Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201935200-XV nr. 8

35 200 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018

Nr. 8 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 juni 2019

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 15 mei 2019 inzake het Jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018 (Kamerstuk 35 200 XV, nr. 1).

De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 5 juni 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Rog

De adjunct-griffier van de commissie, Kraaijenoord

Vraag 1

Hoeveel versterkingsgelden in het kader van de aanpak radicalisering gaan er in 2019 naar gemeenten en regio’s?

Antwoord 1

Voor 2019 is in het kader van deze versterkingsgelden in totaal € 6.161.690 toegekend aan gemeenten en regio’s.

Vraag 2

Welke gemeenten en regio’s ontvangen versterkingsgelden in het kader van de aanpak radicalisering in 2019?

Antwoord 2

De gemeenten Almere (regio Flevoland), Amersfoort (regio Utrecht), Amsterdam, Arnhem, Culemborg (regio Gelderland-Zuid), Delft, Den Haag, Gouda, Haarlemmermeer (regio Noord-Holland), Huizen, Leiden (regio Hollands Midden), Maastricht (regio Limburg), Nijmegen, Nuenen (regio Brabant Zuid-Oost), Rotterdam, Schiedam (regio Rijnmond Noord), Tilburg (regio Hart van Brabant), Utrecht, Zoetermeer en Zwolle (regio IJselland) ontvangen in 2019 versterkingsgelden in het kader van de aanpak radicalisering. Gemeenten die verder zijn in de aanpak worden gestimuleerd om omliggende gemeenten daar waar nodig, te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld door het nog verder professionaliseren/ doorontwikkelen van de veiligheidshuizen en het verstrekken van meer versterkingsgelden en/of capaciteit specifiek voor de regionale aanpak.

Vraag 3

Hoeveel inburgeringsplichtigen uit de cohorten 2013 tot en met 2016 hebben de inburgeringstermijn van drie jaar verwijtbaar overschreden?

Antwoord 3

In de cohorten 2013 tot en met 2016 zijn in totaal 83.316 personen inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Van deze 83.316 inburgeraars hebben 4.577 inburgeraars de inburgeringstermijn van drie jaar (inclusief verlenging) verwijtbaar overschreden1.

Vraag 4

Hoeveel inburgeringsplichtigen uit de cohorten 2013 tot en met 2016 hebben een sanctie opgelegd gekregen als gevolg van het verwijtbaar niet inburgeren binnen de gestelde termijn en welke sanctie betreft het?

Antwoord 4

In totaal hebben 4.306 inburgeraars vallend onder de Wet inburgering 2013 uit cohorten 2013 tot en met 2016 een boetebedrag gekregen op basis van een verwijtbare termijnoverschrijding (peildatum 1 mei 2019). De hoogte van de boete varieert met de mate van verwijtbaarheid. Het maximale bedrag is € 1.250,–.

Vraag 5

Hoeveel inburgeringsplichtigen uit de cohorten 2013 tot en met 2016 hebben verlenging gekregen van de inburgeringstermijn en op welke grond?

Antwoord 5

In totaal hebben 64.806 inburgeraars vallend onder de Wet inburgering 2013 uit cohorten 2013 tot en met 2016 een verlenging gekregen (peildatum 1 mei 2019). Eén persoon kan om verschillende redenen meerdere type verlengingen van de inburgeringstermijn krijgen. Enkele voorbeelden van redenen waarom een verlenging van de inburgeringstermijn wordt toegekend zijn:

  • Toen de persoon inburgeringsplichtig werd, duurde het nog meerdere maanden voor hij/zij woonruimte kreeg buiten een AZC. De duur van de verlenging is afhankelijk van het verblijf in het AZC;

  • De inburgeraar moet eerst leren lezen en schrijven (alfabetiseren) en krijgt hiervoor maximaal twee jaar extra;

  • De inburgeraar is wegens bijzondere omstandigheden niet in staat om een cursus te volgen (bijvoorbeeld ziekte). Duur van de verlenging is afhankelijk van de duur van de bijzondere omstandigheid;

  • Door vertragingen in het gegevensverwerkingsproces komt het voor dat de inburgeringsplichtige nieuwkomer de kennisgeving inburgeringsplicht meer dan vier weken na de aanvang van de inburgeringstermijn ontvangt. De duur van de verlenging is afhankelijk van de duur van de vertraagde kennisgeving.

Vraag 6

Hoeveel inburgeringsplichtigen uit de cohorten 2013 tot en met 2019 zijn ontheven van hun inburgeringsplicht en op welke grond?

Antwoord 6

In totaal hebben 9.782 inburgeraars vallend onder de Wet inburgering 2013 uit de cohorten 2013 tot en met april 2019 een ontheffing gekregen2. Daarvan zijn 1.348 inburgeraars ontheven op medisch of psychische gronden, 8.405 inburgeraars op basis van aantoonbaar geleverde inspanning en 29 inburgeraars omdat zij aantoonbaar voldoende zijn ingeburgerd.

Vraag 7

Hoe vaak is er sinds het inroepen van de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering een beroep gedaan op de expertise van de taskforce en tot welke acties heeft dit geleid?

Antwoord 7

Sinds de start van de Taskforce is er verschillende keren een beroep gedaan op de expertise van de Taskforce. De ontvangen Note Verbales zijn in Taskforceverband opgepakt. Met de gemeenten waar de genoemde organisaties zijn gevestigd is contact opgenomen en is het duidings- en adviestraject gezamenlijk doorlopen.

Daarnaast is door 5 gemeenten contact opgenomen met de Taskforce in verband met casuïstiek op het terrein van problematisch gedrag. Voor 2 recente verzoeken van gemeenten moet het duidings- en adviesproces nog gestart worden. Iedere casus behoeft maatwerk, in de lopende casuïstiek wordt in overleg met de gemeenten gekeken naar de acties die worden ingezet.

Verder wordt in algemene zin bij de leden van de Taskforce doorlopend een beroep gedaan op expertise (NCTV, SZW, AIVD, BZK, OCW en BZ). In de klankbordgroep gemeenten wordt structureel expertise en ervaring gedeeld met en tussen gemeenten.

Tot slot is de Taskforce continue bezig met het verder opbouwen van kennis en expertise door middel van onderzoek, het in kaart brengen van handelingsperspectief en het verder ontwikkelen van aanvullend handelingsperspectief.

Vraag 8

Welke sancties worden er opgelegd aan inburgeraars die frauderen tijdens het inburgeringsexamen?

Antwoord 8

In alle gevallen dat er geconstateerd wordt dat er sprake is van onregelmatigheden van de kant van de inburgeraar wordt het examen ongeldig verklaard. Daarnaast wordt er in voorkomende gevallen ook nog aangifte gedaan bij de politie. Dit gebeurt bijvoorbeeld indien er sprake is van een «look a like».

Vraag 9

Wanneer er naar aanleiding van een onverwachte audit of schoolbezoek door Blik op Werk (BoW) overgegaan wordt tot een schorsing, wat is het beleid of de opvolging nadat deze schorsing voorbij is?

Antwoord 9

Wanneer Blik op Werk na een onverwacht bezoek of audit, na hoor en wederhoor, besluit te schorsen zal nadat de schorsing is opgeheven er gekeken worden of opnieuw een onverwacht bezoek of inspectie in de klas nodig is of dat een financiële inspectie gaat plaatsvinden. Scholen blijven na een schorsing minimaal een jaar onder verscherpt toezicht. In het kader van het regulier toezicht wordt ook de maatregel getroffen dat een schorsing wordt opgelegd voor een bepaalde tijd waarbij in die tijd door de taalschool een verbeterplan dient te worden opgesteld. Indien het verbeterplan echter niet van de grond komt, de cursusinstelling geen actie onderneemt, dan kan de vervolgstap «intrekking van het keurmerk» zijn.

Vraag 10

Van hoeveel maatschappelijke en religieuze instellingen is in 2018 de algemeen nut beogende instelling (ANBI)-status ingetrokken en om welke reden?

Antwoord 10

Uit cijfers van de Minister van Financiën blijkt dat in totaal van 1708 instellingen de ANBI-status is ingetrokken in 2018. Hiervan betreft het 922 instellingen die niet meer bestaan en zijn opgeheven bij de KVK. Van 786 instellingen is de status ingetrokken naar aanleiding van toezicht. De Belastingdienst houdt risicogericht toezicht op de naleving van de ANBI-regelgeving. Een reden voor intrekking van de ANBI-status is bijvoorbeeld een ondeugdelijke administratie of het niet voldoen aan de publicatieplicht.

Binnen de activiteitencode religie, levensbeschouwing en spiritualiteit gaat het om 323 organisaties waarvan de ANBI-status is ingetrokken, in 210 gevallen ging het om organisaties die ophielden met bestaan. In 113 gevallen is de status ingetrokken naar aanleiding van toezicht.

Vraag 11

Hoeveel personen ontvingen in 2018 een uitkering in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW)? Kunt u dit uitsplitsen naar alleenstaanden en samenwonenden?

Antwoord 11

In 2018 ontvingen gemiddeld 3.411.000 personen een AOW-uitkering (bron jaarverslag SZW). Hiervan was circa 2/3 gehuwd en 1/3 ongehuwd.

Vraag 12

Hoeveel mensen ontvingen een uitkering volgens de Inkomensvoorziening Ouderen Werklozen (IOW), uitgesplitst naar mensen die bij aanvang van de Werkloosheidswet (WW)-uitkering 60 jaar of ouder waren en gedeeltelijk arbeidsongeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-uitkering 60 jaar of ouder waren?

Antwoord 12

De meest recente cijfers die voorhanden zijn betreffen de (voorlopige) cijfers over 2018, zoals gepresenteerd in het jaarverslag van UWV, aangevuld met uitsplitsing WW/WGA.

 

2018

Totaal lopende IOW-uitkeringen

6.771

Waarvan WGA

262

Waarvan nul-uitkeringen

1.192

Naar leeftijd

 

62 jaar

3

63 jaar

533

64 jaar

2.019

65 jaar

3.869

66 jaar

347

Vraag 13

Zijn er recentere cijfers over het aantal huishoudens in Nederland dat risicovolle of problematische schulden heeft, dan de 1 tot 1,5 miljoen van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) uit 2016? Hoe heeft dit aantal zich in 2018 ontwikkeld?

Antwoord 13

Meer recente cijfers zijn op dit moment niet beschikbaar. Het kabinet vindt een goed inzicht in de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek van belang en wil de beschikking hebben over kwantitatieve informatie om de omvang van de schuldenproblematiek te kunnen volgen. Het CBS heeft in opdracht van SZW een onderzoeksmethodiek ontwikkeld om betrouwbare cijfers over de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek in Nederland te verkrijgen op basis van beschikbare databestanden.3 Deze manier van onderzoek maakt een betere informatievoorziening in de toekomst mogelijk, waarbij op regelmatige basis nieuwe en vergelijkbare cijfers gepubliceerd kunnen worden. De ontwikkeling van de omvang van de schuldenproblematiek kan dan door de jaren heen gevolgd worden. Het CBS voert momenteel het eerste onderzoek uit naar schuldenproblematiek in Nederland op basis van deze methodiek. De Staatssecretaris verwacht publicatie in het voorjaar van 2020.

Vraag 14

Hoeveel is er in 2018 uitgegeven in het kader van de subsidieregeling Kansen voor alle kinderen? Hoeveel is er niet uitgegeven? Wat gaat er gebeuren met de middelen die voor 2018 begroot waren, maar niet uitgegeven zijn?

Antwoord 14

Voor de subsidieregeling Kansen voor alle kinderen was in 2018 een bedrag van in totaal € 5,0 miljoen beschikbaar, waarvan € 4,0 miljoen voor Europees Nederland en € 1,0 miljoen voor Caribisch Nederland. Voor Caribisch Nederland geldt dat daar subsidietoekenningen hebben plaatsgevonden voor het genoemde bedrag van € 1,0 miljoen, waarvan de kasuitgaven in 2018 € 0,8 miljoen zijn geweest. De kasuitgaven in 2019 in verband met deze toekenningen bedragen € 0,2 miljoen en zijn met gebruikmaking van de zgn. eindejaarsmarge in 2019 beschikbaar gekomen.

Voor het deel Europees Nederland is een bedrag van afgerond € 1,46 miljoen toegekend, waarvan de kasuitgaven in 2018 € 0,46 miljoen zijn geweest. Voor dit deel van de regeling was in totaal € 4,0 miljoen beschikbaar, maar zijn er in het aanvraagtijd veel minder aanvragen ingediend ten opzichte van wat tot aan dit subsidieplafond mogelijk was geweest. De bij de toekenningen horende kasuitgaven in 2019 en 2020 bedragen samen € 1,03 miljoen en zijn eveneens met gebruikmaking van de eindejaarsmarge in 2019 beschikbaar gekomen en met een kasschuif voor een deel doorgeschoven in 2020. Van het beschikbare budget is dus een bedrag van € 2,54 miljoen niet benut. Dit bedrag is vrijgevallen.

Vraag 15

Is het volledige arbeidsaanbod dat zich van de arbeidsmarkt heeft teruggetrokken tijdens de crisis, nu weer terug op de arbeidsmarkt?

Antwoord 15

Er zijn geen cijfers beschikbaar die een beeld geven van iemands arbeidsdeelname over tijd. Het is daarom niet mogelijk om te zeggen of mensen die zich hebben teruggetrokken tijdens de crisis nu weer zijn teruggekeerd op de arbeidsmarkt. Wel is duidelijk dat de groep werklozen nu een stuk kleiner is dan in de crisis. Op het hoogtepunt van de crisis (2014) waren er nog 660 duizend werklozen. Afgelopen april was dit nog maar 300 duizend. In dezelfde periode is het aantal werkenden gestegen met 710 duizend tot 8,9 miljoen. Dit laat zien dat er ook mensen zijn die vanuit de niet-beroepsbevolking de arbeidsmarkt hebben betreden en werk hebben gevonden.

Vraag 16

Wat kunnen de onderliggende oorzaken zijn van de huidige ontwikkeling van de inflatie?

Antwoord 16

De inflatie was in 2018 gemiddeld 1,7 procent, dat is in lijn met de gemiddelde prijsontwikkeling in de eurozone. Zowel in Nederland als in de eurozone was de prijsstijging in 2018 hoger dan in de voorgaande vier jaar. Volgens het CBS4 is de inflatie in 2018 vooral toe te schrijven aan de prijsontwikkeling van elektriciteit (prijsstijging van 15,7 procent in 2018) en gas (+ 7,5 procent). Ook was de prijsstijging van overige verzekeringen (zoals aansprakelijkheids- en rechtsbijstandverzekeringen) met 10,1 procent aanzienlijk.

Vraag 17

Hoe vaak wordt een briefadres geweigerd aan daklozen?

Antwoord 17

Dat is niet bekend en ook niet te achterhalen. Er wordt niet (centraal) bijgehouden of en hoe vaak een briefadres geweigerd wordt. De uitgifte van briefadressen valt onder beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van BZK. Het beleid van BZK richt zich op voorkomen van onterecht weigeren van een briefadres. Elk geval dat onterecht geweigerd wordt is daarbij een geval te veel, maar opgemerkt moet worden dat er ook terechte weigeringsgronden zijn.

Vraag 18

Indien het minimumloon met 10% verhoogd wordt, hoeveel geld extra zou volgens u dan uitgegeven worden aan de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) (ondere andere aan het Lage-inkomensvoordeel (LIV))? Kunt u uw berekening onderbouwen en uitsplitsen naar de verschillende onderdelen van de Wtl?

Antwoord 18

Een werkgever krijgt het LIV voor werknemers die tussen de 100% en 125% van het wettelijk minimumloon verdienen. Daarnaast kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar (jeugd-LIV). De uurloongrenzen van het LIV en jeugd-LIV zijn afgeleid van het wettelijk minimumloon.

Bij een verhoging van het wettelijk minimumuurloon (WML), stijgen de uurloongrenzen mee. Aangenomen dat lonen vlak boven het WML niet evenredig meestijgen zullen meer mensen binnen de uurloongrenzen van het LIV en jeugd-LIV vallen. Indien het wettelijk minimumloon met 10% verhoogd wordt, neemt het budgettaire beslag van de Wtl met ruim € 400 miljoen structureel toe. Circa € 350 miljoen daarvan is voor het LIV en het overige voor het Jeugd-LIV. De loonkostenvoordelen (LKV’s) ondervinden geen effect van het verhogen van het minimumloon.

Vraag 19

Kunt u een vergelijking geven van de kosten van levensonderhoud in Nederland ten opzichte van alle andere landen in Europa?

Antwoord 19

Jaarlijks maakt het Ministerie van SZW een vergelijking van het kostenniveau in het buitenland ten opzichte van Nederland voor de actualisatie van de woonlandfactoren die worden gebruikt in de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. In deze wet wordt bepaald dat de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet op het kindgebonden budget en de WGA-uitkering (en de eventuele toeslag op grond van de Toeslagenwet daarop) worden afgestemd op het kostenniveau van het land waar de belanghebbende of het kind woont. De hoogte is gemaximeerd op 100% van de uitkeringshoogte zoals deze in Nederland is. Het woonlandbeginsel is niet van toepassing op landen binnen de EU, de EER (Noorwegen, IJsland, Liechtenstein) en Zwitserland. In onderstaande tabel is het kostenniveau van de lidstaten van de EU, EER en Zwitserland uitgedrukt ten opzichte van het kostenniveau in Nederland in 2019, waarbij is aangesloten bij de berekeningswijze van de woonlandfactoren 20195 (met uitzondering van de maximering op 100%):

Land

Kostenniveau ten opzichte van Nederland

België

100%

Bulgarije

50%

Cyprus

80%

Denemarken

130%

Duitsland

100%

Estland

70%

Finland

120%

Frankrijk

100%

Griekenland

80%

Hongarije

60%

Ierland

100%

IJsland

140%

Italië

90%

Kroatië

60%

Letland

70%

Liechtenstein

220%

Litouwen

60%

Luxemburg

110%

Malta

80%

Noorwegen

140%

Oostenrijk

100%

Polen

60%

Portugal

80%

Roemenië

50%

Slovenië

80%

Slowakije

70%

Spanje

90%

Tsjechië

60%

Verenigd Koninkrijk

110%

Zweden

120%

Zwitserland

140%

Vraag 20

Waarom zijn er geen recentere cijfers beschikbaar over de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen? Wordt dat niet meer gemeten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 20

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) doet vanaf 2010 elke twee jaar in opdracht van het Ministerie van SZW onderzoek naar de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen bij de overheid en in het bedrijfsleven. Het meest recente CBS-onderzoek is gepubliceerd in november 2018 en is als bijlage bij het Implementatieplan arbeidsmarktdiscriminatie naar de Tweede Kamer gestuurd6. In dat onderzoek staan de loonverschillen in 2016 en de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren centraal. De loonverschillen in het jaar 2018 zullen onderdeel uitmaken van het eerstvolgende CBS-onderzoek wat naar verwachting eind 2020 gepubliceerd zal worden.

Vraag 21

Wat is de reden dat er nog geen nieuwe kerncijfers beschikbaar zijn voor de beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen? Wanneer komen deze wel beschikbaar? Zijn voor het Rijk wel cijfers van recentere datum beschikbaar?

Antwoord 21

Zie het antwoord op vraag 20.

Vraag 22

Wanneer worden de uitkomsten van het nader onderzoek naar een evenwichtigere kostendekkendheid van de tegemoetkomingen aan ouders verwacht?

Antwoord 22

Uit de Beleidsdoorlichting van artikel 10 Tegemoetkoming ouders die de Staatssecretaris op 14 december 2018 naar de Tweede Kamer stuurde blijkt dat de kostendekkendheid van de kindregelingen niet in alle gevallen evenwichtig is. In de kabinetsreactie heeft de Staatssecretaris daarom aangegeven dat zij gaat onderzoeken of een herallocatie van de beschikbare financiële middelen binnen de kindregelingen mogelijk is7. Na de zomer zal de Kamer geïnformeerd worden over het nadere onderzoek naar de doorwerking van een evenwichtiger kostendekkendheid van de tegemoetkomingen aan ouders in verschillende situaties. Dit in aanloop naar het geplande AO Kindregelingen in het najaar waar de beleidsdoorlichting artikel 10 Tegemoetkoming ouders en evaluatie Wet hervorming kindregelingen geagendeerd staat.

Vraag 23

Aan wat voor soort regio-overstijgende en regiospecifieke ondersteuningsprojecten is de beschikbare € 5 miljoen uitgegeven?

Antwoord 23

In 2017 hebben 33 arbeidsmarktregio's bij SZW ondersteuningsaanvragen ingediend voor het versterken van de gecoördineerde werkgeversdienstverlening in hun regio. € 3 miljoen is uitgekeerd aan de centrumgemeenten van deze arbeidsmarktregio’s gericht op hun regiospecifieke ondersteuningsvragen, nl. activiteiten die bijdragen aan een gecoördineerde werkgeversbenadering. Uit de ingediende plannen is ook gebleken dat er vier vraagstukken zijn die in veel regio’s spelen. De regio-overstijgende activiteiten zijn:

  • Campagne bekendheid Werkgeversservicepunt;

  • Dashboard;

  • Vakmanschap & Professionalisering Werkgeversdienstverlening;

  • Intervisie en Kennisdeling.

Een bedrag van € 2 miljoen van de € 5 miljoen wordt besteed aan deze vier bovenregionale ondersteuningsprojecten. Deze activiteiten lopen door in 2019. Alle 35 arbeidsmarktregio’s kunnen hieraan deelnemen. Na de zomer zal ik de Kamer informeren over de stand van zaken van deze activiteiten in mijn aangekondigde brief voor het structureel versterken van de werkgeversdienstverlening en het matchen in de arbeidsmarktregio’s8.

Vraag 24

Welke activiteiten van de regio-overstijgende projecten in 2018 zijn niet uitgevoerd?

Antwoord 24

De volgende activiteiten voor Matchen op Werk hebben geleid tot onderuitputting in 2018:

  • Campagne bekendheid Werkgeversservicepunt;

  • Dashboard;

  • Vakmanschap & Professionalisering Werkgeversdienstverlening;

  • Intervisie en Kennisdeling.

Voor deze regio-overstijgende activiteiten zijn er (voorbereidende) werkzaamheden uitgevoerd in 2018. Waaronder een Europese aanbesteding voor Intervisie en Kennisdeling en het UWV heeft een voorbeeld gemaakt voor een dashboard met regionale arbeidsmarktinformatie. In 2019 vinden er verdere activiteiten (en uitgaven) plaats gericht op het verbeteren van de gecoördineerde werkgeversdienstverlening in de arbeidsmarktregio’s. Alle 35 arbeidsmarktregio’s kunnen hieraan deelnemen.

Vraag 25

Wat is de stand van zaken van het programma sociaal domein?

Antwoord 25

In het Programma Sociaal Domein werken Rijk en gemeenten sinds 2017 samen met professionals en betrokken organisaties aan betere hulp voor (kwetsbare) mensen. Op 16 thema’s worden oplossingen ontwikkeld voor complexe vraagstukken in het sociaal domein. Na 2,5 jaar ligt de focus binnen het programma op het inzichtelijk maken van de resultaten die in de trajecten worden bereikt en de lessen die uit de gehanteerde werkwijzen kunnen worden geleerd. Najaar 2018 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties u via een brief geïnformeerd over de voortgang van het programma sociaal domein ten behoeve van het AO Sociaal Domein van 14 november 2018 (Kamerstuk 34 477, nr. 52) dat met uw Kamer is gehouden9.

Vraag 26

Hoeveel sociale werkvoorzieningen zijn er sinds de invoering van de Participatiewet gesloten? Kunt u een overzicht van namen en toelichting geven?

Antwoord 26

Het is essentieel dat mensen die ondersteuning van de overheid nodig hebben die ook krijgen. Het is daarbij van belang dat de opgedane kennis en expertise van de SW-bedrijven behouden blijft voor de brede doelgroep van de Participatiewet. De uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd naar gemeenten, en daarmee zijn zij verantwoordelijk voor de feitelijke organisatie van de sociale werkvoorziening en beschut werk. De Staatssecretaris beschikt daarom niet over een overzicht met namen en aantallen van SW-bedrijven die zijn gesloten. De Staatssecretaris is wel bekend met het feit dat de afgelopen jaren verschillende wijzigingen hebben plaatsgevonden in de uitvoering van de sociale werkvoorziening. SW-bedrijven vormen zich om tot toekomstbestendige bedrijven met verschillende organisatievormen. De afgelopen jaren zijn vele bekende namen verdwenen, maar ook veel nieuwe namen verschenen. Sallcon (Deventer) werd bijvoorbeeld Konnekted, Breed (Nijmegen) werd Werkbedrijf Rijk van Nijmegen, Atlant-groep (Helmond) werd Senzer, Felua (Apeldoorn) werd Lucrato, Wedeo (Doetinchem) werd Laborijn, de bedrijven Dukdalf (Maassluis), TBV (Vlaardingen) en BGS (Schiedam) vormden het nieuwe werkbedrijf Stroomopwaarts en in Alphen aan de Rijn werd het SW-bedrijf SWA omgedoopt tot Rijnvicus. Ongeacht de organisatievorm, geldt voor SW-medewerkers dat zij hun rechten behouden.

Vraag 27

Waarom is het bij de WGA-dienstverlening wel gelukt de capaciteit uit te breiden, maar bij de WW-dienstverlening niet? Gaat dit om andere professionals?

Antwoord 27

In de brief over de stand van de uitvoering (Kamerstuk 26 448, nr. 608) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de intensivering van de dienstverlening WW en WGA. Zowel op het terrein van de WW- als van de WGA-dienstverlening bleek intensivering meer tijd te vragen. De trajecten kennen beide hun eigen tempo en verloop. Bij de WGA lag het accent op uitbreiding van de capaciteit, in hoofdzaak door arbeidsdeskundigen te werven. Vooral omdat een deel van hen nog in opleiding is, is de WGA-capaciteit op dit moment nog niet ten volle productief. Bij de WW-dienstverlening lag de achtblijvende intensivering met name in de productiviteit van de adviseurs. Een capaciteitsuitdaging speelde geen rol in het kader van de WW-dienstverlening (zie ook het antwoord op vraag 29). Over de voortgang van de dienstverlening zal de Tweede Kamer voor het zomerreces nader worden geïnformeerd.

Vraag 28

Kan de volgende zin nader worden toegelicht: «Bij de WGA speelt dat de uitbreiding van de capaciteit wel goed is gegaan, maar dat de productiviteit van de professionals druk zet op de ruimte om aanvullende dienstverlening te bieden.»? Wordt hiermee bedoeld dat de professionals (nog) niet in staat zijn om de juiste dienstverlening te bieden? Zo ja, waarom zijn ze daar (nog) niet toe in staat? Zo nee, wat wordt er bedoeld met deze zin?

Antwoord 28

UWV en SZW zien verbeterruimte voor de productiviteit. Zoals de Algemene Rekenkamer aangeeft, is er capaciteitsverlies door de opleiding van nieuwe medewerkers. Daarnaast kan een profiling instrument leiden tot een meer effectieve en ook meer efficiënte benutting van de capaciteit. In de WW-dienstverlening heeft een dergelijk instrument zijn waarde reeds bewezen.

Vraag 29

Wanneer verwacht u dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voldoende in staat is om de gewenste persoonlijke dienstverlening aan WW-gerechtigden en WGA-gerechtigden te bieden?

Antwoord 29

Om de realisatie van de dienstverlening aan WW-gerechtigden op het afgesproken niveau te brengen zet UWV in op WW-dienstverlening gedurende de gehele WW-periode, op het juiste moment en op maat. Goede dienstverlening bieden aan de groep die ondanks de aantrekkende arbeidsmarkt niet aan het werk komt, stelt hoge eisen aan het vakmanschap van de adviseurs. Het ontwikkelen van dit vakmanschap kost tijd en energie. Op dit moment wordt met name hard gewerkt om de productiviteit van de adviseurs te verhogen door middel van betere ondersteuning en gerichte inzet van interventies. Het op niveau krijgen van de dienstverlening is, naast de inzet van UWV, afhankelijk van arbeidsmarkt gerelateerde factoren zoals het niveau van de werkloosheid.

Ten aanzien van de dienstverlening aan WGA-gerechtigden werkt UWV enerzijds hard aan het op orde brengen en – gelet de krapte op de arbeidsmarkt – houden van capaciteit en productiviteit. De feitelijke instroom in de IVA en WGA is afhankelijk van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en naar aard en omvang niet helemaal voorspelbaar. Mogelijk zal het UWV extra moeten opschalen. Anderzijds wordt vol ingezet op het vergaren van kennis en inzicht in bewezen effectieve interventies: wat werkt voor wie? In het najaar van 2019 start daartoe een onderzoek naar de effecten van verschillende niveaus van dienstverlening en loopt een meerjarig kennisprogramma naar het effect van allerhande interventies. Op basis van de uitkomsten van dit programma kunnen wij bepalen wat gewenste persoonlijke dienstverlening voor WGA’ers is.

Over de voortgang van de dienstverlening zal de Tweede Kamer voor het zomerreces nader worden geïnformeerd.

Vraag 30

Zijn de cijfers over mensen met (een risico op) problematische schulden de cijfers uit 2014 of zijn er inmiddels nieuwe cijfers beschikbaar?

Antwoord 30

De meest recente cijfers over de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek in Nederland komen uit het onderzoek Huishoudens in de rode cijfers 2015 van onderzoeksbureau Panteia (bijlage bij Kamerstuk 24 515, nr. 322).

Het kabinet vindt een goed inzicht in de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek van belang en wil de beschikking hebben over kwantitatieve informatie om de omvang van de schuldenproblematiek te kunnen volgen. Het CBS heeft in opdracht van SZW een onderzoeksmethodiek ontwikkeld om betrouwbare cijfers over de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek in Nederland te verkrijgen op basis van beschikbare databestanden.10 Deze manier van onderzoek maakt een betere informatievoorziening in de toekomst mogelijk, waarbij op regelmatige basis nieuwe en vergelijkbare cijfers gepubliceerd kunnen worden. De ontwikkeling van de omvang van de schuldenproblematiek kan dan door de jaren heen gevolgd worden. Het CBS voert momenteel het eerste onderzoek uit naar schuldenproblematiek in Nederland op basis van deze methodiek. De Staatssecretaris verwacht publicatie in het voorjaar van 2020. (zie ook vraag 13)

Vraag 31

Welk zicht heeft u op de effectiviteit van gemeentelijke schuldhulpverlening? Welke onderzoeken en cijfers zijn hierover beschikbaar?

Antwoord 31

Rode draad uit de monitoring en evaluatie van gemeentelijke schuldhulpverlening is dat er mogelijkheden zijn om mensen met schulden eerder en beter te bereiken en mensen die hulp krijgen verder te ontzorgen en effectiever te helpen.

Gemeenten monitoren en evalueren schuldhulpverlening in hun gemeente in de eerste plaats zelf. Divosa en NVVK verzamelen deze informatie voor respectievelijk de Divosa Benchmark Armoede & Schulden en NVVK Jaarverslagen. NIBUD en CBS onderzoeken schulden in Nederland. Recente voorbeelden zijn de rapporten «Financiële problemen 2018» van NIBUD en «Verkenning geregistreerde problematische schulden» van CBS. Regelmatig laat de Staatssecretaris onderdelen van schuldhulpverlening evalueren, zoals de «Aansluiting minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering» (bijlage bij Kamerstuk 24 515, nr. 489).

Vraag 32

Hoeveel gemeenten weigeren daklozen nog een briefadres?

Antwoord 32

Zie het antwoord op vraag 17.

Vraag 33

Hoeveel extra inspecteurs zijn ingezet vanuit de € 13 miljoen die in 2018 beschikbaar was voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen?

Antwoord 33

Overeenkomstig het Jaarplan 2018 is van de eerste tranche van € 13 miljoen circa € 4,4 miljoen besteed aan versterking van delen van de inspectieketen op het kerndepartement. Voorts is, conform het Jaarplan een aantal disciplines binnen de Inspectie versterkt om uitbreiding mogelijk te maken.

Per saldo is het personeelsbestand met circa 125 fte toegenomen in 2018. De werving resulteerde in aanname van 90 inspecteurs in 2018. De werving van rechercheurs is eind 2018 gestart.

In de periode tot en met 2022 zal de Inspectie stapsgewijs haar personeelsbestand met ruim 400 fte uitbreiden ten opzichte van de startsituatie eind 2017. Dit zal zowel in 2019 als de komende jaren leiden tot het stellen van vacatures door de Inspectie SZW. Momenteel loopt de werving voor tientallen posities. De versterking vindt gespreid plaats in de tijd aangezien ook de budgettaire middelen opbouwen naar uiteindelijk € 50,5 miljoen. De spreiding is ook wenselijk omdat de organisatie de uitbreiding moet kunnen organiseren en opnemen om tot productieve inzet te komen. Uitvloeisel van de ICF doelen is bijvoorbeeld dat de uitbreiding in de eerste jaren sterk gericht is op meer inzet voor veilig en gezond werk, omdat ernaar wordt gestreefd om die ICF doelen in 2020 te bereiken. De extra inzet voor eerlijk werk is gespreid over de gehele 4 jaars periode omdat dat ICF doel voor 2023 wordt nagestreefd. In het Jaarverslag van het Ministerie van SZW en in de Jaarverslagen 2018 en 2019 van de Inspectie SZW wordt met betrekking tot de Kerncijfers ICF nader ingegaan op de capaciteitsinzet op de diverse domeinen. Het Meerjarenplan 2019–2022 (MJP) van de Inspectie SZW geeft inzicht in de verdeling over de verschillende disciplines binnen de Inspectie. Grafiek 2 op pagina 37 van het MJP laat de verdeling zien van de middelen over de verschillende disciplines, inspecteurs, rechercheurs, onderzoekers, analisten, projectleiders, meldkamer, boete opleggers, handhaving, programmering, financiën, management etc. binnen de Inspectie SZW.

Vraag 34

Hoeveel inspecteurs zijn er nu in totaal beschikbaar voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen?

Antwoord 34

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 35

Hoeveel inspecteurs worden er naar verwachting nog geworven?

Antwoord 35

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 36

Hoeveel extra rechercheurs zijn ingezet vanuit de € 13 miljoen die in 2018 beschikbaar was voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen?

Antwoord 36

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 37

Hoeveel rechercheurs zijn er nu in totaal beschikbaar voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen?

Antwoord 37

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 38

Hoeveel rechercheurs worden er naar verwachting nog geworven?

Antwoord 38

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 39

Welke resultaten zijn tot op heden geboekt voor het ondersteunen van bedrijven bij preventieve activiteiten op het terrein van eerlijk, gezond en veilig werken?

Antwoord 39

Tijdens een landelijke startbijeenkomst op 7 november 2018 van het programma Eerlijk, Gezond en Veilig hebben rond de 150 deelnemers van diverse brancheorganisaties, kennisinstituten, bedrijven en andere betrokken partners ervaringen en kennis met elkaar uitgewisseld om eerlijk, gezond en veilig werken te bevorderen. Verder is een themabijeenkomst voorbereid over cao-naleving, deze zal op 24 juni a.s. plaatsvinden. Via het Arboportaal11 worden vanuit het programma goede voorbeelden van preventie op het terrein van eerlijk, gezond en veilig werk ontsloten voor branches en bedrijven.

Op dit moment wordt door middel van onderzoek in kaart gebracht welke goede voorbeelden en activiteiten uit de praktijk kunnen dienen als inspiratie op het gebied van het bevorderen van eerlijk werk. Een subsidieregeling om branches, werkgevers- en werknemersorganisaties financieel te ondersteunen bij preventieve activiteiten is voorbereid. Er wordt naar gestreefd om deze regeling, na publicatie in de Staatscourant en inwerkingtreding, nog voor het zomerreces open te stellen voor subsidieaanvragen.

Vraag 40

Wat zijn de huidige hoogtes van de onderstand, de Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland (AOV), de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en het wettelijk minimumloon op Caribisch Nederland voor verschillende huishoudens?

Antwoord 40

Vooraf zij vermeld dat de hoogte van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen voor elk openbaar lichaam afzonderlijk wordt vastgesteld. Hierna worden per situatie dan ook telkens drie bedragen genoemd, zoals deze gelden voor resp. Bonaire, Sint Eustatius (Statia) en Saba. De vermelde bedragen zijn uitgedrukt in de lokale munteenheid (USD).

Tevens zij opgemerkt dat de vraag naar de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is betrokken bij de weergave van de situatie van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid in de onderstand, waarmee recht op de daaraan gerelateerde toeslag ontstaat. De hoogte van de loondervingsuitkering op grond van de Wet ziekteverzekering BES resp. de Wet ongevallenverzekering BES is niet aan te geven, omdat deze in verhouding staat tot het dagloon op het tijdstip van intreden van de arbeidsongeschiktheid en dus geen vaste bedragen kent.

De onderstand, die een basisbedrag en situationeel afhankelijke toeslagen omvat, wordt op basis van een periode van 2 weken vastgesteld. Voor een aantal voorbeeldhuishoudens levert dat het volgende plaatje op maandbasis op:

 

Bonaire

Eustatius

Saba

Alleenstaande inwonend

358

446

429

Alleenstaande zelfstandig wonend

492

615

592

Alleenstaande, inwonend, arbeidsongeschikt

594

741

713

Alleenstaande, zelfstandig wonend, arbeidsongeschikt

728

910

875

Alleenstaande ouder, zelfstandig wonend, 2 kinderen

587

735

706

Gehuwden, zelfstandig wonend, 2 kinderen

715

895

860

Gehuwden, zelfstandig wonend, 2 kinderen, arbeidsongeschikt

951

1.190

1.144

De hoogte van de AOV-uitkering – zonder korting wegens niet opgebouwde jaren – is maandelijks:

 

Bonaire

Eustatius

Saba

Volledig AOV-bedrag per AOV-gerechtigde

644

805

774

Extra tegemoetkoming AOV-gerechtigden op duurder eiland

 

45

64

Toeslag jongere partner (hiervoor geldt een inkomensgrens)

441

551

530

De bedragen voor het wettelijk minimumloon zijn momenteel:

 

Per uur

Per maand

Per jaar

Bonaire

5,16

894

10.733

Sint Eustatius

6,46

1.120

13.437

Saba

6,21

1.076

12.917

Bovenstaande bedragen gelden voor personen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren is het wettelijk minimumloon een percentage van bovengenoemde bedragen.

Vraag 41

Welk deel van de € 13 miljoen is ingezet voor werving en hoeveel extra inspecteurs heeft dit opgeleverd?

Antwoord 41

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 42

Hoeveel werknemers hebben nu geen toegang tot een vertrouwenspersoon?

Antwoord 42

Het is niet bekend hoeveel werknemers geen toegang hebben tot een vertrouwenspersoon, wel is bekend dat werknemers vaker toegang hebben tot een vertrouwenspersoon naarmate het bedrijf groter is. In juni 2018 is aan uw Kamer het onderzoek «Vertrouwenspersonen in organisaties, onderzoek naar de rol en positie van vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen» verzonden12. Daaruit blijkt dat van de onderzochte arbeidsorganisaties 51% een vertrouwenspersoon heeft aangesteld. Het kan daarbij gaan om één of meerdere interne vertrouwenspersonen, externe vertrouwenspersonen of een combinatie van beide. Van de onderzochte organisaties met 5–9 werknemers heeft 28% een vertrouwenspersoon aangesteld. Bij organisaties met 10–49 medewerkers is dat 69%. Bij organisaties met 50–99 werknemers en 100 of meer werknemers gaat het om respectievelijk 87 en 92%.

Vraag 43

Kunt u een nadere toelichting geven op de pilot die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gestart is om beslaglegging in het buitenland makkelijker te maken?

Antwoord 43

De SVB heeft in het kader van de pilot 3 zaken opgepakt in het buitenland. Een aantal zaken loopt en de SVB pakt een aantal zaken binnenkort op. Er is tot nog toe nog geen beslag gelegd. Het beeld is dat beslaglegging in het buitenland niet gemakkelijk uit te voeren is. Ik zal u in de brief «Stand van de uitvoering» die ik in december 2019 naar uw Kamer zal zenden, nader informeren over de stand van zaken van de pilot.

Vraag 44

Hoeveel geld is begroot voor het vierjarige programma Preventie Beroepsziekten?

Antwoord 44

Er is € 2 miljoen per jaar begroot voor de periode 2018–2021.

Vraag 45

Hoeveel geld is begroot voor het monitoren of er voldoende capaciteit aanwezig is in de asbestsaneringsmarkt om het verbod op asbestdaken te halen?

Antwoord 45

In het debat op 6 maart over asbest is de motie13 van Kamerlid Aartsen (VVD) aangenomen om te monitoren of voldoende capaciteit in de asbestsaneringsmarkt aanwezig is om het verbod op asbestdaken te halen. Het Ministerie van IenW is voor de invoering van het verbod op asbestdaken verantwoordelijk en verantwoordelijke voor de uitvoering van deze motie. Overigens is de aanpassing van de wet die het asbestdakenverbod mogelijke zou maken, op 4 juni 2019 door de Eerste Kamer verworpen (Handelingen II 2018/19, nr. 33, item 6).

Vraag 46

Hoeveel geld is begroot voor voorlichting aan werkgevers rondom chroom-6?

Antwoord 46

Voor de communicatie specifiek over Chroom-6 is in 2019 € 160.000 begroot. Er zal in 2019 tweemaal een week lang een radiospot worden uitgezonden. Tevens is Chroom 6 onderdeel van de brede aanpak van gevaarlijke stoffen in het programma preventieve beroepsziekten (zie ook vraag 44). In dat kader is er aandacht voor het onderwerp in de tweewekelijkse nieuwsbrief, worden berichten op de belangrijkste online-kanalen geplaatst en werkbezoeken georganiseerd. Daarnaast is een focusgroep chroom-6 ingesteld bestaande uit diverse overheidsopdrachtgevers, -werkgevers en ProRail om ondersteuning te bieden bij de implementatie van een gezamenlijk protocol over veilige werkwijzen met Chroom 6, en om in het najaar een bijeenkomst te organiseren voor grote opdrachtgevers en voor organisaties van branches waarin gewerkt wordt met chroom-6 zoals de bouw en metaal. De bijeenkomst is gericht op kennisdeling over chroom-6 en het bieden van handelingsperspectief. Tot slot zal informatie waaronder veilige werkwijzen en goede praktijken worden verzameld en verspreid via Arboportaal.

Vraag 47

Hoeveel personen maakten in 2018 gebruik van de Algemene nabestaandenwet (Anw)?

Antwoord 47

Zoals aangegeven boven tabel 4.9.4 op pagina 108 waren er in 2018 in totaal circa 31.000 personen die een Anw-uitkering ontvingen.

Vraag 48

Waar worden de loon- en prijsbijstellingen bij het macrobudget participatiewetuitkeringen, arbeidsongeschiktheid en AOW door veroorzaakt?

Antwoord 48

De loon- en prijsbijstellingen bij een bepaalde uitkeringsregeling worden veroorzaakt door de wettelijke indexatie van die regeling. Onderstaand wordt omschreven welke factoren de indexatie van de AOW, de bijstandsnorm (bepalend voor de loon- en prijsbijstelling van het macrobudget) en de arbeidsongeschiktheidsregelingen (IVA, WGA en WAO) beïnvloeden.

De AOW is netto-netto gekoppeld. Dit betekent dat de hoogte van een AOW-uitkering wordt afgeleid van het netto referentieminimumloon. De hoogte van het netto referentieminimumloon is afhankelijk van de hoogte van het brutominimumloon en de ontwikkeling in fiscale variabelen, zoals de heffingskorting en de lengte van de belastingschijven. De loon- en prijsbijstelling in de AOW wordt dus veroorzaakt door een samenspel van de ontwikkeling van het brutominimumloon en veranderingen in de fiscaliteit. Dit geldt ook voor de bijstand. Belangrijk verschil is dat er in het netto-netto traject van de AOW wordt gerekend met een dubbele algemene heffingskorting, waar de dubbele algemene heffingskorting in het netto-netto traject van de bijstand stapsgewijs wordt afgebouwd. De loon- en prijsbijstelling van de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt veroorzaakt door de ontwikkeling van de lonen in de marktsector (contractloon en incidenteel) en de ontwikkeling in het brutominimumloon.

Vraag 49

Waaruit blijkt dat ouders sterker hebben gereageerd op de intensivering van de kinderopvangtoeslag dan verwacht? Wat kan de reden hiervan zijn?

Antwoord 49

Uit realisatiecijfers blijkt dat het gebruik van kinderopvang sterker is toegenomen dan verwacht. Gezien het feit dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de economische ontwikkeling belangrijke verklarende factoren zijn voor het gebruik van kinderopvang, ligt het in de rede dat de impact van deze factoren groter is dan verwacht.

Vraag 50

Komen de lagere uitgaven aan re-integratie arbeidsongeschikten door de onderbezetting bij het UWV?

Antwoord 50

Ja, dit is het gevolg van onderbezetting bij UWV in het verleden. De kosten van ingekochte re-integratietrajecten slaan deels neer in latere jaren. In 2017 zijn afspraken gemaakt over het inzetten van een basaal model aan dienstverlening en 2018 is UWV gestart met het geleidelijk uitbreiden van de uitvoeringscapaciteit. Het effect van meer ingekochte trajecten kent daarmee een vertraging in de uitgaven.

Vraag 51

Welk deel van de lagere uitgaven aan re-integratie komt doordat er minder uitkeringsgerechtigden waren?

Antwoord 51

De lager dan geraamde uitgaven zijn niet voor een specifiek deel toe te wijzen aan het aantal uitkeringsgerechtigden. De uitgaven zijn ook afhankelijk van de mogelijkheden en behoefte aan ondersteuning van de doelgroep. Daarnaast is de inzet van re-integratie afhankelijk van de uitvoeringscapaciteit van UWV.

Vraag 52

In welke sectoren is het LIV het meest uitgekeerd? Hoe ziet de loonontwikkeling in deze sectoren eruit?

Antwoord 52

In de sectoren horeca en detailhandel is het meest uitgekeerd. In het eerste kwartaal van 2019 zijn de cao-lonen (per uur inclusief bijzondere beloningen) gemiddeld met 2,2 procent toegenomen. In het eerste kwartaal van 2019 stegen de cao-lonen in de horeca en detailhandel bovengemiddeld, met respectievelijk 2,8% en 2,4%.14

Vraag 53

Hoe groot zijn de bedrijven die aanspraak hebben gemaakt op het LIV?

Antwoord 53

De grootte van het bedrijf is niet relevant voor het recht op LIV. Daarom wordt er geen structurele uitsplitsing van de LIV-gelden naar bedrijfsgrootte bijgehouden. Wel is bekend dat er in 2018 circa 450 bedrijven zijn (van de circa 93.500) die een LIV hebben ontvangen (over 2017) voor meer dan 70 werknemers.

Vraag 54

Hoeveel bedrijven hebben meer dan 50 werknemers voor wie het LIV wordt ontvangen?

Antwoord 54

Zie het antwoord op vraag 53.

Vraag 55

Constaterende dat in het kader van het LIV in 2018 in totaal € 474 miljoen uitgekeerd is aan ruim 93.500 werkgevers ten behoeve van ruim 413.000 werknemers, wat is het aandeel 45-plussers dat LIV ontving in 2018?

Antwoord 55

Leeftijd is niet relevant om in aanmerking te komen voor het LIV. Gegevens over de onderverdeling naar leeftijd zijn daarom niet beschikbaar.

Vraag 56

Kunt u bij de 93.500 werkgevers die LIV hebben ontvangen een uitsplitsing geven naar sectoren?

Antwoord 56

De Minister heeft op 13 februari 2018 onderstaand overzicht naar uw Kamer gestuurd met een verdeling van de LIV-gelden over de sectoren (Kamerstuk 25 883, nr. 322).

Sectorcode

Sector1

Relatief aandeel2

33

Horeca algemeen

13%

17

Detailhandel en ambachten

12%

52

Uitzendbedrijven

7%

12

Metaal- en technische bedrijfstakken

6%

66

Overheid, overige instellingen

6%

42

Groothandel II

5%

45

Zakelijke dienstverlening III

5%

1

Agrarisch bedrijf

5%

35

Gezondheid

4%

20

Havenbedrijven

4%

19

Grootwinkelbedrijf

4%

18

Reiniging

3%

44

Zakelijke dienstverlening II

3%

51

Algemene industrie

3%

32

Overig goederenvervoer

2%

41

Groothandel I

2%

64

Overheid, provincies en gemeenten

2%

10

Metaalindustrie

1%

13

Bakkerijen

1%

16

Slagers overig

1%

43

Zakelijke dienstverlening I

1%

50

Voedingsindustrie

1%

55

Overige takken van bedrijf en beroep

1%

 

Overige sectoren

8%

Totaal

100%

X Noot
1

Voor de sectorindeling is aangesloten bij de sectorcode WGA.

X Noot
2

Afgerond op een heel getal.

Vraag 57

Kunt u op basis van specifieke informatie over sectoren en grootte een inschatting maken van welk percentage (mag ook een range zijn) van de middelen voor het LIV terechtkomen bij kleine werkgevers met minder dan 25 man personeel?

Antwoord 57

Zie het antwoord op vraag 53.

Vraag 58

Welke onderzoeken en voorlichtingscampagnes zijn niet doorgegaan of pas in 2019 gestart?

Antwoord 58

Het budget Opdrachten art. 1 wordt gebruikt voor uitgaven voor onderzoeken, opdrachten algemeen, voorlichting en handhaving. Vooral op onderzoek en voorlichting is minder uitgegeven dan begroot.

De volgende onderzoeken zijn niet doorgegaan:

  • Het onderzoek naar Gelijke beloning van mannen en vrouwen in Caribisch Nederland is niet doorgegaan, omdat op dat moment onvoldoende duidelijkheid bestond over de uitvoerbaarheid;

  • Voorts is afgezien van een actualisatie van het SEO-onderzoek naar verdringing op de arbeidsmarkt, omdat andere organisaties al onderzoeken hadden gepland rond dit thema;

  • In de zomer van 2018 is besloten om het onderzoek Passende Zekerheden, dat EZK en SZW gezamenlijk zouden uitvoeren, niet meer te laten uitvoeren.

Naar 2019 zijn doorgeschoven de evaluatie van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd, een onderzoek naar de arbeidsmarkteffecten van de maatregelen van de Wet DBA, een vergelijkend onderzoek naar de handhaving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in het internationaal wegtransport, de vervolgstudie op het SCP-rapport Verschil in Nederland en een onderzoek naar de naleving van de Wet op de ondernemingsraden. Voorts zijn enkele onderzoeken wel in 2018 gestart, maar worden de uitgaven gedaan na afronding in 2019. Ten slotte is het onderzoek Bijdrage PIAAC: uitbreiding 65+ niet doorgegaan in 2018, dit wordt doorgeschoven naar 2019 of 2020.

Vraag 59

Wat is de reden dat het aantal reactieve inspecties verder toeneemt?

Antwoord 59

In de brief van 31 oktober 201815 over de uitbreiding van de Inspectieketen Inspectie SZW is ingegaan op het herstel van de balans tussen ongevalsonderzoek en actieve inspecties. Het toenemend aantal ongevallen, onder andere als gevolg van de aantrekkende economie, is daarbij een belangrijke factor. Dat vergt veel capaciteit. Dit terwijl in 2018 de extra middelen nog niet tot extra inzet van personeel leidden, omdat het werven, selecteren, opleiden en begeleiden op korte termijn capaciteitsinzet van het zittende personeel kost. Voorts geldt dat de toenemende juridisering ongevalsonderzoek bewerkelijk maakt. Hierdoor is de balans tussen actieve en reactieve inspecties in 2018 onder druk blijven staan. De ICF doelstelling is om die balans in 2020 te herstellen.

Vraag 60

Hoe verklaart u de relatief sterke toename van 7,5% (van 4,0% naar 4,3%) van het ziekteverzuim in 2018 ten opzichte van 2017?

Antwoord 60

Deze (geringe) toename van het ziekteverzuim past in het beeld dat in tijden van hoogconjunctuur het ziekteverzuim in het algemeen toeneemt.

Vraag 61

Hoe verklaart u de relatief sterke toename van 15,6% (van 3,2% naar 3,7%) van werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte in 2018 ten opzichte van 2016?

Antwoord 61

De stijging van 15,6% (van 3,2% naar 3,7%) van een door een arts bevestigde beroepsziekte lijkt vooral gelegen in de toename van een door een arts bevestigde burn-out-beroepsziekte.

Zoals toegezegd aan uw Kamer in de brief van 14 juni 2018 over de stand van zaken van psychosociale arbeidsbelasting (Kamerstuk 25 883, nr. 329) laat ik een onderzoek uitvoeren dat meer inzicht moet geven in de achterliggende oorzaken van burn-out in relatie tot werk-privé omstandigheden onder verschillende risicogroepen en risicosectoren, zoals onderwijs en zorg. De Staatssecretaris heeft toegezegd uw Kamer over de tussenresultaten van dit onderzoek eind 2019 te informeren.

Vraag 62

Waarom betreft het werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte? Zijn er geen cijfers beschikbaar over het aantal werknemers met een daadwerkelijk door een arts vastgestelde beroepsziekte? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 62

De cijfers komen voort uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) die door werknemers wordt ingevuld. Een zo volledig en betrouwbaar mogelijk totaalbeeld van de incidentie van beroepsziekten in Nederland per jaar, wordt in de Arbobalans gepubliceerd. Daarbij wordt niet alleen gebruik gemaakt van de NEA, maar worden verschillende informatiebronnen gecombineerd, zoals het Peilstation Intensief Melden (PIM) van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden (ZEA) en cijfers van het RIVM op basis van volksgezondheid- en zorgregistraties. De verschillende bronnen operationaliseren beroepsziekten op andere wijze en geven tezamen een totaalbeeld. Het PIM geeft aantallen meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen. In de NEA en ZEA gaat het om aantallen werknemers en zelfstandig ondernemers die zelf rapporteren dat ze één of meer beroepsziekten hebben die vastgesteld is (of zijn) door een arts.

Vraag 63

Waarom ontbreken de cijfers voor 2018 met betrekking tot zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte? Is de verwachting dat de sterke stijging van 18,8% van 2014 naar 2016 zich heeft doorgezet?

Antwoord 63

De Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden ZEA wordt éénmaal per twee jaar uitgevoerd in de oneven jaren. Dat verklaart de afwezigheid van cijfers in 2018. Voor de ZEA 2019 heeft de uitvraag in het voorjaar plaatsgevonden. De resultaten worden nu verwerkt en begin juli dit jaar gepubliceerd.

Vraag 64

Hoeveel inspecteurs en rechercheurs zijn er in 2018 bij de Inspectie SZW gestart?

Antwoord 64

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 65

Hoeveel vacatures zijn er op dit moment bij de Inspectie SZW (uitgesplitst naar functie)?

Antwoord 65

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 66

Hoeveel inspecteurs heeft de Inspectie SZW nog nodig om haar taak naar behoren uit te kunnen voeren?

Antwoord 66

De motie van het lid Heerma c.s.16 vroeg naar beoordeling van de toereikendheid van de inspectiecapaciteit. Dit heeft geleid tot ontwikkeling van het Inspectie Control Framework (ICF). In het Regeerakkoord 2017 is € 50 miljoen per jaar vrijgemaakt voor versterking van de handhavingsketen van de Inspectie SZW conform het ICF. In de periode tot en met 2022 zal de Inspectie stapsgewijs haar personeelsbestand met ruim 400 fte uitbreiden ten opzichte van de startsituatie eind 2017 om de in de begroting en het jaarplan benoemde ICF indicatoren te behalen.

Vraag 67

In hoeverre is in 2018 meer samengewerkt en informatie uitgewisseld met de opsporingsorganisatie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

Antwoord 67

De Inspectie SZW heeft een bijzondere Opsporingsdienst (BOD) die onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijke onderzoeken uitvoert. De Inspectie voert sinds 2014 in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onderzoeken uit naar fraude in de zorg. De samenwerking van de ketenpartners in de Zorg op het terrein van de bevordering van de rechtmatigheid en de bestrijding van fraude is georganiseerd in het zogenaamde TIZ-netwerk (Taskforce Integriteit Zorgsector). De Inspectie SZW heeft in december 2018 in samenwerking met de ketenpartners een signaleringsbrief gemaakt en deze naar de Minister van VWS gezonden. In deze brief zijn belangrijke en urgente signalen van de ketenpartners in de TIZ beschreven. De Ministers en Staatssecretaris van VWS hebben deze signaleringsbrief op 21 december 2018 aan uw Kamer gezonden als bijlage bij de Eerste voortgangsrapportage rechtmatige zorg 2018–202117.

Vraag 68

Hoe verklaart u dat ondanks dat er € 13 miljoen extra beschikbaar was voor de versterking en verbinding van de handhavingsketen, het aantal controles en onderzoeken voor het zoveelste jaar op rij is gedaald?

Antwoord 68

Zoals in het jaarplan 2018 voorzien, vergt het werven, selecteren, opleiden en begeleiden van nieuw personeel doorlooptijd en ook extra inzet van het bestaande personeel. In het Jaarplan 2018 is als vuistregel geformuleerd dat extra uitgaven voor personeel in jaar N daardoor in jaar N+1 tot extra operationele inzet leiden. Voorts geldt overigens dat er geen directe relatie is tussen uitgaven en aantallen inspecties. Dit in verband met de beweging «van streepjes naar effect» die in de Begroting SZW, Jaarplan Inspectie SZW, Jaarverslag SZW en het Jaarverslag Inspectie SZW ook wordt geïllustreerd met de opname van en rapportage over beoogde maatschappelijke effecten.

Vraag 69

Hoe verklaart u dat het totaal aantal inspecties en onderzoeken de afgelopen vijf jaar met 54% is afgenomen, van 22.641 in 2014 naar 10.468 in 2018?

Antwoord 69

Zie het antwoord op vraag 68.

Vraag 70

Hoeveel klachten en/of handhavingsverzoeken zijn er de afgelopen vijf jaar ingediend bij de Inspectie SZW? Hoeveel daarvan hebben geleid tot een daadwerkelijk onderzoek of controle?

Antwoord 70

In het jaarverslag Inspectie SZW 201818 wordt ingegaan op de (groei van) ongevalmeldingen, klachten en signalen.

Het totaal aantal klachten & signalen die de Inspectie heeft ontvangen in de periode 2015–2018

Het totaal aantal klachten & signalen die de Inspectie heeft ontvangen in de periode 2015–2018

Beslissing op de klachten & signalen in de periode 2015–2018

Beslissing op de klachten & signalen in de periode 2015–2018

Vraag 71

Wat was vanaf 2007 tot op heden het jaarlijkse budget voor de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie)?

Antwoord 71

De Inspectie SZW is in 2011 gevormd en formeel per 2012 ingesteld. De cijfers voor de jaren voor 2012 zijn ontleend aan het jaarverslag over 2011 van de Inspectie SZW en bevatten een consolidatie van voordien afzonderlijke delen.

 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Uitgaven x € 1 mln.

106

102

91

97

96

98

103

103

103

115

Vraag 72

Wat was vanaf 2007 tot op heden de omvang (in fte’s) van de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie), uitgesplitst naar inspecteurs en overig (kantoor)personeel?

Antwoord 72

Ten aanzien van de gevraagde uitsplitsing geldt dat deze voor een deel van de periode (vanaf 2012 tot 2015) beschikbaar is in het rapport van ABD Topconsult, pagina 2419. Voor 2016 is de uitsplitsing opgenomen op pagina 64 van het Jaarverslag 201620. Het meerjarenplan 2019–202221 bevat de uitsplitsing voor 2017 en geeft tevens de uitsplitsing van het personeel over de verschillende disciplines na voltooiing van de uitbreiding in 2022 weer.

Vraag 73

Wat was vanaf 2007 tot op heden het aantal bedrijfsbezoeken van de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie), uitgesplitst naar sector en in relatie tot het totaal aantal bedrijven actief in de desbetreffende sector?

Antwoord 73

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik uw Kamer naar jaarverslagen, begrotingen en jaarplannen van de Inspectie SZW. Daar wordt ingegaan op de mate waarin cijfers al dan niet vergelijkbaar zijn in de tijd. Cijfers zijn per definitie niet zonder reserve vergelijkbaar in de tijd omdat er voortdurend sprake is van aanpassingen in de te handhaven wetgeving en van aanpassingen in de gevolgde handhavingsstrategie. Bovendien is de Inspectie zich de afgelopen jaren steeds meer gaan richten op het centraal stellen van maatschappelijk effect. Daarbij hanteert de Inspectie een brede interventiemix, waarbij zij kijkt welke interventie leidt tot het meeste maatschappelijk effect. Een bovenmatige focus op aantallen inspecties zegt weinig over het maatschappelijk effect dat wordt bereikt en heeft als risico dat kwantiteit voorgaat op kwaliteit. Een inspectie kan staan voor een bezoek van enkele uren of juist voor een diepgaand onderzoek van dagen of weken, waarbij de Inspectie een constructie ontrafelt. In een verantwoording louter gebaseerd op aantallen inspecties leidt dit tot een tendens om korte interventies te doen, terwijl juist maximering van effect nuttig is.

Vraag 74

Wat was vanaf 2007 tot op heden het aantal opgelegde boetes of andere sancties door de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie)? Wat was de totale omvang van het boetebedrag?

Antwoord 74

Zie het antwoord op vraag 73. Zie voor de laatste stand van zaken pagina 81 van het Jaarverslag Inspectie SZW 201822.

Vraag 75

Kunt u de inzet van de Inspectie SZW en de opgelegde boetes of andere sancties specificeren voor de regio Westland?

Antwoord 75

De Inspectie SZW stuurt op het behalen van een zo groot mogelijk effect. De Inspectie doet dit in 17 verschillende programma’s die onder meer zijn gericht op de agrarisch en groene sector, de uitzendbranche en op de aanpak van schijnconstructies. In ieder van die programma’s kan detectie van en handhaving op overtredingen in het Westland aan de orde zijn. Binnen de programma’s wordt een mix van interventies ingezet zoals gezamenlijke inspecties gecombineerd met mediacampagnes. In het Westland zijn de afgelopen jaren diverse intensieve campagnes geweest waarbij onder meer in korte tijd verschillende risicovolle uitzendbureaus en inleners zijn gecontroleerd. De gecombineerde inzet van de verschillende interventies is maatgevend voor het te behalen maatschappelijk effect. De gepleegde inzet op bedrijfsinspecties (zowel kenbaar via bedrijfsnaam, plaats van vestiging als geïnspecteerde locatie) is te volgen op de website inspectieresultaten.nl.

Vraag 76

Hoe verklaart u dat terwijl het budget van de Inspectie SZW met circa 50% toeneemt, van € 103 miljoen in 2017 naar € 153 miljoen in 2022, het personeelsbestand slechts met 40% toeneemt, van 1.125 fte naar 1.550 fte?

Antwoord 76

Het meest actuele inzicht in de ontwikkeling van het budget van de inspectie treft u aan op pagina 39 van het Meerjarenplan van de Inspectie23. Het budget in 2022 staat daarbij op 149,7 miljoen. Van de extra beschikbare middelen van € 50,5 miljoen wordt, overeenkomstig de verdeling zoals opgenomen in het jaarplan 2018 en het Meerjarenplan, circa € 4,4 miljoen ingezet voor versterking van delen van de handhavingsketen buiten de inspectie SZW (kerndepartement). Binnen de Inspectie SZW wordt het merendeel van de extra middelen ingezet voor personeel. Daarnaast wordt, overeenkomstig het ICF, een deel van de middelen ingezet voor hardware en software ten behoeve van Informatie Gestuurd Werken, onderzoek en communicatie. Per saldo resulteert daardoor een versterking van de inspectie met ruim 400 fte.

Vraag 77

Hoe wordt de voorgenomen extra € 50 miljoen op jaarbasis per 2022 ingezet, uitgesplitst naar personeel (extra inspecteurs en overig (kantoor)personeel) en materiële uitgaven (waaronder ict-uitgaven)?

Antwoord 77

In het Meerjarenplan 2019–2022 (MJP) van de Inspectie SZW24 is nader ingegaan op de gevolgen van deze uitbreiding voor de programma’s en de verdeling over de verschillende disciplines. Dit leidt tot een verdeling per 2022 zoals vermeld in Grafiek 2 op pagina 37 van het MJP. Grafiek 1 op pagina 11 van het MJP geeft inzicht in de personele omvang en groei van de verschillende programma’s van de Inspectie SZW. Hieruit blijkt dat de capaciteit in nagenoeg alle programma’s de komende jaren wordt uitgebreid.

Vraag 78

Hoeveel intakegesprekken zijn er in 2018 gevoerd en hoe groot is de stijging ten opzichte van voorgaande jaren?

Antwoord 78

Eind vorig jaar heeft het kabinet het programma «Samen tegen mensenhandel gepresenteerd. Het programma vormt een nationaal actieplan om mensenhandel in den brede effectief te kunnen bestrijden. De Inspectie SZW draagt hier aan bij met name met het inspectieprogramma Arbeidsuitbuiting. Er wordt samengewerkt met diverse toezichthouders, overheden en private partijen. Onderdeel van dit brede programma vormt het inrichten van een operationeel informatiemeldpunt waar alle signalen en meldingen die mogelijk betrekking hebben op arbeidsuitbuiting samenkomen. Dit betrof in 2017 circa 50 intakes en dit steeg in 2018 met 50%.

Vraag 79

Hoe komt het dat de verhouding tussen actieve en reactieve inspecties in 2018 verder onder druk is komen te staan?

Antwoord 79

Zie het antwoord op vraag 59.

Vraag 80

Hoeveel opsporingsonderzoeken op het gebied van misstanden en fraude bij inburgering zijn er verricht?

Antwoord 80

Bij brief van 9 mei jl. is gemeld dat er inmiddels onderzoek is gedaan naar twee aan elkaar gelinkte taalscholen. Een van deze taalscholen is inmiddels niet meer actief. Daarnaast lopen er nog meerdere strafrechtelijke onderzoeken25.

Vraag 81

Staat de belofte uit het regeerakkoord van 20.000 extra beschutte werkplekken nog fier overeind?

Antwoord 81

De financiering van de 20.000 extra beschut werkplekken uit het regeerakkoord was gekoppeld aan de besparing als gevolg van de invoering van loondispensatie. Nu het kabinet heeft besloten af te zien van de invoering van loondispensatie is ook de financiële ruimte vervallen voor het realiseren van 20.000 extra beschut werkplekken. Bij de invoering van de Participatiewet is ervan uitgegaan dat er op langere termijn 30.000 beschut werkplekken tot stand komen. In de financiering is hiermee rekening gehouden via een jaarlijks m.i.v. 2015 oplopende reeks middelen. Voor de goede orde: de behoefte aan beschut werkplekken is leidend voor de aantallen die daadwerkelijk tot stand komen.

Vraag 82

Is er vanuit u enige actie ondernomen om gemeenten te bewegen om tot een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) beschut werk te komen? Zijn er overleggen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geweest waar dit onderwerp ter sprake is gekomen en wat was hier uw insteek?

Antwoord 82

Zoals de Staatssecretaris heeft gemeld in de brief van 19 december 201726 is de wenselijkheid en de totstandkoming van een cao voor beschut werk primair de verantwoordelijkheid van sociale partners, in dit geval de vakbonden en de VNG. Vanuit die verantwoordelijkheidsverdeling heeft de Staatssecretaris geen overleg met de VNG gevoerd over dit onderwerp.

Vraag 83

Onderschrijft u dat de mensen die voorheen een Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)-uitkering kregen en arbeidsvermogen bezitten, nu buiten beeld vallen van alle instanties, aangezien deze groep nu opgegaan is in de Participatiewet? Welke onderzoeken zijn beschikbaar om deze groep wel in beeld te krijgen? Wat gaat u doen om deze groep en de consequenties van het beleid voor hen wel structureel in beeld te krijgen?

Antwoord 83

Het beeld dat mensen die voorheen een Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)-uitkering kregen en arbeidsvermogen bezitten buiten beeld vallen van alle instanties klopt niet. Met invoering van de Participatiewet zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de dienstverlening voor deze doelgroep.

Het Ministerie van SZW monitort doorlopend de effecten van de Participatiewet. Eind dit jaar volgt de eindevaluatie van de Participatiewet. Uit het ervaringsonderzoek onder gemeenten in het kader van deze evaluatie komt naar voren dat gemeenten deze doelgroep goed in beeld hebben, met name door de samenwerking met scholen. Uit een recent rapport van SEO naar jonggehandicapten onder de Participatiewet blijkt tevens dat de dienstverlening voor deze doelgroep door gemeenten steeds beter op gang komt. Gemeenten krijgen via het Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) meer zicht dan voorheen op uitstroom en schooluitval.

Voor jongeren zonder startkwalificatie, waaronder jongeren afkomstig van het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs, geldt dat als zij niet naar school gaan, niet werken en geen uitkering ontvangen, gemeenten ze alsnog in beeld kunnen brengen met een nieuwe tool getiteld «Jongeren in Beeld». Met deze tool kan iedere gemeente maandelijks gegevens ontvangen over deze jongeren. Vervolgens kunnen gemeenten deze jongeren benaderen voor dienstverlening. Op dit moment zijn 71 gemeenten aangesloten op «jongeren in beeld» en tientallen gemeenten zijn bezig met een aanmelding.

Vraag 84

Is er sprake van een significante toename van het gebruik van de no-riskpolis in 2018?

Antwoord 84

Op basis van informatie van UWV27 kan hier het volgende over worden gezegd. UWV rapporteert niet apart over de no-riskpolis banenafspraak; de informatie hierover maakt onderdeel uit van de rapportage over de no-risk polis voor alle doelgroepen. Volgens de kwantitatieve informatie bij het Jaarverslag van het UWV is er een sterke toename van het aantal toekenningen Ziektewet aan werknemers met een no-riskpolis van ruim 56 duizend naar ruim 75 duizend (ca. 34%). Het UWV geeft aan dat dat vooral komt door de toenemende bekendheid van de no-riskpolis bij werkgevers en werknemers, met name bij mensen die zijn opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat er diverse doelgroepen zijn te onderscheiden die onder de reikwijdte van de no-riskpolis vallen. Naast mensen uit de Wajong en de Participatiewet die vallen onder de doelgroep banenafspraak betreft het vooral werknemers en ZW-gerechtigden die 104 weken ziek zijn geweest en een WGA-uitkering hebben aangevraagd. Ook mensen die zijn aangewezen zijn op beschut werk op grond van de Participatiewet vallen onder de no-riskpolis.

Vraag 85

Krijgt de Kamer ook in de komende jaren nog gerapporteerd hoeveel banen er in het kader van de banenafspraak bij de overheid bijkomen?

Antwoord 85

De Staatssecretaris is voornemens om de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten te vereenvoudigen (Wet banenafspraak). Zo lang de huidige Wet banenafspraak nog geldt, is er sprake van twee afzonderlijke afspraken: een voor de marktsector en een voor de overheidssector. Tot die tijd rapporteert het kabinet over de resultaten van markt en overheid afzonderlijk. In de brief van de Staatssecretaris van 20 november 201828 heeft zij u geïnformeerd over de contouren van het vereenvoudigde systeem. Op dit moment is zij bezig om deze contouren verder uit te werken. Zij betrekt bij deze uitwerking de input van stakeholders. In juli van dit jaar informeert de Staatssecretaris uw Kamer over de verdere uitwerking van het systeem. Hier zal ook de wijze van rapporteren in terugkomen.

Vraag 86

Welk deel van de banen in het kader van de banenafspraak betreft vaste banen? Kunt u dit uitsplitsen voor de overheid en de markt?

Antwoord 86

Uit het jaarlijkse onderzoek naar de duurzaamheid van banen29 van de banenafspraak blijkt dat van het derde kwartaal 2016 tot het derde kwartaal 2017 61 procent van de uren die mensen uit de doelgroep van de banenafspraak werken, plaatsvindt in een vast dienstverband. Het is niet mogelijk om een uitsplitsing naar de contractvorm, vast of tijdelijk, tussen markt en overheid te maken. In juli 2019 zal de Staatssecretaris de nieuwste versie van het onderzoek aan uw Kamer aanbieden.

Vraag 87

Zijn er nu wel al realisatiecijfers bekend over het jaar 2018 van de indicatoren banenafspraak?

Antwoord 87

In de brief van de Staatssecretaris van 2 juli 201830 heeft zij uw Kamer geïnformeerd over de officiële resultaten van de banenafspraak over 2017. De doelstelling (33.000 banen ten opzichte van de nulmeting) is over 2017 met in totaal 36.904 ruim gehaald. De doelstelling voor eind 2018 is 43.500 extra banen. Uit de laatste trendrapportage Banenafspraak van UWV31 blijkt dat ook voor 2018 de trend positief is. In juli 2019 zal zij u over de officiële resultaten over 2018 informeren.

Vraag 88

Hoe wordt binnen de businesscase voor verbreding van het beslagregister een afweging gemaakt tussen het belang van privacy en het voorkomen van het oplopen van schulden? Op basis van welk kader wordt deze afweging gemaakt?

Antwoord 88

Het belang van privacy en het voorkomen van het oplopen van schulden zijn 2 van de in totaal 18 criteria waarop KPMG in zijn rapport «Verrijkte businesscase gegevensuitwisseling derdenbeslag» (januari 2019) de scenario’s heeft beoordeeld. De scores op alle 18 criteria hebben geleid tot een voorkeursscenario («Routeervoorziening») dat momenteel nader wordt uitgewerkt. Het rapport «Verrijkte businesscase gegevensuitwisseling derdenbeslag» heeft u 13 februari 2019 ontvangen inclusief de beleidsreactie over de voortgang van het traject verbreding van het beslagregister32.

Vraag 89

Welke resultaten worden bedoeld in de zinsnede «De beoogde resultaten en prestaties van deze tijdelijke middelen zijn gehaald» en op welke wijze is gemeten dat ze behaald zijn?

Antwoord 89

De tijdelijke middelen hebben tot doel de gemeentelijke schuldhulpverlening te verbeteren. De activiteiten en producten die daartoe zijn gepland, zijn respectievelijk uitgevoerd en opgeleverd: Met het professionaliseringsprogramma «Schouders Eronder» is het vakmanschap van schuldhulpverleners en de gemeente als lerende organisatie versterkt. Zo’n 150 gemeenten hebben hulp gekregen bij het beter en sneller bereiken van mensen met schulden door vroegsignaleringsprojecten. De benchmark armoede en schulden helpt gemeenten de dienstverlening te verbeteren.

Vraag 90

Waar bestond de hulp uit die zo'n 150 gemeenten kregen bij het beter en sneller bereiken van mensen met schulden door vroegsignaleringensprojecten? Wat was het resultaat van die hulp?

Antwoord 90

Gemeenten kregen de mogelijkheid experts in te zetten om vroegsignalering van schulden binnen de dienstverlening te ontwikkelen. Dit heeft eraan bijgedragen dat vrijwel alle betrokken gemeenten een vorm van vroegsignalering inzetten en dat vroegsignalering op steeds grotere schaal gebeurt. Het heeft ook waardevolle ervaringen opgeleverd voor de lopende wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, die duidelijke bevoegdheden gaat geven voor het uitwisselen van betalingsachterstanden tussen gemeenten en een aantal schuldeisers om mensen met schulden eerder te vinden en beter te helpen.

Vraag 91

Welke nieuwe activiteiten worden toegevoegd in het kader van het voornemen om Schouders Eronder voort te zetten, wat kosten deze activiteiten en wat zijn de doelen en verwachte resultaten van de activiteiten?

Antwoord 91

Het programma «Schouders Eronder» voert de komende twee jaar activiteiten uit om lerende praktijken te bevorderen, de wetenschap met de praktijk te verbinden, kennis op te doen en kennis te ontwikkelen en uit te wisselen, een beroepsprofiel te ontwikkelen en scholing te realiseren. Het doel van het programma «Schouders Eronder» blijft investeren in vakmanschap en professionalisering van de gemeentelijke schuldhulpverlening binnen het sociale domein. Het programma investeert daarin € 2,5 miljoen over een periode van twee jaar. Verwachte resultaten zijn onder meer dat de gemeentelijke schuldhulpverlening burgers met risicovolle schulden tijdig signaleert en dat burgers snel en adequaat worden geholpen.

Vraag 92

Waarom hebben in 2018 slechts 140 gemeenten meegedaan aan de benchmark armoede en schulden? Waarom hebben de overige gemeenten niet meegedaan? Is het uw streven dat alle gemeenten mee gaan doen? Zo ja, wanneer is dat gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 92

De benchmark Armoede en Schulden bestaat sinds 2014 en is ontwikkeld door Divosa samen met Stimulansz, BMC en 30 gemeenten. Het doel van de benchmark is om gemeenten inzicht en duiding te bieden op het gebied van armoede en schuldhulpverlening en gemeenten de mogelijkheid te geven hun cijfers te vergelijken en van elkaar te leren. Om gemeenten kennis te laten maken met de benchmark en hen de meerwaarde van benchmarken en benchlearnen te laten zien, heeft het Ministerie van SZW in 2018 subsidie verleend aan Divosa om de benchmark 1 jaar gratis aan te bieden aan haar leden. Het streven om eind 2018 te zijn gegroeid naar 175 deelnemende gemeenten is inmiddels ruim behaald: recente cijfers geven aan dat eind 2018 182 gemeenten deelnamen.

Divosa blijft inzetten op verdere groei van het aantal deelnemende gemeenten, onder andere door actieve communicatie over de benchmark richting gemeenten. Ook wordt de benchmark doorontwikkeld en verbeterd, bijvoorbeeld door het inladen van gegevens voor gemeenten te vergemakkelijken en door de rapporten en analyses van de gegevens meer aan te laten sluiten op de wensen van gemeenten.

Vraag 93

Wat is uw visie op de ontwikkeling van Publiek-Private Samenwerking (PPS) binnen de schuldhulpverlening?

Antwoord 93

Samenwerking tussen organisaties in de schulden- en incassoketen is noodzakelijk om problematische schulden te voorkomen en waar die toch ontstaan de problematische schulden op te lossen. De vuistregel is dat investeren in het voorkomen en oplossen van schulden zich terugverdient. Dit is een belangrijke kans en stimulans om publiek private samenwerking te versterken. Hier liggen ook kansen voor innovatie van de schuldenaanpak.

Vraag 94

Waar ziet u mogelijkheden om PPS verder aan te jagen bij schuldhulpverlening? Waar ziet u belemmeringen en/of risico’s om dit verder uit te rollen? Als u belemmeringen ziet, wat gaat u daar aan doen?

Antwoord 94

Mogelijkheden voor publiek private samenwerking liggen onder meer in het leren van elkaars werkwijzen, het onderzoeken van de effectiviteit van interventies en afspraken maken over het opschalen van successen. Verwachte resultaten zijn een groter bewustzijn bij burgers van financiële risico’s en een handelingsperspectief voor burgers om schulden te voorkomen. Als schulden toch ontstaan is het snel signaleren en oplossen belangrijk. Daarvoor hebben publieke en private partijen elkaar echt nodig. Actueel risico is onvoldoende naleving van de privacyregels bij het uitwisselen van persoonsgegevens van mensen met schulden. Daarom werkt de Staatssecretaris aan een wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening om een duidelijk kader en duidelijke plichten en bevoegdheden te geven voor de uitwisseling van persoonsgegevens bij schuldhulpverlening.

Vraag 95

Hoeveel is uitgegeven van het macrobudget participatiewetuitkeringen voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar voor 2014 tot en met 2018 (tabel 4.2.2)? Hoeveel van de begrote uitgaven was bedoeld voor 60-plussers? Kunnen deze uitgaven ook worden uitgesplitst zoals in tabel 4.2.3?

Antwoord 95

Gemeenten ontvangen van het Rijk één gebundeld budget om uitkeringen en loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet, en uitkeringen op grond van de IOAW en de IOAZ mee te bekostigen. Dit budget bevat geen geoormerkte onderdelen voor specifieke doelgroepen, zoals mensen die 60 jaar of ouder zijn. De gevraagde uitsplitsing naar leeftijd is daarom niet te maken.

Vraag 96

Op welke manier zorgt de aantrekkende economie voor hogere bijstandsuitgaven (€ 33 mln)?

Antwoord 96

De opwaartse bijstelling van de bijstandsuitgaven (€ 33 miljoen) is het saldo van enerzijds een neerwaartse bijstelling als gevolg van conjunctuur. Bij een lagere werkloosheid stromen minder mensen de bijstand in. Anderzijds zijn de bijstandsuitgaven opwaarts bijgesteld vanwege de doorwerking van de realisatie uit 2017. Conform de rekenregel van het CPB werkt het verschil tussen volumeraming en -realisatie voor 50% door in het budget voor het volgende jaar.

Vraag 97

Hoeveel startende ondernemers ontvangen bijstand voor levensonderhoud?

Antwoord 97

In het definitieve macrobudget Participatiewet-uitkeringen 2018 is rekening gehouden met 1781 Bbz-uitkeringen voor startende ondernemers.

Vraag 98

Is de terugloop in langdurige werkloosheid merkbaar in het aantal mensen met een Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers (IOAW)- of Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen (IOAZ)-uitkering?

Antwoord 98

Het aantal mensen met een uitkering op grond van de IOAW bedraagt op basis van CBS gegevens in september 2018 28.330. Dit is een voorzichtige daling ten opzichte van dezelfde maand in 2017, toen 29.640 mensen een IOAW-uitkering ontvingen. Op den duur zal de gunstige conjunctuur zich vertalen in een lager aantal mensen in de IOAW. De IOAW volgt met vertraging de conjunctuur. De vertraging treedt op omdat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst drie jaar WW-gerechtigd is geweest. Het aantal mensen met een uitkering op grond van de IOAZ is stabiel rond de 2.600.

Vraag 99

Hoeveel participatiewetuitkeringen waren er van 2014 tot en met 2018 voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar (tabel 4.2.4)?

Antwoord 99

Een dergelijke uitsplitsing naar leeftijd is niet beschikbaar. Wel kan er voor personen een uitsplitsing gemaakt worden naar leeftijdsgroepen. Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal bijstandsgerechtigde personen (participatiewetuitkeringen) van 55 jaar tot AOW-leeftijd weer.

Tabel: Participatiewet-uitkeringen, 55 tot AOW-leeftijd1
 

Realisatie 2014

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Realisatie 20182

Volume (x 1.000 personen, ultimo)

91

97

104

111

115

X Noot
1

CBS, bijstandsuitkeringenstatistiek.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

Vraag 100

Wat is de reden dat de gemiddelde toeslag in het kader van de Toeslagenwet (TW) € 800 hoger is uitgevallen dan bij het opstellen van de begroting werd verwacht?

Antwoord 100

Met name de gemiddelde toeslag bij de Wajong is hoger dan verwacht. Door de verlaging van de uitkering voor Wajongers met arbeidsvermogen, is ten tijde van de begroting geraamd dat het totale inkomen van een deel van deze groep vlak onder het sociaal minimum uit zou komen. Een kleine toeslag op grond van de Toeslagenwet zou hun inkomen vervolgens weer aanvullen tot het sociaal minimum. Er is toen dus rekening gehouden met een toename van het aantal Wajongers met een relatief kleine toeslag. Het aantal Wajongers met een kleine toeslag blijft echter achter bij de verwachtingen (zie het antwoord op vraag 103). Daardoor daalt het bedrag van de gemiddelde toeslag ook minder sterk dan verwacht. Daarnaast komt bijvoorbeeld ook de toeslag op WW-uitkeringen hoger uit dan verwacht.

Vraag 101

Wat is de ontwikkeling van de in-, uit- en doorstroom bij de WGA en de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) in de afgelopen jaren?

Antwoord 101

Er zijn geen cijfers beschikbaar van de jaarlijkse instroom en uitstroom in de Toeslagenwet (TW) vanuit de WGA en de IVA. Wel is bekend hoeveel lopende TW-uitkeringen er zijn in de WGA en IVA. De oploop in het aantal uitkeringen hangt samen met de groei van de WIA.

1

2014

2015

2016

2017

20182

WGA

21.623

22.760

24.025

25.173

26.568

IVA

4.577

5.468

6.405

7.276

8.356

X Noot
1

Bron: kwantitatieve informatie bij de Jaarverslagen van UWV 2015 t/m 2018.

X Noot
2

Betreft voorlopige cijfers.

Vraag 102

Hoeveel lager zijn de TW-aanvragen van Wajong-uitkeringsgerechtigden dan verwacht?

Antwoord 102

De oorspronkelijke raming was dat het TW-volume voor Wajong-gerechtigden op ongeveer 45.000 uitkeringsjaren uit zou komen in 2018. Ten tijde van de januarinota 2019 schatte UWV in dat dit volume uit zou komen op circa 15.100 uitkeringsjaren.

Vraag 103

Hoe komt het dat de gemiddelde uitkering van werkende Wajongers licht is gedaald?

Antwoord 103

De raming van de gemiddelde uitkering van werkende Wajongers is iets naar beneden bijgesteld omdat uit de gegevens van het UWV blijkt dat er gemiddeld een hoger inkomen uit arbeid is ontvangen door de werkende Wajongers dan in de oorspronkelijke raming was verwacht.

Vraag 104

Wat betekent de verhoging van het minimumjeugdloon voor de gemiddelde Wajong-uitkering?

Antwoord 104

De hoogte van de Wajong uitkering wordt bepaald op basis van het voor hen geldende minimumloon, voor jongeren is dit dus het minimumjeugdloon. De verhoging van het minimumjeugdloon betekent voor hen dan ook een hogere Wajong uitkering. Het effect hiervan op de totale gemiddelde Wajong uitkering is beperkt, omdat dit slechts een klein deel van de totale Wajongpopulatie betreft.

Vraag 105

Hoeveel van de € 8 miljoen uit de middelen regeerakkoord zijn ingezet voor armoede en schulden? Kunt u een overzicht geven waar deze middelen voor ingezet zijn?

Antwoord 105

De € 8 miljoen waaraan de vraag refereert is opgebouwd uit € 5 miljoen vanuit het amendement van het lid Nijkerken-de-Haan c.s. (Kamerstuk 34 775 XV, nr. 17) en € 3 miljoen voor armoede en schulden. Deze bedragen moeten onderscheiden worden van het totale bedrag van € 8 miljoen over 2018, 2019 en 2020 uit het Regeerakkoord voor armoede en schulden. De € 3 miljoen die in 2018 beschikbaar waren voor armoede en schulden zijn besteed aan de subsidieronde schulden en armoede in het kennisprogramma Vakkundig aan het Werk, aan het landelijke netwerk van vrijwilligersprojecten en aan de Brede Schuldenaanpak.

Vraag 106

Ten faveure van welk beleid heeft de kasschuif van € 2 miljoen van de regeerakkoordmiddelen armoede en schulden plaatsgevonden?

Antwoord 106

De kasschuif was nodig om middelen beschikbaar te stellen voor het kennisprogramma Vakkundig aan het Werk in 2019 en 2020 en om subsidies te kunnen verlenen voor het professionaliseringsprogramma «Schouders Eronder» en het landelijke netwerk van vrijwilligersprojecten in 2020 en 2021.

Vraag 107

Welk deel van de onderuitputting van € 5,2 miljoen heeft te maken met de Brede Schuldenaanpak? Kunt u dit specificeren en verklaren?

Antwoord 107

Van de € 5,2 miljoen onderuitputting heeft € 995.000 betrekking op de Brede schuldenaanpak. Dit geld was begroot voor de communicatiecampagne en onderzoek, die begin 2019 zijn gerealiseerd en voor het landelijke netwerk van vrijwilligersprojecten dat in de loop van 2019 zal worden aanbesteed.

Vraag 108

Kunt u in een reeks van de afgelopen 20 jaar aangeven welk percentage mensen met een arbeidsbeperking aan het werk was? Welke cijfers en onderzoeken hieromtrent zijn beschikbaar?

Antwoord 108

De vraag is gesteld naar aanleiding van artikel 3 van het SZW-jaarverslag. Artikel 3 heeft betrekking op arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Het gaat om de WIA, WGA, WAO en de WAZ.

In de monitor arbeidsparticipatie 2018 van UWV wordt inzicht gegeven in de arbeidsparticipatie van arbeidsongeschikten vanaf 2008. In onderstaande tabel wordt het aantal en aandeel werkende arbeidsongeschikten ultimo 2008–2017 gegeven.

Aantal werkenden

2008

2009

2020

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WGA volledig

6.400

7.900

8.900

9.800

9.200

9.000

8.800

8.800

9.800

10.300

WGA gedeeltelijk

6.500

8.500

11.000

14.400

16.000

17.300

18.700

20.400

22.700

25.000

WIA 35-min

6.600

11.800

18.900

27.100

34.000

34.300

36.200

36.200

36.000

35.800

WAO

127.200

115.000

104.400

94.100

83.200

73.300

65.600

58.200

53.000

48.300

Aandeel werkenden

2008

2009

2020

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WGA volledig

19,00%

16,70%

14,70%

13,30%

10,90%

9,40%

8,40%

8,00%

8,40%

8,40%

WGA gedeeltelijk

55,60%

53,90%

51,30%

50,30%

46,70%

43,60%

42,50%

43,00%

43,90%

44,80%

WIA 35-min

49,30%

47,30%

46,10%

46,10%

44,70%

41,60%

40,80%

42,60%

43,50%

46,40%

WAO

22,80%

22,00%

21,50%

21,20%

20,50%

19,70%

19,10%

18,50%

18,10%

17,70%

Vraag 109

Hoeveel mensen die voorheen fulltime werkten hebben een Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)-uitkering onder bijstandsniveau?

Antwoord 109

De gevraagde informatie wordt niet door UWV verzameld. Het al dan niet hebben van een fulltimebaan is niet relevant voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van een WIA-uitkering.

Vraag 110

Hoeveel mensen ontvangen een WIA-uitkering van een bedrag boven de € 3.660 per maand bruto? Welk bedrag ontvangen deze mensen samen totaal per jaar?

Antwoord 110

Er zijn geen mensen die een WIA-uitkering ontvangen boven de € 3.046,– omdat dit het maximum is waarvoor mensen zijn verzekerd.

Vraag 111

Kunt u uitsplitsen hoeveel mensen een WIA-uitkering krijgen minder dan € 1.000, tussen € 1.000–€ 1.500, € 1.500–€ 2.000, € 2.000–€ 2.500, € 2.500–€ 3.000, € 3.000–€ 3.500, € 3.500–€ 4.000 en hoeveel een uitkeringsbedraq hoger dan € 4.000 krijgen?

Antwoord 111

Deze beleidsinformatie is niet op korte termijn leverbaar door UWV. De reden hiervoor is dat de reguliere beleidsinformatie niet uitgesplitst is naar dit detailniveau.

Vraag 112

Hoeveel is uitgegeven aan de verschillende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar voor 2014 tot en met 2018 (tabel 4.3.2)? Hoeveel van de begrote uitgaven was bedoeld voor 60-plussers?

Antwoord 112

Bij de begroting van de uitgaven wordt geen uitsplitsing gemaakt naar leeftijdsklassen.

Ontwikkelingen in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden door UWV en SZW gevolgd op basis van tienjaarsleeftijdsklassen. Uitsplitsing op het detailniveau van leeftijd per jaar is mogelijk, maar is niet op korte termijn leverbaar.

Vraag 113

Wat is de oorzaak van de hoge instroom in de IVA?

Antwoord 113

De afgelopen jaren is de arbeidsparticipatie van ouderen flink gestegen als gevolg van het verhogen van de AOW-leeftijd en het afschaffen van de vut-regelingen. Daardoor is ook het aantal werknemers dat verzekerd is tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico toegenomen. De toename van de instroom in IVA is geconcentreerd bij ouderen. Als oudere werknemers arbeidsongeschikt worden is de kans groter dat zij volledig arbeidsongeschikt worden. Bovendien geldt bij oudere werknemers dat de beperkingen verhoudingsgewijs vaker duurzaam zullen zijn.

Vraag 114

Wat is de oorzaak van de hoge doorstroom van de WGA naar de IVA?

Antwoord 114

In 2016 en 2017 heeft een stijging plaatsgevonden van de doorstroom van de WGA naar de IVA. Dit was het resultaat van een hoger aantal herbeoordelingen door het UWV. De verwachting was dat dit hogere aantal herbeoordelingen ertoe zou leiden dat in latere jaren de doorstroom lager zou komen te liggen. Dit effect doet zich in mindere mate voor dan verwacht; in de realisatie is zichtbaar dat na een korte daling de doorstroom weer toeneemt en daarmee voor 2018 hoger uitkomt dan gedacht.

Vraag 115

Hoeveel uitkeringsgerechtigden zijn doorgestroomd van de WGA naar de IVA?

Antwoord 115

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de uitkeringsgerechtigden die in 2018 vanuit de WGA in de IVA zijn ingestroomd.

Tabel: overgang WGA naar IVA 2018

Leeftijdsklasse

 

Jonger dan 35 jaar

1.181

35 tot en met 44 jaar

2.403

45 tot en met 54 jaar

4.510

55 tot en met 64 jaar

3.688

65 jaar en ouder

37

Totaal

11.819

Vraag 116

Kunt u een overzicht geven van de uitkeringsgerechtigden die doorstromen van de WGA naar de IVA per leeftijdscategorie?

Antwoord 116

Zie het antwoord op vraag 115.

Vraag 117

Is de hoge doorstroom van de WGA naar de IVA deels te wijten aan een verkeerde beoordeling aan het begin van arbeidsongeschiktheid?

Antwoord 117

De doorstroom van de WGA naar de IVA kent verschillende oorzaken. Om voor IVA in aanmerking te komen moet sprake zijn van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het is aan de poort van de WIA niet altijd duidelijk dat er sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Door herbeoordeling wordt mogelijke duurzaamheid later vastgesteld. Het komt voor dat de beperkingen die arbeidsongeschikten ervaren als gevolg van een aandoening in de loop van de tijd verergeren. Daardoor is het mogelijk dat na een herbeoordeling op een later moment wordt vastgesteld dat er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

Vraag 118

Waarom stromen uitkeringsgerechtigden minder snel uit de WIA?

Antwoord 118

De uitstroom in de WIA wijkt licht af van het verwachte aantal. Voor de WGA is het aantal uitkeringsgerechtigden dat uitstroomt licht lager. Bij de IVA is het verschil wat groter. Welke (combinatie van) factoren dit verschil veroorzaakt is niet bekend.

Vraag 119

Kan tabel 4.3.4 worden gegeven voor de leeftijdscategorie 60-plus? Hoeveel arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waren er van 2014 tot en met 2018 voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar? Kan daarbij ook per leeftijd de in- en uitstroom in de uitkeringen worden gegeven?

Antwoord 119

De gegevens met betrekking tot Wajong 2018 zijn nog niet compleet, daarom kan de uitsplitsing 2018 voor de Wajong niet gemaakt worden.

In onderstaande tabel wordt de instroom, het aantal lopende uitkeringen en de uitstroom voor de WIA gegeven, uitgesplitst naar jaren en leeftijd. (bron UWV)

WIA: instroom (leeftijd bij instroom)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

1.387

1.439

1.605

1.706

1.769

61

1.274

1.365

1.653

1.718

1.924

62

1.197

1.215

1.533

1.740

1.859

63

843

1.051

1.407

1.507

1.835

64

532

653

953

1.329

1.527

65

56

264

410

578

1.086

66

0

0

0

0

0

Totaal

5.289

5.987

7.561

8.578

10.000

WIA: aantal lopende uitkeringen (actuele leeftijd)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

8.585

9.516

10.781

11.671

12.773

61

8.475

9.663

10.838

12.132

13.155

62

8.749

9.406

10.971

12.174

13.662

63

8.035

9.602

10.630

12.243

13.691

64

7.406

8.596

10.535

11.751

13.632

65

842

1.909

4.639

8.488

12.771

66

0

0

0

0

0

Totaal

42.092

48.692

58.394

68.459

79.684

WIA: uitstroom (leeftijd bij uitstroom)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

328

355

377

384

399

61

328

347

373

397

399

62

301

361

357

378

432

63

279

327

370

405

410

64

224

299

329

380

425

65

4.696

6.612

6.504

7.626

415

66

0

0

0

0

8.674

Totaal

6.156

8.301

8.310

9.570

11.154

Instroom in de WAO is minimaal, deze instroom bestaat alleen uit heropeningen. In onderstaande tabel wordt het aantal lopende uitkeringen en de uitstroom voor de WAO gegeven, uitgesplitst naar jaren en leeftijd. (bron UWV)

WAO: aantal lopende uitkeringen (actuele leeftijd)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

20.139

18.338

17.259

15.822

14.816

61

21.843

19.840

18.073

17.000

15.617

62

23.610

21.508

19.514

17.830

16.762

63

24.098

23.255

21.153

19.206

17.552

64

25.871

23.728

22.888

20.826

18.893

65

4.450

6.097

11.094

16.476

20.490

66

0

0

0

0

0

Totaal

120.011

112.766

109.981

107.160

104.130

WAO: uitstroom (leeftijd bij uitstroom)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

323

281

268

257

246

61

382

364

309

276

253

62

374

341

388

272

337

63

417

401

370

345

327

64

477

399

382

357

360

65

26.060

24.136

18.569

17.361

542

66

0

0

0

0

16.240

Totaal

28.033

25.922

20.286

18.868

18.305

Instroom in de WAZ is minimaal, deze instroom bestaat alleen uit heropeningen. In onderstaande tabel wordt het aantal lopende uitkeringen en de uitstroom voor de WAZ gegeven, uitgesplitst naar jaren en leeftijd. (bron UWV)

WAZ: aantal lopende uitkeringen (actuele leeftijd)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

1.238

1.022

949

830

728

61

1.431

1.218

1.004

931

828

62

1.617

1.410

1.202

985

916

63

1.824

1.583

1.383

1.182

973

64

1.953

1.800

1.555

1.358

1.167

65

344

466

886

1.148

1.332

66

0

0

0

0

0

Totaal

8.407

7.499

6.979

6.434

5.944

WAZ: uitstroom (leeftijd bij uitstroom)

Leeftijd

2014

2015

2016

2017

2018

60

29

24

16

19

16

61

22

25

16

16

9

62

33

31

26

18

28

63

41

30

32

30

12

64

25

34

24

31

25

65

2.138

1.821

1.370

1.277

21

66

0

0

0

0

1.112

Totaal

2.288

1.965

1.484

1.391

1.223

Vraag 120

Kunt u in een reeks van de afgelopen 20 jaar aangeven welk percentage mensen met een arbeidsbeperking aan het werk was?

Antwoord 120

De vraag is gesteld naar aanleiding van artikel 4 van het SZW-jaarverslag. Artikel 4 heeft betrekking op de Wajong. In de monitor arbeidsparticipatie 2018 van UWV wordt inzicht gegeven in de arbeidsparticipatie van Wajongers vanaf 2008. In onderstaande tabel wordt het aantal en aandeel werkende Wajongers ultimo 2008–2017 gegeven. Het gaat om het aantal werkenden ten opzichte van het totaal aantal Wajongers (met en zonder mogelijkheden tot arbeidsparticipatie).

Wajong

2008

2009

2020

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Aantal werkenden

46.000

47.600

50.400

54.000

53.000

53.100

55.600

56.400

57.800

59.200

Aandeel werkenden

25,70%

24,80%

24,60%

25,00%

23,40%

22,20%

22,20%

22,80%

23,70%

24,70%

Wanneer we alleen Wajongers met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kijken, dan blijkt dat eind 2017 48,9% aan het werk was33.

Vraag 121

Welke cijfers en onderzoeken zijn er beschikbaar over het totale percentage arbeidsdeelname (dus inclusief sociale werkvoorzieningen, beschut werk, Wajong, mensen met een arbeidsbeperking in de participatiewet, et cetera)?

Antwoord 121

In de Monitor Arbeidsmarkt (april 2019) is uw Kamer recent geïnformeerd over de arbeidsdeelname van mensen met een beperking. Hieruit blijkt dat eind 2017 ongeveer 38 procent van alle mensen die zich door een langdurige aandoening, handicap of ziekte in meerdere of mindere mate belemmerd voelen in het verkrijgen of het uitoefenen van werk, werkte. In dit cijfer worden ook de mensen meegeteld die volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard en mensen die zelf aangeven niet te kunnen werken wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Als we deze mensen buiten beschouwing laten komt de netto arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten met arbeidsvermogen uit op 66 procent. Een nadere uitsplitsing van de arbeidsdeelname binnen verschillende uitkeringen arbeidsongeschikten en regelingen voor arbeidsbeperkten vindt u in de Monitor Arbeidsmarkt34.

Vraag 122

Klopt het dat het aantal re-integratietrajecten bij de Wajong lager is uitgevallen dan geraamd? Wat is daar de oorzaak van? Wat is de alternatieve besteding van het budget geweest?

Antwoord 122

Ja. UWV heeft beschikking over een taakstellend budget, waarbinnen de inkoop van re-integratie wordt vormgegeven. Voor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen zo nodig te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is onder meer bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk en voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching). In 2018 zijn met het re-integratiebudget 10.202 re-integratietrajecten en 25.379 werkvoorzieningen ingekocht voor de Wajong-doelgroep. In 2017 waren dit er respectievelijk 11.694 en 26.968. De aantallen 2018 liggen daarmee lager dan in 2017. De belangrijkste oorzaak hiervan is de verschillende behoefte aan ondersteuning van de doelgroep. Het resterende budget is onder andere ingezet voor de maatregelen die onderdeel zijn van de wetswijziging vereenvoudiging Wajong.

Vraag 123

Welke maatregelen worden genomen om de bekendheid van ontwikkeladviezen te vergroten?

Antwoord 123

Via de website van de campagne «Hoe werkt Nederland» wordt informatie aangeboden over het aanvraagproces en wie daarbij kan helpen en over de regeling zelf, onder andere in de vorm van voorlichtingsfilmpjes. Zo wordt verteld wat een ontwikkeladvies is, wat het op kan leveren en wat (bijvoorbeeld) een loopbaanadviseur doet. Dit alles om de drempel voor deelname te verlagen. Door organisaties en verenigingen van loopbaanadviseurs, zoals Noloc en CMI, via vakbonden zoals FNV, CNV en ACP, worden loopbaanadviseurs gewezen op de mogelijkheid dit product aan te bieden aan hun achterban/ potentiële klanten. Verder is er in de media recent nog aandacht besteed aan het ontwikkeladvies, onder andere door een artikel in de Volkskrant en een interview op BNR Nieuwsradio.

Vraag 124

Waarom is de doelgroep vergroot tot alle 45-plussers?

Antwoord 124

Het gebruik van de regeling bleef ver achter bij de doelstelling, ondanks dat meermaals extra publiciteit aan de regeling is gegeven. De wenselijkheid en de noodzaak van het aanbieden en het stimuleren van het gebruik van het beoogde ontwikkeladvies wordt echter breed ondersteund. Degenen die deelgenomen hebben aan de regeling zijn overwegend enthousiast. De mogelijkheid om een ontwikkeladviestraject te volgen is op zichzelf in het belang van alle werkende vijfenveertigplussers, ongeacht in welk beroep men werkzaam is. De budgettaire reden die ten grondslag lag aan de aangebrachte beperking van de beroepsgroepen die gebruik konden maken van de subsidieregeling, bleek in de praktijk niet nodig en kon daarom grotendeels vervallen. Tegelijkertijd kan met een groter aantal deelnemers het effect van het instrument beter onderzocht worden. Door de eerdere beperking tot bepaalde doelgroepen te laten vervallen, kan bovendien gemakkelijker publiciteit worden gezocht en kan een eerder gesignaleerd risico voor de loopbaanadviseur, namelijk dat wel de werkzaamheden worden verricht, maar de subsidieaanvraag achteraf wordt afgewezen, omdat de deelnemer niet onder de juiste doelgroep blijkt te vallen, zich niet meer voor doen.

Vraag 125

Wat is de planning voor de ontwikkeladviezen voor oudere werknemers?

Antwoord 125

Tegelijk met de uitbreiding van de doelgroep naar alle werkenden is de looptijd van de regeling verlengd. Declaraties kunnen worden ingediend tot 10 januari 2020. Eind 2019 vindt een evaluatie plaats van het gehele Actieplan Perspectief voor vijftigplussers, waar de regeling Ontwikkeladvies onderdeel van is. De evaluatie zal in het voorjaar van 2020 gereed zijn.

Vraag 126

Komt er een evaluatie van de campagne om vooroordelen over werkloze vijftigplussers bij werkgevers weg te nemen? Zo ja, wanneer? Wat is tot nu toe bekend over de effectiviteit van deze campagne?

Antwoord 126

Er komt een evaluatie om vooroordelen over werkloze vijftigplussers bij werkgevers weg te nemen. De evaluatie maakt onderdeel uit van de algehele eindevaluatie van het Actieplan «Perspectief voor vijftigplussers». Deze zal in 2020 gereed zijn. Dan zal ook duidelijk worden wat de effectiviteit van de campagne is geweest.

Vraag 127

In hoeverre is de onderuitputting van het scholingsbudget voor WW-gerechtigden terug te voeren op onbekendheid van WW-gerechtigden met de regeling?

Antwoord 127

In de brief Dienstverlening naar werk35 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het beperkte gebruik van het tijdelijk scholingsbudget in de eerste maanden van de regeling. De mogelijkheid tot scholing is vervolgens actiever onder de aandacht gebracht bij adviseurs van UWV en bij WW-gerechtigden. Ook is gekeken naar de voorwaarden van de regeling. Er is meer ruimte voor maatwerk gevonden in een hogere maximale financiële bijdrage en een langere maximale duur van de scholing. Over het gebruik van de regeling wordt de Tweede Kamer nog voor het zomerreces nader geïnformeerd.

Vraag 128

Waarom is het scholingsbudget voor WW-gerechtigden een tijdelijke regeling en geen structurele voorziening voor WW-gerechtigden?

Antwoord 128

Naar aanleiding van het amendement van het lid Van Weyenberg c.s.36 beschikt UWV over een tijdelijk scholingsbudget van € 30 miljoen. Het amendement beoogt dat over een periode van drie jaar (2018–2020) scholingstrajecten zullen worden aangeboden.

Vraag 129

Gaat u ervoor zorgen dat scholing en scholingsbudget in gelijke mate toegankelijk worden voor alle werkenden en werkzoekenden tot de AOW-gerechtigde leeftijd, ongeacht startkwalificatie? Kunt u uw antwoord grondig toelichten?

Antwoord 129

De regeling stimulering arbeidsmarktpositie, een uitgavenregeling ter vervanging van de fiscale scholingsaftrek, komt voor iedereen beschikbaar, zowel werkenden als niet-werkenden. Ook mensen zonder startkwalificatie krijgen, conform uitwerking in de Kamerbrief van 27 september 2018, toegang tot het zogenoemde STAP-budget. Uit analyse blijkt namelijk dat er weinig scholingsvoorzieningen voor deze groep zijn, zeker op latere leeftijd, terwijl zij juist baat kunnen hebben bij extra scholing. Ook zijn er praktische bezwaren voor het uitsluiten van deze groep, omdat diplomagegevens maar beperkt beschikbaar zijn. Flankerend aan het STAP-budget komt er scholingsadvies beschikbaar om drempels weg te nemen voor bijvoorbeeld groepen die weinig bijscholen, weinig scholingsmogelijkheden hebben of het meeste baat hebben bij scholing.

Vraag 130

In hoeverre verschilt de toegang tot scholing en levenlanglerenkrediet voor de diverse leeftijdsgroepen?

Antwoord 130

De vraag of de toegankelijkheid tot scholing verschilt tussen diverse leeftijdsgroepen laat zich in het algemeen lastig beantwoorden. Sommige regelingen van de overheid beogen immers scholing voor een bepaalde doelgroep te stimuleren, zoals het ontwikkeladvies dat voor 45-plussers is bedoeld. De vraag is gesteld bij de pagina in het jaarverslag waarin de regeling tijdelijk scholingsbudget UWV aan de orde komt. In die regeling is geen expliciet verband tussen leeftijd en toegankelijkheid. Het scholingsbudget wordt voornamelijk ingezet voor werkzoekenden met een zwakke of matige positie op de arbeidsmarkt. In deze beide groepen zijn oudere werkzoekenden oververtegenwoordigd. Hierdoor komt het scholingsbudget wel vaker terecht bij oudere werkzoekenden. Ook het STAP-budget (zie antwoord op vraag 129) is voor iedereen toegankelijk.

Voor het aanvragen van levenlanglerenkrediet, een regeling van het Ministerie van OCW, geldt een minimumleeftijd van 30 jaar, tenzij al een hbo-bachelor of een geheel van een wo-bachelor en een wo-master is afgerond of het gaat om een deeltijdopleiding in het hoger onderwijs. Een student kan het levenlanglerenkrediet aanvragen wanneer hij nog niet de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. Het levenlanglerenkrediet kan worden aangevraagd voor het volgen van een voltijd of duale studie in het hoger onderwijs, een bol-opleiding in het mbo. En tevens wanneer je een deeltijdopleiding in het hoger onderwijs volgt, of een of meerdere onderwijseenheden van een geaccrediteerde opleiding aan bijvoorbeeld een niet-bekostigde onderwijsinstelling.

Vraag 131

Constaterende dat slechts 22% van het scholingsbudget voor WW-gerechtigden in 2018 is uitgeput, kunt u aangeven wat de uitbreiding van de regeling precies inhoudt, naast de reeds genoemde verhoging van de duur van een naar twee jaar en de verruiming van het maximale toekenningsbedrag?

Antwoord 131

Zie het antwoord op vraag 127.

Vraag 132

Komt er een evaluatie van de campagne om vooroordelen over werkloze vijftigplussers bij werkgevers weg te nemen? Zo ja, wanneer is deze beschikbaar?

Antwoord 132

Zie het antwoord op vraag 126.

Vraag 133

Wat is de bekendheid van het scholingsbudget onder WW-gerechtigden?

Antwoord 133

Zie het antwoord op vraag 127.

Vraag 134

Hoeveel is uitgegeven aan WW voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar voor 2014 tot en met 2018 (tabel 4.5.2)?

Antwoord 134

Ontwikkelingen in de werkloosheidsuitkeringen worden door UWV en SZW gevolgd op basis van tienjaarsleeftijdsklassen. Uitsplitsing op het detailniveau van leeftijd per jaar is mogelijk, maar is niet op korte termijn leverbaar.

Vraag 135

Kunt u verklaren waardoor veel minder mensen in aanmerking kwamen voor de Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit uitgesplitst naar starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest, enzovoort?

Antwoord 135

De Tijdelijke regeling aanpassing Dagloonbesluit voor de groepen starters, herintreders, flexwerkers en werknemers die twee jaar ziek zijn geweest is in 2017 uitgevoerd en in het Jaarverslag 2017 van SZW verantwoord. In 2018 ging het om de zogenoemde herlevers en WW-gerechtigden die wegens ziekte minder loon hebben ontvangen van hun werkgever in de dagloonreferteperiode of die een ZW-uitkering van minder dan 100% (van het ZW-dagloon) hebben ontvangen. Ten tijde van het opstellen van de begroting was zeer onzeker hoe de doelgroep er qua omvang en samenstelling uit zou zien. Daarom is bij de begroting uitgegaan van een ruime potentiële doelgroep. Uiteindelijk is gebleken dat slechts een deel van deze geraamde doelgroep werkelijk in aanmerking kwam voor compensatie.

Vraag 136

Kunt u specificeren welke jaaruitkeringen een andere hoogte kenden dan in de begroting was verwacht, waardoor de realisatie € 23 miljoen hoger is uitgevallen?

Antwoord 136

Het gaat hier om de gemiddelde WW-jaaruitkering. Deze gemiddelde jaaruitkering is hoger uitgevallen dan in de Begroting 2018 werd geraamd.

Vraag 137

Kunt u aangeven hoeveel WW-gerechtigden uit welke bedrijfstak komen en waar uitstromers naartoe gaan?

Antwoord 137

Het totale aantal nieuwe uitkeringen voor de periode januari–april 2019 is 121.281. De procentuele onderverdeling per sector is als volgt:

Aantal nieuwe uitkeringen januari–april 2019 per sector

 

Bank- en verzekeringswezen

2%

Bouw

2%

Chemische industrie

1%

Cultuur

1%

Detailhandel

8%

Groothandel

6%

Horeca en catering

5%

Landbouw, groenvoorziening, visserij

2%

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

6%

Onderwijs

3%

Overheid

1%

Overige commerciële dienstverlening

20%

Overige industrie

4%

Schoonmaak

2%

Uitzendbedrijven

13%

Vervoer en logistiek

8%

Voeding- en genotmiddelenindustrie

2%

Zorg en welzijn

12%

Overig

1%

Onbekend

1%

Gegevens over de uitstroom naar de verschillende sectoren is minder actueel. Vanwege de vertraging in de polisadministratie en verdere verwerkingstijd zijn de meest recente cijfers op dit gebied voor de periode januari t/m juni 2018.

Het totale aantal beëindigde uitkeringen vanwege werkhervatting voor de periode januari t/m juni 2018 is 78.661. De procentuele onderverdeling per sector (waar naartoe is uitgestroomd) is als volgt:

Aantal beëindigde uitkeringen vanwege werkhervatting januari–juni 2018

 

Bank- en verzekeringswezen

1%

Bouw

2%

Chemische industrie

1%

Cultuur

1%

Detailhandel

6%

Groothandel

5%

Horeca en catering

4%

Landbouw, groenvoorziening, visserij

2%

Metaalindustrie, installatie, voertuigen

4%

Onderwijs

3%

Overheid

1%

Overige commerciële dienstverlening

15%

Overige industrie

1%

Schoonmaak

2%

Uitzendbedrijven

2%

Vervoer en logistiek

4%

Voeding- en genotmiddelenindustrie

1%

Zorg en welzijn

12%

Overig

1%

Onbekend

0%

NB: De twee bovenstaande overzichten bestrijken verschillende perioden. Hierdoor is het niet gewenst om deze twee overzichten met elkaar te vergelijken.

Vraag 138

Wat is de verklaring dat, ondanks maatregelen, het gebruik van de regelingen van het actieplan Perspectief voor vijftigplussers € 3 miljoen lager is uitgevallen dan verwacht?

Antwoord 138

Een deel van het budget (€ 3 miljoen) dat beschikbaar is voor de subsidieregeling ontwikkeladvies is niet besteed. Dat het gebruik lager is uitgekomen dan verwacht heeft waarschijnlijk te maken met een beperkte bekendheid van de regeling. Verder lijken de loopbaanadviseurs door de beperking tot de negen beroepsgroepen en door de strikte vormgeving van het ontwikkeladvies, enigszins terughoudend te zijn geweest in het aanbieden van het instrument. Dit komt enerzijds door de mogelijke financiële risico’s wanneer achteraf zou blijken dat men geen subsidie toegewezen krijgt omdat een deelnemer niet binnen de omschreven beroepsgroep valt of omdat het subsidieplafond bereikt zou zijn. Anderzijds doordat men de mogelijkheid tot een iets andere aanpak, zoals het inzetten van een groepsbijeenkomst of e-coaching, wenselijk achtte. Met de uitbreiding van de doelgroepen zijn deze beperkingen opgeheven. Geconstateerd is dat sinds de regelwijziging van begin 2019 het gebruik van de regeling flink is toegenomen.

Vraag 139

Hoeveel werkloosheidsuitkeringen waren er van 2014 tot en met 2018 voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar (tabel 4.5.6)?

Antwoord 139

Ontwikkelingen in de werkloosheidsuitkeringen worden door UWV en SZW gevolgd op basis van tienjaarsleeftijdsklassen. Uitsplitsing op het detailniveau van leeftijd per jaar is mogelijk, maar is niet op korte termijn leverbaar.

Vraag 140

Wordt de onderbesteding van het ontwikkeladvies doorgeschoven naar latere jaren?

Antwoord 140

Bij het opstellen van de begroting voor 2019 is ruim € 9 miljoen doorgeschoven naar 2019. De circa € 3 miljoen die niet is besteed in 2018 wordt niet doorgeschoven naar 2019 en 2020 omdat besteding ervan niet werd voorzien.

Vraag 141

Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mogelijkheid van ontwikkeladviezen voor oudere werknemers breder en beter bekend wordt onder de doelgroep?

Antwoord 141

Zie het antwoord op vraag 123.

Vraag 142

Wordt de € 3 miljoen onderschrijding aan ontwikkeladvies doorgeschoven naar 2019 of 2020? Zo nee, waarom niet? Kan de passage over de budgettaire verschuivingen met betrekking tot het ontwikkeladvies nader toegelicht worden?

Antwoord 142

Zie het antwoord op vraag 140.

Vraag 143

Kunnen de bedragen van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) in tabel 4.6.2 worden uitgesplitst naar verlofvorm? Hoeveel is er uitgegeven per verlofvorm van 2014 tot en met 2018 en hoeveel was er begroot in 2018?

Antwoord 143

De WAZO uitgaven worden besteed aan uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof van werkneemsters en zelfstandigen. In 2018 was voor de uitgaven aan die uitkeringen voor werkneemsters € 1.108 miljoen en voor zelfstandigen € 67 miljoen geraamd. Tussen de € 2 miljoen en € 3 miljoen wordt jaarlijks aan adoptie- en pleegzorgverlof besteed (opgenomen bij de uitkeringslasten voor werkneemsters).

Realisatie (x € 1 mln.)

2014

2015

2016

2017

2018

Werkneemsters

1.057

1.034

1.063

1.074

1.111

Zelfstandigen

51

58

65

64

68

Vraag 144

Hoeveel is uitgegeven aan de Ziektewet (ZW) voor de leeftijden 60, 61, 62, 63, 64, 65 en 66 jaar voor 2014 tot en met 2018 (tabel 4.6.2)?

Antwoord 144

Ontwikkelingen in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen relaterend aan leeftijd worden door UWV en SZW gevolgd op basis van tienjaarlijkse leeftijdssegmenten. Uitsplitsing op het detailniveau van leeftijd per jaar is mogelijk, maar niet op korte termijn leverbaar.

Vraag 145

Kunt u uitsplitsen welke oorzaken hebben geleid tot een hoger aantal mensen dat een beroep deed op de ZW, naast het reeds genoemde hogere aantal flexkrachten?

Antwoord 145

In 2018 deden meer mensen dan in 2017 een beroep op de ZW: het aantal toegekende ZW-meldingen nam met zo’n 12% toe37. De toename is zichtbaar bij verschillende vangnetgroepen.

Dat er in 2018 meer ZW-uitkeringen zijn verstrekt komt onder andere door een relatief grote en langdurige griepgolf in de eerste maanden van 2018. Daarnaast is de economie sterk gegroeid. Daardoor zijn er meer mensen aan het werk gegaan en nam het aantal tijdelijke contracten toe. Dit is een andere oorzaak voor het gestegen aantal ZW-uitkeringen. Zoals in het antwoord op vraag 85 is aangegeven is de toename van het aantal ZW-uitkeringen wegens een no-riskpolis toe te schrijven aan toenemende bekendheid van de no-riskpolis bij met name mensen die onder het doelgroepregister voor de banenafspraak vallen.

Vraag 146

In hoeverre wordt bijgehouden of er een relatie bestaat tussen flexwerk en het hoger aantal flexkrachten wat een beroep doet op ZW?

Antwoord 146

In algemene zin is bekend dat als er meer mensen vanuit een flexibel dienstverband aan het werk zijn, er ook meer mensen vanuit een flexibel dienstverband ziek kunnen worden. De afgelopen jaren is het aantal flexkrachten sterk gegroeid. In hoeverre de toename van het aantal flexkrachten dat een beroep doet op de ZW aan dit effect toe te schrijven is, is niet bekend.

Vraag 147

Hoeveel mensen hebben er in 2018 gebruikgemaakt van respectievelijk het kortdurend en het langdurend zorgverlof?

Antwoord 147

Gegevens over het gebruik van kortdurend en langdurend zorgverlof komen tweejaarlijks beschikbaar. De meest recente betreffen 2017. In dat jaar genoten 87.000 werknemers kortdurend zorgverlof en 8.000 werknemers langdurend zorgverlof38.

Vraag 148

Kan er een overzicht worden gegeven van het aantal toekenningen uitgesplitst naar verlofvorm op basis van tabel 4.6.7? Hoeveel toekenningen zijn er gerealiseerd voor de jaren 2014 tot en met 2018 per verlofvorm en hoeveel toekenningen waren er begroot voor 2018 per verlofvorm?

Antwoord 148

Tabel 4.6.7 geeft de realisatie weer van toekenningen van WAZO-uitkeringen in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof. In onderstaande tabel zijn ook de gegevens over toekenningen van adoptie- en pleegzorgverlof vermeld.

Voor 2018 zijn bij begroting 133.000 uitkeringen geraamd voor werknemers en 11.000 uitkeringen voor zelfstandigen. Het aantal uitkeringen voor adoptie- en pleegzorgverlof wordt niet geraamd. Voor deze groep zijn alleen de toekenningen opgenomen.

Realisaties

2014

2015

2016

2017

2018

Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)

130

128

129

124

129

Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)

9,8

9,8

10,5

10,4

11,4

Aantal toekenningen adoptie- en pleegzorgverlof (x 1.000)

0,9

0,9

0,9

0,9

0,9

De WAZO kent ook verlofvormen waarvoor geen uitkering wordt verstrekt, zoals kortdurend en langdurend zorgverlof en ouderschapsverlof. Gegevens over het gebruik van deze verlofregelingen komen tweejaarlijks beschikbaar. De aantallen worden niet begroot, omdat geen uitkering wordt verstrekt. Van kortdurend zorgverlof maakten in 2015 en 2017 respectievelijk 67.000 en 87.000 werknemers gebruik. Voor langdurend zorgverlof waren deze aantallen 9.000 en 8.000. Van ouderschapverlof maakten in 2015 en 2017 respectievelijk 201.000 en 209.000 werknemers gebruik (bron: CBS, monitor arbeid, zorg en kinderopvang).

Vraag 149

Wat is de verklaring per verlofvorm waarom er meer of minder gebruik van is gemaakt dan begroot?

Antwoord 149

De uitkeringslasten voor de WAZO in 2018 komen nagenoeg overeen met de begroting 2018. In de begroting 2018 waren de uitkeringen in prijspeil 2017 opgenomen: € 1.175 miljoen. Indien rekening wordt gehouden met de ten tijde van de begrotingsopstelling geraamde loon- en prijsbijstelling (€ 41 miljoen) is de realisatie circa € 38 miljoen lager dan begroot. Deze meevaller is ontstaan bij de werkneemsters; bij de zelfstandigen was sprake van een beperkte tegenvaller. De uitgaven voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof kunnen fluctueren afhankelijk van het aantal geboorten, de arbeidsparticipatie en het loon van vrouwen. Voor 2018 is de verklaring een lager aantal toekenningen (circa 4.000) dan waar bij de begroting 2018 vanuit is gegaan. Dit komt vooral door een lager aantal geboorten dan bij begroting 2018 was verondersteld.

Vraag 150

Hoeveel procent van de mensen die kinderopvangtoeslag hebben ontvangen in 2017, moest in 2018 onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag terug betalen?

Antwoord 150

Per april 2019 was 87,7% van de kinderopvangtoeslag uit 2017 definitief toegekend. Van deze ouders heeft 42% een nabetaling ontvangen en 38% een terugvordering.

Vraag 151

Hoeveel uur per week gaan kinderen tussen de nul en vier jaar gemiddeld naar de kinderopvang met toeslag?

Antwoord 151

In 2018 gingen kinderen tussen de 0 en 4 jaar met kinderopvangtoeslag gemiddeld 18,5 uur per week naar de dagopvang (inclusief gastouderopvang).

Vraag 152

Hoeveel uur per week gaan kinderen tussen de vier en twaalf jaar gemiddeld naar de buitenschoolse opvang met toeslag?

Antwoord 152

In 2018 gingen kinderen tussen de 4 en 12 jaar met kinderopvangtoeslag gemiddeld 8,7 uur per week naar de buitenschoolse opvang (inclusief gastouderopvang).

Vraag 153

Hoeveel personen bouwden in 2018 vrijwillig pensioen op in de derde pijler?

Antwoord 153

De pensioenopbouw in de derde pijler wordt niet op persoonsniveau geregistreerd, maar per product (een lijfrentepolis of bankspaarproduct). Wel is uit de aangiftegegevens van de Belastingdienst bekend dat in 2016 circa 490.000 personen aftrekbare premie inlegden voor een lijfrente in de derde pijler. Over recentere jaren zijn op dit moment nog geen gegevens beschikbaar.

Vraag 154

Wat is de reden van het hogere gebruik van de Overbruggingsregeling AOW (OBR)?

Antwoord 154

Allereerst wordt opgemerkt dat naar aanleiding van het onderzoek naar (niet-) gebruik OBR de regeling en het uitvoeringsproces per 1 oktober 2016 is gewijzigd. Sindsdien kunnen burgers OBR met terugwerkende kracht aanvragen. Van deze mogelijkheid wordt sindsdien ook gebruik gemaakt.

Daarnaast vielen de uitkeringslasten OBR in 2018 enkele tonnen hoger uit dan ten tijde van het opstellen van de Begroting 2018 werd geraamd. Zoals opgenomen in het jaarverslag 2018 wordt dit voornamelijk veroorzaakt doordat de instroom in 2017 hoger ligt dan verwacht ten tijde van het opstellen van de begroting 2018. De hogere instroom in 2017 leidt tot hogere uitkeringslasten in 2018, omdat een groot deel van de mensen die instromen in 2017 ook in 2018 nog recht hadden op OBR. De uitkeringslasten vallen daarnaast hoger uit, doordat de instroom van personen die recht hebben op de OBR in verband met de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd (kortere duur OBR) in 2018 hoger uit is gevallen dan verwacht. Tegelijkertijd viel de instroom van personen die recht hebben vanaf 65 jaar (langere duur OBR) in 2018 lager uit dan aanvankelijk geraamd. Per saldo zijn de opwaartse factoren groter dan de neerwaartse factoren waardoor de uitkeringslasten in 2018 hoger zijn uitgevallen dan waar ten tijde van het opstellen van de begroting vanuit is gegaan.

Vraag 155

Constaterende dat de OBR in 2016 is uitgebreid voor mensen die met vroegpensioen zijn gegaan, hoe verhoudt dit zich tot het feit dat er in 2016, 2017 en 2018 minder is uitgegeven aan OBR-gelden?

Antwoord 155

De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een VUT- of prepensioenregeling. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt alleen het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging. Deze doelgroep heeft een kortere uitkeringsduur dan de doelgroep die reeds per 1 januari 2013 met vut- of prepensioen is gegaan.

De uitkeringslasten aan de OBR bedroegen circa € 6,4 miljoen in 2015, € 3,9 miljoen in 2016, € 4,4 miljoen in 2017 en € 4 miljoen in 2018. De afgelopen jaren is enerzijds de instroom in de OBR afgenomen ondanks de uitbreiding in 2016. Dit komt doordat de doelgroep van personen die reeds per 1-1-2013 of 1-7-2015 met VUT- of prepensioen waren steeds kleiner wordt. Tegelijkertijd is de te overbruggen periode toegenomen (omdat de AOW-leeftijd toeneemt, neemt de duur van de OBR-uitkering ook toe). De uitgaven zijn in de meeste jaren afgenomen. In 2017 zijn de uitkeringslasten hoger dan in 2016 (ondanks de iets lagere instroom), omdat het opwaartse effect van een langere overbruggingsperiode dat jaar groter was.

Onderstaande tabel geeft voor de jaren 2016, 2017 en 2018 de instroom, het aantal aanvragen en het aantal (en percentage) afwijzingen weer.

Tabel: Instroom, aanvragen en afwijzingen OBR-uitkering1

Kolom1

Kolom2

Kolom3

2016

2017

2018

Instroom

1.523

1.473

967

           

Aantal afgehandelde aanvragen

3.014

2.318

1.416

Aantal afwijzingen

1.275

884

505

Percentage afwijzingen

42%

38%

36%

X Noot
1

Het aantal aanvragen minus de afwijzingen komt niet precies overeen met de instroom per jaar, omdat de (formele) toekenning van een OBR-uitkering niet altijd in hetzelfde jaar plaatsvindt als het moment waarop de OBR-uitkering ingaat.

Vraag 156

Wat bedroeg de gemiddelde AOW-premie in 2016, 2017 en 2018?

Antwoord 156

De gemiddelde AOW-premie bedroeg in 2016, 2017 en 2018 17,9% van het premieplichtig inkomen dat maximaal € 33.994 bedroeg in 2018. Door de heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting) ligt de effectief betaalde AOW-premie lager dan 17,9%.

Vraag 157

Kunt u van de belangrijkste oorzaken voor het lager uitvallen van de uitgaven aan de AOW aangeven in welke mate deze bijgedragen hebben aan het lagere bedrag?

Antwoord 157

De uitgaven aan de AOW zijn € 173 miljoen lager dan begroot. Grotendeels wordt dit veroorzaakt doordat het aantal AOW’ers lager uitviel dan waar bij het opstellen van de begroting vanuit is gegaan (€ 75 miljoen). Daarnaast valt de hoogte van de gemiddelde AOW-uitkering lager uit doordat de wettelijke indexering (€ 33 miljoen), de uitgaven aan de partnertoeslag (€ 39 miljoen) en het aandeel (hogere) alleenstaandenuitkeringen (€ 31 miljoen) alle drie lager uitvielen dan vooraf geraamd. De resterende € 5 miljoen betreft overige effecten.

Vraag 158

Hoe komt het dat het aantal personen dat recht heeft op inkomensondersteuning AOW gelijk is aan het aantal AOW-gerechtigden? Indien de cijfers in deze tabel onjuist zijn, kunt u de juiste cijfers weergeven?

Antwoord 158

De inkomensondersteuning AOW (IOAOW) is in 2015 geïntroduceerd als aanvulling op het AOW-pensioen en wordt verstrekt aan iedereen die in aanmerking komt voor een AOW-uitkering en woonachtig is in de EU/EER/Zwitserland, verdragslanden of Caribisch Nederland. Hierdoor krijgen alleen personen die woonachtig zijn in een niet-verdragsland geen inkomensondersteuning AOW (0,1% van de AOW-gerechtigden).

Vraag 159

Hoe hoog was de gemiddelde inkomensondersteuning AOW in 2018?

Antwoord 159

De gemiddelde inkomensondersteuning AOW bedraagt circa € 273 per jaar. Het maximale bedrag is € 299,16 per jaar.

Vraag 160

Wat is de verklaring voor de grote stijging van het aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling in 2018 (tabel 4.10.3 kerncijfers AKW)?

Antwoord 160

Met de invoering van een nieuw systeem voor de uitvoering van de AKW (vAKWerk) is de manier gewijzigd waarop het aantal overtredingen met financiële benadeling wordt geregistreerd. Dit heeft ertoe geleid dat ook de betekenis van het kengetal in het jaarverslag is gewijzigd. In het oude systeem werden enkel de overtredingen geregistreerd die werden afgedaan met een boete. In het jaarverslag 2018 wordt voor 2018 zowel gerapporteerd over het aantal overtredingen die worden afgedaan met een boete als overtredingen dat wordt afgedaan met een waarschuwing. In het genoemde aantal van 2.200 overtredingen in 2018 (met financiële benadeling) zijn 1.250 overtredingen opgenomen die zijn afgedaan met een waarschuwing.

Vraag 161

Waarom is ervoor gekozen niet de loon-prijs ontwikkeling uit te keren aan het UWV?

Antwoord 161

De loon- en prijsontwikkeling bij UWV kon in 2018 door incidentele meevallers financieel ingepast worden binnen de UWV-begroting. In overleg met UWV is er daarom voor gekozen om de loon- en prijscompensatie eenmalig en incidenteel voor het jaar 2018 niet uit te keren.

Vraag 162

Kunt u de hoogte van de bijdrage aan de sociale fondsen nader specificeren?

Antwoord 162

De rijksbijdrage aan de sociale fondsen hebben een wettelijke basis in de Wet financiering voor sociale verzekeringen (Wfsv). In de wet en regelgeving is veelal ook de hoogte en/of de jaarlijkse aanpassing van de rijksbijdragen vastgelegd. Per Rijksbijdrage is een nadere specificatie als volgt:

Rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen (BIKK) AOW

De hoogte van de BIKK AOW is bij de invoering wettelijk vastgelegd. Daarnaast is in de wet vastgelegd hoe de BIKK elk jaar moet worden aangepast, zodat deze meestijgt met de totale kosten van de heffingskortingen, en met wijzigingen van het aandeel van de AOW-premie in het totale tarief van premies volksverzekeringen en de eerste schijf van de inkomstenbelasting (het gecombineerde heffingspercentage).

Rijksbijdrage vermogenstekort Ouderdomsfonds

De Rijksbijdrage voor het vermogenstekort van het Ouderdomsfonds wordt elk jaar bij ministeriële regeling vastgesteld. De Rijksbijdrage voor 2018 is op 19 juni 2018 gepubliceerd in de Staatscourant. De hoogte van deze Rijksbijdrage is gebaseerd op de toentertijd geraamde uitgaven en ontvangsten van het Ouderdomsfonds voor 2018. Met deze bijdrage wordt jaarlijks het vermogenstekort in het Ouderdomsfonds aangevuld vanuit de algemene middelen.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden uitbetaald door UWV en gefinancierd door het Rijk. Daarom stort het Rijk elk jaar een bijdrage in het Toeslagenfonds. De hoogte van de Rijksbijdrage is gelijk aan de uitgaven aan de tegemoetkomingen in dat jaar.

Rijksbijdrage tegemoetkoming Anw-gerechtigden

De Rijksbijdrage aan het nabestaandenfonds was opgenomen in de Wfsv. Per 1 januari 2018 is deze rijksbijdrage komen te vervallen. De hoogte van de rijksbijdrage is daarom nihil.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen (ZEZ)

Deze rijksbijdrage is vastgelegd in de Wfsv. De omvang is gelijk aan de uitgaven (uitkeringen en uitvoeringskosten) die op grond van de Wet arbeid en zorg aan zelfstandigen worden verstrekt.

Vraag 163

Op basis van welke criteria wordt besloten of de Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA)-pilots succesvol zijn en onderdeel worden van het reguliere beleid? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Antwoord 163

Binnen het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) wordt in 8 pilots onderzocht wat werkt om de achterstanden op de arbeidsmarkt te verkleinen van Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond en van asielstatushouders39. Binnen VIA wordt gemeten in welke mate, en onder welke omstandigheden, verschillende aanpakken van gemeenten, werkgevers, het UWV en onderwijsinstellingen effectief zijn om de kansen op de arbeidsmarkt juist voor die doelgroep te vergroten, zodat ze dezelfde kansen hebben als Nederlanders zonder migratieachtergrond met vergelijkbare uitgangsposities als opleiding en ervaring. Naast het meten van effectiviteit wordt ook samen met betrokken partijen en hun koepelorganisaties onderzocht hoe effectief gebleken aanpakken verspreid worden, zodat ze door deze partijen ook daadwerkelijk op grotere schaal toegepast kunnen worden in de bedrijfsvoering of regulier beleid. Criteria voor succesvolle pilots zijn daarmee inzicht in de mate van effectiviteit, in de toepasbaarheid, de schaalbaarheid, het draagvlak en de kosten en baten.

Uw Kamer zal in het vierde kwartaal van dit jaar de tweede voortgangsrapportage van het programma VIA ontvangen. Eind 2020 volgt een volgende voortgangsrapportage en in 2021 de eindrapportage.

Vraag 164

Hoeveel pilots zijn succesvol en onderdeel van het reguliere beleid?

Antwoord 164

De VIA-pilots zijn inmiddels van start gegaan, of staan op het punt om te starten. Gedurende de uitvoering en evaluatie wordt onderzocht hoe deze onderdeel kunnen worden van het reguliere beleid bij overheden, instanties, werkgevers en onderwijsinstellingen. Naar verwachting zal dit vanaf medio 2020 het geval zijn.

Vraag 165

Kunt u uitsplitsen hoeveel inburgeraars examen doen op taalniveau A2 en hoeveel op niveau B1?

Antwoord 165

Het inburgeringsexamen wordt afgenomen op taalniveau A2. Als een inburgeringsplichtige een (beroeps)opleiding wil volgen of een baan zoekt, is vaak meer kennis van het Nederlands nodig: bijvoorbeeld niveau B1 of B2. De examens die hierbij horen zijn de Staatsexamens NT2 (programma I voor B1 en programma II voor B2). Van de totale groep geslaagde inburgeringsplichtigen onder de Wet inburgering 2013 uit de cohorten 2013 tot en met april 2019 zijn (peildatum 1 mei 2019):

  • 35.297 inburgeraars geslaagd op A2 niveau;

  • 3.258 inburgeraars geslaagd op B1 niveau;

  • en 2.371 inburgeraars geslaagd op B2 niveau.

Vraag 166

Hoeveel kost een inburgeringstraject? Kunt u dit uitsplitsen naar voor en na de overstap naar aanbesteding?

Antwoord 166

Verondersteld wordt dat met de vraag wordt bedoeld: hoeveel geld wordt er door een asielmigrant uit de DUO lening opgenomen om te voldoen aan de inburgeringsplicht. Dit is dus exclusief de kosten voor maatschappelijke begeleiding en voorinburgering. Op basis van de informatie die DUO bijhoudt over de asielmigranten die voldaan hebben aan de inburgeringsplicht blijkt dat de asielmigranten uit cohort 2013 afgerond € 7.200,– uit de DUO lening hebben gebruikt om te voldoen aan de inburgeringsplicht. Voor cohort 2015 werd afgerond € 8.600,– gebruikt uit de lening40. Er is nog niet overgestapt naar aanbesteding van de inburgeringstrajecten door de gemeenten. Het nieuwe stelsel treedt in 2021 in werking.

Vraag 167

Om welke redenen zijn bepaalde inkooptrajecten voor opdrachten niet doorgegaan en welke opdrachten betrof het?

Antwoord 167

Doordat er veel capaciteit nodig was voor de Veranderopgave Inburgering, hebben sommige inkooptrajecten ten aanzien van inburgering, onder andere de nieuwe aanbesteding van examenonderdelen vertraging opgelopen.

Vraag 168

Wat is de reden voor het grote verschil tussen de beoogde en de gerealiseerde cijfers aangaande de voorbereiding van asielgerechtigde nieuwkomers op hun inburgering?

Antwoord 168

De reden voor dit verschil is de lagere instroom van vergunninghouders in Nederland en de langere doorlooptijden van de IND waardoor de vergunningverlening vertraagd is.

Vraag 169

Wat is de reden voor het grote verschil tussen de beoogde en de gerealiseerde cijfers aangaande maatschappelijke begeleiding door gemeenten van asielgerechtigde nieuwkomers?

Antwoord 169

Er is momenteel sprake van een afname van het aantal asielgerechtigde nieuwkomers in Nederland. Daarnaast is met de wijziging van de Wet inburgering in verband met de vastlegging van de maatschappelijke begeleiding, per 1 oktober 2017, ook de systematiek van betaling aan gemeenten en de hieraan gerelateerde telling veranderd. Vanaf die datum vindt de betaling aan gemeenten plaats via de decentralisatie-uitkering waarbij de tellingen betrekking hebben op gehuisveste asielgerechtigde nieuwkomers in het voorafgaande jaar. Voorheen verstrekte COA de middelen op basis van declaraties van gemeenten, waarbij declaraties uit meerdere jaren werden meegeteld.

Vraag 170

Waarom is er sprake van een onderuitputting van de gelden voor voorinburgering wanneer vergunninghouders juist langer in de Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)-locaties bleven vanwege achterblijvende plaatsing bij gemeenten?

Antwoord 170

Het traject van het programma voorinburgering bestaat uit een vast aantal onderdelen en uren en duurt ongeveer 14 weken. Er wordt vergoed op basis van het aantal trajecten en niet op duur van verblijf in de opvanglocaties. Het aantal trajecten voorinburgering viel lager uit dan geraamd. De reden voor dit verschil is de lagere instroom van vergunninghouders in Nederland en de langere doorlooptijden van de IND waardoor de vergunningverlening vertraagd is.

Vraag 171

Hoe ziet de huidige financieringssystematiek van maatschappelijke begeleiding van vergunninghouders er uit?

Antwoord 171

De middelen voor de uitvoering van de maatschappelijke begeleiding worden aan gemeenten verstrekt via een decentralisatie uitkering (mei-circulaire). Basis voor de uit te keren middelen zijn de tellingen van het aantal door gemeenten gehuisveste inburgeringsplichtige asielgerechtigde nieuwkomers in het voorafgaande jaar (t-1).

Vraag 172

Krijgen gemeenten nog steeds standaard het bedrag van € 2.370 per statushouder ongeacht of de statushouder gebruikmaakt van deze begeleiding?

Antwoord 172

Ja. Het bedrag dat gemeenten ontvangen voor het verzorgen van de maatschappelijke begeleiding is gekoppeld aan het aantal inburgeringsplichtige statushouders dat zich regulier vestigt in de gemeente ongeacht of personen wel of niet deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding. In de Wet inburgering is opgenomen dat de gemeente voorziet in de maatschappelijke begeleiding van de betreffende groep statushouders. De middelen maatschappelijke begeleiding worden aan gemeenten verstrekt via een decentralisatie-uitkering. Gemeenten verantwoorden zich aan de gemeenteraad over de inzet van de middelen.

Vraag 173

Maken alle gemeenten gebruik van de gelden voor maatschappelijke begeleiding om vergunninghouders te begeleiden bij hun integratie na vestiging in de gemeente?

Antwoord 173

In de Wet inburgering is opgenomen dat gemeenten voorzien in de maatschappelijke begeleiding van inburgeringsplichtige vergunninghouders. In het Besluit inburgering zijn de inhoudelijke kaders opgenomen waaraan de maatschappelijke begeleiding moet voldoen. Coaching ten aanzien van participatie en integratie is een vaste component van de maatschappelijke begeleiding. Er vindt geen verantwoording plaats aan het rijk van de door de gemeenten uitgevoerde trajecten.

Vraag 174

Welke voorwaarden worden gesteld aan het ontvangen van geld voor maatschappelijke begeleiding van vergunninghouders?

Antwoord 174

Gemeenten ontvangen een bedrag van € 2.370 per gehuisveste inburgeringsplichtige vergunninghouder voor de uitvoering van de maatschappelijke begeleiding. In de Wet- en regelgeving inburgering zijn de inhoudelijke componenten opgenomen waaraan de maatschappelijke begeleiding moet voldoen. De maatschappelijke begeleiding die gemeenten aanbieden bestaat in ieder geval uit het verlenen van praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen, hulp bij het starten van de inburgering en het stimuleren van participatie en integratie.

Vraag 175

Waar komt de onverwachte toename in de opname van het aantal leningen vandaan?

Antwoord 175

Het aantal actieve leners (inburgeraars die in 2018 geld opgenomen hebben uit de lening) lag in 2018 hoger dan eerder voorzien. Oorzaak daarvan is dat de latere cohorten inburgeraars eerder zijn gaan lenen dan die van de eerste jaren van het leenstelsel. Daardoor ontstond er in 2018 meer samenloop van actieve leners uit meerdere cohorten.

Per abuis is in het jaarverslag in tabel 4.13.5 het verkeerde aantal in 2018 aan inburgeraars toegekende leningen (x 1.000 personen, ultimo) gerapporteerd. Het juiste aantal is 14 in plaats van 23. Dit betekent ook dat het verschil tussen realisatie en begroting –7 is in plaats van +2. Dit kengetal gaat over het aantal nieuwe leners in 2018. De aanpassing van dit aantal heeft overigens geen effect op het totaal aantal daadwerkelijk in 2018 opgenomen leningen dat relevant is voor de totale uitgaven. Dit aantal omvat zowel leningen die zijn opgenomen door nieuwe leners als door leners die al in eerdere jaren zijn begonnen met lenen. Het aantal opgenomen leningen is in 2018 zoals hierboven aangegeven wel toegenomen.

Vraag 176

Waar komt de toename in het ingecalculeerde leenbedrag vandaan?

Antwoord 176

Latere cohorten lenen een hoger bedrag dan eerdere cohorten. Dat wordt onder meer veroorzaakt door de toevoeging van het ONA examen met ingang van 2015 en mogelijk speelt de leerbaarheid van de doelgroep hier ook een rol in.

Vraag 177

Wat is de definitie van voorinburgering?

Antwoord 177

De tijd die wordt doorgebracht in de opvang moet zo zinvol mogelijk worden ingevuld. Het programma Voorbereiding op inburgering (kortweg voorinburgering) is een traject dat wordt aangeboden aan alle vergunninghouders op het AZC om hen voor te bereiden op het wonen en leven in de gemeente. Dit programma duurt 14 weken en bestaat uit Nederlandse les, een training Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM), een module Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) en individuele begeleiding waarin o.a. samen met de vergunninghouder een Persoonlijk Informatiedossier (PID) wordt ingevuld.

Vraag 178

Wat is de taakverdeling tussen COA en gemeenten in de voorinburgering?

Antwoord 178

Het programma voorinburgering wordt uitgevoerd door het COA. Gemeenten hebben geen rol of verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het programma. De informatie die gedurende de verblijftijd in de opvang wordt verzameld over de vergunninghouder wordt in het digitale klantprofiel opgenomen dat via het Taakstelling Volg Systeem (TVS) aan de gemeente wordt verzonden. In het kader van informatiedeling vindt bij verhuizing van de vergunninghouder tevens een «warme overdracht» tussen de casemanager en de gemeente plaats.

Vraag 179

Zijn er voorwaarden of stellen gemeenten voorwaarden aan de besteding van gelden voor maatschappelijke begeleiding wanneer zij dit uitbesteden aan een andere partij?

Antwoord 179

In de Wet- en regelgeving inburgering zijn de inhoudelijke componenten opgenomen waaraan de maatschappelijke begeleiding moet voldoen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatschappelijke begeleiding. Zij zijn ook verantwoordelijk voor het stellen van nadere voorwaarden indien zij de maatschappelijke begeleiding of onderdelen hiervan uitbesteden aan een andere partij.

Vraag 180

Hoeveel meer examens zijn sinds eind 2017 door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) afgenomen?

Antwoord 180

In het jaar 2017 zijn er 195.327 centrale examens – te weten de examenonderdelen Leesvaardigheid, Luistervaardigheid, Spreekvaardigheid, Schrijfvaardigheid, Kennis Nederlandse Maatschappij en Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt – door DUO afgenomen. In het jaar 2018 waren dit er 278.713. In het jaar 2018 zijn er ten opzichte van 2017 dus 83.386 centrale examens meer afgenomen door DUO41.

Vraag 181

Wat was het gemiddelde leenbedrag in 2018?

Antwoord 181

Verondersteld wordt dat met de vraag wordt bedoeld: «Wat is het gemiddelde bedrag dat inburgeraars lenen om te voldoen aan de inburgeringsplicht?». Bij de beantwoording van deze vraag is het nuttig om te kijken naar het gemiddelde leenbedrag van inburgeraars uit de cohorten 2013 tot en met 2016 die aan de inburgeringsplicht hebben voldaan. Onder «voldaan» wordt verstaan: examen behaald, vrijstelling verkregen of ontheffing verkregen. Hieronder een overzicht per cohort van het gemiddelde leenbedrag van inburgeraars die aan de inburgeringsplicht hebben voldaan. Dit gemiddelde leenbedrag is geen vast gegeven en continu aan verandering onderhevig. In de tabel is het gemiddelde leenbedrag ook uitgesplitst naar asielmigranten en gezinsmigranten, omdat gezinsmigranten structureel minder lenen dat asielmigranten.

De toename van het gemiddelde leenbedrag is o.a. te verklaren door de toevoeging van het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt aan het inburgeringsexamen per 1 januari 2015.

Gemiddeld leenbedrag van inburgeringsplichtigen die hebben voldaan cohort 2013 t/m 20161

Gemiddeld leenbedrag per lener2

Cohort 2013

€ 6.300

Asielmigrant

€ 7.200

Gezinsmigrant

€ 3.100

Cohort2014

€ 7.200

Asielmigrant

€ 7.800

Gezinsmigrant

€ 3.400

Cohort 2015

€ 8.100

Asielmigrant

€ 8.600

Gezinsmigrant

€ 3.900

Cohort 2016

€ 7.900

Asielmigrant

€ 8.400

Gezinsmigrant

€ 3.900

X Noot
1

Voldaan = examen behaald, vrijgesteld of ontheven.

X Noot
2

Bron: DUO; peildatum 01-05-2019.

Vraag 182

Welke redenen zijn er om een lening voor de inburgeringscursus kwijt te schelden?

Antwoord 182

Kwijtschelding van de lening kan op grond van artikel 4.13 van het Besluit Inburgering verleend worden in de volgende gevallen:

  • a) In geval dat asielmigrant binnen de termijn van kwijtschelding, voldoet aan de inburgeringsvereisten dan wordt de totale schuld kwijtgescholden;

  • b) In het geval dat een persoon die aan de inburgeringsvereiste heeft voldaan en vallend onder de Wet Sanering Natuurlijke Personen, nog achterstallige onbetaalde termijnen heeft, dan worden deze kwijtgescholden;

  • c) In geval dat een asielmigrant vertrekt naar het land van herkomst en de grond voor het verblijf in Nederland komt te vervallen, dan wordt de schuld kwijtgescholden.

Vraag 183

Hoeveel vergunninghouders (asielmigranten met verblijfstatus) hebben geen gebruik kunnen maken van voorinburgering en maatschappelijke begeleiding doordat er € 54 miljoen minder uitgegeven is aan COA dan ten tijde van de begrotingsopstelling werd voorzien?

Antwoord 183

Vergunninghouders op het AZC krijgen een aanbod voorinburgering van COA. Vergunninghouders die zich in de gemeente vestigen ontvangen van gemeenten maatschappelijke begeleiding. Door de afname van het aantal vergunninghouders is het aantal trajecten voorinburgering en matschappelijke begeleiding lager en dit vertaald zich door in minder benodigde middelen dan geraamd. Vergunninghouders hebben geen trajecten voorinburgering en maatschappelijke begeleiding misgelopen.

Vraag 184

Hoe verklaart u dat de kosten voor de inhuur van externen met 71% is overschreden, namelijk € 11,3 miljoen in plaats van de begrote € 6,6 miljoen?

Antwoord 184

De overschrijding heeft met name te maken met uitgaven externe inhuur voor automatiseringsprojecten. Dit stond eerst in totaal op het budget automatisering maar een deel van de uitgaven valt volgens de rijksbrede definitie onder externe inhuur. De uitgaven die betrekking hebben op externe inhuur van de betreffende automatiseringsprojecten zijn geboekt op de post externe inhuur. Dit betreft een budgettaire verschuiving.

Vraag 185

Welke automatiseringsprojecten hebben ertoe geleid dat de kosten voor de inhuur van externen met 71% is overschreden? Waarom was dit niet te voorzien?

Antwoord 185

Deze uitgaven externe inhuur doen zich onder andere voor bij de doorontwikkeling van bestaande systemen en het aanpassen van de software aan nieuwe regelingen/tijdvakken. Zie verder het antwoord op vraag 184.

Vraag 186

Welke maatregelen neemt u om te zorgen dat de inhuur van externen binnen de zogeheten «Roemernorm» blijft, oftewel 10% van de totale personele uitgaven?

Antwoord 186

Het percentage externe inhuur is in 2018 uitgekomen op 4,7 (zie bijlage externe inhuur bij het Jaarverslag 2018). De afgelopen jaren schommelt het percentage externe inhuur rond de 4. SZW heeft hier gedurende het jaar aandacht voor.

Vraag 187

Welke kasschuiven zijn er precies doorgevoerd voor € 39,5 miljoen? Wat is de precieze uitsplitsing daarvan?

Antwoord 187

Er is een aantal technische kasschuiven doorgevoerd op artikel 99 om te zorgen dat sprake was van een sluitend kasritme. De grootste inhoudelijke kasschuif heeft betrekking op de compensatieregeling voor zwangere zelfstandigen (€ 37 miljoen). In 2018 waren middelen gereserveerd voor deze compensatieregeling. De middelen zijn doorgeschoven naar 2019.

Vraag 188

Hoeveel groeide de koopkracht voor huishoudens die een plus zagen in de koopkracht uitgesplist naar inkomenssituatie en huishoudenssamenstelling?

Antwoord 188

Vanaf de begroting 2019 is de wijze waarop de koopkrachtontwikkeling wordt gepresenteerd aangepast. Uit de nieuwe boxplottabel valt af te lezen dat 68% van de huishoudens vorig jaar een plus in hun koopkracht zag. Daarnaast is te zien de mediane koopkrachtstijging licht hoger is naar mate het inkomen stijgt. Uit de tabel met de koopkrachtontwikkeling van de voorbeeldhuishoudens blijkt dat tweeverdieners, alleenstaanden en alleenstaande ouders er vorig jaar in koopkracht op vooruit zijn gegaan. Verder blijkt dat de zowel de plussen als de minnen voor de gerapporteerde voorbeeldhuishoudens beperkt zijn, behoudens voor gepensioneerde paren met een hoog aanvullend pensioen.

In 2018 is de werkloosheid opnieuw sterk gedaald. Vanwege de statische aard van de koopkrachtplaatjes is dit niet zichtbaar in de tabellen. Maar huishoudens waarin mensen vorig jaar weer een baan hebben gevonden zijn er vanzelfsprekend in hun portemonnee ook op vooruit gegaan.


X Noot
1

Bron: DUO; peildatum 01-05-2019.

X Noot
2

Bron: DUO; peildatum 01-05-2019.

X Noot
6

Kamerstuk 29 544, nr. 849.

X Noot
7

Kamerstuk 30 982, nr. 46.

X Noot
8

Kamerstuk 34 352, nr. 163.

X Noot
9

Kamerstuk 34 477, nr. 46.

X Noot
12

Kamerstuk 34 843, nr. 31.

X Noot
13

Kamerstuk 25 834, nr. 158; Handelingen II 2018/19, nr. 59, item 13.

X Noot
15

Kamerstuk 34 475 XV, nr. 9.

X Noot
16

Kamerstuk 29 544, nr. 846.

X Noot
17

Kamerstuk 28 828, nr. 11.

X Noot
18

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 91.

X Noot
19

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 14.

X Noot
20

Kamerstuk 34 550 XV, nr. 73.

X Noot
21

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 10.

X Noot
22

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 91.

X Noot
23

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 10.

X Noot
24

Kamerstuk 35 000 XV, nr. 10.

X Noot
25

Kamerstuk 32 824, nr. 261.

X Noot
26

Kamerstuk 29 817, nr. 138.

X Noot
27

Kamerstuk 26 448, nr. 622.

X Noot
28

Kamerstuk 34 352, nr. 137.

X Noot
29

Kamerstuk 34 452, nr.111.

X Noot
30

Kamerstuk 34 352, nr. 113.

X Noot
32

Kamerstuk 24 515, nr. 468.

X Noot
33

Bron: UWV; Monitor Arbeidsparticipatie 2018, tabel 3.1a.

X Noot
34

Kamerstuk 29 544, nr. 915.

X Noot
35

Kamerstuk 33 566, nr. 103.

X Noot
36

Kamerstuk 34 775 XV, nr. 15.

X Noot
37

Bron: kwantitatieve informatie UWV 2018.

X Noot
38

Bron: CBS, monitor arbeid, zorg en kinderopvang.

X Noot
39

Kamerstuk 29 544, nr. 848.

X Noot
40

Bron: DUO; peildatum 01/05/19.

X Noot
41

Bron: DUO; peildatum 01-05-2019.