Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 november 2016
Mede namens de Staatssecretaris van Financiën reageer ik met deze brief op enkele
vragen en moties die uw Kamer tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan
2017 gesteld heeft.
In de plenaire behandeling heeft het lid Omtzigt van de CDA-fractie gevraagd naar
de feiten over de analyse die mede ten grondslag heeft gelegen aan de uitwerking van
de subsidieregeling ter vervanging van fiscale aftrek van onderhoud aan monumentenpanden,
zoals ik die heb beschreven in mijn brief van 20 september jl. (Kamerstuk 32 156, nr. 74).
In het advies van de commissie van Dijkhuizen uit 2013 is de fiscale monumentenaftrek
ter discussie gesteld en voorgesteld deze te vervangen door een subsidieregeling.
Prinsjesdag vorig jaar (2015) heeft het kabinet aangekondigd mede op grond van dit
advies en de wens tot vereenvoudiging van het belastingstelsel de mogelijkheid daartoe
te bezien. Bij de besluitvorming over de aftrek speelde, naast de conclusies uit de
evaluatie van 2009 en de aanpassingen in de regeling in 2012, ook een rol de overweging
dat de komende periode enkele evaluaties van subsidieregelingen in de monumentenzorg
worden uitgevoerd die tot een herijking van het gehele financiële stelsel monumentenzorg,
inclusief de aftrek, kunnen leiden.
Bij die besprekingen dit voorjaar over de kaders voor de rijksbegroting voor het jaar
2017 en – als onderdeel daarvan – de oplossing van de ruilvoetproblematiek en overige
problematiek op de OCW-begroting, heb ik, mede op basis van het advies van de commissie
Van Dijkhuizen, het kabinet voorgesteld een deel van de problematiek op te lossen
door de fiscale aftrek voor onderhoud aan monumenten met een korting van € 25 miljoen
om te zetten in een subsidieregeling op de begroting van OCW.
Op basis van analyses in de zomer door mijn ministerie en de Rijksdienst voor het
Cultureel Erfgoed zijn de geldstromen binnen de fiscale aftrek in kaart gebracht,
mede om te beoordelen op welke manier deze groep rijksmonumenten in een subsidieregeling
het beste ondersteund kan worden. De analyse is verricht op basis van cijfers van
de belastingaangifte 2014 van de Belastingdienst. Omdat in 2014 voor het eerst ook
het monumentnummer moest worden opgegeven, kon een analyse worden gemaakt op objectniveau;
iets wat tot dusver niet mogelijk was. De uitkomsten van de analyses zijn eveneens
gebruikt voor het voorstel zoals ik u dat heb doen toekomen in de brieven aan uw Kamer
van 20 september en 10 oktober jl. en waarin ik verwijs naar de gegevens van de Belastingdienst
(Kamerstuk 32 156, nrs. 74 en 75).
Bij de afronding van de besluitvorming over de (OCW-)begroting in augustus heeft het
kabinet het principebesluit omgezet in een definitief besluit en zijn de subsidieregeling
voor onderhoud aan monumenten en de overgangsregeling ontworpen en afgerond.
Voor de volledigheid merk ik op dat het verzoek van uw Kamer van 7 november jl. om
inzage te krijgen in de analyses, aanleiding is geweest om deze te ontdoen van informatie
die herleidbaar zou zijn tot één persoon of monument; de nu gepresenteerde analyse
bevat geen nieuwe informatie ten opzichte van wat ik u eerder meldde in de brief van
20 september namelijk dat onder andere blijkt dat circa 20% van de aanvragers in totaal
80% van de aftrek genieten.
De Staatssecretaris van Financiën heeft uw Kamer gisteren toegezegd om in deze brief
ook te reageren op de vraag van het lid van de fractie van het CDA, de heer Omtzigt
over de mogelijkheid, c.q. wenselijkheid om via een aanscherping van de bestaande
monumentenaftrek, de te voorziene anticipatie-effecten in 2017 in verband met de aangekondigde
afschaffing van deze regeling per 2018 te mitigeren. Zoals eerder aangegeven is het
niet mogelijk binnen de fiscale regeling een duidelijk onderscheid te maken tussen
onderhoudskosten die bijdragen aan de monumentale waarde en overige kosten en die
ook nog voor de Belastingdienst goed uitvoerbaar en handhaafbaar is. Dit is mede reden
geweest voor het onderhavige wetsvoorstel.
Het lid Van Weyenberg van de D66-fractie heeft twee moties ingediend over het voorstel
tot afschaffing van de aftrek scholingsuitgaven en aftrek monumentenpanden (Kamerstuk
34 552, nrs. 60 en 61). Ik heb de zorgen van uw Kamer goed gehoord. Het tempo waarin de besluitvorming
over de begroting en het ontwerpen en afronden van de regelingen heeft plaatsgevonden
was hoog. Daardoor is zorgvuldig overleg met het veld en uw Kamer minder mogelijk
geweest, dat realiseer ik mij terdege. Door het aanhouden van het wetsvoorstel is
er voldoende tijd om uitgebreid in overleg te gaan met het veld en met uw Kamer, om
tot een breed gedragen voorstel te komen voor de toekomst van de financiering van
het onderhoud van rijksmonumenten en van scholing. Daarom ontraad ik beide moties
Van Weyenberg c.s.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker