Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202135526 nr. 38

35 526 Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

Nr. 38 NADER GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID VAN BRENK C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 29

Ontvangen 7 oktober 2020

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel A, wordt het voorgestelde artikel 58o als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1a. Een zorgaanbieder kan, indien dit noodzakelijk is om verspreiding van het virus SARS-CoV-2 naar dan wel vanuit een zorglocatie te voorkomen en de maatregelen die de zorgaanbieder treft op grond van het eerste lid onvoldoende zijn om die verspreiding te voorkomen, beperkingen of andere voorwaarden stellen aan de toegang van personen tot een zorglocatie door iemand die niet bij de zorg, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning betrokken is of die geen mantelzorger is.

2. In het derde lid wordt «Indien dit noodzakelijk is» vervangen door «Indien de maatregelen die een zorgaanbieder neemt op grond van het eerste lid en lid 1a, onvoldoende of onevenredig zijn».

3. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «derde lid» vervangen door «lid 1a en derde lid».

b. Onderdeel a wordt vervangen door:

  • a1. belemmeringen voor de toegang van tenminste één familielid of naaste tot een in de zorglocatie verblijvende persoon, behoudens in geval van uitzonderlijke omstandigheden;

  • a2. toegang van familieleden of naasten tot een in de zorglocatie verblijvende persoon van wie de behandelend arts verwacht dat deze op korte termijn zal overlijden;.

Toelichting

Het doel van dit amendement is dat een cliënt altijd bezoek van tenminste één familielid of naaste kan krijgen. Dat recht wordt vastgelegd in het voorgestelde artikel 58o, vierde lid. Menselijk contact is namelijk essentieel voor het welbevinden. Maatwerk is daarom mogelijk: als de situatie het toelaat, kan bezoek ook door meer dan één familielid of naaste plaatsvinden. Omdat er zich in deze crisissituatie uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen, geldt deze bepaling niet in alle gevallen. Zo kan gedacht worden aan situaties van gecohorteerde verpleging afgezonderd van de overige ruimten in een locatie.

De indieners willen de verantwoordelijkheid voor het eventueel beperken van bezoek primair bij de zorgaanbieder houden. Zorgaanbieders hebben de plicht om kwalitatief goede en veilige zorg te leveren. Wanneer er sprake is van een dusdanig grote uitbraak in de regio en/of stad waar een aanbieder gevestigd is, kan de aanbieder de veilige zorg niet meer garanderen wanneer deze nog onbeperkt open is voor bezoek. Dit in verband met een groot risico op verspreiding van en besmetting met covid-19. Gezien de taak van zorgaanbieders om kwalitatief goede en veilige zorg aan te bieden veronderstellen de indieners dat zorgaanbieders in bovengenoemde situatie zelf besluiten tot het sluiten van een (deel van) een locatie. Dat blijft primair de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders en de indieners willen daarmee de Minister niet op de stoel van de aanbieder neerzetten. Ook de cliëntenraad en de ondernemingsraad zullen vanuit de eigen verantwoordelijkheid in het overleg met de zorgaanbieder oog hebben voor de evenredigheid van maatregelen die worden getroffen om de verspreiding van het virus tegen te gaan.

De indieners stellen voor om artikel 58o, derde lid, aan te passen. Als de zorgaanbieder onverhoopt zijn verantwoordelijkheid niet zou waarmaken, dan is het nodig dat de Minister subsidiair en snel kan ingrijpen. Een ministeriële regeling is als uiterst remedium nog mogelijk. Artikel 58b, tweede lid, brengt mee dat de regeling evenredig moet zijn. Landelijk dekkende toegangsverboden stroken daar bijvoorbeeld niet mee. De ministeriële regeling zal dan ook toegespitst moeten zijn op die locatie, zorginstelling, wijk, gemeente of regio waar het probleem zich voordoet. Het ligt voor de hand dat daarbij ook gedifferentieerd wordt naar de categorie instellingen die het betreft. Te denken valt aan de situatie dat er in een gemeente of een gebied een uitbraak is van het virus en een of meer zorglocaties aldaar onvoldoende maatregelen hebben getroffen om de verspreiding ervan tegen te gaan.

De bevoegdheid van de Minister om een aanwijzing of bevel te geven op grond van artikel 58o, tweede lid, blijft bestaan. Daarmee kan de Minister van VWS een schriftelijke aanwijzing geven met concrete maatregelen of, in spoedeisende gevallen, een bevel geeft indien de zorgplicht niet wordt nageleefd. Een aanwijzing kan bijvoorbeeld inhouden dat de zorgaanbieder specifieke maatregelen dient te treffen om ervoor te zorgen dat aanwezige bezoekers de veilige-afstandsnorm in acht kunnen nemen.

Van Brenk Veldman Van der Staaij Buitenweg Groothuizen Van Dam Van der Graaf Kuiken