35 300 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2020

Nr. 9 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 november 2019

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 10 oktober 2019 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Bij brief van 5 november zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Diks

De griffier van de commissie, Nava

1

Welke kosten heeft uw ministerie in 2018 en 2019 gemaakt ten behoeve van (leden van) het Koninklijk Huis? Welk bedrag is hiervoor precies gereserveerd in de begroting van 2020?

Antwoord

Er is sprake van uitgaven voor kosten op de begroting van dit ministerie voor activiteiten die verband houden met de beleidsdoeleinden en/of uitvoering van regelgeving van dit ministerie en waarbij in dit kader een persoon is betrokken die tevens lid is van het Koninklijk Huis.

Prins Constantijn van Oranje is «special envoy» voor het programma TechLeap.nl en wordt hiertoe sinds medio 2016 ingehuurd door de stichting DutchStartHub. Stichting DutchStartHub wordt gesubsidieerd door EZK en is WNT-plichtig. De bezoldiging van de special envoy verloopt derhalve niet rechtstreeks via de begroting van EZK. Wel mag de «special envoy» voor een beperkt aantal uren gebruik maken van een dienstauto waarvan de kosten ten laste komen van de EZK-begroting.

2

Kunt u aangeven wanneer het wetsvoorstel om de positie van huurders en verhuurders bij verduurzaming te versterken ter consultatie gaat worden aangeboden?

Antwoord

De Minister van BZK zal eind van dit jaar een brief sturen over de uitwerking van de wetgeving in relatie tot de wijkgerichte aanpak.

3

Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de broeikasgasreductie?

Antwoord

Op 1 november is de Klimaat en Energieverkenning (KEV) 2019, en de aanvullende Klimaatakkoord notitie naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuknummer 32813-400). Deze notities geven inzicht in de broeikasgasreductie voor 2020 als 2030. In de begeleidende Kamerbrief bij deze stukken, is een overzicht gegeven van de belangrijkste conclusies van deze notities en de acties die het kabinet inzet ten aanzien van het Klimaatakkoord en de uitvoering van het Urgenda-vonnis.

4

Kan worden aangegeven hoe zwaar een CO2-heffing kan gaan drukken op de energie-intensieve bedrijven, door een cumulatie van maatregelen? Wat is het aandeel bedrijven dat met deze cumulatie te maken gaat krijgen? Hoe hoog zou de totale som van heffingen dan zijn, welk deel daarvan wordt gevormd door de CO2-heffing?

Antwoord

Het oogmerk van de CO2-heffing is niet om geld op te halen, maar om bedrijven te prikkelen de heffing voor te blijven, door tijdig te investeren in emissie-reducerende productieprocessen. Als ze dat doen, hoeven ze geen heffing te betalen. Over het aandeel van de heffing in een fictieve opbrengst is dan ook geen feitelijke uitspraak te doen. De vormgeving van de heffing wordt nu nader uitgewerkt.

De cumulatie van maatregelen kan naast de effecten van de heffing, die betaald moet worden als het een bedrijf niet lukt om voldoende emissies te reduceren, betrekking hebben op de energiebelasting, de ODE-schuif, het aflopen van de regeling indirecte kostencompensatie ETS (compensatie voor hogere elektriciteitsprijzen als gevolg van ETS) en de verplichte ombouw van laagcalorisch gas voor de negen grootste afnemers. De bedrijven die te maken krijgen met de CO2-heffing voelen (al volgend jaar) de verhoging van de energiebelasting en ODE, tenzij er vrijstellingen gelden zoals bijvoorbeeld voor metallurgische en mineralogische processen. Onder de heffing zullen ca. 300 bedrijven vallen. Bij de afbouw van de regeling indirecte kostencompensatie ETS gaat het om een groep van naar schatting 50 bedrijven (o.b.v. aanvragen 2017), die ook tot de doelgroep van de heffing behoren. Tegelijkertijd is er ook sprake van een cumulatie aan maatregelen die positief uitpakken voor de industrie, waaronder de uitbreiding van de SDE+, versterkte inzet op meerjarige innovatieprogramma’s voor de industrie, en de middelen voor de industrie uit de klimaatenvelop.

Zoals in de kabinetsbrief bij het klimaatakkoord staat, zal het kabinet actief monitoren of risico’s op verlies aan werkgelegenheid door cumulatie van klimaatlasten bewaarheid dreigen te worden. Het kabinet zal handelen als er door de genoemde effecten werkgelegenheidsverlies op dreigt te treden bij intrinsiek gezonde bedrijven. Het kabinet zal daarom een draaiboek ontwikkelen met daarin vastgelegd hoe de monitoring plaats zal vinden, hoe objectief getoetst wordt of werkgelegenheidsverlies dreigt op te treden en welke instrumenten het kabinet in kan zetten om dit risico af te wenden. Over de monitoring zal jaarlijks verslag worden gedaan in de Voortgangsmonitor Klimaatbeleid. Het kabinet stelt initieel voor dit instrumentarium de komende periode 125 miljoen euro beschikbaar, bovenop de 75 miljoen euro nadeelcompensatie die reeds beschikbaar is voor het overschakelen naar laagcalorisch gas. Daarbij kan in elk geval gedacht worden aan het reserveren van middelen voor uitrol van relatief dure CO2-reducerende technische maatregelen die individuele bedrijven nodig hebben om de heffing te kunnen vermijden, maar waarvoor zij vermoedelijk niet concurrerend kunnen inschrijven binnen de verbrede SDE+, ondersteuning bij infrastructurele knelpunten of compensatie voor het aflopen van de regeling indirecte kostencompensatie ETS.

5

Kunt u aangeven welke partijen het klimaatakkoord hebben ondertekend?

Antwoord

Op de site van het Klimaatakkoord staan alle deelnemers die tot dusver het Klimaatakkoord hebben ondertekend. Deze lijst wordt regelmatig bijgewerkt. Wij zijn verheugd dat een groot aantal partijen het Klimaatakkoord al hebben ondertekend. We zien ernaar uit dat een groot aantal partijen de komende tijd nog zal volgen.

6

Welke extra maatregelen worden per sector genomen om te voldoen aan het Urgenda-vonnis van 2020?

Antwoord

In de Kamerbrief van 28 juni jl. (Kamerstuk 32 813 nr. 341) heeft het kabinet extra maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Daarbovenop heeft het kabinet in de begeleidende Kamerbrief bij de KEV2019 van 1 november jl. (Kamerstuknummer 32813-400) aanvullende maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan het aandeel hernieuwbare energie, energiebesparing en CO2-reductie. Ook leveren maatregelen die het kabinet treft in het kader van de stikstofproblematiek, mogelijk nog een bijdrage aan de CO2-reductie.

7

Hoe wordt het programma Waterstof vormgegeven?

Antwoord

Basis voor het Waterstofprogramma zijn de afspraken in het Klimaatakkoord. Het programma zal adaptief van aard zijn. In de eerste fase van ontwikkeling van de waterstofmarkt zal de nadruk liggen op het creëren van de randvoorwaarden en het realiseren van de eerste praktijkprojecten. De rijksoverheid zal zich in deze fase met name richten op onderwerpen als marktordening, regelgeving, certificering, innovatie-stimulering, internationale afspraken en veiligheid. Gezien de grote nationale en internationale dynamiek vergt het programma een flexibele aanpak. Voor het bepalen van een gepast stimuleringsinstrumentarium zullen overheid en marktpartijen gezamenlijk moeten leren van de eerste praktijkprojecten. In de toegezegde kabinetsvisie op waterstof zal nader worden ingegaan op de hoofdlijnen van het waterstofprogramma.

8

Welke bedrijven maken aanspraak op het programma Waterstof?

Antwoord

Het programma zal een generiek karakter krijgen en niet specifiek gericht zijn op bepaalde bedrijven. Waar mogelijk wordt bestaand instrumentarium gekoppeld aan het programma, met regelingen die open staan voor alle bedrijven met geschikte projecten.

9

Hoeveel geld komt er beschikbaar om waterstof te stimuleren? Is er per waterstofproject een maximumbedrag beschikbaar?

Antwoord

Er is momenteel via de Demonstratie Energie en Klimaatinnovatie (DEI+) regeling 35 miljoen euro beschikbaar (vanuit de Klimaatenvelop) voor projecten op het gebied van opslag en conversie. Waterstofprojecten kunnen hierop aanspraak maken. Dit bedrag is beschikbaar voor zowel 2019 als voor 2020. Richting 2030 zal dit bedrag oplopen tot 60 miljoen euro. Het maximum bedrag per project in de DEI+ regeling is 15 miljoen euro.

Uit de klimaatenvelop is er volgend jaar 3,3 miljoen euro beschikbaar, oplopend naar 6,6 miljoen euro richting 2030, voor toegepast onderzoek op het gebied van grootschalige opslag als onderdeel van de Topsector Energie Regeling. Hierbij kunnen waterstofprojecten ook gebruik maken van reguliere TSE middelen (zoals gericht op wind op zee of industrie).

Via de Demonstratieregeling Klimaat technologieën en -innovaties in transport (DKTI Transport) is sinds eind 2017 ruim 20 miljoen euro beschikbaar voor toepassingen in de mobiliteit, zoals waterstofvulstations. Daarnaast staan diverse toepassingen van waterstof op de milieulijst voor fiscaal voordeel via de EIA en de MIA/ Vamil regeling, bijvoorbeeld voor toepassingen in de mobiliteit (trucks, vuilniswagens) en voor decentrale elektrolyse-units voor het ontlasten van het elektriciteitsnet.

10

Welke resterende acties en doelen uit het Energieakkoord worden geïntegreerd in het Klimaatakkoord?

Antwoord

Vanaf volgend jaar zal het kabinet jaarlijks rapporteren over de voortgang van de beleidsafspraken en de prognose van het doelbereik in de Klimaatnota, welke wordt opgesteld op basis van de jaarlijkse KEV. Met de Klimaatnota geeft het kabinet jaarlijks inzicht in de voortgang van het klimaatbeleid en de realisatie van het doelbereik. In de Klimaatnota van komend jaar zal separaat worden ingegaan op de doelstellingen van het Energieakkoord.

11

Hoe wordt er gegarandeerd dat bij het ontwerp van de CO2 heffing genoeg zal stimuleren om tot voldoende CO2-reductie te leiden?

Antwoord

De CO2-heffing moet borgen dat het doel van 14,3 Mton emissiereductie wordt gerealiseerd ten opzichte van het basispad – het pad dat het uitstootniveau van de industrie in de periode 2020–2030 zonder klimaatbeleid beschrijft – en tegelijkertijd zoveel mogelijk voorkomen dat productie naar het buitenland verplaatst of investeringsbereidheid in Nederland afneemt. Dat gebeurt op twee manieren, namelijk via het bepalen van de heffingsvrije voet en via het bepalen van de heffingshoogte. De heffing belast het te veel aan emissies, de uitstoot daaronder wordt niet belast. De heffingsvrije voet wordt gebaseerd op de benchmarks die in het ETS worden gebruikt voor de allocatie van emissierechten. Deze benchmarks worden jaarlijks verminderd met een reductiefactor, zodat in 2030 een reductie van 14,3 Mton ten opzichte van het basispad wordt gerealiseerd.

De hoogte van de heffing wordt zo gekozen dat deze de industrie prikkelt de maatregelen te treffen die nodig zijn voor reductiedoel in 2030 van 14,3 Mton ten opzichte van het basispad. PBL heeft de benodigde heffingshoogte op verzoek van het kabinet doorgerekend voor het Klimaatakkoord. Conform de huidige inzichten op basis van de in door het PBL doorgerekende variant, betekent dit dat de CO2-heffing in 2021 op 30 euro per ton begint en lineair oploopt naar 125–150 euro per teveel uitgestoten ton CO2 in 2030 inclusief de ETS-prijs. In 2020 en 2025, wanneer de nieuwe ETS-benchmarks beschikbaar komen, zal het kabinet het PBL opnieuw vragen de benodigde hoogte van de heffing te bezien. Daarbij wordt PBL gevraagd ook rekening te houden met de beschikbare subsidies vanuit de verbrede SDE+ (zie ook de brief van het kabinet bij de aanbieding van het voorstel voor Klimaatakkoord en het Klimaatakkoord zelf (Kamerstuk 32813-342, en de bijlage).

12

Op welke wijze is in het afgelopen jaar de financiële instellingen betrokken bij het klimaatakkoord en het leveren van hun bijdrage aan het klimaatdoel?

Antwoord

De Nederlandse financiële sector is betrokken bij het Klimaatakkoord via de taakgroep Financiering. Deze taakgroep had in tegenstelling tot de tafels geen eigen reductiedoelstelling. De sector heeft op eigen initiatief besloten om zich te committeren aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord via het financiële commitment. In dat commitment stellen de ondertekenaars dat: 1) zij jaarlijks de klimaatimpact willen meten en publiceren van al hun relevante financieringen en beleggingen, 2) zij daartoe ook zullen werken aan verbetering en harmonisatie van bestaande meetmethodes en 3) dat zij voor 2022 heldere klimaatdoelen zullen stellen die in lijn liggen met het Parijsakkoord.

Sommige financiële instellingen namen daarnaast deel aan o.a. de tafels Landbouw en Landgebruik en de Gebouwde Omgeving om mee te denken en te werken over de benodigde oplossingen.

13

Welke extra maatregelen zijn er sinds Prinsjesdag 2019 genomen om te voldoen aan het Urgenda-vonnis?

Antwoord

Op 1 november jl. heeft het kabinet in haar reactie op de KEV2019 en de aanvullende Klimaatakkoordnotitie van het PBL, extra maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan het aandeel hernieuwbare energie, energiebesparing en CO2-reductie (Kamerstuknummer 32813-400).

14

Kunt u een overzicht geven per industriële sector op welke wijze zij per technologie broeikasgasemissies fors kunnen reduceren, dus daargelaten kleine besparingen, en hoe de verbrede SDE++ hierop gericht gaat worden?

Antwoord

Het PBL heeft in maart 2018 een inschatting gegeven van de technologieën waarmee de industrie invulling zou kunnen geven aan haar klimaatdoelstelling voor 2030.1 Daarnaast heeft Navigant in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ook een studie gedaan naar de industriële opties die mogelijk met de SDE++ gesubsidieerd zouden kunnen worden.2 De lijst van technologieën in de studie van Navigant komt voor een groot deel overeen met de lijst van PBL. Een overzicht uitgesplitst naar sector binnen de industrie is niet beschikbaar.

Uit deze onderzoeken komt naar voren dat de industrie richting 2030 vooral CO2-reductie kan realiseren met vormen van elektrificatie, procesefficiency, CCS, hernieuwbare opwek en recycling. Deze technieken worden al gesubsidieerd of onderzocht voor toekomstige stimulering in de SDE++ of andere instrumenten zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA). Technieken voor hernieuwbare opwek in de industrie zijn al opgenomen in de huidige SDE+-regeling. Technieken voor procesefficiency worden gestimuleerd met de EIA. Op dit moment werkt PBL aan het eindadvies voor de SDE++ 2020. Daarin neemt het PBL ook technieken mee voor de industrie, zoals CCS, industriële warmtepompen en de e-boiler. Tot slot lopen onderzoeken om te bekijken of technieken zoals recycling, CCU en vormen van elektrificatie op een later moment kunnen worden opgenomen in de SDE++.

15

Hoe verhoudt de potentiële CO2-reductie van CCS zich tegenover de kosten? Hoe kostenefficiënt wordt de maatregel geschat?

Directie: W&O/TOP/EL

Antwoord

CCS is een maatregel die in de industrie relatief grote hoeveelheden CO2 kan reduceren tegen relatief lage kosten per ton CO2. De daadwerkelijke kosten voor de toepassing van CCS zullen variëren per bedrijf en per locatie. Momenteel werkt PBL aan haar eindadvies voor de basisbedragen voor de verschillende technologieën binnen de SDE++, inclusief CCS. Voor welke bedragen industriële partijen (afvangers) uiteindelijk SDE++-subsidie zullen aanvragen, blijkt wanneer de regeling is opengesteld.

16

In welke sectoren zijn er geen kosteneffectieve alternatieven voor de inzet van CCS als CO2 reducerende maatregel?

Antwoord

Naar verwachting zijn er voor verschillende industriële processen op korte tot middellange termijn geen kosteneffectieve alternatieven voor CCS. Momenteel wordt er door een externe onafhankelijk partij hier nader onderzoek naar gedaan. Dit onderzoek wordt naar verwachting eind november afgerond. Deze informatie zal gebruikt worden om te bepalen voor welke CCS-categorieën de SDE++ zal worden opengesteld en voor welke mogelijk niet.

17

Kunt u aangeven wat de stand van zaken is voor de voorbereding voor de wijziging van de warmtewet en wanneer deze ter consultatie wordt aangeboden?

Antwoord

Per 1 januari 2020 treedt de laatste set aanpassingen in de regels als gevolg van de meest recente wijziging van de Warmtewet in werking. Tegelijkertijd lopen de voorbereidingen voor het wetstraject Warmtewet 2.0. Naast consumentenbescherming en leveringszekerheid ziet de Warmtewet 2.0 op de marktordening van collectieve warmtesystemen, een alternatieve regulering van de warmtetarieven (in plaats van de huidige methodiek op basis van de gasreferentie) en voorschriften ten aanzien van de verduurzaming van collectieve warmte. Hierover wordt intensief gesproken met diverse stakeholders, waaronder de decentrale overheden. Ik informeer uw Kamer dit najaar over de voortgang. De internetconsulatie van het wetsvoorstel voor de Warmtewet 2.0 is voorzien voor begin 2020. Ik verwacht dat de wet per 1 januari 2022 in werking kan treden.

18

Kunt u aangeven in hoeverre uw oproep aan de energiebedrijven met grote warmtenetten om investeringen te doen of tarieven te verlagen gaat hebben? Zo nee, zorgt u ervoor dat het wetsvoorstel voor de wijziging van de warmtewet per 1 januari 2021 in werking gaat treden, en in ieder geval voor de zomer wordt aangeboden aan de Tweede Kamer?

Antwoord

Ik heb de grotere warmteleveranciers opgeroepen om bij de vaststelling van hun tarieven niet uit te gaan van het maximum, maar vooral te kijken naar wat gelet op hun bedrijfsvoering en de rentabiliteit van hun warmtelevering een redelijk rendement is. Verwacht mag worden dat een bovengemiddeld rendement zich vertaalt in een ambitieuze investeringsstrategie en/of een bijstelling van de tarieven voor eindgebruikers onder het maximum warmtetarief. Op het moment dat ACM de maximum tarieven voor 2020 heeft vastgesteld en de warmteleveranciers hun tarieven voor 2020 bekend hebben gemaakt, blijkt in hoeverre laatstgenoemde tarieven onder het maximum blijven. De laatste aanpassingen in de maximum tarieven als gevolg van de recente wijziging van de Warmtewet treden in werking per 1 januari 2020. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat volgende aanpassingen in de Warmtewet per 1 januari 2022 in werking kunnen treden, uiteraard nadat uw Kamer zich hierover heeft kunnen uitspreken. Het wetsvoorstel bied ik in de loop van 2020 aan de Kamer aan. Gelet op de complexiteit van de materie en met oog op een zorgvuldig wetgevingsproces, inclusief parlementaire behandeling en reële invoeringstermijnen, acht ik een eerder moment van inwerkingtreden dan 1 januari 2022 niet realistisch.

19

Op welke manier wordt de tariefregulering voor het warmtenet geregeld?

Antwoord

Op dit moment is het maximum tarief voor de levering van warmte aan kleinverbruikers voor het grootste deel gebaseerd op het uitgangspunt van de gasreferentie: een verbruiker die is aangesloten op een warmtenet betaalt gemiddeld gesproken hetzelfde als een verbruiker die voor zijn warmtevoorziening gebruik maakt van aardgas. Ik heb al eerder aangegeven dat de gasreferentie voor de lange termijn niet houdbaar is (Kamerstuk 30 196 nr. 616). In het kader van Warmtewet 2.0 bezie ik alternatieve manieren van tariefregulering.

20

Hoe kan er meer concurrentie worden mogelijk gemaakt op het warmtenet?

21

Zal meer concurrentie op het warmtenet leiden tot betere prijzen voor de consument?

Antwoord op vragen 20 en 21

Concurrentie is geen doel op zich, maar kan een middel zijn om de publieke belangen als betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid te borgen. De technisch-economische kenmerken van de warmtemarkt maken dat concurrentie op het warmtenet moeilijk te organiseren is en bovendien niet bijdraagt aan de realisatie van deze publieke belangen op de warmtemarkt (Kamerstuk 30 196 nr. 616). Warmtenetten kennen namelijk een lokaal (soms regionaal) karakter als gevolg van de relatief grote temperatuurverliezen die optreden bij het transport van warmte. Warmtenetten kenmerken zich daarnaast als integrale systemen waarbij er een sterke samenhang is tussen type warmtebronnen, dimensionering van het netwerk en de levering aan eindverbruikers. Warmte is een relatief complex product dat vele kwaliteitsparameters kent (temperatuur, druk, debiet, et cetera). Om het warmtesysteem optimaal te laten werken is integrale sturing op deze kwaliteitsparameters cruciaal. Om de publieke belangen te waarborgen is het dan ook belangrijk dat de keten integraal wordt aangestuurd. Daar komt bij dat door het doorgaans beperkte aanbod van lokale warmtebronnen en de complementaire werking van deze bronnen binnen een warmtesysteem de ontwikkeling van een effectief concurrerende markt voor warmte(bronnen) niet aannemelijk is.

Concurrentie om het warmtenet is daarentegen wel mogelijk en kan tot op zekere hoogte bijdragen aan de realisatie van de hierboven genoemde publieke belangen. Concurrentie alleen zal echter onvoldoende zijn om de publieke belangen in voldoende mate te borgen. Ik voorzie daarom een totaalpakket aan regulering wat o.a. ook tariefregulering door ACM en een gereguleerde taak voor warmtebedrijven omvat.

22

Kunt u een overzicht geven van de jaarlijkse hoeveelheid gewonnen gas vanuit het Groningerveld?

23

Kunt u een overzicht geven van de jaarlijkse hoeveelheid gewonnen gas vanuit alle gasvelden?

25

Kunt u in een overzicht over de afgelopen jaren aangeven hoeveel kubieke meter gas er per gaswinningsveld per jaar is gewonnen?

Antwoord op vragen 22, 23 en 25

Gezien het grote aantal van 241 in Nederland ontdekte en momenteel in productie zijnde aardgasvoorkomens is in het antwoord op de vragen 22, 23 en 25 de productie uit de kleine velden gecumuleerd weergegeven.

Aardgasproductie in miljard Nm3(Groningen en kleine velden)

Jaar

Totaal

Groningen

Kleine velden land

Kleine velden zee

2014

66,0

42,4

8,5

15,3

2015

49,7

28,1

7,5

14,0

2016

47,9

27,6

7,0

13,3

2017

41,8

23,6

6,0

12,3

2018

35,1

18,8

5,1

11,1

24

Kunt u een duiding geven van de gasstromen? Hoeveel gas wordt geïmporteerd gespecificeerd per land?

Antwoord:

In 2019 is er 48 miljard Nm3 aan gas geïmporteerd. Van deze 48 miljard Nm3 kwam 41 miljard Nm3 ons land binnen via Duitsland, 4 miljard Nm3 via België en 3 miljard Nm3 in de vorm van LNG via de GATE-terminal.

Zoals ik in mijn brief van 10 september jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 392) in reactie op de motie van het lid Van Tongeren (Kamerstuk 34 627, nr. 38).heb aangegeven is het niet mogelijk een nadere uitsplitsing te maken naar land van herkomst van het gas. Ook het Centraal Bureau voor de Statistiek komt in een recente publicatie tot die conclusie (zie: https://www.cbs.nl/en-gb/background/2019/27/international-trade-in-gas-in-the-netherlands).

26

Kunt u in een overzicht over de komende jaren aangeven hoeveel kubieke meter gas er per gaswinningsveld per jaar men voornemens is te gaan winnen?

Antwoord:

Zoals is aangegeven in de brief van 10 september 2019 aan de Tweede Kamer heeft het kabinet voor het komende gasjaar 2019–2020 de Groningenproductie vastgesteld op 11,8 miljard Nm3 in een gemiddeld jaar. In de jaren daarna wordt de gasproductie verder afgebouwd zodat vanaf medio 2022 de gaswinning in Groningen in een gemiddeld jaar nihil kan zijn.

De verwachte gasproductie uit de kleine velden in miljard Nm3voor de komende tien jaar laat het volgende zien:

Jaar

productie

2019

15,5

2020

16,0

2021

14,6

2022

12,0

2023

10,2

2024

10,2

2025

9,5

2026

8,3

2027

7,1

2028

6,0

27

Kunt u per jaar dat er gas wordt gewonnen aangeven hoeveel dit financieel de overheid heeft gekost en heeft opgeleverd (zowel voor de afgelopen jaren als voor de komende jaren)? Kan hierin een uitsplitsing gemaakt worden tussen de gaswinning in Groningen en de gaswinning uit kleine velden?

Antwoord:

In onderstaande grafiek worden de aardgasbaten per jaar op transactiebasis weergegeven. De grafiek komt uit de publicatie «Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag» dat TNO jaarlijks op mijn verzoek opstelt (https://www.nlog.nl/sites/default/files/2019–09/jaarverslag_delfstoffen_en_aardwarmte_in_nederland_2018.pdf). De aardgasbaten zijn altijd reeds een som van de kosten en de opbrengsten.

De aardgasbaten bestaan uit het totaal aan ontvangsten van de Staat uit de winning van olie en gas. De inkomsten voor de Staat bestaan uit niet-belastingmiddelen en vennootschapsbelasting. De niet-belastingenmiddelen bestaan uit:

  • de winstuitkeringen van EBN; en

  • afdrachten op basis van de Mijnbouwwet door olie- en gasmaatschappijen, zoals bijvoorbeeld de NAM, Wintershall en Total.

De bedragen van EBN en de olie- en gasmaatschappijen zijn afhankelijk van de geconsolideerde winst die er op het gas uit Groningen en kleine velden door ieder bedrijf wordt behaald. Er is echter sprake van één afdracht per bedrijf voor het totaal van haar activiteiten op basis van één geconsolideerde resultatenrekening. Gasbaten worden dus niet bepaald op veldniveau, maar op bedrijfsniveau. Hierdoor worden de aardgasbaten niet uitgesplitst naar het Groningenveld of kleine velden. Mede tegen deze achtergrond is het niet mogelijk om de kosten en opbrengsten afzonderlijk in beeld te brengen.

28

Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er vanuit de overheid is besteed aan schadeherstel n.a.v. de gaswinning in Groningen? En aanvullend, hoeveel euro verwacht u de komende jaren hier aan te besteden?

Antwoord:

Alle kosten van schadeherstel worden door NAM betaald. Het gevolg van het op afstand plaatsen van NAM leidt ertoe dat de schadevergoedingen door de TCMG worden uitgekeerd. De rijksoverheid stelt hiervoor middelen beschikbaar, die bij NAM worden gedeclareerd. Op dit moment heeft de TCMG 102 miljoen euro uitgekeerd, waarvan 7,7 miljoen euro in 2018 en 94,3 miljoen euro in 2019 tot 7 oktober. Daarmee zijn ruim 22.000 schademeldingen afgehandeld.

Voor de komende jaren (2020 en 2021) staat 50 miljoen euro per jaar geraamd als verwachte uitgaven voor schadevergoedingen. Deze uitgaven worden gedeclareerd bij NAM, een bedrag van gelijke omvang is dan ook terug te vinden onder de post «schadevergoedingen» bij de ontvangstenraming voor artikel 5 van de EZK-begroting». Indien de uitgaven voor schadevergoedingen in enig jaar hoger zijn, zal meer gedeclareerd worden bij NAM.

29

Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er vanuit de overheid is besteed aan versterking naar aanleiding van de gaswinning in Groningen? Hoeveel euro verwacht u de komende jaren hier aan te besteden?

242

Op basis van welke versterkingscijfers is de prognose gebaseerd voor de jaren 2020–2022? Waarom is er daarna niets meer begroot? Met welk bedrag wordt er per schadegeval gerekend om tot deze raming te komen?

Antwoord op vragen 29 en 242

Alle kosten voor versterking die nodig zijn voor de veiligheid worden tot 1 januari 2020 rechtstreeks door de NAM betaald. Vanaf 1 januari 2020 stelt de rijksoverheid middelen voor uitgaven die nodig zijn voor de veiligheid aan de NCG beschikbaar, deze uitgaven worden bij NAM gedeclareerd.

Per 1 januari 2020 zullen de geldstromen voor versterken niet meer direct via de NAM lopen. De uitgaven voor bouwkundig versterken die nodig zijn voor de veiligheid worden voorgefinancierd door de Staat en gaan lopen via de Rijksbegroting. Op dit moment is het nog te vroeg om een betrouwbare raming te maken voor de kosten van bouwkundig versterken en de kosten die samenhangen met de uitvoering. In de begroting 2020 zijn om deze redenen nog geen ramingen opgenomen voor versterking in de komende jaren. Behoudens de 84 miljoen euro die voor 2019 geraamd staat voor versterking batch 1588. Met ingang van de Voorjaarsnota 2020 worden deze ramingen in de Rijksbegroting opgenomen voor de versterking. De uitgaven voor versterking die nodig zijn voor de veiligheid zullen in eerste instantie bij de NAM worden gedeclareerd. Zodra de wetgeving voor versterking in werking is getreden zullen deze uitgaven via een jaarlijks op te leggen heffing worden gefinancierd.

30

Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er vanuit de overheid is besteed aan persoonlijke ondersteuning (denk bijv. aan medische hulp / geestelijke bijstand) n.a.v. de gaswinning in Groningen? En aanvullend, hoeveel euro verwacht u de komende jaren hier aan te besteden?

Antwoord:

Vanaf 2018 tot nu is vanuit het Rijk en het Nationaal Programma Groningen (NPG) samen ruim 7,5 miljoen euro. beschikbaar gesteld voor sociale en emotionele ondersteuning van bewoners in Groningen. In 2018 is 1,5 miljoen euro. aan sociale en emotionele ondersteuning aan aardbevingsgemeenten toegewezen vanuit het NPG. Deze middelen zijn onder andere ingezet voor:

  • het versterken van het handelingsperspectief van inwoners op initiatief van de Veiligheidsregio Groningen;

  • het uitbreiden van gemeentelijke sociale teams met aardbevingscoaches en voor bijstand aan hulpverleners;

  • voor 2018–2019 300.000 euro vanuit het Rijk gereserveerd voor Platform Kerk en Aardbeving. Met deze middelen trekt Platform Kerk en Aardbeving extra geestelijk verzorgers aan en is een «proatbus» aangeschaft, waarmee geestelijk verzorgers de hulpbehoevenden in de aardbevingsregio op kunnen zoeken.

In 2019 is bovenstaande aangevuld met:

Het project «Zorg Nabij» is goedgekeurd en hiervoor is door het NPG 1,16 miljoen euro. beschikbaar gesteld. Daarnaast is naar aanleiding van het door GGD Groningen in maart 2019 gepubliceerde rapport «Aanpak gezondheidsgevolgen bij aardbevingen» tijdens het Bestuurlijk Overleg van 5 juni jl. door regio en Rijk (Kamerstuk 33 529 nr 664.) afgesproken dat de aardbevingsgemeenten extra middelen krijgen voor de sociale en emotionele ondersteuning van inwoners. Hiervoor is gezamenlijk 4,6 miljoen euro. extra voor vrijgemaakt. De kosten worden 50/50 verdeeld tussen het NPG en het Rijk. De aardbevingsgemeenten kunnen naar eigen inzicht de middelen inzetten, bijvoorbeeld voor coaches of geestelijke verzorgers die inwoners ondersteunen bij gezondheidsklachten als gevolg van aardbevingen. Professionals in het sociaal domein worden getraind om de problematiek bij inwoners beter te herkennen.

Afgesproken is om de inzet voor sociale en emotionele ondersteuning over twee jaar weer te evalueren. Ik blijf de gezondheidssituatie in Groningen samen met de regio en VWS nauwlettend volgen en zal indien noodzakelijk samen met hen bezien of extra financiering in de toekomst nodig is.

31

Kunt u een overzicht geven van het aantal overleggen met provinciale en lokale bestuurders naar aanleiding van de gaswinning in Groningen?

Antwoord:

Er wordt geen overzicht bijgehouden van het aantal overleggen, maar voor zowel schade, versterken als het Nationaal Programma Groningen is er intensief contact met de regio. Deze reguliere overleggen tussen Rijk en regio over de verschillende onderwerpen op verschillende niveaus vinden regelmatig plaats. Daarnaast zijn de regionale overheden wettelijk adviseur voor het jaarlijkse besluit over de gaswinning. Ook in die context wordt overleg gevoerd tussen Rijk en regionale overheden.

32

Wat betekent het toevoegen van stikstof voor de prijs per kubieke meter gas?

Antwoord:

Gas wordt in Nederland verhandeld op de gashandelsplaats Title Transfer Utility (TTF) in energie-hoeveelheden (kWh), waarbij er geen onderscheid is tussen hoog- en laagcalorisch gas. Het toevoegen van stikstof aan hoogcalorisch gas heeft geen invloed op de prijs op de TTF.

GTS voegt stikstof toe aan hoogcalorisch gas om dit gas geschikt te maken voor de laagcalorische gasmarkt. Net zoals voorgaande jaren worden de kosten voor het toevoegen van stikstof doorberekend in de transporttarieven van GTS en worden daarmee bekostigd door alle netgebruikers. Het hangt van de leverancier af in hoeverre deze kosten worden doorberekend in de prijs voor de afnemer van gas.

33

Hoe duur is het importeren van gas uit Rusland ten opzichte van het importeren uit Noorwegen?

Antwoord:

Het is mij niet bekend welke contractuele afspraken producenten in respectievelijk Noorwegen en Rusland maken met hun afnemers in de Europese Unie. Ik heb dus ook geen inzage in de prijs die zij in rekening brengen. In het geval dat Noorse en Russische producenten hun gas zelf naar een gasmarkt in de Europese Unie brengen, bijvoorbeeld naar de Nederlandse Title Transfer Facility (TTF), dan ontvangen zij de daar en dan geldende prijs. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar land van herkomst.

34

Kunt uiteenzetten op welke vlakken onze concurrentiepositie goed is, op schaal van voldoende naar excellent, en op welke vlakken we voor uitdagingen staan?

59

Hoe zorgt u ervoor dat Nederland goed blijft scoren op de World Competitive Index?

Antwoord op vragen 34 en 59

De jaarlijkse Global Competitiveness Index (GCI) van het World Economic Forum (WEF) is een gerenommeerde, onafhankelijke ranglijst die de concurrentiepositie van 141 economieën vergelijkt. In de laatste GCI 2019 staat Nederland wereldwijd op plek 4, twee plekken hoger dan het voorgaande jaar, en binnen Europa zelfs op plek 1. De ranglijst is gebaseerd op 103 indicatoren die onder te verdelen zijn naar 12 thema’s. De WEF werkt niet met een schaal van voldoende naar excellent, maar geeft wel scores en per thema de positie van Nederland aan ten opzichte van de andere 140 landen. Zie daarvoor onderstaande tabel, waarin ook de ontwikkeling ten opzichte van 2018 is meegenomen.

Nederland heeft een zeer open, dynamische economie (2e positie in de ranking) met een hoogwaardige fysieke en digitale infrastructuur (4de positie), een stabiel macro-economisch beleid (1ste positie), een efficiënte overheid met goed functionerende instituties (4e positie), en een zeer goed opgeleide beroepsbevolking (4e positie). Tevens zijn er in Nederland steeds meer innovatieve bedrijven die groei realiseren (4e positie) en steeds meer bedrijven die disruptieve technologieën en nieuwe business modellen omarmen (8e positie).

Belangrijkste aandachtspunten uit deze ranglijst zijn de omvang van de R&D-investeringen, de toepassing van ICT en mismatch op de arbeidsmarkt (technisch geschoolden). Deze aandachtspunten zijn van belang voor het Nederlands toekomstbestendig verdienvermogen en daarom zet het kabinet zich hier ook voor in.

Zo blijft het kabinet inzetten op de -in Europees verband vastgelegde -Nederlandse ambitie om een R&D-intensiteit van 2,5% van het bbp te realiseren. In een bijlage bij de Kamerbrief «Naar Missiegedreven Innovatiebeleid met Impact» d.d. 13 juli 2018 van de bewindslieden van EZK zijn beleidslijnen beschreven die bij kunnen dragen aan een verhoging van de R&D-uitgaven in Nederland richting 2,5% van het bbp.

In de GCI is de positie van Nederland op de toepassing van ICT (24e) opmerkelijk omdat Nederland in andere ranglijsten – zoals de Digital Economy and Society Index (DESI, waar Nederland derde staat) – hier juist goed op scoort.

De GCI kijkt maar naar een beperkt aantal indicatoren zoals het aantal mobiele telefoons per inwoner. De DESI kijkt veel breder waaronder de mate van connectiviteit, digitale kennis en integratie van digitale technologie. Daarnaast blijkt uit OESO-gegevens dat het Nederlandse bedrijfsleven in vergelijking met andere OESO-landen het meest investeert in ICT. Vooral de investeringen in software en databases zijn relatief hoog.3 Het kabinet vindt ICT en digitalisering belangrijk en heeft daarom in haar Nederlandse Digitaliseringstrategie de ambitie geformuleerd dat Nederland dé digitale koploper van Europa wordt. Specifiek gericht op digitalisering in het bedrijfsleven zijn daarbij het programma Versnelling Digitalisering Mkb, de Implementatieagenda Smart Industry 2018 – 2021 en de Nederlandse Visie op Datadelen tussen bedrijven. Ook heeft Nederland recent het «Strategisch Actieplan Artificial Intelligence» (SAPAI) gepresenteerd.

Tot slot is de toenemende mismatch op de arbeidsmarkt een punt van aandacht. Nederland heeft een goed opgeleide beroepsbevolking (6e positie), maar het is in Nederland voor bedrijven steeds moeilijker om geschikt (veelal technisch) personeel te vinden (26e positie). Het Techniekpact blijft daarom onverminderd van belang om te bevorderen dat opleidingen beter aansluiten bij de arbeidsvraag en om te zorgen dat er meer technici worden opgeleid. Daarnaast wordt een leven lang leren binnen het mkb met het MKB!dee bevorderd.

35

Hoe worden nieuwe bedrijven met creatieve ideeën steviger bij het innovatiebeleid betrokken?

Antwoord:

In het kader van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid bundelen bedrijven, kennisinstellingen en overheden hun krachten door het opstellen van kennis- en innovatieagenda’s (KIA’s), waarover ik uw Kamer op 17 oktober heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 009, nr. 81), en het kennis- en innovatieconvenant 2020–2023 (KIC, te ondertekenen op 11 november a.s.). In het KIC zijn regio’s en hogescholen prominent betrokken. Voorts zullen de TO2-instellingen naar aanleiding van het KIC aangeven op welke wijze ze inzetten op de verdere versterking van de samenwerking met het mkb, met een budget oplopend tot structureel 7,5 miljoen euro per jaar.

Dit maakt het KIC aantrekkelijker voor het mkb, inclusief nieuwe, creatieve bedrijven. Daarbij zijn startups en scale-ups een drijvende kracht achter de technologische revolutie. Om het ondernemersklimaat voor innovatieve technologiebedrijven verder te versterken en koploper in Europa te worden, worden zij actiever bij het open proces betrokken o.a. door TechLeap.nl. Uiteraard kunnen zij gebruikmaken van bestaande initiatieven en fondsen. Daarbij biedt het huidig innovatie-instrumentarium van EZK diverse regelingen waarvan nieuwe bedrijven gebruik kunnen maken:

  • de MIT (innovatiestimulering mkb over regiogrenzen),

  • de WBSO (verlagen van de drempel om te investeren in R&D),

  • VFF (lening voor innovatief product),

  • Innovatiekrediet (deelfinanciering van kosten van een risico ontwikkelproject) en

  • SBIR (innovatiecompetitie voor maatschappelijke vraagstukken).=

Kortom, er zijn tal van mogelijkheden en kansen voor nieuwe bedrijven met creatieve ideeën om mee te doen in het innovatiebeleid.

36

Kunt u een overzicht geven van de ambities en mate van ondersteuning van de meerjarige programma’s die nu worden ontwikkeld voor sleuteltechnologieën?

63

Welke middelen maakt u vrij om te investeren in toekomstige groeisectoren en technologieën?

64

Kunt u hier per techniek aangeven hoeveel geld hierin wordt geïnvesteerd door de overheid?

Antwoord op vragen 36, 63 en 64

Met het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid is een goede basis neergezet voor een aanpak gericht op maatschappelijke missies en sleuteltechnologieën. De kracht van deze generieke benadering is dat coalities worden gevormd door bedrijven, kennisinstellingen en overheden die richting kiezen en bedrijven de vrijheid hebben om te anticiperen op ontwikkelingen in de markt. Initiatieven komen zodoende bottom-up tot stand.

De samenwerkingsverbanden van bedrijven, overheden en kennisinstellingen hebben in het kader van de inmiddels gepubliceerde kennis- en innovatieagenda (KIA) sleuteltechnologie4 51 meerjarige programma’s (MJP’s) sleuteltechnologieën ofwel agenda’s opgesteld waarin de ambities zijn verwoord. De KIA sleuteltechnologie laat een grote diversiteit aan voorstellen zien, is multidisciplinair en beslaat een breed spectrum van sleuteltechnologieën en potentiële toepassingen beslaat. Alle sleuteltechnologieën die in het Regeerakkoord expliciet zijn genoemd zijn hierin vertegenwoordigd. De KIA sleuteltechnologie beslaat de gehele kennisketen van fundamenteel en toegepast onderzoek tot en met valorisatie en marktcreatie.

Publieke investeringen vinden deels plaats via de inzet van TO2’s en van NWO op het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid; gelden die weliswaar binnen het kader van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid moeten worden aangewend maar die over het algemeen nog niet specifiek geoormerkt zijn. Om die reden is op voorhand niet aan te geven hoeveel geld beschikbaar wordt gesteld per technologie. Dit is afhankelijk van de mate waarin initiatieven – als gezegd bottom-up – tot stand komen, en de mate waarin de programmering van NWO en TO2’s wordt gericht op bepaalde technologieën. Naast de middelen die beschikbaar zijn voor het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid heb ik op mijn eigen begroting middelen oplopend tot 10 miljoen euro per jaar beschikbaar om te investeren in technologieontwikkeling, die ik in het kader van het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid in zal zetten, mede op basis van advies van externe experts. De ambities uit de KIA sleuteltechnologie zijn hoog, zeker als deze worden gerelateerd aan de geoormerkte middelen op de begroting specifiek voor technologieontwikkeling.

In het kennis- en innovatieconvenant 2020- (KIC), dat momenteel wordt afgerond en op 11 november aanstaande wordt ondertekend door de verschillende partners in het KIC (departementen, kennis- en onderwijsinstellingen, topsectoren, regio’s), wordt de voorgenomen financiële inzet van alle partners inzichtelijk gemaakt. Hierover zal ik uw Kamer vanzelfsprekend informeren.

37

Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het MKB-actieplan?

Antwoord

De Kamer wordt geïnformeerd via de voortgangsrapportage MKB-actieplan. De eerste voortgangsrapportage is op 11 juli aan de Kamer gezonden (Kamerstuk 32 637, nr. 379). Voor de zomer van 2020 wordt een nieuwe voortgangsrapportage aan de Kamer gezonden.

38

Kunt u nader specificeren wanneer wat u betreft, in zowel kwalitatieve als kwantitatieve doel, het Techniekpact is geslaagd?

Antwoord

Ten aanzien van de kwantitatieve en kwalitatieve doelen van het Techniekpact verwijs ik u naar de Voortgangsrapportages Techniekpact, als ook naar de Techniekpactmonitor. De voortgang wordt jaarlijks met uw Kamer besproken en de stukken zijn integraal terug te vinden op de website www.techniekpact.nl. In 2020 wordt het Techniekpact geëvalueerd. De uitkomst van deze evaluatie zal ik met uw Kamer delen. Hierbij zal het kabinet eveneens een appreciatie geven van de resultaten van het Techniekpact.

39

Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat er studentenstops komen op technische opleidingen, en welke effecten verwacht u?

Antwoord

Het kabinet zet met het Techniekpact al een aantal jaren in op het vergroten van het aantal techniekstudenten, met succes. Voor een aantal universitaire bètatechniekopleidingen is het aantal studenten dat belangstelling heeft voor die opleiding groter, dan wat de universiteiten aan kunnen met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. Daarom heeft de Minister van OCW deze zomer in de bekostiging middelen gealloceerd, naar rato van het aandeel bètatechniekstudenten5. Dit betekent dat de technische universiteiten er per saldo middelen bij krijgen. De universiteiten kunnen er daarmee onder andere voor zorgen dat de opleidingscapaciteit op een aantal plekken wordt vergroot. De technische universiteiten zullen dit ook gezamenlijk met algemene universiteiten oppakken in het onderwijssectorplan bètatechniek.

40

Met betrekking tot de doorgroei van start-ups naar scale-ups met maatschappelijke en economische betekenis, in welke mate en op welke aspecten en/of sectoren loopt Nederland met name hierin achter? Waaruit blijkt dat?

Antwoord

Het Nederlandse startup-ecosysteem is een van de sterkere startup-ecosystemen van Europa. In de Genome ranking van startup-ecosystemen staat Nederland op een 5e plaats in Europa. Er zijn in Nederland veel startups, echter de doorgroei van deze startups tot scale-ups blijft achter ten opzichte van andere Europese startup-ecosystemen. Uit verschillende onderzoeken zijn drie knelpunten naar voren gekomen, die in Nederland de doorgroei van startups naar scale-ups met maatschappelijke en economische betekenis beperken:

  • Toegang tot talent: het is voor Nederlandse startups relatief moeilijk om talent aan te trekken. In Nederland zijn er 57.000 ICT-vacatures 6 en Nederland is het Europese land waar vacatures voor programmeurs het moeilijkste in te vullen zijn (State of European Tech 2018).

  • Toegang tot kapitaal: de toegang tot kapitaal is een belemmering voor startups en scale-ups. De toegang tot risicokapitaal is de laatste jaren – mede door diverse interventies van de overheid – toegenomen, maar het per startup geïnvesteerde kapitaal is relatief laag in Nederland. Er zijn in Nederland twee knelpunten: één in de zeer vroege fase en één in de latere fases (Stangler et al. 2018). Dit knelpunt in de latere fase belemmert de doorgroei van startups tot scale-ups, doordat het in Nederland voor bedrijven lastig is om grote investeringsrondes op te halen.

  • Toegang tot internationale markten: de Nederlandse markt is een kleine markt, dus is het voor Nederlandse startups en scale-ups nodig om snel internationaal op te schalen. Desondanks is blijft het aantal Nederlandse startups en scale-ups dat internationaal actief relatief gezien achter ten opzichte van andere Europese landen. Eén van de achterliggende oorzaken is dat de internationale netwerken van Nederlandse startups en scale-ups minder ontwikkeld zijn dan van hun Europese evenknieën.7 Nederlandse startups en scale-ups hebben in vergelijking minder vaak internationale klanten en hebben ook minder vaak contact met buitenlandse partijen, zoals buitenlandse investeerders of andere oprichters van startups en scale-ups.

Om deze knelpunten op te lossen, zet het kabinet verschillende instrumenten in, die ik in de brief «Technologie en Ondernemerschap»8 van 3 juni jl. heb beschreven. Met name het TechLeap.NL-programma is bedoeld om de doorgroei van scale-ups naar grote technologiebedrijven te bevorderen.

41

Op basis waarvan wordt bepaald welke bedrijven worden gecompenseerd voor indirecte kosten van de ETS? Hoe hangt dit samen met het gratis vrijgeven van emissierechten?

Antwoord

In de EU Richtsnoeren 201206059* is bepaald dat vijftien bedrijfstakken, voornamelijk opererend in de metaal-, papier- en chemiesector, in aanmerking komen voor compensatie van indirecte emissiekosten als gevolg van het ETS. De Europese Commissie acht deze bedrijfstakken blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico als gevolg van in de elektriciteitsprijzen doorberekende EU-ETS-kosten (steun voor indirecte emissiekosten). In deze richtsnoeren wordt onder «CO2-lek» verstaan dat de wereldwijde broeikasgasemissies zouden kunnen stijgen indien ondernemingen hun productie naar derde landen buiten de Europese Unie zouden verplaatsen omdat zij de kostenstijgingen als gevolg van de EU-ETS niet aan hun afnemers kunnen doorberekenen zonder een significant verlies van marktaandeel.

Het kosteloos toewijzen van emissierechten is mogelijk aan andere bedrijfstakken en deeltakken die tevens worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen. De wijze waarop dit is bepaald en welke takken hiervoor in aanmerking komen worden genoemd in een publicatie van de Europese Commissie.10

42

Kunt u aangeven wanneer de Hemwegcentrale wordt gekocht, voor welk bedrag en op welk moment de overdracht is?

Antwoord

De Hemwegcentrale wordt niet door de overheid gekocht, er is daarom geen sprake van overdracht. Het voorgestelde verbod op kolen wordt per 1-1-2020 voorzien voor de Hemwegcentrale. De eigenaar van deze centrale heeft aangegeven niet over te zullen schakelen op andere brandstoffen, maar de kolencentrale te zullen sluiten. De overige kolencentrales wordt een overgangsperiode geboden (tot 2025 of 2030 afhankelijk van het rendement van de desbetreffende centrale). De eigenaar van de Hemwegcentrale wordt als enige geen overgangsperiode geboden in verband met de korte termijn waarop het verbod op kolen wordt voorzien voor de Hemwegcentrale. Zodra het wetsvoorstel in werking treedt, kan de eigenaar op grond van artikel 4 een verzoek om nadeelcompensatie doen.

43

Welke maatregelen moeten, naast de sluiting van de Hemwegcentrale, genomen worden om op korte termijn te voldoen aan het Urgenda-vonnis voor 2020?

Antwoord

In de Kamerbrief van 28 juni jl. (Kamerstuk 32 813 nr. 341) heeft het kabinet extra maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het Urgenda-vonnis, waaronder de sluiting van de kolencentrale. Het kabinet treft alleen maatregelen die in lijn zijn met het klimaatbeleid op lange termijn, en ook richting 2030 een bijdrage leveren. Om deze samenhang tussen maatregelen op de korte en langere termijn te borgen, heeft het kabinet specifieke criteria vastgesteld waaraan extra maatregelen dienen te voldoen, namelijk dat deze: i) kosteneffectief zijn, ii) beperkte weglekeffecten kennen naar het buitenland, iii) op (enig) draagvlak kunnen rekenen en iv) aansluiten bij de maatregelen in het Klimaatakkoord.

Daarbovenop heeft het kabinet op 1 november jl. (Kamerstuknummer 32813-400) aanvullende maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan het aandeel hernieuwbare energie, energiebesparing en CO2-reductie. Hiermee wordt een aanvullende bijdrage geleverd aan de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Het kabinet blijft ook in de komende periode op zoek naar aanvullende maatregelen die hier een bijdrage aan kunnen leveren en die aan de criteria van het kabinet voldoen.

44

Betekent de ophoging van het budget voor compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS dat deze compensatieregeling niet wordt afgeschaft, maar wordt verdubbeld, terwijl in het Klimaatakkoord staat dat deze regeling gaat aflopen (pag. 106 van het Klimaatakkoord)?

Antwoord

Nee, de ophoging van het budget voor 2020 voor de subsidieregeling indirecte kosten ETS is het gevolg van de gestegen ETS prijs. Zoals ook opgenomen in het Klimaatakkoord loopt de regeling in 2020 af, omdat de subsidieregeling in het jaar T (2021) compensatie biedt over het jaar T-1 (2020), vinden de laatste betalingen op grond van deze regeling echter in 2021 plaats.

45

Kunt u nadere toelichting geven op de argumentatie om de kasschuif ETS op te hogen naar 105,6 miljoen?

Antwoord

Omdat de ETS-prijs sterk is gestegen, stijgt de compensatie die bedrijven ontvangen vanuit de subsidieregeling indirecte kosten ETS ook. Op basis van de huidige ramingen van de ETS-prijs is er in 2020 een bedrag benodigd van circa 110 miljoen euro voor de regeling. Daarom is al het beschikbare budget voor ETS-nadeelcompensatie naar het jaar 2020 geschoven, zodat in 2020 nu ongeveer voldoende budget beschikbaar is (105,6 miljoen euro). Echter voor 2021, het laatste jaar van de subsidieregeling indirecte kosten ETS conform het Energieakkoord, is er nu nog geen budget beschikbaar. Hiervoor werk ik aan een oplossing. Deze zal ik in het voorjaar van 2020 presenteren.

46

Kunt u een overzicht geven van de vergunde SDE+ projecten in het afgelopen jaar?

Antwoord

In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de beschikte SDE+ projecten in 2018 en het voorjaar van 2019. Daarbij geeft de eerste tabel een overzicht van de aantallen en de tweede tabel van de beschikte bedragen per technologie. Op de website van RVO is een overzicht te vinden van alle individuele projecten. In de Kamerbrief over de resultaten van de voorjaarsronde ga ik nader in op de beschikte projecten en relevante ontwikkelingen, zoals de netproblematiek.

Aantal vergunde projecten

2018-I

2018-II

2019-I

Totaal

Biomassa warmte en WKK

50

35

41

126

Biomassa gas

4

2

8

14

Waterkracht

2

5

5

12

Wind op land

45

143

41

229

Zon-PV

3.774

4.411

4.738

12.923

Geothermie

2

3

2

7

Zonthermie

22

19

29

70

Totaal

3.899

4.618

4.864

13.381

Beschikt bedrag (x € 1.000)

2018-I

2018-II

2019-I

Totaal

Biomassa warmte en WKK

950.000

591.000

408.000

1.949.000

Biomassa gas

211.000

625.000

373.000

1.209.000

Waterkracht

<1.000

30.000

20.000

<51.000

Wind op land

149.000

309.000

309.000

767.000

Zon-PV

2.030.000

2.947.000

2.544.000

7.521.000

Geothermie

216.000

312.000

241.000

769.000

Zonthermie

6.000

31.000

10.000

47.000

Totaal

3.563.000

4.845.000

3.905.000

12.313.000

47

Kunt u toelichten waarom de verwachte hogere ontvangsten uit het de ETS-rechten veilingen fluctueren van 150 miljoen in 2020, 80 miljoen in 2021 en 2022 en 140 miljoen in 2023?

Antwoord

De geraamde ontvangsten zijn gebaseerd op het aantal te veilen ETS-rechten en de prijs per recht. Het aantal te veilen rechten hangt af van hoeveel rechten er terecht komen in de Marktstabiliteitsreserve (MSR), en die om die reden niet worden geveild. De gehanteerde prijs per recht is ingeschat op basis van marktprijzen van termijncontracten van ETS-rechten. De hogere ontvangsten zijn dus een combinatie van een verwachtte hogere prijs en een veranderend aantal te veilen rechten. Zie ook de antwoorden op vraag 166 en 184.

48

Kunt u toelichten of de bijdrage van NAM van 145 miljoen in 2020 en 2021 voldoende is voor de schadeafhandeling? Komen hier de heffingen die het toekomstige Instituut Mijnbouwschade in rekening gaat brengen bij NAM hier nog bij?

241

Op basis van welke schadecijfers is de prognose gebaseerd voor de jaren 2020–2022? Waarom is er daarna niets meer begroot? Met welk bedrag wordt er per schadegeval gerekend om tot deze raming te komen?

257

Wat zijn de te verwachten kosten van schadeafhandeling, versterking en verduurzaming na 2022? Waarom staan deze niet in de begroting vermeld?

Antwoord op vragen 48, 241 en 257

De ramingen voor de schadebetalingen aan particulieren zijn slechts doorgetrokken tot 2021, omdat verdere ramingen te veel onzekerheid met zich mee brengen. De uitvoeringskosten en schadebetalingen zijn immers afhankelijk van de hoeveelheid te ontvangen schademeldingen waarvoor geen realistische raming mogelijk is. Met de inwerkingtreding van het IMG worden bovendien ook andere vormen van schade in behandeling genomen, waardoor de geraamde bedragen ook zullen wijzigen. Er is daarom voor schade gekozen op dit moment niet verder dan twee jaar vooruit te ramen. In de begroting 2021 worden de ramingen geactualiseerd aan de hand van de inzichten van dat moment.

Zolang er schade is, wordt deze door de TCMG, na inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen het IMG, aan gedupeerden vergoed en vervolgens door EZK gedeclareerd bij NAM. Omdat de uitgaven gedeclareerd worden bij de NAM is er begrotingstechnisch evenwicht tussen uitgaven en ontvangsten. Het vooralsnog niet ramen van uitgaven en ontvangsten voor de jaren na 2021 heeft daarom budgettair geen betekenis (neutraal).

In de begroting 2020 zijn nog geen ramingen opgenomen voor versterking in de komende jaren.

Voor verduurzaming wordt geen raming gemaakt, maar geldt het daarvoor gereserveerde budget. In de Kamerbrief Overdracht Groningen EZK-BZK (Kamerstuk 33 529 nr 695) is een schema opgenomen waaruit blijkt dat er nog ruim 110 miljoen euro beschikbaar is.

49

Kunt u toelichten hoe er in het tabel een bedrag van 450 miljoen gereserveerd staat in 2023 en op welke wijze het bedrag moet optellen tot 1,7 miljard en waar de middelen vandaan zullen komen om in 2023 op te tellen tot 1,7 miljard?

Antwoord

In onderstaande tabel is een uitsplitsing van de 1,7 miljard euro over de verschillende jaren opgenomen. Hiermee zijn de middelen uit de begrotingsreserve conform de Startnota toegevoegd aan de beschikbare middelen van 2023 tot en met 2028 (1,7 miljard euro cumulatief) en daarmee beschikbaar gebleven voor uitgaven in het kader van de SDE+(+).

Ontvangsten(x € 1.000)

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Totaal

Onttrekking reserve Duurzame Energie

450.000

400.000

150.000

300.000

300.000

100.000

1.700.000

50

Klopt het dat er in 2018 een bedrag van 117 miljoen euro is uitgeleend (een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting) vanuit de Regio Envelop aan ECN/NRG om nucleair afval op te ruimen? Wat houdt in dit geval een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting exact in? Waarom werd dit bedrag eerder een bijdrage genoemd (Kamerstuk 29 697, nr. 41)?

Antwoord

In 2018 is er een subsidie in de vorm van een lening van 117 miljoen euro verstrekt aan ECN/NRG voor uitsluitend de kosten voor het verwerken en afvoeren van het historisch radioactief afval en de ontmanteling van bepaalde gebouwen, installaties en apparatuur op de locatie in Petten voor zover in hoofdzaak of uitsluitend gebruikt voor niet-economische activiteiten. Het is een lening met een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting, in de zin dat de verplichting tot terugbetaling komt te vervallen uitsluitend als is geconstateerd dat door ECN/NRG opgenomen bedragen zijn aangewend voor het doel waarvoor de subsidie (de lening) is verstrekt (te weten het veilig (doen) beheren, verwerken en afvoeren van historisch radioactief afval en/of het ontmantelen van bepaalde gebouwen, installaties en apparatuur).

51

Welke kartel-/mededingingswetgeving is relevant met betrekking tot Digital Trust Center (DTZ)? In hoeverre zou deze een belemmering kunnen vormen voor de (gezamenlijke) ontwikkeling van online platforms door bedrijven?

Antwoord

Het Digital Trust Center (DTC) helpt ondernemers om hun weerbaarheid tegen cyberdreigingen te vergroten. Dit doet zij onder andere door ondernemers van informatie en advies te voorzien via een algemene website, het aanjagen van samenwerkingsverbanden en een online platform, namelijk het Digital Trust Platform.

Het online platform dat binnen het DTC wordt ontwikkeld is een onafhankelijk platform dat de mogelijkheid biedt om informatie en kennis uit te wisselen om zo de cyberweerbaarheid van ondernemend Nederland te verhogen. Het platform is in eerste instantie bedoeld voor de bij het DTC aangesloten samenwerkingsverbanden. Op het platform is moderatie aanwezig om er (onder andere) op toe te zien dat er geen commerciële activiteiten op het platform plaatsvinden.

Ondernemingen die op wat voor manier dan ook gebruikmaken van het Digital Trust Platform dienen zich te houden aan de Nederlandse en Europese mededingingsregelgeving. Zo mogen ondernemingen geen afspraken maken die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen (kartelverbod).

Dit betekent niet dat alle afspraken die ondernemers met elkaar maken in strijd zijn met het kartelverbod. Afspraken die geen effect hebben op concurrentie tussen bedrijven en/of die ten goede komen van de consument, zijn over het algemeen toegestaan. Het is dan ook binnen de kaders van het mededingingsrecht mogelijk om via het Digital Trust Platform met elkaar samen te werken en kennis uit te wisselen om de digitale weerbaarheid van ondernemingen te verhogen. Het is alleen niet toegestaan dat wanneer ondernemingen dit doen ze hier verder in gaan dan nodig en ook afspraken maken over prijs of marktverdeling. De ACM heeft als toezichthouder op de mededingingsregels een leidraad opgesteld over de mogelijkheden voor bedrijven om samen te werken.11

52

Kunt u aangeven van welke subsidies en garantstellingen het mkb gebruik kan maken om investeringen te doen in het kader van de energietransitie?

Antwoord

De volgende regelingenzijn specifiek gericht op (investeringen in) de energietransitie, waar ook het MKB gebruik van kan maken:

  • Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie – DEI+

  • Subsidieregelingen Topsector Energie (TSE)

  • Hernieuwbare Energieregeling (HER)

  • Meerjarige Missiegedreven Innovatie Programma's – MMIP

  • Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+)

  • Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)

  • Regeling Risico’s dekken voor aardwarmte (RNES Aardwarmte)

  • Garantie Ondernemingsfinanciering Energietransitie Financierings Faciliteit (GO-ETFF)

  • Regeling Groenprojecten

Naast deze regelingen kan het MKB voor investeringen in het kader van de energietransitie ook gebruik maken van enkele fiscale regelingen, zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA) en de milieu-investeringsaftrek (MIA)/Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Ook kan het MKB in dit kader gebruik maken van verschillende generieke innovatie- en investeringsregelingen, waaronder Innovatiekrediet, PPS-toeslag, Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) en Garantie Ondernemingsfinanciering.

53

Hoe is de lastenverzwaring van 5 miljard voor het bedrijfsleven opgebouwd? Kunt u dit per maatregel uitsplitsen?

Antwoord

Het initiële basispad voor deze kabinetsperiode (2018–2021) bestond uit een beleidsmatige lastenverzwaring van 9 miljard euro. De lastenverzwaring in het basispad komt voornamelijk door maatregelen van vorige kabinetten en doordat stijgende zorgkosten leiden tot hogere zorgpremies.

De maatregelen van het Regeerakkoord leiden tot een lastenverlichting van 6,5 miljard euro. ten opzichte van dit basispad. Inclusief de doorwerking van het Regeerakkoord op zorgpremies en compensatie voor de zorgpremies komt de totale beleidsmatige lastenontwikkeling voor de kabinetsperiode uit op 3,4 miljard euro. Deze lastenverzwaring slaat volledig neer bij het bedrijfsleven.

Sinds de Miljoenennota 2019 heeft het kabinet per saldo de lasten voor bedrijven verzwaard met 1,9 miljard euro. Hiermee zijn de lasten voor burgers verlaagd. De lasten voor bedrijven zijn met name verzwaard als onderdeel van twee pakketten: Klimaatakkoord en de dekking voor het lastenverlichtingspakket huishoudens (zie tabel 1 voor een uitsplitsing per maatregel vanaf de Miljoenennota 2019).

  • Bij het Klimaatakkoord heeft het kabinet besloten de overdrachtsbelasting voor niet-woningen te verhogen van 6% naar 7% en is het tarief van de 3e en 4e schijf ODE verhoogd.

  • Voor dekking van het lastenverlichtingspakket voor huishoudens heeft het kabinet besloten enkele lastenverzwarende maatregelen te nemen in de vpb. Het hoge vpb-tarief wordt minder verlaagd dan eerder afgesproken bij het regeerakkoord. Daarnaast neemt het kabinet enkele andere maatregelen bij de vpb: verhoging innovatiebox-tarief, afschaffing liquidatieverliesrekening en afschaffing betalingskorting vpb.

De extra lastenverzwaring voor bedrijven na de Miljoenennota 2019 plus de lastenverzwaring voor bedrijven die al stond voor deze kabinetsperiode geeft samen een lastenverzwaring van 5,2 miljard euro. over deze kabinetsperiode.

Tabel 1, lastenverzwaring bedrijfsleven sinds de Miljoenennota 2019

In € mld., – is lastenverlichting, in mutaties

2018

2019

2020

2021

cum 2018–2021

Maatregelen uit KA

         

Verhoging tarief 3e en 4e schijf ODE

   

0,4

0,0

0,5

overdrachtsbelasting niet-woningen van 6% naar 7%

   

0,0

0,3

0,3

Maatregelen dekking lastenverlichtingspakket huishoudens

         

Uitstel verlaging vpb 2020 (hoog) met een jaar

   

1,8

-1,8

0,0

VPB hoog structureel minder verlagen

   

0,0

0,9

0,9

Verhogen innovatiebox-tarief van 7% naar 9% (in € mln.)

   

0,0

0,1

0,1

liquidatieverliesregeling afschaffen (in € mln.)

   

0,0

0,0

0,0

betalingskorting vpb afschaffen (in € mln.)

   

0,0

0,2

0,2

           

Overige maatregelen bedrijven

   

0,1

– 0,3

– 0,1

           

Lastenontwikkeling bedrijven sinds MN2019

   

2,4

– 0,5

1,9

54

Gelden deze lastenverzwaringen voor alle bedrijven of is er een differentiatie tussen bedrijven? Kunt u deze uitsplitsen in de grootte van bedrijven? Kunt u deze uitsplitsen in rechtsvorm?

Antwoord

Het kabinet presenteert in principe geen cijfers voor de beleidsmatige lastenontwikkeling voor het mkb versus het grootbedrijf en per rechtsvorm. Reden is dat dit vaak moeilijk te bepalen is.

De lasten voor bedrijven zijn sinds de Miljoenennota 2019 met name verzwaard als onderdeel van twee pakketten: het Klimaatakkoord en dekking lastenverlichtingspakket huishoudens.

  • Bij het Klimaatakkoord heeft het kabinet besloten de overdrachtsbelasting voor niet-woningen te verhogen van 6% naar 7% en is het tarief van de 3e en 4e schijf ODE verhoogd. De verhoging van de overdrachtsbelasting raakt zowel het grootbedrijf als het mkb. De ODE-verhoging raakt met name het energie-intensieve mkb en grootbedrijf.

  • Voor dekking van het lastenverlichtingspakket voor huishoudens heeft het kabinet besloten enkele lastenverzwarende maatregelen te nemen in de vpb. De beoogde verlaging van het hoge vpb-tarief in 2020 wordt een jaar uitgesteld. Daardoor blijft het hoge vpb-tarief in 2020 25%. Bovendien ligt het hoge vpb-tarief op 21,7% vanaf 2021, structureel 1,2%-punt hoger dan eerder afgesproken. Het innovatiebox-tarief wordt verhoogd van 7% naar 9% per 2021. Ook wordt de liquidatieverliesregeling versoberd. De versobering van de liquidatieverliesregeling en de verhoging van het innovatiebox-tarief slaan zowel bij het mkb als bij het grootbedrijf neer.

De grondslagverbreding in de vpb die reeds eerder door het kabinet is ingezet wordt voor het overgrote deel opgebracht door grote ondernemingen, en maar beperkt door het mkb. Denk hierbij aan de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars en de earningstripping-maatregel.

Bij het heroverwegingspakket dividendbelasting is besloten om het lage vpb-tarief deze kabinetsperiode met 1%-punt extra te verlagen t.o.v. het regeerakkoord, naar uiteindelijk 15%. Het lage vpb-tarief is in 2020 16,5% en daalt in 2021 verder naar 15%. Daarnaast is in datzelfde pakket de maatregel excessief lenen bij eigen vennootschap verzacht door leningen voor de eigen woning volledig uit te zonderen.

Er is naar verwachting samenhang tussen de grootte van het bedrijf en de keuze voor de rechtsvorm, dus mogelijk overlapt de categorisering op basis van grootte met de rechtsvorm. Er zijn echter geen exacte cijfers beschikbaar.

55

Hoe groot is de lastenverzwaring voor het mkb?

Antwoord

Het kabinet presenteert in principe geen cijfers voor de beleidsmatige lastenontwikkeling voor het mkb. Reden is dat dit vaak moeilijk te bepalen is. Antwoord 54 gaf reeds een overzicht van de maatregelen die effect hebben op de lasten van het mkb.

56

Hoeveel zijn de loonkosten voor werkgevers afgelopen jaren gestegen? Hoeveel zullen de loonkosten voor werkgevers komende tijd dalen of stijgen? Wat is de reden voor de stijging afgelopen jaren? Hoe zijn deze loonkosten voor werkgevers opgebouwd?

Antwoord

De loonkosten voor werkgevers in de marktsector (exclusief zorg en overheid) zijn sinds 2013 gemiddeld met 0,92% gestegen per jaar. Sinds 2015 zijn de loonkosten voor bedrijven gegroeid, dit komt vooral door een aantrekkende groei van de contractlonen als gevolg van de krappere arbeidsmarkt.

Verwacht wordt dat de groei van de loonkosten de komende jaren zal versnellen. Het CPB verwacht voor 2019 en 2020 een toename van de loonvoet van respectievelijk 3% en 2,8%.

De loonkosten voor werkgevers bestaan doorgaans uit de contractlonen, incidentele lonen (buiten de afgesproken contracten), de sociale lasten voor werkgevers en loonkostensubsidies.

57

Kunt u een overzicht geven van de top 10 concurrerende kenniseconomieën wereldwijd en hun uitgaven aan Research & Development (R&D) investeringen, zowel vanuit de overheid als privaat en in samenwerking?

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de R&D-uitgaven weergegeven in de tien hoogst scorende economieën in de 2019-editie van de ranglijst van The Global Competitiveness Index van het World Economic Forum, met daarbij een uitsplitsing naar privaat en publieke uitgevoerde R&D. Er zijn geen internationaal vergelijkbare cijfers beschikbaar over de omvang van de R&D die door de overheid en bedrijven in samenwerking wordt uitgevoerd. Wel is internationaal vergelijkbare informatie beschikbaar over het aandeel van financiering door bedrijven in publiek uitgevoerde R&D. Informatie daarover is opgenomen in de tabel.

Uitgaven aan R&D in 2017 in de top 10 van de ranglijst van The Global Competitiveness Index
 

Totale R&D-uitgaven, % van bbp

R&D-uitgaven privaat, % van bbp

R&D-uitgaven publiek, % van bbp

Aandeel van bedrijven in financiering van publieke R&D, %

1. Singapore

1,95

1,17

0,79

5,3

2. VS

2,79

2,15

0,63

3,2

3. Hong Kong

0,80

0,35

0,45

n.b.

4. Nederland

2,18

1,44

0,73

8,4

5. Zwitserland

3,37

2,42

0,96

9,6

6. Japan

3,21

2,58

0,64

2,9

7. Duitsland

3,04

2,10

0,94

11,9

8. Zweden

3,40

2,43

0,97

4,0

9. VK

1,66

1,16

0,50

3,8 (2016)

10. Denemarken

3,05

1,98

1,07

2,8

Bronnen: OECD, CBS (voor Nederland) en UNESCO (voor Hong Kong)

De gepresenteerde R&D-cijfers hebben betrekking op 2017, wat het meest recente jaar is waarover de R&D-gegevens beschikbaar zijn in internationaal vergelijkende statistieken. Voor Nederland zijn R&D-cijfers gebruikt die het CBS op 18 oktober 2019 heeft gepubliceerd. Daarin is een revisie van de R&D-statistiek verwerkt die is ingegeven door wijzigingen in de internationale richtlijnen van de OECD voor het samenstellen van de R&D-statistiek. Volgens eerdere voorlopige cijfers van het CBS bedroegen de R&D-uitgaven in 2017 1,99% van het bbp. Volgens de nieuwe R&D-cijfers bedroegen ze in 2017 2,18% van het bbp. De belangrijkste reden voor deze aanpassing is dat de uitgaven voor ingeleend R&D-personeel nu volledig zijn meegerekend bij de R&D-uitgaven van bedrijven en instellingen die R&D uitvoeren. Een andere aanpassing is dat de afbakening van de bedrijven- en overheidssector in lijn is gebracht met de internationale richtlijnen voor de nationale rekeningen. Dit heeft ertoe geleid dat meer R&D is toegerekend aan de bedrijvensector en minder R&D aan de overheidssector. Op 4 november 2019 heeft het CBS voorlopige R&D-cijfers voor Nederland over 2018 gepubliceerd. Die komen aan de orde bij de beantwoording van vraag 60. Voor 2018 zijn internationaal vergelijkende statistieken nog niet beschikbaar.

58

Wat zijn uw indicatoren waar langs bedrijven te bekijken zijn als het gaat om maatschappelijke verantwoordelijkheid?

Antwoord

De rijksoverheid gebruikt de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen als kader voor het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)-beleid. Deze OESO-richtlijnen schrijven voor dat bedrijven in hun productie- en handelsprocessen rekening houden met de effecten van de activiteiten en op people, planet en profit, direct via eigen bedrijfslocaties en indirect via hun waardeketen en de invloed die zij daarop hebben. Het gaat om «due diligence», dat wil zeggen risico’s in de gehele keten identificeren, aanpakken en hierover transparant rekenschap afleggen, met het uitgangspunt dat bedrijven zelf het beste de afweging kunnen maken welke zaken prioriteit hebben, bijvoorbeeld omdat stakeholders hier waarde aan hechten, (wederzijdse) risico’s hoog zijn, de verandermacht in de waardeketen sterk is en/of het goed combineert met kansen voor het bedrijf.

EZK onderneemt verschillende acties om IMVO onder bedrijven te stimuleren: transparantiebenchmark, IMVO convenanten, grondstoffenscanner en Maatschappelijk Verantwoord Inkopen. Daarnaast bezie ik, zoals ik heb beschreven in de IMVO-voortgangsbrief aan uw Kamer van afgelopen juli (Kamerstuk 26485-313), hoe en op welke wijze, IMVO-criteria kunnen worden verbonden aan het EZK-instrumentarium. In de afweging hoe dit het beste kan worden gedaan, spelen proportionaliteit, uitvoerbaarheid, rechtmatigheid en effectiviteit mee. Ik zal de Kamer hier eind dit jaar nader over informeren.

60

Het is de ambitie om 2,5% van BBP te besteden aan R&D, hoeveel procent was dit in 2018?

Antwoord

Op 4 november heeft het CBS voorlopige R&D-cijfers over 2018 gepubliceerd. Volgens deze cijfers bedroegen de R&D-uitgaven in Nederland in 2018 2,16% van het bbp, waarvan 1,45% van het bbp privaat uitgevoerde R&D betreft en 0,71% van het bbp publiek uitgevoerde R&D. Zoals bij de beantwoording van vraag 57 is aangegeven, heeft het CBS recentelijk een revisie doorgevoerd in de R&D-statistiek. Hierdoor wijkt het huidige beeld van de omvang van de R&D-uitgaven in Nederland af van het beeld dat ten tijde van het opstellen van de begroting van EZK voor 2020 beschikbaar was. Nadere analyse van deze cijfers en de mutatie ten opzichte van de cijfers over 2017 vindt momenteel plaats.

61

Hoeveel procent van de 2,5% komt door de plannen uit het huidige regeerakkoord?

Antwoord

Het huidige kabinet is in 2017 aangetreden. Het Regeerakkoord is van invloed geweest op de budgetten voor R&D en innovatie vanaf 2018. Uit het overzicht Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie (TWIN) 2017–2023 van Rathenau is af te leiden dat de Rijksmiddelen voor R&D aan het einde van de huidige kabinetsperiode, in 2021, in verhouding tot het bbp ongeveer even hoog zijn als in 2017, te weten 0,83% van het bbp. Dit betreft publieke financiering van R&D; de cijfers over publieke R&D in de antwoorden op de vragen 57 en 60 geven inzicht in de publiek uitgevoerde R&D. In absolute zin nemen de Rijksmiddelen voor R&D tussen 2017 en 2021 volgens de berekeningen van Rathenau met ongeveer € 640 miljoen toe, maar door de groei van het bbp blijven ze in verhouding tot het bbp ongeveer gelijk. Het Regeerakkoord heeft ook effect op de middelen die bedrijven in R&D investeren. Er is vooraf geen kwantificering te geven van dat effect. Het hangt onder andere af van de «hefboom» die bij verschillende beleidsinstrumenten gerealiseerd wordt op private R&D-inspanningen en van de mate waarin het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid het R&D-vestigingsklimaat versterkt en leidt tot meer doorgroei van innovatieve bedrijven naar grotere R&D-intensieve bedrijven.

62

Hoeveel geld is nodig om de ambitie van minstens 2,5% te realiseren?

Antwoord

Uitgaande van het bbp in 2018 komt de R&D-ambitie van 2,5% van het bbp neer op een absolute omvang van € 19,35 miljard aan R&D-uitgaven. Volgens voorlopige cijfers van het CBS bedroegen de R&D-uitgaven in 2018 € 16,75 miljard. Uitgaande van de cijfers voor 2018 is een bedrag van € 2,60 miljard aan extra R&D-investeringen nodig voor het bereiken van de R&D-ambitie van 2,5% van het bbp. Het gaat bij al deze bedragen om de gezamenlijke publieke en private inzet. Het streven van het kabinet is dat de R&D-uitgaven primair via extra R&D-investeringen van bedrijven toenemen in de richting van het geambieerde niveau van 2,5% van het bbp. De overheid ondersteunt dit met de bevordering van een gunstig R&D- en innovatieklimaat voor het bedrijfsleven in Nederland, onder andere met het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid, maar ook met aanvullende publieke investeringen in R&D, bijvoorbeeld via het in de miljoenennota aangekondigde Investeringsfonds, zouden private investeringen in R&D verder kunnen worden gestimuleerd.

65

Bij verduurzaming industrie wordt waterstof genoemd als een van de maatregelen. Gaat dit over alle vormen van waterstof? Hoe wordt er specifiek ingezet op groene waterstof?

Antwoord

De inzet van duurzame waterstof is voor de industrie een belangrijke route om te verduurzamen. Het gaat hierbij om alle vormen van CO2-neutraal geproduceerde waterstof. De opschaling van groene waterstof wordt gestimuleerd via o.a. de DEI+ regeling (zie ook vraag 72). In het klimaatakkoord is de doelstelling neergelegd om uiterlijk in 2030 3–4 GW aan geïnstalleerd elektrolysevermogen ten behoeve van groene waterstofproductie te realiseren. Deze doelstelling zal in het nationale Waterstofprogramma verder ingevuld worden met als doel om de ontwikkeling van groene waterstof verder te stimuleren.

66

Waar wordt de begrotingsreserve Borgstellingsregeling Midden en Kleinbedrijf (BMKB) aan besteed?

67

Is er een plafond in de begrotingsreserve BMKB?

68

Hoeveel geld wordt maximaal voor de begrotingsreserve BMKB gereserveerd?

69

Is er een minimumbedrag voor de begrotingsreserve BMKB voor het moment dat de verliesdeclaraties toenemen en zo ja, hoe hoog is dit minimumbedrag?

Antwoord op vragen 66, 67, 68 en 69

Er is een begrotingsreserve (risicovoorziening) voor de BMKB waardoor een verevening mogelijk is van premie-inkomsten en schade-uitgaven over een reeks van meerdere jaren. De regeling is namelijk conjunctuurgevoelig (in tijden van krimp en recessie is er sprake van hogere verliezen), waardoor het saldo van uitgaven en inkomsten kan fluctueren.

De begrotingsreserve wordt opgebouwd in jaren waarin het saldo van premie-inkomsten en schade-uitgaven positief is en kan worden ingezet in jaren wanneer dit niet het geval is. Er is geen minimum- of maximumbedrag voor de begrotingsreserve BMKB. Het is namelijk vooraf moeilijk te bepalen hoe groot de verliezen gedurende tijden van laagconjunctuur zullen zijn: de ene crisis is groter dan de andere. In de afgelopen crisis werd bijvoorbeeld in de periode 2009–2015 aanvullend op dekking uit de premie-inkomsten in totaal ca. 384 miljoen euro uit de begroting gefinancierd om de verliesdeclaraties en kosten te kunnen opvangen.

Er wordt in de begroting voor het betreffende jaar op voorhand geen bedrag gereserveerd als dotatie aan de reserve. De dotatie of onttrekking aan de begrotingsreserve wordt jaarlijks aan het einde van het jaar bepaald op basis van de ontvangen premie-inkomsten en de ingediende verliesdeclaraties en vervolgens geëffectueerd.

70

Hoeveel subsidie is er nodig om groene waterstof rendabel te maken?

Antwoord

Er is geen algemeen geldend antwoord op deze vraag te geven. Het verschilt per productietechnologie en per locatie (beschikbaarheid en kosten van hernieuwbare bronnen). Daarnaast is het belangrijk waar de waterstof voor wordt toegepast. Een toepassing die concurreert met relatief dure alternatieven (zoals benzine of diesel in de mobiliteit) zal eerder rendabel kunnen zijn dan een toepassing in de industrie die concurreert met de grootschalige relatief goedkope productie van waterstof uit aardgas.

71

Welke projecten rondom waterstof zijn er reeds?

Antwoord

Het laatste volledige overzicht dateert van oktober 2017. Toen is er door RVO en TKI Gas een inventarisatie gemaakt («Overzicht van Nederlandse waterstofinitiatieven, -plannen en -toepassingen») waarin meer dan 150 studies, plannen en projecten werden opgenomen. Sindsdien zijn er vele aankondigen van projecten bijgekomen. In de vijf regionale clusters zijn allerlei initiatieven in ontwikkeling om synergie kansen over de grenzen van sectoren heen te verzilveren. Voor de meest projecten geldt dat ze nog moeten worden gerealiseerd.

72

Voor wat voor projecten wordt de 10 mln. voor waterstof bedrag gereserveerd?

Antwoord

Dit bedrag van 10 miljoen euro voor waterstof is gereserveerd voor pilot- en demonstratieprojecten in de industrie vanuit de klimaatenvelop. Aanvullend is er vanuit de klimaatenvelop voor elektriciteitssector eveneens 25 miljoen euro beschikbaar voor met name grootschalige opslag en conversie waarmee waterstof pilot- en demonstratieprojecten eveneens bediend kunnen worden.

73

Wat zijn de voorwaarden voor de WBSO?

Antwoord

De WBSO is bedoeld voor bedrijven die zelf technische ontwikkelings- en/of onderzoeksprojecten uitvoeren. Zij kunnen door middel van de WBSO de kosten voor R&D (Research & Development) verlagen. De WBSO vergoedt een deel van de (loon)kosten en uitgaven van een R&D-project. Bedrijven dragen dan minder loonheffingen af en zelfstandige ondernemers ontvangen een vaste aftrek.

Bedrijven kunnen WBSO aanvragen voor de ontwikkeling van (onderdelen van) technisch nieuwe producten, productieprocessen en/of programmatuur en voor het uitvoeren van technisch-wetenschappelijk onderzoek. De exacte voorwaarden en beoordelingscriteria staan toegelicht op de website van RVO.nl: www.rvo.nl/wbso.

74

Wat is de reden voor de onderuitputting in 2017 en 2018? Is er een inschatting te maken over een eventuele onderuitputting voor 2019?

Antwoord

In 2017 en 2018 hebben bedrijven minder WBSO-voordeel verzilverd dan in 2016. Dit betekent dat zij ten opzichte van 2016 minder van het voordeel waarop zij recht hadden, hebben geclaimd via de aangifte loonheffing. Er is hiervoor volgens RVO.nl geen duidelijk aanwijsbare reden. Specifiek voor 2018 geldt daarnaast dat het speur- en ontwikkelingswerk, en de daaraan gerelateerde kosten en uitgaven, minder sterk gegroeid zijn dan vooraf door RVO.nl voorzien.

Het is nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van een eventuele onder- of overuitputting van de WBSO in 2019. De voorlopige verzilveringscijfers geven geen aanleiding om opnieuw een (forse) onderuitputting te verwachten, mede omdat het percentage in de tweede schijf na de eenmalige verlaging in 2018 naar 14% voor 2019 weer op 16% is gebracht. In het tweede kwartaal van 2020 heeft RVO.nl zicht op de benutting van het budget, omdat dan bekend is of de werkzaamheden en uitgaven waarvoor WBSO is verstrekt daadwerkelijk zijn gerealiseerd en in hoeverre bedrijven het WBSO-voordeel hebben verzilverd.

75

Welke mogelijkheden zijn er om meer ondernemers gebruik te laten maken van de WBSO?

Antwoord

In 2017 en 2018 hebben bedrijven minder WBSO-voordeel verzilverd dan in 2016. Dit betekent dat zij ten opzichte van 2016 minder van het voordeel waarop zij recht hadden, hebben geclaimd via de aangifte loonheffing. Er is hiervoor volgens RVO.nl geen duidelijk aanwijsbare reden. Specifiek voor 2018 geldt daarnaast dat het speur- en ontwikkelingswerk, en de daaraan gerelateerde kosten en uitgaven, minder sterk gegroeid zijn dan vooraf door RVO.nl voorzien. Het is nog niet mogelijk om een goede inschatting te maken van een eventuele onder- of overuitputting van de WBSO in 2019. De voorlopige verzilveringscijfers geven geen aanleiding om opnieuw een (forse) onderuitputting te verwachten, mede omdat het percentage in de tweede schijf na de eenmalige verlaging in 2018 naar 14% voor 2019 weer op 16% is gebracht. In het tweede kwartaal van 2020 heeft RVO.nl zicht op de benutting van het budget, omdat dan bekend is of de werkzaamheden en uitgaven waarvoor WBSO is verstrekt daadwerkelijk zijn gerealiseerd en in hoeverre bedrijven het WBSO-voordeel hebben verzilverd.

Ten slotte wijs ik uw Kamer op de brief die ik met Prinsjesdag heb gestuurd over de WBSO parameters (Kamerstuk 32 737, nr. 380). Daarin heb ik de parameters voor 2020 gepubliceerd, en heb ik tevens aangegeven dat ik de onderuitputting over de afgelopen periode benut om de parameters tot en met 2022 op het huidige niveau te kunnen houden. Stabiliteit in de parameters haalt de onzekerheid voor het bedrijfsleven weg.

76

Wat is het effect van het verhogen van de percentages van de eerste schijf?

77

Wat is het effect van het verhogen van de percentages van de tweede schijf?

78

Wat is het effect van het verhogen van de grens van de eerste schijf?

Antwoord op vragen 76, 77 en 78

In onderstaande tabel is het budgettair effect in beeld gebracht van het verhogen van de parameters van de WBSO in 2020.

Van een verhoging van het tarief van de eerste schijf profiteren in absolute zin de bedrijven die minimaal 350.000 euro per jaar aan S&O kunnen opvoeren het meest en in gelijke mate. Relatief gezien profiteert het mkb het meest van een verhoging van het tarief in de eerste schijf, omdat voor deze bedrijven de kans het grootst is dat op een groot deel of zelfs al hun S&O dit tarief van toepassing zal zijn. Grote bedrijven zullen over het algemeen veel meer dan 350.000 euro per jaar aan S&O uitgeven en daardoor maar voor een relatief klein deel van hun totale S&O-uitgaven profiteren van een verhoging van het tarief van de eerste schijf.

Een verhoging van het tarief van de tweede schijf en een verlenging van de schijfgrens heeft alleen gevolgen voor bedrijven die meer dan 350.000 euro per jaar aan S&O uitgeven. Daarbij geldt dat een verhoging van het tarief van de tweede schijf zowel in absolute als in relatieve zin aantrekkelijker wordt voor een bedrijf naar mate het meer uitgeeft aan S&O, met name dus voor het grootbedrijf. Van een verlenging van de schijfgrens profiteren alle bedrijven die voor meer dan 350.000 euro aan S&O doen in gelijke mate, maar in relatieve zin profiteren die bedrijven het meest als ze beperkt meer aan S&O uitgeven dan 350.000 euro. Dit betreft met name het wat meer S&O-intensieve mkb.

Het effect op de hoeveelheid extra S&O-uren van de verschillende genoemde verhogingen is niet nauwkeurig kwantitatief te duiden. Op basis van de evaluatie van de WBSO 2011–2017 kan hier wel iets over worden opgemerkt: daarin wordt geconcludeerd dat bij de allerkleinste bedrijven (minder dan 10 werkzame personen) het effect van de WBSO (de gebruikerskostenelasticiteit) relatief klein is. Dit heeft volgens de evaluatie mogelijk te maken met een beperkt (korte termijn) aanpassingsvermogen van de allerkleinste bedrijven.12 In de analyse is bovendien alleen gekeken naar de effecten van veranderingen in de WBSO op veranderingen in de S&O-loonsom voor bedrijven die al aan S&O doen. Het effect van starten met de WBSO is dus niet gemeten. Dit kan de resultaten substantieel beïnvloeden. Met deze kanttekening lijkt op basis van de evaluatie niettemin de conclusie gerechtvaardigd dat een verhoging van het tarief van de eerste schijf naar verwachting een lagere additionaliteit met zich mee zal brengen dan een verhoging van het tarief van de tweede schijf of een verlenging van de schijfgrens.

79

Hoe gaat de samenwerking tussen de regionale ontwikkelingsmaatschappijen helpen bij het binnenhalen van nieuwe economische activiteiten?

Antwoord

De regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) kennen drie hoofdtaken: business development, participatie in startende en groeiende bedrijven en strategische acquisitie. Op het gebied van acquisitie werken de ROM’s sinds 2015 nauw samen met het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) onder de noemer Invest in Holland. De gezamenlijke inzet ter versterking van het LSH-ecosysteem is daar een goed voorbeeld van (zie ook het antwoord op vraag 285). De ROM’s zijn op lokaal en regionaal niveau verantwoordelijk voor het aantrekken van buitenlandse investeerders en aanspreekpunt voor de begeleiding van buitenlandse potentiële investeerders. Via toegang tot het netwerk van lokale publieke en private partijen (zoals gemeenten, internationale scholen, expatcenters, campussen) zijn de ROM’s in staat toegesneden proposities te ontwikkelen en daarmee nieuwe economische activiteiten binnen te halen.

In 2018 trokken de ROM’s 137 buitenlandse bedrijven naar Nederland. Men verwacht een investeringsvolume van 2,4 miljard voor de komende drie jaar.

80

Bij hoeveel ondernemers wordt de komende jaren de zelfstandigenaftrek afgebouwd? Hoe is deze groep opgebouwd? Hoeveel van deze groep ondernemers kan worden bestempeld als ZZP’er?

81

Hoe worden ondernemers de komende jaren gecompenseerd via de arbeidskorting inkomstenbelasting voor de afbouw van de zelfstandigenaftrek? Kun u dit voor de jaren 2020, 2021, 2022, 2023, 2024 en 2025 uitsplitsen?

Antwoord op vragen 80 en 81:

Op basis van het CPB-simulatiemodel Mimosi zijn er in 2020 naar schatting 740.000 IB-ondernemers die recht hebben op de zelfstandigenaftrek. Binnen dit model kan geen onderscheid gemaakt worden tussen ZZP’ers en andere zelfstandigen.

In welke mate zelfstandigen getroffen worden door de verlaging van de zelfstandigenaftrek en gecompenseerd worden via de arbeidskorting, hangt af van de hoogte van de winst van deze zelfstandigen. Voor ongeveer 230.000 zelfstandigen is deze winst negatief of lager dan het einde van het tweede opbouwtraject van de arbeidskorting (circa 21.000 euro). Zij betalen geen inkomstenbelasting (ook niet na verlaging van de zelfstandigenaftrek) en dus is er voor hen geen inkomenseffect. Circa 105.000 zelfstandigen met een winst boven het afbouwpunt van de arbeidskorting (circa 96.000 euro) ontvangen geen arbeidskorting en worden dus niet via deze weg gecompenseerd. Voor de overige zelfstandigen (circa 405.000) hangt het inkomenseffect af van het geldende marginale tarief. Voor vier van deze inkomens wordt het inkomenseffect van beide maatregelen getoond in tabel.

Overigens profiteren deze zelfstandigen, naast de verhoging van de arbeidskorting die voorgesteld is in het Belastingplan 2020, ook nog van maatregelen waartoe reeds in het Belastingplan 2019 is besloten, zoals de stijging van de algemene heffingskorting en de daling van de IB-tarieven in de huidige tweede tot en met vierde schijf als gevolg van de invoering van het tweeschijvenstelsel. Hierdoor gaan de meeste zelfstandigen ook in de jaren na 2022 (bij hetzelfde inkomen) niet meer inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen betalen dan in 2019.

Tabel: Inkomenseffecten per jaar door voorgestelde wijzigingen zelfstandigenaftrek (ZA) en arbeidskorting (AK) uit Belastingplan 2020

Winst

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

30.000

ZA

– 79

– 159

– 239

– 319

– 398

– 478

AK

+106

+212

+285

+285

+285

+285

50.000

ZA

– 92

– 184

– 276

– 368

– 460

– 552

AK

+106

+212

+285

+285

+285

+285

70.000

ZA

– 92

– 184

– 276

– 368

– 460

– 552

AK

+106

+212

+285

+285

+285

+285

90.000

ZA

– 98

– 185

– 258

– 319

– 398

– 478

AK

+106

+212

+285

+285

+285

+285

82

Is er nagedacht over de mogelijkheid om de instrumenten van het Toekomstfonds ergens anders onder te brengen en het Toekomstfonds op te heffen, aangezien het Toekomstfonds geen aanvullende middelen meer zal ontvangen vanwege de verlaging van de gaswinning?

Antwoord

Het Toekomstfonds bestaat uit twee delen; een bedrijvendeel met financieringsinstrumenten voor bedrijven en een onderzoeksdeel ten behoeve van onderzoeksfaciliteiten en kennisverspreiding.

Voor het deel met financieringsinstrumenten voor bedrijven voorziet het Toekomstfonds in structurele budgetten voor de instrumenten die deels revolveren, zoals het Innovatiekrediet, de Seed Capital regeling en de regeling Vroegefasefinanciering. Deze instrumenten zijn recent positief geëvalueerd (Kamerstuk 23 637 – 344, inclusief bijlage). Voor het Innovatiekrediet en de Seed Capital is vastgesteld dat deze instrumenten naar verwachting 60–80% revolveren. De financiering van deze instrumenten is dus niet afhankelijk van de gasbaten. Het nadenken over de mogelijkheid om deze instrumenten elders onder te brengen en opheffen van het Toekomstfonds is hiervoor dan ook niet aan de orde. Dat de verschillende instrumenten zijn ondergebracht in het Toekomstfonds heeft als voordeel dat het de mogelijkheid biedt om tussen instrumenten en over de jaargrenzen heen met budget te schuiven, zodat terugontvangen investeringen weer opnieuw kunnen worden ingezet voor de revolverende instrumenten.

Voor het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds is in 2014 eenmalig 100 miljoen euro beschikbaar gesteld voor investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. Eventuele aanvullende middelen als gevolg van meevallers op de gasbaten waren – via rendement op de staatsobligaties die daarmee gefinancierd zouden worden – bedoeld voor het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds. Deze meevallers hebben zich niet voorgedaan en het is ook niet de verwachting dat deze zich de komende jaren voordoen. Vooralsnog resteert van de oorspronkelijke 100 miljoen euro nog een beperkt deel van de middelen en is een buffer beschikbaar voor investeringen vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds die voor minder dan 100% revolveren. Op dit moment is er dus ook voor de instrumenten in dit deel van het Toekomstfonds geen reden om deze elders onder te brengen en het Toekomstfonds op te heffen. Ik streef ernaar om voor de Begrotingsbehandeling de Kamer te informeren over de resterende middelen in het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds.

83

Kunt u de schommeling in de gasbaten van 2020 tot en met 2023 toelichten?

Antwoord

De geraamde gasbaten (niet-belastingmiddelen) laten een daling zien in de jaren 2020–2023. In deze periode dalen ze van 1,08 miljard euro in 2020 tot 510 miljoen euro in 2023. Zie hiervoor bladzijde 122 van de EZK-begroting 2020. Deze daling is met name het gevolg van het kabinetsbesluit van 29 maart 2018 van het Kabinet om de gaswinning in Groningen op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. In de raming van de gasbaten in de begroting is ook reeds de verlaging van de gaswinning tot 11,8 bcm in gasjaar 2019–2020 verwerkt.

De geraamde gasbaten hebben ook invloed op de raming van de voeding van het Toekomstfonds (begrotingsartikel 3), de zogeheten ijklijn. De op bladzijde 86 van de begroting weergegeven gasbaten betreffen de ijklijn ten behoeve van het Toekomstfonds op basis waarvan wordt bepaald of sprake is van meevallers in de gasbaten. Deze ijklijn wijkt af van de gasbatenraming op artikel 5. In de ijklijn worden namelijk alleen de beleidsmatige aanpassingen in de gasbaten meegenomen. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 5 spelen onder andere de beursprijs van TTF-gas, de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

84

Hoe gaan de doelen voor 2020 gehaald worden?

Antwoord

Op 1 november jl. heeft u de Klimaat- en energieverkenning (KEV) 2019 ontvangen inclusief de kabinetsappreciatie (Kamerstuknummer 32813-400). Hierin staat de strategie van het kabinet voor het behalen van de gestelde doelen in 2020.

85

Hoe kan het reductiepercentage voor 2030 nog worden gehaald?

Antwoord

Op 1 november jl. heeft u de Klimaat- en energieverkenning (KEV) 2019 ontvangen inclusief de kabinetsappreciatie (Kamerstuknummer 32813-400). In de kabinetsappreciatie staat beschreven hoe het kabinet het reductiepercentage voor 2030 gaat halen.

86

Klopt het dat bij het vaststellen van gemiddeld energieverbruik gewerkt wordt met voorspellingen ten aanzien van verduurzamingsmaatregelen? Zo ja, waar worden deze aannames op gebaseerd, kunnen betreffende cijfers worden weergegeven en toegelicht?

Antwoord

Het klopt dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bij de ramingen van het gemiddelde energieverbruik rekening houdt met inzichten omtrent getroffen verduurzamingsmaatregelen. Daarbij maakt PBL onder andere gebruik van het consumentenonderzoek naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw dat RVO jaarlijks laat uitvoeren. Daarin is ingeschat dat in 2017 ruim 830.000 huishoudens 1 of meer energiebesparende maatregelen troffen.13 Dit aantal is de afgelopen jaren redelijk stabiel.

87

Wat was in 2016, 2017 en 2018 het energieverbruik van een gemiddeld huishouden? Wat gaat dat voor 2019 zijn? Wat is de inschatting voor 2020?

93

Wat was in 2016, 2017 en in 2018 het geschatte energieverbruik van een gemiddeld huishouden? Wat waren de uiteindelijke daadwerkelijke verbruikcijfers? Wat gaat dat voor 2019 zijn? Wat is de inschatting voor 2020?

Antwoord op vragen 87 en 93:

Het kabinet baseert zich op de inschattingen van het gemiddelde verbruik door het PBL en het CBS.) Op 18 maart 2019 heeft het PBL op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een actualisering van de gemiddelde energierekening opgesteld. Het geschatte aardgasverbruik in woningen was conform deze publicatie 1.339 m3 in 2016 en 1.340 m3 in 2017. Ten aanzien van het elektriciteit in woningen rapporteert het PBL in deze publicatie een gemiddelde verbruik van respectievelijk 2.896 kWh in 2016 en 2.832 kWh in 2017. Voor 2018 en 2019 is in de publicatie geen gemiddeld verbruikscijfer beschikbaar. Voor 2020 raamt het PBL in deze publicatie een gemiddeld gasverbruik van 1.179 m3 aardgas en 2.525 kWh elektriciteit.

88

Wat is in de jaren 2016, 2017, 2018 het aantal geplaatste zonnepanelen op daken en wat gaat dit voor 2019 zijn? Wat is de inschatting voor 2020?

Antwoord

Voor de jaren 2016 2017 en 2018 geeft het CBS (bron: hernieuwbare energie in Nederland) de volgende cijfers:

 

Nieuw geïnstalleerd vermogen

Totaal vermogen

2016

609 megawattpiek

2.135 megawattpiek

2017

768 megawattpiek

2.903 megawattpiek

2018

1.503 megawattpiek

4.414 megawattpiek

Geïnstalleerd vermogen

Totaal

Zonneparken bedrijven

Daken bedrijven

Daken woningen

2017

2.911 megawattpiek

98 megawattpiek

1.131 megawattpiek

1.682 megawattpiek

2018

4.414 megawattpiek

444 megawattpiek

1.662 megawattpiek

2.307 megawattpiek

Het CBS zal in het najaar van 2020 publiceren over het voorafgaande jaar 2019.

89

Welke isolatiemaatregelen zijn in de jaren 2016, 2017, 2018 bij een gemiddeld huishouden genomen? Hoe gaat dit voor 2019 zijn? Wat is de inschatting voor 2020?

90

Is bekend hoeveel huishoudens hun energieverbruik met hoeveel verminderd hebben door het nemen van verduurzamingsmaatregels? Welke cijfers of trend is hierin de afgelopen vijf tot twee jaar te zien?

Antwoord op vragen 89 en 90

In de Monitor Energiebesparing gebouwde omgeving 2017 dat RVO jaarlijks uitvoert, wordt ingeschat dat in 2017 ruim 830.000 huishoudens 1 of meer energiebesparende maatregelen troffen.14 Dit aantal is al enkele jaren vrijwel constant. Ruim 235.000 huishoudens hebben naar inschatting in 2017 minimaal 2 energiebesparende maatregelen getroffen. Dit aantal is gestegen ten opzichte van ongeveer 210.000 in 2016. De meest getroffen maatregelen in 2016 en 2017 zijn HR-glas en vloerisolatie. Voor een exacte verdeling verwijs ik naar pagina 36 van de monitor.

Bij ruim de helft (55%) van de huishoudens zijn de afgelopen vijf jaar één of meer energiebesparende maatregelen genomen in de woning.15

Voor de jaren na 2017 zijn nog geen gegevens bekend.

91

Welk effect gaat de te verwachten stijgende gasprijs hebben op de warmtetarieven? Op welke wijze kan voorkomen worden dat mensen die aangesloten zijn op een warmtenet met een hogere rekening worden geconfronteerd?

Antwoord op vraag 91

In principe heeft de te verwachten stijgende gasprijs, in het bijzonder de verhoging van de energiebelasting op gas, een opwaarts effect op de warmtetarieven. Echter, tegelijkertijd stelt ACM per 1 januari 2020 de tarieven vast op basis van de gewijzigde tariefregulering. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe het saldo van beide effecten gaat uitpakken. Tot slot worden verbruikers van een warmtenet, net als verbruikers van aardgas, gecompenseerd voor de verhoging van de energiebelasting op aardgas door een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit. Dit heeft een neerwaarts effect op de energierekening van verbruikers van een warmtenet.

92

Welk energieverbruik is realistisch bij een typische jaren »70 eengezinswoning?

Welk energieverbruik is realistisch bij een typische jaren »30 eengezinswoning?

Welk energieverbruik is realistisch bij een typische jaren »50 eengezinswoning?

Welk energieverbruik is realistisch bij een typische jaren »90 eengezinswoning?

Welk energieverbruik is realistisch bij een typische sociale huurwoning?

Kunnen naast het gemiddelde ook de uitschieters aan beide kanten worden gegeven?

Kan per bovenstaand type woning worden weergegeven wat het belastingvoordeel op de energierekening gaat zijn? Kan per type woning en gezinssamenstelling met een rekenvoorbeeld worden weergegeven hoe de energierekening eruit ziet?

Antwoord op vraag 92

Het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik uitgesplitst naar de gevraagde type woningen is niet beschikbaar. Het CBS heeft op Prinsjesdag wel het gemiddelde verbruik voor tien andere herkenbare woningprofielen gepubliceerd, waarbij onderscheid wordt gemaakt in woningtype, woonoppervlak, en aantal bewoners, maar ook in bouwjaar. Hierin worden oude woningen (bouwjaar tot en met 1991) en nieuwe woningen (bouwjaar van 1991 tot en met 2018) onderscheiden. Deze profielen geven een goed beeld van de grote spreiding in energieverbruik.

Voor deze profielen is het mogelijk de gemiddelde ontwikkeling van het belastingdeel van de energierekening tussen 2020 en 2019 te schetsen. Onderstaande tabel geeft dit inzicht.

Profiel#

Woningtype

Aantalle den huishouden

Bouwjaar klasse

Opper Vlakte klasse

Gem. Gas Verbruik (m3)

Gem. Elektr.verbruik (kWh)

Mutatie 2019–2020

Belastingen 2019 (in €)

Belastingen 2020 (in €)

Mutatie (in %)

1

Appartement

1

nieuw (1991–2018)

klein (tot 100 m2)

670

1.640

– € 148

€ 202

€ 54

– 73%

2

Appartement

1

oud (1200–1991)

klein (tot 100 m2)

870

1.580

– € 133

€ 277

€ 144

– 48%

3

Appartement

≥2

oud (1200–1991)

klein (tot 100 m2)

1.090

2.280

– € 109

€ 468

€ 359

– 23%

4

Geschakeld

1

oud (1200–1991)

klein (tot 100 m2)

1.160

1.730

– € 109

€ 419

€ 311

– 26%

Nationaal gemiddelde (PBL)

1.179

2.525

– € 100

€ 540

€ 440

– 19%

7

Geschakeld

≥2

nieuw (1991–2018)

middel (100 m2 – 150 m2)

1.170

3.340

– € 93

€ 653

€ 559

– 14%

5

Geschakeld

1

oud (1200–1991)

middel (100 m2 – 150 m2)

1.380

2.050

– € 88

€ 557

€ 468

– 16%

6

Geschakeld

≥2

oud (1200–1991)

klein (2 m2 – 100 m2)

1.330

2.860

– € 85

€ 651

€ 566

– 13%

8

Geschakeld

≥2

oud (1200–1991)

middel (100 m2 – 150 m2)

1.510

3.290

– € 67

€ 788

€ 721

– 9%

9

Geschakeld

≥2

oud (1200–1991)

groot (150 m2 – 10.000m2)

2.100

3.950

– € 15

€ 1.128

€ 1.113

– 1%

10

Vrij staande woning

≥2

oud (1200–1991)

groot (150 m2 – 10.000m2)

2.620

4.490

+€ 31

€ 1.422

€ 1.453

+2%

Er is thans geen actueel inzicht in de ontwikkeling van de gemiddelde totale energierekening voor deze groepen. Het PBL en het CBS zullen in het voorjaar van 2020 een geactualiseerd raming voor de korte termijn geven, nadat een zo actueel mogelijk beeld omtrent leveringstarieven en netwerktarieven beschikbaar is. Daarbij worden ook bovenstaande huishoudprofielen betrokken.

94

Zijn er cijfers bekend welke energie-intensieve bedrijven, zowel in binnen- als buitenland, zijn verhuisd als gevolg van milieuheffingen?

Antwoord

Voor zover bekend zijn er in Nederland en daarbuiten geen cijfers beschikbaar over aantallen bedrijven waarbij de invoering van milieubeleid leidde tot sluiting en verplaatsing van installaties. Het kabinet wil hier met de monitoring van het risico op weglek van werkgelegenheid goed zicht op houden. Het gaat dan hoofdzakelijk om bedrijven die op wereldschaal concurreren en daardoor weinig ruimte hebben om lastenverzwaringen af te wentelen op afnemers. Daarbij zal onder meer op het niveau van de bedrijven gekeken moeten worden naar beweegredenen van bedrijfsbestuurders om over te gaan tot verhuizing van een productielocatie, indien dit zich voordoet, of dreigt te gebeuren.

Naar verwachting zal een belemmering voor de monitoring zijn dat verhuizingen in energie-intensieve sectoren zich over zeer lange periodes aftekenen. Dat komt doordat deze sectoren ook zeer kapitaalintensief zijn; sectoren waarbij grote investeringen in productie-installaties nodig zijn, die zich over meerdere decennia terug laten verdienen. Veranderingen in milieuheffingen leiden dan eerst tot uitstel of afstel van nieuwe investeringen en pas na lange tijd tot afbouw van productie. Dergelijke mechanismen worden beschreven in de speelveldtoetsonderzoeken van PwC (2019), die ten behoeve van het klimaatakkoord zijn verricht en aan de Kamer gestuurd16.

Er zijn wel diverse studies verricht naar het effect van milieuheffingen op de productie van bedrijven binnen het buiten het heffingsgebied, zoals EU ETS. Hierin wordt helaas niet gerapporteerd over effecten op specifieke bedrijven17.

95

Welke gaspijleidingen buiten Europa worden geaffecteerd door de nieuwe Gasrichtlijn?

Antwoord

Er zijn geen gaspijpleidingen buiten Europa die worden geraakt door de gewijzigde gasrichtlijn. De gewijzigde gasrichtlijn is namelijk, voor wat betreft interconnectoren met derde landen, alleen van toepassing tot aan de grens van het rechtsgebied van de Europese Unie. Op dit moment kent de Europese Unie interconnectoren met Marokko (voor Algerijns gas), Algerije, Libië, Noorwegen en Rusland. Afhankelijk van de Brexit ontwikkelingen kan daar het Verenigd Koninkrijk bij komen.

96

Kunt u een overzicht geven van de stand van de gasdiversificatie van alle Europese lidstaten?

Antwoord

Een uitgebreid overzicht is te vinden in de ACER/CEER publicatie «Annual Report on the Results of Monitoring the Internal Electricity and Natural Gas Markets in 2018 – Gas Wholesale Markets Volume» van oktober 2019 (zie: https://www.acer.europa.eu/Official_documents/Acts_of_the_Agency/Publication/ACER%20Market%20Monitoring%20Report%202018%20-%20Gas%20Wholesale%20Markets%20Volume.pdf).

Dit overzicht laat zien dat de lidstaten in Noordwest-Europa en de lidstaten die beschikken over één of meerdere LNG-terminals het meest gediversifieerde aanbod kennen. Nederland behoort tot beide groepen.

97

Kunt u een overzicht geven van de samenwerkingsverbanden met betrekking tot duurzaamheid van de Europese Unie met derde landen?

Antwoord

De EU werkt op het gebied van klimaat en energie op verschillende manieren samen met derde landen. Onder andere via:

  • Beleidsdialoog en samenwerking bij de ontwikkeling en uitvoering van klimaatbeleid in het kader van het VN-raamwerkverdrag inzake klimaatverandering en andere internationale fora.

  • Kennisdeling – bijvoorbeeld via bilaterale samenwerking door de Europese Commissie op emissiehandel (bijvoorbeeld met China).

  • Financiering om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij hun inspanningen om klimaatverandering aan te pakken en zich aan te passen aan de gevolgen ervan.

  • Ontwikkelingssamenwerking op het gebied van aanpassing, mitigatie, rampen & risicovermindering en woestijnvorming.

  • Ondersteuning van de overdracht van technologie en onderzoekssamenwerking – bijvoorbeeld via Horizon 2020.

  • De technische bijstandsfaciliteit (TAF) van het VN initiatief Sustainable Energy for All (SE4ALL): De EU heeft de TAF gelanceerd om partnerlanden te helpen bij het afstemmen van hun energiebeleid en regelgevingskaders om meer investeringen in de energiesector mogelijk te maken. Het ondersteunt landen die zich inzetten voor het bereiken van de doelstellingen voor duurzame energie voor iedereen (SE4ALL).

  • Integratie van duurzame ontwikkeling in het handelsbeleid van de EU.

98

Welk aandeel van de leningen van de Europese Investeringsbank is bestemd voor duurzame energie?

Antwoord

In 2018 werd 4,1 miljard euro aan investeringen in hernieuwbare energie gefinancierd, en 2,7 miljard euro in energie-efficiëntieprojecten.18 In 2018 maakte financiering van energieprojecten 14,9% van de totale financiering (55,6 mld. euro) van de EIB uit. Overkoepelend is 25% van de investeringen van de EIB in mitigatie en adaptatie van klimaatverandering.

Het beleid van de Europese Investeringsbank («EIB») ten aanzien van leningen in energieprojecten (Energy Lending Policy) wordt op dit moment herzien. De EIB heeft na een publieke consultatie een eerste voorstel en een herzien voorstel om de Energy Lending Policy aan te passen gepubliceerd. Sindsdien is het voorstel onderwerp van lopende onderhandelingen. Gezien de lopende onderhandelingen valt in dit stadium geen inschatting te maken van het toekomstige aandeel van het percentage EIB-investeringen in duurzame energie.

99

In hoeverre voldoen Europese lidstaten aan het Gas Target Model?

Antwoord

Een uitgebreide analyse van de mate waarin lidstaten tegemoet komen aan de doelstellingen van het Gas Target Model is te vinden in de ACER/CEER publicatie «Annual Report on the Results of Monitoring the Internal Electricity and Natural Gas Markets in 2018 – Gas Wholesale Markets Volume» van oktober 201919.

Deze analyse laat zien dat de groothandelsmarkten voor gas geleidelijk beter functioneren, maar dat de verschillen tussen goed functionerende en minder goed functionerende gashandelsplaatsen toenemen. De best functionerende handelsplaatsen bevinden zich in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Deze worden op afstand gevolgd door de handelsplaatsen in Duitsland, Italië, Frankrijk, Oostenrijk en België. Met name de handelsplaatsen in Oost-Europa staan nog in de kinderschoenen hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het ontbreken van een transparant prijsmechanisme.

100

Wat is de voortgang van de Southern Gas Corridor?

Antwoord

De aanleg van de Trans Adriatische Pijpleiding (TAP) ligt op schema volgens de uitvoerders. Met deze pijpleiding zal het gas dat vanuit het Shah Deniz veld in Azerbeidzjan via Georgië en Turkije naar de Turks-Griekse grens wordt gebracht, verder worden getransporteerd naar Italië en van daar naar andere delen van de Europese Unie. Tevens voorziet TAP in koppelingen met het gastransportnet van Griekenland en met de interconnector Griekenland-Bulgarije. Naar verwachting zal TAP volgens planning in 2020 in gebruik worden genomen met een initiële capaciteit van 10 miljard m3/jaar.

Verder vindt momenteel een niet-bindende markttest plaats voor het uitbreiden van de capaciteit van 10 naar maximaal 20 miljard m3/jaar. Daarbij wordt ook bezien of er belangstelling bestaat voor nieuwe aansluitingen op TAP, bijvoorbeeld in Albanië. Indien deze test uiteindelijk leidt tot contractuele capaciteitsboekingen zal de extra capaciteit rond 2025 beschikbaar zijn.

101

Wat is de actuele stand van de wetenschap omtrent «radiative forcing», het versterkte effect van broeikasgassen die worden uitgestoten op grote hoogte?

Antwoord

Het staat wetenschappelijk vast dat voor kortlevende gassen, zoals ozon, de hoogte waarop de emissies plaatsvinden relevant is voor de stralingsforcering (de verminderde afgifte van infraroodstraling uitgedrukt in Watt / m2).

102

Hoeveel warmtenetten zijn voorzien of al aangelegd die aangesloten worden/zijn op biomassacentrales? Hoeveel woningen worden of zijn aangesloten op deze warmtenetten?

Antwoord

De meest recente gegevens betreffen het jaar 2017 en zijn afkomstig uit de door het CBS en ECN part of TNO in opdracht van EZK opgestelde Warmtemonitor. Onderstaande tabel bevat de gegevens van de grotere warmtenetten, waarmee het overgrote deel van de aansluitingen op warmtenetten is gedekt.

Warmtenet

Aantal aansluitingen

(x 1.000)

Warmtelevering in PJ

   
 

2015

2016

2017

2015

2016

2017

Warmte-leverancier

Biomassa1

Utrecht

52,3

53,4

54,5

2,9

2,9

3,1

Eneco

gedeeltelijk biomassa

Rotterdam

52,1

52,7

53,4

3,3

3,4

3,3

Eneco en Nuon

AVI

B3-Hoek

0,1

0,1

0,1

2,1

2,1

2,0

Eneco

Den Haag

4,8

5,3

5,5

1,1

1,1

1,1

Eneco

Ypenburg

10,1

10,1

10,1

0,3

0,3

0,3

Eneco

Amsterdam Zuid- en Oost incl. Amstelveen

15,5

16,1

17,7

1,3

1,6

1,7

Nuon

Biomassacentrale in aanbouw die gedeeltelijk in warmtevraag gaat voorzien

Amsterdam Noord- en West

9,3

10,7

12,1

0,6

0,6

0,7

Westpoort Warmte

AVI + gedeeltelijk biomassa

Almere

48,9

49,4

50,2

1,7

1,9

1,7

Nuon

Zie Amsterdam Zuid

Lelystad

4,8

4,8

4,8

0,2

0,2

0,2

Nuon

biomassa

Leidse regio

8,3

8,5

8,8

0,7

0,7

0,7

Nuon

Arnhem, Duiven en Westervoort

13,8

14,1

14,5

0,6

0,7

0,7

Nuon

AVI

Nijmegen

3,8

4,3

5,2

0,1

0,2

0,2

Nuon

AVI

Warmtenet Breda-Tilburg

33,9

34,3

34,6

2,5

3,1

2,5

Ennatuurlijk

biomassa bijstook in kolencentrale

Enschede

4,4

4,4

4,4

0,5

0,5

0,5

Ennatuurlijk

AVI en biomassa

Helmond

6,4

6,4

6,4

0,2

0,2

0,2

Ennatuurlijk

Eindhoven

1,0

1,8

2,3

0,2

0,2

0,2

Ennatuurlijk

Biomassa

Alkmaar

4,5

4,6

4,8

0,2

0,2

0,2

HVC

AVI en biomassa

Purmerend

25,8

25,8

25,9

0,8

0,9

0,8

SVP

Biomassa, extra capaciteit gepland

X Noot
1

Voor wat betreft afvalverbrandingsinstallaties (AVI) geldt dat ongeveer 50% van het afval van biogene oorsprong is en op basis daarvan als hernieuwbaar wordt aangemerkt.

103

Wat is de herkomst van het in Nederland gebruikte aardgas, uitgesplitst in land van herkomst en sector?

Antwoord

Zoals ik in mijn brief van 10 september jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 392) in reactie op de motie van het lid Van Tongeren (GroenLinks; Handelingen II 2017/18, nr. 45, item 17) heb aangegeven is het niet mogelijk een uitsplitsing te maken naar land van herkomst van het gas. Zie ook het antwoord op vraag 24.

104

Hoe staat het met de doelstelling van ten minste 15.000 voltijdsbanen? Kan hier verder op worden ingegaan?

137

Kan worden toegelicht hoe het kabinet komt aan de 90.000 extra banen in de periode 2014–2020? In welke sectoren en op welk opleidingsniveau bevinden zich deze banen? Betreft het voltijdsbanen?

Antwoord op vraag 104 en vraag 137

In het Energieakkoord is afgesproken dat in de periode 2014 – 2020 jaarlijks 15.000 voltijdsbanen moeten worden gecreëerd met activiteiten rond energie. In totaal gaat het in die periode dus om 90.000 extra voltijdsbanen. De gedachte hierachter was destijds dat het Energieakkoord kon bijdragen aan het economisch herstel na de recessie. Inmiddels is de situatie op de arbeidsmarkt fundamenteel veranderd: er is eerder sprake van een tekort aan vakmensen, dan dat er werkloosheid is. Daarmee is deze doelstelling enigszins achterhaald. In de Klimaat- en Energieverkenning wordt om deze reden ook niet meer apart gerapporteerd over deze doelstelling.

105

Kunt u een overzicht geven van alle aquathermieprojecten in Nederland?

Antwoord

Er zijn mij 55 gerealiseerde aquathermieprojecten bekend waarvan een redelijk groot deel in Zuid en Noord Holland. Daarnaast lopen er nog 88 verkenningen voor aquathermie projecten.

106

Hoeveel instrumenten zijn er met als doel innovatie te stimuleren? Is er weleens nagedacht over het overzichtelijker maken van al deze instrumenten?

Antwoord

Het overzichtelijk maken en houden van de innovatie-instrumenten is een continu streven. RVO.nl biedt daarbij ondersteuning aan de doelgroep, met name bedrijven en soms kennisinstellingen, en een totaaloverzicht op www.rvo.nl.

De EZK-instrumenten voor innovatie hebben aparte doelen en zijn opgebouwd langs volgende structuur:

  • Individuele innovatieve ondernemer (vermindering loonheffing via WBSO en risicodragende lening via het Innovatiekrediet)

  • Innovatieve mkb’ers die haalbaarheidsonderzoek of in samenwerking R&D uitvoeren (MIT-regeling; Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren)

  • Innovatieve bedrijven die samenwerken met kennisinstellingen (PPS-toeslag onderzoek en innovatie)

  • Verspreiding van technologische kennis om nieuwe producten en diensten te bevorderen (Thematische Technology Transfer-regeling)

  • Aanbesteding van innovatieve concepten bij het mkb door de overheid (SBIR; Small Business Innovation Research)

EZK legt met deze instrumenten de verbinding met andere overheden: zo financieren provincies en EZK samen de MIT-regeling, terwijl er in Europa ook sterke verbindingen zijn die gepaard gaan met nationale co-financiering, via Horizon 2020 en Horizon Europe, Eurostars, Internationaal innoveren, EFRO en Interreg. RVO.nl geeft een duidelijk overzicht van deze regelingen, inclusief hun onderlinge samenhang, en kan ondernemers en kennisinstellingen hierover adviseren.

Ten slotte heeft EZK verschillende instrumenten om ondernemerschap te bevorderen en te helpen met financiering. Daar kunnen uiteraard ook innovatieve ondernemers gebruik van maken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Seed Capital regeling of de Vroegefinanciering. Ook hierover is de relevante informatie beschikbaar op www.rvo.nl en kan RVO.nl ondernemers adviseren afhankelijk van hun specifieke behoefte.

107

Wat is de reactie op de aanbevelingen van de Europese Commissie? Hoe wordt gereageerd op de terechtwijzing van de Commissie dat Nederland zijn doelen niet meer kan halen?

Antwoord

Het kabinet staat voor een ambitieus klimaat- en energiebeleid. Het kabinet blijft inzetten op het realiseren van het hernieuwbare energie doel voor 2020, zoals ook is toegelicht in de kabinetsappreciatie van de KEV 2019 (Kamerstuknummer 32813-400). Daarnaast worden maatregelen genomen om in 2030 49% broeikasgasreductie te realiseren ten opzichte van 1990. Hiervoor heeft het kabinet in het regeerakkoord aanvullende middelen beschikbaar gesteld onder andere via de SDE+ en de Klimaatenvelop. Daarnaast heeft het kabinet bij Voorjaarsnota 2019 (Kamerstuk 35 210, nr. 1) nog aanvullende middelen beschikbaar gesteld om de klimaatdoelen voor 2030 te halen. Het kabinet blijft ook in de komende periode actief zoeken naar aanvullende maatregelen en blijft open staan voor suggesties om hier een bijdrage aan te leveren.

108

Welke regeldruk moet er verminderd worden? Kunt u daar voorbeelden van geven?

Antwoord

Het betere regelgevingsbeleid gaat om het tot stand brengen van wet- en regelgeving die publieke belangen borgen, zonder dat dit tot onnodige kosten en belemmeringen leidt voor ondernemerschap en innovatie. Hoe beter we in staat zijn deze balans te vinden, des te gunstiger het ondernemersklimaat. Uitgangspunt in deze aanpak, is dat ondernemers zoveel mogelijk centraal worden gesteld en dat zij zelf aan het woord komen. Het kabinet wil van hen horen wat knelt, wat goed loopt en met welke oplossingen zij geholpen zijn. Voor knelpunten in bestaande wetgeving doen we dat onder andere aan de hand van generieke instrumenten als de maatwerkaanpak, de Life-events aanpak en de Strategische Commissie betere regelgeving bedrijven. Voor een inschatting van de regeldruk bij nieuwe wet- en regelgeving is er de MKB-toets en adviseert het Adviescollege Toetsing Regeldruk. Middels departementale actieprogramma’s worden uiteenlopende maatregelen genomen om regeldruk voor ondernemers merkbaar aan te pakken. Enkele voorbeelden hiervan zijn de ophoging van de vrije ruimte voor de loonsom tot 400.000 euro in het kader van de vereenvoudiging van de werkkostenregeling en de reductie van circa 35 miljoen euro aan regeldrukkosten voor circa 399.000 ondernemers die vrijgesteld zullen zijn van btw-verplichtingen onder toepassing van de nieuwe Kleineondernemersregeling (KOR). Voor meer voorbeelden van regeldrukvermindering door betere regelgeving en dienstverlening verwijs ik u naar de voortgangsrapportage die in juni aan de Kamer is gestuurd (Kamerstuk 29 515, nr. 441).

109

Welke andere financieringsmogelijkheden bestaan er voor groene waterstof, indien dit niet mogelijk is middels de SDE++?

Antwoord

Conform de motie van lid Agnes Mulder c.s. (24-09-2019) over het instrumenteren van de waterstofambities in het Klimaatakkoord, zal er in afstemming met de industrie- en energiesector nog nader worden gekeken naar welke instrumenten passen bij deze beginfase van de ontwikkeling van de waterstofmarkt. Het zal daarbij moeten gaan om een mix van maatregelen, gericht op randvoorwaarden, subsidies en marktprikkels. De belangrijkste financieringsmogelijkheid op dit moment is de DEI+ regeling, met name bedoeld voor pilots en demonstratieprojecten. Verder zijn er mogelijkheden voor financiering via de EU. Een goed voorbeeld is de toezegging van 20 miljoen euro subsidie die de drie noordelijke provincies recentelijk hebben ontvangen voor het Hydrogen Valley project via de Fuel Cell Hydrogen Joint Undertaking van de Europese Commissie.

110

Welke soort vergunningen worden er nog afgegeven voor de mijnbouw?

111

Hoeveel lopende vergunningen zijn er op dit moment afgegeven voor mijnbouw op land?

112

Hoeveel lopende vergunningen zijn er op dit moment afgegeven voor mijnbouw op zee?

Antwoord op vragen 110, 111 en 112

Voor de winning van gas zijn verschillende vergunningen nodig. Er is sprake van ruim 30 verschillende soorten vergunningen. Deze zijn in verschillende typen onder te brengen.

In onderstaande tabel staan de vergunningen die in 2019 tot 17 oktober voor de winning van koolwaterstoffen zijn afgegeven. De marktordeningsvergunningen betreffen opsporingsvergunningen en winningsvergunningen. Het betreft wijzigingen van bestaande vergunningen en nieuwe vergunningen. Op land worden geen nieuwe opsporingsvergunningen af gegeven.

Instemmingsbesluiten op Winningsplannen op land

30

Instemmingsbesluiten op Winningsplannen op zee

18

Marktordeningsvergunningen op land

0

Marktordeningsvergunningen op zee

27

Meldingen activiteitenbesluit/sloopmelding op land

13

Omgevingsvergunningen

51

Mijnbouw milieuvergunningen op land

0

Mijnbouw milieuvergunningen op zee

19

MER procedures op land

0

MER procedures op zee

4

MER-beoordelingsbesluiten op land

20

MER-beoordelingsbesluiten op zee

7

Meldingen Barmm op land

47

Instemmingsbesluiten Barmm op zee

10

113

Kunt u toelichten hoeveel aansluitingen netbeheerders hebben in Nederland, uitgezet per netbeheerder en per regio?

Antwoord

Verzorgingsregio regionale netbeheerders

Aantal aansluitingen Elektriciteit 20181

Aantal aansluitingen Gas

20182

Verzorgingsgebied Liander

3.153.635

2.526.969

Verzorgingsgebied Enexis

2.752.096

2.286.820

Verzorgingsgebied Stedin

2.064.716

1.920.305

Verzorgingsgebied Coteq

53.733

141.945

Verzorgingsgebied Rendo

32.796

104.718

Verzorgingsgebied Enduris

214.161

191.880

Verzorgingsgebied Westland

60.069

54.955

Bron ACM: Reguleringsdata E en G 2018, versie 29-05-2019; tabel 5A volumes PAV GV+KV, excl. 1x6A geschakeld.

X Noot
1

Alle aansluitingen op LS, MS en HS/TS, uitgezonderd 1*6A geschakeld

X Noot
2

Lage druk en hoge druk excl. EHD

114

Kunt u inzicht geven in hoeveel biomassacentrales in Nederland in werking zijn?

Antwoord

Dit is afhankelijk van de gehanteerde definitie van een «biomassacentrale». Op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek waren er eind 2018 4238 houtgestookte ketels bij bedrijven voor de productie van warmte, waarvan 66 houtgestookte ketels met een vermogen groter dan 1MW. Dit betreffen vooral ketels die bedoeld zijn voor de eigen warmtevraag. Ketels die ingezet kunnen worden voor bijvoorbeeld stadswarmte zijn aanzienlijk groter dan 1 MW. Eind 2018 stonden er 11 ketels op andere vaste of vloeibare biomassa bij bedrijven voor de productie van warmte. Daarnaast stonden er 21 ketels op vaste of vloeibare biomassa bij bedrijven voor de productie van elektriciteit of de gecombineerde opwek van elektriciteit en warmte. Deze getallen zijn exclusief de bij- en meestook van biomassa in kolencentrales: de vier kolencentrales die Nederland vanaf 2020 nog telt stoken al biomassa bij of zijn van plan dit in de nabije toekomst te gaan doen.

115

Hoeveel CO2-uitstoot veroorzaakt de kap van bomen die worden gebruikt als biomassa? Hoeveel CO2-uitstoot veroorzaakt het transport van bomen die worden gebruikt als biomassa? Hoeveel CO2-uitstoot veroorzaakt de verbranding van bomen die worden gebruikt als biomassa?

Antwoord

De omvang van de CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt door de kap van bomen is afhankelijk van het bosbeheer, het type bomen en het type bodem. Ik beschik niet over cijfers over de concrete hoeveelheid CO2-uitstoot die wordt veroorzaakt door het transport van biomassa. In de duurzaamheidcriteria voor biomassa voor energietoepassingen worden eisen gesteld ten aanzien van de maximale CO2-uitstoot die vrij mag komen bij het transport (maximaal 30% van de verwachte reductie die ontstaat door de inzet van duurzame biomassa). De CO2-uitstoot die plaatsvindt bij de verbranding van hout telt op basis van internationale afspraken niet mee voor de berekening van nationale emissies.

116

Hoeveel subsidie gaat er in 2020 naar biomassacentrales? Hoe groot moet het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie hiermee worden?

Antwoord

Op basis van de reeds afgegeven beschikkingen is de verwachting dat in 2020 ongeveer 723 miljoen euro aan SDE+-subsidie zal worden betaald voor biomassa-projecten, op een totaal van ruim 1,6 miljard euro aan SDE+-subsidie. Dit betreft alle vormen van biomassa: zowel stook van houtige biomassa in centrales en ketels, verbranding en vergisting van biomassa, bijstook in kolencentrales, afvalverbranding en andere vormen van biomassa-gebruik. Het verwachte percentage biomassa in aandeel hernieuwbare energie in 2020 (met uitzondering van biobrandstoffen) is op basis van de KEV 2019 naar verwachting ca. 40%.

117

Hoeveel CO2-uitstoot wordt bespaard door het inzetten van een biomassacentrale? Kan dit tegenover de uitstoot van fossiel gestookte centrales worden gezet?

Antwoord

De emissies die ontstaat bij de verbranding van duurzame biomassa, tellen op basis van internationale afspraken niet mee voor de berekening van de nationale emissies. Zodoende wordt er door biomassacentrales evenveel CO2-uitstoot bespaard als de fossiele centrales die zij vervangen. Uit de jaarrapportage 2018 van het Platform bioenergie blijkt dat door bioenergie 6 Mton CO2-uitstoot is vermeden.

118

Welke argumentatie ligt ten grondslag aan de opvatting dat biomassa duurzaam kan zijn? Kan dit worden toegelicht?

Antwoord

De inzet van duurzame biomassa voor energietoepassingen geldt op basis van internationale afspraken in Europees en VN-verband als klimaatneutraal. Bij de verbranding van biomassa komt weliswaar CO2 vrij, maar die CO2 wordt vervolgens bij de productie van nieuwe biomassa weer opgenomen uit de lucht. Het kabinet steunt die internationale afspraken rondom de klimaatneutraliteit van biomassa voor energie, maar daarbij is het wel van belang dat de biomassa die hiervoor wordt ingezet ook daadwerkelijk duurzaam is. Om die reden hanteert het kabinet in de SDE+ strenge duurzaamheidscriteria voor houtige biomassa (houtpellets) en wordt daarnaast gewerkt aan een uniform duurzaamheidskader voor biomassa.

119

Hoeveel Twh hernieuwbare elektriciteit op zee verwacht de Minister op te wekken indien alle op dit moment aanbestede windparken op zee energie leveren?

Antwoord

Op dit moment zijn de windparken Egmond aan Zee, prinses Amalia windpark, Luchterduinen en Gemini in productie. De vergunningverlening van deze windparken is tot stand gekomen voordat in 2014 het huidige tendersysteem werd geïntroduceerd met de Wet windenergie op zee. Nadien zijn op basis van dit tendersysteem tot op dit moment in vier tenders kavels vergund in de windenergiegebieden Borssele en Hollandse Kust (zuid). Deze windparken zullen vanaf 2020 (Borssele) en 2022/23 (Hollandse Kust zuid) energie gaan leveren. De totale productie van de bestaande en reeds getenderde windparken zal jaarlijks ca. 17 TWh bedragen.

120

Hoeveel procent elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zal Nederland produceren indien alle Nederlandse kolencentrales zijn overgeschakeld op biomassa?

Antwoord

Zoals bekend geldt er een beperking op de stimulering van biomassa bijstook in kolencentrales van 25 PJ. Een volledige overschakeling op korte termijn betreft zodoende een hypothetische situatie. Uitgaande van het jaar 2020, zou volledige omschakeling van alle kolengestookte productie naar biomassa leiden tot ca. 25 TWh extra hernieuwbare elektriciteitsproductie, met als gevolg dat het aandeel hernieuwbare elektriciteit in 2020 ongeveer 60% zou zijn.

121

Hoeveel procent elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zal Nederland produceren indien alle kavels voor windmolenprojecten op zee in gebruik zijn genomen?

Antwoord

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 windparken op zee 49 TWh leveren en hernieuwbare energie op land (wind op land en zon-pv) 35 TWh. Samen dus 84 TWh elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dit is 70% van ons huidige elektriciteitsverbruik, dat ca. 120 TWh per jaar bedraagt.

122

Heeft u inzicht in de hoeveelheid beschikbare duurzame biomassa voor de Nederlandse energiemarkt?

131

Heeft u inzicht in de hoeveelheid beschikbare duurzame biomassa in Nederland? Wat verstaat u in dit verband onder duurzame biomassa?

Antwoord 122 en 131

Op dit moment wordt in het kader van het duurzaamheidskader voor biomassa dat wordt uitgewerkt ook een beschouwing gemaakt door het PBL over de beschikbare hoeveelheid biomassa per biomassastroom, rekening houdend met verschillende invullingen van het fair share-principe en duurzaamheidsniveaus. Het kabinet streeft ernaar om alle stappen om tot een duurzaamheidskader in het voorjaar 2020 afgerond zijn, waarna het kabinet over de implementatie kan besluiten.

123

Kan er een lijst en een kaart geven worden van alle biomassacentrales in Nederland?

Antwoord

Ik beschik niet over deze gedetailleerde informatie. Voor het algemene beeld over de hoeveelheid biomassacentrales in Nederland verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 114.

124

Hoeveel biomassacentrales zijn er gepland? Kan er een lijst en kaart gegeven worden van alle geplande biomassacentrales?

Antwoord

Voor het algemene beeld over de hoeveelheid biomassacentrales in Nederland verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 114. Ik beschik niet over informatie over het aantal geplande biomassacentrales in Nederland.

125

Hoeveel biomassacentrales zijn er naar verwachting in 2030 en in 2050 en hoeveel energie produceren die naar verwachting?

Antwoord

Voor het algemene beeld over de hoeveelheid biomassacentrales in Nederland verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 114. Ik beschik niet over informatie over het aantal voorziene biomassacentrales in 2030 en 2050.

126

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal varkens in Nederland met 10%?

196

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een halvering van het aantal koeien in Nederland?

197

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een halvering van het aantal varkens in Nederland?

198

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een halvering van het aantal kippen in Nederland?

199

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal koeien in Nederland met 70%?

200

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal kippen in Nederland met 70%?

201

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal varkens in Nederland met 70%?

202

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal koeien in Nederland met 10%?

203

Wat is het in CO2-equivalenten uitgedrukte effect van een vermindering van het aantal kippen in Nederland met 10%?

Antwoord op vragen 126, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202 en 203

Het Nederlandse Common Reporting Format, de cijferbijlage bij de jaarlijkse rapportage National Inventory Report aan de Verenigde Naties, bevat informatie over de emissies van de veestapel. Dit rapport is te vinden op de site van de Emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl).

De meest recente cijfers betreffen het jaar 2017. Deze cijfers betreffen uitsluitend de emissies van methaan en lachgas in de landbouw, dus exclusief emissies als gevolg van het gebruik van energie op de betreffende landbouwbedrijven en exclusief emissies op andere plekken in de keten, zoals bij de productie van veevoer, bij de verwerking en bij de consument.

In 2017 bedroeg de directe uitstoot van broeikasgassen voor de ruim vier miljoen stuks rundvee als gevolg van pensfermentatie en mestmanagement 10,2 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 10% heeft een effect van 1,0 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 50% heeft een effect van 5,1 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 70% heeft een effect van 7,1 Mton CO2eq.

In 2017 bedroeg de directe uitstoot van broeikasgassen voor de 12,4 mln. varkens 2,3 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 10% heeft een effect van 0,23 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 50% heeft een effect van 1,15 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 70% heeft een effect van 1,61 Mton CO2eq.

In 2017 bedroeg de directe uitstoot voor de 104 mln. stuks gevogelte (kippen worden niet apart vermeld) 0,076 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 10% heeft een effect van 0,008 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 50% heeft een effect van 0,038 Mton CO2eq.

Een vermindering hiervan van 70% heeft een effect van 0,05 Mton CO2eq.

127

Welk percentage van de duurzame energiedoelen voor 2030 wordt naar verwachting ingevuld door biomassa?

Antwoord

Ik beschik niet over een gedetailleerd beeld van het percentage van het duurzame energiedoel voor 2030 dat door biomassa zal worden ingevuld.

128

In het Convenant Duurzaamheid Biomassa is afgesproken dat er maximaal 25 PJ opgewekt wordt met biomassa, maar kan aangeven worden hoeveel dit naar verwachting is in 2023?

Directie: Klimaat/elektriciteit

Antwoord

Naar verwachting zal ook in 2023 door middel van bijstook in kolencentrales 25 PJ hernieuwbare energie worden gestimuleerd.

129

Wat is de herkomst van de afgelopen jaren verstookte biomassa? Graag per jaar zo ver mogelijke uitgesplitst naar type en herkomst.

Antwoord

Op basis van de meest recente jaarrapportage over het jaar 2018 over de herkomst van houtige biomassa van het Platform bioenergie blijkt dat de meeste houtige biomassa (77%) uit Nederland komt, en daarnaast een kleinere hoeveelheid uit onze buurlanden en de Baltische Staten kwam. Het percentage biomassa uit Nederland was in 2017 82%.

130

Wat gebeurt er met de stikstofuitstoot van een kolencentrale naarmate er meer biomassa bijgevoegd wordt?

Antwoord

Vanwege de afgasreinigingsinstallaties van kolencentrales, heeft de brandstof die wordt gebruikt nagenoeg geen invloed op de stikstofuitstoot van deze centrales.

132

Hoeveel subsidie gaat er in 2021 naar biomassacentrales? Hoe groot moet het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie hiermee worden?

Antwoord

Op basis van de reeds afgegeven beschikkingen is de verwachting dat in 2021 ongeveer 809 miljoen euro aan SDE+-subsidie zal worden betaald voor biomassa-projecten. Omdat onbekend is hoeveel nieuwe biomassa-projecten er aanvullend zullen zijn gerealiseerd in 2021, is het niet mogelijk uitspraken te doen over de verwachte totale uitgaven of het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie.

133

Hoeveel subsidie gaat er in 2025 naar biomassacentrales? Hoe groot moet het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie hiermee worden?

Antwoord

Op basis van de reeds afgegeven beschikkingen is de verwachting dat in 2025 ongeveer 650 miljoen euro aan SDE+-subsidie zal worden betaald voor biomassa-projecten. Omdat onbekend is hoeveel nieuwe biomassa-projecten er aanvullend zullen zijn gerealiseerd in 2025, is het niet mogelijk uitspraken te doen over de verwachte totale uitgaven of het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie.

134

Hoeveel subsidie gaat er in 2030 naar biomassacentrales? Hoe groot moet het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie hiermee worden?

Antwoord

Op basis van de reeds afgegeven beschikkingen is de verwachting dat in 2030 ongeveer 157 miljoen euro aan SDE+-subsidie zal worden betaald voor biomassa-projecten. Omdat onbekend is hoeveel nieuwe biomassa-projecten er aanvullend zullen zijn gerealiseerd in 2030, is het niet mogelijk uitspraken te doen over de verwachte totale uitgaven of het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie.

135

Hoeveel subsidie gaat er in 2050 naar biomassacentrales? Hoe groot moet het percentage biomassa van het aandeel hernieuwbare energie hiermee worden?

Antwoord

Ik heb hier geen prognoses over. Het kabinet streeft op termijn naar een zo hoogwaardig mogelijk gebruik van duurzame biomassa. In dat kader ligt voor de hand dat duurzame biomassa in 2050 vooral wordt ingezet voor de circulaire economie en activiteiten waar nagenoeg geen kostenefficiënte alternatieven zijn.

136

Hoeveel ton CO2-emissie denkt u te besparen door het gebruik van biomassa in vergelijking met het gebruik van kolen en in vergelijking met het gebruik van gas?

Antwoord

Uit de jaarrapportage 2018 van het Platform bioenergie blijkt dat door bioenergie 6 Mton CO2-uitstoot is vermeden. Ik heb geen prognoses over de verwachte vermeden emissies in de toekomst.

138

Welke redenen liggen eraan ten grondslag dat het kabinet nog steeds het Urgenda-vonnis aanvecht?

Antwoord

Het gerechtshof Den Haag heeft in het Urgenda-arrest voor de eerste keer het EVRM rechtstreeks toegepast bij de beantwoording van de vraag of op de Staat een zorgplicht rust om meer CO2-reductie te bewerkstelligen om het gevaar van klimaatverandering af te wenden. Het oordeel van het gerechtshof dat op grond van het EVRM de Staat verplicht is tot broeikasgasreductie, en de beperkte beleidsvrijheid die de Staat heeft bij het bepalen van het tijdspad voor reductie, is naar de mening van het kabinet verstrekkend. Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor de vrijheid van (toekomstige) kabinetten om klimaatbeleid te voeren. Ook kan de uitspraak van het hof gevolgen hebben in vergelijkbare zaken waar de Staat beleidskeuzes moet maken op basis van internationale afspraken en wetenschappelijk onderzoek.

De cassatieprocedure draait voor het kabinet dan ook niet om het huidige klimaatbeleid of de uitvoering van het vonnis, maar om de vraag of beleidskeuzes van de regering op deze wijze in rechte kunnen worden getoetst en gewijzigd.

139

Kan worden toegelicht waarom de voorstellen van Urgenda niet zijn opgevolgd?

Antwoord

In de Kamerbrief die op 1 november jl. (Kamerstuknummer 32813-400)naar uw Kamer is gestuurd, heeft het kabinet gereageerd op de 40 maatregelen die Stichting Urgenda heeft aangedragen.

140

Kunt u een stand van zaken geven van de maatregelen die genomen zijn en worden in het kader van het energieakkoord, en in hoeverre de doelen van het energieakkoord wordt bereikt?

Antwoord

Op 30 januari 2019 is de jaarlijkse voortgangsrapportage van het Energieakkoord aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk 30 196 nr. 615). De Voortgangsrapportage beschrijft de acties die zijn ingezet en de resultaten die zijn geboekt in het kader van het Energieakkoord. De Voortgangsrapportage bevat daarnaast ook een terugblik op de ontwikkelingen van de afgelopen vijf jaar met de uitvoering van het Energieakkoord. In de kabinetsappreciatie op de KEV 2019 wordt ook ingegaan op het doelbereik van het Energieakkoord. Het kabinet blijft zich inzetten voor het realiseren van de doelen uit het Energieakkoord. De monitoring en borging van de lopende Energieakkoord-maatregelen zal worden geïntegreerd in de uitvoerings- en borgingsstructuur van het Klimaatakkoord.

141

Welke kosten zijn gemoeid met een eventuele boete voor het Urgenda-vonnis? Is hiervoor een reservering gemaakt?

Antwoord

De inzet van het kabinet is om de opgave uit het Urgenda-vonnis te realiseren. Het kabinet heeft ervoor gekozen om in het kader van de uitvoering van het Urgenda-vonnis aanvullende maatregelen te treffen (Kamerstuk 32 813, nr. 341). De kosten voor de maatregelen worden gedekt uit de hiervoor gereserveerde 500 miljoen euro (Kamerstuk 32 813 nr. 340). Het streven is en blijft om de opgave te realiseren, dus van dwangsommen op naleving van het vonnis is op dit moment geen sprake.

142

Welke kosten zijn gemoeid met een eventuele boete voor het niet halen van de doelen voor hernieuwbare energie? Is hiervoor een reservering gemaakt?

Antwoord

Het kabinet heeft op 1 november extra maatregelen aangekondigd die een bijdrage leveren aan het doel voor hernieuwbare energie in 2020 en daarna (Kamerstuknummer 32813-400). Het kabinet is erop gericht om de doelen te halen en blijft dan ook actief zoeken naar aanvullende maatregelen. Een boete is momenteel niet aan de orde. Indien Nederland het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 ondanks alle aangekondigde extra maatregelen onverhoopt niet haalt, kan de Commissie Nederland in gebreke stellen en de zaak voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Indien het Hof vervolgens vaststelt dat Nederland het doel niet heeft gehaald, kan de Commissie het Hof verzoeken om Nederland een boete en/of dwangsom op te leggen. Een dergelijke procedure speelt pas op het moment dat de definitieve cijfers over het aandeel hernieuwbare energie in 2020 bekend zijn begin 2022, en alleen indien deze ontoereikend zijn om het doel te realiseren. Een eventuele boete is onder andere afhankelijk van de mate van afwijking ten opzichte van het doel. Het is derhalve nog niet mogelijk om de hoogte hiervan in te schatten en hiervoor een reservering te maken. De kosten van een eventuele boete hoeven in geen geval te worden gedekt in de begroting van 2020.

143

Op welke gronden is de afweging gemaakt dat bij het boren naar aardwarmte er fossiele brandstoffen gewonnen mogen worden? Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van aardwarmte, namelijk overgaan op duurzame energie en de noodzaak om af te stappen van fossiele brandstoffen?

Antwoord

Bij elke aardwarmtewinning komen per definitie (in kleine hoeveelheden) fossiele brandstoffen als bijproducten mee naar boven. Binnen een beperkte bandbreedte is dit toegestaan mits duidelijk een bijproduct van de aardwarmtewinning. Zodra de omvang van fossiele bijproducten een te grote omvang krijgt, dient hier een aparte vergunning voor worden aangevraagd.

144

Hoeveel SDE-subsidie voor biomassa is er aan de kolencentrales toegekend?

267

Wat is momenteel de stand van zaken van bijstook over de periode maart 2018-maart 2019 (in PJ en tonnen droge stof aan houtige biomassa)?

Antwoord op vraag 144 en 267

In het Energieakkoord is afgesproken dat maximaal voor 25 PJ/jaar aan duurzame energieproductie door bijstook van biomassa wordt gesubsidieerd. RVO heeft cumulatief voor 200 PJ over 8 jaar aan subsidie beschikt. In totaal gaat dit dus maximaal om 25 PJ per jaar, waar per jaar circa 3,5 miljoen ton aan biomassa voor nodig is. Deze 3,5 miljoen ton moet voor ten minste 85% uit houtpellets bestaan, dus is de gesubsidieerde bijstook van houterige biomassa maximaal tussen de 2,98 en 3,5 miljoen ton per jaar.20

145

Waarop is de aanname gebaseerd dat er voor 7.2 Mton aan reductieopgave gehaald kan worden door middel van CCS? Kan dit worden toegelicht?

Antwoord

Naar verwachting zal circa 7,2 Mton aan CCS op een kosteneffectieve wijze binnen de industrie kunnen worden gerealiseerd. Deze aanname is gebaseerd op het industrieel CO2-reductiepotentieel van CCS, zoals vermeld op pagina 60 van het rapport «Kosten Energie- en Klimaattransitie in 2030 – Update 2018» van het PBL.

146

Wanneer zullen de eerste CCS projecten daadwerkelijk CO2 gaan afvangen? Is dit al vanaf 2020? Zo niet, hoe wordt hier rekening mee gehouden voor de SDE++ aanvragen?

Antwoord

Mogelijk worden er in 2020 aanvragen voor CCS-projecten ingediend in de SDE++. Een project heeft dan een aantal jaar de tijd om de bouw van het project te realiseren. In 2020 zullen de projecten nog geen CO2 afvangen: dat zal in de jaren daarna gebeuren wanneer alle infrastructuur is aangelegd en de afvanginstallaties zijn gebouwd. RVO maakt elk jaar een inschatting van alle potentiele projecten die aanspraak zullen maken op de SDE++. Op basis hiervan wordt het openstellingsbudget bepaald.

147

Wanneer is grootschalige uitrol van CCS mogelijk?

Antwoord

CCS als techniek is op dit moment al technisch volwassen en op grote schaal toe te passen. Zodra de SDE++ wordt opengesteld voor CCS, is het voor industriële partijen ook economisch aantrekkelijk om CCS toe te passen. De realisatie van projecten is naast de bouw van een afvanginstallatie ook afhankelijk van aanwezige of nog te bouwen infrastructuur en de benodigde vergunningverlening. Naar verwachting zal de komende jaren het aantal CCS projecten geleidelijk groeien.

148

Hoeveel geld wordt er via de SDE++ beschikbaar gesteld voor CCS?

Antwoord

Binnen de SDE++ zal er maximaal 7,2 Mton aan CO2-reductie middels CCS worden gesubsidieerd binnen de industrie. De hoogte van de basisbedragen voor de CCS-categorieën is nog niet bekend, deze zullen later dit jaar vastgesteld worden. Hoeveel subsidie een CCS project ontvangt hangt af van het basisbedrag, maar ook van de dan geldende ETS prijs. Hoe hoger de CO2-prijs onder het ETS, hoe lager de subsidie zal zijn. Het uiteindelijke bedrag kan dus niet met zekerheid worden genoemd. Wel is in het Klimaatakkoord afgesproken dat er in de jaarlijkse monitoring van het doelbereik van de verbrede SDE+ ook zal worden gekeken naar het mogelijke beslag van CCS op het beschikbare budget. Wanneer onverhoopt toch meer dan de helft van de kasuitgaven voor de nieuwe CO2-reducerende opties in de industrie naar CCS dreigt te gaan, dan zal op dat moment worden geëvalueerd of er maatregelen nodig en wenselijk zijn. Op deze manier zal er voldoende budget beschikbaar blijven voor andere duurzame technieken terwijl er ook voldoende perspectief wordt geboden aan de industrie om de benodigde voorbereidingen te treffen en hun reductieopgave op een kosteneffectieve wijze te realiseren.

149

In het klimaatakkoord staat dat er na 2035 geen SDE++ beschikkingen meer afgegeven worden voor CCS-aanvragen, hoeveel CO2 zal er tegen deze tijd afgevangen zijn door middel van CCS? Waarom is voor deze termijn gekozen?

Antwoord

De begrenzing in de tijd (een tijdshorizon) is nodig om een prikkel te geven om, op plekken waar dat nu nog niet kosteneffectief is, alternatieven voor CCS te ontwikkelen. Na 2035 kan geen SDE+ meer worden aangevraagd voor CCS (uitgezonderd negatieve emissies) en worden geen nieuwe beschikkingen afgegeven. De reeds afgegeven beschikkingen kunnen op dat moment nog wel leiden tot kasuitgaven. Hiermee wordt de tijdelijkheid van subsidiëring van CCS als techniek onderstreept. Het geeft een prikkel tot kostendaling én tot het ontwikkelen van alternatieven. Het biedt tegelijkertijd tot en met 2035 investeringszekerheid voor CCS-projecten die op korte termijn nodig zijn om de kosten van de transitie zo laag mogelijk te houden. Hoeveel CO2 er in 2035 ondergronds is opgeslagen, kan op voorhand niet worden voorspeld.

150

Hoe kunnen mkb’ers worden geholpen om te voldoen aan de plicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich binnen 5 jaar terugverdienen?

151

Welke stimuleringsmaatregelen worden genomen om mkb’ers te helpen bij hun verplichting op grond van de Wet Milieubeheer tot het nemen van energiebesparingsmaatregelen die zich binnen 5 jaar terugverdienen?

Antwoord vragen 150 en 151:

De Erkende Maatregelenlijsten (EML) die begin dit jaar geactualiseerd zijn hebben tot doel om de energiebesparingsplicht te verduidelijken. Door het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen op deze sectorspecifieke lijst geeft een bedrijf invulling aan de verplichting om alle energiebesparende maatregelen met een vijfjaar terugverdientijd te treffen. Door het invullen van het format behorend bij de informatieplicht ziet een ondernemer welke maatregelen nog uitgevoerd moeten worden om te voldoen aan deze energiebesparingsplicht. Zoals uiteengezet in de Kamerbrief over de eerste resultaten van de informatieplicht energiebesparing (kenmerk 2019Z17296) voeren de rijksoverheid, MKB-Nederland en veel brancheverenigingen een actieve communicatiecampagne om bedrijven en instellingen te informeren over en te ondersteunen bij de informatieplicht en de energiebesparingsplicht. Deze communicatiecampagne is na de zomer voortgezet. Verder heb ik 5 miljoen euro uitgetrokken in het kader van de uitvoering van het Urgenda-vonnis («maatregel Versterking en ondersteuning van de uitvoering energiebesparingsverplichting»). Met deze middelen huur ik externe capaciteit in voor het bevoegd gezag. Energiespecialisten kunnen zich via een tender inschrijven om deze capaciteit te leveren. Hiermee kunnen bevoegde instanties de ontbrekende bedrijven en instellingen in hun gebied beter in kaart brengen en hen ondersteunen bij het voldoen aan de informatie- en energiebesparingsplicht.

152

Kunt u een uitsplitsing geven in de grootte van de bedrijven die onder de informatieplicht vallen (tussen de 50.000 en 60.000)?

Antwoord

De energiebesparingsplicht richt zich op bedrijven en instellingen die meer dan 50.000 kWh of 25.000 m³ aardgas(equivalent) verbruiken. Het bevoegd gezag heeft geen volledig inzicht in de doelgroep. Een klein bedrijf kan een energie-intensief proces uitvoeren en een groot bedrijf kan juist relatief weinig energie gebruiken. Ondernemingen met meer dan 250 werknemers vallen vaak onder de auditplicht op grond van de Europese Energiebesparingsrichtlijn (EED). Deze groep heeft tot 5 december 2019 om aan de informatieplicht te voldoen en valt daarmee niet in deze groep van 50.000 tot 60.000.

153

Kunt u aangeven hoe de groep van 27.426 bedrijven die hebben voldaan aan de informatieplicht is opgebouwd? Zijn dit voornamelijk grote bedrijven of juist mkb’ers?

Antwoord

De energiebesparingsplicht en de informatieplicht zijn gekoppeld aan het energiegebruik en niet aan het aantal werknemers. Medio oktober zijn er 29.875 rapportages ingediend. 10.469 (35%) daarvan zijn grootverbruikers (200.000 kWh en/of 75.000 m3 aardgas(equivalent) of meer). 19.406 (65%) zijn middelgroot verbruikers (50.000 – 200.000 kWh en/of 25.000 m3 – 75.000 m3 aardgas(equivalent)). Er zijn reeds 1.875 rapportages van bedrijfsvestigingen die onder een EED auditplicht-onderneming vallen ingediend. Deze groep heeft tot 5 december 2019 om aan de informatieplicht te voldoen. De grote meerderheid van de tot nu toe ingediende rapportages zijn dus van bedrijven met minder dan 250 werknemers.

154

Wat is in deze casus het bevoegd gezag? In hoeverre zijn eventuele accountmanagers of afdelingen Economie van gemeentes betrokken bij het benaderen en informeren van ondernemers over de informatieplicht en energiebesparende maatregelen?

Antwoord

Het bevoegd gezag voor deze bedrijven is vaak de gemeente. Gemeenten kunnen hun omgevingsdienst mandateren voor het uitoefenen van toezicht op de energiebesparings- en informatieplicht. Alle colleges van burgemeester en Wethouders hebben het afgelopen jaar drie brieven gehad over de informatie- en energiebesparingsplicht. Hierin is ook verwezen naar informatie op de RVO-site die gebruikt kan worden bij het informeren van ondernemers. Op deze site zijn voorbeeldbrieven en een flyer te vinden.21 Aan de informatiebijeenkomsten op bedrijventerreinen en in gemeentehuizen namen ook medewerkers van gemeenten deel. Rijkswaterstaat/Kenniscentrum Infomil organiseert bovendien vier keer per jaar bijeenkomsten voor gemeenten en omgevingsdiensten over dit onderwerp. Hier worden ervaringen uitgewisseld.

155

Wat is de reden dat een groep gemeenten zich nog niet hebben gemeld via RVO.nl? Is er een verband tussen de groep bedrijven die nog niet hebben voldaan aan de informatieplicht en of de gemeente zich gemeld heeft via RVO.nl?

Antwoord

Het is onduidelijk waarom een groep gemeenten zich nog niet gemeld heeft. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is bezig aan een reeks bezoeken aan gemeentelijke en andere bestuurlijke overleggen om de resterende gemeenten te bewegen toegang tot het digitale systeem te regelen. Er lijkt geen duidelijk verband te zijn tussen het aantal rapportages en of een gemeente wel of geen toegang tot het digitale systeem heeft geregeld.

156

Aan welke hoogte van de dwangsom zit u te denken wanneer bedrijven niet voldoen aan de besparingsplicht? Welke stappen worden vooraf gezet bij een dwangsom om een ondernemer te stimuleren of te helpen om energiebesparende maatregelen te nemen?

Antwoord

Het bevoegd gezag (de gemeente) bepaalt de hoogte van de dwangsom. De hoogte is afhankelijk van de aard en omvang van de overtreding. Het Rijk heeft wel richtlijnen gepubliceerd om het bevoegd gezag een kader te geven. Het gaat hierbij om een dwangsom tussen de 500 euro en 1.000 euro per week per maatregel. Een dwangsom is een uiterst middel om een ondernemer te bewegen energiebesparende maatregelen uit te voeren of de informatieplichtrapportage in te dienen. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot een dwangsombeschikking om het nemen van energiebesparende maatregelen af te dwingen, zal het bevoegd gezag eerst langsgaan bij de onderneming. Tijdens dit controlebezoek wordt een gebrek geconstateerd, besproken hoe dit verholpen kan worden en wordt een termijn gegeven om de maatregel uit te voeren. Na deze termijn kan geconstateerd worden dat de maatregel niet is uitgevoerd en kan een dwangsom worden opgelegd. De dwangsom wordt pas geïnd na een begunstigingstermijn. In deze termijn kan de ondernemer alsnog de maatregel uitvoeren en hoeft de dwangsom niet te worden geëffectueerd.

157

Zijn er onderzoeken bekend over het potentieel van zonnepanelen op daken op Rijksgebouwen in Nederland?

Antwoord

Op dit moment wordt er een dergelijk onderzoek uitgevoerd. Het streven is om uw Kamer voor het einde van het jaar te informeren over dit onderzoek, samen met de kabinetsreactie op het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Grondvergoeding energievoorzieningen.

158

Hoe staat het met de verkenning van de kansen van zonnepanelen op water? Op welke manieren worden inwoners en natuurorganisaties betrokken bij de totstandkoming hiervan?

Antwoord

Deze verkenning wordt op dit moment uitgewerkt in het kader van het meerjarig missiegedreven innovatieprogramma «Hernieuwbare elektriciteitsopwekking op land en in de gebouwde omgeving» (MMIP 2) uit de integrale kennis & innovatieagenda (IKIA), doormiddel van de totstandkoming van een Routekaart «Zon op water». Deze routekaart gaat ook dieper in op de manier waarop inwoners en natuurorganisaties bij betreffende zonneprojecten betrokken worden. Ik hoop uw Kamer medio 2020 te kunnen informeren over de routekaart.

159

Kan een overzicht worden gegeven van succesvolle CCS-projecten, zowel binnen als buiten de EU? Hoeveel geld gaat met deze projecten gemoeid? Hoeveel CO2 wordt op deze wijze hergebruikt?

Antwoord

Op de website van het Global CCS Institute is een overzicht gegeven van alle CCS-projecten wereldwijd.22 Het bekendste en langstlopende CCS-project is Sleipner, in Noorwegen, waar al sinds 1996 CO2 wordt afgevangen en permanent ondergronds wordt opgeslagen (circa 1 Mton/jaar). Deze website geeft tevens inzicht in de ontwikkeling van CO2-opslagmiddelen op landenniveau met de CCS Storage Indicator (CCS-SI). Dit overzicht geeft geen inzicht in de kosten per project of de hoeveelheid CO2 die er op deze wijze wordt hergebruikt.

160

Is de voorgestelde grond die beschikbaar wordt gemaakt voor wind op zee voldoende om de doelstellingen te halen zoals genoemd op pagina 92?

Antwoord

De windenergiegebieden op zee zijn aangewezen in het Nationaal Waterplan 2016–2021. Voor de doelstelling van 49 TWh voor windenergie op zee in 2030 is het niet nodig om alle aangewezen windenergiegebieden te benutten. Er blijven dus (delen van) windenergiegebieden beschikbaar voor een eventuele extra opgave voor windenergie op zee indien de ambitie van het Klimaatakkoord wordt verhoogd, of voor een verdere doorgroei na 2030. Met het oog op de periode na 2030 zullen ook in de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016–2021, het Nationaal Waterprogramma 2022–2027, nieuwe windenergiegebieden verkend en aangewezen worden. Dit proces is onlangs gestart onder coördinatie van de Minister van IenW en zal eind 2021 zijn afgerond.

161

Kunt u een overzicht geven van alle technieken die vanuit de SDE+ en de SDE++ worden gefinancierd? Kunt u per techniek uitsplitsen hoeveel geld van de SDE+ en SDE++ aan de verschillende technieken wordt besteed?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft een dergelijk overzicht voor de kasuitgaven voor de MEP, SDE en SDE+ voor de jaren 2010 tot en met 2018.

Kasuitgaven

(x € 1.000)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal

Zon

3.000

7.000

12.000

14.000

14.000

17.000

29.000

50.000

83.000

229.000

Wind

307.000

326.000

17.000

303.000

209.000

350.000

514.000

564.000

599.000

3.189.000

Water

7.000

4.000

7.000

8.000

7.000

5.000

38.000

Geothermie

6.000

7.000

10.000

17.000

24.000

28.000

92.000

Biomassa

373.000

376.000

351.000

307.000

284.000

311.000

343.000

357.000

362.000

3.064.000

162

Hoeveel euro SDE+ subsidie is besteed aan mestvergistingsprojecten sinds 2012 uitgesplitst per jaar?

167

Kunt u een overzicht verschaffen van de afgelopen tien jaar van alle overheidsbijdrages (subsidies, fiscale maatregelen en andere steun) die zijn gegaan naar mestvergisting?

Antwoord op vragen 162 en 167

Het merendeel van de overheidsbijdrages aan mestvergisting bestaat uit de subsidies in het kader van de (OV-)MEP en SDE(+). In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de kasuitgaven aan alle vormen van mestvergisting in de jaren 2010 tot en met 2018. Verder kunnen bedrijven met vergistingsinstallaties ook in aanmerking komen voor generieke (innovatie)regelingen, zoals de DEI(+) en de EIA.

Kasuitgaven

(x € 1.000)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal

(OV-)MEP1

20.535

19.370

96.786

14.291

13.416

14.610

14.160

13.499

8.875

215.542

SDE(+)

1.259

12.649

48.803

39.389

22.786

31.325

33.712

40.167

47.845

258.250

MIA\Vamil

80

162

35

46

38

77

1.231

626

2.817

Totaal

21.874

32.181

145.624

53.726

36.240

46.012

47.872

54.897

57.346

476.609

X Noot
1

Binnen de OV-MEP is over de loop van de regeling cumulatief 8,2 miljoen euro aan kasuitgaven bekend voor vergistingsinstallaties niet zijnde mestvergistingsinstallaties.

163

Hoe wordt de komende jaren ingezet op aardwarmte? Kan meer worden verteld over geplande projecten en hoe deze worden gefinancierd?

Antwoord

De overheid zet enerzijds in op de ontwikkeling van een robuust beleidsmatig en wettelijk kader specifiek voor geothermie en anderzijds op de innovatie en technische doorontwikkeling van geothermie. Dit gebeurt in samenwerking met sectorpartijen, zoals de branchevereniging, de stichting platform geothermie en EBN, met regionale overheden en met andere marktpartijen, zoals operators en adviseurs.

Projecten worden ontwikkeld door de markt. Nu zijn dat nog primair projecten in de glastuinbouw. In de toekomst zullen dit in stijgende mate projecten in de gebouwde omgeving en lichte industrie zijn. Deze projecten worden allemaal door de markt gefinancierd, maar zijn vooralsnog slechts rendabel met SDE+ subsidie. Na de inwerkingtreding van de aanpassing van de mijnbouwwet ten behoeve van geothermie zal ook EBN voor een bepaald percentage deelnemen en daarmee een aantal projecten financieren. Hoe de verdere deelname van EBN eruit komt te zien, wordt nog uitgewerkt.

164

Gaat u zich ervoor inzetten dat indien dat Europees mogelijk wordt gemaakt ook na 2020 er een compensatie komt voor energie-intensieve bedrijven?

Antwoord

Op dit moment liggen er geen plannen voor een vervolg op de regeling. In het Klimaatakkoord is de afloop van de regeling genoemd als een lastenverzwaring voor de industrie die kan cumuleren met de CO2-heffing. Het kabinet zal monitoren hoe het totaal aan lastenverzwaringen uitpakt voor de industrie en of er risico bestaat op werkgelegenheidsverlies. Daarbij wordt naast de indirecte kostencompensatie ETS en de CO2-heffing ook gekeken naar ODE en verplichte gasombouw. Het kabinet bereidt een draaiboek voor met mogelijkheden tot inzet van middelen om het risico van werkgelegenheidsverlies tegen te gaan. Zie hierover ook vraag 4.

165

Kunt u een aangeven waarom er 800 miljoen wordt gestort in de begrotingsreserve duurzame energie in 2019 maar het doel voor hernieuwbare energie in 2020 niet gehaald wordt?

Antwoord

Het kabinet zet maximaal in op de opwek van hernieuwbare energie. Hierdoor neemt de productie van hernieuwbare energie tussen 2017 en 2020 met ruim 70% toe, van 140 PJ naar een verwachte 239 PJ. In aanvulling op deze sterke groei is de afgelopen maanden een uitgebreide inventarisatie gehouden waarin gezocht is naar aanvullende nationale maatregelen die nog bij kunnen dragen aan het aandeel hernieuwbare energie in 2020. Helaas dragen deze maatregelen naar verwachting gezamenlijk onvoldoende bij om de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 te halen. De belangrijkste ontwikkelingen die maken dat het doelbereik nu onder druk staat, zijn de sterkere economische groei dan verwacht waardoor het energieverbruik hoger is dan geraamd en daarmee het aandeel hernieuwbare energie lager uitvalt. Daarnaast is de realisatie van een aantal grootschalige hernieuwbare energieprojecten vertraagd, met name voor windenergie op land. Hierdoor vallen tevens de verwachte kasuitgaven voor de SDE+ lager uit dan eerder is verwacht. Deze middelen worden toegevoegd aan de begrotingsreserve. Het behalen van de doelstelling wordt dus niet belemmerd door een gebrek aan subsidiemiddelen.

166

Kunt u de schommelingen in de verwachte ETS-ontvangsten in de jaren 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023 verklaren?

Antwoord

De schommelingen in verwachte ETS-ontvangsten zijn een gevolg van de volatiele markt voor uitstootrechten. Het EU ETS is recentelijk versterkt (zie Kamerstuk 32 813 nr. 191) om een kostenefficiënte en effectieve klimaattransitie te bewerkstelligen. Overtollige uitstootrechten worden eerder uit de markt gehaald en de jaarlijkse verlaging van het emissieplafond zal vanaf 2021 omhoog gaan om tot een 43% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 2005 te komen. Deze krapte aan de aanbodkant zorgt voor een hogere CO2-prijs en daarmee naar verwachting voor hogere EU ETS-ontvangsten in de komende jaren.

168

Kunt u een overzicht verschaffen van de afgelopen tien jaar van alle overheidsbijdrages (subsidies, fiscale maatregelen en andere steun) die zijn gegaan naar emissiereducerende technieken in de veehouderij? Kunt u dit dan ook uitsplitsen naar techniek?

169

Kunt u een overzicht verschaffen van de afgelopen tien jaar van alle overheidsbijdrages (subsidies, fiscale maatregelen en andere steun) die zijn gegaan naar emissiearme stalsystemen?

Antwoord op vragen 168 en 169

De rijksoverheid verstrekt bijdragen aan investeringen die (mede) als doel hebben de emissies in de veehouderij te reduceren. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bijdragen van de rijksoverheid op deze onderwerpen in de periode 2009–2018.

Rijksoverheidsuitgaven periode 2009–2018 (x1000)

Emissiereducerende technieken

Emissiereducerende huisvestingsystemen

Combinatie

milieu-investeringsaftrek/ Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (fiscaal voordeel)

€ 16.724

€ 442.8361

 

Metingen Ammoniakuitstoot (subsidie)

 

€ 181

 

Fijnstof (subsidie)

   

€ 15.306

Luchtwassers (subsidie) 2

 

€ 21.746

 

Integraal Duurzame Stallen en Houderijsystemen (subsidie)3

   

€ 84.208

Ammoniakreductie 2018 kalverstallen (subsidie)

 

€ 178

 

Small Business Innovation & Research (andere steun)

€ 9.800

€ 4.900

 

Totaal

€ 26.524

€ 469.841

€ 99.514

X Noot
1

Voor wat betreft huisvestingsystemen gaat het bij MIA/Vamil om «duurzame stallen». Dit omvat meer dan uitsluitend emissiereductie.

X Noot
2

Luchtwassers worden gezien als onderdeel van huisvestingsystemen.

X Noot
3

ISDH subsidie is bedoeld voor «duurzame stallen». Dit omvat meer dan uitsluitend emissiereductie.

Op dit moment kunnen bedrijven voor emissiereducerende technieken en huisvestingsystemen nog gebruik maken van de milieu-investeringsaftrek/Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (MIA/Vamil); de overige regelingen staan niet meer open. Verder kunnen bedrijven ook nog in aanmerking komen voor generieke regelingen, zoals de Energie-investeringsaftrek (EIA).

170

Wat is het bedrag dat vanuit het Topsectorenbeleid wordt uitgegeven aan projecten of onderzoeken in de veehouderij? Kunt u hierbij aangegeven wat het exacte doel is van deze uitgaven?

Antwoord

De overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid (Begrotingshoofdstuk XIII Economische Zaken, onderdeel Beleidsagenda) bevat een meerjarig overzicht van de middelen die in 2018–2023 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. Hier zijn geen specifieke middelen gereserveerd voor onderzoek op het gebied van veehouderij.

In de kennis- en innovatieagenda voor Landbouw, Water en Voedsel, die samen met de andere agenda’s op 17 oktober 2019 naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 33 009 nr.81), is aandacht voor innovatieopgaven rond verduurzaming in de veehouderij. Dit omvat opgaven zoals het verminderen van klimaatgasemissies, meer circulair benutten van nutriënten, een gezondere bodem en preventie van van dier naar de mens overdraagbare ziekten. Op 11 november wordt door de betrokken partijen het Kennis- en Innovatieconvenant ondertekend, waarin de partners zichtbaar maken wat ze bijdragen om de kennis- en innovatieagenda’s, waaronder die voor Landbouw, Water en Voedsel, tot uitvoer te brengen. Op basis van deze nieuwe agenda zullen in 2020 projecten worden toegekend, waarbij op voorhand niet is aan te geven welke onderwerpen zullen worden gefinancierd.

171

Worden ETS-ontvangsten gekoppeld aan een bepaalde uitgave, zoals bij de Opslag Duurzame Energie? Wordt dit gedaan?

Antwoord

ETS-ontvangsten worden niet gekoppeld aan een bepaalde uitgave. De ETS-ontvangsten betreffen een generale ontvangst uit veilingen die volgens de begrotingsregels dus niet kunnen worden geoormerkt voor uitgaven op de EZK-begroting.

172

Bent u bereid om in 2020 een regeling open te stellen voor duurzame energieprojecten die groter zijn dan salderen en kleiner dan de verbrede SDE+ gezien het doel voor hernieuwbare energie in 2020 en het op de plank blijven liggen van middelen in de verbrede SDE+?

Antwoord

Op dit moment bestaat er de Regeling Verlaagd tarief (postcoderoosregeling) voor initiatieven van energiecoöperaties welke zich bevinden tussen zonnepanelen op individuele daken van huishoudens (salderen) en grote projecten in de SDE+. Ik onderzoek momenteel een mogelijke omvorming van deze regeling tot een subsidieregeling. Het is niet haalbaar om in 2020 met een aparte regeling te komen. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 278.

173

Kan verder worden toegelicht waarom de uitgave aan ETS-compensatie zo enorm is toegenomen? Dat de CO2-prijs stijgt en daarmee bedrijven tot verduurzaming geprikkeld worden, is toch het uitgangspunt van ETS-beleid? Waarom wordt hiervoor gecompenseerd?

Antwoord

Met het Energieakkoord is afgesproken dat de rijksoverheid – aan bedrijven die gevoelig zijn voor carbon leakage en deelnemen aan een convenant ter bevordering van energie-efficiëntie – voor de periode 2013 tot en met 2020 compensatie biedt voor de indirecte emissiekosten als gevolg van het ETS. Deze compensatie is dus gekoppeld aan een versterkte inzet op energiebesparing.

Het gaat om het voorkomen van weglek van CO2. De aanpak van het CO2-weglekrisico dient een klimaatdoelstelling, aangezien de steun tot doel heeft te voorkomen dat de wereldwijde broeikasgasemissies stijgen als gevolg van de verschuiving van de productie naar landen buiten de Europese Unie, bij gebrek aan een bindend globaal mechanisme voor de vermindering van broeikasgasemissies.

De subsidieregeling in het jaar T (2020) biedt compensatie over het jaar T-1 (2019). De hoogte van de ETS-prijs is daarbij een belangrijke factor in het bepalen van de hoogte van de subsidie. Recent is de ETS-prijs sterk gestegen en daarmee ook de uitgave voor compensatie. De regeling is gericht op bedrijven waarvoor de indirecte kosten als gevolg van het ETS een nadelige invloed hebben op de internationale concurrentiepositie en die daarmee zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico.

Zie verder ook de antwoorden op vragen 47, 166, en 184.

174

Met welke andere landen concurreren deze ETS-bedrijven? Worden deze bedrijven in die betreffende landen ook gecompenseerd?

Antwoord

De regeling is gericht op bedrijven waarvoor de indirecte kosten als gevolg van het ETS een nadelige invloed hebben op de internationale concurrentiepositie. De bedrijven die in aanmerking komen voor compensatie opereren in Europa maar ook deels wereldwijd. De compensatie wordt in ongeveer tien Europese landen verstrekt waaronder Duitsland, Groot Brittannië en in Vlaanderen.

175

Welke tarieven voor gas en elektriciteit betalen grootverbruikers in respectievelijk Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden?

Antwoord

Er is geen uniform elektriciteits- of gastarief voor marktpartijen in deze landen. De elektriciteit- en gasmarkten in Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden zijn net als in Nederland geliberaliseerd en de prijsafspraken tussen marktpartijen en producenten en leveranciers zijn vertrouwelijk en niet inzichtelijk voor derden. Bovendien bestaat er geen uniforme definitie van het begrip «grootverbruiker». Ten slotte zijn de elektriciteit- en gasprijzen onderhavig aan prijsschommelingen en verschillen deze in de tijd.

Het is niettemin mogelijk om op basis van openbare groothandelsprijzen een benadering te maken van gemiddelde energieprijzen die marktpartijen betalen. De Europese Commissie houdt deze prijsontwikkeling bij.23 Hieronder vindt u een overzicht van gemiddelde prijzen gedurende het tweede kwartaal van 2019.

€/MWh

Elektriciteit

Gas

Nederland

39,1

12,97

Frankrijk

35,3

13,34

Duitsland

35,7

13,54

Denemarken

36,8

12,20

Zweden

33,4

15,13

176

Welke belastingtarieven voor gas en elektriciteit betalen grootverbruikers in respectievelijk Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden?

Antwoord

Het gevraagde inzicht in diverse belastingtarieven voor gas en elektriciteit is opgenomen in het Speelveldtoets-onderzoek door PwC, dat benut is bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord en op 14 juni jl. aan uw Kamer is aanboden. PwC heeft zich daarbij beperkt tot landen die een concurrent van Nederland zijn als het gaat om de productielocatie van energie-intensieve industriële bedrijven.

Hieruit blijkt ten eerste dat in de bestudeerde Europese landen geen nationale directe CO2-heffing voor energie-intensieve sectoren geldt, in aanvulling op het EU ETS. Ten tweede blijkt uit het onderzoek dat de hoogte van de energiebelasting, inclusief ODE, de komende jaren sterk toeneemt ten opzichte van het niveau (in 2018) van vergelijkbare heffingen in de ons omringende landen. Dit geldt met name voor gas.

Daarbij geeft PwC aan dat internationale vergelijking bemoeilijkt wordt door vrijstellingen en teruggaveregelingen die per land en per industrieel proces verschillen. Daarom toont het onderzoek voor een standaardverbruik in energie-intensieve sectoren (elektriciteit: 650 Gwh/jaar; gas 250 mln. m3/jaar) hoe hoog de effectieve belastingdruk minimaal (alle vrijstellingen zijn van toepassing) en maximaal (het hele verbruik wordt belast) kan zijn. De tabel laat zien dat de effectieve belastingdruk binnen de Europese landen sterk varieert. PwC geeft daarbij nadrukkelijk aan dat de daadwerkelijke indirecte heffingshoogte in alle bestudeerde landen aan de onderkant van de bandbreedte zal liggen. Hierbij is geen rekening gehouden met de in de verschillende landen geldende teruggaveregelingen.

Effectieve belastingdruk op gas en elektriciteit volgens PwC-onderzoek, in EU-landen, constante prijzen 2018

 

heffingen op gas in €ct/m3

heffingen op gas inclusief vrijstellingen in €ct/m3

heffingen op elektriciteit in €ct/kWh

heffingen op elektriciteit, inclusief vrijstellingen in €ct/kWh

NL 2018

1,56

0

0,10

0

NL 2021

3,49

0

0,15

0

NL 2030

3,74

0

0,16

0

BEL 2018

1,27

0,83

2,47

0,52

DUI 2018

13,58

0

9,50

1,24

ITA 2018

1,13

0

0,01

0

VK 2018

2,26

0

2,78

0,26

ZWE 2018

33,43

0

0,73

0

177

Kunt u de veiligheidsonderzoeken rondom boorlocaties WAV1 en TUB7 openbaar maken?

Antwoord

NAM is verantwoordelijk voor de boorlocaties WAV 1 en TUB 7. Dit zijn respectievelijk een gaswinningslocatie en een waterinjectielocatie. Beiden zijn in de jaren 50 aangelegd en niet meer in gebruik. NAM is verplicht om aan het Staatstoezicht op de Mijnen te rapporteren over de staat van de boorlocaties. Het Staatstoezicht ziet toe op de veiligheid van de putten. De rapportages van de NAM en de inspectierapporten van het Staatstoezicht zijn openbare gegevens en kunnen worden opgevraagd.

178

Waarom is ervoor gekozen scholen, ziekenhuizen en het mkb fors meer ODE te laten betalen? Bij welke verdeling hadden deze groepen ook van een lager tarief kunnen profiteren en waarom is daar niet voor gekozen?

Antwoord

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de lasten tussen burgers en bedrijven ten gunste van de burgers aan te passen. Daarbij worden de tarieven in de hogere verbruiksschijven relatief fors verhoogd. Daarmee wordt tevens bereikt dat de sector industrie een hogere bijdrage aan de ODE gaat leveren dan tot dusverre het geval was. Vanwege het generieke karakter van de heffing leveren andere grootverbruikers – naast de sector industrie – met een relatief hoog verbruik daardoor ook een hogere bijdrage aan de ODE. Dit doet zich onder andere voor bij grote ziekenhuizen.

Door de vormgeving van deze ODE-schuif worden mkb’ers, met een relatief laag verbruik die zich in de 1e en 2e schijf bevinden, zoveel mogelijk ontzien. Tabel 3 in de memorie van toelichting van de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord geeft indicatief inzicht in de gevolgen voor enkele voorbeeldbedrijven uit het MKB. Momenteel wordt een zogenoemde impacttoets uitgevoerd naar de gevolgen van het Klimaatakkoord, waaronder de ODE-schuif, voor het midden- en kleinbedrijf. Zodra de informatie uit deze toets beschikbaar komt, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd.

Zoals blijkt uit tabel 3 in de memorie van toelichting van de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord zouden ziekenhuizen en scholen bij het handhaven van de 50:50 lastenverdeling een lagere bijdrage aan de ODE betalen. Dat zou tegelijk betekenen dat burgers dan juist een hogere bijdrage moeten betalen. Het kabinet heeft er voor gekozen met de ODE-schuif de lasten van de burgers in 2020 te matigen.

179

Waarom hebben kerken wel recht op teruggaaf maar scholen niet? Hoeveel geld vloeit op deze wijze terug naar kerkgenootschappen?

Antwoord

De energiebelasting kent een teruggaafregeling voor aardgas en elektriciteit gebruikt door religieuze instellingen en non-profitinstellingen. De teruggaaf bedraag 50% van de in rekening gebrachte energiebelasting. Het geraamde budgettair beslag van deze regeling bedraagt 30 miljoen euro voor 2019. Achtergrond van deze regeling, die in 2000 is ingevoerd, is dat destijds in de energiebelasting een lastenverzwaring voor huishoudens en bedrijven werd voorgesteld waarvan de opbrengst op verschillende generieke en specifieke manieren werd teruggesluisd. Bijvoorbeeld door middel van een lager VPB-tarief. Voor religieuze- en non-profitinstellingen werd gekozen voor een terugsluis door middel van een teruggaafregeling omdat een andere terugsluis voor deze instellingen lastig vorm te geven was. In het huidige wetsvoorstel is geen sprake van een dergelijke terugsluis. De middelen die opgehaald worden met een hogere belasting op aardgas, worden ingezet om binnen de energiebelasting de belastingvermindering te verhogen en de belasting op elektriciteit te verlagen. De middelen die worden opgehaald met de ODE, dienen ter financiering van de subsidieregeling SDE+. Bovenop deze aanpassingen heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld om de belastingvermindering in de energiebelasting verder te verhogen.

180

Hoeveel wordt in 2020 extra aan ODE-inkomsten opgehaald door het verhoogd tarief voor scholen?

181

Hoeveel wordt in 2020 extra aan ODE-inkomsten opgehaald door het verhoogd tarief voor ziekenhuizen?

182

Hoeveel wordt in 2020 extra aan ODE-inkomsten opgehaald door het verhoogd tarief het mkb?

Antwoord op vragen 180, 181, 182

De sector onderwijs (scholen en universiteiten) draagt in 2020 ten opzichte van 2019 circa 45 miljoen euro extra bij aan de ODE in 2020. Voor de sector gezondheids- en welzijnszorg is de extra bijdrage ongeveer 30 miljoen euro in 2020 ten opzichte van 2019. Het is niet mogelijk de bijdrage van het mkb aan de ODE geïsoleerd weer te geven, aangezien de statistische informatie daarvoor ontbreekt. Momenteel wordt op mijn verzoek een zogenoemde impacttoets uitgevoerd naar de gevolgen van het Klimaatakkoord voor het midden- en kleinbedrijf. Onderdeel daarvan is de ODE-schuif. Zodra de informatie uit deze toets beschikbaar komt, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd.

183

Maakt de aangekondigde verdere verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting als onderdeel van het voorstel voor de tariefstelling van de ODE voor 2020 deel uit van de 200 euro belastingvermindering?

Antwoord

De verhoging van de belastingvermindering met 55 euro gaat in per 2020 en is onderdeel van de voorgestelde verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting met in totaal 178,14 euro per 2020.

184

Kunt u aangeven in hoeverre de opbrengsten van de veiling van ETS-rechten hoger zijn dan bij de vorige begroting verwacht en of deze middelen ingezet zouden kunnen worden om de verhoging van de ODE in de derde en vierde schijf te temporiseren?

Antwoord

De raming van de opbrengsten van de veiling van ETS-rechten zijn zoals in het onderstaande overzicht te zien is, in de EZK-begroting 2020, significant hoger dan voorzien in de EZK begroting 2019. Deze hogere opbrengsten kunnen echter niet worden ingezet voor specifiek beleid omdat deze opbrengsten volgens de begrotingsregels generale ontvangsten betreffen en niet ingezet kunnen worden voor bijvoorbeeld de genoemde lastenverlichting.

ETS ontvangsten (x € 1.000,-)

2019

2020

2021

2022

2023

Begroting 2019

300.000

300.000

300.000

300.000

300.000

Begroting 2020

380.000

450.000

380.000

360.000

440.000

185

Kunt u toelichten hoe het kan dat alle middelen in de begrotingsreserve duurzame energie verplicht zijn, gezien sommige projecten waarvoor een beschikking is afgegeven alsnog niet doorgaan? Wat gebeurt er met middelen van projecten die beschikt zijn en alsnog niet doorgaan?

Antwoord

In mijn toelichting op de ontwikkeling van de SDE+-uitgaven na 2024 (Kamerstuk 35 300-XIII, nr. 6) die ik uw Kamer op 1 oktober jl. heb doen toekomen heb ik aangegeven dat het totale beschikbare budget in de periode 2019–2032 voor de MEP, SDE en SDE+ en SDE++, 48,2 miljard euro is. Dit budget is inclusief het bedrag dat naar verwachting in 2032 nog beschikbaar is in de begrotingsreserve duurzame energie (1,7 miljard euro).

Tot en met de Najaarsronde 2018 van de SDE+ is er 66 miljard euro aan beschikkingen afgegeven voor de MEP, SDE en SDE+. Als hier het bedrag dat al is uitbetaald en de ingetrokken beschikkingen van af worden getrokken staat er per 1 mei 2019 nog een bedrag van 51,4 miljard euro als juridisch verplicht open. Aangezien het bedrag aan juridische verplichtingen hoger is dan het totaal beschikbare budget van 48,2 miljard euro, is het gehele budget en dus ook het bedrag dat in de reserve duurzame energie beschikbaar is 100% juridisch verplicht.

Daarbij merk ik op dat van het bovengenoemde bedrag van 51,4 miljard aan nog openstaande juridische verplichtingen de verwachting is dat tot het einde van de looptijd van deze subsidiebeschikkingen nog 35,2 miljard euro betaald moet worden. Hiervan valt 30,4 miljard euro in de periode 2019–2032. Dit bedrag is lager dan het totaal van de nog openstaande juridische verplichtingen, omdat dat bedrag uitgaat van het maximaal uit te betalen bedrag waar subsidieontvangers recht op hebben, terwijl de prognose een realistische raming van nog uit te betalen bedragen betreft.

Uit de realistische raming volgt een uit te betalen bedrag dat lager is dan het totaal aan openstaande verplichtingen, voornamelijk doordat de energieprijzen hoger uitvallen dan geraamd (en het subsidiebedrag per project dus lager. Het verschil tussen deze verwachte kasuitgaven in 2019–2032 (30,4 miljard euro) en het beschikbare budget in 2019–2032 (48,2 miljard euro) is dus weliswaar juridisch verplicht, maar is beschikbaar als ruimte die de komende jaren wordt ingezet ter financiering van toekomstige openstellingen van de SDE++. Dit betekent dat de daadwerkelijke ruimte die beschikbaar blijft voor toekomstige openstellingen afhankelijk is van de ontwikkeling van bijvoorbeeld de energieprijzen en realisatiegraad van reeds beschikte projecten.

De in de begroting geraamde budgetten voor de MEP, SDE en SDE+ gaan niet uit van het maximaal uit te keren bedrag aan subsidies, maar een realistische inschatting van de verwachte kasuitloop van de afgegeven beschikkingen op basis van de verwachte intrekking van beschikkingen, van de vertraging van energieprojecten, en van de ontwikkeling van de SDE+-basisbedragen in de toekomst. Als er desondanks toch budgetten niet tot besteding komen, worden deze in de begrotingsreserve duurzame energie gestort, zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de subsidiëring van toekomstige energieprojecten.

Specificatie juridisch verplicht en prognose kasbetalingen

Beschikt en restant verplicht (x € 1 mln)

MEP

SDE

SDE+

Totaal

Afgegeven beschikkingen t/m Najaarsronde 2018

7.940

10.393

47.692

66.025

Waarvan nog openstaande juridische verplichtingen per 01/05/2019

48

6.590

44.801

51.439

Prognose kasuitloop vanaf 01/05/2019 tot en met 31/12/2032

1

6.183

24.210

30.394

Prognose kasuitloop vanaf 01/05/2019 tot einde looptijd

1

6.183

28.065

34.249

186

Kunt u toelichten waarvoor de middelen in de begrotingsreserve duurzame energie verplicht zijn, want gezien niet alle projecten die beschikt zijn doorgaan, zouden die middelen dan nog in de begrotingsreserve toegekend moeten worden aan andere projecten?

Antwoord

Formeel gezien zijn de middelen in de begrotingsreserve duurzame energie geheel juridisch verplicht, aangezien het bedrag aan afgegeven juridische verplichtingen (subsidiebeschikkingen) hoger is dan het totaal beschikbare budget (inclusief de begrotingsreserve) over de periode 2019–2032. Echter, door uitval of vertraging van projecten is de verwachting dat niet alle juridische verplichtingen daadwerkelijk tot betaling komen. De middelen die in de begrotingsreserve beschikbaar zijn kunnen daarmee ingezet worden ter financiering van andere energieprojecten. De begrotingsreserve dient ook als buffer om tegenvallers in de ontwikkeling van energieprijzen (en daarmee hogere subsidie-uitgaven) op te kunnen vangen.

187

Kunt u een reflectie geven op wat juridisch verplicht is met het oog op de begrotingsreserve duurzame energie? Zijn deze middelen juridisch verplicht voor een specifiek project of zijn deze middelen ten algemene verplicht voor een bepaald onderwerp?

Antwoord

Zie het antwoord op de vragen 185 en 186. De in de begrotingsreserve beschikbare middelen zijn niet juridisch verplicht voor een specifiek project, maar dienen ter dekking van alle juridische verplichtingen die zijn aangegaan in het kader van de MEP, de SDE en de SDE+.

188

Kunt u aangeven welke middelen in de begrotingsreserve energie toebehoorden aan beschikkingen die alsnog niet zijn doorgegaan? Zo ja, om hoeveel middelen gaat dit en uit welke regeling (MEP, SDE, SDE+) komen deze middelen? Waaraan zijn deze middelen nu juridisch verplicht in de begrotingsreserve?

Antwoord

Het is niet mogelijk om aan te geven welke middelen in de begrotingsreserve duurzame energie toebehoorden aan projecten die niet zijn doorgegaan. Na afloop van elk begrotingsjaar wordt per regeling (MEP, SDE, SDE+, HER, ISDE, flankerend beleid SDE+, TenneT aanleg Net op zee) bepaald hoeveel er van het voor deze regeling beschikbare budget is besteed. Onderbesteding op het geheel van deze regelingen wordt in de reserve duurzame energie gestort. Het is niet aan te geven welk deel van de onderbesteding betrekking heeft op beschikkingen die niet zijn doorgegaan of vertraagd zijn, dan wel op hogere of lagere energieprijzen dan waar bij het afgeven van de subsidiebeschikking rekening mee gehouden was.

189

Kan de begrotingsreserve SDE+ uitgebreider worden toegelicht? Hoe heeft deze zich ontwikkeld vanaf 2011 en waar is deze voor ingezet?

Antwoord

In de EZK-begroting 2020 is op pagina 110 een overzicht opgenomen van de opbouw van de begrotingsreserve duurzame energie tussen 2013 en 2018. De begrotingsreserve is in 2013 gevormd. Vanaf 2013 hebben stortingen van niet-bestede middelen van de MEP, de SDE en de SDE+ in de begrotingsreserve plaatsgevonden. De enige onttrekking aan de reserve is een tijdelijke onttrekking aan het SDE-deel van de begrotingsreserve van in totaal 398 miljoen euro in de periode 2015–2020 ter financiering van andere uitgaven op de EZK-begroting. De gehele 398 miljoen euro zal in de periode 2021–2026 weer aan de begrotingsreserve worden toegevoegd.

De begrotingsreserve duurzame energie had per 1 januari 2019 een omvang van ruim 2,2 miljard euro. De reserve zal de komende jaren ingrijpend wijzigen als gevolg van de volgende ontwikkelingen:

  • Storting in 2019 van naar verwachting 903 miljoen euro.

  • Dit betreft de naar verwachting niet tot besteding komende budgetten voor de MEP, SDE, SDE+, HER en ISDE in 2019.

  • Onttrekking in 2019 en 2020 van in totaal 151 miljoen euro.

  • Dit betreft het restant van de hierboven genoemde tijdelijke onttrekking aan de reserve in de jaren 2019 en 2020.

  • Storting in de jaren 2021 t/m 2026 van in totaal 398 miljoen euro.

  • Het gaat hier om het terugstorten van de tijdelijke onttrekking in de jaren 2015–2020

  • Onttrekking in de jaren 2023 t/m 2028 van in totaal 1,7 miljard euro.

  • In de startnota van het huidige kabinet is afgesproken dat de in de reserve Duurzame Energie beschikbare middelen bij het afsluiten van het Klimaat- en Energieakkoord aan de reserve worden onttrokken en toegevoegd worden aan de SDE+-middelen. In de jaren 2023 tot en met 2028 is daarom rekening gehouden met een onttrekking uit de begrotingsreserve en overboeking naar het SDE+-budget van in totaal 1,7 miljard euro.

Door deze ontwikkelingen zou de reserve eind 2028 nog een omvang kennen van zo’n 1,7 miljard euro. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele verdere toekomstige stortingen of onttrekkingen (bij onderbesteding of overbesteding van de kasuitgaven), aangezien deze per definitie niet voorzienbaar zijn. Zie ook mijn toelichting op de ontwikkeling van de SDE+-uitgaven na 2024 (Kamerstuk 35 300-XIII, nr. 6) die ik uw Kamer op 1 oktober heb doen toekomen.

190

Kunnen de uitgaven aan nieuwe SDE+-subsidieverplichtingen worden toegelicht? Welke gevolgen hebben deze uitgaven voor latere SDE+-uitgaven?

Antwoord

Het totaal beschikbare budget voor kasuitgaven aan de SDE++ en haar voorgangers in de periode 2019 tot en met 2032 bedraagt 48,2 miljard euro. Naar verwachting is het kasbeslag van de SDE+ openstellingen in 2019 en 2020 in diezelfde periode ongeveer 5 miljard euro. Rekening houdend met het kasbeslag van de openstellingen voor 2019 inclusief de tenders Wind op Zee uit 2015 en 2016 (28,4 miljard euro), is daarmee de ruimte voor kasuitgaven aan nieuwe verplichtingen van 2021 tot en met 2032 circa 14,8 miljard euro.

191

Klopt het dat het Nederlandse CO2-budget voor 2050 dusdanig beperkt is dat het aantal vliegbewegingen naar alle waarschijnlijkheid moet krimpen om te voorkomen dat de aan Nederland toegeschreven uitstoot van broeikasgassen door de luchtvaartsector een onevenredig grote hap uit dit uitstootbudget zal innemen? Zo nee, waaruit blijkt dat de luchtvaartsector op weg is om zich te houden aan de klimaatdoelen van 2050?

193

Hoe waarschijnlijk is het dat het aantal vliegbewegingen in Nederland niet zal hoeven krimpen om het CO2-budget van 2050 te respecteren, inclusief uitstootruimte voor andere sectoren binnen dat budget?

Antwoord op vragen 191 en 193

In de Overeenkomst van Parijs zijn afspraken gemaakt over het reduceren van de mondiale uitstoot van broeikasgassen. Deze mondiale temperatuurdoelen gelden voor alle economische sectoren, de Overeenkomst maakt hier geen onderscheid in, en dus ook voor de internationale luchtvaartsector. Het klopt dat het mondiale uitstootbudget om de temperatuurstijging mondiaal ruim onder de 2 graden te beperken, met als streven 1,5 graden, beperkt is.

De uitstoot van de internationale luchtvaart is volgens de huidige systematiek met nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) echter niet aan landen toe te delen. In de International Civil Aviation Organization (ICAO) hebben landen daarom aparte internationale afspraken gemaakt over het terugdringen van de uitstoot van de internationale luchtvaart. Nederland zet samen met andere Europese landen, in op een ambitieus mondiaal klimaatbeleid voor de internationale luchtvaart. Een van de Nederlandse speerpunten is het vaststellen van een ambitieus lange termijn doel voor het terugdringen van de broeikasgasuitstoot in ICAO. Dit is een belangrijke basis om te bepalen of de luchtvaart samen met andere economische sectoren in NDC’s op weg is om de lange termijn doelen van Parijs te halen. Tegelijkertijd spant het kabinet zich nationaal samen met de partijen aan de Duurzame Luchtvaarttafel in om te komen tot een halvering van de CO2-uitstoot van de uit Nederland vertrekkende internationale luchtvaart in 2050 ten opzichte van 2005. Voor het behalen van de klimaatdoelen voor de luchtvaart is een inzet nodig op een breed palet van instrumenten. Het kabinet heeft uw Kamer per brief van 27 maart 2019 hierover geïnformeerd (Kamerstuk 31 936, nr. 585). Momenteel wordt er gewerkt aan de Luchtvaartnota die de toekomst zal schetsen van de Nederlandse luchtvaart. Via de PlanMER voor deze Luchtvaartnota zal het kabinet zorgen voor meer inzicht in de verkeersvolumes die samenhangen met een combinatie van (klimaat)doelen en maatregelen. Hierover heeft het kabinet uw Kamer op 14 oktober 2019 geïnformeerd (kenmerk:2019D40766).

192

Indien de huidige verhoudingen van de uitstoot van broeikasgassen door verschillende sectoren procentueel gelijk blijven, hoe ziet dan de in megatonnen CO2-equivalenten uitgedrukte verdeling van het Nederlandse CO2-budget in 2050 er per sector uit?

Antwoord

De Klimaatwet gaat uit van een 95% reductie in 2050 ten opzichte van 1990. De uitstoot in 1990 was 221 Mton. De 5% die resteert na een reductie van 95% betekent een uitstoot van 11 Mton. De omvang hiervan kan stijgen indien er ook sprake is van negatieve emissies. Zonder rekening te houden met negatieve emissies is de huidige uitstoot als volg verdeeld: Industrie 30%, Elektriciteitssector 24%, Mobiliteit 19%, Landbouw en Landgebruik 14%, Gebouwde Omgeving 13%. Als je de 11 Mton volgens deze verdeelsleutel verdeelt kom je tot de volgende verdeling: Industrie 3,3 Mton, Elektriciteitssector 2,6 Mton, Mobiliteit 2,1 Mton, Landbouw en Landgebruik 1,5 Mton, Gebouwde Omgeving 1,4 Mton.

194

Wat is de kosteneffectiviteit van mestvergisters per vermeden ton CO2-equivalenten? Kunt u de berekening en onderbouwing toevoegen?

Antwoord

In het achtergronddocument over Landbouw en Landgebruik bij de doorrekening van het ontwerpKlimaatakkoord wordt voor mestvergisting op het bedrijf in de melkveehouderij uitgegaan van een reductie van 0,075 Mton gerealiseerd tegen nationale kosten van 22,4 miljoen euro. Dat betekent nationale kosten van 300 miljoen euro per megaton CO2.

195

Wat is de klimaatwinst als 200 miljoen euro wordt gestoken in het verplaatsen van veehouderijbedrijven?

Antwoord

Als er voor en na de verplaatsing sprake is van een identieke situatie (dezelfde aantallen dieren, technieken, stallen, voeding, en uitstoot) is er geen klimaatwinst. Het klimaatvraagstuk is immers een mondiaal vraagstuk waarvoor het niet uitmaakt waar de emissies plaatsvinden.

204

In hoeverre houden de kolencentrales zich aan de afspraak dat er alleen FSC-gecertificeerde houtpellets worden bijgestookt?

Antwoord

Er gelden als onderdeel van de SDE+-subsidies strenge duurzaamheidscriteria voor de gebruikte biomassa voor de bij- en meestook in kolencentrales. De kolencentrales die nu biomassa bijstoken voldoen aan deze strenge duurzaamheidscriteria. Naast de wettelijke duurzaamheidscriteria hebben energiebedrijven en natuur- en milieuorganisaties aanvullende (bovenwettelijke) criteria afgesproken in een convenant. Het is aan de partijen bij dit convenant om deze afspraken te monitoren. De overheid is geen partij bij dit convenant.

205

Hebben de Amercentrale en de Eemshavencentrale momenteel een stikstofuitstoot die past binnen hun vergunningen?

Antwoord

Ja.

206

Kunnen alle maatregelen die uit het Klimaatakkoord (dus zonder Energieakkoord en Urgenda-maatregelen) voortkomen onder elkaar worden gezet, dat wil zeggen alle middelen inclusief bijbehorende middelen uit de Klimaatenvelop en de Voorjaarsnota? Dit wordt gevraagd voor alle posten op alle begrotingen. Kan dit uiteen worden gezet voor begrotingsjaar 2020? En ook respectievelijk (doorkijk naar) begrotingsjaren 2021, 2025, 2030 en 2050?

Antwoord

Het gevraagde overzicht is opgenomen in mijn brief van 3 juli met een budgettair overzicht van het Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 348).

207

Kan er een overzicht worden gegeven hoeveel huizen er sinds 2015 zijn versterkt? Kan dit worden uitgesplitst per jaar? Kan dit worden uitgesplitst naar gebouwen op norm en gebouwen niet op norm?

208

Kan er een overzicht worden gegeven van hoeveel gebouwen er sinds 2015 zijn versterkt? Kan dit worden uitgesplitst per jaar?

209

Kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel bewoners in 2019 beschikten over een versterkingsovereenkomst?

210

Hoeveel huizen moeten er volgens de meest concrete informatie nog versterkt worden?

211

Kan er, uitgesplitst per jaar, een overzicht worden gegeven hoeveel inspecties er sinds 2012 hebben plaatsgevonden?

212

Kan er, uitgesplitst per jaar, een overzicht worden gegeven hoeveel versterkingsadviezen er sinds 2012 zijn afgegeven?

213

Hoeveel huizen zijn er tot nu versterkt?

220

Hoeveel huizen zijn er in Groningen in totaal versterkt? Hoeveel huizen moeten nog worden versterkt?

234

Hoeveel panden kregen een versterkingsadvies in 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en in 2019?

235

Hoeveel van die panden hebben nu geen (licht) verhoogd risico volgens het HRA-model?

Antwoord op vragen 207, 208, 209, 201, 211, 212, 213, 220, 234 en 235

Op 16 oktober jl. is uw Kamer met de brief Kamerbrief Overdracht Groningen EZK-BZK (Kamerbrief 33 529 nr. 695) geïnformeerd over de voortgang van de versterking. Als bijlage bij deze brief is het dashboard met een uitsplitsing per jaar en fase waarin de adressen in het proces zitten meegegaan.

214

Kan er een overzicht worden gegeven van alle wettelijke stappen die nog moeten worden genomen om het systeem van herstel en versterking te hervormen?

Antwoord

Op 5 juli 2019 is het wetsvoorstel voor de Tijdelijke wet Groningen bij uw Kamer ingediend (Kamerdossier 35250). Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling voor een onafhankelijke afhandeling voor alle vormen van schade als gevolg van bodembeweging als gevolg van de Gaswinning uit het Groningenveld. Na aanname van dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer, zal het zo spoedig mogelijk in werking treden. Op basis van het wetsvoorstel zal ook een algemene maatregel van bestuur worden opgesteld.

Omdat het versterkingsproces een andere aanpak vraagt dan de afhandelingen van verzoeken om vergoeding van schade, wordt momenteel gewerkt aan een wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met het versterken van gebouwen. Dit wetsvoorstel voor de versterking van gebouwen wordt zo snel mogelijk in internetconsultatie gebracht.

215

Hoeveel aannemers zijn tot nu toe betrokken bij de aannemersvariant van de TCMG? Hoeveel daarvan zijn lokale aannemers?

Antwoord

Voor de aannemersvariant werkt de TCMG samen met 14 lokale aannemers. Daarnaast kunnen bewoners sinds begin september ook zelf een aannemer voorstellen om de schade-opname te verrichten. 9 van deze aannemers hebben ondertussen bericht dat ze de schade-opname kunnen inplannen, 1 daarvan werkt al samen met TCMG. Van deze 9 zijn er 8 in de provincie Groningen gevestigd en 1 in Drenthe.

216

Hoe gaat geborgd worden dat de 1.15 miljard die beschikbaar wordt gesteld voor toekomstperspectief van het Gronings gebied, bij de Groningers terecht komt?

Antwoord

Het Nationaal Programma Groningen (NPG) is bedoeld om de Groningen toekomstperspectief te bieden. Er zijn door het NPG-bestuur ook afspraken gemaakt om te borgen dat de middelen bij de Groningers terecht komen. Zo moet bij elk ingediend project zichtbaar worden gemaakt hoe bewoners zijn betrokken bij de totstandkoming van het projectplan. Daarnaast moeten alle projecten uiteindelijk leiden tot een verbetering van de Brede Welvaart in Groningen, conform de richtlijnen van het CBS. Hier worden de projecten vooraf op getoetst en achteraf op gemonitord.

217

Kunt u aangeven aan welke projecten de 1.15 miljard uit het fonds voor toekomstperspectief van het Gronings gebied is uitgegeven?

Antwoord

In totaal is er tot nu toe voor bijna 200 miljoen euro aan projecten gehonoreerd. Via de website https://www.nationaalprogrammagroningen.nl/projecten-informatie is te vinden aan welke projecten middelen zijn toegekend vanuit het Nationaal Programma Groningen. Verder zijn er aanvullend voor ruim 90 miljoen euro afspraken gemaakt over bijvoorbeeld erfgoed en investeringen in de zorg.

218

Hoeveel geld is er begroot voor het opgaan van CVW en NCG in de uitvoeringsorganisatie?

Antwoord

Op dit moment wordt gewerkt aan het organisatie- en formatieplan van de uitvoeringsorganisatie die nodig is voor de uitvoering van de versterkingsoperatie. Ik verwacht in de VJN 2020 een raming te kunnen opnemen van de kosten voor de uitvoeringsorganisatie.

De kosten voor de uitvoeringsorganisatie zullen onderdeel zijn van de jaarlijkse heffing die bij het inwerking treden van de tijdelijke wet versterken wordt opgelegd aan NAM.

219

Welke invloed heeft de NAM nog na het wettelijk vastleggen van versterking onder publieke aansturing?

Antwoord

Op dit moment heeft de NAM geen invloed op de versterking van woningen. Hoewel het CVW nog tot einde van dit jaar onder contract staat bij de NAM, stuurt de NCG het CVW operationeel rechtstreeks aan waar het de versterking van woningen betreft, zonder inhoudelijke betrokkenheid van de NAM. Dit is in overeenkomsten vastgelegd, waarover ik uw Kamer op 17 mei jl. heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 259, nr. 609). Hiermee wordt vooruitgelopen op de definitieve situatie van de wetgeving. Op een aantal terreinen is NAM nog betrokken, zoals versterking binnen het Scholenprogramma. Momenteel wordt gewerkt om NAM ook hier op afstand te plaatsen. Via een in de wetgeving op te nemen heffing wordt geregeld dat NAM de kosten van de versterkingsoperatie betaalt.

221

Welke gevolgen zijn er voor het gehele Gasgebouw nu de gaskraan sneller dicht gaat?

Antwoord

De kern van het Gasgebouw, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Samenwerking uit 1963, is de productie van het Groningengas door NAM en de verkoop hiervan door de handelsonderneming GasTerra. Binnen enkele jaren zal naar verwachting de productie uit Groningenveld nihil bedragen. De kernactiviteit van GasTerra als verkoopkantoor van het Groningengas komt hiermee te vervallen. In mijn Kamerbrief van 7 oktober jl. (Kamerstuk 33 529 nr. 691) heb ik aangegeven dat het gelet hierop onvermijdelijk zal zijn om het gasgebouw geleidelijk af te bouwen. Een eerste stap die daartoe gezet is, is de beslissing om de activiteiten van GasTerra op termijn af te bouwen.

222

Waaruit bestaat de in totaal 1,01 miljard euro Volumebesluit Gas?

Antwoord

De aardgasbaten bestaan uit het totaal aan ontvangsten van de Staat uit de winning van olie en gas. De aardgasbaten komen hoofdzakelijk voort uit twee bronnen:

  • de winstuitkeringen van EBN; en

  • afdrachten op basis van de Mijnbouwwet door olie- en gasmaatschappijen, zoals bijvoorbeeld de NAM, Wintershall en Total.

De geraamde gasbaten zijn dus op basis van de geschatte afdrachten van deze partijen. Door verlaging van de gaswinning in Groningen daalt de winstverwachting van NAM en EBN en dalen dus ook de geraamde gasbaten.

223

Hoeveel schademeldingen zijn er op dit moment bekend?

224

Kan er een overzicht worden gegeven hoeveel schadegevallen er sinds 2015 zijn afgehandeld? Kan dit worden uitgesplitst per jaar?

225

Kan er een overzicht worden gegeven hoeveel schademeldingen er in de afgelopen jaren per jaar hebben opengestaan?

226

Zijn alle meldingen al in behandeling? Zo nee, hoeveel niet?

Antwoord op vragen 223, 224, 225 en 226

Op de website van de TCMG (https://schadedoormijnbouw.nl/over-de-tcmg/cijfers) is altijd de actuele stand van zaken van de schadeafhandeling in te zien, uitgedrukt in cijfers en grafieken. Dit geldt ook voor de ontwikkeling van de cijfers door de tijd en de uitsplitsing waar schademeldingen zich in het proces bevinden. Aanvullend is hier informatie te vinden over aantallen meldingen en besluiten uitgesplitst per gemeente.

227

Kan worden aangegeven wat de status is van de oude schadegevallen? Hoeveel van deze schadegevallen zijn inmiddels afgehandeld?

Antwoord

Sinds de beving in Huizinge in 2012 heeft NAM ruim 80.000 schademeldingen afgehandeld. Ten aanzien van de 6.199 openstaande schademeldingen van NAM van vóór 31 maart 2017, de zogenaamde de oude schadegevallen, is destijds afgesproken dat deze een ruimhartig aanbod zouden krijgen, inclusief de mogelijkheid om hun zaak bij de Arbiter Bodembeweging aan te melden indien zij zich niet konden vinden in het aanbod. De afhandeling door de arbiter ligt op schema. Van de oorspronkelijke 2.962 zaken die zijn aangemeld door bewoners omdat zij zich niet in het aanbod van NAM konden vinden, zijn nog 151 zaken in behandeling (stand 16 oktober 2019). Ik blijf de afhandeling van oude schadegevallen door NAM nauwlettend volgen, samen met de commissaris van de Koning. Dit geldt ook voor die meldingen die in het verleden zijn afgehandeld door NAM, maar waarvoor bijvoorbeeld nog administratieve afhandeling of herstel door een aannemer moet plaatsvinden.

228

Kan er een overzicht worden gegeven van alle wettelijke stappen die nog moeten worden genomen om het systeem van schadeafhandeling te hervormen?

Antwoord

Met de oprichting van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) ingevolge het wetsvoorstel Tijdelijke wet Groningen, dat nu bij uw Kamer in behandeling is (Kamerdossier 35250), wordt de publieke afhandeling van schade wettelijk verankerd. Met het wetsvoorstel wordt ook de afhandeling van andere schadevormen dan fysieke schade, zoals waardedaling, vermogensschade en immateriële schade, bij het IMG belegd. Met deze wettelijke verankering is de NAM uit het systeem van schadeafhandeling gehaald.

229

Wordt het HRA-model als publiek middel geduid?

Antwoord

Jaarlijks wordt door de NAM een analyse gemaakt van de seismische dreiging en risico’s (Hazard and Risk Assessment, HRA) behorend bij de voorgestelde operationele strategie voor het Groningenveld. De HRA wordt ook gebruikt om de versterkingsopgave te actualiseren.

Conform bestuurlijke afspraken met de regio (Kamerbrief 33 529 nr. 680) is een traject gestart om de HRA in het publieke domein te brengen. Uitgezocht wordt hoe dit snel maar ook zorgvuldig kan gebeuren. Zodra hier meer over duidelijk is, zal ik uw Kamer hierover informeren.

230

Kan verder worden toegelicht hoeveel er van de 100 miljoen euro op de Aanvullende Post in 2019 is gebruikt en waarvoor? Zijn er bestemmingen voor gevonden?

Antwoord

Van de 100 miljoen euro in 2019 was in 2018 al 2,1 miljoen euro onttrokken voor kosten (Tijdelijke) Commissie Mijnbouwschade (TCMG). In 2019 is 82,6 miljoen euro van de resterende 97,9 miljoen euro die beschikbaar was op de Aanvullende Post overgebracht naar de begroting van EZK. De verdeling van deze uitgaven staat in de tabel hieronder.

Verdeling van de € 100 mln. voor kosten bovengronds op de EZK begroting

 
 

2019

 

Totaal gebruikt aanvullende post

82,6

Aanwending

 

1

NCG organisatiekosten

10,0

1

Provincie/gemeenten

6,0

3

(T)IVO (organisatie en programmabudget)

4,0

4

Apparaatsbudget DG GB

2,5

5

Werk- en onderzoekbudget DG GB

4,0

6

Woonbedrijf (aankoopbudget en jaarlijkse kosten)

10,0

7

Batch 1588

42,0

8

Gasloos bij woningen als versterkingsadvies toch sloop/nieuwbouw wordt

0,8

9

BTW-compensatie schade

3,3

     
 

Totale aanwending

82,6

231

Is al bekend waarvoor deze middelen in 2020 zijn gereserveerd? Zo ja, waarvoor?

Antwoord

In 2020 zullen de ministeries van BZK en EZK in gezamenlijkheid een bestedingsplan opstellen voor de noodzakelijke middelen. In het voorjaar van 2020 zal uw kamer daarover worden geïnformeerd.

232

Kan er per batch worden aangegeven wat de stand van zaken is?

233

Wat is de planning met betrekking tot de versterking per batch?

Antwoord op vragen 232 en 233

Tijdens het bestuurlijk overleg met de regio op 2 juli 2018 (Kamerstuk 33 529 nr. 502) is afgesproken hoe om te gaan met de adressen in de bestaande batches.

  • De versterking van alle woningen waarvan de bewoners vóór 23 april 2018 al een versterkingsadvies hadden ontvangen gaat door conform dat advies, zoals eerder toegezegd. Dit is van toepassing voor de adressen in batch 1467+.

  • Batch 1588 was op het moment van het uitbrengen van het Mijnraadadvies minder ver in het proces. Tijdens het bestuurlijk overleg op 2 juli 2018 (Kamerstuk 33 529 nr. 502) is door de bestuurlijke partijen besloten dat batch 1588 n.a.v. gewekte verwachtingen door kan gaan. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan de adressen met een verhoogd risicoprofiel (P50).

  • Bij de beoordeling van de adressen in batch 1581 is gebruik gemaakt van de Nederlandse praktijkrichtlijn uit 2015, een oude versie van de richtlijn gebaseerd op het winningsniveau en bijbehorende seismische dreiging van destijds. Er zijn met de regio bestuurlijke afspraken gemaakt over deze batch. De afspraak is dat de versterking van huizen uit de batch 1581 met een (licht) verhoogd risicoprofiel (P50 & P90) uitgevoerd moeten worden en dus onderdeel moeten uitmaken van de lokale plannen van aanpak. Voor de huizen met een normaal risicoprofiel uit batch 1581 wordt, conform de bestuurlijke afspraken met de regio, via een steekproef bekeken of er niet een te zwaar versterkingsadvies ligt (oftewel dat de beoordeling met een update van de richtlijn op andere maatregelen uitkomt). Deze steekproef is nu gaande, uw Kamer wordt over de uitkomsten geïnformeerd.

  • In de beginfase van de implementatie van het Mijnraad-advies is door de NCG doorgegaan met het inspectie en engineeringsprogramma van 2017 en 2018. Voor de adressen in deze programma’s geldt dat in volgorde van risicoprofiel (eerst P50 dan P90 adressen) het proces van opname en beoordeling wordt voortgezet naar laatste inzichten van veiligheid (NPR niet ouder dan 2017).

236

Hoeveel panden van woningcorporaties moeten versterkt worden?

Antwoord

Pas na opname en beoordeling is het duidelijk of en hoe een pand versterkt moet worden.

237

Hoe gaan de uitgaven op de voorjaarsnota 2020 eruit zien? Zijn uitgaven en reserveringen bij verschillende ministeries te vinden? Of blijft alles terug te vinden in artikel 5 van de begroting van het Ministerie van EZK?

Antwoord

Het kabinet heeft bij koninklijk besluit besloten de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de versterkingsoperatie en voor de investeringen in de toekomst van Groningen via het Nationaal Programma Groningen over te dragen van de Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Dit is een logische stap die aansluit op de verantwoordelijkheden en de expertise van het Ministerie van BZK op het gebied van burgerbetrokkenheid, bestuurskracht, bouwen, wonen en ruimtelijke ordening. Daarbij blijft de Minister van EZK verantwoordelijk voor de normstelling ten aanzien van de veiligheid in verband met de gaswinning. De rijksmiddelen die verband houden met de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de versterkingsoperatie en voor de investeringen in de toekomst van Groningen via het Nationaal Programma Groningen zijn bij nota van wijziging overgedragen naar de begroting van BZK. De middelen zullen bij respectievelijk EZK en BZK wel op één begrotingsartikel staan. Op de begroting van het Ministerie van BZK zijn de middelen zichtbaar op artikel 10 «Groningen versterken en perspectief». Op de begroting van EZK blijven de resterende middelen zichtbaar op artikel 5 «Een veilig Groningen met perspectief».

238

Kosten voor versterking worden achteraf verhaald op de NAM, conform de te maken afspraken. Op welke te maken afspraken wordt gedoeld?

Antwoord

Tot 1 januari 2020 loopt het contract van de NAM met het CVW en betaalt NAM alle kosten van de versterking rechtstreeks (Kamerstuk 33 529 nr. 535). Zodra de wetgeving versterken in werking is getreden, worden de kosten van de versterking via een jaarlijkse heffing op de NAM verhaald. Omdat een heffing een wettelijke basis dient te hebben, is voor de periode 1 januari 2020 tot inwerkingtreding van de wet een overeenkomst met de NAM nodig op basis waarvan de kosten bij de NAM worden gedeclareerd. Deze overeenkomst is op dit moment in voorbereiding. Zodra de overeenkomst over de kosten van versterking gereed is, zal deze met de Kamer gedeeld worden.

239

Wat is de netto bijdrage van de NAM aan het NPG? En wat is de netto bijdrage van de Staat aan het NPG?

Antwoord

Voor het Nationaal Programma Groningen (NPG) is in totaal 1,15 miljard euro beschikbaar. Vanuit de Rijksbegroting draagt de Staat 650 miljoen euro bij aan dit programma. De bijdrage van NAM aan het Nationaal Programma Groningen bedraagt 500 miljoen euro. Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 25 juni 2018 (Kamerstuk 33 529 nr. 493) is deze bijdrage een kostenpost voor de NAM. Deze kostenpost wordt – net als alle andere kosten die de NAM voor Groningen maakt – verrekend met de opbrengsten. Via een lagere winstafdracht leidt dit tot een daling van de aardgasbaten. Van de misgelopen winst als gevolg van de bijdrage van 500 miljoen euro van NAM aan het NPG, zou volgens de afdrachtensystematiek 73%, ofwel 365 miljoen euro, aan de Staat zijn toegekomen. De nettobijdrage van de Staat is daarmee 980 miljoen euro (615 miljoen euro + 365 miljoen euro).

240

Hoe verklaart u dat de verplichtingen na 2021 met zo’n 80% afnemen?

Antwoord

De verplichtingenraming ligt na 2021 substantieel lager omdat er geen raming is gemaakt voor de schadebetalingen en uitvoeringskosten, zoals toegelicht in de antwoorden op de vragen 48 en 241. Daarnaast lopen de ramingen na 2021 terug voor de verduurzamingsopgave.

243

Hoeveel panden in het aardbevingsgebied zijn voorzien van stutten?

Antwoord

In Groningen staan panden die als gevolg van bijvoorbeeld AOS-meldingen van bewoners in de stutten zijn gezet. Deels is dit gebeurd door NAM of CVW in de periode voordat TCMG de schadeafhandeling in Groningen overnam van NAM. NAM heeft alle bewoners van panden met stutten een aanbod gedaan om de schade te herstellen, zodat deze stutten niet meer nodig zijn. Er bestaat geen overzicht in welke gevallen de stutten al zijn weggehaald.

Sinds de start van TCMG op 19 maart 2018 heeft de TCMG de behandeling van AOS-meldingen overgenomen. Er zijn door de TCMG in totaal 27 panden in het aardbevingsgebied voorzien van stutten, waarvan 12 in 2018 en 15 in 2019. Een bewoner kan een melding van een AOS doen bij de TCMG. Het stutten van een pand is een (tijdelijke) maatregel om acuut onveilige situaties te verhelpen, die als zodanig kan volgen op een AOS-melding bij de TCMG. Tot nu toe heeft geen enkel gestut pand geleid tot een nieuwe AOS-melding.

244

Hoeveel van die gestutte panden hebben inmiddels tot een AOS geleid? Welk bedrag is vanaf 2012 tot en met 2019 per jaar en in totaal door welke instantie uitgegeven aan het daadwerkelijk herstel van de mijnbouwschade? Om welke bedragen zal het naar verwachting gaan in 2020, 2021 en 2022?

245

Welk bedrag is vanaf 2012 tot en met 2019 per jaar en in totaal door welke instantie uitgegeven voor het maken van rapporten voor het beoordelen van de afhandeling van de mijnbouwschade? Om welke bedragen zal het naar verwachting gaan in 2020, 2021 en 2022?

246

Hoeveel heeft de NAM vanaf 2012 per jaar betaald aan deze uitgaven voor zowel het maken van rapporten als het daadwerkelijk herstel van mijnbouwschade?

Antwoord op vragen 244, 245 en 246

De bedragen die NAM heeft uitgegeven aan het afhandelen van mijnbouwschade zijn opgenomen in de rapportages van de NCG die ook aan uw Kamer zijn toegestuurd. Uitgaande van de meest recente rapportage van de NCG (Kamerstuk 33 529, 586) heeft de NAM tot en met 2018 767,5 miljoen euro uitgegeven aan. NAM heeft hierbij geen onderscheid gemaakt in de kosten van rapporten, beoordelingen en de schadevergoedingen zelf.

Ingaande 19 maart 2018 kunnen bewoners voor fysieke schade aan woningen terecht bij de onafhankelijke Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) en loopt de schadeafhandeling via de EZK-begroting. Onderstaande tabel geeft voor 2018 de gerealiseerde uitgaven voor 2018 en de ramingen (cf. stand ontwerpbegroting 2020) voor 2019 tot en met 2021. Deze uitgaven via de EZK-begroting worden integraal doorbelast aan de NAM. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 241, is de raming vooralsnog niet doorgetrokken tot na 2021.

bedragen x € 1 mln

20181

2019

2020

2021

Schadevergoedingen

7,7

57,5

50,0

50,0

Uitvoeringskosten

47,5

90,7

95,0

95,0

Totaal

55,2

148,2

145,0

145,0

X Noot
1

Voor 2018 geldt dat voor schadevergoedingen en uitvoeringskosten respectievelijk 2,4 miljoen euro en 21,6 miljoen euro is doorbelast aan de NAM. Voor in totaal 24,0 miljoen euro is er derhalve een dubbeltelling met de 767,5 miljoen euro die de NAM, conform de rapportage van de NCG, tot en met 2018 heeft betaald.

247

Wat is de omvang van de personeelskosten en het aantal arbeidsplaatsen in 2019, respectievelijk 2020, van de NCG, TCMG, Tcbb, NPG en Mijnraad, uitgesplitst naar elke afzonderlijke instantie?

Antwoord

NCG: De personeelskosten voor de NCG in 2019 bedragen ca. 18,9 miljoen euro. Het aantal arbeidsplaatsen in 2019 bedraagt 214 FTE. Naar verwachting zullen in 2020 de personeelskosten en het aantal arbeidsplaatsen toenemen vanwege de overname van de taken van CVW/NAM op het terrein van de versterking.

TCMG: De personeelskosten voor (de ondersteuning van) de TCMG in 2019 bedragen ca. 47 miljoen euro. Het aantal arbeidsplaatsen in 2019 bedraagt 329 FTE. Gezien de forse toename in schademeldingen ligt het in de lijn der verwachtingen dat voor 2020 de personeelskosten en het aantal arbeidsplaatsen toenemen.

De Technische Commissie bodembeweging en de Mijnraad hebben één gezamenlijk secretariaat. Dit secretariaat heeft een omvang van 2,86 fte, kosten 0,4 miljoen euro (verdeling ca 0,25 miljoen euro voor Tcbb, en 0,15 miljoen euro voor de Mijnraad). Daarnaast is er een budget van 244.000 euro voor vergoedingen aan de leden van de Tcbb en Mijnraad volgens de vergoedingenbesluiten.

De Mijnraad telt op het ogenblik één voorzitter en 8 leden, de Tcbb bestaat op dit moment uit één voorzitter en 7 leden.

Dit alles is samengevat in onderstaande tabel, bedragen in miljoenen euro’s.

Organisatie

€ 2.019

FTE 2019

€ 2.020

FTE 2020

NCG

18,9

214

TCMG

47

329

Tcbb en Mijnraad

0.64

2.86*

0.72

2.86*

NPG

0.5

11 (6 maanden)

1

11

Leden van de Tcbb en de Mijnraad ontvangen een vergoeding en worden niet bij de FTE’s meegerekend.

248

Hoe hoog waren de aardgasbaten uitgesplitst naar het Groningen-veld en de kleine velden jaarlijks vanaf 2010 tot en met 2019, uitgedrukt in euro’s? Welke jaarlijkse aardgasbaten, wederom gesplitst in het Groningen-veld en de kleine velden, worden verwacht in de jaren 2020 tot en met 2022?

Antwoord

De totale (geraamde) aardgasbaten in de jaren 2010 t/m 2022 zijn als volgt (in duizenden euro’s):

Jaartal

Aardgasbaten

2010

7.657.541

2011

11.165.588

2012

11.839.743

2013

13.342.665

2014

10.505.291

2015

6.424.910

2016

1.926.754

2017

2.373.989

2018

1.461.955

2019

1.080.000 (1)

2020

1.050.000 (1)

2021

850.000 (1)

2022

740.000 (1)

X Noot
1

Dit zijn ramingen, gebaseerd op de Miljoenennota 2020

Zoals toegelicht in vraag 27 worden gasbaten bepaald op bedrijfsniveau en niet op veldniveau. Hierdoor worden de aardgasbaten niet uitgesplitst naar het Groningenveld of kleine velden.

249

Hoeveel waren de totale kosten geweest van schadeherstel en versterking, wanneer dat alles was uitgevoerd zonder tussenkomst van allerlei instanties?

250

Hoe staat het bedrag uit de vorige vraag in verhouding tot de kosten die nu zijn gemaakt om alle instanties op te richten?

Antwoord op vragen 249 en 250

De uitgaven voor schadeherstel, versterking en uitvoeringskosten worden separaat geraamd in de begroting, voor zover deze via de rijksbegroting lopen en niet rechtstreeks vergoed zijn door de NAM. Hieruit kan het verschil worden opgemaakt tussen de kosten voor TCMG en NCG en de kosten voor schadeafhandeling en versterking. Het proces dat leidt tot uitkeringen voor schade en versterking vereist een zorgvuldige uitvoering, waarbij instanties als NCG, TCMG en straks het IMG en de Uitvoeringsorganisatie noodzakelijk zijn, alsmede schadetaxateurs, bouwkundigen en aannemers. Zonder deze partijen kan geen schade worden hersteld en kunnen er geen gebouwen versterkt worden. Uitvoeringskosten gaan nooit ten koste van de schadevergoedingen en de uitgaven die nodig zijn voor de versterking.

251

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van TCMG, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie?

252

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten die zijn uitgevoerd voor TCMG, Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie?

253

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor TCMG, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie?

Antwoord op vragen 251, 252 en 253

In verschillende stadia worden organisaties en adviesbureaus betrokken voor zowel advisering als uitvoering van ICT-projecten. Bij de totstandkoming van (onderdelen van) de instituten zijn enkele medewerkers van een beperkt aantal externe partijen met expertise op het vlak van communicatie betrokken. Er zijn bij de uitvoering van (ICT-)projecten medewerkers van verschillende externe ICT-partijen betrokken en medewerkers betrokken van meerdere externe partijen op het vlak van projectmanagement, communicatie en juridisch advies.

254

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen TCMG, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

255

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen TCMG, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

256

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij TCMG, het Instituut Mijnbouwschade Groningen, RVO en de Uitvoeringsorganisatie en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Antwoord op vragen 254, 255 en 256

TCMG/RVO: De ondersteunende organisatie van de TCMG is een projectdirectie binnen RVO met in totaal 329 fte. Het aantal managementfuncties van de ondersteunende organisatie voor de TCMG is 19 FTE en het totaal aantal uitvoerende functies is 310 fte. De algemene communicatie van de TCMG bestaat uit 4 fte (woordvoering, interne communicatie, stakeholderrelaties, redactie, website en social media). Daarnaast worden specifieke communicatieactiviteiten uitgevoerd richting de schademelders via het serviceloket (20 fte), zaakbegeleiders (70 fte) en specifieke klant-/bewonerscommunicatie (5 fte). Het totaal aantal uitvoerende functies in de organisatie is 310 fte. De ondersteunende organisatie voor de TCMG bestaat uit 120 fte met een tijdelijk contract en 209 FTE met een vast contract.

IMG (Instituut Mijnbouwschade Groningen):

De TCMG gaat met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet Groningen over in het IMG. Het IMG is nog niet opgericht, derhalve kan nog niets gezegd worden over het aantal management- en uitvoerende, communicatiefuncties functies of aantal tijdelijke- en vaste contracten.

Uitvoeringsorganisatie/NCG: het aantal managementfuncties van de Uitvoeringsorganisatie/NCG is 12 FTE en het totaal aantal uitvoerende functies is 202 fte. Het aantal communicatiefuncties van de Uitvoeringsorganisatie/NCG is 9 FTE en het totaal aantal uitvoerende functies is 202 fte.

De NCG bestaat uit 77 fte met een tijdelijk contract en 137 FTE met een vast contract.

258

Hoeveel scholen zijn inmiddels versterkt? Hoeveel scholen moeten er nog versterkt worden?

Antwoord 258

Onderstaande tabel geeft de stand van zaken van het scholenprogramma weer, per oktober 2019:

Gemeenten

schoolgebouwen

Projecten

In voorbereiding

In uitvoering

Gereed

Loppersum

11

7

1

1

5

Delfzijl

19

11

7

2

2

Appingedam

6

4

4

0

0

Het Hogeland

24

14

9

1

4

Groningen

7

6

5

1

0

Midden-Groningen

34

20

18

2

0

Totaal

101

62

44

7

11

Dat het aantal projecten kleiner is dan het aantal schoolgebouwen, heeft als oorzaak dat een deel van de huidige schoolgebouwen wordt vervangen door kindcentra waarin meerdere scholen worden ondergebracht. Ook is een aantal scholen gesloten.

De volgende tabel geeft een overzicht van de 11 gebouwen die gereed zijn:

Gerealiseerde aardbevingsbestendige school

Type project

Aantal oorspronkelijke schoolgebouwen

1. De Horizon

Nieuwbouw

1

2. St Walfridusschool

Versterking +deel nieuwbouw

1

3. De Regenboog

Versterking + deel nieuwbouw

1

4. ’t Groenland + sporthal

Nieuwbouw school + versterking sporthal

2

5. Kindcentrum Loppersum

nieuwbouw

2

6. Kindcentrum De Klaver

nieuwbouw

2

7. Kindcentrum Middelstum

nieuwbouw

2

8. Klim-op

nieuwbouw

1

9. De Woldrakkers

nieuwbouw

2

10. Noorderpoort Energy & Maritime

versterking

1

11. Abt Emo

versterking

1

Totaal:

11

16

259

Hoeveel zorggebouwen zijn er inmiddels versterkt? Hoeveel zorggebouwen moeten er nog versterkt worden?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft de stand van zaken van het zorgprogramma weer, per oktober 2019:

 

Zorggebouwen

Zorggebouwen voor versterken

In voorbereiding

In uitvoering

Gereed

Totaal

70

49

17

0

1

Dat het aantal zorggebouwen voor versterking kleiner is dan het aantal zorggebouwen dat in het Zorgprogramma zit, heeft als oorzaak dat een deel van de huidige zorggebouwen wordt vervangen door nieuwbouw van specialistische centra of woon-zorg voorzieningen waar meerdere zorglocaties worden ondergebracht.

Een overzicht van panden betrokken bij nieuwbouw en panden betrokken bij versterken is te vinden in bijlage 1 en bijlage 2 van het Groninger Zorgakkoord, dat de Minister van VWS per brief van 11 maart 2019 aan de Kamer heeft aangeboden (Kamerstuk 31 765, nr. 394).

260

Hoeveel panden waarin kwetsbare mensen wonen, die minder snel uit een woning kunnen komen, zijn er? Hoeveel daarvan staan er in de planning versterkt te worden?

Antwoord

Zoals in mijn beantwoording op de Kamervragen van lid Beckerman van mei dit jaar (2019Z06861) is aangegeven staat de veiligheid van alle Groningers, oud én jong, voor mij voorop. Leven, wonen en werken in Groningen moet even veilig zijn als op andere plekken in Nederland. Bij de beoordeling of versterkingsmaatregelen nodig zijn, wordt gebruikgemaakt van de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR). In de NPR worden conform reguliere bouwregelgeving zogeheten «Consequence Classes» gehanteerd. Hiermee worden aanvullende veiligheidsfactoren geïntroduceerd voor bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen en panden waar zorg verleend wordt. Deze panden worden zwaarder versterkt dan op basis van de norm voor het individueel risico noodzakelijk is. Daarnaast wil het kabinet met het Programma Langer Thuis ouderen overal in Nederland helpen in hun vertrouwde omgeving zelfstandig oud te worden, met een goede kwaliteit van leven. Het is mogelijk om bij de versterking een huis meteen levensloopbestendig te maken als de eigenaar dit wenst. Dit gebeurt ook al op verschillende plekken, zo bouwt woningcorporatie Acantus bijvoorbeeld voor alle 386 huizen die gesloopt worden in Delfzijl Noord een levensloopbestendige woning terug.

261

Hoe zien de te verwachten gasbaten er uit na het besluit de gaswinning in 2022 te beëindigen, onderverdeeld in het Groningen-veld en kleine velden?

Antwoord

De lagere gaswinning in het gasjaar 2019–2020 is reeds in de Miljoenennota verwerkt. De verwachte lagere gaswinning in latere jaren wordt bij Voorjaarsnota in de begroting verwerkt. Uitgangspunt hiervoor is de jaarlijkse raming die GTS eind januari opstelt op basis van de Mijnbouwwet. Zoals toegelicht in vraag 27 worden gasbaten bepaald op bedrijfsniveau en niet op veldniveau. Hierdoor worden de aardgasbaten niet uitgesplitst naar het Groningenveld of kleine velden.

262

Hoeveel ondernemers betalen belasting in het lage tarief vennootschapsbelasting? Kunt u dit uitsplitsen in grootte van bedrijven?

Antwoord

In 2016 waren er 272.000 vpb-belastingplichtigen waarvan het belastbare bedrag volledig in het lage tarief van de vennootschapsbelasting viel. Hiervan behoren 268.500 bedrijven tot het MKB en 3.500 tot het grootbedrijf.

263

Hoeveel ondernemers betalen belasting in het hoge tarief vennootschapsbelasting? Kunt u dit uitsplitsen in grootte van bedrijven?

Antwoord

Een ondernemer betaalt voor het belastbare bedrag boven 200.000 euro het hoge tarief. In 2016 waren er 44.000 vpb-belastingplichtigen die een belastbaar bedrag hoger dan 200.000 euro hadden. Hiervan behoren 42.500 bedrijven tot het MKB en 1.500 tot het grootbedrijf.

264

Wat gaat er met/bij EBN gebeuren nu de gaskraan sneller dichtgaat?

Antwoord

Het sneller dichtdraaien van de gaskraan heeft alleen betrekking op Groningengas. Naast haar deelname in de productie van het Groningengas heeft EBN nog vele andere activiteiten, zoals de deelname in de opsporing en winning van de Nederlandse kleine velden en aardwarmte. Alle overige activiteiten van EBN worden voortgezet. Daarnaast kan EBN een rol spelen in de energietransitie vanwege haar kennis van de ondergrond en haar belang in (offshore) gasinfrastructuur.

265

Kan er in een overzicht helder gemaakt worden welke kosten van de schadeafhandeling, de versterking en verduurzaming betaald zijn door de NAM en welke door de overheid?

Antwoord

Uitgaande van de in het antwoord op vraag 244 aangehaalde rapportage van de NCG zijn de uitgaven waar naar gevraagd wordt als volgt te onderscheiden.

Uitgaven NAM bedragen x € 1 mln

2018

Veiligheid en preventieve versterking

920,0

Schadeafhandeling (inclusief opkoop van woningen en maatregelen)

767,5

Overig instrumentarium (waardevermindering, -vermeerdering, nieuwbouw, commissie bijzondere situaties, regeling achterstallig onderhoud en opkoopregeling)

238,2

Totaal

1.925,7

bron: halfjaarrapportage NCG 5 maart 2019

Hieronder de uitgaven tot en met 2018 van de overheid (EZK-begroting). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 29 worden alle kosten voor versterking die nodig zijn voor de veiligheid tot 1 januari 2020 door de NAM betaald.

 

Uitgaven EZK bedragen x € 1 mln

20181

   

Schadevergoedingen (wordt verrekend met NAM)

7,7

Uitvoeringskosten (wordt verrekend met NAM)

47,5

Verduurzaming in combinatie met schade en verduurzaming in combinatie met versterken (via het Samenwerkingsverband Noord Nederland)

16,7

Totaal

71,9

X Noot
1

Voor 2018 geldt dat voor schadevergoedingen en uitvoeringskosten respectievelijk 2,4 miljoen euro en 21,6 miljoen euro is doorbelast aan de NAM. Voor in totaal 24,0 miljoen euro is er derhalve een dubbeltelling met de 767,5 miljoen euro die de NAM, conform de rapportage van de NCG, tot en met 2018 heeft betaald.

266

Wat gebeurt er met de opbrengsten van de CO2-heffing? Worden deze ingezet voor een verdere verduurzaming van industrie?

Antwoord

De heffing heeft tot doel om bedrijven aan te zetten te investeren in CO2-reducerende maatregelen. Het doel is dus niet om opbrengsten te genereren. Mochten er opbrengsten zijn, dan worden die ingezet voor verduurzaming van de industrie, zoals ook is aangekondigd in de brief van het kabinet bij de aanbieding van het voorstel voor Klimaatakkoord en in het Klimaatakkoord zelf (Kamerstukken II, 2018–2019, 32 841 nr. 342).

268

Wordt de afspraak uit het Convenant Duurzaamheid Biomassa (25 PJ) gemonitord? Zo ja, door wie?

Antwoord

Door middel van de beperkte beschikbaarheid van SDE+-beschikkingen wordt geborgd dat er niet meer dan 25 PJ bijstook van duurzame biomassa wordt gestimuleerd. De afspraken uit het Convenant Duurzame Biomassa worden door de convenantspartijen gemonitord. Het Rijk is geen partij bij dit convenant.

269

Gaat de beperking tot 25 PJ naar verwachting overschreden worden of niet?

Antwoord

Nee, er zal niet meer dan 25 PJ bijstook van duurzame biomassa worden gestimuleerd.

270

Wordt het sluiten van kolencentrales meegenomen bij de inventarisatie van maatregelen met betrekking tot het Urgenda-vonnis? Hoeveel kolencentrales moeten gesloten worden om aan het Urgenda-vonnis te voldoen?

Antwoord

Het kabinet heeft op 28 juni jl. aangegeven ook het sluiten van kolencentrales bij de uitwerking van maatregelen te hebben betrokken, en heeft aangekondigd het verbod op de elektriciteitsproductie met gebruik van kolen voor de Hemwegcentrale van Vattenfall N.V. per 1 januari 2020 in te laten gaan. Op 1 november bent u geïnformeerd over de nieuwe ramingen voor CO2-emissies in de KEV2019 van PBL en heeft het kabinet extra maatregelen aangekondigd die een verdere bijdrage leveren aan de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Sluiting van een aanvullende kolencentrale, is niet aan de orde.

271

Hoeveel kolencentrales kunnen gesloten worden zonder dat de leveringszekerheid in gevaar komt?

Antwoord

Het wetsvoorstel verbod op kolen bij elektriciteitsproductie betreft geen sluitingswet, maar voorziet in een verbod op het gebruik van kolen bij het opwekken van elektriciteit en laat een andere aanwending van de productie-installaties onverlet.

De leveringszekerheidsmonitor van TenneT kijkt vooruit tot 2033 en verwacht dat de leveringszekerheid van elektriciteit in Nederland in deze periode toereikend is. Uit het onderzoek van Frontier Economics uit 2018 (bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 30 196, nr. 606) volgt ook dat met het wetsvoorstel verbod op kolen en de daarin voorgestelde gefaseerde aanpak de leveringszekerheidsnormen niet worden overschreden.

Het kabinet vindt leveringszekerheid belangrijk. Om die reden wordt de leveringszekerheid jaarlijks gemonitord door TenneT. Het belang van deze monitoring is ook onderschreven in het Klimaatakkoord. Mocht het voor de leveringszekerheid in de toekomst nodig zijn om actie te ondernemen, dan zijn er verschillende mogelijkheden om de leveringszekerheid te borgen, anders dan het toelaten van het gebruik van kolen voor elektriciteitsproductie. Vanuit het oogpunt van leveringszekerheid is relevant dat wordt voorzien in voldoende flexibel regelbaar vermogen. Flexibiliteit kan komen uit interconnectie, demand side response (waaronder hybridisering), opslag en regelbare productie zoals gascentrales. Het wetsvoorstel verbod op kolen staat dan ook niet in de weg bij het borgen van leveringszekerheid.

272

Wat is de precieze planning voor het wetsvoorstel tegen gedwongen winkelopenstelling op zondag, dat uitvoering moet geven aan de motie-Stoffer/Verhoeven, gepubliceerd onder nummer 35 000-XIII, nr. 61?

280

Waarom heeft de Tweede Kamer het voor de eerste helft van 2019 toegezegde wetsvoorstel om gedwongen winkelopenstelling op zondag te voorkomen tot op heden nooit ontvangen?

Antwoord op vragen 272 en 280

De motie-Stoffer/Verhoeven verzoekt om het in vraag 280 gestelde wetsvoorstel te borgen dat winkeliers zowel bij hun contract als bij verlenging de vrijheid hebben op zondag hun winkel gesloten te houden. Deze motie heeft ertoe geleid dat het originele wetsvoorstel niet in de eerste helft van 2019 naar de Kamer is gezonden. Het afgelopen jaar heb ik samen met de sector onderzocht hoe ik om te gaan met de motie. Ik verwacht het wetsvoorstel tot wijziging van de Winkeltijdenwet halverwege 2020 aan de uw Kamer te kunnen zenden en u te informeren over hoe ik met de motie om zal gaan.

273

Hoeveel fte’s zijn gecommitteerd aan het onderwerp toerisme?

Antwoord

Bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zijn specifiek voor het onderwerp toerisme 2 fte belegd. Voor de uitvoering van het toerismebeleid keert EZK jaarlijks een subsidie van 8.469.000 euro (excl. loon- en prijsbijstelling) uit aan het Nationaal Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC). Met behulp van deze subsidie heeft het NBTC in 2019 67 fte aan personele capaciteit.

274

Klopt het dat er voor de komende jaren geen beleidsvoornemens zijn op het gebied van nationaal toerismebeleid?

Antwoord

Nee. Op 18 april jl. heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd over het gastvrijheidsbeleid (Kamerstuk 26 419, nr. 75). Hierin heb ik aangegeven dat ik inzet op het duurzaam verder ontwikkelen van de gastvrijheidseconomie met alle partners en in het bijzonder de provincies. De sectorvisie Perspectief 2030 vormt daarbij het kader voor de inzet van mijn ministerie en het NBTC voor de middellange termijn.24 De nadruk in het gastvrijheidsbeleid is de afgelopen tijd verschoven van bestemmingspromotie naar bestemmingsmanagement om de bezoekersstromen te beheersen en zoveel mogelijk mensen te laten profiteren van toerisme. Het Perspectief is afgelopen half jaar uitgewerkt in een Actieagenda die afgelopen Toerismetop is gepresenteerd.25 Zo wordt onder andere gewerkt aan een Landelijke Data Alliantie, bedoeld om kennis, inzichten en data over toerisme te delen. Het Rijk pakt een regierol waar mogelijk en voor de hand liggend. Zo heb ik voorafgaand aan de Toerismetop met gedeputeerden gesproken over de samenwerking tussen provincies en Rijk en de gezamenlijke actieagenda. Deze actieagenda zal ik samen met de uitkomsten van de tweede toerisme top binnenkort aan uw Kamer sturen. De gesprekken met provincies zullen we de komende periode uiteraard voortzetten.

275

Wat is de omvang van de overlast en schade veroorzaakt door toerisme en wie zijn hiervan de dupe (zie Rli-rapport «Waardevol toerisme»)?

Antwoord

Overlast en schade door toerisme is een lokaal verschijnsel waar bewoners, ondernemers en bezoekers last van kunnen hebben. Het kan hierbij onder andere gaan om geluidsoverlast, afval/vervuiling, afnemende winkeldiversiteit, vervreemding in eigen stad, drukte in het openbaar vervoer en verminderde kwaliteit van de toeristische beleving.

Het rapport van de World Travel & Tourism Council «Coping with succes: Managing overcrowding in tourism destinations» laat zien dat Amsterdam relatief hoog scoort als het gaat om vervreemding in eigen stad en de druk op de infrastructuur.

Om beter zicht te krijgen op de lokale situatie voeren verschillende gemeenten en regio’s bewonersonderzoek uit. Zo voert de provincie Zeeland samen met 10 gemeenten een onderzoek uit naar de houding van bewoners naar toerisme. Eerste resultaten laten zien dat de meerderheid van de bewoners blij is met toerisme en vindt dat toerisme bijdraagt aan culturele identiteit en het behoud van cultuurhistorie en gebouwen. Tegelijk vinden bewoners het belangrijk dat ook de negatieve kanten van toerisme voldoende aandacht krijgen. Opvallend in het onderzoek is dat de lokale verschillen groot zijn, hier wordt komende tijd nog nader op ingezoomd.

Ook NBTC doet onderzoek naar de perceptie van bewoners op de impact en maatregelen t.a.v. toerisme in hun gemeenten, de resultaten worden aan het einde van het jaar gepubliceerd. Dit onderzoek is een vervolg op een onderzoek dat de United Nations World Tourism Organisation in andere landen in de wereld heeft gedaan.

276

Hoe gaan de aanbevelingen uit het Rli-rapport «Waardevol toerisme» om experimenteergebieden in te zetten om onderzoek te doen naar de effectiviteit van verschillende beleidsingrepen in toerismebeleid worden opgevolgd?

277

Hoe wordt omgegaan met de aanbevelingen uit het Rli-rapport «Waardevol toerisme» om meer regie, extra beleidscapaciteit en investeringsbereidheid op toerisme bij de rijksoverheid?

Antwoord op vragen 276 en 277

Het RLI-rapport is op 4 september jl. aangeboden aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de Staatssecretaris van EZK. Binnen de gebruikelijke termijn zullen wij uw Kamer de Kabinetsreactie op de aanbevelingen zenden.

278

Kunt u aangeven met wet voor regeling u gaat komen voor energiecoöperaties in plaats van de postcoderoosregeling en met welk budget?

Antwoord

Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden voor een omvorming van de bestaande fiscale regeling verlaagd tarief naar een subsidieregeling vanaf 2021. Ik zal uw Kamer hierover vóór de begrotingsbehandeling informeren.

279

Kunt u een stand van zaken geven van de ontwikkelfaciliteit voor energiecoöperaties? Bent u bereid ervoor te zorgen dat deze vanaf 1 januari 2020 beschikbaar wordt voor coöperaties?

Antwoord

Het Ministerie van EZK heeft 5 miljoen euro beschikbaar voor de ontwikkelfaciliteit op voorwaarde dat provincies tenminste 5 miljoen euro meefinancieren. In de kabinetsappreciatie van de KEV [PM kamerstuk] is als onderdeel van het pakket van aanvullende maatregelen voor de doelstellingen van 2020 aangekondigd dat dit budget voor het ontwikkelfonds energiecoöperaties wordt verdubbeld van € 5 naar € 10 miljoen. Hiermee wordt hun slagkracht vergroot, waarmee meer projecten worden gerealiseerd.

Zoals afgesproken in het (ontwerp)Klimaatakkoord is door het IPO onderzocht op welke wijze de ondersteuning van energiecoöperaties het meest efficiënt georganiseerd kan worden. Hierover is in mei 2019 per brief aan de voorzitter van de Elektriciteitstafel verslag gedaan. Op basis van dit onderzoek is binnen het IPO besloten dat zij niet gezamenlijk deelnemen aan het ontwikkelfonds, maar dat het voor sommige provincies wel interessant kan zijn om aansluiting te zoeken bij en bij te dragen aan een nationaal ontwikkelfonds. Mogelijk met een lokale component daarin verwerkt. En dat het aan de individuele provincies is om hierover het gesprek te voeren. Dat gesprek vindt momenteel plaats. Het streven is om de ontwikkelfaciliteit zo snel als mogelijk beschikbaar te hebben voor provincies die meefinancieren.

281

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aanstelling van een ambassadeur voor de sector Life Sciences & Health?

Antwoord

Op 9 oktober jl. is publiekelijk bekend gemaakt dat mw Clémence Ross-van Dorp, voormalig Staatssecretaris van VWS, zich met ingang van 1 januari 2020 zal inzetten als LSH-ambassadeur. Zij doet dat namens de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Als ambassadeur zal mw. Ross-van Dorp zich inzetten om de economische en maatschappelijke kansen die de komst van de EMA biedt optimaal te verzilveren en zo de Nederlandse LSH-sector te versterken. Dit najaar zal Ross-van Dorp starten met voorbereidende activiteiten op haar rol als ambassadeur; zo zal ze alvast kennis gaan maken met de relevante stakeholders.

282

Wat is de stand van zaken van het actieprogramma «Nieuwe kansen voor de topsector Life Sciences & Health»?

Antwoord

Binnenkort zal ik de Tweede Kamer informeren over de voortgang van het actieprogramma «Nieuwe kansen voor de topsector Life Sciences & Health»26.

Daarbij valt te noemen het aanstellen van een ambassadeur. Vanaf 1 januari 2020 zal Clémence Ross-van Dorp, voormalig Staatssecretaris van VWS, zich inzetten als ambassadeur. (Zie ook vraag 281). Vanaf 1 januari zal zij de periode tot en met de zomer van 2020 benutten om samen met relevante partijen waaronder Rijk, regionale clusters, gemeenten, bedrijven, gezondheidsfondsen, patiënten verenigingen, universiteiten en klinische centra in het LSH-domein te komen tot één nationaal Actieprogramma. Onderdelen daarvan zijn bijvoorbeeld de activiteiten op het gebied van strategische acquisitie en het verder door ontwikkelen van het programma Future Affordable Sustainable Therapies (FAST).

Verder zijn diverse activiteiten in gang gezet. Zo heeft de NFIA, met de komst van het EMA, de krachten gebundeld met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en een aantal grote steden om Nederland verder op de kaart te zetten als LSH-land onder de noemer «Invest in Holland Life Sciences & Health». Tijdens de economische missie van Nederland naar Boston die in juli dit jaar onder leiding van Minister president Rutte plaatsvond, kwamen vertegenwoordigers van overheden, de biotech-industrie en andere organisaties bijeen, om de lopende samenwerking op het terrein van de life sciences tussen Nederland en Massachusetts in een volgende fase te brengen. Het Massachusetts Office of International Trade and Investment (MOITI) en het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hebben een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend waarin de basis wordt gelegd voor een Transatlantic Life Sciences Partnership Massachusetts – Netherlands.

Om toekomstige therapieën optimaal van het laboratorium naar de individuele patiënt te brengen is een kennisintensief proces nodig met mogelijk nieuwe ontwikkelmodellen, nieuwe bedrijfsvormen of nieuwe bedrijven en publiek/private financieringsmodellen. ZonMw ziet mogelijkheden deze kansen te verzilveren door bestaande initiatieven te verbinden en meer samenhang te creëren in het gehele proces van therapieontwikkeling door de vorming van Future Affordable and Sustainable Therapies (FAST); een nationaal programma voor therapieontwikkeling. De contouren van een dergelijk programma heeft ZonMw besproken met relevante stakeholders uit de LSH-sector en uitgewerkt in een eerste schets van het FAST programma. Deze schets zal verder worden uitgewerkt tot een samenhangend, breed gedragen programmavoorstel.

283

Welke concrete maatregelen worden genomen om een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven in de sector Life Sciences & Health te creëren?

Antwoord

Uit gesprekken met bedrijven die overwegen in Nederland te investeren komt een aantal aandachtspunten naar voren: het vinden en aantrekken van geschikt personeel, zeer beperkte beschikbaarheid lab- en onderzoeksruimte en trage milieuvergunningverlening voor gentherapie. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat onderkent de urgentie van het oplossen van de gesignaleerde knelpunten en heeft een maatregelenpakket tot stand gebracht dat momenteel wordt uitgevoerd27.

284

Is het bedrijfsleven vertegenwoordigd in de Kennis & Innovatie Agenda 2020–2023 van de topsector Life Sciences & Health? Zo ja, hoe?

Antwoord

Er is geen Kennis & Innovatie Agenda (KIA) 2020–2023 van de topsector Life Sciences & Health (LSH) aangezien dit nieuw beleid betreft. Er is wel een KIA Gezondheid en Zorg (G&Z). De topsector LSH is gevraagd om naast de eigen inzet ook de bijdragen vanuit de andere topsectoren te coördineren voor het Maatschappelijk Thema G&Z. De KIA G&Z is het resultaat van deze afstemming waarbij de triple helix vanuit de topsectoren (bedrijfsleven, overheid en wetenschap) aan de basis van de agenda staat. Bij de follow up in het Kennis en Innovatie Convenant zijn veel private partijen betrokken wat blijkt uit de private bijdrage aan het KIC voor het thema G&Z.

Daarnaast heeft de topsector LSH over het jaar 2018 ruim 60 mln euro PPS-toeslag gegenereerd op basis van private bijdragen. Bijdragen die belangrijke initiatieven uit de sector mee hebben kunnen helpen starten, zoals bijvoorbeeld Oncode en RegMedXB.

285

Hoe gaat de samenwerking tussen de regionale ontwikkelingsmaatschappijen helpen bij het binnen halen van nieuwe economische activiteiten? Kan de Minister aangeven hoeveel nieuwe bedrijven en arbeidsplaatsen er het afgelopen jaar gecreëerd zijn binnen de sector Life Sciences & Health?

Zoals dit voorjaar al aangegeven (Kamerstuk 29 477, nr. 540) heeft het NFIA met de komst van het Europees Medicijnagentschap (EMA) de krachten gebundeld met de regionale ontwikkelingsmaatschappijen en een aantal grote steden om Nederland verder op de kaart te zetten als LSH-land onder de noemer «Invest in Holland Life Sciences & Health». Het team werkt vanuit Den Haag aan het versterken van de proposities en de positionering van Nederland op het gebied van Biopharma, MedTech, MarketAcces en Capital en het benodigde investeringsklimaat voor LSH-bedrijven.

Via reguliere (netwerk)bijeenkomsten en werkgroepen wordt met bedrijven en onderzoeksinstellingen gewerkt aan het versterken van Nederland als zichtbare en aantrekkelijke vestigingslocatie, zowel in Nederland als in het buitenland. Tijdens (inter)nationale evenementen zijn ook nieuwe connecties gelegd voor vervolggesprekken, zowel met bedrijven over de mogelijke komst naar Nederland, als met relevante internationale LSH-clusters over verdere samenwerking. Daarnaast spreekt het team veelvuldig met bedrijven uit de sector. Hier worden onder andere waardevolle signalen opgehaald over noodzakelijke verbeteringen van het Nederlandse investeringsklimaat voor het LSH-ecosysteem.

De 17 door Invest in Holland aangetrokken LSH-projecten uit 2018 zijn samen goed voor 1642 banen en 517,15 miljoen euro aan investeringen. Hierbij is EMA meegerekend. Voor deze directe banen- en investeringscijfers geldt dat deze door de investeerders aan Invest in Holland zijn bevestigd om te realiseren over de eerste drie jaar van aanwezigheid in Nederland.

De resultaten van Invest in Holland geven geen compleet beeld. Op dit moment wordt verkend hoe de LSH-sector in het kader van het Actieprogramma «Nieuwe kansen voor Topsector LSH» getalsmatig beter in beeld kan worden gebracht.

286

Hoe wordt bepaald welk onderzoeksbureau een onderzoeksopdracht van het ministerie krijgt gegund?

Antwoord

Afhankelijk van de omvang van de opdracht worden, in lijn met de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit, een of meer potentiële opdrachtnemers geselecteerd op basis van objectieve criteria of wordt een openbare aankondiging van de opdracht gedaan. Op basis van vooraf opgestelde selectie- en gunningcriteria wordt vervolgens bepaald welk onderzoeksbureau een onderzoeksopdracht van het ministerie gegund krijgt.


X Noot
1

Zie bijlage bij Kamerstuk 32 813, nr. 186

X Noot
3

Zie voor meer cijfermatige informatie over digitalisering de website Bedrijvenbeleid in beeld.

X Noot
4

Zie voor alle KIA’s: https://www.topsectoren.nl/innovatie

X Noot
5

Kamerbrief met reactie op advies bekostiging hoger onderwijs en onderzoek (Kamerstuk 31 288, nr. 744)

X Noot
6

Jaarbericht Staat MKB 2019 (Kamerstuk 32 637, nr. 382)

X Noot
7

Global Startup Ecosystem Report 2019, https://startupgenome.com/all-reports

X Noot
8

Kamerstuk 32 637, nr. 374

X Noot
12

Evaluatie WBSO 2011–2017, Bijlage bij Kamerstukken II, 32 637, nr. 358, p.11, conclusie 12.

X Noot
13

Monitor energiebesparing gebouwde omgeving 2017, RVO.

X Noot
14

Monitor energiebesparing gebouwde omgeving 2017, RVO

X Noot
15

WoON 2018

X Noot
16

Bijlage bij Kamerstuk TK, 2018–2019, 32 813, nr. 208 en bijlage bij Kamerstuk TK, 2018–2019 32 813, nr. 347.

X Noot
17

Een voorbeeld is Carbone, J. & Rivers, N. (2017). The Impact of Unilateral Climate Policy on Competitiveness: Evidence from Computable General Equilibrium Models.

X Noot
18

Climate Action Figures for 2018: https://www.eib.org/en/registers/all/92782519.html.

X Noot
20

De cijfers over de daadwerkelijke gesubsidieerde hoeveelheid bijstook van houtige biomassa bevat bedrijfsgevoelig informatie en kan daarom niet openbaar worden gemaakt.

X Noot
24

Het Perspectief bestaat uit vijf pijlers, waaronder het zorgen dat de lusten worden vergroot en de lasten tot een minimum beperkt; Nederland overal aantrekkelijk maken; en duurzame mobiliteitsoplossingen vinden voor optimale bereikbaarheid.

X Noot
26

Streven is om in Q4 2019 uw Kamer per brief te informeren over het Actieprogramma.

X Noot
27

Zie Tweede Kamer, 27428–358 en brief van de regering 2019Z12863 dd 19 juli 2019

Naar boven