Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2016-201734552 nr. D

34 552 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2017)

34 553 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2017)

34 554 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2017)

34 555 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer en het treffen van enkele fiscale maatregelen inzake oudedagsvoorzieningen (Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen)

34 545 Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting)

D1 VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIEN2

Vastgesteld 1 december 2016

Het voorbereidend onderzoek geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Algemeen

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het pakket Belastingplan 2017. Deze leden hebben nog een aantal opmerkingen en vragen naar aanleiding van de verschillende wetsvoorstellen die onderdeel uitmaken van dit pakket.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Belastingplan 2017. Zij hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het wetsontwerp Overige Fiscale Maatregelen. Vooraf zouden de leden van de CDA-fractie de regering een compliment willen geven dat in tegenstelling tot het Belastingplan 2016 dit jaar uitvoering is gegeven aan de motie-Hoekstra3. In het Belastingplan 2016 was geheel ten onrechte de wijziging van het Box 3-regime met ingang van 1 januari 2017 opgenomen, terwijl dat geen enkele budgettaire consequentie had voor het begrotingsjaar 2016. Die door de Raad van State afgewezen koppeling is nu niet weer gemaakt. Zij hebben hierover ook nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsontwerp Uitfasering pensioen in eigen beheer en overige pensioenmaatregelen. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van het Belastingplan 2017. Deze leden waarderen de inspanningen van de regering om het belastingstelsel te moderniseren maar constateren tot hun spijt dat met het Belastingplan 2017 opnieuw noodzakelijke fundamentele hervormingen van het belastingstelsel uitblijven. Die bescheiden ambitie, waarvan een deel al bepaald is door maatregelen uit het Belastingplan 2016 die een technische doorlooptijd van een jaar hebben, nodigt dan ook niet uit tot zeer gedetailleerde en fundamentele vraagstelling. Over de voorliggende voorstellen hebben deze leden niettemin een enkele vraag en opmerking.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2017. Zij hebben hierover nog enkele vragen.

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Het is belangrijk dat de problematiek omtrent het pensioen in eigen beheer (PEB), in het bijzonder de problematiek omtrent de dividendklem, wordt opgelost, zoals in het verleden is aangekaart vanuit deze Kamer.4 Daarom waarderen deze leden de inspanningen van de regering op dit gebied. Over het voorliggende voorstel hebben deze leden een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het pakket Belastingplan 2017 en hebben daarover de volgende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het pakket Belastingplan 2017 c.a. en hebben daarover de volgende vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het pakket Belastingplan 2017. In aanloop naar het debat hierover met de regering maken zij graag gebruik van de gelegenheid om een aantal vragen aan haar voor te leggen.

De leden van de fractie van 50PLUS hebben kennisgenomen van het pakket Belastingplan 2017. Zij gaan ervan uit dat hun vragen hierover die nog niet beantwoord zijn ter voorbereiding op de AFB bij deze gelegenheid worden beantwoord. In de antwoorden op deze vragen bij de AFB werd verwezen naar de nota Inkomensbeleid 2011–2017 die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de behandeling van de begroting van SZW naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. De nota is op 25 november aan de Tweede Kamer gezonden met afschrift aan de Eerste Kamer.5 De leden van de 50PLUS-fractie hebben kennis genomen van de informatie uit de nota. Zij constateren dat op enkele vragen indirect en deels een antwoord gegeven is, maar op de meeste specifiek gestelde vragen niet, wat gelet op de aard van de nota volgens hen nu ook niet te verwachten was. De antwoorden zijn voor hen van belang ter voorbereiding op de behandeling van het Belastingplan 2017. De leden van de 50PLUS-fractie hebben de volgende aanvullende vragen over het Belastingplan 2017.

2. Belastingplan 2017

2.1. Inkomensbeleid

De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen over het inkomensbeleid. Door het inkomensafhankelijk maken van de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de algemene inkomensafhankelijke combinatiekorting en de ouderenkorting wordt op een minutieuze wijze inkomensbeleid gevoerd.6 Dit kabinet heeft hier volgens deze leden bewust voor gekozen. De verschillen in het brutonetto-traject tussen de belastingplichtigen met een brutojaarinkomen kunnen afhankelijk van hun persoonlijke omstandigheden en hoe zij hun inkomen genieten (loon uit – vroegere – dienstbetrekking, of winst uit onderneming) oplopen tot meer dan € 8.000. Zo blijkt uit de Nota naar aanleiding van het verslag dat de alleenstaande werkende zonder kinderen en de meestverdienende tweeverdiener met een kind onder de 12 jaar en een partner die € 34.999 verdient de meeste belasting en premies volksverzekeringen (€ 8.099) betalen.7 De startende ZZP-er met een kind onder de 12 jaar en met een partner met een hoger inkomen betaalt het minst, namelijk € 67.

Het inzicht is voor een burger niet meer te volgen door de ingewikkelde combinatie van tarieven en inkomensafhankelijke kortingen en inkomensafhankelijke toeslagen. Een bijkomend gevolg is dat de marginale druk bij inkomens van het wettelijk minimumloon tot 1.5x of 2x het wettelijk minimumloon van 19% stijgt naar 59,4%8. Dat is voor een modale werknemer moeilijk te verteren. Van iedere euro die hij meer verdient, houdt hij minder dan 50% over. Zulks komt door de steile afbouw van de kortingen en toeslagen.9 De vraag is hoe deze verfijning van het stelsel nog te rijmen valt met het draagkrachtbeginsel. Zou de regering willen reageren op de vraag hoe houdbaar dit stelsel nog is. De leden van de CDA-fractie zouden het op prijs stellen, wanneer een kwantitatieve vertaling van de verzilveringsproblematiek gegeven zou kunnen worden.10

De leden van de CDA-fractie juichen het structureel maken van de verhoging van de ouderenkorting toe (in 2017: € 1.292). Zulks is in lijn met de motie die de fracties van 50PLUS en van het CDA vorig jaar bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2016 in de Eerste Kamer hebben ingediend. De vraag is of de afbouw van de ouderenkorting niet minder steil zou kunnen geschieden, bijvoorbeeld glijdende afbouw van een verzamelinkomen € 36.057 (het huidige maximum) tot € 45.000. Daarvoor zou bijvoorbeeld het niet verzilverbare deel van de ouderenkorting (macro: 13%11) aangewend kunnen worden. De leden van de CDA-fractie ontvangen hier graag een reactie op.

De afbouw van de gecombineerde heffingskorting in de situatie van de minst verdienende partner heeft met name bij de laagste inkomens grote nadelige inkomenseffecten. In deze periode is de leeftijdsgrens verhoogd en bovendien is de tegemoetkoming voor de verzorging van jonge kinderen afgeschaft. Zou de regering willen ingaan op de analyse die de heren Lejour en Stevens in hun boek12?

Recent stuurde de regering het rapport «Terugblik inkomensbeleid en koopkracht 2012–2017» naar de Eerste Kamer13, zo merken de leden van de SP-fractie op. Dit rapport bevat in Bijlage 1 op blz. 31 de tabel De cumulatieve koopkracht over 2012–2017, koopkracht en effect beleid (%). Kan de regering deze tabel ook weergeven waarbij het inkomensniveau is ingedeeld in vier kwartielen?

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de ouderenkorting wordt verhoogd voor pensioengerechtigden met een verzamelinkomen van niet meer dan € 36.057. Waarom heeft de regering hier voor een harde grens gekozen in plaats van een geleidelijke afbouw na die grens, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn bezorgd over het feit dat de huidige vormgeving van het belastingstelsel leidt tot steeds grotere onevenwichtigheden. Een voorbeeld is de zeer ongelijke belastingdruk bij een gelijk brutoinkomen. Neem een inkomen van € 35.000. Daarbij lopen de verschillen op van € 67 inkomstenbelasting voor een startende zzp'er met een kind onder de 12 jaar en met een partner met een hoger inkomen tot en met € 11.896 inkomstenbelasting voor een uitkeringsgerechtigde met een kind onder de 12 jaar. Daar zit een factor 177,5 tussen. In het huidige belastingstelsel zijn – zeker bij een lager (midden)inkomen – kortom niet meer de schijftarieven leidend voor hoeveel inkomstenbelasting moet worden afgedragen aan de staat, maar de heffingskortingen. Dit kabinet heeft gedurende zijn regeerperiode verschillende heffingskortingen verhoogd – zoals de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting – en de resterende inkomensonafhankelijke algemene heffingskorting inkomensafhankelijk gemaakt. Gevolg van al deze maatregelen is dat de marginale druk tussen een laag inkomen van circa € 20.000 tot een inkomen rond modaal enorm hoog is geworden, vooral voor eenverdieners. Gevolg is eveneens dat het verschil in belastingdruk tussen gezinnen met één en twee inkomens gedurende deze kabinetsperiode is opgelopen van een ruime factor 2 tot een krappe factor 6 bij een gelijk huishoudinkomen van € 40.000, vooral omdat de tweeverdieners in kwestie veel en veel minder inkomstenbelasting zijn gaan betalen in een paar jaar tijd. Graag ontvangen de leden van de ChristenUnie-fractie een reflectie op het gevoerde fiscale beleid deze kabinetsperiode vanuit het perspectief van de verschillende doelgroepen met een gelijk huishoudinkomen, zowel gelet op de totale als op de marginale belastingdruk. Welke lessen trekt de regering uit het door haar gevoerde fiscale beleid?

In dit licht zijn de leden van de ChristenUnie-fractie ook benieuwd naar de ontwikkeling van de verschillende op- en/of afbouwpaden van alle heffingskortingen en toeslagen gedurende deze kabinetsperiode. Graag ontvangen zij in grafiekvorm de op- en/of afbouwpaden van alle heffingskorting en -toeslagen in 2012 en 2017. Tevens zouden zij voor een aantal verschillende «modelhuishoudens» de cumulatie van de verschillende op- en/of afbouwpaden van de relevante heffingskortingen en toeslagen in beeld willen zien voor genoemde jaren. Tevens vragen deze leden naar een toelichting op de rationaliteit achter de ontwikkeling van de verschillende op- en/of afbouwpaden gedurende deze kabinetsperiode. Waarom worden de heffingskortingen afgebouwd, zoals ze worden afgebouwd? In hoeverre is daarbij geoptimaliseerd op het totaal aan heffingskortingen (en toeslagen)? En welke verhouding heeft de regering voor ogen (gehad) met betrekking tot de hoogte van de schijftarieven en de hoogte van de heffingskortingen? Hoe beoordeelt zij de huidige verhouding daartussen?

Na bovengenoemde vraagstukken aan de orde te hebben gesteld, komen de leden van de ChristenUnie-fractie als vanzelf op het onderscheid tussen individu en huishouden in het belastingstelsel. Kan in een helder overzicht worden weergegeven welke onderdelen van het belastingstelsel zijn gebaseerd op een individuele benadering en welke op een huishoudenbenadering? Hoe consistent wordt de individuele en huishoudenbenadering toegepast in het huidige stelsel? In welke zin zou het stelsel nog aan consistentie kunnen en moeten winnen wat betreft de regering? Hoe kijkt de regering aan tegen het feit dat de ene heffingskorting wel overdraagbaar is aan de meest verdienende partner en de andere niet/steeds minder; in casu de arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting zijn overdraagbaar, terwijl de algemene heffingskorting in 2017 nog voor 40% overdraagbaar is en over een aantal jaar in het geheel niet meer. Ligt het niet voor de hand om op een gelijke manier om te gaan met de overdraagbaarheid van heffingskortingen? Zo nee, waarom niet? En zo ja, op welke wijze gaat de regering hier nog werk van maken, mede gelet op het gewisselde in de Tweede Kamer met betrekking tot het amendement-Schouten14.

De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de inspanningen en maatregelen van de regering om tot een evenwichtig koopkrachtbeeld te komen. Tegelijk constateren deze leden dat hierdoor een forse inconsistentie zit tussen het Belastingplan van vorig en van dit jaar. Nadat vorig jaar de lengte van de derde schijf werd verlengd, wordt deze nu beperkt. Nadat vorig jaar de arbeidskorting fors werd verhoogd, wordt deze nu weer verlaagd. Nadat vorig jaar alles op alles werd gezet om 35.000 modelmatige banen te creëren, worden nu zonder pardon 21.000 papieren banen vernietigd. En dat met een koopkrachtpakket dat bijna een factor 5 kleiner is dan het € 5 miljard pakket van afgelopen jaar. Hoe kan het dat het ene jaar het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie centraal staat – niet in het minst van de minst verdienende partner – en dat in het andere jaar de koopkrachtontwikkeling het leitmotiv is? Wat is de redenering achter deze paradigmawisseling? Waarom was er vorig jaar ten koste van het draagkrachtbeginsel en een rechtvaardige belastingdruk geen enkele opening bij de regering om een maatregel te treffen die tot minder dan 35.000 banen op papier zou hebben geleid, terwijl de regering omwille van een evenwichtige koopkrachtontwikkeling dit jaar zonder wroeging 21.000 modelmatige banen opoffert?

Uit het antwoord op de vraag van de leden van de 50PLUS-fractie bij de AFB over het gemiddelde inkomen werd aangegeven dat dit gemiddelde niet beschikbaar is zonder de hoogste inkomens. De volgende toelichting werd gegeven. De hoge inkomens zorgen ervoor dat het gemiddelde inkomen flink omhoog gaat. Daarmede is het gemiddelde inkomen geen goede weergave van het inkomen van een doorsnee huishouden. Daarvoor kan beter gekeken naar de mediaan. Dit is het inkomen waarbij 50% van de huishoudens een hoger en 50% van de huishoudens een lager inkomen heeft. Het middelste inkomen dus. De vraag van deze leden is of dat bezwaar van de gemiddelde methode kan worden ondervangen door de uitschieter naar boven te elimineren. Zij vragen derhalve nogmaals of bij de berekening van het gemiddelde inkomen, het inkomen boven de € 100.000 kan worden geëlimineerd.

In aanvulling op de antwoorden op hun vragen over het gemiddelde inkomen vragen de leden van de 50PLUS-fractie om de totale populatie van elk van de drie groepen aan te geven en de percentages die bij elke populatie van de gepresenteerde inkomens behoren. Ook vragen deze leden nogmaals in het gegeven overzicht over het vermogen ook de uitschieter naar boven te elimineren van het vermogen boven € 500.000 respectievelijk € 2 miljoen. Daarbij vragen zij aan te geven wat de waarde van het netto vermogen van de eigen woning is (waarde minus hypotheek) bij elk van de vermogensgroepen. Met ook het aangeven van totale populatie en de verdeling over de populatie van elk van de drie groepen van de bezitters van een eigen woning. Vervolgens vragen deze leden wat de totale populatie van elk van de drie groepen is en de percentages die bij elke populatie van de drie groepen behoren van het gepresenteerde vermogen. Eerst inclusief eigen woning en vervolgens exclusief eigen woning.

De leden van de 50PLUS-fractie hebben de volgende vragen over de gevolgen van de in 2013 ingevoerde WUL die volgens deze leden tot een storm van protest leidde van de ouderen, mede vanwege de totaal onverwachte invoering van deze ouderentaks.

Kan alsnog ook het effect van de WUL in 2013 in de koopkracht vanaf 2012 worden meegenomen omdat anders het overzicht een onvolledig en vertekend beeld geeft van de koopkracht vanaf 2012, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie. En kan alvast het effect op de koopkracht worden gegeven van de verhoging van de ouderenkorting die pas in 2016 tot stand kwam, veel later dan de lastenverlichtingen voor werkenden die veel eerder plaats vonden? Dat is van belang voor een gewogen gemiddelde naar tijdsgelang en relatieve omvang van alle maatregelen in de 5 jaartal voorbeeld: de WUL ging in 2013 in en duurt al vijf jaar; de ouderenkorting is pas één jaar in werking. Ten aanzien van de WUL vragen deze leden of het klopt dat het in het najaar 2012 ontbrak aan de normale coördinatie tussen alle betrokkenen over de koopkrachtgevolgen van de voorstellen voor 2013 en de verwerking in de diverse administraties voor de personeelsafdelingen van werkgevers en pensioenfondsen, waardoor de WUL als een donderslag bij heldere hemel kwam? Die voorstellen hadden volgens de aan het woord zijnde leden alleen voor de ouderen dramatische negatieven gevolgen.

Wat was de extra budgettaire opbrengst van de verhoging van het tarief van de eerste schijf voor 65-plussers met 4% in het kader van de WUL en voor zelfstandigen en in totaal voor niet-werknemers. Voor de werkenden was de reden van de 4% verhoging het feit dat door de WUL de werkgevers zorgpremie met één pennenstreek onbelast loon werd. De leden van de fractie van 50PLUS hebben daarover de volgende vragen. Hoe hoog was de budgettaire derving van de vrijstelling als onbelast loon? Hoe hoog was de opbrengst van de compenserende 4% heffing voor werkenden? Hoe groot was het negatieve budgettaire saldo van deze operatie en dus het totale fiscale voordeel voor werkenden? Wat was het belastingvoordeel voor de individuele werkende met inkomens boven het maximale inkomen in de eerste schijf: € 20.000, € 25.000, € 30.000, € 35.000, € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000. En voor inkomens van € 60.000, € 70.000, € 80.000, € 90.000 en € 100.000?

Wat was de reden om ook de ouderen die dit belastingvoordeel niet hadden toch dezelfde extra 4% op te leggen? Wat was de koopkrachtdaling voor de ouderen van deze 4% verhoging voor de inkomens van € 10.000, € 15.000, € 20.000, € 25.000, € 30.000, € 35.000? En voor inkomens van € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000?

Waarom werd het voordeel niet geheel gecompenseerd? Waarom bleef er een aanzienlijk netto voordeel voor de werkenden over van de WUL-operatie terwijl alle ouderen een groot nadeel hadden? Kan worden uitgelegd hoe het netto-netto beginsel is toegepast bij de verhoging van het tarief met 4% voor de werkende in de eerste schijf. Dat leidt immers tot een lager netto minimum loon en daardoor tot een lagere netto bijstand en netto AOW. Kan dit netto-netto-effect met een voorbeeld worden toegelicht? Wat was het gevolg voor de hoogte van het netto minimum loon, de netto bijstand en de netto AOW? Wat was derhalve de mutatie?

Deze leden vragen met klem of de werkelijke reden voor de toepassing van de WUL was: het op gelijke wijze toepassen van de WUL 4% voor de werkenden en niet meer werkenden omdat dit een onvermijdelijk gevolg was van de dwingende netto-netto-regeling. Kan een overzicht gegeven worden van de compensatiemaatregelen die toen voor de ouderen werden getroffen in verband met het WUL-nadeel? Wat is per saldo op dit moment overgebleven als structurele compensatie voor de 4% WUL?

De leden van de 50PLUS-fractie hebben naar aanleiding van de antwoorden op de schriftelijke vragen bij de AFB15 de volgende aanvullende vragen. Deze leden menen dat de Minister van Financiën een notitie zou sturen over de antwoorden op hun vragen tijdens de AFB over de financiering van de AOW. Die notitie is er volgens deze leden nog niet. De leden van de 50PLUS-fractie zullen daar apart zo nodig vragen over stellen en vooral over de opmerking van de Minister dat de opvatting van de Algemene Rekenkamer van destijds niet wordt gedeeld. Over de wel reeds gegeven antwoorden hebben deze leden de volgende aanvullende vragen. Kan hetzelfde overzicht inzake de netto AOW-premie worden gegeven voor de werkende eenverdiener en tweeverdiener zoals het gegeven overzicht voor de werkende alleenstaande? Kan hetzelfde overzicht voor de netto AOW-premie geven worden voor de zelfstandige? Kan tevens worden aangegeven wat de hoogte is van de werkelijk te betalen IAB-premie voor de zelfstandigen in deze inkomensgroepen en de inkomens van € 40.000, € 45.000, € 50.000 en € 55.000 (nagenoeg de inkomensgrens van de IAB? Kan ter vergelijking aangegeven worden wat de werkelijk te betalen premie is voor gepensioneerden in dezelfde inkomensgroepen tot € 55.000? Deze leden vragen deze informatie zowel apart als ter vergelijking tussen zelfstandigen en gepensioneerden in een gezamenlijke tabel en grafiek.

Kan alsnog een internationaal rechtsvergelijkend onderzoek worden ingesteld naar de specifieke fiscale voordelen van ouderen in de inkomstenbelasting, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie. Een eerste inventarisatie geeft aan dat in de genoemde vijf landen specifieke regelingen voor ouderen meestal gunstiger zijn zoals in de VS, het VK, België en Italië. Gunstiger dan in ons land waar de specifieke regelingen volgens deze leden nadelig zijn voor ouderen.

Uit het antwoord over het werkgelegenheidseffect van € 5 miljard blijkt dat dit achteraf niet aantoonbaar is omdat de groei afhankelijk is van veel factoren. Was er dan geen aanleiding om in 2016 ook niet-werkenden te laten meedelen in de € 5 miljard?

Uit het verbeterde overzicht met een vergelijking tussen werknemer en zelfstandige blijkt dat een zelfstandige bij een winst van € 23.376 slechts € 590 euro IAB-zorgpremie betaalt.

Wat betaalt een AOW-er met een inkomen van € 23.376 aan IAB-premie? Welke motivering ligt ten grondslag aan het feit dat een zelfstandige voor dezelfde verzekering en bij gelijk inkomen veel minder IAB premie betaalt dan een AOW-er?

Tijdens de AFB is door de Staatssecretaris aangegeven dat een afbouw van de ouderenkorting niet één-twee-drie kan worden ingevoerd. Kan dit nader worden toegelicht?

In het antwoord over het verschil tussen de arbeidskorting en de ouderenkorting wordt aangegeven dat de fiscale behandeling van ouderen op meerdere punten verschilt van die van werkenden. Zo betalen ouderen veel minder inkomensheffingen in de eerste en tweede schijf. Deze leden hebben de volgende vragen over dit in hun ogen bizarre antwoord. De term inkomensheffing is onbekend in de fiscale wetgeving. De wet kent alleen de heffing van de inkomstenbelasting en van de premies volksverzekeringen waaronder de premie AOW, die vervalt zodra de AOW uitkering aanvangt. Kan aangegeven worden wat met de term inkomensheffing wordt bedoeld?

Naar aanleiding van het antwoord over het grote verschil in totaal voordeel in de periode 2013–2017 tussen werkenden, € 3.280, en bijvoorbeeld gepensioneerden, € 600, hebben de leden van de 50PLUS-fractie de volgende vragen. Waarom wordt gemeten in relatieve mutaties? Werkenden gaan er meer op vooruit dan gepensioneerden, waarvoor bijvoorbeeld als reden wordt aangevoerd dat zij een veel groter risico op inkomensachteruitgang hebben, bijvoorbeeld door verlies van hun baan. Dat is een fiscaal merkwaardig argument omdat fiscaal alleen gekeken wordt naar het werkelijke inkomen en niet naar de mate van onzekerheid. Dat gebeurt ook niet bij zelfstandigen die per definitie een sterk wisselend inkomen hebben en ook hun beroep of bedrijf kunnen verliezen. Ook voor gepensioneerden kan dit van toepassing zijn zoals bleek bij de grote korting van 7% (en bijna 14%) op het pensioen bij een groot Metaal Pensioenfonds. Daarnaast wordt als argument genoemd dat naast het evenwichtig koopkrachtbeleid, het inkomensbeleid ook gestoeld is op de pijler van «werk moet lonen». Deze leden vragen waarom deze «elk wat wils»-argumentatie zulke grote fiscale verschillen kan rechtvaardigen. Is hier niet sprake van een fiscale leeftijdsdiscriminatie?

Deze leden hebben het antwoord van de regering over de koopkrachtreparatie als volgt begrepen: hoewel het niet de rol van de overheid is om gepensioneerden te compenseren voor de lage dekkingsgraden van de pensioenfondsen, heeft het kabinet steeds maatregelen genomen die de koopkracht van gepensioneerden verbeteren. Kunnen die maatregelen worden genoemd, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie. En hoe is het dan toch mogelijk dat die koopkracht fors is gedaald en 30% is achter gebleven bij de werkenden in de periode 2000–2014 maar vooral ook in de periode 2008–2015? Hoe is het verschil te verklaren tussen de in de antwoorden gegeven grafiek met een overzicht van het gemiddeld besteedbaar inkomen van werkenden en gepensioneerden en het overzicht van het CBS over Koopkrachtontwikkeling 2000–2014 waaruit blijkt dat werkenden er 30% op vooruit zijn gegaan en gepensioneerden gelijk zijn gebleven. (Zie CBS: Koopkrachtontwikkeling op basis van jaarlijkse mediane koopkrachtmutatie, bij gelijkblijvende inkomensbron). Wanneer zijn de cijfers van CBS over 2015 bekend? Kan aanvullend de koopkracht ontwikkeling gegeven worden voor gepensioneerden met een aanvullend pensioen van boven de AOW van € 10.000, € 20.000, € 30.000, € 40.000, € 50.000, en € 60.000 zowel in tabel als in grafiek? Waarom is de door deze leden gevraagde verdeling naar inkomensklassen niet exact beschikbaar via openbare bronnen? Wanneer kunnen die wel beschikbaar komen gelet op de beleidsrelevantie?

In de Tweede Kamer is een motie aangenomen over de marginale druk boven 56%.16 Kan voor de ouderen het verloop van de marginale druk worden gegeven door het ontbreken van de afbouw van de ouderenkorting bij een extra inkomen van € 10, € 50, € 100, € 500, € 1.000, € 2.000, € 3.000, € 4.000, € 5.000 omdat de ouderenkorting daalt met € 1.221 bij overschrijding van het inkomen van € 36.056 met € 1 door bijvoorbeeld een nieuwe lijfrente uitkering of het afbouwen van de oudedagsreserve in het kader van het voorstel over eigen beheer of een geringe indexatie van pensioen met bijvoorbeeld € 10. Wat is het oordeel over de mogelijkheid dat omgekeerd een ouderenkorting kan worden behouden als er onverhoopt een korting op het pensioen plaats zou vinden van bijvoorbeeld € 10, of door een extra fiscale gift van € 10, of door elke andere daling van het inkomen benden € 36.056. In alle situaties leidt dit tot een belastingvoordeel van € 1.221 met een uniek omgekeerd marginale voordeel. Kan het marginale voordeel worden aangegeven bij een verlaging van het belastbaar inkomen met € 10, € 50, € 100, € 500, € 1.000, € 2.000, € 3.000, € 4.000, € 5.000.

Wat zijn de budgettaire risico’s van deze voor alle gepensioneerde burgers eenvoudige vorm van tax planning? Kan een overzicht worden gegeven van de koopkrachtgevolgen van de gepensioneerden op de volgende drie maatregelen apart en in totaal: de WUL-verhoging, de verhoging van het verlaagde tarief van de IAB-zorgpremie en de verhoogde ouderenkorting.

2.2 Constructiebestrijding en aanpak belastingontwijking

2.2.1 Maatregelen box 2-beleggen in vrijgestelde beleggingsinstellingen

Het Belastingplan 2017 voorziet in een anti-misbruikregeling die er op is gericht dat het tijdelijk onderbrengen van box 3-vermogen in box 2 in een vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) gedurende een periode van zes tot achttien maanden, fiscaal wordt genegeerd, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Daarmee blijft dat vermogen onderworpen aan de box 3-heffing. Deze anti-misbruikbepaling voorziet daarbij in een tegenbewijsregeling in geval van zakelijk handelen van de belastingplichtige. De voorgestelde regeling bestrijdt onbedoeld gebruik van de VBI dat er in bestaat dat twee peildata voor de box 3-heffing worden ontweken. Door het jojoën tussen box 3 en box 2 beogen belastingplichtigen de facto een incidenteel fiscaal voordeel te bewerkstelligen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom zij meent dat deze jo-jo niet kan worden bestreden op basis van het «leerstuk van het incidenteel fiscaal voordeel»? Waarom wenst de regering de belastingwetgeving ingewikkeld te maken terwijl hetzelfde resultaat kan worden bereikt met het reeds langjarig geldende en goed functionerende leerstuk van het incidenteel fiscaal voordeel ter zake van dit soort constructies? Had de introductie van deze belastingwetgeving niet beter kunnen worden voorkomen door de Belastingdienst in een interne instructie nog eens te wijzen op het leerstuk van het incidenteel fiscaal voordeel?

De leden van de CDA-fractie zijn het fundamenteel oneens met de regering inzake de wijzigingen die op 1 januari aanstaande in box 3 worden ingevoerd. De voorgestelde wijzigingen in het regime van de VBI en het APV geven in het geheel geen antwoord op de door de leden van de CDA-fractie tijdens de behandeling van het Belastingplan 2016 voorspelde gedragseffecten dat met name de grote vermogens van box 3 naar box 2 zullen verhuizen. Zou de regering kunnen reageren op de conclusies uit het artikel «Belastingarbitrage tussen box 3 en een eigen bv» van professor Van Sonderen?17 Daarin wordt gesteld dat belastingplichtigen met een box 3 vermogen groter dan € 1 miljoen belasting kunnen besparen door vermogensbestanddelen met een rendement lager dan 4.125% in te brengen in de eigen bv. Hij concludeert dat er zonder flankerende maatregelen op grote schaal belastingarbitrage zal plaatsvinden tussen box 3 en box 2.

Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat de voorgestelde aanpassing van het VBI-regime in strijd is met de bedoeling van de wetgever toen het VBI-regime werd ingevoerd? De leden van de CDA-fractie zijn in navolging van de Raad van State beducht voor terugwerkende kracht van de maatregel. Het nadere rapport en de antwoorden op vragen van de leden van de CDA-Tweede Kamerfractie op het budgettaire belang (rechtvaardiging) voor de terugwerkende kracht zijn niet overtuigend. Kan de regering een berekening laten zien waaruit blijkt dat de terugwerkende kracht nodig is om budgettaire redenen en dit keer gekwantificeerd?

Uit de beantwoording van eerdere vragen blijkt dat het begrip «verzoek» ruim mag worden uitgelegd. Betekent dit dat de terugwerkende kracht niet van toepassing is in die gevallen dat er voor 20 september 2016 om 15.15u al overleg gaande was met de Belastingdienst over afsplitsingen van vermogens in VBI’s? In de praktijk is een aantal situaties voorgelegd aan de Belastingdienst voor 20 september, maar vooralsnog is de indruk ontstaan dat in al die gevallen ook bij afgegeven goedkeuringen ten principale de uitvoering van de afsplitsing onder het nieuwe regime zal vallen.

Kan de regering precies aangeven wat nu wel en niet onder de terugwerkende kracht valt in die situaties dat er al mondeling of schriftelijk (voor)overleg met de Belastingdienst voor 20 september om 15.15u gestart was?

Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat de vbi, ook na de invoering van de zogenaamde reparatiemaatregel, nog steeds aantrekkelijk blijft voor belastingplichtigen die thans een groot vermogen in box 3 hebben (van bijvoorbeeld meer dan € 1 miljoen)? Overigens zouden die laatste belastingplichtigen ook voor overheveling van box 3 vermogen naar box 2 kunnen kiezen zonder VBI. In hoeverre is de regering bevreesd dat in de periode 2017 (de ad-interim periode) box 3 uitsluitend of nagenoeg uitsluitend kleinere spaarders zal kennen?

Ook de leden van de fractie van de PvdA hebben een vraag over dit onderwerp. Om te voorkomen dat belastingplichtigen als gevolg van deze wetswijziging vermogen gaan onderbrengen in een buitenlands beleggingslichaam waarvan geen of nauwelijks winstbelasting wordt geheven in plaats van in een vbi, wordt voorgesteld de hiervoor beschreven maatregelen ook te laten gelden voor vermogen dat in een dergelijk buitenlands lichaam wordt ondergebracht. Graag vernemen de leden van de fractie van de PvdA hoe zich dit verhoudt tot Europese wet- en regelgeving.

Met betrekking tot de terugwerkende kracht van de vbi-maatregel, verwacht de regering dat zonder terugwerkende kracht sprake zal zijn van aanmerkelijke aankondigingseffecten. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een cijfermatige onderbouwing van die verwachting.

2.2.2. Beperking reikwijdte toerekeningsstop afgezonderde particuliere vermogens

In het kader van de voorgestelde anti-misbruikbepalingen wenst de regering de reikwijdte van de zogenoemde toerekeningsstop van afgezonderde particuliere vermogens (APV’s) te beperken. In de kern wordt voorgesteld dat passieve inkomsten en vermogen in een buitenlandse APV op dezelfde wijze worden behandeld als inkomsten en vermogen op een buitenlandse bankrekening. Daarmee zijn deze inkomensbestanddelen vanaf 2017 rechtstreeks belastbaar in Nederland. Deze wetgeving kan leiden tot dubbele belastingheffing, te weten in het buitenland en in Nederland. De regering heeft aangegeven dat zij dubbele heffing anders vorm wil geven met een aanpassing van het Besluit voorkoming dubbele belasting. De leden van de VVD-fractie ontvangen graag het concept wijzigingsbesluit. Voor het geval dat concept nog niet beschikbaar is, vernemen deze leden graag welke aanpassingen worden voorbereid.

Bij de wijziging van het APV-regime werd er in 2010 € 210 miljoen per jaar aan extra inkomsten geraamd. In de brief18 van 10 november aan de Tweede Kamer wordt geschreven dat er sinds de invoering van het APV-regime € 950 miljoen aan belasting is opgehaald. De leden van de CDA-fractie zouden graag willen weten welk deel structureel is en welk deel incidenteel. Tevens zou een schatting van de zogenaamde «onzichtbare» opbrengsten mogelijk moeten zijn, omdat het aantal APV’s beperkt en overzichtelijk is.

De Raad voor de Rechtspraak verwacht door de wijzigingen met betrekking tot de vbi en APV een toename in de werklast van € 1,1 miljoen, zo lezen de leden van de fractie van de PvdA. De Raad verwacht een toename van jaarlijks 200 grotendeels meervoudige zaken in eerste aanleg, waarvan naar verwachting in 25% van de gevallen hoger beroep wordt ingesteld. De regering verwacht echter dat het aantal zaken niet wezenlijk zal verschillen ten opzichte van nu. Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie een toelichting van de regering op dit ogenschijnlijke verschil van inschatting.

2.2.3. Innovatiebox

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de S&O-verklaring centraal wordt gesteld als toegangsticket voor de innovatiebox. Graag vernemen zij van de regering in hoeverre dit een additionele administratieve lastenverzwaring oplevert. Immers, ook partijen die reeds een octrooi hebben worden verplicht het S&O-traject in te gaan. Geeft een octrooi niet al aan dat iets innovatief is, zo vragen de aan het woord zijnde leden aan de regering.

De regering ziet vooralsnog geen kans het weerlegbaar vermoeden van de nexusbenadering te implementeren, zo lezen de leden van de PvdA-fractie. Het zou niet duidelijk zijn welke uitzonderlijke omstandigheden het buiten toepassing laten van de nexusbenadering zouden rechtvaardigen. Graag vernemen de aan het woord zijnde leden van de regering welke stappen zij op dit terrein van de regering mogen verwachten teneinde de implementatie mogelijk te maken.

2.2.4. Wijziging van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen

De regering stelt voor enkele specifieke renteaftrekbeperkingen te wijzigen in het kader van de zogenoemde private-equityfinanciering, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Daarbij wordt in 10a, lid 6 van de Wet Vennootschapsbelasting het begrip «samenwerkende groep» geïntroduceerd. Sprake is van een open norm. De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of de reikwijdte van dit begrip wel voldoende duidelijk bepaalbaar is. Hun vraag is of sprake is van een begrip dat te ruim is geformuleerd omdat het geen antwoord kent op de vraag waarop de samenwerking moet zijn gericht. De vraag van de leden van de VVD-fractie is of samenwerking wordt verlangd wat betreft het object van de samenwerking dan wel dat het gegeven dat men in de hoedanigheid van aandeelhouder samenwerkt al voldoende is voor de Belastingdienst om te concluderen dat sprake is van een samenwerkende groep? Deze leden vernemen graag meer informatie over de zienswijze van de regering over het begrip «samenwerkende groep» om belastingplichtigen richtsnoeren mee te geven.

Voor belastingplichtigen bestaat de mogelijkheid om in vooroverleg de gewenste zekerheid over de invulling van het begrip samenwerkende groep vooraf te krijgen, zo lezen de leden van de PvdA. Echter, bij het ontbreken van een wettelijke definitie van het begrip samenwerkende groep is de reikwijdte onduidelijk, hetgeen de rechtszekerheid niet ten goede komt. Graag vernemen de aan het woord zijnde leden van de regering welke mogelijkheden zij ziet om de rechtszekerheid te verbeteren.

2.3. Stimulering start-ups

De leden van de PvdA-fractie hebben eveneens vraag over de stimulering van start-ups. Volgens Leo Stevens, emeritus hoogleraar fiscale economie van de Erasmus Universiteit Rotterdam, is al jaren bekend dat de gebruikelijkloonregeling voor dga’s over de hele lijn een hoog irritatiegehalte heeft en liquiditeitsproblemen veroorzaakt in verlieslijdende situaties. Waarom vindt er alleen voor start-ups een aanpassing plaats, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA. Kan dit niet algemener getrokken worden? Leo Stevens doet de suggestie om in de wet vast te leggen dat de vaststelling van het gebruikelijk loon niet hoger kan zijn dan de winst van de vennootschap, zodat deze niet meer door de fictiebepaling in een verliessituatie wordt gedrukt. Hiermee zouden niet alleen start-ups geholpen zijn, maar ook alle mkb-ondernemingen. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een reactie op deze suggestie.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen van de regering om vanaf 2017 € 50 miljoen beschikbaar te stellen ter stimulering van innovatieve startups. Kan de regering met de leden van de ChristenUnie-fractie delen wat het verstaat onder «innovatieve startups»? Is daar een sluitende definitie voor? Kan de regering aangeven welk deel van dit bedrag bedoeld is voor verruiming van de gebruikelijkloonregeling? Waarom is gekozen voor vaststelling op het niveau van het wettelijk minimumloon? Het gaat al met al om een qua omvang tamelijke beperkte regeling. Staat dit niet haaks op het grote innovatiepotentieel van startups, ook gezien het belang ervan voor de verdere ontwikkeling en verdiencapaciteit van de Nederlandse economie? Hoe ziet de regering de uitvoerbaarheid van de regeling?

De regeling is voorzien van een horizonbepaling. De regeling zal worden geëvalueerd. In deze evaluatie wordt primair, zo begrijpen de leden, gekeken naar het effect op de hoogte van het loon van dga's en de liquiditeitspositie van de startup. Wordt ook gekeken naar het effect van de fiscale maatregel op groei van innovatieve startups in ons land en aan de bijdrage ervan op de verdere ontwikkeling van een startup economie?

2.4. Verlenging van de eerste tariefschijf van de vennootschapsbelasting

De leden van de SP-fractie lezen in de Miljoenennota op blz. 26 dat de regering stelt dat het de eerste schijf van de vennootschapsbelasting vanaf 2018 stapsgewijs verlengt tot 350.000 euro «vanuit de opbrengst van de aanpak van belastingontwijking (BEPS)»19. Kan de regering aangeven hoe hoog ze deze opbrengst de komende jaren schat?

2.5. Teruggaaf dividendbelasting voor niet-ingezetenen en heffingvrij vermogen voor buitenlands belastingplichtigen

De leden van de fractie van de VVD hebben enkele vragen over dit onderwerp. Naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU in 2015 en van de Hoge Raad in 2016 wordt in artikel 10a Wet Dividendbelasting geregeld dat voor buitenlandse belastingplichtigen (natuurlijke personen en lichamen) met Nederlandse aandelen teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting op verzoek mogelijk wordt voor zover deze dividendbelasting hoger is dan de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting die verschuldigd zou zijn indien de natuurlijke persoon of het lichaam inwoner van Nederland zou zijn geweest. De leden van de VVD-fractie hebben er eerder in de brief van de vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer aan de Staatssecretaris van 6 november 201520 op gewezen dat de dividendbelasting in de nationale context slechts een voorheffing is («rondpompen van geld») en alleen over de grens als eindheffing een extra opbrengst voor de schatkist biedt. Voor doeleinden van de Nederlandse inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting is de dividendbelasting namelijk verrekenbaar voor de Nederlandse dividendontvanger. In haar reactie van 19 november 201521 op die brief erkende de regering dat de opbrengst dividendbelasting voor het grootste gedeelte afkomstig is van buitenlandse portfolio-aandeelhouders. De netto opbrengst voor de schatkist vermindert dus met de invoering van het nieuwe artikel 10a Wet Dividendbelasting. De leden van de VVD-fractie stellen vast dat de opgave in de Miljoenennota 2017 van de vermoedelijke opbrengst van de dividendbelasting 2016 van € 3 miljard als bruto opbrengst een vertekend en daarmee niet inzichtelijk beeld geeft van de effectieve opbrengst van de dividendbelasting. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering om informatie te verstrekken over de netto-opbrengst van de dividendbelasting in 2016. Deze leden verzoeken de regering daarbij aan te geven tot welke verminderde netto dividendopbrengst het voorgestelde artikel 10a Wet Dividendbelasting leidt. Voor zover geen schatting of raming is te maken van de verdere uitholling van de dividendbelastingopbrengst door de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU verzoeken deze leden de Staatssecretaris bij het Belastingplan 2018 een opgave te doen van de hier bedoelde verminderde belastingopbrengst. Met de invoering van artikel 10a Wet Dividendbelasting wordt de belastingwetgeving meer ingewikkeld gemaakt terwijl de netto opbrengst voor de schatkist terugloopt. De leden van de VVD-fractie vragen de regering om te reflecteren over deze onbalans en een grondige analyse te verstrekken waarom de dividendbelasting nog langer valt te handhaven.

2.6. Bouwterreinen in de btw

Het Belastingplan 2017 voorziet naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU van 17 januari 2013 met artikel 11, lid 4 Wet Omzetbelasting in een nieuwe definitie van het begrip «bouwterrein». De leden van de VVD-fractie hebben signalen uit de samenleving ontvangen dat onduidelijkheid bestaat over de uitleg van de reikwijdte in die nieuwe definitie van de «intentie van partijen». Daarnaast bestaat bij belanghebbenden de zorg dat de afwijzing van overgangsrecht ter gelegenheid van de definitiewijziging voor vóór 1 januari 2017 gekochte grond mogelijk kan leiden tot heffing van zowel btw als overdrachtsbelasting (dubbele heffing). Omdat sprake is van complexe transacties waarbij ter gelegenheid van koop van onroerende zaken in de periode vóór 2017 de consequenties niet geheel konden worden overzien, vragen deze leden de regering nog eens uitgebreid uit te leggen waarom geen overgangsrecht kan worden geboden. Zij wijzen er daarbij op het feit dat sedert de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU inmiddels nagenoeg vier jaar zijn verlopen.

2.7. Wijziging btw-vrijstelling voor watersportorganisaties

De Raad van State merkt op dat met het voorstel de btw-vrijstelling voor sport op een tweetal andere punten nog steeds niet in overeenstemming met de btw-richtlijn is, zo constateren de leden van de PvdA-fractie. Op grond van een arrest van het HvJ EU mag geen onderscheid worden gemaakt tussen prestaties aan leden en prestaties aan niet-leden, de Wet OB 1968 maakt dat onderscheid nog wel. Daarnaast zou volgens het HvJ EU op de ter beschikking stelling van een sportterrein, de btw-sportvrijstelling van toepassing moeten zijn. Ook dit is niet voorzien in de Wet OB 1968. De Raad van State adviseert dan ook het voorstel aan te passen, zodat deze twee punten worden meegenomen. Graag vernemen de leden van de PvdA-fractie op welke termijn en in welke vorm de regering het advies van de Raad van State zal opvolgen.

2.8. Exportheffing afvalstoffenbelasting

De leden van de D66-fractie hebben een vraag over de exportheffing afvalstoffenbelasting. Het aangenomen (gewijzigd) amendement nr. 26 van de leden Aukje de Vries en Groot22 ter vervanging van nr. 24 zorgt ervoor dat de in het wetsvoorstel opgenomen verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting met € 1,15 per 1.000 kilogram met ingang van 1 januari 2017 geen doorgang vindt. De verhoging was het gevolg van het op € 0 zetten van de exportheffing. De leden van de fractie van D66 hebben begrepen dat de regering in samenwerking met de afvalbranche momenteel de mogelijkheid van een exportheffing binnen de Nederlandse afvalstoffenbelasting onderzoekt. Kan de regering toelichten wat de status van dit onderzoek op dit moment is? Wanneer verwacht de regering een oplossing voor de problematiek omtrent deze exportheffingen met deze Kamer te kunnen delen?

Het tarief van de exportheffing in de afvalstoffenbelasting wordt op nul gezet, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2015. De derving wordt vanaf 2017 gedekt uit een verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting. Graag vragen de leden van de fractie van de PvdA welke invloed dit heeft op de financiële situatie van Nederlandse afvalverwerkers.

2.9. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de CDA-fractie hebben met grote instemming kennisgenomen van de uitvoeringstoetsen «nieuwe stijl». Dat is volgens deze leden een goede ontwikkeling. Ten aanzien van de waardering per onderdeel roepen de verschillende toetsen de nodige vragen op. Zo lijkt het erop dat de door de regering bedachte maatregelen over het algemeen op een mild oordeel kunnen rekenen (gevolgen: beperkt, middelgroot of risico procesverstoringen: gemiddeld/klein). Zo zouden de leden van de CDA-fractie bij de maatregelen box 2-beleggingen in de vrijgestelde beleggingsinstellingen het oordeel «ingrijpend» hebben gegeven bij de interactie burgers/bedrijven. Voor de complexiteitsreductie ligt meer het oordeel «middelgroot» of «ingrijpend» voor de hand dan «beperkt». Het eindoordeel zou «negatief» moeten luiden. De vraag doet zich dan ook voor hoe objectief de weging is en of de regering serieus bereid is om hier van de Tweede en de Eerste Kamer een oordeel over te horen. En indien zulks het geval mocht zijn, of de regering dan in het uiterste geval bereid zou zijn om toch van de invoering van een maatregel af te zien.

De leden van de CDA-fractie kunnen zich voorstellen dat naar aanleiding van de brief van 18 november inzake de tweede voortgangsrapportage DBA23 er eerst een tussentijdse uitvoeringstoets nieuwe stijl zal plaats hebben op de gevolgen (onderdelen interactie burgers/bedrijven, maakbaarheid systemen, handhaafbaarheid, fraudebestendigheid, bijdrage complexiteitsreductie), risico procesverstoringen, uitvoeringskosten (dienstverlening, handhaving/toezicht, automatisering), personele gevolgen en de invoeringsdatum. Dit geldt des te meer nu de regering het besluit heeft genomen om de implementatietermijn tot in ieder geval 1 januari 2018 op te schorten. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie de reactie van de regering op deze suggestie.

2.10. Consultatie

De regering maakt in toenemende mate gebruik van internetconsultatie van fiscale wetsvoorstellen. De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag wat de ervaringen met dit instrument zijn. Is er sprake van een respons uit bredere lagen van de bevolking en belanghebbenden? Brengt deze vorm van consultatie nieuwe ideeën naar voren?

3. Overige fiscale maatregelen 2017

3.1. Bedrijfsopvolgingsregeling

De leden van de CDA-fractie hebben met zorg kennis genomen van de redenering die de regering heeft gekozen om de reparatie van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 201624 inzake de bedrijfsopvolgingsregeling te motiveren. Naar de stellige mening van de leden van de CDA-fractie heeft de Hoge Raad in de rechtsoverwegingen duidelijk en helder gemotiveerd waarom in de voorgelegde casus toch sprake kon zijn van de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling. In dit verband is het nodig om nauwkeurig te citeren uit het arrest:

« .....dat tussen partijen niet in geschil is dat het belang van de BV in (D) in het verlengde ligt van de ondernemingsactiviteiten van de BV (=Holding) en als zodanig voor de BV ondernemingsvermogen vormt......»

« .....Nu niet in geschil is dat de ondernemingsactiviteiten van (D) in het verlengde liggen van de (concern) activiteiten van de BV en het belang in (D) voor de BV ondernemingsvermogen vormt, is het aandelenbelang in (D) naar het oordeel van de Rechtbank tenminste keuzevermogen en derhalve voor de toepassing van de BOR ondernemingsvermogen......»

In rechtsoverweging 2.3.1. concludeert de Hoge Raad terecht dat «uit artikel 35c, lid 5, letter a SW volgt dat de bezittingen en schulden van lichamen waarin de BV belangen aanhoudt die voor de erflater indirect gehouden aanmerkelijke belangen vormden voor de toepassing van hoofdstuk IIIA van de SW aan de BV moeten worden toegerekend»25.

In de daarop volgende rechtsoverweging komt de Hoge Raad tot de conclusie dat «tot het ondernemingsvermogen van de onderneming die de houdstermaatschappij na de hiervoor omschreven toerekening geacht wordt te drijven, op grond van de vermogensetiketteringsregel ook vermogensbestanddelen van de houdstermaatschappij zelf behoren»26. Dat volgt uit de parlementaire geschiedenis. Op die manier wordt ook bereikt dat er sprake is van een uniforme behandeling van vermogen dat aan een bv toebehoort of aan de erflater, zo stelt de Hoge Raad terecht onder verwijzing naar de rechtspraak (HR 9 juli 2010, nr. 08/05311).

Het stoort de leden van de CDA-fractie dat de Staatssecretaris zich een slecht verliezer toont. De onafhankelijk rechter doet wat er van de onafhankelijke rechter verwacht mag worden, namelijk het voorgelegde geval toetsen aan de wet, de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak. Het past dan ook niet om als belangrijkste argument voor de reparatie aan te voeren de onjuiste interpretatie van de wet door de Belastingdienst. Zulks valt immers op te maken uit zinsneden zoals «Hierna wordt eerst toegelicht hoe de regeling tot nu toe door de Belastingdienst is uitgelegd»27. Die verkeerde interpretatie van de Belastingdienst is nu juist door de Hoge Raad beargumenteerd terzijde geschoven. Het geeft dan ook geen pas om vervolgens uitgebreid de onjuiste interpretatie toe te lichten om vervolgens een wetswijziging te beargumenteren waarin bovendien een ongerechtvaardigde «overkill» zit.

Alvorens de «overkill» toe te lichten hechten de leden van de CDA-fractie er belang aan dat de regering, in tegenstelling tot de wetgever in 2009, minder waarde hecht aan de rechtsvormneutraliteit. De leden van de CDA-fractie zijn het niet eens met het negeren van het beginsel van rechtsvormneutraliteit door deze regering. De «overkill» in de reparatie zit hem hierin dat overtollige liquiditeiten die tot het ondernemingsvermogen gerekend kunnen worden wel onder de BOR vallen, maar dat een aandelenbelang dat niet als een aanmerkelijk belang geldt daar niet onder valt. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie gaat de wetgever en straks de Belastingdienst daarmede op de stoel van de ondernemer zitten. De leden van de CDA-fractie vragen de regering om nog de voorgestelde reparatie te heroverwegen. In de Nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering een alternatief beschreven28 dat veel meer recht doet aan de werkelijkheid. Op holding niveau (na de toerekening) wordt beoordeeld welke vermogensbestanddelen tot het ondernemingsvermogen gerekend moeten worden en welke tot het beleggingsvermogen. Kennelijk heeft de regering afgezien van deze variant vanwege de hoge administratieve kosten en hogere uitvoeringskosten. Kan de regering dat preciezer kwantificeren? In de praktijk worden immers voortdurend dialogen gevoerd over de vraag of iets ondernemingsvermogen is of beleggingsvermogen. Het verworpen amendement-Omtzigt en Schouten29 voorzag in een oplossing van dit probleem.

De leden van de CDA-fractie hebben een vraag met betrekking tot het begrip «onderneming» in de zin van artikel 35dlid 1 sub c SW. Voor de bezitseis geldt bij een erflater 1 jaar en bij een schenker 5 jaar. Kan de regering aangeven waar zij de interpretatie op baseert dat voor ieder nieuw verworven indirect aanmerkelijk belang een nieuwe bezitsperiode gaat lopen? Graag een verwijzing naar parlementaire geschiedenis.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de intentie van de regering is met betrekking tot het gestarte «vooronderzoek» naar de BOR. Kan de regering daar meer duidelijkheid over geven? Dat onderzoek dient te resulteren in «een plan dat voorziet in de verzameling en verwerking van de benodigde data voor een adequate analyse van de doelmatigheid van met name de doorschuifregelingen en de BOR»30. Is dit een weinig prozaïsche omschrijving van de kroniek van de «aangekondigde dood van de BOR»? De leden van de CDA-fractie zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen. Wie doet dat onderzoek? Hoe luidt de opdracht? Wat zijn de aannames? Wanneer wordt het onderzoeksrapport verwacht? En wanneer gaat de regering met het parlement in discussie over de uitkomsten van het onderzoek?

De fiscaal juriste Mascha Hoogeveen heeft al in haar proefschrift van 2011 geconcludeerd dat de huidige fiscale bedrijfsopvolgingsregelingen hun doel voorbijschieten, aldus de leden van de PvdA-fractie. Dit geldt vooral voor de faciliteiten in de erf- en schenkbelasting. Deze verstoren de concurrentie. Mascha Hoogeveen concludeert dat de verschillende bedrijfsopvolgingsfaciliteiten onvoldoende op elkaar zijn afgestemd. Verder hindert de heffing van schenk- en erfbelasting de bedrijfsoverdracht niet dusdanig dat een vrijstelling noodzakelijk is. Deze vrijstelling is bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Een betalingsregeling zou volgens haar meer gepast zijn. Deze regeling zou moeten samenhangen met de koopsom van de onderneming, waarbij de verschuldigde belasting tot de koopsom behoort. Iedere bedrijfsopvolger kan dan van dezelfde financieringsfaciliteit gebruik maken. Graag vernemen de leden van de fractie van de PvdA van de regering hoe de voorliggende reparatie van de BOR naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad zich verhoudt tot de bevindingen uit het proefschrift van Mascha Hoogeveen.

Ook de Raad van State merkt op dat de BOR wat de schenk- en erfbelasting betreft bepaald onevenwichtig is te noemen. Hij concludeert dat de verhouding zoek is tussen ondernemingsvermogen en particuliere verkrijging. Voorts meent hij dat het (nagenoeg) geheel onbelast laten van ondernemingsvermogen daarnaast niet past bij het zogenoemde buitenkansbeginsel als dragende grondslag voor de erf- en schenkbelasting. Ziet de regering hierin met de leden van de fractie van de PvdA aanleiding om de BOR ten principale te bezien? Zo ja, op welke termijn is zij bereid haar evaluatie van de doelmatigheid van deze regeling met de leden van de Eerste Kamer te delen?

3.2. Overgangsrecht schenkingsvrijstelling

Waar een deel van het Belastingplan nadruk legt op vereenvoudiging, oogt het overgangsrecht omtrent de eenmalige vrijstelling voor de eigen woning juist weer erg complex. Is hier geen vereenvoudiging mogelijk, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA aan de regering. Zo ja, wat mogen zij van de regering op dit terrein verwachten? Zo nee, waarom niet?

3.3. Boetevrij aflossen van een spaar- of beleggingshypotheek

De leden van de CDA-fractie vernemen graag of de regering inderdaad vóór 1 februari 2017 het parlement kan berichten over de uitkomsten van het onderzoek naar de impact van het aangenomen amendement-Omtzigt en Ronnes31 inzake het boetevrij aflossen bij een spaar-of beleggingshypotheek.

4. Fiscale vereenvoudigingswet 2017

4.1. Stroomlijnen invorderingsregelgeving belastingen en toeslagen

Op basis van het onderhavige wetsvoorstel wordt een einde gemaakt aan het onderscheid tussen belastingen en toeslagen op het punt van verrekening. Met dit wetsvoorstel kunnen belastingschulden worden verrekend met lopende voorschotten op toeslagen. De leden van de fractie van D66 delen de zorg van de regering dat het van belang is dat dit er niet toe leidt dat burgers onder de beslagvrije voet terechtkomen. De regering geeft aan dat het beslagregister ook relevant bij respecteren van de beslagvrije voet is, omdat dit de noodzakelijke afstemming tussen schuldeisers kan faciliteren. Kan de regering toelichten hoe aansluiting op het beslagregister goed zal functioneren? Acht de regering de toegang van verschillende schuldeisers tot dit beslagregister goed gewaarborgd?

Daarnaast heeft de regering aangegeven dat de beslagvrije voet niet onder alle omstandigheden vooraf kan worden gerespecteerd. Indien aansluiting op het beslagregister niet is gerealiseerd of aansluiting op het register onverhoopt niet mogelijk blijkt, zal dit het geval zijn. In welke (en in hoeveel) gevallen verwacht de regering dat aansluiting op het beslagregister niet gerealiseerd kan worden of aansluiting op het register onverhoopt niet mogelijk zal zijn? De regering geeft ook aan dat zij ervan uitgaat dat aansluiting op het beslagregister voor de Belastingdienst realiseerbaar is. Hoe realistisch is dat en is er een hardheidsclausule? Kan de regering nader toelichten waar zij deze aanname op baseert?

In het verlengde hiervan, stelt de regering dat de Belastingdienst de verrekening of het inkomensbeslag op verzoek ongedaan zal maken, wanneer als gevolg van een verrekening of een inkomensbeslag van de Belastingdienst de beslagvrije voet van de schuldenaar is aangetast. Daarnaast kan de schuldenaar, zowel in de huidige als in de toekomstige situatie, in verzet komen bij de burgerlijke rechter als hij meent dat de Belastingdienst een beslag, op bijvoorbeeld zijn inkomen of bankrekening, ten onrechte niet opheft. De leden van de fractie van D66 vinden het belangrijk dat schuldenaren in deze positie niet verder in de problemen raken. De door de regering genoemde instrumenten voor schuldenaars om hun aangetaste beslagvrije voet ongedaan te maken zijn enkel reactief. Heeft de regering onderzoek gedaan naar alternatieve mogelijkheden die juist preventief zijn en voorkomen dat deze schuldenaars nog verder in de problemen raken? Acht de regering een route inhoudende dat de schuldenaar bij aantasting van zijn beslagvrije voet in verzet moet komen bij de burgerlijke rechter voor de betreffende doelgroep realistisch?

Hoewel aan het indienen van een bezwaarschrift bij de ontvanger of een beroepschrift bij de directeur geen kosten zijn verbonden en voor het instellen van beroep bij de rechter een vrijstelling van griffierecht aangevraagd kan worden en er geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt, zou in het kader van de rechtsbescherming eveneens sprake kunnen zijn van afschrikwekkende drempels voor schuldenaars. De regering stelt dat de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in de bezwaar- dan wel beroepsfase, van de schuldenaar onder voorwaarden door de Belastingdienst worden vergoed als de schuldenaar in het gelijk wordt gesteld. Kan de regering toelichten onder welke voorwaarden deze kosten worden vergoed? Heeft de regering onderzoek gedaan naar de gevolgen voor schuldenaars als het gaat om de toegankelijkheid van de rechtspraak? Deze leden hopen dat de regering de zorg deelt dat het absoluut onwenselijk is dat schuldenaars die achteraf in gelijk worden gesteld zich verder in de schulden steken om hun gelijk van de rechter te krijgen.

De leden van de fractie van de PvdA steunen het streven naar meer duidelijkheid voor de burger over zijn of haar schuldpositie en het toepasselijke regime. Graag vernemen zij van de regering op welke wijze het stroomlijnen van de invorderingsregelgeving rekening houdt met het bestaansminimum. Voorts vernemen zij graag van de regering waarom ervoor is gekozen deze wijzigingen pas op 1 januari 2019 in werking te laten treden.

4.2. Vereenvoudigen teruggaafregeling oninbare vorderingen btw

Het wetsvoorstel Fiscale vereenvoudigingswet 2017 voorziet met het herziene artikel 29 wet Omzetbelasting ten behoeve van een teruggaaf van voldane btw in een bewijsvermoeden waarbij een vordering op grond van een met btw belaste levering of dienst in ieder geval geacht wordt oninbaar te zijn uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Op basis van dit wetsvoorstel ontstaat vervolgens de verplichting voor btw-ondernemers om de omzetbelasting aan de Belastingdienst af te dragen als achteraf alsnog een (gedeelte) van de vordering wordt betaald. De leden van de VVD-fractie hebben signalen ontvangen dat de voorgestelde tekst mogelijk kan leiden tot situaties van dubbele btw-heffing. De terugbetalingsverplichting als omschreven in het vijfde lid van genoemd artikel schrijft voor dat btw moet worden terugbetaald voor zover de vergoeding voor de levering of de dienst alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of het verzoek om btw-teruggaaf eigenlijk wel is ingediend (en uitbetaald door de Belastingdienst). Als de btw (abusievelijk) niet tijdig wordt teruggevraagd door de ondernemer, dan ontstaat desondanks de verplichting om btw aan de Belastingdienst af te dragen. Aldus ontstaat dubbele btw-heffing op de initiële prestatie van de btw-ondernemer. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of deze mogelijke cumulatie van btw in strijd is met het neutraliteitsbeginsel? Dient de Wet Omzetbelasting te worden aangepast op grond van EU-regelgeving? Welke mogelijkheden ziet de regering daartoe? Wil de regering bij haar antwoord rekening houden met de positie van professionele factoringbedrijven die hun bedrijf maken van de opkoop van handelsvorderingen op derden? Bij deze factoringbedrijven speelt naar verluidt nog de kwestie dat op grond van artikel 29, lid 6 juncto lid 5 Wet Omzetbelasting een verzoek om teruggaaf van btw apart, dat wil zeggen buiten de btw-aangifte kan worden gedaan terwijl de terugbetaling van btw op aangifte moet plaatsvinden. Is de regering van oordeel dat de instandhouding van dit procedurele verschil gewenst is voor de praktijk en voor de Belastingdienst?

Het overgangsrecht in de vereenvoudiging van de btw-teruggaaf zou tot een verschil in behandeling van enerzijds de teruggaaf van afdragen btw en anderzijds de herziening van eerder afgetrokken btw leiden. Graag vernemen de leden van de fractie van de PvdA hoe deze discrepantie zich verhoudt tot de btw-richtlijn.

4.3. Afschaffen fictieve dienstbetrekking voor commissarissen

De regering stelt voor de afschaffing bij goedkeurend besluit van de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen met ingang van 1 mei 2016 thans te codificeren. De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij de afschaffing wenst door te trekken naar de niet-uitvoerend bestuurders in een zogenoemde «one-tier board» en zo nee, waarom niet.

4.4. Afschaffen jaarloonuitvraag

Het gevolg van de voorgestelde wijziging omtrent de jaarloonuitvraag lijkt dat correcties over het verleden alleen nog maar via correctieberichten kunnen worden ingediend. Graag ontvangen de leden van de fractie van de PvdA een appreciatie van de administratieve lasten voor belastingplichtigen als gevolg hiervan.

5. Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen

5.1. Inleiding

De tot nu toe gevolgde procedure wordt gekend door een grote mate van zorgvuldigheid en transparantie, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Het thans voorliggende wetsvoorstel is de resultante van veelvuldig overleg met de Tweede Kamer en «stakeholders» buiten het parlement. Het betreft een maatschappelijk relevant onderwerp. Ongeveer 148.000 DGA-ers zullen het komend jaar een keuze moeten maken met betrekking tot de door hen opgebouwde pensioenreserves in eigen beheer. Het gaat in beginsel om drie mogelijkheden: bevriezen, afwaarderen van commercieel naar fiscaal gevolgd door een fiscaal gefaciliteerde afkoop of omzetting in een oudedagsvoorziening.

5.2. Pensioen in eigen beheer – afschaffing en gefaciliteerde beëindiging

5.2.1. Uitfasering

De leden van de D66-fractie hebben zorgen over de gevolgen van het uitfaseren voor de ondernemingen en over de borging van een goede uitvoering. In de eerdere schriftelijke behandeling werd gesteld door de regering dat dga’s voldoende tijd hebben om in te spelen op de uitfasering. Heeft de regering hiernaar onderzoek gedaan? Zijn er betrouwbare enquête inzichten? Is er een redelijk betrouwbaar inzicht in welk mate er liquiditeiten zijn om af te kopen en of de keuze slechts in meerderheid van de dga’s een theoretische keuze is?

5.2.2. Beëindiging PEB

De regering merkt in de Nota naar aanleiding van het verslag32 bij het wetsvoorstel Wet uitfasering pensioen eigen beheer (PEB) op dat het wetstechnisch mogelijk is om in de Successiewet een expliciete bepaling op te nemen dat afkoop van het PEB niet kwalificeert als een schenking aan de partner. De regering vervolgt dat zij geen voorstander is van een dergelijke vrijstelling gelet op de precedentwerking die daarvan kan uitgaan. De leden van de VVD-fractie zijn van oordeel dat de vrijstelling van de schenkbelasting bij afkoop PEB geen precedent is maar een incident net zoals de uitfasering van het PEB zelf ook een incident is. Gelet op de opportunistische uitleg door de Belastingdienst van oude jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1959 (BNB 1959/122) en 1971 (BNB 1971/95) over het verschuldigd worden van schenkbelasting bij transacties zonder compensatie tussen buiten gemeenschap van goederen gehuwden/partners terwijl daarenboven bij een gemeenschap van goederen die schenking niet wordt aangenomen, is naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie een vrijstelling schenkbelasting bij de eenmalige uitfasering van PEB geraden. Een eenmalige vrijstelling van schenkbelasting zal het succes van de uitfasering van het PEB naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie vergroten. Aldus kunnen dure en slepende conflicten van DGA’s met de Belastingdienst worden voorkomen. Graag vernemen deze leden de reactie van de regering.

5.2.3. Oudedagsverplichting

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom deze er niet voor heeft gekozen de oudedagsreserve voor ondernemers uit te faseren.

5.2.4. De positie van de partner

De leden van de CDA-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de problematiek van de (ex) partner. Om die reden vragen zij de regering uitvoerig antwoord te geven op de vragen, zoals die door de NOB33 en SRA, RB en OOAB34 bij brieven van 25 november jl. aan de vaste commissie voor Financiën van de Eerste Kamer zijn gesteld. De leden van de CDA-fractie onderschrijven de vrees dat, indien er geen duidelijkheid ontstaat over de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke gevolgen van compensatie als gevolg van het voorwaardelijk prijsgeven van pensioenaanspraken door de (ex)partner, de doelstelling van de uitfasering in gevaar komt.

Is voor de afstempeling toestemming nodig van de partner, zo vragen de leden van de fractie van D66. Kan de regering de gevolgen schetsen voor de partner in geval van echtscheiding, zulks in verband met de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding? Kan de regering stilstaan bij de problematiek (van onder andere de tijdsklem) die kan ontstaan bij uitblijven van die toestemming, zoals geschetst in het artikel «Wijzigingen pensioen in eigen beheer: partners let op!» van M.N. Bende en J. Kroonenberg in het Vakblad Estate Planning35 (onder andere op blz. 23) en ingaan op welke mogelijke oplossingen daarbij kunnen worden aangereikt?

Graag vragen de leden van de fractie van de PvdA aandacht voor de compensatie die de dga onder omstandigheden moet betalen aan zijn of haar partner in verband met het prijsgeven/de afkoop van zijn of haar pensioen in eigen beheer. Vreest de regering met de aan het woord zijnde leden dat onzekerheid hieromtrent tot gevolg zal hebben dat dga’s terughoudend zullen zijn om gebruik te maken van de afkoopregeling? Zo ja, welke mogelijkheden ziet de regering om deze onzekerheid weg te nemen? Voorts vragen zij de regering naar de wenselijkheid om de toestemming van de partner omtrent de wijziging van pensioen in eigen beheer via het privaatrecht te regelen.

5.3. Budgettaire aspecten

In de belastingopbrengsten voor het jaar 2017 wordt een eenmalige raming opgenomen van de afkoop pensioen in eigen beheer van € 2.1 miljard (kasbasis), zo lezen de leden van de CDA-fractie. Deze raming is zeer ondoorzichtig onderbouwd. Zou de regering gedetailleerd willen aangeven op basis van welke aannames deze berekening is gemaakt en tevens willen reageren op hetgeen hierover is geschreven in het artikel, «Budgettaire aspecten Belastingpakket 2017» van M.P.A. Spanjers.36

5.4. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De leden van de PvdA-fractie vragen graag aandacht voor de incidentele uitvoeringskosten voor de Belastingdienst gedurende 2017. Kan de regering bevestigen dat de benodigde capaciteit daadwerkelijk aanwezig is?

Ook ontvangen de aan het woord zijnde leden graag een appreciatie van de uitvoerbaarheid van de overgangsregeling.

5.5. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de VVD-fractie vragen de regering om een bevestiging dat het informatieformulier dat op grond van een algemene maatregel van bestuur door een werknemer of ex-werknemer bij afkoop van een PEB of de omzetting van een PEB in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting binnen één maand behoorlijk ingevuld en ondertekend bij de Belastingdienst moet zijn ingediend, vanaf 1 januari 2017 op de site van de Belastingdienst is opgenomen.

De leden van de fractie van D66 vinden het belangrijk dat ondernemers tijdig worden geïnformeerd over het voorliggend wetsvoorstel. De regering heeft aangegeven dat ondernemers eind 2016 op de hoogte worden gebracht door middel van een loonbrief, waarin de hoofdlijnen van het wetsvoorstel worden uiteengezet. Gezien de late behandeling van het Belastingplan kan de inzet van de Belastingdienst om aandacht aan het wetsvoorstel besteden op de intermediairdagen die in november en december door het gehele land als prematuur worden ervaren. Dat op de site van de Belastingdienst een zogenoemde webcast beschikbaar kan komen doet daar niet aan af. Acht de regering de korte termijn tussen het moment van informeren en de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel voor ondernemers niet te grote risico’s inhouden voor deze belangrijke keuze? Hoe verloopt het proces van informeren tot nu toe (bijvoorbeeld de intermediairdagen die reeds hebben plaatsgevonden)? Is verlenging van de termijn van de uiterste datum van de keuze met 12 maanden een optie en zo ja, welke derving zou dit met zich meebrengen voor de begrote inkomsten voor de schatkist?

5.6. Commentaar NOB

De leden van de VVD-fractie lezen in de Nota naar aanleiding van het verslag dat de regering, naar aanleiding van vragen van de NOB, het volgende opmerkt: «In de door de NOB beschreven situatie van een onbepaald elders verzekerd deel, zal de pensioenovereenkomst zo aangepast moeten worden dat de dga voor het elders verzekerde deel van het pensioen alleen aanspraak heeft op het pensioen dat door de professionele verzekeraar voor het opgebouwde pensioenkapitaal wordt uitgekeerd. Partijen zullen moeten uitsluiten dat de bv vanaf 1 januari 2017 nog gehouden is het extern verzekerde deel van het pensioen aan te vullen met een in eigen beheer gehouden pensioen.»37 Op welke wettelijke bepaling de regering deze stelling baseert is de leden van de VVD-fractie niet duidelijk. De leden van de VVD-fractie menen dat bij een onbepaald bij een verzekeringsmaatschappij verzekerd deel van het PEB, gewoonlijk drie partijen zijn te onderscheiden. Die partijen zijn de DGA, de pensioen-bv, en de verzekeraar. De pensioenaanspraken zijn gebaseerd op de pensioentoezegging van bv aan DGA. De bv heeft een onbepaald deel van die pensioentoezegging op basis van een verzekeringsovereenkomst bij de verzekeraar ondergebracht. Duidelijk is dat volgens het wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2017 bij de bv geen fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw kan plaatsvinden. De bv kan dan ook zelf geen gefaciliteerd pensioen opbouwen. Maar haar verzekeringsovereenkomst met de derde/verzekeraar is te onderscheiden van de pensioentoezegging door bv. Naar de mening van deze leden fungeert bv ter zake van de verzekeringsovereenkomst als intermediair in het kader van de pensioenaanspraken van de DGA. De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering om een grondige toelichting waarom een verzekeringsovereenkomst is gelijk te stellen met een pensioenovereenkomst bij de vaststelling of sprake is van een «waardeoverdracht». Artikel 19b, lid 2, Wet Loonbelasting heeft het immers niet over de overgang van een pensioen, maar over de overgang van een verplichting ingevolge een pensioenregeling. De regering geeft in haar brief aan de Tweede Kamer van 10 november 201638 aan dat bij een extern verzekerd onbepaald deel de DGA voor zijn pensioentoezegging alleen het eigen beheer lichaam kan aanspreken. Is de conclusie van deze leden juist dat de verplichting inzake de pensioenregeling dus volledig bij dit eigen beheer lichaam zit? Is de conclusie van deze leden juist dat de verzekeraar door de overdracht van een extern verzekerd onbepaald deel aan het eigen beheer lichaam weliswaar wordt bevrijd van een verplichting, maar dat dit de verplichting is uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst en niet de verplichting ingevolge een pensioenregeling? Is de conclusie van deze leden op basis van hun analyse juist dat bij de overdracht van een extern verzekerd onbepaald deel naar de bv geen sprake is van de overdracht van een verplichting ingevolge de pensioenregeling en dat er in dat geval niet aan de toepassing van artikel 19b, tweede lid Wet LB 1964 wordt toegekomen en een dergelijke overdracht ook na de inwerkingtreding van de Wet PEB nog mogelijk is zonder fiscale consequenties?

6. Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting

Het wetsvoorstel Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen met een zelfstandige aansluiting beoogt de transitie naar elektrisch rijden te bevorderen in de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met 2020. De leden van de VVD-fractie vragen zich af welke maatregelen zijn of worden genomen om een oneigenlijk gebruik van openbare laadpalen voor andere doeleinden dan autorijden te voorkomen.

Met de Raad van State vragen de leden van de fractie van de PvdA graag aandacht voor het «open einde»-karakter van een fiscale faciliteit als de onderhavige. Immers, bij een groter gebruik van de regeling dan van tevoren ingeschat, kan slechts met een wettelijke aanpassing worden voorkomen dat belastinggeld wordt besteed indien dat niet langer noodzakelijk is. Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden een dragende motivering waarom niet is gekozen voor een niet-fiscale uitgavenregeling.

Meer in het algemeen lijkt het voorliggende wetsvoorstel te neigen naar fiscaal instrumentalisme. Was het niet juist de bedoeling om dit te verminderen, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA aan de regering. En hoe past dit wetsvoorstel dan binnen dit voornemen?

Voorts ontvangen de leden van de PvdA-fractie van de regering graag inzicht in de uitvoerbaarheid van het voorstel om de derving van circa € 2 miljoen per jaar te dekken via een verlaging van de EIA (energie investeringsaftrek).

De leden van de ChristenUnie-fractie nemen kennis van de fiscale maatregelen rond het tijdelijk verlagen van het elektriciteitstarief via openbare laadpalen. De achtergrond van de maatregelen, zo begrijpen de leden, is het verbeteren van de businesscase. Het valt echter op dat het betreffende wetsvoorstel nalaat alle elementen van de businesscase (kosten en opbrengsten) integraal in beeld te brengen. Hierdoor is het niet mogelijk te beoordelen of en in welke mate de fiscale maatregelen de knelpunten in de huidige businesscase inderdaad weg zullen nemen. Kan de regering de integrale businesscase delen met deze leden? Welke aanwijzingen heeft zij dat de maatregelen elektrisch rijden zullen bevorderen? Welke, zo mogelijk kwantitatieve, verwachtingen heeft zij? Zijn de maatregelen gebaseerd op een concreet ramingsmodel en ja welke parameters worden daarin gehanteerd?

Het wetsvoorstel valt of staat met een heldere operationele definitie van «laadpalen met een zelfstandige aansluiting». Verwacht de regering hier praktische complicaties, zo vragen deze leden.

Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of er zicht is op het honoreren van het derogatieverzoek dat Nederland bij de Europese Commissie heeft ingediend.

7. Overige vragen

7.1. Vermogensrendementsheffing

Bij brief van 20 september 2016 heeft de regering de voortgangsrapportage39 aan de Tweede Kamer gestuurd over de heffing van de vermogensrendementsheffing in box 3, zo constateren de leden van de VVD-fractie. In die brief van 20 september 2016 worden drie mogelijkheden voorgehouden om de heffing over Box 3-vermogen voor de toekomst op te baseren, te weten (1) een vermogensaanwasbelasting, (2) een vermogenswinstbelasting, en (3) een partieel gemodificeerde forfaitaire vermogensrendementsheffing die beter aansluit bij daadwerkelijk gerealiseerde rendementen. De leden van de VVD-fractie hechten grote waarde aan voortgang om te komen tot een evenwichtige en voor de burger aanvaardbare aanpassing van de tijdelijke regeling voor de vermogensrendementsheffing die vanaf 2017 geldt. Zij vernemen graag van de regering een concreet tijdpad om tot een verbeterde regeling ter zake van de vermogensrendementsheffing te komen.

Kan de regering aangeven hoeveel belastingplichtigen een vermogen in box 3 hebben van € 1 miljoen of meer en is dat nader uit te splitsen in cohorten van € 5 miljoen, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Is het ook mogelijk om aan te geven hoe het vermogen van deze belastingplichtigen grosso modo is samengesteld? Is een dergelijke uitsplitsing ook aan te geven voor de vermogens tussen de € 100.000 en € 1.000.000 met een uitsplitsing per cohort van € 100.000 en kan tevens worden aangegeven hoe het vermogen grosso modo is belegd?

Deze hebben dezelfde vragen voor belastbare vermogens tussen nul en € 100.000, kortom boven de vrijstelling van € 25.000. De leden van de CDA-fractie zouden het op prijs stellen, wanneer deze cijfers worden vergeleken met de cijfers die gegeven zijn bij de schriftelijke behandeling van het Belastingplan 2016 in de Eerste Kamer.

Kan de regering reageren op de alternatieve ad-interim oplossing voor box 3 in de periode 2017 en volgende jaren, zoals door de heren Lejour en Stevens40 bepleit?

Kan de regering aangeven hoeveel het budgettaire beslag van dit alternatief zou bedragen, indien het forfaitair rendement 4% blijft, maar de vrijstelling wordt verhoogd tot € 50.000 per belastingplichtige? Zou de regering ook de variant willen berekenen, wanneer de vrijstelling in gelijke delen vanaf een belastbaar inkomen uit vermogen en sparen vanaf € 100.000 tot € 1.000.000 wordt afgebouwd naar nul ter gedeeltelijke dekking van de verdubbeling van de vrijstelling?

Met belangstelling hebben de leden van de CDA-fractie kennis genomen van de drie mogelijkheden als alternatief voor de huidige box 3 (vermogensaanwasdeling, vermogenswinstbelasting en handhaven box 3, maar differentiatie van forfaitair tarief naar vermogenstitel). Uit de behandeling41 in de Tweede Kamer hebben de leden van de CDA-fractie kunnen opmaken dat de regering in maart 2017 met een uitgewerkt keuzedocument zal komen, inclusief een appendix waarin zij zal meenemen de handhaving van box 3 in de huidige vorm met het oorspronkelijke forfaitaire rendement en een hogere vrijstelling. Zou hij in de appendix dan ook de subvariant willen meenemen dat het forfaitaire rendement gelijk zal zijn aan de Ultimate Forward Rate, zoals door DNB vastgesteld?

De leden van de fractie van 50PLUS, ten slotte, vragen wat de budgettaire kosten zijn van een box 3-rendement van 1% voor spaarsaldi tot € 100.000?

7.2. Btw pensioenen

Op 1 januari 2015 is de btw-koepelvrijstelling ingetrokken. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd naar de reactie van de regering op de door de pensioenfondsen berekende extra btw-lastenverhoging voor pensioendeelnemers als gevolg van die afschaffing, meer in het bijzonder de berekeningen van het Pensioenfonds van de Metalelektro en het Pensioenfonds Schilders. Verder vragen de leden van de CDA-fractie zich af of de regering zich realiseert dat de afschaffing van de koepelvrijstelling niet voor alle pensioenfondsen opgaat, zodat er sprake is van ongelijke gevolgen voor de pensioendeelnemers. Kan de regering nog eens exact aangeven wat de budgettaire gevolgen zijn van de afschaffing van de koepelvrijstelling?

In de brief42 van 3 november aan de Tweede Kamer schrijft de Staatssecretaris van Financiën dat zuivere DB-regelingen slechts beperkt voorkomen. Dat zijn regelingen waarbij een harde toezegging geldt die niet kan worden gekort en waar een bijstortingsverplichting voor de werkgever geldt. Deze leden hebben begrip voor het feit dat de regering niet vooruit wil lopen op het arrest van de Hoge Raad (naar verwachting in december van dit jaar). Toch gaan de leden van de CDA-fractie ervan uit dat mocht de Hoge Raad de conclusie van de Advocaat-generaal Ettema volgen, de Staatssecretaris dan pensioenfondsen en vermogensbeheer beiden van btw zal vrijstellen, zodat geen enkel pensioenfonds hierover apart hoeft te procederen. Kan de regering hierop reageren?

In de brief43 van de Staatssecretaris van 10 november aan de Tweede Kamer over het Belastingplan wordt een toelichting gegeven op de raming btw op vermogensbeheersdiensten, aldus de leden van de 50PLUS-fractie. Kan een gedetailleerde berekening gegeven worden van de opbrengstderving van € 285 miljoen bij herinvoering van de vrijstelling. De genoemde € 285 miljoen is ten opzichte van de raming bij invoering in 2015 van € 100 miljoen bijna drie maal zo hoog. Is de uitspraak van de Hoge Raad dit jaar nog te verwachten, zo vragen de leden van de fractie van 50PLUS.

7.3. Giftenaftrek

De leden van de CDA-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van plannen om de effectiviteit van de giftenaftrek te onderzoeken. Voor de leden van de CDA-fractie staat buiten kijf dat giften aan ANBI’s een substantiële bijdrage leveren aan het ondersteunen van private initiatieven voor een goed doel. Kan de regering aangeven welke plannen zij heeft met betrekking tot de giftenaftrek en hoe de besluitvormingsprocedure zal verlopen? Voor de leden van de CDA-fractie is transparantie een beslissende factor. In dit verband wijzen zij op de slordige procedure die de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft gevoerd inzake het wetsvoorstel om de aftrek van de uitgaven voor monumentenpanden en de aftrek voor scholingsuitgaven af te schaffen.44 Dat is volgens deze leden een voorbeeld van hoe het niet moet.

7.4. Digitaal invulling van de aangifte en ondersteuning van kwetsbare groepen

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben bij eerdere gelegenheden hun bezorgdheid uitgesproken over de verdere digitalisering van belastingaangifte. Deze zorg betreft met name de positie van kwetsbare groepen die digitaal niet geschoold zijn en moeilijk hun weg kunnen vinden in het internettijdperk. De Kamer heeft daar eerder uitvoerig over gedebatteerd met de Staatssecretaris. Kan de regering de laatste gegevens met de leden van deze fractie delen over het digitaal invullen van de aangifte en de toegezegde ondersteuning van kwetsbare groepen?

7.5. CPB-notitie «De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen»

De leden de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een reactie op de recente CPB-studie «De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen"45, primair wat de fiscale aspecten ervan betreft. Zijn de bevindingen aanleiding om het fiscaal beleid te herijken?

7.6. Aangehouden wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing (34 556)

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de structurele opbrengst van het aangehouden wetsvoorstel € 275 miljoen bedraagt, waarvan € 131 miljoen zou worden ingezet voor de oplossing van rijksbrede begrotingsproblematiek. Graag vernemen deze leden van de regering hoe de dekking voor het aanhouden van het wetsvoorstel is geregeld.

De leden van de commissie zien de beantwoording van voorgaande vragen met belangstelling tegemoet. Zij verzoeken de regering de memorie van antwoord zo mogelijk uiterlijk vrijdag 2 december 2016 aan de Eerste Kamer toe te zenden.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, De Grave

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Van Dooren


X Noot
1

Letter D heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 34 552.

X Noot
2

Samenstelling:

Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD), Backer (D66), Ester (CU), De Grave (VVD) (voorzitter), Hoekstra (CDA) (vice-voorzitter), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Van Apeldoorn (SP), Dercksen (PVV), Van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA), Rinnooy Kan (D66), Van Rooijen (50PLUS), Schalk (SGP), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Overbeek (SP)

X Noot
3

Kamerstukken I 2015–2016, 34 300, O

X Noot
4

Toezegging T01958 in het toezeggingenregistratiesysteem van de Eerste Kamer op www.eerstekamer.nl.

X Noot
5

Kamerstukken I 2016–2017, 34 550, L

X Noot
6

Deze leden verwijzen naar de grafieken op blz. 4–9 van de memorie van toelichting (Kamerstukken II 34 552, nr. 3).

X Noot
7

Kamerstukken II 33 552, nr. 14, blz. 4, tabel 1

X Noot
8

Kamerstukken II 33 552, nr. 38

X Noot
9

Geloofwaardig Belasting Heffen. Lejour, A. en Stevens, L. 14 Sep 2016 Deventer: Wolters Kluwer, blz. 126

X Noot
10

Kamerstukken II 33 552, nr. 14, blz. 8, tabel 4

X Noot
11

Kamerstukken II 33 552, nr. 14, blz. 11

X Noot
12

Geloofwaardig Belasting Heffen. Lejour, A. en Stevens, L. 14 Sep 2016 Deventer: Wolters Kluwer, blz. 119

X Noot
13

Kamerstukken II 2016–2017, 34 550, L

X Noot
14

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 45.

X Noot
15

Kamerstukken I 2016–2017, 34 550, I

X Noot
16

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 63

X Noot
17

J.C.M. van Sonderen, «Belastingarbitrage tussen box 3 en een eigen bv», MBB 2016/2, p. 51–59.

X Noot
18

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 38

X Noot
19

Kamerstukken II 2016–2017, 34 550, nr. 1, blz. 26

X Noot
20

Kamerstukken I 2015–2016, 25 087, L

X Noot
21

Kamerstukken I 2015–2016, 25 087, L

X Noot
22

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 26

X Noot
23

Bijlage bij Kamerstukken I 2016–2017, 34 036, M

X Noot
24

HR 22 april 2016, nr. 15/02845, ECLI:NL:HR:2016:705.

X Noot
25

idem.

X Noot
26

idem.

X Noot
27

Kamerstukken II 2016–2017 34 553, nr. 3, blz. 10

X Noot
28

Kamerstukken II 2016–2017 34 553, nr. 7, blz. 17

X Noot
29

Kamerstukken II 2016–2017, 34 553, nr. 3

X Noot
30

Kamerstukken II 2016–2017 34 553, nr. 7, blz. 20

X Noot
31

Kamerstukken II 2016–2017 34 553, nr. 15

X Noot
32

Kamerstukken II 2016–2017, 34 555, nr. 5

X Noot
33

Ter inzage gelegd bij de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning van de Eerste Kamer onder griffienummer 159531.03.

X Noot
34

Ter inzage gelegd bij de afdeling Inhoudelijke Ondersteuning van de Eerste Kamer onder griffienummer 159531.05.

X Noot
35

M.N. Bende en J. Kroonenberg, «Wijzigingen pensioen in eigen beheer: partners let op!», Vakblad Estate Planning 2016, nr. 41, blz. 18–29

X Noot
36

M.P.A. Spanjers, «Budgettaire aspecten Belastingpakket 2017», WFR 2016/220

X Noot
37

Kamerstukken II 2016–2017, 34 555, nr. 5, blz. 37

X Noot
38

Kamerstukken II 2016–2017, 34 555, nr. 38

X Noot
39

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 6

X Noot
40

Geloofwaardig Belasting Heffen. Lejour, A. en Stevens, L. 14 Sep 2016 Deventer: Wolters Kluwer, blz. 64

X Noot
41

Kamerstukken II 33 552, nr. 28

X Noot
42

Kamerstukken 2016–2017 34 552, nr. 19

X Noot
43

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 38

X Noot
44

Kamerstukken II 2016–2017, 34 552, nr. 72

X Noot
45

CPB, 2016, De arbeidsmarkt aan de grens met en zonder grensbelemmeringen, Den Haag: Centraal Planbureau.