Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202025295 nr. 234

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 234 MOTIE VAN DE LEDEN VAN DER STAAIJ EN JETTEN

Voorgesteld 8 april 2020

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de noodverordeningen vanwege de coronacrisis vergaande inbreuken doen op grondrechten van burgers en dat de democratische controle ten aanzien van noodverordeningen beperkt is;

overwegende dat bij het voortduren van bestaande maatregelen en het overwegen van nieuwe maatregelen, zoals het gebruik van apps, het noodzakelijk is dat de minst vergaande inbreuk op een grondrecht wordt gedaan die past bij de aard en beperkingsmogelijkheden van het specifieke grondrecht;

van mening dat de kaders van de rechtsstaat ook in crisistijd hooggehouden dienen te worden;

verzoekt het presidium, de Raad van State om voorlichting te vragen over de grondrechtelijke aspecten van de genomen en voorgenomen crisismaatregelen en daarbij in ieder geval aandacht te geven aan de volgende vragen:

  • in hoeverre bij elk van de maatregelen voldoende rekening wordt gehouden met de aard van het specifieke grondrecht;

  • in hoeverre steeds de minst vergaande maatregel is getroffen die nodig is voor het bereiken van het doel;

  • op welke wijze en volgens welke criteria (gefaseerde) afbouw van maatregelen mogelijk is met het oog op een zo min mogelijk beperken van de grondrechten;

  • op welke manier zo goed mogelijk democratische controle kan worden uitgeoefend,

en gaat over tot de orde van de dag.

Van der Staaij

Jetten