Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2014, 20AMvB

Besluit van 6 januari 2014 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten en herstel van gebreken van wetstechnische en inhoudelijk ondergeschikte aard)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 september 2013, nr. IenM/BSK-2013/119295, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135);

Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42, 10.2, tweede lid, 10.32, van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onder i, 2.1, derde lid, 2.14, zesde lid, 2.17 en 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 3.1, eerste lid, 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6, 6.7 en 6.12, onderdeel e, van de Waterwet, de artikelen 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de artikelen 6 en 65 van de Wet bodembescherming en artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november, nr. W14.13.0320/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 december 2013 nr. IenM/BSK-2013/275571, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan de begripsomschrijving van «agrarische activiteiten» wordt voor de puntkomma aan het slot toegevoegd: , daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

2. De begripsomschrijving van «agrarische bedrijfsstoffen» komt te luiden:

dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, kuilvoer, bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn, gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong en restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen, voor zover geen sprake is van inerte goederen.

3. De begripsomschrijving van «autowrak» komt te luiden:

  • 1°. bedrijfsauto als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een gewicht van ten hoogste 3500 kilogram,

  • 2°. personenauto als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en

  • 3°. bromfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, niet zijnde een voertuig op twee wielen,

die een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet;.

4. In de begripsomschrijving van «driftarme dop» wordt «tweede lid» vervangen door: eerste lid.

5. In de begripsomschrijving van «odour unit» wordt «NEN-EN-13725» vervangen door: NEN-EN 13725.

6. In de begripsomschrijving van «verblijfsruimten» wordt «artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder» vervangen door: artikel 1.1, onderdeel d, van het Besluit geluidhinder.

7. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen:

inrichting voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen;

tweewielig motorvoertuig:

bromfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zijnde een voertuig op twee wielen of motorfiets als bedoeld in die regeling;

wrak van een tweewielig motorvoertuig:

tweewielig motorvoertuig dat een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet;.

B

In artikel 1.3a vervalt: 10.30, derde lid,.

C

Artikel 1.3b komt te luiden:

Artikel 1.3b

Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn opgesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden:

  • a. bij het verrichten van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden;

  • b. bij het lozen van koelwater.

D

Na artikel 1.3b wordt in paragraaf 1.1.2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.3c

Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde beschouwd als onderdeel van die inrichting.

E

Artikel 1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na «4.74c,» ingevoegd «4.74k, 4.74n,».

b. In onderdeel c vervallen: «3.3a, 3.5, 3.6 tot en met 3.6b,» en «3.131, 3.138, 3.150 en 3.152».

c. In de onderdelen a en b wordt na «3.5,», ingevoegd: 3.5e tot en met 3.5g,.

d. In de onderdelen a, b en c wordt na «3.31,» ingevoegd «3.32,».

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor lozen op of in de bodem anders dan vanuit een inrichting afkomstig van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee samenhangen.

F

Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat aan de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12, dan wel de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning kan worden voldaan.

2. In het vijfde lid wordt «in andere gevallen dan die genoemd in het eerste tot en met zesde lid» vervangen door: in andere gevallen dan die genoemd in het eerste tot en met derde lid.

G

Na artikel 1.17 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.17a

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van de oprichting van een zuiveringtechnisch werk of de wijziging van een bestaand zuiveringtechnisch werk die de lozing van dat werk op een oppervlaktewaterlichaam beïnvloedt, tevens de volgende gegevens gemeld:

  • a. de ontwerpcapaciteit, uitgedrukt in inwonerequivalenten, en de toename van de ontwerpcapaciteit tussen 1 september 1992 en het tijdstip van de melding,

  • b. het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meter per dag,

  • c. de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meter per uur,

  • d. de te verwachten concentraties biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, totaal fosfor en totaal stikstof in het te lozen afvalwater in milligram per liter,

  • e. de resultaten van een immissietoets van de concentraties totaal fosfor en totaal stikstof, uitgevoerd overeenkomstig een daartoe krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen BBT-informatiedocument (Handboek immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater), en

  • f. de te verwerken afvalstoffen die per as van buiten de inrichting worden aangevoerd, de daarbij toe te passen best beschikbare verwerkingstechnieken en het acceptatie- en verwerkingsbeleid.

H

Artikel 1.22 wordt vernummerd tot artikel 2.

I

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het is verboden:

    • a. afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.5, 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.23d, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.104, 4.104b en 4.104c,

    • b. afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.3, 3.6a, 3.60, 3.61, 3.62, 3.150, 4.74c en 4.104e.

2. In het tweede lid wordt «het eerste lid» vervangen door: het eerste lid, onder a,.

3. In het vijfde lid wordt «Het eerste en het tweede lid» vervangen door: Het eerste lid, onder a, en het tweede lid.

J

In artikel 2.2b, vierde lid, wordt «artikel 1.22, onder b» vervangen door: artikel 2, onder b.

K

Artikel 2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel r wordt «NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2» vervangen door: NEN-EN-ISO 15681-1 en NEN-EN-ISO 15681-2.

b. In onderdeel t wordt «ISO 11083» vervangen door: NEN-ISO 11083.

c. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel t door een punt vervalt onderdeel u.

2. In het tweede lid wordt «NEN-6600-1» vervangen door: NEN 6600-1.

L

In artikel 2.4 wordt na «4.54,» ingevoegd: 4.54a,.

M

In artikel 2.7, derde lid, wordt na «4.54,» ingevoegd: 4.54a,.

N

Artikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «4.54,» ingevoegd: 4.54a,.

2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt «ISO 16740» vervangen door: NEN-ISO 16740.

b. In onderdeel e wordt «ISO 5713» vervangen door: NEN-ISO 15713.

O

Artikel 2.8a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «C-inrichting» vervangen door: inrichting type C.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

P

Artikel 2.14a, achtste lid, komt te luiden:

  • 8. Het is verboden afvalstoffen te verdichten, tenzij:

    • a. het geen gevaarlijke afvalstof betreft, en

    • b. het verdichten geen belemmering vormt voor de nascheiding of recycling.

Q

In artikel 2.17, zesde lid, onder b, wordt «tabel 2.17a» vervangen door: tabel 2.17g.

R

In artikel 2.23a wordt na «opslagtank» ingevoegd: waarop artikel 3.29, aanhef en onderdeel a of b, van toepassing is,.

S

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die:

  • a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft, of

  • b. een inrichting type C drijft, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121.

T

In artikel 3.1, vierde lid, wordt «circulaire bodemsanering 2009» vervangen door: circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.

U

Artikel 3.4, eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. 3.000 meter bij 100 of meer inwonerequivalenten.

V

In paragraaf 3.1.4a worden na artikel 3.5d drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.5e

  • 1. Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met zevende lid.

  • 2. Een zuiveringtechnisch werk wordt zodanig ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat onder alle normale plaatselijke weersomstandigheden de doelmatige werking daarvan is gewaarborgd, ongebruikelijke situaties daarbij buiten beschouwing gelaten.

  • 3. De plaats van de lozing en de benedenstroomse afvoer zijn van dien aard dat nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 4. Stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwonerequivalenten of meer ondergaat in een zuiveringtechnisch werk een zodanige behandeling, dat het voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten minste voldoet aan de volgende grenswaarden:

    Parameters

    Grenswaarde in etmaalmonster

    Grenswaarde als voortschrijdend jaargemiddelde

    Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5 bij 20 °C) zonder nitrificatie

    20 milligram O2 per liter

     

    Chemisch zuurstofverbruik (CZV)

    125 milligram O2 per liter

     

    Totale hoeveelheid onopgeloste stoffen

    30 milligram per liter

     

    Totaal fosfor (ontwerpcapaciteit van meer dan 100.000 inwonerequivalenten)

     

    1,0 milligram per liter

    Totaal fosfor (ontwerpcapaciteit van 2.000 tot en met 100.000 inwonerequivalenten)

     

    2,0 milligram per liter

    Totaal stikstof (ontwerpcapaciteit van 20.000 inwonerequivalenten of meer)

     

    10 milligram per liter

    Totaal stikstof (ontwerpcapaciteit van 2.000 tot 20.000 inwonerequivalenten)

     

    15 milligram per liter

  • 5. De beoordeling of bij het lozen wordt voldaan aan de grenswaarden, genoemd in het vierde lid, geschiedt overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 6. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam daartoe noodzaakt, bij maatwerkvoorschrift lagere grenswaarden vaststellen dan de grenswaarden, genoemd in het vierde lid.

  • 7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift op verzoek van het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon die krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringtechnisch werk, de grenswaarden voor de concentraties totaal fosfor en totaal stikstof, genoemd in het vierde lid, niet van toepassing verklaren en hogere grenswaarden vaststellen dan de grenswaarden, bedoeld in dat lid, indien het percentage van totaal fosfor onderscheidenlijk totaal stikstof dat uit het stedelijk afvalwater wordt verwijderd en dat op de onder de zorg van hetzelfde openbaar lichaam of dezelfde andere rechtspersoon staande gezamenlijke zuiveringtechnische werken wordt aangevoerd, ten minste 75 procent bedraagt en het een zuiveringtechnisch werk betreft:

    • a. dat voor 1 september 1992 in bedrijf is genomen en waarvan de ontwerpcapaciteit sinds die datum met niet meer dan 25 procent is uitgebreid, of

    • b. met een ontwerpcapaciteit van minder dan 20.000 inwonerequivalenten.

Artikel 3.5f

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden bij een zuiveringtechnisch werk» verstaan: andere dan de reguliere bedrijfsomstandigheden, niet zijnde een ongewoon voorval, zoals onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, waardoor onderdelen van het zuiveringsproces tijdelijk buiten bedrijf worden gesteld.

  • 2. In het geval van voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden als bedoeld in het eerste lid die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het na zuivering te lozen afvalwater, kan het bevoegd gezag op verzoek van het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon die krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringstechnisch werk voor een door hem vast te stellen periode bij maatwerkvoorschrift de grenswaarden, genoemd in artikel 3.5e, vierde, zesde of zevende lid, niet van toepassing verklaren en hogere grenswaarden vaststellen alsmede tijdelijk aanvullende maatregelen voorschrijven om de nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 3.5g

  • 1. Het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon welke krachtens artikel 3.4 van de Waterwet is belast met de zorg voor een zuiveringtechnisch werk voor de behandeling van stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000 inwonerequivalenten of meer bemonstert zowel het inkomende, onbehandelde stedelijk afvalwater als het te lozen gezuiverde stedelijk afvalwater, analyseert de monsters en beoordeelt de resultaten daarvan overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Het openbaar lichaam of een andere rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid legt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan Onze Minister een overzicht over van de onder zijn zorg staande zuiveringtechnische werken en van de resultaten van de bemonstering, analyse en beoordeling, bedoeld in dat lid.

W

In het opschrift van paragraaf 3.3.2 wordt «motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen» vervangen door: motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen.

X

Artikel 3.23a komt te luiden:

Artikel 3.23a

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen,

  • b. het verwijderen van graffiti van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, of

  • c. het stallen en uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Y

Artikel 3.23b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen» vervangen door: motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

    • a. per week ten hoogste een spoorvoertuig of een motorvoertuig of werktuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen, en

    • b. per jaar ten hoogste twee werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen.

Z

In artikel 3.23c, eerste lid, wordt «motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen» vervangen door: motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen.

AA

Artikel 3.24 wordt vervangen door:

Artikel 3.23d

  • 1. Bij het lozen op of in de bodem of in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als gevolg van het uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid.

  • 2. Het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen, die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 3. Bij het lozen op of in de bodem bevat het afvalwater in enig steekmonster ten hoogste 20 milligram olie per liter en wordt het afvalwater gelijkmatig verspreid over een onverharde bodem.

  • 4. Bij het lozen in een vuilwaterriool bevat het afvalwater in enig steekmonster ten hoogste:

    • a. 200 milligram olie per liter;

    • b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 5. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

Artikel 3.24

Het lozen op of in de bodem van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, is toegestaan:

  • a. indien in de inrichting per week ten hoogste een spoorvoertuig, motorvoertuig of werktuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen,

  • b. indien in de inrichting per jaar ten hoogste twee werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen, of

  • c. indien het lozen plaatsvindt als gevolg van het uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

BB

In artikel 3.25 vervalt «bij agrarische activiteiten».

CC

In het opschrift van paragraaf 3.3.3 wordt na «autowrakken» ingevoegd: of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

DD

Artikel 3.26 komt te luiden:

Artikel 3.26

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

  • b. het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

  • c. het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren en het aftappen van vloeistoffen,

  • d. het opslaan van afvalstoffen die vrijkomen bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, en

  • e. het neutraliseren van airbags en gordelspanners.

EE

Artikel 3.26c, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van:

    • a. het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

    • b. het voor demontage aanwezig hebben van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen die vloeistoffen bevatten, of

    • c. het opslaan van vloeistof bevattende onderdelen van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

    wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

FF

In artikel 3.26h, tweede lid, onderdeel a, wordt «, of» vervangen door een puntkomma.

GG

Artikel 3.31 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type B van toepassing op het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.3, 3.4.1, 3.4.2, 3.4.5 tot en met 3.4.7, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7.

2. In het derde lid, onderdeel a, onder 1°, wordt na «autodemontagebedrijf» ingevoegd: of een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen.

HH

In artikel 3.36, tweede lid, wordt na «beperken van geurhinder» ingevoegd: ten minste.

II

Artikel 3.57 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift buiten de donkerteperiode een ander percentage dan het percentage, bedoeld in het eerste lid, vaststellen.

JJ

In artikel 3.63, eerste lid, vervalt onderdeel c en worden de onderdelen d tot en met j geletterd c tot en met i.

KK

In de artikelen 3.66, eerste lid, en 3.71, zesde lid, vervalt: in een vuilwaterriool.

LL

In artikel 3.70 wordt «de artikelen 3.56 tot en met 3.63» vervangen door: de artikelen 3.56 tot en met 3.64.

MM

In artikel 3.72, eerste lid, onderdeel g, wordt aan het slot «of» vervangen door: en.

NN

Artikel 3.76, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien:

    • a. het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool, waarop geloosd kan worden en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten en geloosd meer dan 40 meter bedraagt, of

    • b. het afvalwater afkomstig is van een teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt, van een ruimte waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast of van een ruimte waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden, en

    • c. in het te lozen afvalwater, bedoeld in de onderdelen a en b:

      • 1°. het gehalte aan onopgeloste stoffen ten hoogste 100 milligram per liter bedraagt,

      • 2°. het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en

      • 3°. het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik ten hoogste 60 milligram per liter bedraagt.

OO

Artikel 3.79 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid.

2. Na het zevende lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. De toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud vindt pleksgewijs en driftvrij plaats.

PP

In artikel 3.83, zesde lid, wordt «van ten minste 5 meter» telkens vervangen door: groter dan 5 meter.

QQ

In artikel 3.85, eerste lid, wordt na «een teelvrije zone» ingevoegd: als bedoeld in artikel 3.79, tweede lid,.

RR

Artikel 3.90 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de gietwatervoorziening bij agrarische activiteiten» vervangen door: de waterbehandeling voor agrarische activiteiten.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. aan het slot van onderdeel b wordt de puntkomma vervangen door een punt.

b. onderdeel c vervalt.

SS

Artikel 3.111, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 3.112 tot en met 3.129 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren.

TT

In artikel 3.115, tweede lid, onderdeel a, vervalt: met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 3.116, derde lid.

UU

Artikel 3.116, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de geurbelasting op het object, bedoeld in de onderdelen a, b of c van dat lid, lager is dan de waarde die volgens artikel 3.115, eerste lid, geldt voor het gebied waarin dat object ligt.

VV

Artikel 3.117, eerste lid, aanhef, komt te luiden:

Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:.

WW

Artikel 3.126 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste lid tot tweede lid wordt voor het tweede lid (nieuw) een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Bij het lozen van spuiwater van een luchtwassysteem wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

2. Het tweede lid (oud) vervalt.

3. In het derde lid wordt «het eerste lid» vervangen door: het tweede lid.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

XX

Artikel 3.127 komt te luiden:

Artikel 3.127

  • 1. Bij het lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.

  • 2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter.

  • 3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

YY

Artikel 3.128 vervalt.

ZZ

In artikel 3.129, tweede lid, vervalt: in de inrichting.

AAA

In afdeling 3.5 wordt na artikel 3.129 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.5.9. Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren

Artikel 3.129a

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen voor landbouwhuisdieren die binnen dezelfde inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit voor het bereiden van brijvoer ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt.

Artikel 3.129b

Bij het bereiden van brijvoer wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

BBB

In de artikelen 3.133, tweede lid, en 3.137, tweede lid, wordt «IPPC-inrichtingen» vervangen door: een IPPC-installatie.

CCC

Artikel 3.134 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid vervalt.

2. Het vijfde en zesde lid worden vernummerd tot vierde en vijfde lid.

DDD

In artikel 3.138, eerste lid, vervalt: aangewezen.

EEE

Artikel 3.139 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen van afvalwater, bedoeld in dat lid, toestaan. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

FFF

Artikel 4.74k wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt aan het slot van onderdeel a «of» vervangen door: en.

2. Het vierde lid vervalt.

3. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

GGG

In artikel 4.74l, derde lid, wordt aan het slot van onderdeel a «of» vervangen door: en.

HHH

Artikel 4.74n wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt aan het slot van onderdeel a «of» vervangen door: en.

2. Het derde lid vervalt.

3. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

III

In het opschrift van paragraaf 4.6.4 wordt «spoorwegvoertuigen» vervangen door: spoorvoertuigen.

JJJ

Artikel 4.83, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

KKK

Artikel 4.84, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. In een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen of een inrichting voor het opslaan van wrakken van tweewielige motorvoertuigen in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie, zijn niet meer dan vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen aanwezig.

2. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. Het is niet toegestaan, anders dan bij een autodemontagebedrijf of een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen, een autowrak onderscheidenlijk een wrak van een tweewielig motorvoertuig en de daarin aanwezige materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen, tenzij het betreft:

    • 1°. de opslag, of

    • 2°. accessoires die worden gedemonteerd omdat de laatste eigenaar of houder van het autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig hierom anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan hij eigenaar of houder is.

LLL

In artikel 4.85 wordt «artikel 4.84, derde lid» vervangen door: artikel 4.84, vierde lid.

MMM

In artikel 4.94b, eerste lid, wordt aan het slot van onderdeel b «en» vervangen door: of.

NNN

In artikel 4.103g, onderdeel e, vervalt: voor agrarische activiteiten.

OOO

Artikel 4.104c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid vervalt: of ontsmetten.

2. Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening als bedoeld in het tweede lid en wordt verspreid over een onverharde bodem.

PPP

Artikel 4.104e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt aan het slot van onderdeel a «of» vervangen door «en».

2. In het vierde lid wordt «derde lid» vervangen door: tweede lid.

QQQ

Artikel 6.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 2.2, eerste of tweede lid» vervangen door: artikel 2.2, eerste lid, onder a, of tweede lid.

2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Voor het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, waarvoor op 24 april 2013 een ontheffing gold op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de wet, geldt gedurende de op die datum resterende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, waarvan de inhoud overeenkomt met de ontheffing.

RRR

In artikel 6.4, eerste lid, wordt «als gedoeld in artikel 6.1, eerste lid» vervangen door: als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid.

SSS

In artikel 6.17, tweede lid, wordt na «de artikelen 3.26c, derde lid,» ingevoegd «3.26f, derde lid,» en vervalt «3.44, derde lid,».

TTT

Aan artikel 6.20 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.

UUU

In het opschrift van paragraaf 6.11 wordt na «het wegverkeer» toegevoegd: en aan spoorvoertuigen.

VVV

Paragraaf 6.12 vervalt.

WWW

Paragraaf 6.13a vervalt.

XXX

In artikel 6.24f, eerste lid, wordt na «technisch» ingevoegd: of teelttechnisch.

YYY

De artikelen 6.24i en 6.24j vervallen.

ZZZ

Artikel 6.24k wordt genummerd artikel 6.24i.

AAAA

Artikel 6.24j komt te luiden:

Artikel 6.24j

In afwijking van artikel 3.63, tweede lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

BBBB

Na artikel 6.24m wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.24m1

In afwijking van artikel 3.76, derde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

CCCC

Artikel 6.24n komt te luiden:

Artikel 6.24n

Artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden.

DDDD

Na artikel 6.24o wordt in paragraaf 6.13g een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.24o1

In afwijking van artikel 3.91, tweede lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

EEEE

Na het opschrift van paragraaf 6.13h worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6.24o2

  • 1. In afwijking van artikel 3.100, vierde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

  • 2. In afwijking van artikel 3.100, vierde lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in de bodem dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 6.24o3

In afwijking van artikel 3.102, zevende lid, onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

FFFF

Artikel 6.24x wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «voor 1 januari 2008» vervangen door: voor het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een inrichting waarop met ingang van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit mestbassins milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was.

GGGG

Het opschrift van paragraaf 6.13m komt te luiden:

§ 6.13m. Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis, bewerken van dierlijke bijproducten of industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken

HHHH

In artikel 6.24y, eerste en tweede lid, wordt «Artikel 3.134, derde en vierde lid» vervangen door: Artikel 3.134, derde lid, en artikel 3.139, zesde lid.

IIII

Paragraaf 6.13n vervalt.

JJJJ

In artikel 6.25a wordt «datum inwerkingtreding» vervangen door: datum van inwerkingtreding.

KKKK

In het opschrift van paragraaf 6.23 wordt «spoorwegvoertuigen» vervangen door: spoorvoertuigen.

LLLL

Artikel 6.34c wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.»geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «zouden worden» vervangen door: werden.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Artikel 4.104a, tweede lid, is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd.

MMMM

Na artikel 6.34c wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 6.24. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een laboratorium of praktijkruimte

Artikel 6.35

Artikel 4.124, derde lid, is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften zoals die luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in artikel 4.124, eerste lid.

NNNN

De volgende besluiten worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd in artikel 6.43:

Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen,

Besluit verbranden afvalstoffen,

Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.

ARTIKEL II

Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste tot en met derde lid vervalt: , niet zijnde een inrichting waarin zich een IPPC-installatie bevindt,.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel d wordt «artikel 4.84, tweede lid» vervangen door: artikel 4.84, derde lid.

b. De punt aan het slot van onderdeel f wordt vervangen door een puntkomma.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, anders dan de activiteiten met wrakken van tweewielige motorvoertuigen als bedoeld in artikel 4.84, derde lid, van dat besluit.

3. Het vierde lid, onder b, komt te luiden:

  • b. het aanvangen met of het veranderen van het vervaardigen van betonmortel, het vervaardigen en bewerken van betonproducten en daarbij de op- en overslag van grind, zand, cement en vulstof en het breken van restproducten ten behoeve van de vervaardiging van betonmortel.

4. In het vijfde lid wordt «het verwerken van polyesterhars» vervangen door:

  • a. het aanvangen met de verwerking van polyesterhars,

  • b. verhogen van de capaciteit voor de verwerking van polyesterhars, of

  • c. veranderen van de manier van verwerking van polyesterhars.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie.

B

Artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover die veranderingen betrekking hebben op een activiteit die geen deel uitmaakt van een IPPC-installatie en op die activiteit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is, tenzij het betreft veranderingen:

    • a. waarop paragraaf 3.5.8 van dat besluit van toepassing is, of

    • b. van een activiteit, aangewezen in bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a.

2. Het derde lid vervalt.

C

In artikel 5.4, derde lid, onder b, wordt «EG-verordening indeling,etiketteringenverpakkingvanstoffenenmengsels» vervangen door:

EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

D

In artikel 5.13b, tweede lid, wordt «artikel 2.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met f» vervangen door: artikel 2.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met g.

E

In bijlage I, onderdeel A, worden de volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

stookinstallatie:

stookinstallatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

wrak van een tweewielig motorvoertuig:

wrak van een tweewielig motorvoertuig als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

F

Bijlage I, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:

1. In categorie 1.4, onder a, wordt «biogas» vervangen door: vergistinggas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

2. In categorie 4.4 vervalt onderdeel i en worden de onderdelen j tot en met o geletterd i tot en met n.

3. In categorie 5.4, onder a, wordt na «afgewerkte olie» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen.

4. Categorie 7.5 wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel i wordt «van ten minste» telkens vervangen door: groter dan.

b. In onderdeel j wordt «van ten minste 750 vierkante meter of een gezamenlijke inhoud van ten minste 2.500 kubieke meter» vervangen door: groter dan 750 vierkante meter of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 kubieke meter.

5. In categorie 8.2, onder b, wordt «onder j en k» vervangen door: onder p en q.

6. Categorie 8.3 wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel k dat volgt op onderdeel j wordt «anders dan een gpbv-installatie die betrekking heeft op het aantal dierplaatsen» vervangen door: anders dan pluimvee, vleesvarkens of zeugen.

b. Onderdeel k dat volgt op onderdeel p wordt geletterd onderdeel q.

7. Categorie 11.3, onder k, komt te luiden:

  • k. het breken, malen, zeven of drogen van:

    • 1°. zand, grond, grind of steen, met uitzondering van puin en mergel;

    • 2°. kalkzandsteen, kalk;

    • 3°. steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan,

    met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kg per jaar of meer, indien zodanige inrichting niet een inrichting is voor zand- of grindwinning, waarvoor op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet een vergunning is vereist;.

8. In categorie 19.4, onder f, wordt na «traditioneel schieten» ingevoegd: of het paintballspel.

9. Categorie 28.10 wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel 8° komt te luiden:

  • 8°. het, met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor vloeibare gevaarlijke afvalstoffen en 1.000 gedemonteerde airbags en gordelspanners, demonteren van autowrakken of demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarbij het:

    • a. aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen;

    • b. opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen;

    • c. opslaan van bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen vrijkomende afvalstoffen;

    • d. neutraliseren van airbags en gordelspanners niet zijnde het ontsteken van mechanische airbags buiten het autowrak of wrak van een tweewielig motorvoertuig;

    • e. aftanken van bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen vrijkomende vloeibare brandstofresten ten behoeve van eigen gebruik.

b. In onderdeel 16° wordt na «overige voertuigwrakken» ingevoegd: en ten hoogste vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

c. In onderdeel 17° wordt na «het opslaan van autowrakken» ingevoegd: , wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

d. In onderdeel 28°, onder b, wordt «het versnipperen en composteren» vervangen door: het opslaan, versnipperen en composteren.

ARTIKEL III

Het Waterbesluit wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1.1, eerste lid, vervalt het begrip «SPF» met de daarbij behorende begripsomschrijving.

2. In artikel 2.3, eerste lid, wordt «de artikelen 6.5 en 6.6 in ieder geval overeenkomstig de in artikel 6.7, eerste lid,» vervangen door: de artikelen 3.5e en 3.5f van het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval overeenkomstig de in artikel 3.5g, eerste lid, van dat besluit.

3. De artikelen 6.4 tot en met 6.7 vervallen.

4. In Bijlage II Oppervlaktewaterlichamen in Rijksbeheer (bijlage bij de artikelen 1.1 en 3.1 van het Waterbesluit) onderdeel 2.10, wordt aan het slot van de zinsnede «Gekanaliseerde Dieze, Kanaal Engelen-Henriéttewaard» toegevoegd: , Oude Maasje en Zuiderkanaal, Markkanaal.

5. In Bijlage III Waterkeringen in beheer bij het Rijk (Bijlage bij artikel 3.2 van het Waterbesluit), onderdeel 1, wordt na de zinsnede «– Marksluis;» op een nieuwe regel de zinsnede ingevoegd: Westelijke kanaaldijk Afwateringskanaal ’s-Hertogenbosch Drongelen;.

ARTIKEL IV

Bijlage II bij het Besluit OM-afdoening wordt als volgt gewijzigd:

1. «Nummers BM 173 – BM 220 en BM 329-330: Besluit Algemene Regels voor Inrichtingen Milieubeheer (Barim)» wordt vervangen door «Nummers BM 173 – BM 220 en BM 329-330: Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm)».

2. In de kolom genaamd «artikelen« die behoort bij de BM-nummers, genoemd onder 1, wordt «Barim» telkens vervangen door «Abm».

3. «Nummers BM 221 – BM 223: Regeling Algemene Regels voor Inrichtingen Milieubeheer (Rarim)» wordt vervangen door «Nummers BM 221 – BM 223: Activiteitenregeling milieubeheer (Arm)».

4. In de kolom genaamd «artikelen» die behoort bij die BM-nummers, genoemd onder 3, worden «Barim» en «Rarim» telkens vervangen door «Abm» onderscheidenlijk «Arm».

ARTIKEL V

In artikel 3, tweede lid, onder a, van het Besluit van 1 maart 1989, tot vaststelling van het hoogste toelaatbaar organisch-halogeengehalte van brandstoffen of grondstoffen van brandstoffen, wordt «10.63, derde lid, van de Wet milieubeheer» vervangen door: 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

ARTIKEL VI

Het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel e wordt vervangen door: , en.

2. Aan het slot van onderdeel f wordt «; en» vervangen door een punt.

3. Onderdeel g vervalt.

B

In artikel 1.3 wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel c vervangen door een punt en vervallen de onderdelen d en e.

C

In artikel 1.10, eerste lid, wordt «3a.8» vervangen door: 3a.2.

D

In artikel 1.10a, vijfde lid, onderdeel b, wordt «eerste lid» vervangen door: derde lid.

E

Artikel 2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Het is verboden:

    • a. afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij dat lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.8, 3.10, 3.13, 3.14, 3.16, 3.22, 3.24 en 3a.2;

    • b. afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij dat lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.10, 3.13, 3.22, 3.24 en 3a.2.

2. In het tweede lid wordt «waaraan regels zijn gesteld in» vervangen door: dat is toegestaan bij of krachtens.

F

In artikel 3.1, vierde lid, wordt «circulaire bodemsanering 2009» vervangen door: circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.

G

Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het eerste lid wordt «leidingwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet» vervangen door: drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

2. In het tweede en derde lid wordt «het leidingwater» vervangen door: het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater.

H

Artikel 5.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 2.2, eerste en tweede lid» vervangen door: artikel 2.2, eerste lid, onder a, of tweede lid.

2. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid wordt na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Voor het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, waarvoor op 24 april 2013 een ontheffing gold op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de wet, geldt gedurende de op die datum resterende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, waarvan de inhoud overeenkomt met de ontheffing.

ARTIKEL VII

Het Besluit lozing afvalwater huishoudens wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, derde lid, vervalt en het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

B

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

  • 1. Degene die loost en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het lozen nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

  • 2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan:

    • a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;

    • b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;

    • c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;

    • d. de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • e. het doelmatig beheer van afvalwater.

  • 3. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden een verplichting de activiteiten die met het lozen samenhangen te beschrijven, alsmede metingen, berekeningen of tellingen te verrichten ter bepaling van de mate waarin het lozen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

ARTIKEL VIII

  • 1. Een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet.

  • 2. Onverminderd artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, indien:

    • a. die aanvraag is ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, en

    • b. op die aanvraag vóór het tijdstip, bedoeld in onderdeel a, nog niet onherroepelijk is beslist.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet op het tijdstip waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. De voorschriften die aan die omgevingsvergunning zijn verbonden, worden overeenkomstig artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

ARTIKEL IX

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel III, aanhef en onderdelen 4 en 5, werkt terug tot en met 1 januari 2014, met dien verstande dat deze onderdelen van kracht worden op het tijdstip onmiddellijk volgend op de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen D en E van het Besluit van 20 september 2013 tot wijziging van het Waterbesluit (informatieplicht waterschapsbesturen; subsidiëring HWBP-2 projecten) (Stb. 373).

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 6 januari 2014

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

Uitgegeven de eenentwintigste januari 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit wijzigingsbesluit bevat een verzameling wijzigingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit), het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), het Waterbesluit en het Besluit OM-afdoening. De meeste wijzigingen zijn wetstechnisch en reparatoir van aard en van inhoudelijk ondergeschikte aard. Het gaat onder meer om kleine redactionele correcties, verduidelijkingen en het herstel van verwijzingen naar vernummerde artikelen of andere technische fouten. Het merendeel van de wijzigingen is gericht op een goede verwerking van eerder doorgevoerde wijzigingen (Stb. 2012, 441 (integratie van agrarische activiteiten in het Activiteitenbesluit) en Stb. 2012, 558 (de zogenaamde wijziging derde tranche). Daarnaast bevat het wijzigingsbesluit een beperkte uitbreiding van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit in vervolg op eerdere wijzigingen waarin vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit werden gebracht, te weten demontage van tweewielige motorvoertuigen (brom-, snor- en motorfietsen) en lozingen vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties, ook wel «rwzi’s genoemd (hierna: zuiveringtechnische werken). De afzonderlijke wijzigingen worden in de artikelsgewijze toelichting behandeld.

Hieronder volgt een nadere toelichting van de beperkte uitbreiding van de reikwijdte van het Activiteitenbesluit.

2. Aanleiding

Vanuit de wens om tot vereenvoudiging van regelgeving en vermindering van administratieve en bestuurslasten te komen, wordt door het ministerie van Infrastructuur en Milieu1 sinds 2008 gewerkt aan het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit is een groot aantal activiteiten en bedrijfstakken (inrichtingen) onder algemene regels gebracht, onder vrijstelling van de vergunningplicht of omzetting van de omgevingsvergunning met een uitgebreide voorbereidingsprocedure (hierna: omgevingsvergunning milieu) naar een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM). In verschillende tranches worden steeds weer nieuwe activiteiten en bedrijfstakken onder algemene regels gebracht. Zo ook met dit wijzigingsbesluit aangezien wachten op een volgende wijziging van het Activiteitenbesluit (vooralsnog de vierde tranche de voorlopig laatste tranche waarmee nieuwe bedrijfstakken onder algemene regels worden gebracht) door het bedrijfsleven en het bevoegd gezag niet is gewenst.

Voor de zuiveringtechnische werken is het zuiveringsproces vanaf 1 januari 2011 al onder het Activiteitenbesluit komen te vallen, maar de lozingen vanuit de zuiveringtechnische werken waren hierbij vooralsnog uitgezonderd. Destijds is besloten om de eventuele omzetting van de lozingsvergunningen krachtens de Waterwet naar algemene regels aan te houden tot een volgende wijziging teneinde de gewenste opzet en consequenties van deze omzetting zorgvuldig vorm te kunnen geven. Er heeft destijds een brede afstemming met belanghebbenden (Rijkswaterstaat en waterschappen) plaatsgevonden. Tevens heeft de uitvoeringstoets plaatsgevonden en is het ontwerp voorgepubliceerd in de Staatscourant2 met het oog op het mogelijk maken van inspraak. Rijkswaterstaat en de waterschappen hebben de nadrukkelijke wens om het regime voor lozingen zo snel mogelijk gelijk te trekken met het regime voor de overige milieuaspecten zoals neergelegd in de algemene regels. Met dit wijzigingsbesluit is het mogelijk op een duurzamere wijze stedelijk afvalwater te zuiveren. Verder uitstel is dus niet gewenst.

Het brom-, snor- en motorfietspark neemt in Nederland al sinds enige tijd toe. Jaarlijks worden ongeveer 70.000 nieuwe brom- en snorfietsen verkocht, het totaal aantal rijdende brom- of snorfietsen in Nederland komt neer op meer dan één miljoen stuks. De laatste drie jaar is het aantal brom- en snorfietsen dat voor demontage (sloop) werd aangemeld ieder jaar toegenomen. In de afgelopen drie jaar (2009–2011) zijn er 39.456 brom- en snorfietsen voor demontage gemeld bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW).

Daarnaast nemen er ongeveer 700.000 motorfietsen in Nederland deel aan het verkeer. Jaarlijks komen er ongeveer 11.000 motorfietsen bij. In de periode 2009–2011 zijn 10.894 motorfietsen voor demontage gemeld bij de RDW.

Met de invoering van de OBM voor het demonteren van autowrakken per 1 januari 2011 (Besluit van 15 november 2010, Stb. 2010, 781) is het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen niet meegenomen, terwijl het om een vergelijkbare activiteit gaat. Gelet hierop, de grootte van het brom-, snor- en motorfietspark in Nederland en het toenemende aantal wrakken dat voor demontage wordt aangeboden, is er aanleiding om op zo kort mogelijke termijn en met zo min mogelijk administratieve lasten, het demonteren van tweewielige motorvoertuigen op te nemen in het Activiteitenbesluit.

3. Wijziging in verband met de Waterwet (zuiveringtechnische werken)

Dit wijzigingsbesluit brengt naast de reeds onder de werking van algemene regels gebrachte milieuaspecten ook de lozingen van zuiveringtechnische werken onder de algemene regels van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Dit gebeurt beleidsneutraal, waarbij wel van de gelegenheid gebruik is gemaakt om enkele gewenste wijzigingen door te voeren.

Het voorliggende besluit leidt daarom tot vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 6.2, eerste en tweede lid, van de Waterwet voor met name het brengen van stoffen in oppervlaktewaterlichamen vanuit zuiveringtechnische werken (zie artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van het Activiteitenbesluit, zoals gewijzigd door artikel I, onderdeel E, van dit wijzigingsbesluit). Dit besluit bevat een gedeeltelijke implementatie van de Europese richtlijn stedelijk afvalwater3 (hierna: richtlijn stedelijk afvalwater). Andere aspecten van deze richtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 2.3 van het Waterbesluit en artikel 10.33 van de Wet Milieubeheer. Dit wijzigingsbesluit leidt in verband met het voorgaande tevens tot het vervallen van de artikelen 6.4 tot en met 6.7 van het Waterbesluit. Daarnaast wordt in verband hiermee de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) gewijzigd en vervallen artikel 6.3 en bijlage VI van de Waterregeling. Het geheel vormt de omzetting van de artikelen 4, eerste, derde en vierde lid, 5, eerste tot en met vierde en achtste lid, 7, 10, 12, bijlage I.B en I.D van de richtlijn stedelijk afvalwater.

Opgemerkt dient te worden dat een groot aantal zuiveringtechnische werken vanwege de Europese richtlijn industriële emissies4 (hierna: richtlijn industriële emissies) en de plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport (hierna: MER) omgevingsvergunningplichtig blijven. Dit heeft overigens geen gevolgen voor de keuze om de lozingen van zuiveringtechnische werken onder algemene regels te brengen. Vanaf 2013 zijn de in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit opgenomen algemene regels gaan gelden voor alle vergunningplichtige inrichtingen (inrichtingen type C), waaronder ook de inrichtingen die vallen onder de werking van de richtlijn industriële emissies.

4. Demontagebedrijven voor tweewielige motorvoertuigen

Wrakken van tweewielige motorvoertuigen die gevaarlijke stoffen of voorwerpen bevatten, zijn gevaarlijke afvalstoffen. Het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen is gericht op de zoveel mogelijk nuttige toepassing van de vrijkomende stromen. De grenzen waarbij geen omgevingsvergunning milieu (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) is voorgeschreven, zijn opgenomen in categorie 28.10, onder 8, van het Bor. Op grond van de richtlijn industriële emissies kunnen demontagebedrijven voor tweewielige motorvoertuigen met een totale opslagcapaciteit voor vrijkomende vloeistoffen van meer dan vijftig ton onder de werking van die richtlijn vallen. Om die reden wordt een bovengrens aangehouden van vijftig ton voor die opslag. Met de nu doorgevoerde wijziging van het Bor zijn bedrijven die wrakken van tweewielige motorvoertuigen demonteren inrichtingen type B geworden.

Wel wordt voor deze sector met de OBM (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo) een toets vooraf mogelijk gemaakt.

De voorschriften voor deze sector zijn grotendeels opgenomen in paragraaf 3.3.3 (het demonteren van autowrakken en wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten). Daarin worden ook voorschriften gesteld aan het aftappen van vloeistoffen, het opslaan van een aantal bij het demonteren vrijkomende afvalstoffen en het neutraliseren van airbags en gordelspanners en de opslag van gedemonteerde airbags en gordelspanners voor zover deze nu of in de toekomst worden toegepast in tweewielige motorvoertuigen. Voor de opslag (en aflevering) van een aantal andere stoffen zijn voor deze sector nog specifieke voorschriften van toepassing: paragraaf 3.4.3 voor het opslaan en overslaan van goederen, paragraaf 4.1.1 voor het opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking met uitzondering van gedemonteerde airbags en gordelspanners, paragraaf 4.1.3 voor het opslaan van stoffen in opslagtanks en in paragraaf 3.3.1 voor het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer (aan derden of voor eigen gebruik). Wrakken van tweewielige motorvoertuigen die gevaarlijke stoffen en voorwerpen bevatten, kunnen onder dit wijzigingsbesluit ook voorkomen bij bergingsbedrijven en bij inrichtingen waar politie of justitie onderzoek verrichten. Bij tweewielerzaken die tweewielige motorvoertuigen repareren of onderhouden komen ook wrakken van tweewielige motorvoertuigen voor. De grenzen waarbij de omgevingsvergunning milieu niet is voorgeschreven, worden gegeven in categorie 28.10, onderdelen 16 en 17, van het Bor. Op de opslag van wrakken van tweewielige motorvoertuigen zijn de paragrafen 3.4.3 en 3.3.3 van toepassing. Specifiek voor tweewielerzaken die tweewielige motorvoertuigen repareren of onderhouden geeft artikel 4.84, derde lid, aan welke handelingen met een wrak van een tweewielig motorvoertuig uitgevoerd mogen worden. In artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor is bepaald in welke gevallen de OBM is voorgeschreven. Voor inrichtingen die wrakken van tweewielige motorvoertuigen willen demonteren, geldt de meldingsplicht met bijhorende meldingsvereisten van artikel 1.10 en artikel 1.16. Daarnaast zijn de algemene verplichtingen met betrekking tot het afvalbeheer uit afdeling 2.5 van toepassing op het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

5. Lozingen

In dit wijzigingsbesluit is het lozingsverbod, met uitzonderingen, opgenomen dat eerder was opgenomen in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Met ingang van 25 april 2013 is als gevolg van het permanent van kracht worden van de Crisis en herstelwet5 artikel 10.30 van de Wet milieubeheer ingetrokken.

In artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was een verbod opgenomen om afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te brengen. Het was de bedoeling dit verbod (met inbegrip van de uitzonderingen) bij algemene maatregel van bestuur te stellen. Daartoe zou tegelijkertijd met het schrappen van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer worden voorzien in een wijziging van het Activiteitenbesluit, het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozing afvalwater huishoudens. Abusievelijk is artikel 10.30 van de Wet milieubeheer echter al op 25 april 2013 in werking getreden, voordat genoemde besluiten zijn gewijzigd. Als gevolg hiervan geldt op dit moment onbedoeld geen verbod meer om afvalwater te lozen in een hemelwaterstelsel buiten de inrichting. Deze onwenselijke situatie wordt met dit wijzigingsbesluit beëindigd. Het lozingsverbod van het voormalige artikel 10.30 van de Wet milieubeheer is nu opgenomen in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit en artikel 2.2, eerste lid, onder b, van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarin zijn nu ook de eerdere vrijstellingen van het lozingsverbod van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer opgenomen, die eerder nog waren opgenomen in artikel 1.6, derde lid, van het Activiteitenbesluit en artikel 1.3 van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Voorts zijn de verwijzigen naar artikel 10.30 van de Wet milieubeheer die in het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen voorkwamen, vervallen.

6. Effecten voor bedrijfsleven, overheden en burger

Het tweede Kabinet Rutte heeft de ambitie om de regeldruk voor bedrijven merkbaar te verminderen. Met deze wijziging van het Activiteitenbesluit wordt in navolging van eerdere wijzigingen een beperkte uitbreiding van de reikwijdte gerealiseerd en de vergunningplicht op basis van de Waterwet voor zuiveringtechnische werken en de omgevingsvergunningplicht milieu voor de demontage van tweewielige motorvoertuigen omgezet in algemene regels. Voor demontage van tweewielige motorvoertuigen worden de algemene regels gecombineerd met een OBM. De voorschriften van dit wijzigingsbesluit zijn in overleg met de betreffende branches en het bevoegd gezag tot stand gekomen. Uitgangspunt hierbij was dat er geen verzwaringen zouden worden doorgevoerd. Verder zijn eventuele verschillen met eisen die worden gesteld aan vergelijkbare activiteiten waar mogelijk gelijkgetrokken.

Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de kabinetsambitie om de regeldruk voor bedrijven te verminderen.

Voor de berekening van de gevolgen van het wijzigingsbesluit en de wijzigingsregeling voor de administratieve lasten is aangesloten bij de nulmeting (ijkdatum 31 maart 2007)6 en de herberekening administratieve lastenreductie, zoals deze is gemaakt voor het Activiteitenbesluit en toegepast voor alle eerdere wijzigingen van het Activiteitenbesluit- en regeling. Bij de bestuurlijke lasten is gekeken naar de verandering tussen de situatie voor en na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit.

6.1 Administratieve lastenverlichting

Uit de resultaten van de berekening blijkt dat met dit wijzigingsbesluit een administratieve lastenverlichting van € 0,23 miljoen per jaar (70 bedrijven x € 6.543,– lastenverlichting omgevingsvergunning milieu –/– € 631,– gemiddelde melding Activiteitenbesluit –/– € 2.525,– lasten OBM) voor het bedrijfsleven wordt bewerkstelligd. Dit heeft te maken met het omzetten van de plicht tot het hebben van een omgevingsvergunning milieu in een OBM voor naar schatting 70 bedrijven die demontage-activiteiten van tweewielige motorvoertuigen uitvoeren of hiermee willen gaan starten. Dat zijn naar schatting twintig autodemontagebedrijven en vijftig brom- en snorfietshandelaren die zich hebben aangemeld of naar verwachting gaan aanmelden bij Stichting Recycling Nederland (hierna: SRN). Voor de motorendemontagebedrijven met omgevingsvergunning milieu (in totaal twintig) verandert er niets, omdat zij dezelfde demontage-activiteiten blijven uitvoeren en treedt er geen lastenverlichting of -verzwaring op. Op grond van het overgangsrecht (artikel V) wordt de verleende omgevingsvergunning milieu gelijkgesteld met een OBM.

6.2 Inhoudelijke nalevingskosten

Brom-, snor- en motorfietshandelaren die de demontage van tweewielige motorvoertuigen willen gaan uitvoeren, kunnen te maken krijgen met aanvullende eisen uit het Activiteitenbesluit:

  • Het uitvoeren van een bodemonderzoek

  • Het aanschaffen van een lekbak in het geval een lekkend wrak wordt ingenomen of andere bodembeschermende voorzieningen.

Autodemontagebedrijven moeten al aan deze aanvullende eisen voldoen vanwege hun demontage-activiteiten aan autowrakken. De brom-, snor- en motorfietshandelaren die wrakken van tweewielige motorvoertuigen willen demonteren, worden geconfronteerd met de eis van een lekbak in het geval een lekkend wrak wordt ingenomen (lekbak à € 200,–). Ervan uitgaande dat de brom-, snor- en motorfietshandelaren nog niet beschikken over een lekbak, betekent dit wijzigingsbesluit een zeer lichte toename van inhoudelijke nalevingkosten van € 2.000,– per jaar (50 brom-, snor- en motorfietshandelaren x € 200,–/5 jaar afschrijving). Van de bestaande brom-, snor- en motorfietshandelaren is het aannemelijk dat zij al bij oprichting van de inrichting een bodemonderzoek hebben moeten laten uitvoeren wegens bodembedreigende activiteiten (bijvoorbeeld wegens het repareren en onderhouden van de motor van een tweewielig motorvoertuig). Geconcludeerd kan worden dat dit wijzigingsbesluit nagenoeg geen gevolgen heeft voor de inhoudelijke nalevingkosten.

6.3 Bestuurlijke lasten

Met dit wijzigingsbesluit zijn lozingen van zuiveringtechnische werken, die worden beheerd door of onder de verantwoordelijkheid van de waterschappen, onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. In Nederland zijn 357 zuiveringtechnische werken, waarvan er 98 lozen op rijkswater en de overige op regionale wateren die in beheer zijn bij de waterschappen zelf. Voor de zuiveringtechnische werken is met de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit de vergunningplicht krachtens de Waterwet vervangen door algemene regels. Dit leidt tot een lastenreductie van € 0,5 miljoen per jaar voor zuiveringtechnische werken (357 zuiveringtechnische werken x gemiddeld € 12.455,– lastenverlichting omgevingsvergunning –/– € 631,– gemiddelde lasten Activiteitenbesluit). Voor de waterschappen en Rijkswaterstaat als bevoegd gezag leidt de wijziging ertoe dat men minder tijd nodig heeft voor het verwerken van meldingen in plaats van het verlenen van een vergunning. Daarentegen kan de lastenverlichting ook lager uitvallen doordat bij zuiveringtechnische werken de in de lozingsvergunningen opgenomen grenswaarden heel divers zijn en hierbij dus relatief veel maatwerk nodig zal blijven. Bij zeker meer dan de helft van de zuiveringtechnische werken zullen maatwerkvoorschriften worden opgelegd. Enerzijds omdat de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam vraagt om strengere lozingseisen omwille van geringe verdunning (immissie-toets), zoals eutrofiëringsgevoelige wateren of wateren met een specifieke gebruiksfunctie (zwemwater en water gebruikt als grondstof voor drinkwaterbereiding). Anderzijds biedt deze wijzigingsregeling de mogelijkheid gebruik te blijven maken van de zogenoemde 75% vrijstellingsbevoegheid7 voor fosfor en stikstof per waterbeheerder, waardoor ruimere (dus minder strenge) lozingseisen kunnen worden gesteld dan de geldende standaard lozingseisen voor stikstof en fosfor voor een zuiveringtechnisch werk. Door autonome verbetering van de zuiveringprestaties zullen deze ruimere maatwerkvoorschriften in de loop der tijd geleidelijk verdwijnen doordat steeds meer zuiveringtechnische werken zullen gaan voldoen aan de standaard lozingseisen. Dit mede om te kunnen voldoen aan de vanuit de kaderrichtlijn water8 gestelde doelen met betrekking tot waterkwaliteit eisen voor oppervlaktewateren.

De initiële lasten voor de noodzakelijke kennisname van de nieuwe regelgeving zijn beperkt, omdat gemeenten en waterschappen al bekend zijn met het Activiteitenbesluit en met de opgestelde voorschriften. Het merendeel betreft reparaties die juist een betere uitvoering mogelijk maken.

6.4 Gevolgen voor de burger

De veranderingen die dit wijzigingsbesluit aanbrengt, zijn niet van toepassing op burgers en zullen dan ook geen direct effect hebben op de administratieve lasten voor deze doelgroep. Dit wijzigingsbesluit brengt vanwege de overgang van vergunningverlening naar algemene regulering het vervallen van inspraak- en beroepsmogelijkheden met zich mee. Wel blijven uiteraard de bezwaar- en beroepsmogelijkheden wat betreft de handhaving en de OBM bestaan. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar paragraaf 10.3 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het oorspronkelijke Activiteitenbesluit9.

7. Milieueffecten

Dit wijzigingsbesluit heeft geen nadelige gevolgen voor het milieu aangezien het om een reparatiebesluit gaat en de voorschriften voor zuiveringtechnische werken en demontage van tweewielige motorvoertuigen beleidsneutraal zijn omgezet in algemene regels. Indien nodig is bij de desbetreffende artikelen in de artikelsgewijze toelichting hier nader op ingegaan.

8. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Bij de totstandkoming van dit wijzigingsbesluit is veel aandacht besteed aan de verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De voorschriften van dit wijzigingsbesluit zijn zo opgesteld dat ze uitvoerbaar zijn voor de bedrijven. De voorschriften zijn afgestemd op en consistent met de voorschriften die al in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Op grond van de verrichte uitvoerbaarheidstoets voorziet RWS geen risico’s of potentiële knelpunten voor de praktijk van RWS. De door RWS gemaakte tekstuele opmerkingen zijn, voor zover inpasbaar, verwerkt.

8.1 Omvang en mogelijkheden tot toezicht en handhaving

De mate waarin dit wijzigingsbesluit wordt nageleefd is deels afhankelijk van de relatie tussen enerzijds het bevoegd gezag en anderzijds het bedrijf, de frequentie van de contacten en de wijze van toezicht. Dit wijzigingsbesluit brengt geen wijzigingen met zich mee wat betreft de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van de naleving. Bij de handhaving van inrichtingen wordt veelal gewerkt met stappenschema’s. De vorm en de frequentie van het toezicht zijn primair afhankelijk van de prioritering van de milieutaken door het bevoegd gezag.

Naast de bestuurlijke handhaving kan ook via het strafrecht worden opgetreden op grond van de artikelen 1a en 2, van de Wet op de economische delicten. Indien sprake is van een reële keuze tussen beide stelsels, zal per individueel geval en in overleg met de betrokken instanties moeten worden bepaald welke weg het meest aangewezen is.

9. Afstemming met betrokken partijen

De wijzigingsvoorstellen zijn afgestemd met verschillende betrokken partijen. Wat de demontage-activiteiten betreft is afgestemd met handhavers op provinciaal niveau en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Wat de zuiveringstechnische werken betreft is afgestemd met RWS en de waterschappen.

Na afronding van de voorstellen zijn de VNG, de Unie van Waterschappen (hierna: UvW) en het IPO geconsulteerd conform de code interbestuurlijke verhoudingen. De VNG steunt het ontwerpbesluit en onderschrijft het streven naar vereenvoudiging van regelgeving. De VNG maakte daarnaast een algemene opmerking over bestuurlijke lasten, grenzen aan algemene regels en VNG-betrokkenheid bij het opstellen van het ontwerpbesluit. In reactie hierop kan worden medegedeeld dat de bestuurlijke lasten voor gemeenten ongewijzigd blijven zoals bij de totstandkoming van het Activiteitenbesluit is onderzocht (Stb. 2007, nr. 415, blz. 145). Het klopt dat er grenzen zijn aan het nog verder terugbrengen van het aantal vergunningplichtige activiteiten en nog meer activiteiten onder algemene regels brengen. Daar wordt zorgvuldig mee omgegaan en de verwachting is dat met een komende wijziging voorlopig een laatste grote verschuiving naar algemene regels plaatsvindt. Voor de uitbreidingen van de werkingssfeer met dit wijzigingsbesluit zijn de gemeenten geen bevoegd gezag. De reparaties zijn voor een deel wetstechnisch van aard en een ander deel van de reparaties komt voort uit contact met gemeentelijke vergunningverleners en handhavers. Bestuurlijke afstemming met de VNG in de fase van voorbereiding werd daarom niet nuttig en proportioneel gevonden.

De UvW heeft met instemming gereageerd op het onder algemene regels brengen van de lozingen van zuiveringtechnische werken middels dit wijzigingsbesluit. Hierdoor kunnen de waterschappen eerder dan verwacht gebruik maken van de voordelen hiervan zoals de administratieve lastenverlichting en de mogelijkheid van een duurzamere fosforverwijdering. Door de effluenteisen voor de nutriënten als voortschrijdend jaargemiddelden vast te leggen wordt het mogelijk meer doelen van de Kaderrichtlijn water tegen minder kosten en op een duurzamere manier te bewerkstelligen. Tevens waardeert de UvW de mogelijkheid van flexibiliteit bij de algemene regels voor zuiveringtechnische werken door het stellen van maatwerkvoorschriften waardoor maatwerk in de toekomst mogelijk blijft. Hierbij maakt de UvW ook de kanttekening dat dit maatwerk kan resulteren in veel maatwerkvoorschriften.

Het IPO steunt het ontwerpbesluit en stelt het bijzonder op prijs dat de provincies uitgebreid zijn geconsulteerd. Daarnaast vraagt het IPO aandacht voor de algehele werking van het Activiteitenbesluit waaronder de in de praktijk ontstane interpretatieverschillen en uitvoeringproblemen. In reactie hierop kan worden medegedeeld dat recentelijk een evaluatie van het Activiteitenbesluit heeft plaatsgevonden en de opmerkingen van de IPO hierin zijn meegenomen. Op het signaal van het IPO dat met de voorgestelde wijziging de bescherming van de bodem afneemt, kan worden opgemerkt dat de eisen die worden gesteld in lijn zijn met de eisen die de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) stelt. De eisen die gesteld worden geven hetzelfde beschermingsniveau voor tweewielige motorvoertuigen als voor autowrakken. De technische uitvoering is echter anders en vraagt om minder investering van een bedrijf.

10. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure

Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerp van dit besluit op 7 mei 2013 (Stcrt. 11494) heeft de Staatssecretaris van IenM 12 inspraakreacties ontvangen. Bedrijven, brancheorganisaties en lokale overheden hebben in het kader van de inspraak gereageerd op het ontwerp-wijzigingsbesluit. Ook zijn inspraakreacties op de ontwerp-wijzigingsregeling ontvangen. Alle inspraakreacties zijn met zorg geanalyseerd. Inspraakreacties die tot verbetering leiden, zijn zoveel mogelijk omgezet in aanpassingen van de tekst van het wijzigingsbesluit of de wijzigingsregeling en van de toelichtingen. Het gros van de inspraakreacties heeft betrekking op specifieke onderdelen van het wijzigingsbesluit en de wijzigingsregeling. Ook zijn er vragen gesteld en zijn er voorstellen gedaan voor tekstuele verbeteringen, verduidelijkingen en aanvullingen. Sommige hebben geen betrekking op de specifieke onderdelen van het wijzigingsbesluit of de wijzigingsregeling of betreffen misverstanden en geven geen aanleiding tot aanpassing. In deze toelichting wordt niet inhoudelijk ingegaan op al deze inspraakreacties. Aan de insprekers wordt, indien daarom is verzocht, een op hun inspraak gerichte reactie gegeven.

Hieronder volgen de belangrijkste elementen uit de reacties en de beoordeling ervan.

Het demonteren van autowrakken

In drie inspraakreacties is gevraagd om aanpassing van artikel 3.27d, vijfde lid, van de Activiteitenregeling. Gevraagd wordt om toe te staan dat demontage van banden, glas, grote kunststofonderdelen en metalen onderdelen met daarin koper, aluminium of magnesium voorafgaand aan het shredderen niet nodig is indien die materialen na het shredderen in een nascheidingsinstallatie op dezelfde of op een andere locatie dan de shredderinstallatie zodanig worden gescheiden dat recycling als materiaal mogelijk is. Om onduidelijkheid over de zinsneden «in een shredderinstallatie» en «in de shredderinstallatie» te voorkomen worden met inachtneming van de autowrakkenrichtlijn deze zinsneden gewijzigd in «tijdens het shredderproces» en is daarmee duidelijk dat demontage van bovengenoemde onderdelen niet nodig is, indien na het shedderen recycling als materiaal mogelijk is.

Zuiveringtechnische werken

Door het invoeren van algemene regels zullen enkele waterschappen veel maatwerkvoorschriften moeten opstellen. Met maatwerkvoorschriften kunnen strengere of ruimere grenswaarden worden opgelegd. In samenwerking met de UvW zal een traject worden opgezet waarin de waterschappen worden begeleid bij het invoeren van de algemene regels.

Uitwendig wassen van motorvoertuigen

Het voorstel van de UvW om in paragraaf 3.3.2 onder voorwaarden toe te staan dat afvalwater dat afkomstig is van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, in de bodem wordt geloosd ook als dit vaker dan eenmaal per week gebeurt, is niet overgenomen. De bedoeling van het betreffende voorschrift, dat het wassen moet plaatsvinden op een bodembeschermende voorziening, is nu juist om het in de bodem geraken van het waswater te voorkómen. De UvW stelt terecht vast dat in veel situaties op het platteland, waar geen riolering aanwezig is, geen toegestane lozingsroute voor het waswater resteert en lozing op het oppervlaktewater, dat tot 1 januari 2013 op grond van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij nog was toegestaan, alleen nog maar bij vergunning legaliseerbaar is. Lozing van dit waswater op het oppervlaktewater heeft echter niet de voorkeur. Met het oog op het door de UvW gesignaleerde probleem is met de wijziging van het Besluit per 1 januari 2013 geregeld dat er geen bodembeschermende voorziening vereist is als er niet vaker dan eenmaal per week een motorvoertuig of werktuig wordt gewassen. Het waswater mag dan in de bodem geraken. In aanvulling daarop is in het dit wijzigingsbesluit opgenomen dat, indien er in die situatie toch wordt gewassen op een bodembeschermende voorziening, het waswater alsnog in de bodem mag worden geloosd. Dit lozen wordt dus toegestaan in situaties waarin er niet vaker dan eenmaal per week een motorvoertuig of werktuig wordt gewassen. Hiermee is er voor het overgrote deel van de agrarische bedrijven een werkbare oplossing waarbij de milieurisico’s beperkt zijn. Het voorstel van de UvW om dit lozen ook toe te staan wanneer er vaker dan eenmaal per week een motorvoertuig of werktuig wordt gewassen zou leiden tot een te groot risico voor de bodem.

Lozing op de bodem

De UvW geeft aan dat de voorwaarden voor lozing op de bodem verkeerd geformuleerd zijn en heeft bedenkingen over de maatwerkmogelijkheid (artikel 3.126 over het lozen van spuiwater afkomstig van luchtwassers). Ook het Waterschap Aa en Maas heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Inmiddels is besloten de toestemming voor bodemlozing van spuiwater volledig te laten vervallen, aangezien hiervoor een regeling wordt gemaakt onder de Meststoffenwet. Alleen het gebruik als meststof is in dat geval nog toegestaan, waardoor de geschetste problemen zouden moeten zijn opgelost. Lozen in het vuilwaterriool is verboden, maar dat verbod kan bij maatwerkvoorschrift worden opgeheven. Hiermee wordt niet aan de wens voldaan om de maatwerkmogelijkheid te laten vervallen. Het artikel bepaalt echter uitdrukkelijk dat een dergelijk maatwerkvoorschrift slechts kan worden verleend, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Afstandseis van 40 meter

In de artikelen 3.63, 3.76, 3.91, 3.100 en 3.102 was bepaald dat vrijkomend afvalwater op het vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk moet worden geloosd wanneer binnen een afstand van 40 meter, gemeten vanaf de kadastrale grens van het perceel, een dergelijke voorziening aanwezig is. In het voormalige Besluit glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij golden soortgelijke voorschriften, maar daarbij werd de afstand gemeten tussen de plaats waar het afvalwater vrijkomt en de riolering. Dat leidt er toe dat veel afvalwaterstromen die op grond van voornoemde vervallen besluiten op het oppervlaktewater (en op de bodem) mochten worden geloosd, nu moeten worden geloosd op de riolering. Afhankelijk van de plaats waar het afvalwater op het betrokken perceel vrijkomt en de ligging van de riolering ten opzichte van dat perceel, kan aansluiting op de riolering tot aanzienlijke kosten leiden. Dit zal in bestaande situaties vaak voorkomen. Daarom is, naar het voorbeeld van de regeling voor huishoudelijk afvalwater, alsnog voorzien in een overgangsregeling voor bestaande lozingen.

Artikel 10.30 Wm

De UvW en de VNG hebben in een bestuurlijke reactie melding gemaakt van het onbedoelde gevolg van het schrappen van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. In reactie hierop kan het volgende worden medegedeeld. Op 25 april is de Crisis en herstelwet (Stb. 2013, nr. 144) permanent van kracht geworden (Stb. 2013, nr. 145). In die wetswijziging was ook het schrappen van artikel 10.30 opgenomen. In dat artikel stond het verbod om in rioolstelsels te lozen met een aantal uitzonderingen. Met het schrappen van dit artikel, was het de bedoeling tegelijkertijd het Activiteitenbesluit, het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Besluit lozen buiten inrichtingen aan te passen. Abusievelijk is dat laatste niet gebeurd, met als gevolg dat er geen verbod meer geldt om afvalwater te lozen in een hemelwaterstelsel buiten de inrichting. Dat is een onwenselijk situatie, die met dit wijzigingsbesluit is gerepareerd. Tot inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit kan op basis van de zorgplicht (zoals artikel 2.1 Besluit lozen buiten inrichtingen) worden gehandhaafd. Zie verder de toelichting in paragraaf 5.

Definitie agrarische bedrijfsstof

In het ontwerp-wijzigingsbesluit was opgenomen dat gebruikt substraatmateriaal niet meer als agrarische bedrijfsstof werd gezien. Voor het opslaan gelden in dat geval de eisen van paragraaf 3.4.3 (op- en overslag van goederen). De toestemming om te lozen is blijven staan in artikel 3.63. LTO wijst er in zijn inspraak terecht op dat gebruikt substraatmateriaal voor een deel van plantaardige oorsprong is (zoals kokosvezels). Voor dat deel zouden de eisen van paragraaf 3.4.5 kunnen blijven gelden. De eisen van paragraaf 3.4.5 zijn gericht op het opvangen van uitlek- en percolatiewater en het voorkomen ervan. Een toestemming voor het lozen op het oppervlaktewater is in dat geval niet meer aan de orde. Dit geeft LTO in de inspraakreactie ook aan. Derhalve is uitlek- en percolatiewater van gebruikt substraatmateriaal in artikel 3.63 (van het besluit) en artikel 3.74 (van de regeling) vervallen.

BRL 2342

LTO geeft aan dat verwijzen naar een eerdere versie van de BRL 2342 niet wenselijk is, aangezien alleen de meest recente versie door KIWA wordt verspreid. Vanwege het moment waarop de nieuwe BRL is vastgesteld (30 maart 2013), was het niet mogelijk deze in de voorgepubliceerde versie van het ontwerp-wijzigingsbesluit op te nemen. De verwijzing is omgezet naar de nieuwe versie van de BRL, zodat de eisen wel voor iedereen toegankelijk zijn. LTO stelt overigens voor de verwijzing naar BRL 2342 te vervangen door een verwijzing naar onderdelen in het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit is naast het Activiteitenbesluit van toepassing maar een dergelijke verwijzing is juridisch niet wenselijk. Er is voor gekozen niet naar die delen van de BRL 2342 te verwijzen die teruggaan op het Bouwbesluit.

Reiniging van machines waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast

Het voorstel van LTO om artikel 4.104c, vierde lid, (nieuw) te laten vervallen is overgenomen. Dit artikel bevat voorschriften voor het reinigen van machines waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Het vierde lid bepaalt dat de spuittank en de spuitbomen van de machine moeten worden doorgespoeld op het perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, alvorens de machine schoon te maken op de wasplaats. LTO stelt dat het de algemene praktijk is dat spuitmachines na een bespuiting worden doorgespoeld en dat het voorschrift daarom overbodig is. Dit voorstel van LTO is overgenomen, omdat alleen regels worden gesteld waar dit nodig is. Het vierde lid was toegevoegd omdat de zuiveringsinstallatie voor het waswater overbelast kan raken als daar behalve het reinigingswater ook restanten spuitvloeistof op worden gebracht. Uiteraard dient dit voorkómen te worden, ook nu het vierde lid is vervallen. De zorgplicht is onverkort van toepassing.

11. Notificatie

Het ontwerpwijzigingsbesluit is op 17 september 2013 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2013-0527-NL) ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende de informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217). Artikel I, onderdelen E tot en met LLLL van het wijzigingsbesluit bevatten vermoedelijk technische voorschriften. Er zijn geen reacties op het ontwerpbesluit ontvangen.

Het ontwerpwijzigingsbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

12. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding zal bij koninklijk besluit plaatsvinden, maar niet op een vast verandermoment als bedoeld in aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. De beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2014 is niet haalbaar gebleken. Uitstel tot het volgende vaste verandermoment (1 juli 2014) is niet wenselijk. Het is van belang dat de reparaties zo snel mogelijk in werking treden. Ook de minimale invoeringstermijn van drie maanden voor algemene maatregelen van bestuur is voor dit wijzigingsbesluit niet haalbaar.

In dit kader gelden de volgende uitzonderingsgronden. De doelgroepen zijn gebaat bij spoedige inwerkingtreding van de reparaties en de totstandkoming van dit besluit voor zover het betreft de nieuw toegevoegde activiteiten is gepaard gegaan met overleggen met de doelgroepen.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A
Onderdeel 1

De begripsomschrijving van «agrarische activiteiten» is uitgebreid met activiteiten die door de agrarische gemechaniseerde loonbedrijven worden verricht. Deze aanvulling heeft tot doel de onduidelijkheid weg te nemen die is ontstaan over de interpretatie van het begrip «inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht» in artikel 2.17, vijfde lid. Op grond van dit artikellid geldt voor bedoelde inrichtingen een specifiek geluidsregime. Het was uitdrukkelijk de bedoeling dat dit geluidsregime, zoals dat ook in het voormalige Besluit landbouw milieubeheer het geval was, eveneens van toepassing zou zijn op inrichtingen die deel uitmaken van een bedrijf waar agrarisch gemechaniseerd loonwerk wordt verricht, zoals loonbedrijven, grondwerkbedrijven, mestdistributeurs, bedrijven die gewassen opslaan of bewerken, bedrijven die cultuurtechnische werken uitvoeren, plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven. Bij de begripsomschrijving van «agrarische activiteiten» in combinatie met de redactie van artikel 2.17, vijfde lid, zoals die met de wijziging van het Activiteitenbesluit bij besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) is opgenomen, is het twijfelachtig of agrarisch gemechaniseerd loonwerk beschouwd kan worden als een activiteit die verband houdt met agrarische activiteiten. Door de begripsomschrijving van «agrarische activiteiten» aan te vullen wordt duidelijk dat inrichtingen die deel uitmaken van een bedrijf waar agrarisch gemechaniseerd loonwerk wordt verricht, evenals inrichtingen die deel uitmaken van een akkerbouwbedrijf of veehouderijbedrijf, behoren tot de inrichtingen die bedoeld zijn in artikel 2.17, vijfde lid.

De aanvulling «agrarisch gemechaniseerd loonwerk, zoals cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet en soortgelijke dienstverlening» in de begripsomschrijving van agrarische activiteiten is ontleend aan de begripsomschrijving van «gemechaniseerd loonbedrijf» zoals die was opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer.

Onderdeel 2

In de begripsomschrijving van «agrarische bedrijfsstoffen» die vooral bepalend is voor de werkingssfeer van paragraaf 3.4.5 (Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen) zijn twee wijzigingen aangebracht om de afstemming met paragraaf 3.4.3 (Opslaan en overslaan van goederen) te verbeteren. Op de eerste plaats is «gebruikt substraatmateriaal» beperkt tot «gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong» omdat de eisen van paragraaf 3.4.5 uitsluitend voor gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong passend blijken te zijn. Door de wijziging is paragraaf 3.4.3 van toepassing op gebruikt substraatmateriaal dat niet van plantaardige oorsprong is. Op de tweede plaats worden «inerte goederen» uitgesloten zodat ook hiervoor altijd paragraaf 3.4.3 geldt.

Onderdeel 3

In de opmaak van de begripsomschrijving van «autowrak» was de zinsnede «die een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de wet» enkel van toepassing op het derde onderdeel: «bromfiets als bedoeld in de Regeling voertuigen, niet zijnde een voertuig op twee wielen». Dat is niet de bedoeling. Die zinsnede moet ook terugslaan op het eerste en tweede onderdeel. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel 4

In de begripsomschrijving van «driftarme dop» werd abusievelijk naar een verkeerd lid verwezen. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 5

In de aanduiding van «odour-unit» stond een liggend streepje teveel. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 6

In de begripsomschrijving van «verblijfsruimten» werd verwezen naar artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder. Dat besluit is op 4 april 2012 (Stb. 2012, 163) gewijzigd, waarbij de onderdelen van dat artikel zijn verletterd. Hierbij is abusievelijk nagelaten de wijziging door te voeren in de begripsomschrijving van «verblijfsruimten» in het Activiteitenbesluit. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 7

Voor de definitie van «tweewielig motorvoertuig» wordt verwezen naar de definitie van «bromfiets» en «motorfiets» in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarmee is bedoeld artikel 1.1 van de Regeling voertuigen. Bromfietsen met drie of vier wielen vallen niet onder de definitie van «tweewielig motorvoertuig» aangezien bromfietsen met drie of vier wielen al onder de definitie van «autowrak» vallen. Voertuigen die vallen onder de definitie van tweewielig motorvoertuig zijn bijvoorbeeld brommers, motoren met of zonder zijspan en snorfietsen (snorfiets is een variant van de bromfiets en wordt gekenmerkt door een lager haalbare maximumsnelheid van 25 kilometer per uur).

De definitie van een «wrak van een tweewielig motorvoertuig» heeft dezelfde basis als de definitie van een «autowrak». Indien een tweewielig motorvoertuig is aan te merken als een afvalstof is sprake van een wrak. Het begrip «afvalstof» is in de Kaderrichtlijn afvalstoffen10 gedefinieerd als «elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen». Deze definitie van «afvalstof» is overgenomen in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

Onderdeel B

In het artikel 1.3a werd nog verwezen naar het niet meer bestaande artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. Daarom is deze verwijzing vervallen.

In artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was een verbod opgenomen om afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater te brengen. Van dat verbod werden in artikel 1.6, derde lid, vrijstellingen verleend. Dit is nu geregeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b. Zie daarover paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting.

Onderdeel C

In artikel 6.12, onderdeel e, van de Waterwet is bepaald dat hoofdstuk 6 van die wet niet van toepassing is op handelingen waaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald. In artikel 1.3b van het Activiteitenbesluit was van deze mogelijkheid uitsluitend gebruik gemaakt voor agrarische activiteiten. Dat leidt tot de conclusie dat het maatwerkvoorschrift, bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, van het Activiteitenbesluit (inzake het lozen van koelwater) niet gebaseerd kon zijn op de Waterwet als het biociden betreft. Dat maatwerkvoorschrift kon dus uitsluitend door het bevoegd gezag op grond van de Wet milieubeheer verleend worden, hetgeen een onwenselijke situatie was, aangezien het een directe lozing in een oppervlaktewaterlichaam betreft waarvoor de waterbeheerder bevoegd gezag is. Door «bij het lozen van koelwater» toe te voegen aan artikel 1.3b is ook het bevoegd gezag op grond van de Waterwet bevoegd dit maatwerkvoorschrift op te leggen.

Onderdeel D

In aansluiting op de wettelijke voorziening van de Wet plattelandswoningen11 die op 1 januari 2013 in werking is getreden,12 wordt nu ook voor inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, geregeld dat een voormalige agrarische bedrijfswoning die bij de inrichting hoorde, kan worden bestemd tot plattelandswoning. Het is een speciale status. De bewoner van een plattelandswoning heeft niet dezelfde milieubescherming als de bewoner van een burgerwoning tegen onder andere geur- en geluidhinder. Het betrokken bedrijf hoeft bij uitbreiding geen rekening te houden met milieugevolgen op dat vlak die zich voordoen voor de bewoners van deze woning.

De Wet plattelandswoningen geeft een voorziening voor de situatie dat er sprake is van een agrarische inrichting met een milieuvergunning op grond van de Wabo. Er zijn evenwel tal van agrarische inrichtingen die inmiddels onder het Activiteitenbesluit vallen. Sinds het Besluit landbouw milieubeheer en het Besluit glastuinbouw op 1 januari 2013 zijn opgegaan in het Activiteitenbesluit13 is de vergunningplicht opgeheven voor intensieve veehouderijen. Het gevolg is dat voor meer dan 90% van de agrarische bedrijven geen omgevingsvergunning milieu meer nodig is. Het gemis van een plattelandsvoorziening kan zich dus op veel plekken voordoen.

Het zijn met name de geur- en geluidvoorschriften die vragen om deze voorziening. Voor de meeste agrarische bedrijven zou zonder deze voorziening voor de afgesplitste bedrijfswoning een geluidnorm gelden van 45 dB(A) overdag (mobiele bronnen zoals tractoren en landbouwwerktuigen zouden hierin niet meetellen). Voor glastuinbouwbedrijven geldt 50 dB(A). Gezien de ligging zou de kans op een overschrijding al snel aan de orde zijn.

Voor geur gelden bepalingen die de ruimte voor een veehouderijbedrijf al snel kunnen beperken. Een veehouderij mag namelijk niet uitbreiden als een gevoelig object op minder dan 50 meter van het emissiepunt van de stal ligt (artikel 3.116) en als de gevel tot gevel afstand van stal tot afgesplitste bedrijfswoning kleiner is dat 25 meter (artikel 3.119). Deze regels rond het uitbreiden houden in dat er in geen enkele diercategorie mag worden uitgebreid.

Een voorziening voor inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen maakt het mogelijk dat een gemeente, ongeacht of er sprake is van een vergunningplicht of niet, voor heel haar agrarisch grondgebied nagaat welk niveau van bescherming passend is.

Onderdeel E
Onderdeel 1, onder a

De artikelen 4.74k en 4.74n abusievelijk niet opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel 1, onder b

In artikel 1.6, eerste lid, onderdeel c, was abusievelijk een niet bestaand artikel 3.3a opgenomen. De overige in dit wijzigingsonderdeel opgenomen artikelen betreffen lozingen die nooit plaatsvinden buiten de inrichting ten gevolge van agrarische activiteiten of die daarmee verband houden. Met dit onderdeel zijn deze omissies hersteld.

Onderdeel 1, onder c

Artikel 1.6 omvat de vrijstellingen van het verbod tot lozen, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet. Dit onderdeel omvat een uitbreiding van de vrijstellingen tot lozingen vanuit een zuiveringtechnisch werk voor zover aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd in artikel 1.6, eerste lid. Voor zuiveringtechnische werken gaat het met name om de regels in de met dit wijzigingsbesluit toegevoegde nieuwe artikelen 3.5e tot en met 3.5g. Deze nieuwe artikelen zijn zowel in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a, als onderdeel b, opgenomen omdat zuiveringtechnische werken een inrichting type C kunnen zijn (indien vallend onder de richtlijn industriële emissies) dan wel een inrichting type B (in de overige gevallen). Vrijstelling voor beide categorieën inrichtingen is dus noodzakelijk.

Krachtens artikel 1.6, tweede lid, is het lozen, bedoeld in het eerste lid, waarbij niet wordt voldaan aan de bij of krachtens het Activiteitenbesluit gestelde regels en voorschriften, verboden.

Onderdeel 1, onder d

Per abuis was de verwijzing naar artikel 3.32 niet in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen a, b en c opgenomen. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel 2

In artikel 1.6, derde lid, (oud) werd vrijstelling verleend van het verbod (met uitzonderingen) dat in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was gesteld om «agrarisch afvalwater» te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Dit verbod is in het onderhavige besluit (met inbegrip van de uitzonderingen) van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer overgeheveld naar artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit. In verband hiermee is al eerder artikel 10.30 van de Wet milieubeheer vervallen, evenals de verwijzingen naar artikelen waarin algemene regels zijn gesteld voor lozingen waarvoor een vrijstelling van het verbod van artikel 10.30 gold. Zie daarover paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 1.6, derde lid, verleent nu nog slechts vrijstelling van het verbod van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer om «agrarisch afvalwater» op of in de bodem te brengen, voor zover de lozing plaatsvindt buiten een inrichting en afkomstig is van een agrarische activiteit of daarmee samenhangende activiteit.

Onderdeel F

In artikel 1.11, vierde lid, was abusievelijk geen verwijzing opgenomen naar artikel 3.14a dat geluidsnormen voor windturbines bevat. Op grond van artikel 1.11, vierde lid kan het bevoegd gezag een uitzondering maken op de verplichting tot het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek. Ook in relatie tot windturbines zijn er gevallen waarin het bevoegd gezag kan oordelen dat een akoestisch onderzoek niet nodig is, bijvoorbeeld voor een kleine gebouwgebonden windturbine. Omdat het wenselijk is in dat geval de mogelijkheid te hebben af te zien van het akoestisch onderzoek, verwijst artikel 1.11, vierde lid, ook naar artikel 3.14a. Artikel 3.14a geeft een ander soort norm dan de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en 6.12 namelijk de Lden en Lnight. De verzamelterm voor de geluidnormen in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a en 6.12 is «waarden». Deze term wordt ook in de overige geluidvoorschriften gebruikt. Vandaar dat in de omschrijving in artikel 1.11, vierde lid, nu verwezen wordt naar de «waarden» bedoeld in die artikelen en niet meer naar het «langtijdgemiddeld beoordelingsniveau» en het «maximaal geluidsniveau». Voor de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en 6.12 waarnaar artikel 1.11, vierde lid, verwijst, treedt hiermee geen verschuiving op, omdat de waarden waarop die artikelen betrekking hebben nog steeds het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau zijn.

Per abuis is de wijziging die in artikel 1.11 is doorgevoerd met de wijziging van het Activiteitenbesluit bij besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) in de daarop volgende wijziging bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) niet goed overgenomen. De verwijzingen in artikel 1.11, vijfde lid, zijn daarom aangepast.

Onderdeel G

Op basis van artikel 1.17a moet bij een melding informatie worden verstrekt met betrekking tot een lozing van stedelijk afvalwater vanuit een zuiveringtechnisch werk op een oppervlaktewaterlichaam. Op basis van die informatie moet het bevoegd gezag kunnen beoordelen of deze lozing vanuit waterkwaliteitsoogpunt toelaatbaar is en welke grenswaarden aan de betreffende lozing moeten worden gesteld. Dit kunnen zijn de in artikel 3.5e, vierde lid, opgenomen grenswaarden, maar ook lagere of hogere grenswaarden overeenkomstig het zesde, onderscheidenlijk zevende lid. Dit is afhankelijk van de lozingssituatie, de ontwerpcapaciteit (uitgedrukt in inwonerequivalenten op basis van 54 gram biochemisch zuurstofverbruik per dag) en de vraag of het een nieuw dan wel bestaand zuiveringtechnisch werk betreft. Bij een bestaand zuiveringtechnisch werk is het daarbij van belang te weten wat de uitbreiding van de ontwerpcapaciteit is geweest vanaf het peiljaar 1991/1992. Uitbreidingen met meer dan 25% worden beschouwd als nieuwe zuiveringtechnische werken, waarvoor minimaal de in het vierde lid vermelde grenswaarden gelden. Dit geldt ook voor het samenvoegen van zuiveringtechnische werken ongeacht het feit dat de totale hoeveelheid te verwerken stedelijk afvalwater in het verzorgingsgebied gelijk blijft. De nieuwe lozing kan namelijk van invloed zijn op de belasting van het ontvangende oppervlaktewater en aanleiding geven tot het aanscherpen van de lozingsgrenswaarden om tot hetzelfde beschermingsniveau van het ontvangende oppervlaktewater te komen.

De bij de melding verstrekte informatie stelt het bevoegd gezag in staat deze lagere of hogere grenswaarden in maatwerkvoorschriften vast te leggen. Door het doorlopen van de immissietoets wordt voor de parameters totaal fosfor en totaal stikstof inzicht verkregen in de vraag in welke mate de (rest)lozing van het zuiveringtechnisch werk de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater(lichaam) beïnvloedt. Hierbij wordt getoetst of er geen achteruitgang van de toestandsklasse voor de waterkwaliteit zal optreden, dan wel geen verslechtering (indien al in de laagste toestandsklasse). Als de gebruiksruimte ontoereikend is dan dient de aanvrager bij de verstrekte informatie tevens aan te geven bij welke concentraties fosfor en stikstof in het te lozen afvalwater deze ongewenste lozingssituatie wordt opgeheven. Omdat zuiveringtechnische werken een lange levensduur hebben is het ook verstandig om te kijken naar de mogelijke belemmering van het zogenoemde toekomstig doelbereik (Goed Ecologisch Potentieel) van het waterlichaam ten gevolge van afvalwaterlozing van het zuiveringtechnische werk. De te gebruiken toetsmethode staat beschreven in het «Handboek Immissietoets»,14 eventueel aangevuld met een specifiek watermodel voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam. Voor de parameters stikstof en fosfor wordt getoetst op de mate van beïnvloeding van de waterkwaliteit en mogelijke achteruitgang in de vigerende toestandsklasse van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van de lozing van het afvalwater vanuit het zuiveringtechnische werk.

Om minder strenge grenswaarden in maatwerkvoorschriften te laten vastleggen, zoals op grond van artikel 3.5e, zevende lid, mogelijk is, zal de aanvrager hiertoe een met redenen onderbouwd verzoek bij het bevoegd gezag moeten indienen. Bij dit verzoek dient de aanvrager informatie te overleggen over de totaalprestatie van alle zuiveringtechnische werken in het beheergebied van de aanvrager, de zuiveringsprestaties van het betrokken zuiveringtechnische werk in de afgelopen jaren en de te verwachten prestaties in de komende periode op basis van een eventuele toename in vuillast. Op basis hiervan en de gebruiksruimte vanuit waterkwaliteitsoogpunt zal het bevoegd gezag besluiten of, en zo ja welke hogere grenswaarden in maatwerkvoorschriften worden vastgesteld.

Indien op het zuiveringtechnische werk verwerking van afvalstoffen plaatsvindt, die afkomstig zijn van buiten de inrichting en die per as bij het zuiveringtechnische werk worden aangevoerd, zal het bevoegd gezag moeten kunnen beoordelen of de voorgestelde wijze van acceptatie van afvalstoffen en de verdere verwerking daarvan conform de beste beschikbare technieken (BBT) worden uitgevoerd en of deze werkwijze resulteert in een vanuit waterkwaliteitsoogpunt toelaatbare lozing. Voor zuiveringtechnische werken betreft het vooral de verwerking van goed biologisch afbreekbare afvalstoffen, omdat voor de verwijdering van andere stoffen dan zuurstofbindende stoffen en nutriënten het zuiveringsproces niet is ontworpen om deze te verwijderen. Voor de eventuele verontreinigingen, die in deze te verwerken afvalstromen aanwezig zijn, zijn maximale hoeveelheden als randvoorwaarden beschreven in het acceptatie- en verwerkingsbeleid.

Onderdelen H en J

De reikwijdtebepaling in hoofdstuk 2 is abusievelijk genummerd artikel 1.22. Dat had conform de nummering van de reikwijdtebepalingen in de andere hoofdstukken artikel 2 moeten zijn. De verwijzing naar artikel 1.22 in artikel 2.2b is eveneens aangepast.

Onderdeel I

Met de wijziging van artikel 2.2, eerste lid, van het Activiteitenbesluit wordt een onderscheid gemaakt in het verbod tot het lozen van afvalwater op of in de bodem (onderdeel a) en het lozen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool (onderdeel b). Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de situaties dat de lozing vanuit de inrichting plaats vindt of daarbuiten. Voor de bescherming van het milieu maakt dit geen verschil. Slechts de aard en samenstelling van het te lozen afvalwater is bepalend voor het antwoord op de vraag of een lozing is toegestaan en onder welke voorwaarden.

Op de lozingsverboden van artikel 2.2, eerste lid, zijn uitzonderingen gemaakt waarbij de lozingen moeten voldoen aan algemene regels die zijn gesteld bij of krachtens het Activiteitenbesluit. Het lozingsverbod voor de overige afvalwaterstromen kan per individueel geval worden opgeheven met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, derde lid.

Onderdeel K

Met dit onderdeel zijn enkele verschrijvingen in artikel 2.3 hersteld. Onderdeel u is vervallen omdat de inhoud gelijk was aan onderdeel r.

Onderdeel L, M en N, onderdeel 1

Bij het invoegen van artikel 4.54a is abusievelijk nagelaten om een verwijzing naar dat artikel op te nemen in de bepalingen over lucht in de artikelen 2.4, 2.7 en 2.8. In deze onderdelen zijn deze omissies hersteld.

Onderdeel N, onderdeel 2

Dit is een reparatie van twee kennelijke verschrijvingen van normen in artikel 2.8.

Onderdeel O

Dit onderdeel bevat enerzijds een reparatie van een kennelijke verschrijving in artikel 2.8a. Het gedefinieerde begrip luidt «inrichting type C».

Anderzijds week de formulering van de reikwijdtebepaling in het eerste lid, onderdeel b, ten onrechte af van die van de reikwijdtebepalingen van artikel 2.1a (lozingen) en artikel 2.3a (lucht).

Onderdeel P

Artikel 2.14a, achtste lid, was beperkt tot afval dat niet van buiten de inrichting afkomstig was. Door de formulering ontstond echter een absoluut verbod op het verdichten van afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting. Dat was strenger dan bedoeld. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Door deze wijziging geldt ook voor de milieustraat dat deze niet-gevaarlijke afvalstoffen mag verdichten in een perscontainer onder de randvoorwaarde dat dit de nascheiding of recycling niet belemmert.

Onderdeel Q

In artikel 2.17, zesde lid, onder b, was abusievelijk naar een verkeerde tabel (tabel 2.17a) verwezen. Dit moet tabel 2.17g zijn. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel R

De reikwijdtebepaling van de afdeling over financiële zekerheid was niet geheel juist. Deze afdeling moet alleen van toepassing zijn indien artikel 3.29, aanhef en onderdeel a of b, van toepassing is. In de formulering van artikel 2.23a was niet aangesloten bij artikel 3.29, waardoor bepaalde inperkingen van dat artikel (tank van metaal of kunststof en een maximale inhoud van 150 kubieke meter) niet doorwerkten in artikel 2.23a. Met dit onderdeel zijn die inperkingen aangebracht. Overigens komt opslag in ondergrondse opslagtanks die niet aan artikel 3.29 voldoen nauwelijks voor.

Onderdeel S

Per abuis ontbrak in artikel 3 (de reikwijdtebepaling) de zinsnede «met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121». Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel T

In artikel 3.1, vierde lid, van zowel het Activiteitenbesluit als het Besluit lozen buiten inrichtingen werd abusievelijk verwezen naar de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de «circulaire bodemsanering 2009». Deze circulaire is per 1 juli 2013 vervangen door de «circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Stcrt. 2013, 16675). De streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, zijn ongewijzigd ten opzichte van de streefwaarden zoals opgenomen in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering 2009. In het vierde lid wordt naar de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 verwezen.

Onderdeel U

In artikel 3.4, eerste lid, onder e, waren lozingen met een vervuilingswaarde van 200 inwonerequivalenten of meer bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam vergunningplichtig op grond van de Waterwet en is het lozen op of in de bodem alleen mogelijk met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2. Beoogd was om alle lozingen van huishoudelijk afvalwater onder algemene regels te brengen. Voor deze lozingen buiten de inrichting was dat al geregeld in het Besluit lozen buiten inrichtingen, maar dit was tot nu toe niet doorgevoerd voor deze lozingen vanuit inrichtingen in het Activiteitenbesluit. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel V
Artikel 3.5e

Artikel 3.5e heeft betrekking op het brengen van stoffen in oppervlaktewaterlichamen vanuit zuiveringtechnische werken. Het betreft een gedeeltelijke implementatie van de richtlijn stedelijk afvalwater. Andere aspecten van deze richtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 2.3 van het Waterbesluit. Krachtens artikel 7 van de richtlijn stedelijk afvalwater moet stedelijk afvalwater dat met behulp van een openbaar vuilwaterriool wordt ingezameld, worden onderworpen aan een toereikende behandeling in een zuiveringtechnisch werk, zodanig dat het ontvangende oppervlaktewaterlichaam na de lozing aan de relevante kwaliteitsdoelen kan voldoen. Een zuiveringtechnisch werk dient zodanig te worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden dat een doelmatige werking onder normale omstandigheden is gewaarborgd. Dimensionering van de zuiveringtechnische werken vindt in Nederland plaats op basis van de door de Vereniging van Zuiveringbeheerders van de waterschappen opgestelde richtlijnen. Deze zijn dusdanig opgesteld dat een doelmatige werking van de zuiveringtechnische werken onder de Nederlandse (klimatologische) omstandigheden is geborgd.

Ongebruikelijke situaties zijn bijvoorbeeld uitzonderlijke neerslag, onvoorzienbare calamiteiten en voorzienbare voorvallen, waaronder grootschalig onderhoud en bouwactiviteiten op het zuiveringtechnische werk. In dit kader kan ook worden verwezen naar de documentatie ten aanzien van ontwerp en beheer van zuiveringtechnische werken, die door de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) in samenwerking met de waterschappen wordt opgesteld. Deze documentatie geeft een goed beeld van de dagelijkse praktijk en de ontwikkeling in de «stand der techniek» van het zuiveringsproces op zuiveringtechnische werken in Nederland.

Het derde lid regelt dat de gevolgen voor het watermilieu minimaal dienen te zijn wanneer een stedelijke afvalwaterstroom, die in een zuiveringtechnisch werk een toereikende behandeling heeft ondergaan, op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd. Bijlage I, onderdeel B, vijfde lid, bij de richtlijn stedelijk afvalwater wijst in dit kader op de locatiekeuze van het lozingspunt van een zuiveringtechnisch werk. In het Nederlandse waterbeleid is dit verder uitgewerkt binnen het waterkwaliteitsspoor, waarbij de effecten van de lozing op de waterkwaliteit (de toestandsklasse) van het oppervlaktewaterlichaam worden beoordeeld. Als toetsmethode wordt de beoordelingsystematiek zoals beschreven in het «Handboek Immissietoets» (oktober 2011) gebruikt eventueel aangevuld met een specifiek watermodel voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam.

Stedelijk afvalwater, dat in een zuiveringtechnisch werk met een ontwerpcapaciteit van 2.000 inwonerequivalenten of meer een behandeling heeft ondergaan, mag op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd als dat ten minste voldoet aan de in artikel 3.5e, vierde lid, opgenomen grenswaarden. De wijze van bemonsteren en analyseren van de watermonsters, alsmede de beoordeling van de meetwaarden (zie ook artikel 3.5g, eerste lid), vindt plaats overeenkomstig enkele nieuwe artikelen in paragraaf 3.1.2 van de Activiteitenregeling, die voor een belangrijk deel overeenkomen met de voormalige bijlage VI bij de Waterregeling of tabel 1 uit het voormalige Lozingenbesluit Wvo stedelijk afvalwater. Voor de parameters Biochemisch zuurstofverbruik (BZV), Chemisch zuurstofverbruik (CZV) en onopgeloste bestanddelen betreft het maximale grenswaarden in enig tijd- of volumeproportioneel etmaalmonster van afvalwater en het maximum aantal toegestane overschrijdingen van een bepaalde grenswaarde per parameter afhankelijk van de ontwerpcapaciteit van een zuiveringtechnisch werk. De grenswaarden voor totaal stikstof en totaal fosfor worden niet berekend per etmaal maar als voortschrijdende jaargemiddelde concentraties. Bij de grenswaarde voor totaal fosfor zijn twee wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van bijlage VI van de Waterregeling. In plaats van hele getallen zijn de grenswaarden voor totaal fosfor vastgelegd op 1 decimaal. Hiermee wordt in ieder geval voorkomen dat bij het toetsen van de gemiddelde meetwaarde aan de grenswaarde voor totaal fosfor die meetwaarde sterk wordt vertekend door het toepassen van een afrondingssystematiek anders dan de gebruikelijke NEN 1047, blad 2.1. Verder worden de grenswaarden voor totaal fosfor en voor totaal stikstof uitgedrukt als een voortschrijdend jaargemiddelde concentratie. In het verleden werd deze grenswaarde voor totaal fosfor nog uitgedrukt als de voortschrijdend gemiddelde concentratie totaal fosfor in 10 opeenvolgende etmaalmonsters. Voor totaal stikstof was destijds de jaargemiddelde concentratie berekend over één kalenderjaar. Het voortschrijdend jaargemiddelde biedt de mogelijkheid om op elk willekeurig moment te toetsen op de grenswaarde waarbij dus niet meer moet worden gewacht tot het einde van het kalenderjaar. De wijzigingen voor totaal fosfor sluiten beter aan bij de werkingssfeer van de richtlijn stedelijk afvalwater, waardoor «een Nederlandse kop» op EU-regelgeving verdwijnt. Verder wordt hiermee tegemoet gekomen aan de wensen van de waterschappen. Naar verwachting zal dit resulteren in een duurzamere fosforverwijdering met als gevolg minder gebruik van chemicaliën, een lager energieverbruik, een verminderde productie van zuiveringslib en de mogelijkheid om fosfor hieruit terug te winnen. Tevens biedt deze aanpassing in de grenswaarde van totaal fosfor de waterschappen de mogelijkheid het zuiveringsproces efficiënter te sturen zodat lagere concentraties fosfor in de zomerperiode kunnen worden verkregen. Dit maakt het voor fosfor en stikstof mogelijk seizoensdifferentiatie per zuiveringtechnisch werk toe te passen door lagere zomergemiddelde streefwaarden op te nemen en de daarbij behorende winter/jaar-gemiddelde grenswaarden, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de na te streven ecologische doelen voor het ontvangende oppervlaktewaterlichaam.

Ingevolge het zesde lid kan het bevoegd gezag door het opstellen van maatwerkvoorschriften strengere grenswaarden vaststellen indien de bescherming van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam daartoe noodzaakt. Dit kunnen lagere concentraties zijn dan de grenswaarden voor de betreffende stoffen. Hierdoor kan de beïnvloeding van het na te streven kwaliteitsdoel van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam tot een minimum worden beperkt of afwenteling op een benedenstrooms waterlichaam worden voorkomen. Ook kunnen grenswaarden voor andere parameters dan genoemd in artikel 3.5e, zoals ammonium-stikstof of ten aanzien van de bacteriologische kwaliteit, worden gesteld maar dat betreft een maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplicht (artikel 2.1). Deze kwaliteitsdoelen kunnen voortkomen uit nationaal beleid, maar ook vanuit andere Europese richtlijnen dan de richtlijn stedelijk afvalwater, zoals de Kaderrichtlijn Water15 of de Zwemwaterrichtlijn16.

Op grond van het vierde lid van artikel 5 van de richtlijn stedelijk afvalwater hoeven de in het vierde lid gestelde grenswaarden voor totaal fosfor en totaal stikstof voor afzonderlijke zuiveringtechnische werken in bepaalde gebieden niet te worden toegepast, indien kan worden aangetoond dat het minimumpercentage van de vermindering van de totale vracht voor alle zuiveringtechnische werken in deze gebieden ten minste 75% voor totaal fosfor en ten minste 75% voor totaal stikstof bedraagt. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door eenzelfde vrijstellingbevoegdheid per overheidslichaam te verstrekken. Destijds is deze 75%-rendementsdispensatie per verzorgingsgebied van een waterschap vastgelegd in het Nederlandse Fosfaat- en Stikstofbesluit en overgenomen in het latere Lozingenbesluit Wvo stedelijk afvalwater en het Waterbesluit. De achterliggende gedachte hierbij was destijds dat door een grotere flexibiliteit en een min of meer gelijke inspanningsverplichting per waterschap, Nederland eerder zou voldoen aan de richtlijn stedelijk afvalwater. Sinds 2007 voldoet elk waterschap aan deze Europese richtlijn.

Het zevende lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift voor de parameters totaal fosfor en totaal stikstof minder strenge grenswaarden op te nemen dan de in het vierde lid gestelde grenswaarden, mits het zuiveringtechnische werk voldoet aan één van de in het zevende lid, onder a en b, genoemde voorwaarden. Deze 75% gebiedsdispensatie-regeling geldt per verzorgingsgebied van een waterschap onder de voorwaarde dat de totale vrachtvermindering voor alle zuiveringstechnische werken in dit gebied ten minste 75% bedraagt. Indien het waterschap van deze regeling gebruik wenst te maken, zal het hiertoe een met redenen onderbouwd verzoek moeten indienen bij het bevoegd gezag voor het laten vastleggen van hogere grenswaarden in een maatwerkvoorschrift. De dagelijkse zuiveringspraktijk voor stedelijk afvalwater in Nederland en die van het betreffende zuiveringtechnische werk alsmede de te verwachten groei in de aanvoer van de vuillast bepalen de hoogte van de te stellen grenswaarden. Om te komen tot in de praktijk bruikbare grenswaarden kan gebruik worden gemaakt van de Lozingseisassistent uit de CIW-nota «Lozingseisen Wvo-vergunningen».17 Voorwaarde is dat deze lozing met hogere grenswaarden toelaatbaar is vanuit waterkwaliteitsoogpunt en getoetst is aan de beoordelingsystematiek zoals beschreven in het «Handboek Immissietoets» (oktober 2011).

Stedelijk afvalwater bevat naast de in het vierde lid vermelde zuurstofbindende stoffen, onopgeloste stoffen, fosfor- en stikstofverbindingen een grote diversiteit aan andere verontreinigende stoffen. De huidige zuiveringtechnische werken zijn primair ontworpen voor het (biologisch) verwijderen van de in het vierde lid vermelde zuurstofbindende stoffen en nutriënten. Andere verontreinigende stoffen liften mee met dit zuiveringsproces en worden afhankelijk van de stofeigenschappen in meer of mindere mate verwijderd. Bij een zuiveringtechnisch werk dat naast huishoudelijk afvalwater en zuiveringsslib andere afvalstoffen verwerkt, zal dit zodanig in het acceptatie- en verwerkingsbeleid vastgelegd worden dat verwerking van deze afvalstoffen plaatsvindt met de hiervoor vereiste BBT-technieken. Aan deze te verwerken afvalstoffen worden in het acceptatie- en verwerkingsbeleid voorwaarden gesteld wat betreft de hoogte van de daarin aanwezige verontreinigingen.

In oude lozingsvergunningen voor zuiveringtechnische werken werd veelal een monitoringsprogramma opgenomen, waarin de beheerder informatie verstrekte over de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in het geloosde effluent. Om de lastendruk te verlagen en vanwege het feit dat deze informatie ook anderszins beschikbaar komt, zoals door Europese E-PRTR18 rapportages, wordt er in dit besluit van afgezien om een dergelijke monitoringsverplichting op te nemen. Alleen in bijzondere situaties bestaat voor het bevoegd gezag vanuit de algemene zorgplicht de mogelijkheid een monitoringsprogramma te verlangen voor stoffen die een probleem vormen voor de kwaliteit en de gebruiksfuncties van het oppervlaktewaterlichaam. Aan de hand van het verkregen inzicht in het aandeel van het zuiveringtechnisch werk in de belasting zal dit moeten leiden tot aangrijpingsmogelijkheden om het waterkwaliteitsprobleem te reduceren of op te lossen.

Artikel 3.5f

In afwijking van de reguliere bedrijfsvoering kunnen zich voorzienbare situaties voordoen die het zuiveringsproces nadelig beïnvloeden en gevolgen hebben voor de kwaliteit van het te lozen afvalwater. Het gaat om andere dan de gebruikelijke bedrijfsomstandigheden zoals grootschalige onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, waarbij onderdelen van het zuiveringsproces tijdelijk buiten bedrijf worden gesteld. Het gaat niet om ongewone voorvallen.

In tegenstelling tot andere inrichtingen is het voor een zuiveringtechnisch werk vanwege de acceptatieplicht voor het waterschap doorgaans niet mogelijk de aanvoer van stedelijk afvalwater tijdelijk stop te zetten om grootschalige (onderhouds)werkzaamheden uit te voeren. De beheerder van het zuiveringtechnische werk zal in dergelijke voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden voorzorgsmaatregelen moeten treffen om eventuele nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit zo beperkt mogelijk te houden. Het bevoegd gezag dient bij mogelijke overschrijding van de gestelde grenswaarden hierover geruime tijd voor deze ongebruikelijke maar voorzienbare situatie te worden geïnformeerd. Hierbij dient informatie te worden gegeven over onder andere de te treffen voorzorgsmaatregelen, de ingeschatte verslechterde waterkwaliteit en de mate van de tijdelijke overschrijding van de gestelde grenswaarden. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan bij maatwerkvoorschrift de onder normale omstandigheden geldende grenswaarden tijdelijk niet van toepassing verklaren en hogere grenswaarden vaststellen. Tevens kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift tijdelijk aanvullende maatregelen voorschrijven om de nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te beperken. Voor de aanvraag van een maatwerkvoorschrift op verzoek van de beheerder geldt de reguliere voorbereidingsprocedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat een verzoek om maatwerk minimaal 8 weken voorafgaand de voorzienbare situatie ingediend moet zijn bij het bevoegd gezag.

Artikel 3.5g

Dit artikel geeft de grondslag voor de naleving van artikel 3.5e door het waterschap dat de zorg heeft voor een zuiveringtechnisch werk voor de behandeling van stedelijk afvalwater. Het betreft de implementatie van artikel 15, eerste en vierde lid, van de richtlijn stedelijk afvalwater en komt overeen met het voormalige artikel 6.7, eerste en tweede lid, van het Waterbesluit. De wijze van bemonsteren en het analyseren van de monsters stedelijk afvalwater alsmede de beoordeling van de meetwaarden is vastgelegd in de Activiteitenregeling. De in artikel 15 van de richtlijn stedelijk afvalwater opgenomen controleplicht voor het bevoegd gezag met betrekking tot de lozingen van stedelijk afvalwater uit zuiveringstechnische werken en met de waterlichamen, waarin deze lozingen plaatsvinden, is opgenomen in artikel 2.3 van het Waterbesluit.

De overgangsregeling van artikel 6.2 is van toepassing op de lozingen van zuiveringtechnische werken krachtens dit besluit. Dit betekent dat de vergunningvoorschriften die in de lozingsvergunningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren of artikel 6.2 van de Waterwet van kracht waren ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit gedurende drie jaren daarna worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften mits deze vergunningvoorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Na deze overgangsperiode van drie jaren vervallen deze vergunningvoorschriften als maatwerkvoorschrift tenzij het bevoegd gezag deze maatwerkvoorschriften in deze periode opnieuw heeft vastgesteld, al dan niet op verzoek van de beheerder van het zuiveringtechnische werk. Het initiatief voor het opnieuw vastleggen van de vergunningvoorschriften in maatwerkvoorschriften moet komen van het bevoegd gezag bij strengere eisen dan de gestelde grenswaarden in algemene regels, zoals vermeld in artikel 3.5e of conform de zorgplicht, artikel 2.1. Bij ruimere lozingseisen ligt het initiatief voor het opnieuw vastleggen in maatwerkvoorschriften bij de beheerder van het zuiveringtechnische werk.

Passen de vergunningvoorschriften niet binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en zijn deze ruimer (minder streng) dan de algemene regels van artikel 3.5e, dan geldt een overgangsperiode van een half jaar. Na afloop van die periode vervallen deze vergunningvoorschriften, tenzij deze gewijzigd als maatwerkvoorschriften op basis van artikel 3.5e vastgesteld worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de zuiveringstechnische werken, die gebruik maken van de 75%-vrijstellingsregeling en waarbij nog geen (hogere) grenswaarden voor totaal fosfor of totaal stikstof in de huidige lozingsvergunningen zijn vastgelegd. Deze zogenaamde «open lozingsvergunningen» vallen buiten de bevoegdheid tot het stellen van de maatwerkvoorschriften van artikel 3.5e; d.w.z. hoger of lager dan de in artikel 3.5e gestelde grenswaarden voor totaal fosfor of totaal stikstof. In het «Inspectiekader vergunningverlening en handhaving rioolwaterzuiveringsinstallaties»19 van de voormalige Inspectie Verkeer en Waterstaat worden deze open lozingsvergunningen als ongewenst beschouwd. Binnen een half jaar na het van kracht worden van de algemene regels voor de lozingen van zuiveringtechnische werken krachtens dit besluit zullen dus voor deze zuiveringstechnisch werken hogere grenswaarden voor totaal fosfor en totaal stikstof in de vorm van nieuwe maatwerkvoorschriften moeten worden vastgelegd.

Onderdelen W, X, Y, Z, AA en BB

Paragraaf 3.3.2 heeft enige wijzigingen ondergaan om onduidelijkheden te verhelderen en enkele onjuiste voorschriften te herstellen.

Onderdeel W

In het opschrift van paragraaf 3.3.2 is abusievelijk niet het gedefinieerde begrip «motorvoertuigen of werktuigen» opgenomen. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel X

In afwijking van andere reikwijdtebepalingen werd in artikel 3.23a naar artikelen verwezen. Het artikel is nu in lijn met de overige reikwijdtebepalingen.

Voor de categorie «werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast» gelden specifieke voorschriften, die te onderscheiden zijn van die voor spoorvoertuigen, motorvoertuigen of werktuigen. Onderdeel c is derhalve beperkt tot «werktuigen».

Onderdeel Y

In artikel 3.23b, tweede lid, was geregeld dat de eisen ten aanzien van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico van het eerste lid (een bodembeschermende voorziening) niet gelden indien «per week ten hoogste een motorvoertuig, werktuig of spoorvoertuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen». In artikel 3.24 was bepaald dat afvalwater van het «uitwendig wassen van ten hoogste twee motorvoertuigen of werktuigen per jaar» (waarmee wel gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast) op de bodem mocht worden gebracht. Dat betekent dat de bodembeschermende voorziening dan ook niet kan worden voorgeschreven. Daarom is aan het tweede lid van artikel 3.23b de uitzondering toegevoegd dat het eerste lid ook niet geldt indien per jaar ten hoogste twee motorvoertuigen of werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen. Verder is artikel 3.23b, tweede lid, zodanig aangepast dat het niet meer geldt voor spoorvoertuigen. De situatie dat met spoorvoertuigen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, doet zich immers niet voor.

Onderdeel Z

Artikel 3.23c is zodanig hersteld dat de tekst van dat artikel zoals die luidde voor 1 januari 2013 weer geldt. Deze wijziging betreft het gebruik van het begrip «motorvoertuigen en werktuigen».

Onderdeel AA

Verder is gebleken dat voor een goede werking van de zuiveringvoorziening, bedoeld in artikel 3.23d, tweede lid, als voorwaarde moet gelden dat het afvalwater dat erdoor wordt geleid slechts een minimale hoeveelheid olie mag bevatten, zodat in bepaalde gevallen een olieafscheider noodzakelijk is. De voorwaarden daarvoor zijn opgenomen in de Activiteitenregeling.

In artikel 3.23d, derde en vierde lid, zijn de lozingseisen geregeld voor het gezuiverde waswater ten gevolge van het wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Bij lozen in de bodem is dat ten hoogste twintig milligram olie per liter, hetgeen overeenkomt met de BBT. In het algemeen zal hieraan voldaan zijn indien de verplichte zuiveringsvoorziening zoals beschreven in de Activiteitenregeling adequaat wordt bediend. Met de in bepaalde omstandigheden verplichte olieafscheider in combinatie met de biologische zuivering kan aan deze grenswaarde worden voldaan. De olieafscheider is volgens de Activiteitenregeling niet verplicht als het ongezuiverde waswater minder dan twintig milligram olie bevat.

Bij lozen in het vuilwaterriool geldt de grenswaarde van ten hoogste tweehonderd milligram olie zoals ook in artikel 3.23c is geregeld bij de toepassing van een olieafscheider. Met de olieafscheider, bedoeld in de Activiteitenregeling, kan altijd aan deze grenswaarde worden voldaan.

In artikel 3.24 zijn de lozingen in of op de bodem geregeld voor die gevallen waar geen bodembeschermende voorziening verplicht is gesteld.

Onderdeel BB

Artikel 3.25 is opgenomen naar het voorbeeld van de voormalige agrarische besluiten. Daarmee is abusievelijk ook de beperking opgenomen dat dit artikel alleen van toepassing is als de gewasbeschermingsmiddelen bij agrarische activiteiten worden toegepast. Dit artikel dient echter in alle gevallen van toepassing te zijn als gewasbeschermingsmiddelen met de motorvoertuigen of werktuigen zijn toegepast. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel CC
Paragraaf 3.3.3 – Algemeen

Voor demontagebedrijven van tweewielige motorvoertuigen gold de plicht tot het hebben van een omgevingsvergunning milieu (op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo). Dit in tegenstelling tot autodemontagebedrijven die alleen autowrakken demonteren. Die autodemontagebedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu nodig. Wel geldt voor het demonteren van autowrakken de plicht tot het hebben van een OBM (op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo). Voor autodemontagebedrijven die naast het demonteren van autowrakken ook wrakken van tweewielige motorvoertuigen demonteerden, betekende dit dat zij een omgevingsvergunning milieu nodig hadden voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen en een OBM voor het demonteren van autowrakken.

Nu de omgevingsvergunning milieu voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen is vervallen, geldt voor autodemontagebedrijven die wrakken van tweewielige motorvoertuigen demonteren, geen plicht meer tot het hebben van een omgevingsvergunning milieu.

Ook voor inrichtingen als tweewielerzaken betekent het vervallen van de omgevingsvergunning milieu dat zij zonder die vergunning wrakken van tweewielige motorvoertuigen mogen demonteren. Wel geldt voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen de plicht tot het hebben van een OBM. Met de wijziging van de artikelen van paragraaf 3.3.3 zijn de meeste regels voor het demonteren van autowrakken ook van toepassing geworden op het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

Onderdeel DD

In artikel 3.26 is het toepassingsbereik uitgebreid waardoor paragraaf 3.3.3 ook van toepassing is op het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen en op enkele daarmee samenhangende activiteiten.

Verder is in artikel 3.26 een nieuw onderdeel c opgenomen. Dit houdt verband met het volgende. In artikel 3.31 is bepaald dat de paragraaf over op- en overslag van goederen geldt voor zover andere paragrafen niet gelden. Paragraaf 3.3.3 (Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten) wordt in artikel 3.31, tweede lid, onder a, genoemd. De opslag van autowrakken en vloeistoffen bevattende onderdelen zoals versnellingsbakken werd echter niet volledig geregeld in paragraaf 3.3.3. Door het van toepassing verklaren in artikel 3.26, onderdeel c (nieuw), van de paragraaf op «het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren en het aftappen van vloeistoffen» en door het lozingsvoorschrift in artikel 3.26c en het bodemvoorschrift (artikel 3.27c van de Activiteitenregeling) aan te vullen, is de afstemming tussen beide paragrafen verbeterd. De inhoud van de eisen is overigens ongewijzigd gebleven.

Onderdeel EE

Het ontstaan van afvalwater vanwege het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen of daarmee samenhangende activiteiten zoals het opslaan van vloeistof bevattende onderdelen zal in principe niet voorkomen als voldaan wordt aan de regels van paragraaf 3.3.3 van de Activiteitenregeling onder meer voor het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico. Door het treffen van preventieve maatregelen wordt het risico op het lozen van vloeistoffen, die worden afgetapt uit wrakken van tweewielige motorvoertuigen, zoveel mogelijk voorkomen. Desondanks valt niet uit te sluiten dat er vanuit de ruimte waar de wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd oliehoudend afvalwater wordt geloosd, bijvoorbeeld ten gevolge van reinigingswerkzaamheden in de ruimte waar die activiteit plaatsvindt, via kolken en opvanggoten op het gemeentelijk riool. Artikel 3.26c is daarom zodanig gewijzigd dat de regels voor het demonteren van autowrakken ook van toepassing zijn op het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten.

Onderdeel FF

De eisen voor oliehoudend afvalwater zijn steeds hetzelfde geformuleerd, zoals in artikel 3.26f. In artikel 3.26h is abusievelijk «of» ingevoegd terwijl «en» bedoeld is. Door «of» te vervangen door een puntkomma is het artikel weer gelijkluidend met de andere bepalingen over oliehoudend afvalwater.

Onderdeel GG

Artikel 3.31, tweede lid, onderdeel b, is vervallen omdat «composteren» een eigen paragraaf (3.5.7 nieuw) heeft gekregen. Per abuis was de reikwijdtebepaling (artikel 3.31, tweede lid) daar niet op aangepast. Dat is met dit onderdeel hersteld.

Bij inrichtingen type C is deze paragraaf alleen van toepassing in specifieke situaties, bijvoorbeeld een inrichting type C waarvan een demontagebedrijf voor wrakken van tweewielige motorvoertuigen deel uitmaakt.

Met het toevoegen van «demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen» aan artikel 3.31, derde lid, onder a, onder 1°, is het toepassingsbereik van paragraaf 3.4.3 (opslaan en overslaan van goederen) uitgebreid.

Dit betekent dat voor een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen die door een vergunningplichtige activiteit (bijvoorbeeld doordat er ook vrachtwagens worden gedemonteerd) als inrichting type C wordt beschouwd, de werkingssfeer van de paragraaf dezelfde is als voor een inrichting type B. De bepaling fungeert daarmee als vangnet dat van toepassing is als de andere paragrafen niet van toepassing (zouden) zijn. De reden hiervoor is dat voor een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen het grootste deel via hoofdstuk 3 is geregeld en in die gevallen ook de «overige» op- en overslag volledig onder deze paragraaf kan vallen.

Onderdeel HH

Artikel 3.36, tweede lid, geeft een mogelijkheid om bij ministeriële regeling eisen te stellen aan de opslag van bederfelijke afvalstoffen. Tot nu toe is deze bevoegdheid alleen voor groenafval in de ministeriële regeling ingevuld. De formulering van het tweede lid maakte dit tot een zogenaamde uitputtende regeling, waardoor maatwerk op grond van de zorgplicht is uitgesloten. De bedoeling is echter steeds geweest dat dit maatwerk wel mogelijk is voor andere bederfelijke afvalstoffen dan groenafval waarvoor (nog) geen voorschriften gesteld zijn. Om hier recht aan te doen wordt «ten minste» in het artikel ingevoegd, zodat de regeling alsnog niet-uitputtend is.

Onderdeel II

Na overleg met het bedrijfsleven en gemeenten is besloten om het bevoegd gezag de mogelijkheid te bieden middels een maatwerkvoorschrift een ander afschermingspercentage buiten de donkerteperiode vast te stellen. Bij de teelt van een beperkt aantal gewassen blijkt het niet altijd mogelijk om het noodzakelijke kasklimaat te realiseren als gedurende de gehele nacht het licht voor ten minste 98% moet worden afgeschermd. Deze mogelijkheid was reeds opgenomen voor situaties waarin er een verlichtingssterkte is van minder dan 15.000 lux. In die situaties kan het bevoegd gezag reeds bij maatwerkvoorschrift afwijken van het voorgeschreven afschermingspercentage in de nanacht, dat bij die verlichtingssterktes ten minste 74% bedraagt. Deze mogelijkheid tot afwijking is nu ook geboden bij verlichtingssterktes van 15.000 lux en meer. Hiermee is uitvoering gegeven aan een motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff (Kamerstukken II 2010/11, 29 383, nr. 158). Deze aanpak past in het beleid dat erop is gericht om gedurende de donkerteperiode de lichtuitstoot zo ver als mogelijk terug te dringen en om daarin enige ruimte te bieden buiten de donkerteperiode, voor zover het behoud van het noodzakelijke kasklimaat daarom vraagt. Op termijn zal de donkerteperiode worden verlengd, waarbij het doel is om deze uiteindelijk uit te breiden tot de gehele periode van zonsondergang tot zonsopkomst. In dit wijzigingsbesluit is de donkerteperiode niet aangepast. De donkerteperiode blijft als volgt: van 18.00 tot 24.00 uur (van 1 november tot 1 april) en van een half uur na zonsondergang tot 2.00 uur (van 1 september tot 1 november en van 1 april tot 1 mei).

Onderdeel JJ

Deze wijziging van artikel 3.63, eerste lid, houdt verband met het aanpassen van de begripsomschrijving van agrarische bedrijfsstoffen. Daarin is «gebruikt substraatmateriaal» beperkt tot «gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong». Als gevolg daarvan geldt paragraaf 3.4.5, waarvan de eisen zijn gericht op het opvangen van uitlek- en percolatiewater en het voorkomen daarvan. Een toestemming voor het lozen van uitlek- en percolatiewater van gebruikt substraatmateriaal op het oppervlaktewater, zoals in artikel 3.63, eerste lid, onder c, stond is daardoor niet meer aan de orde. Dit onderdeel is daarom vervallen.

Onderdeel KK

De lozingen zoals bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, en artikel 3.71, zesde lid, kunnen op grond van artikel 3.63, eerste lid, ook in een oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden. De onterechte beperking tot lozen in een vuilwaterriool is met dit onderdeel gecorrigeerd.

Onderdeel LL

In artikel 3.70 was abusievelijk niet verwezen naar artikel 3.64. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel MM

In artikel 3.72, eerste lid, was de opsomming van de onderdelen a tot en met h, niet als cumulatieve opsomming opgenomen, terwijl dit wel de bedoeling is. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel NN

Artikel 3.76, tweede lid, onderdelen a tot en met e, waren abusievelijk cumulatief geformuleerd. Dat wil zeggen dat lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien aan alle vijf onderdelen is voldaan. Dat is echter niet de bedoeling. Lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien sprake is van de situatie in onderdeel a of b. Indien een van die situaties van toepassing is moet tevens worden voldaan aan onderdeel c. Onderdeel c bevat drie cumulatieve eisen. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel OO

In artikel 3.79 was onbedoeld de toestemming om gewasbeschermingsmiddelen te mogen spuiten op het talud, onder de voorwaarde dat het pleksgewijs en driftvrij gebeurt, niet overgenomen uit het voormalige Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Deze omissie is met het toevoegen van een nieuw achtste lid aan dat artikel met dit onderdeel hersteld. Aangezien de toestemming volgt uit artikel 1.6 is in dit nieuwe lid bepaald op welke wijze het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden.

Onderdeel PP

In artikel 3.83, zesde lid, was abusievelijk sprake van een verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken bij «een windsnelheid van ten minste 5 meter per seconde». Het verbod moet echter gelden als de windsnelheid groter is dan 5 meter per seconde. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel QQ

In artikel 3.85, eerste lid, is een verwijzing opgenomen naar artikel 3.79, tweede lid, om duidelijk te maken dat het deze teeltvrije zone betreft zoals in artikel 3.79 is geregeld, met daarbij de wijze waarop deze zone moet worden gemeten.

Onderdeel RR

Artikel 3.90, eerste lid, was abusievelijk beperkt tot de gietwatervoorziening bij agrarische activiteiten, terwijl het artikel betrekking moet hebben op alle waterbehandelingen waarop paragraaf 3.5.4 betrekking heeft. Dat blijkt ook uit de reikwijdtebepaling van artikel 3.89. Dit gebrek is met dit onderdeel hersteld.

Met het tweede wijzigingsonderdeel vervalt het voorschrift dat in een oppervlaktewaterlichaam mag worden geloosd indien het gehalte organische stof ten hoogste 15 milligram per liter bedraagt. Dat onderdeel was ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Inmiddels is er geen reden meer om dit voorschrift te handhaven en is het daarom vervallen.

Onderdeel SS

In artikel 3.111, eerste lid, is de zinsnede «en het bereiden van brijvoer voor landbouwhuisdieren die binnen de inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt voor het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen» vervallen.

Bij een verwerkingscapaciteit van plantaardige bijvoerdermiddelen van 4.000 ton per jaar of meer is een omgevingsvergunning milieu vereist. De reden om deze grens in artikel 3.111 op te nemen was om in de vergunning eisen te kunnen stellen die afwijken van hetgeen over brijvoer in paragraaf 3.5.8 is geregeld. Consequentie hiervan is echter dat geen van de voorschriften van paragraaf 3.5.8 van toepassing is. Het is echter de bedoeling dat voor inrichtingen type C de artikelen 3.122 tot en met 3.129 wel gelden. Dat volgt uit de reikwijdtebepaling van artikel 3. Bij een grote brijvoerinstallatie (met een verwerkingscapaciteit van 4.000 ton per jaar of meer) zou alleen van artikel 3.128 (dat ging over de brijvoerbereiding) afgeweken moeten kunnen worden. Artikel 3.128 is inmiddels vernummerd tot artikel 3.129b. Aangezien dit artikel geen uitputtende regeling geeft, kan ook met een maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplicht (artikel 2.1) van artikel 3.129b (nieuw) van het besluit worden afgeweken. Hiermee is op een andere manier voorzien in de gewenste afwijkingsmogelijkheid en kon de uitzondering voor het bereiden van brijvoer in artikel 3.111 volledig vervallen.

Onderdelen TT en UU

In artikel 3.116, derde lid, in samenhang met artikel 3.115, tweede lid, onderdeel a, had bepaald moeten zijn dat de afstanden van artikel 3.116, eerste lid, alleen gelden indien ter plaatse van het geurgevoelig object niet aan de waarden uit artikel 3.115, eerste lid, wordt voldaan. Met andere woorden: de minimumafstand is niet van toepassing als aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. Een woning van een andere veehouderij kan dus op een kortere afstand dan 100 of 50 meter zijn gelegen als ter plaatse van deze woning aan de waarde voor de geurbelasting is voldaan. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel VV

In artikel 3.117, aanhef, was onvoldoende duidelijk waar «binnen de inrichting» betrekking op had. Het gaat om de afstand tussen een dierenverblijf (dat binnen de inrichting is gelegen) en een geurgevoelig object. Met dit onderdeel is duidelijk gemaakt hoe deze aanhef gelezen moet worden.

Onderdeel WW, onderdeel 1 tot en met 3

In artikel 3.126 ontbrak ten onrechte een eerste lid dat aangeeft dat er geen sprake is van een uitputtende regeling. Lozingsbepalingen worden standaard voorafgegaan door een dergelijke bepaling. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

In het tweede lid (oud) werd toestemming gegeven om spuiwater van bepaalde soorten luchtwassers in de bodem te lozen. In de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 juni 2013, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met het toevoegen van ijzerwater, spuiwater en gescheiden dekaarde aan Bijlage Aa20, is het toegestaan deze stromen als meststof te gebruiken, zodat dit lid overbodig is geworden.

Onderdeel WW, onderdeel 4 en XX

Evenals artikel 3.126, tweede lid, kan ook artikel 3.127, derde lid, (oud) vervallen. Waswater van stallen wordt op grond van de Meststoffenwet gezien als dierlijke mest. Het gebruik daarvan als meststof zal op grond van de Meststoffenwet altijd worden toegestaan. Toestemming voor een bodemlozing onder het Activiteitenbesluit is dus overbodig geworden.

Per abuis is het lid over de bemonstering van afvalwater niet in de artikelen 3.126 en 3.127 opgenomen. Indien sprake is van het lozen van afvalwater is altijd de bepaling opgenomen dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd. Met deze onderdelen is deze omissie hersteld.

Onderdelen YY en AAA

De inhoud van artikel 3.128 is verplaatst naar artikel 3.129b (nieuw) in een aparte paragraaf (3.5.9 nieuw) over de bereiding van brijvoer omdat dit een aparte activiteit is. In artikel 3.129a (nieuw) is de reikwijdtebepaling van deze paragraaf opgenomen.

Onderdeel ZZ

De tekst van artikel 3.129 specificeerde dat het hergebruik van afvalwater dat afkomstig is van het wassen en spoelen van melkwininstallaties binnen de inrichting moet plaatsvinden. Deze inperking is milieuhygiënisch overbodig en is derhalve vervallen.

Onderdeel BBB

In de artikelen 3.133, tweede lid, en 3.137, tweede lid, is abusievelijk de term «IPPC-inrichtingen» opgenomen. In het Activiteitenbesluit is echter slechts sprake van een «IPPC-installatie» of van een «inrichting type C waartoe een IPPC behoort». Deze artikelen beogen te regelen dat paragraaf 3.6.2 respectievelijk paragraaf 3.6.3 niet van toepassing is op een IPPC-installatie.

Onderdeel CCC

Bij het beoordelen van de voorschriften voor de voedingsmiddelenindustrie (paragraaf 3.6.3) die sinds 1 januari 2013 van kracht zijn is besloten niet langer te vragen om een specifiek dimensioneringsrapport voor een vetafscheider bij een vleesverwerkend bedrijf. Dezelfde eis staat ook in paragraaf 3.6.2 voor bedrijven die al sinds 1 januari 2010 onder het besluit vallen en is ook in die paragraaf vervallen.

Onderdeel DDD

Het lozen van afvalwater, bedoeld in artikel 3.138, eerste lid, in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is vergunningplichtig op grond van artikel 6.2 van de Waterwet. Het ligt echter niet voor de hand dit soort lozingen op een niet-aangewezen, dus gevoeligere, oppervlaktewaterlichamen toe te staan. Als de situatie zich voordoet bieden de maatwerkmogelijkheden volgens het derde en vijfde lid voldoende mogelijkheden om de kwaliteit van dat oppervlaktewater te beschermen. De vergunningplicht voor lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is daarmee overbodig en is door het schrappen van «aangewezen» in het eerste lid opgeheven.

Onderdeel EEE

Het was niet mogelijk om stoffen met een saneringsinspanning A volgens het in artikel 3.139, tweede lid, genoemde BBT-informatiedocument in het vuilwaterriool toe te staan. Dat was een ongewenst gebrek. Evenals bij lozen in een oppervlaktewaterlichaam op grond van artikel 3.138 kunnen zich situaties voordoen waarbij deze mogelijkheid wel gewenst is. Door in het derde lid een maatwerkmogelijkheid op te nemen is deze omissie met dit onderdeel hersteld.

Onderdelen FFF, onder 1, GGG, HHH, onder 1, en MMM

Per abuis was in de artikelen 4.74k (onderdeel FFF), 4.74l (onderdeel GGG) en 4.74n (onderdeel HHH) een niet cumulatieve opsomming opgenomen, terwijl deze wel cumulatief moet zijn. In artikel 4.94b (onderdeel MMM) was abusievelijk wel een cumulatieve opsomming opgenomen, terwijl deze niet cumulatief moest zijn. Met dit onderdeel zijn deze gebreken hersteld.

Onderdeel FFF, onderdeel 2, en onderdeel HHH, onderdeel 2

Abusievelijk waren overbodige maatwerkmogelijkheden in artikel 4.74k, vierde lid, en in artikel 4.74n, derde lid, op genomen. De eis van 100 mg/l onopgeloste stoffen bij lozen in het oppervlaktewater wordt als voldoende streng gezien om te voorkomen dat bij deze lozingseis waterkwaliteitsdoelstellingen in het geding komen, waardoor een mogelijkheid tot aanscherping bij maatwerkvoorschrift niet nodig is. Deze bepalingen zijn vervallen, waarmee de omissie is hersteld.

Onderdeel III

Ten behoeve van de consistentie van de gebruikte begrippen is «spoorwegvoertuig» vervangen door «spoorvoertuig». «Spoorvoertuig» is het gebruikte en gedefinieerde begrip in het Activiteitenbesluit.

Onderdeel JJJ

Artikel 4.83 betreft het afleveren van vloeibare brandstof. Het laatste zinsdeel van artikel 4.83 («ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen») had abusievelijk betrekking op zowel onderdeel a als onderdeel b. Onderdeel a bevat een uitputtende verplichting om aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging te voldoen. Onderdeel b bevat een niet uitputtende verplichting om aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen ten behoeve van externe veiligheid te voldoen. Het laatste zinsdeel van artikel 4.83 («ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen») had alleen betrekking moeten hebben op onderdeel b. Het kan geen betrekking hebben op onderdeel a omdat daarin een uitputtende verplichting is opgenomen. Het laatste zinsdeel is nu opgenomen aansluitend aan het slot van onderdeel b. Daarmee is deze omissie hersteld.

Onderdelen KKK en LLL

Artikel 4.84, tweede lid (nieuw), bepaalt hoeveel wrakken van tweewielige motorvoertuigen maximaal bij een garagebedrijf of tweewielerzaak die onderhoud of reparaties uitvoert aan tweewielige motorvoertuigen, aanwezig mogen zijn en artikel 4.84, derde lid (nieuw), bepaalt welke handelingen daarmee verricht mogen worden. De handelingen waar het om gaat zijn bewerkingen die ook kunnen plaatsvinden bij een demontagebedrijf als eerste stap van het demontageproces. Het maximum van vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen is door deze wijziging niet van toepassing als een tweewielerzaak die onderhoud of reparaties uitvoert, gecombineerd wordt met een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen of een bergingsbedrijf. Vanwege de vernummering in artikel 4.84 is ook artikel 4.85, dat naar artikel 4.84 verwijst, aangepast.

Onderdeel NNN

Bij de activiteit «het reinigen van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast» was abusievelijk in artikel 4.103g, onderdeel e, «voor agrarische activiteiten» toegevoegd. In verreweg de meeste gevallen zal deze activiteit voor agrarische activiteiten plaatsvinden. Het kan echter ook bij andere activiteiten voorkomen en er is geen reden deze voorschriften daarop niet van toepassing te laten zijn.

Onderdeel OOO

In artikel 4.104c, eerste en tweede lid, was abusievelijk naast «wassen» ook «ontsmetten» opgenomen. Bij werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, is ontsmetten echter niet aan de orde.

Om puntbelasting van de bodem te voorkomen wordt bij lozen op of in de bodem het afvalwater gelijkmatig verspreid over een onverharde bodem. In de voorgaande redactie was deze toevoeging abusievelijk niet meegenomen. Deze omissies zijn hiermee hersteld.

In tegenstelling tot bij het uitwendig reinigen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast is bij het inwendig reinigen geen olie in het afvalwater te verwachten en worden daaraan geen eisen aangesteld. Op grond van de zorgplicht van artikel 2.1 gelden hier echter in beginsel dezelfde eisen als in artikel 3.23d, derde lid, ten aanzien van olie in het te lozen afvalwater voor het uitwendig wassen.

Onderdeel PPP

Met de wijziging bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) waren de onderdelen a en b van artikel 4.104e, tweede lid, abusievelijk niet cumulatief geformuleerd. Er moet echter zowel worden voldaan aan het maximum gehalte aan opgeloste stoffen als aan het maximum gehalte aan chemisch zuurstofverbruik.

Met diezelfde wijziging is in artikel 4.104e, vierde lid, per abuis naar het derde lid in plaats van naar het tweede lid verwezen. Het vierde lid ziet evenwel niet op het lozen op het vuilwaterriool, maar op het lozen op een oppervlaktewaterlichaam. Met dit onderdeel zijn deze omissies hersteld.

Onderdeel QQQ

Artikel 6.3, eerste lid, bevat een overgangsregeling. Deze houdt onder meer in dat ontheffingen die destijds zijn verleend op grond van het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming voor lozingen als bedoeld in artikel 2.2, eerste (of tweede) lid, van het Activiteitenbesluit, gedurende de resterende termijn van de ontheffing worden aangemerkt als een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, derde lid, van dat besluit. Het Lozingenbesluit bodembescherming had uitsluitend betrekking op het lozen van afvalwater op of in de bodem. Als gevolg van de wijziging van artikel 2.2, eerste lid, van het Activiteitenbesluit (artikel I, onderdeel I) bevat die bepaling twee onderdelen. Alleen onderdeel a heeft betrekking op het lozen van afvalwater op of in de bodem en is hier relevant. Onderdeel b heeft betrekking op het lozen van afvalwater in een hemelwaterriool en is hier dus niet relevant. Daarom is de verwijzing naar artikel 2.2, eerste lid, in artikel 6.3, eerste lid, beperkt tot onderdeel a.

Daarnaast is in artikel 6.3 een nieuw vijfde lid ingevoegd. Deze bepaling bevat een overgangsregeling voor ontheffingen van het verbod in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer om afvalwater op het hemelwaterriool te lozen, die destijds zijn verleend op grond van artikel 10.63, eerste lid, van die wet. Artikel 10.30 en is op 25 april 2013 vervallen. Ook artikel 10.63, eerste lid, waarin de basis voor de ontheffing lag, is op die datum vervallen. Dit is toegelicht in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting. Het lozingsverbod van die bepaling is nu opgenomen in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit. Het is de bedoeling via de overgangsregeling van het nieuwe vijfde lid ontheffingen op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor de resterende termijn van de ontheffing aan te merken als maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, derde lid. Hierdoor kunnen de lozingen nog enige tijd plaatsvinden. Bij de formulering van de overgangsregeling trad een complicatie op. Omdat artikel 10.30 van de Wet milieubeheer al op 25 april 2013 is vervallen, zijn ook de ontheffingen van die bepaling, die zijn verleend op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer, op die datum vervallen. De overgangsregeling kan dus niet, zoals gebruikelijk in vergelijkbare bepalingen van het Activiteitenbesluit, inhouden dat de ontheffingen als maatwerkvoorschriften worden aangemerkt. Daarom is in het nieuwe vijfde lid bepaald dat rechtstreeks op grond van het Activiteitenbesluit een maatwerkvoorschrift geldt in die gevallen waarin op 24 april 2013 een ontheffing op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer van kracht was. De inhoud van dit maatwerkvoorschrift komt overeen met die ontheffing. Op deze wijze wordt voorkomen dat het bevoegd gezag in gevallen waarin op grond van artikel 10.63 van de Wet milieubeheer een ontheffing van het lozingsverbod van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was verleend, bij afzonderlijk besluit op grond artikel 2.2, derde lid, een maatwerkvoorschrift zou moeten vaststellen om te bereiken dat de lozingen toegestaan blijven. Dit zou tot onnodige bestuurlijke en administratieve lasten leiden, die uitsluitend het gevolg zijn van een omissie in de wetgeving waardoor de verplaatsing van het lozingsverbod van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer naar artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit in de tijd niet goed was afgestemd. Zie hierover paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting.

Onderdeel SSS

Met de wijziging bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) is de overgangsbepaling van artikel 6.17 abusievelijk niet aangevuld met een verwijzing naar 3.26f en is de verwijzing naar artikel 3.44, derde lid, abusievelijk niet vervallen. Deze omissies zijn met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel TTT

Met de wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) was overgangsrecht opgenomen voor het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2013 onder het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: BEES A) viel en met ingang van 1 januari 2013 onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Het overgangsrecht bepaalt dat op bepaalde bestaande stookinstallaties de emissie-eisen van het BEES A van toepassing blijven. Inherent hieraan is dat ook de keurings- en onderhoudseisen van het BEES A op die stookinstallaties van toepassing blijven. Volledigheidshalve is dit in artikel 6.20, vijfde lid (nieuw), bepaald.

Onderdeel UUU

In het opschrift van paragraaf 6.11 ontbreekt abusievelijk «spoorvoertuigen». Deze paragraaf bevat overgangsrecht voor artikel 3.20 dat deel uitmaakt van paragraaf 3.3.1, die ook van toepassing is op spoorvoertuigen. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel VVV

Met dit wijzigingsbesluit zijn voorschriften voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten toegevoegd aan paragraaf 3.3.3, die eerder uitsluitend het demonteren van autowrakken betrof. Daarmee zijn de voorschriften uit die paragraaf ook van toepassing geworden op wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Op grond van artikel 6.23, eerste lid, blijven bepaalde vergunningvoorschriften gedurende drie jaar gelden als maatwerkvoorschrift, voor zover deze vergunningvoorschriften binnen de bevoegdheid tot het stellen van maatwerk vallen voor de activiteiten die in paragraaf 3.3.3 worden gereguleerd. Op grond van het tweede lid blijven de vergunningvoorschriften gedurende zes maanden gelden voor onderwerpen waarvoor paragraaf 3.3.3 geen bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften biedt en de bepalingen uit paragraaf 3.3.3 strenger zijn.

Het overgangsrecht van paragraaf 6.12 is gekoppeld aan het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 3.3.3 en daarmee aan de demontage van autowrakken. Dat was 1 januari 2011. Dat zou voor inrichtingen die met dit wijzigingsbesluit onder paragraaf 3.3.3 komen te vallen, betekenen dat op het moment van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit beide overgangstermijnen zijn verstreken. Aangezien hetgeen met het overgangsrecht van artikel 6.23 is beoogd te regelen, ook met artikel 6.1, eerste en vierde lid, kan worden bereikt, is paragraaf 6.12 vervallen.

Onderdeel WWW

Met de wijziging van artikel 3.31 is paragraaf 3.4.3 (Opslaan en overslaan van goederen) van toepassing geworden op een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen die een inrichting type C is. Het overgangsrecht van paragraaf 6.13a is gekoppeld aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.31 (1 januari 2011). Dat zou voor bedoelde inrichtingen die met dit wijzigingsbesluit onder paragraaf 3.4.3 komen te vallen, betekenen dat op het moment van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit het overgangsrecht is uitgewerkt. Aangezien hetgeen met het overgangsrecht van paragraaf 6.13a is beoogd te regelen, ook met artikel 6.1, eerste en vierde lid, kan worden bereikt, is paragraaf 6.12 vervallen.

Paragraaf 6.13a bevat hetzelfde overgangsrecht als paragraaf 6.12. Zie daarom voor een uitgebreide toelichting de toelichting op paragraaf 6.12 in VVV.

Onderdeel XXX

In artikel 6.24f, eerste lid, dat een uitzondering bevat op de producteis van artikel 3.56, was abusievelijk bepaald dat «technisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie». Of dit redelijkerwijs kan worden gevergd hangt af van een combinatie van de constructie van de kas en het gewas dat daarin wordt geteeld. Met het oog daarop is in de tekst van artikel 6.24f bepaald dat dit tevens kan worden beschouwd vanuit «teelttechnisch« oogpunt.

Onderdeel YYY

De artikelen 6.24i en 6.24j bevatten overgangsrecht voor de periode tot 1 januari 2013. Dit overgangsrecht is uitgewerkt en kan derhalve vervallen. Met dit onderdeel is hierin voorzien.

Onderdelen AAAA, BBBB, DDDD en EEEE

In de artikelen 3.63, 3.76, 3.91, 3.100 en 3.102 is bepaald dat vrijkomend afvalwater op de riolering (vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk) moet worden geloosd wanneer binnen een afstand van 40 meter, gemeten vanaf de kadastrale grens van het perceel, een dergelijke voorziening aanwezig is. In het voormalige Besluit glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij golden soortgelijke voorschriften, maar daarbij werd de afstand gemeten tussen de plaats waar het afvalwater vrijkomt en de riolering. Dat leidt er toe dat veel afvalwaterstromen die op grond van voornoemde vervallen besluiten op het oppervlaktewater mochten worden geloosd, nu moeten worden geloosd op de riolering. Afhankelijk van de plaats waar het afvalwater op het betrokken perceel vrijkomt en de ligging van de riolering ten opzichte van dat perceel, kan aansluiting op de riolering tot aanzienlijke kosten leiden. Dit zal in bestaande situaties vaak voorkomen. Daarom is besloten om, naar het voorbeeld van de regeling voor huishoudelijk afvalwater, alsnog te voorzien in een overgangsregeling voor bestaande lozingen. Eenzelfde overgangsregeling voor het lozen op de bodem is opgenomen in artikel 6.24o.

Onderdeel CCCC

In artikel 3.83, derde tot en met vijfde lid, was bepaald dat veldspuitapparatuur in bepaalde gevallen moet zijn voorzien van een drukregistratievoorziening. In artikel 6.24n is hiervoor overgangsrecht opgenomen. In overleg met betrokken partijen was afgesproken dat het overgangsrecht voor zowel bestaande als nieuwe spuitmachines zou gelden. Abusievelijk was het overgangsrecht voor nieuwe machines niet opgenomen. Met dit onderdeel is hierin alsnog voorzien.

Vanaf 1 januari 2017 dienen alle spuitmachines voorzien te zijn van een drukregistratievoorziening. Vanaf het moment dat een spuitmachine (voor die datum) is voorzien van een drukregistratievoorziening dient deze ook gebruikt te worden.

Onderdeel FFFF
Onderdeel 1

De toepassing van artikel 3.131, vierde lid, is gekoppeld aan het tijdstip van inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008. Abusievelijk is bij de wijziging van het Activiteitenbesluit bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) deze datum in artikel 6.24x niet vervangen door het tijdstip waarop artikel 3.131, vierde lid, op de inrichting van toepassing is geworden. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 2

Artikel 6.24x, tweede lid, is abusievelijk met de wijziging van het Activiteitenbesluit bij besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) niet van toepassing verklaard op inrichtingen die op 1 januari 2013 onder het Activiteitenbesluit kwamen te vallen. Het gaat om inrichtingen waarop vanaf 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit mestbassins milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was. Met een nieuw derde lid is dit gebrek hersteld.

Onderdelen GGGG en HHHH

Met het besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) was abusievelijk geen overgangsrecht opgenomen voor de vetafscheider die wordt gebruikt bij het industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken (artikel 3.139, vijfde lid). Aangezien deze bepaling eenzelfde regeling bevat als voor vetafscheiders bij het slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis en het bewerken van dierlijke bijproducten (artikel 3.134, derde lid) zou het overgangsrecht ook gelijk moeten zijn. Dit is hersteld door het opschrift van paragraaf 6.13m uit te breiden met «het industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken» en door artikel 6.24y daarop ook van toepassing te laten zijn.

Onderdeel IIII

Het overgangsrecht van paragraaf 6.13n (bestaande uit artikel 6.24z) is sinds 1 januari 2011 uitgewerkt. Deze paragraaf is derhalve vervallen.

Onderdeel JJJJ

Bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) was abusievelijk het woordje «van» in de zinsnede «datum van inwerkingtreding» niet opgenomen in artikel 6.25a. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel KKKK

Ten behoeve van de consistentie van de gebruikte begrippen is «spoorwegvoertuigen» vervangen door «spoorvoertuigen». «Spoorvoertuig» is het gebruikte en gedefinieerde begrip in het Activiteitenbesluit.

Onderdeel LLLL

Abusievelijk was het overgangsrecht in artikel 6.34c ten aanzien van artikel 4.104a (het inwendig reinigen van tanks, tankwagens, vrachtwagens en andere transportmiddelen) niet volledig. Volstaan mag worden met flocculatie-afscheider indien die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel 4.104a op die inrichting van toepassing werd. Met het toevoegen van een tweede lid aan artikel 6.34c is deze omissie hersteld.

Onderdeel MMMM

Artikel 6.37a (oud) inzake het in werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte, dat met ingang van 1 januari 2010 in het Activiteitenbesluit is opgenomen was abusievelijk geen onderdeel van een eigen paragraaf en stond onder de paragraaf met overgangsrecht voor het slachten van dieren en uitsnijden van vlees en vis. Bij het verplaatsen van die paragraaf besluit 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) is het artikel ten onrechte vervallen. Met dit onderdeel zijn beide gebreken hersteld.

Onderdeel NNNN

Bij besluit van 13 oktober 2012 (Stb. 2012, 552) zijn het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen, het Besluit verbranden afvalstoffen en het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer vervallen. Abusievelijk is niet voorzien in het opnemen van deze besluiten in artikel 6.43. Dit artikel bevat een opsomming van besluiten die met het Activiteitenbesluit of met een wijziging van dat besluit zijn vervallen. Dit artikel is van belang vanwege het overgangsrecht (artikelen 6.1 en 6.4). Met dit wijzigingsonderdeel is dit gebrek hersteld.

Artikel II

Onderdeel A
Onderdelen 1 en 5

Indien de activiteiten waarop de OBM betrekking heeft, plaatsvinden binnen een inrichting waar zich een IPPC-installatie bevindt, terwijl de activiteit zelf geen onderdeel uitmaakt van die IPPC-installatie, kan voor die activiteit met een OBM worden volstaan en is geen wijziging van de omgevingsvergunning milieu nodig. Voorheen gold deze uitzondering voor «inrichtingen waarin zich een IPPC-installatie bevindt». Deze uitzondering was ruimer dan nodig omdat hiermee voor activiteiten die geen deel uitmaken van de IPPC-installatie maar wel plaatsvinden binnen de inrichting, waarvan ook een IPPC-installatie deel uitmaakt, geen OBM kon worden afgegeven. Voor die activiteiten moest dan een omgevingsvergunning milieu worden aangevraagd met de daarbij behorende uitgebreide voorbereidingsprocedure.

Om mogelijk te maken dat een OBM ook kan worden aangewezen voor activiteiten «naast» een IPPC-installatie zijn de artikelen 2.2a en 2.4 aangepast. Verder is de uitzondering voor de IPPC-installaties in de afzonderlijke artikelleden van artikel 2.2a vervallen en opgenomen in een nieuw zevende lid.

Over het algemeen geldt overigens dat alleen de categorieën waarvoor de OBM is voorgeschreven en die betrekking hebben op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een dierenverblijf potentieel deel uitmaken van een IPPC-installatie. Bij de andere categorieën waarvoor een OBM is voorgeschreven (artikel 2.2a, eerste tot en met derde lid en vijfde en zesde lid), is dit niet aannemelijk.

Bovengenoemde wijziging is niet in het vierde lid doorgevoerd. De categorieën van activiteiten in het vierde lid zijn aangewezen vanwege de luchtkwaliteit. De weigeringsgrond inzake luchtkwaliteit is opgenomen in artikel 5.13b, zesde lid. De beoordeling van luchtkwaliteit bij een inrichting met een omgevingsvergunning milieu moet altijd plaatsvinden voor de gehele inrichting. Een beoordeling van een specifieke activiteit waarvoor een OBM is vereist, heeft geen toegevoegde waarde naast de beoordeling bij een omgevingsvergunning milieu voor de gehele inrichting. Daarom is ervoor gekozen van de categorieën van activiteiten, bedoeld in het vierde lid alle vergunningplichtige inrichtingen (inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wabo) uit te sluiten. Dit zijn de enige categorieën van activiteiten die zijn aangewezen voor de OBM waar dit voor geldt.

Onderdeel 2

Demontagebedrijven voor tweewielige motorvoertuigen dragen de zorg voor een hoogwaardige verwerking van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Bij deze demontagebedrijven worden wrakken van tweewielige motorvoertuigen deskundig gedemonteerd en gescheiden in verschillende, veelal gevaarlijke, afvalstromen die verder het afvalstoffen- en hergebruikcircuit in worden gebracht. Deze demontagebedrijven leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan een lekvrije verwerking van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Gezien deze functie van deze bedrijven in de beheerketen en de aard van de afvalstoffen die hierin omgaan, is een toestemming vooraf door het bevoegd gezag gewenst. Bij een toets vooraf kan worden nagegaan of in redelijkheid kan worden verwacht dat het bedrijf kan voldoen aan de eisen die worden gesteld aan demontagebedrijven voor tweewielige motorvoertuigen om zo een hoogwaardig en lekvrij beheer van wrakken van tweewielige motorvoertuigen te waarborgen. Op deze wijze kan worden gewaarborgd dat sprake is van doelmatig beheer van afvalstoffen. De gegevens die bij de melding op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit worden aangeleverd, zijn in het algemeen voldoende om de toets vooraf te kunnen uitvoeren.

Onderdeel 3

In artikel 2.2a, vierde lid, onder b, was abusievelijk een drempel opgenomen voor de beoordeling van luchtkwaliteit en was de activiteit zo geformuleerd dat de OBM eenmalig was. Het is echter niet te motiveren dat veranderingen onder de drempel niet aan een beoordeling onderworpen hoeven te worden. Hetzelfde geldt voor latere veranderingen. Met de onderhavige wijziging is de vergunningplicht voor de OBM van toepassing zodra wordt aangevangen met het vervaardigen van betonmortel of het vervaardigen en bewerken van betonproducten, en ook latere veranderingen van deze activiteit, inclusief een aantal genoemde ondersteunende activiteiten die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit, vallen onder de vergunningplicht voor de OBM.

Onderdeel 4

De activiteit waarop de vergunningplicht voor de OBM ten aanzien van het verwerken van polyesterhars van toepassing was, was abusievelijk zo geformuleerd dat de OBM eenmalig was. Niet alleen de aanvang met maar ook latere veranderingen van de activiteit moeten aan een beoordeling worden onderworpen. Met dit onderdeel is hierin voorzien.

Onderdeel B

Artikel 2.4, tweede lid, beoogt te regelen dat voor een verandering van een inrichting type C geen omgevingsvergunning milieu nodig is, als de verandering betrekking heeft op een activiteit die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit is geregeld. In dat geval staan de voorschriften voor de activiteit namelijk in het Activiteitenbesluit zodat een omgevingsvergunning milieu niet nodig is. Voor deze verandering kan in dat geval worden volstaan met een melding of in bepaalde gevallen een melding in combinatie met een OBM. Het is wel van belang dat de verandering niet in strijd is met de voorschriften die in de vergunning staan. Mocht die situatie zich voordoen dan zal de inrichtinghouder wijziging van het betreffende voorschrift moeten aanvragen.

Het van toepassing zijn van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit volgt uit het van toepassing zijn van een of meer reikwijdtebepalingen zoals die aan het begin van iedere paragraaf van dat hoofdstuk zijn opgenomen. Het is mogelijk dat een verandering slechts ten dele onder deze bepalingen valt. In dat geval is voor deze verandering de vergunningplicht niet volledig opgeheven, en zal een omgevingsvergunning milieu moeten worden aangevraagd voor het veranderen van de inrichting, gecombineerd met een melding of melding met aanvraag van een OBM. Over het algemeen zal dit betekenen dat het bedrijf een omgevingsvergunning milieu aanvraagt voor het veranderen van de inrichting, welke aanvraag dan tevens de informatie bevat die op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit aangeleverd moet worden, zodat daarmee ook aan de meldplicht wordt voldaan. Als voor deze verandering zowel een omgevingsvergunning milieu als een OBM nodig is, wordt dit onder de Wabo op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder c, in één procedure behandeld, namelijk de uitgebreide voorbereidingsprocedure (paragraaf 3.3 van de Wabo).

Voor het houden van landbouwhuisdieren moet bij verandering van een inrichting type C altijd een toetsing worden gedaan aan de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij. Om die reden geldt deze uitzondering op de vergunningplicht niet voor paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit. Deze uitzondering stond in het tweede lid, onderdeel b (oud) maar ook in andere bewoordingen in het tweede lid, onder a, (oud): behoudens wanneer het betreft een installatie (lees: IPPC-installatie) die betrekking heeft op het aantal dierplaatsen. In het tweede lid, onderdeel b (nieuw) is paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer uitgezonderd. Dat is het enige onderdeel van hoofdstuk 3 van dat besluit dat betrekking kan hebben op een IPPC-installatie «die betrekking heeft op het aantal dierplaatsen». Het tweede lid, onderdelen a en b (oud) bevatten dezelfde uitzondering. Met het nieuwe tweede lid is een van die uitzonderingen, die van onderdeel a (oud) vervallen.

Bij bepaalde stookinstallaties gelden wel voorschriften uit paragraaf 3.2.1 maar is daarnaast ook een vergunning nodig. Om die reden zijn deze stookinstallaties ook van de uitzondering op de vergunningplicht uitgesloten.

Met de aanpassing van artikel 2.4, tweede lid, is het derde lid overbodig geworden. Het element van het derde lid dat niet is opgenomen in het tweede lid betreft «de activiteiten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.2a». Dat zijn activiteiten waarvoor een OBM is voorgeschreven. Een verwijzing naar deze activiteiten is overbodig door de uitzondering die het tweede lid maakt voor veranderingen waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Ook in de situatie dat een OBM is voorgeschreven is hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Een verwijzing naar activiteiten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.2a voegt derhalve niets toe.

Onderdeel C

Deze wijziging van artikel 5.4, derde lid, onder a, betreft een redactionele correctie van een drukfout, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2012, nr. 552, bladzijde 27. Abusievelijk was een aantal spaties in de titel van EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels niet opgenomen.

Onderdeel D

In artikel 5.13b, tweede lid, wordt verwezen naar artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor. Hierdoor is de weigeringsgrond in het tweede lid van toepassing op een aanvraag om een OBM voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

Deze weigeringsgrond heeft betrekking op het doelmatig beheer van afvalstoffen. Dit betekent dat vooraf duidelijk moet zijn dat een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen over alle voorzieningen beschikt die nodig zijn voor een doelmatig beheer van afvalstoffen. Met een doelmatig beheer van afvalstoffen wordt gedoeld op de uitvoering van de verplichtingen overeenkomstig het Landelijk afvalbeheerplan en de voorkeursvolgorde voor afvalbeheer, als bedoeld in de definitie van doelmatig beheer van afvalstoffen in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Het bevoegd gezag beoordeelt dit aan de hand van de informatie die bij de melding (artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit) wordt overgelegd en die wordt gedaan samen met de aanvraag voor de OBM. Het acceptatiebeleid dat bij de melding gevoegd moet worden vormt een belangrijke basis voor de toets. Daarnaast moet uit de gemelde activiteiten blijken dat het bedrijf beschikt over de voor een doelmatig beheer van wrakken van tweewielige motorvoertuigen noodzakelijke opslagvoorzieningen voor de verschillende vrijkomende stoffen en materialen en dat de capaciteit van de opslag in lijn is met de verwachte omvang van de vrijkomende stromen. De vraag of de gemelde activiteiten ook voldoen aan de voorschriften die het besluit daaraan stelt, speelt bij de beoordeling vooraf geen significante rol. Dat is meer een vraag die bij handhaving van de voorschriften speelt. Zo moet de demontage volgens de voorschriften plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere bodembeschermende maatregel. Indien bij de ontvangst van het wrak van een tweewielig motorvoertuig wordt geïnspecteerd of er lekkage van bodembedreigende stoffen plaatsvindt dan is het toegestaan om een andere bodembeschermende maatregel te treffen anders dan een vloeistofdichte vloer of verharding.

Als uit de melding duidelijk blijkt dat er in het geheel geen afdoende bodembeschermende voorziening is dan is dat reden om de vergunning te weigeren. Dit zal zich echter slechts bij uitzondering voordoen.

Onderdeel E

In de begripsomschrijving van het begrip «stookinstallatie» wordt verwezen naar dat begrip in het Activiteitenbesluit omdat de daarbij behorende begripsomschrijving ook moet doorwerken in de grens voor de vergunningplicht die in categorie 1.4, onder a, van onderdeel C, van bijlage I, bij het Bor is opgenomen.

De definitie van «wrak van een tweewielig motorvoertuig» heeft dezelfde achtergrond als de definitie van «autowrak». Op het moment dat een tweewielig motorvoertuig aan te merken is als een afvalstof, is sprake van een wrak. Het begrip «afvalstof» is in de Kaderrichtlijn afvalstoffen gedefinieerd als «elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen». Deze definitie van het begrip «afvalstof» is overgenomen in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

Onderdeel F
Onderdeel 1

In het Activiteitenbesluit wordt het begrip «vergistinggas» gebruikt. In categorie 1.4, onder a, van het Bor is abusievelijk het begrip «biogas» gebruikt. Inhoudelijk is er geen verschil maar in het Bor wordt aangesloten bij de begrippen die worden gebruikt in het Activiteitenbesluit. Met dit onderdeel is deze omissie hersteld.

Onderdeel 2

Bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) is categorie 4.4, onder i, onbedoeld niet komen te vervallen. Met dit wijzigingsonderdeel vervalt onderdeel i alsnog.

Onderdeel 3

Bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) is onbedoeld de zinsnede «als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen» in categorie 5.4, onder a, komen te vervallen. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 4

Bij besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) zijn de in categorie 7.5, onderdelen i en j, genoemde grenzen abusievelijk als ondergrenzen geformuleerd. De grens van de vergunningplicht ligt boven de in deze onderdelen i en j genoemde grenzen. De bassins die exact aan deze grenzen voldoen, zijn niet vergunningplichtig. Daarmee zijn deze grenzen gelijk aan die van het voormalige Besluit mestbassins milieubeheer.

Onderdeel 6, onder a

Met categorie 8.3, onderdeel k, werd beoogd de grens voor de vergunningplicht voor «overige landbouwhuisdieren», namelijk voor dieren waar niet al een specifieke grens voor geldt. Voor een aantal diercategorieën is deze grens niet te vinden in deze bijlage, maar in de richtlijn industriële emissies. Daarom was hier een verwijzing gemaakt naar die richtlijn. Deze verwijzing was abusievelijk gekoppeld aan het begrip «gpbv-installatie» terwijl verwezen had moeten worden naar de diercategorieën die daar (in bijlage I bij de richtlijn industriële emissies) zijn genoemd. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 5 en onderdeel 6, onder b

Bij besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) was de wijziging van de onderdelen in categorie 8.3 abusievelijk niet juist doorgevoerd en was de verwijzing naar enkele onderdelen daarvan in categorie 8.2, onder b, niet aangepast. Deze omissies zijn met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel 7

De zinsnede betreffende de capaciteit had in categorie 11.3, onder k, sinds de wijziging bij besluit van 11 augustus 2012 (Stb. 2012, 424) abusievelijk uitsluitend betrekking op onderdeel 3°. Met dit onderdeel heeft die zinsnede betrekking op de onderdelen 1°, 2° en 3°, zoals was beoogd.

Onderdeel 8

Het was de bedoeling bij besluit van 31 oktober 2012 (Stb. 2012, 558) het paintballspel vrij te stellen van de vergunningplicht. Bij het paintballspel wordt echter geschoten met wapens met luchtdruk of gasdruk, waardoor de vergunningplicht onbedoeld bleef bestaan voor paintball in de open lucht in categorie 19.4, onder f. Met dit onderdeel is die vergunningplicht alsnog vervallen.

Onderdeel 9
Categorie 28.10 onder 8°

Het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen leidt niet tot de verplichting van een omgevingsvergunning milieu. Een inrichting die (ook) is bestemd voor het demonteren van afgedankte voertuigen anders dan autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen – zoals vrachtwagens –, blijft wel vergunningplichtig (omgevingsvergunning milieu). De grenzen voor het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen zijn gelijkgesteld met de grenzen voor het demonteren van autowrakken. Net als bij autowrakken leidt een aantal (met het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen samenhangende) handelingen met afvalstoffen die plaatsvinden bij een inrichting waar wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden gedemonteerd, voor dergelijke inrichtingen niet tot vergunningplicht. De regels die worden gesteld ten aanzien van de opslag van wrakken van tweewielige motorvoertuigen zijn opgenomen in de paragrafen 3.3.3 en 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Het opslaan van bij het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen vrijkomende afvalstoffen wordt geregeld in paragraaf 3.3.3 en het aftanken van bij het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen vrijkomende vloeibare brandstofresten, ten behoeve van eigen gebruik of derden, is geregeld in paragraaf 3.3.1 van het Activiteitenbesluit. Het neutraliseren van airbags en gordelspanners (niet zijnde mechanische bestuurdersairbags) is op dit moment geen gebruikelijke activiteit bij het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen. Als deze activiteit door toekomstige ontwikkelingen mogelijk vaker zal plaatsvinden, gelden dezelfde regels als bij het neutraliseren van airbags en gordelspanners die van autowrakken afkomstig zijn. Voordat de activiteit demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen mag worden uitgevoerd, is op grond van het Bor altijd vooraf een OBM nodig.

Categorie 28.10 onder 16°

Autoschadeherstelbedrijven en carrosseriebedrijven mogen bovenop de opslag van maximaal vier autowrakken en overige voertuigwrakken, ook maximaal vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen in de opslag hebben zonder dat dit leidt tot de plicht tot het hebben van een omgevingsvergunning milieu. Ook tweewielerzaken die tweewielige motorvoertuigen repareren of onderhouden mogen maximaal vier wrakken van tweewielige motorvoertuigen in de opslag hebben. De enige bewerking die daar toegestaan is, staat in artikel 4.84, derde lid, van het Activiteitenbesluit namelijk het verwijderen van accessoires op verzoek van de eigenaar. Andere handelingen zijn alleen toegestaan bij een autodemontagebedrijf of demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen, dat beschikt over een OBM.

Categorie 28.10 onder 17°

De opslag van wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij bergingsbedrijven, of in het kader van justitieel onderzoek wordt niet beschouwd als een handeling met afvalstoffen in de zin van categorie 28, onderdeel C, van bijlage I bij het Bor. Deze opslag hoeft dan ook niet onder de vergunningplicht te vallen.

Categorie 28.10 onder 28°

De tekst van onderdeel 28.10, onderdeel 28, was aangepast met het besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) om een betere aansluiting bij het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) te waarborgen. Er was geen inhoudelijke wijziging beoogd. Abusievelijk is daarbij in onderdeel b «het opslaan van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval» niet opgenomen. Deze omissie is met dit onderdeel hersteld.

Artikel III

In artikel 1.1, eerste lid, vervalt het begrip «SPF» met de daarbij behorende omschrijving omdat dit begrip in het Waterbesluit niet wordt gebruikt.

SPF staat voor «Seasonal Performance Factor», waarmee het rendement van een bodemenergiesysteem wordt weergegeven.

Het derde onderdeel van dit artikel bepaalt dat artikelen 6.4 tot en met 6.7 van het Waterbesluit zijn vervallen. In de nota van toelichting bij artikel 6.4 van het Waterbesluit21 was al aangekondigd dat algemene regels zouden worden opgesteld voor zuiveringtechnische werken. De vergunningplicht voor lozingen vanuit zuiveringtechnische werken op oppervlaktewaterlichamen zijn met dit wijzigingsbesluit vervangen door algemene regels. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 3.1.4a van het Activiteitenbesluit. Ten gevolge van het vervallen van de artikelen 6.5 tot en met 6.7 van het Waterbesluit is ook artikel 2.3 van dat besluit aangepast door naar de algemene regels te verwijzen. Artikel 2.3 betreft de implementatie van de in artikel 15, eerste lid, van de richtlijn stedelijk afvalwater opgenomen controleplicht ten aanzien van de hoeveelheid en samenstelling van de lozingen.

Voor een toelichting op de wijzigingsonderdelen 4 en 5 wordt verwezen naar de toelichting op artikel IX, tweede lid.

Artikel IV

Met zowel het besluit van 14 september 2012 (Stb. 2012, 441) als het besluit van 7 december 2012 van Staatsblad 2012, 640,22 zijn vanaf 1 januari 2013 wijzigingen aangebracht in bijlage II bij het Besluit OM-afdoening. De wijzigingen in Staatsblad 441 betroffen de aanpassing van de citeertitel van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Aangezien er geen volgorde was bepaald om deze wijzigingen door te voeren, was eerst de wijziging van Staatsblad 441 verwerkt en daarna die van Staatsblad 640. Daardoor was de wijziging van de citeertitel van het Activiteitenbesluit abusievelijk met de wijziging van Staatsblad 640 ongedaan gemaakt. Met dit artikel is deze omissie hersteld.

Artikel V

In artikel 3, tweede lid, onder a, van het Besluit van 1 maart 1989, tot vaststelling van het hoogste toelaatbaar organisch-halogeengehalte van brandstoffen of grondstoffen van brandstoffen werd nog verwezen naar artikel 10.63, derde lid, (oud) van de Wet milieubeheer. Aangezien artikel 10.63, eerste lid, (oud) is vervallen zijn de overige leden van dat artikel vernummerd. De verwijzing naar het derde lid (oud) is daarom vervangen door een verwijzing naar artikel 10.63, tweede lid.

Artikel VI

Onderdeel A

In artikel 1.2 van het Besluit lozen buiten inrichtingen worden bepaalde lozingen van de reikwijdte van het Besluit lozen buiten inrichtingen uitgezonderd, waaronder lozingen waarop voorheen het verbod van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer van toepassing was, uitgezonderd de lozingen waarvoor volgens artikel 1.3 van het Besluit lozen buiten inrichtingen een vrijstelling gold. Artikel 10.30 van de Wet milieubeheer is met ingang van 25 april 2013 vervallen. Daarom moeten de verwijzingen naar die bepaling, zoals ook nog voorkomen in het Besluit lozen buiten inrichtingen, vervallen. Zie daarover paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

In plaats van het verbod (met uitzonderingen) van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer is het lozen van afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, nu geregeld in artikel 2.2 van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Voor agrarische lozingen buiten inrichtingen staat de regeling echter in artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Onderdeel B

Doordat artikel 10.30 van de Wet milieubeheer is vervallen, zijn de onderdelen d en e van artikel 1.3 (oud), waarin nog naar artikel 10.30 van de Wet milieubeheer werd verwezen, ook vervallen.

In artikel 1.3, onderdelen d en e, (oud) werden vrijstellingen verleend van het verbod dat in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was gesteld om afvalwater te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Voor het lozen anders dan in een vuilwaterriool was hiervoor in onderdeel e als voorwaarde gesteld dat dan wel moet worden voldaan aan de regels van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Na het vervallen van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer zijn lozingen van afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, voortaan verboden op grond van artikel 2.2. van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Voor een aantal lozingen wordt in dit artikel tevens vrijstelling verleend van dat verbod, en wordt verwezen naar de artikelen waarin voor deze lozingen voorschriften zijn opgenomen. Lozingen op of in de bodem buiten inrichtingen afkomstig van agrarisch afvalwater zijn geregeld in artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit. Dit volgt uit artikel 1.4a van dat besluit.

Onderdeel C

Artikel 1.10, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat een meldingsplicht voor niet vergunningplichtige lozingen. In de huidige bepaling wordt abusievelijk verwezen naar artikel 3a.8, dat echter geen betrekking heeft op lozingen. Bedoeld werd artikel 3a.2. Deze omissie wordt met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel D

In artikel 1.10a, vijfde lid, onderdeel b, werd ten onrechte verwezen naar de in het eerste lid bedoelde gegevens. Deze verwijzing is onjuist. Bedoeld zijn de gegevens die zijn opgesomd in het derde lid.

Onderdeel E

Met de wijziging van artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt een verbod ingevoerd om afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling van en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool (onderdeel b). Dit verbod komt in de plaats van het vergelijkbare verbod dat eerder was gesteld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. Zie daarover paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting.

Op grond van artikel 2.2 wordt tevens vrijstelling verleend voor lozingen waarvoor voorschriften zijn gesteld in de artikelen waarnaar in artikel 2.2 wordt verwezen. Voor lozingen van agrarisch afvalwater geldt artikel 2.2 van het Activiteitenbesluit. Dit volgt uit artikel 1.4a van dat besluit. De wijziging van artikel 2.2, tweede lid, vloeit voort uit de wijziging van het eerste lid, maar blijft inhoudelijk ongewijzigd.

Onderdeel F

Voor de toelichting op de aanpassing van artikel 3.1, vierde lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van artikel 3.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit (onderdeel T).

Onderdeel G

In artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen was abusievelijk een verwijzing naar «leidingwater» als bedoeld in de Waterleidingwet blijven staan. Ook in het tweede en derde lid stond nog «leidingwater». De Waterleidingwet is op 1 juli 2011 vervangen door de Drinkwaterwet. De Drinkwaterwet kent het begrip «leidingwater» niet maar «drinkwater». Leidingwater volgens de Waterleidingwet omvat zowel drinkwater als warm tapwater volgens de Drinkwaterwet, alsmede huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. Artikel 3.22 is in overeenstemming gebracht met de Drinkwaterwet door «leidingwater» te vervangen door «drinkwater, warm tapwater of huishoudwater».

Onderdeel H

Voor een toelichting op het artikel 5.2, vijfde lid, (nieuw) wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.3, vijfde lid, (nieuw) van het Activiteitenbesluit (artikel I, onderdeel QQQ)

Artikel VII

Onderdeel A

In artikel 2, derde lid, (oud) van het Besluit lozing afvalwater huishoudens werd vrijstelling verleend van het verbod dat in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer was gesteld om afvalwater te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Door het vervallen van artikel 10.30 van de Wet milieubeheer zijn lozingen van afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet meer verboden en is het ook niet meer nodig hiervan in artikel 2, derde lid, van het Besluit lozing afvalwater huishoudens vrijstelling te verlenen. Deze bepaling is daarom vervallen. Uiteraard moeten de lozingen nog wel steeds voldoen aan de regels van het Besluit lozing afvalwater huishoudens, zoals is bepaald in artikel 2, vierde lid, van dat besluit.

Onderdeel B

Artikel 4 (oud) betrof een verouderde zorgplichtbepaling. Met het nieuwe artikel 4 is de zorgplicht in overeenstemming gebracht met de zorgplicht van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit en artikel 2.1 van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

Artikel VIII

Het eerste lid regelt overgangsrecht voor de situatie dat er vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een omgevingsvergunning (milieu) is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, die op dat tijdstip van kracht en onherroepelijk was. Het tweede en derde lid betreffen de situatie dat er vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, is ingediend maar op die aanvraag op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist. Dit overgangsrecht is nodig indien een verleende of aangevraagde omgevingsvergunning de activiteit betreft die in dit wijzigingsbesluit wordt aangewezen als activiteit waarvoor een OBM, dat wil zeggen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist (het demonteren van wrakken van tweewielige motorvoertuigen). Die aanwijzing vindt plaats met artikel II, onderdeel A, onder 2, onder c, van dit wijzigingsbesluit in artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor.

Het eerste lid betreft de situatie dat er vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, die op dat tijdstip van kracht en onherroepelijk was. Dit overgangsrecht is van toepassing indien de omgevingsvergunning de activiteit betreft die met ingang van dat tijdstip in artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor is aangewezen als een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist. Voor deze activiteit zijn met ingang van die datum regels gesteld in het Activiteitenbesluit. De omgevingsvergunning voor die activiteit die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, en van kracht en onherroepelijk was, vervalt van rechtswege. Indien de oorspronkelijk verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo verschillende activiteiten betrof, waaronder de activiteit die wordt aangewezen in artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor dan vervalt die vergunning voor zover die vergunning die activiteit betreft. In deze situatie verricht de vergunninghouder de desbetreffende activiteit vanaf de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit zonder vereiste omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Dit zou betekenen dat voor de desbetreffende activiteit opnieuw een omgevingsvergunning – ditmaal op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo – moet worden aangevraagd. Dit is vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor de vergunninghouder een ongewenste situatie. Voor die activiteit was immers al een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, verleend. Het eerste lid voorziet er daarom in dat de omgevingsvergunning die is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo en die van kracht en onherroepelijk is geworden vóór de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, gelijk wordt gesteld met een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, indien deze een activiteit betreft die na die inwerkingtreding is aangewezen als activiteit waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist. De eventueel aan de op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo verleende omgevingsvergunning verbonden voorschriften voor die activiteit blijven op grond van artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit gedurende een daarin bepaalde termijn van toepassing als maatwerkvoorschriften. Benadrukt wordt dat het niet gaat om voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Op grond van artikel 5.13a van het Bor mogen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, geen voorschriften worden verbonden.

Het tweede en derde lid bevatten overgangsrecht voor de situatie waarin een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit en op die aanvraag voor dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist. Met deze leden wordt voorkomen dat een ingediende aanvraag (voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo) voor een activiteit die met ingang van dat tijdstip in artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor is aangewezen als een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist, vervalt vanwege het vervallen van de grondslag van de ingediende aanvraag. De aanvraag zal, voor zover die een activiteit betreft die met dit wijzigingsbesluit in artikel 2.2a, tweede lid, onder g, van het Bor wordt aangewezen, worden behandeld volgens het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit. Dit betekent dat de reeds in gang gezette procedure voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, wordt voortgezet. Op het moment dat deze omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit is verleend en onherroepelijk is geworden, zal deze vergunning worden gelijkgesteld met een vergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo.

Het tweede lid houdt voor een aanvraag of het deel van de aanvraag dat betrekking heeft op activiteiten waarvoor na het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist, een aanvulling in op artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Uit artikel 6.4, derde lid, volgt dat een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, waarop nog niet is beslist op het moment dat de activiteiten waarvoor die vergunning is aangevraagd onder de algemene regels komen te vallen, wordt aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. Voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, is aangevraagd en waarvoor na het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, is vereist, wordt de aanvraag na gelijkstelling van de onherroepelijk geworden omgevingsvergunning met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, ook als melding aangemerkt. Ook deze activiteiten komen onder algemene regels te vallen.

Dit komt overeen met de situatie waarin na de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit een aanvraag wordt ingediend voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Ook in dat geval moet naast een melding overeenkomstig artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit, een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo worden aangevraagd indien men activiteiten wil verrichten die zijn aangewezen in artikel 2.2a van het Bor.

Op grond van het derde lid, eerste volzin, wordt in gevallen als bedoeld in het tweede lid, een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo op het moment dat die vergunning onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Op grond van de tweede volzin blijven de aan die omgevingsvergunning verbonden voorschriften gedurende een bepaalde termijn van toepassing als maatwerkvoorschriften zoals in artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald.

Artikel IX, eerste lid

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 maart 2014. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 12 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel IX, tweede lid

Bij artikel I, onderdelen D en E van het Besluit van 20 september 2013 tot wijziging van het Waterbesluit (informatieplicht waterschapsbesturen; subsidiëring HWBP-2 projecten) (Stb. 373) is met ingang van 1 januari 2014 een aantal wijzigingen aangebracht in bijlagen II en III van het Waterbesluit (Bijlage II Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer (bijlage bij de artikelen 1.1 en 3.1 van het Waterbesluit) en Bijlage III Waterkeringen in beheer bij het Rijk (Bijlage bij artikel 3.2 van het Waterbesluit)). Deze wijzigingen hingen onder andere samen met de beoogde overdracht in 2013 van het beheer van enkele oppervlaktewaterlichamen (Oude Maasje en Zuiderkanaal, Markkanaal) en waterkeringen (Westelijke kanaaldijk Afwateringskanaal ’s-Hertogenbosch Drongelen) door het Rijk (Rijkswaterstaat) aan het waterschap Brabantse Delta. Om financiële redenen is deze overdracht onverwacht niet doorgegaan. Om die reden zijn de wijzigingen met terugwerkende kracht (zodat er geen manco ontstaat in beheerbevoegdheid) ongedaan gemaakt bij dit besluit, zodat het Rijk beheerder blijft van de genoemde oppervlaktewaterlichamen en waterkering.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Voorheen de ministeries van VROM en V&W.

X Noot
3

Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135).

X Noot
4

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334).

X Noot
6

Capgemini, Deloitte, EIM en Ramboll Management, Nulmeting administratieve lasten bedrijven 2007, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2008; Berenschot. Follow-up nulmeting administratieve lasten VenW-wetgeving Eindrapport 2, 14 augustus 2009).

X Noot
7

De 75%-rendementsdispensatie voor fosfor en stikstof biedt de waterbeheerder de mogelijkheid om kosteneffectieve zuiveringsmaatregelen voor deze parameters op zuiveringtechnische werken door te voeren onder de voorwaarde dat de totale vrachtreductie van alle zuiveringtechnische werken binnen het verzorgingsgebied van de desbetreffende waterbeheerder ten minste 75% voor totaal fosfor en 75% voor totaal stikstof bedraagt (artikel 5, lid 4 EU-Richtlijn 91/271/EEG).

X Noot
8

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327).

X Noot
9

Stb. 2007, 415, blz. 146.

X Noot
10

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312).

X Noot
11

Stb. 493.

X Noot
12

Stb. 571.

X Noot
13

Stb. 2012, 441.

X Noot
14

Dit betreft het Handboek Immissietoets; toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater. Het is in oktober 2011 als informatiedocument over BBT aangewezen in bijlage, tabel 2, van de Regeling omgevingsrecht (vindplaats Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl).

X Noot
15

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327).

X Noot
16

Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG (PbEU L 64).

X Noot
17

Nationaal bestuursakkoord water (november 2005) (www.ciw.nl ).

X Noot
18

European Pollutant Release Transfer Register (verordening (EG nr. 166/2006 van het Europees parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33).

X Noot
19

Uitgave van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Toezichteenheid Waterbeheer, 15 mei 2009.

X Noot
21

Stb. 2009, 548.

X Noot
22

Besluit van 7 december 2012 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, alsmede van de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk de bijlage uit het Transactiebesluit 1994 en van enige andere besluiten in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.