Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2020-202135526 nr. G

35 526 Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

G NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 23 oktober 2020

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het verslag van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van de Staat/Algemene Zaken en Huis van de Koning over het wetsvoorstel Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19). Wij danken de leden voor hun inbreng en gaan graag in op de in het verslag gestelde vragen.

In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording daarvan in gewone typografie. De vragen en antwoorden zijn per fractie van een nummer voorzien. Waar in de beantwoording wetsartikelen zijn genoemd zonder nadere aanduiding, wordt gedoeld op (in dit wetsvoorstel voorgestelde) artikelen uit de Wet publieke gezondheid (Wpg).

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Ze staan in beginsel positief ten opzichte van dit voorstel en achten spoedige behandeling noodzakelijk. Hoewel de antwoorden op de ruim 500 schriftelijke vragen die de Tweede Kamer heeft gesteld en het debat daar veel informatie heeft opgeleverd, hebben zij – mede om een vlotte mondelinge behandeling te bevorderen – nog wel een beperkt aantal vragen.

De leden van de fractie van FVD hebben in verband met de inhoudelijke behandeling van de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 een aantal vragen geformuleerd. De antwoorden op deze vragen helpen hen te onderzoeken of er een noodzaak is voor de wet in deze vorm.

De CDA-fractieleden hebben met belangstelling kennisgenomen van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Zij onderkennen de noodzaak van deze tijdelijk wet; het is immers van het allergrootste belang de besmettingen met het covid-19-virus in te dammen. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19, ook wel genoemd de noodwet of spoedwet covid-19. Zij verwelkomen het feit dat met deze wet de grondrechtenbeperkende maatregelen ter bestrijding van covid-19 een wettelijke basis krijgen, zoals de Grondwet vereist en dat de democratische controle op deze maatregelen zowel op landelijk als op lokaal niveau beter wordt gewaarborgd. Zij hebben nog wel enkele vragen over het wetsvoorstel, de aankomende ministeriële regelingen en de huidige en toekomstige maatregelen.

Met belangstelling hebben de leden van de fractie van D66 kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven het belang van een zorgvuldige, maar wel snelle behandeling, opdat maatregelen ter bestrijding van het coronavirus een adequate wettelijke grondslag zullen hebben en niet meer alleen op de aanwijzingsbevoegdheid uit de Wpg en noodverordeningen uit de Wet veiligheidsregio’s gestoeld zullen zijn. Het wetsvoorstel geeft deze leden aanleiding tot het stellen van de volgende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met interesse kennisgenomen van deze kaderwet. Zij hebben nog wel vragen over de wet, de invulling van deze wet in lagere regelgeving en de mogelijke effecten van de wet, die zij voorafgaand aan het debat aan de regering willen stellen. Zij zien uit naar de beantwoording van hun vragen.

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Deze leden hebben een aantal vragen.

De leden van de SP-fractie hebben over het voorliggende (gewijzigde) wetsvoorstel nog enige vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Zij zijn verheugd dat met het indienen van dit wetsvoorstel – als het in de Eerste Kamer wordt aangenomen – het einde van de noodverordeningen is ingeluid. In het begin van de crisis waren noodverordeningen noodzakelijk. De Raad van State oordeelde dat noodverordeningen niet al te lang mogen duren, onder andere vanwege een gebrek aan democratische legitimatie. En nu ligt er dus een wetsvoorstel voor. Als eerste merken de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat zij hun vragen over het wetsvoorstel vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt opschorten totdat de Raad van State voorlichting heeft gegeven over het wetsvoorstel, dat door amendementen op een aantal punten ingrijpend is gewijzigd. Zij hebben echter ook enkele andere vragen over dit wetsvoorstel en zien uit naar de antwoorden van de regering.

De leden van de fractie van PvdD hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Het is een goede zaak dat met deze tijdelijke wet een einde wordt gemaakt aan het gebruik van noodverordeningen voor het vaststellen van maatregelen om het coronavirus te bestrijden. Uit de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State1, die een gevolg was van de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Van der Staaij/Jetten2 blijkt dat noodverordeningen geen geschikt en toelaatbaar middel zijn om inperkingen aan te brengen op de grondrechtelijke vrijheden, zeker als er geen sprake meer is van een acute situatie. Met belangstelling hebben de leden van de SGP-fractie gevolgd hoe, op initiatief van diverse coalitie- en oppositiepartijen, het wetsvoorstel tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ingrijpend is aangepast. Wat de leden van de SGP-fractie betreft, is het wetsvoorstel door de aangenomen amendementen significant verbeterd. De betrokkenheid van het parlement en gemeenteraden is vergroot en de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen om grondrechten te beschermen, zijn aangescherpt. Ook is de procedure met betrekking tot verlenging van de wet aangescherpt. Het nader gewijzigd amendement-Van der Staaij c.s.3 regelt de versterking van de informatieplicht aan het parlement en zorgt voor meer duidelijkheid over het traject voor beëindiging van de inperking van grondrechten. In dat kader zal de Afdeling advisering van de Raad van State, voorafgaand aan het besluit tot verlenging, periodiek advies uitbrengen over de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de dan geldende maatregelen. De leden van de SGP-fractie hebben naar aanleiding van het voorstel nog enige vragen.

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De aanloop om tot dit voorstel te komen is niet onopgemerkt gebleven. Mede door de forse kritiek tijdens de fase van internetconsultatie is er een sfeer rond het wetsvoorstel blijven hangen die niet meer strookt met de actuele inhoud. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is daar uitvoerig op gereflecteerd. De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor het dilemma van de regering om met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid toch voldoende spoed te betrachten en zij kijken ook liever niet achteruit, maar zouden er zelf, met het oog op de beeldvorming en het draagvlak, voor gekozen hebben om na de internetconsultatie het toenmalige wetsontwerp in te trekken en een geheel nieuw ontwerp van voren af aan in procedure te brengen.

VVD – 1

Waarom heeft de regering dit niet gedaan?

Het wetsvoorstel is aangekondigd in de brief4 die de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) op 1 mei 2020 mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Minister voor Medische Zorg en Sport (MZS) aan de Tweede en Eerste Kamer heeft gezonden. De regering heeft, tegen de achtergrond van de discussie over de juridische houdbaarheid van maatregelen die via noodverordeningen worden genomen, voortvarendheid betracht bij de totstandbrenging van dit wetsvoorstel, evenwel zonder daarbij de zorgvuldigheid uit het oog te verliezen. Wij hebben in dat licht gekozen voor een korte en gerichte consultatie, in plaats van een openbare internetconsultatie. De uitkomsten van de consultatie zijn eveneens op korte termijn verwerkt, waarbij waar nodig nader overleg is gevoerd met partijen die inbreng hebben geleverd. Dit resulteerde erin dat op 28 mei jl. een consultatieversie kon worden uitgebracht en dat er op 17 juni jl. een wetsvoorstel voor advisering aan de Raad van State kon worden aangeboden.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is, zoals de leden van de VVD-fractie opmerken, op dit proces gereflecteerd. Van de zijde van de regering is daarbij aangegeven dat wij achteraf bezien meer tijd hadden moeten nemen voor de consultatiefase. Daarbij hadden wij bovendien beter kunnen kiezen voor een openbare internetconsultatie en meer tijd moeten nemen voor het maatschappelijk debat rondom dit wetsvoorstel. De regering erkent dat door dat niet te doen, veel discussie is ontstaan.

Zoals de leden van de VVD-fractie opmerken zou een keuze ook geweest kunnen zijn om na de consultatie een aangepast ontwerp opnieuw in procedure te brengen. Daarvoor hebben wij destijds niet gekozen omdat het voor advies doen voorleggen aan de Afdeling advisering van de Raad van State, na verwerking van de uitkomsten van de consultatie, een geëigende stap is in het wetgevingsproces.

VVD – 2

En wat doet de regering om de ontstane ruis rond dit wetsvoorstel weg te nemen?

In de Tweede Kamer heeft de Minister van VWS al beaamd dat het kabinet onvoldoende heeft geïnvesteerd in de communicatie met de samenleving over de totstandkoming van de coronawet. Dat betekent een extra communicatie-uitdaging voor het kabinet in deze fase waarin wij met het parlement debatteren over de wettelijke vormgeving van de coronamaatregelen. Die uitdaging gaan wij graag aan.

Voor de informatievoorziening aan en communicatie met de Nederlandse bevolking over de dreiging van covid-19, de maatregelen die mensen zelf kunnen treffen en de maatregelen die de overheid treft is de afgelopen maanden een uitgebreide communicatie-aanpak gebruikt, met onder andere persconferenties en allerlei informatieproducten voor verschillende doelgroepen die via een veelheid aan communicatiekanalen zijn verspreid. Het doel van het kabinet is om de juiste informatie vindbaar te maken op de plekken waar mensen die informatie zoeken. Dat is een continue uitdaging om tegemoet te komen aan de vragen en onduidelijkheden van de Nederlandse samenleving.

De komende periode zal ook informatie over de tijdelijke wet en de maatregelen die daaruit volgen worden opgenomen in deze aanpak. De VNG draagt daar ook aan bij. De komende periode zullen we uitleggen waarvoor de wet is gemaakt, wat de wet regelt en wat mensen daarvan gaan merken. De onderwerpen die in de debatten van de regering met de Tweede en Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen, zullen daar een belangrijk onderdeel van vormen.

Na de verschillende aanpassingen in het voorstel na de internetconsultatie en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State5 heeft ook de behandeling in de Tweede Kamer nog voor acht wijzigingen gezorgd. Dat zijn over het algemeen verbeteringen. De leden van de VVD-fractie waarderen onder meer de versteviging van de parlementaire betrokkenheid door het instemmingsrecht op de ministeriële regelingen6, de regeling van het bezoekrecht voor bewoners van zorglocaties7 en het verlagen van sancties en uitsluiten dat overtredingen gevolgen hebben voor de verklaring omtrent het gedrag (VOG)8.

VVD – 3

Zoals bekend heeft de Eerste Kamer over de wijzigingen voorlichting aan de Raad van State gevraagd.9 Maar de leden van de VVD-fractie stellen het op prijs ook van de regering zelf te vernemen hoe zij vanuit wetstechnisch en staatsrechtelijk oogpunt aankijkt tegen het uiteindelijke resultaat. Het gaat de leden van de VVD-fractie daarbij niet primair om de positie van de Eerste Kamer, maar ook om de uitvoerbaarheid van het nader gewijzigd amendement-Van der Graaf c.s. inzake het aanscherpen van de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseisen en het afschalen waar dat kan.10

Zoals aangegeven bij de behandeling in de Tweede Kamer kon de regering zich vinden in de voorgestelde amendementen. Voor de appreciatie en daarop gegeven toelichting verwijzen wij kortheidshalve naar hetgeen wij daarover in eerste en tweede termijn van de mondelinge behandeling op 7 en 8 oktober in de Tweede Kamer hebben gezegd. Hetgeen via de acht aanvaarde amendementen in het wetsvoorstel is geregeld, stuit niet op wetstechnische bezwaren. Staatsrechtelijk is een belangrijk feit dat al deze acht amendementen met algemene stemmen door de Tweede Kamer zijn aangenomen. Hiermee is een resultaat bereikt dat naar onze overtuiging kan rekenen op breed maatschappelijk en politiek draagvlak. Dit laatste naar wij hopen ook in de Eerste Kamer. Wij ontveinzen niet dat door sommige amendementen de drempel om tot maatregelen te komen, kan worden verhoogd, wat gevolgen kan hebben voor de slagvaardigheid. Dit betreft in het bijzonder het door deze leden genoemde amendement-Van der Graaf c.s., en ook het amendement Buitenweg c.s., op grond waarvan de Tweede Kamer kan besluiten al of niet met de ministeriële regelingen in te stemmen. Dat laatste is ook opgemerkt in de voorlichting die de Afdeling advisering van de Raad van State op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer heeft uitgebracht.11 De regering acht deze verzwaringen in haar eindafweging over het aldus geamendeerde wetsvoorstel evenwel verantwoord, uitvoerbaar en ook beleidsmatig aanvaardbaar, omdat zij verder bijdragen aan de doelstellingen van dit wetsvoorstel om de democratische legitimatie van de maatregelen en de bescherming van de grondrechten te versterken.

Het wetsvoorstel is gericht op een balans tussen enerzijds de noodzaak van snelheid en flexibiliteit van handelen en anderzijds de noodzaak van democratische legitimatie en waarborgen voor de bescherming van grondrechten. De crisiswetgeving zoals neergelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg) en de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) kan deze balans en waarborgen bij deze langdurige crisis niet bieden. Het voorliggende wetsvoorstel heeft echter een tijdelijk karakter.

VVD – 4

Ziet de regering hierin aanleiding om de thans vigerende crisiswetgeving nog eens tegen het licht te houden, zodat indien we onverhoopt in de toekomst nog eens met een pandemie van deze omvang worden geconfronteerd het wettelijk kader voor de crisiswetgeving voldoende basis biedt om onverwijld, maar met respect voor de genoemde balans en waarborgen, op te treden?

Crisismaatregelen via noodverordeningen zijn juridisch houdbaar, maar uit het oogpunt van democratische legitimatie is deze constructie voor de langere termijn minder geschikt dan een wet, die is vastgesteld door de regering en het parlement.12 Het is niet ondenkbaar dat Nederland in de toekomst opnieuw wordt geconfronteerd met een gezondheidscrisis die langere tijd aanhoudt, dus het is van belang zoveel mogelijk te leren uit de ervaringen van dit moment en de nabije toekomst. Deze tijdelijke wet zal daartoe worden geëvalueerd, en daarnaast voert de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) op verzoek van het kabinet een beleidsevaluatie uit naar de aanpak van de crisis.13 Naar verwachting zal in december de onafhankelijke evaluatie van de Wet op de veiligheidsregio’s zijn afgerond, en zoals bekend wordt er gewerkt aan de modernisering van het staatsnoodrecht in algemene zin.14 Bij elkaar zal dat onder meer een doorlichting van de bestaande wetgeving opleveren, en daarmee een basis om bijvoorbeeld te bezien wat er aangepast moet worden om een nieuwe langdurige crisis met een adequate wettelijke constructie tegemoet te treden. De regering voelt zich hierbij gesteund door zowel de motie-Van Dam als de motie-Hijink.15 De vraag van deze leden is hiermee dus bevestigend beantwoord.

In het wetsvoorstel is de positie van de (voorzitters van de) veiligheidsregio’s (en daarmee het Veiligheidsberaad) beperkter dan in de huidige praktijk. Nu zijn veiligheidsregio’s bij uitstek ingericht ten behoeve van crisisbeheersing en rampenbestrijding en daar hebben ze ook veel ervaring mee. De leden van de VVD-fractie vinden dat daar in deze crisis maximaal gebruik van moet worden gemaakt. De schaal van de veiligheidsregio’s is ingegeven om enerzijds voldoende professionaliteit en slagkracht te kunnen garanderen, maar om anderzijds niet te ver verwijderd te zijn van de inliggende gemeenten, die nauw betrokken zijn bij de uitvoering.

VVD – 5

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de wettelijke verankering van de – in de praktijk al vaak bestaande – betrokkenheid en de democratische controle van gemeenteraden en colleges van B&W, maar horen graag van de regering of dit ook gevolgen heeft voor de uitvoeringskracht en coördinerende rol van de veiligheidsregio’s.

Het wetsvoorstel maakt de burgemeester van een gemeente bevoegd om toepassing te geven aan een aantal bevoegdheden ter bestrijding van de epidemie. Daarmee wordt de kracht van lokale besluitvorming benut. Dat betekent dat de rol van de veiligheidsregio minder prominent is – maar niet verdwenen. De voorzitter van de veiligheidsregio behoudt zijn coördinerende en signalerende rol. Hij ontvangt informatie over de lokale uitvoeringspraktijk en geleidt die door naar de Minister van VWS. De voorzitter van de veiligheidsregio is en blijft voorzitter van het regionaal beleidsteam, en vervult daarmee ook een belangrijke rol bij de afstemming tussen de gemeenten. Verder blijven de voorzitters van de veiligheidsregio's (op grond van het ongewijzigde artikel 6 Wpg) in algemene zin belast met de bestrijding van de epidemie onder leiding van de Minister van VWS; ook kunnen zij (op grond van de artikelen 34, vierde lid, 47, 51, 54, 55 en 56 Wpg) specifieke bevoegdheden uitoefenen, zoals het in isolatie of quarantaine plaatsen van personen en het treffen van maatregelen gericht op gebouwen, goederen en vervoermiddelen.

De organisatie van de veiligheidsregio blijft ook na inwerkingtreding van de Twm covid-19 ter beschikking van het bevoegd gezag (burgemeester en voorzitter veiligheidsregio) bij de bestrijding van de epidemie.

Bij het hierboven genoemde amendement-Van der Graaf c.s. is in de wet gekomen dat maatregelen of onderdelen daarvan moeten worden afgeschaald wanneer dat kan. Nu leert de praktijk van de huidige crisis dat naast afschalen ook daarna weer opschalen noodzakelijk kan zijn.

VVD – 6

Betekent deze wijziging dat voor het weer opschalen dezelfde procedure gevolgd moet worden als bij het in eerste instantie invoeren van de maatregelen?

In artikel 58c, zesde lid, is bepaald dat indien een krachtens dit hoofdstuk vastgestelde ministeriële regeling of een onderdeel daarvan niet langer noodzakelijk is voor de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan, die regeling zo spoedig mogelijk wordt gewijzigd of ingetrokken. Met deze bepaling wordt beoogd in hoofdstuk Va te expliciteren dat maatregelen worden afgeschaald wanneer deze niet meer noodzakelijk zijn. Dit vloeit ook voort uit artikel 58b, tweede lid, waarin is bepaald dat de krachtens hoofdstuk Va toegekende bevoegdheden slechts worden toegepast voor zover die toepassing gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is en overigens ook in overeenstemming is met de overige in dat artikellid opgenomen criteria.

Maatregelen worden – behoudens de situatie bedoeld in artikel 58ca, en behoudens de vaststelling van de veilige afstand – vastgesteld bij ministeriële regeling. Op de totstandbrenging van een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen ministeriële regeling zijn de in artikel 58c, eerste tot en met vijfde lid, opgenomen procedurevoorschriften van toepassing. Indien de regering (opnieuw) een maatregel wenst te nemen waarin een reeds vastgestelde ministeriële regeling nog niet of niet meer voorziet, dient de ministeriële regeling derhalve te worden gewijzigd, met inachtneming van deze daarop van toepassing zijnde procedurevoorschriften.

VVD – 7

Hoe voorkomt de regering dat dit mogelijk tot terughoudendheid leidt bij het afschalen?

De regering voelt een grote verantwoordelijkheid om maatregelen af te schalen zodra dat redelijkerwijs mogelijk is. Eerder hebben de Minister van VWS en de voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT) in dit kader gesproken over dansen met het virus. De coronamaatregelen zijn beter vol te houden als ze tijdelijk zijn en niet langer worden opgelegd dan nodig. Tegelijkertijd moeten we er ook voor waken om steeds te vroeg af te schalen, waardoor juist onrust veroorzaakt zou kunnen worden. De ervaring met afschaling in mei en juni is daarbij behulpzaam. De regering laat zich hiervoor adviseren door het OMT en bespreekt de inschaling van regio’s in overleggen met onder andere vertegenwoordigers van de veiligheidsregio’s, GGD’en en het RIVM.

VVD – 8

De leden van de VVD-fractie stellen het op prijs nog eens in naar iedereen uitlegbare bewoordingen te vernemen waarom het gedragsvoorschrift «veilige afstand» bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgesteld16 en dat gedragsvoorschriften ten aanzien van groepsvorming, evenementen en overige zaken, zoals persoonlijke beschermingsmiddelen bij ministeriële regeling17 worden vastgesteld. Is er sprake van een hiërarchie in gedragsvoorschriften?

In de memorie van toelichting18 is uiteengezet dat de veiligeafstandsnorm een wezenlijk onderdeel vormt van de regels ter bestrijding van de epidemie. Om die reden heeft de regering het wenselijk geacht deze gedragsnorm in het wetsvoorstel vast te leggen. Vastlegging van de andere (mogelijke) gedragsvoorschriften of regels in het wetsvoorstel zelf is niet goed denkbaar; de aard van de regels en het belang van snelle en flexibele op- en afschaling brengt dit mee. Voor deze normen geldt dat de toepassing en concrete uitwerking afhankelijk is van wetenschappelijke inzichten, de actuele stand van het virus en de voortgang van de bestrijding. Uitwerking daarvan vindt daarom bij ministeriële regeling plaats.

Hoewel de veiligeafstandsnorm wezenlijk is voor de bestrijding van de epidemie, spreekt de regering niet van een hiërarchie in gedragsvoorschriften. Ter bestrijding van de epidemie kan immers een geheel pakket aan maatregelen en adviezen van kracht zijn, net zoals momenteel het geval is.

Vragen en opmerkingen van de FVD-fractie

Huidige (nood)situatie

De noodzaak voor een «noodwet» ruim 7 maanden nadat een pandemie zich aandiende, impliceert dat er sprake zou zijn van een nieuwe (nood)situatie. De leden van de fractie van FVD krijgen graag een duidelijke onderbouwing op dit punt.

FVD – 1

Welke onderbouwing gebruikt de regering om te definiëren dat sprake is van een zogenaamde «tweede golf»?

Gezien het toenemende aantal besmettingen, het tempo van die toename, en het aantal ziekenhuisopnames spreekt dit kabinet van een tweede golf. De R is al geruime tijd boven de 1 en daarmee blijft het aantal besmettingen sterk toenemen. Dat moet echt naar beneden. Alleen op die manier kunnen we de kwetsbare mensen in de samenleving beschermen en voorkomen dat de zorg weer overbelast raakt. Het is daarom van belang dat mensen zich aan de maatregelen blijven houden.

FVD – 2

Kan de regering deze leden op basis van de gehanteerde getallen een nauwkeurige vergelijking geven van de «eerste golf» en de «tweede golf»? In hoeverre komen deze overeen, en welke conclusies worden hieruit getrokken?

De tweede golf is gaande. Een nauwkeurige vergelijking met de eerste golf is dus nog niet te maken. Het aantal IC-opnames en ziekenhuisopnames kennen nu een minder steil verloop dan in het voorjaar. Omdat de cijfers nog steeds stijgen, is niet bekend waar de top zal liggen. Door de «lessons learned» zijn zorgaanbieders nu beter voorbereid op wat er gaat komen dan tijdens de eerste golf en wordt er zo goed als mogelijk op geanticipeerd. In de stand van zaken brief covid-19 van 1 september jl.19 zijn deze samengevat. Bovendien neemt ook de medische kennis toe, waardoor bijvoorbeeld de ligduur in ziekenhuis minder lang is dan tijdens de eerste golf.

FVD – 3

Heeft de regering zicht op de diverse patiëntgroepen? Wat voor doelgroepgerichte acties neemt zij daarbij? Kan dit een overweging zijn om meer op kwetsbare groepen in te zetten dan willekeurig op de hele bevolking? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt dat duidelijk?

De strategie van het kabinet kent drie «ankerpunten»: een acceptabele belastbaarheid van de zorg, het beschermen van kwetsbare mensen in de samenleving en het zicht houden op en het inzicht hebben in de ontwikkeling van de verspreiding van het virus. Iedereen die besmet raakt, kan behoorlijk ziek worden – of erger. Mensen zijn soms na maanden nog niet de oude. Dat geldt niet alleen voor mensen met een kwetsbare gezondheid, we zien ook twintigers, dertigers en veertigers terug in de ziekenhuizen.

FVD – 4

Hoe verhoudt het aantal opnames en sterfgevallen zich tot het aantal positieve testen? En hoe pakt dit uit in vergelijking met de eerste golf?

Het testbeleid tijdens de eerste golf is niet te vergelijken met dat tijdens de twee golf. De piek in het aantal overleden personen tijdens de eerste golf lag op 177 op één dag. De piek tijdens de tweede golf ligt tot nu toe met 25 op één dag gelukkig een stuk lager [bron RIVM]. Bij de ziekenhuisopnames lag de piek tijdens de eerste golf op 474 op één dag; tijdens de tweede golf ligt deze tot nu toe op 20820.

FVD – 5

Bij de uitbraak van de pandemie begin dit jaar is besloten om SARS-CoV-2 als een A-status virus te classificeren. Destijds was er meer onzekerheid dan nu over het virus. Wat waren destijds de overwegingen hiervoor, welke kengetallen (zoals mortaliteit) lagen daaraan ten grondslag en hoe hebben die kengetallen zich tot op heden ontwikkeld? En in hoeverre rechtvaardigt die ontwikkeling de nog altijd van kracht zijnde A-status van dit virus?

Bij het beoordelen welke ziekten A-ziekten zijn, kijkt het kabinet niet alleen naar het sterftecijfer, maar naar de algehele dreiging voor de bevolking. Zo lang als er nog weinig weerstand in de samenleving is tegen covid-19 blijft de dreiging van een grote piek van besmettingen aanwezig. Hoewel de behandelmogelijkheden al verbeterd zijn, is er nog geen geneesmiddel tegen de ziekte. Bij een grote piek zullen veel kwetsbare mensen ernstig ziek worden en overlijden. In tegenstelling tot wat sommige mensen zeggen, zijn dat niet alleen mensen die anders ook al op korte termijn zouden overlijden. Mensen kunnen immers vele, mooie jaren leven met een chronische ziekte of aandoening. Het RIVM en het OMT adviseren het kabinet over welke ziekten op de lijst van A-ziekten zouden moeten staan.

FVD – 6

Waaruit blijkt of, en dat, de tot op heden ingevoerde maatregelen ook daadwerkelijk effect hebben gehad op het verloop van de pandemie in maart?

Het is inderdaad lastig om de effectiviteit van maatregelen te kunnen vaststellen, omdat we niet de mogelijkheid hebben om de verschillende maatregelen in een experimentele laboratoriumsetting uit te proberen. Op basis van wetenschappelijke consensus over de voornaamste route van overdracht van het virus (via druppels bij hoesten, niezen, spreken en zingen) en het nut van het houden van een veilige afstand en de ontwikkeling van de verspreiding van het virus sinds de introductie van de maatregelen, komen nationale deskundigen op het terrein van infectieziektenbestrijding tot de conclusie dat de maatregelen die Nederland getroffen heeft effectief zijn geweest in het terugdringen van het aantal besmettingen en het afvlakken van de curve. We kunnen echter niet met zekerheid stellen wat er gebeurd was als we de maatregelen niet hadden getroffen of als we andere maatregelen hadden getroffen. Op basis van modelberekeningen van het RIVM wordt vermoed dat de piek veel groter was geweest en de druk op ziekenhuizen en IC’s veel hoger als de maatregelen niet waren getroffen. Wij verwijzen deze leden ook naar de lessons learned brief21 waarin verwezen wordt naar geleerde lessen op basis van de aanpak in andere landen.

FVD – 7

Kan de regering de leden van de FVD-fractie een analyse verstrekken van de effectiviteit van de maatregelen die in verschillende landen zijn genomen de afgelopen maanden en hoe die zich verhouden tot de maatregelen en gevolgen van die maatregelen in Nederland? Zij verzoeken daarbij graag tenminste aandacht te besteden aan een vergelijking met Zweden (minder maatregelen) en Frankrijk (strengere maatregelen).

Er zijn veel factoren die meespelen bij de verspreiding van het virus en hoeveel mensen ziek worden. Elk land heeft zo zijn eigen context met bevorderende of belemmerende factoren wat het erg moeilijk maakt om vergelijkingen te trekken. Factoren zijn onder andere:

  • Bevolkingsdichtheid: Nederland is een dichtbevolkt land.

  • Bevolkingsopbouw, hoe ouder de bevolking, hoe meer verschijnselen

  • De openheid van een land. Nederland wordt nog wel eens één grote stad genoemd. Er wordt veel tussen steden en regio’s gereisd.

  • De cultuur, we willen in Nederland graag zelfs ons gezond verstand gebruiken

  • Gedrag speelt daarbij een ook grote rol. Dus: in hoeverre mensen leven mensen de maatregelen na en volgen zij de adviezen op? Besmettingen treden namelijk vooral op als mensen te lang te dicht bij elkaar komen. Dit verschilt ook per land.

In heel Europa is momenteel sprake van een tweede golf. Zo ook in Zweden en Frankrijk, maar ook in landen die het tot voor kort beter leken te doen (bijvoorbeeld Duitsland). En ook voor deze vraag verwijzen wij u naar de lessons learned brief waarin verwezen wordt naar geleerde lessen op basis van de aanpak in andere landen.

Voorbereiding op tweede golf

De leden van de FVD-fractie hebben tevens een aantal vragen over de voorbereiding op de «tweede golf» tijdens de afgelopen 7 maanden.

FVD – 8

Kan de regering inzicht verschaffen in de veranderingen van de totale intensive care (ic)-capaciteit in Nederland de afgelopen tien jaar?

In onderstaande tabel wordt het gemiddeld aantal IC-bedden voor de jaren 2016–2019 weergegeven.

Jaartal

Gemiddeld aantal IC-bedden

2016

Ca. 1.150

2017

Ca. 1.070

2018

Ca. 1.040

2019

Ca. 1.040

Deze gegevens zijn afkomstig van Stichting NICE. Bovenstaande cijfers betreffen een neerslag van het aantal operationele bedden dat in die jaren is ingezet. Het gemiddelde aantal IC-bedden per jaar zoals in de tabel is weergegeven is tot stand gekomen op basis van op ziekenhuisniveau aangeleverde brongegevens. Deze gegevens worden, in tegenstelling tot de patiëntgegevens die in de NICE-registratie opgenomen zijn, niet apart gevalideerd. Daar waar een ziekenhuis in een bepaald jaar geen gegevens heeft aangeleverd, heeft NICE de aantallen van het jaar voorafgaand of daarna geïmputeerd om het totaal aantal bedden te berekenen. Een overzicht van het gemiddeld aantal IC-bedden in de jaren 2010–2015 hebben wij niet tot mijn beschikking.

FVD – 9

Kan de regering inzicht verschaffen in de stappen die er zijn genomen om de ic-capaciteit uit te breiden in voorbereiding op de tweede golf?

Om goed voorbereid te zijn op een tweede golf heeft het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) op verzoek van toenmalig Minister van Rijn, samen met de betrokken veldpartijen een plan gemaakt voor de opschaling van de IC-capaciteit en de klinische bedden in de ziekenhuizen. Dit plan is op 30 juni gepresenteerd. Het gaat om een stapsgewijze opschaling. Per 1 oktober 2020 gaat het om een uitbreiding van 1.150 naar 1.350 IC-bedden en aanvullend ook 400 extra klinische covid-bedden. Aansluitend gaat het per 1 januari 2021 om opschaling met nog eens 350 flexibele IC-bedden (tot een totaal van 1700 bedden) en 700 extra flexibele klinische bedden. Ziekenhuizen zetten volop in op realisatie van deze extra IC- en klinische capaciteit.

Naast de praktische uitvoering is er gewerkt aan een passende uitwerking van de bekostiging. Naar aanleiding hiervan is een subsidieregeling opgesteld. De ziekenhuizen ontvangen via deze regeling een vergoeding voor kosten die direct gekoppeld zijn aan de opschaling van de IC-capaciteit en klinische capaciteit in ziekenhuizen ten behoeve van de behandeling van covid-19 patiënten. Over deze subsidieregeling is de afgelopen periode in overleggen met diverse veldpartijen, waaronder de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en in LNAZ verband meermaals gesproken. De ziekenhuizen zijn inmiddels over het model en bijbehorende details van de subsidieregeling geïnformeerd via twee webinars. Nadat de subsidieregeling in de Staatscourant is gepubliceerd zal het subsidieportaal op 2 november 2020 worden opengesteld.

Over de voortgang van de opschaling heeft de Minister van VWS regelmatig overleg met onder andere de ROAZ-voorzitters en de veldpartijen.

FVD – 10 en 11

Tijdens de eerste golf is er veel onrust ontstaan onder de bevolking door berichten dat er een triage op leeftijd of zelfs een loting zou ontstaan door gebrek aan middelen in de zorg. Wat is er gedaan om dit nu beter te regelen?

En wat doet de regering om onrust hierover te voorkomen?

In juni 2020 is een versie van het draaiboek openbaar gemaakt. De FMS en KNMG houden een brede consultatie over dit draaiboek, waarbij gesprekken worden gevoerd met groepen ziekenhuizen en zorgverleners, maar ook breder met organisaties van ouderen. Na verwerking van deze input zal het draaiboek naar verwachting begin november aan de IGJ worden aangeboden. De IGJ houdt de vinger aan de pols bij de ontwikkeling van de beschikbare IC-capaciteit en zal, als de situatie daar aanleiding voor geeft, bevorderen dat het consultatietraject eerder wordt afgerond en het draaiboek definitief wordt gemaakt. Dit om te borgen dat er tijdig zekerheid is over de status van het draaiboek als veldnorm. Op die manier wordt geborgd dat er een veldnorm is als triage in fase 3, stap C noodzakelijk is. Zo weten zorgverleners tijdig waarnaar ze moeten handelen en is voor de maatschappij duidelijk waarop IGJ toezicht houdt. Zodra de IGJ bevestigt dat zij het draaiboek als veldnorm beschouwt, zal het kabinet op het definitieve draaiboek reageren. Zo nodig kan via wetgeving het algemene discriminatieverbod worden verduidelijkt zodat er geen sprake kan zijn van triage enkel op basis van leeftijd.

FVD – 12

Is het juist dat er een advies is dat ziekenhuispersoneel (specifiek op de Spoedeisende Hulp (SEH), operatiekamer (ok) en intensive care) ondanks klachten of zieke familieleden moeten blijven doorwerken?

Nee, dit ligt genuanceerder. De Federatie Medisch Specialisten heeft de leidraad «testbeleid en inzet zorgmedewerkers in het ziekenhuis» gemaakt, waarin de uitgangspunten beschreven staan voor een optimale inzet van ziekenhuismedewerkers, waarbij rekening wordt gehouden met de gezondheid van de medewerkers zelf en het risico op besmetting van patiënten/cliënten/collega’s. In de huidige nieuwste versie, versie 2 van 13 oktober 2020, gelden onder andere de volgende categorieën:

  • een zorgmedewerker met (milde) klachten wijzend op covid-19 thuis moet blijven (en daarbij lokaal beleid volgen (bijvoorbeeld infectiepreventie en ARBO) voor testen en het vervolg).

  • Een zorgmedewerker (zonder klachten) die in contact staat met een positief geteste huisgenoot blijft thuis, tenzij deze zorgmedewerker kritisch is voor de bedrijfsvoering, dan kan werken onder condities/voorwaarden conform lokaal (ARBO) beleid worden toegestaan. Personeel kritisch voor bedrijfsvoering houdt in dat zij essentieel zijn voor de organisatie en bij wegvallen kunnen cruciale elementen van de zorg niet geleverd worden.

Een zorgmedewerker (zonder klachten) die in contact staat met een huisgenoot met bij covid-19 passende klachten kan werken, onder voorwaarden van alertheid op klachten en dat de huisgenoot zich binnen 48 uur laat testen. Hierbij moet lokaal beleid worden gevolgd (bijvoorbeeld infectiepreventie en ARBO) voor testen en het vervolg.

FVD – 13

Hoe komt het dat er wederom afgeschaald moet worden in de reguliere zorg, en welke stappen heeft de regering genomen om dit te voorkomen?

Op basis van de lessen uit de eerste golf heeft de zorgsector afgelopen periode gewerkt aan het Opschalingsplan om extra capaciteit te creëren in de ziekenhuizen en wordt er fors geïnvesteerd in het opleiden van personeel en het aantrekken van nieuwe medewerkers. Zo zijn per 1 oktober jl. 200 extra IC-bedden en 400 extra verpleegbedden gerealiseerd. Per 1 januari komen er nog eens 350 IC-bedden en 700 verpleegbedden bij. Deze extra capaciteit zou voldoende zijn om zowel covid-patiënten op te vangen en tegelijkertijd de reguliere zorg in stand te houden, in een situatie waarin iedereen de basisregels zou volgen. De tweede golf is echter sneller, eerder en anders dan verwacht gekomen. Hierdoor is er in die mate sprake van druk op de ziekenhuiszorg dat het niet meer mogelijk is om met name de planbare reguliere zorg op alle vlakken op het normale niveau te houden.

FVD – 14 en 15

In hoeverre is het juist dat als gevolg van het afschalen van de reguliere zorg tijdens de eerste golf, inmiddels 5.000 personen nog géén kanker diagnose hebben, die ze al wel hadden moeten krijgen om te starten met een juiste behandeling?

In hoeverre is het juist dat er als gevolg van het afschalen van de reguliere zorg tijdens de eerste golf 150.000 – 200.000 hartpatiënten zijn die dit jaar niet de zorg krijgen waar ze recht op hebben?

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft tijdens de eerste golf, en doet dat nu nog steeds, de toegang tot de reguliere zorg intensief gemonitord. Uit deze data blijkt dat tijdens de eerste golf er ruim 800.000 minder verwijzingen richting het ziekenhuis zijn geweest ten opzichte van de jaren daarvoor. Een deel van die zorgvraag zal zijn verdwenen, maar het is ook mogelijk dat diagnoses zijn gemist of later gesteld. Daarbij is het bevolkingsonderzoek naar kanker tijdelijk ook afgeschaald geweest. Om gezondheidsschade en/of het verlies van levensjaren zo veel mogelijk te voorkomen, wordt alles op alles gezet om de zorg zo goed mogelijk door te laten gaan. Daarbij is het belangrijk dat mensen de weg naar hun zorgverlener blijven vinden. Ook nu tijdens een tweede golf roept het kabinet op om bij klachten contact op te nemen met de huisarts, zodat mensen met een zorgvraag in beeld komen.

FVD – 16

Zijn er al acties ondernomen om leegstaande ziekenhuizen om te bouwen tot specifieke covid-19-ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?

Elke regio kijkt in ROAZ-verband wat nodig is om de beschikbare zorgcapaciteit zo optimaal mogelijk te benutten. Het is mogelijk dat regio’s daarbij verkennen welke rol leegstaande ziekenhuizen kunnen spelen. Wij vinden het goed dat naar dergelijke initiatieven gekeken wordt. Omdat de situatie per regio verschilt, heeft het ROAZ het beste zicht op hoe de zorg in de eigen regio het beste georganiseerd kan worden.

FVD – 17

Is het juist dat er nog steeds te weinig gezichtsmaskers zijn voor de zorg in verpleeghuizen en zorg daarbuiten?

Nee, er zijn inmiddels voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen voor zowel de zorg in verpleeghuizen als daarbuiten. Dit blijkt uit onderzoek van Accenture, waarover de Minister van VWS de Tweede Kamer in de brief van 12 oktober jl. heeft geïnformeerd. Uit het onderzoek blijkt dat aan de hand van de beschikbare gegevens en verwachtingen de beschikbaarheid van de persoonlijke beschermingsmiddelen voldoende is om een tweede covid-19 golf goed af te dekken, ook als er meer preventief gebruik plaatsvindt dan wel het aantal besmettingen hoger ligt dan tijdens de eerste golf. Met uitzondering van handschoenen hebben we momenteel zelfs al voldoende voor een onverhoopte derde golf.

FVD – 18

Klopt het dat de regering meent dat de daadwerkelijke bescherming door gezichtsmaskers in de openbare ruimte tegen covid-19 zeer beperkt is? Zo ja, waarom is ertoe besloten om hierop in te zetten?

Wij hebben een dringend advies gegeven om niet-medische mondkapjes te dragen in publieke binnenruimten. Het gaat daarbij niet om de openbare ruimte. Het kabinet onderzoekt nog hoe een verplichting op het gebruik van niet-medische mondkapjes in de publieke binnenruimte kan worden vormgegeven.

Vrijwaring

De leden van de fractie van FVD krijgen verder graag een antwoord op de volgende vragen over vrijwaring ondanks en tijdens de werking van de wet.

FVD – 19

In hoeverre kunnen kerkdiensten met inachtneming van de maatregelen, inclusief de ventilatieregels, in aangepaste vorm voortgang blijven vinden?

Op grond van het wetsvoorstel geldt voor kerkdiensten (en andere samenkomsten voor het belijden van godsdienst of levensovertuiging) de veiligeafstandsnorm (artikel 58f). Om verspreiding van het virus tegen te gaan vindt de regering het namelijk noodzakelijk dat de veilige afstand bij de belijdenis van godsdienst en levensovertuiging in acht wordt genomen. Daarbij speelt een rol dat het gebruik dat bijvoorbeeld van kerkgebouwen wordt gemaakt (grote) risico’s voor de volksgezondheid met zich mee kan brengen, zowel qua activiteiten als qua aantallen bezoekers. Voor de veiligeafstandsnorm is overigens bepaald dat deze niet geldt voor geestelijke bedienaren voor zover deze hun taak niet op gepaste wijze kunnen uitoefenen met inachtneming van de veilige afstand alsmede voor de personen jegens wie zij hun taak uitoefenen (artikel 58f, derde lid, aanhef en onder b en c). Voorts kunnen op grond van artikel 58j, eerste lid, aanhef en onder a, zo nodig regels worden gesteld over hygiënemaatregelen en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, voor zover deze niet van dien aard zijn dat zij de uitoefening van het recht tot het vrij belijden van godsdienst of levensovertuiging als zodanig beperken. Tenslotte geldt dan op grond van artikel 58l ter zake van de veiligeafstandsnorm en eventuele regels over hygiënemaatregelen en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen een zorgplicht voor de beheerders van besloten plaatsen waar deze samenkomsten plaatsvinden.

Regels over groepsvorming kunnen niet gelden voor kerkdiensten (zie artikel 58g, tweede lid, aanhef en onder c). Evenmin zijn kerkdiensten evenementen waarvoor krachtens artikel 58i bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat zij niet of slechts onder voorwaarden mogen worden georganiseerd.

Het wettelijk regime waarborgt dus dat dat kerkdiensten voortgang kunnen blijven vinden, waarbij als voornaamste restrictie geldt dat de veilige afstand moet worden aangehouden. Van bijzonder belang is overigens dat de gezamenlijke religieuze organisaties sinds de uitbraak van covid-19 zelf hun verantwoordelijkheid hebben genomen voor het treffen van (aanvullende) maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. In dit verband kan worden gewezen op diverse communiqués die door religieuze organisaties zijn uitgebracht in diverse fasen van de epidemie. Het meest recente, vierde, communiqué dateert van 5 oktober 2020 en bevat diverse uitgangspunten voor religieuze en levensbeschouwelijke samenkomsten in de huidige fase van de epidemie.22

FVD – 20

Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de horeca met inachtneming van de maatregelen, inclusief de ventilatieregels, niet voortdurend overvallen wordt door gehele of gedeeltelijke sluitingen en door deze wet niet in zijn bedrijvigheid en functie beperkt wordt?

Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om voorwaarden te verbinden aan openstelling van de horeca of openstelling te verbieden. De uitwerking ervan vindt plaats in de ministeriële regeling. De inhoud van de ministeriële regeling wordt ontleend aan de routekaart. Het doel van de routekaart is inzichtelijk te maken welke instrumenten er zijn en hoe en wanneer bepaalde maatregelen genomen worden, gekoppeld aan een inschalingsniveau. Voor de horeca-ondernemer maakt dit inzichtelijk en transparant welke maatregelen op welk moment kunnen gaan gelden.

FVD – 21

Een van de belangrijkste raadgevers van de regering, het Outbreak Management Team (OMT), heeft de regering verzocht te onderzoeken of restaurants vanaf 13 oktober open konden blijven. De regering heeft dit advies naast zich neergelegd. Wat is daarbij de doorslaggevende afweging geweest?

Het OMT is van mening dat onderzocht zou moeten worden of eigenstandige restaurants (die niet een primaire bijkomende functie van drinkgelegenheid hebben) open kunnen blijven, mits aanvullende maatregelen zoals gezondheidscheck, registratie en dergelijke, getroffen worden. Op dit moment wordt in samenwerking met de horeca onderzocht of het met inachtneming van de maatregelen mogelijk is een segmentering aan te brengen, die handhaafbaar is, zonder dat groepsvorming en reisbewegingen te veel toenemen.

FVD – 22

Kan de regering aangeven hoe vaak zij de afgelopen 3 maanden in belangrijke mate van het advies van het OMT is afgeweken en wat daarbij de overwegingen waren?

In de stand van zaken-brieven covid-19 is de Minister van VWS steeds ingegaan op de adviezen van het OMT en in hoeverre het kabinet deze heeft overgenomen. De OMT-adviezen zijn ook toegevoegd bij de brieven.

FVD – 23

Hoe zorgt de regering ervoor dat (individueel) sporten en lichaamsbeweging op niveau blijft gedurende de komende periode, zodat mensen, ondanks de getroffen maatregelen, gezond van lichaam en geest blijven?

De regering onderkent dat de impact van de beperkingen in sporten en bewegen zeer groot zijn, zowel op sociaal-maatschappelijk gebied als voor de volksgezondheid. Juist om die reden heeft het kabinet besloten om mensen de mogelijkheid te geven zo lang mogelijk actief te blijven. Ondanks de beperkingen die zijn doorgevoerd heeft de sportsector deze wijzigingen goed opgepakt en doorvertaald in haar protocollen per tak van sport. Zo heeft elke bond creatieve trainingsvormen bedacht zodat sport en bewegen toch doorgang kunnen vinden. Daarnaast worden veel online lessen aangeboden, bijvoorbeeld bij sportscholen. Voor de jeugd zijn er nagenoeg geen aanpassingen; zij kunnen gewoon trainen zonder beperkingen. Als alternatief voor het wegvallen van de competitie organiseren veel sportverenigingen onderlinge wedstrijden op de eigen club. Daarnaast zetten sportverenigingen hun deuren ook open voor niet-leden.

Vanuit de departementen SZW, VWS en OCW is in het voorjaar gestart met de flits-actie Vitaal Thuiswerken. Dit programma is gericht op het informeren en inspireren van thuiswerkers en er voornamelijk op gericht om te ondersteunen bij een gezonde manier van werken. Goede voorbeelden over voldoende en gevarieerd bewegen en ontspanning staan centraal en worden actief gedeeld via social media.

FVD – 24

In hoeverre is de regering voornemens om juridisch/bestuurlijk te verplichten tot het dragen van mondkapjes?

Zoals aangekondigd in de persconferentie van 13 oktober jl. overwegen wij het dragen van een mondkapje op bepaalde plekken juridisch te verplichten. Wij werken op grond van artikel 58j, eerste lid, onderdeel a, aan een mondkapjesplicht in een ministeriële regeling, die aan de beide Kamers zal worden overgelegd.

FVD – 25

Hoe wordt die eventuele verplichting verankerd in wet- en regelgeving, zodat erop zou kunnen worden gehandhaafd?

Een eventuele mondkapjesplicht zal neergelegd worden in een ministeriële regeling. De juridische grondslag daarvan is in zijn algemeenheid gelegen in artikel 58j, eerste lid, onder a. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel voor specifieke situaties in specifieke grondslagen (artikelen 58f, vierde lid (onderdeel van een uitzondering op de veiligeafstandsnorm) en 58r, vierde lid (kinderopvang, ook thuis)). Ook kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder activiteiten kunnen plaatsvinden of bijvoorbeeld publieke plaatsen mogen worden opengesteld voor het publiek.

FVD – 26

Kan de regering bevestigen dat er voor de Nederlandse bevolking sprake zal zijn van keuzevrijheid om een toekomstig vaccin tegen SARS-CoV-2 te laten toedienen?

Ja. De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 biedt geen mogelijkheid om vaccins te verplichten.

FVD – 27

Is het volgens de regering mogelijk c.q. wenselijk dat wanneer er een vaccin beschikbaar komt, bepaalde activiteiten (zoals reizen) of evenementen alleen toegankelijk zijn voor mensen met een vaccinatiebewijs?

De voorbeelden die deze leden noemen, lijken de regering niet wenselijk. Zoals de Minister van VWS eerder in de Tweede Kamer heeft toegelicht zou het wel wenselijk kunnen zijn om zorgverleners en werknemers die zich niet willen laten vaccineren en die bij hun werkzaamheden veel in contact komen met kwetsbare mensen, tijdelijk op andere werkzaamheden in te zetten

FVD – 28

In hoeverre zal het kabinet optreden tegen een indirecte vaccinatieverplichting?

Op dit moment kent Nederland van overheidswege geen indirecte of randvoorwaardelijke vaccinatieverplichting. Onlangs is gekeken naar het instellen van een soortgelijke verplichting voor de griepvaccinatie. Op dit moment is de regering niet voornemens een dergelijke verplichting in te voeren.

Tijdelijkheid van de wet

FVD – 29

De nu voorliggende wet is tijdelijk van aard. Wat is voor de regering de maximale periode dat deze tijdelijk mag zijn, los van de ontwikkeling en de aanpak van het virus?

De initiële geldingsduur bedraagt drie maanden. De regering zal telkens in samenspraak met het parlement bezien of de wet nog noodzakelijk is gelet op de ernst van de bedreiging. Wij kunnen hier niet op voorhand een maximale termijn aan koppelen.

FVD – 30

Hoe verhoudt deze spoedwet zich tot het tot nog toe ingenomen standpunt van de regering met betrekking tot preventie, waarbij mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de keuzes rond gezondheid die zij maken? (Zie bijvoorbeeld de beleidslijnen van de overheid met betrekking tot de aanpak van roken door tabaksmaatregelen, het terugdringen van overgewicht door gezonde voeding en beweging, en het versterken van sociale netwerken.)

In het geval van de bestrijding van covid-19 gaat het niet alleen om de eigen gezondheid. Onverantwoordelijk gedrag met betrekking tot covid-19 levert ook extra gezondheidsrisico’s op voor andere mensen. Om die reden wil de regering kunnen optreden tegen mensen die zich niet aan maatregelen houden die de samenleving moeten beschermen tegen covid-19.

FVD – 31

Zowel covid-19 als de maatregelen hiertegen kunnen een negatieve impact hebben op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de Nederlandse bevolking. Kan de regering, in het kader van de subsidiariteit en proportionaliteit, aangeven of zij met deze constatering rekening houdt en hoe zij dit mee laat wegen in haar beleid?

De regering maakt gebruik van een brede basis aan inzichten en adviezen. De belangrijkste adviseur op het terrein van de infectieziektebestrijding is het OMT. Het OMT maakt voor zijn adviezen onder andere gebruik van adviezen van de WHO, het European Center for Disease prevention and Control (ECDC), wetenschappelijke onderzoeken en ervaring en expertise op het terrein van infectieziektebestrijding.

Naast adviezen op het terrein van infectieziektebestrijding maakt de regering ook gebruik van andere adviseurs, bijvoorbeeld op het terrein van maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen, gedrag van mensen en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van maatregelen. In de stand van zaken-brief covid-19 van 6 mei jl. is dieper ingegaan op de advisering aan het kabinet over de sociaaleconomische aspecten van de coronacrisis.

FVD – 32

De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 geeft voorzitters van Veiligheidsregio’s verstrekkende bevoegdheden op het gebied van handhaving en uitvoering. De betrokken gemeenteraden van gemeenten die een Veiligheidsregio vormen, hebben hier geen of verminderd toezicht op. In hoeverre is de regering het met deze leden eens dat hier sprake is van een democratisch deficit?

Dit wetsvoorstel beoogt dat de bestrijding van de crisis meer ter hand wordt genomen op basis van de bevoegdhedenstructuur zoals die buiten crisissituaties van toepassing is. Daarom wordt het lokaal bestuur weer in positie gebracht, ook met betrekking tot handhaving en uitvoering. Alleen wanneer besluitvorming door de burgemeester een voor de bestrijding van de epidemie ongewenst bovenlokaal effect met zich brengt of er ernstige vrees ontstaat dat dit zal gebeuren, kan de Minister van VWS besluiten dat de voorzitter van de veiligheidsregio de betreffende burgemeestersbevoegdheid uitoefent. Deze kan bij de tijdelijke uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid het regionaal beleidsteam betrekken, dat bestaat uit de burgemeesters van de in die regio gelegen gemeenten, om de lokale betrokkenheid bij de besluitvorming te borgen. Verantwoording aan de gemeenteraden over het acuut ingrijpen bij een ramp of crisis legt de voorzitter van de veiligheidsregio normaliter achteraf af (artikel 40 Wvr). In de praktijk gebeurde dit reeds ook tussentijds, gelet op de duur en het onbestemde verloop van de crisis. Met het amendement-Van Dam c.s.23 is deze verantwoordingsrelatie uitgebreid, door expliciet te bepalen dat wanneer de voorzitter de burgemeesterbevoegdheden uitoefent, hij daarover verantwoording aflegt aan de betrokken gemeenteraden. Dit geschiedt door het uitbrengen van een verslag en het beantwoorden van de vragen van die raden. In de toelichting daarbij is opgemerkt dat de voorzitters van de veiligheidsregio’s en de gemeenteraden onderling invulling geven aan de praktische uitvoering van deze verantwoordingsrelatie. Als denkbare vormen zijn daarbij genoemd een verslag aan alle raden gezamenlijk, en tevens een gezamenlijk debat met alle of een aantal raden tegelijk. De mondelinge toelichting kan in een fysieke of digitale vergadering worden gegeven. Zo is geen sprake van een democratisch deficit.

FVD – 33

En als dat zo is, hoe stelt de regering voor dit op te lossen?

In aanvulling op het antwoord op vraag FVD-32 geldt dat bij een gemeenschappelijke regeling, en dus ook de veiligheidsregio, altijd de reguliere bevoegdheden van de betreffende gemeenteraden op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen van toepassing zijn, waardoor zij bijvoorbeeld informatierechten hebben. In dat kader zij gewezen op het wetsvoorstel dat aanhangig is bij de Tweede Kamer dat de positie van gemeenteraden bij alle gemeenschappelijke regelingen versterkt (Kamerstukken 35 513). Deze versterking heeft ook betrekking op de relatie tussen gemeenteraden en veiligheidsregio’s.

Rol Eerste Kamer

De voorgestelde wet maakt (tijdelijk) een inbreuk op de grondrechten van burgers. Bij een wijziging van de Grondwet is de Eerste Kamer uitdrukkelijk betrokken. Bij mogelijke verlenging van de maatregelen op basis van deze noodwet is alleen de Tweede Kamer betrokken.

FVD – 34

De Eerste Kamer krijgt geen verdere rol bij de mogelijke verlenging van de zeer ingrijpende wetgeving en de maatregelen die het kabinet voornemens is te nemen. De rol die de Tweede Kamer toebedeeld heeft gekregen, zou ook voor de Eerste Kamer moeten gelden. Graag vernemen de leden van de FVD-fractie de mening van de regering hierover.

Anders dan deze leden lijken te veronderstellen, voorziet het wetsvoorstel ten aanzien van de mogelijke verlenging van (onderdelen van) de wet in een gelijke mate van betrokkenheid van beide Kamers van de Staten-Generaal. Zowel voor de Eerste als de Tweede Kamer voorziet het wetsvoorstel in een lichte voorhangprocedure in de vorm van zogeheten gecontroleerde delegatie (zie artikel VIII, vierde lid). Wij merken nog op dat in de Tweede Kamer een amendement-Hijink dat ertoe strekte om de gecontroleerde delegatie door beide Kamers te vervangen door een instemmingsrecht van beide Kamers (zware voorhangprocedure), is verworpen.24 Hetzelfde geldt voor een amendement-Van Haga/Baudet, waarin werd voorgesteld om dat instemmingsrecht alleen aan de Tweede Kamer toe te kennen.25

Voor zover de leden van de FvD-fractie met hun vraag doelen op het recht van de Tweede Kamer met de op grond van het wetsvoorstel vast te stellen ministeriële regelingen al of niet in te stemmen, zoals dat ingevolge het door de Tweede Kamer aanvaarde amendement-Buitenweg c.s. in artikel 58c is opgenomen, verwijzen wij deze leden naar de antwoorden op de vragen D66–4 en D66–5.

FVD – 35

Is de regering bereid om bij de Eerste Kamer gemotiveerd verantwoording af te leggen over de door haar genomen maatregelen op basis van deze tijdelijke wet?

Vanzelfsprekend is de regering te allen tijde bereid om over door haar genomen maatregelen verantwoording af te leggen aan de Eerste Kamer. Dit is ook een staatsrechtelijke plicht. In het wetsvoorstel wordt deze verplichting geconcretiseerd doordat in artikel 58s, eerste lid, is voorgeschreven dat de Minister van VWS maandelijks aan beide Kamers van de Staten-Generaal een met redenen omkleed overzicht zendt van de geldende maatregelen, waarin tevens wordt aangegeven wat de verwachtingen zijn ten aanzien van het voortduren van de maatregelen.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

In artikel 58b van het wetsvoorstel wordt aangegeven dat de wet gericht is op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan en dat de bevoegdheden slechts worden toegepast als dat gezien de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid, noodzakelijk is, in overeenstemming met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat en gelet op het in het eerste lid genoemde doel de uitoefening van de grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is.

CDA – 1

De CDA-fractieleden vragen wat de overwegingen van de regering zijn geweest om bij deze reikwijdte, en dus bij dit wetsvoorstel, niet stil te staan bij de gevolgen van de maatregelen op de psychische/emotionele gezondheid van de burgers in Nederland. Is het niet steeds zoeken naar de juiste balans tussen fysieke en psychische gezondheid, tussen veiligheid en sociaal welbevinden, tussen gezondheid en economische gevolgen?

CDA – 2

Dient de proportionaliteit van de maatregelen niet in een breder kader te worden bezien?

In artikel 58c, derde lid, van het wetsvoorstel wordt aangegeven dat als naar de mening van de regering sprake is van zeer dringende omstandigheden, waarin ter beperking van het gevaar onverwijld gehandeld moet worden, een ministeriële regeling onverwijld in werking kan treden. Binnen twee dagen wordt deze regeling naar de beide Kamers gestuurd met een toelichting op de spoedeisendheid. De regeling vervalt van rechtswege indien de Tweede Kamer binnen een week na toezending besluit niet in te stemmen met deze regeling. Het kan dus voorkomen dat verschillende keren een spoedeisende ministeriële regeling alsnog wordt verworpen en dus na een week in werking te zijn geweest, weer wordt stopgezet. De CDA-fractieleden zijn van mening dat juist ten tijde van crisis een consistent en consequent beleid van groot belang is voor vertrouwen in het beleid van de overheid en dus in de overheid zelf, maar ook voor de naleving en de handhaving van de maatregelen, vallende onder deze ministeriële regeling.

CDA 1–2

De regering is het eens met de leden van de CDA-fractie dat het belangrijk is om bij de besluitvorming over de maatregelen die nodig zijn voor de bestrijding van de epidemie ook andere belangen te betrekken, waaronder de psychische en emotionele gezondheid van burgers. Daarom vindt bij de uitwerking van de maatregelen bij ministeriële regeling een integrale belangenafweging plaats. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is ter waarborging van deze integrale belangenafweging in artikel 58c, eerste lid, bepaald dat de ministeriële regelingen worden vastgesteld door de Ministers van VWS, JenV en BZK gezamenlijk, in overeenstemming met de bewindspersonen die het mede aangaat en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad (artikel 58c, eerste lid). De toetsing van de proportionaliteit van de maatregelen, waaronder de beoordeling of de gevolgen van de maatregelen in een evenredige verhouding staan tot het doel van de bestrijding van de epidemie, is vastgelegd artikel 58b, tweede lid, onderdeel c. Het gaat hierbij niet uitsluitend om de beoordeling van de gevolgen voor de uitoefening van grondrechten, maar ook de gevolgen voor andere betrokken belangen. Hierdoor wordt de evenredigheid van de maatregelen inderdaad in een breder kader bezien.

CDA – 3

Zij vragen welke impact dit kan hebben op de naleving en de handhaafbaarheid van de diverse maatregelen gedurende de week dat de regeling wel van kracht was.

Wij stellen graag voorop te streven naar voorspelbaarheid van maatregelen, waardoor niet vaker dan nodig een beroep hoeft te worden gedaan op de spoedbepaling. Zoals deze leden terecht opmerken gaat het bij de spoedbepaling om zeer dringende omstandigheden, die aan het parlement uiteen worden gezet. Naar wij aannemen wordt met een en ander de kans beperkt dat een ministeriële regeling die via de spoedbepaling tot stand komt, wordt afgewezen. Indien een ministeriële regeling vervalt met toepassing van artikel 58c, derde lid, laatste zin, heeft dit op zichzelf geen betekenis voor de naleving van de maatregelen gedurende de week dat de regeling van kracht was. Die periode is dan immers verleden tijd. Gedurende de tijd dat de regeling gold, was zij ook handhaafbaar. Zolang een ministeriële regeling een geldend wettelijk voorschrift is waarvan de overtreding bijvoorbeeld met een boete kan worden bestraft, blijft oplegging van die boete rechtmatig. Vervalt de regeling met toepassing van de genoemde bepaling, dan geldt in beginsel dat in procedures gericht tegen boetes die zijn opgelegd voor overtreding van de desbetreffende regeling artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toepassing moet vinden. Het betreft immers verandering van wetgeving voor de verdachte in een gunstige zin, nadat het feit heeft plaatsgevonden. Het ligt op de weg van de overtreder dit voorschrift in te roepen. Het is aan de rechter om dat te beoordelen. Onherroepelijk geworden strafbeschikkingen zullen echter ten uitvoer moeten worden gelegd.

CDA – 4

Zij vragen ook, als het verwerpen van een ministeriële regeling enkele malen is voorgekomen, wat de impact is op de naleving en handhaafbaarheid van de andere maatregelen in het kader van covid-19. Temeer daar het reëel lijkt te veronderstellen dat spoedeisende maatregelen vaak extra beperkingen behelzen en dus ook op weerstand kunnen stuiten bij (delen van) de samenleving.

Onder verwijzing naar het antwoord op de vorige vraag is ons uitgangspunt niet dat een ministeriële regeling met regelmaat via de spoedbepaling tot stand komt en verwachten wij te vermijden dat zo’n regeling meermalen wordt verworpen. Met de leden van de CDA-fractie menen wij dat dit geen goede uiting zou zijn van consistent en consequent beleid. In juridische zin laat verwerping van een ministeriële regeling die via de spoedbepaling tot stand is gekomen, de andere maatregelen, de noodzaak van naleving daarvan en de handhaving daarop onverlet.

In de artikelen 58d en 58s van het wetsvoorstel wordt stilgestaan bij de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de voorzitters van de veiligheidsregio’s en de burgemeesters, en de verantwoording van het beleid door de burgemeesters en de voorzitters van de veiligheidsregio’s. In de voorliggende wetgeving wordt geregeld dat de besluiten van de Minister(s) en van de burgemeester onderworpen worden aan democratische controles. De voorzitter van de veiligheidsregio is weliswaar verantwoording schuldig aan de betrokken gemeenteraden, maar is geen onderdeel van het democratisch controlesysteem.

CDA – 5

Wat gebeurt er als bijvoorbeeld enkele gemeenteraden binnen een veiligheidsregio niet akkoord gaan met de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio?

Artikel 40, vierde lid, Wvr, bepaalt dat een raad zijn standpunt over besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio ter kennis kan brengen van de Minister van Justitie en Veiligheid, door tussenkomst van de commissaris van de Koning. Op deze wijze kan een raad of kunnen enkele raden gezamenlijk kenbaar maken niet akkoord te gaan met een of meer besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio. Een direct gevolg op door de voorzitter genomen besluiten zal dit niet hebben. Het wettelijk systeem is erop gericht dat de voorzitter van de veiligheidsregio als enige besluit, en daarover na afloop van de ramp of crisis verantwoording aflegt aan de betreffende gemeenteraden. Niettemin bepaalt artikel 39, vierde lid, dat de voorzitter het regionaal beleidsteam – waarin de burgemeesters van de in de regio gelegen gemeenten zitting hebben – raadpleegt alvorens hij een beslissing neemt (tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet). Langs die weg kunnen lokale opvattingen doorklinken.

De CDA-fractieleden constateren dat er vele burgers zijn die niet geloven in deze pandemie of niet geloven in de diverse maatregelen. Dit heeft grote consequenties voor het handhaven van de vele maatregelen. Nu reeds zijn er volstrekt te weinig overheidsmedewerkers bij de controlediensten en staan zij ook onder grote mentale druk gezien de heftige weerstand bij sommige groeperingen.

CDA – 6

Voornoemde leden vernemen graag of de regering deze mening deelt.

Het kabinet is zich bewust van de stevige taak waarvoor handhavers zich gesteld zien. Het gaat om een groot aantal maatregelen dat het maatschappelijk leven in de breedte beslaat. Dit zijn ten dele bovendien maatregelen die het natuurlijke menselijke gedrag betreffen, zoals de veiligeafstandsnorm. Niet iedereen denkt inderdaad hetzelfde over de maatregelen. Er wordt dus niet alleen een beroep gedaan op kennis en kunde van handhavers, maar ook op hun inschattingsvermogen en sociale vaardigheden. Daarvoor spreken wij naar aanleiding van de vraag van deze leden hier graag onze bewondering en waardering uit.

CDA – 7

Zo nee, wat zijn daarbij de overwegingen?

Zo ja, welke maatregelen neemt de regering om de handhaafbaarheid te vergroten?

Bij de handhaving van maatregelen moet rekening worden gehouden met reserves van groepen burgers ten aanzien van die maatregelen. Om die reden wordt voortdurend gewezen op het belang van die maatregelen, die noodzakelijk zijn in verband met aantallen besmettingen en ziekenhuisopnames. Wij merken op dat het voor naleving van maatregelen niet alleen aankomt op handhaving met boetes. Burgers hebben bovendien een verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag en er ligt daarnaast een verantwoordelijkheid bij de exploitanten of eigenaren van de verschillende voorzieningen en instellingen voor toezicht op de regels binnen de instelling. Om aan die verantwoordelijkheid invulling te geven, worden zij ondersteund door bijvoorbeeld brancheorganisaties en met protocollen. De artikelen 58k, tweede lid, 58l, tweede lid, en 58o, derde lid, bevatten wat betreft de zorgplichten bovendien aanwijzingsbevoegdheden, waarmee duidelijk kan worden gemaakt waaraan het bij de invulling van een zorgplicht schort en wat er moet gebeuren. Voor zover burgers zich evengoed niet aan de maatregelen houden of exploitanten hun verantwoordelijkheid onvoldoende invullen, wordt handhavend opgetreden door de overheid. Hierbij wordt over het algemeen eerst gewaarschuwd, maar dat is niet aan de orde in evidente gevallen. Voor zowel burgers, instellingen als handhavers is van belang dat regels duidelijk worden geformuleerd en gecommuniceerd. Bij de meest recente maatregelen is daar extra aandacht aan besteed en dat geldt ook voor de maatregelen die in het wetsvoorstel staan en de ministeriële regelingen die daarop kunnen worden gebaseerd.

CDA – 8

Overweegt zij daarbij om ook private actoren in te schakelen bij de handhaving?

De politie gaat primair over de veiligheid in de openbare ruimte. Het kabinet overweegt op dit moment geen inzet van private actoren in de zin van particuliere beveiligingsorganisaties als bedoeld in de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Vanzelfsprekend staat het bijvoorbeeld bedrijven vrij om daarop een beroep te doen, zodat mensen zich kunnen houden aan de daar geldende maatregelen (zoals ordelijke rijvorming bij winkels). Beveiligingsmedewerkers zijn, voor zover nodig, ook uitgezonderd van de veiligeafstandsnorm en het groepsvormingsverbod (artikelen 58f, derde lid, onder b, en 58g, tweede lid, onder b).

De voorliggende wetgeving zou de wettelijke basis moeten geven voor de mondkapjesplicht.

CDA – 9

Op basis van welke artikelen kan de mondkapjesplicht afgekondigd worden?

De juridische grondslag van een mondkapjesplicht is in zijn algemeenheid gelegen in artikel 58j, eerste lid, onder a. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel voor specifieke situaties in specifieke grondslagen (artikelen 58f, vierde lid (onderdeel van een uitzondering op de veiligeafstandsnorm) en 58r, vierde lid (kinderopvang, ook thuis)). Ook kunnen voorwaarden worden gesteld waaronder activiteiten kunnen plaatsvinden of bijvoorbeeld publieke plaatsen mogen worden opengesteld voor het publiek.

CDA – 10

Gaat deze mondkapjesplicht dan gelden in publieke en private gelegenheden?

Wij overwegen om een verplichting in te voeren tot het dragen van een mondkapje in onder andere voor het publiek toegankelijke binnenruimten. Daarbij gaat het uitsluitend om publieke (voor het publiek toegankelijke) aangelegenheden. Er zal geen mondkapjesplicht gelden in woningen, omdat woningen zijn uitgezonderd van de reikwijdte van artikel 58j, eerste lid, onder a.

Tot slot, de ontwikkeling van dit wetsvoorstel heeft geleid tot veel emoties en onrust bij diverse groepen burgers. En dat is nog steeds het geval. Intussen is het wetsvoorstel ingrijpend gewijzigd naar aanleiding van de adviezen van de Raad van State, de aangenomen amendementen en de adviezen tijdens de consultatie van diverse betrokken instanties. Ten behoeve van de acceptatie en daarmee de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze wet, achten de CDA-fractieleden het van belang dat de regering bij de inwerkingtreding van de wet actief communicatie ter hand neemt om de samenleving te informeren over het waarom, het wat en het hoe van deze wetgeving. Dit geldt ook bij de start en bij de beëindiging van de diverse ministeriële regelingen. Daarbij verdient het naar de mening van de CDA-fractieleden de voorkeur niet alleen te vermelden wat er niet (meer) mag, maar ook wat wel kan en hoe dan wel.

CDA – 11

Heeft de regering ook uitgebreide communicatie voorzien rondom deze wetgeving? Graag een toelichting op de overwegingen in deze.

In de Tweede Kamer heeft de Minister van VWS beaamd dat het kabinet onvoldoende heeft geïnvesteerd in de communicatie met de samenleving over de totstandkoming van de coronawet. Dat betekent een extra communicatie-uitdaging voor het kabinet in deze fase waarin wij met het parlement debatteren over de wettelijke vormgeving van de coronamaatregelen. Die uitdaging gaan wij graag aan.

Voor de informatievoorziening aan en communicatie met de Nederlandse bevolking over de dreiging van covid-19, de maatregelen die mensen zelf kunnen treffen en de maatregelen die de overheid treft is de afgelopen maanden een uitgebreide communicatie-aanpak gebruikt, met onder andere persconferenties en allerlei informatieproducten voor verschillende doelgroepen die via een veelheid aan communicatiekanalen zijn verspreid. Het doel van het kabinet is om de juiste informatie vindbaar te maken op de plekken waar mensen die informatie zoeken. Dat is een continue uitdaging om tegemoet te komen aan de vragen en onduidelijkheden van de Nederlandse samenleving. De komende periode zal ook informatie over de tijdelijke wet en de maatregelen die daaruit volgen worden opgenomen in deze aanpak. De VNG draagt daar ook aan bij. De komende periode zullen we uitleggen waarvoor de wet is gemaakt, wat de wet regelt en wat mensen daarvan gaan merken. De onderwerpen die in de debatten van de regering met de Tweede en Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen, zullen daar een belangrijk onderdeel van vormen.

Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-fractie

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat hoewel de wet wordt aangeduid als spoedwet, het wetgevingsproces van het aanbieden ter consultatie van het eerste voorstel tot de stemming in de Eerste Kamer naar verwachting vijf maanden zal duren. De behandeling in de Tweede Kamer heeft drie maanden geduurd. De leden kunnen dit moeilijk zien als een spoedbehandeling. Het gevolg is dat het wetgevingstraject niet is afgerond voordat de tweede golf besmettingen ons land trof en er nu weer zeer ingrijpende maatregelen genomen zijn op basis van noodverordeningen zonder wettelijke basis. En dat de druk nu bij de Eerste Kamer ligt om alsnog de spoed te betrachten die eerder niet is betracht.

GroenLinks – 1

De leden vragen de regering te reflecteren op de behandelduur van het wetsvoorstel tot nu toe. Is de regering het met de leden eens dat het geen spoedbehandeling is geweest?

Het wetsvoorstel is aangekondigd in de brief die de Minister van JenV op 1 mei 2020 mede namens de Ministers van BZK, van VWS en voor MZS aan de Tweede en Eerste Kamer heeft gezonden.26 De regering heeft tegen de achtergrond van de discussie over de juridische houdbaarheid van maatregelen die via noodverordeningen worden genomen, voortvarendheid betracht bij de totstandbrenging van dit wetsvoorstel, evenwel zonder daarbij de zorgvuldigheid uit het oog te verliezen. Wij hebben in dat licht gekozen voor een korte en gerichte consultatie, in plaats van een openbare internetconsultatie. De uitkomsten van de consultatie zijn eveneens op korte termijn verwerkt, waarbij waar nodig nader overleg is gevoerd met partijen die inbreng hebben geleverd.

Dit resulteerde erin dat op 28 mei jl. een consultatieversie kon worden uitgebracht en dat er op 17 juni jl. een wetsvoorstel voor advisering aan de Raad van State kon worden aangeboden. Het wetsvoorstel is op 13 juli jl. ingediend bij de Tweede Kamer. Dat is voor een wetsvoorstel van deze aard en omvang reeds uitzonderlijk snel. De voorbereiding van een wet als deze vergt bij uitstek de nodige zorgvuldigheid. Daarbij hoort onder meer overleg met betrokken partijen, een consultatie en advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State. Een snellere doorlooptijd is dan ook niet mogelijk gebleken.

Zoals wij tevens aangeven in antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie en de D66-fractie, heeft de regering gereflecteerd op dit proces. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat wij, achteraf bezien, in de voorbereiding beter meer tijd hadden moeten nemen, met een openbare internetconsultatie en meer tijd en ruimte voor het maatschappelijk debat.

GroenLinks – 2

Wat was de planning van de regering voor de behandeling?

Het streven was het wetsvoorstel voor het zomerreces bij de Tweede Kamer te kunnen indienen.

GroenLinks – 3

Was deze planning afgestemd op de verwachte tweede golf?

Het verloop van de epidemie kan niet precies worden voorspeld. Ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel was het virus maximaal onder controle. Inmiddels is het virus bezig met een gevaarlijke opmars. In de beantwoording van de voorgaande vragen van de leden van de Groen Links-fractie hebben wij aangegeven dat wij zoveel mogelijk voortvarendheid hebben betracht bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Een snellere doorlooptijd is niet mogelijk gebleken.

GroenLinks – 4

Is de planning afgestemd met de Tweede Kamer?

In de voortgangsbrieven en de reguliere debatten over covid-19 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het wetsvoorstel.

GroenLinks – 5

Waarom is het niet gelukt de wet op tijd voor de tweede golf gerealiseerd te hebben?

Zoals ook aangegeven in de antwoorden op de voorgaande vragen van de leden van de GroenLinks-fractie hebben wij zoveel mogelijk voortvarendheid betracht bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Een snellere doorlooptijd is niet mogelijk gebleken.

De voornoemde leden constateren met instemming dat de wettekst in artikel 58b, tweede lid, er expliciet melding van maakt dat de bevoegdheden alleen worden toegepast wanneer deze noodzakelijk zijn, in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat en de proportionaliteit en subsidiariteit gewaarborgd zijn.27 In zijn advies wees de Raad van State er op dat de proportionaliteit van maatregelen voortdurend gewogen moet worden; en niet alleen bij het ingaan van de maatregelen.28

GroenLinks – 6

Hoe zorgt de regering dat deze voortdurende weging plaatsvindt?

De maatregelen die worden genomen zijn opgenomen in de routekaart. De routekaart is niet uitputtend en zal zich blijven ontwikkelen. Er blijft dus nadrukkelijk ruimte voor nieuwe lessen. Het kabinet blijft zoeken naar slimmere maatregelen, met een groter effect op het terugdringen van de virusverspreiding, met minder maatschappelijke en economische nevenschade, of die beter kunnen worden nageleefd of gehandhaafd. Op deze wijze wordt ook voortdurend de proportionaliteit meegewogen in de te nemen maatregelen. Dit doet het kabinet niet alleen, maar hierover vindt ook overleg plaats met de GGD’en, het RIVM, de veiligheidsregio’s en dergelijke.

GroenLinks – 7

In artikel 58c, zesde lid, wordt alleen genoemd dat een regeling wordt gewijzigd of ingetrokken als deze niet langer noodzakelijk is. Geldt dit ook als de regeling niet langer proportioneel is?

In artikel 58c, zesde lid, is geëxpliciteerd dat maatregelen zo spoedig mogelijk worden gewijzigd of ingetrokken als deze niet langer noodzakelijk zijn. Hoewel dit in artikel 58c, zesde lid, niet expliciet is bepaald, zullen maatregelen niet alleen noodzakelijk moeten zijn, maar ook evenredig aan het beoogde doel. Dit vloeit reeds voort artikel 58b, tweede lid. De toepassing van de krachtens hoofdstuk Va toegekende bevoegdheden – waaronder het treffen of in stand houden van maatregelen – is ingevolge dat artikellid immers alleen mogelijk als dit «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is (sub a) en evenredig is aan het beoogde doel (sub c)». Dit betekent derhalve inderdaad dat een maatregel ook wijziging of intrekking behoeft als deze niet meer evenredig is aan de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. Ook gelet op de eisen die worden gesteld aan beperkingen van grondrechten, kan een regeling, indien deze voorziet in een dergelijke beperking en deze niet langer proportioneel is, niet als zodanig gehandhaafd worden.

GroenLinks – 8

Wordt een wijziging of intrekking van een ministeriele regeling ook binnen twee dagen gemeld aan de beide kamers van de Staten Generaal, en dient een wijziging of intrekking van een regeling ook bekrachtigd te worden door de Tweede Kamer?

Ook een ministeriële regeling tot wijziging of intrekking van een ministeriële regeling is een «krachtens dit hoofdstuk vastgestelde ministeriële regeling» in de zin van artikel 58c, tweede lid, dus de daarin geregelde procedure is ook dan van toepassing. Dit vindt ook bevestiging in de voorlichting die de Afdeling advisering van de Raad van State op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer heeft uitgebracht.29

Ingevolge artikel 58c, tweede lid, worden ministeriele regelingen binnen twee dagen naar beide kamers van de Staten Generaal gestuurd en moet de regeling binnen een week bekrachtigd worden door de Tweede Kamer.

GroenLinks – 9 en 10

Ziet de regering in deze bijzondere constructie nog een rol voor de Eerste Kamer weggelegd en zo ja, hoe zou deze door de Eerste Kamer kunnen worden ingevuld?

Kan de Eerste Kamer op enigerlei wijze invloed uitoefenen op de ministeriele regelingen?

Artikel 58c, tweede lid, eerste zin, verplicht ertoe de ministeriële regeling ook aan de Eerste Kamer over te leggen. Gedurende de week waarin de regeling nog niet in werking kan treden (maar desgewenst uiteraard ook altijd daarna) is de Eerste Kamer in staat om via de gebruikelijke parlementaire kanalen (bijvoorbeeld het voeren van een schriftelijk of mondeling overleg of een debat waarin moties kunnen worden ingediend) met de regering van gedachten te wisselen over de inhoud van de regeling. Zoals ook is opgemerkt in de voorlichting die de Afdeling advisering van de Raad van State op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer heeft uitgebracht, beschikt de Eerste Kamer daarbij over al haar grondwettelijke bevoegdheden. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan dit leiden tot wijziging van of in het ultieme geval het niet in werking laten treden en de intrekking van de betreffende ministeriële regeling. Daarbij geldt dat ook een regeling tot intrekking of wijziging van een eerdere regeling weer dezelfde procedure moet doorlopen (zie antwoord op vraag GL-8).

GroenLinks – 11

Hoe apprecieert de regering deze rol (of het gebrek eraan)?

Wij hechten groot belang aan de controlefunctie van de Eerste Kamer en menen dat daaraan in het voorgestelde artikel 58c uitdrukking is gegeven op een wijze die recht doet aan de rol van de Eerste Kamer in ons staatsrechtelijk bestel. Voor een beschouwing over het verschil dat in artikel 58c is gemaakt tussen de Tweede en de Eerste Kamer verwijzen wij naar de antwoorden op de vragen D66–4 en D66–5.

In artikel 58c is een vangnetbepaling voor de BES-eilanden opgenomen. De leden lezen de regeling zo dat op de BES-eilanden een speciale regeling wordt getroffen (via opdrachten tot algemeen verbindende voorschriften) voor situaties waarin niet gewacht kan worden op een ministeriele regeling.

GroenLinks – 12

Waarom is er wel een dergelijke vangnetbepaling voor de BES-eilanden en niet voor de gemeenten in Nederland?

De aanpak in Caribisch Nederland vergt een andere aanpak dan die in Europees Nederland. Dit heeft te maken met de kleinschaligheid van de eilanden, de kwetsbaarheid van de lokale zorgsystemen en de beperkte uitwijkmogelijkheden voor curatieve zorg, gelet op de geïsoleerde ligging en gesloten landsgrenzen in de regio. Nederlandse gemeenten lopen niet tegen vergelijkbare problemen aan. Ook bleek in de Tweede Kamer geen steun te bestaan voor eenzelfde vangnet voor Europees Nederland, gelet op het breed gesteunde amendement Buitenweg c.s. (nr. 48) waarmee de vergelijkbare vangnetbepaling voor Europees Nederland is komen te vervallen. Om de voorgaande redenen heeft de vangnetbepaling van artikel 58ca alleen betrekking op de Caribische openbare lichamen.

GroenLinks – 13

Heeft de gezaghebber op de eilanden niet ook dezelfde bevoegdheden als die de wet toekent aan de burgemeester?

Dit klopt. De bepalingen van de Wpg die in Europees Nederland gelden voor de voorzitters van een veiligheidsregio en de burgemeesters, gelden in Caribisch Nederland voor de gezaghebbers (artikel 68a, aanhef en onder d, Wpg). Op Sint Eustatius oefent de regeringscommissaris alle taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of enige andere wet aan onder meer de gezaghebber zijn opgedragen.30

GroenLinks – 14

Is het de bedoeling of de verwachting dat er voor de BES specifieke ministeriele regelingen worden getroffen?

Het is inderdaad de bedoeling dat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba specifieke ministeriële regelingen vastgesteld worden. De reden hiervan is dat de omstandigheden en de noodzakelijke maatregelen in Caribisch Nederland verschillen van die in Europees Nederland, vanwege de in antwoord op vraag GroenLinks-12 genoemde factoren.

GroenLinks – 15

Hoe is de lokale democratische controle op de BES-eilanden gewaarborgd?

De gezaghebber legt verantwoording af aan de eilandsraad over het door hem gevoerde bestuur (artikel 182 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Dat geldt ook voor de uitoefening van de bevoegdheden die met dit wetsvoorstel worden geregeld in hoofdstuk Va en de gezaghebber moet waarborgen dat de eilandsraad wordt betrokken bij dat bestuur (artikel 58s, vierde lid, in samenhang met artikel 68a, aanhef, onder b en d, Wpg). Op 21 oktober jongstleden werden verkiezingen gehouden op Sint Eustatius. De (nieuwe) eilandsraadleden worden op 29 oktober 2020 beëdigd en zullen dan een aanvang maken met de vervulling van hun functie. Na de benoeming van de leden van de eilandsraad van Sint Eustatius is de regeringscommissaris eveneens verantwoording schuldig aan de eilandsraad over het door hem gevoerde bestuur.

In artikel 58d is bepaald dat de Minister kan besluiten dat de voorzitter van de veiligheidsregio’s bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan bevoegdheden die in de wet (en enkele andere wetten) aan de burgemeester zijn toegekend. Een dergelijk besluit heeft een behoorlijke impact op de lokale bevoegdheidsverdeling en de democratische controle op lokaal niveau. Een burgemeester is door een gemeenteraad vele malen eenvoudiger ter verantwoording te roepen dan een voorzitter van een veiligheidsrisico.

GroenLinks – 16

Het besluit van de regering om bevoegdheden van de burgemeester over te hevelen naar de voorzitter van de veiligheidsregio lijkt niet aan parlementaire controle onderhevig. Is dat juist?

Het wetsvoorstel voorziet niet in een specifieke regeling voor de parlementaire controle op een besluit van de Minister van VWS als bedoeld in artikel 58d, eerste lid. Vanzelfsprekend betekent dit niet dat geen parlementaire controle mogelijk is (zie het antwoord op de volgende vraag). Het gaat hier om een besluit van de Minister in de bijzondere situatie dat toepassing van bepaalde bevoegdheden die aan de burgemeester worden toegekend, een bovenlokaal effect (dreigen te) hebben op de bestrijding van de epidemie. Indien de Minister zich genoopt voelt op te treden, zal dit om snelle actie vragen.

GroenLinks – 17

Acht de regering dit in overeenstemming met de maatstaven van de democratische rechtstaat?

Een Minister zal te allen tijde verantwoording moeten en willen afleggen over zijn optreden. Verantwoording achteraf is een figuur die prima past binnen een democratische rechtsstaat.

GroenLinks – 18

Is de regering bereid in ieder geval de beide Kamers binnen twee dagen te informeren wanneer zij een dergelijk besluit neemt?

Wij zijn bereid beide Kamers te informeren over genomen besluiten als bedoeld in artikel 58d, eerste lid. Wij zullen nader bezien hoe daaraan op een praktische wijze invulling kan worden gegeven, bijvoorbeeld door dit mee te nemen in reguliere rapportages.

Artikel 58e, eerste lid, onderdeel b, maakt het mogelijk dat in ministeriële regelingen onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd. In de wet zelf wordt bij artikel 58f, derde lid, onderdeel d, een onderscheid gemaakt tussen personen tot en met de leeftijd van 12 jaar en die daarboven.

GroenLinks – 19

Is de regering voornemens in ministeriele regelingen andere leeftijdsgrenzen te hanteren?

Ja, de regering is voornemens in de ministeriele regeling(en) andere leeftijdsgrenzen te hanteren.

GroenLinks – 20

Zo ja, welke?

Een voorbeeld ontleend aan de huidige modelnoodverordening van 14 oktober jl. is dat kinderen tot achttien jaar onderling geen veilige afstand tot elkaar hoeven te houden (artikel 2.2, tweede lid, aanhef en onder c). Ook kan gedacht worden aan het verbieden van sportwedstrijden voor personen van achttien jaar en ouder (artikel 2.12 van de huidige modelnoodverordening).

GroenLinks – 21

Zal het hierbij alleen gaan om leeftijdsgrenzen voor kinderen of jongeren (dus bijvoorbeeld de grens van 12/13 en 18/19 jaar), of acht de regering het ook mogelijk dat andere leeftijdsgrenzen zullen gaan gelden bij bepaalde maatregelen en kan het daarbij ook gaan om leeftijdsgrenzen die zien op ouderen boven een bepaalde leeftijd?

Wij zijn op dit moment niet voornemens in de ministeriële regelingen op basis van deze wet onderscheid te maken tussen volwassenen onderling.

Artikel 58f bepaalt dat mensen buiten een woning een veilige afstand moeten houden. In het derde lid wordt hierop een aantal uitzonderingen geformuleerd, met name voor personen die veiligheids-of zorgberoepen uitoefenen. Voor andere uitzonderingen is een ontheffing of vrijstelling nodig, conform het vierde en vijfde lid.

GroenLinks – 22

Kan de regering uitleggen wat precies het verschil is of zal zijn tussen de in het vierde lid genoemde ministeriele regeling en die van het vijfde lid?

Er hoeft geen verschil te zitten tussen een ministeriële regeling op grond van het vierde lid van artikel 58f en het vijfde lid van dat artikel. Regels op grond van artikel 58f, vierde en vijfde lid, kunnen in dezelfde ministeriële regeling neergelegd worden. Op grond van het vierde lid kan een uitzondering worden gemaakt op de veiligeafstandsnorm indien door de toepassing van hygiënemaatregelen, het gebruik van beschermingsmiddelen of op andere wijze een beschermingsniveau kan worden bereikt dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat bereikt wordt door het houden van de veilige afstand. Op grond van het vijfde lid kan ook in andere gevallen een uitzondering gemaakt worden op de veiligeafstandsnorm, bijvoorbeeld omdat een verplichting op het houden van een veilige afstand moeilijk te effectueren is.

Het uitoefenen van contactberoepen valt niet onder de in het derde lid genoemde uitzonderingen. Hiervoor zal derhalve bij ministeriele regeling ontheffing of vrijstelling moeten worden verleend, al dan niet onder voorwaarden of beperkingen.

GroenLinks – 23

Is de regering het met de leden van de fractie van GroenLinks eens dat het vanuit het oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit noodzakelijk is om te beargumenteren wanneer voor de uitoefening van een bepaald contactberoep geen ontheffing of vrijstelling wordt verleend, zeker wanneer een vrijstelling voor andere contactberoepen wel wordt verleend?

Nee, het verlenen van ontheffing is een uitzondering die slechts aan de orde kan zijn in bijzondere omstandigheden in een concreet geval. Op basis van artikel 58j kunnen voorwaarden worden gesteld aan het uitoefenen van (bepaalde) contactberoepen, met inbegrip van een verbod tot uitoefening daarvan. De verlening van een ontheffing op grond van artikel 58e, tweede lid, kan alleen aan de orde zijn indien er redenen bestaan om af te wijken van de regels die voor ieder op wie de voorwaarden betrekking hebben, gelden en heeft tot gevolg dat sprake is van verlichting van een bij of krachtens dit wetsvoorstel geldende maatregel of regel. Naar de aard van de bevoegdheid gaat het om een uitzondering in een individueel geval; blijkens artikel 58e, tweede lid, moet het gaan om bijzondere omstandigheden. De burgemeester beoordeelt of sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit kan bijdragen aan de proportionaliteit van de maatregelen. De burgemeester maakt een integrale belangenafweging (zie ook artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Als het belang van de bestrijding van de epidemie zich verzet tegen de verlening van een ontheffing, is een ontheffing niet aan de orde (zie artikel 58e, vierde lid). Voorts expliciteert het wetsvoorstel de criteria die in de afweging moeten worden betrokken, bijvoorbeeld de aard van de plaats, de aard van de activiteit en het aantal personen waarop de ontheffing betrekking heeft (artikel 58e, vierde lid, onderdeel a en b). Dit kan er dus toe leiden dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende contactberoepen. De burgemeester motiveert zijn besluit om al dan niet een ontheffing te verlenen (artikel 3:46 Awb). Onverminderd deze reeds geldende motiveringsplicht bepaalt het wetsvoorstel expliciet dat de burgemeester zich laat adviseren door de GGD, die immers over de benodigde medische en epidemiologische deskundigheid beschikt.

GroenLinks – 24

Kan de regering toezeggen dat voor de beroepen waarvoor geen vrijstelling of ontheffing wordt gegeven inkomensondersteunende maatregelen in gelijke mate zullen openstaan en dat de regering zal bewerkstelligen dat betrokkenen ook effectief gebruik kunnen maken van deze inkomensondersteuning?

Het kabinet heeft met het steun- en herstelpakket, zoals beschreven in de brief van 28 augustus 2020 aan de Tweede Kamer31, de maatregelen ter ondersteuning van werkgevers, werknemers en zelfstandigen verlengd. Er is gekozen voor brede, mee-ademende regelingen om flexibel in te spelen op de grillen van het virus. Mocht een werkgever zijn werknemers bijvoorbeeld niet meer kunnen laten werken omdat zijn bedrijf gedwongen dicht is, dan kan hij aanspraak maken op de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Zelfstandigen die gedwongen hun activiteiten tijdelijk stop moeten zetten kunnen gebruik maken van de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers (TOZO).

Artikel 58g maakt het mogelijk groepsvorming of het verblijven in groepsverband te reguleren. In artikel 58a wordt groepsverband gedefinieerd als een aantal min of meer bijeen horende personen, waarbij kennelijk sprake is van een zekere samenhang of omstandigheid waardoor die personen bij elkaar zijn.32

GroenLinks – 25 en 26

Is deze definiëring naar het oordeel van de regering voldoende duidelijk?

Weten burgers waar zij zich aan moeten houden en handhavers waarop zij kunnen handhaven?

Ja. De term «groep» is ontleend aan bestaande wetgeving, namelijk de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet. Bij de totstandbrenging daarvan heeft de regering op vragen vanuit de Eerste Kamer geantwoord: «Van Dale groot woordenboek hedendaags Nederlands geeft als definitie van groep: een aantal min of meer bijeenhorende personen. Dit geeft al aan dat niet gewerkt kan worden met een arbitrair vastgesteld minimumaantal personen. Naar onze mening kan over de toepassing van het criterium «groepsgewijs» in de praktijk geen onduidelijkheid bestaan. Het spraakgebruik is hier doorslaggevend.»33 Dit zal er, naar wij menen, toe leiden dat ook nu veelal duidelijk zal zijn wat de regering in het wetsvoorstel met «groep» bedoelt. Bij de totstandbrenging van die wetgeving is daarnaast nog verhandeld dat bij een groep sprake moet zijn van een zekere samenhang of omstandigheid waardoor die personen bij elkaar zijn. Ook dat aspect is hier overgenomen. Verder geldt dat het legaliteitsbeginsel, meer in het bijzonder het daarvan deel uitmakende lex-certabeginsel, zo duidelijk mogelijke normstellingen verlangt. Niet uit het oog mag echter worden verloren dat soms moet – en ook volgens de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: mag – worden gewerkt met een norm die in enig opzicht wordt geconcretiseerd en die onvermijdelijk wordt vormgegeven in bewoordingen die vaag zijn en waarvan de uitleg en toepassing in de praktijk plaatsvinden.34 Die concretisering vindt hier plaats doordat het gaat om gedrag dat plaatsvindt op plaatsen, niet zijnde woningen, die worden aangewezen in het belang van de bestrijding van de (dreiging van de) epidemie en met een vast te stellen aantal personen.

GroenLinks – 27 en 28

Welke waarde moet worden toegekend aan het woord «kennelijk»?

Impliceert dit dat het oordeel van de handhavers doorslaggevend is en de intentie van de betrokkenen irrelevant?

De definitie van groep, die in de memorie van toelichting staat, is bij nota van wijziging ten behoeve van de rechtszekerheid in artikel 58a opgenomen. Om buiten twijfel te stellen dat het hier niet gaat om subjectieve beoordeling is toegevoegd dat «kennelijk» sprake moet zijn van een zekere samenhang of omstandigheid waardoor mensen bij elkaar zijn. Dit betekent in het normale spraakgebruik dat die samenhang of omstandigheid goed waarneembaar moet zijn. In die betekenis komt het begrip ook elders in wetgeving voor, bijvoorbeeld in artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht. Dronkenschap op de openbare weg is volgens dat artikel slechts strafbaar als die staat «kennelijk» is en dat wil daar sinds jaar en dag zeggen: duidelijk zichtbaar.35 Met «kennelijk» is dus objectivering beoogd om subjectieve beoordeling tegen te gaan. Uiteindelijk zal uit de feiten en omstandigheden van het geval, eventueel door de rechter aan wie een zaak wordt voorgelegd, moeten blijken of het in een concrete situatie gaat om een groepsverband als bedoeld in artikel 58a.

GroenLinks – 29

Is het denkbaar dat handhavers van oordeel zijn dat er «kennelijk» sprake is van een groepsverband van mensen die elkaar feitelijk in het geheel niet kennen? Is dat rechtvaardig?

Bepalend voor het groepsverband is of het gaat om mensen die bijeen horen, waarbij tussen hen kennelijk – dus goed waarneembaar oftewel duidelijk zichtbaar – een zekere samenhang bestaat of een omstandigheid bestaat waardoor die personen bij elkaar zijn. Wie in een stationshal rondkijkt, ziet daar willekeurige mensen op een bepaald moment wachten. Deze mensen zijn naar normaal spraakgebruik, zoals dat tot uitdrukking is gebracht en is geobjectiveerd in de bovenstaande definitie, geen groep. Dat daaronder overigens mensen kunnen zijn die elkaar wel kennen, omdat zij bijvoorbeeld dagelijks dezelfde trein hebben of weten dat zij collega’s zijn, maakt overigens anderzijds niet dat zij zich in groepsverband ophouden. Wie in die hal rondkijkt, ziet echter ook duidelijk groepen bij elkaar: van de dames die hun «keuzedag» gebruiken voor een gezamenlijk dagje uit, tot de conducteurs die staan te praten tussen de diensten door, van de vrienden die zich verzamelen om naar een voetbalwedstrijd te gaan, tot de scholieren die samen hun huiswerk doornemen. Soortgelijke redeneringen gelden bijvoorbeeld in een park of een winkelstraat. Vaak zullen mensen die bijeen horen, zoals in de net genoemde gevallen, elkaar wel in mindere of meerdere mate kennen, maar strikt noodzakelijk is dat niet. Op een jubileumreceptie plegen alle gasten de jubilaris te kennen, maar kent niet iedereen elkaar noodzakelijkerwijs. Ook wie in een ploegendienst werkt, kent niet noodzakelijkerwijs elke (misschien nieuwe, inval- of uitzend-) collega in de concrete ploeg. Toch horen die receptiebezoekers of productieploegmedewerkers wel bijeen, waarbij tussen hen duidelijk zichtbaar een zekere samenhang bestaat of een omstandigheid bestaat waardoor zij bij elkaar zijn.

Wij vinden het rechtvaardig dat eventueel ook mensen die elkaar in het geheel niet kennen, onder het groepsvormingsverbod kunnen vallen. Hierbij benadrukken wij dat zij zich hiertoe wel in groepsverband dienen op te houden. Dus dat zij, hoewel zij elkaar niet kennen, toch bijeen horen, waarbij tussen hen kennelijk – wat wil zeggen: goed waarneembaar oftewel duidelijk zichtbaar – een zekere samenhang bestaat of een omstandigheid bestaat waardoor zij bij elkaar zijn. Op sommige (drukke) locaties kan het naleven van de veiligeafstandsnorm lastig zijn. De risico’s voor de volksgezondheid zijn bij groepen ook groter: een enkele besmetting kan dan meer besmettingen tot gevolg hebben. In dat soort situaties kan het ter bestrijding van de epidemie noodzakelijk zijn om beperkingen te stellen aan groepsvorming. Het maximeren van de toegestane groepsgrootte kan voorkomen dat mensen onverhoopt geen anderhalve meter afstand kunnen houden en beperkt bovendien de hoeveelheid potentiële besmettingen die daaruit voort kunnen vloeien.

GroenLinks – 30

Is er inmiddels jurisprudentie op dit punt?

Nee, het wetsvoorstel is immers nog geen geldend recht. In deze vorm hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s de definitie al wel opgenomen in hun nu geldende noodverordeningen. Dit is echter pas sinds 14 oktober 2020 het geval en daarover bestaat nog geen rechtspraak.

In relatie tot de groepsvorming: In het kader van de thans geldende maatregelen is de maximale groepsgrootte buiten gesteld op 4 en binnen op 30, waarbij steeds de veilige afstand moet worden gehouden.

GroenLinks – 31

Kan de regering dit verschil uitleggen, mede gezien de inzichten in verspreiding van het virus binnen en buiten?

Anders dan de vraag van de leden van de GroenLinks-fractie lijkt te veronderstellen, geldt voor zowel buiten- en binnensporten dat niet met meer dan vier volwassen personen in een groep mag worden gesport. Buiten en binnen mogen meerdere groepen van vier personen tegelijk sporten. Individuele sporten zoals bijvoorbeeld zumba of bootcamp mogen in groepen van maximaal vier. Er mogen buiten meerdere groepen van vier zijn. Binnen mogen individuele sporten met meerdere groepen van maximaal 4 personen tot in totaal 30 personen per ruimte. Uiteraard geldt voor alle volwassenen de plicht om 1,5 meter afstand te houden. Voor personen tot 18 gelden aparte regels.

De consequentie van deze regelgeving is dat bijvoorbeeld klasjes van sportscholen die tot voor kort buiten trainden, nu weer in een zaaltje gaan trainen omdat het buiten niet meer mag en binnen wel.

GroenLinks – 32

Dit lijkt de leden van de GroenLinks fractie een ongewenste consequentie van de maatregelen. Hoe ziet de regering dit?

Zoals uit het antwoord op vraag GL-31 blijkt, zou een juiste interpretatie van de maatregelen er niet toe hoeven leiden dat sportklasjes zich nu van buiten naar binnen begeven. Zowel binnen als buiten mag gesport worden in groepjes van maximaal 4 volwassen personen, waarbij voor het sporten binnen aanvullend geldt dat mag worden gesport met maximaal 30 personen in één ruimte.

GroenLinks – 33

Ziet zij mogelijkheden om de groepsgrootte binnen en buiten beter af te stemmen op het daadwerkelijke besmettingsgevaar?

Daartoe zien wij gelet op de beantwoording van vragen GL-31 en GL-32 geen noodzaak. Ter reducering van het aantal besmettingen zijn de maatregelen met betrekking tot de beoefening van sport erop gericht groepsvorming en sociale contacten te verminderen en het aantal reisbewegingen te reduceren. Daarnaast bevordert eenduidigheid in de maatregelen de handhaafbaarheid van de coronamaatregelen.

Artikel 58o, vierde lid, bepaalt dat indien de maatregelen die een zorgaanbieder neemt onvoldoende of onevenredig zijn om verspreiding van het virus naar of vanaf een zorglocatie te voorkomen, bij ministeriële regeling beperkingen of andere voorwaarden kunnen worden gesteld aan het toelaten van personen.36

GroenLinks – 34 en 35

Wat wordt hier bedoeld met maatregelen die onevenredig zijn?

De leden lezen dit zo dat dit ziet op proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen, is dat correct?

De leden van de fractie van GroenLinks lezen terecht dat artikel 58o, vierde lid, ziet op de proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen die een zorgaanbieder treft. Artikel 58o maakt het mogelijk voor zorgaanbieders om maatregelen te treffen die verspreiding van het virus naar dan wel vanuit een zorglocatie zoveel mogelijk voorkomen. In het voorjaar hebben we gezien dat met de stijging van de besmettingsgraad in de omgeving ook grotere uitbraken ontstonden in de verpleeghuizen. Hard ingrijpen was toen nodig. Als we met de kennis van nu terugkijken naar deze periode, hebben we in het voorjaar wellicht te snel generieke maatregelen getroffen. Dat moeten we nu voorkomen. Het moet wel mogelijk zijn om bezoek te beperken, maar dat moet op een zo goed mogelijke manier gebeuren. Dat wil zeggen dat het moet gaat om adequate maatregelen om de bewoners en het personeel te beschermen en dat de maatregelen niet beperkender mogen zijn dan nodig. Ook moeten de maatregelen in samenspraak met cliënten of hun vertegenwoordigers tot stand komen. Om te voorkomen dat instellingen aan de veilige kant gaan zitten, en toch te snel tot te beperkende maatregelen overgaan, is het mogelijk om alsnog bij ministeriële regeling in te grijpen. De verwachting is dat het niet snel nodig zal zijn om bij zo’n regeling in te grijpen. Inmiddels hebben we meer kennis over het virus en zijn zorginstellingen beter voorbereid op een tweede golf. Met name in de verpleeghuissector leeft breed het uitgangspunt dat er geen landelijk verbod meer moet komen. Lokaal maatwerk is het uitgangspunt. Er is daarom ook een handreiking gemaakt door tal van veldpartijen in de verpleeghuiszorg. In die handreiking ligt de focus op de bredere context van sociale contacten. De doelstelling van de nieuwe handreiking is om handvatten te bieden voor zorgorganisaties bij het opstellen van een plan voor bezoek en sociale contacten in het verpleeghuis ten tijde van corona. De handreiking is bedoeld als hulpmiddel voor maatwerk op elke zorglocatie, waarbij een goede balans tussen veiligheid en welbevinden op basis van professioneel inzicht het uitgangspunt is.

Als dit juist is, lijkt het de bedoeling dat de Minister niet alleen kan ingrijpen wanneer er te weinig of te lichte maatregelen getroffen worden, maar ook wanneer er door de zorginstelling te veel of te zware maatregelen worden getroffen.

GroenLinks – 36

Betekent dat, dat de voorwaarden die de Minister kan stellen aan het toelaten van personen ook aanwijzingen kan betreffen dat (bepaalde) personen al dan niet onder voorwaarden wel moeten worden toegelaten?

Ja, in het geval een zorginstelling te veel of te zware maatregelen treft, dan kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat (categorieën van) personen toch moeten worden toegelaten. De verwachting is dat dit niet snel nodig zal zijn, immers bestuurders zullen doorgaans op grond van de handreiking van de brancheorganisaties en beroepsverenigingen die maatregelen nemen die passend zijn voor hun situatie.

GroenLinks – 37

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer zijn de eerder opgenomen vangnetbepalingen uit de wet gehaald. Kan de regering aangeven of er nog een vangnet is en hoe dat er nu uitziet?

Hoofdstuk Va bevat twee voorzieningen op grond waarvan in geval van spoedeisende omstandigheden kan worden gehandeld:

Artikel 58c, tweede lid bepaalt dat een ministeriële regeling binnen twee dagen na vaststelling wordt overgelegd aan beide Kamers van de Staten-Generaal. Een regeling kan niet eerder dan een week na die overlegging in werking treden. Artikel 58c, derde lid bevat een spoedvoorziening, op grond waarvan een vastgestelde ministeriële in afwijking van de hiervoor beschreven hoofdregel, onverwijld na overlegging daarvan aan beide Kamers van de Staten-Generaal, in werking kan treden. In beide gevallen geldt dat de ministeriële regeling van rechtswege vervalt als de Tweede Kamer binnen die week besluit niet in te stemmen met de regeling. De spoedvoorziening heeft betrekking op «een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld».

Artikel 58c is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Aanvullend geldt dat indien zich in deze openbare lichamen een omstandigheid voordoet waarin een ministeriële regeling niet zodanig tijdig tot stand kan komen als ter bestrijding van de epidemie noodzakelijk is, de Minister van VWS de gezaghebber kan opdragen een tijdelijke noodverordening vast te stellen. De noodverordening moet binnen twee weken na de opdrachtverlening worden opgevolgd door een ministeriële regeling. Deze op de openbare lichamen toegesneden spoedvoorziening is neergelegd in artikel 58ca.

GroenLinks – 38

Is het mogelijk dat maatregelen die door de regering noodzakelijk worden geacht maar die niet in deze wet zijn voorzien alsnog via een aanwijzing aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot het treffen van een noodverordening worden opgelegd, of is die route met deze wet uitgesloten?

De route van een opdracht (aanwijzing) op grond van artikel 7, eerste lid Wpg aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot het vaststellen van een noodverordening is met deze wet uitgesloten, tenzij het gaat om maatregelen ter bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en er sprake is van spoedeisendheid (artikel 58ca). Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven kan de Minister de gezaghebber opdragen tijdelijk een noodverordening vast te stellen indien zich in de openbare lichamen een omstandigheid voordoet waarin een ministeriële regeling niet zodanig tijdig tot stand kan komen als ter bestrijding van de epidemie noodzakelijk is.

Het wetsvoorstel voorzag aanvankelijk in een vergelijkbare bepaling die ook in Europees Nederland van toepassing was. Die bepaling is bij amendement geschrapt. Het is dan ook duidelijk de bedoeling van de wetgever dat dergelijke opdrachten niet meer kunnen worden gegeven, tenzij het – zoals hiervoor is aangegeven – gaat om maatregelen in de openbare lichamen.

GroenLinks – 39

Is het bijvoorbeeld denkbaar dat – net als in andere landen – een avondklok wordt ingevoerd, en zo ja, wat is daarvoor dan de wettelijke grondslag?

In het voorstel zit geen basis voor het instellen van een avondklok. Dat is als denkbare optie opgenomen in het OMT-advies van 28 september 2020. De Minister-President heeft daarover op 30 september in de Tweede Kamer gezegd dat daaraan haken en ogen zitten, ook juridisch en maatschappelijk, maar dat we nu niet de luxe hebben een avondklok als mogelijkheid af te voeren.37 Zou een avondklok concreter aan de orde komen, dan moet daarvoor hetzij een afzonderlijke basis in een wet in formele zin worden voorgesteld, hetzij toepassing worden overwogen van het staatsnoodrecht, in casu artikel 8 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Wbbbg). Dat artikel maakt het mogelijk dat de Minister van Justitie en Veiligheid en de commissaris van de Koning het vertoeven in de open lucht beperken. Dat kan overigens via de zogenoemde separate toepassing, dus zonder dat er een noodtoestand wordt afgekondigd.

GroenLinks – 40

Is het denkbaar dat voor niet in deze wet voorziene maatregelen gebruik gemaakt gaat worden van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden? Zo ja, wanneer is dat aan de orde?

De Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Cwu) ziet op het afkondigen van een beperkte dan wel een algemene noodtoestand. Juridisch sluit het wetsvoorstel aanwending van de Cwu niet uit, en de inzet is dan ook niet geheel ondenkbaar voor niet in de wet voorziene maatregelen. Het inzetten van noodbevoegdheden komt in beeld bij de constatering dat reguliere bevoegdheden ontoereikend zijn om de crisis te beheersen. Er zijn evenwel veel redenen om niet over te gaan tot het afkondigen van een noodtoestand. Het is een zeer vergaande maatregel, die sinds de totstandkoming van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden nog niet is ingezet. Maar er gelden ook meer pragmatische overwegingen, zoals het feit (zie ook § 10.4.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting), dat activering van het staatsnoodrecht het met dit wetsvoorstel beoogde maatwerk niet binnen bereik brengt. Overigens is het ook mogelijk op onderdelen gebruik te maken van het staatsnoodrecht zonder het afkondigen van een noodtoestand, zoals genoemd aan het slot van het antwoord op vraag GroenLinks-39.

Ministeriele regelingen die op basis van deze wet worden gemaakt worden pas van kracht na bekrachtiging door de Tweede Kamer.

GroenLinks – 41

Blijven de noodverordeningen van de veiligheidsregio’s van kracht totdat de daarin ogenomen maatregelen worden vervangen door een ministeriele regeling, of bestaat er een risico dat er een vacuüm ontstaat tussen de inwerkingtreding van de wet, het vervallen van de noodverordeningen en het in kracht gaan van de ministeriele regelingen?

Er bestaat geen risico op een vacuüm, omdat de regering de wet pas – bij koninklijk besluit – in werking zal laten treden wanneer ook de noodzakelijke ministeriële regelingen gereed zijn voor inwerkingtreding. De noodverordeningen worden ingetrokken gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze wet en de ministeriële regelingen.

GroenLinks – 42

Kan de regering een tijdpad maken met daarin de verwachte data voor de inwerkingtreding van de wet, het aanbieden van de ministeriële regelingen aan de Tweede Kamer en aan de Eerste Kamer, de bekrachtiging van de maatregelen door de Tweede Kamer en het vervallen van de noodverordeningen?

Gelet op de voorgeschreven parlementaire betrokkenheid zullen de ministeriële regelingen vóór inwerkingtreding van de wet aan de beide Kamers worden voorgelegd. Het streven is erop gericht de eerste regelingen medio november aan de Kamers voor te leggen, gericht op inwerkingtreding per uiterlijk 1 december 2020.

In zijn advies heeft de Raad van State zich afgevraagd of het in de wet verankerde stelsel voldoende eenvoudig en begrijpelijk was om een effectieve handhaving te waarborgen.38

GroenLinks – 43

Kan de regering aangeven of dit – ook of misschien zelfs juist – na de ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel sedert de indiening ervan het geval is en hoe hierover gedacht wordt door de voorzitters van de veiligheidsregio’s, burgemeesters en gezaghebbers?

De regering onderschrijft het belang van zo eenvoudig mogelijke regelgeving en uitvoering. Het is van belang te beseffen dat elke uitzondering die de wetgever maakt, de handhaver voor een nieuwe uitdaging kan stellen. «Houd het simpel» is echter niet de enige randvoorwaarde waaraan het wetsvoorstel moet voldoen. Zo hechten de regering, leden van diverse fracties in deze Kamer en in de Tweede Kamer en adviserende en betrokken organisaties ook aan andere uitgangspunten, nog afgezien van grondwettelijke en verdragsrechtelijke kaders. Uitgangspunten van het voorstel zijn ook: proportionaliteit en subsidiariteit, het decentrale karakter van de eenheidsstaat en de wens terug te keren naar normale bestuurlijke verhoudingen. De regering streeft ernaar tussen al die uitgangspunten, waaronder dat van eenvoud, en belangen een balans te vinden. Zo zijn bij het formuleren van de regels allerlei afwegingen gemaakt om naast de volksgezondheid ook aan andere belangen recht te doen. Er zijn dus ook uitzonderingen gemaakt die niet zozeer door het volksgezondheidsperspectief zijn ingegeven als wel door andere zwaarwegende maatschappelijke of individuele belangen. Zo is bijvoorbeeld een uitzondering op de veiligeafstandsnorm gemaakt die buiten woningen geldt, voor personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn. Als deze uitzondering zo was ingevuld dat de basisregistratie personen doorslaggevend was om dat te beoordelen, had dat de eenvoud zeker bevorderd. Dit zou echter geen recht doen aan studenten (bijvoorbeeld voor studenten die deels uit- en deels thuiswonend zijn), pleegkinderen, co-ouderschap, samengestelde, meerouder- en regenbooggezinnen en senioren die door een van de volwassen kinderen tijdelijk in huis zijn genomen. Daarom is die uitzondering anders ingevuld. Dit gaat ten koste van de eenvoud, maar sluit beter aan bij de maatschappelijke realiteit waarin mensen hun feitelijk woonverblijf op verschillende manieren vormgeven. Wij denken dat het wetsvoorstel al met al op veel punten een heldere catalogus geeft die weliswaar het volksgezondheidsperspectief als groot belang goed neerzet, maar toch ook in een aantal moeilijke en soms schrijnende situaties dingen mogelijk maakt. Het Veiligheidsberaad, de VNG en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters hebben, samen met de Wethoudersvereniging, nog op 2 oktober 2020 gezamenlijk inbreng geleverd bij de Tweede Kamer.39 Hierin wordt het belang benadrukt vooraf af te stemmen over de handhaving en uitvoering van maatregelen die worden vastgelegd in een ministeriële regeling. Dat belang onderschrijven wij en bij de voorbereiding van de eerste ministeriële regeling vindt die afstemming nu ook plaats. Recent contact met Caribisch Nederland betreft met name de waarde die de overheid daar hecht aan een vangnetmogelijkheid van de noodverordening van de gezaghebber, gegeven de specifieke omstandigheden in die openbare lichamen. Hieraan is via de tweede nota van wijziging gevolg gegeven in artikel 58ca.

GroenLinks – 44

Kan de regering een aangepaste versie verschaffen van het overzicht van algemene gedragsnormen, overige regels en differentiatie, zoals dat was opgenomen in de memorie van toelichting?40

Het geactualiseerde overzicht is hieronder opgenomen.

 

Gedragsnormen en mogelijkheden voor differentiatie en lokaal maatwerk

Veilige afstand

Artikel 58f

Veilige afstand

– Veiligeafstandsnorm in de wet: degene die zich buiten de woning ophoudt, houdt een veilige afstand tot anderen aan.

– Een aantal categorieën personen waarvan nu al wordt voorzien dat zij zich niet op veilige afstand van een ander kunnen of hoeven op te houden, wordt in het wetsvoorstel van deze verplichting uitgezonderd.

– De veilige afstand geldt ingevolge de wet niet:

a. tussen personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn;

b. voor een opsporingsambtenaar, toezichthouder, beveiligingsmede-werker, zorgverlener, mantelzorger of geestelijke bedienaar of persoon die werkzaam is bij een justitiële inrichting, bij de politie, de brandweer, de krijgsmacht of in de kinderopvang of die eerste hulp biedt bij een het leven of de gezondheid bedreigende situatie, voor zover deze zijn taak niet op gepaste wijze kan uitoefenen met inachtneming van de veilige afstand;

c. voor degene jegens wie een onder b genoemde persoon zijn taak uitoefent;

d. tussen een persoon met een handicap of persoon tot en met de leeftijd van twaalf jaar en diens begeleider, voor zover die persoon zich niet met inachtneming van de veilige afstand jegens zijn begeleider buiten een woning kan ophouden.

– In aanvulling daarop kunnen bij ministeriële regeling uitzonderingen worden bepaald (vierde en vijfde lid).

Groepsbeheersing

Artikelen 58g, 58h en 58i

Groepsvorming (artikel 58g)

– De wet bepaalt dat bij ministeriële regeling plaatsen kunnen worden aangewezen waar groepsvorming niet is toegestaan.

– De wet regelt een aantal uitzonderingen hierop. Dit betreft:

a. de personen, bedoeld in artikel 58f, derde lid, onder a en d, voor zover zij zich onderling ophouden;

b. een persoon als bedoeld in artikel 58f, derde lid, onder b en c;

c. een persoon die in gemeenschap met anderen zijn godsdienst of levensovertuiging belijdt;

d. een vergadering of betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

e. een verkiezing als bedoeld in de Kieswet;

f. een vergadering van de Staten-Generaal of van een commissie daaruit;

g. een vergadering van de gemeenteraad, provinciale staten en het algemeen bestuur van een waterschap, of van een door deze organen ingestelde commissie;

h. een bijeenkomst van een internationale organisatie, die gevestigd is op het grondgebied van het Koninkrijk, of van een verdragspartij van een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is;

i. een bijeenkomst die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een rechter of een officier van justitie in de uitoefening van zijn ambt of die dient ter behandeling van een bezwaar of administratief beroep.

Niet openstellen of voorwaarden voor openstelling van publieke plaatsen (artikel 58h)

– Bij ministeriële regeling kunnen publieke plaatsen worden aangewezen die niet mogen worden opgesteld voor publiek of waarvoor voorwaarden gelden (zoals een maximumaantal aanwezige bezoekers).

– De wet bepaalt voor welke plaatsen openstelling niet mag worden verboden. Dit betreft:

a. een stemlokaal;

b. een plaats die is bestemd voor een vergadering van de Staten-Generaal of van een commissie daaruit;

c. een plaats die is bestemd voor een vergadering van de gemeenteraad, provinciale staten en het algemeen bestuur van een waterschap, of van een door deze organen ingestelde commissie;

d. een gerechtsgebouw.

Evenementen (artikel 58i)

Bij ministeriële regeling kunnen evenementen worden aangewezen waarvoor voorwaarden gelden, zoals een maximumaantal aanwezige bezoekers, of die niet geopend mogen zijn voor publiek.

Overige regels

Artikel 58j

Overige regels

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

– hygiënemaatregelen (zoals kuchschermen) en persoonlijke beschermingsmiddelen (zoals mondkapjes), buiten de woning;

– contactberoepen, publieke voorzieningen en betaalde verblijfsplaatsen, ook als dit in een ruimte behorend tot de woning plaatsvindt;

– het gebruik of voor consumptie beschikbaar houden van alcohol in de openbare ruimte.

Op grond van de artikelen 58h en 58i kunnen al bij ministeriële regeling voorwaarden worden verbonden aan de openstelling van een publieke plaats of de organisatie van een evenement, waaronder ook de voorwaarde dat het verstrekken of nuttigen van alcoholhoudende drank beperkt of verboden wordt.

Differentiatie en lokaal maatwerk

Artikel 58e

Differentiatie en lokaal maatwerk

– De wet regelt expliciet dat in ministeriële regelingen in ieder geval onderscheid kan worden gemaakt tussen openbare, publieke en besloten plaatsen, tussen en binnen gemeenten, tussen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tussen activiteiten, of op basis van leeftijd (zoals kinderen tot en met 12 jaar die buiten mogen sporten of bewegen en andere leeftijdscategorieën).

– De wet regelt dat de burgemeester in bijzondere gevallen ontheffing kan verlenen van bepaalde normen, zoals van de regels over groepsbeheersing, indien het belang van de bestrijding zich daartegen niet verzet. Hij moet zich laten adviseren door de GGD.

– In de ministeriële regeling kan worden bepaald dat de burgemeester de plaatsen kan aanwijzen waar de gestelde regels van toepassing zijn. Daaraan kunnen voorwaarden worden verbonden (zoals een beperking de tijd).

GroenLinks – 45

Wat gaat de regering doen om de kenbaarheid te vergroten, meer in het bijzonder onder mensen die minder toegang hebben tot het nieuws, zoals laaggeletterden, anderstaligen, maar ook mensen die niet naar de persconferenties of het journaal kijken en geen kranten of nieuwswebsites lezen?

De regering gaat de uitleg over de wet onderdeel maken van de brede communicatie-aanpak van covid-19. Dat betekent dat informatie over het doel en de vormgeving van de wet en wat mensen daarvan zullen merken opgenomen wordt in de huidige aanpak. De huidige aanpak voorziet in doelgroepgerichte producten, waaronder voor laaggeletterden en anderstaligen, die ook via door die doelgroepen veel gebruikte kanalen worden verspreid.

In de Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer schrijft de regering op 30 september 2020 dat er een communicatie-aanpak wordt ontwikkeld.41

GroenLinks – 46

De leden van de GroenLinksfractie vinden dit rijkelijk laat. Is deze communicatie-strategie inmiddels ontwikkeld? Hoe ziet deze er uit?

Voor de informatievoorziening aan en communicatie met de Nederlandse bevolking over de dreiging van covid-19, de maatregelen die mensen zelf kunnen treffen en de maatregelen die de overheid treft is de afgelopen maanden een uitgebreide communicatie-aanpak gebruikt, met onder andere persconferenties en allerlei informatieproducten voor verschillende doelgroepen die via een veelheid aan communicatiekanalen zijn verspreid. Het doel van het kabinet is om de juiste informatie vindbaar te maken op de plekken waar mensen die informatie zoeken. Dat is een continue uitdaging om tegemoet te komen aan de vragen en onduidelijkheden van de Nederlandse samenleving.

De komende periode zal ook informatie over de tijdelijke wet en de maatregelen die daaruit volgen worden opgenomen in deze aanpak. De VNG draagt daar ook aan bij. De komende periode zullen we uitleggen waarvoor de wet is gemaakt, wat de wet regelt en wat mensen daarvan gaan merken. De onderwerpen die in de debatten van de regering met de Tweede en Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen, zullen daar een belangrijk onderdeel van vormen.

De leden van de GroenLinksfractie hebben ook nog een aantal vragen die zien op de appreciatie van het wetsvoorstel vanuit de samenleving. De leden hebben inmiddels honderden e-mails ontvangen van burgers die hen oproepen tegen de wet te stemmen. Velen uiten hun zorgen over de proportionaliteit van de wet en zijn van mening dat er een verkeerde afweging wordt gemaakt tussen het voorkomen van gezondheidsschade door Covid-19 en andere schadelijke effecten, zoals economische effecten, sociale effecten (met name voor jongeren en ouderen) en gezondheidseffecten anders dan door covid-19. Ook wordt door veel burgers gesteld dat de wet ondemocratisch is. Sommigen betwijfelen de ernst van de epidemie of ontkennen zelfs het bestaan van het coronavirus. Een kleine, maar niet te veronachtzamen groep vermoedt een complot van de overheid of de elite. De leden nemen aan dat de regering ook vele van deze e-mails ontvangt. Verwacht moet worden dat het corona-virus nog wel enige tijd onder ons zal zijn, en dat we dus geruime tijd te maken zullen hebben met meer of minder ingrijpende maatregelen. Dit brengt angst en onzekerheid met zich mee. Wij hebben allemaal behoefte aan houvast, aan perspectief. De leden vinden het van belang dat de overheid dat perspectief biedt en de zorgen die bij burgers leven over de aanpak van de coronacrisis in het algemeen en de onderhavige wet in het bijzonder serieus neemt.

GroenLinks – 47

Is de regering die met voornoemde leden eens?

De regering is het ermee eens dat we moeten blijven zoeken naar manieren om ook die mensen voldoende houvast, perspectief en vertrouwen te kunnen bieden, al is dat vaak niet eenvoudig. De regering zal zich de komende periode extra inzetten om te proberen dit te bereiken.

GroenLinks – 48

Wat gebeurt er vanuit de landelijke of lokale overheden om met burgers in gesprek te gaan over hun zorgen en onzekerheden en hun vragen te beantwoorden?

De overheden zijn allemaal actief op veel plaatsen en communicatiekanalen om te proberen gerichte informatie die tegemoetkomt aan de zorgen en onduidelijkheden van mensen, op de juiste plaatsen aan te bieden.

Groen Links – 49 en 50

Wordt gebruik gemaakt van de goede ervaringen die op andere beleidsterreinen zijn opgedaan met het in gesprek gaan met burgers over onderwerpen die discussie of weerstand oproepen, zoals de komst van asielzoekerscentra of de plaatsing van windmolens?

Maakt dit onderdeel uit van de communicatiestrategie?

Voor de communicatie-aanpak zetten overheden een grote groep communicatie-adviseurs en -experts in, met allerlei achtergronden en ervaringen, waaronder ervaring met onderwerpen waartegen veel weerstand bestaat in de samenleving. Ook de gedragsunit van het RIVM draagt bij aan de communicatie-aanpak.

De leden van de GroenLinks fractie maken zich er zorgen over dat sommige van de burgers door wie zij worden aangeschreven zich baseren op dubieuze bronnen en niet wetenschappelijke informatie en zelfs complotten vermoeden.

GroenLinks – 51

Deelt de regering deze zorgen?

Ja, de regering deelt deze zorgen.

GroenLinks – 52

Wat gaat de regering doen om desinformatie of eenzijdige informatie, inclusief de «fabeltjesfuik»42, waarop een deel van de zorgen van deze burgers is gebaseerd tegen te gaan?

Het adresseren van desinformatie is primair een taak van journalistiek en wetenschap, al dan niet in samenwerking met internetdiensten. De vrijheid van meningsuiting staat daarbij ten alle tijden voorop. Daarnaast heeft ook het kabinet een rol in de aanpak van desinformatie. Deze aanpak loopt langs de actielijnen preventie, informatiepositie verstevigen en reactie zoals ook geschetst in de Kamerbrief van 18 oktober 2019 en de Kamerbrief van 20 mei 2020 over dit onderwerp.43 De maatschappelijke stabiliteit en bescherming van de volksgezondheid vragen ten aanzien van het virus om actieve overheidsinformatie waarin burgers betrouwbare informatie tot zich kunnen nemen over de context en maatregelen rond de bestrijding van covid-19. Dat vraagt in sommige gevallen ook om het actief tegenspreken van misleidende informatie. In het antwoord op vraag CU-9 wordt ook ingegaan op de rol van het kabinet bij het tegen gaan van desinformatie.

GroenLinks – 53

Waarom is er op de overheidswebsites nauwelijks informatie te vinden over de wetenschappelijke consensus over het virus en de bestrijding ervan en waarom zijn de antwoorden op de vragen die de verontruste burgers aan ons stellen niet op een eenvoudig toegankelijke manier op overheidswebsites te vinden?

De wetenschappelijke consensus is helaas niet een eenvoudig statement of document dat gecommuniceerd kan worden, maar een genuanceerde en zich continu ontwikkelende interpretatie van allerlei wetenschappelijke ontwikkelingen en inzichten die vervolgens moeten worden vertaald naar praktische adviezen en handreikingen. Het RIVM houdt de informatie op de RIVM-website zo actueel mogelijk. De website van de rijksoverheid verwijst ook naar die informatie.

GroenLinks – 54

Is of wordt dit alles ook meegenomen in de communicatiestrategie?

Een goede communicatie over wetenschappelijke inzichten en de interpretatie daarvan voor de Nederlandse situatie is inderdaad onderdeel van de communicatie-strategie.

Tot slot een vraag over de evaluatie. De wet zelf voorziet hier niet in en in de memorie van toelichting wordt alleen in reactie op opmerkingen van de NVvR en de VNG/NGB het belang van een evaluatie onderschreven.44 De vragen die in de Tweede Kamer zijn gesteld over evaluatie van de wet zijn zeer beknopt en vrij ontwijkend beantwoordt; het enige dat is gemeld is dat niet te verwachten is dat de evaluatie nog dit jaar zal plaatsvinden.45

GroenLinks – 55 en 56

De leden van de GroenLinks-fractie vernemen graag wanneer de regering voornemens is de wet te evalueren, hoe en door wie zij deze evaluatie zal laten uitvoeren en welke onderwerpen hierin zullen worden betrokken.

Naar het oordeel van de leden van de GroenLinks-fractie is het van belang niet alleen de huidige wet te evalueren, maar breder te kijken naar het bestaande staatsnoodrecht. De regering schrijft in de memorie van toelichting immers «een gedifferentieerd stelsel van op- en afschaling waarbij regels snel en flexibel kunnen worden toegesneden op hetgeen de situatie op dat moment vereist, zoals in dit wetsvoorstel wordt voorzien, is niet mogelijk op het bestaande staatsnoodrecht».46 In antwoord op vragen van het CDA heeft de regering in de Nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer gemeld dat er een nadere beoordeling zal plaatsvinden van een (mogelijk permanenter) wettelijk kader waarbij ook de uitkomsten van een beleidsevaluatie naar de aanpak van de crisis door de Onderzoeksraad voor Veiligheid zullen worden betrokken.

Wanneer en op welke wijze gaat de regering die nadere beoordeling uitvoeren?

Het onderhavige wetsvoorstel zal worden geëvalueerd. De herziening van het staatsnoodrecht zal bij die beoordeling worden betrokken. De regering is daartoe inmiddels ook opgeroepen door de op 13 oktober jl. door de Tweede Kamer aangenomen motie-Van Dam cs.47. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) voert, zoals aangegeven in de brief van 15 juni 2020 van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer48, op verzoek van het kabinet een beleidsevaluatie naar de aanpak van de crisis. Deze zal gericht zijn op het evalueren van het beleid van de crisisaanpak van de rijksoverheid en andere partijen met als belangrijkste doelen om terug te blikken, te verantwoorden en om de samenleving op mogelijke toekomstige pandemieën voor te bereiden.

Op basis van de uitkomsten van deze evaluaties kan worden bezien of aanpassing van wetgeving nodig is. De oplevering van die evaluaties is onder andere afhankelijk van het verloop van de uitbraak van covid-19. Op dit moment kan de regering daardoor niet concreter zijn over de planning.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

Voor de zomer heeft de regering een wetsvoorstel in consultatie gegeven dat naar inhoud op tal van punten onvoldragen was en dat tot grote commotie heeft geleid. Niet alleen de Raad van State, maar ook allerlei rechtsgeleerden hebben op tekortkomingen in dat eerste wetsvoorstel gewezen. Ook het publiek had ernstige kritiek. De leden van de D66-fractie constateren dat de regering daarna een aangepaste versie van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer heeft ingediend, dat door de Tweede Kamer via amendering sterk is verbeterd. Tegelijkertijd constateren zij dat veel van de recente kritische reacties uit de bevolking nog steeds gebaseerd zijn op de oorspronkelijk in consultatie gegeven versie en op angst die het oorspronkelijke voorstel heeft veroorzaakt.

D66 – 1

Deze leden betreuren deze gang van zaken, die niet goed is voor het draagvlak van het voorliggende wetsvoorstel en vragen de regering te reflecteren op wat zij, terugkijkend op het wetgevingsproces, beter had kunnen doen.

De regering heeft tegen de achtergrond van de discussie over de juridische houdbaarheid van maatregelen die via noodverordening worden genomen, voortvarendheid betracht bij de totstandbrenging van dit wetsvoorstel, evenwel zonder daarbij de zorgvuldigheid uit het oog te verliezen. Wij hebben in dat licht gekozen voor een korte en gerichte consultatie, in plaats van een openbare internetconsultatie. De uitkomsten van de consultatie zijn eveneens op korte termijn verwerkt, waarbij waar nodig nader overleg is gevoerd met partijen die inbreng hebben geleverd. Dit resulteerde erin dat op 28 mei jl. een consultatieversie kon worden uitgebracht en dat er op 17 juni jl. een wetsvoorstel voor advisering aan de Raad van State kon worden aangeboden.

Bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is op dit proces gereflecteerd. Van de zijde van de regering is aangegeven dat wij meer tijd hadden moeten nemen voor de consultatiefase. Daarbij hadden wij bovendien beter kunnen kiezen voor een openbare internetconsultatie en meertijd moeten nemen voor het maatschappelijk debat rondom dit wetsvoorstel. Door dat niet te doen is veel discussie ontstaan. De regering erkent dat deze gang van zaken niet goed is geweest voor het draagvlak.

D66 – 2

Hoe gaat de regering het verkeerde beeld dat in delen van de samenleving bestaat, corrigeren? Komt de regering met een uitgewerkt communicatieplan?

In de Tweede Kamer heeft de Minister van VWS al beaamd dat het kabinet onvoldoende heeft geïnvesteerd in de communicatie met de samenleving over de totstandkoming van de coronawet. Dat betekent een extra communicatie-uitdaging voor het kabinet in deze fase waarin wij met het parlement debatteren over de wettelijke vormgeving van de coronamaatregelen. Die uitdaging gaan wij graag aan.

Voor de informatievoorziening aan en communicatie met de Nederlandse bevolking over de dreiging van covid-19, de maatregelen die mensen zelf kunnen treffen en de maatregelen die de overheid treft is de afgelopen maanden een uitgebreide communicatie-aanpak gebruikt, met onder andere persconferenties en allerlei informatieproducten voor verschillende doelgroepen die via een veelheid aan communicatiekanalen zijn verspreid. Het doel van het kabinet is om de juiste informatie vindbaar te maken op de plekken waar mensen die informatie zoeken. Dat is een continue uitdaging om tegemoet te komen aan de vragen en onduidelijkheden van de Nederlandse samenleving.

De komende periode zal ook informatie over de tijdelijke wet en de maatregelen die daaruit volgen worden opgenomen in deze aanpak. De VNG draagt daar ook aan bij. De komende periode zullen we uitleggen waarvoor de wet is gemaakt, wat de wet regelt en wat mensen daarvan gaan merken. De onderwerpen die in de debatten van de regering met de Tweede en Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen, zullen daar een belangrijk onderdeel van vormen.

D66 – 3

De meeste artikelen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen, worden via een nieuw hoofdstuk VA geïncorporeerd in de Wpg. Wat waren de overwegingen, zo vragen de leden van de D66-fractie, om niet een zelfstandige tijdelijke wet maatregelen covid-19 te maken, maar de bulk van de bepalingen in de Wpg in te voegen?

De regering acht het wenselijk het tijdelijke hoofdstuk Va onder te brengen in de Wpg, vanwege het primaire doel van het tijdelijke hoofdstuk en de samenhang met de overige bepalingen van de Wpg. Hoofdstuk Va dient ter bestrijding van de epidemie van een infectieziekte (covid-19) behorend tot groep A als bedoeld in de Wpg. Met het aanmerken van het virus als behorend tot groep A zijn reeds andere bepalingen van de Wpg van toepassing op de bestrijding ervan, bijvoorbeeld bepalingen over de verantwoordelijkheden van het RIVM bij de bestrijding van infectieziekten (artikel 6c, eerste lid) en de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor de leiding van de bestrijding (artikel 7, eerste lid). Door onderbrenging van de tijdelijke bepalingen in de Wpg blijft de samenhang tussen de maatregelen voor de infectieziektebestrijding en de daarmee gepaard gaande verplichtingen en bevoegdheden gewaarborgd.

Het amendement-Buitenweg c.s.49 versterkt de parlementaire controle van vastgestelde ministeriële regelingen in artikel 58c, tweede en derde lid, van het wetsvoorstel, constateren de leden van de D66-fractie. Krachtens dit amendement moet de regering de ministeriële regeling binnen twee dagen na vaststelling aan de Tweede en Eerste Kamer overleggen. De regeling treedt niet in werking dan een week na die overlegging: «Indien binnen die termijn de Tweede Kamer besluit niet in te stemmen met de regeling, vervalt deze van rechtswege.» Eenzelfde constructie is in het derde lid van artikel 58c opgenomen voor een vastgestelde ministeriële regeling die vanwege een zeer dringende omstandigheid waarin ter beperking van gevaar direct moet worden gehandeld, onverwijld in werking is getreden. Ook hier heeft de Tweede Kamer het recht de regeling af te wijzen binnen een week na toezending, waardoor het van rechtswege vervalt. De leden van de D66-fractie constateren dat de Eerste Kamer niet dezelfde beslissingsbevoegdheid binnen de gestelde termijn van een week heeft gekregen, terwijl het hier gaat om inperking van grondrechten. Bij de behandeling van het amendement heeft de regering bij monde van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), zich niet tegen het amendement verzet. Daarnaast heeft hij een amendement50 van de SP-fractieleden ter zake ontraden, dat hetzelfde recht eveneens aan de Eerste Kamer toekende.

D66 – 4

De D66-fractieleden vragen de regering waarom zij zich niet sterk heeft gemaakt om de leden van de Eerste Kamer in de wettekst van art 58c gelijk te trekken met die van de Tweede Kamer.

In de Tweede Kamer heeft de Minister van VWS in reactie op het door deze leden aan het slot van hun vraag genoemde subamendement-Hijink uiteengezet dat het politiek primaat bij de Tweede Kamer ligt. Om die reden is aanvaarding van dit subamendement, dat beoogde ook aan de Eerste Kamer deze bevoegdheid toe te kennen, ontraden. Wij constateren dat het subamendement met een ruime meerderheid (101 stemmen tegen, 49 voor) door de Tweede Kamer is verworpen.

Ter nadere toelichting op hetgeen hierover van regeringswege in de Tweede Kamer is gezegd merken wij het volgende op. Wij erkennen dat de Eerste Kamer net als de Tweede Kamer een politiek orgaan is. Dit betekent echter niet dat aan beide Kamers als vanzelfsprekend in alle gevallen steeds dezelfde bevoegdheden moeten toekomen. Uit de Grondwet blijkt dit onder andere doordat uitsluitend aan de Tweede Kamer het recht van amendement en het recht van initiatief is toegekend. In de door de Afdeling advisering van de Raad van State op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer gegeven voorlichting (zie hierover nader het antwoord op vraag D66–5) is ook gewezen op deze grondwettelijke verschillen, waardoor, zoals de Afdeling advisering het omschrijft, «aan de Tweede Kamer in zoverre meer gewicht toekomt».51 Bij de grondwetsherziening van 1983 zijn daarnaast als bepalende factoren voor het primaat van de Tweede Kamer genoemd de verschillende wijze van verkiezing van de twee kamers (bij de Tweede Kamer rechtstreeks, bij de Eerste Kamer via provinciale staten) en het feit dat wetsvoorstellen eerst door de Tweede Kamer moeten worden behandeld en aangenomen.52 Bij de grondwetsherziening van 1983 sprak de regering destijds over «de grotere betekenis van de Tweede Kamer».53 Daarbij is tevens een factor dat de Eerste Kamer – in de woorden van de staatscommissie parlementair stelsel in haar eindrapport – fungeert als «deeltijdparlement». De staatscommissie heeft er in haar eindrapport op gewezen dat om de meerwaarde van de Eerste Kamer tot haar recht te laten komen, «enige distantie (is) vereist ten opzichte van de regering en het dagelijkse politieke krachtenspel in de Tweede Kamer».54

D66 – 5

Op dit punt heeft de Eerste Kamer voorlichting gevraagd aan de afdeling Advisering van de Raad van State. Gesteld dat de Raad in zijn advisering kritiek uit op het feit dat de Eerste Kamer op achterstand is gezet, zoals hierboven weergegeven, op welke manieren gaat de regering dit dan redresseren?

Wij hebben kennisgenomen van de op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer uitgebrachte voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State, die door de Eerste Kamer op diezelfde dag openbaar is gemaakt. De strekking van de voorlichting is niet dat de Eerste Kamer op achterstand is gezet. De Afdeling acht het daarentegen, in het licht van de in antwoord D66–4 beschreven positie van de Eerste Kamer en mede gelet op de bij het vaststellen van ministeriële regelingen te betrachten snelheid in de bijzondere omstandigheden die bij de bestrijding van het virus aan de orde zijn, verdedigbaar dat de bevoegdheid om met een ministeriële regeling in te stemmen alleen aan de Tweede Kamer wordt toegekend. Daarbij wijst de Afdeling erop dat dit niet betekent dat aan de Eerste Kamer in dit verband geen betekenis toekomt. Wij verwijzen deze leden op dit punt kortheidshalve naar het antwoord op de vragen GL-9 en GL-10.

Artikel 58b, tweede lid, van het wetsvoorstel stelt dat de bevoegdheden uit de wet alleen kunnen worden toegepast als ze gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk zijn (a), als ze in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat (b) en als de bestrijding van de (directe dreiging van de) epidemie de uitoefening van grondrechten zo min mogelijk beperkt en aan dat doel evenredig is (c).

Over de bepaling onder c hebben de leden van de D66-fractie de volgende vragen. Volgens artikel 22, eerste lid, van de Grondwet treft de regering «maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid». Dit sociale grondrecht is ook verankerd in internationale verdragen, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsmede de bepalingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Het recht op gezondheidszorg is een fundamenteel onderdeel van onze mensenrechten en wordt toegespitst op het recht om aanspraak te kunnen maken op de hoogst bereikbare standaard van fysieke en geestelijke gezondheidszorg. Dit grondrecht legt de overheid de verplichting op te zorgen voor een zorgsysteem waar iedereen gelijke kansen heeft op het hoogst bereikbare niveau van gezondheid. Dit strekt zich uit tot een publieke gezondheidszorg die in voldoende mate beschikbaar moet zijn bijvoorbeeld qua zorgfaciliteiten, medicijnen en zorgverlening. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de alarmerende berichten uit de ziekenhuizen dat door de toename van de coronapatiënten, de reguliere gezondheidszorg ernstig moet worden afgeschaald. Operaties en behandelingen worden afgezegd en uitgesteld.

D66 – 6

Welke maatregelen gaat de regering treffen om de boven beschreven verdringing tegen te gaan?

Hierover heeft de Minister van VWS de Tweede Kamer recent geïnformeerd.

De leden van de fractie van D66 constateren dat in de zomer de roep om maatwerk bij het bestrijden van coronabesmettingen groot was, maar dat in tijden dat de besmettingen oplopen, er op harder en uniformer ingrijpen wordt aangedrongen. In dit verband wordt vaak gesproken over voorspelbaarheid van maatregelen bij een bepaald niveau van besmetting. In Ierland geldt dat bijvoorbeeld bij het aantal mensen dat je thuis mag ontvangen. Dit aantal varieert naar gelang de besmettingsgraad in het gebied.

D66 – 7 en 8

Hoe ziet de regering in dit verband de verhouding tussen landelijk geldende maatregelen en regionale? Wanneer kiest de regering in ministeriele regelingen voor het een of het ander?

Voor het beoordelen van de aangewezen maatregelen wordt gewerkt met een routekaart. Dit houdt in dat veiligheidsregio’s worden ingedeeld in één van de risiconiveaus waakzaam, zorgelijk, ernstig en zeer ernstig, waarbij verschillende landelijke en regionale maatregelen passen. Bij het beoordelen van het risiconiveau en de aangewezen maatregelen (regionaal of landelijk) zijn onder andere de GGD, het RIVM, veiligheidsregio’s, gemeenten en de Ministers van VWS, JenV en BZK betrokken. Voor een nadere toelichting op de systematiek en de werking van de routekaart verwijzen wij naar de Stand van zaken brief COVID-19 van 14 oktober 2020.55

Maatschappelijk draagvlak voor de wet en de maatregelen is van essentieel belang voor het welslagen van aangekondigde maatregelen. De leden van de fractie van D66 constateren dat verschillende Europese landen verschillende maatregelen nemen op basis van grosso modo dezelfde gegevens, hetgeen vragen oproept bij de bevolking.

D66 – 9

Waarom adviseert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bijvoorbeeld in Nederland een veilige afstandsnorm van 1,5 meter, terwijl een land als Frankrijk en de WHO als minimumnorm 1 meter hanteren?

Helaas is er geen onderzoek dat bepaalt wat in elke situatie exact de beste afstand is. Het doel van de veilige afstand is het verkleinen van het risico op overdracht van druppels met virusdeeltjes die vrij kunnen komen bij hoesten, niezen, spreken en zingen. De WHO adviseert minimaal 1 meter, maar een grotere afstand verkleint het risico beter. Landen over de hele wereld kiezen voor een veilige afstand tussen de 1 en 2 meter. Nederland heeft gekozen voor 1,5 meter.

D66 – 10

Op sommige punten neemt het RIVM en de regering de adviezen van de WHO meteen over, waarom dit advies dan niet?

Het OMT en het RIVM houden bij al hun adviezen rekening met de adviezen van de WHO en het European Center for Disease prevention and Control (ECDC). De adviezen van de WHO zijn belangrijke richtlijnen voor alle lidstaten, maar moeten toegepast worden in de nationale situatie. Adviezen van de WHO worden daarom altijd gewogen en nooit «meteen» overgenomen.

D66 – 11

Waarom is het dragen van mondkapjes in Frankrijk in de open buitenruimte verplicht, maar in Nederland niet?

De regering in Frankrijk heeft een andere afweging gemaakt dan Nederland. De Nederlandse regering schat de meerwaarde van het dragen van niet-medische mondkapjes in de open buitenruimte op de beperking van de verspreiding van het virus in als klein.

D66 – 12

Waarom beoordeelt het ene land het andere op «rood», terwijl een ander land datzelfde land op basis van dezelfde gegevens op «oranje» waardeert?

In de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 september 2020 aan de Tweede Kamer (2020D36942) is toegelicht hoe de reisadviezen in Nederland tot stand komen, ook in tijden van COVID. Veiligheid en gezondheid zijn nationale aangelegenheden, en daarmee de reisadviezen ook. Gezien het belang van de eigen gezondheidssituatie is ten tijde van deze pandemie de advisering door het RIVM van belang, zoals ook beschreven in bovengenoemde Kamerbrief. Niet alle landen gebruiken dezelfde criteria qua aantal besmettingen en ook reizigersstromen kunnen verschillen. Zo zagen we in Nederland bijvoorbeeld dat er veel mensen positief getest werden met een recente reishistorie uit Malta, terwijl andere landen hier nog geen verhoogd risico zagen. Om te komen tot meer uniformiteit, is in Europees verband afgesproken dat het ECDC cijfers verzamelt uit alle lidstaten en op een uniforme manier samenvoegt in een kleurenkaart. Nederland gebruikt de door het ECDC verzamelde cijfers al. Sinds 16 oktober is het nieuw dat ECDC ook kleurenkaarten maakt die verschillende criteria combineren. De ECDC-informatie wordt aangevuld met informatie uit de landen zelf of van de Nederlandse vertegenwoordiging in de regio.

D66 – 13

De leden van de D66-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat in de EU wordt ondernomen om gelijkluidende maatregelen te treffen en dezelfde parameters en dezelfde interpretaties daarvan te hanteren?

De Europese Commissie heeft op 4 september jl. een Raadsaanbeveling gepresenteerd over een meer gecoördineerde aanpak van de respons op de COVID-19 pandemie, die op 13 oktober jl. is aangenomen in de Raad Algemene Zaken, zoals benoemd in RAZ-verslag 15 oktober 2020 (2020D41174). De Eerste Kamer is op 9 oktober jl. geïnformeerd over de kabinetsappreciatie aangaande deze Raadsaanbeveling. Waar de volksgezondheidssituatie dit toestaat acht de regering een meer gecoördineerde aanpak van belang. De Raadsaanbeveling helpt Lidstaten hun reisadviezen beter op te bouwen en te coördineren door aan de hand van vastgestelde criteria en daarbij behorende drempelwaarden gebieden in te schalen als groen (laag), oranje (midden) en rood (hoog). Daarnaast kunnen gebieden als grijs gekwalificeerd worden wanneer er onvoldoende data beschikbaar is. Nederland zal deze informatie gebruiken bij het opstellen van de nationale reisadviezen, waardoor deze naar verwachting beter aan zullen sluiten bij de reisadviezen van andere lidstaten. Het blijft echter zo dat het lidstaten vrij staat om uiteindelijk hun eigen reisadvies op te stellen. Dit is belangrijk omdat een reisadvies van veel variabelen afhangt, zoals reisanamnese, en daardoor tussen lidstaten kan verschillen. Op de Europese Raad van 15 en 16 oktober jl. is er gesproken over een verdere coördinatie van maatregelen. Hier is onder ander gesproken over meer coördinatie ten aanzien van quarantaineduur, quarantainebeleid, wederzijds erkennen van testen en het gebruik van sneltesten.

D66 – 14

Is de regering het met hen eens dat zulks het maatschappelijk draagvlak voor te nemen maatregelen kan vergroten?

Voor het maatschappelijke draagvlak is van belang dat de maatregelen consistent en begrijpelijk zijn. In dat licht is het inderdaad behulpzaam om binnen Europa zoveel mogelijk consistent te zijn in de risico-inschattingen en maatregelen. Daarom streven we in EU-verband naar zoveel mogelijk coördinatie. De overeenstemming over een gemeenschappelijke risicoanalyse, zoals werd bereikt tijdens de Raad Algemene Zaken, ziet het kabinet dan ook als een goede stap in die richting. Daarbij moet wel altijd voldoende ruimte blijven bestaan voor maatwerk voor de Nederlandse situatie, bijvoorbeeld als veel Nederlanders die terugkeren vanuit een bepaalde bestemming besmet blijken te zijn, waardoor dit voor Nederland een groter risico oplevert dan voor andere landen.

Het amendement56 van Van Brenk in de Tweede Kamer maakt het mogelijk dat in verpleeghuizen en woonzorgcentra de toegang van ten minste een naaste altijd mogelijk moet blijven. De leden van de D66-fractie herinneren zich de zorgelijke situatie in maart en april 2020 waarbij veel besmettingen en sterfgevallen in die locaties over het hele land plaatsvonden. Toen werd er hard ingegrepen en werd er een bezoekverbod uitgevaardigd. Dit heeft voor veel verdriet, eenzaamheid en frustratie gezorgd, zowel bij bewoners, personeel als naasten. Tegelijkertijd moet worden onderkend dat mede door die rigoureuze maatregel, de eerste golf coronabesmettingen werd teruggedrongen.

D66 – 15

Hoe ziet de regering de tekst van artikel 58o, vijfde lid, van het wetsvoorstel in relatie tot plotseling toenemende besmettingshaarden?

Tijdens de maanden maart en april was er, zoals de leden van de D66-fractie opmerken, sprake van een zorgelijk situatie met veel besmettingen en helaas ook veel sterfgevallen. De bezoekbeperking die toen gold, was nodig om kwetsbare bewoners en personeel te beschermen tegen het virus. Hoe nodig ook, de beperking van bezoek had grote consequenties voor de kwaliteit van leven. Menselijk contact is essentieel voor het welbevinden van bewoners van zorginstellingen. Dit uitgangspunt staat centraal in artikel 58o. Bezoek in zorginstellingen is de afgelopen maanden, met in achtneming van de algemene hygiënemaatregelen en eventuele door de zorgaanbieder gestelde voorwaarden, weer mogelijk. Zorginstellingen maken in hun specifieke situatie continu de afweging tussen wat nodig is om besmetting en verspreiding van het virus tegen te gaan en de kwaliteit van leven. In de verpleeghuissector hebben betrokken partijen gezamenlijk een handreiking voor bezoek gemaakt. Op basis van deze handreiking maakt ieder verpleeghuis een plan voor maatregelen. In dit plan wordt voor elk inschalingsniveau (zorgelijk-waakzaam-ernstig en voor uitbraak op de locatie) omschreven wat de maatregelen kunnen zijn. Dit plan is maatwerk: iedere locatie maakt een plan dat het beste bij haar lokale situatie past. Op het moment dat het inschalingsniveau van een regio verandert of als er sprake is van een uitbraak op een locatie, neemt de directeur Publieke gezondheid contact op met de instelling en bespreekt welke maatregelen genomen kunnen worden. Artikel 58o, vijfde lid, geeft daarbij een minimum aan waarmee de bestuurder in zijn plan rekening moet houden. Zo wordt gegarandeerd dat er voldoende gewicht wordt toegekend aan de kwaliteit van leven.

D66 – 16

De coronapandemie is op zichzelf al een uitzonderlijke situatie.

Kan de regering een aantal voorbeelden geven van «uitzonderlijke situaties» in de zin van art 58o, vijfde lid, onder a?

Op voorhand kan niet worden aangegeven of een situatie een uitzonderlijke situatie is die altijd onder artikel 58o, vijfde lid, onderdeel a, valt. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Deze situaties zullen doorgaans te maken hebben met een grote uitbraak in een zorginstelling of regio, gecombineerd met beperkte mogelijkheden voor zorginstellingen om andere maatregelen te nemen. Zo zal een besmetting op een kleinere locatie vaak inhouden dat de gehele locatie is besmet, waardoor dan meestal geen bezoek mogelijk is. Binnen grotere locaties is het mogelijk om de besmette bewoners in cohort te verplegen, waardoor het mogelijk is om voor de overige bewoners het bezoek door te laten gaan. Ook bij artikel 58o, vijfde lid, onderdeel a, gaat het erom dat maatwerk het uitgangspunt is.

D66 – 17

In de Tweede Kamer zei de Minister van VWS dat de uitzonderlijke situatie uit het amendement toeziet op de tijdspanne van een week.57 Dit blijkt niet uit de wettekst. Is dit zo’n voorbeeld van een restrictie in een uitzonderlijke situatie? Kan de regering dat toelichten?

Zoals in de vragen hierboven aangegeven, is het niet mogelijk om op voorhand duidelijk aan te geven dat de ene situatie er wel onder valt, en de andere situatie niet. Met het voorbeeld zoals verwoord door in de Tweede Kamer, is aangegeven dat het de bedoeling is zo veel mogelijk generieke maatregelen te voorkomen. Zijn er geen andere mogelijkheden en is het generiek beperken van bezoek noodzakelijk, dan het liefst zo kort mogelijk. Dat isook bedoeld met het voorbeeld van een week. Die week zou ook korter of langer kunnen zijn, als dat in een specifieke situatie noodzakelijk is.

D66 – 18 en 19

Ten tijde van de eerste golf van het coronavirus werd het bewoners soms niet toegestaan naar buiten te gaan. Tegen hun wil werden ze door de zorgaanbieder binnengehouden in hun verpleeghuis. Zien de leden van de D66-fractie het goed dat het binnenhouden van bewoners van verpleeghuizen op basis van dit wetsvoorstel niet afgedwongen kan worden?

Geldt dit ook voor bewoners die besmet zijn?

De leden van de D66 fractie zien het goed dat het wetsvoorstel het niet mogelijk maakt om maatregelen te nemen waardoor bewoners van de gehele zorginstelling of van bepaalde afdelingen worden gedwongen binnen te blijven. Op grond van andere wetgeving bestaan weliswaar mogelijkheden om individuele maatregelen te nemen om bewoners binnen te houden. Hieronder vallen ook maatregelen om ervoor te zorgen dat bewoners die besmet zijn het virus niet naar buiten gaan. Het is echter niet deze tijdelijke wet die daarvoor de basis biedt. Zie hierover het antwoord op vraag D66–21.

D66 – 20

Wat is de situatie als een bewoner naar buiten is gegaan en na verloop van tijd het woonzorgcentrum weer binnen wil gaan? Kan hij/zij dan geweigerd worden?

Zorgaanbieders dienen goede zorg te verlenen, die zoveel mogelijk berust op vrijwilligheid. Goede zorg is ook veilige zorg. Onder omstandigheden, bijvoorbeeld als in een omgeving veel besmettingen zijn, kunnen zorgaanbieders er op aandringen om binnen te blijven. Dat houdt echter op wanneer een persoon die vrijwillig verblijft, toch even een frisse neus wenst te halen. Het binnenhouden van bewoners tegen hun wil is immers op grond van dit wetsvoorstel niet mogelijk. Zorgaanbieders zullen de bewoners die ondanks de adviezen toch naar buiten wensen te gaan, goed instrueren om contact met anderen zoveel mogelijk te voorkomen en zich aan de veilige afstand te houden. Op die manier wordt zoveel mogelijk voorkomen dat zij buiten een zorginstelling een besmetting oplopen. Een bewoner kan nadat hij de zorginstelling heeft verlaten, niet geweigerd worden. Hij verblijft immers in een dergelijke zorginstelling. Als blijkt dat de bewoner tijdens het verblijf buiten de zorginstelling in aanraking is geweest met iemand met een covid-19 besmetting, kan het wel noodzakelijk zijn om de bewoner te verplichten in quarantaine te gaan. Dit geldt voor bewoners van zorginstellingen evengoed als voor anderen.

D66 – 21

En als er wel een vrijheidsbeperking wordt afgedwongen op basis van deze wet, hoe verhoudt zich dit dan tot Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (artikel 2, eerste lid, onder b (beperking van de bewegingsvrijheid) en eerste lid, onder c (insluiting), artikel 2a, derde lid (maatregelen die bewegingsvrijheid inperken)), en tot de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (artikel 3:2, tweede lid, onder b (beperking van bewegingsvrijheid) en tweede lid, onder c (insluiting))?

Zoals in het antwoord op de voorgaande vragen van de leden van de D66 fractie is vermeld, maakt deze tijdelijke wet het niet mogelijk om collectieve maatregelen te nemen waardoor bewoners worden gedwongen binnen te blijven. De door de leden van de D66 genoemde Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) maken het mogelijk om in bepaalde gevallen individuele maatregelen te nemen. Concreet gaat het dan om personen die in een zorginstelling verblijven op grond van de Wvggz of Wzd. Beide wetten stellen voorwaarden aan het nemen van maatregelen zoals insluiten in een kamer of het beperken van bewegingsvrijheid. Het nemen van generieke maatregelen is op grond van deze wetten niet toegestaan. Een maatregel zoals insluiten of het beperken van de bewegingsvrijheid mag uitsluitend worden toegepast indien dit voor een individu noodzakelijk en geschikt is ter voorkoming van ernstig nadeel. Tevens geldt als voorwaarde dat dit ernstig nadeel veroorzaakt wordt door het gedrag van die persoon als gevolg van zijn aandoening of handicap.

Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien iemand zich met een psychische aandoening, psychogeriatrische of verstandelijke handicap als gevolg van zijn aandoening of handicap niet houdt of kan houden aan de instructies van zorgpersoneel. Hij of anderen kunnen daardoor ernstig nadeel oplopen als gevolg van een mogelijke besmetting met het virus. In zulk geval kan besloten worden dat die persoon tijdelijk op zijn kamer moet blijven. Die maatregel moet dan noodzakelijk en geschikt zijn om dat ernstig nadeel te voorkomen. In het geval van de Wzd moet hiervoor een stappenplan worden doorlopen. In het geval van de Wvggz moet de rechterlijke machtiging die voor die persoon is afgegeven de mogelijkheid bieden om de maatregel van insluiting toe te passen. Ook deze wetten maken het dus niet mogelijk om voor alle bewoners van een zorginstelling dezelfde maatregelen te nemen.

D66 – 22

Aansluitend hierop is het de leden van de D66-fractie niet geheel duidelijk of in het geval een isolatiemaatregel zoals in de Wpg beschreven (artikel 31 en verder) dan wel een quarantainemaatregel (artikel 35 en verder) vanwege corona, aan een persoon in een zorginstelling wordt opgelegd, deze dan onder de regelgeving van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg valt met de daarbij horende procedures of uitsluitend onder de Wpg-procedures. Kan de regering dit toelichten?

De Wpg geeft de voorzitter van de veiligheidsregio de bevoegdheid om een persoon te isoleren dan wel een maatregel van quarantaine te nemen. De voorzitter van de veiligheidsregio dient zich aan de voorwaarden uit de Wpg te houden. Als op grond van de Wpg iemand in isolatie of quarantaine wordt geplaatst dan valt diegene onder de procedures van de Wpg.

Voor een voorzitter van de veiligheidsregio zal het doorgaans niet nodig zijn om van zijn bevoegdheid gebruik te maken in een zorginstelling waar mensen zorg als bedoeld in de Wzd en Wvggz ontvangen. Zorginstellingen zullen in die gevallen zelf voldoende in staat zijn om zorg te dragen voor het beperken van besmettingen, met behulp van eventuele maatregelen op grond van de Wzd of Wvggz. Maatregelen die genomen worden door een zorgaanbieder op grond van de Wzd of Wvggz dienen te voldoen aan de voorwaarden uit die wetten. Zo kan een zorgaanbieder bijvoorbeeld de maatregelen toepassen dat iemand in zijn kamer moet blijven als dat noodzakelijk en geschikt is ter voorkoming van ernstig nadeel. Zie het antwoord op vraag D66–21.

D66 – 23

In artikel 58d van het wetsvoorstel regelt de regering de bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio. Het eerste lid begint met de zinsnede: «Indien de uitoefening van die bevoegdheid leidt tot [...]». De leden van de D66-fractie vragen naar welke bevoegdheid «die» verwijst?

De woorden «die bevoegdheid» aan het begin van artikel 58d, eerste lid, zijn primair een vooruitwijzing naar de aan het slot van het lid, onder a en b, bedoelde bevoegdheden. Omdat het eerste lid, aanhef en onder b, in het derde lid van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, wordt met de woorden «die bevoegdheid» tevens vooruit gewezen naar de in het derde lid bedoelde artikelen.

D66 – 24

Artikel 58l van het wetsvoorstel regelt de zorgplicht in besloten plaatsen. In het tweede lid wordt een onderscheid gemaakt tussen een besloten ruimte waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend en waar dat niet het geval is. In de eerste situatie kan de Minister een schriftelijke aanwijzing geven tot het nemen van maatregelen, als bijvoorbeeld de veilige afstand niet in acht kan worden genomen, en in de tweede situatie de burgemeester. Waarom zijn de bevoegdheden zo verdeeld, vragen de leden van de D66-fractie. Wat is de ratio hierachter?

In de wetssystematiek van het wetsvoorstel is een onderscheid gemaakt tussen regimes voor openbare plaatsen, publieke plaatsen en besloten plaatsen. Bij openbare en publieke plaatsen is er een taak voor de burgemeester. Deze komt onder ander tot uitdrukking in de mogelijkheid om aanwijzingen en bevelen te geven met betrekking tot de naleving van de zorgplicht op die plaatsen (zie de artikelen 58k en 58m). Deze bevoegdheden ten aanzien van openbare en publieke plaatsen sluiten aan bij de algemene toezichtstaak die ten aanzien van die plaatsen in artikel 174 van de Gemeentewet is toebedeeld aan burgemeester. Voor besloten plaatsen bestaat een dergelijke algemene toezichtstaak niet. Voor de naleving van besloten plaatsen is in artikel 58l daarom een onderscheid gemaakt tussen plaatsen waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend en andere plaatsen. Op plaatsen waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend (men denke bijvoorbeeld aan kantoren en slachterijen) sluit een toezichthoudende rol van de burgemeester minder goed aan bij zijn reguliere taken en is er reden om reeds bestaande sectorale toezichthouders daarmee te belasten (zoals de Inspectie SZW waar het toezicht op arbeidsplaatsen betreft). Voor die plaatsen is er daarom voor gekozen om de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen en bevelen toe te kennen aan de Minister, die deze bevoegdheid dan kan mandateren aan genoemde toezichthouders. Dit lijdt alleen uitzondering in situaties waarin acuut ingrijpen is geboden (artikel 58n). In dat geval ligt het in de rede om de burgemeester bevoegdheden toe te kennen die gelden voor alle besloten plaatsen. Ook dat sluit aan bij de bevoegdheidstoedeling aan de burgemeester in de Gemeentewet.

Met betrekking tot de regeling in artikel 58q van het wetsvoorstel ten aanzien van de onderwijsinstellingen merken de leden van de D66-fractie het volgende op. Het artikel regelt:

«1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen geheel of gedeeltelijk verboden is en kunnen beperkingen of andere voorwaarden worden gesteld aan het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen onderwijsinstellingen of categorieën daarvan.

2. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens het eerste lid zijn belast de ambtenaren van de inspectie van het onderwijs die zijn belast met het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 1, van de Wet op het Onderwijstoezicht gegeven voorschriften.»

D66 – 25

Is het niet een curieuze figuur, zo vragen de leden van de D66-fractie, dat de inspectie inspecteert op het naleven van het niet-geven van onderwijs, terwijl het omgekeerde haar taak is: om de kwaliteit van lesgeven ook nu in deze omstandigheden te inspecteren? De kwaliteit van het niet-lesgeven is irrelevant. Krijgt de Onderwijsinspectie hier niet de facto een openbare orde-taak? Waarom acht de regering dat wenselijk?

Voor het feitelijk toezicht op publieke en besloten plaatsen is in het wetsvoorstel zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij toezichthouders die vanuit hun reguliere taken hier al een toezichthoudende taak hebben. Het ligt uit praktisch oogpunt het meest voor de hand dat deze toezichthouders aldaar tevens toezicht houden op de naleving van de regels uit dit wetsvoorstel. Daarom is ervoor gekozen om de ambtenaren van de onderwijsinspectie te belasten met het toezicht op de naleving op een (al dan niet gedeeltelijk) verbod op het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen en op gestelde beperkingen of voorwaarden aan onderwijsactiviteiten die aldaar verricht worden.

Een opgelegd (gedeeltelijk) verbod van dan wel gestelde beperkingen en voorwaarden aan onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen zullen er juist op gericht zijn dat het onderwijs, ondanks de epidemie, zo veel mogelijk doorgang kan vinden. Zo maakt dit artikel het mogelijk om zo nodig te voorzien in onderwijs op afstand.

De ambtenaren van de onderwijsinspectie kwalificeren reeds als toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb. Het enkele gevolg van het voorgestelde artikel 58q, tweede lid, is dat de onderwijsinspectie, in aanvulling op de bestaande toezichthoudende taak, feitelijk toezicht houdt op de naleving van een bij ministeriële regeling opgelegd (gedeeltelijk) verbod van dan wel gestelde beperkingen en voorwaarden aan het verrichten van onderwijsactiviteiten in onderwijsinstellingen. Volledigheidshalve zij vermeld dat het toezicht op de naleving in dit geval niet de bevoegdheid tot het opleggen van sancties omvat.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

PvdA – 1

De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering concreet uiteen te zetten welke beperkingen kunnen worden gesteld aan bijeenkomsten in gebouwen en plaatsen genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet, zoals in artikel 58a van het wetsvoorstel onder «besloten plaats» is verwoord.

Artikel 6, tweede lid, van de Grondwet heeft betrekking op de uitoefening van het recht tot het vrij belijden van godsdienst of levensovertuiging buiten gebouwen en besloten plaatsen. Dit betekent dat voor de uitoefening van dit recht binnen gebouwen en besloten plaatsen artikel 6, eerste lid, van de Grondwet van belang is. Op grond van die bepaling kunnen aan de uitoefening van dit recht alleen beperkingen worden gesteld bij wet in formele zin (zgn. delegatieverbod). Het onderhavige wetsvoorstel brengt zo’n beperking aan waar het betreft de in artikel 58f, eerste lid, neergelegde verplichting om een veilige afstand te houden tot andere personen. Het delegatieverbod van artikel 6, eerste lid, Grondwet staat er overigens niet aan in de weg dat eventuele bij ministeriële regeling gestelde regels over hygiënemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen (artikel 58j, eerste lid, aanhef en onder a) ook gelden voor religieuze en levensbeschouwelijke bijenkomsten binnen een gebouw of besloten plaats. Voor deze regels geldt als randvoorwaarde dat zij ingevolge het delegatieverbod in artikel 6, eerste lid, Grondwet niet het recht tot het vrij belijden van godsdienst of levensovertuiging als zodanig kunnen beperken.

PvdA – 2

Kunnen er na inwerkingtreding van deze wet bijvoorbeeld beperkingen worden gesteld aan het aantal mensen dat in een kerkgebouw een kerkdienst bijwoont?

Nee, artikel 58g, tweede lid, aanhef en onder c, verzet zich daartegen. Hiervoor geldt dus hetzelfde regime als bijvoorbeeld voor vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en voor vergaderingen van de Staten-Generaal, gemeenteraden, provinciale staten e.d., die op dezelfde wijze in artikel 58, tweede lid, zijn uitgezonderd van eventuele regels over groepsvorming.

In artikel 58b van het wetsvoorstel worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit wettelijk verankerd. Een groot aantal mensen heeft zorgen over proportionaliteit van de op grond van deze wet te nemen feitelijke maatregelen. Het groot aantal geïndividualiseerde e-mails die aan de leden van deze Kamer zijn gezonden, zijn hier illustratief voor.

PvdA – 3

De fractieleden van de PvdA verzoeken de regering om toe te lichten op welke wijze de toetsing aan en de borging van de proportionaliteit en subsidiariteit bij concrete maatregelen vorm wordt gegeven.

De maatregelen die worden genomen zijn opgenomen in de routekaart. Een groot deel van deze maatregelen worden in de ministeriële regeling opgenomen. Bij het opstellen van de ministeriële regeling worden de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit meegenomen in de afweging en gemotiveerd in de toelichting (artikel 58b, tweede lid). Voor de beoordeling van de vraag of en welke maatregelen proportioneel en geschikt zijn, baseren wij ons onder meer op adviezen van het OMT. Vervolgens worden de ministeriële regelingen aan beide Kamers overgelegd, waarbij desgewenst mondeling of schriftelijk vragen gesteld kunnen stellen over de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van de maatregelen. In de laatste plaats kan de rechter beoordelen of een ministeriële regeling of de toepassing van maatregelen in concrete gevallen in overeenstemming is met de wet, waaronder ook de eisen die zijn neergelegd in artikel 58b, tweede lid.

Veelvuldig wordt in dit kader in de e-mails aangegeven dat de genomen en te nemen maatregelen ter bestrijding van het coronavirus disproportioneel (zullen) zijn omdat er geen sprake is van significante oversterfte.

PvdA – 4

Wat is hierop de reactie van de regering?

Het CBS heeft in het eerste half jaar van 2020 een oversterfte berekend van ongeveer 9.000 mensen. Het CBS komt erop uit dat in totaal 10.067 mensen zijn overleden die besmet waren met covid-19. Het RIVM en de regering verwachten dat dit cijfer een stuk hoger was uitgekomen als de coronamaatregelen van het voorjaar niet waren genomen. De regering vindt deze oversterfte wel significant.

De huidige schattingen duiden er inderdaad op dat het sterftecijfer voor covid-19 niet veel afwijkt van sommige terugkerende griepvirussen. Dat betekent echter niet dat de uitbraak niet erger is dan de jaarlijks terugkerende griep. Voor de beoordeling van de dreiging is ook van belang dat bij de start van de uitbraak nog niemand een natuurlijke weerstand tegen covid-19 had opgebouwd door een infectie met het virus mee te maken, en er (nog) geen vaccin en nog geen effectieve behandelmethode beschikbaar zijn. De risico’s voor de Nederlandse bevolking van een uitbraak van dit virus zijn daardoor groter dan de risico’s van de jaarlijks terugkerende griep. Als er een nieuw influenzavirus zou ontstaan, schatten infectieziektedeskundigen de dreiging daarvan ook hoger in dan de dreiging van de jaarlijks terugkerende influenzavirussen, vanwege de beperktere weerstand in de bevolking tegen het virus.

Het beeld dat bij een deel van de Nederlandse bevolking over deze wet bestaat, is dat van een wet die in belangrijke mate onnodig grondwettelijke vrijheden inperkt. Dit is vermoedelijk ingegeven door de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel. Achterliggend lijkt vaak de overtuiging te bestaan dat (in het bijzonder bij de tweede golf) de genomen maatregelen in geen verhouding staan tot de ernst van het virus aan de ene kant en de economische, medische en emotionele schade aan de andere kant.

PvdA – 5

Wat is hierop de reactie van de regering?

Zoals wij in het antwoord op vraag PvdA-4 hebben aangegeven acht de regering de dreiging van het virus wel groot genoeg om ingrijpende maatregelen te treffen. Het kabinet weegt daarbij de voor- en de nadelen van maatregelen, waaronder de economische, medische en emotionele schade, tegen elkaar af. Indien het kabinet maatregelen treft op basis van de tijdelijke wet zal het kabinet het parlement moeten overtuigen van de noodzaak en evenredigheid daarvan.

PvdA – 6, 7, 8 en 9

Gaat de regering de Nederlandse bevolking overtuigen van de aard en de noodzaak van het voorliggend wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat de regering dit aanpakken en hoe gaat zij zorgen dat daarbij aangesloten wordt bij de kennis en inzichten van verschillende bevolkingsgroepen?

Is de regering voornemens om te trachten, bijvoorbeeld middels voorlichting, voornoemd beeld over deze wet die zelf geen maatregelen introduceert, maar juist de kaders stelt en de democratische controle op de maatregelen introduceert, bij te stellen?

Acht de regering het met de leden van de fractie van de PvdA van belang, onder meer met goede voorlichting over de aard en werking van deze wet, het draagvlak onder de maatregelen te vergroten en de spanning in de samenleving te verminderen?

Kan deze voorlichting worden meegenomen in de doelgroepencampagnes?

In de Tweede Kamer heeft de Minister van VWS al beaamd dat het kabinet onvoldoende heeft geïnvesteerd in de communicatie met de samenleving over de totstandkoming van de coronawet. Dat betekent een extra communicatie-uitdaging voor het kabinet in deze fase waarin wijmet het parlement debatteren over de wettelijke vormgeving van de coronamaatregelen. Die uitdaging gaan wij graag aan. Voor de informatievoorziening aan en communicatie met de Nederlandse bevolking over de dreiging van covid-19, de maatregelen die mensen zelf kunnen treffen en de maatregelen die de overheid treft is de afgelopen maanden een uitgebreide communicatie-aanpak gebruikt, met onder andere persconferenties en allerlei informatieproducten voor verschillende doelgroepen die via een veelheid aan communicatiekanalen zijn verspreid. Het doel van het kabinet is om de juiste informatie vindbaar te maken op de plekken waar mensen die informatie zoeken. Dat is een continue uitdaging om tegemoet te komen aan de vragen en onduidelijkheden van de Nederlandse samenleving.

De komende periode zal ook informatie over de tijdelijke wet en de maatregelen die daaruit volgen worden opgenomen in deze aanpak. De VNG draagt daar ook aan bij. De komende periode zullen we uitleggen waarvoor de wet is gemaakt, wat de wet regelt en wat mensen daarvan gaan merken. De onderwerpen ie in de debatten van de regering met de Tweede en Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen, zullen daar een belangrijk onderdeel van vormen.

PvdA – 10

Artikel 58c, tweede lid, van het wetsvoorstel bevat na amendering een instemmingsregeling voor de Tweede Kamer als voorwaarde voor inwerkingtreding. De kennisgeving van de ministeriële regeling is blijkens hetzelfde lid aan beide Kamers. Welke rol ziet de regering voor de Eerste Kamer na kennisneming van de ministeriële regeling?

Artikel 58c, tweede lid, eerste zin, verplicht er inderdaad toe de ministeriële regeling ook aan de Eerste Kamer over te leggen. Gedurende de week waarin de regeling nog niet in werking kan treden (maar desgewenst uiteraard ook altijd daarna) is de Eerste Kamer in staat om via de gebruikelijke parlementaire kanalen (bijvoorbeeld het voeren van een schriftelijk of mondeling overleg of een debat waarin moties kunnen worden ingediend) met de regering van gedachten te wisselen over de inhoud van de regeling. Zoals ook is opgemerkt in de voorlichting die de Afdeling advisering van de Raad van State op 22 oktober 2020 aan de Eerste Kamer heeft uitgebracht, beschikt de Eerste Kamer daarbij over al haar grondwettelijke bevoegdheden. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan dit leiden tot wijziging van of in het ultieme geval het niet in werking laten treden en de intrekking van de betreffende ministeriële regeling. Daarbij geldt dat ook een regeling tot intrekking of wijziging van een eerdere regeling weer dezelfde procedure moet doorlopen (zie het antwoord op vraag GL-8).

PvdA – 11

De PvdA-fractieleden vragen de regering op welke wijze in de praktijk geborgd wordt dat maatregelen die niet langer noodzakelijk zijn, ook daadwerkelijk ingevolge artikel 58c, zesde lid van het wetsvoorstel, zo spoedig mogelijk worden gewijzigd of ingetrokken.

De ontwikkeling van het virus wordt nauwlettend in de gaten gehouden, onder andere met het oog op de noodzakelijkheid van de maatregelen. De risiconiveaus, zoals opgenomen in de recent gepubliceerde routekaart,58 spelen een belangrijke rol in de beoordeling van de noodzakelijkheid van de maatregelen. Zodra de omstandigheden aanleiding geven tot het intrekken van maatregelen, zullen wij zo spoedig mogelijk een wijzigingsregeling vaststellen en aan de beide Kamers overleggen.

Artikel 58s van het wetsvoorstel verplicht de regering tot een maandelijks overzicht toe te zenden aan beide Kamers van de getroffen maatregelen.

PvdA – 12

Betekent dit in de praktijk dat maatregelen alleen periodiek maandelijks komen te vervallen of wordt aan 58s op zodanige wijze invulling gegeven dat ook op kortere termijn een maatregel wordt ingetrokken?

De intrekking van maatregelen die niet langer noodzakelijk zijn, is niet gekoppeld aan de maandelijkse rapportageplicht. Als de noodzaak van een bij ministeriële regeling vastgestelde maatregel gezien de wetenschappelijke inzichten of de actuele stand van het virus is vervallen, vergen het in artikel 58b, tweede lid, neergelegde noodzakelijkheidsvereiste en het in artikel 58c, zesde lid, neergelegde afschalingsprincipe dat de ministeriële regeling wordt aangepast of ingetrokken.

PvdA – 13

Is het mogelijk voor burgers en/of maatschappelijke organisaties om georganiseerd te wijzen op in hun ogen niet langer proportionele maatregelen en, zo ja, op welke wijze kan dit dan worden gedaan?

De regering heeft geen specifieke faciliteit ingericht waar mensen hun mening kunnen geven. Veel mensen weten de regering echter te vinden via de reguliere kanalen, zoals het publieksinformatienummer, e-mail, Twitter, Facebook en Whatsapp. Verder laat de regering ook onderzoeken uitvoeren naar de opvattingen van de Nederlandse samenleving. Ook overlegt de regering regelmatig met de vertegenwoordigers van de Nederlandse bevolking in het parlement.

Ingevolgde artikel 58s, vierde lid, van het wetsvoorstel is de burgemeester aan de gemeenteraad verantwoording schuldig en dient hij het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad betrokken te houden.

PvdA – 14

Ziet de regering een rol voor haar weggelegd om te stimuleren en te borgen dat aan deze opdracht in iedere gemeente afdoende invulling wordt gegeven? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

De invulling van de verantwoordingsrelatie tussen raad en burgemeester is bij uitstek een zaak voor het lokaal bestuur zelf. De verantwoordingsplicht geldt voor alle bevoegdheden die de burgemeester als eenhoofdig orgaan uitoefent en waarvan hij op grond van artikel 180 Gemeentewet verantwoording aflegt aan de raad. Artikel 58s, vierde lid, is een explicitering van die verplichting. De behoefte aan de wijze van verantwoording zal steeds per gemeente verschillen. Gemeenteraden en burgemeesters bepalen de precieze wijze van verantwoording daarom zelf.

Ingevolge het vijfde lid, van artikel 58s is de voorzitter van de veiligheidsregio verantwoording schuldig aan de betrokken gemeenteraad.

PvdA – 15

Welke bevoegdheden heeft de gemeenteraad jegens deze voorzitter als het niet de gemeente van de voorzitter van de veiligheidsregio/burgemeester zelf betreft?

Artikel 58s, vijfde lid, beoogt de verantwoordingsrelatie tussen de voorzitter van de veiligheidsregio en de raden van de gemeenten die deel uitmaken van de veiligheidsregio, te verstevigen. Daartoe bepaalt het artikel expliciet dat wanneer als gevolg van een besluit van de Minister van VWS de voorzitter tijdelijk de burgemeestersbevoegdheden uitoefent, hij daarover verantwoording aflegt aan de betrokken gemeenteraden. Dit geschiedt door het uitbrengen van een verslag en het beantwoorden van de vragen van de raden. In de toelichting bij het amendement-Van Dam c.s. waarmee artikel 58s, vijfde lid, tot stand is gebracht,59 is beschreven dat het uitbrengen van een verslag gevolgd kan worden door een debat met de betrokken gemeenteraden.

PvdA – 16

Wat kan de consequentie voor de voorzitter zijn als deze verantwoording niet, niet tijdig of niet goed wordt gegeven?

Mocht een gemeenteraad onder omstandigheden afkeuring willen doen blijken over het handelen van de voorzitter, dan kan hij dit kenbaar maken aan de Minister van Justitie en Veiligheid door tussenkomst van de commissaris van de Koning van de provincie waarin de veiligheidsregio is gelegen (artikel 40, vierde lid, Wvr). Dit houdt verband met het feit dat, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij koninklijk besluit wordt besloten tot benoeming en ontslag van de betreffende burgemeester als voorzitter van de veiligheidsregio (artikel 11, tweede lid, Wvr).

PvdA – 17

Als deze consequentie er niet is, is de regering dan bereid te zoeken naar maatregelen die zorgen dat de gemeenteraad niet met lege handen staat?

In het verlengde van de antwoorden op de vragen PvdA-15 en PvdA-16 wordt opgemerkt dat wat betreft de relatie tussen de gemeenteraad en de voorzitter van de veiligheidsregio in algemene zin, op dit moment een evaluatie plaatsvindt van de Wet veiligheidsregio’s. In de opdracht voor de evaluatiecommissie is opgenomen dat de aspecten «democratische legitimiteit» en «rol gemeenteraden» in het kader van de evaluatie aandacht behoeven.

PvdA – 18

Is de regering bereid bij dit onderzoek mee te nemen of instemming achteraf in enige vorm door de gemeenteraad, analoog aan de in dit wetsvoorstel gecreëerde bevoegdheid van de Tweede Kamer, geregeld kan worden?

Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, indien dan door de Eerste Kamer wordt aanvaard, zullen geen noodverordeningen (algemeen verbindende voorschriften) in het kader van de bestrijding van de epidemie van covid-19 worden vastgesteld (behoudens de situatie bedoeld in artikel 58ca). In deze wet wordt aan de Tweede Kamer de bevoegdheid toegekend om al of niet in te stemmen met ministeriële regelingen die op grond van de wet kunnen worden vastgesteld. Dit betreft algemeen verbindende voorschriften voor heel Nederland, dan wel regio’s of bepaalde gemeenten. De Gemeentewet kent geen bekrachtigingsrecht voor andere besluiten dan algemeen verbindende voorschriften (noodverordeningen). In lijn hiermee is ook in het onderhavige wetsvoorstel geen soortgelijk recht opgenomen voor gemeenteraden ten aanzien van de uitoefening van bevoegdheden door de burgemeester dan wel in bijzondere gevallen door de voorzitter van de veiligheidsregio (artikel 58d).

PvdA – 19

Op welke wijze is geborgd dat de betrokkenheid van de lokale volksvertegenwoordiging ook op de BES60-eilanden feitelijk wordt ingevuld, bijvoorbeeld in het geval de gezaghebber gebruikmaakt van de bevoegdheid die hem ingevolge artikel 58ca van het wetsvoorstel gaat toekomen?

Een noodverordening dient in Caribisch Nederland na vaststelling te worden bekrachtigd door de eilandsraad. De democratische inbedding is daarmee op de eilanden geborgd. Ook is de gezaghebber op grond van artikel 58s, vierde lid, aan de eilandsraad verantwoording schuldig over het door hem krachtens hoofdstuk Va gevoerde bestuur en moet de gezaghebber waarborgen dat de eilandsraad wordt betrokken bij dat bestuur. Verder verwijzen wij naar het antwoord op vraag GroenLinks-15.

PvdA – 20

Is artikel 58s van het wetsvoorstel onverkort van kracht op de BES-eilanden? Op welke wijze heeft de Staten-Generaal invloed op een door de gezaghebber genomen besluit?

Artikel 58s is onverkort van kracht in Caribisch Nederland. De beide kamers van de Staten-Generaal hebben elk op hun eigen wijze betrokkenheid bij de inhoud van de wet en de ministeriële regelingen (artikel 58c) en kunnen op die wijze beïnvloeden welke kaders en overwegingen de gezaghebber moet betrekken bij het nemen van een besluit. Over een concreet besluit is de gezaghebber verantwoording schuldig aan de eilandsraad, op dezelfde wijze als de burgemeester verantwoording schuldig is aan de gemeenteraad.

Artikel 58t van het wetsvoorstel introduceert dat de Afdeling advisering van de Raad van State iedere drie maanden wordt gehoord voorafgaande aan het verlengingsbesluit.

PvdA – 21

Kan de regering aangeven hoe zij dit horen nader wenst in te vullen?

Vooraleerst is het aan de Afdeling advisering zelf om te bepalen op welke aspecten zij zich in haar advisering wil richten. Artikel 58t heeft een brede reikwijdte, namelijk advisering «over de krachtens dit hoofdstuk geldende maatregelen». Wel maakt het artikel duidelijk dat deze advisering in de context moet worden gezien van een (mogelijk) besluit tot (gehele of gedeeltelijke) verlenging van de wet. Zoals vermeld in de toelichting op het amendement-Van der Staaij c.s.61 dat heeft geleid tot artikel 58t, ligt het in de rede dat de Afdeling hierbij onder meer ingaat op de rechtsstatelijke aspecten en de inperking van de grondrechten.

PvdA – 22

Wat is de verwachting van de regering over de aard en inhoud van het driemaandelijkse advies?

Over de aard van het advies verwachten wij, zoals vermeld in antwoord op vraag PvdA-21, dat de Afdeling ingaat op de rechtsstatelijke aspecten en de inperking van de grondrechten, in de context van mogelijke verlenging van (onderdelen van) de wet. Het advies kan voor de regering dus behulpzaam zijn bij een beslissing over eventuele verlenging. Voor beide kamers kunnen het advies en het daarover uitgebrachte nader rapport dienstig zijn voor een beoordeling van een eventueel verlengingsbesluit, dat zij krachtens artikel VIII, vierde lid, in ontwerp krijgen voorgelegd. Over de te verwachten inhoud van het driemaandelijkse advies, waarnaar deze leden eveneens vragen, valt thans begrijpelijkerwijze geen uitspraak te doen.

PvdA – 23

Moet de Raad van State feitelijk adviseren over een koninklijk besluit tot verlenging? Het koninklijk besluit zelf zal vermoedelijk immers kort zijn. Op welke wijze denkt de regering dat de Raad van State feitelijk invulling kan geven aan de voorgenomen toets aan grondrechten?

Artikel 58t verplicht niet tot het voorleggen van een ontwerp van een koninklijk besluit tot verlenging aan de Afdeling advisering van de Raad van State, maar omschrijft de adviesplicht op andere wijze, namelijk als een verplichting om de Afdeling elke drie maanden te horen over de krachtens hoofdstuk Va geldende maatregelen voorafgaand aan een verlengingsbesluit. Als object van advisering noemt artikel 58t dus de krachtens hoofdstuk Va geldende maatregelen. Dit uiteraard wel in de context van een (mogelijk) besluit tot (gehele of gedeeltelijke) verlenging van de wet. In de toelichting op het eerdergenoemde amendement-Van der Staaij c.s. is aangegeven dat het van belang is dat de Staten-Generaal over het advies en het nader rapport daarop kunnen beschikken voordat het ontwerp voor een koninklijk besluit tot verlenging van de wet ingevolge artikel VIII, vierde lid, aan beide Kamers wordt overgelegd. De regering onderschrijft dit belang. Het is aan de Afdeling advisering van de Raad van State zelf hoe zij feitelijk invulling geeft aan haar advisering en in het bijzonder de wijze waarop zij ingaat op de rechtsstatelijke aspecten en de inperking van de grondrechten. Hiervoor geldt hetzelfde als voor iedere adviesaanvraag die aan de Afdeling wordt gedaan.

De Leden van de fractie van de PvdA hebben over artikel 58f van het wetsvoorstel (veilige afstand) de volgende vragen.

PvdA – 24

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om in het derde lid met de lijst van uitgezonderde beroepen niet ook het onderwijzend personeel in speciaal onderwijs op te nemen?

Het houden van 1,5 meter afstand bijvoorbeeld bij het onderwijs aan leerlingen met een visuele beperking, gedragsmoeilijke en/of rolstoelafhankelijke leerlingen is redelijkerwijs onmogelijk.

Artikel 58f, derde lid, van het wetsvoorstel bevat een aantal generieke vrijstellingen op de veiligeafstandsnorm. In het wetsvoorstel is reeds onderkend dat buiten deze gevallen omstandigheden zijn waarin de veiligeafstandsnorm feitelijk niet kan worden nageleefd. In de memorie van toelichting is als voorbeeld genoemd de situatie van kassa’s in winkels. Daarom is in het vierde en vijfde lid geregeld dat bij ministeriële regelingen aanvullende vrijstellingen van de afstandsnorm kunnen worden vastgesteld, waaraan ook voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Nu het voor bepaald onderwijzend personeel niet altijd mogelijk zal zijn om de veiligeafstandsnorm na te leveren, overweegt het kabinet om in de ministeriële regeling hiervoor een voorziening te treffen.

PvdA – 25 en 26

Deze leden vragen de regering om nader te specificeren wie als begeleider als bedoeld in het derde lid, onder d, van dit artikel kan worden aangemerkt en wat als handicap?

Valt hier bijvoorbeeld onder de taxichauffeur van het speciaal vervoer van op een rolstoel aangewezen ouderen? Kan dit artikel zo worden verstaan dat iedereen die objectiveerbare hulp behoeft binnen 1,5 meter afstand, deze hulp ook kan krijgen?

Voor personen met een beperking en hun begeleider(s) wordt op wetsniveau voorzien in een uitzondering op de veiligeafstandsnorm (artikel 58f, derde lid, onder d) en ook kunnen mensen met een beperking en hun begeleider(s) geen eventueel te verbieden groep vormen (artikel 58g, tweede lid, onder a). Deze uitzondering is ingevolge artikel 58f, derde lid, onder d van toepassing voorzover een persoon met een handicap en diens begeleider(s) ten opzichte van elkaar geen veilige afstand kunnen bewaren. Dit laat onverlet het belang om ook in situaties waarin geen wettelijke verplichting van toepassing is, een veilige afstand te houden.

Voor het begrip «personen met een handicap» is aangesloten bij het VN-verdrag. Het verdrag hanteert de volgende omschrijving: «personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.» Onder meer kan gedacht worden aan een persoon met een fysieke beperking die begeleiding nodig heeft bij verplaatsing met een rolstoel, een persoon met een visuele of auditieve beperking die begeleiding nodig heeft bij sport of fysieke ondersteuning nodig heeft bij communicatie, of een persoon die vanwege een verstandelijke beperking of psychische aandoening fysiek contact of nabijheid behoeft tijdens begeleiding, zoals iemand met een angststoornis of personen met het geestesvermogen van een zeer jong kind. Ook hier geldt overigens dat kortstondige handelingen, zoals chauffeurs in het zorgvervoer die helpen in- en uitstappen of die een gordel vastmaken, niet kwalificeren als «ophouden» als bedoeld in artikel 58f, eerste lid. Die handelingen blijven dus zonder meer toegestaan.

Het begrip «begeleider» is in het wetsvoorstel niet nader gedefinieerd. Naar normaal spraakgebruik betreft het een persoon die – in dit geval buiten de woning – een ander vergezelt. Deze uitzondering op de veilige afstandsnorm geldt dus voor iedere persoon met een handicap voor wie het noodzakelijk is zich buiten de woning te laten vergezellen, en zijn begeleider, voorzover zij de veilige afstand ten opzichte van elkaar niet in acht kunnen nemen. Dit kan ook de chauffeur zijn, zoals in het door de leden van de PvdA-fractie aangehaalde voorbeeld. Het wetsvoorstel bevat overigens ook een uitzondering voor mantelzorgers. De mantelzorger en degene jegens wie deze taken worden uitgevoerd hoeven zich ingevolge artikel 58f, derde lid, onder b en c, niet aan de veiligeafstandsnorm te houden voor zover de mantelzorg niet op gepaste wijze met inachtneming van de veiligeafstandsnorm kan worden uitgevoerd. Artikel 58f geldt buiten woningen en is derhalve niet van toepassing op het verlenen van mantelzorg in een woning.

PvdA – 27

Ten aanzien van de zorgplicht besloten plaatsen (artikel 58l van het wetsvoorstel) vragen deze leden hoe het toezicht en de handhaving is geregeld op de in het eerste lid gestelde norm.

Artikel 58l, eerste lid, verplicht degene die bevoegd is tot het aan een besloten plaats, niet zijnde een woning, treffen van voorzieningen of tot het toelaten tot die plaats van personen, om ervoor te zorgen dat de daar aanwezige personen de gedragsmaatregelen, zoals de veiligeafstandsnorm, in acht kunnen nemen. Er is voor gekozen om schending van die zorgplicht op zich niet handhaafbaar te maken in die zin dat niet-naleving van de zorgplicht bestuursrechtelijk of strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Uitgangspunt is dat eerst een schriftelijke aanwijzing wordt gegeven waarin gemotiveerd staat waar het aan schort en wat er moet gebeuren (artikel 58l, tweede en derde lid); bij spoed kan dit met een bevel gebeuren (artikel 58l, vierde lid). Er wordt dus niet onmiddellijk met sancties opgetreden. Dit geldt overigens ook voor publieke plaatsen (artikel 58k). Artikel 58l, eerste lid (en artikel 58k, eerste lid) staat dan ook niet vermeld in artikel 58u over bestuursrechtelijke handhaving of artikel 68bis over strafrechtelijke handhaving. Pas als die aanwijzing of dat bevel niet wordt opgevolgd, zijn bestuurs- en strafrechtelijke handhaving daarvan aan de orde. Voor het bestuursorgaan dat bevoegd is een aanwijzing of bevel te geven, is een onderscheid gemaakt tussen plaatsen waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend en andere plaatsen. Op plaatsen waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend sluit een rol van de burgemeester minder goed aan bij zijn reguliere taken en is er reden om reeds bestaande sectorale toezichthouders daarmee te belasten (zoals de Inspectie SZW waar het toezicht op arbeidsplaatsen betreft). Voor die plaatsen is er daarom voor gekozen om de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen en bevelen toe te kennen aan de Minister, die deze bevoegdheid dan kan mandateren aan genoemde toezichthouders. Overigens kunnen bij ministeriële regeling besloten plaatsen worden aangewezen waar, onder in die regeling gestelde voorwaarden, geen aanwijzingen of bevelen worden gegeven (artikel 58l, vijfde lid). Hierbij kan worden gedacht aan besloten plaatsen waar samenkomsten plaatsvinden ten behoeve van het belijden van godsdienst of levensovertuiging. Met het toezicht op de naleving van artikel 58l, eerste lid, worden – naast de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, die op de hele Wpg toezien (artikel 64 Wpg) – de bij besluit van de Minister van VWS aan te wijzen ambtenaren belast (artikel 64a).

PvdA – 28 en 29

Kan bijvoorbeeld op basis van een anonieme tip worden binnengetreden ter controle?

Kan ook zonder enige directe aanleiding, bijvoorbeeld als gevolg van steekproefsgewijs toezicht, tot binnentreden ter controle zonder toestemming worden overgegaan? Welke rechtsbescherming kan worden ingeroepen tegen vermeend onrechtmatig optreden door de overheid op grond van dit artikel?

Een toezichthouder is bevoegd de besloten plaatsen waar het hier om gaat te betreden ter controle op de naleving van de zorgplicht. Dit is een algemene bestuursrechtelijke bevoegdheid voor toezichthouders, die niet uit het wetsvoorstel voortvloeit, maar is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (artikel. 5:15, eerste lid, Awb). Hiervan mag slechts gebruik worden gemaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichthoudende taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Overigens kan, buiten heterdaad, niet worden binnengetreden in vergaderruimten van de Staten-Generaal of andere algemene vertegenwoordigende organen, gedurende de vergadering, in een ruimte die is bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst, en in ruimten waar terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting. Ook dat is staand recht (artikel 12, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden). Een toezichthouder kan bijvoorbeeld wel een bedrijfsgebouw binnentreden, als een werknemer anoniem meldt dat op zijn werkplek regels worden overtreden die dienen ter bestrijding van de epidemie van covid-19. Ook kan een toezichthouder steekproefsgewijs controle uitvoeren. Geldend recht is ook dat iedereen verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid, Awb). Zou een toezichthouder onrechtmatig binnentreden, dan kan dit onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren, waarvan aangifte kan worden gedaan, of aanleiding zijn voor een civielrechtelijke actie uit onrechtmatige daad. Wordt na onrechtmatig binnentreden bewijs vergaard, dan kan in een bezwaar- of beroepsprocedure bij de bestuursrechter tegen het daaropvolgend besluit worden voorgelegd of dat bewijs aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd. Ten slotte heeft een ieder het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan (artikel 9:1 Awb).

Over artikel 58o van het wetsvoorstel (zorgaanbieders en zorglocaties) hebben de PvdA-fractieleden de volgende vragen.

PvdA – 30 en 31

Hoe ver reikt de in het eerste lid geformuleerde zorgplicht van de zorgaanbieder?

Moet de zorgaanbieder bijvoorbeeld mondkapjes aanbieden of andere beschermingsmiddelen? Voor wie komen de kosten die hieraan verbonden zijn?

Artikel 58o, eerste lid, regelt, met het oog op de huidige uitbraak van het virus, specifiek dat een zorgaanbieder moet zorgen voor openstelling, en daarbij dat aanwezige personen de regels uit voorliggend wetsvoorstel in acht kunnen nemen. Artikel 58o, eerste lid, ligt in het verlengde van het verlenen van goede zorg op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Naast de vereisten van het verlengen van goede zorg op grond van de Wkkgz betekent dit dat de zorgaanbieder nog de plicht heeft er voor te zorgen dat aanwezige personen de regels uit dit wetsvoorstel kunnen naleven. Onder goede zorg in de zin van de Wkkgz wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en van goed niveau die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook wordt hieronder verstaan dat zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele- en kwaliteitsstandaard. De rechten van de cliënt dienen hierbij in acht te worden genomen en de cliënt dient met respect te worden behandeld. Op grond van artikel 3 van de Wkkgz dient de zorgaanbieder de zorgverlening op zodanige wijze te organiseren, dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Het wetsvoorstel verplicht niet dat persoonlijke beschermingsmiddelen aan bezoekers moeten worden aangeboden. Uiteraard mag een zorgaanbieder deze middelen (op eigen kosten) wel beschikbaar stellen.

Het tweede lid maakt beperkingen aan de toegang van de instelling mogelijk. Hiervan zijn mantelzorgers uitgezonderd, zo lezen de PvdA-fractieleden.

PvdA – 32

Wie bepaalt op basis van wat wie er een mantelzorger van een cliënt is?

De wet geeft een definitie van wat een mantelzorger is. Het is iemand die zorg of hulp verleent aan een persoon omdat hij met diegene een sociale relatie heeft. De mantelzorger verleent de zorg of hulp niet beroeps- of bedrijfsmatig. Onderscheid tussen een mantelzorger en «gewone» familie, vrienden of kennissen van de cliënt is dat de mantelzorger de cliënt in zijn dagelijkse leven bijstaat en daadwerkelijk zorg verleent. De zorgaanbieder weet wie mantelzorger van een bepaalde cliënt is of zijn. Mantelzorgers zullen immers doorgaans regelmatig bij de cliënt langsgaan en daarmee een «bekend gezicht» in de instelling zijn. Hun betrokkenheid bij de zorg is vaak ook vastgelegd in het zorgplan.

PvdA – 33

Wat is de rol van de wettelijk vertegenwoordiger?

Een wettelijk vertegenwoordiger is een persoon die wettelijk bevoegd is om beslissingen te nemen voor iemand die dat zelf niet kan. Een zorgverlener die zorg of een behandeling wil geven aan een terzake wilsonbekwame cliënt, moet toestemming vragen aan de vertegenwoordiger. De vertegenwoordiger en de zorgverlener moeten de cliënt zo veel mogelijk betrekken bij de beslissing.

PvdA – 34

Is deze ook altijd mantelzorger?

Een wettelijk vertegenwoordiger kan tevens een mantelzorger zijn, maar doet hoeft niet. Een wettelijk vertegenwoordiger is iemand die beslissingen namens een cliënt mag nemen. Dat wil niet zeggen dat degene die die beslissingen neemt, ook per definitie onderdeel uitmaakt van de zorg voor een bewoner. Zo zijn een mentor, een bewindvoerder en een curator een wettelijk vertegenwoordiger, maar die zullen niet altijd ook mantelzorger zijn.

PvdA – 35

Welke criteria worden er gehanteerd om te bepalen of iemand bij de zorg betrokken is? Wie bepaalt deze criteria?

Het gaat om mensen die direct met de cliënten in contact staan om hen te verzorgen en te behandelen. Hiervoor worden geen specifieke criteria nodig geacht. Zorgaanbieders weten wie er bij de zorg betrokken zijn.

PvdA – 36

Kan op het moment dat een vaccin beschikbaar is als voorwaarde voor toegang worden gesteld dat de bezoekende persoon gevaccineerd is?

Het is voor zorginstellingen mogelijk om voorwaarden te stellen aan de toegang, zoals bijvoorbeeld dat iemand een mondkapje dient te dragen. Als bezoekers gevaccineerd zijn, kan dat hun besmettelijkheid verminderen, waardoor andere beschermingsmaatregelen wellicht minder nodig zijn. Op dit moment is het nog niet mogelijk aan te geven of en onder welke condities zorginstellingen dit onderdeel laten zijn van de bescherming van de kwetsbare personen in hun instellingen.

Ook het vierde lid roept bij deze leden vragen op over de concrete invulling.

PvdA – 37 en 38

Op welke wijze worden de belangen van de volksgezondheid afgewogen tegen het belang van cliënten bij toegang?

Worden hier criteria voor opgesteld?

Alle betrokken belangen dienen in de afweging worden meegenomen. Er mogen immers op grond van deze wet alleen die maatregelen getroffen worden die nodig zijn voor de bestrijding van de epidemie en in evenredige verhouding staan tot dat doel. Het is op voorhand niet mogelijk om aan te geven op welke wijze dit gebeurt en welke criteria hiervoor gelden. Dit is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Zo zal het voor de ene groep cliënten zwaarder zijn om geen fysiek bezoek te kunnen ontvangen dan voor een andere categorie cliënten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van het verblijf. Om die reden is het mogelijk bij ministeriële regeling onderscheid te maken tussen locaties of categorieën locaties. Bij het opstellen van een ministeriële regeling zal overigens het veld zoveel mogelijk geconsulteerd worden.

PvdA – 39 en 40

En als het belang van de cliënt zwaarder weegt, wat betekent dit dan voor de kans over verdere verspreiding van het covid-19 virus?

Anderzijds: als het belang van tegengaan van verspreiding van het virus in de praktijk altijd zwaarder weegt, wat is dan nog de waarde van het individuele belang bij bezoek?

Zoals in het antwoord op de vorige vraag omschreven, zal er altijd een belangenafweging bij het nemen van maatregelen plaatsvinden, maar is niet op voorhand aan te geven op welke wijze de belangenafweging uitpakt. Het is niet mogelijk om nu al aan te geven dat het één (kans op verdere verspreiding) altijd zwaarder weegt dan het ander (het ontvangen van bezoek). Dat is ook reden waarom deze afweging in eerste instantie aan de zorgaanbieders zelf wordt gelaten, omdat zij het beste in staat zijn in te schatten wat voor hun cliënten zwaarder weegt. Het gaat er uiteindelijk om dat die maatregelen genomen worden die in het specifieke geval proportioneel zijn. In het uiterste geval kan dit betekenen dat tijdelijk geen bezoek mogelijk is.

Het is mogelijk dat in sommige situaties het belang van een cliënt bij bezoek zwaarder wordt gewogen dan het tegengaan van de verspreiding van het virus. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een locatie waar mensen met een verstandelijke beperking wonen. Omdat het voor hen niet altijd te begrijpen is als er geen bezoek mag komen, en omdat zij niet per definitie verhoogd kwetsbaar zijn voor het virus, kan worden besloten om ook bij besmetting bezoek te laten doorgaan. In dergelijke situaties zullen voldoende maatregelen moeten worden getroffen, zoals gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, goede instructies en begeleiding, houden van afstand etcetera.

PvdA – 41

Wie maakt deze (moeilijke) afweging en kan hier tegen worden opgekomen door de cliënt?

Op grond van artikel 58o zijn in eerste instantie zorgaanbieders zelf aan zet om maatregelen te nemen om verspreiding van het virus tegen te gaan. Bij het nemen van maatregelen door de zorgaanbieder worden cliënten, hun naasten en personeel zoveel mogelijk vooraf betrokken. Indien er sprake is van algemeen beleid van de instelling inzake veiligheid, kwaliteit, hygiëne, ontspanningsmogelijkheden en recreatie dient op grond van de Wmcz 2018 ook de cliëntenraad te worden betrokken. Voor zaken die het dagelijks leven van de cliënten direct raken, hebben instellingen die erop zijn ingericht mensen daar langdurig te laten verblijven bovendien de verplichting de cliënten en hun vertegenwoordigers de gelegenheid te bieden inspraak te leveren. Zorgmedewerkers zullen worden betrokken omdat zij vanuit hun professionaliteit het beste kunnen inschatten hoe zorg kan worden afgestemd op de behoefte van de cliënt. Iedere zorgaanbieder dient een regeling te treffen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten. Indien iemand het niet eens met een gedraging van een zorgaanbieder jegens een cliënt, kan gebruikt gemaakt worden van die klachtenregeling. Indien de cliënt en de zorgaanbieder er op basis van een interne klachtenafhandeling niet uitkomen, kan de cliënt zijn klacht aan een geschilleninstantie voorleggen. Ingevolge de Wkkgz is iedere zorgaanbieder verplicht aangesloten bij een geschilleninstantie. Bij het opstellen van een eventuele ministeriële regeling zullen uiteraard alle belangen worden afgewogen, waarbij vooral veel oog zal zijn voor de belangen van bewoners zodat zij zoveel mogelijk kwaliteit van leven behouden. Het veld zal hierbij zoveel mogelijk worden geconsulteerd.

PvdA – 42

Kan de regering voorbeelden geven waaruit de praktische invulling van deze afweging blijkt?

De afwegingen die instellingen maken hangen af van een aantal factoren zoals bijvoorbeeld de inrichting van het gebouw, de mogelijkheid om diverse looproutes te maken of de beschikbaarheid van personeel. Een voorbeeld betreft gecohorteerd verplegen van besmette bewoners. Dit voorkomt niet alleen de verspreiding van de besmetting, maar maakt het ook mogelijk dat andere bewoners wel bezoek kunnen ontvangen. Ook zijn er instellingen die bezoek toelaten op een gecohorteerde afdeling waarbij verschillende maatregelen zijn getroffen, zoals het verstrekken van de benodigde beschermingsmiddelen aan bezoekers. Ook wordt in veel gevallen besloten tot een korte sluiting om inzicht te krijgen in de situatie en zo snel als mogelijk weer bezoek toe te laten.

PvdA – 43 en 44

Kan de regering tot slot aangeven of de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en Uitvoeringswet AVG voldoende ruimte bieden voor het verzamelen van (persoons)gegevens die nodig zijn om de verspreiding van het virus in kaart te brengen door bijvoorbeeld een grote zorginstelling?

Uit de omstandigheid dat geen regelgeving op dit punt in de wet is opgenomen, lijkt te kunnen worden afgeleid dat de huidige regelgeving volstaat bij voorkomende spanning tussen privacybescherming en bestrijding van het virus.

Zien de PvdA-fractieleden dit juist?

Om goede zorg te verlenen, mogen zorginstellingen persoonsgegevens verwerken. Instellingen bewaren kortdurend gegevens van bezoekers, zodat de GGD eventueel bron- en contactonderzoek kan doen. Zorginstellingen doen zelf geen onderzoek naar de verspreiding van het virus. Wel beschikken zij uiteraard over de gegevens van hun bewoners en personeel en kunnen zij dat desgevraagd ter beschikking aan de GGD stellen. Er bestaat voor zorginstellingen geen spanning tussen privacybescherming en bestrijding van het virus.

Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen:

PVV – 1

Artikel 58a, eerste lid van het wetsvoorstel geeft als begripsbepaling van «epidemie»: «epidemie: de epidemie van covid-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2».62 Kan de regering exact aangeven wat, in de context van deze wet, de criteria zijn voor het vaststellen en voortduren van de bedoelde epidemie, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Voor de jaarlijks terugkerende griepepidemie hanteert Nederland een vaste grenswaarde om te bepalen wanneer er sprake is van een epidemie; van een griepepidemie wordt gesproken als twee weken achter elkaar meer dan 58 op de 100.000 mensen griepachtige verschijnselen hebben en minstens 10 procent van deze mensen het influenzavirus heeft. Op die manier kunnen verschillende jaren ook met elkaar worden vergeleken. Voor epidemieën in het algemeen geldt geen vaste definitie. Het gaat om een beoordeling van de omvang en snelheid van de verspreiding van een ziekte in Nederland, waarover het OMT ons adviseert.

Ditzelfde artikel geeft als definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen»: «persoonlijke beschermingsmiddelen: uitrusting die bestemd is om te worden gedragen of vastgehouden teneinde de eigen of een andere persoon zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus SARS-CoV-2».63

PVV – 2

Kan de regering aangeven hoe het element «zoveel mogelijk te beschermen» in deze context wordt bepaald, door wie en op basis van welke criteria?

Dit element drukt uit dat de uitrusting erop gericht moet zijn om de betrokkene zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus. Dit betekent dat bijvoorbeeld een omhooggetrokken trui of een mondkapje van gaas niet zal volstaan. Mocht er in concrete situaties twijfel over bestaan of een uitrusting voldoet aan het genoemde bestanddeel, dan is de beoordeling daarvan, zoals bij alle bepalingen in deze wet en daarop gebaseerde bepalingen, uiteindelijk aan de rechter.

PVV – 3

Kan de regering aangeven in hoeverre in deze context ook mondkapjes worden bedoeld?

Mondkapjes zijn inderdaad persoonlijke beschermingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 58a, eerste lid, en artikel 58j, eerste lid, onder a.

Het RIVM geeft op haar website aan: «De literatuur is niet eenduidig over het effect van het dragen van niet-medische mondkapjes in openbare ruimten. Waarschijnlijk helpen mondkapjes maar beperkt bij het voorkomen van besmetting van anderen.»64

PVV – 4

Kan de regering aangeven of gelet op deze ontbrekende effectiviteit een niet-medisch mondkapje kan vallen onder de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen», nu niet aan het aspect van «zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus» voldaan wordt?

Ook niet-medische mondkapjes zijn persoonlijke beschermingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 58a, eerste lid, en artikel 58j, eerste lid, onderdeel a. Ook die mondkapjes zijn bestemd om de eigen of een andere persoon zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus SARS-CoV-2. Volgens het advies van het OMT van 4 mei 2020 volgt uit een recente publicatie van het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) dat mondkapjes de verspreiding van het virus tegen kunnen gaan in situaties waarin voldoende afstand houden niet altijd lukt, zoals in het openbaar vervoer of in supermarkten.65 Dit geldt in het bijzonder voor verspreiding door personen die nog geen symptomen vertonen.

Volgens een artikel in medisch wetenschappelijk tijdschrift The Lancet zouden (zelfgemaakte) stoffen mondkapjes, die ook door de overheid worden aanbevolen, niet beschermen tegen overdracht van het virus.66 The Lancet schrijft dat de meeste zelfgemaakte stoffen mondmaskers bestaan uit twee, in het beste geval vier, lagen met eventueel nog ruimte voor een bijkomende filter. Hoe dan ook is dat veel te weinig om even efficiënt te zijn als een chirurgische masker tegen een virusbesmetting.67 Puur technisch gezien biedt een stoffen mondmasker geen bescherming tegen het coronavirus omdat de mazen van de katoenen vezels veel te wijd zijn. Het coronavirus is ongeveer 0,1 micrometer groot. Dat is tienduizend keer kleiner dan een millimeter. In het beste geval houdt een stoffen masker – met filter dan nog – partikels tegen van minstens 2,5 micrometer.

PVV – 5

Kan de regering, gelet op deze constatering, aangeven of zulke niet-medische mondmaskers onder de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» vallen nu blijkt dat deze geen bescherming bieden tegen overdracht van het virus?

Anders dan deze leden stellen, is niet gebleken dat niet-medische mondmaskers of mondkapjes geen bescherming bieden tegen overdracht van het virus. Uit de aangehaalde publicatie van het ECDC in antwoord op vraag PVV-4 blijkt dat de meeste materialen in mondkapjes druppels die geproduceerd worden door de drager van het mondkapje in enige mate tegenhouden. Veel mondkapjes zorgen op deze manier voor bescherming van de omgeving als een patiënt met het virus een mondkapje draagt.

PVV – 6

Kan de regering derhalve uitsluiten dat op grond van deze definitie en daaraan in de wet verbonden bepaling het gebruik van dergelijke niet-effectieve mondmaskers verplicht zal worden gesteld?

Het kabinet zal de noodzakelijkheid en evenredigheid van een verplichting goed moeten toelichten.

PVV – 7

Kan de regering aangeven of, nu de overheid het (verplicht) dragen van mondmaskers vooral inzet om redenen van beeldvorming en bewustwording, aan het aspect «zoveel mogelijk te beschermen tegen overdracht van het virus» uit definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» voldaan wordt?

Anders dan deze leden veronderstellen, zijn «redenen van beeldvorming en bewustwording» voor het kabinet niet de dragende overweging om over te willen gaan tot de invoering van verplichtingen om in bepaalde situaties een mondkapje te dragen. Voor het overige verwijzen wij naar antwoord 5 op de vraag van deze leden.

PVV – 8

Kan de regering aangeven of de bij de persconferentie van het kabinet van 13 oktober 2020 aangekondigde mondkapjesplicht in publieke ruimten en de daarvoor benodigde juridische basis gezocht wordt in artikel 58f, vierde lid of artikel 58a, eerste lid, van voorliggend wetsvoorstel?

Nee, de juridische grondslag voor een mondkapjesplicht is gelegen in artikel 58j, eerste lid, onder a.

PVV – 9 en 10

Zo ja, hoe verhoudt deze verplichting zich tot verschillende aspecten van de definitie van «persoonlijke beschermingsmiddelen» uit dit artikel?

Zo nee, is er in dit kader een andere juridische samenhang met deze wet?

Zoals hiervoor is toegelicht, biedt artikel 58j, eerste lid, onder a, de basis voor de invoering van de door het kabinet beoogde verplichtingen om in bepaalde situaties een mondkapje te dragen.

PVV – 11 en 12

Artikel 58b, eerste lid van het wetsvoorstel stelt: «Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.»68 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van «een directe dreiging», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Het tweede lid van dit artikel stelt onder onderdeel a: «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is». Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen hiervan, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Voor de aanpak van covid-19 in Nederland is niet alleen de actuele verspreiding van covid-19 in Nederland van belang, maar ook de dreiging van een epidemie. Als het aantal besmettingen in Nederland laag is, maar de verspreiding in andere landen nog aanzienlijk is en de weerstand van de Nederlandse bevolking relatief laag, acht het kabinet maatregelen ter voorkoming van een epidemie in Nederland ook noodzakelijk. Het gaat om een beoordeling van de risico’s op de verspreiding van de ziekte in Nederland, waarover het OMT ons adviseert.

PVV – 13 en 14

Artikel 58d, eerste lid van het wetsvoorstel stelt: «Indien de uitoefening van die bevoegdheid leidt tot gevolgen van meer dan plaatselijke betekenis, of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan».69 Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van deze «ernstige vrees», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Het tweede lid van dit artikel stelt: «Zodra een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid zich niet langer voordoet, trekt Onze Minister zijn besluit in.» Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen of een omstandigheid zich niet langer voordoet, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Het gaat hier om het eigen bestuurlijk oordeel van de Minister van VWS. Uitgangspunt is inschatting van de bevoegdheden die worden toegepast en de mate waarin lokale maatregelen negatieve bovenlokale effecten (dreigen te) hebben op de bestrijding van de epidemie. Het gaat om maatwerk. Noch het nemen van het besluit, noch het intrekken van het besluit, laat zich vastleggen in indicatoren, factoren en drempelwaarden. In de vragen SP-2 en SP-3 zijn elementen genoemd die in ieder geval een rol spelen (aanzuigende werking uit buurgemeenten en verspreidingsrisico’s naar buurgemeenten onderdeel).

PVV – 15

Artikel 58f, eerste lid van voorliggend wetsvoorstel stelt: «Degene die zich buiten een woning ophoudt, houdt een veilige afstand tot andere personen.»70 Kan de regering nader onderbouwen, ook vanuit medisch oogpunt, waarom de (voorgenomen) verplichting voor het dragen van mondmaskers zich beperkt tot publieke binnenruimten en de «veilige afstand» in de buitenlucht wél verplicht wordt gesteld?

De regering acht het houden van de veilige afstand een van de belangrijkste maatregelen voor de bestrijding van covid-19. Door een veilige afstand te houden van andere mensen kan het risico op overdracht van druppels met virusdeeltjes die vrij komen bij hoesten, niezen, spreken en zingen sterk verkleind worden. Dat geldt zowel binnen als buiten. De inschatting is dat de kans op een besmetting buiten geringer is dan binnen. Daarom beperkt het voornemen om het dragen van een mondneuskapje te verplichten zich alleen tot de publieke binnenruimte.

PVV – 16

Met de versoepeling van de maatregelen per 1 juli 2020 is gesteld dat weer meer dan 2 personen in één auto mogen zitten, ook als zij niet behoren tot één huishouden.71 Kan de regering aangeven hoe dat uitgangspunt zich verhoudt tot voorliggend wetsvoorstel?

Het uitgangspunt van de veiligeafstandsnorm in dit wetsvoorstel is dat deze overal geldt, behalve in de woning. In artikel 58f, derde lid, zijn uitzonderingen geformuleerd van deze norm, waaronder voor personen die woonachtig zijn op hetzelfde adres, en verder kunnen uitzonderingen bij ministeriële regeling worden geregeld (artikel 58f, derde en vierde lid). Voor zover een auto of een ander vervoermiddel geen woning is, dan geldt in beginsel op grond van dit wetsvoorstel dat de bestuurder en de passagier(s) onderling een veilige afstand in acht nemen, tenzij zij op hetzelfde adres wonen. Net als nu het geval is, zou hierop bij ministeriële regeling een uitzondering gemaakt kunnen worden zodat ook personen die niet op hetzelfde adres wonen alsnog bij elkaar in de auto kunnen zitten.

PVV – 17

Het tweede lid van dit artikel stelt: «De veilige afstand wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, gehoord het RIVM.» Kan de regering aangeven in hoeverre bij het vaststellen van het AMvB kan worden afgeweken van het advies van het RIVM en op basis van welke criteria?

Wij hechten grote waarde aan de advisering van het RIVM. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de veilige afstand (Tijdelijk besluit veilige afstand), dat bij brief van 16 oktober jl. door de minsiter van VWS bij de Tweede en Eerste Kamer is voorgehangen72, is dan ook volledig in overeenstemming met het advies van het RIVM.

Het derde lid van dit artikel geeft mogelijkheden voor uitzonderingen op deze regel. In de memorie van toelichting is hierover op pagina 81 het volgende gesteld: «In het derde lid zijn uitzonderingen vastgesteld op de veiligeafstandsnorm. In de eerste plaats geldt een uitzondering voor personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn (onderdeel a). Het gaat om een brede uitzondering; niet vereist is dat die personen een gezin of huishouding vormen. Onder de uitzondering vallen bijvoorbeeld personen die op één woonadres in de basisregistratie personen staan ingeschreven, zoals ook bij studentenhuizen het geval is, maar ook andere situaties waarin sprake is van het feitelijk woonverblijf van de betrokken personen op hetzelfde adres. Te denken valt aan pleegkinderen die tijdelijk in een gezin worden opgenomen en in gevallen van co-ouderschap, samengestelde gezinnen en meerouder- en regenbooggezinnen waarbij een kind voor een deel van de tijd bij een of meer ouders woont, studenten die een deel van de tijd bij hun ouders wonen en senioren die door een van de volwassen kinderen tijdelijk in huis zijn genomen. In het geval van minderjarige kinderen geldt overigens ook de uitzondering in onderdeel d van het vierde lid.»73

In deze uitzonderingen wordt het ingeschreven staan op hetzelfde adres als uitgangspunt genomen, maar tegelijkertijd is sprake van een brede uitzondering. In de memorie van toelichting wordt gesteld: «Het gaat onder meer om personen die op hetzelfde adres woonachtig zijn, waaronder ook verschillende familie- en zorgsituaties vallen waarbij mensen feitelijk samen op hetzelfde adres leven.»74

PVV – 18

Kan de regering een nauwkeurige uitleg geven van «feitelijk samen»?

De uitzondering van de wettelijke veiligeafstandsnorm voor personen die feitelijk op hetzelfde woonadres wonen, is bedoeld voor personen die daadwerkelijk (een deel van de tijd) in dezelfde woning leven. Artikel 58f, derde lid, aanhef en onder a, geeft daarmee blijk van een ruimere uitleg dan het woonadres dat in de basisregistratie personen (brp) is geregistreerd. Als twee personen niet op hetzelfde woonadres staan ingeschreven, zal de beoordeling of zij daadwerkelijk op hetzelfde adres woonachtig zijn, afhangen van de omstandigheden van het geval en dat betekent dat de uitleg en toepassing deels in de praktijk zal plaatsvinden (zie hiervoor ook het antwoord op vraag GroenLinks-25). Met bijvoorbeeld een verklaring over de daadwerkelijke woonsituatie, waarbij familie- en zorgrelaties ook aanknopingspunten zijn, kan duidelijk worden gemaakt dat de betrokkenen (gedeeltelijk) samen op hetzelfde adres leven. Ook als huisgenoten een toegangsdeur delen die leidt tot een gedeelde kamer of tot gedeelde woonvoorzieningen, zullen zij voor de toepassing van deze wet over het algemeen woonachtig zijn op hetzelfde adres, ook als zij door de kamernummering formeel in de brp een ander huisnummer hebben.

PVV – 19 en 20

Kan de regering aangeven in hoeverre deze «brede uitzondering» ook van toepassing kan zijn op familie- en gezinssituaties waarbij een deel van het gezin niet op hetzelfde adres staat ingeschreven, maar wel tot hetzelfde huishouden behoort, bijvoorbeeld in het geval van gezinnen met (van tafel en bed) gescheiden ouders en LAT-relaties?

Kan de regering daarbij aangeven hoe een eventueel verschil hierin zich verhoudt tot het recht op «family life», zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

Voor de beantwoording van deze vragen is doorslaggevend of het deel van het gezin dat niet op hetzelfde adres staat ingeschreven wel daadwerkelijk een deel van de tijd op dat adres leeft. Dat kan bij gezinnen met (van tafel en bed) gescheiden ouders en LAT-relaties het geval zijn als zij feitelijk een of meer adressen delen. In zoverre zou er dus geen verschil zijn tussen de door de vraagsteller genoemde categorieën. Bij het bepalen of sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, is een belangrijke factor in de vaste jurisprudentie van het EHRM of de betrokkenen samen leven. Voor zover er zich situaties zouden voordoen die wel binnen het bereik van het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM vallen, maar niet binnen de opgenomen uitzondering om dat er geen sprake is van samen leven, is van belang dat de afstandsnorm niet elke vorm van uitoefening van dit recht onmogelijk maakt. Binnenshuis geldt de norm niet en buitenshuis kan men met inachtneming van de norm samen zijn.

PVV – 21

Kan de regering daarbij tevens aangeven hoe dit zich bij dergelijke gevallen verhoudt tot het gebruik van de (gezins)auto?

In het geval van het gebruik van een (gezins)auto geldt de uitzondering van de veiligeafstandsnorm ook voor personen onderling die (een deel van de tijd) op hetzelfde adres wonen. Zij kunnen dan samen in de auto plaatsnemen.

In de memorie van toelichting wordt op pagina 14 gesteld: «De veilige afstand wordt, gehoord het RIVM, bij amvb bepaald (artikel 58f, tweede lid) en zal naar verwachting net als momenteel anderhalve meter bedragen. Niet uit te sluiten valt dat een zeer gunstig of juist zeer ongunstig verloop van de verspreiding van de epidemie reden vormt om een andere veilige afstand vast te stellen.»75

PVV – 22

Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van het verloop van de epidemie en een andere veilige afstand, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Het gaat om een beoordeling van de omvang en snelheid van de verspreiding van een ziekte in Nederland, waarover het OMT ons adviseert. Wij verwijzen hiervoor naar het antwoord op vraag PVV-1.

PVV – 23

Kan de regering aangeven of dit ook kan betekenen dat de «veilige-afstandmaatregel» ook onder vigeur van deze wet als zodanig kan vervallen?

De veilige afstand is een vast onderdeel van de tijdelijke wet en kan zo lang de tijdelijk wet van toepassing is niet vervallen. Wel kan de veilige afstand via de algemene maatregel van bestuur op een andere afstand worden vastgesteld.

PVV – 24

Voorts stelt pagina 15 van de memorie van toelichting: «Mede omdat wetenschappelijke inzichten snel kunnen wijzigen, is ervoor gekozen om nadere uitzonderingen mogelijk te maken bij ministeriële regeling.»76 Kan de regering aangeven hoe en op grond van welke criteria deze wetenschappelijke inzichten worden afgewogen?

De regering zal in voorkomende gevallen advies vragen van het RIVM of het OMT over het beschermingsniveau van alternatieve maatregelen dan de veilige afstand. Vervolgens zal het kabinet besluiten of voor specifieke situaties een uitzondering gemaakt kan worden.

PVV – 25

Kan de regering tevens aangeven of deze wetenschappelijke inzichten prevaleren boven «beeldvorming» en/of «bewustwording»?

Zo in zijn algemeenheid kan de regering daar geen uitspraak over doen. De regering beroept zich in haar voorstellen op wetenschappelijke inzichten omdat de regering van mening is dat beleid zoveel mogelijk gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke inzichten. Daarnaast kunnen echter ook breed gedragen opvattingen in de samenleving, zoals naar voren gebracht in het parlement van belang zijn. Maar «redenen van beeldvorming en bewustwording» zijn voor het kabinet niet de dragende overweging om over te willen gaan tot de invoering van maatregelen.

Artikel 58g, eerste lid van dit wetsvoorstel stelt: «Bij ministeriële regeling kunnen plaatsen, niet zijnde woningen, worden aangewezen, waar het niet is toegestaan zich in groepsverband op te houden met meer dan een bij die regeling vast te stellen aantal personen.»77

PVV – 26

Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van het aantal personen, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Ter reducering van het aantal besmettingen kunnen maatregelen worden getroffen om groepsvorming en sociale contacten te verminderen en het aantal reisbewegingen te reduceren. Over de juiste groepsgrootte om dat doel te bereiken laat de regering zich adviseren door het OMT, maar daarnaast zijn bijvoorbeeld ook overwegingen van praktische uitvoerbaarheid, eenduidigheid en handhaafbaarheid van belang.

PVV – 27

Kan de regering dit tevens aangeven ten aanzien van het «aantal personen» als bedoeld in artikel 58i van het wetsvoorstel?

Bij evenementen komen gewoonlijk veel mensen bij elkaar en kan het zeer lastig zijn om de veilige afstand te houden. Een beperking van het aantal mensen kan een belangrijke voorwaarde zijn om evenementen mogelijk te maken, maar waarschijnlijk alleen in combinatie met maatregelen die zorgen voor voldoende mogelijkheden om de veilige afstand te houden in de ruimte die voor het evenement is bedacht.

Artikel 58k, vierde lid van het voorliggende wetsvoorstel stelt: «In een spoedeisende situatie kan Onze Minister onderscheidenlijk de burgemeester een bevel geven.»78

PVV – 28

Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van een «spoedeisende situatie», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Met de in artikel 58k, vierde lid opgenomen bevelsbevoegdheid wordt in wezen hetzelfde beoogd als met de in het derde lid opgenomen aanwijzingsbevoegdheid: een aanwijzing of bevel is erop gericht dat personen die zich op die publieke plaats begeven, zich kunnen houden aan de op die plaats geldende gedragsnormen zoals de veilige afstand. Het verschil tussen beide bevoegdheden is dat in een situatie waarin een schriftelijke aanwijzing niet kan worden afgewacht, bijvoorbeeld in een overvolle publieke plaats, een mondeling bevel kan worden gegeven. Dit betreft een beoordeling van de feitelijke situatie ter plaatse door degene aan wie deze bevoegdheid toekomt. Deze bevoegdheid berust afhankelijk van de betreffende plaats, bij de burgemeester onderscheidenlijk de Minister van VWS. Vanwege de tijdelijkheid van de wet is het voornemen om de in dit artikel bedoelde bevoegdheid van de Minister van VWS tot het geven van aanwijzingen en spoedeisende bevelen zoveel mogelijk te beleggen bij de toezichthouders die onder normale omstandigheden reeds fysiek toezicht houden in besloten plaatsen en waarmee degenen die zeggenschap hebben over die plaatsen al bekend zijn.

PVV – 29

Kan de regering aangeven hoe bij toepassing van dit artikel bestuurlijke willekeur wordt voorkomen?

Het gaat bij de toepassing van artikel 58k, tweede en vierde lid en 58l, tweede en vierde lid, om een discretionaire bevoegdheid waarbij de Minister van VWS en de burgemeester beoordelingsruimte en beleidsruimte toekomt. Ten behoeve van een consistente toepassing kunnen zij beleidsregels opstellen (artikel 4:81 Awb). Bij de toepassing van de bevelsbevoegdheid bij spoedeisende gevallen vereisen de artikelen 58k, vierde lid en 58l, vierde lid, voorts dat het bevel zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld en bekendgemaakt. Tevens geldt hiervoor de gebruikelijke motiveringsplicht (artikel 3:46 Awb). Het op schrift gestelde besluit staat open voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter die kan toetsen of de beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen. Met deze waarborgen wordt bestuurlijke willekeur bij de toepassing van discretionaire bevoegdheden voorkomen.

PVV – 30

Kan de regering dit tevens aangeven ten aanzien de criteria voor «ernstige vrees» bij toepassing van het bevel als bedoeld in artikel 58m van het wetsvoorstel?

Artikel 58m betreft de bevoegdheid van de burgemeester om op openbare plaatsen bevelen te geven. Indien de burgemeester van oordeel is dat de omstandigheden aldaar zodanig zijn dat de aanwezige personen de geldende gedragsregels of andere geldende maatregelen niet in acht kunnen nemen, of «bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan», kan hij de bevelen geven die nodig zijn om de naleving van die regels te verzekeren. Het criterium «ernstige vrees» in artikel 58m is ontleend aan de bevelsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 175 van de Gemeentewet. Daarbij gaat het om een concrete en actuele dreiging79 van een situatie waarbij de aanwezige personen de geldende regels op grond van artikel 58f tot en met 58j niet in acht kunnen nemen. Het gaat ook hier om een feitelijke beoordeling van de situatie ter plaatse door degene aan wie deze bevoegdheid toekomt.

Gedacht kan worden aan zodanige toenemende drukte op straat dat de situatie zodanig dreigt te worden dat de veilige afstand niet meer kan worden gehouden. In dat geval kan de burgemeester de bevelen geven die nodig zijn om de naleving van de regels te verzekeren. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het gedeeltelijk afsluiten van een straat of het aanwijzen van looproutes. Ook voor de uitoefening van deze bevoegdheid geldt dat deze alleen kan worden toegepast als dit (onder meer) noodzakelijk is gelet op de ernst van de dreiging en als dat evenredig is aan de bestrijding van de epidemie (artikel 58b, tweede lid).

Op pagina 29 van de memorie van toelichting stelt de regering: «Deze wet biedt de grondslag en het kader om bij amvb en bij ministeriële regelingen de noodzakelijke maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen getroffen worden ter bescherming van de (volks)gezondheid als legitiem doel, nu er sprake is van een epidemie van een groep A-infectieziekte.»80

PVV – 31

Kan de regering aangeven op basis van welke criteria Covid-19 is aangemerkt als een groep A-infectieziekte?

Bij het beoordelen welke ziekten A-ziekten zijn, kijkt het kabinet niet alleen naar het sterftecijfer, maar naar de algehele dreiging voor de bevolking. Zo lang als er nog weinig weerstand in de samenleving is tegen covid-19 blijft de dreiging van een grote piek van besmettingen aanwezig. Hoewel de behandelmogelijkheden al verbeterd zijn, is er nog geen geneesmiddel tegen de ziekte. Bij een grote piek zullen veel kwetsbare mensen ernstig ziek worden en overlijden. In tegenstelling tot wat sommige mensen zeggen, zijn dat niet alleen mensen die anders ook al op korte termijn zouden overlijden. Mensen kunnen immers vele, mooie jaren leven met een chronische ziekte of aandoening. Het RIVM en het OMT adviseren het kabinet over welke ziekten op de lijst van A-ziekten zouden moeten staan.

PVV – 32

Kan de regering aangeven hoe deze passage zich verhoudt tot het feit dat het wetsvoorstel Wijziging van de Wet publieke gezondheid tot incorporatie van de Regeling 2019-nCoV nog niet is aangenomen?81

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wpg, kan de Minister van VWS, indien een gegrond vermoeden bestaat van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid, een infectieziekte aanmerken als behorend tot groep A. Voor het virus is dat gebeurd met ingang van 28 januari 2020 in de Regeling 2019-nCOV (Stcrt. 2020, 6800). Op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wpg, dient binnen acht weken na totstandkoming van een dergelijke regeling een voorstel van wet tot incorporatie van die regeling aan de Tweede Kamer te worden gezonden. Het desbetreffende wetsvoorstel is ingediend op 20 februari 202082. Het wetsvoorstel is in behandeling bij de Tweede Kamer, zodat de regeling nog geldt. Mocht het wetsvoorstel worden ingetrokken of verworpen, dan wordt de regeling onverwijld ingetrokken (artikel 20, vierde lid, van de Wpg).

PVV – 33

Kan de regering aangeven onder welke criteria en op basis van welke indicatoren de status van Covid-19 als groep A-infectieziekte eventueel afgeschaald kan worden?

Zoals wij hebben geantwoord bij vraag PVV-31 kijkt de regering daarvoor naar de algehele dreiging voor de bevolking. Het RIVM en het OMT adviseren het kabinet over welke ziekten op de lijst van A-ziekten zouden moeten staan en welke daarvan afgehaald kunnen worden.

PVV – 34

In hoeverre wordt in dit kader rekening gehouden met de mutatie van het virus?

Mutaties in het RNA van virussen komen voortdurend voor. Door middel van onderzoek naar het RNA van het virus wordt vastgesteld welke mutaties van het virus er plaatsvinden. Dat onderzoek wordt gedaan door onderzoekslaboratoria. De meeste mutaties van SARS-CoV-2 worden gezien als onderdeel van dit virus. Als er een significante mutatie ontstaat, kan er sprake zijn van een nieuwe ziekte. Hoofdstuk Va, dat met het onderhavige wetsvoorstel aan de Wpg wordt toegevoegd, heeft enkel betrekking op de bestrijding van de epidemie van de ziekte covid-19, of een directe dreiging daarvan, en niet op eventuele andere, nieuwe ziektes. Als er een nieuwe ziekte ontstaat, zal afzonderlijk voor die ziekte beoordeeld worden of die ziekte moet worden toegevoegd aan de groep A-ziekten van de Wpg.

PVV – 35

Kan de regering aangeven in hoeverre dit wetsvoorstel enkel van toepassing is op het Coronavirus 2019-nCoV (officiële naam SARS-CoV-2), of ook op mutanten of varianten van dit virus?

De ziekte die veroorzaakt wordt door het virus SARS-CoV-2 is door de WHO aangeduid als covid-19. Dit wetsvoorstel is uitsluitend van toepassing op de bestrijding van de epidemie van covid-19, veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, of een directe dreiging daarvan. Dat volgt uit de definitie van «epidemie» in artikel 58a, eerste lid, en de reikwijdtebepaling van artikel 58b, eerste lid. De meeste mutaties van SARS-CoV-2 worden gezien als onderdeel van dit virus. Als echter gesproken wordt over een nieuwe ziekte (een andere ziekte dan covid-19), zal het gaan om een significante mutatie van dit virus, en is dit wetsvoorstel daarop niet van toepassing.

PVV – 36

Zo ja, wat zijn de criteria voor het vaststellen van mutanten of varianten van het virus, door wie en op welke wijze worden deze criteria bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

Wij verwijzen hiervoor naar het antwoord op de vragen PVV-34 en PVV-35.

Voorts stelt de regering op pagina 29 en30 van de memorie van toelichting: «Bij het vaststellen van de amvb en ministeriële regelingen dient aan de hand van de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en voortgang van de bestrijding te worden beoordeeld in hoeverre maatregelen die grondrechten beperken, noodzakelijk zijn voor het doel van de bestrijding van de epidemie.»83

PVV – 37

Kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van «de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en voortgang van de bestrijding», door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

De Minister van VWS beoordeelt de actuele stand van zaken en maakt daarbij gebruik van de adviezen van het OMT. Een aantal belangrijke indicatoren voor de verspreiding van het virus zijn opgenomen in het publiek toegankelijke Coronadashboard. Bij het indienen van een ministeriële regeling zullen de drie Ministers toelichten hoe zij de actuele stand van het virus beoordelen.

PVV – 38

Kan de regering concreet aangeven in hoeverre het testbeleid hierop van invloed is, waaronder de mate van fals positive testen en de criteria waarop getest wordt?

Het testbeleid is van groot belang om een goede inschatting te krijgen hoeveel mensen besmet zijn met het virus in Nederland. Het testbeleid biedt overigens geen volledig uitsluitsel omdat niet iedereen zich laat testen. Het is de regering ook bekend dat bij het testen een klein deel van de uitslagen gerekend moet worden tot vals positieve en vals negatieve uitslagen. Bij het inschatten van de daadwerkelijke verspreiding van het virus in Nederland en het adviseren over maatregelen houdt het OMT daar rekening mee.

PVV – 39

Kan de regering aangeven hoe in deze afwegingen ten aanzien van de «actuele stand» rekening wordt gehouden met reguliere griepgevallen?

Bij de actuele stand van de verspreiding van covid-19 speelt de verspreiding van de reguliere griep geen directe rol. Wel kan een stijging van besmettingen met griepvirussen een extra belasting betekenen voor de zorgsector, waardoor er minder capaciteit beschikbaar is voor de behandeling van covid-19-patiënten.

PVV – 40

Kan de regering aangeven of in deze afwegingen over de «actuele stand» wordt uitgegaan van een aantal (mogelijke) besmettingsgevallen, of het concrete aantal ziekenhuis/IC-opnames en/of sterftegevallen?

Alle drie de aspecten worden meegewogen.

PVV – 41 en 42

Kan de regering uitsluiten dat deze inzichten worden gebaseerd op de intrinsiek onbetrouwbare coronamelder app?

Zo nee, kan de regering aangeven wat de criteria zijn voor het vaststellen van inzichten uit de corona melderapp, door wie en op welke wijze deze criteria worden bepaald en getoetst en op basis van welke indicatoren, factoren en drempelwaarden?

CoronaMelder is aanvullend op het reguliere bron- en contactonderzoek en wordt gebruikt om sneller meer mensen te waarschuwen dat zij langere tijd in nauw contact zijn geweest met iemand die later besmet blijkt te zijn. Daarmee kunnen zij maatregelen nemen om een eigen mogelijke besmetting niet over te brengen op andere mensen en daarmee ketens van besmetting te doorbreken. CoronaMelder weet niet wie de gebruiker is en waar deze persoon is en houdt hier dus ook geen data van bij die gebruikt kan worden voor de stand van de verspreiding van het virus.

Op pagina 30 en 31 van de memorie van toelichting stelt de regering: «Ten slotte is reeds gebleken dat de voorgestelde maatregelen geschikt en effectief zijn, omdat dezelfde maatregelen eerder van kracht zijn geweest om de epidemie te bestrijden; het aantal nieuwe infecties, ziekenhuisopnames en het aantal nieuwe opnames op de IC-afdelingen is momenteel afgenomen en ook het aantal aan deze epidemie gerelateerde sterfgevallen per week neemt geleidelijk af.»84

PVV – 43

Kan de regering de hier veronderstelde causaliteit tussen maatregelen en effectiviteit wetenschappelijk verantwoord en cijfermatig onderbouwd boekstaven?

Het is inderdaad lastig om de effectiviteit van maatregelen te kunnen vaststellen omdat we niet de mogelijkheid hebben om de verschillende maatregelen in een experimentele laboratoriumsetting uit te proberen. Op basis van wetenschappelijke consensus over de voornaamste route van overdracht van het virus (via druppels bij hoesten, niezen, spreken en zingen) en het nut van het houden van een veilige afstand en de ontwikkeling van de verspreiding van het virus sinds de introductie van de maatregelen, komen nationale deskundigen op het terrein van infectieziektenbestrijding tot de conclusie dat de maatregelen die Nederland getroffen heeft effectief zijn geweest in het terugdringen van het aantal besmettingen en het afvlakken van de curve. We kunnen echter niet met zekerheid stellen wat er gebeurd was als we de maatregelen niet hadden getroffen of als we andere maatregelen hadden getroffen. Op basis van modelberekeningen van het RIVM wordt vermoed dat de piek veel groter was geweest en de druk op ziekenhuizen en IC’s veel hoger als de maatregelen niet waren getroffen.

Arts-microbioloog Schneeberger van de Brabantse ziekenhuizen JBZ en Bernhoven stelt in het BD: «Maar het meest opvallend was toch dat de curve heel steil opliep, en vervolgens ook héél steil weer afnam. En dat gebeurde nog vóór de persconferentie van Rutte over de intelligente lockdown. Dat sterkt mij in de gedachte dat niet de maatregelen de afname hebben bewerkstelligd, maar dat het virus uitdoofde omdat het simpelweg nergens meer heen kon. Het had hier in korte tijd al te veel mensen besmet.»85

PVV – 44

Kan de regering tevens aangeven hoe deze constatering uit de praktijk van de coronabrandhaard zich verhoudt tot de door de Minister veronderstelde effectiviteit van de maatregelen?

De heer Schneeberger noemt in het door deze leden aangehaalde artikel de mogelijkheid dat er in de omgeving van Uden al zoveel mensen besmet waren, dat de besmettingscurve om die reden al begon te dalen. De verklaring van de heer Schneeberger is mogelijk een verklaring voor een lokale daling, maar geen afdoende verklaring voor de teruggang van het aantal besmettingen in Nederland. De onderzoeken die gedaan zijn naar het aantal mensen in Nederland dat een besmetting heeft doorgemaakt, suggereren niet dat al sprake kan zijn van een dusdanig effect.

Restauranthouders in Berlijn zijn onlangs door de rechter in het gelijk gesteld over door de overheid opgelegde coronamaatregelen voor de horeca: «De rechter zei dat de Duitse gezondheidsautoriteiten van het Robert Koch Instituut met hun statistieken hebben aangetoond dat sluiting op een bepaalde tijd geen extra voordeel oplevert naast de reeds ingevoerde beperkingen, zoals bijvoorbeeld hygiënische maatregelen of maximale aantallen klanten. De rechter ziet ook niks in het verbod alcohol te schenken na 23.00 uur.»86

PVV – 45

Kan de regering nader onderbouwen waarom de met voorliggend wetsvoorstel beoogde soortgelijke maatregelen wél proportioneel en effectief zouden zijn, terwijl dit in Duitsland in de bestrijding van hetzelfde virus niet het geval blijkt te zijn?

De effectiviteit van de maatregelen die worden genomen moeten steeds worden bezien in het totaal aan maatregelen die op dat moment worden ingevoerd. Zo draagt bijvoorbeeld de sluiting van horecagelegenheden bij aan het beperken van de groepsvorming en van het aantal reisbewegingen.

PVV – 46

Veel van de voorgestelde maatregelen leveren een inbreuk op grondrechten en worden nader uitgewerkt in ministeriële regelingen. Kan de regering nader onderbouwen hoe hij deze werkwijze ten aanzien van de waarborging van grondrechten kan verantwoorden en hoe bestuurlijke willekeur en onevenredig overheidsingrijpen in het persoonlijk leven van burgers wordt voorkomen?

Bij de maatregelen die worden gebaseerd op het voorgestelde hoofdstuk Va is vanuit een oogpunt van beheersing van de epidemie snel en slagvaardig handelen ten behoeve van de bescherming van de volksgezondheid vereist. Daarom wordt een stelsel voorgesteld dat uitgaat van delegatie naar het niveau van ministeriële regeling, met ruimte voor differentiatie (artikel 58e, eerste lid) en maatwerk op regionaal of lokaal niveau (artikel 58e, tweede tot en met vierde lid). Zoals in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven, is het voor de regering volstrekt duidelijk dat een delegatie van een ingrijpende regelgevende bevoegdheid zoals in dit wetsvoorstel is voorzien, ongebruikelijk is. Om bovengenoemde redenen is dit echter onontkoombaar. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State noemt het in haar advies over dit wetsvoorstel gelet op de bijzondere omstandigheden die op dit moment aan de orde zijn gerechtvaardigd dat nadere uitwerking plaatsvindt bij ministeriële regeling. Dit is door de Afdeling advisering nog eens herhaald in de voorlichting die zij op 22 oktober 2020 heeft uitgebracht aan de Eerste Kamer.87 Daarbij hecht de regering eveneens betekenis aan het oordeel van de Afdeling dat het wetsvoorstel in het licht van de beperkingensystematiek van de grondrechtsartikelen in de Grondwet voldoende specifieke grondslagen bevat voor de ministeriële regelingen en dat er naar het oordeel van de Afdeling voldoende in de wet zélf wordt geregeld. Verder geldt als waarborg dat ten aanzien van de uitvoeringsregelgeving is voorzien in parlementaire betrokkenheid van beide Kamers (artikel 58c, tweede tot en met vijfde lid en artikel 58f, tweede lid).

Artikel 58s van voorliggend wetsvoorstel regelt de «Verantwoording en informatievoorziening» naar de volksvertegenwoordigingen.

PVV – 47 en 48

Kan de regering aangeven of maximale transparantie van te voeren beleid wordt betracht, zonder bijvoorbeeld voor de democratische controle belangrijke documenten niet te openbaren en/of grotendeels zwart te lakken?

Is de regering bereid om de Kamer inzage te geven in alle onderliggende stukken (zonder daarin de cruciale informatie weg te lakken) waarop de besluiten in het kader van deze wet worden genomen?

Het kabinet is voorstander van het zo veel mogelijk verstrekken van informatie aan de Kamer. Zowel bij actieve informatieverstrekking als bij informatieverstrekking op verzoek, zijn wat het kabinet betreft openheid en transparantie de norm. De Kamers dienen te allen tijde te worden voorzien van de benodigde inlichtingen. Zonder de mogelijkheid om informatie te verkrijgen van de regering kan het parlement zijn controlerende taak immers niet goed vervullen. De inlichtingenplicht wordt slechts begrensd door het belang van de staat. Belangen als de nationale veiligheid, de eenheid van de Kroon of privacy kunnen beperkingen met zich brengen bij het verstrekken van informatie. Dan zal informatie bijvoorbeeld zo veel als mogelijk op geobjectiveerde of geanonimiseerde wijze worden verstrekt. Tegelijkertijd moet de Kamer niet worden overladen met informatie. De kwaliteit van de informatie moet voorop staan. Van geval tot geval zal worden bezien op welke wijze bij het verstrekken van inlichtingen optimaal aan de hiervoor genoemde uitgangspunten tegemoet kan worden gekomen. Hoe dan ook zal het kabinet, zoals in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over ministeriële verantwoordelijkheid is opgemerkt88, gerichte verzoeken om specifieke documenten honoreren op eenzelfde wijze als wanneer de verzochte stukken via de Wob zouden zijn verstrekt. Indien nodig kan de bewindspersoon bij het verstrekken van de stukken deze ook voorzien van een duiding van de inhoud. In voorkomende gevallen vindt hierover uiteraard overleg plaats tussen het kabinet en de Kamer.

PVV – 49

Is de regering bereid om de Kamer een volledig overzicht te verstrekken van alle laboratoria waar Nederlandse coronatests worden verwerkt?

Een overzicht van alle testlaboratoria wordt bijgehouden op de website van het RIVM, bij punt 7.289. Het overzicht wordt regelmatig bijgewerkt.

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

SP – 1

Met betrekking tot artikel 58d van het wetsvoorstel vragen de SP-fractieleden of ook een ander dan de voorzitter van de veiligheidsregio een verzoek tot de Minister van VWS kan richten in het geval het een gemeente betreft waar de burgemeester tevens voorzitter is van de veiligheidsregio.

Ja. De wet bevat geen beperking van degenen die de Minister van VWS een aanbeveling of verzoek kunnen doen om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 58d, eerste lid.

SP – 2 en 3

Behoort de burgemeester bij de afwegingen conform artikel 58e, vierde lid, van het wetsvoorstel ook mee te wegen de bovenlokale effecten van de te verlenen ontheffing?

Dienen aanzuigende werking uit buurgemeenten en verspreidingsrisico’s naar buurgemeenten onderdeel te zijn van de afweging?

Door middel van ontheffingen kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van de landelijk gestelde normen. Bij de belangenafweging om al dan niet een ontheffing te verlenen ligt het in de rede dat de burgemeester eventuele bovenlokale effecten van de ontheffing meeweegt. De ontheffing wordt niet verleend als naar het oordeel van de burgemeester het belang van de bestrijding van de epidemie zich ertegen verzet. Voor die beoordeling wordt de GGD om advies gevraagd. Overleg door de burgemeester met de omliggende gemeenten is aangewezen in het geval de ontheffing een bovenlokaal effect met zich dreigt te brengen. Dit kan zowel betrekking hebben op de aanzuigende werking vanuit andere gemeenten als op andere voorzienbare effecten in buurgemeenten. Ook in het regionaal beleidsteam van de veiligheidsregio kan hierover coördinatie en afstemming plaatsvinden.

SP – 4

Op welke wijze wordt voorkomen dat er in de uitvoering rechtsongelijkheid en willekeur tussen verschillende gemeenten ontstaat?

Met dit wetsvoorstel is aangesloten bij de bestuurlijke verhoudingen die buiten crisissituaties van toepassing is. Dat brengt met zich dat op gemeentelijk niveau afwegingen worden gemaakt, en dat door specifieke lokale omstandigheden die afwegingen tussen gemeenten kunnen verschillen. Lokaal maatwerk kan juist bijdragen aan de proportionaliteit van de maatregelen in bijzondere gevallen. Ook ontheffingsbesluiten zijn altijd gericht op een bijzonder, concreet geval waarbij geldt dat tegen de beslissing van de burgemeester bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat. Het voorgaande betekent niet dat gemeenten of burgemeesters geen afstemming zoeken met omliggende gemeenten. Intergemeentelijke afstemming en overleg tussen burgemeesters is altijd mogelijk en soms zelfs aangewezen (artikel 170, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet).

SP – 5

De volgende vraag komt op bij het lezen van artikel 58f, vierde lid, van het wetsvoorstel. Kan de regering aangeven hoe invulling kan worden gegeven aan door het treffen van hygiënemaatregelen, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen of op andere wijze, een beschermingsniveau bereiken dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat bereikt wordt door het houden van de veilige afstand? Tot op heden is immers steeds door de regering gecommuniceerd dat deze genoemde maatregelen de veilige afstand niet kunnen vervangen.

Op dit moment heeft de regering inderdaad nog geen maatregelen aangemerkt die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden als het houden van de veilige afstand. Er wordt echter wel onderzoek gedaan naar alternatieven die als zodanig zouden kunnen werken. Om die reden is deze bepaling opgenomen in de tijdelijke wet.

SP – 6

Is dit daarmee een niet-uitvoerbaar artikel?

Vooralsnog zijn geen maatregelen aangemerkt die rechtstreeks onder dit artikel zouden kunnen vallen. Alle maatregelen die worden toegepast in plaats van het houden van de veilige afstand zijn vormgegeven als uitzondering daarop.

SP – 7

Kan conform artikel 58j, eerste lid, onder d, van het wetsvoorstel de bezettingsgraad ook op nul worden vastgesteld, waarmee een feitelijk sluiting wordt bewerkt, zo vragen de SP-fractieleden.

Artikel 58j, eerste lid, onderdeel d, maakt het mogelijk om onder meer voor hotels of bijvoorbeeld campings een bezettingsgraad vast te stellen. Met dit artikel wordt beoogd risico’s voor de volksgezondheid door drukte of bewegingen als gevolg van het aanbod van toeristische overnachtingsplaatsen, te beperken. Het op nihil stellen van een bezettingsgraad zou materieel tot een sluiting kunnen leiden. Dit zal slechts in uiterst geval aan orde kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een ernstige (lokale) opleving van het virus of de lokale gezondheidszorg door grootschalig toerisme in geval van besmetting ernstig onder druk kan komen te staan. Daar waar het gaat om sluiting van plaatsen biedt artikel 58h een algemene grondslag om publieke plaatsen te sluiten of voorwaarden te verbinden aan de openstelling.

SP – 8

Moet artikel 58o, vijfde lid, onder a, van het wetsvoorstel zo worden uitgelegd dat te allen tijde één familielid toegang verleend moet worden?

Ja, artikel 58o, vijfde lid, onderdeel a, moet zo worden uitgelegd dat één persoon per bewoner toegang moet krijgen tot zijn naaste, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. Dit hoeft niet per sé een familielid te zijn, maar kan ook een andere naaste zijn van de bewoner. Uiteraard wordt gezamenlijk met de bewoner gekeken welke persoon op bezoek moet kunnen bij een bewoner.

Er zijn wel uitzonderlijke situaties waarin het niet mogelijk is deze persoon toegang te verlenen. Als er een besmetting op de locatie is, zal op de niet besmette gedeelten van een locatie doorgaans nog bezoek worden toegelaten. Daar waar de besmette bewoners in cohort worden verpleegd, is dat niet altijd mogelijk. Het komt voor dat zorginstellingen ook voor besmette bewoners op cohortafdelingen bezoek mogelijk maken, maar niet op alle locaties laten de omstandigheden dit toe. Een dergelijke situatie is uitgezonderd van de verplichting van dit artikel.

Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat het niet nodig is artikel 58o, vijfde lid, onderdeel a, te gebruiken voor de toegang door mantelzorgers. Personen die écht de rol van mantelzorger hebben en op die manier bij de zorg betrokken zijn, krijgen reeds op grond van het eerste lid toegang tot een bewoner van een zorginstelling. Er kunnen alleen beperkingen of voorwaarden gesteld worden aan de toegang van personen, die geen mantelzorger zijn.

SP – 9 en 10

Hoe verhoudt zich dit de situatie wanneer zich een verdenking van corona voordoet en de afdeling gedurende de periode tot de uitslag bekend is, wordt gesloten? Valt dit onder uitzonderlijke omstandigheden?

Op voorhand is het niet mogelijk om exact aan te geven wat onder uitzonderlijke omstandigheden valt. Het uitgangspunt is dat zorginstellingen maatwerk toepassen bij beslissingen over het beperken van bezoek. Het is aan de zorginstellingen zelf om te besluiten of het nodig is in hun specifieke situatie een afdeling tijdelijk te sluiten voor bezoek. De handreiking die gemaakt is door veldpartijen in de verpleeghuiszorg, kan daarbij behulpzaam zijn.

Vragen en opmerkingen van de ChristenUnie-fractie

In het geheel van de wetgeving wordt een grote rol toegekend aan de wetenschap. Zo lezen de ChristenUnie-fractieleden op pagina 13 van de memorie van toelichting: «De te treffen maatregelen zullen afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden en wetenschappelijke inzichten op dat moment. Het te voeren beleid zal daarom net als nu het geval is, moeten kunnen meebewegen met de ontwikkeling van de epidemie. Daarbij zal steeds een nadere afweging plaatsvinden tussen het belang van de volksgezondheid en andere relevante belangen, waaronder maatschappelijke en economische belangen.»90

Op pagina 15 lezen de leden: «Mede omdat wetenschappelijke inzichten snel kunnen wijzigen, is ervoor gekozen om nadere uitzonderingen mogelijk te maken bij ministeriële regeling.»91 In de artikelen III en IV van het wetsvoorstel wordt ook verwezen naar de «stand van de wetenschap».

Deze citaten roepen bij de leden van de fractie van de ChristenUnie enkele vragen op:

ChristenUnie – 1

Hoe ziet de Minister de taakverdeling tussen «wetenschap» en «politiek»?

Op het terrein van de bestrijding van covid-19 maakt de regering bij het nemen van haar beslissingen gebruik van wetenschappelijke inzichten, die bij een nieuw virus helaas veel beperkter beschikbaar zijn dan bij bekende ziekteverwekkers. De regering vraagt het OMT om op basis van de beschikbare wetenschappelijke inzichten adviezen op te stellen over de bestrijding van covid-19 voor de regering. Daarnaast stimuleert de regering onderzoeksprojecten die nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen opleveren die nuttig zijn voor de bestrijding van covid-19, bijvoorbeeld via onderzoeksprogramma’s van ZonMw. Het is het kabinet dat op basis van de inzichten beslissingen neemt over het te voeren beleid.

ChristenUnie – 2

Zou het kunnen zijn dat een scherpe scheiding tussen «wetenschap» en «politiek» vruchtbaar is?

Dat zou inderdaad kunnen. De regering beroept zich in haar voorstellen op wetenschappelijke inzichten omdat de regering van mening is dat beleid zoveel mogelijk gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke inzichten. De samenwerking tussen overheid en wetenschap is tijdens covid-19 zichtbaarder geworden, maar niet gewijzigd. Het OMT is een zogenoemd crisisexpertteam. Het kabinet vraagt van het OMT om op basis van de beschikbare wetenschappelijke inzichten adviezen te geven aan het kabinet over de aanpak van de crisis.

Immers, het «enige» dat wetenschap kan doen is het in kaart brengen van de wetenschappelijke inzichten, het benoemen van wetenschappelijke controverses en op basis daarvan enkele adviezen geven. Het is de taak van de regering om deze inzichten, controverses en adviezen politiek te duiden, beleid te ontwikkelen, wetten en lagere regelgeving uit te vaardigen, de burgers goed te informeren, et cetera.

ChristenUnie – 3

Zou de wetenschappelijke analyse niet aan kracht kunnen winnen als de wetenschappelijke inzichten en adviezen van het OMT/RIVM openbaar worden?

De adviezen van het OMT/RIVM zijn openbaar. De OMT-adviezen worden bij elke stand van zaken covid-19 brieven toegevoegd en verzonden aan de Tweede Kamer. Andere documenten worden op de site van het RIVM geplaatst. De adviezen van het OMT en het RIVM bevatten verwijzingen naar relevante wetenschappelijke artikelen. Veel wetenschappelijke artikelen worden ook gepubliceerd, dat is echter geen taak van de regering.

ChristenUnie – 4

Zou die analyse ook niet aan kracht kunnen winnen als bewust tegenspraak georganiseerd wordt? Bijvoorbeeld in de vorm van het Red Team of andere mogelijke integere wetenschappelijke gremia?

Er wordt bewust tegenkracht georganiseerd en er vindt overleg mee plaats, bijvoorbeeld met het Red Team en via kennisinstituten van de overheid. Bij de totstandkoming van de Lessons Learned brief van 1 september jl. is met zeer veel experts gesproken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat er in de media discussie is over wetenschappelijke gegevens. Op meerdere wetenschappelijke websites zijn gegevens over het virus te vinden. Zij verwijzen bijvoorbeeld naar: https://github.com/mbevand/covid19-age-stratified-ifr#comparing-covid-19-to-seasonal-influenza. In deze publicaties wordt de IFR92 van covid-19 een factor twee (20 jaar) tot dertien (ouder dan 60 jaar) hoger gezien dan die van influenza. Ook denken zij aan het John Snow Memorandum, waarin de ernst van covid-19 wordt benadrukt en de idee van «groepsimmuniteit» als een gevaarlijke gedachte wordt gezien. Het artikel stelt dat er binnen de wetenschap «academische consensus» is.93 Tot hun verbazing is er een WHO-publicatie94 waaruit sommige burgers concluderen dat de IFR wereldwijd voor alle leeftijden 0,23 is en 0,05 voor onder de 70 jaar.

De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn er bekend mee dat de IFR door veel factoren wordt bepaald, onder andere door de leeftijdsopbouw van de populatie. Ook zijn zij er bekend mee dat de IFR aan het dalen is door onder andere betere zorg.

ChristenUnie – 5

Kan de regering aangeven hoe ze de stand van zaken van de wetenschap duidt?

Omdat het om een nieuw virus gaat, zijn de gegevens over de zogenoemde Infection Fatality Rate nog in ontwikkeling. Bij nieuwe infectieziekten is het niet ongebruikelijk dat het sterftecijfer bij de start van de uitbraak hoger wordt ingeschat dan later in het verloop van de uitbraak. Dat heeft ermee te maken dat bij de start van een epidemie in eerste instantie vooral de geïnfecteerde mensen in beeld komen die zorg nodig hebben. Tegelijkertijd kunnen er ook mensen overlijden waarvan niet bekend is dat er sprake was van een besmetting met covid-19. Het totaalbeeld van besmettingen en overlijdens in een populatie is lastig betrouwbaar vast te stellen, in het bijzonder als een besmetting met een ziekte ook zonder of met alleen milde symptomen kan verlopen. Daarnaast speelt inderdaad een rol dat verbeterde behandelmethoden het sterftecijfer naar beneden kunnen brengen. Onderzoek over meerdere jaren zal een betrouwbaarder beeld opleveren van het sterftecijfer dat past bij covid-19.

ChristenUnie – 6

Hoe zij in dit verband de publicatie van de WHO van uit wetenschappelijk oogpunt duidt?

De regering is niet de aangewezen organisatie om een duiding te geven vanuit wetenschappelijk oogpunt. De WHO informeert alle lidstaten over relevante ontwikkelingen en onderzoek. Het RIVM en het OMT maken gebruik van de WHO-publicaties bij het formuleren van adviezen voor Nederland.

ChristenUnie – 7

Wat is de politieke en wetenschappelijke status van dit document?

De WHO is een belangrijke internationale organisatie op het terrein van de volksgezondheid. De regering vindt de adviezen van de WHO zeer belangrijk, met name omdat de bestrijding van een pandemie een wereldwijde aangelegenheid is en een volledig geïsoleerde aanpak op de langere termijn niet succesvol zal zijn. De WHO is geen wetenschappelijke organisatie, maar maakt wel gebruik van wetenschappelijke onderzoeken en inzichten om lidstaten te adviseren. Het document van de WHO kunnen deze leden in dat licht beschouwen.

ChristenUnie – 8

Op welke basis bouwt de regering haar beleid?

De regering maakt gebruik van een brede basis aan inzichten en adviezen. De belangrijkste adviseur op het terrein van de infectieziektebestrijding is het OMT. Het OMT maakt voor zijn adviezen onder andere gebruik van adviezen van de WHO, het European Center for Disease prevention and Control (ECDC), wetenschappelijke onderzoeken en ervaring en expertise op het terrein van infectieziektebestrijding.

Naast adviezen op het terrein van infectieziektebestrijding maakt de regering ook gebruik van andere adviseurs, bijvoorbeeld op het terrein van maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen, gedrag van mensen en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van maatregelen. In de stand van zaken brief covid-19 van 6 mei jl. is dieper ingegaan op de advisering aan het kabinet over de sociaaleconomische aspecten van de coronacrisis.

De fractieleden van de ChristenUnie constateren dat er veel desinformatie op de social media wordt gedeeld. Deze desinformatie draagt bij aan maatschappelijke onrust en maatschappelijke tegenstellingen met betrekking tot het coronabeleid.

ChristenUnie – 9

Zij vragen of de regering een rol ziet voor haarzelf om desinformatie tegen te gaan, direct of indirect. Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

Bij de aanpak van desinformatie staat het waarborgen van grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting centraal. Het adresseren van desinformatie is primair een taak van journalistiek en wetenschap al dan niet in samenwerking met de internetdiensten, maar ook de regering ziet hier een rol voor zichzelf. Zo zal het kabinet in het geval dat door desinformatie de nationale veiligheid, politieke, maatschappelijke en/of economische stabiliteit in het geding kan komen, deze desinformatie actief tegenspreken. Daarnaast is er een rol voor de overheid in het actief communiceren over haar eigen beleid. Dit is te zien in de context van covid-19 waar, omwille van maatschappelijke stabiliteit en bescherming van de volksgezondheid, het kabinet zich in eerste instantie richt op berichtgeving via haar eigen kanalen, zowel voor gezondheidsinformatie over het virus als voor informatie over het overheidsbeleid en ontwikkelingen en gebeurtenissen om ons heen. In sommige gevallen vraagt dit ook om het actief tegenspreken van misleidende informatie. Afgelopen mei heeft de Minister van BZK een Kamerbrief verzonden over desinformatie en de informatievoorziening over covid -19.95 Ook heeft de Minister van VWS recent een Kamerbrief verstuurd over het covid -19 vaccin waarin hij aangeeft dat het team van experts dat zich onder de vlag van de Vaccinatiealliantie van de Staatssecretaris heeft verenigd in de denktank desinformatie, zich zal gaan richten op desinformatie over het covid -19 vaccin.96

ChristenUnie – 10

Ook vragen zij welke mogelijkheden de regering ziet om a) het proces om tot academische consensus in Nederland te komen, te bevorderen, b) het bestaan van wetenschappelijke controverses (als die er zijn) eerlijk onder ogen te zien, en c) het publiek scherper voor te lichten over de stand van zaken van de wetenschap.

Wetenschappelijke controverses zijn niet uniek voor de bestrijding van covid-19. Het Ministerie van VWS gebruikt in reguliere beleidstrajecten voor het formuleren van de stand van de wetenschap over gezondheidsbeleid adviezen van de Gezondheidsraad. Ten tijde van crises kan een beroep worden gedaan op speciale crisisexpertteams, waaronder voor uitbraken van infectieziekten het OMT.

In artikel 58b van het wetsvoorstel wordt gesteld dat het hoofdstuk van de tijdelijke bepalingen van toepassing is op de bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan.

ChristenUnie – 11

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering wat de woorden «directe dreiging» betekenen. Duiden die woorden op het bestaan van een bepaald risiconiveau? Bijvoorbeeld 1 of 2? Of duiden ze op de situatie dat Nederland virusvrij is? Of op de fase van de «hamer» of van de «dans»? Of duiden ze misschien op een situatie waarin Nederland virusvrij is, maar waarbij het virus in het buitenland nog wel voorkomt op een bepaald risiconiveau?

Voor de aanpak van covid-19 in Nederland is niet alleen de actuele verspreiding van covid-19 in Nederland van belang, maar ook de dreiging van een epidemie. Als het aantal besmettingen in Nederland laag is, maar de verspreiding in andere landen nog aanzienlijk is en de weerstand van de Nederlandse bevolking relatief laag, acht het kabinet maatregelen ter voorkoming van een epidemie in Nederland ook noodzakelijk. Het gaat om een beoordeling van de risico’s op de verspreiding van de ziekte in Nederland, waarover het OMT ons adviseert.

In dit licht is het ook van belang om scherp inzicht te krijgen in de relatie tussen het verlengen van de wet en het al dan niet uitvaardigen van ministeriële regelingen.

ChristenUnie – 12

Hoe ziet de regering die relatie? Wordt de wet niet meer verlengd als alle maatregelen opgeheven zijn? Wordt de wet verlengd tot Nederland virusvrij is? Of totdat er geen «directe dreiging» meer is (zie de vorige vragen)?

De regering verwacht dat de wet nodig is zolang er een directe dreiging blijft bestaan voor de Nederlandse bevolking. Voorstellen tot verlenging van de wet zullen op grond van artikel VIII, vierde lid, steeds worden voorgelegd aan het parlement. Tevens vindt advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State plaats op grond van artikel 58t.

Vragen en opmerkingen van de Partij voor de Dieren-fractie

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft de volgende vragen. Indien vragen zijn onderverdeeld in subvragen verzoeken de leden het antwoord per subvraag te geven en niet een antwoord te geven waarin meerdere vragen tegelijk worden behandeld.

Vaststaat dat er dieren zijn die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19, die een reservoir kunnen vormen voor dit virus en die het virus op mensen kunnen overdragen.

Partij voor de Dieren – 1

Van welke dieren is aangetoond dat zij, indien besmet met covid-19, het virus op mensen kunnen overdragen?

Het is aannemelijk gemaakt dat er medewerkers van enkele nertsenbedrijven een besmetting met SARS-CoV-2 hebben opgelopen door contact met besmette nertsen. Er zijn nu geen aanwijzingen dat andere dieren een rol spelen in de verspreiding van SARS-CoV-2 bij mensen. De verspreiding zoals we die nu in de humane populatie zien gaat van mens tot mens. Er zijn bevindingen gerapporteerd dat bepaalde diersoorten besmet kunnen worden met SARS-CoV-2. Dat gaat tot nu toe om enkele incidentele gevallen.

Partij voor de Dieren – 2

Welke dieren zijn bevattelijk voor mogelijk op mensen overdraagbare zoönosen?

Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgebracht. Veel diersoorten kunnen in potentie een ziektekiem bij zich dragen waar de mens ook gevoelig voor is. Zo’n zoönose kan een probleem vormen voor de gezondheid van individuele mensen. Heel soms kan de ziekte zich vervolgens onder mensen verspreiden. Dan kan, afhankelijk van de ernst van de ziekte, een gevaar voor de volksgezondheid ontstaan.

Partij voor de Dieren – 3

Hoe beoordeelt de regering de situatie rond H5N1, het vogelgriepvirus dat volgens professor Ron Fouchier slechts enkele mutaties verwijderd zou zijn van een van mens tot mens besmettelijke variant?

Het virus komt nu in Azië voor, in vooral pluimvee. In de periode 2015–2019 zijn er 160 gevallen van H5N1 infecties van mensen bij de WHO gemeld en nog geen in 202097.

Er zijn sinds 2012 geen aanwijzingen gevonden voor doorgaande overdracht van mens-op-mens. Ook zijn er geen aanwijzingen in de virussen bij mensen gevonden voor de opbouw van de door prof. Ron Fouchier genoemde mutaties. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op een verhoogd risico voor Nederland.

Wetenschappers van het Erasmus MC hebben aangetoond dat het H5N1 vogelgriepvirus met vijf mutaties overdraagbaar werd tussen fretten. Zij stelden dat het onwaarschijnlijk was dat dit virus tussen mensen zou verspreiden. Hoeveel mutaties nodig zijn bij andere hoog-pathogene vogelgriepvirussen is niet bekend, maar dezelfde onderzoekers lieten in een tweede publicatie zien dat de kans op het ontstaan van mens-overdraagbare varianten van hoog-pathogene vogelgriepvirussen in de natuur bijzonder klein is.

Op de website Kennislink is daarover het volgende te lezen: «Verschillende laboratoria van over de hele wereld doen onderzoek naar influenza A/H5N1 om meer over het virus te weten te komen. Zo ook de onderzoeksgroep van virologen Ab Osterhaus en Ron Fouchier in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum. Eind vorig jaar slaagde Fouchier erin om het vogelgriepvirus dat nu in Azië rondgaat via een paar mutaties te veranderen in een variant die zeer besmettelijk is voor mensen. Die mutaties zouden ook op natuurlijke wijze kunnen ontstaan en op die manier kunnen zorgen voor de gevreesde wereldwijde epidemie.»98

Partij voor de Dieren – 4

Hoeveel groter zou de mortaliteit van het gemuteerde H5N1-virus zijn volgens prof. Fouchier, in relatie tot covid-19?

Sommige bronnen, zoals de WHO, vermelden een mortaliteit van H5N1 in de groep geïnfecteerde mensen van overall 53% en in de periode 2015–2019 30%99. Andere melden dat de mortaliteit niet goed te bepalen is, omdat niet alle gevallen gediagnostiseerd worden en er mogelijk ook H5N1-infecties subklinisch (zonder ziekteverschijnselen) verlopen. Het is niet mogelijk iets te zeggen over de mortaliteit van een gemuteerd virus dat nog niet bestaat, ook niet in relatie met een bekend virus, zoals SARS-CoV-2. Over de opvatting van prof. Fouchier hierover kunnen wij geen uitspraak doen.

Partij voor de Dieren – 5

Welke concrete maatregelen heeft de regering getroffen om de overdracht van zoönosen in te dammen na problemen met diergerelateerde MRSA100, Q-koorts, covid-19 en hepatitis E?

Overheid, sectoren en veterinaire zorg werken in Nederland goed samen om dierziekten, waaronder zoönosen, te voorkomen, snel te ontdekken, te beheersen of te bestrijden. Een goed voorbeeld is de basismonitoring dierziekten die we in Nederland hebben ingericht. Deze monitoring in de landbouwhuisdierensectoren is erop gericht om eventuele besmettingen met bekende, maar ook met nieuwe (emerging) ziekten snel op te kunnen sporen. Deze monitoring wordt uitgevoerd door de gezondheidsdienst voor dieren (GD). Het systeem is erop gericht zoveel mogelijk signalen over diergezondheidsproblemen bij de GD binnen te krijgen om die signalen te kunnen duiden.

Daarnaast zorgt de zoönosestructuur ervoor dat we goed voorbereid zijn; de samenwerking tussen humane en veterinaire partijen is goed en constructief. Signalen van mogelijk zoönotische aard, bijvoorbeeld uit de basismonitoring, worden op gestructureerde wijze beoordeeld, en afhankelijk van het signaal vindt opschaling plaats (https://www.onehealth.nl/over-one-health/zoonosenstructuur). Als er een ziekte wordt ontdekt kunnen zo snel maatregelen genomen worden om verdere verspreiding te voorkomen of af te remmen.

Een zoönose kan een probleem vormen voor de gezondheid van individuele mensen. Een zoönose kan zich in bepaalde gevallen tussen mensen verspreiden, onder andere afhankelijk van de besmettelijkheid van die ziekte, en daarmee een gevaar voor de volksgezondheid vormen. Als de stuwende kracht van een ziekte overdracht is van mens tot mens, zoals bij covid-19, neemt het kabinet hier passende maatregelen voor.

Partij voor de Dieren – 6

Is het waar dat van alle hedendaagse infectieziekten meer dan 70% afkomstig is uit de dierenwereld en overdracht nauw samenhangt met de wijze waarop mensen met dieren omgaan? Zo nee, wat is dan het juiste cijfer?

Er zijn diverse kwantitatieve analyses uitgevoerd waarbij de inschatting is dat het gaat om een percentage tussen de 60 en de 75 procent. De problematiek van zoönosen is van vele factoren afhankelijk bijvoorbeeld de manier waarop we met wilde dieren omgaan, of het houden van dieren in de veehouderij, de wijze waarop we met de natuur omgaan en het verlies van biodiversiteit in de wereld.

Partij voor de Dieren – 7

Deelt de regering de mening dat de veedichtheid van Nederland een gevaar kan vormen voor de overdracht van zoönosen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vormt dat voor haar reden tot het nemen van maatregelen, waaronder drastische verkleining van de veestapel en het creëren van meer afstand tussen veehouderijen onderling en tussen veehouderijen en burgerwoningen?

Zoals aangegeven is de problematiek van zoönosen van vele factoren afhankelijk bijvoorbeeld de manier waarop we met wilde dieren omgaan, of het houden van dieren in de veehouderij, de wijze waarop we met de natuur omgaan en het verlies van biodiversiteit in de wereld. In Nederland leven veel mensen en veel dieren; de Nederlandse veehouderij is omvangrijk en intensief. En daar waar dier en mens samen leven zijn er risico’s. Die risico’s zijn bekend en daar anticiperen we op.

Het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid is erop gericht meer kennis te krijgen over de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. De komende deelonderzoeken richten zich op de mogelijke oorzaak van de verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking bij wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zoals toegezegd wordt elk afgerond deelonderzoek aan de Tweede Kamer toegezonden. In Nederland zijn de provincies het bevoegd gezag om maatregelen te nemen binnen de ruimtelijke ordening. Zij kunnen bijvoorbeeld besluiten om een moratorium voor geitenhouderijen in te stellen. Een aantal provincies (Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel, Zuid-Holland, Utrecht, Limburg, Noord-Holland en Flevoland) heeft voorzorgsmaatregelen getroffen, zoals een stop op het bouwen of uitbreiden van geitenhouderijen en een stop op het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij.

Partij voor de Dieren – 8

Kan de regering aangeven waarom in het wetsvoorstel niet is geregeld dat veehouderijtakken waarin dieren op grote schaal besmet zouden kunnen raken met zoönosen, zoals onlangs de nertsensector, per direct van overheidswege verboden kunnen worden in voorkomende gevallen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is zij voornemens dergelijke preventieve maatregelen op andere wijze bij wet te regelen? Op welke termijn en op welke wijze?

Bij diersoorten die, zoals de nertsen, aantoonbaar bevattelijk zijn voor SARS-CoV-2 en vanwege reservoirvorming een risico zijn voor de volksgezondheid, behoort het instellen van een dergelijk verbod al tot de mogelijkheid op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) en heeft de Minister van VWS in de zoönosestructuur het voortouw in de besluitvorming hierover. Om die reden is het niet nodig dit in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 te regelen.

Partij voor de Dieren – 9

Is het juist dat aan het fokken van dieren die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19 en die het virus op mensen kunnen overdragen, een risico voor verspreiding van het virus is verbonden?

Er zijn op dit moment geen aanwijzingen dat andere diersoorten dan nertsen die gevoelig zijn voor infectie met SARS-CoV-2 de infectie hebben overgedragen op mensen. De spreiding zoals we nu zien in de humane populatie is het gevolg van infecties tussen mensen. Het fokken van dieren als zodanig is geen risico voor de verspreiding. Mocht er aanleiding zijn dat een fokverbod in te stellen bij diersoorten die aantoonbaar bevattelijk zijn voor SARS-CoV-2 en vanwege reservoirvorming een risico zijn voor de volksgezondheid, dan is het instellen van een verbod mogelijk op basis van de Gwwd. Zie ook het antwoord op vraag PvdD-8.

Partij voor de Dieren – 10

Indien de overheid een risico van verspreiding van covid-19 wil verminderen door maatregelen te nemen die de overdracht van dieren op mensen beperken, welke bepalingen in hoofdstuk V van de Wpg (bijzondere bepalingen infectieziektebestrijding) bieden dan een grondslag om een fokkerij van dieren die besmettelijk zijn voor covid-19 en het virus op mensen kunnen overdragen, te sluiten?

Hoofdstuk V van de Wpg, artikel 47, derde lid, onder a biedt geen basis om gebouwen zoals een plaats waar dieren worden gefokt, preventief te sluiten zoals in deze vraag van de leden van de PvdD-fractie is beschreven. Deze bepaling kan enkel worden toegepast indien duidelijk is dat het virus zich in dat gebouw bevindt, het moet ingevolge dat artikellid gaan om een «besmetting» met «ernstig gevaar voor de volksgezondheid». Bovendien moet deze maatregel worden opgeheven als het ernstig gevaar is geweken (vierde lid).

Partij voor de Dieren – 11

Deelt de regering de mening van de leden van de PvdD-fractie dat de op dit moment geldende noodverordeningen vereisen dat mensen die niet ziek zijn, hun gedrag en vrijheid beperken uitsluitend omdat zo het risico op verspreiding van covid-19 kan worden verminderd?

De maatregelen die de afgelopen maanden van kracht zijn geweest, vragen inderdaad van alle mensen in de samenleving inspanningen om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan.

Partij voor de Dieren – 12

Op welke grond worden in het kader van het verminderen van het risico op besmetting met covid-19 op dit moment geen maatregelen genomen tegen het beroepsmatig fokken van dieren die aantoonbaar bevattelijk zijn voor covid-19 en die het virus op mensen kunnen overdragen, terwijl wel van mensen die niet ziek zijn, vereist wordt dat zij in verband met dat risico zich beperkingen dienen op te leggen? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

De Gwwd biedt een wettelijke basis om een fokverbod bij bedrijfsmatig gehouden dieren in te stellen, wanneer en zolang dat nodig is om verspreiding van SARS-CoV-2 te voorkomen.

Het kabinet werkt op dit moment aan een wetsvoorstel om het houden van nertsen te stoppen. Dat gaat verder dan het opleggen van een fokverbod. Een fokverbod voor nertsen is op dit moment niet opportuun, omdat de paartijd voor nertsen in het voorjaar is. Ook voor andere bedrijfsmatig gehouden dieren is een fokverbod om verspreiding van SARS-C0V-2 te voorkomen op dit moment niet nodig.

De stuwende kracht van de huidige epidemie is overdracht van mens tot mens.

Partij voor de Dieren – 13

Wordt aan burgers en ondernemers die financieel schade lijden als gevolg van het naleven van de coronaregels, die geleden schade door de overheid vergoed?

Zoals bekend is er van overheidswege een groot aantal financiële maatregelen getroffen in het kader van het noodpakket voor banen en economie. Voor het overzicht van het maatregelpakket zoals dat per 1 oktober 2020 geldt, verwijzen wij naar de brief onze ambtgenoten van 28 augustus 2020101 en de naar aanleiding van deze brief gevoerde overleggen met de Tweede Kamer. De in deze brief opgenomen en verlengde maatregelen beogen een aanpak die werkgelegenheid en bedrijvigheid beschermt en leveren een tegemoetkoming in de financiële gevolgen van de coronamaatregelen. Zoals in deze brief ook is vermeld kan in de huidige situatie niet voorkomen worden dat er mensen zijn die hun baan verliezen en dat er bedrijven omvallen.

Partij voor de Dieren – 14

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, waarom zouden exploitanten van nertsenfokkerijen dan wel aanspraak op schadevergoeding kunnen maken indien een maatregel zou worden uitgevaardigd die in verband met het verminderen van het risico van verspreiding van covid-19, sluiting van die fokkerijen zou vergen? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Wanneer vanwege de volksgezondheid of een ander algemeen belang een permanent verbod wordt ingevoerd op het houden en fokken van nertsen, dan is er sprake van een beperking van het gebruik van het eigendomsrecht van de nertsenhouders, met gevolgen voor de verdiencapaciteit die besloten ligt in bestaande bedrijfsmiddelen zoals de grond, opstallen en bedrijfsinventaris. Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de jurisprudentie ter zake moet deze beperking van het gebruik van eigendom aan een aantal voorwaarden voldoen. Onder meer moet er een redelijk evenwicht zijn tussen de mate van regulering van het eigendomsrecht en het daarmee gediende algemeen belang («fair balance»). Eén van de aspecten die daarbij in ogenschouw moet worden genomen, is de voorzienbaarheid van de maatregel. De invoering van een permanent verbod op korte termijn zal niet snel te kwalificeren zijn als een voor nertsenhouders voorzienbare maatregel waar zij rekening mee hadden kunnen houden. De voorgenomen wetswijziging zal immers de huidige uit de Wet verbod pelsdierhouderij voortvloeiende overgangstermijn (tot 1 januari 2024) de facto met drie productieseizoenen verkorten. Met nadeelcompensatie wordt daarom, conform de eisen van het EVRM, een redelijk evenwicht bereikt tussen enerzijds het algemeen belang dat gediend is met de beëindiging op korte termijn en anderzijds de belangen van de betrokken pelsdierhouders.

In artikel 58b, tweede lid, onder a, van het wetsvoorstel wordt vereist dat een maatregel die met toepassing van een in hoofdstuk VA vervatte bevoegdheid wordt vastgesteld, «noodzakelijk» moet zijn «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid».

Partij voor de Dieren – 15 en 16

Is een maatregel die niet voldoet aan artikel 58b, tweede lid, onder a om die reden onrechtmatig? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Is een maatregel die niet voldoet aan artikel 58b, tweede lid, onder b of c om die reden onrechtmatig? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Bij het vaststellen van een ministeriële regeling of het treffen van andere maatregelen op grond van hoofdstuk Va vereist artikel 58b, tweede lid, dat wordt voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit (onderdeel a en c). Met het in onderdeel b geregelde criterium «in overeenstemming met de uitgangspunten van een democratische rechtsstaat» wordt uitdrukkelijk gerefereerd aan de grondrechten.102 Maatregelen die niet voldoen aan deze vereisten zijn in strijd met de wet, namelijk met artikel 58b, tweede lid. De beoordeling of een maatregel noodzakelijk, geschikt en proportioneel is en of deze, in het geval van de beperking van grondrechten, voldoet aan de beperkingssystematiek van de Grondwet en Europese en internationale mensenrechtenverdragen, vindt in eerste instantie plaats door de Ministers van VWS, JenV en BZK en andere betrokken bewindspersonen bij de vaststelling van de ministeriële regeling waarin de maatregel wordt uitgewerkt, mede op basis van advies van het OMT. Tot slot staat de weg naar de burgerlijke rechter open als het gaat om maatregelen die bij ministeriële regeling zijn vastgesteld en bestaat de mogelijkheid bij de bestuursrechter of strafrechter op te komen tegen een concreet besluit dat op basis van deze regeling aan hem is opgelegd, zoals een aanwijzing of een sanctie. De burgerlijke rechter beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregelen en de bestuursrechter of strafrechter beoordeelt of het genomen besluit kan worden gehandhaafd.

In het advies van het OMT van 13 oktober 2020 is over horeca het volgende geadviseerd:

«Het OMT is van mening dat onderzocht zou moeten worden of eigenstandige restaurants (die niet een primaire bijkomende functie van drinkgelegenheid hebben) open kunnen blijven, mits de gezondheidscheck, registratie en placering en 1,5 m afstand goed geregeld zijn, en bedienend personeel gebruik maakt van faceshields of mondneuskapjes. Het aantal gasten per tafel is dan gelimiteerd tot 4, en het aantal placeringen per tafel per avond tot één. Bij voorkeur wordt de sluitingstijd vervroegd, bijv. om 22.00 uur. In alle gevallen dienen onbeperkte groepsvorming en onbeheersbare vervoersbewegingen voorkomen te worden.»103

Partij voor de Dieren – 17 en 18

Indien de Ministers die dit advies hebben gekregen, besluiten om restaurants voor een periode te sluiten, kunnen zij zich dan erop beroepen dat die sluiting «gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid noodzakelijk is» zoals is vereist in artikel 58b, tweede lid, onder a?

Zo ja, op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie? Zo nee, hoe verhoudt haar conclusie zich dan tot de sluiting van restaurants die op dit moment bij noodverordening is opgelegd?

In navolging van het advies van het OMT wordt bekeken of eigenstandige restaurants onder de genoemde voorwaarden, al dan niet aangevuld met andere voorwaarden, kunnen worden opengesteld.

Op dit moment zijn de juridische verplichtingen die in het kader van de epidemie zijn opgelegd, vervat in noodverordeningen die zijn vastgesteld door de voorzitters van de veiligheidsregio’s.

Partij voor de Dieren – 19

Welke van de in de op dit moment geldende noodverordeningen vervatte geboden en verboden voldoen niet aan de voorwaarden die zijn vervat in artikel 58b, tweede lid, van het wetsvoorstel? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

De geldende maatregelen worden op dit moment beoordeeld ten behoeve van de mogelijke vertaling naar ministeriële regelingen op basis van het voorgestelde hoofdstuk Va Wpg. De desbetreffende ministeriële regelingen zullen in overeenstemming met artikel 58c aan de beide Kamers worden voorgelegd.

Partij voor de Dieren – 20

Binnen hoeveel tijd worden de geboden en verboden die zijn vervat in de op dit moment geldende noodverordeningen na inwerkingtreding van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 omgezet in voorschriften die op grond van die wet kunnen worden vastgesteld? Geldt dat voor alle voorschriften? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

De geldende maatregelen worden op dit moment beoordeeld ten behoeve van de mogelijke vertaling naar ministeriële regelingen op basis van het voorgestelde hoofdstuk Va Wpg, die in werking treden op het tijdstip waarop hoofdstuk Va in werking treedt. Met het oog op de voorgeschreven parlementaire betrokkenheid vindt die vertaling plaats vóór de inwerkingtreding van de wet. Of dit voor alle maatregelen het geval zal zijn, hangt af van de vraag of de maatregelen nog noodzakelijk en proportioneel zullen zijn op het moment van inwerkingtreding van de wet en de regelingen.

Partij voor de Dieren – 21

De noodverordeningen voorzien in een bevoegdheid om ontheffing te verlenen van alle daarin vervatte voorschriften. Waarom is in het wetsvoorstel niet zo’n bevoegdheid vervat?

In artikel 58e, tweede lid, is een ontheffingsbevoegdheid geregeld van vrijwel alle bij of krachtens hoofdstuk Va bepaalde maatregelen, met uitzondering van de veiligeafstandsnorm. Net als nu het geval is met de noodverordeningen wordt beoogd met ontheffingen maatwerk te kunnen bereiken waar dat nodig is. Een verschil ten opzichte van de generieke ontheffingsmogelijkheid in de thans geldende noodverordeningen is dat die bevoegdheid in artikel 58e, derde en vierde lid, aan criteria is gebonden, zoals toepassingscriteria en een adviesverplichting van de GGD. Deze clausering is in het wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.104 Dat deze adviesverplichting en de criteria die de burgemeester toepast bij de ontheffingverlening ook in de wet worden opgenomen draagt bij aan meer rechtszekerheid in vergelijking met de huidige noodverordeningen.

Een onderzoek van UMC Amsterdam wijst uit: «Nederlandse kinderen voelen zich minder gezond en hebben vaker last van angst en somberheid door de coronamaatregelen. Dat blijkt uit onderzoek van het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC tijdens de eerste lockdown.

Circa 1.000 kinderen en jongeren tussen de 8 en 18 jaar deden in april 2020 mee aan het onderzoek. De voorlopige resultaten laten zien dat, vergeleken met 2018, deze kinderen aangeven dat ze zich minder gezond voelen en minder contact hebben met leeftijdgenoten. Ze hebben vijf procent meer slaapproblemen, zeven procent meer boosheid, een stijging van tien procent aan somberheid en maar liefst vijftien procent meer angstklachten. Het percentage kinderen met dusdanig ernstige angstklachten dat er op zijn minst hulp aangeboden zou moeten worden, verdubbelde van acht naar zestien procent.»105

Partij voor de Dieren – 22

Acht de regering het voorkomen van de voor kinderen schadelijke psychische gevolgen van een lockdown een belang dat moet worden meegewogen bij het gebruik van bevoegdheden die worden toegekend in hoofdstuk VA van de Wpg? Op grond van welke redenering komt zij tot haar conclusie?

De maatregelen die de regering treft om besmettingen met corona tegen te gaan kunnen inderdaad negatieve gevolgen hebben op andere terreinen, zoals het mentale welzijn van kinderen. Dat is zeker iets waar het kabinet rekening mee moet houden.

Partij voor de Dieren – 23

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om het in de vorige vraag bedoelde belang in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Bij de uitwerking van de maatregelen bij ministeriële regeling vindt een integrale belangenafweging plaats, waarbij ook de gevolgen voor de (psychische) gezondheid en de reguliere zorg worden betrokken. De toetsing van de proportionaliteit van de maatregelen, waaronder de beoordeling of zij in een evenredige verhouding staan met andere belangen, volgt uit artikel 58b, tweede lid, onderdeel c. Met het oog op een integrale belangenafweging is voorts in artikel 58c, eerste lid, bepaald dat de ministeriële regelingen worden vastgesteld door de Ministers van VWS, JenV en BZK gezamenlijk, in overeenstemming met de bewindspersonen die het mede aangaat en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad (artikel 58c, eerste lid).

Partij voor de Dieren – 24

Worden de uit het onderzoek van het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC blijkende schadelijke gevolgen voor de psychische gezondheid van kinderen door de regering aangemerkt als een «bedreiging van de volksgezondheid» als bedoeld in artikel 58b, tweede lid, onder a, van het wetsvoorstel? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar antwoord?

De regering houdt geen officiële lijst bij met gevolgen die worden aangemerkt als een bedreiging van de volksgezondheid, dus is die zin is er geen sprake van een officiële aanmerking. De regering vindt schadelijke gevolgen voor de psychische gezondheid van kinderen wel een belangrijke overweging bij het treffen van maatregelen en het bepalen van uitzonderingen en compenserende maatregelen.

Partij voor de Dieren – 25 en 26

Acht de regering het voorkomen van leerachterstanden van kinderen een belang dat moet worden meegewogen bij het gebruik van bevoegdheden die worden toegekend in hoofdstuk VA van de Wpg?

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om het in de vorige vraag bedoelde belang in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Bij de uitwerking van de maatregelen bij ministeriële regeling vindt een integrale belangenafweging plaats, waarbij ook het voorkomen van leerachterstanden wordt meegewogen. Bij eerdere besluitvorming over de maatregelen in het onderwijs heeft het kabinet dit belang steeds nadrukkelijk betrokken. De toetsing van de proportionaliteit van de maatregelen, waaronder de beoordeling of zij in een evenredige verhouding staan met andere belangen, volgt uit artikel 58b, tweede lid, onderdeel c. Met het oog op een integrale belangenafweging is voorts in artikel 58c, eerste lid, bepaald dat de ministeriële regelingen worden vastgesteld door de Ministers van VWS, JenV en BZK gezamenlijk, in overeenstemming met de bewindspersonen die het mede aangaat en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad (artikel 58c, eerste lid). Mocht het noodzakelijk worden geacht om het fysieke onderwijs tijdelijk te beperken, dan wordt een dergelijke ministeriële regeling op grond van artikel 58q in overeenstemming met de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media vastgesteld. Bij deze belangenafweging worden nadrukkelijk ook de gevolgen voor de voortgang van kinderen in het onderwijs betrokken.

Partij voor de Dieren – 27

Is er een wettelijke verplichting deskundigenadvies in te winnen omtrent de vraag of een bepaalde uitoefening van een in hoofdstuk VA van de Wpg toegekende bevoegdheid «noodzakelijk is» gelet op de ernst van de bedreiging van de volksgezondheid? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Wij veronderstellen dat deze vraag van de leden van de PvdD-fractie betrekking heeft op de belangenafweging bij de toepassing van de bevoegdheid van de Ministers van VWS, JenV en BZK (mede namens andere betrokken bewindspersonen) om krachtens hoofdstuk Va bij ministeriële regeling maatregelen vast te stellen ter bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. Voor deze beoordeling laat de regering zich onder meer adviseren door het OMT. Ter zake is geen adviesverplichting in het wetsvoorstel opgenomen.

Partij voor de Dieren – 28

Vloeit uit artikel 58b van het wetsvoorstel voort dat tot een vrijheidsbeperkende maatregel alleen mag worden overgegaan als naar algemeen aanvaarde wetenschappelijke normen voldoende vaststaat dat de maatregel die ter bestrijding van de epidemie wordt overwogen, effectief zal zijn? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Nee. Bij de noodzakelijkheidstoets zoals die is neergelegd in artikel 58b, tweede lid, wordt aangesloten bij de noodzakelijkheidstoets zoals die in de jurisprudentie over het EVRM en andere mensenrechtenverdragen is ontwikkeld106. Het EHRM beoordeelt in dat kader of de argumenten die door de overheid zijn aangevoerd relevant en voldoende zijn. Voor de beoordeling van de effectiviteit en geschiktheid van een maatregel of een combinatie van maatregelen kan de overheid zich laten adviseren door deskundigen en wetenschappelijke inzichten betrekken. Noch de Europese en internationale mensenrechtenverdragen noch de Grondwet verplichten er echter toe dat slechts overgegaan kan worden tot een vrijheidsbeperkende maatregel als naar algemeen aanvaarde wetenschappelijke normen voldoende vaststaat dat een maatregel effectief is. Bij de afweging komt de overheid een eigen beoordelingsruimte toe, een zogenoemde margin of appreciation.

Partij voor de Dieren – 29 en 30

Artikel 58b van het wetsvoorstel geeft een kader voor bevoegdheidsuitoefening.

Welke van de volgende algemene belangen zijn naar het oordeel van de regering belangen die kunnen leiden tot een afzien van uitoefening van in hoofdstuk VA van de Wpg toegekende bevoegdheden indien dat belang zwaarder weegt dan het belang bij bestrijding van de epidemie:

  • a. het voorkomen van werkloosheid;

  • b. het voorkomen van eenzaamheid;

  • c. het voorkomen van armoede;

  • d. het voorkomen van een grotere kansenongelijkheid;

  • e. het voorkomen van schade aan het leefklimaat;

  • f. het voorkomen van economische neergang?

Houdt de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 een wettelijke verplichting in om één of meer van de in de vorige vraag bedoelde belangen in de afweging te betrekken? Zo ja, uit welke bepaling vloeit die verplichting voort en met betrekking tot welke van die belangen? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Zoals bij de beantwoording van vraag PvdD-23 is aangegeven, vindt bij de uitwerking van de maatregelen een integrale belangenafweging en proportionaliteitsbeoordeling plaats (resp. artikel 58c, eerste lid, en artikel 58b, tweede lid, onderdeel c). Onder meer de in deze vraag aangehaalde belangen worden betrokken bij de besluitvorming over het noodzakelijke maatregelenpakket.

Op 16 juni 2020 hebben de Federatie Medisch Specialisten en de KNMG een draaiboek Triage vastgesteld op basis van niet-medische overwegingen voor opname op de intensive care (IC) ten tijde van fase 3 in de covid-19 pandemie.

In dat draaiboek wordt aangegeven:

«Fase 3 wordt verdeeld in 3 stappen die niet strikt zijn afgegrensd; er is sprake van een fluïde grens, afhankelijk van de capaciteit van en vraag naar IC-zorg:

  • Fase 3 stap A, waarin een crisis is afgekondigd en nagenoeg alle IC-bedden bezet zijn. Triage vindt plaats conform de medisch inhoudelijke criteria zoals beschreven in het vigerende Draaiboek Pandemie

  • Fase 3 stap B, waarin triage zoals in fase 3 stat S onvoldoende is om IC-capaciteit in balans te houden met de vraag naar IC-bedden. Er zal worden overgegaan op striktere triage, volgens criteria die nog in het medisch domein liggen (zie uitgangspunten fase 3 stap B Draaiboek Pandemie)

  • Fase 3 stap C, waarin ook na de aangescherpte triage zoals in fase 3 stap B genoemd, een tekort aan IC-bedden bestaat. Op basis van medische overwegingen is er geen onderscheid meer te maken tussen verschillende mensen die een IC-bed nodig hebben. Er zal worden overgegaan op triage volgens overwegingen die buiten het medisch domein liggen.»107

Partij voor de Dieren – 31

Is het juist dat de regels die blijkens het draaiboek moeten worden gehanteerd voor fase 3, stap C geen van overheidswege uitgevaardigde regels betreffen?

De regels in het draaiboek zijn onderdeel van de professionele standaard (veldnormen). Veldnormen zijn vormvrij, er is geen procedure voorgeschreven en er vindt geen toetsing van overheidswege plaats. Het draaiboek is nog niet definitief en zal nog aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) worden aangeboden ter bevestiging van de status als veldnorm.

Partij voor de Dieren – 32

Voorziet het wetsvoorstel in bevoegdheden die kunnen worden aangewend teneinde van overheidswege de regels vast te stellen die moeten worden gevolgd in fase 3, stap C? Zo ja, welke bevoegdheden zijn dat en in welke bepalingen zijn die vervat? Zo nee, waarom ontbreken die bevoegdheden? Op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie?

Nee, dat is niet het geval. De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 voorziet in instrumentaria voor het stellen van gedragsvoorschriften voor de samenleving en niet in het stellen van regels voor de inhoud van zorgverlening. Zo nodig kan via wetgeving het algemene discriminatieverbod worden verduidelijkt zodat er geen sprake kan zijn van triage enkel op basis van leeftijd. Of dit noodzakelijk wordt geacht kan pas worden beoordeeld als het draaiboek definitief is.

Partij voor de Dieren – 33 en 34

Oordeelt de regering het in overeenstemming met «de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat» dat er door medici (dus door de niet-overheid) een regeling is vastgesteld die bepaalt wie met voorrang boven anderen toegang krijgt tot de IC, wat bepalend is voor de kans op overleven, terwijl vaststaat dat de in de regeling vervatte criteria buiten het medisch domein liggen?

Is de toepassing van de bedoelde regeling te verenigen met het uitgangspunt dat over de vaststelling van niet-wetenschappelijke voorschriften die ingrijpen in grondrechten van burgers, democratische verantwoording moet worden afgelegd? Zo ja, op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie? Zo nee, dient dat dan niet tot de conclusie te leiden dat het wetsvoorstel op dat punt nog dient te worden aangevuld?

In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is bepaald dat zorgaanbieders en zorgverleners goede zorg moeten verlenen. Onder goede zorg wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en van goed niveau waarbij zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard. De professionele standaard betreft het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen die invulling geven aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders. Dat een zorgverlener moet handelen overeenkomstig de professionele standaard volgt ook uit artikel 453 van boek 7, titel 5 van het Burgerlijk Wetboek (Wet geneeskundige behandelovereenkomst). Het draaiboek en de toepassing daarvan is onderdeel van het professioneel handelen van zorgverleners, aangezien zorgverleners de triage in fase 3 moeten uitvoeren. Met genoemde (democratisch vastgestelde) wetten is voldoende voorzien in democratische legitimatie. De IGJ heeft een toezichthoudende rol bij de naleving van de desbetreffende wetgeving. Voor patiënten bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen en eventueel zich vervolgens tot een geschilleninstantie te wenden. Ook kan een patiënt zich bij een juridisch geschil tot de rechter wenden. Vanzelfsprekend mag de professionele standaard niet in strijd zijn met wettelijke eisen. Wanneer een eis in een standaard onverhoopt toch in strijd is met een wettelijke norm, dan mag de zorgaanbieder of zorgverlener die eis niet toepassen. Zoals hierboven reeds is aangegeven, kan zo nodig via wetgeving het algemene discriminatieverbod worden verduidelijkt zodat er geen sprake kan zijn van triage enkel op basis van leeftijd. Of dit noodzakelijk wordt geacht kan pas worden beoordeeld als het draaiboek definitief is. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet bovendien niet in het stellen van regels voor de inhoud van zorgverlening, maar in instrumentaria voor het stellen van gedragsvoorschriften voor de samenleving.

Partij voor de Dieren – 35

Indien in fase 3, stap C patiënten toegang tot het ziekenhuis of de IC wordt ontzegd op grond van niet-medische overwegingen en met toepassing van een regeling die niet door de overheid is vastgesteld of goedgekeurd, wie handhaaft dan die regeling en op welke wijze, indien burgers in het ziekenhuis zich verzetten tegen de toepassing van die regeling? Op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie?

Als onderdeel van de professionele standaard biedt het definitieve draaiboek een kader aan de hand waarvan de IGJ toezicht houdt (artikel 24 e.v. Wkkgz) en vormt het een toetssteen in het tuchtrecht (artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg).

Veel burgers die verontrust zijn over de coronamaatregelen en zich om die reden wenden tot leden van de Eerste Kamer, wijzen op een recent onderzoek dat in het WHO-bulletin is gepubliceerd en dat betrekking heeft op de infection fatality rate of COVID-19.108

Partij voor de Dieren – 36

Welke conclusies verbindt de regering aan dat onderzoek?

Omdat het om een nieuw virus gaat, zijn de gegevens over de zogenoemde Infection Fatality Rate nog in ontwikkeling. Bij nieuwe infectieziekten is het niet ongebruikelijk dat het sterftecijfer bij de start van de uitbraak hoger wordt ingeschat dan later in het verloop van de uitbraak. Dat heeft ermee te maken dat bij de start van een epidemie in eerste instantie vooral de geïnfecteerde mensen in beeld komen die zorg nodig hebben. Tegelijkertijd kunnen er ook mensen overlijden waarvan niet bekend is dat er sprake was van een besmetting met covid-19. Het totaalbeeld van besmettingen en overlijdens in een populatie is lastig betrouwbaar vast te stellen, in het bijzonder als een besmetting met een ziekte ook zonder of met alleen milde symptomen kan verlopen. Daarnaast speelt inderdaad een rol dat verbeterde behandelmethoden het sterftecijfer naar beneden kunnen brengen. Onderzoek over meerdere jaren zal een betrouwbaarder beeld opleveren van het sterftecijfer dat past bij covid-19.

De huidige schattingen duiden er inderdaad op dat de IFR niet veel afwijkt van sommige terugkerende griepvirussen. Dat betekent echter niet dat de uitbraak niet erger is dan de jaarlijks terugkerende griep. Voor de beoordeling van de dreiging is ook van belang dat bij de start van de uitbraak nog niemand een natuurlijke weerstand tegen covid-19 had opgebouwd door een infectie met het virus mee te maken, en er (nog) geen vaccin en nog geen effectieve behandelmethode beschikbaar zijn. De risico’s voor de Nederlandse bevolking van een uitbraak van dit virus zijn daardoor groter dan de risico’s van de jaarlijks terugkerende griep. Als er een nieuw influenzavirus zou ontstaan, schatten infectieziektedeskundigen de dreiging daarvan ook hoger in dan de dreiging van de jaarlijks terugkerende influenzavirussen, vanwege de beperktere weerstand in de bevolking tegen het virus.

Een aantal deskundigen vraagt aandacht voor «gerichte bescherming», waarbij de maatregelen gericht zouden moeten zijn op het beschermen van kwetsbaren, terwijl mensen die niet tot de kwetsbare groepen behoren, hun gewone leven weer zouden moeten kunnen oppakken, zodat groepsimmuniteit wordt opgebouwd en de door een lockdown veroorzaakte schadelijke effecten op de volksgezondheid (uitblijven van zorg voor hart- en vaatziekten en kanker, en toename van psychische problemen) worden voorkomen.

Partij voor de Dieren – 37

Waarom is in het wetsvoorstel niet voorzien in een paragraaf die een specifieke regeling inhoudt die gebruikt kan worden als voor zo’n «gerichte bescherming» wordt gekozen?

De tijdelijke wet biedt mogelijkheden tot het treffen van verschillende maatregelen die bij verschillende beleidskeuzen kunnen passen. Wel is beoordeeld hoe en in welke mate het huidige beleid kan worden doorgezet. In het huidige maatregelenpakket worden voor kinderen bijvoorbeeld afwijkende maatregelen gehanteerd dan voor volwassenen. Dat is ook mogelijk bij de tijdelijke wet.

Vragen en opmerkingen van de SGP-fractie

Doel van het wetsvoorstel

De leden van de SGP-fractie constateren dat het doel van het wetsvoorstel is om noodzakelijke en proportionele maatregelen te treffen voor de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan (artikel 58b).

SGP – 1

Zij vragen de regering op wat voor wijze het belang van de bestrijding van het coronavirus wordt afgewogen tegen andere belangen, rechten of vrijheden.

De regering maakt gebruik van een brede basis aan inzichten en adviezen. De belangrijkste adviseur op het terrein van de infectieziektebestrijding is het OMT. Het OMT maakt voor zijn adviezen onder andere gebruik van adviezen van de WHO, het ECDC, wetenschappelijke onderzoeken en ervaring en expertise op het terrein van infectieziektebestrijding.

Naast adviezen op het terrein van infectieziektebestrijding maakt de regering ook gebruik van andere adviseurs, bijvoorbeeld op het terrein van maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen, gedrag van mensen en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van maatregelen. In de stand van zaken brief COVID-19 van 6 mei jl. is dieper ingegaan op de advisering aan het kabinet over de sociaaleconomische aspecten van de coronacrisis.

Bij de besluitvorming over de totstandkoming van maatregelen op grond van dit wetsvoorstel zal vanzelfsprekend de inbreng worden betrokken van verschillende deskundigen, waaronder het RIVM en het OMT. Voorts blijft de overheid in gesprek met onder meer veldpartijen, vak- en brancheorganisaties en zal er blijvend aandacht zijn voor informatievoorziening aan het publiek. Om aan de zorgen over de afweging van diverse belangen (andere belangen dan alleen de volksgezondheid of bestrijding van de epidemie) tegemoet te komen is in artikel 58c vastgelegd dat de ministeriële regelingen worden vastgesteld door de Ministers van VWS, JenV en BZK in overeenstemming met de bewindspersonen die het mede aangaat en in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad. Zo wordt gewaarborgd dat alle betrokken belangen integraal in de afweging worden meegenomen. De vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit, zoals opgenomen in artikel 58b, tweede lid, vormen een waarborg dat bij het vaststellen, wijzigen en intrekken van maatregelen bij ministeriële regeling telkens de noodzakelijke afweging van de verschillende belangen plaatsvindt, zoals de consequenties voor de maatschappij, individuele gezinnen en ondernemers. Ook artikel 58c, zesde lid. draagt eraan bij dat alleen maatregelen gelden die noodzakelijk zijn en zodra de noodzakelijk vervalt, ook de maatregelen worden afgeschaald. Dit is ingevoegd door het amendement-Van der Graaf c.s.109.

De leden van de SGP-fractie menen dat deze vraag urgenter en relevanter wordt naarmate de coronacrisis langer duurt.

SGP – 2

Kan de regering zo concreet mogelijk aangeven wanneer er volgens haar niet langer sprake is van een directe dreiging van het coronavirus?

Voor de aanpak van de epidemie in Nederland is niet alleen de actuele verspreiding van het virus in Nederland van belang. Ook van belang is of er sprake is van een directe dreiging van een epidemie van het virus. Als het aantal besmettingen in Nederland laag is, maar de verspreiding van het virus in andere landen nog aanzienlijk is en de weerstand van de Nederlandse bevolking relatief laag, kunnen maatregelen ter voorkoming van een epidemie in Nederland ook noodzakelijk zijn. In dat geval is er namelijk sprake van een directe dreiging van een epidemie in Nederland. Wij baseren ons daarbij op adviezen van het OMT.

SGP – 3

Kan het ook zijn dat de regering verlenging van de wet in verband met een zekere dreiging van het virus afweegt tegen andere belangen of vrijheden of het algehele welzijn van de bevolking?

Voor de verlenging van de wet is elke drie maanden een uitdrukkelijke beslissing van de regering noodzakelijk die tevoren wordt voorgelegd aan de Eerste en Tweede Kamer (artikel VIII, vierde lid). De tijdelijkheid van de wet is ingegeven door de beperkingen van rechten en vrijheden die aan de orde zijn, waarbij de tijdelijke wet komt te vervallen zodra dit gelet op de bestrijding van de epidemie mogelijk is. Verlenging van de wet en het nemen van maatregelen is alleen aan de orde als dat noodzakelijk en evenredig is ter bestrijding van de epidemie of een directe dreiging daarvan. Dit zal worden beoordeeld aan de hand van de actuele stand van het virus, de wetenschappelijke inzichten en de voortgang van de bestrijding van de epidemie. Daarbij worden uiteraard ook de gevolgen voor de maatschappij betrokken. Ook zal daarbij worden betrokken het oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State, die voorafgaand aan een besluit tot verlenging van de wet wordt gehoord over de geldende maatregelen (artikel 58t).

SGP – 4

Deelt de regering de opvatting van de leden van de SGP-fractie dat deze belangenafweging uiteindelijk aan de regering en het parlement is en niet aan adviseurs van het kabinet, zoals het Outbreak Management Team (OMT)?

De regering deelt deze opvatting van de leden van de SGP-fractie.

Tijdelijkheid van de wet

De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat de tijdelijke wet zo kort mogelijk van kracht is. De maatregelen grijpen immers diep in op onze economie en maatschappij. De leden van deze fractie constateren dat de regering vaak verwijst naar vaccinatie als belangrijkste «troef» in de strijd tegen het coronavirus.

SGP – 5

Welk perspectief kan de regering bieden wat betreft de duur en de impact van de coronamaatregelen in de periode voorafgaand en ná introductie van een vaccin?

De regering heeft hiervoor de routekaart gepresenteerd. Dit houdt in dat veiligheidsregio’s worden ingedeeld in een van de risiconiveaus waakzaam, zorgelijk, ernstig en zeer ernstig, waarbij verschillende landelijke en regionale maatregelen passen. Voor een uitgebreidere toelichting op de routekaart verwijst de regering graag naar de Stand van zaken brief COVID-19 aan de Tweede Kamer van 14 oktober 2020110.

SGP – 6

Klopt het dat ook wanneer er een vaccin tegen corona gevonden wordt, er waarschijnlijk nog maandenlang, zo niet langer, maatregelen nodig zullen zijn?

Een veilig en effectief vaccin tegen covid-19 kan helpen bij het beëindigen van de pandemie. Hierbij zijn we afhankelijk van de adviezen van experts en beschikbaarheid van de vaccins. Er zal op het moment van de toelating van een vaccin hoogstwaarschijnlijk niet voor iedereen tegelijk een vaccin beschikbaar zijn. Het is dus niet mogelijk om dan de hele samenleving in één keer te vaccineren en daarom zal de vaccinatie gefaseerd worden georganiseerd. Er is nog geen duidelijkheid over hoe lang deze vaccinatiefase gaat duren. Zolang vaccins beperkt beschikbaar zijn, heeft dat mogelijk ook gevolgen voor het blijven handhaven van bepaalde maatregelen. Er zal steeds gekeken worden of er passende maatregelen zijn, die aangepast of aangescherpt kunnen worden. Zolang de routekaart met maatregelen ondersteunend aan deze doelen is, zal deze gebruikt blijven worden.

SGP – 7

Op welke wijze zou de regering het voortduren van de maatregelen in zo’n situatie willen rechtvaardigen?

Te zijner tijd zal het kabinet dat beoordelen en voorleggen aan het parlement. De regering kan zich voorstellen dat maatregelen in die situatie worden genomen ter bescherming van de volksgezondheid.

SGP – 8

Begrijpt de regering de zorg van een groep mensen dat de maatregelen oneindig zullen worden verlengd, omdat de dreiging van het coronavirus wellicht nooit helemaal verdwenen zal zijn?

De regering begrijpt dat mensen zich daar zorgen over maken. De regering hoopt ook dat de dreiging van covid-19 voor de Nederlandse samenleving snel zal afnemen.

SGP – 9

Hoe lang verwacht de regering gebruik te moeten maken van de nu voorgestelde wet?

Zo lang als covid-19 een bedreiging vormt voor de Nederlandse bevolking.

SGP – 10

Zou de regering het wenselijk vinden als er bijvoorbeeld 1, 2 of 5 jaar gebruik zou moeten worden gemaakt van deze wet?

De regering hoopt net als het parlement dat de dreiging van covid-19 zo kort mogelijk duurt.

Veilige afstand (artikel 58f)

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de veilige-afstandsnorm «een wezenlijk bestanddeel» noemt van de regels ter bestrijding van het coronavirus. Dit geldt natuurlijk ook voor handen wassen, ventilatie, thuis blijven bij klachten en andere hygiënevoorschriften.

SGP – 11

Waarom heeft de regering er voor gekozen om juist de veilige-afstandsnorm wel wettelijk te verankeren, maar vele andere maatregelen niet?

Drukte vermijden, thuisblijven wanneer men klachten heeft, geen handen schudden en regelmatig de handen wassen zijn manieren waarop iedereen bij kan dragen aan de bestrijding van de epidemie. Dit zijn dan ook – naast de veiligeafstandsnorm – belangrijke basisregels waarmee we besmettingen zoveel mogelijk kunnen voorkomen. Deze basisregels zijn ook nu al in adviezen neergelegd en daarbij is dan ook in dit wetsvoorstel aangesloten. Ook na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen adviezen worden gegeven en blijft het zo goed mogelijk opvolgen daarvan van groot belang.

SGP – 12

Heeft de regering bijvoorbeeld kennisgenomen van de regelgeving van Duitse deelstaten, waar ventilatie een veel prominentere plek heeft in de juridisch vastgelegde maatregelen?

Ja, we hebben daarvan kennisgenomen. Er is op dit moment nog onduidelijkheid over de mate waarin zeer kleine druppels (aerosolen) die langdurig in de lucht blijven hangen (minuten tot uren) een relevante rol spelen bij het verspreiden van het virus. Ventilatie draagt bij aan een prettig binnenklimaat. Het is echter niet bekend in welke mate ventilatie bijdraagt aan het voorkomen van covid-19. Ook andere geldende maatregelen zoals afstand houden, thuis werken, vermijden van drukte, nies- en hoesthygiëne toepassen, verkleinen de kans op eventuele overdracht via aerosolen. Het RIVM adviseert geen aanvullende maatregelen ten opzichte van het voldoen aan de voorafgaand aan Covid al bestaande regelgeving en richtlijnen ten aanzien van ventilatie, zoals vastgelegd in de bouw- en arboregelgeving en bijvoorbeeld in hygiënerichtlijnen voor scholen en verpleeghuizen vanuit RIVM en richtlijnen voor sportlocaties vanuit NOC/NSF.

Duitsland heeft ervoor gekozen goede/voldoende ventilatie als basismaatregel op te nemen. De maatregelen zijn verder redelijk vergelijkbaar (zie Bundesweltamt111 en Duitse Arbo112), zoals af en toe luchten en volgen van de bestaande regelgeving. Een duidelijk verschil is dat kort wordt ingegaan op luchtreinigers die alleen in heel bijzondere gevallen als aanvullende maatregel zouden kunnen worden overwogen. Voor normale situaties heeft het geen meerwaarde en ook in Duitsland plaatst men daar kanttekeningen bij omdat de werking erg afhangt van de positie en het gebruik. Ze vermelden ook dat het geen vervanging is voor goede ventilatie. Gezien de onduidelijke rol van aerogene transmissie en andere geldende maatregelen waarmee aerogene transmissie kan worden voorkomen ziet het RIVM geen meerwaarde om gebruik van luchtreinigers als aanvulling te adviseren.

De leden van de SGP-fractie hebben geen reden om eraan te twijfelen dat de anderhalve-metermaatregel het risico beperkt van overdracht van het virus via druppels die vrijkomen bij hoesten en niezen.

SGP – 13

Toch vragen zij de regering om deze maatregel, gelet op de impact op de economie en samenleving, van nadere wetenschappelijke onderbouwing te voorzien.

In de tijdelijke wet is opgenomen waar en wanneer er een veilige afstand moet worden gehouden. De veilige afstand zelf wordt vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (Tijdelijk besluit veilige afstand) die bij brief van de Minister van VWS van 16 oktober 2020 bij de Tweede en Eerste Kamer is voorgehangen113 (Kenmerk 1764921–212706-WJZ). Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij naar de nota van toelichting op het ontwerp Tijdelijk besluit veilige afstand.

Lokaal en regionaal maatwerk

De leden van de SGP-fractie hechten waarde aan de gedachte van lokaal en regionaal maatwerk, die stevig in de nu voorliggende wet verankerd is. Tegelijkertijd wijzen zij erop dat dit maatwerk de laatste maanden niet van de grond gekomen is door het tekort aan testcapaciteit, onduidelijkheid over de «gereedschapskist» met te nemen maatregelen en onwil bij lokale en regionale bestuurders om lastige besluiten te nemen, zoals het opleggen van beperkingen aan de horeca.

SGP – 14

Hoe kijkt de regering hierop terug?

Belangrijkste doel van de «gereedschapskist» is om regio’s te ondersteunen bij het treffen van de juiste maatregelen om het virus in te dammen (maatwerk). Naast maatwerk is er ook behoefte aan meer voorspelbaarheid en duidelijkheid voor bestuurders en burgers. In de kist zitten daarom zowel regionale maatregelen, als maatregelen die landelijk genomen kunnen worden. Met de huidige opzet hebben we geprobeerd een logisch systeem te presenteren, waarbij duidelijk is op welk inschalingsniveau welke maatregelen ieder geval gelden (en welke dus verplicht zijn) en welke maatregelen ter overweging (en waar dus nog sprake is van beleidsruimte). Hoe hoger het risiconiveau, des te zwaarder en generieker de voorgestelde maatregelen. De gereedschapskist vormt hiermee nu een duidelijkere routekaart voor maatregelen.

SGP – 15

Welke randvoorwaarden moeten wat de regering betreft écht op orde zijn, wil de maatwerkgedachte in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 kans van slagen hebben?

In aansluiting op bovenstaande antwoord, bevat de routekaart «in ieder geval» te nemen maatregelen en «te overwegen» maatregelen. Bij laatstgenoemde maatregelen is er ruimte voor maatwerk. Ook binnen de Tijdelijke wet.

Toezicht en handhaving

De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat bij het vaststellen van de coronamaatregelen zoveel mogelijk een beroep wordt gedaan op het gezond verstand en de eigen verantwoordelijkheid van burgers.

SGP – 16 en 17

Deelt de regering deze opvatting (nog steeds)?

In algemene zin vragen de leden van de SGP-fractie of, en zo ja, hoe de regering in de komende periode gebruik wil blijven maken van de mogelijkheden van dringende adviezen in plaats van juridisch afdwingbare verplichtingen.

In tal van sectoren in de samenleving is er – gelukkig – veel aandacht en inzet voor maatregelen om de bestrijding van het virus tegen te gaan. Zonder die aandacht en inzet gaat het ook niet lukken. Dit wetsvoorstel is dan een sluitstuk. Het allerbelangrijkste is dat we in Nederland in ons gedrag elke keer laten zien dat we het virus willen terugdringen. Daarom is het cruciaal dat we in ons land met z’n allen de maatschappelijke basisregels naleven, zowel thuis als buitenshuis: blijf bij klachten thuis, handen wassen, niezen in de elleboog, werk thuis, tenzij het niet anders kan, vermijd drukte en reis zo min mogelijk en in elk geval buiten de spits. En: draag een mondkapje in publieke binnenruimtes. Als we dat serieus doen dan kan de wetgeving ook echt het sluitstuk zijn.

Ons uitgangspunt is eigen verantwoordelijkheid, dus werken we met adviezen en vrijwillige maatregelen waarbij iedereen zoveel mogelijk autonomie houdt om eigen keuzes te maken. Maar de keuzes van de één kunnen bij een infectieziekte als deze directe gevolgen hebben voor de gezondheid van een ander. Daarom moet de regering daarnaast juridisch afdwingbare maatregelen kunnen nemen. Daarom ook dit wetsvoorstel, dat naar onze overtuiging een solide basis is voor gepaste maatregelen die noodzakelijk kúnnen zijn om de epidemie van covid-19 aan te pakken.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering sinds de aankondiging van de «gedeeltelijke lockdown» op 13 oktober jl. weer is overgegaan tot een «aangescherpt» handhavingsbeleid.

SGP – 18 en 19

Zij vragen hoe zich dit verhoudt tot de door de Tweede Kamer unaniem aangenomen motie-Van der Staaij/Klaver114 waarin de regering wordt opgeroepen een terughoudend boetebeleid te hanteren met betrekking tot de anderhalve-metermaatregel.

Kan de regering aangeven op welk moment wordt teruggekeerd tot een terughoudend boetebeleid?

Het terughoudende boetebeleid heeft vorm gekregen door een aantal maatregelen te treffen die de gevolgen van een bekeuring voor overtreding van de veiligeafstandnorm verzachten, zodat overtreders niet langer de kans lopen ook nog op een later moment in hun leven geconfronteerd te worden met de gevolgen van deze boete.115 Zo is besloten dat deze boete niet langer wordt geregistreerd in de justitiële documentatie en worden de boetes niet meegewogen voor het al dan niet verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Ook heeft het openbaar ministerie zeer onlangs besloten de hoogte van de boete voor overtreding van de noodverordeningen te verlagen naar € 95, daarmee anticiperend op de aanstaande inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Deze maatregelen zijn inmiddels (bij nota van wijziging en amendement) verwerkt in het wetsvoorstel.

Het aangescherpte handhavingsbeleid ziet op de intensiteit van de handhaving en de strengheid in de handhavingspraktijk. Zo nopen de sterk toenemende besmettingscijfers tot het geven van prioriteit aan het toezicht op en de handhaving van de vastgestelde maatregelen. Ook zal na waarschuwing van de overtreder sneller worden overgegaan tot beboeting, indien de overtreder diens gedrag niet aanpast. De intensiteit van de handhaving hangt samen met de ontwikkeling van de besmettingscijfers. Zodra het aantal besmettingen duurzaam afneemt, kan ook de handhaving weer terughoudender van aard worden. Wanneer dit moment aanbreekt kan nog niet worden aangegeven; het kabinet zal in samenspraak met de veiligheidsregio’s, het openbaar ministerie en de politie bij elke afkondiging van een nieuw maatregelenpakket de noodzakelijke intensiteit van de handhaving heroverwegen.

SGP – 20

Voorziet de regering een moment waarop de anderhalve-metermaatregel niet langer als een juridische verplichting wordt vormgegeven, maar eerder als een maatschappelijke norm?

Wat de regering betreft is het én én. Het houden van de veilige afstand is in de eerste plaats een maatschappelijke norm waarmee we elkaar kunnen beschermen, maar indien nodig ook een juridische verplichting.

Artikelsgewijs

SGP – 21

Klopt het dat de regering artikel 58j, het eerste lid, onder a, Wpg wil gebruiken als grondslag voor invoering van de landelijke mondkapjesplicht in publieke binnenruimtes?

Het klopt dat wij voornemens zijn een mondkapjesplicht in publieke binnenruimtes te baseren op artikel 58j, eerste lid, onder a.

SGP – 22

Zou het niet beter zijn om hiervoor een meer expliciete grondslag in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 op te nemen?

Naar aanleiding van gelijkluidende opmerkingen hierover door leden van de Tweede Kamer is via een nota van wijziging verduidelijkt dat voorwerpen die bestemd zijn om te worden gedragen om bescherming te bieden tegen overdracht van het virus, zoals mondkapjes, worden aangemerkt als persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 58j, eerste lid, onder a. De grondslag zoals die nu luidt, is naar ons oordeel dan ook voldoende specifiek voor invoering van een mondkapjesplicht.

SGP – 23

Hoe onderbouwt de regering dat zo’n plicht noodzakelijk en evenredig is, gezien de voortdurende wetenschappelijke discussie over het nut van niet-medische mondneusmaskers voor het tegengaan van de verspreiding van het virus?

De toelichting op de desbetreffende ministeriële regeling, die ingevolge artikel 58c van het wetsvoorstel ook aan de Eerste Kamer zal worden voorgelegd, zal de onderbouwing bevatten van de mondkapjesplichten die het kabinet voor ogen staan. Wij zijn voornemens in die regeling een plicht op te nemen tot het dragen van een mondkapje in drie situaties. Allereerst voor personen die zich bevinden in voor het publiek toegankelijke binnenruimtes. Deze verplichting geldt voor personen vanaf dertien jaar, tenzij zij gebruikmaken van een zitplaats. Ten tweede voor leerlingen in een school of onderwijsinstelling, op het moment dat de leerlingen geen les of college hebben of tijdens de les niet zitten. Ten derde voor personen van dertien jaar en ouder die deelnemen aan het openbaar vervoer of ander bedrijfsmatig personenvervoer. Personen die om een medische reden geen mondkapje kunnen dragen of die een sport beoefenen, zijn wij voornemens uit te zonderen van deze mondkapjesplichten. Daarbij staat buiten kijf dat ook een mondkapjesplicht moet voldoen aan de vereisten van noodzaak en evenredigheid (artikel 58b, tweede lid) en dat op die vereisten ingegaan zal worden in de toelichting bij de regeling(en).

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het de wens is van de regering «om de uitoefening van grondrechten – ook in het geval van opleving van het virus – zoveel mogelijk doorgang te kunnen laten vinden en de noodzaak tot overheidsingrijpen tot het allernoodzakelijkste te beperken»».116 De leden van deze fractie zijn verheugd dat de regering daarom voornemens is om samenkomsten van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard uit te zonderen van de bevels- en aanwijzingsbevoegdheden van artikel 58l, tweede tot en met het vierde lid. De leden van de SGP-fractie constateren echter dat hierover in de afgelopen periode veel commotie is ontstaan in de publieke opinie. Zij herinneren de regering eraan dat er druk is uitgeoefend (ook van de kant van de regering) op kerken om opnieuw vergaande maatregelen te treffen met betrekking tot het maximumaantal kerkgangers.

SGP – 24

De leden van de SGP-fractie vragen wat de bescherming van grondrechten zoals in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 wordt verwoord waard is, als er onder grote druk dringende en vergaande adviezen worden gegeven om opnieuw maximumaantallen te hanteren?

De eigen verantwoordelijkheid van religieuze en levensbeschouwelijke instellingen wordt ten volle gerespecteerd. Wij zijn verheugd dat de gezamenlijke gemeenschappelijke religieuze organisaties ook in deze fase van de epidemie, waarin helaas weer sprake is van een verdere verspreiding van het virus, op vrijwillige basis hun verantwoordelijkheid hebben genomen door op te roepen tot behoedzaamheid en terughoudendheid (zie het communiqué waarnaar is verwezen in antwoord op vraag FVD-19). Er is de regering veel aan gelegen in goed overleg met de betrokken organisaties tot passende oplossingen te komen, waarbij de grondwettelijke bescherming van het recht op het vrij belijden van godsdienst en levensovertuiging ten volle blijft gewaarborgd. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft zich hier als de verantwoordelijke Minister de voor erediensten de afgelopen maanden voor ingezet en zal dat ook blijven doen.

SGP – 25

Is de regering bereid om te blijven zoeken naar maatwerk voor samenkomsten van grote(re) kerkelijke gemeenschappen?

Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer op vragen van de heer Van der Staaij heeft aangegeven, is en blijft het kabinet met de betrokken organisaties in gesprek over wat mogelijk is om in de komende tijd het maatwerk in te vullen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat in artikel 58n een uitzondering wordt gemaakt voor woningen.

SGP – 26, 27, 28 en 29

Waarom is er niet voor gekozen om samenkomsten van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard (in de zin van artikel 6, tweede lid van de Grondwet) eveneens uit te zonderen van dit artikel?

Kan de regering ten aanzien van dergelijke samenkomsten preciezer toelichten onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheden die artikel 58n creëert?

Kan de regering concrete voorbeelden geven van situaties waarin deze bevoegdheid moet worden gebruikt?

Deelt de regering de opvatting van deze leden dat met deze bevoegdheden zeer terughoudend moet worden omgegaan?

Artikel 58n gaat over zeer uitzonderlijke en acute situaties («ernstige vrees voor onmiddellijke verspreiding van het virus»), waarin de burgemeester bij gedragingen of activiteiten in of vanuit een besloten plaats bevelen kan geven die nodig zijn voor de beëindiging van die gedraging of activiteit en daar aanwezige personen kan bevelen zich onmiddellijk te verwijderen. Dit betreft dus uitsluitend situaties waarin sprake is van onmiddellijke gevaarzetting. De situatie moet dus tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken. De bevelen moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties. Ook voor de toepassing van deze bevoegdheid gelden bovendien de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals vastgelegd in artikel 58b, tweede lid. Reeds uit deze wettelijke restricties vloeit voort dat van de bevelsbevoegdheid met uiterste terughoudendheid gebruik dient te worden gemaakt. Wij delen op dit punt dus de opvatting van de leden van de SGP-fractie.

Artikel 58n bevat mede een generieke uitzondering voor woningen, gelet op het belang van de bescherming van het huisrecht. Voor andere besloten plaatsen is geen uitzondering gemaakt, ook bijvoorbeeld niet voor gebouwen waarin vergaderingen worden gehouden van bijvoorbeeld de Staten-Generaal. Wij erkennen dat het zowel bij woningen als bij samenkomsten van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard gaat om autonome sferen die in beginsel buiten de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding door de overheid vallen en horen te vallen. Slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen is er een aanknopingspunt voor overheidsinterventie vanwege een publiek belang. Dan nog zal moeten worden beoordeeld of overheidsoptreden gerechtvaardigd is en of kan worden voldaan aan de voorwaarden die aan vrijheidsbeperkingen worden gesteld, zoals toegelicht in § 5.1 en 5.2 van de memorie van toelichting. Die beoordeling is onder andere bij artikel 58n in het geval van woningen anders uitgevallen dan in het geval van de bedoelde samenkomsten, omdat in laatstbedoeld geval doorgaans sprake is van meer aanwezigen in wisselende samenstellingen – met een grotere kans op verspreiding van het virus – en waarbij (tijdelijke) alternatieven beter voorstelbaar en uitvoerbaar zijn.

Ter voorkoming van mogelijk misverstand wijzen wij erop dat artikel 58n geen bevoegdheid verschaft om binnen te treden in ruimten waar een samenkomst van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard gaande is. Het wetsvoorstel verandert niets aan het geldende recht, dat slechts een zeer beperkte mogelijkheid biedt om in gevallen waarin binnentreden van plaatsen krachtens een wettelijk voorschrift is toegelaten gedurende een godsdienstoefening of bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard, binnen te treden in een daartoe bestemde ruimte. Dat kan volgens artikel 12 van de Algemene wet op het binnentreden namelijk slechts in het geval van ontdekking op heterdaad. Hiervoor geldt hetzelfde rechtsregime als voor het gedurende de vergadering binnentreden in een vergaderruimte van de Staten-Generaal, van provinciale staten, van gemeenteraden of van andere algemeen vertegenwoordigende organen en het gedurende de terechtzitting binnentreden in de ruimte waarin een terechtzitting wordt gehouden.

Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt uitgebracht mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
2

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 234.

X Noot
3

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 40.

X Noot
4

Kamerstukken I 2019/20, 35 300-VI, AC.

X Noot
5

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr.4.

X Noot
6

Nader gewijzigd amendement-Buitenweg c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 48).

X Noot
7

Nader gewijzigd amendement-Brenk c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 38).

X Noot
8

Nader gewijzigd amendement-Veldman c.s. (Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 33).

X Noot
9

Brief van 13 oktober 2020 (Kamerstukken I 2020/21, 35 526, D).

X Noot
10

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 39.

X Noot
11

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, F (zie o.a. de slotalinea van punt 2 van de voorlichting.

X Noot
12

Afdeling Advisering van de Raad van State: Voorlichting over de grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen, 25 mei 2020 (W04.20.0139/I/(Vo).

X Noot
13

Brief van 15 juni 2020; Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 422, p. 3.

X Noot
14

Brief van 4 juli 2018; Kamerstukken II 2017/18, 29 668, nr. 48

X Noot
15

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 42 respectievelijk nr. 45.

X Noot
16

Artikel 58f, tweede lid, Wpg.

X Noot
17

Artikel 58f, vierde lid, Wpg.

X Noot
18

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, § 3.5.1.1.

X Noot
19

Kamerstukken II, 2019/20, 25 295, nr. 508.

X Noot
20

NICE/Coronadashboard.

X Noot
21

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 508.

X Noot
22

Behoedzaam vieren van geloof (gezamenlijk Communiqué́ van het Centraal Joods Overleg, het Contactorgaan Moslims en Overheid, de Hindoeraad, de Boeddhistische Unie en het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken over de religieuze en levensbeschouwelijke bijeenkomsten). Zie https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/10/05/behoedzaam-vieren-van-geloof.

X Noot
23

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 32.

X Noot
24

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 36.

X Noot
25

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 35.

X Noot
26

Kamerstukken I 2019/20, 35 300-VI, AC.

X Noot
27

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 3.

X Noot
28

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 4, p. 4, 8.

X Noot
29

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, F (punt 5.b.ii, tweede alinea).

X Noot
30

Artikel 3 Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius in samenhang met artikel 18 Wet herstel voorzieningen Sint Eustatius.

X Noot
31

Kamerstukken II 2020/21, 35 240 nr. 105

X Noot
32

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 2.

X Noot
33

Kamerstukken I 2009/10, 31 467, C, p. 12.

X Noot
34

Hoge Raad 2 april 1985, NJ 1985, 796.

X Noot
35

Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 3, p. 145 en HR 1 februari 1915, NJ 1915, 573.

X Noot
36

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 9.

X Noot
37

Handelingen II 2020/21, nr. 8, p. 5 en 19

X Noot
38

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 4, p. 6.

X Noot
39

https://vng.nl/sites/default/files/2020–10/20201002_brief parlement_inbreng_tk_covid_wet_versie_vng_vb_wv_ngb.pdf.

X Noot
40

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 19.

X Noot
41

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23.

X Noot
42

VPRO-televisie, Zondag met Lubach, 18 oktober 2020.

X Noot
43

Kamerstukken II 2018/2019, 30 821, nr. 91; Kamerstukken II 2019/2020, 30 821, nr. 112.

X Noot
44

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 3, p. 54, 59.

X Noot
45

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23.

X Noot
46

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 3, p. 66.

X Noot
47

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 42.

X Noot
48

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 422, p.3.

X Noot
49

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 48.

X Noot
50

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 49.

X Noot
51

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, F (punt 5.b.iii, tweede alinea).

X Noot
52

Kamerstukken I 1979/80, 14 222, nr. 112b, p. 3 (MvA I bij grondwetswijzigingenvoorstellen in eerste lezing inzake de inrichting en de samenstelling van de Staten-Generaal).

X Noot
53

Kamerstukken II 1976/77, 14 222, nr. 3, p. 9 (MvT bij grondwetswijzigingsvoorstellen in eerste lezing inzake de inrichting en de samenstelling van de Staten-Generaal).

X Noot
54

Staatscommissie parlementair stelsel, Lage Drempels, hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans, Eindrapport, Amsterdam: Boom 2018, p. 293.

X Noot
55

Kamerstukken 2020/201, 25 295 nr. 656.

X Noot
56

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 38.

X Noot
57

Stenogram Tijdelijke wet maatregelen covid-19, p. 35 (nog niet gepubliceerd).

X Noot
59

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 32.

X Noot
60

Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

X Noot
61

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 40.

X Noot
62

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p.2.

X Noot
63

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p.2.

X Noot
65

European Centre for Disease Prevention and Control. Using face masks in the community: Reducing COVID-19 transmission from potentially asymptomatic or pre-symptomatic people through the use of face masks, 8 April 2020. Stockholm: ECDC; 2020. https://www.ecdc.europa.eu/en/publications-data/using-face-masks-community-reducing-covid-19-transmission

X Noot
67

Frank Posen, «Stoffen mondmaskers beschermen niet tegen coronavirus, maar waarom worden ze dan niet afgeraden?» Het Nieuwsblad, 19 oktober 2020.

X Noot
68

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 3.

X Noot
69

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 4.

X Noot
70

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 5.

X Noot
72

Briefkenmerk 1764921–212706-WJZ.

X Noot
73

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 81.

X Noot
74

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
75

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 14.

X Noot
76

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
77

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 6.

X Noot
78

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, B, p. 7.

X Noot
79

Vgl. Rb. Noord-Holland 15 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4711.

X Noot
80

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 29.

X Noot
81

Kamerstukken 35 401.

X Noot
82

Kamerstukken II 2019/20, 35 401.

X Noot
83

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 29, 30.

X Noot
84

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 30, 31.

X Noot
85

Arno Heesakkers, «Bossche arts-microbioloog: «Vergeet het maar, we komen nooit van virussen af»», BD, 19 oktober 2020.

X Noot
86

«Berlijnse rechter schrapt verplichte sluitingstijd restaurants», De Telegraaf, 16 oktober 2020. Error! Hyperlink reference not valid.

X Noot
87

Kamerstukken I 2020/21, 35 526, F (punt 2.b).

X Noot
88

bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 35 570, nr. 47

X Noot
90

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 13.

X Noot
91

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 15.

X Noot
92

Infection fatality ratio.

X Noot
93

The Lancet, Published Online October 14, 2020, https://doi.org/10.1016/S0140–6736(20)32153-X.

X Noot
95

Kamerstukken II 2019/2020, 30 821, nr. 112.

X Noot
96

Kamerstukken II 2020/2021, 25 295, nr. 565.

X Noot
100

Meticilline-resistente Staphylococcus aureus.

X Noot
101

Kamerstukken II 2019/20, 35 420, nr. 105

X Noot
102

Toelichting bij amendement-Van der Graaf c.s., Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 39, met verwijzing naar het voorstel voor wijziging van de Grondwet inzake een algemene bepaling (Stb. 2018, 86).

X Noot
104

Kamerstukken II 2019/2020, 35 526, nr. 4, onderdeel 7.b.

X Noot
106

MvT, Kamerstukken II 2019/20, 35 526, p. 76–77, en Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 23, antwoord 262.

X Noot
107

Bijlage bij: Kamerstukken I 2019/20, 25 295, nr. 423; Onderstreping in het citaat is toegevoegd.

X Noot
108

John P. A. Ioannidis, «Infection fatality rate of COVID-19 inferred from seroprevalence data», Bulletin of the World Health Organization, 14 oktober 2020. https://www.who.int/bulletin/online_first/BLT.20.265892.pdf

X Noot
109

Kamerstukken II 2020/21, 35 526, nr. 39.

X Noot
110

Kamerstukken II 2020/2021, 25 295 nr. 656.

X Noot
113

Briefkenmerk 1764921–212706-WJZ.

X Noot
114

Kamerstukken II 2019/20, 25 295, nr. 522.

X Noot
115

Brief van 25 september 2020, Kamerstukken II 2020/21, 25 295, nr. 580.

X Noot
116

Kamerstukken II 2019/20, 35 526, nr. 3, p. 89.