangspunt van algemene regels. Daarom blijft het smelten en gieten van andere metalen en legeringen, waaronder ijzer en ijzerlegeringen, op grond van categorie 12.3, onderdeel C, van bijlage I, bij het Bor vergunningplichtig.

Het smelten en gieten van metalen kan tot geurhinder leiden. Een generieke benadering voor (mogelijke) geurhinder die ook van toepassing is op het smelten en gieten van metalen is opgenomen in artikel 2.7a (nieuw). Het al dan niet ontstaan van geurhinder is zeer complex. Geurhinder vormt vaak een probleem binnen de inrichting als geheel. Artikel 2.7a (nieuw) geldt dan ook voor de combinatie van activiteiten die samenhangen met het smelten en gieten. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.

Mogelijke bronnen van geurhinder bij het smelten en gieten van metalen zijn:

  • het maken van thermohardende kernen;

  • het chemisch ontgassen van aluminiumbaden;

  • het koelen van producten in kleigebonden zand, vooral met producten met een hoge giettemperatuur waarbij de metaal/zandverhouding hoog is ten opzichte van het kleigehalte. Ook het toevoegen van additieven zoals houtmeel en maïsproducten aan de kernen kan in combinatie met kleigebonden vormen mogelijk leiden tot geurhinder;

  • het uitbreken van producten uit kleigebonden zand, vooral met producten met een hoge giettemperatuur waarbij de metaal/zandverhouding hoog is ten opzichte van het kleigehalte;

  • het uitbreken van producten uit met organische bindmiddelen gebonden zand, vooral met producten met een hoge giettemperatuur waarbij de metaal/zandverhouding en de kernzand/vormzandverhouding beide hoog zijn.

2.3. Opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen

Met deze wijziging worden de opslag van ontplofbare stoffen en voorwerpen bij de krijgsmacht onder algemene regels gebracht door middel van een nieuwe paragraaf 3.4.10. Tevens wordt het schieten in de open lucht in algemene regels toegevoegd onder de nieuwe paragraaf 3.8.3 (zie hieronder). Ook is de aanwijzing van de vergunningplicht voor defensie-activiteiten in bijlage I, bij het Bor geactualiseerd. De voorschriften zijn in overleg met het Ministerie van Defensie tot stand gekomen.

Vanuit de aard van de werkzaamheden heeft het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie) een grote hoeveelheid ontplofbare stoffen en voorwerpen in de opslag. Ook worden ontplofbare stoffen en voorwerpen onderhouden of gemodificeerd in munitiewerkplaatsen. Om de regeldruk te verminderen zijn algemene regels opgesteld voor de Nederlandse en bondgenootschappelijke krijgsmachten die deze activiteiten uitvoeren (paragraaf 3.4.10 (nieuw)). Het is echter onwenselijk om deze activiteiten, die een aanzienlijk extern risico kennen, zonder voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag toe te staan. Daarom is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM), een omgevingsvergunning zonder voorschriften, voor deze activiteiten ingevoerd. Omdat bij de aanvraag een kwantitatieve risicoanalyse (munitie-QRA) moet worden gevoegd, wordt hiermee de samenhang tussen locatie en externe veiligheid geborgd. De munitie-QRA speelt een rol bij het uiteindelijk vastleggen van veiligheidszones in gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze munitie-QRA wordt zowel met de minister van Infrastructuur en Milieu als met het gemeentebestuur afgestemd. Het gaat bij een munitie-QRA over ontplofbare stoffen en voorwerpen van de klassen 1.1, 1.2 of meer dan 50 kilogram van de klasse 1.3 zoals genoemd in het ADR3. Rondom de opslag- en onderhoudsinrichtingen van Defensie waar ontplofbare stoffen en voorwerpen van deze klassen worden opgeslagen of bewerkt, zijn veiligheidszones ingesteld op basis van een effectbenadering. Deze veiligheidszones zijn al langer bekend omdat deze zijn vastgelegd in bijlage 13 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening. Gemeentebesturen hebben deze veiligheidszones opgenomen in hun bestemmingsplannen. Bij toekomstige wijzigingen, bijvoorbeeld een verhoging van de opgeslagen hoeveelheden of een wijziging van het type opslaggebouw, kan een veiligheidszone ontstaan of kan de bestaande veiligheidszone groter worden. Na toestemming van het bevoegd gezag via de OBM, wordt deze wijziging in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening vastgelegd, waarna gemeentebesturen deze wijziging in hun bestemmingsplannen vastleggen.

De eisen waaraan het opslaan of het bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen moet voldoen, zijn vastgelegd in interne regelgeving van de minister van Defensie, namelijk de MP40-214. Om te voorkomen dat de algemene regels gaan afwijken van de interne Defensie-regelgeving wordt in de Activiteitenregeling direct verwezen naar de vigerende MP40-21.

2.4. Schieten op buitenschietbanen

Dit wijzigingsbesluit voegt een nieuwe paragraaf 3.8.3 inzake buitenschietbanen toe aan het Activiteitenbesluit. In dit wijzigingsbesluit worden buitenschietbanen voor overheidsdiensten en buitenschietbanen voor sportieve en recreatieve doeleinden onderscheiden. Verschillen zijn er bijvoorbeeld op het gebied van wapens. Vanuit de aard van de verplichtingen en werkzaamheden voert het Rijk een aantal taken uit waarvoor personeel (defensiemedewerkers, politiemedewerkers en bijzondere bijstandseenheden) getraind en opgeleid moeten worden in de omgang met vuurwapens en ontplofbare stoffen. Voor het opleiden, trainen en oefenen zijn in Nederland verschillende locaties ingericht waar wordt geschoten met hand- en schoudervuurwapens op een buitenschietbaan ten behoeve van het opleidings- en trainingssysteem. Op deze banen is medegebruik door civiele partijen mogelijk. Voor dit civiele gebruik gelden dezelfde normen. Bij civiel medegebruik wordt bijvoorbeeld de geluidbelasting gezamenlijk met de militaire geluidbelasting bepaald.

Het recreatief- en sportschieten op civiele schietbanen kent een grote variëteit aan afstanden waarover wordt geschoten met uiteenlopende vuistvuurwapens (pistool of revolver) en schoudervuurwapens (geweer) dan wel historische wapens. De schietsport omvat onder meer Olympische disciplines als kleiduivenschieten met hagelgeweren, die een specifiek type schietbaan vereisen.

Zowel bij buitenschietbanen voor overheidsdiensten als voor sportieve en recreatieve doeleinden treedt een bepaalde mate van milieubelasting op. De milieubelasting betreft voornamelijk externe veiligheid, geluidemissie en emissies naar de bodem en lucht.

Voor de externe veiligheid wordt uitgegaan van de effectbenadering: binnen het gebied waar gevaar aanwezig is (de zogeheten onveilige zone) is de aanwezigheid van personen niet toegestaan. Schietbanen dienen te voldoen aan bepaalde constructieve eisen om de genoemde milieubelasting te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. In de interne regelgeving van de minister van Defensie, namelijk de MP40-305, zijn de constructieve eisen en de eisen aan de kogelvanger van een schermenbaan, een poortbaan, een poortkokerbaan, een kokerbaan en een vrije schietbaan beschreven. Deze eisen zijn via een verwijzing in de Activiteitenregeling naar die publicatie van toepassing op schietbanen voor overheidsdiensten. Voor de buitenschietbanen voor sportieve en recreatieve doeleinden worden de constructieve eisen opgenomen in voorschriften in de Activiteitenregeling.

Wat betreft de regulering van emissies naar de bodem wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Op deze manier wordt aangesloten bij de stand der techniek (beste beschikbare technieken). Het is echter niet mogelijk voor deze activiteit een volledig verwaarloosbaar risico te garanderen gezien het feit dat niet voorkomen kan worden dat munitiebestanddelen, en dus bodembedreigende stoffen in de bodem terecht komen. Voor de schietbanen in beheer bij het Rijk worden de Gedragsrichtlijnen inzake bodemverontreiniging in staatseigendommen6 gevolgd bij het aankopen, in gebruik nemen en afstoten van locaties.

Bij het schieten worden afvalstoffen geproduceerd zoals kogelresten en patroonhulzen. Hierop zijn de algemene wettelijke verplichtingen voor afval van toepassing. Er ontstaan ook emissies naar de lucht zoals kruitstof en kruitgassen. Kruitstof en kruitgassen worden gezien als een onvermijdelijke diffuse uitstoot. Hieraan worden geen eisen gesteld.

Ten aanzien van schietgeluid wordt in de systematiek van het Activiteitenbesluit en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening7 uitgegaan van een algemene uniforme norm waarvan bij maatwerk kan worden afgeweken. De bestaande normering, zoals vastgelegd in het Beleidsstandpunt Militair Schietgeluid, gaat uit van deze systematiek. Ook met dit besluit wordt daarbij aangesloten. Het bevoegd gezag kan in bijzondere lokale omstandigheden afwijkende waarden vaststellen van ten hoogste 55 dB Bs,dan. Overigens moet worden opgemerkt dat dit besluit geen regels stelt voor de op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen natuurgebieden. De gevolgen van de inrichting voor die gebieden worden beoordeeld in het kader van die wet.

Door TNO is onderzoek8 verricht naar een dosis-effect relatie voor schietactiviteiten. Uit het onderzoek blijkt dat het geluid van schietactiviteiten bij gelijke belasting als hinderlijker wordt ervaren dan geluid van wegverkeer. Daarom is ervoor gekozen een specifieke waarderingsgrootheid voor schietgeluid te hanteren, namelijk de Bs,dan. Het verschil in de ervaren hinder tussen beide geluidtypen is bij schietgeluid met weinig lage frequenties kleiner dan voor schietgeluid waarbij de lage frequenties meer dominant aanwezig zijn (zoals bijvoorbeeld bij zwaar geschut). Voor schietgeluid wordt daarom een correctiefactor op de geluidbelasting ingevoerd die afhankelijk is van het aandeel laagfrequent geluid. Uit het onderzoek blijkt verder dat voor schietgeluid de ervaren hinder op de zondag hoger ligt dan op werkdagen. Daarom is voor de zondag en voor feestdagen een extra correctie van 5 dB(A) opgenomen. Als deze correcties worden toegepast op het equivalente geluidniveau van schietgeluid dan is de aldus verkregen waarde (aangeduid met Bs,dan) wat betreft hinder vergelijkbaar met de hinder die verwacht wordt bij een gelijke waarde van het equivalente geluidniveau van wegverkeer. Deze «Bs,dan» staat voor de «Beoordeling schietgeluid, dag-avond-nacht» en beschrijft de geluidbelasting uitgedrukt als dag-avond-nachtwaarde.

Bij een melding voor een buitenschietbaan dient een akoestisch rapport te worden ingediend dat is opgesteld conform de ontwikkelde methodiek.

Een norm van 50 dB Bs,dan sluit aan bij de bestaande uitvoeringspraktijk en is toereikend uit het oogpunt van de bescherming tegen geluidhinder. De schiet-geluidnorm geldt voor de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige objecten ten gevolge van de blootstelling aan geluid van schietactiviteiten. Bij de waarde van 50 dB Bs,dan worden, net als bij hinder van verkeersgeluid, maximaal 3,7% ernstig gehinderden verwacht. Voor de bestaande terreinen geldt gedurende een overgangsperiode van 5 jaar de huidige vergunde waarde. Binnen de overgangsperiode dient deze norm te worden omgezet naar een Bs,dan met een maximum van 55 dB Bs,dan. Deze waarde is lager dan de waarden die bij de normering voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai als maximaal toelaatbaar gelden (58–70 dB).

2.5. Kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen (monovergisting)

Dit wijzigingsbesluit brengt de kleinschalige vergisting van uitsluitend dierlijke mest (hierna: monovergisting) onder het Activiteitenbesluit in een nieuwe paragraaf 3.5.10. De overheid zet in op het rendabeler worden van verduurzaming in samenwerkingsverbanden door belemmeringen rond diverse projecten weg te nemen, de zogenaamde Green Deals. Door bestaande belemmeringen blijft een aanzienlijk potentieel van verduurzaming nog onbenut. In een aantal Green Deals is aandacht voor het stimuleren van monovergisting, soms in algemene zin zoals bij de Green Deals «Groen Gas» en «Melk de Groene Motor». In de Green Deals «Biogas XL» en «Deal AgriModem» is expliciet afgesproken de procedure voor het realiseren van monovergisters te versnellen. Met deze wijziging geeft de overheid uitvoering aan deze toezegging.

De voorschriften voor monovergisters staan in paragraaf 3.5.10 (nieuw). Deze voorschriften zijn afgeleid van de Handreiking monovergisting van mest9, die door het bevoegd gezag al werd toegepast bij het verlenen van de omgevingsvergunning milieu. Het wijzigingsbesluit maakt monovergisting niet helemaal vergunningvrij maar vervangt de omgevingsvergunning milieu door een OBM. Daarnaast is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen en meestal ook voor het inpassen in het bestemmingsplan. Een initiatiefnemer kan deze drie vergunningen tegelijkertijd aanvragen. De reguliere voorbereidingsprocedure is van toepassing. Zie voor een verdere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 3.129a tot en met 3.129h en bij de wijziging van categorie 7.5, onderdeel h, van onderdeel C, van bijlage I bij het Bor.

2.6. Dierencrematoria

Met het wijzigingsbesluit «eerste tranche van de tweede fase» zijn de ongeveer 65 humane crematoria onder algemene regels gebracht10. Met het onderhavige wijzigingsbesluit worden de hiermee vergelijkbare 45 dierencrematoria onder algemene regels gebracht door middel van een nieuwe paragraaf 4.8.9. Dierencrematoria cremeren gezelschapsdieren en huisdieren, zoals honden, katten, fretten en hamsters. Een deel van de dierencrematoria is uitgevoerd met een strooiveld voor de verstrooiing van crematie-as. In de voorschriften voor dierencrematieovens en strooivelden is aangesloten bij de voorschriften voor humane crematoria en de voorschriften die in de omgevingsvergunningen milieu werden opgenomen.

Voor de verwijdering van gezelschapsdieren en huisdieren is ook wetgeving opgesteld vanuit de Verordening dierlijke bijproducten11. In de toelichting bij de wijziging van de Activiteitenregeling wordt op enkele aspecten rond voedselveiligheid ingegaan. Het gaat bij dierencrematoria niet om de destructie van landbouwhuisdieren, die aan strikte regels is gebonden. Voor een destructiebedrijf blijft de vergunningplicht gelden op grond van categorie 8.3 onder p (nieuw), van onderdeel C, van bijlage I, bij het Bor. Landbouwhuisdieren mogen niet gecremeerd worden in een dierencrematorium. Paarden worden ook beschouwd als landbouwhuisdieren, ook als ze niet voor landbouwdoeleinden worden gebruikt. Het kadaver van een paard mag echter wel worden verbrand in een erkend huisdierencrematorium12. De eisen die met dit wijzigingsbesluit in het Activiteitenbesluit worden opgenomen, gelden hiermee ook voor de crematie van paarden in een dierencrematorium.

De activiteiten van een dierencrematorium zijn op zichzelf aan te merken als een IPPC-installatie, een installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies13 (hierna: EU-richtlijn industriële emissies), maar het is onwaarschijnlijk dat de drempelwaarde van 10 ton per dag gehaald wordt.

2.7. Houden van honden en bepaalde sier- en roofvogels in de buitenlucht

Het wijzigingsbesluit voegt een nieuwe paragraaf 3.8.5 getiteld «Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren» toe aan het Activiteitenbesluit. De geluidbeoordeling bij het houden van honden en bepaalde sier- en roofvogels in de buitenlucht is complex, vooral omdat dieren zich lastig laten «vangen» in een akoestisch onderzoek. Voor de professionals in deze sector zoals een dierenasiel of een grote hondenfokker is het bestemmingsplan leidend om een geschikte locatie te vinden. Geluidhinder komt helaas niet alleen van bedrijfsmatige activiteiten. Juist een «uit de hand gelopen dierenhobby» kan zorgen voor veel lokale discussies. Als de gemeente klachten ontvangt over een dierenhobby, speelt de juridische vraag een rol of er sprake is van een inrichting in de zin van de Wm. In de praktijk wordt die discussie vaak beslecht door met de burger die een dierenhobby heeft afspraken, te maken over het beperken van de hobby zodat er geen sprake meer is van een inrichting en een vergunning niet nodig was.

Met deze wijziging vervalt de vergunningplicht ook voor deze dierenhobby’s. Als er klachten binnen komen over een dierenhobby zal de gemeente, net als voorheen, moeten vaststellen of er sprake is van een inrichting. Is dat het geval, dan is de vraag of de voorschriften voor geluid (of geur) worden overschreden en of maatwerk daarvoor een oplossing kan bieden. Lukt dat niet, omdat de locatie te ongunstig is, dan ligt het voor de hand dat de gemeente met de burger die een dierenhobby heeft, afspraken maakt over het beperken van de hobby zodat er geen sprake meer is van een inrichting.

2.8. Op- en overslaan van verwijderd asbest van eigen werkzaamheden

Met dit wijzigingsbesluit komt het op- en overslaan van verwijderd asbest van eigen werkzaamheden van de inrichting (asbestverwijderingsbedrijven) onder het Activiteitenbesluit te vallen in een nieuwe paragraaf 3.4.11. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen14 kan de vergunningplicht hiervoor niet volledig worden opgeheven. De omgevingsvergunning milieu is vervangen door een OBM en de voorschriften voor de opslag worden in het Activiteitenbesluit opgenomen.

Het gaat hierbij niet om de «werken» waar ze het asbest verwijderen, maar om de bedrijfslocaties van waaruit de inrichtingen werken. Als de inrichting op een dergelijke locatie ook partijen asbest opslaat die zijn vrijgekomen bij de werken, was voor die locatie een omgevingsvergunning milieu nodig.

De vergunningplicht voor (de opslag van asbest bij) asbestverwijderingsbedrijven volgt uit categorie 28.10, van onderdeel C, van bijlage I bij het Bor. Sommige afvalstoffen zijn uitgezonderd van die vergunningplicht maar voor het opslaan van asbest bij een asbestverwijderingsbedrijf gold tot nu toe nog wel een vergunningplicht.

Zoals opgemerkt volgt de vergunningplicht voor handelingen met afvalstoffen uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen. De omgevingsvergunning milieu kan echter wel vervangen worden door de OBM. Het OBM-plichtig worden van asbestverwijderingsbedrijven houdt het volgende in. Om asbest te mogen opslaan is eenmalig een OBM nodig, namelijk alleen bij oprichting van een inrichting of aanvang van de activiteit. Bij wijzigingen hoeft de drijver van de inrichting alleen een melding te doen. Bij de aanvraag om een OBM hoeft de drijver van de inrichting geen extra gegevens aan te leveren. De melding op grond van het Activiteitenbesluit volstaat. De voorschriften voor de inrichting staan in het Activiteitenbesluit. Er is op dit moment bijvoorbeeld al een OBM voor de opslag van asbest bij de gemeentelijke milieustraat (artikel 2.2a, tweede lid onder a, van het Bor).

De vrijstelling van de omgevingsvergunning milieu is niet onbegrensd. Het uitgangspunt is dat als bij een sanering een hoeveelheid asbest vrijkomt die even groot is als of groter is dan wat in één container past, die hoeveelheid direct van de verwijderingslocatie naar de stortlocatie gaat. Een asbestverwijderingsbedrijf kan vanaf de verwijderingslocatie een hoeveelheid asbest waarmee een container niet volledig gevuld zou zijn mee terug nemen en op de eigen locatie in een container opslaan. Als de container vol is, voert de drijver van de inrichting hem af. De totale hoeveelheid verwijderd asbest die een asbestverwijderingsbedrijf zonder omgevingsvergunning milieu, maar met een OBM, mag opslaan is 50 ton. Bij het opslaan van meer asbest kan ook de EU-richtlijn industriële emissies van toepassing zijn. Met deze wijziging is het dus niet verboden om meer dan 50 ton asbest op te slaan, maar bij overschrijding van die grens is een omgevingsvergunning milieu nodig.

2.9. Bloemenververijen

Het verven van bloemen en planten wordt gereguleerd in de nieuwe paragraaf 3.8.4 Coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten.

2.10. Enkele activiteiten met mergel, grind en kalk

Deze activiteiten betreffen inrichtingen voor het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan. De vergunningplicht gaat gelden vanaf een hogere drempel in categorie 11.4, onder l, van onderdeel C, van bijlage I, bij het Bor. Onder die drempel geldt er voor het zeven een nieuw voorschrift in paragraaf 3.4.3 Op- en overslag van goederen.

2.11. Activiteiten waarvoor de vergunningplicht vervalt zonder extra voorschriften
Algemeen

Bij de doorlichting van de vergunningplichtige lijst in bijlage I bij het Bor is bekeken of er redenen zijn waardoor een vergunningplicht voor onderdelen overbodig is. Dat is het geval indien de voorschriften voor de betreffende activiteit al in het Activiteitenbesluit staan en voldoen. Het doel van de doorlichting is vooral het opschonen van de vergunningplichtige lijst. Een beperkt aantal vergunningen vervalt hierdoor.

Het gaat bijvoorbeeld om een aantal handelingen met afvalstoffen die, zonder daarvoor extra voorschriften te introduceren, onder het Activiteitenbesluit kunnen worden gebracht. Het betreft de assemblage van motorvoertuigen of de productie van spaanplaat, waarvoor de voorschriften al in het Activiteitenbesluit staan, een aantal grote sport- en recreatie-inrichtingen die zonder extra voorschriften onder het Activiteitenbesluit kunnen vallen en terreinen waar in de open lucht met modelvliegtuigen wordt gevlogen. Bij deze laatste twee categorieën zal overigens wel vaak maatwerk, vooral voor geluid, aan de orde zijn. Het bovenstaande geldt ook voor ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg waarop in het navolgende zal worden ingegaan.

Ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg

Met dit wijzigingsbesluit worden ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg als bedoeld in categorie 23.3, van onderdeel C, van Bijlage I bij het Bor, onder het Activiteitenbesluit gebracht. Gebleken is dat binnen deze categorie inrichtingen het met name gaat om activiteiten waarvoor al voorschriften zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Het gaat daarbij zowel om voorschriften die gelden voor vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige inrichtingen.

Ongeveer driekwart van het aantal de inrichtingen dat bij deze categorie hoort, gaat over naar de algemene regels. Het betreft ongeveer 75 inrichtingen. Wat betreft de ziekenhuizen gaat het vooral om de algemene ziekenhuizen. De academische ziekenhuizen blijven in de meeste gevallen vergunningplichtig op grond van een andere categorie uit onderdeel C van bijlage I bij het Bor. Het gaat om ziekenhuizen waar met genetisch gemodificeerde organismen onder ingeperkt gebruik wordt gewerkt of met overige biologische agentia (het wilde type) niveau 3 en 4. Voor het werken met -het wilde type- biologische agentia van niveau 1 en 2 staan overigens reeds algemene regels in het Activiteitenbesluit.

Het kan ook zijn dat ziekenhuizen vergunningplichtig blijven omdat zij de grenzen van andere categorieën uit onderdeel C, van bijlage I, bij het Bor, overschrijden, zoals de opslag van lachgas of van meer dan 100 m3 zuurstof in stationaire reservoirs. Dit komt voor bij enkele academische ziekenhuizen.

Voor lozingen vanuit een ziekenhuis op het vuilwaterriool van afval van de gezondheidszorg bij mens en dier, zoals in sectorplan 19 van het Landelijk afvalbeheersplan15 is omschreven, zijn geen specifieke voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor laboratoria zijn in de Activiteitenregeling wel gedragsvoorschriften opgenomen ten aanzien van het lozen van afvalwater op het vuilwaterriool en het voorkomen of beperken van diffuse emissies. Binnen de algemene systematiek van het Activiteitenbesluit zijn lozingen op het vuilwaterriool toegestaan, mits wordt voldaan aan de zorgplicht van artikel 2.1 en eventuele concrete voorschriften in het besluit. Omdat voor deze afvalstoffen in het Activiteitenbesluit geen concrete lozingsvoorschriften zijn opgenomen, geldt hier uitsluitend de zorgplicht. Sectorplan 19 geeft kortweg aan dat verbranden de minimumstandaard voor verwerking van deze afvalstoffen is. In het verlengde daarvan betekent dit ook dat lozen van deze stoffen in het vuilwaterriool niet toegelaten is. Mochten deze afvalstoffen toch in het vuilwaterriool worden geloosd, dan kan direct gehandhaafd worden op grond van de zorgplicht. De algemene regels voor lozingen uit het Activiteitenbesluit zijn nu reeds van toepassing op een groot aantal ziekenhuizen en instellingen. Deze set aan voorschriften is voldoende gebleken. Het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die nu onder het Activiteitenbesluit worden gebracht verschilt niet wezenlijk van het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die reeds onder algemene regels vallen, waardoor bovenstaande systematiek ook voor deze ziekenhuizen en instellingen een sluitend systeem zal zijn.

3. Andere wijzigingen ter verduidelijking van voorschriften of ter verlichting van lasten

3.1. Inleiding

Naast het onder algemene regels brengen van een aantal categorieën activiteiten en het afschaffen van de vergunningplicht voor bepaalde activiteiten wordt met dit wijzigingsbesluit een aantal andere wijzigingen doorgevoerd die strekken ter verduidelijking van voorschriften of ter verlichting van lasten. Dit blijkt uit berekening van de lasten ten gevolge van de maatregelen van dit wijzigingsbesluit en bijbehorende wijzigingsregeling (paragraaf 6.2. Bedrijfseffecten). Juist deze maatregelen, die hierna worden toegelicht, zullen in aanzienlijke mate bijdragen aan lastenverlichting voor het bedrijfsleven.

In het onderstaande komen achtereenvolgens aan de orde: energiebesparende maatregelen (paragraaf 3.2), reinigen en wassen van textiel (PER-metingen) (paragraaf 3.3), afschaffing van verplichte VOS-boekhouding beneden een bepaalde drempel (paragraaf 3.4), wijzigingen betreffende het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie (paragraaf 3.5), het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, of werktuigen of van spoorvoertuigen (paragraaf 3.6), grote lawaaimakers (paragraaf 3.7), verplaatsing van het speciale overgangsrecht (paragraaf 3.8), aanpassingen lozingen in het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.9).

3.2. Energiebesparende maatregelen

Met dit wijzigingsbesluit wordt door twee aanpassingen meer duidelijkheid gegeven over de reeds bestaande verplichting van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit tot het nemen van energiebesparende maatregelen. Het betreft het vervallen van de «netto contante waarde»16 als criterium voor de vraag of een energiebesparende maatregel rendabel is en het mogelijk maken dat die maatregelen gefaseerd worden genomen. Daarnaast wordt de Activiteitenregeling aangepast waarin erkende energiebesparende maatregelen worden beschreven die door de drijver van de inrichting kunnen worden toegepast om te voldoen aan het doelvoorschrift in artikel 2.15, eerste lid. Op basis van dat artikellid treft de drijver van een inrichting alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. De grondslag voor de aanpassing van de Activiteitenregeling ligt in artikel 1.7 van het Activiteitenbesluit. In principe geldt dat maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen redelijk zijn, tenzij er (niet-financiële) redenen zijn waarom de maatregel niet inpasbaar is in de bedrijfsvoering of de maatregel een onaanvaardbaar effect heeft op een ander milieucompartiment.

Het handhaven en naleven van energiebesparing op grond van artikel 2.15 leverde in de praktijk problemen op voor het bevoegd gezag en het bedrijfsleven. Met name de onduidelijkheid over de vraag met welke maatregelen aan de verplichting van artikel 2.15 kon worden voldaan, leidde tot deze problemen. Vanuit de praktijk is behoefte aan aanvulling en verduidelijking. Hierin wordt voorzien met de lijst met erkende maatregelen die in de Activiteitenregeling wordt opgenomen. Tevens is meer duidelijkheid nodig over de mogelijkheid om de maatregelen die zijn bedoeld in artikel 2.15 gefaseerd in de tijd te treffen.

De wijzigingen in dit wijzigingsbesluit zijn het gevolg van de motie Van Veldhoven17. Deze motie verzoekt de regering te voorzien in concrete, geactualiseerde maatregelenlijsten voor energiebesparing, zodat effectieve handhaving van de Wm mogelijk is. Over de verbetering van de handhaving zijn tevens afspraken gemaakt in het «Energie-akkoord voor Duurzame Groei»18 dat is gesloten in SER-verband tussen onder andere het kabinet, werkgevers, werknemers, natuur- en milieuorganisaties, energiebedrijven en decentrale overheden.

Naast het Activiteitenbesluit stelt ook de technische bouwregelgeving eisen aan energiezuinigheid. Het gaat hier met name over het Bouwbesluit 2012 en het Besluit energieprestatie gebouwen (hierna: BEG). Het Bouwbesluit 2012 bevat in hoofdstuk 5 voorschriften voor de energiezuinigheid. Deze voorschriften gelden bij nieuw te bouwen bouwwerken. Het gaat in dit hoofdstuk om voorschriften met betrekking tot bijvoorbeeld de luchtdoorlatendheid en de energieprestatiecoëfficiënt (hierna: EPC). De EPC geeft de mate van energiezuinigheid van een bouwwerk aan. Ieder nieuw bouwwerk voldoet bij oplevering in principe aan de EPC die voor dat specifieke bouwwerk geldt op grond van artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012. Het BEG kent ook het zogenoemd energielabel. Op grond van het BEG moet, voor zover hier van belang bij verkoop en verhuur, een energielabel worden overhandigd aan de koper of huurder.

Wanneer sprake is van nieuwbouw en dus aan EPC normen wordt voldaan, dan wel wanneer voor een gebouw een energielabel beschikbaar is dat minder dan 10 jaar geleden is afgegeven, kan voor bepaalde maatregelen aangegeven worden dat kan worden aangenomen dat deze maatregelen zijn getroffen. Bij deze maatregelen, zoals weergegeven in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling, zal worden aangegeven vanaf welk bouwjaar mag worden aangenomen dat de betreffende maatregel is getroffen, dan wel zal worden aangegeven vanaf welk energielabel mag worden aangenomen dat de betreffende maatregel is getroffen. De genoemde termijn van 10 jaar voor het energielabel, volgt uit het BEG dat deze maximale termijn stelt aan de geldigheid van een energielabel.

Van de hierboven bedoelde situatie kan alleen sprake zijn bij gebouwgebonden maatregelen in het gebouw waarop het energielabel betrekking heeft dan wel in het gebouw dat aan EPC normen voldoet. In overige gebouwen in de inrichting kan niet worden aangenomen dat de gebouwgebonden maatregelen reeds getroffen zijn. Gebouwgebonden maatregelen zijn maatregelen die ingrijpen in de gebouwschil of verbeteringen aan installaties inhouden. Dergelijke maatregelen hebben betrekking op verwarmen, isoleren, koelen, verlichten, warm tapwater en ventileren.

De aanname dat in de inrichting de in artikel 2.15, eerste lid, bedoelde maatregelen zijn getroffen, laat onverlet dat de drijver van de inrichting ertoe gehouden is de maatregelen juist te gebruiken en te onderhouden. Met name gedurende de eerste periode na ingebruikname van een nieuw gebouw is het van cruciaal belang dat de drijver van de inrichting de maatregelen op een energetisch optimale wijze inregelt. Ook is het daadwerkelijke energieverbruik natuurlijk afhankelijk van de wijze van gebruik van het gebouw en het specifieke gedrag van de gebruiker. Een voorbeeld hiervan is de mate waarin gebruik wordt gemaakt van bepaalde apparatuur, zoals computers.

3.3. Reinigen en wassen van textiel (PER-metingen)

Veel textielreinigingsbedrijven reinigen met perchloorethyleen (hierna: PER), ook wel tetrachlooretheen genoemd. PER kan bij langdurige blootstelling effect hebben op de nieren en het centrale zenuwstelsel. Daarom stelt de arbeidsomstandighedenregelgeving hier eisen aan. De milieueffecten van PER betreffen lucht- en bodemverontreiniging. Aan de uitstoot van PER bij de bron zijn voorschriften verbonden in het Activiteitenbesluit. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan PER-immissie, dat wil zeggen de belasting van de leefomgeving tengevolge van de uitstoot naar de lucht.

Met dit wijzigingsbesluit vervallen de eisen voor het meten van PER-immissies zoals die waren opgenomen in de artikelen 4.96 tot en met 4.100. Vanuit Europese regelgeving worden er geen eisen gesteld aan de PER-immissie, maar wel voor de PER-emissie vanuit de EU-richtlijn industriële emissies. De voorschriften voor PER-immissiemetingen zijn daarbij zeer gedetailleerd in vergelijking met andere voorschriften in het Activiteitenbesluit. Ze passen beter in een informatiedocument of normblad dan in een besluit. Op de website van RWS/InfoMil zal in een informatiedocument over luchtemissies informatie over PER-immissiemetingen worden opgenomen. In dit document wordt ook het informatieve deel van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: (NeR) opgenomen. Het normatieve deel van de NeR wordt met het onderhavige wijzigingsbesluit ondergebracht in het Activiteitenbesluit (zie ook paragraaf 4.2. van deze nota van toelichting). Na het vervallen van de meetvoorschriften voor PER-immissies blijven voorschriften in het Activiteitenbesluit staan over de toegestane typen chemische stoffen, de PER-emissiegrenswaarde en boekhouding (conform afdeling 2.11 van het besluit), het machineonderhoud, de lozingen en de bodem.

3.4. Afschaffing verplichte VOS-boekhouding onder een bepaalde drempel

Het vervallen van de verplichte boekhouding van vluchtige organische stoffen (hierna: VOS-boekhouding) voor niet-vergunningplichtige inrichtingen met een oplosmiddelenverbruik beneden de drempels van de EU-richtlijn industriële emissies leidt tot een aanzienlijke lastenverlichting voor het bedrijfsleven.

De EU-richtlijn industriële emissies is geïmplementeerd in afdeling 2.11 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling 2.11 is pas van toepassing bij het bereiken van een of meer van de per activiteit genoemde drempels van verbruikte oplosmiddelen per jaar. De drempels zijn afhankelijk van de uitgevoerde activiteit met oplosmiddelen en staan in bijlage VII bij de EU-richtlijn industriële emissies. Het betreft dus «Europese» drempels, die voor alle EU-landen gelden. Deze drempels zijn veelal duizenden kilogrammen. Voor enkele activiteiten bestaat geen drempel.

Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen zijn in het Activiteitenbesluit met betrekking tot vluchtige organische stoffen naast verplichtingen in afdeling 2.11 ook verplichtingen in hoofdstuk 4 opgenomen. Hierbij gaat ten dele om activiteiten die vanwege hun aard overeenkomen met de activiteiten uit afdeling 2.11, zoals het reinigen, lijmen en coaten van hout, kunststof, papier, textiel en metaal.

Inrichtingen die deze activiteiten uitvoeren moesten een VOS-boekhouding bijhouden en maatregelen nemen vanaf een verbruik van 1.000 kilogram vluchtige organische stoffen per jaar. Ter verduidelijking is in de onderstaande tabel een overzicht opgenomen van de verplichting zoals deze gold vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit. Bij een verbruik van vluchtige organische stoffen onder de 1.000 kilogram per jaar was bij veel van deze activiteiten een VOS-boekhouding ook al verplicht.

Overzicht van VOS-artikelen betreffende boekhouding en of maatregelen in hoofdstuk 4 Activiteitenbesluit vóór in werking treding wijziging

Paragraaf in Activiteitenbesluit (activiteit)

Artikelnummer

Boekhouding onder 1.000 kg verbruik verplicht?

Afdeling 2.11 mogelijk van toepassing?

§ 4.3.2 Reinigen, coaten en lijmen van hout of kurk

4.24

ja

Ja

§ 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van rubber en kunststof

4.30

ja

Ja

§ 4.5.5 Reinigen, coaten en lijmen van metalen

4.55

ja

Ja

§ 4.5a.2 Aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen

nee

Nee

§ 4.7.2 Zeefdrukken

4.90

nee (niet meer, sinds 2013)

Nee

§ 4.7.3 Vellenoffset druktechniek

4.94a

ja

Ja

§ 4.7.3a Rotatieoffset druktechniek

nee

Ja

§ 4.7.3b Flexodruk of verpakkingsdiepdruk

nee

Ja

§ 4.7a.1 Bewerken, lijmen, coaten en lamineren van papier en karton

4.94e

ja

Ja

§ 4.7a.5 Lijmen en coaten van textiel

4.103e

ja

Ja

De VOS-boekhouding in hoofdstuk 4 was dus niet in alle gevallen verplicht. Ook was deze niet overal op dezelfde wijze geregeld. Zo was deze voor een aantal activiteiten niet verplicht (§4.3.2 en §4.5.5) indien producten worden gebruikt waarvan het in de handel brengen is gereguleerd door het Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer. Voor de drukprocessen flexodruk of verpakkingsdruk en rotatieoffset, die per 1 januari 2013 aan hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit zijn toegevoegd, was er geen plicht om een VOS-boekhouding bij te houden voor gevallen waarin het verbruik onder de drempels genoemd in afdeling 2.11 blijft. De VOS-boekhouding op basis van hoofdstuk 4 voor zeefdrukken was vervallen met ingang van 1 januari 2013. Voor vellenoffset golden er echter meer eisen voor de VOS-boekhouding. Boven een of meer van de drempels voor oplosmiddelenverbruik van afdeling 2.11, gelden de voorschriften van deze afdeling, waaronder het bijhouden van een zeer uitgebreide VOS-boekhouding. Door het vervallen van de verplichte VOS-boekhouding voor het verbruik van minder dan 1.000 kilogram vluchtige organische stoffen vindt harmonisatie plaats. In lijn met deze wijziging is er bij de nieuwe paragraaf 3.4.8 Coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten (zie ook paragraaf 4.2. van deze nota van toelichting), evenmin een eis voor een verplichte boekhouding.

De verbruiksdrempel van 1.000 kilogram en de boekhouding beneden de EU-drempels betreffen een drempel en een administratieve eis in de Nederlandse regelgeving die niet afkomstig zijn uit EU-regelgeving. De administratieve lasten van een dergelijke boekhouding, die dus tot nu toe ook verplicht was indien minder dan 1.000 kilogram vluchtige organische stoffen per jaar wordt verbruikt, bedragen naar schatting € 1.50019 per bedrijf.

Derhalve is er in het wijzigingsbesluit voor gekozen de drijver van de inrichting alleen te verplichten aan te tonen dat het verbruik inderdaad onder de 1.000 kilogram ligt. Een boekhouding is hiervoor niet nodig, vaak is een in- en verkoopbalans, waarover de bedrijven veelal al beschikken, voldoende.

De artikelen 4.24, 4.30, 4.55, 4.94a, 4.94e en 4.103e zijn zodanig aangepast dat de verplichting om een oplosmiddelenboekhouding te voeren waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen van minder dan 1.000 kiligram per kilogram per jaar wordt geregistreerd, is vervallen.

3.5. Wijzigingen betreffende het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie

In 2011 en 2012 is door Energieonderzoek Centrum Nederland (hierna: ECN) en InfoMil een evaluatie20 uitgevoerd van het voormalige Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer21 (hierna: Bems). Deze evaluatie heeft geleid tot een aantal adviezen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Bij brief van 6 juni 2013 aan de Tweede Kamer22 heeft de Staatssecretaris aangegeven hoe zij met deze adviezen wil omgaan. De hieruit voortvloeiende wijzigingen van de regelgeving zijn in dit wijzigingsbesluit meegenomen. De wijzigingen betreffen voornamelijk het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie (paragraaf 3.2.1).

Het gaat hierbij achtereenvolgens om:

  • a. Een verruiming van de zogenoemde 500-uursregeling, waarbij stookinstallaties die ten hoogste 500 uur per jaar in gebruik zijn, zijn vrijgesteld van de emissie-eisen.

  • b. Een verruiming van de emissiegrenswaarde voor bepaalde biomassa ketels,

  • c. Een speciale regeling voor kleine dieselmotoren in de Exclusieve Economische Zone (hierna: EEZ).

  • d. Een vereenvoudiging met betrekking tot de SO2-normen.

Deze wijzigingen worden hierna toegelicht.

Daarnaast worden, conform het advies aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de bijzondere regeling met betrekking tot asfaltmenginstallaties uit de NeR in hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit opgenomen. Dit wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij het betreffende artikel.

Het advies voor de herintroductie van de eerste bijzondere inspectie bij ingebruikstelling (EBI) van een stookinstallatie is overgenomen en verwerkt in de Activiteitenregeling. Dit onderwerp wordt dan ook nader toegelicht in de toelichting bij de wijzigingsregeling.

Tevens zijn enkele redactionele verbeteringen aangebracht.

a. Aanpassing 500-uursregeling

In de hierboven genoemde evaluatie van het Bems heeft InfoMil een analyse uitgevoerd naar het aantal installaties dat onder de 500-uursregeling komt te vallen en de effecten hiervan op de NOx-emissies (stikstofoxiden). Dat heeft onder meer geleid tot het advies om de zogenaamde 500-uursregeling in paragraaf 3.2.1, die beperkt was tot noodvoorzieningen, ook te laten gelden voor kleine en middelgrote stookinstallaties die ten hoogste 500 uur per jaar in bedrijf zijn. Daarmee wordt een nagenoeg algehele vrijstelling van de emissie-eisen voor die installaties gerealiseerd.

De reden hiervoor is dat, gezien het klein aantal uren dat deze installaties in bedrijf zijn, aanpassingen aan de installaties om aan de emissie-eisen te voldoen onevenredig hoge kosten met zich mee zouden brengen in relatie tot de vermeden emissies. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om laadkranen die incidenteel worden gebruikt, ketels die alleen worden gebruikt voor het stomen van grond in de glastuinbouw, bijstookketels voor stadsverwarming, back-up-installaties in zijn algemeenheid bij inrichtingen en motoren en turbines voor het comprimeren van aardgas tijdens koude winterdagen. Met de verbreding van de 500-uursregeling verdwijnt de onduidelijkheid over wat precies onder een «noodvoorziening» dient te worden verstaan. De 500-uursgrens is een helder criterium.

De vrijstelling geldt echter niet voor de productie van elektriciteit met behulp van een dieselmotor anders dan voor noodgevallen. Dit zogenaamde «pieken scheren» kan in bepaalde perioden financieel aantrekkelijk zijn bij een hoge elektriciteitsvraag en dus een hoge elektriciteitsprijs. Deze dieselmotoren produceren relatief veel NOx en stof aangezien zij doorgaans niet zijn uitgerust met een goede rookgasreiniging terwijl een echte noodzaak om de bedrijfsvoering te garanderen in dat geval ontbreekt.

De 500-uursregeling voor kleine en middelgrote stookinstallaties (paragraaf 3.2.1) is ruimer dan de 500-uursregeling in paragraaf 5.1, die van toepassing is op grote stookinstallaties. De achtergrond hiervan is dat hoofdstuk 5 de implementatie betreft van de EU-richtlijn industriële emissies terwijl de bepalingen in paragraaf 3.2.1 op nationaal niveau zijn bepaald.

In paragraaf 5.1 is de 500-uursregeling conform de regeling in de EU-richtlijn industriële emissies beperkt tot gasturbines, gasmotoren en dieselmotoren die bestemd zijn voor noodgevallen (artikel 5.8). Toch valt het onderscheid met de regeling in paragraaf 3.2.1 in de praktijk mee omdat bijvoorbeeld de inzet van stookinstallaties om uitval, opstarten of onderhoud van een voorziening voor elektriciteit, warm water of stoom op te vangen, onder het begrip «noodgevallen» in de zin van artikel 5.8 valt. Ook valt het opvangen van pieken in de elektriciteitsvraag door elektriciteitsproductiebedrijven onder dit begrip. Het leveren van elektriciteit is voor deze inrichtingen immers de hoofdactiviteit en (potentiële) problemen met de levering zijn daarom te beschouwen als een noodgeval. Dat geldt analoog ook voor gastransport, waarbij bij piekvraag in de gaslevering bijvoorbeeld ten gevolge van koude periodes in de winter voor korte tijd extra machines moeten worden bijgeschakeld, zeker als de bedrijfsvoering zodanig is ingericht (bijvoorbeeld via preferente inzet van de schoonste machines) dat deze als laatste uit het machinepark worden ingezet.

Met de wijziging van artikel 3.7, vierde lid, wordt ten aanzien van de keuringsplicht één lijn getrokken door alle 500-uurs-installaties die onder paragraaf 3.2.1 vallen onder de keuringsplicht te brengen dan wel te houden. De keuringsplicht voor nieuwe inrichtingen in de 500-uursregeling blijft dus bestaan terwijl voor de noodinstallaties de keuringsplicht wordt ingevoerd. Deze keuze is gemaakt omdat het onderscheid nood- en niet-noodinstallaties diffuus is en differentiatie tot veel discussie zou kunnen leiden. Daarnaast vereenvoudigt het de regelgeving. Voor de noodinstallaties kan de keuring gecombineerd worden met het periodiek onderhoud. Desondanks heeft dit een beperkte toename van de nalevingskosten tot gevolg.

Voor alle «500-uursinstallaties» geldt als voorwaarde dat deze installaties geïdentificeerd moeten kunnen worden en dat het aantal gedraaide uren controleerbaar moet zijn. Dit is voor de installaties met een vermogen kleiner dan 50 MW uitgewerkt in de Activiteitenregeling. Dit resulteert in een toename van de administratieve lasten per jaar. Deze toename wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de lastenverlichting die ontstaat doordat aanpassing van de 500-uursinstallaties die ook onder deze regeling zijn komen te vallen achterwege kan blijven. Netto levert het een kostenbesparing op voor het bedrijfsleven.

In de eerder genoemde evaluatie bleek bij de begeleidingscommissie een groot draagvlak te bestaan voor bovenstaande wijzigingen.

b. Verruiming emissie-eis biomassa ketels 1-5 MWth

Uit de Evaluatie van het Bems kwam naar voren dat de emissie-eisen voor NOx voor ketelinstallaties, gestookt op biomassa in de grootte-klasse van 1 tot 5 MWth aan de strenge kant waren. ECN gaf in overweging deze norm te versoepelen omdat handhaving van de norm mogelijk een rem zou kunnen betekenen op de toepassing van biomassa in lokale klimaatprojecten die juist van belang worden geacht in het kader van het klimaatbeleid. Deze aanpassing heeft geen gevolgen voor de omvang van investeringen in de ketel of rookgasreinigingsapparatuur. Er zijn dan ook geen wijzigingen ten aanzien van de nalevingskosten. Ook wijzigen de administratieve en bestuurlijke lasten niet. Overigens gaat het om enkele (1–3) installaties per jaar die worden bijgeplaatst.

Daarnaast adviseerde ECN in het Activiteitenbesluit aan te sluiten bij de vermogensgrenzen van de richtlijn inzake Ecodesign23. De internationale onderhandelingen over de ecodesignketels voor biomassa zijn na het uitbrengen van het ECN-advies echter vertraagd en op het moment van het in procedure brengen van dit wijzigingsbesluit nog niet afgerond. Naar verwachting zullen normen op grond van Ecodesign voor biomassaketels pas met ingang van 2020 in werking treden. Daarom is besloten de verdere ontwikkelingen af te wachten en dit punt in een toekomstige wijziging van de regelgeving mee te nemen.

c. Regeling voor kleine dieselmotoren in de EEZ

Installaties in de olie- en gaswinning in de EEZ vallen nog niet zo lang onder algemene regels. In 2019 zouden ook de bestaande installaties moeten voldoen aan algemene regels (artikel 3.10q (nieuw)). Door de sector is naar voren gebracht dat voor platforms in de EEZ niet de keuze bestaat om elektriciteit in te kopen maar dit ter plekke moeten worden opgewekt met bijvoorbeeld dieselmotoren. De fysieke ruimte die nodig is voor bepaalde aanpassingen, zoals rookgasreiniging, is veel moeilijker te realiseren dan bij locaties op land en de aanvoerkosten voor eventuele hulpstoffen zijn hoger dan op land. Ook zijn er veel onbemande satellietplatforms waar geen personeel aanwezig is om bij storingen in te grijpen of om vaker dan voorzien onderhoud te plegen. Dit vergt dan, zodra het weer het toestaat, extra helikoptervluchten. Als gevolg hiervan zijn de kosten per kilogram gereduceerde emissie, met name waar het gaat om NOx, in de EEZ aanzienlijk hoger dan op land. Door ECN wordt in overweging gegeven de sector op dit punt tegemoet te komen en een vrijstelling te verlenen voor de aanpassing aan de emissie-eisen van kleine en middelgrote dieselmotoren op onbemande platforms of satellietplatforms.

Met betrekking tot de milieu-effecten zijn twee ontwikkelingen denkbaar. De eerste is dat het maatwerk gebruikt zal worden om ruimere eisen voor de dieselmotoren toe te staan. In dat geval zal de NOx-emissie van de bestaande motoren op hetzelfde niveau blijven. Omdat een deel van de motoren uit bedrijf zal worden genomen door de afnemende aardgaswinning in de Noordzee, zal de NOx-emissie van deze kleine dieselmotoren vanaf 2019 ongeveer 0,08 kiloton bedragen. De sector is echter reeds enkele jaren bezig met het vinden van alternatieven voor dieselmotoren. Zo zijn er al (satelliet)platforms uitgerust met windmolens en zonnecellen en zijn er proeven gedaan met kleine gasturbines. Indien deze tweede ontwikkeling doorzet, mede gestimuleerd vanuit deze nieuwe bepalingen, zullen de emissies van NOx afnemen tot een lager niveau dan het niveau dat gehaald zou worden met het ongewijzigd handhaven van de eis voor dieselmotoren en het tegen hoge kosten installeren van nageschakelde technieken. Daarom wordt ook voorgeschreven dat eenmaal per 5 jaar een onderzoek wordt uitgevoerd naar de haalbaarheid van alternatieve technieken. Daarin kunnen reeds opgedane ervaringen met deze alternatieven worden betrokken en kan worden bezien of overschakeling hierop in concrete gevallen op een kosteneffectieve wijze mogelijk is. Het is mogelijk dat een gasveld op korte termijn uitgeput zal raken. Dit kan voor het bevoegd gezag reden zijn om bij maatwerkvoorschrift toch een langer gebruik van de dieselmotor toe te staan.

Het feit dat een deel van de investeringen in dieselmotoren in de EEZ niet behoeft te worden gedaan, vermindert de nalevingskosten. Daartegenover staat dat het vijfjaarlijkse onderzoek naar de alternatieven voor dieselmotoren administratieve lasten met zich mee brengt. Per saldo treedt een lastenverlichting op.

Naar schatting gaat het om 31 bestaande dieselmotoren die in 2019 nog in bedrijf zullen zijn en een onbekend aantal nieuwe dieselmotoren op platforms waarvoor dit maatwerk kan gelden. Gezien de ontwikkelingen in de EEZ zal het aantal nieuwe dieselmotoren op platforms gering zijn.

d. Een vereenvoudiging met betrekking tot de SO2-normen.

Voor een aantal gassen zijn de SO2-normen vervallen, omdat die voor die gassen op gespannen voet stonden met het BBT-principe. Deze gassen bevatten nauwelijks tot geen zwavel, zodat er ook geen SO2van enige betekenis kan worden gevormd De regelgeving wordt hiermee ook nog enigszins vereenvoudigd. Zie verder de toelichting op onderdelen SS, TT, UU en WW.

3.6. Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen

Het waswater dat vrijkomt bij het in- en uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast mag slechts geloosd worden in het vuilwaterriool en op of in de bodem nadat ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen uit het afvalwater is verwijderd. Daartoe werd verwezen naar een verplichte maatregel in de Activiteitenregeling. Met dit wijzigingsbesluit is de verplichte maatregel omgezet in een erkende maatregel, waardoor inrichtingen zonder voorafgaande toestemming ook een andere maatregel kunnen toepassen mits daarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd uit het afvalwater. Voor inrichtingen die de verplichte maatregel reeds toepassen, verandert er niets. Voor een toelichting van het begrip «erkende maatregel» wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het oorspronkelijke Activiteitenbesluit24.

3.7. Grote lawaaimakers

Voor bepaalde vergunningplichtige inrichtingen vervalt de zoneringsplicht in het kader van de Wet geluidhinder. In onderdeel D, bijlage I, bij het Bor, zijn de categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder aangewezen in onderdeel C van die bijlage, die in een belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenoemde «grote lawaaimakers». Voor het industrieterrein waarop deze inrichtingen zijn gelegen of gevestigd kunnen worden, geldt een zoneringsplicht op grond van de Wet geluidhinder. Met dit wijzigingsbesluit wordt de verwijzing in onderdeel D, van bijlage I, naar een aantal van de categorieën van onderdeel C, van bijlage I, zodanig aangepast dat de zoneringsplicht voor deze inrichtingen komt te vervallen omdat deze inrichtingen inmiddels niet meer als grote lawaaimakers worden beschouwd. Dit is in lijn met de systematiek van de geluidszonering van industrieterreinen die erop is gericht de geluidproblematiek van grote lawaaimakers te reguleren. Deze wijziging komt voort uit een actualisatieonderzoek naar onderdeel D, van bijlage I, bij het Bor.

In hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is een zoneringsystematiek voor industrieterreinen opgenomen. In onderdeel D, van bijlage I, bij het Bor, zijn de inrichtingen aangewezen, die tot een zoneringsplicht voor de desbetreffende industrieterreinen leiden. Destijds is er bij de categorieaanwijzing van uitgegaan dat de inrichtingen, gelet op hun activiteiten, in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Bepaalde categorieën van inrichtingen zijn inmiddels door de ontwikkeling van de stand der techniek dusdanig «stil» geworden dat het predicaat «grote lawaaimaker» hierop niet meer van toepassing is. Het handhaven van de zoneringsplicht biedt dan geen of geringe milieuhygiënische voordelen, zowel in nieuwe situaties waar een dergelijke zoneringsplicht ontstaat alsook bij herbestemming en transitie van industrieterreinen waarop dergelijke «grote lawaaimakers» aanwezig zijn. Aldus is de behoefte ontstaan om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden voor aanpassing van onderdeel D, van bijlage I, in die zin dat die categorieën van inrichtingen die naar de huidige stand van de techniek niet meer als grote lawaaimaker zijn aan te merken, kunnen vervallen. In opdracht van het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft Peutz BV dit actualisatieonderzoek uitgevoerd25. Bij dit onderzoek zijn diverse partijen geraadpleegd die in de praktijk werken met inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen. Dit betreft medewerkers van gemeenten, provincies, omgevingsdiensten en adviesbureaus. De onderzoeksresultaten zijn vervolgens besproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, het bevoegd gezag en het ministerie in de Werkgroep Industrielawaai. Deze werkgroep heeft vervolgens ingestemd met de aanpassingen van onderdeel D, van bijlage I, bij het Bor.

Naar aanleiding van een inspraakreactie is de zoneringsplicht voor motorcrossterreinen waarop 8 uur per week of meer alleen met elektrische motorvoertuigen wordt gereden opgeheven. Nederland kent inmiddels een aantal motorcrossterreinen waar nauwelijks geluid wordt geproduceerd. Het handhaven van de zoneplicht wordt dan ook niet zinvol geacht.

3.8. Verplaatsing van het speciale overgangsrecht

Op advies van de Commissie voor de Effecttoetsing bij de wijziging «derde tranche van de tweede fase»26 van het Activiteitenbesluit is het speciale overgangsrecht vanuit de paragrafen 6.2 en volgende verplaatst naar de hoofdstukken van het Activiteitenbesluit waarop dat overgangsrecht betrekking heeft. Hiermee wordt een belangrijke vereenvoudiging doorgevoerd. Overgangsrechtelijke bepalingen die reeds waren uitgewerkt zijn vervallen. Om het overgangsrecht minder complex en beter leesbaar te maken is er daarnaast voor gekozen om waar mogelijk de datum per wanneer het overgangsrecht is uitgewerkt, op te nemen. Onderstaande transponeringstabel geeft een overzicht van de verplaatsingen.

Transponeringstabel overgangsrecht

Artikelen hoofdstuk 6

Artikelen hoofdstukken 2 tot en met 5

6.9

2.16a

6.10

2.9a

6.12

2.17a, eerste tot en met vijfde lid

6.13

2.20, achtste en negende lid

6.14

2.18, negende en tiende lid

6.15

2.17a, zesde lid, artikel 2.19a, vierde lid

6.16, eerste tot en met derde lid

2.19a, eerste tot en met derde lid

6.17, eerste lid

3.23, vijfde lid, 3.23c, derde lid, 4.82, vijfde lid

6.17, tweede lid

3.26c, derde lid, 3.26h, derde lid, 3.34, achtste lid, 4.71, tweede lid, 4.75, vierde lid

6.18

3.3, zesde en zevende lid

6.19

3.4, vierde en vijfde lid

6.19b

3.5b, vierde tot en met het achtste lid

6.20 tot en met 6.20d

3.10q tot en met 3.10u

6.21

3.12, negende tot en met elfde lid

6.21a

3.14a, vierde en vijfde lid

6.21b

3.15a, zesde lid

6.21c

3.16d, zesde lid

6.21d

3.16q

6.22

3.20, tiende tot en met twaalfde lid

6.22a

3.20, dertiende en veertiende lid

6.22b

3.20a, tweede tot en met vierde lid

6.22c

3.23b, derde tot en met het vijfde lid

6.24c

3.46, tweede en derde lid

6.24d

3.51, vierde en vijfde lid

6.24e

3.56, vijfde en zesde lid, 3.57, derde en vierde lid, 3.58, vijfde en zesde lid

6.24f, eerste lid

3.56, vierde lid

6.24f, tweede lid

3.58, derde lid

6.24g

3.56, derde lid

6.24h

3.58, vierde lid

6.24i

3.56, zevende, 3.57, vijfde lid. 3.58, zevende lid, 3.59, tweede lid

6.24j

3.63, achtste lid

6.24l

3.64, derde en vierde lid

6.24m

3.74a

6.24m1

3.76, zesde lid

6.24n

3.83, elfde lid

6.24o

3.90, zevende lid

6.24o1

3.91, vierde lid

6.24o3

3.102, twaalfde lid

6.24q

3.108, vierde en vijfde lid

6.24r

3.114a

6.24s

3.119a

6.24t

3.125, achtste lid

6.24u

3.125, negende en tiende lid

6.24v

3.125a

6.24w

3.30a, tweede lid

6.24x

3.131, zesde tot en met achtste lid

6.24y

3.134, zesde en zevende lid, 3.139, achtste en negende lid

6.25a

4.5b, tweede lid

6.33

4.74.0

6.33a

4.74p1

6.33b

4.77, vijfde en zesde lid

6.34

4.80a, tweede tot en met vierde lid

6.34c

4.104a, vierde en vijfde lid

6.35

4.124, vierde lid

3.9. Aanpassing lozingsvoorschriften in het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen

Op 1 juli 2011 is het Besluit lozen buiten inrichtingen van kracht geworden, waarin voor een aantal typen lozingen in het oppervlaktewater buiten inrichtingen de vergunningplicht van de Waterwet is vervangen door algemene regels van dat besluit. Dat betrof onder andere lozingen ten gevolge van het baggeren, calamiteitenoefeningen en het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Deze activiteiten vinden voornamelijk plaats buiten inrichtingen. Vergelijkbare lozingen vanuit inrichtingen waren nog vergunningplichtig. In de uitvoeringspraktijk blijkt dit een onwenselijke situatie. Bovendien worden genoemde activiteiten, vaker dan aanvankelijk gedacht, ook binnen inrichtingen uitgevoerd. Door opname van de voorschriften voor deze lozingen in het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht van de Waterwet ook voor deze lozingen vanuit inrichtingen vervangen door algemene regels. Hiertoe zijn de volgende paragrafen aan het Activiteitenbesluit toegevoegd: handelingen in een oppervlaktewaterlichaam (paragraaf 3.1.7), lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen (paragraaf 3.1.8), en lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteit (paragraaf 3.1.9).

Nu dezelfde regels en procedures voortaan gelden voor deze lozingen buiten zowel als binnen inrichtingen zal dit leiden tot verlaging van de uitvoeringslasten. Tevens wordt met het introduceren van algemene regels voor deze activiteiten binnen inrichtingen een administratieve lastenverlichting gerealiseerd. Voor een aantal lozingen die zijn overgenomen uit het Besluit lozen buiten inrichtingen geldt op grond van dat besluit dat aanvullende gegevens moeten worden verstrekt bij de melding. Besloten is dat de gegevens die op grond van het Besluit lozingen buiten inrichtingen dienen te worden verstrekt niet noodzakelijk zijn voor de melding die op basis van het Activiteitenbesluit gedaan moet worden; deze zijn om die reden niet als eis opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze gegevens zullen desgevraagd wel beschikbaar moeten zijn bij de inrichting met het oog op de handhaving. In het kader van de voorgenomen Omgevingswet zal een groot aantal besluiten worden samengevoegd. Door met dit wijzigingsbesluit de regels en procedures voor deze lozingen alvast deels te uniformeren, wordt voorgesorteerd op een soepele samenvoeging van het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Activiteitenbesluit onder de Omgevingswet.

Verder was in het Activiteitenbesluit tot op heden alleen het lozen afkomstig van het sorteren en transporteren van, in hoofdzaak, eigen geteelde gewassen geregeld. Met dit wijzigingsbesluit wordt ook het lozen afkomstig van sorteren van gewassen die afkomstig zijn van derden geregeld. Deze lozing was nog niet geregeld omdat er voor de grotere (industriële) sorteerbedrijven onvoldoende mogelijkheden waren om het afvalwater te verwijderen. Deze inrichtingen loosden op het vuilwaterriool maar voldeden niet aan het doelvoorschrift dat ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen door een zuiveringsvoorziening wordt verwijderd.

Toen de voorschriften voor het sorteren van gewassen werden opgesteld, liep nog onderzoek27 naar een geschikte zuiveringsmethode om dit type afvalwater te kunnen lozen in het vuilwaterriool. Met betrokken partijen, sector en overheden, was afgesproken dat als de onderzochte methode geschikt bleek deze in de regelgeving zou worden opgenomen. Dat onderzoek, dat in opdracht van Waterschap Scheldestromen werd uitgevoerd, is ondertussen afgerond en de resultaten daarvan vinden hun weerslag in dit wijzigingsbesluit.

Omdat het transporteren onderdeel uitmaakt van het sorteerproces is in het wijzigingsbesluit de activiteit benoemd als «het sorteren van gewassen». Het schrappen van de term «transporteren», leidt derhalve niet tot een verandering van de werkingssfeer van de betreffende artikelen.

Het sorteren van gewassen speelt vooral in de fruitsector. Om beschadiging te voorkomen worden de kisten met fruit geleegd in waterbaden, door middel van een zogenaamde waterdumper. Van hieruit wordt het fruit naar de sorteerinstallatie getransporteerd. Door het achterblijven van rot fruit, blad en slib en dergelijke raakt het water verontreinigd en is de fruitteler genoodzaakt het water periodiek te lozen.

Uit metingen is bekend dat aanzienlijke concentraties gewasbeschermingsmiddelen in het afvalwater aanwezig zijn, die bij lozing leiden tot risico’s voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen. Lozen op het oppervlaktewater is daarom, met uitzondering van afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen, verboden. Ook lozen op het vuilwaterriool is, gezien de concentraties gewasbeschermingsmiddelen en het feit dat die in een rioolwaterzuiveringsinstallatie niet of beperkt worden afgebroken, niet wenselijk.

Uit het hierboven genoemde onderzoek is gebleken dat de onderzochte methode gemiddeld meer dan 95% van gewasbeschermingsmiddelen uit het van sorteren afkomstige afvalwater verwijdert. Daarnaast is vastgesteld dat de zuiveringsmethode een sterk positieve invloed heeft op de waterkwaliteit in de sorteerinstallatie waardoor het water veel langer gebruikt kan worden. Het waterverbruik neemt hierdoor af.

Lozen op het vuilwaterriool is, met het in werking treden van dit wijzigingsbesluit, ook toegestaan indien het afvalwater, afkomstig van het sorteren van niet biologisch geteelde gewassen, wordt geleid door een zuiveringsinstallatie waarmee minimaal 95% van de gewasbeschermingmiddelen uit het te lozen afvalwater wordt verwijderd. Dit geldt zowel voor telers die eigen geteelde gewassen sorteren als voor sorteerders die gewassen afkomstig van derden sorteren. Voor laatstgenoemde sorteerders is overgangsrecht opgenomen. Zij dienen uiterlijk 1 januari 2017 over een dergelijke zuiveringsinstallatie te beschikken. De in het onderzoek onderzochte zuiveringsmethode voldoet in ieder geval aan de voorwaarde van 95% zuiveringsrendement en wordt daarom in de Activiteitenregeling opgenomen als erkende maatregel.

Het lozen van dit afvalwater op de bodem is, zonder zuivering, wel toegestaan mits het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over het land waarop een gelijksoortig gewas wordt geteeld waarvan het afvalwater afkomstig is. Bij het regulier gebruik voor de teelt worden deze gewasbeschermingsmiddelen ook op de bodem gebracht en wel in aanmerkelijk grotere hoeveelheden dan met dit afvalwater. Dit afvalwater bevat immers slechts de gewasbeschermingsmiddelen die na de oogst nog op de gewassen aanwezig zijn.

Het afvalwater dient verspreid te worden over het perceel waarvan het landbouwgewas of een gelijksoortig landbouwgewas afkomstig is.

Tot slot is gebleken dat het voorschrift dat voor de op- en overslag van inerte goederen in het buitengebied een bemonsteringsvoorziening verplicht stelt, in de praktijk tot onevenredig hoge kosten leidt in verhouding tot de milieurelevantie van de lozing. Het daartoe gebruikte voorschrift met betrekking tot het lozen van onopgeloste bestanddelen is vervangen door een voorschrift om visuele verontreiniging te voorkomen (artikel 3.33, tweede lid). Daarmee is ook het verschil tussen het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen met betrekking tot de maatwerkmogelijkheid bij het lozen van onopgeloste bestanddelen gelijk getrokken.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt de regels bij nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten te verduidelijken in het Besluit lozen buiten inrichtingen.

4. Inbouw van twee besluiten, een ministeriële regeling en een Nederlandse richtlijn

4.1. Inleiding

Met het verwerken van de inhoud van twee besluiten, een ministeriële regeling en een deel van de NeR vindt verdere clustering en stroomlijning van de regelgeving plaats.

In het onderstaande wordt achtereenvolgens ingegaan op de inbouw van een deel van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (paragraaf 4.2), de Regeling op- en overslag en distributie van benzine (paragraaf 4.3), het Besluit LPG-tankstations milieubeheer (paragraaf 4.4), en het Besluit hefschroefvliegtuigen ziekenhuizen milieubeheer (paragraaf 4.5).

4.2. Nederlandse emissierichtlijn Lucht

De NeR is begin jaren ’90 van de vorige eeuw opgesteld met als doel de vergunningvoorschriften voor de emissies naar de lucht te harmoniseren.

Om beter aan te sluiten bij het veranderde milieubeleid en gelijktijdig een stroomlijning aan te brengen wordt het normstellende deel van de NeR met dit wijzigingsbesluit opgenomen in het Activiteitenbesluit, grotendeels in afdeling 2.3 Lucht en geur. Hierdoor gaan deze normen gelden voor alle inrichtingen (typen A, B en C) ook indien deze geen activiteiten verrichten waarop nog andere voorschriften van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. De eisen van afdeling 2.3 zijn voortaan als algemene eisen van toepassing, ook op vergunningplichtige activiteiten. Voor een viertal typen installaties zijn van afdeling 2.3 afwijkende eisen opgenomen in hoofdstuk 5. De kern van de NeR was overigens al eerder, bij de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit28 in 2008, vastgelegd in de artikelen 2.5 tot en met 2.8.De NeR had als aangewezen BBT-document al een meer bindend karakter dan andere nationale richtlijnen, waardoor de inherente afwijkbevoegdheid al zeer beperkt was. Bij het opnemen van de NeR in het Activiteitenbesluit is dan ook de inschatting gemaakt dat bij de toepassing relatief weinig maatwerk in de praktijk nodig is.

In de onderstaande transponeringstabel is weergegeven waar de normstellende delen van de NeR exact in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Ter informatie is tevens aangegeven waar de relevante delen van de NeR in de Activiteitenregeling zijn opgenomen.

Transponeringstabel NeR

Webpagina NeR

Activiteitenbesluit

0.

Inleiding