Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2009, 479AMvB

Besluit van 9 november 2009, houdende wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (nieuwe activiteiten in en reparaties van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 8 juli 2009, nr. BJZ200944647, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257), richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties (PbEG L 85), richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), richtlijn nr. 2006/11/EG van 15 februari 2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), richtlijn nr. 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 20) en richtlijn nr. 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (Pb L 371);

Gelet op artikelen 8.1, tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer en op de artikelen 6.2, eerste lid, 6.6 en 6.7 van de Waterwet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 september 2009), nr. W08.09.0256/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 november 2009, nr. BJZ2009058092, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden ingevoegd:

a. na de begripsomschrijving van «bodembedreigende activiteit»: «bodembedreigende stof»: stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;

b. na de begripsomschrijving van «CMR-stof»: «dierlijke bijproducten»: bijproducten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van Verordening nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten;

c. na de begripsomschrijving van «gezoneerd industrieterrein»: «ISO»: door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;

d. na de begripsomschrijving van «koelinstallatie»: «kunststeen»: blokken van korrels of brokken van natuursteen met bindmiddel;

e. na de begripsomschrijving van «langtijdgemiddeld beoordelingsniveau»: «lassen van textiel»: het door middel van warmteopwekking of warmtetoevoer aaneenhechten van textiel;

f. na de begripsomschrijving van «meststoffengroep»: «natte koeltoren»: installatie gebruikt voor het afvoeren van overtollige warmte uit productieprocessen en gebouwen door middel van het vernevelen van water;

g. na de begripsomschrijving van «natte koeltoren»: «natuursteen»: uit de natuur gewonnen blokken en platen van steen;

h. na de begripsomschrijving van «pleziervaartuig»: «praktijkruimte»: ruimte voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;

i. na de begripsomschrijving van «propaan»: «propeen»: zeer licht ontvlambaar tot vloeistof verdicht gas met UN-nummer 1077;

j. na de begripsomschrijving van «theatervuurwerk»: «totaal stikstof»: de som van nitraat-, nitriet-, organisch en ammonium stikstof waarvan de emissiemetingen worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 2.3, en «traditioneel schieten»: door schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen ofwel geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht,

2. In de begripsomschrijving van «beperkt kwetsbaar object» wordt «artikel 1, eerste lid, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

3. In de begripsomschrijving van «etmaalwaarde» wordt onder a, b en c «(L AR, LT)» vervangen door: (LAr, LT).

4. In de begripsomschrijving van «kwetsbaar object» wordt «artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

5. In de begripsomschrijving van «maximaal geluidsniveau» wordt «(LAmax)» vervangen door: (LAmax).

6. De begripsomschrijving van «vloeibare brandstof» komt te luiden: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns;.

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

De begripsomschrijving van «inrichting type A» wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van de onderdelen e en f tot f en g, wordt na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • e. waar in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

b. Aan onderdeel g, onder 2°, wordt voor de puntkomma aan het slot toegevoegd: of de verwarming van tapwater.

c. In onderdeel g komen de subonderdelen 9 en 10 te luiden:

  • het opslaan in opslagtanks van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

  • 10° het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

d. Aan onderdeel g worden na subonderdeel 10 drie subonderdelen toegevoegd, luidende:

  • 11°. het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 2.1.8, tweede lid en het derde lid, onder a tot en met d van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken;

  • 12°. het opslaan in verpakking van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214;

  • 13°. het opslaan in verpakking van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen; en

C

Artikel 1.4, derde lid, onderdeel f, komt te luiden:

  • f. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 en hoofdstuk 6 voor zover deze betrekking hebben op activiteiten binnen de inrichting waarop de regels, bedoeld in de onderdelen a tot en met e van toepassing zijn.

D

Artikel 1.6, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel a, onder 2°, wordt een subonderdeel ingevoegd, luidende:

  • 3°. lozen ten gevolge van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;

2. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. het lozen ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel activiteiten die daarmee verband houden;

3. De onderdelen d en e vervallen.

E

Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, derde volzin, wordt na «De eerste volzin is niet van toepassing op inrichtingen» toegevoegd: die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn.

2. In het vierde en vijfde lid wordt «(LAmax)» vervangen door: «(LAmax)» en wordt «artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20» vervangen door «artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw».

3. In het zevende lid wordt «artikelen 2.17 en 2.19 dan wel op grond van artikel 2.20 door het bevoegd gezag vastgestelde waarde» vervangen door: artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 6.12 dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw.

F

Na artikel 1.14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.14a

  • 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden:

    • a. indien sprake is van het gericht werken met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2 in een laboratorium of praktijkruimte als bedoeld in artikel 4.122, de ligging van de ruimten gemeld waar gewerkt wordt met een biologisch agens die is of wordt ingedeeld in groep 2,

    • b. indien sprake is van het gericht werken met een biologisch agens, anders dan dat bedoeld onder a, en dat behoort tot een soort die bij ministeriële regeling is aangewezen, gemeld tot welke soort het biologisch agens behoort.

  • 2. Voor de groepsindeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt aangesloten bij de indeling in risico-groepen van richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk.

G

In artikel 2.2, eerste lid, wordt «3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109» vervangen door: 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.74c, 4.104, 4.109, 4.113a.

H

Na artikel 2.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.2a

Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat een scheiding van het afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op verzoek van de aanvrager bij maatwerkvoorschrift aan het lozen voorwaarden stellen, die afwijken van de voorwaarden die aan het lozen als gevolg van een afzonderlijke activiteit bij of krachtens hoofdstuk 3 of 4 zijn gesteld.

I

Artikel 2.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom, cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN 6961;.

2. Onderdeel g komt te luiden:

  • g. NEN-EN-ISO 10301 ten aanzien van chlooretheen (vinylchloride), dichloormethaan, tetrachlooretheen (PER), tetrachloormethaan, trichlooretheen, trichloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, trans-1,2-dichlooretheen 1,1,1-trichloorethaan en 1,1,2-trichloorethaan;

3. In onderdeel k wordt «ISO 5815-1/2:2003» vervangen door: ISO 5815-1/2.

4. In onderdeel l wordt «NEN-ISO 15705» vervangen door: NEN 6633.

5. De onderdelen m en p vervallen en de onderdelen n, o en q tot en met v worden vernummerd tot m, n en o tot en met t.

6. De onderdelen m en n komen te luiden:

  • m. NEN-EN-ISO 13395 ten aanzien van nitrietstikstof en nitraatstikstof;

  • n. NEN-ISO 5663 of NEN 6646 ten aanzien van organisch stikstof (Kjeldahlstikstof);

7. Onderdeel q komt te luiden:

  • q. NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen;

J

In artikel 2.4, artikel 2.7, derde lid, en artikel 2.8, eerste lid, onder b, wordt «4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68» vervangen door: 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125.

K

Aan artikel 2.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen zendt degene die de inrichting drijft de resultaten van het onderzoek in verband met de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren, bedoeld in het tweede lid, aan het bij die regeling aangegeven bestuursorgaan.

L

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid, onder b, wordt «best beschikbare technieken» vervangen door: beste beschikbare technieken.

2. In het achtste lid wordt na «eerste tot en met derde lid,» ingevoegd: voldoen aan NEN 5740 en.

M

Artikel 2.15, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of alle energiebesparende maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.

N

1. In artikel 2.17, eerste lid, aanhef, en onderdeel b, vierde lid, aanhef, onderdeel b, en tabel 2.17d, artikel 2.18, derde lid, aanhef, vierde lid, aanhef en onderdeel a, artikel 2.19, tweede lid, tabel 2.19, derde lid, aanhef, artikel 2.20, eerste en zesde lid, en artikel 2.22, eerste lid, wordt «LAmax» vervangen door: LAmax.

2. In artikel 2.17, eerste lid, onderdeel a, tabel 2.17a en derde lid, tabel 2.17c, wordt «LAmax» telkens vervangen door: LAmax.

O

Artikel 2.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; en

2. Aan het tweede lid wordt de volgende volzin toegevoegd: De eerste volzin is niet van toepassing op windturbines.

3. Het derde lid, eerste tot en met vierde volzin, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het eerste lid geldt voor een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein, dat:

    • a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) op de in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

    • b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximale geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;

    • c. de in tabel 2.17c aangeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    • d. de in tabel 2.17c aangegeven waarden op de gevel ook van toepassing zijn bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, en

    • f. de in tabel 2.17c aangegeven waarden gelden niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

4. In het vierde lid, aanhef, wordt na «bij een inrichting» ingevoegd: die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is.

P

Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20» vervangen door: artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12.

b. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het slot van onderdeel f worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. het traditioneel schieten, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld;

  • h. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een inrichting voor primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

  • i. het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Bij gemeentelijke verordening kunnen ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld met betrekking tot:

    • a. het ten gehore brengen van onversterkte muziek, en

    • b. het traditioneel schieten.

Q

Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede, vierde en zesde lid, wordt «artikelen 2.17 en 2.19» vervangen door: artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12.

2. In het tweede lid wordt «indien geluidsgevoelige ruimten» vervangen door: indien binnen geluidsgevoelige ruimten.

3. In het derde lid wordt «De in het tweede lid bedoelde hogere etmaalwaarden zijn» vervangen door: De in het tweede lid bedoelde etmaalwaarde is.

R

Artikel 2.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef wordt «artikelen 2.17, 2.19 en 2.20» vervangen door: artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12.

2. In het eerste lid, onder b, wordt na «dagen of dagdelen» ingevoegd: per gebied of categorie van inrichtingen kan verschillen en.

S

In artikel 2.22, eerste lid, wordt «artikel 2.17» vervangen door: de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12.

T

1. In artikel 3.1, tweede lid, onderdeel c, tabel 3.1a, derde lid, onderdeel c, tabel 3.1b, zesde lid, onderdeel a, artikel 3.2, derde lid, onder a, vierde lid, onder b, vijfde lid, onder a, zevende lid, negende lid, onder c, artikel 3.25, tweede lid, onder b, artikel 4.11, derde en vierde lid, vijfde lid, tabel 4.11, zesde lid, artikel 4.75, derde lid, onder b, en artikel 4.105, derde lid, onder b, wordt «onopgeloste bestanddelen» vervangen door: onopgeloste stoffen.

2. In artikel 3.5, eerste lid, tabel 3.5 wordt «zwevend stof» vervangen door: onopgeloste stoffen.

U

Het opschrift van paragraaf 3.1.1 komt te luiden:

§ 3.1.1 Bodemsanering en proefbronnering

V

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op een saneringsonderzoek en een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming. Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek of vanuit een bodemsanering wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het negende lid.

2. In het tweede lid, onderdeel c, wordt in tabel 3.1a en in het derde lid, onderdeel c, wordt in tabel 3.1b na «PAK’s» ingevoegd: (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen).

3. In het vierde lid wordt «de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden bodemsanering» vervangen door: Circulaire bodemsanering 2009.

W

Artikel 3.2, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.

X

Artikel 3.3 komt te luiden:

Artikel 3.3

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a. niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in artikel 2.9;

    • b. geen hemelwater is waarop artikel 4.11 van toepassing is.

  • 2. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan.

  • 3. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

Y

Het opschrift van paragraaf 3.1.4 komt te luiden:

§ 3.1.4 Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie

Z

In artikel 3.4, eerste lid, wordt na de aanduiding «1.» een volzin ingevoegd, luidende:

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater en het behandelen van dit afvalwater voorafgaand daaraan.

AA

Artikel 3.6, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het zevende lid.

BB

Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. de installatie een totaal motorisch vermogen heeft van maximaal 15 megawatt;

2. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.

3. Na onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. de installatie een nominaal vermogen heeft van meer dan 100 kilowatt;

CC

In artikel 3.11, aanhef wordt na «aardgaskwaliteit» ingevoegd:, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A,.

DD

Artikel 3.13, onder e, komt te luiden:

  • e. windturbines die deel uitmaken van inrichtingen met maximaal negen windturbines; en

EE

Na artikel 3.16 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.2.5 In werking hebben van een natte koeltoren

Artikel 3.16a

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een natte koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen.

Artikel 3.16b

Bij het in werking hebben van een natte koeltoren wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen.

FF

Artikel 3.17 wordt als volgt gewijzigd:

De onderdelen b en c alsmede de aanduiding «a.» voor onderdeel a en de dubbele punt aan het slot van de aanhef vervallen en de puntkomma aan het slot van dat onderdeel wordt vervangen door een punt.

GG

In artikel 3.20, derde lid, onderdeel a, wordt «NEN-ENISO/IEC 17025» vervangen door: NEN-EN-ISO/IEC 17020.

HH

Het opschrift van paragraaf 3.3.2 komt te luiden:

§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan

II

Artikel 3.24 wordt vervangen door:

Artikel 3.23a

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op landbouwinrichtingen, glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van landbouwhuisdieren.

  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op het inwendig reinigen van tanks en tankwagens en het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen.

Artikel 3.24

Bij het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

JJ

Artikel 3.25, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan worden gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

KK

Artikel 3.28, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propaan of propeen aanwezig is.

LL

Het opschrift van paragraaf 4.1.1 komt te luiden:

§ 4.1.1 Opslaan van gevaarlijke stoffen en bodembedreigende stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen

MM

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «bedoeld in het derde lid» vervangen door: bedoeld in het tweede lid.

2. In het zevende lid wordt «gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking» vervangen door: vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking en afvalstoffen waaruit vloeibaar bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

NN

Artikel 4.5 tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien in een inrichting een bovengrondse opslagtank, bestemd voor de opslag van zuurstof, op een afstand van minder dan 10 meter is gelegen van een andere opslagtank, bestemd voor de opslag van propaan, propeen of een gas als bedoeld in het eerste lid, is de opslagtank bestemd voor de opslag van zuurstof gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

OO

Na artikel 4.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.5a

  • 1. Met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen worden ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de in tabel 4.5a opgenomen afstanden in acht genomen, waarbij de afstanden gelden van het vulpunt en de bovengrondse opslagtank, gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij de opslagtank:

    Tabel 4.5a veiligheidsafstanden
     

    Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar

    Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar

    Opslagtank met propeen tot en met 5 kubieke meter

    10 meter

    20 meter

    Opslagtank met propeen groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter

    15 meter

    25 meter

  • 2. Een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de helft van de afstanden, genoemd in tabel 4.5a, indien het objecten betreft waar ook een opslagtank met propeen of propaan aanwezig is.

  • 3. In afwijking van het eerste lid worden met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propeen, het vulpunt van een opslagtank met propeen en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, dan wel gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende afstanden in acht genomen:

    • a. bij een opslagtank met propeen tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;

    • b. bij een opslagtank met propeen van meer dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter: 50 meter.

  • 4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propeen alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

PP

In artikel 4.6, aanhef, wordt «bodembedreigende vloeistoffen» vervangen door: vloeibare bodembedreigende stoffen.

QQ

Artikel 4.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde en zesde lid wordt «50 milligram per liter» vervangen door: 300 milligram per liter.

2. In het vijfde lid, tabel 4.11, wordt voor «onopgeloste stoffen» «50 milligram per liter» vervangen door «300 milligram per liter» en wordt voor «minerale olie» «10 milligram per liter» vervangen door: 20 milligram per liter.

3. Onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot zevende tot en met negende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 6. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het vijfde lid, bij maatwerkvoorschrift ruimere emissiegrenswaarden vaststellen, voor zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

4. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

  • 8. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde, vierde, vijfde en zevende lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

RR

Het opschrift van paragraaf 4.1.7 komt te luiden:

§ 4.1.7 Opslaan van vaste kunstmeststoffen

SS

In artikel 4.17 wordt «het opslaan van kunstmeststoffen» vervangen door «het opslaan van vaste kunstmeststoffen» en vervalt: ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen en.

TT

Aan artikel 4.20 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. In deze paragraaf wordt verstaan onder «natuurlijk koudemiddel»: de toepassing als koudemiddel van koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als bedoeld in het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer.

UU

Artikel 4.52 komt te luiden:

Artikel 4.52

In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 3.23a en het afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in paragraaf 4.6.6.

VV

In artikel 4.65, eerste lid, aanhef, wordt «aanbrengen van conversielagen» vervangen door: chroomzuuranodiseren en het zwavelzuuranodiseren.

WW

Na artikel 4.74 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 4.5a ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT NATUURSTEEN OF KUNSTSTEEN

§ 4.5a.1 Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74a

Het is verboden om in de buitenlucht mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen uit te voeren.

Artikel 4.74b

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.74c
  • 1. Indien bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen water als koel- of smeermiddel wordt toegepast, wordt gebruik gemaakt van een gesloten watercircuit, waarbij water wordt gereinigd en hergebruikt voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.

  • 2. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.

  • 3. Het in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater afkomstig van:

    • het mechanisch bewerken van natuursteen,

    • een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen, of

    • het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen,

    is toegestaan indien geen flocculanten zijn toegevoegd.

  • 4. Bij het lozen als bedoeld in het derde lid bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 50 milligram per liter.

  • 5. Het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van:

    • het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,

    • een luchtreinigingsinstallatie voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen, of

    • het reinigen van apparatuur of werkruimten voor het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen,

    vindt slechts plaats indien: het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter en de korreldiameter van onopgeloste stoffen niet meer dan 0,75 millimeter bedragen.

  • 6. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

Artikel 4.74d

Bij de mechanische verwerking van natuursteen of kunststeen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 4.5a.2 Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74e

Het is verboden in de buitenlucht met behulp van een nevelspuit lijmen, harsen en coatings aan te brengen op natuursteen of kunststeen.

Artikel 4.74f

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.74g

Bij het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§ 4.5a.3 Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74h

Bij het chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

XX

In artikel 4.75, tweede lid, wordt in tabel 4.75 «(som van fluorantheen, benzo(g, h, i)peryleen,benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, en indeno (1, 2, 3-cd)pyreen)» vervangen door: (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen).

YY

Het opschrift van paragraaf 4.6.4 komt te luiden:

§ 4.6.4 Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen

ZZ

Artikel 4.80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt na «lichte olie» ingevoegd, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79, en vervalt «voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer»,.

2. In het derde lid wordt «NEN-EN-ISO/IEC 17025» vervangen door: NEN-EN-ISO/IEC 17020.

AAA

In artikel 4.82, eerste lid, wordt na «afleveren van motorbrandstof» ingevoegd «, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79» en vervalt «voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor voertuigen voor het wegverkeer».

BBB

In artikel 4.83, aanhef, wordt na «afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas» ingevoegd «, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79» en vervalt «en voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer».

CCC

In het opschrift van paragraaf 4.6.5 wordt «proefdraaien van motoren» vervangen door: proefdraaien van verbrandingsmotoren.

DDD

Artikel 4.84 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, wordt «proefdraaien» vervangen door: proefdraaien van verbrandingsmotoren.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van verbrandingsmotoren wordt ten behoeve van:

    • a. het voorkomen of beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

    • b. het voorkomen of beperken van geurhinder;

    • c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

    • d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

    ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

EEE

Artikel 4.92 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding «1.» voor het eerste lid vervalt en «niet loosbaar is» wordt vervangen door: wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A,.

2. Het tweede lid vervalt.

FFF

Paragraaf 4.7.3 komt te luiden:

§ 4.7.3 Vellenoffset druktechniek

Artikel 4.94

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.94a
  • 1. Degene die de inrichting drijft, neemt bij het bedrukken met vellenoffset met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen, tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

  • 3. Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram wordt geregistreerd.

  • 4. Indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten meer bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, geeft de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid:

    • a. per kwartaal informatie over het verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt,

    • b. per kwartaal informatie over het gewicht van het bedrukte substraat dan wel informatie over het aantal druks en het aantal gebruikte torens,

    • c. per jaar een berekening van het verbruik aan isopropylalcohol of andere vluchtige organische stoffen welke als toevoegmiddel in het vochtwater worden gebruikt, per ton substraat of per 1.000 toren-druks,

    • d. per kwartaal informatie over de ingekochte reinigingsmiddelen, onderscheiden naar vluchtigheid, en

    • e. per jaar informatie over het verbruik aan vluchtige organische stoffen als gevolg van de toepassing van inkten.

  • 5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.

  • 6. Indien het bedrukken met vellenoffset plaatsvindt in samenhang met het coaten van het substraat en daarbij de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vijfde lid niet van toepassing op het bedrukken met vellenoffset en het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.94b
  • 1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van:

    • a. het toepassen van vellenoffsettechnieken;

    • b. het reinigen van de daarbij gebruikte apparatuur, en

    • c. de vormvervaardiging exclusief fotografische processen,

    wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.

  • 2. Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van vellenoffsetpersen bevat, voor vermenging met ander afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie per liter in enig steekmonster.

  • 3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

  • 4. Bij het lozen, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer, blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning A, wordt deze niet geloosd.

Artikel 4.94c
  • 1. Bij de vervaardiging van drukvormen voor het bedrukken met vellenoffset worden geen chroomzouthoudende ets- en correctiemiddelen toegepast.

  • 2. Bij het ontwikkelen en naharden van kopieerlagen voor het bedrukken met vellenoffset worden geen chroomhoudende oplossingen gebruikt.

Artikel 4.94d

Bij het bedrukken met vellenoffset worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • c. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en

  • d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

GGG

Na paragraaf 4.7.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.7.3a Lijmen, coaten en lamineren van papier of karton

Artikel 4.94e
  • 1. Degene die de inrichting drijft neemt bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton met betrekking tot vluchtige organische stoffen de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

  • 3. Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.

  • 4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.

  • 5. Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.94f

Bij het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en

  • c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

HHH

Aan artikel 4.95 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Degene die een inrichting drijft waarin activiteiten worden uitgeoefend als bedoeld in het eerste lid, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.

  • 4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a. het totaal aan inkoop van VOS-houdende producten in het betreffende kalenderjaar;

    • b. de voorraad aan VOS-houdende producten en afvalstoffen op 1 januari van elk jaar;

    • c. de totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die in het betreffende kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd;

    • d. het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden, de aan de leverancier geretourneerde hoeveelheden en het voorraadverschil, en

    • e. de totale hoeveelheid textiel, uitgedrukt in kilogram gereinigd textiel, die is gereinigd.

  • 5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste gedurende drie jaren bewaard en ter inzage gehouden.

III

Artikel 4.99 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «als bedoeld» vervangen door «, bedoeld» en wordt «tweede tot en met eenentwintigste lid» vervangen door «tweede tot en met negentiende lid».

2. Het achttiende en negentiende lid vervallen.

3. Het twintigste en eenentwintigste lid worden vernummerd tot achttiende en negentiende lid.

JJJ

Artikel 4.100 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «tweede tot en met eenentwintigste lid» vervangen door «tweede tot en met twintigste lid».

2. In het achttiende lid, eerste volzin, wordt «gedurende de meetperiode» vervangen door: op jaarbasis en het totaal aantal uren per jaar. Het totaal aantal uren per jaar bedraagt 8760.

3. Het twintigste lid vervalt en het eenentwintigste lid wordt vernummerd tot twintigste lid.

KKK

Artikel 4.101 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, tweede volzin, vervalt.

2. Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4.95, tweede lid, een andere stof wordt aangewezen dan die genoemd in het eerste lid, kan bij die regeling tevens de ten hoogste toelaatbare hoeveelheid van die stof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht worden aangegeven.

LLL

Na artikel 4.103 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.7.4a Mechanische verwerking van textiel

Artikel 4.103a

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien, de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.103b

Bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien van textiel, worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§ 4.7.4b Lassen van textiel

Artikel 4.103c

Bij het lassen van textiel wordt ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 4.7.4c Lijmen en coaten van textiel

Artikel 4.103d

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.103e
  • 1. Degene die de inrichting drijft, neemt bij het lijmen en coaten van textiel de bij ministeriële regeling voorgeschreven emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

  • 3. Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.

  • 4. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaren in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.

  • 5. Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden overschreden, zijn het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing en is dat besluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.103f

Bij het reinigen, lijmen en coaten van textiel worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • c. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

MMM

Het opschrift van paragraaf 4.8.1 komt te luiden:

§ 4.8.1 Inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen

NNN

Na artikel 4.104 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 4.104a

  • 1. Het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, voldoet ten minste aan het tweede en derde lid.

  • 2. Het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt is vervoerd, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 3. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het tweede lid niet van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en slibvangput toestaan indien, gelet op het gehalte vet en onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.104b

Bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

OOO

Artikel 4.109, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Het vethoudende afvalwater wordt voorafgaand aan de vermenging met ander niet-vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft met het oog op het doelmatig functioneren van de afscheider.

PPP

Het opschrift van paragraaf 4.8.4 komt te luiden:

§ 4.8.4 Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten

QQQ

Artikel 4.111 komt te luiden:

Artikel 4.111

  • 1. Het slachten van dieren en het bewerken van dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.

  • 2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het bewerken van dierlijke bijproducten of het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar dieren zijn geslacht, karkassen zijn bewerkt, vlees is uitgesneden van karkassen of karkasdelen, vis is uitgesneden, organen worden verwerkt of dierlijke bijproducten worden bewerkt, wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het zesde lid.

  • 3. Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voor vermenging met ander niet vethoudend afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en 2. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 4. Bij de plaatsing van een vetafscheider die wordt ingezet voor het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt een rapport opgesteld waarin staat beschreven hoe invulling is gegeven aan paragraaf 6.3 van NEN-EN 1825-2. Dit rapport wordt binnen de inrichting bewaard.

  • 5. Het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, wordt voorafgaand aan het lozen op een vuilwaterriool niet onderworpen aan een biologische behandeling.

  • 6. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu en in het bijzonder het belang van de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater zich hiertegen niet verzetten, bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren.

RRR

Na artikel 4:111 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.111a

  • 1. Bij het broeien of koken van dierlijke bijproducten worden ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

  • 2. Bij het pekelen wordt:

    • a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast,

    • b. ter bescherming van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater, en

    • c. ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,

    ten minste de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

SSS

Na artikel 4.113 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 4.8.5a Recreatieve visvijvers

Artikel 4.113a
  • 1. Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan.

  • 2. Het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers in een vuilwaterriool is verboden.

TTT

In artikel 4.114 wordt «Bij het in werking hebben van een acculader» vervangen door: Bij het opladen van accu’s die vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten.

UUU

Na artikel 4.115 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 4.8.8 Traditioneel schieten

Artikel 4.116

Bij het traditioneel schieten wordt:

  • a. in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, en

  • b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§ 4.8.9 In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld

Artikel 4.117

Het is verboden in een crematieoven kisten te verbranden die met lood of zink bekleed zijn. Metalen en kunststof handvatten en andere versierselen van kunststof of metaal worden voor invoer van de kist verwijderd.

Artikel 4.118

Bij het in werking hebben van een crematieoven worden ten behoeve van:

  • a. het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen, en

  • b. het zo veel mogelijk beperken van het ontstaan van stikstofoxiden,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel 4.119

Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven de emissieconcentratie van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 0,25 gram per uur.

Artikel 4.120

In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§ 4.8.10 In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte

Artikel 4.122

Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van een laboratorium of een praktijkruimte, met uitzondering van praktijkruimten voor het middelbaar onderwijs en laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.

Artikel 4.123

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool wordt ten behoeve van de bescherming van het milieu ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 4.124
  • 1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte in een vuilwaterriool worden de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 4.124, niet overschreden.

    Tabel 4.124

    Stof

    Emissiegrenswaarde in milligram per liter

    Kwik

    0,01

    Cadmium

    0,02

    Overige metalen, som van 5 metalen1)

    2

    Chloorkoolwaterstoffen CKW2)

    0,1

    BTEX

    0,1

    1) Als som van 5 willekeurige metalen uit de volgende reeks: Ni, Cr, Pb, Se, As, Mo, Ti, Sn, Ba, Be, B, U, V, Co, Ag.

    2) De 11 CKW die standaard bepaald worden in afvalwater betreffen: Dichloormethaan, Trichloormethaan, Tetrachloormethaan, Trichlooretheen, Tetrachlooretheen, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, cis-1,2-dichlooretheen, trans-1,2-dichlooretheen. De chloorkoolwaterstoffen worden als som bepaald.

    De in tabel 4.124 genoemde emissiewaarden gelden voor steekmonsters. Indien sprake is van representatieve etmaalbemonstering geldt voor de «overige metalen, som van 5 metalen» een factor 2 lagere waarde (1 mg/l).

  • 2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift:

    • a. de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing verklaren en lagere emissiegrenswaarden vaststellen dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in dat lid, indien het te lozen afvalwater meer dan 10.000 kubieke meter per jaar bedraagt en met toepassing van de beste beschikbare technieken aan deze lagere emissiegrenswaarden kan worden voldaan;

    • b. de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing verklaren en hogere emissiegrenswaarden bepalen dan de emissiegrenswaarden, bedoeld in dat lid, indien aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid met toepassing van de beste beschikbare technieken niet kan worden voldaan en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen het lozen met hogere emissiegrenswaarden verzet.

  • 3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

Artikel 4.125
  • 1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij activiteiten die leiden tot stofvormige emissies afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen S, sO, sA1, sA2 en sA3 naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.

  • 2. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij activiteiten die leiden tot gasvormige emissies afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte naar de lucht, de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk is aan of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.

  • 3. Indien bij activiteiten emissies van Extreem risicovolle stoffen of MVP, afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte, kunnen vrijkomen, kan het bevoegd gezag in het belang van de luchtkwaliteit met inachtneming van de NeR maatwerkvoorschriften stellen aan de minimalisatie van die emissies.

Artikel 4.126

Bij activiteiten in een laboratorium of een praktijkruimte worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van die emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel 4.127

Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een praktijkruimte wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

VVV

De artikelen 6.1 tot en met 6.5 komen te luiden:

Artikel 6.1

  • 1. Voor inrichtingen waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, een vergunning in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichtingen, aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

  • 2. De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43 in werking en onherroepelijk waren, worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

  • 3. De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften, worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.

Artikel 6.2

  • 1. Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste of tweede lid, op die inrichting aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het van toepassing worden van artikel 1.4, derde lid, met betrekking tot het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de activiteiten genoemd in:

    • a. hoofdstuk 3; of

    • b. indien het lozen in een oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt: paragraaf 4.1.5.

  • 3. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, voor een inrichting golden krachtens het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op die inrichting gelden als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een maatwerkvoorschrift.

  • 4. De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit bodemsanering en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op die inrichting in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien op grond van dit besluit strengere bepalingen gelden, gedurende zes maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften van de vergunning, aangemerkt als voorschriften van de vergunning.

Artikel 6.3

  • 1. Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid, wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

  • 2. In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

  • 3. In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.

  • 4. Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid, toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onder b.

  • 5. Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op een inrichting het lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.

  • 6. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die worden aangemerkt als onderdeel van de voorschriften van de ontheffing of vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.

Artikel 6.4

  • 1. Degene die een inrichting type B of C drijft die is opgericht voor het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting en waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting geen vergunning in werking en onherroepelijk was en geen melding was gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten, meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.

  • 2. Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, op die inrichting. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede lid, op een inrichting type B ten aanzien van die inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 8.1 van de wet, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing en wordt de aanvraag om een vergunning aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10.

Artikel 6.5

Indien op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op een inrichting nog niet is beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet en dit besluit op het betreffende lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als:

  • a. een melding overeenkomstig artikel 1.10, voor zover het lozen bij of krachtens de in hoofdstuk 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan;

  • b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, voor zover de aanvraag het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in een oppervlaktewaterlichaam, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk betreft, en dat brengen niet bij of krachtens de in de hoofdstukken 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is toegestaan; of

  • c. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b, voor zover de aanvraag lozen betreft als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid.

WWW

Artikel 6.10, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. In afwijking van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico kan worden gerealiseerd, indien:

    • a. voor de inwerkingtreding van artikel 2.9 binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd, of

    • b. onmiddellijk voorafgaand aan het van toepassing worden van artikel 1.4, tweede of derde lid, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.

XXX

In artikel 6.12, eerste lid, wordt «De waarden genoemd in tabel 2.17a» vervangen door: De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a.

YYY

Artikel 6.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, wordt «voor de inwerkingtreding van dat lid» vervangen door: voor het van toepassing worden van artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid, op de inrichting.

2. In het tweede lid wordt «voor de inwerkingtreding van het respectievelijke artikellid» vervangen door: het afvalwater niet wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2, maar door.

ZZZ

Artikel 6.18 komt te luiden:

Artikel 6.18

  • 1. Artikel 3.3, derde lid, is niet van toepassing op het lozen vanuit een inrichting dat is aangevangen voor het van toepassing worden van dat artikel op die inrichting.

  • 2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het lozen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde termijn wordt gestaakt.

AAAA

Na artikel 6.25 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 6.14a Opslaan van stoffen in opslagtanks

Artikel 6.25a
  • 1. Artikel 4.5, tweede lid, is gedurende twaalf maanden met ingang van de datum waarop op grond van dat lid geen inhoudsgrens geldt, niet van toepassing op inrichtingen met bovengrondse opslagtanks voor de opslag van zuurstof met een inhoud van minder dan 25 kubieke meter waarop artikel 4.5, tweede lid, zoals dat luidde op 1 januari 2008, niet van toepassing was.

  • 2. Indien in een inrichting ten minste twee bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof, elk met een inhoud van ten minste 25 kubieke meter aanwezig zijn, geldt gedurende twaalf maanden met ingang van de datum, waarop op grond van artikel 4.5, tweede lid, geen inhoudsgrens geldt, dat elke tank is gelegen op een afstand van ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

BBBB

Artikel 6.28 komt te luiden:

Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor de inwerkingtreding van artikel 4.20, achtste lid.

CCCC

In het opschrift van paragraaf 6.23 en in artikel 6.34 wordt «voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden» vervangen door:, anders dan bedoeld in de artikelen 3.17, 4.77 tot en met 4.79,.

DDDD

Artikel 6.33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «inwerkingtreding van artikel 4.74» vervangen door: het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting.

2. In onderdeel c wordt «de inwerkingtreding van artikel 4.74» vervangen door: het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting.

EEE

Na artikel 6.34 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 6.23a Overgangsrecht met betrekking tot vellenoffset druktechniek

Artikel 6.34a

Voor inrichtingen waar vellenoffset wordt toegepast en waarop reeds vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94a paragraaf 4.7.3 van toepassing was, is dat artikel van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.

§ 6.23b Overgangsrecht met betrekking tot het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton

Artikel 6.34b

Voor inrichtingen waar het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton plaatsvindt en die vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 4.94e reeds onder de werkingssfeer van dit besluit vielen, is artikel 4.94e van toepassing met ingang van de dag waarop twaalf maanden zijn verstreken na die inwerkingtreding.

§ 6.23c Overgangsrecht met betrekking tot het inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen

Artikel 6.34c

Artikel 4.104a, tweede lid, is niet van toepassing indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087.

FFFF

Het opschrift van paragraaf 6.26 komt te luiden:

§ 6.26 Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren en het uitsnijden van vlees en vis

GGGG

Artikel 6.37 komt te luiden:

Artikel 6.37

  • 1. Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die voldoen aan en worden gebruikt volgens NEN 7087 en die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.

  • 2. Artikel 4.111, derde en vierde lid, zijn eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing zouden worden.

HHHH

Na artikel 6.37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.37a

Artikel 4.124, derde lid, is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in artikel 4.124, eerste lid.

IIII

Bijlage 1 komt te luiden:

Bijlage 1 Lijst van vergunningplichtige inrichtingen

De in artikel 8.1, eerste lid, van de wet opgenomen verboden gelden voor de volgende categorieën van inrichtingen:

  • a) inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet en de artikelen 3.2 en 3.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, uitgezonderd inrichtingen behorend tot categorieën 3, 5 en 8a van bijlage II van dat besluit;

  • b) inrichtingen waarop een van de onderstaande besluiten en regelingen van toepassing is:

    • 1°. Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;

    • 2°. Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;

    • 3°. Besluit externe veiligheid inrichtingen;

    • 4°. Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;

    • 5°. Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;

    • 6°. Besluit LPG-tankstations milieubeheer;

    • 7°. Besluit risico’s zware ongevallen 1999;

    • 8°. Besluit verbranden afvalstoffen;

    • 9°. Besluit beheer autowrakken;

    • 10°. Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies s-PVC-inrichtingen milieubeheer;

    • 11°. Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;

    • 12°. Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;

  • c) landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw milieubeheer op grond van artikel 3 of artikel 4 van dat besluit niet van toepassing is;

  • d) inrichtingen voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de wet, voor zover de terzake van die activiteiten krachtens het derde en vierde lid aangewezen categorieën de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn;

  • e) [vervallen]

  • f) inrichtingen op een locatie waar de in art 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd;

  • g) inrichtingen

    • 1°. waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 megawatt of meer;

    • 2°. waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;

    • 3°. voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 megawatt of meer;

    • 4°. voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;

    • 5°. waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet aan NEN-EN 14214 worden verstookt, met uitzondering van installaties voor het smeden;

    • 6°. waar sprake is van een dierencrematorium;

  • h) inrichtingen voor het vervaardigen, vormgeven en vulkaniseren van rubber, het blazen, expanderen, extruderen, gieten, kalanderen, schuimen, sinteren, spuitgietblazen, spuitgieten en thermovormen van kunststof en het verwerken van polyesterhars;

  • i) inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of voor het vervaardigen van verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;

  • j) inrichtingen voor de opslag van:

    • 1°. meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen;

    • 2°. meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen;

    • 3°. gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare gassen, samengeperste lucht of koelgas;

    • 4°. propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks;

    • 5°. propaan of propeen in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter;

    • 6°. propaan of propeen waarbij het gas, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken,

    • 7°. zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 100 kubieke meter;

    • 8°. andere gassen dan propaan, propeen, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof in één of meer opslagtanks; of

    • 9°. gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of bovengrondse opslagtanks;

  • k) inrichtingen voor de opslag van ontplofbare stoffen van de klasse 1 van het ADR, indien sprake is van:

    • 1°. meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;

    • 2°. meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk, bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van het Vuurwerkbesluit;

    • 3°. meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau;

    • 4°. meer dan 1 kilogram zwart kruit;

    • 5°. meer dan 50 kilogram rookzwak kruit;

    • 6°. meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal;

    • 7°. meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens;

    • 8°. meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of

    • 9°. andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en anders dan pyrotechnisch speelgoed;

  • l) inrichtingen voor de opslag van:

    • 1°. vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 kubieke meter,

    • 2°. gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid,

    • 3°. gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter;

    • 4°. gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke meter per opslagruimte;

    • 5°. vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer dan 25 kubieke meter;

    • 6°. gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in een bunkerstation;

    • 7°. stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 10 kubieke meter; of

    • 8°. gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie of stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks, uitgezonderd ten hoogste 15 kubieke meter opslag van PER bij een inrichting voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 kubieke meter opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5 kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;

  • m) inrichtingen voor de opslag van andere gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen dan genoemd onder j of k in verpakking, uitgezonderd:

    • 1°. stoffen van de klasse 3, 5.1, 7 en 9 van het ADR;

    • 2°. stoffen van de klasse 4.1, verpakkingsgroep II en III en klasse 4.2 en 4.3, verpakkingsgroep I, II en III van het ADR;

    • 3°. stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;

    • 4°. stoffen van de klasse 6.2 van het ADR;

    • 5°. stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;

    • 6°. stoffen van de klasse 6.1. van het ADR verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;

    • 7°. stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I zonder aanvullend etiket 6.1 van het ADR en verpakkingsgroep II en III

    • 8°. stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nummer 6.1 van het ADR tot 1.000 kilogram;

  • n) inrichtingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking, in opslagtanks van metaal of kunststof of in bunkerstations;

  • o) inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen, anders dan kunstmeststoffen van meststoffengroep 1 of 2, of CMR-stoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram aanwezig is;

  • p) inrichtingen:

    • 1°. voor het vullen van gasflessen, met uitzondering van het vullen van:

      • i. gasflessen met propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter;

      • ii. gasflessen met koolzuur of stikstof;

      • iii. persluchtflessen door middel van een compressor;

    • 2°. voor het vullen van spuitbussen, uitgezonderd het niet geautomatiseerd afvullen met stoffen anders dan drijfgassen;

    • 3°. voor het begassen of ontgassen van containers;

    • 4°. voor het afleveren van LPG;

    • 5°. waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of 100 kilogram propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;

    • 6°. voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voor zover de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kilo Pascal bedraagt of een gasexpansieturbine aanwezig is of drukverhogende installaties aanwezig zijn of de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 50,8 centimeter;

    • 7°. voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer waar aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het vloeistofniveau in de tank bevindt;

    • 8°. voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen;

    • 9°. voor het afleveren van vloeibare brandstoffen ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw, speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke inhoud meer dan 2500 liter (waterinhoud) bedraagt van derden;

    • 10°. voor het verven van bloemen en planten;

    • 11° waar een praktijkruimte of laboratorium aanwezig is, waar gericht wordt gewerkt met biologische agentia, uitgezonderd een praktijkruimte of laboratorium waar wordt gewerkt met biologische agentia die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 ingevolge de indeling in risico-groepen van richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk.

    • 12°. voor het afleveren van waterstof;

  • q) inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke inhoud groter dan 150 kubieke meter;

  • r) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;

    • 2°. het opslaan van meststoffen behorende tot meststoffengroep 3 of meststoffengroep 4;

    • 3°. het opslaan van meer dan 50 ton meststoffen behorende tot meststoffengroep 2;

    • 4°. het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen, uitgezonderd mengen en roeren;

    • 5°. het opslaan van meer dan 600 kubieke meter vaste dierlijke meststoffen;

    • 6°. het opslaan van dunne mest waarop het Besluit mestbassins milieubeheer niet van toepassing is en voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;

  • s) inrichtingen voor:

    • 1°. het in de buitenlucht houden van honden, roofvogels of vogels van de families papegaaien, lori’s, kaketoes, pelikanen, kraanvogels, pinguïns, parelhoenders, reigers en roerdompen en het geslacht pauwen;

    • 2°. dierentuinen in de zin van artikel 1, onder a, van het Dierentuinenbesluit;

    • 3°. het kweken van consumptie vis;

    • 4°. het kweken van ongewervelde dieren;

    • 5°. het houden van meer dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 voedsters of 10 landbouwhuisdieren, niet zijnde schapen, paarden, geiten, pluimvee of konijnen, voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting;

    • 6°. het tijdelijk huisvesten van landbouwhuisdieren voor transport of handel anders dan bij een landbouwinrichting;

    • 7°. het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week;

    • 8°. het verwerken van dierlijke bijproducten tot eiwit, olie, vet, gelatine, collageen, dicalciumfosfaat, tricalciumfosfaat, bloedproducten of farmaceutische producten;

    • 9°. het vervaardigen of verven van bont, het ontharen of looien van huiden, of het verven of finishen van leer;

    • 10°. de activiteiten, bedoeld in artikel 2.19 eerste lid, sub c, d en e, van de Regeling dierlijke bijproducten 2008;

  • t) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor waarbij

      • i. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer bedraagt dan 200 kilowatt;

      • ii. voor het vervaardigen, bewerken of verwerken gebruik wordt gemaakt van een of meer andere apparaten dan continu-ovens met een individuele belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt;

    • 2°. het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen voor dieren en hondenkluiven;

    • 3°. het vervaardigen van meel en bloem, met uitzondering van wind- en watermolens;

    • 4°. het opslaan van ruwe cacao;

    • 5°. het onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van gewassen voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting of een glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;

    • 6°. het kweken van algen;

  • u) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van keramische producten, bakstenen, sierstenen of bestratingsstenen, dakpannen, porselein of aardewerk;

    • 2°. het opslaan of overslaan van steenkool en ertsen of derivaten van ertsen;

    • 3°. het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;

    • 4°. het vervaardigen van cement of cementklinker en cementmortel of betonmortel;

    • 5°. het vervaardigen van cementwaren of betonwaren met behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers;

    • 6°. het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van glas of glazen voorwerpen;

    • 7°. het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol;

    • 8°. het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;

    • 9°. het vervaardigen van cokes uit steenkool;

    • 10°. het vergassen van steenkool;

    • 11°. het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;

    • 12°. het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;

    • 13°. het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;

    • 14°. het vervaardigen of drogen van kalkzandsteen en cellenbeton;

    • 15° het vervaardigen van composietsteen, terrazzo en granito.

  • v) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

    • 2°. het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;

    • 3°. het met wals- en trekinstallaties tot profielmateriaal of stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;

    • 4°. het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;

    • 5°. het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;

    • 6°. voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt;

    • 7°. het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen, stafmaterialen of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt;

    • 8°. het gieten van metalen of hun legeringen;

    • 9°. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of procesgassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden toegepast;

    • 10°. het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;

    • 11°. het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan 100 liter;

  • w) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen, repareren, proefdraaien of uitwendig reinigen van vliegtuigen;

    • 2°. het bouwen van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer;

    • 3°. het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders dan pleziervaartuigen;

    • 4°. het afmeren van zeegaande veerboten;

    • 5°. het overslaan van schip naar schip;

    • 6°. het reinigen van tankschepen;

    • 7°. het voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;

    • 8°. het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;

  • x) spoorwegemplacementen;

  • y) inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren, proefdraaien of behandelen van de oppervlakte van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;

  • z) inrichtingen voor:

    • 1°. het vervaardigen van producten van houtmeelvezels, houtwolvezels of houtvezels;

    • 2°. het vervaardigen van triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of spaanplaten;

    • 3°. het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode;

  • aa) inrichtingen voor:

    • 1°. het veredelen van textiel of producten hiervan;

    • 2°. het vervaardigen van textiel of producten hiervan waar 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen aanwezig zijn;

    • 3°. het vervaardigen van tapijt of linoleum;

    • 4°. het vervaardigen van papierstof, papier of karton, het bleken van papier en het vervaardigen van producten van karton en hygiënische papierproducten;

    • 5°. het zelfklevend maken van materialen, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren samenhangend met drukprocessen;

    • 6°. het toepassen van de volgende drukprocessen:

      • i. illustratiediepdruk;

      • ii. rotatieoffset;

      • iii. flexodruk en verpakkingsdiepdruk;

      • iv. rotatiezeefdruk;

      • v. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kilogram vluchtige organische stoffen per jaar;

  • bb) inrichtingen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen, met uitzondering van inrichtingen voor het traditioneel schieten;

  • cc) inrichtingen voor:

    • 1°. sport of recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken;

    • 2°. het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of -voertuigen in de open lucht;

    • 3°. het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht;

    • 4°. het in de buitenlucht beoefenen van wedstrijdsport waar permanente voorzieningen zijn voor de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000 bezoekers;

    • 5°. het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000 bezoekers aanwezig kunnen zijn;

    • 6°. het paintballspel;

    • 7°. het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk, met uitzondering van inrichtingen voor het traditioneel schieten;

  • dd) inrichtingen voor:

    • 1°. het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie, waarbij:

      • i. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast;

      • ii. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of

      • iii. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en het dichtstbijzijnde gevoelige object kleiner is dan viermaal de ashoogte;

    • 2°. het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische energie;

    • 3°. het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie met een vermogen van meer dan 4 kilowatt;

  • ee) transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;

  • ff) inrichtingen waar activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21 van bijlage 1 behorend bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit;

  • gg) academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, en inrichtingen die krachtens de Wet toelating zorginstellingen zijn aangewezen als instellingen voor medisch-specialistische zorg;

  • hh) inrichtingen voor het vervaardigen van koolstofelektroden;

  • ii) inrichtingen voor het inwendig reinigen van:

    • 1°. van buiten de inrichting afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen, ketels of vaten;

    • 2°. mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn vervoerd;

    • 3°. mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers die niet in de inrichting zijn geladen of gelost;

  • jj) inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken;

  • kk) zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen;

  • ll) inrichtingen voor:

    • 1°. verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen,

    • 2°. het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:

      • i. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een landbouwinrichting voor zover deze stoffen bestemd en geschikt zijn voor nuttige toepassing;

      • ii. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of bloembollenafval bij een landbouwinrichting;

      • iii. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en tuinbouw en de voedingsbereiding en -verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting bestemd om binnen de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en

      • iv. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor afgedankte consumentenproducten bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze producten voor zover deze producten vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in Nederland;

    • 3°. het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, uitgezonderd:

      • i. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van maximaal 4 autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie;

      • ii. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte apparatuur als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die conform artikel 4 van die regeling zijn ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;

      • iii. een maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter voor afgedankte apparatuur als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur bij een inrichting voor het voor hergebruik geschikt maken van deze apparatuur voor zover deze apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan particulieren in Nederland;

      • iv. ten hoogste 35 kubieke meter afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft;

      • v. ingenomen afgewerkte olie, bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen bij een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een maximale opslag van 150 kubieke meter in tanks en 10.000 kilogram anders dan in tanks;

    • 4°. het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn met een capaciteit van meer dan 1.000 kubieke meter per jaar bij een inrichting waar geen opslag van afvalstoffen plaatsvindt;

    • 5°. het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd:

      • i. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;

      • ii. het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte consumentenproducten, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens als bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur voor zover de apparatuur niet wordt ontmanteld, deze producten en apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in Nederland en de oppervlakte voor reparatie niet groter is dan 1.000 vierkante meter;

      • iii. het scheiden van olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen met een slibvangput en olieafscheider met een maximale nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;

      • iv. het composteren van plantaardig restmateriaal bij een landbouwinrichting met een maximaal volume van 600 kubieke meter;

      • v. het als diervoerder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik geschikt maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding en -verwerking met euralcodes: 020103, 020304, 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting met een maximale capaciteit van 4.000 ton per jaar;

    • 6°. het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het geheel of gedeeltelijk vernietigen van buiten de inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen als afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen;

    • 7°. het verbranden van afvalstoffen;

    • 8°. het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.

Voor de toepassing van ll blijven buiten beschouwing:

  • 1°. het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

  • 2°. het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankwagens of tankcontainers en bulkcontainers;

  • 3°. het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib;

  • 4°. het toepassen van bouwstoffen en het toepassen van grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is.

ARTIKEL II

In artikel 1, eerste lid, onder 24, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt «als bedoeld in tabel 1 van de bijlage behorende bij de Circulaire Streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering» vervangen door: als bedoeld in tabel 1 van bijlage 1 behorende bij de Circulaire bodemsanering 2009.

ARTIKEL III

Het Besluit landbouw milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 3, eerste lid, onderdeel n, onder 8°, wordt «het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer» vervangen door: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 9 november 2009

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa

Uitgegeven de vierentwintigste november 2009

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, voldoen aan algemene regels die voorschriften met betrekking tot de bescherming van het milieu bevatten of beschikken over een milieuvergunning. Daarnaast kunnen algemene regels of een vergunningplicht gelden voor lozingen op een oppervlaktewaterlichaam ingevolge de Waterwet (Wtw) (voorheen de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) of voor lozingen in de bodem ingevolge de Wet bodembescherming (Wbb). 1

Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) bevat algemene regels voor inrichtingen. Deze algemene regels zijn gebaseerd op de artikelen 8.1, tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wm en op de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c van de Wvo. Met dit besluit (hierna: wijzigingsbesluit) is het Activiteitenbesluit op een aantal punten gerepareerd en is de reikwijdte van het Activiteitenbesluit verbreed. Dit wijzigingsbesluit is gebaseerd op de Wm en de Wtw in plaats van op de Wvo.

2. Aanleiding en achtergrond

In 2003 zijn de toenmalige bewindspersonen van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) van start gegaan met het meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving. In de brief van 17 oktober 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XI, nr. 7) hebben zij hun voornemens ten aanzien van dit meerjarenprogramma kenbaar gemaakt. Het project modernisering van de algemene regels maakte onderdeel uit van dit meerjarenprogramma. Ten aanzien van dit project is in deze brief en in de brief van 23 december 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 383, nr. 1) het voornemen opgenomen om de 8.40-besluiten grondig te herzien, samen te voegen en een groot aantal inrichtingen dat op grond van de Wm vergunningplichtig is, onder algemene regels te brengen, waardoor de vergunningplicht voor deze inrichtingen komt te vervallen. Daarnaast is in deze brief aangegeven dat waar mogelijk de regels met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater en op of in de bodem worden vervangen door algemene regels, waardoor inrichtingen met minder vergunningverplichtingen zouden worden geconfronteerd.

In de beoogde eindsituatie zou alleen een beperkt aantal inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden met omvangrijke en complexe milieueffecten nog een vergunning op basis van de Wm nodig hebben. Dit betreft in ieder geval de inrichtingen die op grond van Europese verplichtingen onder het vergunningenregime dienen te vallen.

Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 is de eerste fase van het project modernisering van de algemene regels afgerond. In deze eerste fase zijn de voormalige 8.40-besluiten herzien en samengevoegd en zijn circa 37.000 voorheen Wm-vergunningplichtige inrichtingen en 1.300 voorheen Wvo-vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Dit heeft geresulteerd in uniforme regels voor de inrichtingen die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen en een efficiencywinst in de vorm van een aanzienlijke reductie van de administratieve lasten.

Met deze eerste fase is derhalve een eerste belangrijke stap gezet, maar de beoogde eindsituatie is nog niet bereikt. Daarom, maar ook omdat de ambities van dit Kabinet zijn om de regeldruk voor bedrijven merkbaar te verminderen en daarmee gepaard gaand de wet- en regelgeving te vereenvoudigen en de administratieve lasten voor bedrijven terug te dringen, worden in het kader van de tweede fase van het project modernisering van de algemene regels (hierna: tweede fase) meer vergunningplichtige inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Hierdoor komt de vergunningplicht op grond van de Wm voor deze inrichtingen te vervallen. Daarnaast komt voor een aantal inrichtingen de vergunningplicht voor lozingen in een oppervlaktewaterlichaam op basis van de Wtw te vervallen.

In deze tweede fase wordt derhalve de trend om meer inrichtingen onder algemene regels te brengen onverminderd voortgezet.

Bij brief van 17 april 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 29 383, nr. 102) is bekendgemaakt dat het Meerjarenprogramma Modernisering VROM-regelgeving is afgesloten. De nog lopende projecten uit het Meerjarenprogramma, waaronder de tweede fase, zijn ondergebracht in het nieuwe programma Slimmere regels, Betere uitvoering en Minder lasten (SBM). Op 5 november 2008 is het werkprogramma SBM aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2008/09, 29 393, nr. 107).

3. Doelstellingen, uitgangspunten en reikwijdte van de tweede fase

Meer inrichtingen onder algemene regels

Het primaire doel van de tweede fase is om inrichtingen onder algemene regels te brengen, waardoor de vergunningplicht op basis van de Wm en/of de Wtw voor die inrichtingen komt te vervallen. In deze tweede fase worden dus, als vervolg op de eerste fase, nog meer vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Met de realisatie daarvan wordt een administratieve lastenverlichting gerealiseerd, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de doelstellingen van het huidige Kabinet om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verminderen met 25 procent.

Door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit zijn circa 3.500 inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht, waardoor de vergunningplicht op basis van de Wm voor deze inrichtingen is vervallen. Daarnaast is door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit voor circa 90 inrichtingen de Wtw-vergunningplicht vervallen.

Met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit is het eindpunt van de tweede fase overigens niet bereikt. Ook na de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit wordt er in het kader van de tweede fase naar gestreefd om nog meer vergunningplichtige inrichtingen onder algemene regels te brengen.

Reparaties

Naast het verbreden van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit, is het Activiteitenbesluit door dit wijzigingsbesluit op onderdelen gerepareerd. Daarnaast is de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2 (hierna: Activiteitenregeling) gerepareerd door middel van een wijzigingsregeling.

Het Activiteitenbesluit is een omvangrijke amvb die voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit van toepassing was op circa 324.000 inrichtingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit en de ervaringen in de praktijk onjuistheden en gebreken in het Activiteitenbesluit zijn geconstateerd. Deze nu bekende onjuistheden en gebreken zijn door middel van dit wijzigingsbesluit gerepareerd.

Een van de reparaties betreft de wijziging van het overgangsrecht. Het algemene overgangsrecht, opgenomen in paragraaf 6.1 van het Activiteitenbesluit, had voor inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een statisch karakter. Met dit wijzigingsbesluit zijn de bepalingen uit paragraaf 6.1 gewijzigd, waardoor het overgangsrecht een dynamisch karakter heeft gekregen. Voor een uitgebreide toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel VVV.

4. Verwijzing naar toelichting bij Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415)

Vanzelfsprekend zijn de uitgangspunten die in het kader van de modernisering van de algemene regels zijn geformuleerd onverkort van toepassing op de tweede fase. De meest kenmerkende uitgangspunten zijn:

  • De nieuwe algemene regels dienen relevante en herkenbare milieudoelen. Activiteiten met een geringe milieubelasting worden niet of slechts globaal gereguleerd;

  • De nieuwe algemene regels moeten goed uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Dit betekent voor de inhoud van de voorschriften onder meer dat ze helder, eenduidig en ook voor kleine inrichtingen hanteerbaar dienen te zijn. Daar waar dit lastig is, biedt ICT ondersteuning;

  • De nieuwe algemene regels zijn zoveel mogelijk uniform, maar bieden ook ruimte voor flexibiliteit en innovatie;

  • Het onder algemene regels brengen van vergunningplichtige inrichtingen levert een reductie van administratieve lasten op.

Voor een uitgebreide toelichting op de uitgangspunten wordt verwezen naar paragraaf 2 van het algemene deel van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p.104–105).

Bij het opstellen van dit wijzigingsbesluit is aangesloten bij de opzet en de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Een toelichting op deze onderwerpen is in deze nota van toelichting dan ook niet terug te vinden, omdat dit reeds is toegelicht in het algemene deel van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit. Hiervoor wordt verwezen naar het algemene deel van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415).

5. De gefaseerde aanpak van de tweede fase

Het primaire doel van de tweede fase is om inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit te brengen, waardoor de vergunningplicht op basis van de Wm en Wtw voor die inrichtingen komt te vervallen. Diverse onderzoeken zijn uitgevoerd naar de mogelijkheid en wenselijkheid om vergunningplichtige bedrijfstakken onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit te brengen. Een voorbereidend onderzoek is in 2006 uitgevoerd 3. Dit onderzoek heeft een overzicht van bedrijfstakken opgeleverd die na de eerste fase nog vergunningplichtig waren. Tevens is in dit onderzoek aangegeven voor welke bedrijfstakken het loont om ze onder de algemene regels te brengen. De aspecten «homogeniteit van de bedrijfstak» en «omvang van de bedrijfstak» zijn de voornaamste criteria geweest om te bepalen of het reguleren van de bedrijfstak onder algemene regels zinvol is. Het aspect «homogeniteit» spreekt in dit opzicht voor zich: Indien een bedrijfstak sterk heterogeen van aard is, dan ligt het stellen van algemene regels niet voor de hand. Het aspect «omvang van de bedrijfstak» staat in direct verband met de reductie van de administratieve lasten die gerealiseerd kan worden. Immers hoe groter de groep die onder algemene regels wordt gebracht, hoe groter de lastenverlichting die gerealiseerd kan worden. Daarnaast ligt het voor bedrijfstakken met een beperkt aantal inrichtingen niet voor de hand om deze onder algemene regels te brengen, omdat de inspanning die hiervoor nodig is niet opweegt tegen de winst die met het vervallen van de vergunningplicht wordt bereikt.

Mede op basis van de resultaten van dit voorbereidende onderzoek, wensen van het bedrijfsleven en wensen van andere overheden zijn bedrijfstakken geselecteerd die in aanmerking komen om in het kader van de tweede fase onder de werking van het Activiteitenbesluit te worden gebracht. In het najaar van 2007 zijn vervolgens aanvullende onderzoeken 4 uitgevoerd naar de inspanning die nodig is om de geselecteerde bedrijfstakken onder het Activiteitenbesluit te brengen. Factoren die de benodigde inspanning bepalen zijn onder meer:

  • de mate waarin de activiteiten binnen een bedrijfstak aansluiten bij het Activiteitenbesluit;

  • de bereidwilligheid van de bedrijfstak om over te gaan naar algemene regels;

  • de bereidwilligheid van het bevoegd gezag om de geselecteerde bedrijfstakken onder algemene regels te brengen;

  • de vertegenwoordiging van een bedrijfstak: Vertegenwoordiging door één organisatie of door meerdere afzonderlijke partijen;

  • de mate waarin voor een bedrijfstak standaard vergunningvoorschriften gelden.

Door deze onderzoeken is inzicht ontstaan in de benodigde inspanning, de kansen en de afbreukrisico’s om de geselecteerde bedrijfstakken onder het Activiteitenbesluit te brengen.

Op basis van de resultaten van deze onderzoeken, suggesties van het bedrijfsleven en overleg met het Interprovinciaal overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW) zijn in samenspraak met het ministerie van Verkeer en Waterstaat (VenW) bedrijfstakken geselecteerd die in het kader van de tweede fase onder het Activiteitenbesluit kunnen worden gebracht. Omdat de geselecteerde bedrijfstakken divers van aard zijn en daardoor ook diverse kansen en afbreukrisico’s met zich meebrengen, is ervoor gekozen om de tweede fase gefaseerd aan te pakken. Dit betekent dat de geselecteerde bedrijfstakken verdeeld over drie tranches (en daarmee drie aparte wijzigingsbesluiten), indien mogelijk, onder de werking van het Activiteitenbesluit worden gebracht.

Eerste tranche van de tweede fase

Met dit wijzigingsbesluit is de eerste tranche van de tweede fase afgerond. Het Activiteitenbesluit is door dit wijzigingsbesluit op onderdelen gerepareerd. Daarnaast zijn zeven bedrijfstakken geheel of gedeeltelijk onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Op basis van onderzoek en overleg met andere overheden is geconcludeerd dat deze bedrijfstakken relatief snel en eenvoudig onder het Activiteitenbesluit konden worden gebracht. Deze bedrijfstakken worden daarom ook wel «quickwins» genoemd. Het betreft de recreatieve visvijvers, de humane crematoria, de vellenoffsetdrukkerijen, de mechanische textielverwerking, de laboratoria en praktijkruimten, de natuursteenbewerkende industrie en de koude vleesverwerking.

Kenmerkend voor deze quick-wins is op de eerste plaats dat voor een deel van de activiteiten die in deze bedrijfstakken plaatsvindt voorschriften konden worden opgesteld die eenzelfde opzet hebben als de voorschriften die reeds zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verder zijn deze bedrijfstakken zelf positief over regulering door middel van algemene regels ten opzichte van de vergunningplicht en ten derde zijn deze bedrijfstakken ook bereid geweest om mee te werken aan het opstellen van voorschriften om deze bedrijfstakken onder de werking van het Activiteitenbesluit te brengen.

Daarnaast zijn de inrichtingen voor het traditioneel schieten door dit wijzigingsbesluit onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. De aanleiding om deze inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit te brengen is de motie Vietsch c.s. (29393, nr. 90), die op 4 maart 2008 door de Tweede Kamer is aangenomen.

Tweede tranche van de tweede fase

In de tweede tranche van de tweede fase worden de mogelijkheden onderzocht om geselecteerde afvalgerelateerde activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit te brengen. Deze activiteiten zijn geclusterd in de tweede tranche, omdat voor het reguleren van afvalgerelateerde activiteiten door middel van algemene regels een notificatieprocedure in het kader van richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (Kaderrichtlijn afvalstoffen) doorlopen dient te worden. Het besluit dat leidt tot wijziging van het Activiteitenbesluit in het kader van deze tweede tranche treedt naar verwachting medio 2010 in werking.

Derde tranche van de tweede fase

Het onderbrengen van bedrijfstakken in het kader van de derde tranche van de tweede fase vergt een langduriger traject dan de eerste en de tweede tranche van de tweede fase. Redenen hiervoor zijn onder meer dat relatief veel partijen betrokken kunnen zijn bij het proces of dat de te ontwikkelen voorschriften complex van aard zijn.

Het besluit dat leidt tot wijziging van het Activiteitenbesluit in het kader van deze derde tranche treedt naar verwachting in het najaar van 2011 in werking.

6. Samenhang met andere beleidsterreinen

Dit wijzigingsbesluit heeft relatie met andere beleidsterreinen. Hieronder wordt een korte toelichting gegeven van de belangrijkste beleidsterreinen.

6.1 Modernisering van de algemene regels voor de landbouw

De modernisering van de agrarische 8.40 amvb’s is grofweg verdeeld in drie fasen. De eerste fase betrof de samenvoeging van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer en het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer tot het Besluit landbouw milieubeheer. Dit besluit is op 6 december 2006 inwerking getreden. De tweede fase betrof het opnemen van een groot deel van de intensieve veehouderijen in het Besluit landbouw milieubeheer. Vanwege de problematiek met betrekking tot luchtkwaliteit en de milieu-effectrapportage is deze wijziging van het Besluit landbouw milieubeheer vertraagd. Dit heeft ertoe geleid dat het onder algemene regels brengen van de intensieve veehouderij niet meer in het Besluit landbouw milieubeheer gebeurt, maar plaats zal vinden in het Besluit landbouwactiviteiten dat momenteel ontwikkeld wordt in samenwerking met het ministerie van VenW en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In het Besluit landbouwactiviteiten worden de agrarische milieu-amvb’s geïntegreerd in één besluit. Dit besluit zal naar verwachting worden gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van het voorziene Besluit landbouwactiviteiten zullen naar verwachting het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit glastuinbouw (met uitzondering van bepalingen over energieverbruik), het Besluit mestbassins milieubeheer en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij vervallen.

De systematiek en de inhoud van het Besluit landbouwactiviteiten zullen zoveel mogelijk worden afgestemd op het Activiteitenbesluit. In tegenstelling tot het Activiteitenbesluit worden in het Besluit landbouwactiviteiten ook bepaalde activiteiten buiten inrichtingen opgenomen, mede omdat het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij wordt opgenomen in dit besluit. In een later stadium wordt bezien of samenvoeging met het Activiteitenbesluit mogelijk is.

6.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 4 november 2008 is het wetsvoorstel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in de Eerste Kamer aangenomen. Het hoofddoel van de omgevingsvergunning is gelegen in het samenbrengen van verschillende toestemmingsvereisten in één besluit, waarbij de aanvrager te maken krijgt met één vergunningprocedure en één en dezelfde weg voor inspraak en beroep.

In het kader van de tweede fase worden meer inrichtingen onder de reikwijdte van de algemene regels gebracht. Voor deze inrichtingen is daardoor voor milieu geen vergunning meer noodzakelijk. Wel kan het zo zijn dat inrichtingen die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen in de toekomst een omgevingsvergunning nodig hebben voor andere aspecten (bijvoorbeeld bouwen).

In de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht zullen nadere eisen worden gesteld over de samenhang tussen beide stelsels. Voor een nadere toelichting op de relatie tussen het Activiteitenbesluit en de Wabo wordt verwezen naar paragraaf 9.2 van het algemene deel van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p. 135–136).

6.3 Waterwet

Met de inwerkingtreding van de Wtw is het Activiteitenbesluit mede op die wet gebaseerd. De daartoe noodzakelijke aanpassingen zijn via het besluit houdende aanpassing van besluiten met het oog op de invoering van de Waterwet doorgevoerd. Dit wijzigingsbesluit is eveneens mede op de Wtw gebaseerd.

6.4 Arbo-regelgeving

In dit wijzigingsbesluit is een aantal voorschriften opgenomen die een verband (kunnen) hebben met arbeidsomstandigheden (veiligheid en gezondheid van de werknemers). Er is gestreefd naar een juiste afstemming van regelgeving van het ministerie van VROM en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit betekent onder meer dat als er in Arbeidsomstandigheden-regelgeving (Arbo-regelgeving) regels zijn gesteld, deze regels niet zijn opgenomen in dit wijzigingsbesluit.

In dit wijzigingsbesluit zijn voorschriften opgenomen voor het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of praktijkruimte. In deze voorschriften is aansluiting gezocht bij de groepsindeling voor biologische agentia die wordt gehanteerd in richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk. Voor deze voorschriften is derhalve sprake van een expliciet verband met de arbo-regelgeving (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij onderdelen F en UUU).

7. Effecten voor bedrijfsleven en overheden

Het Kabinet Balkenende IV heeft de ambitie om de regeldruk voor bedrijven merkbaar te verminderen. Voor de vermindering van de regeldruk heeft het Kabinet verscheidene doelen vastgesteld (Kamerstukken II, 2007/08, 29 515, nr. 202). Eén van deze doelstellingen is erop gericht om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven in deze kabinetsperiode met minimaal 25 procent te reduceren ten opzichte van de lasten op 1 maart 2007. Hiervoor is een nulmeting uitgevoerd, waarmee de administratieve lasten voor het bedrijfsleven op 1 maart 2007 zijn vastgesteld. 5 Deze nulmeting ligt ten grondslag aan de berekening van de administratieve lastenverlichting die met dit wijzigingsbesluit wordt gerealiseerd. Bij de bestuurlijke lasten is gekeken naar de verandering tussen de situatie voor en na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.

7.1 Administratieve lasten

Op basis van de resultaten van de nulmeting is berekend wat de gevolgen van dit wijzigingsbesluit voor de administratieve lasten zijn. Uit de resultaten van deze berekening blijkt dat met dit wijzigingsbesluit een administratieve lastenverlichting van ruim € 23,5 miljoen per jaar voor het bedrijfsleven wordt bewerkstelligd, voor zover het administratieve lasten op basis van verplichtingen uit de Wm betreft.

Deze reductie kan vrijwel geheel worden toegeschreven aan het vergroten van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit. Door dit wijzigingsbesluit zijn namelijk circa 3.500 Wm-vergunningplichtige inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht, waardoor de vergunningplicht op basis van de Wm voor die inrichtingen is vervallen. Het vervallen van de Wm-vergunningplicht brengt voor deze inrichtingen een reductie van administratieve lasten met zich mee.

In dit wijzigingsbesluit zijn ook algemene regels gesteld voor lozingen op grond van de Wtw. Door dit wijzigingsbesluit zijn circa 90 Wtw-vergunningplichtige inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht, waardoor deze inrichtingen geen vergunning op basis van de Wtw meer nodig hebben. Deze verandering betekent een additionele administratieve lastenverlichting van circa € 640.000 per jaar. Deze additionele administratieve lastenverlichting wordt toegerekend aan de reductietaakstelling van het ministerie van VenW.

Naast deze administratieve lastenverlichting, zal dit wijzigingsbesluit voor een aantal inrichtingen die reeds onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen een lastenverzwaring met zich meebrengen. Deze administratieve lastenverzwaring wordt voornamelijk veroorzaakt door de meldplicht en verplichte risicoanalyse die door dit wijzigingsbesluit wordt geïntroduceerd voor natte koeltorens. Deze lastenverzwaring is meegenomen in de berekening van de administratieve lasten van dit wijzigingsbesluit. Ook de toevoeging van VOS-registratieverplichtingen voor het reinigen van textiel en voor nieuwe activiteiten die onder het Activiteitenbesluit worden gebracht, kunnen voor bepaalde inrichtingen die reeds onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen een lastenverzwaring inhouden.

Daarnaast ontstaan voor circa 3.500 inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit vergunningplichtig waren op grond van de Wm initiële lasten die noodzakelijk zijn voor kennisname van nieuwe regelgeving. De Activiteitenbesluit Internet Module (AIM), die in de toekomst wordt opgenomen in het Omgevingsloket Online (OLO) biedt een hulpmiddel voor deze kennisname. Op basis van de AIM kan men door het doorlopen van een vragenboom bepalen of het Activiteitenbesluit van toepassing is en zo ja, welke voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling voor een bepaalde inrichting relevant zijn. De AIM wordt naar aanleiding van dit wijzigingsbesluit aangepast. Deze aanpassing van de AIM zal ongeveer gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit beschikbaar zijn.

Op 28 november 2008 is het ontwerpwijzigingsbesluit voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (ACTAL). Het ACTAL heeft op 18 december 2008 positief geadviseerd.

7.2 Bedrijfseffecten

Met dit wijzigingsbesluit is, naast een aantal reparaties aan het Activiteitenbesluit, voor circa 3.500 inrichtingen een verschuiving van vergunningplicht naar algemene regels gerealiseerd. Dit betreft circa 3.500 inrichtingen waarvoor de Wm-vergunningplichtig is vervallen en circa 90 inrichtingen waarvoor de Wtw-vergunningplicht is vervallen. De voorschriften die in dit wijzigingsbesluit voor deze inrichtingen zijn opgenomen, zijn in nauw overleg met de betreffende bedrijfstakken en het bevoegde gezag tot stand gekomen.

Door het vervallen van de Wm-vergunningplicht is tevens voor deze inrichtingen de verplichting vervallen om een oprichtings- of veranderingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag. Het achterwege blijven van de vergunningprocedure betekent een lastenverlichting, omdat een vergunningprocedure in het algemeen meer kosten met zich meebrengt dan een melding op grond van het Activiteitenbesluit. Deze lastenverlichting is meegenomen in de berekening van de gevolgen voor de administratieve lasten van dit wijzigingsbesluit (zie paragraaf 7.1). Daarnaast levert het vervallen van de vergunningprocedure tijdwinst op voor het oprichten, dan wel wijzigen of uitbreiden van een inrichting.

Door dit wijzigingsbesluit zijn acht bedrijfstakken geheel of gedeeltelijk onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Het gaat daarbij per bedrijfstak om de volgende aantallen inrichtingen:

  • humane crematoria: circa 65 inrichtingen;

  • vellen-offsetdrukkerijen: circa 1.000 inrichtingen;

  • mechanische verwerking van textiel bij relatief kleine bedrijven: circa 530 inrichtingen;

  • natuursteenindustrie: circa 200 inrichtingen;

  • laboratoria en praktijkruimten: circa 300 inrichtingen;

  • koude vleesverwerking, voor zover het het uitsnijden van vlees en pluimvee en het verpakken van vleeswaren op industriële schaal betreft: circa 710 inrichtingen;

  • recreatieve visvijvers: circa 40 inrichtingen;

  • inrichtingen voor traditioneel schieten, die naar aanleiding van de motie Vietsch c.s. (Kamerstukken II, 2007/08, 29 383, nr 90) onder de werking van het Activiteitenbesluit zijn gebracht: circa 150 inrichtingen.

Daarnaast is bijlage 1 van het Activiteitenbesluit door dit wijzigingsbesluit, naast het schrappen van bovenstaande activiteiten uit deze bijlage, op een aantal punten gewijzigd. Door deze wijzigingen zijn onder andere activiteiten als het vullen van gasflessen met koolzuur of stikstof en het niet geautomatiseerd afvullen van spuitbussen met stoffen anders dan drijfgassen niet langer vergunningplichtig. Hierdoor is tevens voor circa 750 inrichtingen, die dus niet behoren tot één van de acht bovengenoemde bedrijfstakken, de Wm-vergunningplicht vervallen. In totaal betreft het dus circa 3.500 inrichtingen waarvoor de Wm-vergunningplicht is komen te vervallen door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.

Door de acht bovengenoemde bedrijfstakken onder de werking van het Activiteitenbesluit te brengen is voor circa 40 inrichtingen tevens de Wtw-vergunningplicht vervallen. Dit betreft met name inrichtingen uit de bedrijfstak «recreatieve visvijvers». Daarnaast is voor circa 50 inrichtingen die niet behoren tot één van de acht bovengenoemde bedrijfstakken de Wtw-vergunningplicht vervallen doordat bijlage 1 van het Activiteitenbesluit ook op andere punten is gewijzigd.

7.3 Bestuurlijke lasten

Dit wijzigingsbesluit brengt geen extra bestuurlijke lasten met zich mee. Door dit wijzigingsbesluit is voor circa 3.500 inrichtingen de Wm-vergunningplicht vervallen. De oprichting of verandering is voor deze inrichtingen in de toekomst niet langer vergunningplichtig, maar meldingsplichtig. Dit levert een vermindering van de bestuurlijke lasten op. Daarnaast zijn de initiële lasten voor de noodzakelijke kennisname van de nieuwe regelgeving minimaal, omdat gemeenten reeds bekend zijn met het Activiteitenbesluit.

7.4 Milieu-effecten

Bij het opstellen van dit wijzigingsbesluit gold als uitgangspunt dat dit besluit een gelijkwaardig niveau van milieubescherming dient na te streven, als het milieubeschermingsniveau dat op basis van de Wm-vergunningplicht wordt nagestreefd. Bij vergunningverlening geldt als uitgangspunt de toepassing van best beschikbare technieken (BBT). De BBT zijn veelal uitgewerkt in branchedocumenten, zoals Werkboeken met milieumaatregelen, de rapporten van de Commissie Integraal Waterbeheer en de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR). Bij het opstellen van dit wijzigingsbesluit is gebruik gemaakt van deze documenten en richtlijnen. Derhalve is bij het opstellen van dit wijzigingsbesluit van dezelfde uitgangspunten uitgegaan, waardoor voor de onder dit besluit vallende inrichtingen in beginsel een zelfde niveau van milieubescherming wordt gegarandeerd als het milieubeschermingsniveau dat met de vergunningplicht wordt bereikt.

8. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Dit wijzigingsbesluit richt zich primair tot de drijver van de inrichting. De drijver van de inrichting is derhalve ook verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. De voorschriften uit dit wijzigingsbesluit en het Activiteitenbesluit zijn zo opgesteld dat ze uitvoerbaar zijn voor de drijver van de inrichting. Een belangrijk punt daarbij is dat de voorschriften uit dit wijzigingsbesluit consistent zijn met de voorschriften die reeds in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen.

Door middel van de AIM kan de drijver van de inrichting digitaal een melding doen. Daarnaast biedt de AIM de drijver van de inrichting ondersteuning om te bepalen welke voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling van toepassing zijn op de betreffende inrichting en kan met behulp van de AIM een bijhorende checklist «op maat» worden gegenereerd. Hierdoor weet de drijver van de inrichting precies welke voorschriften voor de betreffende inrichting gelden en kan hij met de checklist controleren of aan de gestelde voorschriften wordt voldaan. Dit geldt overigens ook voor het bevoegd gezag.

De gemeente blijft bevoegd gezag voor de inrichtingen die in het kader van dit wijzigingsbesluit onder het Activiteitenbesluit worden gebracht en is op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wm belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Voor zover sprake is van lozingen die onder de Wtw vallen is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag, die op grond van artikel 8.1 van de Wtw onder andere tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de Wtw brengen van stoffen in oppervlaktewateren.

Over de voorschriften en de uitvoerbaarheid van deze voorschriften heeft overleg plaatsgehad met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de andere overheden.

Daarnaast zijn de veranderingen voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid die in de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit worden beschreven ook van toepassing op dit wijzigingsbesluit. Voor een toelichting op deze veranderingen wordt verwezen naar paragraaf 12.2 van het algemene deel van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415, p. 149–150).

9. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpwijzigingsbesluit (Staatscourant van 2 maart 2009, nr. 41) heeft de Minister van VROM circa 55 inspraakreacties ontvangen. Gemeenten, provincies, waterschappen, brancheorganisaties, milieuorganisaties en particulieren hebben in het kader van de inspraak reacties op het ontwerpwijzigingsbesluit geplaatst. Alle inspraakreacties zijn verwerkt in inspraakdocumenten. De inspraakreacties zijn met zorg geanalyseerd en over sommige reacties heeft nader overleg plaatsgehad met het bedrijfsleven en andere overheden. Inspraakreacties die tot verbetering leiden, zijn zoveel mogelijk omgezet in aanpassingen van de tekst van het wijzigingsbesluit of de nota van toelichting.

Het gros van de inspraakreacties heeft betrekking op specifieke onderdelen van het wijzigingsbesluit. Ook zijn er vragen of signalen van onduidelijkheid binnengekomen en zijn er voorstellen gedaan voor tekstuele verbetering, verduidelijking en aanvulling. Deze toelichting biedt geen ruimte om inhoudelijk in te gaan op al deze inspraakreacties. Daarom zijn de inspraakdocumenten, waar alle inspraakreacties op het ontwerpwijzigingsbesluit in zijn verwerkt, met de bekendmaking van dit wijzigingsbesluit op de website van het Ministerie van VROM gepubliceerd. In deze inspraakdocumenten is op alle inspraak een reactie gegeven. Voor een reactie op de inspraak wordt derhalve naar deze inspraakdocumenten verwezen.

Over één onderdeel van het ontwerpwijzigingsbesluit zijn relatief veel inspraakreacties binnengekomen. Dit betreft het onderdeel «traditioneel schieten». Naar aanleiding van de motie Vietsch c.s. (Kamerstukken 2007–2008, 29 383, nr. 90) die op 4 maart 2008 door de Tweede Kamer is aangenomen, zijn «inrichtingen voor het traditioneel schieten» met dit wijzigingsbesluit onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Met de motie-Vietsch c.s. is de regering verzocht om in het Activiteitenbesluit een vrijstelling op te nemen voor het geluid dat schutterijen met schieten maken. Het Activiteitenbesluit kent reeds eenzelfde vrijstelling voor onversterkte muziek. Dit betekent dat inrichtingen voor het traditioneel schieten door inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit type B-inrichtingen zijn geworden, wat tot gevolg heeft dat deze inrichtingen niet langer vergunningplichtig zijn op grond van de Wm.

Gemeenten, provincies, milieuorganisaties, schutterijen en particulieren hebben inspraakreacties geplaatst over dit onderwerp. Uit deze inspraak is ondermeer naar voren gekomen dat het «Limburgs» traditioneel schieten afwijkt van het «Brabants» en «Gelders» traditioneel schieten. Daarnaast blijkt dat ook in andere provincies dan in Limburg, Gelderland en Noord-Brabant inrichtingen voor het traditioneel schieten voorkomen. De definitie en de voorschriften voor het traditioneel schieten zijn naar aanleiding van deze reacties aangepast.

Daarnaast hebben milieuorganisaties en particulieren hun zorgen kenbaar gemaakt over de vrijstelling voor het geluid dat schutterijen met schieten maken, vanwege de geluidhinder waaraan omwonenden worden blootgesteld door deze vrijstelling. Daarnaast hebben insprekers hun bezorgdheid kenbaar gemaakt over de inperking van hun rechtsbeschermingsmogelijkheden die deze vrijstelling voor geluid met zich meebrengt. De rechtsbeschermingsmogelijkheden die aan de vergunningprocedure waren gekoppeld voor een derde, zijn immers ook vervallen. Het gemeentebestuur heeft nog de mogelijkheid om bij gemeentelijke verordening af te wijken van deze vrijstelling en regels te stellen aan het voorkomen van geluidshinder.

10. Notificatie

Het ontwerpwijzigingsbesluit is op 21 juli 2009 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2009/416/NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De volgende bepalingen bevatten vermoedelijk technische voorschriften: V tot en met UUU.

Er zijn geen reacties op het ontwerpbesluit ontvangen.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

11. Afwijken van de minimum invoeringstermijn

Het uitgangspunt van het Kabinet is om voor amvb’s met bedrijfseffecten een minimum invoeringstermijn van 3 maanden te hanteren. Afwijken van dit uitgangspunt is in een aantal gevallen mogelijk. Dat is ondermeer het geval als bedrijven en instellingen gebaat zijn bij spoedige inwerkingtreding en de regelgeving in een voorlichtingstraject en in overleg met de doelgroepen tot stand is gekomen.

De invoeringstermijn van dit wijzigingsbesluit wijkt om bovenstaande uitzonderingsgronden af van de minimum invoeringstermijn van 3 maanden. De inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit heeft een positief effect op de administratieve lasten. Daarnaast zijn de bepalingen van dit wijzigingsbesluit in nauw overleg met het bedrijfsleven en andere overheden tot stand gekomen en zijn diverse voorlichtingtrajecten voor bevoegd gezag-instanties gestart.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Dit artikelonderdeel voegt elf begripsomschrijvingen toe aan artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit.

De definitie van bodembedreigende stof is met dit onderdeel overgeheveld van de Activiteitenregeling naar het Activiteitenbesluit. Dit is nodig, omdat door dit wijzigingsbesluit, in artikel 4.6 de term «bodembedreigende stof» is opgenomen.

De definitie verwijst naar de NRB. In de NRB is aangegeven wanneer stoffen bodemverontreinigend zijn. Daartoe is onder meer een indicatieve lijst van stoffen opgenomen.

Voor het begrip «dierlijke bijproducten» wordt aangesloten bij de definitie van de Europese bijproductenverordening. In de verordening van 3 oktober 2002 luidt de definitie: «hele kadavers of delen van dieren of producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6, die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van eicellen, embryo’s en sperma». De artikelen 4, 5 en 6 van de verordening delen gespecificeerde bijproducten in in verschillende risicocategorieën.

De definitie van «natte koeltorens» houdt in dat het om koeltorens gaat die water in aërosolvorm in de lucht kunnen brengen.

Met betrekking tot de definitie van «lassen van textiel» kan worden opgemerkt dat het aanhechten van textiel door middel van lijm of kit in de praktijk ook wel als «lassen» wordt beschouwd. Door het opnemen van de definitie «lassen van textiel» in het eerste lid van artikel 1.1 wordt duidelijk dat in het Activiteitenbesluit alleen het aanhechten van textiel door middel van warmteopwekking of warmtetoevoer wordt aangemerkt als het «lassen van textiel». De lasverbinding komt tot stand doordat het textiel, na warmteopwekking of warmtetoevoer (met behulp van een hoogfrequente bron, ultrasone bron, laser, hete lucht en dergelijke), met of zonder hulpstof, aaneenhecht.

Wat betreft de definitie van kunststeen kan worden opgemerkt dat elementen van natuursteen bestaan uit 100% natuursteen, zoals die in de natuur wordt gewonnen. Kunststeen bestaat uit korrels en brokken van natuursteen met een bindmiddel. Zowel het bewerken en verwerken van natuursteen in oorspronkelijke vorm als het bewerken van kunststeen en composietmateriaal valt door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit onder de werking van het Activiteitenbesluit.

Met dit wijzigingsbesluit is de vergunningplicht voor inrichtingen waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch, natuurkundig of medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is, vervallen. Deze praktijkruimten zijn derhalve type B-inrichtingen geworden. Voor het in werking hebben van een praktijkruimte (of laboratorium) zijn in paragraaf 4.8.10 voorschriften opgenomen. Uit de inspraakreacties is gebleken dat onvoldoende duidelijk is, wat verstaan wordt onder «praktijkruimte». Vandaar dat een definitie voor praktijkruimte is toegevoegd.

Onder het «traditioneel schieten» wordt verstaan het schieten door schutterijen of schuttersgilden op schietbomen of schutsbomen in de buitenlucht. De schuttersgilden of schutterijen vinden hun oorsprong in de middeleeuwen, waar ze als taak hadden om hun stad of plaats te verdedigen. De hedendaagse schutterijen of schuttersgilden hebben enkel een folkloristische functie. Het «traditioneel schieten» vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden er andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het «traditioneel schieten» zijn:

  • a) het Oudlimburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten;

  • b) het Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten;

  • c) het Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

Opgemerkt wordt dat het Activiteitenbesluit alleen geldt voor «inrichtingen», als bedoeld in de Wm. Om onder het begrip «inrichtingen» van de Wm te vallen moet onder meer sprake zijn van een regelmatige, locatiegebonden activiteit. Het Activiteitenbesluit is derhalve niet van toepassing op terreinen (bijvoorbeeld een weide) waar eenmalig of sporadisch het traditioneel schieten plaatsvindt.

Onderdeel B

Met de wijziging van subonderdeel 2 in onderdeel g (onderdeel f oud) wordt met de toevoeging «of de verwarming van tapwater» een boiler of een geiser bedoeld.

Daarnaast zijn door deze wijziging voorraden gevaarlijke stoffen, in de zin van een ADR stof, die bestemd zijn voor eigen gebruik niet langer meldingsplichtig. Een onbedoelde consequentie van de artikelen 4.1 en 1.2 onder inrichting type A onder f was dat zelfs één fles gevaarlijke stof in verpakking, zoals brandspiritus, al gemeld moest worden, ook indien dit voor eigen gebruik werd bewaard. Met dit nieuwe subonderdeel 11 in onderdeel g (onderdeel f oud) wordt dit voorkomen.

Onderdeel C

In de praktijk is gebleken dat de zinsnede «voor zover dit betrekking heeft op activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, bedoeld in onderdelen a tot en met e» tot verwarring leidt, aangezien het besluit geen begripsomschrijving bevat van «activiteit» of «deelactiviteit». Gebleken is dat deze termen vaak worden geïnterpreteerd als de activiteiten, zoals deze in de paragraaftitels van hoofdstuk 3 en 4 worden aangeduid. Bedoeld was te regelen dat de voorschriften uit de betreffende onderdelen op de inrichting van toepassing zijn. Deze wijziging beoogt de relatie tussen hoofdstuk 1, de afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 en hoofdstuk 6 met de artikelen die genoemd worden in de onderdelen a tot en met e van artikel 1.4, derde lid, te verhelderen.

Onderdeel D

Met de toevoeging van subonderdeel 3 aan artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a, wordt geregeld dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op de lozingen waarop de zorgplicht van artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) ziet. Dit betekent:

  • dat de artikelen 4.10 en 4.11 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op lozingen in het oppervlaktewater die onder de zorgplicht van artikel 7 Bbk vallen, maar wel op andere lozingen, bijvoorbeeld ten gevolge van de overslag van bouwstoffen, grond of baggerspecie;

  • dat het lozen in het oppervlaktewater is toegestaan, mits voldaan wordt aan de zorgplicht van artikel 7 Bbk;

  • dat andere lozingen (in de bodem, in rioolstelsels) onder zowel het Activiteitenbesluit als het Bbk blijven vallen.

Met artikel 1.6, tweede lid, onderdelen c, d en e werd beoogd om alle lozingen (dus zowel lozingen in het oppervlaktewater, op of in de bodem en in rioolstelsels) vanuit agrarische activiteiten en activiteiten die daarmee verband houden buiten de werkingssfeer van het activiteitenbesluit te plaatsen. Deze lozingen zijn namelijk al geregeld in verschillende amvb’s die geheel of gedeeltelijk op agrarische bedrijven van toepassing zijn (Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, Besluit glastuinbouw, Besluit landbouw milieubeheer, Lozingenbesluit bodembescherming).

Vanuit de praktijk werd er op gewezen dat in de gekozen formulering de onderdelen d en e feitelijk overbodig zijn. Gelet op de brede omschrijving van agrarische activiteiten in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, dekt onderdeel c namelijk ook lozingen vermeld in de onderdelen d en e.

Ook de zinsnede «het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater» bleek bij nader inzien overbodig. In het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij is deze zinsnede opgenomen omdat dat besluit mede op de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is gebaseerd. Artikel 1.6 tweede lid, onderdeel c, heeft echter alleen betrekking op het lozen. Het vermelden van «gebruik van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater» is daarom overbodig. Waar gebruik van bestrijdingsmiddelen tot lozen in de zin van de Wtw leidt, valt dat lozen uiteraard wel onder de gekozen formulering.

Onderdeel E
Onder 1

Deze wijziging van het eerste lid verduidelijkt dat de verruimde normstelling geldt voor inrichtingen die zich uitsluitend of in hoofdzaak bezig houden met de openbare verkoop van vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer. De verruimde normstelling geldt dus bijvoorbeeld niet voor een garagebedrijf annex benzinepomp.

Onder 2 en 3

Voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit kon het bevoegd gezag op grond van artikel 1.11, vijfde lid, om een rapport van een akoestisch onderzoek vragen als aannemelijk is dat door de verandering de waarden van artikel 2.17, 2.19 dan wel 2.20 overschreden worden. Op inrichtingen type C zijn die artikelen niet van toepassing. Het kan voorkomen dat een inrichting type C een wijziging uitvoert waarvoor alleen een melding op grond van dit besluit moet worden gedaan en geen wijziging van de milieuvergunning nodig is. In die gevallen bepaalt artikel 1.11 wanneer een akoestisch onderzoek gevraagd kan worden. Omdat dat artikel verwijst naar geluidnormen die niet van toepassing zijn op een inrichting type C levert dat problemen op. Zo zou het onmogelijk zijn om een akoestisch onderzoek te vragen bij plaatsing van een warmtekrachtinstallatie bij een glastuinbouwbedrijf of van een wasstraat bij een LPG-tankstation. Omgekeerd zou het bevoegd gezag op grond van het vierde lid een inrichting type C die een windturbine plaatst niet vrij kunnen stellen van de verplichting om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Dat is niet de bedoeling geweest en daarom is artikel 1.11 aangepast. Voor toepassing van het vijfde lid geldt dat in die gevallen, net zoals dat voor deze wijziging van artikel 1.11 gold voor inrichtingen type B, dat het bevoegd gezag aannemelijk moet maken dat de voor de inrichting geldende geluidvoorschriften die corresponderen met de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 overschreden worden. Die voorschriften zijn te vinden in de milieuvergunning, het Besluit landbouw milieubeheer, of het Besluit glastuinbouw. Met de wijzigingen van het vierde, vijfde en zevende lid worden die voorschriften voor inrichtingen type C gelijk behandeld met artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 voor inrichtingen type B.

Onderdeel F
Artikel 1.14a

Bij de melding ingevolge artikel 1.10, dient op grond van artikel 1.14a, eerste lid, onderdeel a, informatie verstrekt te worden over biologische agentia waarmee gericht wordt gewerkt in een laboratorium of een praktijkruimte als bedoeld in artikel 4.122. Deze plicht tot het verstrekken van informatie geldt ten eerste voor biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 2 op grond van de indeling in risico-groepen van richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk. De informatie die verstrekt dient te worden heeft enkel betrekking op een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gericht gewerkt gaat worden met biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 2. Hierdoor krijgt het bevoegd gezag zicht op de locaties waar gewerkt wordt met deze biologische agentia. Deze gegevens hoeven alleen verstrekt te worden bij de melding waarmee voor de eerste maal gemeld wordt dat gericht gewerkt gaat worden met een biologische agens van groep 2. Het doen van een nieuwe melding is dus niet noodzakelijk als in de toekomst gericht wordt gewerkt met een biologisch agens van groep 2, dat tot een andere soort behoort.

Daarnaast geldt op grond van artikel 1.14a, eerste lid, onderdeel b, de plicht tot het verstrekken van informatie over biologische agentia die behoren tot een soort die bij ministeriële regeling is aangewezen. Dit betreft de lijst met dierpathogenen die is opgenomen in bijlage 3 van de Activiteitenregeling (zie artikel 1.4). Dit betreft bijvoorbeeld klassieke varkenspest of mond- en klauwzeer.

Indien binnen een laboratorium of praktijkruimte in de toekomst gericht wordt gewerkt met andere soorten biologische agentia die zijn aangewezen bij ministeriële regeling dan de soorten die reeds zijn gemeld op basis van het eerste lid, dan dient dit – anders dan bij de biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 2 – op grond van het tweede lid van artikel 1.10 te worden gemeld. Opgemerkt dient te worden dat de verplichting tot het verstrekken van informatie op basis van dit artikel enkel betrekking heeft op het gericht werken met biologische agentia. Onder «gericht werken met» wordt verstaan: het vervaardigen, bewerken, verwerken of in voorraad houden. Hieronder vallen ook werkzaamheden als kweken, bewaren, vernietigen of het doen van proeven met biologische agentia.

Onderdeel H

De overgang van vergunningplicht als uitgangspunt naar algemene regels, waarin regels met betrekking tot het lozen per afzonderlijke activiteit worden gesteld, kan in de praktijk een probleem met zich mee brengen daar waar een aantal activiteiten zo met elkaar is verweven, dat het niet doelmatig is het afvalwater daarvan te scheiden en (waar nodig) afzonderlijk te behandelen. Het kan dan efficiënter zijn de stromen gecombineerd te behandelen. Dit kan aan de orde zijn zowel in bestaande situaties (daar waar afvalwaterstromen zijn samengevoegd met het oog op een efficiënte afvoer of behandeling van de stromen) als in nieuwe situaties.

Wanneer de samenvoeging stromen betreft, waarvoor in het Activiteitenbesluit verschillende voorwaarden gelden, was samenvoeging formeel juridisch niet mogelijk, omdat dan niet meer aan de afzonderlijke voorwaarden kon worden getoetst. Het Activiteitenbesluit beschikte nog niet over de mogelijkheid om in een dergelijk geval een gecombineerd voorschrift op te stellen, zoals dat in vergunningen voor een hele inrichting wel mogelijk was. Met artikel 2.2a wordt hierin alsnog voorzien.

Voorwaarde is wel, dat het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen een gecombineerde behandeling van de afvalwaterstromen verzet. De samenvoeging van de stromen moet dus niet ten koste gaan van het niveau van milieubescherming. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn, wanneer door samenvoeging een geconcentreerde stroom zodanig zou worden verdund, dat het zuiveringsrendement van de gezamenlijke zuivering lager zou zijn dan bij afzonderlijke zuivering van de stromen.

Onderdeel I

In dit artikel is een aantal verbeteringen aangebracht.

Per abuis waren in artikel 2.3, eerste lid, voor de parameters chloride, sulfaat en fosfaat de NEN-methoden opgenomen, hoewel ze nergens in het Activiteitenbesluit werden begrensd. Deze NEN-methoden zijn geschrapt.

Daarentegen worden de parameters nitriet- en nitraatstikstof en organische stikstof begrensd in het besluit, maar ontbrak de NEN-methode. Die omissie is nu hersteld.

Tevens heeft een update plaatsgevonden van de NEN-methoden voor de zware metalen en het chemisch zuurstofverbruik en is het jaartal van uitgifte bij de NEN-methode voor biochemisch zuurstofverbruik vervallen, omdat dat gegeven in de Activiteitenregeling is opgenomen. De NEN-normen zijn beschikbaar via NEN (Nederlands Normalisatie Instituut te Delft).

Onderdeel K

Deze wijziging is het directe gevolg van hetgeen is aangekondigd in de circulaire «Toepassing zorgplicht Wbb bij MTBE- en ETBE verontreinigingen» (Staatscourant van 18 december 2008, nr. 2139, onder andere paragraaf 5).

De noodzaak van de wijziging is gelegen in het grote belang van de instandhouding van de strategische grondwatervoorraden voor drinkwater en voor onder meer proceswater in de conserven- en drankenindustrie.

Uit monitoringsgegevens van drinkwaterleidingbedrijven is gebleken dat de stoffen Methyl-tert-butylether (MTBE) en de laatste jaren ook Ethyl-tert-butylether (ETBE) in lage concentraties worden aangetroffen in grond- en oppervlaktewater (Bron: onder meer Rapport Kiwa Water Research juni 2008. MTBE en ETBE in Nederlands grondwater). Deze stoffen kunnen een bedreiging opleveren voor de drinkwatervoorziening.

Op grond van de Activiteitenregeling (Staatscourant 16 november 2007, nr. 223/pagina 11; artikel 2.2, lid 4) worden de grondwaterpeilbuizen die op basis van deze regeling geplaatst dienen te worden ten minste eens per jaar bemonsterd en geanalyseerd. In dit verband worden de grondwatermonsters vanaf 1 februari 2009 ook op aanwezigheid van de stoffen MTBE en ETBE onderzocht. In artikel 2.6 van de Activiteitenregeling is onder meer opgenomen dat de resultaten van de metingen ten minste gedurende drie jaar binnen de inrichting worden bewaard en ter inzage worden gehouden voor het bevoegd gezag of op een door het bevoegd gezag te stellen termijn beschikbaar gesteld. De Activiteitenregeling kent nog geen verplichting om de gegevens over de bodemverontreiniging voor bepaalde stoffen (die een bedreiging kunnen vormen voor de drinkwatervoorziening), zoals deze uit de resultaten van de metingen blijkt, door te zenden aan het bevoegd gezag van het Activiteitenbesluit dan wel de Wbb.

Met de toevoeging van dit derde lid aan artikel 2.9 is nu in het besluit een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling te bepalen in welke gevallen bepaalde gegevens voor bepaalde stoffen moeten worden doorgezonden.

De wijziging van artikel 2.9 draagt er toe bij dat de verontreiniging van deze stoffen al in een vroeg stadium wordt gesignaleerd bij het bevoegd gezag op grond van de Wbb, zodat in overleg met de drijver van de inrichting tijdig eventuele maatregelen kunnen worden getroffen. «Bevoegd gezag op grond van de Wbb» wil zeggen gedeputeerde staten van de betrokken provincie (artikel 27 Wbb) dan wel burgemeester en wethouders van de betrokken grote dan wel middelgrote gemeente (als bedoeld in artikel 88, eerste en achtste lid, Wbb).

In de bovengenoemde circulaire wordt een toelichting gegeven op de verhouding tussen de melding op grond van artikel 27 van de Wbb en de bovengenoemde doorzendplicht. De doorzending van de resultaten van het onderzoek aan het bevoegd gezag op grond van de Wbb is niet bedoeld als melding als bedoeld in artikel 27 van de Wbb. Het bevoegd gezag op grond van de Wbb beoordeelt na ontvangst van de analysegegevens of deze gegevens aanleiding vormen om in overleg te treden met de drijver van de inrichting. Het bevoegd gezag kan vervolgens naar aanleiding van de ontvangst van de resultaten van het onderzoek de drijver verzoeken om een melding op grond van artikel 27 van de Wbb te doen (zie paragraaf 5.3 van de circulaire).

De extra administratieve lasten bestaan voornamelijk uit de portokosten van het door de drijver van de inrichting doorzenden van de (van het laboratorium ontvangen) gegevens van deze stoffen naar het betrokken bevoegd gezag, bedoeld in artikel 27 van de Wbb. De analyse komt gewoonlijk slechts éénmaal per jaar voor. De verwachting is dat het om een beperkt aantal inrichtingen gaat waar sprake is van een zodanige overschrijding dat doorzending verplicht is. De extra administratieve lasten zijn hiermee verwaarloosbaar klein.

Onderdeel M

Artikel 2.15, eerste lid, is gewijzigd. In een inrichting met een energiegebruik in een periode van twaalf maanden van 50.000 kilo Watt uur of meer aan elektriciteit of 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen dienen op grond van het gewijzigde eerste lid energiebesparende maatregelen te worden genomen. Het eerste lid is gewijzigd om het in lijn te brengen met de Meerjarenafspraken over energie-efficiency.

In het kader van deze Meerjarenafspraken (MJA) hebben bedrijven die daaraan deelnemen de verplichting om alle rendabele maatregelen te nemen. In de MJA3 wordt «rendabele maatregelen» gedefinieerd als «maatregelen met een netto contante waarde bij een interne rentevoet van 15 procent. Als alternatief kan een terugverdientijd van 5 jaar worden gehanteerd.»

Bedrijven die deelnemen aan de Meerjarenafspraken hebben derhalve de mogelijkheid om bij het toepassen van rendabele maatregelen gebruik te maken van twee methoden, namelijk:

  • het toepassen van alle energiebesparende maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%, of;

  • het toepassen van alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

Op grond van de MJA worden beide methoden als gelijkwaardig beschouwd. De keuze tussen beide methoden wordt overgelaten aan het bedrijf. Met de wijziging van het eerste lid van artikel 2.15 geldt thans ook voor inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, dat ze de vrijheid hebben om te kiezen tussen beide methoden. Deze twee methoden leveren hetzelfde resultaat op bij een investering die gedurende tien jaar ieder jaar dezelfde besparing oplevert.

In beginsel behoeft overigens geen gebruik gemaakt te worden van deze berekeningsmethoden, omdat er lijsten met rendabele energiebesparingsmaatregelen beschikbaar zijn. Deze lijsten zijn te raadplegen op de website van InfoMil (www.infomil.nl). Ook de database met maatregelen kan op de website van Infomil worden geraadpleegd. De energiebesparende maatregelen die zijn opgenomen op deze lijsten en in de database voldoen aan het gewijzigde eerste lid van artikel 2.15. Bij het toepassen van deze energiebesparende maatregelen is derhalve geen berekening nodig. In bepaalde situaties zijn de energiebesparingsmaatregelen uit de lijsten of database niet toepasbaar. In deze situaties kan het nodig zijn gebruik te maken van bovenstaande berekeningsmethoden. Het zal daarbij met name om de volgende situaties gaan:

  • 1. In die gevallen waarin deze lijsten of de database niet afdoende zijn en een energiebesparingsonderzoek noodzakelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de cash-flow niet constant is gedurende de levensduur van de investering of indien nauwkeurigheid gewenst is omdat het een grote investering betreft. De onderzoeker gebruikt de voorgeschreven methoden dan om de rentabiliteit van de onderzochte maatregelen te berekenen;

  • 2. Om aan te kunnen tonen dat een energiebesparende maatregel die is opgenomen op de lijst of in de database in een specifiek geval toch niet rendabel is.

Onderdeel O

Door het tweede lid van artikel 2.17 buiten toepassing te verklaren voor windturbines die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, wordt het Activiteitenbesluit in lijn gebracht met artikel 1b, tweede lid, van de Wet geluidhinder. Daar is bepaald dat bij de bepaling van de geluidsbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein het geluid van windturbines welke duurzame energie opwekken buiten beschouwing worden gelaten. Dit vanwege het belang van het opwekken van duurzame energie. Artikel 2.17, tweede lid, is ook een bepaling in verband met zonebeheer. Om te voorkomen dat type A en B-inrichtingen onnodige geluidsruimte van de zone in beslag nemen, is bepaald dat de norm voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein op een afstand van 50 meter van de inrichting geldt, in plaats van op een gevoelig object (tenzij er op kortere afstand dan 50 meter een gevoelig object is gelegen). In lijn met de Wet geluidhinder wordt nu bepaald dat artikel 2.17, tweede lid, niet van toepassing is op windturbines. Dit heeft als gevolg dat voor deze windturbines de normstelling die is opgenomen in de in artikel 2.17, eerste lid, niet geldt op een afstand van 50 meter van de inrichting, maar op gevoelige objecten.

Onderdeel 3 betreft correcties van onjuiste verwijzingen en de toevoeging van de per abuis onvermeld gelaten uitzondering voor maximale geluidsniveaus in de dagperiode. Het gevolg van deze omissie is dat voor woningen op bedrijventerreinen overdag strengere grenswaarden gelden dan voor woningen buiten bedrijventerreinen. Hierdoor kan het onmogelijk zijn voor vrachtwagens de in- en uitrit van de inrichting te verlaten indien de afstand van de in- en uitrit tot de dichtstbijzijnde woning op het bedrijventerrein klein is. Het is niet de bedoeling geweest dat voor woningen op bedrijventerreinen de laad- en losactiviteiten overdag wel aan de grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus getoetst moeten worden terwijl dit niet het geval is voor woningen buiten bedrijventerreinen. Dit zou de bedrijfsvoering onmogelijk maken.

Onderdeel 4: Deze wijziging verduidelijkt dat de verruimde normstelling geldt voor inrichtingen die zich uitsluitend of in hoofdzaak bezig houden met de openbare verkoop van vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer. De verruimde normstelling geldt dus bijvoorbeeld niet voor een garagebedrijf annex benzinepomp.

Onderdeel P

Het tweede wijzigingsonderdeel voorziet erin dat bij gemeentelijke verordening ook voor «traditioneel schieten» afwijkende regels over geluidsniveaus kunnen worden gesteld. Deze wijziging volgt op de motie Vietsch (Kamerstukken 2007–2008, 29 383, nr. 90), waarin de regering wordt verzocht om een vrijstelling voor geluid op te nemen voor traditioneel schieten door schutterijen. Daarvoor is het nodig dat deze activiteit onder het Activiteitenbesluit wordt gebracht, aangezien deze activiteit ten tijde van de motie vergunningplichtig was. Met dit wijzigingsbesluit wordt het traditioneel schieten derhalve uit de vergunningplicht gehaald. Hiervoor wordt verwezen naar categorie bb van de bijlage en de toelichting daarbij. In dit artikel wordt een vrijstelling verleend van de algemene geluidsnorm voor traditioneel schieten. Wel is het mogelijk dat gemeenten regels stellen voor deze activiteit in de gemeentelijke verordening ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder.

Verder wordt met onderdeel h bepaald dat bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en 6.12 van het besluit, het stemgeluid van kinderen op het buitenterrein van een gebouw voor primair onderwijs geheel buiten beschouwing blijft. Vóór deze wijziging was artikel 2.18, eerste lid, onderdeel a, van toepassing op schoolpleinen. Met de onderhavige toevoeging blijft nu, anders dan voorheen, ook het stemgeluid buiten beschouwing indien sprake is van een door bebouwing omsloten «binnenterrein». Een vergelijkbare uitzondering is van toepassing op instellingen voor kinderopvang. Waar het gaat om scholen, wordt door het leggen van een relatie van het stemgeluid van kinderen met de openingstijden van de school benadrukt dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op stemgeluid in relatie tot schoolse activiteiten, en niet ook van andersoortige activiteiten ((verhuur voor) avondcursussen e.d.).

Met dit onderdeel wordt derhalve invulling gegeven aan de motie-Vermeij c.s. (Kamerstukken 2008/09, 31 700 XI, nr. 31).

Onderdeel R

Een gemeente kan op grond van artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b, van het Activiteitenbesluit aantallen dagen of dagdelen vaststellen, waarop de geluidswaarden niet van toepassing zijn in verband met de viering van festiviteiten. Daarbij is het mogelijk om per deelgebied van de gemeente of per categorie inrichtingen een ander aantal dagen vast te stellen. Zo kan bijvoorbeeld bepaald worden dat in de binnenstad de waarden gedurende maximaal 2 dagen niet van toepassing zijn en daarbuiten gedurende maximaal 8 dagen. Of dat voor horecabedrijven de waarden gedurende maximaal 6 dagen niet van toepassing zijn en voor overige bedrijven gedurende maximaal 2 dagen. Met het eerste wijzigingsonderdeel wordt verduidelijkt dat het mogelijk is om per categorie inrichtingen en per deelgebied een verschillend aantal dagen of dagdelen vast te stellen.

Onderdeel U tot en met AA

Deze wijzigingen bepalen onder meer het toepassingsgebied van de betreffende paragrafen. Ten onrechte waren in de eerste vijf paragrafen van hoofdstuk 3 de reikwijdtebepalingen ofwel enigszins verborgen opgenomen ofwel in het geheel weggelaten. Door deze onderdelen is in de eerste artikelen van deze paragrafen omschreven op welke activiteiten de paragrafen betrekking hebben. Het Activiteitenbesluit bevat immers geen definitie van de term activiteit.

Onderdelen U en V

Deze onderdelen voorzien erin dat paragraaf 3.1.1 van toepassing is op een saneringsonderzoek of een bodemsanering in de zin van de Wbb. Hierdoor vallen dergelijke onderzoeken en saneringen volledig onder deze paragraaf. Naast de lozing worden de meeste aspecten in de saneringsplannen op grond van de Wbb geregeld. Verder biedt artikel 2.1 een afdoende vangnet voor geur, geluid en dergelijke.

In tabel 3.1a opgenomen onder het tweede lid van artikel 3.1 en in tabel 3.1b opgenomen onder het derde lid van artikel 3.1 werden PAK’s per abuis niet gedefinieerd. Dat is met het tweede onderdeel hersteld.

Onderdeel W

Paragraaf 3.1.2 ziet op het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid.

Onderdeel X

In artikel 3.3 is de zinsnede «en hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd» geschrapt. Deze zinsnede wekte namelijk de indruk dat hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd niet valt onder het begrip «afvloeiend hemelwater». Dat is onjuist. Onder «afvloeiend hemelwater» wordt zowel verstaan hemelwater dat over een verharding afstroomt, als hemelwater dat bij neerslag door de bodem sijpelt en via een drainage wordt afgevoerd. Een afzonderlijke vermelding daarvan is dus overbodig en daarom geschrapt.

Met de toevoeging van onderdeel b aan het eerste lid van artikel 3.3 wordt expliciet bepaald dat paragraaf 3.1.3 niet van toepassing is op het lozen van hemelwater als bedoeld in paragraaf 4.1.5. Bij het op- en overslaan van bulkgoederen, waarvoor in paragraaf 4.1.5 voorschriften zijn opgenomen, hoeft namelijk niet in alle gevallen sprake te zijn van een bodembeschermende voorziening. Zonder de toevoeging zou in de praktijk bij de handhaving in die situaties onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag welk voorschrift geldt. Met dit onderdeel wordt duidelijk dat paragraaf 3.1.3 dan niet van toepassing is.

Per abuis is in artikel 3.3, tweede lid, de zinsnede «artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing» opgenomen. Deze toevoeging is op een aantal plaatsen in het Activiteitenbesluit opgenomen om de mogelijkheid tot het vaststellen van een maatwerkvoorschrift aan te geven. In dit geval is er geen sprake van een maatwerkmogelijkheid en is deze toevoeging vervallen.

Onderdelen Y en Z

Paragraaf 3.1.4 is van toepassing op al het lozen van huishoudelijk afvalwater. Bij het lozen in het oppervlaktewater of op of in de bodem wordt het afvalwater voorafgaand aan het lozen behandeld. Bedoeld is aan te geven dat ook de behandeling in de septic tank of de IBA (Individuele Behandeling van Afvalwater, ook wel bekend als riet- of vloeiveld) onder de reikwijdte van deze paragraaf valt.

Onderdeel AA

Per abuis was in het eerste lid van dit artikel verwezen naar het «eerste tot en met het zevende lid». Dat had moeten zijn en is nu gewijzigd in «tweede tot en met het zevende lid».

Onderdeel BB

Het nieuwe onderdeel a van artikel 3.7 houdt verband met het volgende. De voorschriften uit paragraaf 3.2. waren van toepassing op een warmtekrachtinstallatie waarbij de installatie een nominaal elektrisch vermogen had van maximaal 10 megawatt. De vergunningplicht geldt bij een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 megawatt (bijlage 1, categorie g, onder 1). Hierdoor kon het voorkomen dat een niet-vergunningplichtige inrichting die onder het besluit glastuinbouw valt, een warmtekrachtinstallatie heeft waarvoor geen voorschriften golden. Een warmtekrachtinstallatie kan namelijk meer dan 10 megawatt elektrisch vermogen hebben, terwijl het totaal geïnstalleerd motorische vermogen binnen de inrichting kleiner is dan 15 megawatt. Door dit onderdeel is deze omissie hersteld.

In paragraaf 3.2.1 (artikel 3.7, nieuw onderdeel b) is een ondergrens opgenomen die aansluit bij de grenzen voor stookinstallaties. De reden hiervoor is de marktintroductie van de micro-warmtekrachtinstallatie of Hre-ketel. Het maximale rendement van de micro-warmtekrachtinstallatie is hoog (98%) en redelijk onafhankelijk van het gebruik. De voorschriften voor rendement en registratie hoeven dus niet te gelden onder die grens.

Onderdeel CC

Voor een gasdrukmeet- en regelstation categorie A gelden geen voorschriften. Deze wijziging in de aanhef van artikel 3.11, zorgt ervoor dat dit als ondergrens wordt genomen.

Onderdeel EE
Aanleiding

In februari 1999 vond in Nederland een grootschalige legionella-uitbraak plaats tijdens de Westfriese Flora te Bovenkarspel. Bron van de uitbraak was een whirlpool die in de belendende consumentenbeurs werd gedemonstreerd. Bij deze uitbraak vielen 32 doden en werden ruim 200 mensen ziek, die daar vaak blijvende gezondheidsklachten aan hebben overgehouden. Naar aanleiding van deze uitbraak heeft legionellapreventie prioriteit gekregen en is voor tal van mogelijke bronnen (zoals douches, whirlpools en natte koeltorens) regelgeving ontwikkeld. Voor de beheersing van de legionellarisico’s van natte koeltorens is gekozen voor regulering op basis van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).

In de zomer van 2006 vond een legionella-uitbraak in Amsterdam plaats (met 3 doden en ruim 30 zieken tot gevolg), die was veroorzaakt door een slecht onderhouden natte koeltoren. Toen bleek dat er situaties zijn waarbij de Arbowet slecht toepasbaar is, bijvoorbeeld als de werknemers geen risico lopen omdat ze met gesloten ramen in het bedrijf werken, terwijl de koeltoren op het dak staat. Als er in zo’n situatie wel een gezondheidsrisico is voor mensen in de omgeving van de koeltoren, is regulering wel zeer wenselijk.

Er is toen vastgesteld dat de Wm (mede) van toepassing is op natte koeltorens die een legionellarisico opleveren voor de omgeving. Aanvankelijk gold hiervoor alleen de in de Wm opgenomen zorgplicht. Sinds 1 januari 2008 geldt daarnaast voor inrichtingen die onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen, de zorgplicht op grond van het Activiteitenbesluit, met de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen (wat bijvoorbeeld door de gemeente Amsterdam ten aanzien van de legionellarisico’s van natte koeltorens voor de omgeving is gedaan).

Verschillende malen heeft de minister van VROM aan de Tweede Kamer toegezegd dat bij dit wijzigingsbesluit in het Activiteitenbesluit voorschriften zouden worden opgenomen ter beheersing van legionellarisico’s van natte koeltorens. De voorschriften stemmen zoveel mogelijk overeen met de voorschriften vanuit de Arbowet. Daarnaast is er een meldplicht voor nieuwe koeltorens ingevoerd.

Natte koeltorens die zowel voor werknemers als voor de omgeving een legionellarisico opleveren, vallen zowel onder de Arbo-regelgeving als onder de Wm.

Het is dan ook van belang dat de regels op basis van beide wetten zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming zijn. Bij het formuleren van de voorschriften in dit wijzigingsbesluit en in de wijzigingsregeling waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, is dan ook zoveel mogelijk aangesloten bij de voorschriften die daaraan gesteld zijn op basis van de Arbowet (artikel 5), de betreffende Arbobeleidsregels 4.87a en 4.87b en de risico-indeling volgens het BREF-document voor industriële koelsystemen. In ISO-publicatie 55.3 worden de Arbobeleidsregels 4.87a en 4.87b en Arbo-informatieblad nr. 32 vertaald naar praktijkrichtlijnen voor het legionellaveilig ontwerpen, uitvoeren en beheren van natte koeltorens en luchtbevochtingingssystemen die worden gevoed met leidingwater.

Administratieve lasten

Er bestaat onzekerheid over het aantal natte koeltorens in Nederland en het aantal dat jaarlijks worden bijgeplaatst. Dit hangt onder meer samen met het feit dat er geen meldplicht voor natte koeltorens bestond en de inventarisatie en registratie van deze koeltorens door gemeenten en provincies in het kader van de Wm pas recent is gestart.

Pas na verloop van tijd zal een betrouwbaar inzicht in aantallen gaan ontstaan, onder meer als gevolg van het feit dat gemeenten en provincies de natte koeltorens op steeds grotere schaal gaan inventariseren en registreren en er op termijn een meldplicht wordt ingevoerd. Op basis van gegevens van leveranciers en gegevens die op internet beschikbaar zijn, is er bij het berekenen van de administratieve lasten van uit gegaan dat jaarlijks circa 500 natte koeltorens geplaatst worden.

De voorschriften in dit wijzigingsbesluit en de wijzigingsregeling voor natte koeltorens zorgen voor een administratieve lastenverzwaring. Deze administratieve lastenverzwaring wordt veroorzaakt doordat type A-inrichtingen die een natte koeltoren plaatsen een type B-inrichting zijn geworden en daardoor meldingsplichtig zijn. Het melden brengt een administratieve last met zich mee.

Daarnaast dient een risicoanalyse opgesteld te worden voor een deel van de bestaande natte koeltorens en voor de te plaatsen natte koeltorens. Voor een deel van de natte koeltorens geldt het opstellen van een risicoanalyse (risicoinventarisatie en -evaluatie) al op basis van de Arbowet. In die gevallen levert regulering op basis van dit wijzigingsbesluit geen (noemenswaardige) administratieve lasten op, omdat de hierin opgenomen voorschriften (vrijwel) overeenkomen met de voorschriften op grond van de Arbowet. Echter voor de inrichtingen die geen risicoinventarisatie en -evaluatie dienen uit te voeren op basis van de arbo-regelgeving, brengt het opstellen van deze risicoanalyse wel administratieve lasten met zich mee.

Meldingsplicht voor natte koeltorens

Doordat de voorschriften zijn opgenomen in afdeling 3.2.5 geldt er een meldingsplicht voor nieuw te installeren natte koeltorens en hoeft dit niet met een apart voorschrift geregeld te worden. Een en ander volgt uit artikel 1.10 in samenhang met de artikelen 1.4 en 1.2. Natte koeltorens worden niet genoemd in artikel 1.2 onderdeel f, en zijn derhalve geen type A inrichting. Dat betekent dat een natte koeltoren enkel kan voorkomen bij een type B of een type C-inrichting.

De terminologie in artikel 3.16a is ontleend aan de aanhef van Arbobeleidsregel 4.87a.

Artikel 3.16b bevat de verplichting te voldoen aan nadere voorschriften die bij ministeriële regeling worden gesteld. In die regeling worden nadere voorschiften gesteld aan het in werking hebben van een natte koeltoren. Belangrijke elementen zijn het uitvoeren van een risicoanalyse, op basis waarvan een legionellabeheersplan wordt opgesteld en uitgevoerd.

Onderdeel FF

Tankstations voor het wegverkeer, waarbij het afleveren van lichte olie zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden of een gevoelig object van derden, waren op grond van artikel 1, onderdeel b van het Besluit tankstations jo. artikel 1, onderdeel c, onder 8° van het Besluit tankstations «tankstations voor het wegverkeer type A» vergunningplichtig.

Een tankstation voor het wegverkeer type A was onder het voormalige Besluit tankstations vergunningplichtig. Naast de voorschriften die aan de vergunning waren verbonden golden voor deze tankstations op basis van het eerste lid van artikel 2 van het Besluit tankstations ook de voorschriften uit bijlage 1 van dat besluit. Dat was onder het Activiteitenbesluit niet het geval, omdat door artikel 3.17, onderdeel b, de voorschriften uit paragraaf 3.3.1 niet van toepassing waren op deze tankstations. Met dit onderdeel is onderdeel b van artikel 3.17 geschrapt, waardoor voor deze inrichtingen weer een vergelijkbare situatie is ontstaan als onder het voormalige Besluit tankstations het geval was.

De voorschriften uit paragraaf 3.3.1 ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen zijn niet uitputtend. Het bevoegd gezag heeft derhalve de mogelijkheid om ten aanzien van deze aspecten maatwerkvoorschriften te stellen.

Met betrekking tot onderdeel c geldt dat de aanwezigheid van een ondergrondse tank kleiner dan 150 kubieke meter geen voorwaarde is voor het van toepassing zijn van de voorschriften. Dit onderdeel hoort bij artikel 3.29. In dat artikel wordt bepaald dat paragraaf 3.3.5 van toepassing is op het opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse tanks van metaal of kunststof van maximaal 150 kubieke meter. In bijlage 1, categorie l, onder 1, is dezelfde grens opgenomen.

Onderdelen GG (en ZZ onder 2)

Het opschrift van paragraaf 3.3.2 is gewijzigd, omdat met dit besluit de reikwijdte van deze paragraaf verbreed is (zie onderdeel HH).

Onderdelen HH, II, en JJ

Het tweede lid van artikel 3.23a komt overeen met het tweede lid van artikel 3.24 (oud).

Met het derde lid van artikel 3.23a is expliciet bepaald dat de voorschriften uit paragraaf 3.3.2 enkel betrekking hebben op het uitwendig wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen daarvan. De paragraaf is derhalve niet van toepassing op inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens of andere transportmiddelen.

Onderdeel LL

Paragraaf 4.1.1 stelt wel voorschriften aan bodembedreigende stoffen, maar in de paragraaftitel werd alleen gesproken over gevaarlijke stoffen. Door deze wijziging is de titel van paragraaf 4.1.1 in lijn gebracht met de werkingssfeer van de voorschriften.

Onderdeel MM

De wijziging in artikel 4.1, derde lid, is bedoeld om een verwijsfout te herstellen.

In de Activiteitenregeling zijn ook bodemvoorschriften gesteld voor de opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking. In de delegatiebepaling was deze stofklasse abusievelijk niet opgenomen. Verder ontbrak in de Activiteitenregeling een voorschrift over de opslag van bepaalde afvalstoffen die niet kunnen worden geclassificeerd als vloeibare bodembedreigende stoffen, maar waaruit wel vloeistoffen kunnen lekken, zoals bijvoorbeeld gebruikte oliefilters. Daarom is ook deze stofklasse in artikel 4.1, zevende lid, opgenomen.

Onderdeel NN

In de oorspronkelijke bepaling was de externe veiligheidsafstand van 20 meter alleen van toepassing indien sprake was van twee zuurstoftanks elk met een inhoud van meer dan 25 kubieke meter met een onderlinge afstand kleiner dan 10 meter. Met deze wijziging is deze bepaling in overeenstemming gebracht met het advies van het RIVM over de benodigde veiligheidsafstanden voor zuurstoftanks. Het blijkt dat ook bij zuurstoftanks met een kleinere inhoud een veiligheidsafstand in acht moet worden genomen. Bovendien geldt met deze wijziging de onderlinge afstand niet alleen voor andere tanks met zuurstof maar ook voor tanks met propaan, propeen, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof.

Onderdeel OO

Met deze wijziging is de opslag van propeen bij type B-inrichtingen onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. De voorschriften voor de opslag van propeen zijn afgeleid van de voorschriften die op grond van artikel 3.28 gelden voor de opslag van propaan. In de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19, Opslag van propaan (PGS 19), is vermeld dat het mogelijk is om deze richtlijn te gebruiken als basis voor afwijkende situaties. Hierbij kan gedacht worden aan gassen die qua eigenschappen sterke overeenkomsten vertonen met propaan. Eén van de gassen die hierbij als voorbeeld is genoemd, is propeen.

Onderdeel QQ

Naar aanleiding van de inspraakreacties zijn de doelvoorschriften in artikel 4.11 nogmaals beschouwd. Deze beschouwing heeft geleid tot een aantal aanpassingen. De norm voor onopgeloste stoffen is aangepast. De waarde is gewijzigd in 300 milligram per liter. Evenals elders in het besluit is de term onopgeloste bestanddelen tevens vervangen door de term onopgeloste stoffen.

Voorafgaand aan de aanpassing had de norm voor onopgeloste stoffen twee doeleinden: het beperken van de lozing van onopgeloste stoffen zelf, en het beperken van de lozing van daaraan gehechte verontreinigingen, zoals zware metalen en PAK’s. Bij de norm van 50 milligram per liter gaf het tweede argument, waarbij onopgeloste stoffen feitelijk als een gidsparameter voor zware metalen en PAK’s fungeren, de doorslag. Omdat echter in tabel 4.11 ook zelfstandige normen voor PAK’s en zware metalen zijn opgenomen, werden deze stoffen feitelijk dubbel geregeld. Om die reden wordt nu in het hele artikel 4.11 de norm aangepast. De nieuwe norm van 300 mg/l heeft enkel het beperken van de lozing van onopgeloste stoffen als oogmerk. Bij lozen anders dan in een vuilwaterriool gelden voor een aantal overige parameters doelvoorschriften van tabel 4.11, bij lozen in een vuilwaterriool geldt daarvoor de zorgplicht, op grond waarvan zo nodig maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld.

Ook de norm voor minerale olie is aangepast. Er is bij de op- en overslag van bulkgoederen geen sprake van activiteiten waar actief met olie of oliehoudende producten wordt gewerkt. Een overschrijding zal dus incidenteel zijn (bijvoorbeeld onzorgvuldig handelen). Een actief bemonsterings- en meetprogramma (van de handhaver) is daarvoor niet effectief, omdat er bij zo’n incident meestal sprake is van een zichtbare verontreiniging. De grens van een zichtbare olieverontreiniging ligt bij ongeveer 15 mg/l. Omdat in het Activiteitenbesluit een «standaard-norm» voor olie wordt gehanteerd van 20 mg/l is het verstandig bij deze norm aan te sluiten.

Analyseresultaten van metalen bij op- en overslagactiviteiten liggen over het algemeen ruim onder de 1 mg/l. Het is niet aannemelijk dat door het verhogen van de grens naar 2 mg/l de analyseresultaten zullen verhogen. Echter vanuit de waterschappen bestaat de uitdrukkelijke wens de norm op 1 mg/l te houden. In voorkomende gevallen kan deze norm verhoogd worden middels een maatwerkvoorschrift.

Onderdeel RR

Paragraaf 4.1.7 dient complementair te zijn aan paragraaf 4.1.1. Daarom is het opschrift van de paragraaf gewijzigd in het «Opslaan van vaste kunstmeststoffen». Omdat de voorschriften uit deze paragraaf ook van toepassing zijn op de opslag van andere kunstmeststoffen dan nitraathoudende kunstmeststoffen, is «nitraathoudende» uit het opschrift van de paragraaf geschrapt.

Onderdeel SS

Artikel 4.17 is door deze wijziging enkel van toepassing op vaste kunstmeststoffen. Daarmee wordt dit voorschrift complementair aan paragraaf 4.1.1. Vaste kunstmeststoffen zijn geen bodembedreigende stoffen, derhalve is het niet noodzakelijk om voor de opslag van vaste kunstmeststoffen nadere voorschriften te stellen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Onderdeel TT

Het is niet de bedoeling dat deze paragraaf betrekking heeft op synthetische koudemiddelen, omdat hiervoor andere regels gelden. Deze wijziging van artikel 4.20 voorziet hierin.

Onderdeel VV

Het is niet de bedoeling dat het eerste lid van artikel 4.65 voor het aanbrengen van alle conversielagen geldt. Zo is het niet van toepassing op het fosfateren. Hiervoor kan in uitzonderlijke gevallen middels de zorgplicht worden vastgesteld dat niet aan de emissie-eisen is voldaan en kunnen er op grond van die zorgplicht maatwerkvoorschriften worden vastgesteld.

Anodiseren is het langs elektrochemische weg aanbrengen van een oxidelaag op metaal waarbij het metaal als anode fungeert. Het te anodiseren voorwerp hangt in een bad met verdund zwavelzuur (of chroomzuur), waar een elektrische stroom doorheen wordt gevoerd. Bij deze stroomdoorvoer worden aan de anode (het metaaloppervlak, meestal aluminium) reactieve zuurstofatomen gevormd. Een deel van de gevormde zuurstof reageert met het metaal tot metaaloxide. Tijdens het anodiseren gaat een deel van de gevormde metaaloxidelaag in oplossing.

Onderdeel WW
Afdeling 4.5a Activiteiten met betrekking tot natuursteen of kunststeen
Paragraaf 4.5a.1 Mechanische bewerkingen van natuursteen of kunststeen

De mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen omvat werkzaamheden als zagen, schuren, polijsten, frijnen, boucharderen, graveren, stralen en trommelen. Veel van deze bewerkingen worden met machines uitgevoerd, maar ook handmatige bewerking komt voor. De belangrijkste milieuaspecten die een rol spelen bij bewerking van natuursteen of kunststeen betreffen stof, geluid en afvalwater.

De Nederlandse natuursteenbedrijven bewerken en verwerken blokken, platen en tegels van natuursteen en kunststeen (of composietsteen).

Elementen van natuursteen bestaan uit 100% natuursteen, zoals die in de natuur wordt gewonnen. Kunststeen bestaat uit korrels en brokken van natuursteen met een bindmiddel. Beide type elementen kunnen op een zelfde manier worden bewerkt en verwerkt. Zowel het bewerken en verwerken van natuursteen in oorspronkelijke vorm als het bewerken van kunststeen en composietmateriaal valt door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit onder de werking van het Activiteitenbesluit.

Het vervaardigen van kunststeen of composietsteen valt niet onder de werking van het Activiteitenbesluit. Bij het vervaardigen van kunststeen of composietsteen kan kunststof worden verwerkt. Deze activiteit valt onder bijlage 1, categorie h, en is daarmee vergunningplichtig. Ook het vervaardigen van terrazzo en granito is vergunningplichtig. Onderdelen van het proces van het vervaardigen van terrazzo of granito vallen onder het vervaardigen van cementmortel en cementwaren. Deze laatste activiteit is opgenomen in bijlage 1, categorie u.

Ten aanzien van het aspect «geluid» gelden de algemene geluidvoorschriften van afdeling 2.8. Daarnaast geldt op grond van artikel 1.11, vijfde lid, dat, indien het aannemelijk is dat de in de voorschriften opgenomen normering zal worden overschreden, het bevoegd gezag kan besluiten dat een rapport van een akoestisch onderzoek bij de melding moet worden gevoegd. Of dit het geval is, hangt af van de ligging van de inrichting en de daarin uitgevoerde werkzaamheden en de getroffen maatregelen aan de geluidbron dan wel in de overdrachtssfeer.

Artikel 4.74a

Om overlast van stofdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen moet het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen inpandig plaatsvinden.

Artikel 4.74b

Bij de bewerking van veel soorten natuursteen of kunststeen ontstaat kristallijn respirabel kwartsstof, dat kankerverwekkend is. In het algemeen leidt de toepassing van de arbeidsomstandighedenregelgeving ertoe dat, ofwel nat wordt gewerkt, ofwel gerichte bronafzuiging plaatsvindt. Daarnaast komt ruimteafzuiging voor, waarbij de afgezogen lucht via een waterwand of andere stofafscheidingsinstallatie wordt gevoerd. In het kader van het voorkomen dan wel beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, bevat artikel 4.74b een algemene emissie-eis voor stof dat vrijkomt bij het mechanisch bewerken van natuursteen of kunststeen en in de buitenlucht wordt afgevoerd.

Artikel 4.74c, eerste lid

Bij de mechanische bewerking van natuursteen of kunststeen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van water als koel- en smeermiddel. Het water raakt hierbij verontreinigd met (zeer fijne) steendeeltjes. Het gebruik van een gesloten watersysteem kan worden beschouwd als de beste beschikbare techniek ter beperking van het waterverbruik. Indien deze techniek niet wordt toegepast, moet door de drijver van de inrichting worden aangegeven waarom dit niet gebeurt.

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a Wm) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en wordt eventueel overtollig afvalwater geloosd onder de voorwaarden die in artikel 4.74c zijn gesteld.

Artikel 4.74c, derde en vijfde lid

Het water dat gebruikt wordt als koel- en smeermiddel kan na gebruik grote hoeveelheden stof bevatten. Om dit afvalwater te kunnen lozen, wordt gebruik gemaakt van bezinkbakken of andere methoden om het slib af te scheiden. Hierbij wordt, indien sprake is van zeer fijne deeltjes (dat is bijvoorbeeld het geval wanneer veel polijstwerkzaamheden worden uitgevoerd), soms gebruik gemaakt van flocculanten om het bezinkproces te versnellen. Afvalwater waar flocculanten aan zijn toegevoegd mag niet in een oppervlaktewaterlichaam, op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, worden geloosd. Op basis van artikel 2.2 kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat afvalwater waaraan flocculanten zijn toegevoegd wel mag worden geloosd.

Lozing van afvalwater dat uitsluitend in contact is geweest met natuursteen en uitsluitend is verontreinigd met onoplosbare bestanddelen, kan op het vuilwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Bij lozingen op een oppervlaktewaterlichaam geldt als voorwaarde dat het gehalte aan onopgeloste stoffen niet hoger mag zijn dan 50 mg/liter. Bij lozingen op het vuilwaterriool geldt als voorwaarde dat het gehalte aan onopgeloste stoffen niet hoger mag zijn dan 300 mg/liter en dat de korreldiameter van onopgeloste stoffen niet meer dan 0,75 millimeter mag bedragen.

Om te voorkomen dat kunststoffen in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht, mag afvalwater dat in contact is geweest met kunststeen of composietmateriaal enkel op het vuilwaterriool worden geloosd. Het derde lid van artikel 4.74c is derhalve niet van toepassing op het lozen van afvalwater dat in contact is geweest met kunststeen of composietmateriaal. Op basis van artikel 2.2 kan het bevoegd gezag evenwel bij maatwerkvoorschrift bepalen dat afvalwater dat in contact is geweest met kunststeen of composietmateriaal wel mag worden geloosd.

Paragraaf 4.5a.2 Aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen

Deze paragraaf geeft eisen voor het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen, kunststeen en composieten.

Om breekbare of gescheurde marmerplaten een voldoende stevigheid te geven om ze verder af te werken, wordt er een laag epoxy hars aangebracht op het marmer. Vooral bij gekleurde marmers worden polymeren gebruikt. Plaatselijk worden polymeren gebruikt om beschadigingen te herstellen. Polymeren worden ook gebruikt om het marmer beter bestand te maken tegen zuren en vuil.

Met het aanbrengen van lijmen wordt hier bedoeld het verbinden van natuursteen of kunststeen met hulp van lijm en/of kit. Daarbij kunnen uiteenlopende producten worden gebruikt, zoals: dispersielijmen of -kitten, oplosmiddellijmen of -kitten, smeltlijmen of -kitten en chemisch-hardende lijmen of -kitten.

Om het oppervlak van natuursteen of kunststeen te beschermen wordt het in sommige gevallen behandeld. Hiervoor worden zowel sealers als impregneermiddelen gebruikt. De toepassing van sealers resulteert in een beschermende laag op de natuursteen of kunststeen. Impregneermiddelen dringen de natuursteen of natuursteen in en voeren zo hun beschermende werking uit. Sealers, impregneermiddelen en vergelijkbare producten zijn samengevat onder «coatings».

Artikel 4.74e

Om overlast van lijm-, coating-, harsdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen moet het aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteen of kunststeen inpandig (binnen het bebouwde deel van de inrichting) plaatsvinden, indien deze activiteiten worden uitgevoerd met nevelspuitapparatuur (apparatuur waar onder druk het product wordt verneveld).

Artikel 4.74f

Bij het inpandig aanbrengen van lijmen, harsen en coatings op natuursteenof kunststeen moet voorkomen worden dat deeltjes die geëmitteerd worden tot overlast kunnen leiden. Daarom wordt in artikel 4.74f verlangd dat de emissie van vrijkomende deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan een emissieconcentratie-eis.

Artikel 4.74g

In de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling gewijzigd is, worden ten aanzien van het (inpandig) spuiten van lijmen, coatings en harsen tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratie-eisen uit dit artikel wordt voldaan (zie ook de nota van toelichting bij afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit en de artikelsgewijze toelichting van de Activiteitenregeling).

Paragraaf 4.5a.3 Chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen
Artikel 4.74h

Een gangbare bewerking van natuursteen of kunststeen is bewerken van het oppervlak zodat het ouder lijkt. Dit kan door middel van trommelen, een mechanische bewerking en door middel van het inwerken van zuur. Dit laatste kan alleen bij kalkhoudende steensoorten. Het zuur tast eerst de meest poreuze delen aan, waardoor insluitingen en aders worden benadrukt. Steen dat deze behandeling heeft ondergaan, wordt ook wel «gezuurd» genoemd.

De bij deze behandelingen gebruikte chemicaliën kunnen bodembedreigend zijn. Om die reden is vastgelegd dat maatregelen ter bescherming van de bodem moeten worden getroffen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd.

Voor de lozing van afvalwater afkomstig van het chemisch behandelen van natuursteen of kunststeen zijn geen specifieke voorschriften opgenomen. Deze aspecten worden gereguleerd via de algemene zorgplichtbepaling. Deze aanpak is uitgelegd in afdeling 2.1 van de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit.

Onderdeel XX

In tabel 4.75 werd per abuis verwezen naar de PAK 6 van Borneff. Hier dient verwezen te worden naar de PAK 8 van E-PRTR. Dat is met dit onderdeel hersteld.

Onderdelen YY, ZZ, AAA en BBB

In paragraaf 3.3.1 zijn voorschriften opgenomen voor het afleveren van vloeibare brandstof bij een tankstation voor het wegverkeer, en in paragraaf 4.6.3 voor het afleveren van vloeibare brandstof aan vaartuigen. Paragraaf 4.6.4 bevat de voorschriften die moeten gelden bij het afleveren van vloeibare brandstof in andere gevallen. Het meest voorkomende voorbeeld is het afleveren van brandstof aan het eigen wagenpark, het zogenaamde «eigen gebruik». Dezelfde eisen moeten ook gelden bij andersoortige afleveringen, bijvoorbeeld aan dieselmotoren in apparaten als hijskranen of noodstroomaggregaten, die niet onder het begrip «motorvoertuig» of «vaartuig» vallen. Vandaar dat in de paragraaftitel is opgenomen dat het gaat om het afleveren «anders dan voor openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer en voor vaartuigen» en dat in de artikelen van dit wijzigingsbesluit wordt gesproken over «anders dan bedoeld in de artikelen 3.17 (de reikwijdtebepaling voor tankstations) en de artikelen 4.77 tot en met 4.79 (voorschriften voor bunkerstations)».

Onderdeel ZZ onder 2 (en onder GG)

Met de wijziging van de artikelen 3.20, derde lid, en 4.80, derde lid, wordt bewerkstelligd dat naar de meest actuele versie van het normdocument wordt verwezen.

Onderdeel CCC en DDD

Per abuis bepaalde artikel 4.84, vierde lid, dat voldaan moest worden aan de bij ministeriele regeling te stellen eisen ten behoeve van «het voorkomen of beperken van» het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht en het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico. Deze redactionele fout is met deze wijziging hersteld. Voorts is zowel in het opschrift van de paragraaf als in het derde en vierde lid van artikel 4.84 aangegeven dat deze betrekking hebben op het proefdraaien van verbrandingsmotoren.

Onderdeel EEE
Onder 2:

Sinds 1 juni 2008 geldt op grond van de Verordening Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperkingen van CHemische stoffen (REACH) nr. 1907/2006 dat bij gebruik van gevaarlijke stoffen VeiligheidsInformatieBladen (VIB) worden verstrekt die aanwezig en ter inzage moeten zijn tijdens en tot 10 jaar na beëindiging van het gebruik van een gevaarlijke stof (o.a. artikel 36). Deze bepaling geldt rechtstreeks. Het tweede lid is daardoor overbodig geworden.

Onderdeel FFF
Paragraaf 4.7.3 Vellenoffset druktechniek

Onder «offset drukken» wordt verstaan het bedrukken van materiaal met behulp van offsetplaten. Bij vellenoffset heeft het substraat de vorm van vellen, die ofwel als zodanig zijn ingekocht ofwel op rol worden aangevoerd en vlak voor het drukproces op maat worden gesneden (vellenrotatie). Deze beide methoden vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit. Voor rotatieoffset, waarbij het te bedrukken materiaal vanaf de rol wordt ingevoerd en bedrukt, is een milieuvergunning nodig.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, viel vellenoffset voor zover de daarbij gebuikte apparatuur een totaal elektromotorisch of verbrandingsmotorisch vermogen van 40 kilowatt of minder had, al onder het Activiteitenbesluit. De grens van 40 kilowatt was bedoeld om het verschil tussen ambachtelijke en industriële drukwerkzaamheden aan te geven, en is afkomstig uit het voormalige Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. Ambachtelijke vellenoffsetbedrijven moesten voldoen aan de voorschriften van paragraaf 4.7.3 «Overige druktechnieken». Met het onder de werkingssfeer van het activiteitenbesluit brengen van de vellenoffsetbedrijven, is de paragraaf «Overige druktechnieken» vervangen door de paragraaf «Vellenoffset druktechniek», en moeten alle vellenoffsetbedrijven daaraan voldoen.

Voor de ambachtelijke vellenoffsetbedrijven is het belangrijkste verschil met het oude Activiteitenbesluit de bepalingen met betrekking tot de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen (hierna: VOS-emissies) uit artikel 4.94a, en meer in het bijzonder het bijhouden van een oplosmiddelenboekhouding. Om deze reden is een overgangsbepaling opgenomen (artikel 6.34a), waarmee artikel 4.94a voor de bedrijven die al eerder onder het Activiteitenbesluit vielen pas van kracht wordt met ingang van het kalenderjaar dat volgt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel. Daarmee hebben deze bedrijven voldoende tijd om de boekhouding op te zetten en de noodzakelijke gegevens te verzamelen. Het grootste deel van de offsetbedrijven maakt gebruik van aluminium- en kunststofplaten, met hierop een fijne laag fotopolymeer of diazoverbindingen. Naast deze aluminium- of kunststofplaten bestaan papieren of plastic platen, bimetaal- of trimetaalplaten, zilverzoutdiffusieplaten en zinkoxideplaten. Omdat het vervaardigen van offsetplaten anders dan van aluminium of kunststof sporadisch voorkomt bij bedrijven in de vellenoffset en daarnaast dermate divers is dat het stellen van generieke voorschriften niet mogelijk is, zijn hiervoor geen voorschriften opgenomen. Het bevoegd gezag heeft wel de mogelijkheid om op grond van de zorgplichtbepaling voor deze «bijzondere platen» maatwerkvoorschriften te stellen.

Artikel 4.94

Bij vellenoffset wordt anti-smetpoeder toegepast, dat tussen de bedrukte vellen wordt verstuift. Anti-smetpoeder bestaat vaak voor een belangrijk deel uit zetmeel of uit calciumcarbonaat en kan stofoverlast geven. Om deze reden zijn in dit artikel eisen ten aanzien van stofemissies opgenomen. De emissieconcentratie-eis voor totaal stof (S) is gebaseerd op de NeR. Voor de normering en de wijze van formulering is aansluiting gezocht bij de bepalingen ten aanzien van stofemissies bij de mechanische bewerking van hout, kunststof en metaal (paragrafen 4.3.1, 4.4.1, 4.5.1). In de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn ten aanzien van het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud aan de emissieconcentratie-eisen van dit artikel wordt voldaan (zie ook deze toelichting onder paragraaf 7.2 van de Activiteitenregeling en de artikelsgewijze toelichting van de wijzigingsregeling waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd). Bij het vaststellen van deze maatregelen is onder meer gebruik gemaakt van een inventarisatie naar het gebruik van antismetpoeder bij vellenoffsetbedrijven, waardoor een relatie gelegd kon worden tussen het verbruik aan anti-smetpoeder en de stofemissie.

Artikel 4.94a

Op een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (hierna: Oplosmiddelenbesluit) (implementatie van Europese regelgeving) van toepassing. Dit kunnen inrichtingen zijn die zowel binnen als buiten de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit artikel is van toepassing op die inrichtingen die binnen de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen en buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit. In de ministeriële regeling zijn concrete maatregelen opgenomen waarmee invulling is gegeven aan het eerste lid van artikel 4.94a.

Artikel 4.94a, derde lid

In het derde lid wordt de eis gesteld dat een oplosmiddelenboekhouding bijgehouden dient te worden. Met deze oplosmiddelenboekhouding dient de drijver van de inrichting het verbruik van vluchtige organische stoffen (hierna: VOS) per kilogram te registreren. Deze boekhouding dient drie doelen. Op grond van de boekhouding is objectief vast te stellen of het oplosmiddelengebruik al dan niet de 1.000 kilogram per jaar overschrijdt, zoals bedoeld in het tweede lid. Verder draagt een dergelijke boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op basis van deze boekhouding worden vastgesteld welke maatregelen als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-reducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.

Indien het verbruik van VOS minder dan 1.000 kilogram bedraagt, dan is de functie van deze boekhouding beperkt tot het geven van inzicht in het gebruik van oplosmiddelen op basis van inkoop- en verkoopgegevens. In dat geval kan eenvoudig aan de hand van de maximale hoeveelheid ingekochte VOS-houdende producten, zoals isopropylalcohol of andere toevoegmiddelen aan vochtwater, reinigingsmiddelen en inkten, worden aangetoond dat het verbruik van VOS minder dan 1.000 kilogram per jaar bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid VOS-houdende producten boven de 1.000 kilogram ligt, dan is een gedetailleerdere boekhouding nodig, waarmee het totale verbruik van VOS per jaar wordt aangetoond. In dat geval dient aan de hand van de ingekochte VOS-producten en het VOS-gehalte van deze producten het totaal verbruik per jaar aan VOS vastgesteld te worden. Indien blijkt dat het verbruik aan VOS meer dan 1.000 kilogram per jaar is, dan gelden voor de oplosmiddelenboekhouding aanvullende eisen die zijn opgenomen onder het vierde lid. Op basis van deze informatie kunnen kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-reducerende maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld.

Een bedrijf zal doorgaans op basis van ervaringen uit voorgaande jaren kunnen inschatten of het verbruik aan VOS onder de 1.000 kilogram per jaar blijft. Voor nieuwe bedrijven geldt dat ze op basis van de omvang van activiteiten een redelijke inschatting kunnen maken over het verbruik aan VOS.

De boekhouding dient een aaneengesloten periode van 12 maanden te omvatten.

Door de introductie van een drempelwaarde voor het VOS-verbruik bestaat voor bedrijven die minder dan 1.000 kilogram VOS per jaar verbruiken geen verplichting om een gedetailleerde boekhouding bij te houden. Met het introduceren van deze 1.000 kilogram-grens wordt een administratieve lastenverlichting gerealiseerd, omdat deze verplichting, conform het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen, naar verwachting wel in veel Wm-vergunningen is opgenomen.

Artikel 4.94a, vierde lid, onder d

In het vierde lid, onder d, is de verplichting opgenomen om in de oplosmiddelenboekhouding per kwartaal informatie op te nemen over de ingekochte reinigingsmiddelen, onderscheiden naar vluchtigheid. Dit betekent dat bedrijven de ingekochte reinigingsmiddelen naar klasse (K1, K2, K3 of VCA/HBS) en hoeveelheid dienen te registreren.

Artikel 4.94a, zesde lid

Vellenoffset als druktechniek valt niet onder de werkingssfeer van het Oplosmiddelenbesluit. Het coaten van papier, karton of kunststof valt wel onder de werkingssfeer van het Oplosmiddelenbesluit op het moment dat de daarin opgenomen drempelwaarde voor het oplosmiddelenverbruik (5 ton per jaar) wordt overschreden. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd. Dit betekent dat vellenoffset in combinatie met coating onder de werkingssfeer van het Oplosmiddelenbesluit kan vallen. De definitie van oplosmiddel in het Oplosmiddelenbesluit omvat ook VOS die worden gebruikt om de oppervlaktespanning aan te passen. Dit betekent dat niet alleen de oplosmiddelen in gebruikte inkten en reinigingsmiddelen, maar ook het gebruik van IPA en andere VOS die aan het vochtwater worden toegevoegd, bij de toepassing van het Oplosmiddelenbesluit moeten worden betrokken. In het vijfde lid is daarom bepaald dat de bepalingen van artikel 4.94a niet van toepassing zijn op het drukken en het reinigen van de gebruikte apparatuur op het moment dat het Oplosmiddelenbesluit van toepassing is.

Wanneer het aanbrengen van lijmlagen of het lamineren in samenhang met een druktechniek wordt uitgevoerd, valt deze activiteit alleen onder het Oplosmiddelenbesluit indien het drukproces daar onder valt. Voor vellenoffset is dit niet het geval, reden waarom in het zesde lid alleen het coaten van het substraat is genoemd.

Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit van toepassing is, is in het zesde lid bepaald dat indien de drempelwaarden van bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit worden overschreden dat besluit van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 4.94b

In de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit is een uitgebreide toelichting opgenomen over lozingsaspecten bij zeefdrukken en de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten (zie de toelichting bij de artikelen 4.91 en 4.92). Voor de toelichting bij dit artikel wordt derhalve naar de toelichting bij die artikelen verwezen.

Bij vormvervaardiging wordt ook gebruik gemaakt van fotografische processen. Hierop zijn de voorschriften van paragraaf 4.7.1 van het Activiteitenbesluit van toepassing.

Artikel 4.94c

Het vervaardigen van offsetplaten is een fotografisch proces, waarbij plaatontwikkelaar, spoelwater en ets- en correctiemiddelen in het afvalwater terecht kunnen komen. In het verleden werden bij dit proces chroomhoudende ets- en correctiemiddelen gebruikt. Daarnaast konden middelen voor het ontwikkelen en naharden van kopieerlagen chroom bevatten. Emissies van chroom naar water moeten met de beste bestaande technieken worden bestreden. De beste bestaande techniek voor deze processen betreft echter het gebruik van middelen zonder chroom. Om die reden is reeds in het kader van de Milieubeleidsovereenkomst Grafische Industrie en Verpakkingsdrukkerijen afgesproken dat de chroomhoudende middelen niet meer worden gebruikt.

Onderdeel GGG
Paragraaf 4.7.3a Lijmen, coaten en lamineren van papier of karton

In deze paragraaf wordt het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton geregeld. Deze activiteiten komen voor als onderdeel van een drukproces of als zelfstandige activiteit. In beide gevallen is deze paragraaf van toepassing.

Onder coaten wordt verstaan het aanbrengen van een extra beschermende of verfraaiende laag (lak of vernis) op het papier of karton. Dit gebeurt in de meeste gevallen op een drukmachine, waarop in plaats van een drukvorm een gladde plaat is aangebracht.

Het lijmen betreft het verbinden met behulp van lijm of kleefstof. Dit komt voor bij de productie van boeken, brochures en andere publicaties.

Met lamineren wordt bedoeld het aanbrengen van een of meer lagen vergelijkbaar of ander materiaal, zoals folie, op het papier of karton. Dit proces vindt via smelten of via toepassing van lijmen plaats.

In tegenstelling tot het coaten of lijmen van hout of kunststof vindt het lijmen, coaten of lamineren van papier of karton niet plaats door middel van verneveling. Om deze reden zijn er geen voorschriften gesteld met betrekking tot het voorkomen of beperken van stofhinder in het besluit.

Artikel 4.94f, eerste en vijfde lid

Bij het lijmen, coaten of lamineren van papier en karton kunnen producten worden gebruikt die VOS bevatten. De maatregelen die moeten worden getroffen ter beperking van de VOS-emissie worden voorgeschreven in de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd. In de wijzigingsregeling zijn concrete maatregelen opgenomen waarmee invulling gegeven moet worden aan artikel 4.94f. Hierbij moet gedacht worden aan maatregelen die in het kader van het Project KWS 2000 (zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de NeR) uitgevoerd hadden moeten worden, en maatregelen die zijn opgenomen in het Handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen. Het gaat om maatregelen zoals het toepassen van producten met zo weinig mogelijk VOS, het gebruiken van applicatiemethoden met een zo laag mogelijke VOS-emissie en het treffen van maatregelen op het gebied van de bedrijfsvoering.

Voor een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelenbesluit, (implementatie van Europese regelgeving) van toepassing. Dit kunnen inrichtingen zijn die zowel binnen als buiten de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit artikel is van toepassing op die inrichtingen die binnen de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen en buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit.

Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit van toepassing is, is in het vijfde lid bepaald dat indien de drempelwaarden van bijlage IIa van dat besluit worden overschreden het Oplosmiddelenbesluit van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 4.94f, tweede, derde en vierde lid

Het Oplosmiddelenbesluit stelt ook eisen aan de drijver van een inrichting ten aanzien van het boekhouden van het oplosmiddelengebruik. Voor zover het een inrichting betreft die buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit valt, worden in het tweede lid vereenvoudigde eisen gesteld wat betreft de oplosmiddelenboekhouding.

Deze boekhouding dient drie doelen. Op de eerste plaats is op grond hiervan objectief vast te stellen of het oplosmiddelengebruik al dan niet de 1000 kilogram per jaar overschrijdt zoals aangegeven in het tweede lid. Verder draagt een dergelijke boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op basis van de resultaten van deze boekhouding worden vastgesteld welke maatregelen als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-emissiereducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.

De eisen zullen in de kern niet meer omvatten dan het op transparante wijze inzicht geven in het gebruik van oplosmiddelen op basis van een in- en verkoopbalans.

Aannemelijk dient te worden gemaakt dat de maximale hoeveelheid ingekochte VOS-houdende producten voor het lijmen, coaten en lamineren van karton en papier per jaar minder dan 1.000 kilogram bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid producten boven de 1.000 kilogram ligt, maar het VOS-gebruik daar onder ligt vanwege het VOS-gehalte of ander gebruik van de producten dan waarop artikel 4.94f ziet, dan zal een meer gedetailleerde boekhouding nodig zijn. Hierin zal dan een optelling moeten plaatsvinden van de hoeveelheid ingekochte producten met VOS, vermenigvuldigd met de afzonderlijke VOS gehalten. Eventuele voorraadverschillen moeten, mits deze relevant kunnen zijn, meegenomen worden. Verder moet de boekhouding een aaneengesloten periode van 12 maanden omvatten.

Onderdeel HHH

Het Oplosmiddelenbesluit implementatie EG-VOS-richtlijn milieubeheer is net als voorheen alleen van toepassing op vergunningplichtige textielreinigingsbedrijven (IPPC-inrichtingen of > 15 kubieke meter PER opslag). Voor de niet vergunningplichtige bedrijven (vrijwel allemaal nu) is de EG-VOS richtlijn 6 geïmplementeerd via het voormalige Besluit textielreinigingsbedrijven. Dat besluit is echter opgegaan in het Activiteitenbesluit. Bij die overheveling is verzuimd ook de voorschriften met betrekking tot het voeren van een oplosmiddelenboekhouding over te hevelen. Die voorschriften zijn noodzakelijk om vast te kunnen stellen dat de betreffende inrichting, gelet op het gebruik en verbruik van VOS-houdende reinigingsmiddelen, onder algemene regels dan wel onder de vergunningplicht valt. Dit wijzigingsbesluit voorziet dan ook in het herstellen van dat verzuim.

Omdat de huidige textielreinigingsbedrijven, wat omvang betreft, onder de algemene regels zullen vallen, is volstaan met een vereenvoudigde boekhouding, zoals die ook al gold onder het Besluit textielreinigingsbedrijven. Bedrijven die onder de vergunningplicht vallen zullen een oplosmiddelenboekhouding moeten voeren die voldoet aan de daarvoor in de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies gegeven voorschriften.

Onderdeel III

Het achttiende en negentiende lid waren abusievelijk opgenomen bij de methode voor het meten van PER in de buitenlucht met behulp van absorptiemateriaal. Dit is met deze wijziging hersteld.

Onderdeel JJJ

De wijziging van het achttiende lid voorziet in een aanvulling teneinde de in dat lid voorgeschreven berekeningsmethode correct te kunnen uitvoeren. Het vervallen van het twintigste lid houdt verband met het feit dat dat lid geen betrekking heeft op de methode voor het meten van PER in de buitenlucht door middel van continue meting, maar alleen geldt bij de methode voor het meten van PER in de buitenlucht door middel van absorptiemateriaal.

Onderdeel KKK

De tweede volzin van het eerste lid van artikel 4.101 is geschrapt omdat in het eerste lid van artikel 4.95 eveneens is geregeld dat het reinigen van textiel, voor zover daar chemische stoffen bij worden gebruikt, uitsluitend plaatsvindt met behulp van PER of niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen. Omdat dit in artikel 4.95 is geregeld, was de tweede volzin van het eerste lid van artikel 4.101 overbodig. Het nieuwe tweede lid voorziet in de mogelijkheid om de maximaal toegestane toelaatbare hoeveelheid aan een andere stof dan die genoemd in het eerste lid, die in gereinigde kleding en in de vrijkomende drooglucht aanwezig mag zijn, te kunnen vaststellen.

Onderdeel LLL

Door dit onderdeel zijn drie paragrafen aan het Activiteitenbesluit toegevoegd die betrekking hebben op activiteiten met textiel. Onder «textiel» wordt verstaan:

  • a. de traditionele textielmaterialen in vezelvorm van plantaardige oorsprong, zoals vlas en katoen;

  • b. materialen van dierlijke oorsprong, zoals wol en zijde;

  • c. halfsynthetische (zoals viscose) en synthetische textielsoorten (zoals nylon en acryl).

Paragraaf 4.7.4a Mechanische verwerking van textiel

In deze paragraaf zijn voorschriften voor de mechanische verwerking van textiel opgenomen. De paragraaf is van toepassing op activiteiten binnen textielverwerkingsbedrijven zoals spinnerijen, weverijen, breierijen, zeilmakerijen, tentenmakerijen en zonweringbedrijven en dergelijke. Op grond van bijlage I, categorie aa, blijven bedrijven waar textielveredeling plaatsvindt vergunningplichtig. Het wassen en reinigen van textiel wordt geregeld in paragraaf 4.7.4, het bedrukken van textiel in paragraaf 4.7.2, het lassen van textiel in paragraaf 4.7.4b en het lijmen en coaten van textiel in paragraaf 4.7.4c.

Artikel 4.103a

Bij bepaalde mechanische verwerkingen van textiel komt veel stof vrij. Het gaat om met name spin-, weef en brei-activiteiten in grootschalige geautomatiseerde (industriële) installaties. Daarom zijn specifiek voor deze activiteiten emissieconcentratie-eisen opgenomen. Niet is uitgesloten dat bij andere mechanische bewerkingen van textiel zodanig veel stof kan vrijkomen dat daarvoor ook voorschriften nodig zijn. Voor dergelijke omstandigheden kan het bevoegd gezag gebruik maken van de mogelijkheid tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht (artikel 2.1).

De emissieconcentratie-eis voor totaal stof (S) is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR. Voor de normering en de wijze van formulering is aansluiting gezocht bij de bepalingen bij de mechanische bewerking van hout, kunststof en metaal. In de wijzigingsregeling waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn ten aanzien van het geautomatiseerd weven, spinnen en breien tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud aan de emissieconcentratie-eisen van dit artikel wordt voldaan (zie ook deze toelichting onder paragraaf 2.4 van het Activiteitenbesluit en de artikelsgewijze toelichting van de wijzigingsregeling).

Paragraaf 4.7.4b Lassen van textiel

In deze paragraaf wordt het lassen van textiel geregeld. Het lassen van textiel gebeurt onder meer bij het vervaardigen van zeilen en tenten.

Het hete lucht lassen van zeil geeft een rookontwikkeling. Uit indicatieve onderzoeken naar de aanwezigheid van chloor (HCL) en weekmakers (de belangrijkste stoffen die in de rook zullen voorkomen) is gebleken dat zoutzuur en gebruikte weekmakers in de emissie zijn terug te vinden, maar dat de emissie in omvang niet significant is bij zeilmakerijen.

Zodra volcontinu gelast wordt met hete lucht zou na circa 500 uur lassen de vrijstellingsbepaling van Minimalisatieverplichte stoffen (MVP1) bereikt kunnen worden (0,15 gram/uur of 0,075 kg/jaar) als gebruikte weekmakers als zodanig in de NeR ingedeeld zouden zijn. Op dit moment zijn er echter nog geen weekmakers als zodanig ingedeeld (de strengste indeling is nu gO1 en gO2 waarbij het overschrijden van de vrijstellingsdrempel van 50 tot 250 kg/jaar niet aannemelijk is). Het is niet ondenkbaar dat bepaalde weekmakers over enkele jaren (door REACH) wel een dergelijke indeling noodzakelijk maken (als ze binnen REACH een autorisatieplicht krijgen, of opgenomen worden op een kandidaatlijst daarvoor). Mochten dergelijke weekmakers echter in het kader van REACH onder een autorisatieplicht worden gebracht, dan zal de kunststofmakende industrie de weekmakers niet zonder restricties meer kunnen toepassen in zeil. Daarmee zal dan ook het probleem bij de eindgebruiker opgelost moeten zijn.

Omdat er op dit moment geen reden is om aan te nemen dat de emissie conform de NeR bij dergelijke bedrijven relevant kan zijn, zijn geen emissieconcentratie-eisen opgenomen voor het lassen van zeil. Ten aanzien van emissiebeperking zijn geen maatregelen denkbaar bij eindgebruikers om emissies van weekmakers tegen te gaan.

Wel zijn in de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, voorschriften opgenomen die ook voor het proefdraaien van motorvoertuigen (artikel 4.84) gelden, t.a.v. het voorkomen van overlast (artikel 4.103c).

Paragraaf 4.7.4c Lijmen en coaten van textiel

Deze paragraaf regelt het lijmen en coaten van textiel. Bij het coaten en lijmen moet voorkomen worden dat verf- en lijmdeeltjes en dergelijke die geëmitteerd worden tot overlast kunnen leiden. Daarom schrijft artikel 4.103d voor dat de emissie van vrijkomende deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan een emissieconcentratie-eis.

In de wijzigingsregeling waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn ten aanzien van de lijm- en verfspuitactiviteiten tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratie-eisen wordt voldaan (zie ook de toelichting onder paragraaf 2.4 van de Activiteitenregeling en de artikelsgewijze toelichting bij wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd).

Artikel 4.103e, eerste lid

Het eerste lid voorziet in een basis voor concrete maatregelen waarmee invulling gegeven moet worden aan artikel 4.103e. Hierbij moet gedacht worden aan maatregelen die in het kader van het Project KWS 2000 (zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de NeR) uitgevoerd hadden moeten worden, en maatregelen die zijn opgenomen in Handboeken milieumaatregelen van de betreffende bedrijfstakken. Het gaat om maatregelen zoals het toepassen van producten met zo weinig mogelijk VOS, het gebruiken van applicatiemethoden met een zo laag mogelijke VOS emissie en het treffen van maatregelen op het gebied van de bedrijfsvoering.

Artikel 4.103e, vijfde lid

Voor een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelenbesluit, (implementatie van Europese regelgeving) op grond van het vijfde lid van toepassing. Dit kunnen inrichtingen zijn die zowel binnen als buiten de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit artikel is van toepassing op die inrichtingen die binnen de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen maar buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit. Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit van toepassing is, is in het vijfde lid bepaald dat indien de drempelwaarden van bijlage IIa van dat besluit worden overschreden het Oplosmiddelenbesluit van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 4.103e, derde lid

Het Oplosmiddelenbesluit stelt ook eisen aan de drijver van een inrichting ten aanzien van het boekhouden van het oplosmiddelengebruik. Voor zover het een inrichting betreft die buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit valt, worden in het tweede lid vereenvoudigde eisen gesteld wat betreft de oplosmiddelenboekhouding. Deze boekhouding dient drie doelen. Op grond hiervan is objectief vast stellen of het oplosmiddelenverbruik al dan niet de 1000 kilogram per jaar overschrijdt zoals bedoeld in het derde lid. Verder draagt een dergelijke boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op grond van de resultaten van deze boekhouding worden vastgesteld welke maatregelen als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare VOS-emissiereducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.

De eisen zullen in de kern niet meer omvatten dan op transparante wijze inzicht geven in het gebruik van oplosmiddelen op basis van een in- en verkoopbalans. Aannemelijk dient gemaakt te worden dat de maximale hoeveelheid ingekochte VOS-houdende producten per jaar minder dan 1000 kilogram bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid producten boven de 1000 kilogram ligt, maar het VOS-gebruik daar onder ligt vanwege het VOS-gehalte of ander gebruik van de producten dan waarop artikel 4.103e ziet, dan zal een meer gedetailleerde boekhouding nodig zijn. Hierin zal dan een optelling moeten plaatsvinden van de hoeveelheid ingekochte producten met VOS, vermenigvuldigd met de afzonderlijke VOS gehalten. Eventuele voorraadverschillen moeten, mits deze relevant kunnen zijn, meegenomen worden. Indien verbruiken in mindering worden gebracht van producten die buiten de grens van de inrichting gebruikt zijn, of gebruikt zijn voor gebouwen en dergelijke binnen de inrichting, dan moet dit onderbouwd worden. Verder moet de boekhouding een aaneengesloten periode van 12 maanden omvatten.

Door de introductie van een drempelwaarde voor het VOS-verbruik zullen de meeste textielverwerkingsbedrijven, tentenmakerijen en zeilmakerijen geen aanvullende maatregelen hoeven te treffen.

Onderdeel NNN
Artikelen 4.104a

Op grond van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, is het verplicht vrachtwagens en andere transportmiddelen waarin vlees onverpakt wordt vervoerd schoon te maken en te desinfecteren voordat deze opnieuw gebruikt worden. Het gaat dan in principe om karkassen, karkasdelen en technische delen. Die reiniging kan plaatsvinden bij het slachthuis, maar ook bij de uitsnijderij. Het afvalwater van het schoonmaken van deze vrachtwagens bevat vet, vocht en vleesresten, en moet dan ook door een vetafscheider worden geleid. Nieuwe afscheiders moeten voldoen aan de nieuwe norm voor vetafscheiders (NEN-EN 1825-1 en 2). Afscheiders die al waren geplaatst en die voldoen aan de oude norm (NEN 7087) mogen blijven staan. Dit is geregeld in het overgangsrecht (artikel 6.34c).

Het bevoegd gezag kan op grond van het derde lid een inrichting toestemming geven te lozen zonder afscheider. Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als er maar heel weinig vrachtwagens gereinigd worden. Wel zal in die gevallen minimaal een zeef of andere manier van verwijdering van grove bestanddelen nodig zijn.

Onderdeel OOO

Het samenvoegen van vethoudend afvalwater met andere afvalwaterstromen voor de vetafscheider is niet doelmatig. Doordat het uitsnijden van vlees (de uitsnijderijen) met dit wijzigingsbesluit onder het Activiteitenbesluit is gebracht, doordat categorie s van bijlage 1 met dit wijzigingsbesluit is aangepast, is het mogelijk dat er binnen een inrichting verschillende activiteiten voorkomen waarbij voor lozing een vetafscheider verplicht is (paragraaf 4.8.1, 4.8.3 en 4.8.4). Deze afvalwaterstromen mogen wel onderling worden samengevoegd voor behandeling in één afscheider. Hierin voorziet de wijziging van artikel 4.109, vierde lid.

Onderdeel QQQ

Artikel 4.111 is van toepassing op:

  • het kleinschalig slachten,

  • het bewerken van karkassen,

  • het uitsnijden van vlees uit karkassen of karkasdelen, en

  • het uitsnijden van vis.

Bij slagers, vishandelaren en poeliers kunnen alle procesonderdelen op ambachtelijke schaal voorkomen, dus slachten, karkassen bewerken en uitsnijden. Bij grotere bedrijven vindt het slachten en het uitsnijden vaak gescheiden plaats.

Wat betreft het slachten is dit besluit alleen van toepassing op ambachtelijk slachten. Via categorie s van bijlage 1 is het maximum gesteld op 20 grootvee-eenheden in de week. Voor het uitsnijden is er geen bovengrens in bijlage 1; wel zijn er uitsnijderijen die onder de IPPC-richtlijn vallen; dit is het geval bij een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag.

Een andere belangrijke grens is het garen of verwerken van vlees. Voor grootschalige bereiding blijft de vergunningplicht gelden. De grens hiervoor is het gebruik van een of meer apparaten met een individueel vermogen groter dan 130 kW. Grootkeukenapparatuur zit over het algemeen ruim onder deze grens. Het bereiden van vlees met dergelijke apparatuur valt onder paragraaf 4.8.3.

Hygiëne en milieu

Voor het slachten, bewerken en uitsnijden gelden de strenge hygiëneregels van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen, die de milieubelasting ook verminderen. Zo schrijft de hygiënecode, bedoeld in dat warenwetbesluit voor dat de vloer waterdicht en reinigbaar moet zijn, en worden door de Europese verordening inzake dierlijke bijproducten (nr. 1774/2002) eisen gesteld aan de opslag en afvoer van destructiemateriaal. De belangrijkste eisen voor het destructiemateriaal zijn:

  • Het materiaal moet worden opgeslagen en getransporteerd in afgesloten, lekvrije bakken.

  • Categorie 1 en 2 materiaal moet worden bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C.

  • Categorie 3 materiaal moet worden bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C, tenzij het materiaal binnen 12 uur na het ontstaan wordt opgehaald om te worden verwerkt of verwijderd.

  • Bij uitsnijderijen waar de wervelkolom van runderen die ouder zijn dan twee jaar wordt uitgesneden moet het afvalwater voor behandeling in de vetafscheider worden gezeefd, zodat vaste deeltjes van 6 mm of meer in het afvalwater worden tegenhouden. Het zeefmateriaal wordt behandeld als categorie 1 of 2 materiaal.

De meeste uitsnijresten zijn categorie 3-materiaal. Belangrijke soorten zijn bijvoorbeeld botten en vleesresten. Voorbeelden van categorie 1 en 2-materiaal dat bij ambachtelijk slachten en uitsnijden vrij kan komen zijn mest, ongeboren mest, ruggenmerg van volwassen runderen en het hierboven genoemde zeefmateriaal.

Verder is een belangrijke hygiëne-eis dat ruimtes waar geslacht of uitgesneden wordt dagelijks worden gereinigd en ontsmet. Ook moet er een speciale spoelbak zijn waar het uitsnijgereedschap gereinigd wordt met water van tenminste 80°C.

Aanvullende eisen die vanuit de hygiëneregels aan het slachten gesteld worden zijn bijvoorbeeld:

  • het zoveel mogelijk schoon opvangen van bloed.

  • het opslaan van bloed bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C.

  • het zoveel mogelijk voorkomen dat bloed in het schoonmaakwater terechtkomt.

Voor het slachten en het uitsnijden zijn op grond van dit wijzigingsbesluit nauwelijks voorschriften gesteld ter voorkoming van geurhinder. De reden hiervoor is dat bij een ambachtelijke slachterij of een uitsnijderij die volgens de hygiëneregels werkt geen geurhinder zou mogen ontstaan. Als er toch (gegronde) geurklachten over een dergelijk bedrijf ontstaan, dan is het aannemelijk dat het bedrijf de hygiëneregels overtreedt, bijvoorbeeld omdat vlees- of visresten te lang ongekoeld aanwezig zijn. De gemeente kan in acute situaties optreden op grond van de zorgplicht. Voor een meer structurele aanpak kan de gemeente contact opnemen met het bevoegd gezag voor de hygiëneregelgeving, de Voedsel- en Warenautoriteit, om afspraken te maken over een gezamenlijke controle of aanpak.

Afvalwater van ambachtelijk slachten en uitsnijden

Afvalwater ontstaat bij de reiniging van de werkruimtes en het gereedschap dat wordt gebruikt voor het ambachtelijk slachten en uitsnijden. Die reiniging is verplicht op grond van de hygiëneregelgeving (zie hierboven). Het afvalwater van de reiniging bevat vet en vlees- of visresten. Voor lozing op het vuilwaterriool moet het afvalwater door een vetafscheider worden geleid. Bij de plaatsing van de afscheider is speciale aandacht voor de gekozen grootte op zijn plaats. Bij vleesverwerking is eigenlijk een grotere afscheider nodig dan bij hetzelfde debiet van andere processen, en ook waar de «oude» vetafscheider-NEN 7087 op uit kwam. Voor dit soort afvalwater bevat NEN-EN 1825-2 speciale methodes om te bepalen hoe groot de afscheider moet zijn. Om bij latere wijzigingen in de bedrijfsvoering te kunnen beoordelen of de afscheider nog steeds voldoet, is het nodig dat de leverancier van de afscheider de gemaakte berekening of beoordeling op schrift stelt, en dat deze binnen de inrichting bewaard wordt (vierde lid).

Vanwege de grote hoeveelheid vaste bestanddelen in het afvalwater is het voor de goede werking van de afscheider noodzakelijk dat het water eerst gezeefd wordt. In bepaalde gevallen is deze zeef verplicht op grond van de hygiëneregelgeving. De zeef is niet in de voorschriften opgenomen, omdat bij dit proces zonder de zeef de afscheider al snel verstopt zal raken. In de praktijk zullen alle bedrijven in de een of andere vorm eerst een zeef hebben.

Er zijn technieken beschikbaar waarmee het afvalwater nog verder gereinigd wordt. In principe is het ook mogelijk het geëmulgeerde vet beter af te scheiden in een flocculatie-afscheider. In wezen houdt flocculatie in dat in een bak een kleine hoeveelheid perslucht door het afvalwater geleid wordt, waardoor lichte deeltjes (m.n. vet) boven komen drijven. De drijflaag wordt vervolgens verwijderd. Door toevoeging van flocculanten zoals ijzerchloride ontstaat een grotere drijflaag.

Flocculatie is niet in de voorschriften van deze paragraaf verwerkt, omdat van deze techniek verschillende uitvoeringen voorkomen, en er geen norm of standaard is, zoals voor vetafscheiders. De meest voorkomende vormen van flocculatie zijn overigens (meer dan) gelijkwaardig aan een vetafscheider. Via het overgangsrecht (artikel 6.37) is geregeld dat bestaande bedrijven die flocculatie toepassen geen vetafscheider hoeven te plaatsen. Voor nieuwe situaties kan het bevoegd gezag afhankelijk van de precieze uitvoering bepalen of flocculatie op grond van artikel 1.8 als gelijkwaardige voorziening toegestaan kan worden.

Het is ook mogelijk een verdergaande zuivering te bereiken door de organische bestanddelen in het afvalwater af te breken in een biologische waterzuivering. Onder biologische zuivering vallen technieken voor de behandeling van afvalwater met micro-organismen, bedoeld om de organische bestanddelen in het afvalwater af te breken. Deze technieken worden bij ambachtelijk slachten en uitsnijden nauwelijks toegepast. Als ze worden toegepast is dit om te besparen op de heffing op de lozing. Als die heffing (mede) gebaseerd is op het Biochemisch Zuurstof Verbruik (BZV) van het afvalwater, kan een dergelijke extra zuivering rendabel zijn.

Voorafgaand aan lozing op het vuilwaterriool is een extra verwijdering van organische bestanddelen niet wenselijk. Wat overblijft na biologische zuivering is in principe schoon water met een beetje zout. Uitgangspunt voor lozingen op het vuilwaterriool is dat het riool bedoeld is voor afvalwater dat op huishoudelijk afvalwater lijkt, en niet voor «dun» water. Dat het verder verwijderen van organische bestanddelen dan nodig is om verstopping te voorkomen, is niet wenselijk. Als invulling van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer wordt in nieuwe gevallen biologische zuivering voorafgaand aan lozing op het vuilwaterriool niet toegestaan.

Bedrijven kunnen – in lijn met het amendement Van Heugten c.s. (Kamerstukken II 2006/07, 30 578, nr. 8) op artikel 10.29a – nog steeds biologische zuivering toepassen, mits dit doelmatig en kosteneffectief is. Als biologische zuivering wordt toegepast zou dit zo moeten worden uitgevoerd dat het afvalwater dat overblijft geschikt is voor lozing op een oppervlaktewaterlichaam. Daarvoor zal echter individueel ontheffing aangevraagd moeten worden op grond van artikel 2.2.

Het komt voor dat een bedrijf in overleg met het waterschap biologische zuivering toepast voor lozing op het vuilwaterriool, bijvoorbeeld vanwege onvoldoende capaciteit bij de zuivering. In die gevallen kan bij maatwerkvoorschrift het verbod op biologische zuivering buiten toepassing worden verklaard. Bij de vraag of deze «ontheffing» kan worden verleend, zal vooral het belang van de doelmatige werking van een voorziening voor het beheer van afvalwater (de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi)) moeten worden meegewogen. Op grond van het overgangsrecht hebben bedrijven die een vergunning hadden voor biologische zuivering deze ontheffing ook.

Toegepaste reinigings- en ontsmettingsmiddelen

De middelen die worden toegepast zijn meestal gecombineerde reinigings- en ontsmettingsmiddelen. De toegepaste middelen moeten zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Bij de toelating beoordeelt de Commissie toelating gewasbestrijdingsmiddelen en biociden (CTGB) het milieueffect van de middelen bij normaal gebruik. Normaal gebruik wil voor de sector zeggen dat het middel volgens de gebruikvoorschriften wordt gedoseerd en toegepast, en na gebruik wordt geloosd op het vuilwaterriool.

Voor de toegepaste middelen betekent het dat ervan mag worden uitgegaan dat het milieueffect bij lozing op het vuilwaterriool voldoende beoordeeld is, zodat er op grond van het Activiteitenbesluit geen aanvullende informatie gevraagd hoeft te worden en geen aanvullende eisen gesteld hoeven te worden op voorwaarde dat:

  • De middelen zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, en

  • De middelen worden toegepast conform het gebruiksvoorschrift.

De toelating en het gebruiksvoorschrift zijn in te zien op www.ctgb.nl.

Als bij handhaving problemen geconstateerd worden door onzorgvuldig gebruik van de middelen, wordt geadviseerd eerst te kijken naar het officiële gebruiksvoorschrift; bij problemen kan naleving van het gebruiksvoorschrift via de zorgplicht gevraagd worden.

Als een bedrijf overweegt een maatwerkvoorschrift aan te vragen voor lozing van deze middelen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam, zal over het algemeen een aanvullende stoffenbeoordeling nodig zijn. Overigens ligt het niet voor de hand om deze stoffen op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam te lozen.

Tenslotte is nog een aandachtspunt dat er in het verleden middelen zijn toegelaten die EDTA (ethyleen diamine tetra azijnzuur) bevatten. EDTA is een stof die problemen geeft in een oppervlaktewaterlichaam, ook bij lozing op het vuilwaterriool. De nieuwste generatie toegelaten reinigingsmiddelen bevat geen EDTA meer. Gezien de schadelijkheid van de stof, en het feit dat er voldoende EDTA-vrije middelen verkrijgbaar zijn, is het wenselijk dat het gebruik van EDTA wordt beëindigd. Aan de bedrijven wordt geadviseerd de middelen die worden toegepast te screenen, en eventuele EDTA-houdende middelen niet meer aan te schaffen. Beëindiging van het gebruik van EDTA valt onder de algemene zorgplicht (artikel 2.1).

Onderdeel RRR

Het uitsnijden wordt vaak gecombineerd met het bereiden van voedingsmiddelen. Als voor de bereiding apparatuur ingezet wordt met een individueel vermogen van meer dan 130 kW blijft de vergunningplicht gelden. Dat betekent over het algemeen dat chargegewijze bereiding met grootkeukenapparatuur niet leidt tot vergunningplicht. Voor grootschalige bereiding of (voor)garen van vlees worden doorgaans speciaal aangelegde installaties gebruikt met een groter vermogen dan 130 kW.

Soms wordt verhitting nog wel toegepast op bijproducten, zoals hoeven. Die kunnen als laatste bewerking voor ze worden afgevoerd nog worden gekookt of gebroeid (in heet water). Voor die verhitting zijn in de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is aangepast, geurvoorschriften opgenomen.

Een andere (na)bewerking is het pekelen. Dit wordt bijvoorbeeld toegepast voor de conservering van darmen en huiden. Pekelen komt ook voor bij bedrijven die geen vlees verwerken (bijvoorbeeld bij de huidenhandel). Pekelen is een bodembedreigende activiteit, waarbij afvalwater vrij kan komen met een hoog zoutgehalte. Lozing van dit afvalwater op het vuilwaterriool kan de riolering aantasten. Het zout wordt niet afgevangen door de rwzi en zal in een oppervlaktewaterlichaam terecht komen. Daarom worden ter bescherming van de riolering en ter voorkoming van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam voorschriften in de wijzigingsregeling voorschriften opgenomen om de hoeveelheid zout die op het vuilwaterriool geloosd wordt zoveel mogelijk te beperken.

Voor de meeste vormen van verwerking van dierlijke bijproducten blijft overigens vergunningplicht gelden.

Onderdeel SSS
Paragraaf 4.8.5a Recreatieve visvijvers
Artikel 4.113a

Er zijn in Nederland circa 40 recreatieve visvijvers. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden hier geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd, de recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij . Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Van daar worden ze afhankelijk van de vraag uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daartoe wordt een aantal kubieke meter grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam dan wel elders geloosd. Het betreft schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan. Het lozen op het vuilwaterriool is niet toegestaan.

In dit verband is de vraag relevant of de visvijver moet worden beschouwd als een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet. Wanneer er sprake is van een open verbinding van de vijver met een ontvangend oppervlaktewaterlichaam, waarbij het overtollige water vanuit de vijvers onder vrij verval naar een oppervlaktewaterlichaam afloopt, moet de vijver in ieder geval als een oppervlaktewaterlichaam worden beschouwd en is er geen sprake van een lozing in de zin van de Wtw. In veel gevallen zal het vijverwater echter worden verpompt naar een oppervlaktewaterlichaam en is er dus geen sprake van een open verbinding met een ander oppervlaktewaterlichaam. In dat geval kan de visvijver in bepaalde gevallen op zichzelf als een oppervlaktewaterlichaam worden beschouwd. Dat is echter alleen het geval als de vijver een vrij grote omvang heeft en er in de vijver een ecosysteem heerst dat te vergelijken is met een normaal ecosysteem. Deze criteria zijn in de jurisprudentie ontwikkeld, waardoor er in algemene zin geen duidelijke grens is aan te geven waarbij een vijver een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Wtw is. De indruk is dat visvijvers slechts zelden zelfstandig als een oppervlaktewaterlichaam worden beschouwd.

Mocht een visvijver wel een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Wtw zijn, dan is het toevoegen van grondwater aan de vijver een lozing die geregeld is in artikel 3.1. Het afstromen of verpompen van overtollig water vanuit de vijver naar een ander oppervlaktewaterlichaam is in dat geval geen lozing die door de Wtw wordt gereguleerd.

Onderdeel TTT

Het begrip «acculader» is breed en heeft betrekking op allerlei opladers. Het bodemvoorschrift in de Activiteitenregeling dient echter enkel van toepassing te zijn op het opladen van «natte» accu's. Dat wordt met dit onderdeel duidelijk gemaakt.

Onderdeel UUU
Paragraaf 4.8.9 In werking hebben van een crematorium en in gebruik hebben van een strooiveld

In paragraaf 4.8.9 zijn specifieke voorschriften opgenomen voor humane crematoria. De voorschriften richten zich op het in werking hebben van een crematieoven en het in gebruik hebben van een strooiveld. In bijlage I, categorie g, van het Activiteitenbesluit is overigens geregeld dat voor dierencrematoria de vergunningplicht blijft bestaan.

Voor wat betreft de aspecten afvalwater, afvalstoffen, opslag van gevaarlijke stoffen, bereiden van voedingsmiddelen, energiebesparing, geluid en dergelijke zijn geen bijzondere bepalingen nodig voor crematoria en strooiveldjes. Hiervoor zijn de bestaande bepalingen uit het Activiteitenbesluit en de activiteitenregeling voldoende adequaat. Voor zaken als parkeren en dergelijke is er verder nog gemeentelijk parkeer- en RO-beleid, de Wegen- en verkeerswetgeving en de Algemene plaatselijke verordening om eventuele knelpunten te voorkomen, te beperken of op te heffen. Ten aanzien van het voorkomen van lucht- en bodemverontreiniging zijn wel specifieke voorschriften opgenomen.

Het wettelijk kader voor crematoria en crematieprocessen bestaat naast de Wet milieubeheer onder andere uit:

  • de Wet op de lijkbezorging;

  • het Besluit op de lijkbezorging 2002;

  • het Lijkomhulselbesluit 1998;

  • OSPAR Recommendation 2003/4 on Controlling the Dispersal of Mercury from Crematoria, rapport «Mercury emissions from crematoria and their control in the OSPAR Convention Area», OSPAR Commission, 2003;

  • de Europese afvalstoffenlijst EURAL, beschikking nr. 2000/532/EEG van 6 september 2000 (PbEG L 226), zoals deze laatstelijk is gewijzigd met beschikking nr. 2001/573/EEG van 28 juli 2001 (PbEG L 203);

  • Besluit inzamelen afvalstoffen.

Een praktische uitwerking van deze wetten en regelgeving is gegeven in de inspectierichtlijn ’Lijkbezorging‘ (herziene 3e druk, 1999). De bijzondere regeling F3 Crematoria van de Nederlandse emissierichtlijn (NeR) is daarnaast te beschouwen als een nadere uitwerking van de inspectierichtlijn voor het aspect luchtverontreiniging. De eisen uit deze bijzondere regeling zijn gebaseerd op de resultaten van een aantal studies:

  • «Massabalans en emissies van in Nederland toegepaste crematieprocessen», TNO, februari 1996

  • «Oriëntatie op de mogelijkheden van NOx-emissievermindering bij crematieprocessen», TNO, oktober 1996

  • «Onderzoek naar kwikemissies van crematoria en beschikbare reinigingstechnieken», Tauw, mei 1997

De inspectierichtlijn en de bijzondere regeling zijn voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit ten aanzien van crematoria voor wat betreft het voorkomen van bodem- en luchtverontreiniging, de belangrijkste basis geweest voor het opstellen van vergunningvoorschriften in het kader van de Wet milieubeheer.

Daarom zijn de voorschriften in dit wijzigingsbesluit en de wijzigingsregeling ten aanzien van de aspecten bodem en lucht hierop afgestemd.

Artikel 4.117

Dit artikel voorkomt dat er onnodige emissies naar de lucht plaatsvinden ten gevolge van materialen die aan kisten verbonden kunnen zijn.

Artikel 4.118

Voor het voorkomen en beperken van eventuele overige emissies wordt in dit wijzigingsbesluit, overeenkomstig de bijzondere regeling F3 van de NeR, voorgeschreven dat de rookgassen zo volledig mogelijk moeten worden verbrand en dat het ontstaan van stikstofoxiden zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Om dit doel te bereiken, is in de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, een aantal technische maatregelen opgenomen die in dit kader getroffen moeten worden.

Omdat in de praktijk stof- en geuroverlast vrijwel niet voorkomen bij crematieovens die op grond van de wijzigingsregeling moeten zijn voorzien van een naverbrandingsruimte en kwikfilter, zijn ten aanzien van deze aspecten geen nadere voorschriften opgenomen. Bij onverhoopte overlast kan het bevoegd gezag op basis van de zorgplicht (artikel 2.1) specifieke maatwerkvoorschriften opleggen.

Artikel 4.119

Voor de meeste stoffen geldt dat bij een goed functionerende crematieoven de optredende emissies over het algemeen onder de emissieconcentratie-eisen van de NeR blijven. De enige uitzondering hierop is kwik. De kwikemissie ligt, vanwege het kwik in amalgaamvullingen, boven de algemene eisen in de NeR. Voor kwik is daarom in artikel 4.119 een emissieconcentratie-eis opgenomen.

De emissieconcentratie-eis voor totaal kwik is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR.

In de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn ten aanzien van crematoria tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud aan de emissieconcentratie-eisen in dit artikel wordt voldaan (zie ook hoofdstuk 7 van het algemene deel van de toelichting bij de Activiteitenregeling en de artikelsgewijze toelichting bij de wijzigingsregeling).

De huidige bijzondere regeling van de NeR heeft als emissiegrenswaarde voor kwik: 0,2 mg/m3. Voor bestaande installaties is in de bijzondere regeling van de NeR een tijdpad afgesproken waarbinnen de bestaande crematoria moeten zijn voorzien van een naverbrandingsruimte en een kwikfilter. De planning loopt van 31 december 2006 tot 31 december 2012. Uit emissiegegevens blijkt dat de emissieconcentratie-eis van 0,05 mg/m3 met de bestaande filterinstallaties gehaald kan worden.

Omdat er verder geen reden is om aan te nemen dat met de filters, die sinds 2006 conform de bijzondere regeling zijn geplaatst, niet voldaan zou kunnen worden aan de eis van 0,05 mg/m3, is geen specifiek overgangsrecht nodig.

Met het algemene overgangsrecht (onderdeel VVV) in dit wijzigingsbesluit wordt verder nog geregeld dat bepaalde vergunningvoorschriften (waarvoor in dit wijzigingsbesluit de mogelijkheid is opgenomen om maatwerkvoorschriften op te nemen, waaronder voorschriften waarin emissieconcentratie-eisen voor kwik worden gesteld), nog maximaal 3 jaar als maatwerkvoorschrift blijven gelden. Nu crematoria niet eerder dan per 1 januari 2010 onder het besluit vallen zou de eis van 0,05 mg/m3 pas per 1 januari 2013 ingaan voor de bestaande crematieovens, waarvoor een andere emissie-eis dan 0,05 mg/m3 is opgenomen in de vergunning. Dit betekent dat crematieovens die volgens de NeR pas per 31 december 2012 aan de bijzondere regeling van de NeR behoefden te voldoen (ervan uitgaande dat deze eisen zijn vastgelegd in de milieuvergunning), niet eerder dan die datum de verplichting hebben hun ovens aan te passen.

Hiermee wordt ook rekening gehouden met de implementatietermijnen in de bijzondere regeling van de NeR.

Artikel 4.120

Bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld kan, bij hoge intensiteit van verstrooiing, de onderliggende bodem vanwege uitloging van het as mogelijk belast worden met zware metalen en fosfaten. Onder crematie-as wordt verstaan de as die achterblijft in de oven na een crematie. Deze as bestaat voor het grootste deel uit calcium- en fosforhoudende verbindingen en bevat verder ook zware metalen zoals koper, chroom, nikkel en zink (RIVM, Advies verstrooiing van as, 24 november 1998, kenmerk: 812/98 IEM MM/cp)

Bij toepassing van strooivelden is, in lijn met de huidige praktijk bij vergunningverlening, de NRB (en het principe van «het realiseren van een verwaarloosbaar risico») niet toegepast. Om belasting van de bodem zoveel mogelijk te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is te beperken, is aansluiting gezocht bij de werkwijze van het Bbk. Dat is in lijn met de Inspectierichtlijn «Lijkbezorging» (herziene 3e druk, 1999) inhoudende dat de bodem in zekere mate mag worden belast voor zover bekend is met welke stoffen en in welke mate de bodem wordt belast. Hierbij is, afhankelijk van de intensiteit van het strooien, meer of minder onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk. Indien uit onderzoek blijkt dat de belasting van de bodem is toegenomen ten opzichte van de nulwaarde (dan wel de achtergrondwaarden ter plaatse), dient de kwaliteit van de bodem te worden hersteld.

Paragraaf 4.8.10 In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte
Artikel 4.122

Het Activiteitenbesluit was voor de inwerkingtreding van dit artikel reeds van toepassing op laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici en op praktijkruimten voor het middelbaar onderwijs. Aan deze laboratoria en praktijkruimten werden geen specifieke eisen gesteld. Het is vanuit milieuoogpunt niet noodzakelijk en tevens niet redelijk om de voorschriften uit deze paragraaf ook van toepassing te laten zijn op deze laboratoria en praktijkruimten. Daarom worden de voorschriften uit deze paragraaf door dit artikel niet van toepassing verklaard op deze laboratoria en praktijkruimten.

Daarnaast is het mogelijk dat het Activiteitenbesluit, voor inwerkingtreding van dit artikel, ook al van toepassing was op laboratoria voor de interne kwaliteits- of productcontroles. De voorschriften uit deze paragraaf zijn wel van toepassing op inrichtingen die beschikken over een laboratorium ten behoeve van interne kwaliteits- of productcontroles.

Artikel 4.124

Met name de interne voorschriften en voorzieningen zijn van belang voor het beperken van emissies uit laboratoria en praktijkruimten. De doelvoorschriften omvatten een beperkt aantal parameters die als indicator dienen voor het juist handelen volgens de interne voorschriften en voorzieningen. Het kan noodzakelijk zijn dat ook voor andere stoffen doelvoorschriften worden opgenomen. Dat moet dan met de mogelijkheden en afwegingen die voortkomen uit artikel 2.1.

Voor de laboratoriumchemicaliën wordt, in overeenstemming met de gangbare praktijk, niet gekozen voor toepassing van de Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM) voor toetsing van de benodigde aanpak en «loosbaarheid» met het afvalwater. Voor de in grotere hoeveelheden toe te passen reinigings- en desinfectiemiddelen zou dit wel moeten.

Omdat bij de toelating van deze middelen al sprake is van een beoordeling van lozing op de riolering kan een dergelijke toetsing op voorhand achterwege worden gelaten. De voorwaarde is dan wel dat toepassing moet plaatsvinden volgens het gebruiksvoorschrift.

Artikel 4.124, tweede lid, onder a

Bij grotere laboratoria en praktijkruimten met grote hoeveelheden afvalwater kan het gaan om relatief grote dag- en jaarvrachten aan verontreinigingen. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat, gezien de aard en omvang van de lozingen, er meer mogelijkheden zijn dan de algemeen toepasbare maatregelen volgens de BBT voor deze bedrijfstak, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het doelvoorschrift aanscherpen. Dat zal alleen nodig zijn indien de interne voorschriften en voorzieningen die door het laboratorium of de praktijkruimte zelf zijn opgesteld (ook na overleg) als onvoldoende worden beoordeeld. Voor de debietbepaling kan gebruik worden gemaakt van schattingen aan de hand van bijvoorbeeld het waterverbruik via de watermeter en/of pompuren en pompcapaciteit indien van ander water dan drinkwater gebruik wordt gemaakt.

Artikel 4.123, tweede lid, onder b

Het kan voorkomen dat ondanks toepassing van de best beschikbare technieken die in de Activiteitenregeling nader zijn uitgewerkt de doelvoorschriften uit dit artikel niet kunnen worden gehaald.

Het zal dan vaak gaan om kleinere lozingen waarbij maatregelen bijvoorbeeld onbetaalbaar worden. In dat geval kan het bevoegde gezag op verzoek hogere gehalten vaststellen.

Artikel 4.124, derde lid

De doelmatige wijze van bemonstering houdt in dat het te lozen afvalwater afkomstig van een laboratorium of praktijkruimte afzonderlijk (als deelstroom) kan worden bemonsterd. Bij bestaande situaties is het afvalwater van een laboratorium of praktijkruimte vaak al vermengd met ander afvalwater, zoals huishoudelijk afvalwater en hemelwater, voordat het afvalwater kan worden bemonsterd. Voor deze situaties is in artikel 6.37a bepaald dat als dat voorheen ook in de vergunning was vastgelegd het derde lid niet van toepassing is. Daardoor is aanpassing van de in de vergunning vastgelegde situatie niet nodig.

Het derde lid is wel van toepassing op nieuwe situaties en bij renovaties. Voor deze situaties wordt derhalve wel voorgeschreven dat het laboratoriumafvalwater (als deelstroom) apart te bemonsteren is.

Artikel 4.125

Omdat binnen laboratoria en praktijkruimten relevante luchtemissies kunnen optreden zijn in artikel 4.125 emissieconcentratie-eisen opgelegd conform de NeR, zoals dat ook bij andere luchtrelevante activiteiten heeft plaatsgevonden. In de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn ten aanzien van activiteiten die plaatsvinden in laboratoria en praktijkruimten tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratie-eisen in dit artikel wordt voldaan (zie ook de toelichting onder paragraaf 2.4 van de Activiteitenregeling en de artikelsgewijze toelichting van de wijzigingsregeling).

Omdat emissies naar de lucht bij laboratoria en praktijkruimten veelal het gevolg zijn van het gebruik van (ingekochte) stoffen, is in de wijzigingsregeling aangegeven dat, indien wordt aangetoond dat het verbruik (de inkoop) van bepaalde stoffen onder een bepaalde drempel blijft, geen verdere emissiebeperkende maatregelen nodig zijn.

Artikel 4.125, tweede lid

De stofklassen gA4 (SOx) en gA5 (NOX) worden niet meegenomen omdat het hiervan onwaarschijnlijk is dat zich emissies voordoen boven de grensmassastroom van 2 kilogram per uur dan wel 1000 kilogram per jaar.

Artikel 4.125, derde lid

Ten aanzien van eventuele stoffen ingedeeld als ERS (extreem risicovolle stoffen) of MVP (minimalisatieverplichte stoffen) kunnen geen concrete eisen of maatregelen worden gesteld. Omdat emissies van deze stoffen niet zijn uitgesloten, biedt het vierde lid het bevoegd gezag de mogelijkheid om via maatwerk eventuele voorkomende emissies te reguleren. Dit kan door het verlangen van de toepassing van alternatieve hulpmiddelen dan wel het treffen van specifieke nabehandelingsapparatuur als alternatieve middelen niet mogelijk zijn of deze de emissie niet kunnen minimaliseren.

Artikel 4.127

Er kunnen geen specifieke emissie-eisen met betrekking tot het gericht werken met biologische agentia worden gegeven. Op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit dienen voor het gericht werken met biologische agentia maatregelen en voorzieningen te worden getroffen ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers. Hoewel de arbeidsomstandighedenregelgeving niet gericht is op de (milieu)risico’s van de inrichting voor de omgeving worden door de maatregelen en voorzieningen die getroffen dienen te worden ingevolge het Arbeidsomstandighedenbesluit ook emissies naar de omgeving beperkt.

Het gaat bij het gericht werken met biologische agentia met name om risicobeheersing. Daarbij is het de bedoeling dat geen emissies van biologische agentia plaatsvinden, of - indien dat niet haalbaar is - er geen ongecontroleerde emissies plaatsvinden. In de wijzigingsregeling, waarmee de Activiteitenregeling is gewijzigd, zijn deze aspecten nader uitgewerkt.

Onderdeel VVV

Met dit onderdeel is het algemene overgangsrecht, opgenomen onder paragraaf 6.1, gewijzigd. In het oorspronkelijke overgangsrecht werd de inwerkingtreding van artikelen (1.1, 1.10, 2.1, 2.2) als uitgangspunt genomen. Zo was het eerste lid van artikel 6.1 (oud) van toepassing op inrichtingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 (zorgplichtbepaling) vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit niet langer vergunningplichtig zijn. Bij het oude overgangsrecht was het tijdstip waarop de aangewezen artikelen in werking zijn getreden, bepalend. Het overgangsrecht had daarmee een statisch karakter.

De situatie kan zich voordoen dat activiteiten binnen een inrichting wijzigen, waardoor een inrichting een «typewijziging» ondergaat. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een type C-inrichting activiteiten beëindigt. In dat geval kan de drijver van de inrichting een aanvraag indienen bij het bevoegd gezag voor het veranderen van zijn inrichting. Indien het bevoegd gezag constateert dat de inrichting door deze veranderingen niet langer onder een categorie van inrichtingen valt waarvoor een vergunningplicht geldt, dan kan het zijn dat de vergunning ingetrokken wordt en de inrichting een type A- of B-inrichting is geworden. Indien dat het geval is, gaan vanaf het tijdstip waarop de typewijziging plaatsheeft onderdelen van het Activiteitenbesluit gelden voor de inrichting.

Het problematische aan het oude overgangsrecht was dat niet het tijdstip waarop de inrichting de typewijziging ondergaat, bepalend was voor de start van de termijn waarop het overgangsrecht van toepassing wordt op de inrichting, maar het tijdstip waarop de aangewezen artikelen in werking zijn getreden, namelijk 1 januari 2008. Dat betekende dat de periode tussen 1 januari 2008 en het moment waarop een bedrijfinrichting een typewijziging onderging, in mindering werd gebracht op de overgangstermijn. Dit is ongewenst. Het is de bedoeling van de wetgever dat de overgangstermijnen, zoals de drie-jaarstermijn bedoeld in art. 6.1, eerste lid, onverkort gelden en niet voor een deel van die drie jaar.

Met «het ondergaan van een typewijziging» wordt overigens niet alleen gedoeld op het moment waarop een inrichting van type veranderd (bijvoorbeeld van type C- naar type B-inrichting), maar óók op het moment waarop artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid voor de eerste maal van toepassing wordt op een inrichting. Dat is het moment waarop onderdelen van het Activiteitenbesluit voor de eerste maal van toepassing zijn op een inrichting en de betreffende inrichting derhalve een type A-, type B- of type C-inrichting is geworden.

In de artikelen is niet langer de inwerkingtreding van artikelen als uitgangspunt genomen, maar het tijdstip waarop een inrichting een typewijziging ondergaat. Op het tijdstip dat artikel 1.4, eerste, tweede of derde lid (respectievelijk type A, type B of type C-inrichtingen) van toepassing wordt op een inrichting, wordt het algemeen overgangsrecht van kracht. Het overgangsrecht heeft daarmee een dynamisch karakter gekregen. Bijkomend voordeel van dit dynamische overgangsrecht is dat het ook van toepassing is op de inrichtingen die door wijzigingen in het besluit een typewijziging ondergaan. Voor deze inrichtingen is geen afzonderlijk algemeen overgangsrecht nodig.

Artikel 6.1
Eerste lid

Dit lid is van toepassing op inrichtingen die een typewijziging ondergaan en die onmiddellijk voorafgaand aan deze typewijziging vergunningplichtig waren. Het betreft derhalve type C-inrichtingen die door de typewijziging type B of type A-inrichting zijn geworden.

Voor deze inrichtingen bepaalt dit artikellid dat bepaalde vergunningvoorschriften gedurende drie jaar blijven gelden als maatwerkvoorschrift. Daarna vervallen deze voorschriften, tenzij het bevoegd gezag deze maatwerkvoorschriften heeft aangepast. Dit artikellid laat namelijk onverlet de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om in deze periode van drie jaar te besluiten het maatwerkvoorschrift te wijzigen dan wel in te trekken of na die drie jaar als maatwerkvoorschrift door te laten werken. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is immers rechtstreeks van toepassing.

Dit overgangsrecht geldt slechts indien de inhoud van het vergunningvoorschrift valt binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Het gaat daarbij ook om de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht. Let wel, het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht is niet mogelijk voor een aspect dat al uitputtend is geregeld in het Activiteitenbesluit. Het voorgaande geldt voor alle vergunningvoorschriften ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit.

Tweede lid

Dit lid is van toepassing op inrichtingen die een typewijziging ondergaan en die onmiddellijk voorafgaand aan deze typewijziging onder de werkingssfeer van een besluit genoemd in artikel 6.43 vielen. Het gaat om inrichtingen die voorheen onder een voormalig 8.40-besluit (opgenomen in artikel 6.43) vielen en met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit onder het Activiteitenbesluit zijn komen te vallen.

Derde lid

Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op voorschriften of nadere eisen die vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag op grond van dit besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

Wanneer met betrekking tot het onderwerp geen bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften is opgenomen en de bepalingen van het Activiteitenbesluit strenger zijn, gelden de vergunningvoorschriften of nadere eisen gedurende zes maanden na het tijdstip waarop een inrichting een typewijziging heeft ondergaan, indien onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip deze vergunningvoorschriften of nadere eisen van kracht en onherroepelijk waren. Na de termijn van zes maanden zijn de bepalingen van het Activiteitenbesluit onverkort van toepassing.

Artikel 6.2

Het eerste lid bepaalt dat vergunningvoorschriften drie jaar blijven gelden als maatwerkvoorschriften voor inrichtingen type A en type B, waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de typewijziging naar type A of type B een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was.

Het tweede lid schrijft voor dat bepaalde vergunningvoorschriften drie jaar blijven gelden als maatwerkvoorschriften, vanaf het tijdstip waarop de typewijziging naar type C-inrichting plaatsvindt.

Het overgangsrecht in het eerste en tweede lid geldt slechts indien de inhoud van het vergunningvoorschrift valt binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 6.3

In het vierde lid is de zinsnede «op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1» vervangen door: op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 1.4 op de inrichting. Daarmee wordt gedoeld op het tijdstip dat een inrichting een typewijziging ondergaat. Alle drie de typen (type A, type B en type C) zijn in dit geval mogelijk, omdat verwezen wordt naar artikel 1.4 en niet naar de specifieke leden van artikel 1.4.

Artikel 6.4

Indien een vergunningaanvraag is ingediend, is ten aanzien van de aanvraag het derde lid van toepassing op het tijdstip dat deze (type C-)inrichting een typewijziging ondergaat naar een type B-inrichting en de (aangevraagde) vergunning nog niet in werking en onherroepelijk was. In dergelijke gevallen is het niet nodig de aanvraag in te trekken en vervolgens een melding overeenkomstig artikel 1.10 te doen, waarbij wederom dezelfde gegevens worden verstrekt. In het derde lid is namelijk bepaald dat een dergelijke aanvraag wordt aangemerkt als een melding in de zin van artikel 1.10.

Onderdeel WWW

Artikel 6.10 was van toepassing op bodembedreigende activiteiten die reeds werden uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 2.9. Door dit onderdeel is artikel 6.10 eveneens van toepassing op bodembedreigende activiteiten die reeds werden uitgevoerd voor het tijdstip waarop een type C-inrichting een type B-inrichting is geworden.

In het artikel is bepaald dat het om inrichtingen gaat waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een vergunning in werking of onherroepelijk was. Daarmee wordt voorkomen dat artikel 6.10 van toepassing is op bodembedreigende activiteiten die reeds werden uitgevoerd voor een wijziging van type A naar type B en een wijziging van type A of B naar type C. Voor deze inrichtingen geldt namelijk op grond van artikel 2.9 dat voor bodembedreigende activiteiten een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Artikel 6.10 is derhalve niet van toepassing op deze typewijzigingen.

Onderdeel XXX

Met artikel 6.12 is beoogd de overgangsbepaling uit de amvb’s die voor de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit van toepassing waren, voort te zetten. Daarbij is verzuimd deze overgangsbepaling, zoals ook in het verleden het geval was, te beperken tot de waarden ter plaatse van de gevel van gevoelige objecten. Met dit onderdeel is dit hersteld.

Onderdeel YYY

Deze wijziging van het eerste lid, onder a, is ingevoerd zodat artikel 6.17 ook geldt voor inrichtingen die na 1 januari 2008 onder de werkingssfeer van het besluit zijn of worden gebracht. De wijziging van het tweede lid is ter verduidelijking van de bepaling.

Onderdeel ZZZ

Door deze wijziging is niet langer de inwerkingtreding van artikel 3.3, tweede lid, als uitgangspunt genomen voor het niet van toepassing zijn van dat artikel ten aanzien van lozingen, maar het moment waarop artikel 3.3, derde lid, van toepassing wordt op een inrichting. Op het schrappen van de zinsnede «en hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd» is reeds ingegaan in toelichting op onderdeel X.

Onderdeel AAAA

In de oorspronkelijke bepaling was in artikel 4.5, tweede lid, de externe veiligheidsafstand van 20 meter alleen van toepassing indien sprake was van twee zuurstoftanks elk met een inhoud van meer dan 25 kubieke meter met een onderlinge afstand kleiner dan 10 meter. Met de wijziging onder onderdeel NN is artikel 4.5, tweede lid, in overeenstemming gebracht met het advies van het RIVM over de benodigde veiligheidsafstanden voor zuurstoftanks. Het blijkt dat ook bij zuurstoftanks met een kleinere inhoud een veiligheidsafstand in acht moet worden genomen. Bovendien geldt met deze wijziging de onderlinge afstand niet alleen voor andere tanks met zuurstof maar ook voor tanks met propaan, propeen, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof.

Door dit onderdeel is het nieuwe tweede lid van artikel 4.5 tot een jaar na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof. Met het tweede lid van artikel 6.25a blijven de eisen uit het oude artikel 4.5, tweede lid, nog een jaar van toepassing op de bovengrondse opslagtanks bestemd voor de opslag van zuurstof, waar dit lid voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit op van toepassing was. Met deze overgangsbepaling heeft men derhalve tot één jaar na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit de tijd om ervoor zorg te dragen dat aan het nieuwe tweede lid van artikel 4.5 wordt voldaan.

Onderdeel BBBB

Artikel 6.28 verklaarde het verbod op een open koelinstallatie niet van toepassing op kunstijsbanen die zijn opgericht voor de inwerkingtreding van artikel 4.20. De bedoeling van dit artikel was om dit verbod niet te laten gelden voor koelinstallaties bij kunstijsbanen die reeds voor de inwerkingtreding van artikel 4.20 waren geïnstalleerd. Als een koelinstallatie bij bestaande kunstijsbanen wordt vervangen, dient namelijk wel een verbod te gelden voor het toepassen van een open systeem. Met dit onderdeel wordt dit hersteld.

Onderdeel CCCC

De zinsnede «en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer» wekt ten onrechte de indruk dat de voorschriften alleen gelden voor het afleveren voor motorvoertuigen voor het wegverkeer, terwijl het ook kan gaan om werktuigen of interne transportmiddelen. Het betreft verkoop aan derden, niet zijnde openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer. Dit gebrek wordt met deze wijziging gecorrigeerd.

Onderdeel DDDD

Deze wijziging van artikel 6.33 is aangebracht zodat deze bepaling ook geldt voor inrichtingen die na 1 januari 2008 onder de werkingssfeer van het besluit zijn gebracht.

Onderdeel EEEE
Artikel 6.34a

In dit artikel is een overgangsbepaling voor ambachtelijke vellenoffsetbedrijven opgenomen, waarmee artikel 4.94a voor inrichtingen die al eerder onder het activiteitenbesluit vielen pas van kracht zal worden met ingang van het kalenderjaar dat volgt op het moment van inwerkingtreding van dat artikel. Daarmee hebben deze inrichtingen voldoende tijd om een oplosmiddelenboekhouding op te zetten.

Artikel 6.34b

In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen voor inrichtingen waar het lijmen, coaten en lamineren van papier of karton plaatsvindt en die reeds voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit onder de werking van het Activiteitenbesluit vielen. Voor deze inrichtingen wordt artikel 4.94f van kracht met ingang van het kalenderjaar dat volgt op het moment van inwerkingtreding van dat artikel. Daarmee hebben deze inrichtingen voldoende tijd om een oplosmiddelenboekhouding op te zetten.

Artikel 6.34c

Al aanwezige afscheiders die voldoen aan NEN 7087 mogen blijven staan. Bij vervanging zal de nieuwe afscheider aan de nieuwe NEN-norm (NEN-EN 1825-1 en 2) moeten voldoen. Bij de nieuwe afscheiders is aangegeven dat het onder voorwaarden is toegestaan de afscheider te legen en te reinigen met een lagere frequentie dan daarin is voorgeschreven. Aangezien NEN 7087 de frequentie van reinigen en legen niet specificeert, hoeft dat voor oude afscheiders niet aangegeven te worden.

Onderdeel GGGG
Artikel 6.37

Aanwezige afscheiders die voldoen aan NEN 7087 mogen blijven staan. Bij vervanging zal de nieuwe afscheider aan de nieuwe NEN-norm moeten voldoen. Bij de nieuwe afscheiders is aangegeven dat het onder voorwaarden is toegestaan de afscheider te legen en te reinigen met een lagere frequentie dan daar aangegeven. Aangezien NEN 7087 de frequentie van reinigen en legen niet specificeert, hoeft dat voor oude afscheiders niet aangegeven te worden.

Flocculatie is een afscheidingstechniek, waarbij vet uit afvalwater wordt afgescheiden met belucht water, al dan niet in combinatie met flocculanten. Bij goede uitvoering van deze techniek is hij gelijkwaardig aan een vetafscheider. Aangezien de techniek niet gestandaardiseerd is, is wel een beoordeling van de precieze uitvoering nodig. Uitgangspunt is dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden als een inrichting een vergunning had voor de flocculatie-afscheider.

Onderdeel HHHH

Voor de toelichting bij dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel UUU, artikel 4.124, derde lid.

Onderdeel IIII
Toelichting Bijlage I

Bijlage 1 is vanwege een aangepaste nummering binnen de geletterde categorieën integraal opnieuw vastgesteld.

Categorie g onder 6°

De vergunningplicht voor humane crematoria is via dit besluit opgeheven. Dit is mogelijk omdat er adequate voorschriften gesteld konden worden in het kader van de bescherming van het milieu en voorkomen of beperken van hinder. Op basis van Bijlage I categorie g van dit besluit blijven dierencrematoria nog vergunningplichtig omdat dierencrematoria niet altijd dezelfde crematieovens en luchtemissiebeperkende technieken toepassen als bij humane crematoria. Dierencrematoria vallen momenteel ook niet onder de bijzondere regeling van de NeR voor crematoria. Voordat de dierencrematoria onder algemene regels kunnen worden gebracht, moet duidelijk zijn welke technieken bij dierencrematoria BBT zijn.

Categorie h

In de eerdere tekst en toelichting van categorie h werd uitgegaan van het verschil tussen kunststof bewerking en verwerking zoals die in het Besluit bouw- en houtbedrijven gemaakt was. Elders in deze bijlage worden de termen echter gebruikt in de betekenis van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) en de oorspronkelijke nota van toelichting hierbij. In een uitspraak (200706601/1 van 9 juli 2008) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak aangegeven de term «verwerken» ook voor deze categorie in die betekenis te lezen. Dat is voor de uniformiteit van de bijlage een goede zaak, maar betekent wel dat de vergunningplicht voor deze categorie anders komt te liggen dan bedoeld was. Om die reden zijn de verwerkingsmethodes die eerder uitgesloten waren van de werkingssfeer van het Besluit bouw- en houtbedrijven, nu uitgeschreven in categorie h. Door deze aanpassing wordt in de bijlage nu overal met de termen «bewerken» en «verwerken» aangesloten bij het Ivb. Voor het verwerken van polyesterhars is ervoor gekozen geen uitsplitsing te geven naar technieken. Wel is relevant dat het moet gaan om een inrichting voor het verwerken van polyesterhars, waardoor de activiteit alleen tot vergunningplicht leidt als die een zodanige omvang heeft dat deze zelfstandig ook een inrichting zou vormen. Kleinschalige reparaties met polyesterhars leiden bijvoorbeeld niet tot vergunningplicht.

Categorie i

In de oorspronkelijke tekst van categorie i werd verwezen naar de stoffenindeling van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms), die inmiddels is opgenomen in de Wet milieubeheer. Een precieze vergelijking van de stoffenindeling van de Wms met die van het ADR leverde op dat de belangrijkste stoffen die wel volgens de Wms gevaarlijk waren, maar niet volgens het ADR al in het vervolg van de categorie genoemd staan. De verwijzing naar de Wms voegde derhalve weinig toe en kon vervallen.

Categorie j

Propeen vertoont qua eigenschappen sterke overeenkomsten met propaan. Met de toevoeging van propeen onder 4°, 5°, 6° en 8° wordt het mogelijk om de opslag van propeen in een drukhouder, die binnen de reikwijdte van deze categorie valt, zonder vergunning op te slaan.

Categorie j, onder 8°

In de opsomming wordt gesproken over andere gassen dan propaan, propeen, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof. Van sommige van deze gassen worden ook mengsels verkocht, bijvoorbeeld van verschillende inerte gassen. Een dergelijk mengsel van twee of meer van de hier genoemde gassen is geen ander gas zoals hier bedoeld, en opslag ervan leidt niet tot vergunningplicht. Wellicht ten overvloede: niet ieder mengsel van de hier genoemde gassen zal in de praktijk voorkomen, omdat veel niet als mengsel verkocht, vervoerd en opgeslagen mogen worden. De toevoeging "in één of meer opslagtanks" is aangepast om de tekst met andere categorieën te uniformeren.

Categorie l

Bij categorie l, onder 1° was ten onrechte dezelfde formulering gebruikt als bij de andere categorieën. De formulering had gelijk moeten zijn met het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998, die gold voor tanks met een inhoud van maximaal 150 kubieke meter per tank. In de tekst werd gesproken over een gezamenlijke inhoud. Hierdoor ontstond vergunningplicht voor enkele tankstations die voorheen onder het Besluit tankstations konden vallen. Door de term «gezamenlijk» te verwijderen wordt dit hersteld.

Om verwarring te voorkomen is de formulering onder 3° en 4° gelijk gemaakt. Overigens volgt daar geen verschuiving van de vergunningplicht uit. Het Besluit jachthavens stelde geen bovengrens aan de omvang van een bunkerstation. In categorie l, onder 5° werd daaraan een bovengrens gesteld van 15 kubieke meter. Uit jurisprudentie bleek dat onder het Besluit jachthavens ook grotere bunkerstations voorkwamen. Om die reden wordt de grens verruimd tot 25 kubieke meter. Deze grens is gebaseerd op een risicoanalyse (Risicoanalyse brandstofpontons, 2001, RIVM-rapport 610066012) waar de veiligheidsvoorschriften in het Besluit jachthavens op gebaseerd zijn.

Categorie o

Opslagvoorzieningen van meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen, anders dan bepaalde kunstmeststoffen, worden uitgesloten van dit besluit. Voor de betreffende kunstmeststoffen gelden de grenzen van categorie r ongeacht of het gevaarlijke stoffen zijn of niet.

Categorie p

Onder deze categorie worden enkele specifieke activiteiten en installaties met gevaarlijke stoffen genoemd.

Het vullen van kleine gasflessen is al eerder als activiteit opgenomen onder Afdeling 4.1. De grenzen voor de werkingssfeer waren ontleend aan PGS 23. Ook was het vullen van flessen met lucht via een compressor uitgezonderd van de vergunningplicht. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om duikflessen of luchtflessen voor de brandweer. Met deze wijziging wordt de vergunningplicht opgeheven voor het vullen van gasflessen met koolzuurgas of stikstofgas. Aangezien dergelijke activiteiten geen milieuprobleem vormen, kunnen ze onder de algemene regels vallen.

Het vullen van spuitbussen is eerder opgenomen als vergunningplichtige activiteit. Door dit wijzigingsbesluit wordt de vergunningplicht opgeheven voor het afvullen van spuitbussen met behulp van een afvulmachine, ook wel maatwerkpomp genoemd, waarbij de spuitbus handmatig in de afvulmachine wordt geplaatst. Met een maatwerkpomp kunnen detailhandelbedrijven maatwerkbussen afvullen met het gewenste product, bijvoorbeeld een verfsysteem. De maatwerkbussen worden gevuld met drijfgas aangeleverd en met behulp van een maatwerkpomp wordt er ongeveer 100 ml verf per spuitbus aan toegevoegd. De veilige werking van de maatwerkpomp is gewaarborgd door de regelgeving voor drukapparatuur. Deze activiteit kan daarom zonder aanvullende voorschriften onder de werkingssfeer van dit besluit vallen.

Alle inrichtingen die onder het Besluit LPG tankstations vallen, zijn vergunningplichtig. Bedoeling van deze wijziging is te borgen dat als LPG wordt afgeleverd buiten de werkingssfeer van het Besluit LPG tankstations er ook vergunningplicht geldt. Gedacht kan worden aan het zelf vullen van wisselreservoirs met LPG en het afleveren voor vaartuigen.

Het oude Besluit tankstations bevatte een uitzondering voor het afleveren van motorbrandstoffen zonder direct toezicht op korte afstand voor openbare verkoop. Er is eerder voor gekozen deze uitsluiting te handhaven. In de formulering was echter de toevoeging «ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer» weggevallen, waardoor de omschrijving van toepassing werd op bedrijven met een eigen afleverzuil op hun eigen terrein voor gebruik van de eigen auto’s. Omdat het Besluit opslag- en transportbedrijven deze uitzondering niet kende werden deze inrichtingen vergunningplichtig. Aangezien deze bedrijven diesel afleveren was dat ten onrechte. Met deze wijziging is de weggevallen tekst weer opgenomen.

Categorie p, onder 11°

Met deze wijziging van categorie p van bijlage 1 wordt een groot aantal laboratoria en praktijkruimten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Het gericht werken met biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 3 en groep 4 ingevolge de indeling in risico-groepen van richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk, blijven vergunningplichtig. Dit heeft te maken met de risico’s voor de omgeving. Het gericht werken met biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 3 of groep 4 kunnen grotere risico’s voor de omgeving met zich mee brengen dan de biologische agentia die zijn of worden ingedeeld in groep 1 of groep 2.

Onder «gericht werken met» wordt verstaan: het vervaardigen, bewerken, verwerken of in voorraad houden. Hieronder vallen ook werkzaamheden als kweken, bewaren, vernietigen of het doen van proeven met biologische agentia.

Categorie p, onder 12°

Het afleveren van waterstof is in opkomst. Deze nieuwe activiteit is toegevoegd, zodat hiervoor voorlopig vergunningplicht geldt.

Categorie r, onder 5°

Categorie r, onder 5° gaf de grens van het Besluit landbouw milieubeheer voor vaste dierlijke mest. Abusievelijk was het woord «dierlijke» weggevallen, waardoor het leek of er een extra grens voor vaste kunstmest werd gesteld. Met deze wijziging is dit hersteld.

Categorie s

Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit is de vergunningplicht komen te vervallen voor veel inrichtingen voor het houden van niet-landbouwhuisdieren, zoals kattenpensions. Wel is nog een vergunningplicht aangehouden voor dierentuinen en inrichtingen voor het houden van honden en roof- of siervogels in de open lucht. Dit laatste vooral vanwege geluid- en geurhinder. Gebleken is echter dat het begrip «siervogel» in de praktijk onvoldoende duidelijk is. Met dit wijzigingsbesluit is het begrip siervogels daarom vervangen door een opsomming van een aantal vogelfamilies waar dit hinderaspect in het bijzonder een rol speelt. In de opsomming wordt de taxonomische aanduiding uit de biologie gevolgd. Door deze vervanging is de vergunningplicht vervallen voor enkele inrichtingen voor het houden van niet-genoemde siervogels, zoals mandarijneenden.

Overigens blijkt in het bijzonder bij deze categorie het misverstand te bestaan dat hier beoogd is het begrip «inrichting» nader te concretiseren. Dat is niet het geval. Voor het van toepassing zijn van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit, maar overigens ook de vergunningplicht op basis van de Wm, dient een activiteit aangemerkt te kunnen worden als een inrichting. Het begrip «inrichting» wordt in het eerste lid van artikel 1.1 van de Wm gedefinieerd als: «elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht». Behalve aan deze definitie moet de betreffende activiteit op grond van het derde lid van artikel 1.1 van de Wm bovendien zijn aangewezen in het Ivb. Pas als aan deze vereisten is voldaan, is sprake van een inrichting waarop de algemene regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn.

Er zijn voorschriften opgenomen voor recreatieve visvijvers, waardoor de vergunningplicht voor deze categorie en voor het kweken van siervis kon vervallen.

Categorie s, onder 5°

Dit onderdeel geeft aan hoeveel landbouwhuisdieren een niet-agrarische inrichting mag hebben zonder vergunning. Om de formulering beter aan te laten sluiten bij de in de landbouw gebruikelijke termen is «25 konijnen» vervangen door «25 voedsters»; voedster is de gangbare term voor een volwassen vrouwtjeskonijn dat voor de fok gebruikt wordt. Dat betekent dat op dierenweides bij recreatie-inrichtingen meer konijnen kunnen worden gehouden, zonder dat er sprake is van vergunningplicht.

Categorie s, onder 6°

In de eerdere versie van deze bijlage werd gesproken van inrichtingen voor het verladen van landbouwhuisdieren. Dat bleek een verwarrende term te zijn. Bedoeld waren inrichtingen ten behoeve van veetransport waar de dieren ook overnachten. Om die reden is in dit wijzigingsbesluit opgenomen dat het gaat om het tijdelijk huisvesten van landbouwhuisdieren voor transport of handel, anders dan bij een landbouwinrichting. Daardoor is duidelijk dat veetransporteurs, die niet zelf dieren huisvesten onder dit besluit kunnen vallen. Overigens is bij deze wijziging in paragraaf 4.8.1 een voorschrift ingevoegd voor het inwendig reinigen en desinfecteren van vrachtwagens, dat ook bij dergelijke bedrijven kan voorkomen.

Categorie s, onder 7°

Aan het ambachtelijk slachten van dieren worden in de onderdelen QQQ en RRR van dit wijzigingsbesluit voorschriften gesteld. In de sector is het van oudsher gebruikelijk te rekenen met grootvee-eenheden, waarbij dieren op basis van levend gewicht met elkaar vergeleken worden. Één grootvee-eenheid kwam overeen met 500 kilogram levend gewicht, ongeveer het gewicht van een volwassen koe. In het verleden werd in de Europese hygiëneregelgeving het onderscheid tussen grote en kleine slachterijen gelegd bij een grens van 20 grootvee-eenheden per week. Deze eenheid heeft in de Europese en nationale regelgeving inmiddels een andere invulling gekregen, waarbij dieren op basis van hun mest productie (stikstofuitscheiding) met elkaar vergeleken worden. Om die reden is de grens van 20 grootvee-eenheden per week hier uitgeschreven naar levend gewicht.

Om te toetsen aan deze grens kunnen de onderstaande omrekeningsfactoren gebruikt worden. Die omrekeningsfactoren zijn ontleend aan de bijlage bij de Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden van 13 december 2007.

Diersoort

GVE

volwassen runderen en eenhoevigen

1

varkens meer dan 100 kg levend gewicht

0,2

andere varkens

0,15

schapen en geiten, gedomesticeerde damherten en edelherten

0,1

rendieren

0,2

kangoeroes

0,1

andere runderen

0,5

lammeren, jonge geiten en biggen van minder dan 15 kg levend gewicht

0,05

loopvogels

0,1

grof vrij wild

0,1

pluimvee, hazen, konijnen en klein vrij wild

0,007

Categorie s, onder 8° tot en met 10°

In de eerdere versie van deze bijlage werden apart genoemd het verwerken van producten die bij het slachten vrijkomen, het vervaardigen of verwerken van huiden bont, leer, of lederhalffabrikaten en activiteiten waarvoor de verboden van artikel 5 van de Destructiewet gelden. Inmiddels is de Destructiewet vervangen door een regeling op grond van hoofdstuk VIIA van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Regeling dierlijke bijproducten 2008, die gebaseerd is op de Europese bijproductenverordening (Verordening nr. 1774/2002 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten). De categorieën van deze verordening en de daarop gebaseerde regeling zijn niet direct vergelijkbaar met de formulering van het inmiddels vervallen artikel 5 van de Destructiewet. Onder 8°, 9° en 10° is een aantal handelingen met dierlijke bijproducten opgenomen waarvoor de vergunningplicht blijft gelden. Let wel: het gaat hier alleen om de milieuvergunning, voor (nagenoeg) alle handelingen met bijproducten is een erkenning van de Voedsel- en warenautoriteit nodig.

Onder 8° valt een deel van de categorie die in de verordening «technische bedrijven» wordt genoemd. De categorie technische bedrijven is echter niet in zijn geheel milieuvergunningplichtig. Zo leidt het opzetten van dieren, of het verwerken van veren of eierschalen niet automatisch tot vergunningplicht.

Ook vallen bedrijven die huiden verwerken onder de categorie technische bedrijven van de verordening. Hier is sprake van overlap met bedrijven in de leerindustrie. Voor de duidelijkheid zijn apart onder 9° uitgewerkt, de handelingen met huiden en leer uitgeschreven, waarvoor een vergunningplicht geldt. Door die andere omschrijving vervalt de vergunningplicht voor het verwerken van leer in producten (zoals meubels en kleding) en voor het drogen of pekelen van huiden. Voor die laatste activiteit zijn voorschriften opgenomen in paragraaf 4.8.4.

Onder 9° zijn nog enkele specifieke installaties voor de vernietiging van bijproducten opgenomen.

Overigens geldt dat veel inrichtingen waarop onderdelen 8°, 9° en 10° van toepassing zijn ook onder andere categorieën kunnen vallen, of onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn kunnen vallen.

Categorie t (onder 1°, 2° en 6°)

Onder 1°: Deze categorie maakt onderscheid tussen meer ambachtelijke en meer industriële bereiding van voedingsmiddelen. De formulering is aangepast om duidelijk te maken dat voor de toetsing aan het criterium van 130 kilowatt, het moet gaan om apparaten die voor het bereidingsproces worden ingezet. Als bij de bereiding bijvoorbeeld een koelcel aanwezig is, waarvan de koelinstallatie een aansluitwaarde heeft van meer dan 130 kilowatt, dan hoeft er nog geen sprake te zijn van een apparaat dat voor het vervaardigen, bewerken of verwerken wordt ingezet. Het moet gaan om apparaten die de voedingsmiddelen verhitten of afkoelen als onderdeel van het bereidingsproces.

Onder 2°: Het vervaardigen of bewerken van hondenkluiven viel voorheen onder artikel 5 van de Destructiewet. Inmiddels is de Destructiewet vervangen door een regeling op grond van hoofdstuk VIIA van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Regeling dierlijke bijproducten 2008, die gebaseerd is op de Europese bijproductenverordening (Verordening nr. 1774/2002 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten). Dat is de reden dat het vervaardigen of bewerken van hondenkluiven onder deze categorie is gebracht.

Onder 6°: Het kweken van algen is een nieuwe, in opkomst zijnde activiteit, waarbij algen gekweekt wordt in geroerde open bassins in de buitenlucht met dunne varkensmest als voedingsstof. De bassins zijn in de uitvoering vergelijkbaar met foliebassins voor dunne mest, maar onduidelijk is nog welke emissies uit het bassin kunnen optreden en welke voorschriften gesteld moeten worden om bodemverontreiniging en geurhinder te voorkomen. Om gemeenten de mogelijkheid te geven bijvoorbeeld tijdelijke vergunningen voor deze activiteit te verlenen, wordt voor deze activiteit de vergunningplicht ingevoerd. Als duidelijk is onder welke voorwaarden de algenkweek uitgevoerd wordt, kan deze vergunningplicht op termijn weer vervallen.

Categorie u

De vergunningplicht voor het bewerken van natuursteen vervalt. Voor deze activiteit zijn voorschriften opgenomen in dit wijzigingsbesluit. Wel blijft de vergunningplicht bestaan voor het vervaardigen van composietsteen, terrazzo en granito. Dit zijn combinaties van natuursteen met kunststof (composiet) of beton/cement (terrazzo/granito).

Categorie u is gebaseerd op Ivb-categorie 11. Bij de omzetting is het vervaardigen van kalkzandsteen ten onrechte niet overgenomen. Dat is hier hersteld. Omdat het vervaardigen van kalkzandsteen in de praktijk gecombineerd wordt met het drogen van kalkzandsteen dat wel opgenomen was, heeft deze verandering weinig consequenties voor de praktijk. Het gaat hier om een verduidelijking.

Categorie w

In de oorspronkelijke tekst van categorie w, onder 1° werden onder andere het onderhouden, repareren, proefdraaien en reinigen van vliegtuigen genoemd. Die termen zijn breed, en daaronder zou bijvoorbeeld ook het stofzuigen van een vliegtuig, of het vervangen van de cabinelichten geschaard kunnen worden. Dit onderdeel is met deze wijziging beperkt tot het repareren, proefdraaien of uitwendig reinigen. Hierdoor is de vergunningplicht voor enkele kleine dienstverlenende bedrijven rond de kleine vliegvelden vervallen.

Onderdeel 2 vervalt. Deze categorie voegt niets toe aan categorie 32.5 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Vergunningplicht op grond van dat besluit is namelijk eerder aan de orde.

Pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer blijven vergunningplichtig. Deze grens komt overeen met categorie 13.3 onder b van het Ivb. Dit betekent dat scheepswerven voor relatief grote pleziervaartuigen –waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag is – vergunningplichtig blijven. Deze categorie inrichtingen is in artikel 2.4 van het Ivb aangewezen als zijnde inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Voor de overige inrichtingen voor het vervaardigen van pleziervaartuigen is de vergunningplicht met dit wijzigingsbesluit vervallen. Met de voorschriften die reeds in het Activiteitenbesluit staan, zijn de milieugevolgen van deze activiteiten voldoende afgedekt.

In de eerdere tekst werd onder 3° gesproken over onderhoud van schepen voor de beroepsvaart. Hierdoor was onduidelijk wat nu de positie was van bijvoorbeeld het onderhoud aan offshoreplatforms. Om die reden is de formulering nu aangepast, en wordt gesproken over «schepen anders dan pleziervaartuigen». In deze tekst moet het begrip «schip» worden gelezen in de zin van de Binnenschepenwet, waarin in artikel 2, eerste lid, is aangegeven dat hieronder «mede verstaan [wordt] draagvleugelboten, veerponten, alsmede baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle andere drijvende werktuigen, pontons of materieel van soortgelijke aard».

Categorie aa, onder 1°

Bedrijven die textiel veredelen blijven vergunningplichtig.

Onder textielveredeling wordt verstaan: het geheel van bewerkingen die tot doel hebben textiel het uiterlijk en de fysische karakteristieken te geven, gewenst door de gebruiker.

Textielveredeling omvat onder andere voorbereiden, bleken, optisch witmaken, verven/bedrukken, hoogveredelen en finishen. Het betreft derhalve allerlei behandelingen om de kwaliteit te verbeteren en functionele eigenschappen aan het doek toe te voegen zoals bijvoorbeeld het brandvrij, motwerend of vuilwerend maken, of om speciale effecten te verkrijgen, bijvoorbeeld glans. Mechanische bewerkingen van textiel in bijvoorbeeld spinnerijen, weverijen, breierijen, zeilmakerijen, tentenmakerijen en zonweringbedrijven vallen niet onder de definitie textielveredeling. Ook het aanbrengen van een lijmlaag of van sealer of vernis ter afwerking van zeil, tentdoek of zonwering alsmede het lassen van textiel (zeil) wordt niet tot textielveredeling gerekend. De inrichtingen die op basis van categorie aa, onder 1°, vergunningplichtig zijn, betreffen dezelfde inrichtingen als de inrichtingen die op grond van artikel I, onder l, van het Besluit ex artikel 1, tweede lid, en artikel 31, vierde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren waren aangewezen.

Categorie aa, onder 2°

Deze categorie komt overeen met Ivb-categorie 16.3 onder a.

Categorie aa, onder 4°

Categorie aa, onder 4° is een aanpassing ten opzichte van de voorgaande versie van deze bijlage. Vergeleken met die tekst is het bewerken van papier ingeperkt tot het bleken van papier, omdat inmiddels aan andere bewerkingsprocessen voorschriften gesteld zijn. Het vervaardigen van producten van papier is toegespitst op het vervaardigen van hygiënische papierproducten, zoals tissues, WC-papier en incontinentiemateriaal, en het vervaardigen van producten van karton, zoals kartonnages en verpakkingen.

Categorie aa, onder 5°

Inrichtingen voor het toepassen van vellenoffset, met apparatuur met een totaal elektromotorisch of verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kilowatt, zijn door de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit niet langer Wm-vergunningplichtig. Onder onderdeel FFF van dit wijzigingsbesluit zijn voorschriften opgenomen voor de vellenoffset druktechniek. Met het toevoeging van de uitzondering, wordt voorkomen dat vellen-offset en zeefdrukbedrijven waar stickers en andere zelfklevende materialen worden gemaakt, toch weer vergunningplichtig worden gemaakt. Deze activiteiten worden nu geregeld onder § 4.7.3a Lijmen, coaten en lamineren van papier of karton of onder § 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten. Overigens blijven bedrijven waar drukprocessen worden toegepast zoals genoemd bij aa. onder 6° vergunningplichtig.

Categorie bb

In deze categorie, die overeenkomt met Ivb-categorie 17, is een uitzondering gemaakt voor traditioneel schieten. De vergunningplicht voor inrichtingen voor het traditioneel schieten komt derhalve te vervallen. Zie voor een toelichting van wat onder traditioneel schieten wordt verstaan Onderdeel A (artikel 1.1).

Categorie dd

In de vorige versie van deze bijlage waren ondermeer inrichtingen voor het omzetten van thermische energie in elektrische energie opgenomen. Deze inrichtingen worden ook in het Ivb genoemd. In de praktijk zijn er geen inrichtingen die aan deze omschrijving voldoen. Om die reden zijn inrichtingen voor het omzetten van thermische energie in elektrische energie uit categorie dd verwijderd.

Categorie ll

Het laatste deel (laatste alinea) regelt dat toepassingen binnen een inrichting van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Bbk van toepassing is, niet meer tot gevolg hebben dat die inrichting vergunningplichtig wordt. Het Bbk is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen en het toepassen van grond of baggerspecie. Beide toepassingen worden in artikel 1.1 van het Bbk gedefinieerd. De definitie van het toepassen van grond of baggerspecie omvat ook de tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing in een werk, zoals bedoeld in artikel 35, onderdeel h en i van het Bbk. Bij deze tijdelijke opslag kan het Bbk dat mede gebaseerd is op artikel 8.40 van de Wm naast het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Indien meer dan 35 m3 van buiten de inrichting afkomstige grond of baggerspecie, in overeenstemming met de bepalingen van het Bbk, binnen een inrichting wordt opgeslagen, zou de inrichting op grond van de oude tekst van onderdeel ll van de bijlage bij het Activiteitenbesluit vergunningplichtig worden, terwijl de opslag die de vergunningplicht veroorzaakt uitputtend geregeld is onder het Bbk. Het onderhavige onderdeel regelt dat alle toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Bbk van toepassing is, niet meer in aanmerking worden genomen bij de categorieën van inrichtingen, genoemd in onderdeel ll van de bijlage.

Artikel III

Bij de laatste wijziging van het Besluit landbouw milieubeheer 7 is een onjuiste verwijzing opgenomen. Met dit artikel wordt deze kennelijke misslag rechtgezet.

Artikel IV

Het onderhavige besluit zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Dit tijdstip zal samenvallen met de inwerkingtreding van de bepalingen van de bij ministeriële regeling vastgestelde uitvoeringsvoorschriften.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Deze toelichting is geschreven naar de situatie dat het besluit, houdende aanpassing van besluiten met het oog op de invoering van de Waterwet al in werking is getreden. Dat besluit zal per 22.12.2009 in werking treden. Over dit besluit heeft de Raad van State advies uitgebracht op 18.03.2009 (No. W09.09.0045/IV).

XNoot
3

Van Vliet Milieumanagement, 2006. Rapport Onderzoek vergunningplichtige activiteiten naar algemene regels na 2007. Erik van Vliet Milieumanagement en Advies, november 2006.

XNoot
4

Van Vliet Milieumanagement, 2007. Bedrijfstakken onder algemene regels tweede tranche. Erik van Vliet Milieumanagement, december 2007; InfoMil, 2008. Bedrijfstakken afvalsector onder algemene regels in de 2e tranche. Infomil, februari 2008.

XNoot
5

Capgemini, Deloitte, EIM en Ramboll Management. Nulmeting administratieve lasten bedrijven 2007, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In opdracht van Regiegroep Regeldruk, 2008.

XNoot
6

Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties (PbEG L 85).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.