Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 november 2014
Op 15 oktober jl. heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, naar aanleiding
van berichtgeving in de Telegraaf, aan de Minister van Veiligheid en Justitie en mij
gevraagd u te informeren over het beleid inzake het plannen van zittingsdata. Uw commissie
vraagt of het conform de modelregeling inzake passende verblijfsomgeving slachtoffers
staand beleid is dat een slachtoffer of nabestaande pas ruim na het plannen van een
zittingsdatum daarover wordt geïnformeerd. Voorts vraagt de commissie of het klopt
dat wanneer een slachtoffer of nabestaande verhinderd is dit geen reden is voor verplaatsing
van de zittingsdatum. Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Veiligheid en
Justitie, onze reactie op uw vragen aan.
Navraag bij de Raad voor de Rechtspraak leert dat bij het vaststellen van de zittingsdatum
rekening wordt gehouden met de wensen van de slachtoffers of de nabestaanden. Dit
komt tot uiting in het aanhoudingenprotocol1 van het Landelijk Overleg Voorzitters van Strafsectoren (LOVS) d.d. 18 november 2011.2 Zo beveelt het protocol aan dat, behoudens zwaarwegende andere belangen, rekening
wordt gehouden met de verhindering van slachtoffers of nabestaanden. Dat geldt mutatis
mutandis uiteraard ook voor hun raadslieden, gelet op onder meer het recht van het
slachtoffer om zich te doen bijstaan en het recht zich te laten vertegenwoordigen
bij de uitoefening van het spreekrecht.
Het contact met slachtoffers en nabestaanden verloopt tot de zitting via het Openbaar
Ministerie, dat dan ook mede tot taak heeft ervoor te zorgen dat bij het plannen van
de zitting rekening wordt gehouden met hun verhinderdata. Bij aanvang van de zitting
stelt de voorzitter vast of het slachtoffer of de nabestaanden tijdig en goed op de
hoogte zijn gesteld van de zitting.3
Het is dus staand beleid om bij het vaststellen van zittingsdata rekening te houden
met de wensen van slachtoffers of nabestaanden.
Zoals de rechtbank Noord-Holland in een toelichting op www.rechtspraak.nl van 16 oktober jl. heeft aangegeven,4 houdt ook deze rechtbank in de planning van zaken waar mogelijk rekening met de belangen
van slachtoffers en nabestaanden.
In de zaak waar de Telegraaf over berichtte, had zich op het moment van planning nog
geen advocaat gemeld die namens de familie zou optreden. Toen die zich later alsnog
meldde, bleek dat hij in het vierde kwartaal 2014 nauwelijks beschikbaar was behalve
de dagen na Kerst. Het verzoek van de advocaat aan de rechtbank om het besluit tot
behandeling van de zaak op 17 en 18 november te heroverwegen is per brief van 2 oktober
door de rechtbank afgewezen, omdat het op korte termijn niet mogelijk was om twee
volle zittingsdagen in het zittingsrooster van deze meervoudige kamer bij te plannen.
Een tweede verzoek van dezelfde raadsman van 13 oktober jl. is eveneens afgewezen.
Er zijn voor een zorgvuldige behandeling twee volle dagen gereserveerd en gegeven
zijn eigen agenda was onvermijdelijk dat een nieuwe zittingsdatum in het jaar 2015
zou moeten vallen. De meervoudige kamer kon zich daarin met het oog op een voortvarende
behandeling niet vinden en vond het, mede gelet op de tijd die in deze zaak al was
verstreken, van groot belang om nog in 2014 tot inhoudelijke behandeling te komen.
Voor de nabestaanden zou dit betekenen dat zij zich tijdens de zitting niet door hun
(eigen) raadsman kunnen laten bijstaan. Zij zouden zich in dat geval wel door een
ander kunnen laten bijstaan, bijvoorbeeld door een collega-raadsman van hun advocaat
of iemand van Slachtofferhulp.
Vervolgens heeft de raadsman op 15 oktober jl., gemeld dat hij ook namens de broer
van het slachtoffer optreedt, waarbij is aangegeven dat deze broer op de geplande
zittingsdata in het buitenland werkt. Dit is voor de rechtbank een nieuw gegeven,
in verband waarmee de raadsman opnieuw aan de rechtbank gevraagd heeft de zaak uit
te stellen. Naar aanleiding van dit laatste verzoek heeft de rechtbank besloten om
de zaak aan te houden.
Ik constateer dat de rechtbank steeds naar aanleiding van de verzoeken van de advocaat
de verschillende belangen en mogelijkheden heeft afgewogen. In deze zaak heeft dat
uiteindelijk geleid tot aanhouding van de zaak.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven