Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534000-J nr. 25

34 000 J Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2015

27 625 Waterbeleid

Nr. 25 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 juni 2015

In deze brief ga ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, in op de moties en toezeggingen uit het Wetgevingsoverleg (hierna: WGO) Water van 17 november 2014 (Kamerstuk 34 000 J, nr. 23) en meld ik u de actuele stand van zaken van het beleid op het gebied van:

  • waterveiligheid;

  • waterkwaliteit/zoetwater en de waterketen en;

  • water & duurzame energie.

Tevens bied ik u het advies aan van de Adviescommissie Water over innovatie in de waterketen.

Deze brief is een aanvulling op de brief van 9 december 2014 (Kamerstuk 27 625, nr. 334), waarin ik u heb geïnformeerd over de relatie tussen gebiedsdossiers en middelen uit het Deltafonds, de relatie tussen de Nieuwe Waterweg en verzilting, het toezicht op de watersector en de opzet en stand van zaken van de studie naar duurzame financiering en bekostiging van het waterbeleid. Laatstgenoemde studie zal op korte termijn worden afgerond en samen met een schets van de vervolgstappen naar uw Kamer worden gestuurd.

Ik ga in deze brief, zoals toegezegd, in op de volgende moties: de motie Jacobi c.s. (Kamerstuk 34 000 J, nr. 16), Deltaplan Zoetwater en Waterkwaliteit; de motie Dik-Faber/Hachchi (Kamerstuk 34 000 J, nr. 20), plan van aanpak voorkoming medicijnresten in water; de motie Geurts (Kamerstuk 34 000 J, nr. 14), onderzoek naar sluizen in De Nieuwe Waterweg; en de motie Hachchi c.s., energieneutraal werken door de waterschappen (Kamerstuk 34 000 J, nr. 19).

De motie Smaling (Kamerstuk 34 000 J, nr. 13) over knelpunten voor de drinkwaterwinning door bodemverontreiniging is meegenomen bij de opstelling van het Convenant Bodem en Ondergrond. U bent hierover door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu separaat geïnformeerd (Kamerstuk 30 080, nr. 50).

WATERVEILIGHEID

Nu het meer op de risicobenadering gebaseerde waterveiligheidsbeleid inclusief de daarbij behorende op 2050 gerichte doelen en normen is uitgekristalliseerd, beginnen partijen als waterschappen, provincies, Rijkswaterstaat en gemeenten zowel landelijk als regionaal en in het kader van het Deltaprogramma met de implementatie ervan. In de overgangsfase van beleid naar uitvoering wil ik samen met de partijen ervoor zorgen dat de uitvoering zo soepel mogelijk zal verlopen.

Wijzigingsvoorstel Waterwet in verband met nieuwe normen

De nieuwe normen voor waterveiligheid, die zijn opgenomen in de tussentijdse herziening van het Nationaal Waterplan (Kamerstuk 31 170, nrs. 33 en 34) worden op dit moment vastgelegd in een wijziging van de Waterwet. In deze wijziging worden naast normen voor dijktrajecten (a-keringen) ook normen opgenomen voor voorliggende (b)keringen, zoals de Afsluitdijk en de Maeslantkering. Voor c-keringen biedt de voorziene wijziging van de Waterwet ook duidelijkheid. Een deel blijft zijn functie behouden in het primaire systeem en krijgt een norm met de wijziging van de Waterwet. Een ander deel wordt waterkering zonder primaire status. Die c-keringen die hun primaire status verliezen, maar afgekeurd zijn in de derde toetsronde, zijn nog één maal subsidiabel volgens de spelregels van het Hoogwaterbeschermingsprogramma om aan de provinciale norm te voldoen. Van 23 april tot en met 4 juni heeft de internet- en de bestuurlijke consultatie en de handhaafbaarheids- en uitvoerbaarheidstoets voor de wijziging van de Waterwet plaatsgevonden. Ik ben voornemens voor het eind van dit jaar het wetsvoorstel aan uw Kamer aan te bieden. In de komende periode wordt de strekking van de gewijzigde Waterwet omgezet naar het systeem van de Omgevingswet. Daarbij moet onder andere gekeken worden hoe het systeem met een signaleringsnorm en een daarvan afgeleide ondergrens wordt omgezet naar een systeem met omgevingswaarden. Ik zal de bestuurlijke partners hier nadrukkelijk bij betrekken.

Beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen

Parallel aan het wettelijk verankeren van het nieuwe waterveiligheidsbeleid met de op 2050 gerichte doelstellingen, wordt nu ook de bestaande Regeling beoordeling veiligheid primaire waterkeringen inclusief de technische bijlagen aangepast. Met de waterschappen ontwikkelen we een efficiënte en transparante methode, waarmee zij de veiligheid van de bij hen in beheer zijnde primaire waterkeringen vanaf 2017 gaan beoordelen. Ik wil gedifferentieerde beoordeling mogelijk maken, eenvoudig waar het kan en gedetailleerd waar het nodig is. Gezamenlijk met de waterschappen en onder de vlag van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) zetten we nu een opleidingsprogramma op voor degenen die de veiligheidsbeoordelingen gaan uitvoeren. In 2023 wordt de tussenbalans opgemaakt waarbij de omvang en de urgentie van de opgave duidelijk wordt. Daarbij wordt vooruit gekeken naar het jaar 2050.

Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HBWP-2)

Op dit moment wordt binnen het HWBP-2 een analyse uitgevoerd in de bestaande programma’s waarbij gekeken wordt of de nieuwe normen significante effecten opleveren bij bestaande projecten die zich nog in de verkenning- of planstudiefase bevinden. Via de voortgangsrapportage over het HWBP-2 informeer ik u als dit tot wijzigingen leidt.

Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)

U ontvangt van mij jaarlijks het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) als onderdeel van het Deltaprogramma. Dit programma bevat alle keringen die op grond van de vigerende normen zijn afgekeurd en nog niet worden aangepakt via eerder bestaande uitvoeringsprogramma’s (zoals HWBP2). In het HWBP anticiperen waterschappen en Rijkswaterstaat structureel op de nieuwe normen. De projecten binnen het HWBP worden op volgorde van urgentie uitgevoerd, waarbij de maatregelen zo worden gedimensioneerd dat de waterkering ook aan de nieuwe normen zal voldoen. Hiertoe is een voorlopige leidraad voor het ontwerpen van keringen opgesteld. Deze wordt momenteel geactualiseerd.

Het HWBP-programma 2017–2022 (te verschijnen in september 2016) zal de nieuwe wettelijke normen als basis hebben, waarbij de prioritering van projecten wordt bepaald op basis van urgentie. In eerste instantie zal de scope van het HWBP-programma hier niet mee veranderen (dijken die op grond van de vigerende normen zijn afgekeurd), maar wel de uitvoeringsvolgorde. Daarnaast kunnen uit doelmatigheidsoverwegingen aangrenzende en/of tussengelegen stukken waterkering in (lopende en/of geplande) projecten al worden meegenomen als te verwachten is dat deze stukken niet aan de nieuwe normen voldoen. Ik heb de beheerders gevraagd om aan te geven bij welke projecten een dergelijke scope-uitbreiding doelmatig is. In het HWBP-programma 2017–2022 komen deze projecten dan terug.

Door het jaarlijks voortrollende karakter van het HWBP kunnen waterkeringen die vanaf 2017 urgent blijken te zijn gemakkelijk aan het programma worden toegevoegd. Dit zal leiden tot een nieuwe prioriteitenvolgorde voor de uitvoering.

Samenspel van rivierverruiming en dijkversterking

De uitwerking van de voorkeurstrategie voor het rivierengebied is een complex proces, met name voor het onderdeel rivierverruiming. Dit komt doordat rivierverruiming over relatief grote afstanden invloed heeft op dijkversterking, een combinatie van financieringsbronnen (o.a. besparing op de kosten voor dijkversterking) gevonden moet worden en diverse partijen betrokken zijn. Naar aanleiding van de discussie over Varik-Heesselt werd in het Bestuurlijk Overleg (BO) van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) 2014 afgesproken dat Rijk en regio kijken naar de (meer)kosten van rivierverruimende maatregelen, de mogelijkheden van cofinanciering en hoe kan worden gekomen tot transparant prioriteren. In het WGO Water van 17 november 2014 heb ik toegezegd u hierover te informeren.

Het Bestuurlijk Platform Rijn en de Stuurgroep Maas ontwikkelen nu een voorstel voor de nadere selectie van kansrijke rivierverruimende maatregelen tot circa 2030. In het Deltaprogramma 2017 (DP2017) wordt op grond van de nadere uitwerking van voorkeurstrategieën, aangegeven hoe we toewerken naar een totaal voorstel met concrete uitwerking tot 2030 en een programmatische aanpak tot 2050. Dit voorstel zal ook de samenhang met de dijkversterkingen in het HWBP beschrijven en mogelijk ook al startbeslissingen bevatten voor één of meer MIRT-verkenningen naar rivierverruiming. Het gaat om één voorstel voor de Rijntakken als geheel en één voor de Maas. Het is belangrijk dat rivierverruimende maatregelen substantieel en effectief bijdragen aan waterveiligheid, dat kansen om op gebiedsniveau synergie te realiseren en draagvlak te creëren worden benut en dat cofinanciering door de regio zal plaats vinden.

Naast de concrete projecten die op korte termijn in het BO MIRT zullen komen, wordt met de regio gewerkt aan een langere termijn perspectief voor rivierverruiming. Zicht op die langere termijn is nodig om tijdig helderheid te hebben over de haalbaarheid van ruimtelijke maatregelen en de gevolgen voor het ontwerp van dijkversterkingen.

Afstemming met Duitsland

Zoals toegezegd tijdens het WGO Water van 17 november 2014 informeer ik u over de stand van zaken van het overleg met Duitsland over grensoverschrijdende waterveiligheidsaspecten. Duidelijk is dat een doorbraak van grensoverschrijdende dijken zowel in Duitsland als in Nederland kan leiden tot schade en slachtoffers en dat maatregelen in Duitsland invloed kunnen hebben op piekafvoeren die ons land bereiken. De afgelopen maanden is samen met Nordrhein-Westfalen een plan van aanpak opgesteld voor een gezamenlijk onderzoek naar het overstromingsrisico in het grensgebied. Het onderzoek zal ruim twee jaar duren en heeft als doel om gezamenlijk beter inzicht te krijgen in de overstromingsrisico’s van het grensgebied en beter inzicht in de invloed die overstromingen die net bovenstrooms van Lobith ontstaan, zouden kunnen hebben op het beschermingsniveau in Nederland. Ook besteedt het onderzoek aandacht aan de piekafvoeren die in de toekomst ons land kunnen binnenkomen. Duitsland houdt nu rekening met piekafvoeren tot circa 15.000 m3/s, waarbij geen rekening is gehouden met toename als gevolg van klimaatveranderingen. Nederland houdt rekening met hogere afvoeren, omdat Nederland een hoger beschermingsniveau nastreeft. Eerste berekeningen met een nieuw model GRADE geven aan dat bij Lobith nu piekafvoeren op kunnen treden van 15.000 tot 17.000 m3/s en dit kan toenemen tot ca. 16.000 à 18.000 m3/s in 2050 (bij het KNMI 2006 W+ Klimaatsscenario). In de berekeningen is rekening gehouden met het effect van overstromingen die in Duitsland kunnen optreden en met de nieuwe normen voor het rivierengebied. De definitieve afvoerberekeningen zullen worden betrekken bij de methodes voor beoordelen en ontwerpen van waterkeringen.

In 2014 heeft Duitsland het «Nationales Hochwasserschutzprogramm» vastgesteld met een lijst van maatregelen ter bescherming tegen hoogwater. Hierin zijn maatregelen opgenomen om water vast te houden. Belangrijk voor Nederland is dat er geen sprake is van het verhogen van normen of dijken. Daarmee zal het overstromingsrisico in Nederland niet toenemen. Nordrhein-Westfalen heeft extra mankracht beschikbaar gesteld om de reeds geplande dijkversterkingen voor 2025 uit te voeren. Nordrhein-Westfalen houdt Nederland via de Duits-Nederlandse werkgroep Hoogwater op de hoogte.

Onderzoek sluizen in de Nieuwe Waterweg

In het WGO Water van 17 november 2014 heb ik naar aanleiding van de motie Geurts (Kamerstuk 34 000 J, nr. 14) een onderzoek toegezegd over het eventueel aanleggen van sluizen in de Nieuwe Waterweg. In januari 2015 is Rijkswaterstaat gestart met het onderzoek. In nauwe afstemming met de heer Spaargaren c.s. is een plan van aanpak vastgesteld. De Deltaprogramma regio’s Rijnmond-Drechtsteden en Zuidwestelijke Delta zijn via een klankbordgroep hierbij betrokken. Ik verwacht u in november 2015 over de uitkomsten te kunnen informeren.

Markermeerdijken

Voor het lopende versterkingsproject Markermeerdijken heb ik besloten om een nader onderzoek te doen naar een combinatie van dijkversterking en pompen. Ik verwacht de resultaten uiterlijk in september 2015 en zal op basis daarvan een beslissing nemen over dit dijkversterkingsproject.

Aardbevingsbestendigheid van primaire waterkeringen

In het kader van de aardbevingsproblematiek in Groningen is onderzocht of en zo ja in welke mate de waterkeringen daar aardbevingsgevoelig zijn. Uit een globale analyse is gebleken dat 40 km zeedijk aardbevingsgevoelig is. Een gedeelte daarvan is eerder op basis van de huidige veiligheidsnormen afgekeurd, zonder rekening te houden met aardbevingen. Hiervan pakt het waterschap Noorderzijl-vest met voorrang de dijk tussen Delfzijl en de Eemshaven aan. Bij de versterking van deze dijk van 12 km zal ook meteen de aardbevingsopgave worden meege-nomen. Het waterschap wil de versterking in 2018 voltooien. Van de overige zeedijken zal nog worden nagegaan wat er nodig is om deze tegen aardbevingen bestand te maken. Tussen het waterschap Noorderzijlvest en het Rijk worden afspraken gemaakt over de meerkosten voor het aardbevingsbestendig maken van dijken. De Minister van Economische Zaken heeft voor het aardbevingsbestendig maken van infrastructuur 100 miljoen euro gereserveerd (Kamerstuk 33 529, nr. 28).

Slimme combinatie van preventieve, ruimtelijke en gevolgbeperkende maatregelen

Van een zogenaamde slimme combinatie is sprake als door ruimtelijke maatregelen (bijv. de aanleg van terpen) of gevolgbeperkende maatregelen (bijvoorbeeld eerdere evacuatie) minder preventieve maatregelen (bijv. dijkversterking) nodig zijn. In dat geval zouden de normen voor dijktrajecten naar beneden kunnen worden bijgesteld, zonder dat de waterveiligheidsdoelstellingen in gevaar komen. De mogelijkheid van slimme combinaties heb ik nog niet in de wijziging van de Waterwet kunnen meenemen omdat ik eerst onderzoek en pilots in gang heb gezet onder meer om te zien hoe slimme combinaties in de praktijk toegepast kunnen worden. De evaluatie van drie MIRT onderzoeken naar slimme combinaties door de Erasmus Universiteit en Deltares is vrijwel afgerond. De kennis die deze evaluatie oplevert over de toepasbaarheid van slimme combinaties zal partijen helpen om synergie te vinden tussen de domeinen waterveiligheid, ruimtelijke ordening en rampenbeheersing. De evaluatie helpt ook bij besluitvorming over wettelijke voorzieningen voor slimme combinaties, die ik dan in het kader van de nieuwe Omgevingswet kan meenemen.

Juridische gevolgen Wilnis

In 2010–2014 zijn diverse arresten gewezen in de procedure tegen het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht over de schade als gevolg van de dijkverschuiving in Wilnis in 2003. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat de bezitter van een dijk (waterkering) in beginsel op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld voor schade ten gevolge van een gebrek aan de dijk. In de afgelopen tijd is er overleg geweest met de Unie van Waterschappen over deze jurisprudentie. Eén van de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad is dat ook een bezitter/eigenaar die niet tevens de beheerder is, aansprakelijk kan worden gesteld voor schade door een gebrekkige dijk, ook al is hij niet bevoegd tot het nemen van maatregelen die gebreken zouden kunnen voorkomen. Dit is niet wenselijk. Daarom ben ik voornemens een wijziging van het artikel in het Burgerlijk Wetboek voor te bereiden die de aansprakelijkheid voor gebrekkige waterkeringen beperkt tot de beheerders, zoals dit in hetzelfde artikel ook al voor openbare wegen is geregeld.

Kennis

Zoals ik in mijn brief van 2 juni 2014 (Kamerstuk 33 750 J, nr. 20) heb aangekondigd heeft Rijkswaterstaat nu sterkere verbindingen gelegd tussen dienstonderdelen, markt en kenniswereld door met Communities of Practice (CoP) te gaan werken. Op die manier verbetert het kennisniveau ook voor wat betreft kritieke objecten zoals stormvloedkeringen. De CoP’s brengen regionale operationele kennis actief samen met centrale tactische en strategische kennis. Waterschappen worden actief bij deze CoP’s betrokken om het kennisniveau te versterken en om duidelijkheid voor de langere termijn te verkrijgen bijvoorbeeld voor de nodige veiligheidsmaatregelen in het rivierengebied.

Door natuurlijke uitstroom, de krappe markt om deze te compenseren en het feit dat instroom tijdens de reorganisatie, die vorig jaar bij Rijkswaterstaat is doorgevoerd, beperkt was, is de grens van 500 medewerkers die betrokken zijn bij het werkveld nu gepasseerd. Om dit op te vangen wordt nu sterker op externe kennis geleund. Vacatures voor ervaren krachten zijn na de reorganisatie weer opengesteld. Om de instroom te bevorderen zijn de banden met de universiteiten aangehaald. Er zijn ook continu trainees op dit werkveld actief. Om een goed evenwicht te houden tussen in- en externe kennis organiseert Rijkswaterstaat meer allianties met marktpartijen, kennisinstellingen en andere overheden zoals waterschappen. Daarmee versterkt ook de kennisbasis bij Rijkswaterstaat. Daarnaast wordt ingezet op interne opleidingen.

WATERKWALITEIT/ZOETWATER EN WATERKETEN

Beleidsimpuls waterkwaliteit en zoetwater, inclusief ketenaanpak medicijnen

Regie

Monitoringsresultaten van planten en vissen laten zien dat de waterkwaliteit de laatste jaren substantieel verbetert. Er is de afgelopen jaren hard gewerkt door alle waterbeheerders om uitvoering te geven aan de eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de voortgang (bijvoorbeeld Kamerstuk 27 625, nrs. 292, 305, 318, 334). We liggen goed op schema, zelfs in deze economisch lastige tijden. Ik hecht groot belang aan het realiseren van de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het behalen van de ecologische en chemische waterkwaliteitsdoelen is echter nog een omvangrijke opgave, waarvoor extra beleidsinzet nodig is. We staan in de startblokken voor de volgende generatie stroomgebiedbeheerplannen (2016–2021).

Op de resterende opgave zal ik samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu extra inzet plegen. Daarmee geef ik invulling aan de motie van het lid Jacobi (Kamerstuk 34 000 J, nr. 16). Ik heb daarbij de regie en streef naar een samenhangende aanpak. Dat doe ik in Brussel in overleg met de andere Europese lidstaten.

De eerste helft van 2016 is Nederland voorzitter van de Europese Raad en water staat hoog op de agenda. Samen met de trio-partners Slowakije en Malta is afgesproken dat water een gezamenlijke prioriteit is waarvoor nu een inhoudelijke agenda uitgewerkt wordt. We werken ook intensief samen met buurlanden die deel uitmaken van onze stroomgebieden. Op nationaal niveau wordt het Deltaprogramma aan de agenda van de Stuurgroep Water toegevoegd om de samenhang waterkwaliteit en zoetwater te versterken. Het Ministerie van Economische Zaken zit hierbij aan tafel, omdat Economische Zaken op veel dossiers eerstverantwoordelijke is. In de rijksbegroting heb ik de middelen voor uitvoering van inrichtingsmaatregelen in het hoofdwatersysteem ondergebracht in het Deltafonds ten behoeve van meer samenhang in de uitvoering. In aanvulling hierop wordt bij de uitvoering van het Deltaplan Zoetwater aan de voorkant gestuurd op meekoppelkansen, en bij de uitwerking expliciet gemaakt hoe waterkwaliteit is meegekoppeld.

Decentraal worden de Kaderrichtlijn Water en zoetwater steeds vaker tegelijkertijd geagendeerd in één overlegstructuur. In de regio’s waar dit nu nog niet het geval is, zien de betrokken partijen een dergelijke samenvoeging als logisch toekomstig perspectief. In een bestuurlijke conferentie op 27 mei jl. over voldoende en schoon water is door de partners in het waterdomein het belang van een samenhangende aanpak nog eens bevestigd. In navolging daarvan zal ik samen met de partners nagaan of het bestuurlijke overleg over waterkwaliteit tussen de regio en het Rijk kan worden versterkt.

Hieronder ga ik in op de voortgang en de samenhangende aanpak die ik voor sta. Voor «waterkwaliteit» ofwel «de doelstellingen van de KRW» onderscheid ik drie onderwerpen, te weten 1) de inrichting van watersystemen, 2) bekende stoffen en 3) nieuwe stoffen.

Inrichting van watersystemen

De inrichtingsmaatregelen van de stroomgebiedbeheerplannen 2010–2015 worden uitgevoerd. In een enkel geval is een project vertraagd, maar soms is er ook meer gedaan dan eerder aangegeven. In de ontwerpplannen 2016–2021 zijn nieuwe maatregelen opgevoerd. Ook de maatregelen van de Programmatische Aanpak Stikstof en de uitvoering van de Natura2000-beheerplannen dragen bij aan een natuurlijke inrichting van onze watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit. Tot eind oktober kunnen de maatregelen waarover bestuurlijke overeenstemming is bereikt, nog worden opgenomen in de definitieve stroomgebiedbeheerplannen 2016–2021.

Voor het hoofdwatersysteem zijn middelen gereserveerd in het Deltafonds, om de uitvoering in het hoofdwatersysteem voort te zetten. Hoewel er hier en daar optimalisatie van de maatregelen nodig is, lijkt de opgave voor de inrichting op weg naar 2027 uitvoerbaar. Dat betekent dat de vismigratieknelpunten zullen zijn opgelost en beken natuurlijker zijn ingericht, waar dat kan zonder significante negatieve effecten aan functies. Door hiervoor de tijd te nemen, kan worden meegekoppeld met andere opgaven en is de opgave op een kosteneffectieve manier te realiseren.

Het Deltaplan Zoetwater beschrijft concrete maatregelen voor het verbeteren van een duurzame zoetwatervoorziening in Nederland voor de periode 2015–2028.

Bij de uitwerking van de maatregelen wordt expliciet gemaakt hoe waterkwaliteit is meegekoppeld. Bijvoorbeeld: met een goede vochtvoorziening in de landbouwgronden kan de landbouwsector het verlies aan nutriënten tot een minimum beperken. Ook wordt gestart met het ontwikkelen van voorzieningenniveaus, waarmee de beschikbaarheid van zoet water beter inzichtelijk wordt gemaakt voor gebruikers. In het opstellen van de voorzieningenniveaus wordt waar mogelijk waterkwaliteit meegekoppeld.

Bekende stoffen (nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen)

Op het gebied van de bekende stoffen ligt er nog een flinke opgave. Ongeveer de helft van de oppervlaktewateren voldoet niet aan de norm voor stikstof en de helft niet aan de norm voor fosfor. Dit heeft nadelige gevolgen voor het doelbereik van planten en vissen. Regionaal zijn er problemen met nitraat in grondwater en bij drinkwaterwinningen.

Met de uitvoering van de Richtlijn Behandeling Stedelijk Afvalwater en de Nitraatrichtlijn is de belasting van de waterlichamen aanzienlijk verminderd. De ontwerpstroomgebiedbeheerplannen 2016–2021 geven aan dat de diffuse belasting vanuit landbouw de belangrijkste bron blijft in Nederland. Het 5e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014–2017) richt zich op het verminderen van de landbouwgerelateerde nitraatconcentratie in grondwater. De ex ante evaluatie van het Planbureau voor de Leefomgeving1 toont aan dat dit in grote delen van het land beperkt bijdraagt aan een verdere vermindering van de vracht naar het oppervlaktewater; in westelijke regio’s is echter sprake van een lichte toename. De ex ante evaluatie heeft geen inschatting gemaakt van de effecten van maatregelen uit onder andere het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (onderdeel van het 5e Actieprogramma Nitraatrichtlijn) 2014–2017, het derde Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3), Programmatische Aanpak Stikstof en Natura2000-beheerplannen.

De mestwetgeving wordt in 2016 geëvalueerd. Het kabinet is voornemens om daarbij ook rekening te houden met de effecten van de landbouw op eutrofiëring in het oppervlaktewater. Het resultaat van deze evaluatie is een belangrijke bouwsteen voor de daarna te starten onderhandelingen met de Europese Commissie over het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2018–2021) en andere rijksdoelen zoals de KRW. Daarnaast heb ik aandacht voor nutriënten uit andere bronnen, zoals de belasting uit het buitenland en van waterzuiveringsinstallaties. Samen met partijen uit de relevante topsectoren wil ik verkennen of een innovatieve coalitie gevormd kan worden die werkt aan oplossingen voor het nutriëntenvraagstuk.

Op ongeveer de helft van de meetpunten wordt nog niet aan de normen voor gewasbeschermingsmiddelen voldaan, vooral in de glastuinbouwgebieden in het Westland. Ook worden zowel in grondwater als oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor drinkwaterbereiding nog normen overschreden. Op grond van de Europese Richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden (2009/128/EG) is in 2012 het Nationaal Actieplan Gewasbescherming aan uw Kamer voorgelegd. Dit plan is onderdeel van de (bredere) beleidsnota duurzame gewasbescherming 2013–2023 «Gezonde groei, duurzame oogst» (Kamerstuk 27 858, nr. 146) die in 2013 aan uw Kamer is aangeboden. Deze nota bevat maatregelen die de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen in het milieu sterk zullen reduceren. De uitvoering van de maatregelen in deze nota zijn voorzien voor de periode 2013–2023 en een evaluatie van de tussenstand is gepland in 2018.

Bij de aanpak van de diffuse belasting met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen speelt de agrarische sector zelf een belangrijke rol. In het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer heeft de sector zich voorgenomen om in 2021 80% van de resterende kwaliteitsproblemen voor oppervlaktewater opgelost te hebben en in 2027 100%. De sector is aan zet om dit waar te maken. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft in POP3 expliciet middelen bestemd voor watermaatregelen door de landbouw.

Verder wordt gewerkt aan een bestuurlijk akkoord over de zuivering van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw. Dit akkoord bevat acties voor de verschillende partijen om via een realistisch tijdspad te komen tot het invoeren van zuiveringstechnieken. U wordt binnenkort geïnformeerd over de zuivering van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw.

Ketenaanpak medicijnen

De aanwezigheid van nieuwe stoffen als (dier)geneesmiddelen in het water, gekoppeld aan het toenemende gebruik van medicijnen door een vergrijzende bevolking en antibioticaresistentie, geven reden om deze problematiek serieuze aandacht te geven in het waterkwaliteitsbeleid. Het kabinet werkt aan een ketenaanpak, waarin alle partijen (van de farmaceutische sector tot en met de zorg- en watersector) vanuit het eigen handelingsperspectief bijdragen aan het verminderen van emissies. Enerzijds bestaat deze aanpak uit het gezamenlijk opzetten van een kennisagenda en het invullen van kennisleemten, anderzijds worden mogelijke maatregelen voorbereid.

Op 28 april jl. is een bijeenkomst gehouden met vertegenwoordigers van partijen uit de gehele keten. De mogelijke maatregelen zijn in beeld gebracht en werkgroepen gaan aan de slag met het verder beoordelen van de effectiviteit, haalbaarheid en timing hiervan. De maatregelen die worden genomen om antibioticaresistentie tegen te gaan worden u binnenkort gezamenlijk door de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu aangeboden.

Verder is er interesse bij ziekenhuisapothekers om milieuinformatie helderder zichtbaar te maken, zodat deze meegewogen kan worden bij de keuze voor te gebruiken geneesmiddelen. Ook worden gesprekken gevoerd met het Milieuplatform Zorg over de mogelijkheden om de afbreekbaarheid van röntgencontrastmiddelen mee te nemen in het inkoopbeleid van ziekenhuizen.

In antwoord op de motie Dik-Faber/Hachchi (Kamerstuk 34 000 J, nr. 20) is er met de koepelorganisatie van de apothekers (KNMP), de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging Afvalbedrijven intensief contact over een laagdrempelige inzameling van ongebruikte geneesmiddelen. «Best-practices» zijn verzameld en eind 2015 worden de resultaten gedeeld met apothekers en gemeenten, met het doel dat consumenten hun ongebruikte medicijnen bij apotheken en gemeenten in kunnen blijven leveren.

Daarnaast ligt er een belangrijk handelingsperspectief bij ziekenhuizen, onder meer door middel van alternatieve afvang van urine (zoals plaszakken), om te voorkomen dat milieuschadelijke geneesmiddelen in het ziekenhuisafvalwater terecht komen en mogelijkheden om het afvalwater vergaand te zuiveren. Het Pharmafilter project bij het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft heeft laten zien dat dit voor nieuwbouw kostenneutraal kan zijn. Afvalwater en antibioticaresistentie zullen onderdeel uitmaken van de Green Deal Duurzame bedrijfsvoering Zorg die naar verwachting voor het eind van het jaar gesloten gaat worden.

Maatregelen in de geneesmiddelenketen moeten niet beperkt worden tot het Nederlandse speelveld. (Dier)geneesmiddelenproducenten zijn spelers in een internationale markt. Het wettelijk EU kader voor diergeneesmiddelen wordt op dit moment herzien. Nederlandse inzet wat betreft milieueffecten van diergeneesmiddelen is dat een correcte en eenduidige milieubeoordeling gehandhaafd blijft en waar mogelijk ook moet plaatsvinden in het geval van oudere en generieke diergeneesmiddelen, waarvoor nog geen milieubeoordeling heeft plaatsgevonden.

De Europese Commissie heeft voor geneesmiddelen, mede op aandringen van Nederland, een strategie aangekondigd. Deze zou eigenlijk september dit jaar moeten verschijnen. Inmiddels is duidelijk dat deze minimaal een half jaar vertraging heeft opgelopen, waardoor de strategie tijdens het Nederlands EU voorzitterschap kan verschijnen. Nederland gaat in gesprek met de Commissie over deze EU geneesmiddelenstrategie. Ook de farmaceutische industrie zet stappen, met het Europees Eco-Pharmaco-Stewardship initiatief. Onderdeel van dit initiatief is een groot onderzoeksprogramma (50% van de financiering is afkomstig van de industrie, de andere 50% komt uit het EU 7e Kaderprogramma) naar milieueffecten van farmaceutische stoffen. Bezien zal worden welke opgaven uit de Nederlandse kennisagenda via dit initiatief van antwoorden kunnen worden voorzien. Op dit moment lijkt een apart (nationaal) fonds voor onderzoek naar effecten van geneesmiddelen, zoals verzocht in motie Dik-Faber/Hachchi (Kamerstuk 34 000 J, nr. 20), daarom vooralsnog niet aan de orde.

Zoals ik eerder heb gemeld (Kamerstuk 27 625 nrs. 305 en 318) zal een bronaanpak alleen niet voldoende zijn voor een volledige oplossing van de problematiek van resten van geneesmiddelen en zullen voor een sluitende aanpak ook maatregelen bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties in beschouwing moeten worden genomen. Hierbij wordt gekeken naar de ontwikkelingen op dit gebied in andere landen, met name Zwitserland en ook Duitsland.

In de Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn (ICBR) wordt ook aan de aanpak van microverontreinigingen (inclusief geneesmiddelen) gewerkt. In de Rijnministersconferentie van 2013 is besloten dat na 2016 de ICBR moet besluiten welke gezamenlijke maatregelen genomen kunnen worden. In Zwitserland is besloten dat voor specifieke situaties rioolwaterzuiveringsinstallaties voorzien gaan worden van een aanvullende zuiveringsstap voor verwijdering van restanten van geneesmiddelen en andere microverontreinigingen (op ongeveer een zevende van het totaal aantal installaties).

De kennis en ervaring uit Zwitserland en Duitsland met nageschakelde zuiveringstechnieken wordt geëvalueerd en vertaald naar de Nederlandse zuiveringspraktijk. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is medeopdrachtgever van het project «Schone Maaswaterketen», waarmee de komende twee jaren onderzoek zal worden gedaan naar een veelbelovende zuiveringstechniek (m.b.v. poederkool). Zoals de Unie van Waterschappen en Vereniging van drinkwaterbedrijven aankondigden in hun plan van aanpak heeft de watersector het voortouw bij maatregelen in de waterketen. Voordat kan worden gekozen voor aanvullende zuiveringsinspanningen is echter wel een zorgvuldige onderbouwing nodig van de noodzaak, kosten en effectiviteit. Een eerste gedeelte van de elementen voor een dergelijke onderbouwing komt binnenkort gereed in de vorm van de door de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) uitgevoerde hotspot-analyse, waaruit moet blijken waar eventuele zuiveringsinspanningen het best genomen kunnen worden. Gezien de kosten van een keuze voor aanvullend zuiveren is ook een gesprek met de watersector en andere relevante partijen nodig over hoe een dergelijke keuze zich verhoudt tot de afspraken in het Bestuursakkoord Water.

Concluderend kan ik stellen dat er veel goed gaat op het gebied van waterkwaliteit en dat we al veel hebben bereikt. Maar ook dat er nog een opgave ligt op het gebied van bekende stoffen en dat sommige problemen hardnekkig zijn en meer tijd vergen. Er loopt op dit moment een groot aantal activiteiten rondom nieuwe stoffen welke door het Rijk worden gecoördineerd en waarbij alle belangrijke partijen uit de keten een actieve rol spelen, zowel met het opzetten van een kennisagenda als met concrete maatregelen. Binnen een termijn van twee jaar zullen deze activiteiten leiden tot een veel beter inzicht in de werkelijke knelpunten voor nieuwe stoffen en de meest effectieve maatregelen. Ik neem de regie om samen met de partners in het waterdomein verder te komen, waar dit nodig is. Rijk, regionale partijen, maatschappelijke organisaties en de Europese Commissie zijn samen aan zet.

Gezien de ambities en complexiteit van het waterkwaliteitsbeleid heb ik de Adviescommissie Water (hierna: commissie) verzocht om mij op dit thema te adviseren. Op 15 juni jl. heeft de commissie mij het eerste deel van haar advies over waterkwaliteit doen toekomen (bijgevoegd). Het advies geeft een heldere analyse van de problematiek rondom waterkwaliteit en schetst tevens welke oorzaken hieraan ten grondslag liggen. Het definitieve advies, dat naar verwachting aan het eind van dit jaar gereed zal zijn, zal ik gebruiken bij het nader invullen en uitvoeren van het waterkwaliteitsbeleid.

Uitkomsten stresstest zoetwatervoorziening

Zoals toegezegd in het Algemeen Overleg Waterkwantiteit van 11 juni 2014 (Kamerstuk 27 625, nr. 326) heb ik een stresstest zoetwatervoorziening laten uitvoeren waarin de cumulatieve effecten van een aantal ontwikkelingen op de zoetwateropgave zijn onderzocht. Er zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd voor drie fysieke ingrepen: het zout maken van het Volkerak-Zoommeer, verdieping van de Nieuwe Waterweg tot – 16,30 NAP en de aanleg van een nieuwe zeesluis bij IJmuiden. Tevens is gerekend met de situatie dat het beregend landbouwareaal in 2050 twee maal zo groot zou zijn als tot nu toe is aangenomen.

De studie2 laat zien dat de drie bovengenoemde fysieke ingrepen leiden tot extra verziltingsdruk, maar dat het Deltaplan Zoetwater voldoende maatregelen bevat om bij uitvoering van deze drie ingrepen de zoetwatervoorziening aan het regionale watersysteem op het huidige niveau te houden. Daartoe zullen enkele zoetwatermaatregelen uit het adaptatiepad wel vaker of eerder moeten worden ingezet3. Een verdubbeling van het beregend landbouwareaal zou op lange termijn aandacht kunnen vragen, maar geeft zeker voor de komende jaren geen aanleiding tot aanpassing van het Deltaplan. Bij een zout Volkerak-Zoommeer is het nodig om maatregelen uit het Deltaplan eerder in te zetten. Hier is rekening mee gehouden bij de maatregelen van de Rijksstructuurvisie Grevelingen Volkerak-Zoommeer om bij een zout Volkerak-Zoommeer de zoetwatervoorziening in het omliggende gebied op orde te houden. In de tweede helft van deze eeuw zal bij extreme klimaatverandering in uitzonderlijke situaties de zoetwatervoorziening via het Brielse Meer langdurig onder het hoogwaardige niveau voor industrieel gebruik kunnen dalen. Door het zout maken van het Volkerak-Zoommeer zal deze situatie zich eerder voordoen. Het Deltaplan Zoetwater bevat maatregelen waarmee die beschikbaarheid van hoogwaardig zoetwater behouden kan blijven.

Met de stresstest heeft het Rijk gevolg gegeven aan de zorgen bij een aantal maatschappelijke organisaties over de robuustheid van het Deltaplan Zoetwater. De stresstest geeft geen aanleiding tot aanpassing van dit maatregelenpakket, hooguit tot het versneld uitvoeren van onderdelen. Samen met andere overheden en zoetwatergebruikers blijft het Rijk systeemkennis ontwikkelen en houdt het Rijk de vinger aan de pols om te bepalen wanneer welke maatregel het beste kan worden ingezet. Daarbij toetst het Rijk ook of initiatiefnemers van fysieke ingrepen voldoende maatregelen voorbereiden om verziltingseffecten te compenseren. De resultaten van de stresstest zal ik daar bij meewegen. Bij de besluitvorming over de volgende fase van het Deltaplan zoetwater, rond 2020, zullen actuele inzichten over klimaatontwikkeling en sociaaleconomische ontwikkelingen worden meegewogen.

Hieronder geef ik de nationale verdringingsreeks weer, zoals toegezegd in het WGO van 17 november 2014. Bij het huidige niveau van zoetwatervoorziening is onder normale omstandigheden voldoende zoetwater beschikbaar en kunnen in extreme situaties regionaal tekorten optreden. Het water wordt dan verdeeld volgens de prioritering van de nationale verdringingsreeks.

Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en bodembescherming Noordzee

In de Beleidsnota Noordzee en het KRM-Programma van maatregelen zijn bestaande, in voorbereiding zijnde en aanvullende maatregelen opgenomen om de goede milieutoestand te bereiken. Aanvullende maatregelen betreffen gebiedsbescherming op het Friese Front en de Centrale Oestergronden, het terugdringen van zwerfvuil op zee, mede door het uitvoeren van Green Deals, en het terugdringen van microplastics.

De doelstelling van gebiedsbescherming op grond van de KRM is te komen tot een samenhangend en representatief netwerk van beschermde gebieden (artikel 13.4 KRM). Het huidige beleid voor Natura 2000 draagt hier in belangrijke mate aan bij. Voor een aantal Natura2000-gebieden zijn maatregelen in voorbereiding of in uitvoering. De Staatssecretaris van Economische Zaken informeert u hierover. Aanvullend bereid ik samen met de Staatssecretaris maatregelen voor ter bescherming van de bodem van het Friese Front en de Centrale Oestergronden. De uitgangspunten hiervoor vindt u in de Beleidsnota Noordzee en het KRM-Programma van Maatregelen. Ik bereid die maatregelen voor in overleg met visserijorganisaties, vissers en natuurorganisaties. Mijn streven is om te komen tot een voorstel voor maatregelen dat kan rekenen op draagvlak bij de stakeholders. Ook dient te worden afgestemd met het visserijbelang van de buurlanden. Ik heb de Tweede Kamer reeds eerder toegezegd het voorstel eerst aan de Kamer voor te leggen alvorens aan de Europese Commissie toe te sturen. De Europese Commissie is uiteindelijk de instantie die visserijmaatregelen kan nemen in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid.

Op het gebied van het terugdringen van microplastics in het mariene milieu verkent de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu het draagvlak voor een gemeenschappelijke aanpak binnen Europa, waarbij Europese regelgeving een van de elementen is waarnaar gekeken moet worden. In dit verband was Nederland medeorganisator van een conferentie over microplastics die Oostenrijk heeft geïnitieerd. Aan het einde van dit jaar organiseert Nederland in samenwerking met OSPAR een tweede conferentie. Het doel is om tijdens het Nederlands voorzitterschap het terugdringen van de risico’s van microplastics in zee verder te brengen.

Adviescommissie Water: Innovatie in de Waterketen

In het Bestuursakkoord Water uit 2011 (hierna: BAW) is de uitdaging neergelegd om verhoging van de duurzaamheid te koppelen aan het verhogen van de doelmatigheid in de waterketen. Op het gebied van de financiële doelmatigheid in de waterketen is door de Visitatiecommissie Waterketen onder leiding van mevrouw Peijs in december 2014 geconcludeerd dat de afgesproken besparingsdoelen met enige extra inspanning door de sector haalbaar zijn.

In het BAW is eveneens afgesproken dat partijen ruimte creëren voor de ontwikkeling en verkenning van innovatieve oplossingen. De Adviescommissie Water (hierna: commissie) heeft op mijn verzoek de meest recente ontwikkelingen op het gebied van innovatie in de waterketen in kaart gebracht en doet aanbevelingen om het innovatieklimaat te verbeteren. Omdat in de waterketen veel partijen zijn betrokken, richt de commissie zich ook op deze partijen en doet de aanbeveling om hierover met elkaar in gesprek te gaan. Het advies van de commissie is als bijlage bijgevoegd4. De commissie doet de volgende aanbevelingen:

  • Nederland heeft een goed functionerend waterketensysteem dat tegen relatief lage kosten zeer hoge prestaties levert. Klimaatverandering, grondstofschaarste en het energievraagstuk zetten dit systeem onder druk. Daarnaast komen steeds meer initiatieven vanuit samenleving voor zelfvoorzienende en circulaire systemen. Er is volgens de commissie geen sprake van een acuut probleem, maar zij ziet wel urgentie om de waterketen verder te verduurzamen en betaalbaar te houden. Overheden moeten hier op anticiperen.

  • Er zijn nog weinig innovaties die over de grenzen van de eigen sector heen gaan. Er zijn interessante kansen voor «cross-overs» tussen waterketen en logistiek, gezondheid en energie. Dit leidt tot een meer hybride waterketensysteem. De commissie adviseert om nieuwe initiatieven de ruimte te geven en om een gezamenlijk toekomstbeeld op te stellen. Niet als blauwdruk, maar eerder als een set scenario’s. Dit inspireert en lokt initiatieven uit.

  • De commissie adviseert om belemmeringen weg te nemen. Dit kan door initiatieven onder te brengen in een experimenteerruimte. Onderzoek naar aanpassing van de BTW regelgeving moet met voorrang plaatsvinden, zodat bepaalde vormen van samenwerking aantrekkelijker worden gemaakt. Ook adviseert de commissie de mogelijkheden voor integrale financiering te onderzoeken.

  • Nederland moet worden neergezet als een «sustainable urban delta», waarin niet alleen onze deltatechnologie wordt geëtaleerd, maar ook aandacht is voor de watertechnologie.

  • Nieuwe afspraken over innovatie zouden moeten worden vastgelegd in een verlengd BAW.

De analyse en aanbevelingen van de commissie beschouw ik als een waardevolle ondersteuning én nieuwe impuls aan de richting die ik met de watersector in het BAW ben ingeslagen. De commissie constateert terecht dat er in de waterketen volop initiatieven plaatsvinden die inspelen op toekomstige ontwikkelingen en veranderende eisen vanuit de samenleving. Voorts vindt steeds meer samenwerking plaats tussen drinkwaterbedrijven en de afvalwaterketen. Ook dit leidt tot nieuwe ideeën en innovaties.

De constatering dat er kansen liggen voor samenwerking en innovaties met andere sectoren («cross-overs») vind ik zeer interessant, mede gezien de kansen die de commissie ziet voor duurzaamheid, doelmatigheid en export. Ik wil het innoverend vermogen in de watersector ook vanuit dat oogpunt graag faciliteren en bevorderen. Ten aanzien van de door de commissie genoemde belemmeringen voor innovatie en samenwerking zal ik, waar dat voor het Rijk mogelijk is, bijdragen aan een oplossing, bijvoorbeeld met behulp van de Crisis- en Herstelwet en het sluiten van Green Deals.

Het advies van de commissie om Nederland internationaal als «sustainable urban delta» te positioneren en daarbij meer nadruk te leggen op onze watertechnologie ondersteun ik van harte. Nederlandse zuiveringstechnieken op het gebied van zowel drinkwater als afvalwater kunnen in toenemende mate rekenen op belangstelling vanuit het buitenland. Vanzelfsprekend zet de watergezant zich hier ook voor in.

Ik zal met de BAW-partners bespreken hoe we de lopende activiteiten kunnen aanscherpen en aanvullen, en of andere financieringsvormen en een nieuw toekomstbeeld daarvoor noodzakelijk zijn. In combinatie met de ontwikkeling van de doelmatigheid, zal ik bezien wat dit betekent voor het BAW.

Saba

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ondersteunt Saba financieel met het op orde brengen van de drinkwatervoorziening. Hierbij is onderscheid gemaakt in de kwantiteit en de kwaliteit.

Betreffende de waterkwantiteit zijn samen met het eilandbestuur locaties gezocht voor de bouw van extra watertanks. In Windwardside wordt een watertank onder de nieuw aan te leggen parkeerplaats aangelegd die in de tweede helft van 2015 gereed is. Daarnaast wordt in Sint John’s de bestaande watertank vergroot. Deze is eind 2015 gereed. Verder wordt samen met Saba verkend of het mogelijk is een extra grote watertank op de luchthaven van Saba te bouwen.

De kwaliteit van het drinkwater op Saba voldoet niet altijd aan de gestelde drinkwatereisen. In nauwe samenwerking met Saba wordt onderzocht welke maatregelen haalbaar en betaalbaar zijn om de drinkwaterkwaliteit te verbeteren.

Wijziging besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

De regelgeving voor zwembaden en andere zogeheten badinrichtingen dateert uit 1984 en is sindsdien nauwelijks gewijzigd. Het Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden bevat tal van middelvoorschriften over bijvoorbeeld de benodigde pompcapaciteit, de frequentie van de filterspoeling en de hoeveelheid water die per zwemmer moet worden toegevoegd. Ook waren veel van de parameters voor de waterkwaliteit achterhaald. Daarom is de afgelopen tijd, samen met de betrokken belangenorganisaties, gewerkt aan een wijziging van het besluit.

Centraal in de nieuwe regelgeving staat een zorgplicht voor de exploitant om de gezondheid en veiligheid van zijn bezoekers te waarborgen. Hij geeft hieraan invulling door voor zijn badinrichting een risicoanalyse uit te voeren, te bedenken welke maatregelen hij neemt om de gevonden risico’s te beheersen en die maatregelen vervolgens uit te voeren.

Vergeleken met de huidige situatie krijgt de exploitant daarmee een grote vrijheid in de bedrijfsvoering, met kansen voor besparing op water, energie, chemicaliën en personeel, en mogelijkheden voor innovatie. Om te bewaken dat de genomen maatregelen het gewenste effect hebben, moet de exploitant het water (en in sommige gevallen ook de lucht) periodiek laten toetsen aan een geheel gemoderniseerde set van kwaliteitsparameters.

Het wijzigingsbesluit wordt op dit moment voorbereid met als doel op 1 januari 2016 in werking te treden.

Drinkwater als nationaal belang

Bij het overleg over Waterkwaliteit van juni 2014 heeft uw Kamer via de motie Jacobi en Van Veldhoven (Kamerstuk 27 625, nr. 319) verzocht de drinkwatervoorziening te benoemen als nationaal belang en dit te formaliseren in de Structuurvisie Ondergrond. In de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het plan MER voor de Structuurvisie Ondergrond, die ik op 9 februari 2015 aan uw Kamer heb aangeboden, komt dit nationaal belang tot uitdrukking. Tevens heeft de Kamer via de motie Smaling (Kamerstuk 27 625, nr. 321) verzocht om een juridische verankering van de bescherming van drinkwaterbronnen. Voor dit onderwerp verwijs ik naar de parlementaire behandeling van de Omgevingswet (Kamerstuk 33 962, nr. 23, blz. 152 en 157).

WATER EN DUURZAME ENERGIE

Inventarisatie energieneutrale waterschappen

De Ministeries van Economische Zaken, Infrastructuur en Milieu en de Unie van Waterschappen streven ernaar om in de tweede helft van 2015 een Green Deal af te sluiten over duurzame energie. De bestaande Green Deal «Energiefabrieken» zal in deze Green Deal worden opgenomen en worden verbreed naar de uitvoering van exemplarische projecten op het gebied van duurzame energie (zoals windenergie, zonne-energie, blue-energy).

Met de Green Deal wordt bijgedragen aan de doelen van het Energieakkoord. Hierin hebben de waterschappen zich ten doel gesteld 40% van hun energiebehoefte duurzaam op te wekken in 2020. Met de nieuwe af te sluiten Green Deal wordt eveneens invulling gegeven aan de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 34 000 J, nr. 19): er zal een inventarisatie worden uitgevoerd naar wat er nodig is om alle waterschappen in 2025 energieneutraal te laten zijn.

Waterkrachtcentrales

Op 24 juni 2014 is de motie Jacobi en Van Veldhoven (Kamerstuk 27 625, nr. 325) aangenomen inzake experimenten bij de waterkrachtcentrales van Linne en Lith om vissterfte te reduceren. Op 2 december 2014 heb ik de beleidsregel «watervergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren» vastgesteld. Deze beleidsregel schetst de randvoorwaarden die van toepassing zijn bij vergunningverlening en maakt het mogelijk om experimenten uit te voeren. Daarnaast zijn door Rijkswaterstaat gesprekken gevoerd met de sector (exploitanten en turbineleveranciers) over de toepassing van visvriendelijke technieken bij deze centrales. In opdracht van Rijkswaterstaat en Essent heeft de Technische Universiteit Eindhoven aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van verschillende visvriendelijke turbines. Op dit moment wordt in overleg met de exploitant van WKC Linne (Essent) overleg gevoerd over welke mogelijkheden het meest geschikt zijn gelet op kosten en effectiviteit.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
2

Het rapport is beschikbaar op www.rijksoverheid.nl/stresstest-zoetwatervoorziening

X Noot
3

De adaptatiepaden met deze maatregelen staan in hoofdstuk 3 van Deltaprogramma 2015.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl