33 605 IXB Jaarverslag en slotwet van het Ministerie van Financiën 2012

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN (IXB)

Aangeboden 15 mei 2013

Aandeel in ontvangsten IXB (x € 1.000)

Aandeel in ontvangsten IXB (x € 1.000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IXB (x € 1.000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IXB (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven IXB (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven IXB (x € 1.000)

Inhoudsopgave

   

blz.

     

A.

ALGEMEEN

7

     

1.

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

7

     

2.

LEESWIJZER

11

     

B.

BELEIDSVERSLAG

13

     

3.

BELEIDSPRIORITEITEN

13

3.1

Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de krediet- en schuldencrisis

13

3.2

Verantwoording beleidsprioriteiten

20

     

4.

BELEIDSARTIKELEN

31

4.1

Belastingen

31

4.2

Financiële Markten

48

4.3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

53

4.4

Internationale Financiële Betrekkingen

69

4.5

Exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties

75

4.6

BTW-compensatiefonds

80

4.7

Beheer Materiële Activa

84

     

5.

NIET BELEIDSARTIKELEN

89

5.1

Apparaat kerndepartement

89

5.2

Algemeen

91

5.3

Nominaal en onvoorzien

91

     

6.

BEDRIJFSVOERINGPARAGRAAF

92

     

C.

JAARREKENING

97

     

7.

VERANTWOORDINGSSTAAT

97

     

8.

SALDIBALANS

99

     

9.

BATEN-LASTENDIENSTEN

114

9.1

Domeinen Roerende Zaken

114

9.2

Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB)

123

     

D.

BIJLAGEN

130

 

BIJLAGE 1: Toezichtrelaties ZBO’s/RWT’s

130

 

BIJLAGE 2: Overzicht niet-financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen)

135

 

BIJLAGE 3: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

136

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris van Financiën en de minister van Wonen en Rijksdienst, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Financiën (IXB) over het jaar 2012 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2012 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. Het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. De ten behoeve dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. De financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. De betrokken saldibalans;

  • e. De totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. De in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. Het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012;

  • b. Het voorstel van de slotwet over 2012 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2012 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2012 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

De begrotingshoofdstukken IXA (Nationale Schuld) en IXB (Financiën) omvatten het beleidsterrein van het Ministerie van Financiën. In de jaarverslagen worden de gerealiseerde beleidsdoelen, instrumenten en ingezette middelen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2012 verantwoord.

Dit jaarverslag heeft betrekking op IXB. De focus ligt op beleidsmatige hoofdpunten. Waar relevant wordt verwezen naar Kamerstukken. Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

De IXB-beleidsartikelen (paragrafen 4.1 t/m 4.7) en niet-beleidsartikelen (paragrafen 5.1 t/m 5.3) zijn de volgende:

  • 4.1 Belastingen

  • 4.2 Financiële Markten

  • 4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4.4 Internationale Financiële Betrekkingen

  • 4.5 Exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties

  • 4.6 BTW-compensatiefonds

  • 4.7 Beheer Materiële Activa

  • 5.1 Apparaat Kerndepartement

  • 5.2 Algemeen

  • 5.3 Nominaal en Onvoorzien.

Tot en met 2011 was het BTW-compensatiefonds een zelfstandig begrotingsfonds, opgenomen in een aparte begrotingswet. Vanaf 2012 is dit begrotingsfonds geïntegreerd in de begroting van het Ministerie van Financiën (IX). Daar is het opgenomen als een afzonderlijk begrotingsartikel en in de saldibalans.

Opbouw van het jaarverslag

Na het deel Algemeen, aanbieding van het jaarverslag/dechargeverlening en leeswijzer, paragrafen 1 en 2, bestaat de kern van het jaarverslag uit het Beleidsverslag (paragrafen 3 t/m 6) en de Jaarrekening (paragrafen 7 t/m 9). Tot slot zijn 3 bijlagen opgenomen.

In paragraaf 3 wordt ingegaan op de kredietcrisis/Europese schuldencrisis en de beleidsprioriteiten uit de beleidsagenda van de ontwerpbegroting IXB over 2012.

Paragraaf 4 bevat de beleidsartikelen, bestaande uit 2 paragrafen:

  • De beleidsdoelstelling. In de beleidsmatige (niet-financiële) toelichting wordt, waar relevant, nader ingegaan op de belangrijkste beleidsresultaten en op opmerkelijke verschillen ten opzichte van de ontwerpbegroting;

  • Budgettaire gevolgen van beleid en een financiële toelichting, waarin opmerkelijke verschillen tussen ontwerpbegroting en realisatie worden toegelicht. Dit betreft de toelichting op de verantwoordingsstaat uit de jaarrekening.

In paragraaf 5 komen de niet-beleidsartikelen aan bod. Paragraaf 6 is de bedrijfsvoeringsparagraaf. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt verslag gedaan van de opmerkelijke zaken in de bedrijfsvoering, mede gebaseerd op een risico-analyse. De bedrijfsvoeringsparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage, echter alle onderdelen worden verplicht vermeld, ook wanneer zich geen noemenswaardige bevindingen hebben voorgedaan.

De Jaarrekening bestaat uit paragraaf 7 verantwoordingsstaten IXB, Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB), paragraaf 8 saldibalans en paragraaf 9 baten-lastendienst DRZ en RVOB. Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot het rijksvastgoed. Hierbij is de Minister van Wonen en Rijksdienst belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB.

Bijlage 1 bevat een overzicht van zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) waarvoor Financiën beleidsmatig verantwoordelijk is. In bijlage 2 staat informatie betreffende de externe inhuur. Bijlage 3 bevat afgerond evaluatie- en overig onderzoek.

Het beleidsverslag bevat financiële en niet-financiële gegevens. Deze zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig.

Vanwege tussentijdse afrondingen op gehele duizenden, miljoenen of miljarden euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

In de toelichting bij de budgettaire tabel wordt op bondige wijze ingegaan op opmerkelijke verschillen tussen de ontwerpbegroting en de realisatie in het verslagjaar. Hierbij worden de volgende grensbedragen aangehouden:

  • Uitgaven en niet-belastingontvangsten:

    > 5% van het bedrag van de ontwerpbegroting en > € 2,5 mln.

  • Belastingontvangsten:

    > 5% van bedrag ontwerpbegroting en > € 25 mln.

Als het beleidsmatig wenselijk is, wordt zo nodig ook beneden deze norm een toelichting gegeven.

Verder worden de belangrijke posten in de saldibalans toegelicht.

Groeiparagraaf:

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten»1. De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

De begroting 2012 was het eerste jaar waarin de begroting van het ministerie van Financiën volgens de systematiek van Verantwoord Begroten is opgesteld. Dit jaarverslag is derhalve ook vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten.

Door de nieuwe indeling kunnen in sommige tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2011 en eerder.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

In dit beleidsverslag wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die door het ministerie van Financiën zijn genomen bij het bestrijden van de kredietcrisis, de Europese schuldencrisis en het bewaken van de stabiliteit op de financiële markten. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de voortgang en ontwikkelingen ten aanzien van deze maatregelen. Tevens wordt ingegaan op de beleidsprioriteiten van de ontwerpbegroting van het ministerie van Financiën voor 2012. In paragraaf 3.2 is een tabel met toelichting opgenomen met daarin per beleidsprioriteit informatie over hoofddoelstelling en prestaties.

3.1 Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de krediet- en schuldencrisis

Inleiding

Als gevolg van de kredietcrisis en de daarop volgende Europese schuldencrisis zijn door de Minister van Financiën diverse maatregelen getroffen om de financiële stabiliteit binnen en buiten Nederland te borgen. Deze maatregelen hebben hun weerslag gevonden in verschillende beleidsartikelen van de begrotingen van het ministerie van Financiën. In de tabel hieronder wordt een totaalbeeld gegeven van de verschillende maatregelen, de budgettaire consequenties en de vindplaatsen er van in de jaarverslagen. Tevens wordt hierbij ten aanzien van het jaar 2012 ingegaan op de ontwikkelingen en de mate van doelbereiking met betrekking tot deze maatregelen.

In aanvulling hierop wordt in het Financieel Jaarverslag van het Rijk een rijksbreed overzicht van de maatregelen opgenomen.

Tabel 1: De budgettaire gevolgen van de kredietcrisis (x € mln.)
 

In € mln.1

2008–20102

2011

2012

Bron:

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

       

1

ABN AMRO Group N.V.

27.971

27.971

27.9553

Saldibalans

2

Overbruggingskredieten Fortis

44.341

   

IXA, art. 1

3

Aflossingen overbruggingskredieten Fortis

– 39.766

– 825

0

IXA, art. 1

4

Stand overbruggingskredieten Fortis (2–3)

4.575

3.750

3.750

Saldibalans

5

Renteontvangst overbruggingskredieten Fortis

– 1.374

– 169

– 152

IXA, art. 1

6

Dividend ABN AMRO Group

0

– 200

– 50

IXA, art. 3

7

Dividend ASR

0

0

– 71

IXA, art. 3

8

Dividend en repatriëring kapitaal RFS

– 6

– 16

0

IXA, art. 3

           

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

       

9

Premieontvangsten uit CRI

– 193

   

IXB, art. 3

10

Stand openstaande garanties

32.611

0

 

Saldibalans

           

Mandatory Convertible Notes ABN-AMRO (MCN)

       

11

Rente-ontvangsten uit MCN’s

– 103

   

IXB, art. 3

           

Counter Indemnity ABN-AMRO (garantie)

       

12

Garantieverlening (geëffectueerd)

950

   

IXB, art. 3

13

Stand openstaande garanties (12)

950

950

950

Saldibalans

14

Premie-ontvangsten uit garantie

– 26

– 26

– 26

IXB, art. 3

Δ Staatsschuld 2012 (nr. 2+3+5+6+7+8+9+11+14)

30.844

– 1.236

– 299

 
         

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

       

15

Verstrekt kapitaal ING

10.000

   

IXB, art. 3

16

Verstrekt kapitaal Aegon

3.000

   

IXB, art. 3

17

Verstrekt kapitaal SNS Reaal

750

   

IXB, art. 3

18

Aflossing ING

– 5.000

– 2.000

– 750

IXB, art. 3

19

Aflossing Aegon

– 1.500

– 1.500

 

IXB, art. 3

20

Aflossing SNS Reaal

– 185

   

IXB, art. 3

21

Stand uitstaand kapitaal ING

5.000

3.000

2.250

Saldibalans

22

Stand uitstaand kapitaal Aegon

1.500

0

 

Saldibalans

23

Stand uitstaand kapitaal SNS Reaal

565

565

0

Saldibalans

24

Couponrente ING

– 684

 

– 34

IXB, art. 3

25

Couponrente Aegon

– 177

   

IXB, art. 3

26

Couponrente SNS Reaal

– 39

   

IXB, art. 3

27

Repurchase fee ING

– 347

– 1.000

– 341

IXB, art. 3

28

Repurchase fee Aegon

– 160

– 750

 

IXB, art. 3

29

Repurchase fee SNS Reaal

0

   

IXB, art. 3

Δ Staatsschuld 2012 (nr.15 t/m 20 + 24 t/m 29)

5.659

– 5.250

– 1.125

 
         

C. Back-up faciliteit ING, EUR/USD wisselkoers

 

1,29

1,32

 

30

Funding fee (rente + aflossing)

8.248

3.242

2.644

IXB, art. 3

31

Management fee

106

39

33

IXB, art. 3

32

Portefeuille ontvangsten (rente + aflossing)

– 7.877

– 3.012

– 2.434

IXB, art. 3

33

Garantiefee

– 232

– 85

– 73

IXB, art. 3

34

Additionele garantiefee

– 154

– 128

– 110

IXB, art. 3

35

Additionele fee

– 91

– 55

– 46

IXB, art. 3

36

Verhandelbaarheidsfee

   

– 15

IXB, art. 3

Saldo Back-up faciliteit (nr. 30 t/m nr. 36)

0

0

0

 

37

Meerjarenverplichting aan ING

13.084

10.264

7.655

Saldibalans

38

Alt-A portefeuille

16.376

13.934

11.140

Saldibalans

         

D1. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

       

39

Garantieverlening (geëffectueerd)

50.275

   

IXB, art. 2

40

Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitgaven)

– 11.277

– 5.823

– 15.933

IXB, art. 2

41

Premieontvangsten op basis van garanties bancaire leningen

– 523

– 366

– 230

IXB, art. 2

42

Terugbetaling openstaande fees

 

5

0

IXB, art. 2

43

Stand openstaande fees (nr. 39 – 40)

 

33.175

17.242

Saldibalans

44

Schade-uitkeringen

0

0

0

IXB, art. 2

           

D2. Stabiliteitsmechanisme

       

45

Garantieverlening NL-aandeel EU-begroting

2.946

– 120

6

IXB, art. 4

46

Stand openstaande garanties (nr. 45)

2.946

2.826

2.832

Saldibalans

47

Garantieverlening NL-aandeel EFSF

25.872

71.910

 

IXB, art. 4

48

Stand openstaande garanties (nr.47)

25.872

97.782

97.782

Saldibalans

49

Deelneming SPV (EFSF)

1

1

 

IXB, art. 4

50

Stand deelneming SPV (EFSF) (nr. 49)

1

2

2

Saldibalans

51

Garantieverlening NL-aandeel ESM

   

35.445

IXB, art. 4

52

Stand openstaande garanties (nr. 51)

   

35.445

Saldibalans

53

Deelneming ESM

   

1.829

IXB, art. 4

54

Stand deelneming ESM

   

1.829

Saldibalans

           

D3. Garantie DNB

       

55

Garantie DNB i.v.m. IMF

 

13.610

 

IXB, art. 4

56

Stand openstaande garanties (nr. 55)

 

13.610

13.610

Saldibalans

Δ Staatsschuld 2012 (nr. 41+42+44+53)

– 522

– 360

1.599

 
           

E1. IJsland

       

57

Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave

1.428

   

IXB, art. 2

58

Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB

7

   

IXB, art. 2

59

Vordering op IJslandse DGS

1.329

1.012

770

Saldibalans

60

Opgebouwde rente op vordering

115

93

119

Saldibalans

61

Correctie n.a.v. nieuw voorgestelde overeenkomst

– 64

   

Saldibalans

62

Ontvangsten lening IJsland (i.) aflossing

0

– 443

– 291

IXB, art. 2

63

Ontvangsten lening IJsland (ii.) rente

0

0

0

IXB, art. 2

           

E2. Griekenland

       

64

Lening Griekenland

1.248

1.946

5

IXB, art. 4

65

Vordering Griekenland

1.248

3.194

3.198

Saldibalans

66

Ontvangsten lening Griekenland (i.) aflossing

0

0

0

IXB, art. 4

67

Ontvangsten lening Griekenland (ii.) rente & servicefee

– 30

– 115

– 41

IXB, art. 4

68

Uitkering rente aan Griekenland

   

13

IXB, art. 4

Δ Staatsschuld 2012 (nr. 57+58+62+63+64+66+67+68)

2.653

1.388

– 314

 
           

F. Overige gevolgen

       

69

Uitvoeringskosten en inhuur externen

62

3

1

IXB, art. 3

70

Terug te vorderen uitvoeringskosten inhuur externen

3

0

0

Saldibalans

71

Ontvangen uitvoeringskosten externen

– 19

– 5

– 0,5

IXB, art. 3

Δ Staatsschuld

 

– 5.458

– 138

 

Staatsschuld cumulatief voor renteberekening

38.634

33.176

33.038

 

Berekende rente over gemiddelde staatsschuld4

 

1.280

1.160

 
X Noot
1

Vanwege tussentijdse afronding op gehele miljoenen euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

Bij de artikelen is de stand van 2008 t/m 2010 opgenomen. Bij de saldibalansposten de stand ultimo 2010.

X Noot
3

Betreft de betaling van 16 mln. door RFS Holding aan de Staat (zie ook nr. 8) welke samenhangt met de afspraken die zijn vastgelegd in de restated CSA, waarin is opgenomen dat het surplus aan kapitaal de aandeelhouders toekomt.

X Noot
4

Door de integrale benadering van schuldmanagement – dat wil zeggen: de financieringsbehoefte van de Staat wordt in haar totaliteit gedekt, ongeacht herkomst van financiering – is het in principe niet mogelijk het totaal aan gerealiseerde rentelasten exact uit te splitsen naar «reguliere» rentelasten als gevolg van de kredietcrisis. De rentelasten als gevolg van de toename van de staatsschuld door de getroffen maatregelen zijn benaderd door het gemiddelde aandeel van de crisismaatregelen in de totale gemiddelde staatsschuld over 2012 (conform EMU-definitie) te vermenigvuldigen met de totale rente op staatsschuld in 2012. Deze methode is enigszins grof maar geeft een indicatie van de gemiddeld toerekenbare rentelasten. De meerjarenverplichting van de Staat aan ING wordt niet in deze berekening meegenomen, omdat de rente op deze meerjarenverplichting via de funding fee direct aan ING wordt bepaald (zie begrotingshoofdstuk IXB, artikel 3). Tegenover deze rentelasten staan ook renteontvangsten (zie tabel).

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

ABN AMRO heeft in 2012 een interimdividend uitgekeerd van € 50 mln. ASR heeft over 2011 een dividend uitgekeerd van € 71 mln., dat in 2012 is betaald.

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (20 mld.)

De Staat en ING hebben met de Europese Commissie een akkoord bereikt over de herstructureringsmaatregelen die ING moet uitvoeren en de terugbetaling van de nog uitstaande core tier 1 securities ter waarde van € 3 mld. ING zal deze core tier 1 securities aflossen door een betaling van in totaal € 4,5 mld. verspreid over de periode 2012–2015, in tranches van € 1,125 mld. per jaar. De betaling van de eerste tranche heeft op 26 november 2012 plaatsgevonden.

In het kader van de onteigening van SNS Reaal N.V. (februari 2013) zijn de in bezit zijnde core tier 1 securities, met een aanschafwaarde waarde van € 565 mln. gewaardeerd op nul.2

C. Back-up faciliteit ING

In 2009 is de Staat een Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) overeengekomen met ING. Als gevolg daarvan is er voor de Staat een meerjarenbetalingsverplichting aan ING ontstaan. De saldibalans vermeldt de resterende meerjarenbetalingsverplichting uit hoofde van de IABF. De verplichting is verder gedaald in 2012. De meerjarenverplichting ultimo 2012 (€ 7,7 mld.) bestaat uit de gegarandeerde waarde ultimo 2012 (€ 7,5 mld.) plus een verplichting van de Staat aan ING die begin 2013 is voldaan, maar betrekking heeft op december 2012 (€ 0,2 mld.). De meerjarenverplichting luidt in US dollars en is omgerekend naar euro met de ECB referentie koers per ultimo jaar. Op de saldibalans staat tevens de omvang van de Alt-A portefeuille waaruit de Staat kasstromen ontvangt. Het vermelde bedrag per ultimo 2012 is € 11,1 mld.

D1. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

De garantieregeling interbancaire leningen is in 2008 in het leven geroepen om de financiering van financiële instellingen op gang te brengen, zodat de kredietverlening aan bedrijven en particulieren wordt gewaarborgd. Door een gebrekkig functioneren van de kapitaalmarkt voor middellange termijn financiering konden bij financiële instellingen liquiditeitsproblemen ontstaan, waardoor ook fundamenteel gezonde instellingen zichzelf moeilijk konden financieren. De garantieregeling moet daarbij in samenhang worden gezien met andere maatregelen ter bescherming van de financiële sector. Vanaf 23 oktober 2008, de ingangsdatum van de garantieregeling, tot het einde van 2009 is in totaal € 50,3 mld. aan garanties geëffectueerd. De garantieregeling is op 31 december

2010 afgelopen en is aangevangen met de exit strategie van de garantieregeling. Als onderdeel van de exit strategie is door het Ministerie van Financiën op de website www.dsta.nl van het agentschap derhalve voor de banken die gegarandeerde leningen hebben de mogelijkheid aangeboden om deze leningen terug te kopen uit de kapitaalmarkt teneinde staatsgegarandeerd schuldpapier om te zetten in reguliere financiering. Per ultimo 2012 is de openstaande garantieverplichting teruggelopen tot € 17,2 mld.

D2. Stabiliteitsmechanisme

Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone heeft de Eurogroep op 30 maart 2012 besloten om de gezamenlijke leencapaciteit van het EFSF en het ESM op te hogen (zogenaamde firewall3). De gezamenlijke leencapaciteit van het EFSF en het ESM is € 700 mld., in plaats van € 500 mld. Dit gecombineerd met het eerder aangegane programma uit het EFSM van € 49 mld. en de bilaterale leningen aan Griekenland van € 53 mld. is een Europese firewall beschikbaar van circa € 800 mld.

In 2012 zijn er geen nieuwe bilaterale leningen onder de Greek Loan Facility (GLF) meer verstrekt. In juli 2011 was reeds besloten om de nog niet uitgekeerde leningen uit de Greek Loan Facility over te hevelen naar het EFSF. Er heeft begin 2012 consolidatie plaatsgevonden van de zes verstrekte bilaterale leningen tot één lening van € 52,9 mld. Het totale Nederlandse aandeel in de GLF is € 3,2 mld.

In december 2010 is reeds besloten tot oprichting van een permanent stabiliteitsmechanisme, het Europese Stabilisatie Mechanisme (ESM). In maart 2012 heeft de Eurogroep afgesproken dat het ESM sneller zal worden opgebouwd. Dit betekent dat het gestorte kapitaal wordt opgebouwd in drie jaar in plaats van vijf. In 2012 hebben de lidstaten van de eurozone de ratificatie van het ESM-Verdrag voltooid en op 8 oktober 2012 is het ESM-Verdrag en daarmee het permanente noodfonds in werking getreden. Het ESM heeft een maximale leencapaciteit van € 500 mld. en bestaat voor € 80 mld. uit volgestort kapitaal en € 6204 mld. uit oproepbaar kapitaal. Het Nederlandse aandeel in het ESM is circa 5,7%. Sinds de inwerkingtreding van het ESM, is het ESM het voornaamste noodfonds. De tijdelijke noodfondsen, EFSF en het EFSM zullen vanaf juli 2013 geen nieuwe leningen meer verstrekken. Het EFSF en EFSM zullen wel na juli 2013 blijven bestaan, namelijk totdat de laatste leningen zijn afgelost.

In juni hebben de regeringleiders op de Eurozone Top besloten dat zodra het Europees toezichtmechanisme effectief is, in onderlinge overeenstemming kan worden besloten het ESM de mogelijkheid te geven banken direct te herkapitaliseren (zie verslag Europese Raad en Eurozone Top 28–29 juni 2012)5.

Steun aan lidstaten exclusief Griekenland

In juni 2012 heeft Spanje een aanvraag gedaan voor steun van het EFSF/ESM voor bankenherstructurering en herkapitalisatie. Tijdens de Eurozone Top van 29 juni 2012 is overeengekomen dat de steun aan de Spaanse banken verstrekt zal worden door het EFSF, totdat het ESM in werking is getreden. Voor het programma is maximaal € 100 mld. beschikbaar gesteld. Eind november 2012 is het steunprogramma ten behoeve van de Spaanse bankensector overgeheveld van het EFSF naar het ESM en in december 2012 is de eerste tranche uit het ESM van € 39,5 mld. uitgekeerd aan Spanje.

Cyprus heeft in juni 2012 een aanvraag gedaan voor financiële steun bij de voorzitter van de Eurogroep. Sindsdien zijn er verschillende missies van de Trojka (IMF, ECB, Europese Commissie) naar Cyprus geweest om de stand van zaken op te nemen. Op 25 maart 2013 is er een akkoord gesloten over het leningenprogramma.

Onderstaand een overzicht van de stand van de uitgekeerde leningen door het EFSF, EFSM, ESM en het IMF aan Ierland, Portugal, Griekenland en Spanje eind 2012.

Tabel: Overzicht uitgekeerde leningen1 (x € mld.)

Griekenland 1

Totaal leningen

Uitgekeerd eind 2012

Bilaterale leningen

52,9

52,9

IMF

20,1

20,1

Ierland

Totaal leningen

Uitgekeerd eind 2012

EFSF

17,7

12

EFSM

22,5

21,7

IMF

22,5

19,4

Bilaterale leningen VK, DK, ZW

4,7

2,2

Portugal

Totaal leningen

Uitgekeerd eind 2012

EFSF

26

18,2

EFSM

26

22,1

IMF

26

21,1

Griekenland 2

Totaal leningen

Uitgekeerd eind 2012

EFSF

144,6

108,2

IMF

28

1,6

Spanje

Totaal leningen

Uitgekeerd eind 2012

ESM

100

39,5

X Noot
1

De hoogte van het verwachte totaal aan uitgekeerde leningen van het IMF kan door wisselkoersverschillen veranderen

E1. IJsland

In 2008 is de Landsbanki failliet verklaard. Aansluitend op het faillissement van Landsbanki stelde de Nederlandse Staat rekeninghouders van Icesave destijds schadeloos. Hierbij werden tegoeden die onder het IJslandse DGS vallen, ofwel de eerste tranche tot aan € 20.887 door de Nederlandse Staat voorgeschoten. Daarnaast werd ook het eigen risico op de tweede tranche (10%) en de verhoging van het Nederlandse DGS tot aan € 100.000 («de topping up») uitgekeerd. In totaal keerde de Staat rekeninghouders een bedrag uit van € 1.428 mln.. Na de ontvangst vanuit de Landsbanki-boedel bedraagt de vordering op IJsland nog € 770 mln.

E2. Griekenland

Tijdens de Eurogroep van 12 maart 2012 hebben de ministers van Financiën, de Europese Commissie, de ECB en het IMF een akkoord bereikt over het nieuwe leningenprogramma aan Griekenland (zie Kamerbrief Nieuwe leningenprogramma Griekenland)6. Het nieuwe leningenprogramma bestaat uit leningen van het IMF en het EFSF. Het EFSF zal in de programmaperiode 2012–2014 circa € 145 mld. bijdragen, dit is inclusief het overgehevelde deel van het bilaterale leningenprogramma van de euro-lidstaten (GLF). Het IMF draagt binnen de programmaperiode 2012–2014 circa € 19,8 mld. bij aan de financieringsbehoefte en circa € 8 mld. daarna. Ook is in maart door de Eurogroep overeenstemming bereikt om de rente die Griekenland betaalt op de bilaterale leningen (GLF) te verlagen met 50 basispunten. De politieke impasse als gevolg van de twee verkiezingen in het voorjaar van 2012 hebben gezorgd voor een vertraging in de implementatie van de voorwaarden uit het nieuwe leningenprogramma. Dit in combinatie met de verslechterende economische ontwikkelingen heeft er toe geleid dat zowel de schuldhoudbaarheid uit zicht was en er een financieringsgat in de programmaperiode was ontstaan.

In december 2012 heeft de Eurogroep vervolgens overeenstemming bereikt over een pakket aan maatregelen voor Griekenland waarmee het financieringsgat gedicht en de schuldhoudbaarheid hersteld wordt. In dit akkoord wordt van alle betrokken partijen een bijdrage gevraagd om de schuldhoudbaarheid te herstellen (zie verslag Ecofin Raad en Eurogroep 12–13 december7 en verslag Eurogroep 26 november8). Griekenland is met een omvangrijk pakket aan consolidatiemaatregelen en structurele hervormingen gekomen en zal aan doelstellingen moeten voldoen. Vervolgens is er opnieuw een bijdrage gevraagd aan de private sector middels een zogenaamde schuldterugkoop. Ook zien de lidstaten van de eurozone af van een deel van de voordelen voor de lidstaten van het Griekse leningenpakket. De Eurogroep is overeengekomen dat Griekenland de rentebetalingen aan het EFSF uitstelt met 10 jaar, dat het EFSF de guarantee fee niet meer in rekening brengt aan Griekenland, een verdere renteverlaging op de bilaterale leningen onder de Greek Loan Facility van 100 basispunten en zijn de looptijden van deze bilaterale leningen en van de EFSF-leningen verlengd met 15 jaar. Tenslotte heeft de Eurogroep besloten dat de lidstaten van de eurozone de inkomsten uit de Griekse staatsobligaties die voortvloeien uit het Securities Market Programme van de ECB vanaf budgetjaar 2013 door zullen geven aan Griekenland. Het verlagen van de rentemarge op de bilaterale leningen aan Griekenland (GLF) en het doorgeven van de SMP-inkomsten aan Griekenland hebben gevolgen voor de Nederlandse begroting. De renteverlaging op de EFSF-leningen (afschaffen guarantee fee), het uitstellen van de rentebetalingen aan het EFSF en het verlengen van de looptijden van de bilaterale leningen en de EFSF-leningen hebben geen direct effect op de Nederlandse begroting. Wel betekent het verlengen van de looptijden van de EFSF-leningen dat lidstaten langer garant staan voor de leningen aan Griekenland.

3.2 Verantwoording beleidsprioriteiten

In de ontwerpbegroting IXB 2012 zijn de beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van het ministerie van Financiën voor 2012 gepresenteerd. In deze paragraaf is een tabel met toelichting opgenomen met daarin de prestaties die in 2012 zijn behaald.

Tabel beleidsprioriteiten
 

Beleidsprioriteit

Hoofddoelstelling

Prestaties in 2012

Hoofddoelstelling behaald

 

IXB

     

1

Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Het terugdringen van het overheidstekort en de overheidsschuld. Handhaven van de begrotingsregels

Het tekort is ten opzichte van 2011 verbeterd; de schuld is daarentegen ten opzichte van 2011 verder verslechterd. De begrotingsregels zijn gehandhaafd.

Deels

2

Sobere en effectieve EU-begroting

Begroting waarbij de afdrachten evenwichtiger en transparanter worden verdeeld.

Een beperkte stijging van de begroting mede dankzij de Nederlandse inzet.

Grotendeels

3

Centralisatie auditdiensten: op weg naar één auditdienst voor het Rijk

Eén effectieve en efficiënte Auditdienst.

Alle beoogde departementen die zouden aansluiten, zijn ook aangesloten.

Ja

4

Re-regulering van de financiële sector

Maatregelen die bevorderen dat activiteiten van financiële instellingen zich richten op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven.

Mede met het oog op de hoofddoelstelling is het Actieplan financiële sector opgesteld en naar de Kamer gestuurd. Deze is gerealiseerd, met uitzondering van MiFID (Markets in Financial Instruments Directive) waarover in Europa nog wordt onderhandeld (zie toelichting).

Grotendeels

5

Financieel beheer interventies financiële sector

Substantiële reductie van de belangen in de financiële sector waarbij gestreefd wordt naar het volledig terug verdienen van de publieke middelen.

Bij de meeste belangen is in 2012 voortgang geboekt met een verantwoorde exit. Belangrijke uitzondering betreft SNS.

Deels

6

Herstellen en bewaken stabiliteit eurozone

De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. versterkt Stabiliteits- en Groeipact).

In 2012 zijn de onderhandelingen voor het «two pack» in ver gevorderd stadium en de Nederlandse inzet voor de van Rompuy werkgroep is geformuleerd. Als sluitstuk van versterkte economische beleidscoördinatie in de Eurozone, kunnen de Europese noodmechanismen financiële steun verstrekken aan landen in nood onder strikte beleidscondities, in samenwerking met het IMF.

Deels

7

Fiscale Agenda

Een eenvoudiger, meer solide en fraudebestendiger belastingstelsel en tegelijkertijd het terugdringen van de administratieve lasten.

Een groot deel van de doelstellingen uit de Fiscale Agenda is inmiddels gerealiseerd.

De Fiscale Agenda blijft waar mogelijk leidraad voor toekomstig beleid. Zodra daartoe de mogelijkheid bestaat zal de realisering van deze doelstellingen (opnieuw) worden opgepakt.

Grotendeels

8

Digitale dienstverlening

Digitalisering is vanuit een oogpunt van eigentijdse en klantgerichte dienstverlening als van uit efficiency een speerpunt in het beleid.

Zichtbare ontwikkelingen zijn de Vooraf Ingevulde Aangifte (VIA) en de Versnelling Definitieve Aanslag (VDA). Andere ontwikkelingen zijn nog in de proeffase.

Ja

9

Fraudebestrijding

Belastingplichtigen moeten er op kunnen vertrouwen dat de overheid al het mogelijke doet iedereen aan zijn fiscale verplichtingen te laten voldoen

Resultaten zijn geboekt bij de aanpak van systeemfraude, onbekend buitenlands vermogen en carrouselfraude.

Ja

10

Verantwoord begroten

Een begrotingspresentatie die inzichtelijk maakt op welke resultaten een minister nu daadwerkelijk is aan te spreken en hoe het geld daartoe wordt ingezet.

Voor een deel zijn de begrotingstukken in 2012 overgegaan op Verantwoord Begroten. In 2013 wordt de invoering ervan afgerond.

Ja

Toelichting beleidsprioriteiten IXB

1. Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Het lichte herstel van de Nederlandse economie in 2010 en 2011 heeft zich afgelopen jaar niet doorgezet. In 2012 werd Nederland voor een derde keer in korte tijd geconfronteerd met economische krimp. Dit heeft een fikse weerslag op de overheidsfinanciën. Ten opzichte van 2011 is het EMU-saldo in 2012 weliswaar (licht) verbeterd, maar het EMU-saldo is met – 4,1 procent bbp in 2012 wel aanzienlijk achtergebleven bij het verwachte EMU-saldo van – 2,9 procent bbp ten tijde van de Miljoenennota 2012. De EMU-schuld is in 2012 uitgekomen op 71,2 procent bbp, dus ook de schuld is ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2012 (65 procent bbp) behoorlijk verslechterd.

Beleidsmatige conclusie

Het jaar 2012 werd gekenmerkt door een kabinetswisseling. De verslechtering van de Nederlandse economie heeft eraan bijgedragen dat de door het kabinet gestelde budgettaire doelstellingen slechts deels zijn gehaald. De budgettaire kaders zijn gehandhaafd, maar het is niet gelukt om reeds in 2012 een tekort te realiseren dat voldoet aan de eisen uit het Stabiliteit- en Groeipact. Daarentegen wordt het houdbaarheidstekort sterk geredresseerd door de maatregelen waartoe in 2012 is besloten in zowel het begrotings- als het regeerakkoord.

2. Sobere en effectieve EU-begroting

De minister van Financiën heeft zich in 2012 ingezet voor een sobere en effectieve EU-begroting. Mede dankzij de inspanningen van de minister van Financiën is de oorspronkelijke EU-begroting 2012 bevroren met slechts een beperkte inflatiecorrectie (+1,9%). Deze inzet heeft niet kunnen voorkomen dat de Europese Raad in 2012 alsnog een forse aanvullende begroting heeft aangenomen. Alleen Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden stemden tegen. De minister van Financiën heeft eveneens actief tegen een sterke stijging van de begroting 2013 gepleit. De Europese Commissie wilde deze laten stijgen met 6,9% ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 2012. Mede dankzij de inspanningen van de minister van Financiën is dit percentage fors naar beneden gebracht, naar +2,9%. Dit bleef nog onvoldoende voor de minister van Financiën om te kunnen instemmen. Tezamen met de minister president en de minister van Buitenlandse Zaken, heeft de minister van Financiën zich in 2012 ook ingezet voor een voor Nederland gunstige afronding van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader, te weten een substantiële vermindering van de afdrachten en een moderne begroting. De onderhandelingen hebben in 2012 niet tot een akkoord geleid. De gezamenlijke inzet van de minister president, de minister van Financiën en de minister van Buitenlandse Zaken heeft wel een goede basis gecreëerd voor een voor Nederland gunstige afronding in 2013. Tijdens de Europese Raad van 7/8 februari jl. is dankzij deze inzet dan ook alsnog een akkoord bereikt. Nederland heeft daarin wederom een korting op de afdrachten weten te bedingen van ruim € 1 mld. Ook hebben de budgetten voor onderzoek en innovatie aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid. Voor een compleet overzicht van de resultaten wordt verwezen naar de Kamerbrieven.

Beleidsmatige conclusie

Mede dankzij de gedane inspanningen is de groei van de EU-begroting 2012 en 2013 binnen de perken gebleven en is een goede basis gecreëerd voor een sobere en effectieve EU-begroting voor de jaren 2014–2020.

3. Centralisatie auditdiensten: Op weg naar één auditdienst voor het Rijk

Met de start op 1 mei 2012 van de Auditdienst Rijk (ADR) is de verdere centralisatie van de auditfunctie een feit. De ADR heeft de krachten gebundeld van de auditdiensten van de ministeries van Buitenlandse Zaken, EL&I9, I&M, OCW, SZW en de Rijksauditdienst (Financiën). In de loop van 2013 gaan ook de auditdiensten van het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Defensie over naar de ADR.

Beleidsmatige conclusie

Door centralisatie van de auditfunctie kunnen de ministeries op een efficiëntere wijze worden gecontroleerd en wordt een bijdrage geleverd aan een kleinere en efficiëntere rijksdienst.

4. Re-regulering van de financiële sector

Activiteiten van financiële instellingen dienen zich te richten op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven. Mede met het oog daarop is in 2011 het Actieplan financiële sector opgesteld en naar de Kamer gestuurd10. Het Actieplan financiële sector behelst voor een belangrijk deel de uitvoering van aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Onderzoek Financieel Stelsel (TCOFS) van de Tweede Kamer. In 2012 is tweemaal gerapporteerd over de voortgang van de verschillende acties van het Actieplan en de aanbevelingen van de TCOFS11.

Het afgelopen jaar zijn de volgende resultaten geboekt met betrekking tot het Actieplan financiële sector (waarbij telkens de nummering van het Actieplan is weergegeven):

  • Met het oog op versterking van het toezicht is op 25 mei 2012 de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen in werking getreden (Stb. 2012, 241) waardoor het interventie-instrumentarium ten behoeve van banken in serieuze problemen voor DNB en de Minister van Financiën is verbeterd (nr. 1).

  • De invoering van de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM en bonusverbod staatsgesteunde ondernemingen met ingang van 1 juli 2012 (Stb. 2012, 265 en 289) moet ervoor zorgen dat de toezichthouders snel en doortastend kunnen reageren op plotselinge situaties op de financiële markten (nr. 5).

  • De Wet bankenbelasting is op 1 oktober 2012 in werking getreden (nr. 3).

  • Het conceptbesluit voor het depositogarantiefonds is voorgehangen bij de Tweede Kamer en behandeld (nr. 2).

  • Ten behoeve van het borgen van goed gedrag en een goede cultuur waarbij de klant centraal staat binnen financiële instellingen is in 2012 een wet tot stand gebracht op grond waarvan de verplichting tot het afleggen van een eed of belofte wordt ingevoerd voor personen bij financiële ondernemingen (nr. 4).

  • Daarnaast is door middel van de Wet tot introductie van de geschiktheidseis voor commissarissen de deskundigheidseis vervangen door een (ruimere) geschiktheidseis en is de doelgroep die onder de geschiktheidstoets valt verbreed (nr. 7).

  • Ten behoeve van een betere dienstverlening aan consumenten is in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen een aantal belangrijke wijzigingen t.a.v. vakbekwaamheid in de financiële dienstverlening opgenomen (nr. 9).

  • Tot slot is de bekostigingssystematiek voor het toezicht op de financiële markten met ingang van 1 januari 2013 herzien (nr. 6) en is de aanscherping van de ken-uw-klant procedures verwerkt in de wet tot wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (nr. 8).

Met de implementatie van het Actieplan financiële sector is ook aan een belangrijk deel van de aanbevelingen van de TCOFS invulling gegeven.

Beleidsmatige conclusie

Het Actieplan financiële sector is – met uitzondering van MiFID, waarover in Europa nog wordt onderhandeld – gerealiseerd.

Er moet nog veel gebeuren om het vertrouwen in de financiële sector terug te winnen. De sector zelf heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid. Waar nodig zal het Kabinet via wet- en regelgeving verdere sturing geven. In dit verband wordt verwezen naar de wetgevingsbrief die jaarlijks naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.

5. Financieel beheer interventies financiële sector

Als gevolg van de kredietcrisis heeft de Staat steun verleend aan ING en SNS12 door middel van Core Tier 1 securities. Deze securities zijn destijds door de instellingen uitgegeven om hun kapitaalpositie te versterken. De minister van Financiën heeft in 2012 met ING afgesproken dat het nog openstaande deel van de Core Tier 1 securities zal worden afgelost. Dit zal geschieden door betalingen van ING van in totaal € 4,5 mld. verspreid over de periode 2012–2015 in tranches van € 1,125 mld. per jaar. In 2012 heeft ING de eerste tranche van € 1,125 mld. betaald.

Het onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht van RFS Holdings B.V. aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI) is in 2012 afgerond. Daarom heeft het ministerie van Financiën de aandelen in RFS Holdings B.V. overgedragen aan NLFI tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming. Daarnaast heeft de tijdelijke deelneming ABN AMRO in 2012 een schikking getroffen met Ageas (het voormalige Fortis België) en de Staat over een aantal geschillen die tussen de Staat en Ageas zijn ontstaan bij de verwerving door de Staat van de Nederlandse onderdelen van Fortis en ABN AMRO. Het gaat hierbij om de verrekening van financiële instrumenten (mandatory convertible securities, financieringsprefs van Fortis Capital Company), een bij de verkoop afgegeven vermogensgarantie en over niet-geleverde preferente aandelen in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V.. Middels het treffen van de schikking is er een einde gekomen aan alle nog uitstaande geschillen tussen de Nederlandse Staat en Ageas over de overname van de Nederlandse activiteiten van de voormalige Fortis-groep door de Nederlandse Staat op 3 oktober 2008.

Illiquid Assets Back-up Facility (IABF)

Door (vervroegde) aflossingen en afboekingen (verliezen) is de omvang van de Residential Mortgage Backed Securities (RMBS) portefeuille in 2012 teruggelopen tot € 11,1 mld. De dollars die zijn binnengekomen zijn gebruikt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING. Als gevolg daarvan is de gegarandeerde waarde in 2012 teruggelopen tot € 7,7 mld. per ultimo 2012. De buffer in de transactie is sinds het aangaan van de transactie toegenomen van 10% tot 31,9% van de nominale omvang van de portefeuille per ultimo 2012. Dit is inclusief het resultaat over 2012.

Beleidsmatige conclusie

De belangen in de financiële sector die ten tijde van het begin van de financiële crisis zijn ontstaan zijn gereduceerd. De Staat heeft wel begin 2013 SNS genationaliseerd.

6. Herstellen en bewaken stabiliteit eurozone

In 2012 was het herstellen en bewaken van de financiële stabiliteit van de eurozone een topprioriteit. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Het huidige kabinet heeft op 30 november een visie op de toekomst van de EMU naar de Kamer gestuurd, die voortbouwt op de EMU-visie van het vorige kabinet. De brief met daarin de visie van het kabinet op de toekomst van de EMU/EU gaat in op stappen die wat het kabinet betreft van belang zijn voor de toekomst van de EMU/EU. Dit zijn voor een belangrijk deel stappen waarvan de implementatie verder gaat dan het lopende jaar en dat een proces van meerdere jaren zal bestrijken en aandacht zal vragen (voor sommige beleidswensen in deze visie is ook unanimiteit onder de lidstaten noodzakelijk om deze uit te kunnen voeren).

Desalniettemin geldt dat sinds het bekend maken van de visie van het kabinet op de toekomst van de EMU/EU ook in 2012 essentiële en concrete stappen zijn gezet op gebieden als begrotingstoezicht en het verder ingrijpen in bevoegdheden van programmalanden. Een voorbeeld hiervan is de «two pack» verordeningen, die onder meer verdergaand toezicht en monitoring door de Commissie op eurolanden die zich niet aan de afspraken houden of problemen hebben met de financiële stabiliteit, mogelijk maken. In 2012 zijn de onderhandelingen over het two pack gevoerd in de Raad en tussen Raad en Europees Parlement. Dit resulteerde uiteindelijk in een politiek akkoord in februari 2013.

Daarnaast hebben de staatshoofden en regeringsleiders op 2 maart 2012 het verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur in de EMU ondertekend. Dit verdrag is inmiddels in werking getreden omdat de drempelwaarde van ratificatie door minimaal 12 eurolanden die hiervoor in het verdrag is afgesproken, op 1 januari 2013 is bereikt. Dit verdrag zorgt onder meer voor een verdere versterking van de handhaving van de afspraken van het Stabiliteits- en Groeipact doordat alle deelnemende landen zich eraan verplichten Commissievoorstellen en -aanbevelingen bij tekorten hoger dan 3% bbp over te nemen tenzij een gekwalificeerde meerderheid onder de lidstaten zich tegen een Commissievoorstel uitspreekt. Het Stabiliteitsverdrag is op 1 januari 2013 in werking getreden.

Als sluitstuk van versterkte economische beleidscoördinatie in de Eurozone, kunnen de Europese noodmechanismen financiële steun verstrekken aan landen in nood onder strikte beleidscondities, in samenwerking met het IMF. In 2012 hebben de lidstaten van de eurozone de ratificatie van het ESM-Verdrag voltooid en op 8 oktober 2012 is het ESM-Verdrag en daarmee het permanente noodfonds in werking getreden. De tijdelijke noodfondsen, EFSF en het EFSM, zullen blijven bestaan totdat de laatste lening is afgelost, maar verstrekken vanaf juli 2013 geen nieuwe leningen meer.

Het EFSF en EFSM hebben in 2012 financiële steun verstrekt aan Ierland, Portugal en Griekenland (alleen EFSF-steun voor Griekenland). Het ESM heeft financiële steun verleend aan Spanje in 2012.

In 2012 is Griekenland een nieuwe leningenprogramma met het EFSF en IMF overeengekomen. Het EFSF zal in de programmaperiode 2012–2014 circa € 145 mld. bijdragen, dit is inclusief het overgehevelde deel van het bilaterale leningenprogramma van de euro-lidstaten (GLF). In juni 2012 heeft Spanje een aanvraag gedaan voor steun van het EFSF/ESM voor bankenherstructurering en herkapitalisatie. Spanje heeft in 2012 in totaal € 39,5 mld. aan steun ontvangen vanuit het ESM. Daarnaast heeft Cyprus in juni 2012 een aanvraag gedaan voor financiële steun bij de voorzitter van de Eurogroep. Op 25 maart 2013 is er een akkoord gesloten over het leningenprogramma.

Beleidsmatige conclusie

Geen afwijking van de planning, echter volledige realisatie conform visiebrief van het huidige kabinet was eind 2012 niet gerealiseerd.

7. Fiscale Agenda

In 2012 heeft bij de voorbereiding en totstandkoming van de fiscale wetgeving de nadruk gelegen op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, met name het bijdragen aan het terugdringen van het EMU-tekort tot (minder dan) 3%. Hierdoor is bijvoorbeeld het aantal kleine belastingen, waarvan in een eerder stadium was voorzien dat deze zouden worden afgeschaft, beperkt. Een voorbeeld is het voornemen uit de Fiscale Agenda om de belasting op alcoholvrije dranken af te schaffen. De opbrengst als gevolg van het handhaven van die belasting draagt bij aan het terugdringen van het EMU-tekort. Desondanks is een groot deel van de voor 2012 voorgenomen maatregelen gerealiseerd door middel van afgeronde en aanvaarde wetgeving die deels al in 2012 in werking is getreden en deels in 2013. Waar mogelijk zal de realisering van de doelstellingen uit de Fiscale Agenda prioriteit blijven houden. Ook zal bij de vaststelling van nieuw beleid worden getoetst of dit beleid of de uitwerking daarvan zich verhouden tot de doelstellingen die zijn verwoord in de Fiscale Agenda.

Beleidsmatige conclusie

Een groot deel van de doelstellingen uit de Fiscale Agenda is inmiddels gerealiseerd. De Fiscale Agenda blijft waar mogelijk leidraad voor toekomstig beleid. Zodra daartoe de mogelijkheid bestaat zal de realisering van deze doelstellingen (opnieuw) worden opgepakt.

8. Digitale dienstverlening

Zowel vanuit een oogpunt van een eigentijdse en klantgerichte dienstverlening aan burger en bedrijf als vanuit een oogpunt van efficiency is digitalisering een speerpunt in het beleid. Een aantal ontwikkelingen was in 2012 al zichtbaar, vooral voor de burger, andere ontwikkelingen bevonden zich het afgelopen jaar nog in de voorbereidende en proeffase. Zichtbare ontwikkelingen betroffen de VIA (vooraf ingevulde aangifte) en VDA (versnellen definitieve aanslag).

Bij de VIA werden in 2012 voor het eerst gegevens over hypotheken en lijfrenten vooringevuld. Deze door de banken en de verzekeraars aangeleverde gegevens zijn door de Belastingdienst verwerkt en geschikt gemaakt voor voorinvulling voor de burger. In dit eerste jaar van voorinvulling kon, vanwege het ontbreken van historie, maar een deel van de gegevens worden vooringevuld. Elk jaar wordt dat percentage hoger doordat de kwaliteit van de aanlevering en verwerking op basis van opgedane ervaringen beter wordt en meerjarige vergelijking van de aangiften toepassing van slimmere selectieregels mogelijk maakt.

Bij VDA hebben in 2012 bij wijze van proef 550.000 burgers en bedrijven voor het eerst direct een definitieve aanslag ontvangen, dus zonder een voorafgaande voorlopige aanslag. Bovendien zijn deze aanslagen opgelegd binnen de zogeheten garantietermijn (wie voor 1 april zijn aangifte indient, ontvangt voor 1 juli bericht). Voor de Belastingdienst brengt dit een besparing met zich mee (550.000 minder voorlopige aanslagen). In 2013 zal de proef worden uitgebreid naar ten minste 2,5 miljoen aanslagen.

De Belastingdienst wil op termijn de aanslagen digitaal beschikbaar stellen, waarbij de burger een melding krijgt dat er een bericht voor hem gereed staat. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een generieke overheidsvoorziening, de Berichtenbox van www.mijnoverheid.nl. In 2012 zijn succesvolle proeven gedaan, waarbij eigen medewerkers van de Belastingdienst verschillende berichten in hun berichtenbox hebben ontvangen. Gewerkt wordt aan de voorbereiding van een landelijke uitrol eind 2013 bij de automatische continuering van toeslagenbeschikkingen.

Voor de communicatie tussen burger en Belastingdienst zijn portalen van belang. Bij Toeslagen kunnen burgers al gebruik maken van een portaal. Voor de belastingprocessen wordt gewerkt aan de realisatie van www.mijnbelastingdienst.nl. De voorbereidingen hiervan zijn zover gevorderd dat in 2013 pilots kunnen plaatsvinden met eigen medewerkers van de Belastingdienst.

Om deze ontwikkelingen ongestoord voortgang te doen vinden, moeten twee belangrijke randvoorwaarden worden vervuld: wetgeving om digitale communicatie te verankeren en een goed stelsel van authenticatie en autorisatie (e-IDstelsel). In het najaar van 2012 zijn de voorbereidingen voor wetgeving op dit terrein aangevangen. Om grootschalig, veilig gebruik van voorzieningen mogelijk te maken, wordt voortdurend gezocht naar hogere niveaus van beveiliging. In 2012 heeft de Belastingdienst samen met de beleidsverantwoordelijke departementen EZ en BZK gewerkt aan de invulling van een e-IDstelsel. Op basis daarvan kunnen publieke en private partijen aan de slag om software te ontwikkelen die aan burgers en bedrijven beschikbaar kan worden gesteld.

Beleidsmatige conclusie

De doelstellingen voor 2012 zijn nagenoeg volledig gerealiseerd. De ontwikkeling van digitale dienstverlening is een proces dat meerdere jaren vergt. Een aantal ontwikkelingen was in 2012 al concreet zichtbaar, zoals VIA en VDA, andere bevinden zich nog in de proeffase. De voor 2012 beoogde pilots met www.mijnbelastingdienst.nl vinden in 2013 plaats.

9. Fraudebestrijding

Fraudebestrijding heeft het hele verslagjaar hoog op de agenda van de Belastingdienst gestaan. Speerpunten in de uitvoering waren de aanpak van systeemfraude, onbekend buitenlands vermogen en de bestrijding van intracommunautaire btw-fraude (carrouselfraude).

Bestrijding van systeemfraude heeft een impuls gekregen door de maatregelen die in april 2011 zijn aangekondigd in de Fiscale agenda13. Onderdeel van de aanpak was de instelling van de zogeheten antifraudebox, waarin de uitvoering van de maatregelen tegen systeemfraude wordt gecoördineerd en waarin alle disciplines samenwerken (BelastingTelefoon, heffing, inning, toeslagen, centrale administratie, FIOD).

Over de resultaten van de bestrijding van de verschillende vormen van fraude is de Tweede Kamer tussentijds gerapporteerd bij de 10e Halfjaarsrapportage Belastingdienst mei 201214 en de 11e Halfjaarsrapportage Belastingdienst december 201215. In de toelichting hierna op artikel 1 wordt nader op deze resultaten ingegaan.

Beleidsmatige conclusie

Op de verschillende fraudeterreinen zijn concrete resultaten geboekt. Door de intensieve samenwerking binnen de Belastingdienst en met andere handhavingorganisaties worden fraudesituaties eerder ontdekt en ook voorkomen.

10. Verantwoord Begroten

Onder de naam Verantwoord Begroten hebben departementen bij de begrotingen over 2012 aanpassingen doorgevoerd in de begrotingspresentatie.

De kern van Verantwoord Begroten is dat er een duidelijke tweedeling wordt gemaakt tussen de apparaatsuitgaven en de programma-uitgaven en dat er meer inzicht wordt geboden in financiële instrumenten.

Zoals in september 2011 aangekondigd16 is dit proces met ingang van de begroting 2013 afgerond. De begrotingsstukken 2012 bevinden zich nog in een overgangssituatie.

In ieder geval zijn in alle begrotingen de apparaatsuitgaven opgenomen in een centraal apparaatsartikel en niet meer als integraal onderdeel van een beleidsartikel. De verantwoording 2012 over het centraal apparaatsartikel is dus over alle begrotingen conform Verantwoord Begroten. In enkele begrotingen over 2012 is de indeling binnen de beleidsartikelen al veranderd17 waardoor de Tweede Kamer al een eerste beeld heeft gekregen van de resultaten van de veranderde begrotingspresentatie. Per begroting 2013 zijn alle begrotingen volledig volgens Verantwoord Begroten ingericht waardoor de verantwoording over 2013 een eerst volledig beeld zal geven conform Verantwoord Begroten.

Beleidsmatige conclusie

Verantwoord begroten stelt de Kamer uiteindelijk beter in staat om te bepalen op welke resultaten een minister nu daadwerkelijk is aan te spreken en biedt meer financiële informatie ten behoeve van het uitoefenen van het budgetrecht van de Kamer.

Realisatie beleidsdoorlichtingen
 

Realisatie

Toelichting

Artikel

2010

2011

2012

 

1. Belastingen

       

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

v

   

Kamerstukken II 2010/2011, 31 066, nr. 98

         

2. Financiële Markten

       

Randvoorwaarden te creëren die een integer en stabiel systeem bevorderen en er toe bijdragen dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven

 

v

 

Kamerstukken II 2010/2011, 32 013, nr. 16

         

3. Financieringen

       

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

   

v

«samengevoegd» met het IBO-onderzoek

         

4. Internationale Financiële Betrekkingen

       

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

v

   

Kamerstukken 2009/2010, 31 935, nr. 5

         

5. Export Krediet Verzekering 1

       

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op dit vlak.

       
         

6. BTW-compensatiefonds

       

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

v

   

Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 7

         

7. Beheer Materiële Activa

       

Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

v

 

v

Verschoven naar eerste kwartaal 2013

         

8. Centraal apparaatsartikel

       

Financieel en Economisch beleid van de overheid

v

   

Kamerstukken II 2009/10, 31 123. nr. 52, bijlage 59 6922

Projectdirectie Vastgoed

 

v

 

Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst

X Noot
1

De laatste doorlichting heeft in 2008/2009 plaatsgevonden. De eerstvolgende beleidsdoorlichting van artikel 5 staat voor 2014 gepland.

Toelichting:

3. Financieringen

Voor het jaar 2012 stonden in de begroting een tweetal beleidsdoorlichtingen gepland. De beleidsdoorlichting voor de Staatdeelnemingen (art. 3) is vanwege de samenloop met het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «samengevoegd». De resultaten hiervan worden, naar verwachting, in het voorjaar naar de Kamer gestuurd.

7. Beheer Materiële Activa

In verband met de bij artikel 7 geschetste ontwikkelingen is besloten om de in de begrotingen voor 2012 en 2013 genoemde doorlichting m.b.t. «een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen» voorlopig aan te houden.

De in de begroting 2011, het begrotingsjaarverslag 2011 en de begroting 2013 genoemde doorlichting m.b.t. het «efficiënt beheren en vervreemden van onroerende zaken van het rijk» gaat feitelijk op in de hierboven genoemde doorlichting met betrekking tot «een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen» en komt daarom (als aparte doorlichting) te vervallen.

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Belastingen

A: Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B: Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering op het terrein van de belastingen.

Het beleid is gericht op een eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel. Een belastingstelsel dat begrijpelijk is en dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst waar mogelijk reduceert. Een belastingstelsel dat een solide belastingopbrengst oplevert, zonder willekeurige schommelingen. Een eerlijk belastingstelsel waarbij uitholling van de belastinggrondslag effectief kan worden bestreden zodat ieder zijn deel bijdraagt. De minister bevordert, middels inzet van de Belastingdienst, compliance door passende dienstverlening te leveren, adequaat toezicht uit te oefenen en zo nodig naleving bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen. De Belastingdienst stelt in zijn handelen burgers en bedrijven centraal en

gaat uit van vertrouwen waar dat gerechtvaardigd is. De Belastingdienst stemt zijn handhaving af op houding en beweegredenen van burgers en bedrijven inzake naleving. Uit de instrumenten waarover de Belastingdienst beschikt, zal hij die kiezen die het meest bijdragen aan de compliance. Hierbij richt de Belastingdienst zich in de uitvoering van de handhaving op die segmenten en branches die een groot nalevingstekort kennen. In het bijzonder gaat het om de tijdigheid van de aangifte, juistheid en volledigheid van de aangifte, tijdigheid en volledigheid van betaling.

C: Beleidsconclusies

De Belastingdienst richt zich op het vergroten van de mate van zekerheid over de belastingontvangsten en het terugbrengen van de nalevingstekorten. De Belastingdienst werkt vanuit handhavingsregie. Dit is het bewust kiezen welke instrumenten in welke combinatie en met welke diepgang, worden ingezet om in een bepaalde situatie verbetering in het nalevinggedrag te bereiken dan wel goed gedrag te ondersteunen. Een subjectgerichte aanpak, gericht op het beïnvloeden van het gedrag van (groepen van) belastingplichtigen staat daarbij steeds meer voorop. De Belastingdienst bevordert compliance door goede dienstverlening te leveren, adequaat toezicht uit te oefenen, massale processen efficiënt en soepel uit te voeren en zo nodig naleving strafrechtelijk af te dwingen. Compliance wordt afgemeten aan de mate waarin burgers en bedrijven tijdig, juist en volledig aangifte doen en tijdig betalen. Bij gelegenheid van de behandeling van het Belastingplan 2013 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de meest recente stand van deze indicatoren18.

Externe factoren zijn de economische ontwikkelingen, de complexiteit van de (fiscale) wet- en regelgeving, Europese en internationale samenwerking en de autonome ontwikkeling van het werkpakket van de Belastingdienst. Deze worden toegelicht in de Miljoenennota.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal (in percentage)

0-meting 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Belastingontduiking is onaanvaardbaar

92

93

93

93

Zelf belasting ontduiken is uitgesloten

87

90

88

88

Belasting betalen betekent iets bijdragen

31

35

34

37

Ervaren kans op ontdekking

86

86

84

81

Bron: Fiscale monitor

Toelichting

De mate van compliance wordt jaarlijks getoetst door middel van een set enquêtevragen aan burgers en bedrijven in de Fiscale Monitor. Dit is een onderzoek naar een breed scala van onderwerpen onder de doelgroepen particulieren, toeslaggerechtigden, ondernemers, douaneklanten, fiscaal dienstverleners en de toeslagen intermediairs. De belastingmoraal is gemeten door middel van het voorleggen van een aantal stellingen, waarbij gevraagd is in hoeverre men het ermee eens of oneens is. De stellingen zijn samengevoegd tot een index. Een hogere score betekent een sterkere belastingmoraal. Ten opzichte van 2010 en 2011 is deze index in 2012 licht toegenomen (van 3,9 naar 4,0) op een schaal van 1 tot 5, waarbij intermediairs voor toeslagen het hoogst scoren (4,3) en particulieren en toeslaggerechtigden het laagst (3,7). De ervaren kans op ontdekking op belastingfraude scoort ten opzichte van voorgaande jaren iets lager. Ondernemingen schatten de pakkans het grootst (85%), gevolgd door toeslagen intermediairs (83%). Fiscaal adviseurs, die de vragen met het oog op particuliere belastingplichtigen beantwoord hebben, veronderstellen de kans op ontdekking het kleinst (69%).

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 1 Belastingen
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

3.652.322

3.868.142

3.346.024

3.528.988

3.357.051

3.544.852

– 187.801

               

Uitgaven

3.572.425

3.759.696

3.414.784

3.394.668

3.268.814

3.544.852

– 276.038

               

(1) Programma-uitgaven

677.939

853.033

470.975

592.293

445.016

766.244

– 321.228

waarvan:

Rente

Heffing- en invorderingsrente

615.078

843.823

466.035

587.867

440.182

760.530

– 320.348

               

Bekostiging

4.834

5.714

– 880

Proceskosten

       

3.872

3.536

336

Overige programma-uitgaven

62.861

9.210

4.940

4.427

962

2.178

– 1.216

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.894.486

2.906.663

2.943.809

2.802.374

2.823.798

2.778.608

45.190

               

Personele uitgaven

2.063.064

2.026.257

36.807

waarvan: Eigen Personeel

1.877.434

1.904.682

– 27.248

waarvan: Inhuur externen

185.630

121.575

64.055

               

Materiële uitgaven

       

760.734

752.351

8.383

waarvan: ICT

       

232.263

165.517

66.746

waarvan: Bijdraage SSO's

       

222.993

195.611

27.382

               

Ontvangsten

119.560.914

104.564.951

112.796.839

109.815.639

105.863.956

118.134.875

– 12.270.919

               

(3) Programma-ontvangsten

       

105.838.010

118.124.903

– 12.286.893

waarvan:

             

Belastingontvangsten

118.263.240

103.304.531

111.828.592

108.883.363

105.037.894

117.065.150

– 12.027.256

               

Rente

             

Heffing- en invorderingsrente

919.902

867.065

580.676

511.029

432.004

740.000

– 307.996

               

Boetes en schikkingen

             

Overige programma-ontvangsten

343.038

360.794

359.297

394.396

168.749

132.477

36.272

               

Bekostiging

             

Kosten vervolging

       

199.363

187.276

12.087

               

(4) Apparaatsontvangsten

34.734

32.561

28.274

26.851

25.946

9.972

15.974

Verplichtingen (– € 188 mln.)

Er zijn minder meerjarige verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk geraamd, deels heeft dit ook te maken met lagere uitgaven (zie hieronder).

Uitgaven (– € 276 mln.)

Uitgaven Heffings- en invorderingsrente (– € 320 mln.)

In 2012 is de oorspronkelijke raming tweemaal (bij 1ste en 2de suppletoire begroting) neerwaarts bijgesteld op basis van de realisatie over 2011 en de structurele lage rentestand.

De uitgaven zijn neerwaarts bijgesteld met € 250 mln., € 110 mln. en € 10 mln. Eind 2012 bleek ten opzichte van de aangepaste raming nog een tegenvaller te zijn ontstaan van € 49,7 mln. Dit als gevolg van het vaststellen van de definitieve verdeelsleutels (en bijbehorende verrekening met de sociale fondsen).

Apparaatsuitgaven Belastingdienst (+ € 45 mln.)

Bij suppletoire begrotingen in 2012 heeft per saldo een mutatie in de apparaatuitgaven plaatsgevonden van + € 32,8 mln. Dit betreft een saldo van desaldering met de apparaatsontvangsten (+ € 10 mln.), dekking voor uitvoeringskosten van fiscale wet- en regelgeving (+ € 18 mln.), compensatie voor ABP-premiestijging (+ € 15 mln.), ontvangen loon- en prijsbijstelling (+ € 30 mln.), een aantal overboekingen en technische mutaties (+ € 14,8 mln.) en een tweetal kasschuiven (per saldo – € 55 mln.) o.a. voor noodzakelijke uitgaven (zoals investeringen in detectiesystemen t.b.v. douanecontroles) die in 2013 in plaats van in 2012 zullen worden gerealiseerd. Het verschil van € 12,4 mln. wordt verklaard door hogere uitgaven waar hogere ontvangsten tegenover staan.

Ontvangsten (– € 12.271 mln.)

Belastingontvangsten (– € 12.027 mln.)

Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Ontvangsten Heffings- en invorderingsrente (– € 308 mln.)

In 2012 is de oorspronkelijke raming m.b.t. de ontvangsten uit heffings- en invorderingsrente tweemaal (bij 1ste en 2de suppletoire begroting) neerwaarts bijgesteld op basis van de realisatie over 2011 en de structurele lage rentestand. De ontvangsten zijn neerwaarts bijgesteld met € 250 mln. en € 120 mln. Eind 2012 bleek ten opzichte van de aangepaste ontvangstenraming uiteindelijk een meevaller te zijn ontstaan van € 62 mln. Dit als gevolg van het vaststellen van de definitieve verdeelsleutels (en bijbehorende verrekening met de sociale fondsen).

Boetes en schikkingen (+ € 36 mln.)

Bij 2de suppletoire begroting 2012 is de raming reeds bijgesteld met + € 17 mln. Uiteindelijk laat de realisatie alsnog een meevaller zien van € 19,3 mln. Hogere ontvangsten zijn het gevolg van het vaststellen van de definitieve verdeelsleutels (en bijbehorende verrekening met de sociale fondsen) en hoger dan oorspronkelijk geraamde opbrengsten als gevolg van controles op het Eurovignet (vrachtwagens).

Kosten vervolging (+ € 12 mln.)

Bij 2de suppletoire begroting werd nog uitgegaan van een kleine tegenvaller en is de oorspronkelijke raming met € 2 mln. neerwaarts bijgesteld. Ten opzichte van de aangepaste raming is de realisatie € 14,1 mln. hoger uitgevallen. Dit is met name veroorzaakt door een toename van het aantal betekende dwangbevelen.

Apparaatsontvangsten (+ € 16 mln.)

De apparaatsontvangsten vloeien voort uit werkzaamheden voor derden. Bij 1ste suppletoire begroting 2012 zijn de apparaatsontvangsten opgehoogd met € 10 mln. Uiteindelijk is de realisatie in 2012 € 16 mln. hoger dan oorspronkelijk begroot. Hiertegenover staan hogere apparaatsuitgaven (zie toelichting apparaatsuitgaven).

E. Toelichting op de instrumenten

Fiscaal beleid en wetgeving

E.1: Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbegroting, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

In 2012 heeft bij de voorbereiding en totstandkoming van de fiscale wetgeving de nadruk gelegen op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, met name het bijdragen aan het terugdringen van het EMU-tekort tot (minder dan) 3%. Ter uitvoering van het zogenoemde Begrotingsakkoord 2013 en het regeerakkoord VVD-PvdA is fiscale wetgeving voorbereid, ingediend en ook grotendeels aanvaard door beide Kamers der Staten-Generaal. Het merendeel van deze wetgeving heeft nog in 2012 het Staatsblad bereikt.

De fiscale maatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 zijn grotendeels verwerkt in de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013. Daarbij ging het om een verhoging van het algemeen btw-tarief met 2%-punt met ingang van 1 oktober 2012 en een terugsluis in 2013 (€ 1,5 mld. van de opbrengst) via maatregelen in de inkomsten- en loonbelasting, het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Daarnaast bevatte deze wet een structurele verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting naar 2% en een aantal vergroeningsmaatregelen, waaronder een verhoging van het tarief van de energiebelasting op aardgas, het afschaffen van de vrijstelling van kolenbelasting bij elektriciteitsopwekking en het afschaffen van de zogenoemde rode diesel. Tot slot bevatte deze wet een aantal maatregelen van uiteenlopende aard, zoals het achterwege laten van de inflatiecorrectie voor de inkomstenbelasting en de loonbelasting voor het jaar 2013, de introductie c.q. aanpassing van de werkgeversheffingen hoge lonen en excessieve vertrekvergoedingen, het niet invoeren van de werkbonus, een aanpassing van de aftrek deelnemingsrente (Bosal-arrest), de herinvoering van het verlaagd btw-tarief podiumkunsten en kunstvoorwerpen per 1 juli 2012 en een verhoging van de accijns op bier, wijn en gedistilleerde dranken en sigaretten en rooktabak (shag). De Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013, kent een (positief) budgettair belang van € 364 mln. in 2012, € 5.270 mln. in 2013 en € 4.773 mln. structureel.

Een deel van de in het Begrotingsakkoord 2013 voorziene maatregelen is in separate wetgeving opgenomen. Dit betreft de maatregelen die betrekking hebben op de herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning, de introductie van een verhuurderheffing en de herziening van de fiscale behandeling woon-werkverkeer. De Wet herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning is in 2012 aanvaard en heeft nog in 2012 het Staatsblad bereikt. Dat geldt echter niet voor de wetsvoorstellen waarin de andere twee maatregelen waren opgenomen. Het wetsvoorstel tot herziening van de fiscale behandeling woon-werkverkeer, waarvan de opbrengst mede diende ter financiering van de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting, is tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ingetrokken. De dekking voor de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting is naar aanleiding van het zogenoemde deelakkoord begroting 201319 op een andere wijze gerealiseerd. Het wetsvoorstel ter introductie van een verhuurderheffing is in de Eerste Kamer aangehouden in afwachting van een zogenoemde novelle die de werking van de verhuurderheffing beperkt tot het jaar 2013.

Het Begrotingsakkoord 2013 heeft ook geleid tot wijziging van het wetsvoorstel Wet bankenbelasting zoals dat voorlag in de Tweede Kamer op het moment dat het Begrotingsakkoord 2013 tot stand kwam. Dat wetsvoorstel ging oorspronkelijk uit van een structurele opbrengst van € 300 mln. Als gevolg van het Begrotingsakkoord 2013 is het tarief van de belasting zodanig gewijzigd dat met die belasting een structurele opbrengst van € 600 mln. wordt gerealiseerd. De Wet bankenbelasting heeft in juli 2012 het Staatsblad bereikt.

Naast de hiervoor genoemde wetsvoorstellen zijn in 2012 nog verschillende andere wetsvoorstellen voorbereid die in 2012 zijn aanvaard en het Staatsblad hebben bereikt. De Wet implementatie richtlijn factureringsregels is in maart 2012 in het Staatsblad geplaatst. Voorts betreft dit het Belastingplan 2013, Overige fiscale maatregelen 2013 en de Wet elektronische registratie notariële akten. Gelet op het demissionaire karakter van het kabinet Rutte I tijdens de voorbereiding van die wetsvoorstellen hadden de wetsvoorstellen Belastingplan 2013 en Overige fiscale maatregelen 2013 ten tijde van de voorbereiding en de indiening bij het parlement een beleidsarm karakter. De Wet elektronische registratie notariële akten leidt tot een besparing op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst met (structureel) € 6,4 mln. per jaar.

In oktober 2012 is het kabinet Rutte II aangetreden. Het regeerakkoord van dat kabinet (regeerakkoord VVD-PvdA) bevat een aantal maatregelen op fiscaal terrein met een voorziene inwerkingtreding per 1 januari 2013. Een deel van deze maatregelen is door middel van een nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2013 onderdeel uit gaan maken van dat belastingplan. Dit betreft het niet invoeren van het zogenoemde vitaliteitssparen, een verhoging van het tarief van de assurantiebelasting, de invoering van de zogenoemde werkbonus en het schrappen van de fiscale aftrekbaarheid van de beloning voor assurantietussenpersonen. Naast de noodzakelijke wijzigingen op basis van genoemd regeerakkoord zijn nog enkele maatregelen onderdeel uit gaan maken van het Belastingplan 2013 door middel van een nota van wijziging. Het gaat hierbij (onder andere) om een aanpassing van de antimisbruikbepaling, gericht op het bestrijden van de handel in lichamen met een herinvesteringsreserve (HIR-lichamen), het afzien van de voorziene verhoging van de verhoging van de forfaitaire ruimte van de werkkostenregeling met 0,1%-punt per 1 januari 2013 en het in overeenstemming brengen van de btw-heffing op tabaksproducten met de wijze van heffing op andere goederen.

Het Belastingplan 2013, zoals aanvaard in december 2012, kent een (positief) budgettair belang van ongeveer € 3.500 mln. in 2013, en structureel van ongeveer € 3.300 mln.

Bij nota van wijziging zijn als gevolg van het regeerakkoord VVD-PvdA ook wijzigingen aangebracht in de eerder genoemde wetsvoorstellen tot herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning en tot introductie van een verhuurderheffing. In eerstgenoemd wetsvoorstel is een voor belastingplichtigen begunstigende faciliteit opgenomen waardoor rente op zogenoemde restschulden tijdelijk aftrekbaar zijn gemaakt en zijn enige andere maatregelen getroffen met het oog op de (tijdelijke) ondersteuning van de woningmarkt. In het wetsvoorstel tot introductie van een verhuurderheffing is bij nota van wijziging het voor 2013 voorziene tarief van de verhuurderheffing verhoogd.

De maatregelen in de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013, de Wet bankenbelasting, het Belastingplan 2013, de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning zijn van invloed geweest op het totale lastenbeeld dat is beschreven in de Miljoenennota 2013.

Meetbaar gegeven is de realisatie van geplande belastingontvangsten. Hiervoor wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Op 17 februari 2012 heeft de staatssecretaris van Financiën de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen ingesteld. Met de instelling van de commissie is voldaan aan het verzoek dat de Tweede Kamer had verwoord in de motie-Dijkgraaf20. De commissie heeft tot taak verschillende scenario’s voor te bereiden voor een herziening van de inkomstenbelasting en de toeslagen. Zij staat onder voorzitterschap van drs. C. van Dijkhuizen, CFO van NIBC en is samengesteld uit wetenschappers en andere deskundigen. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat bestaande uit vier medewerkers van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken.

Oorspronkelijk was voorzien dat de commissie in het eerste kwartaal van 2013 zou rapporteren. Dit tijdschema is doorkruist door de val van het kabinet Rutte I. Met het oog op de toen lopende formatie heeft de commissie op 16 oktober 2012 een interim-rapportage uitgebracht met daarin voorstellen voor hervorming van box 1 van de inkomstenbelasting. De eindrapportage van de commissie wordt in het tweede kwartaal van 2013 voorzien.

In 2012 zijn in het kader van het bevorderen van een gunstig vestigingsklimaat onderhandelingen gevoerd met onder andere Chili, China, Ethiopië, Ierland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen en de Tsjechische Republiek. Ook zijn gesprekken gevoerd met Curaçao in het kader van de herziening van de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Het betrof zowel onderhandelingen ten behoeve van wijziging of algehele herziening van bestaande verdragen ter voorkoming van dubbele belasting als onderhandelingen met het oog op het tot stand brengen van een dergelijk verdrag in gevallen waarin nog geen verdrag bestaat. Voorts zijn er gesprekken gevoerd met het Verenigd Koninkrijk ten behoeve van een overeenkomst ter voorkoming van dubbele bankenbelasting en met de Verenigde Staten met het oog op een overeenkomst ter facilitering van automatische gegevensuitwisseling in het kader van FATCA-wetgeving. Daarnaast zijn onderhandelingen gevoerd met Brunei, Mauritius en Uruguay over een verdrag tot uitwisseling van fiscale informatie (Tax Information and Exchange Agreements).

Naast het genereren van inkomsten is het inzetten van het fiscale instrument er ook op gericht om de niet-fiscale doelstellingen van het kabinetsbeleid te realiseren. Dit zijn, tenzij expliciet anders vermeld, grotendeels beleidsmatige doelstellingen van andere departementen. De betreffende departementen verantwoorden zich over de mate van doelbereiking. Hierover worden derhalve geen meetbare gegevens opgenomen binnen de begroting en het jaarverslag IXB.

Door de fiscale wet- en regelgeving te evalueren, wordt bezien of de uitgangspunten juist waren en of beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

In de Miljoenennota 2013 zijn in bijlage 5 de evaluaties genoemd en samengevat die sinds de Miljoenennota van 2012 gerealiseerd zijn. Dit is ten eerste de evaluatie van de WBSO. Deze evaluatie is uitgevoerd door het EIM in opdracht van het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. De belangrijkste conclusie uit de WBSO-evaluatie over de periode 2006–2010 is dat hij doet wat hij beoogt: de private loonuitgaven aan speur- en ontwikkelingswerk (S&O) bevorderen.

Verder heeft Regioplan in opdracht van het ministerie van OCW de regeling afdrachtvermindering onderwijs geëvalueerd mede naar aanleiding van de forse stijging van het budgettaire beslag sinds 2007. De onderzoekers verklaren een deel van deze stijging als gebruik dat niet oorspronkelijk door de wetgever was bedoeld. Deze regeling wordt omgezet in een beter te richten subsidieregeling die onder de begroting van OCW valt.

In de internetbijlage van de Miljoenennota 2013 over de belastinguitgaven is voor iedere belastinguitgave aangegeven wanneer een evaluatie staat geprogrammeerd. In 2013 worden vooral evaluaties van belastinguitgaven voorzien die op het terrein liggen van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Belastingdienst

E.2: Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

Veel, maar niet alle doelstellingen zijn gerealiseerd. De afhandeling van klachten en bezwaren is niet binnen de Awb-termijn gerealiseerd. Bij de prestatie-indicator klanttevredenheid Telefonie is meer gerealiseerd dan in de streefwaarde was opgenomen. De overige realisaties zijn op niveau.

Realisatie meetbare gegevens1

Prestatie-indicator (in %)

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Bereikbaarheid BelastingTelefoon (BT)

81

74

83

82

80–85

82

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BT

74

81

87

87

80–87

86

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

83

87

87

94

95–100

94

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

88

94

98

96

98–100

95

Klanttevredenheid

           

Internet2

n.v.t.

n.v.t.

89

90

80–90

90

Balie

n.v.t.

n.v.t.

91

76

80–90

89

Telefonie

n.v.t.

n.v.t.

83

     

Algemeen

     

82

70–80

81

Intermediairs

     

82

80–90

87

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

De streefwaarden van de Belastingdienst worden voor zover mogelijk weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

X Noot
2

De realisatiecijfers 2011 van klanttevredenheid Internet en Balie zijn t.o.v. het jaarverslag 2011 aangepast.

Toelichting

De bereikbaarheid van de BelastingTelefoon is in 2012 op hetzelfde niveau gebleven ten opzichte van 2011 (82%). In 2012 zijn 15,3 miljoen gesprekken binnengekomen, een klein half miljoen minder dan in 2011. De gemiddelde wachttijd (70 seconden) is verbeterd ten opzichte van 2011 (89 seconden).

De kwaliteit beantwoording fiscale vragen betreft de 10 meest gestelde vragen. De realisatie scoort met 86% binnen de streefwaarde.

De afdoening van bezwaarschriften is ten opzichte van 2011 gelijk gebleven en komt net onder de bandbreedte uit. Dit houdt verband met een toename van het aantal ontvangen bezwaarschriften die veroorzaakt is door de campagne tijdige aangifte, het ambtshalve opleggen van aanslagen over meer jaren en het verscherpte boetebeleid.

In 2012 zijn 9% meer klachten ingediend dan in 2011. Deze stijging wordt verklaard door de maatregelen die bij de BelastingTelefoon zijn getroffen om de klachtherkenning te verbeteren en het makkelijker te maken telefonisch een klacht in te dienen. De kwantitatieve score ligt ongeveer op het hetzelfde niveau als vorig jaar.

De klanttevredenheid over internet, balie en telefonie wordt gemeten in de Fiscale Monitor. De in de tabel opgenomen realisatie heeft betrekking op klanten die neutraal tot zeer positief scoren.

E.3: Toezicht en opsporing

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

De doelstellingen voor fiscaal toezicht zijn grotendeels gerealiseerd. De doelstelling voor toeslagen is gerealiseerd. De Douane heeft de doelstellingen gerealiseerd.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing en toeslagen zijn gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting tot betalen afhankelijk zijn van gegevens die belastingplichtigen en toeslaggerechtigden zelf verstrekken. Dit kan van invloed zijn op de volledigheid van de belastingontvangsten en de juiste uitbetaling van toeslagen. Bij alle uit te voeren fiscale taken wordt de Belastingdienst in meer of mindere mate geconfronteerd met de problematiek van M&O. Het tegengaan van M&O bij de uitvoering van wet- en regelgeving vormt derhalve een geïntegreerd onderdeel van het rechtshandhavingsbeleid. De aanpak van misbruik en oneigenlijk is gericht op het voorkomen dan wel het bestrijden van (geconstateerde) fraude.

Algemeen

Op 21 juni 2012 heeft de staatssecretaris van Financiën het rapport «Fiscaal toezicht op maat» van de Commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst (Commissie Stevens) aangeboden aan de Tweede Kamer21. De Commissie heeft het horizontaal toezicht door de Belastingdienst geëvalueerd en aanbevelingen gedaan voor verbetering van de handhaving door de Belastingdienst. De Commissie bepleit een verdere ontwikkeling van de handhavingsregie. Daarbinnen past de verdere ontwikkeling van horizontaal toezicht om de voordelen ervan voor zowel bedrijfsleven als Belastingdienst beter te benutten. Naast horizontaal toezicht blijft de noodzaak om te investeren in verticaal toezicht. Voor de komende jaren wordt ook hieraan concreet invulling gegeven22.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Aantal zeer grote ondernemingen en middelgrote ondernemingen onder horizontaal toezicht:

           

ZGO

     

781

n.v.t.

720

MGO

     

2.497

n.v.t.

2.540

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant (x 1.000)

n.v.t.

n.v.t.

6

33

50–75

87

Percentage contacten met starters; startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters);

     

20%

15–25%

23%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

     

64%

50–60%

69%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

     

93%

90–95%

90%

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet winst)

     

87%

90–95%

74%

Tijdigheid betalen:

           

Achterstand invordering (in %)

2,2

2,4

2,5

2,4

2,5–3,0

2,3

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

In de tabel zijn de aantallen opgenomen van de grote ondernemingen (ZGO) respectievelijk middelgrote ondernemingen (MGO) die onder horizontaal toezicht vallen.

Eén van de aanbevelingen van de Commissie Stevens is de effectmeting verder te ontwikkelen. De indicator, zoals opgenomen in de begroting 2012, biedt naar de mening van de Commissie in dit opzicht onvoldoende inzicht. Om die reden is besloten de prestatie-indicator niet meer te verantwoorden. De Belastingdienst is bezig met het ontwikkelen van nieuwe prestatie-indicatoren die een beter inzicht geven in de effectiviteit van het horizontaal toezicht. Met horizontaal toezicht wil de Belastingdienst zicht krijgen op de mate waarin het bedrijf zelf fiscaal in control is. Het aantal zeer grote ondernemingen onder horizontaal toezicht is ten opzichte van 2011 licht afgenomen. De oorzaak hiervan ligt in het aanscherpen van de richtlijnen en het strakker hanteren van de normen voor horizontaal toezicht.

Het aantal MKB-ondernemingen, dat deelneemt aan een intermediair convenant is toegenomen van ongeveer 33.000 in 2011 tot ruim 87.000.

De aanpak voor de contacten met starters is preventief gericht op het voldoen aan aangifte- en betalingsverplichtingen. De doelstelling hiervoor is gerealiseerd.

Voor de tijdigheid van aangiften is in 2012 een actief beleid gevoerd door zo snel mogelijk contact op te nemen met belastingplichtigen die verzuimen op tijd aangifte te doen. De doelstellingen voor bereikte belastingplichtigen na verzuim OB en LH zijn gerealiseerd. Het te bereiken percentage belastingplichtigen na verzuim IH niet winst is lager dan de streefwaarde. De geplande activiteiten (belacties, versturen van herinneringen en aanmaningen) zijn uitgevoerd maar hebben niet geleid tot de realisatie van de doelstelling. In absolute zin is het aantal belastingplichtigen dat te laat aangifte heeft gedaan gedaald tot 315.000 (2011: 400.000). Voor aangiften die niet tijdig zijn binnengekomen heeft de Belastingdienst ambtshalve aanslagen opgelegd. Ook zijn boetes opgelegd aan belastingplichtigen die niet tijdig aangifte doen.

Een gedeelte van de burgers en bedrijven betaalt niet of niet tijdig hun belastingen. De Belastingdienst neemt invorderingsmaatregelen om achterstallige vorderingen alsnog te innen. De betalingsachterstand wordt weergegeven als een percentage van de totale belasting- en premieontvangsten en betreft de belastingmiddelen IH/ZVW, LH, MB, OB en Vpb. De betalingsachterstand is in 2012 ten opzichte van 2011 licht gedaald, ondanks een stijgend aanbod aan klanten met een betalingsachterstand.

De overige resultaten van de Belastingdienst op het gebied van invordering staan weergegeven in onderstaande tabel. Het percentage oninbare vorderingen betreft alle belastingmiddelen.

Resultaten invordering

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Betalingsachterstand in bedragen (x € mln.)1

3.955

3.965

4.285

4.280

4.201

Oninbare vorderingen (%)

1,3

1,1

1,0

1,02

1,0

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

Cijfers 2008 tot en met 2011 gecorrigeerd in verband met gewijzigde definitie.

X Noot
2

Cijfer 2011 gecorrigeerd in verband met gewijzigde definitie.

Naast tijdigheid van de aangifte en tijdigheid van betaling is uiteraard ook de juistheid en volledigheid van de aangifte een belangrijk aspect van het toezicht door de Belastingdienst. De inspanning van de Belastingdienst is hierbij gericht op beïnvloeding en ondersteuning bij het juist doen van aangifte. De belangrijkste pijlers hiervoor zijn de vooraf ingevulde aangifte, het geautomatiseerd controleren en het doorvoeren van trefzekere correcties op aangiften en een thematische aanpak op de grootste nalevingstekorten.

Voor het uitvoeren van trefzekere correcties is de Belastingdienst in oktober 2012 gestart met een proef massaal automatisch corrigeren. Ruim 195.000 mensen ontvingen een correctiebrief waarin een afwijking op het punt van loon en/of pensioen werd meegedeeld.

Via controles die de Belastingdienst uitvoerde met contra-informatie van onder andere werkgevers en uitkeringsinstanties is vastgesteld in welke gevallen looninkomsten niet zijn opgegeven. Een eerste analyse wijst uit dat het hierbij voornamelijk gaat om mensen die te snel hun aangifte hebben willen insturen of dat er sprake was van een vergissing. Daarnaast hebben mensen zichzelf benadeeld door de al ingehouden loonheffing niet in te vullen. De Belastingdienst heeft beide zaken gecorrigeerd.

Bij het toezicht op de juistheid en volledigheid van de aangifte vormen het opsporen van onbekende belastingplicht en het tegengaan van onterechte registratie voor Belastingteruggaven speerpunten. Als belangrijkste resultaten kunnen worden vermeld:

– Identiteitsfraude

Slachtoffers van identiteitsfraude zijn snel geholpen door het herstellen van gegevens, zodat betalingen naar de juiste persoon kunnen worden hervat. In 2012 hebben zich ongeveer 200 slachtoffers gemeld. Verzoeken tot wijziging van bankrekeningnummer waarop de Belastingdienst uitbetaalt, worden pas verwerkt nadat de burger dit schriftelijk heeft bevestigd.

– Inkomstenbelasting

In de inkomensheffing is gewerkt aan het detecteren van fraudegevallen door gebruik te maken van contra-informatie. In 2012 is hierdoor voor een bedrag van ruim € 131 mln. aan uitbetalingen voorkomen.

– Omzetbelasting

Btw-nummers waarvoor langer dan een jaar nihilaangiften worden ingeleverd, worden na beoordeling afgevoerd. In 2012 zijn hierdoor ruim 65.000 btw-nummers daadwerkelijk afgevoerd. Daarnaast worden nog zo’n 27.000 risicovolle btw-nummers permanent gemonitord. De opbrengst hiervan bedroeg het afgelopen jaar € 14 mln. Bij de aanpak van de intracommunautaire btw-fraude (carrouselfraude) zijn 441 ondernemingen stopgezet (btw-nummer ingetrokken naar aanleiding van fraudesignaal). Met ingang van 1 juni 2012 is het toegestaan dat voor de handel in mobiele telefoons en computeronderdelen een verleggingsregeling wordt toegepast. De btw-plicht wordt dan verlegd van leverancier naar afnemer.

Nederland is internationaal actief op het terrein van fraudepatronen en kennisuitwisseling, zowel in Eurofisc-verband als ook in Benelux-verband.

– Buitenlands vermogen

In 2012 hebben in totaal 311 belastingplichtigen gebruik gemaakt van de mogelijkheid alsnog aangifte te doen over verzwegen vermogen van in totaal € 197 mln. Het totaal ingekeerde vermogen vanaf 2005 bedraagt € 3,4 mld., verdeeld over 14.385 inkeerders. Tot en met 2012 zijn aanslagen opgelegd ten bedrage van € 860 mln. (inclusief rente en boete).

– Afgezonderde Particuliere Vermogens (APV’s)

Voor de aanpak van de APV’s is het op 1 januari 2010 in werking getreden wettelijke stelsel, gericht op transparantie van deze buitenlandse rechtsvormen (Stiftungen, trusts), van groot financieel belang. Het vermogen en inkomen in zo’n buitenlands rechtsfiguur worden daarbij toegerekend aan de inbrenger van het vermogen. De belastingopbrengst is over de periode 2008–2012 inmiddels bijna € 520 mln.

Volumeontwikkeling

Belastingplichtigen zijn de particulieren en ondernemers die wettelijk verplicht zijn aangifte te doen. Het aantal belastingplichtigen is in 2012 gedaald door het afvoeren van belastingplichtigen die meerdere jaren een zogeheten nihilaanslag hebben ontvangen. Het aantal ingediende aangiften inkomstenbelasting (€ 11 miljoen) ligt overigens hoger dan het aantal belastingplichtigen omdat vrijwillige aangiften ook deel uitmaken van de aangiftestroom.

De afname van het aantal toeslaggerechtigden is grotendeels veroorzaakt door het lager aantal uitbetalingen van zorgtoeslag (€ 5,0 miljoen in 2012 en € 5,3 miljoen in 2011)

De ontwikkeling van het aantal belastingplichtigen en toeslaggerechtigden over de afgelopen jaren is zichtbaar gemaakt in onderstaande tabel:

Volumeontwikkeling belastingplichtigen en toeslaggerechtigden (belastingjaar t–1) (x 1.000)

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Belastingplichtigen IB/IH

9.696

8.644

8.526

8.408

8.003

Belastingplichtigen Vpb

791

810

817

838

853

Inhoudingsplichtigen LB/LH

619

627

629

642

638

Inhoudingsplichtigen OB

1.408

1.453

1.505

1.558

1.571

Aanvragen toeslagen

7.664

7.574

7.774

7.723

7.445

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toeslagen

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Toeslagen

n.v.t.

Deels behaald

Deels behaald

Grotendeels behaald

Het toezicht wordt volgens planning uitgevoerd

Behaald

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

Het toezicht op toeslagen vindt plaats op basis van een met de betrokken beleidsdepartementen afgestemd toezichtplan. De kern van het toezicht is het administratieve toezicht dat bestaat uit massale vergelijkingen tussen de gegevens uit de aanvragen en gegevens van derde-instanties waaruit de onjuistheid van of twijfel over een aanvraag kan blijken. In circa 15% van de aanvragen kinderopvangtoeslag is sprake van gastouderopvang. In deze situaties kan de Belastingdienst praktisch gezien de juistheid van de opgegeven uren niet objectief vaststellen. Over dit deel van de uitbetalingen (circa € 248 mln.) bestaat daarom een inherente onzekerheid over de rechtmatigheid.

Het toezicht over het toeslagjaar 2010 is grotendeels afgerond in 2012. Er zijn ruim 6,9 miljoen huur- en zorgtoeslagen definitief toegekend (96%). Verder zijn er circa 0,4 miljoen toeslagen kinderopvang (70%) en 1,0 miljoen aanvragen kindgebonden budget (97%) definitief vastgesteld. Voor het toeslagjaar 2011 zijn in 2012 meer dan 6 miljoen huur- en zorgtoeslagen (80%), 158.000 toeslagen kinderopvang (28%) en ruim 0,8 miljoen aanvragen kindgebonden budget (79%) definitief vastgesteld.

Het jaar 2012 stond in het teken van de succesvolle introductie van het nieuwe Toeslagensysteem. Met het nieuwe systeem gaat Toeslagen de juistheid van grondslagen in toenemende mate in de voorschotfase toetsen en worden alle gegevens van burgers aan een vorm van massaal toezicht onderworpen. Hierdoor kan het bedrag aan terugvorderingen bij de definitieve afhandeling worden gereduceerd.

Naast het massaal geautomatiseerde toezicht met het nieuwe toeslagensysteem zijn voor het toeslagjaar 2012 circa 170.000 aanvragen aan andere vormen van actueel toezicht onderworpen. Extra aandacht was er bijvoorbeeld voor de juistheid van het schatten van inkomens door aanvragers die hun inkomen eerder te laag hadden ingeschat. In 2012 zijn circa 43.000 voorschotten huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget stopgezet en teruggevorderd. Het met deze toeslagen corresponderende jaarrecht bedraagt € 26 mln. Daarnaast zijn 118.000 toeslagaanvragers aangeschreven die de afgelopen jaren steeds werden geconfronteerd met een grote terugvordering. Deze burgers is gevraagd hun inkomen opnieuw te schatten en voor zover van toepassing het nieuwe inkomen door te geven aan de Belastingdienst. Ultimo 2012 hadden circa 20.000 burgers hun inkomen gewijzigd. Bij toeslagen zijn door gebruik te maken van fraudesignalen van andere intelligenceteams binnen de Belastingdienst circa 5.900 fraudeposten behandeld met een financieel belang van ruim € 55 mln.

Tot slot is controle uitgevoerd op de zorgverzekerdheid van aanvragers gedurende het toeslagjaar. In 2012 zijn circa 8.500 aanvragen gestopt. Hiermee was een financieel belang gemoeid van ruim € 6 mln.

Douane

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Controles op de goederenstromen

n.v.t.

305.000

330.000

342.000

295.000 – 365.000

352.000

Gecertificeerde goederenstromen

     

51%

>70%

85%

Controle op passagiersvluchten

     

12.500

12.000 – 15.000

13.100

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

In het streven naar efficiënt toezicht wordt onder andere rekening gehouden met de mate waarin voor de betrouwbaarheid van de administratie kan worden gesteund op een stelsel van interne beheersingsmaatregelen. Dat kan resulteren in certificeringen of convenanten. Een bedrijf dat het certificaat van Authorized Economic Operator verkrijgt (gebaseerd op Europese wetgeving), voldoet aan een aantal gestelde eisen waardoor een lichter controleregime van toepassing is. Daardoor kan het logistieke proces sneller gaan. Ultimo 2012 is ongeveer 85% van de reguliere goederenstromen (in- en uitvoer) gecertificeerd. Op de niet-gecertificeerde reguliere goederenstroom (vracht, scan, koeriers, ambulant) voert de Douane controles uit. Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles. De doelstelling hiervoor is binnen de bandbreedte gerealiseerd. Met de uitvoering van de controles wil de Douane zoveel mogelijk risicogericht te werk gaan. De aantallen correcties en processen verbaal, die voortvloeien uit deze controles, zijn opgenomen in onderstaande tabel

Aantal correcties en processen-verbaal VGEM en fiscaal (x 1.000)

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Correcties scan- en fysieke controles vracht

3,6

2,8

4,4

3,6

3,6

Correcties koeriers en postzendingen

21

21

16

15

14

Correcties passagiers

29

21

17

20

19

Correcties ambulante controles binnen/buitengrens

7,6

7,3

4,2

1,9

1,7

Correcties administratieve controles

0,9

0,9

0,7

0,7

0,6

Processen-verbaal

36

35

32

25

22

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Het in de tabel opgenomen aantal correcties wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder wijzigingen in aanbod/volume en in regelgeving.

In 2012 heeft de Douane in samenwerking met de FIOD twee fraudeteams ingesteld. Het ene team opereert vanaf Rotterdam Rijnmond en richt zich specifiek op Accijnsfraude, het andere team opereert vanaf Schiphol Cargo en richt zich op alle overige fraude. Het lanceren van het meldpunt Accijns is een belangrijk onderdeel in de bestrijding van accijnsfraude binnen de tabaksbranche.

FIOD

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

84

86

76

84

82–85

84

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Het behalen van de doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot een veroordeling of een transactie door het aanleveren van kwalitatief goede zaken, is een resultante van het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD. De doelstelling hiervoor is binnen de bandbreedte gerealiseerd.

In 2012 heeft de FIOD in 90 systeemfraudezaken een proces-verbaal ingeleverd bij het Openbaar Ministerie naar aanleiding van fraude met aangiften inkomstenbelasting en verzoeken om kinderopvangtoeslag. In een aantal afgeronde zaken zijn de verdachten fors gestraft.

E.4: Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

Doelbereiking

De doelstelling is gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Zendingen zonder fouten

n.v.t.

99%

100%

100%

99–100%

100%

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

De doelstelling voor het afhandelen van zendingen zonder fouten is gerealiseerd. Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn hiertoe maatregelen getroffen om er op toe te zien dat belastingplichtigen de juiste berichten en gegevens ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen, mailingen) zijn voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. De 100% score op zendingen zonder fouten betreft een afgerond percentage. De opgetreden verstoringen zijn toegelicht in de 10e en 11e halfjaarsrapportage Belastingdienst23.

Internet heeft om efficiencyredenen de voorkeur van de Belastingdienst. Uit de Fiscale monitor blijkt dat internet ook het voorkeurskanaal is van burgers en bedrijven. Het beleid is er dan ook op gericht belastingaangiften zoveel mogelijk elektronisch te ontvangen. Dit heeft geleid tot een sterke daling van het aantal aangiften op papier.

Aantal ingediende aangiften inkomstenbelasting (belastingjaar t–1) (x 1.000)

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Ontvangen aangiften

9.942

10.544

10.777

11.243

10.968

Waarvan digitaal

8.947

9.476

9.854

10.633

10.448

Waarvan papier

995

1.068

923

610

520

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Steeds meer belastingplichtigen kiezen voor de digitale aangifte. Voor ondernemers is de score nagenoeg 100%, voor particulieren steeg deze in 2011 naar 95%. Eén van de maatregelen om de aangifte makkelijker te maken is de vooringevulde aangifte (VIA). In 2012 steeg het aantal mensen dat gebruik maakt van deze service naar 4,1 miljoen (3,7 miljoen in 2011).

Als regel ontvangen degenen die vóór 1 april hun aangifte inkomstenbelasting doen, vóór 1 juli bericht van de Belastingdienst, veelal in de vorm van een voorlopige aanslag met een bij te betalen of terug te ontvangen bedrag. De doelstelling voor tijdig afhandelen van aangiften IB bedraagt 98–100% en is met 98,5% gerealiseerd.

Tijdige afhandeling aangiften (%)

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Tijdigheid afhandelen aangiften IB

99,3

99,9

99,9

99,3

98,5

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Het aantal procesverstoringen is ten opzichte van 2011 licht toegenomen (75 verstoringen in 2012 tegen 63 in 2011). Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn maatregelen getroffen om de goede ontvangst van berichten zeker te stellen. Daarnaast ziet de Belastingdienst er op toe dat belastingplichtigen de juiste berichten en gegevens ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen, mailingen) worden voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. In 2012 zijn 11.446 partijen gecontroleerd. Deze partijen waren in totaal goed voor circa 138 miljoen poststukken. In circa 1% (2011: 0,9%) van de partijen zijn één of meerdere bevindingen gesignaleerd. Deze partijen zijn tegengehouden en pas na correctie verzonden.

4.2 Financiële Markten

A: Algemene doelstelling

Randvoorwaarden te creëren die een integer en stabiel systeem bevorderen en er toe bijdragen dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven met acceptabele en transparante risico’s, waarbij de kosten van overmatig risicovol gedrag niet worden afgewenteld op de belastingbetaler.

B: Rol en verantwoordelijkheid

Financiële markten en instellingen vormen een onmisbare bouwsteen in het maatschappelijk verkeer. Een stabiel en adequaat financieel stelsel is nodig om de Nederlandse economie te laten functioneren, en daarmee onze welvaart en de economische vooruitgang te bevorderen. De kredietcrisis heeft laten zien hoe groot de systeemrisico’s op de financiële markten kunnen zijn en welke impact dit kan hebben op de Nederlandse economie.

De minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel. De minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten, de institutionele structuur van het toezicht, en voor de besluitvorming over eventuele besteding van publieke middelen bij een crisis. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

De randvoorwaarden die de minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Hierin is de regelgeving en het toezicht geregeld die financiële instellingen stimuleert en verplicht om acceptabele en transparante risico’s te nemen. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

Eén van de lessen uit de crisis van de afgelopen jaren is dat sterk toezicht zowel op instellings- als systeemniveau noodzakelijk is. De bedoeling is tevens hiermee de risico’s voor de belastingbetaler van problemen bij financiële instellingen zoveel mogelijk te beperken. Wanneer problemen echter niet meer op andere wijze kunnen worden opgelost dient de toezichthouder en uiteindelijk de minister tijdig en effectief in te kunnen grijpen bij financiële instellingen. Hiervoor is met de Wet bijzondere maatregelen financiële ondernemingen een passend instrumentarium beschikbaar.

De minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C: Beleidsconclusies

De doelstellingen voor 2012 zijn qua uitvoering en beoogde resultaten grotendeels gerealiseerd. Zie hiervoor de geboekte resultaten met betrekking tot het Actieplanning financiële sector omschreven in het onderdeel «beleidsprioriteiten». Wel is op Europees niveau enige vertraging opgelopen, met name op het gebied van CRD IV (pakket bestaande uit de Capital Requirements Directive en de Capital Requirements Regulation) en MiFID (Markets in Financial Instruments Directive).

De onderhandelingen in Brussel over het CRD IV pakket bevinden zich in de triloogfase (Europese Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad). Anders dan aanvankelijk beoogd was, hebben deze onderhandelingen in 2012 niet tot een afronding geleid. Daardoor is de oorspronkelijke inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2013 van Basel III niet gehaald. Gestreefd wordt nu naar afronding van de triloogonderhandelingen, gevolgd door stemming in het Europees Parlement en daarmee vaststelling van de definitieve teksten, in de eerste helft van 2013. Er is nog geen datum vastgelegd waarop de CRD IV richtlijn en verordening in werking zouden moeten treden. Omdat een korte implementatietermijn verwacht wordt, is besloten om al tijdens de raadsonderhandelingen te beginnen met de voorbereiding van wet- en regelgeving ter implementatie van CRD IV in Nederland.

Eind 2011 zijn raadsonderhandelingen gestart over de voorstellen van de Europese Commissie met betrekking tot de herschikking van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID) en de (nieuwe) verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR). Volgens de initiële planning zouden deze onderhandelingen in 2012 worden afgerond. Omdat in Brussel (nog) geen overeenstemming kon worden bereikt over een aantal in die voorstellen opgenomen onderwerpen–zoals de introductie van een nieuwe categorie handelsplatformen (de «organized trading facility»), de op handelsplatformen geldende transparantieregels voor en na de handel alsmede het derdelandenregime–zullen de onderhandelingen eerst in 2013 kunnen worden afgerond. Vervolgens kan de triloog over MiFID/MiFIR met het Europees Parlement beginnen.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 2 Financiële markten
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Randvoorwaarden te creëren die een integer en stabiel systeem bevorderen en er toe bijdragen dat de activiteiten van financiële instellingen gericht zijn op het leveren van betrouwbare dienstverlening aan burgers en bedrijven met acceptabele en transparante risico’s, waarbij de kosten van overmatig risicovol gedrag niet worden afgewenteld op de belastingbetaler.

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

4.248.377

44.538.843

–7.888.426

–5.707.805

– 15.864.348

64.244

– 15.928.592

waarvan garantieverpichtingen

2.745.000

44.363.369

–8.124.708

–5.841.128

– 15.932.412

0

– 15.932.412

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

5.000

0

– 15.000

– 18.000

0

0

0

Garantieregeling bancaire leningen

2.740.000

44.360.869

–8.102.903

–5.823.147

– 15.932.477

0

– 15.932.477

Garantie Nederlands Bureau der Motorrijtuigenverzekering

2.500

0

0

0

0

0

Garantie en waarborg NWB

– 6.769

0

0

0

0

               

waarvan verplichting uit hoofde van het Depositogarantiestelsel/Icesave

1.425.074

10.174

0

0

0

0

0

waarvan verplichting uit hoofde van het Depositogarantiestelsel/Voorfinanciering DNB

93.219

0

0

0

               

Uitgaven

1.307.578

342.869

228.478

128.238

71.169

64.244

6.925

               

Subsidies

453

531

1.029

1.150

1.467

1.594

– 127

Geldmuseum

       

689

780

– 91

CDFD

       

778

814

– 36

               

Bekostiging

6.793

92.296

73.184

62.700

10.179

15.950

– 5.771

Rechtspraak Financiële Markten

1

550

580

1.245

687

1.000

– 313

Caribbean Financial Action Taskforce

44

42

31

22

23

32

– 9

Muntcirculatie

6.748

10.111

6.837

9.393

8.500

13.985

– 5.485

Afname munt in circulatie

0

81.593

65.736

52.040

0

0

0

IASB

       

380

380

0

Boetes EC

       

Monitoring cie code Verzekeraars

       

130

125

5

Monitoring cie code Banken

       

193

140

53

Monitoring cie Corporate Governance

       

266

288

– 22

               

Garanties

4.481

0

0

0

Terugbetaling fee garantie bancaire leningen

     

4.481

0

0

0

               

Leningen

1.236.195

199.054

93.219

0

0

0

0

Voorfinanciering DNB (DGS)

1.236.195

199.054

93.219

0

0

0

0

               

Opdrachten

1.138

3.107

3.884

3.602

2.091

2.300

– 209

Platform CentiQ

1.138

3.107

3.884

3.602

2.091

2.300

– 209

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

62.999

47.881

57.162

56.305

57.432

44.400

13.032

Bijdrage toezicht AFM

27.986

28.931

28.666

30.505

29.722

26.384

3.338

Bijdrage toezicht DNB

35.013

18.950

28.496

25.800

27.710

18.016

9.694

               

Ontvangsten

18.430

132.212

412.754

906.597

586.778

242.739

344.039

               

Garanties

0

115.983

407.210

365.893

230.242

231.324

– 1.082

Premieontvangsten garantieregeling bancaire leningen

0

115.983

407.210

365.893

230.242

231.324

– 1.082

               

Leningen

0

0

0

534.007

293.150

3.738

289.412

Ontvangsten voorfinanciering DNB (DGS)

     

91.059

2.285

3.738

– 1.453

Ontvangsten (uit boedel) Icesave

     

442.948

290.865

0

290.865

               

Bekostiging

5.421

9.440

2.276

2.840

60.313

5.184

55.129

Ontvangsten muntwezen

61

9.440

2.276

2.840

1.767

5.184

– 3.417

Toename munten in circulatie

5.360

0

0

0

58.546

0

58.546

               

Overig

13.009

6.789

3.268

3.857

3.073

2.493

580

Overige programma-ontvangsten

13.009

6.789

3.268

2.107

1.473

2.493

– 1.020

Premieontvangsten terrorismepool

1.750

1.600

0

1.600

E: Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Muntcirculatie (– € 5,5 mln.)

Er zijn minder circulatiemunten aangemaakt dan begroot waardoor er ook minder muntmetaal aangekocht hoefde te worden. Ook de oplagen bijzondere munten lagen lager dan begroot, hetgeen eveneens betekent dat minder muntmetaal benodigd was.

Bijdrage toezicht AFM en DNB: (+ € 13,0 mln.)

Dit betreft de aan de AFM en DNB verstrekte overheidsbijdrage voor het toezicht op de financiële markten. Het in de Rijksbegroting van 2012 opgenomen totaalbedrag van € 44,4 mln. was vastgesteld vanuit de veronderstelling dat de Wet bekostiging financieel toezicht op 1 januari 2012 in werking zou treden. Dat bleek niet haalbaar te zijn. Dit betekent dat de overheidsbijdrage aan beide toezichthouders overeenkomt met de door hen voor 2012 begrote bijdragen, terwijl er tevens nog een nacalculatie over 2011 heeft plaatsgevonden hetgeen geleid heeft tot een extra betaling van € 0,6 mln.

Ontvangsten

Leningen (– € 290,9 mln.)

Uit de boedel van de failliete Landsbanki heeft Nederland twee uitkeringen ontvangen ter grootte van in totaal € 290,9 mln. (€ 197,3 mln. en € 93,6 mln.). Dit bedrag was op voorhand moeilijk te ramen en is daarom in het afgelopen jaar door middel van de 2e suppletoire begroting ondergebracht als extra post «Ontvangsten IJsland» onder «Leningen» van de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid».

Ontvangsten muntwezen (+ € 3,4 mln.)

Doordat er minder munten voor verzamelaars zijn verkocht dan begroot, zijn de ontvangsten lager dan geraamd.

Toename munten in circulatie (– € 58,5 mln.)

Er zijn meer munten in omloop gebracht dan dat er uit omloop terugkwamen, waardoor het aantal munten in circulatie is toegenomen. Deze toename heeft geleid tot netto inkomsten gelijk aan de nominale waarde van de munten. Door in te teren op de aanwezige voorraad munten, heeft de toename van het aantal munten niet tot hogere productiekosten geleid.

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A: Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De minister van Financiën ziet in algemene zin toe op een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. De publieke doelstellingen worden met inzet van zo min mogelijk (financiële) middelen gerealiseerd of gegeven de hoeveelheid middelen wordt een zo hoog mogelijke kwaliteit nagestreefd. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, complexe investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek-private investeringen (PPI) in Nederland.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen van en adviseren over bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van publieke investeringsprojecten die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen in staat worden gesteld de projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit te realiseren; voorbeelden van deze projecten zijn DBFM(O)-projecten, complexe investeringsprojecten, verdelen van schaarse vergunningen en beheer, ontwikkeling en aan- en verkoop van overtollige gronden;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • het beheren van de Illiquid Asset Back-up Facility binnen de contractvoorwaarden;

  • zwaarwegende en principiële beslissingen (o.a. exitstrategie en beloningsbeleid) van NLFI, de stichting die de aandelen in ABN Amro en ASR Nederland beheert.

De minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die kunnen worden ingezet voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van projectfinanciering en risicomanagement;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • PPS-code: de beheercode binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten;

  • Wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en de Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om de invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

De minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te meten. Om deze effecten te kunnen meten waren er in de begroting een vijftal meetbare indicatoren/streefwaarden opgenomen. In onderstaande tabel zijn de realisaties van de afgelopen drie jaren inzichtelijk gemaakt, waarbij de realisatie van 2012 is afgezet tegen de streefwaarde, zoals deze in de begroting 2012 was opgenomen:

Realisatie meetbare gegevens

kengetal1

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

1.

% deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply or explain» toepast.

88%

94%

88%

100%

100%

2.

% van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI).

n.v.t.

n.v.t.

88%

100%

100%

3.

% deelnemingen waarvan het beloningsbeleid conform de methodiek2 is vastgesteld.

n.v.t.

n.v.t.

93%

100%

93%

4.

% van deelnemingen met dividend pay-out ratio3 van ten minste 40%.

n.v.t.

n.v.t.

47%

80%

33%

5.

% van deelnemingen met een minimum return on equity (RoE) van 8%.

n.v.t.

n.v.t.

47%

65%

40%

Bron: Jaarverslagen en statuten van de ondernemingen uit de huidige portefeuille staatsdeelnemingen waarvan het beheer is belegd bij het ministerie van Financiën (exclusief verworven financiële deelnemingen naar aanleiding van de kredietcrisis)

X Noot
1

Vanaf dit jaar worden Thales en KLM gezien de beperkte invloed als aandeelhouder bij alle indicatoren buiten beschouwing gelaten.

X Noot
2

Kamerstukken II 2008/09, 28 479, nr. 39

X Noot
3

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio. De ratio wordt berekend over deelnemingen waar wij invloed hebben

De meetbare indicatoren 1 t/m 5 beogen zowel het publieke karakter van de deelnemingen te weerspiegelen als ook de bedrijfseconomische principes die gehanteerd worden bij het uitoefenen van het aandeelhouderschap. Ten behoeve van de realisatiecijfers over 2012 wordt gekeken naar de realisaties die samenhangen met het verslagjaar/boekjaar 2011 van de staatsdeelnemingen. Immers, er kan niet op 2012 worden teruggeblikt zonder de officiële jaarrekeningen en jaarverslagen over 2012. Het merendeel van de door de aandeelhouder vastgestelde jaarrekeningen wordt pas verwacht, nadat het jaarverslag van het ministerie van Financiën naar de Kamer is gestuurd.

Bij twee indicatoren wordt de streefwaarde duidelijk niet gehaald. Het minimum rendement op eigen vermogen dat als streefwaarde is opgenomen wordt niet door 65% van de staatsdeelnemingen gerealiseerd, maar door 40% van de staatsdeelnemingen. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste heeft een aantal staatsdeelnemingen een grote investeringsagenda, waarbij de kosten voor de baten uitgaan en rendementen daarom pas later worden gerealiseerd. Ten tweede is er in sommige gevallen vanwege ongunstige marktomstandigheden sprake van tegenvallende bedrijfsresultaten. Slechts 33% van de deelnemingen heeft een pay-out ratio van tenminste 40% weten te realiseren, terwijl de doelstelling 80% was24. Ook hier is een aantal oorzaken voor aan te wijzen. Ten eerste zorgt regulering er bij bepaalde deelnemingen voor dat deze ondernemingen tijdelijk meer winst moeten reserveren, waardoor de payout ratio dus lager wordt. Ten tweede reserveren sommige deelnemingen een groter gedeelte van de winst om grote investeringen te kunnen financieren. Doorgaans vertaalt het reserveren van winst ten behoeve van investeringen zich in hogere winst en daarmee hogere dividenden in de toekomst. De overige indicatoren werden wel behaald of liggen heel dicht bij de streefwaarde.

Om te meten in hoeverre publieke investeringsprojecten doelmatig worden gerealiseerd, is het aantal goed uitgevoerde Public Private Comparators (PPC) als indicator in de begroting opgenomen. Een PPC is een instrument om de voor- en nadelen van verschillende uitvoeringsvarianten van een project financieel inzichtelijk te maken en biedt de basis voor de besluitvorming over de DBFM(O)-variant van een project. In de PPS-code Rijksoverheid 200825 is vastgelegd dat voor alle voorgenomen investeringen in Rijksgebouwen (nieuwbouw of renovatie) boven € 25 mln. en Rijksinfrastructuur boven de € 60 mln. PPC’s worden uitgevoerd. Om te meten in hoeverre publieke investeringsprojecten doelmatig worden gerealiseerd waren er in de begroting een drietal meetbare indicatoren/streefwaarden opgenomen. In onderstaande tabel is de realisatie van 2012 afgezet tegen de streefwaarde, zoals deze in de begroting 2012 was opgenomen:

Realisatie meetbare gegevens

Kengetal

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

1.

Percentage van projecten binnen het Rijk (infrastructuur, Rijkshuisvesting, Defensie) waar een PPC voor is uitgevoerd zoals afspraken voorschrijven.

100%

100%

2.

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor «comply-or-explain» is toegepast.

100%

100%

3.

Aantal PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor gekozen is voor DBFM(O).

80%

67%

Bron: Vakdepartementen, zij geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is.

Uit de tabel valt op te maken dat de realisatie van het aantal PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarbij ook daadwerkelijk is gekozen voor DBFM(O) in 2012 achter blijft bij de streefwaarde. De oorzaak hiervoor is dat over heel 2012 slechts 3 PPC’s zijn uitgevoerd, waarvan bij 2 meerwaarde bleek voor DBFM(O) (en daar ook voor gekozen is) en over de derde besluitvorming nog plaats moet vinden. Echter, ondanks het geringe aantal uitgevoerde PPC’s in 2012 zullen de komende jaren nog veel DBFM(O)-projecten aanbesteed worden op basis van de vóór 2012 uitgevoerde PPC’s.

De verantwoordelijkheid voor de beslissing om volgens PPS (DBFMO) aan te besteden ligt bij de vakdepartementen. Bij gebouwgebonden PPS ligt de verantwoordelijkheid tevens bij de cliënten van de Rijksgebouwendienst. De vakdepartementen dragen de primaire verantwoordelijkheid voor het welslagen van de projecten en dus voor het behalen van doelstellingen van bedrijfseconomische efficiëntie en doelmatigheid.

C: Beleidsconclusies

Deelnemingen

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het aandeelhouderschap van het overgrote deel van de staatsdeelnemingen. In 2012 is verder gegaan met het uitoefenen van het actief aandeelhouderschap langs de vier sporen uit het deelnemingenbeleid (strategie, investeringsbeslissingen, vermogenspositie, beloningsbeleid).

Strategie

In 2012 heeft de aandeelhouder met verschillende deelnemingen over de strategie gesproken. Uit het regeerakkoord blijkt dat het kabinet voornemens is Holland Casino te verkopen. De betrokken bewindspersonen hebben er voor gekozen om, alvorens tot verkoop over te gaan, de marktinrichting en -ordening van de verschillende kansspelmarkten te moderniseren. Wanneer de Kamer akkoord is met een gemoderniseerde inrichting en ordening van de kansspelmarkten kan Holland Casino worden verkocht. In 2012 is tevens besloten het winstafdrachtregime van Holland Casino tijdelijk aan te passen, opdat de onderneming zich kan herstructureren en op een financieel solide basis zelfstandig in een gemoderniseerde kansspelmarktomgeving kan opereren.

Medio 2011 heeft het toenmalige kabinet in het Energierapport aan de Kamer gemeld dat onderzoek wordt gedaan naar minderheidsprivatiseringen bij Tennet en Gasunie26. Er dient door het huidige kabinet nog nadere besluitvorming over de minderheidsprivatisering van Tennet en de Gasunie plaats te vinden. Inzake Gasunie heeft de minister naar aanleiding van afwaarderingen van in totaal € 1,5 mrd. op de aankoop van een Duits netwerk een extern onderzoek laten uitvoeren naar de gang van zaken. Dit rapport is medio december 2012 naar de Kamer gestuurd27.

De minister heeft besloten het resterende belang van de Staat in Connexxion te verkopen, hierover is in december 2012 een Algemeen Overleg gevoerd met de Kamer. De overdracht van de aandelen aan Transdev-BNG Connexxion Holding (TBCH) heeft inmiddels plaatsgevonden28.

Investeringen en vermogenspositie

De minister van Financiën heeft in 2012 als aandeelhouder bij Tennet een aantal grote investeringsprojecten beoordeeld en goedgekeurd. De minister heeft ook ingestemd met een voorstel van Tennet voor de mede-financiering door Mitsubishi voor de aansluiting van Duitse windparken op het landelijk hoogspanningsnetwerk.

Beloningsbeleid

In 2012 is voor zowel NS als ook voor Tennet een nieuw gematigd beloningsbeleid vastgesteld. In november 2012 heeft de minister van Financiën aangekondigd het beoordelingskader voor bestuurdersbeloningen van staatsdeelnemingen in 2013 te zullen herijken, waarbij onder meer richtlijnen zullen worden gesteld voor de variabele beloning.

Publiek Private Investeringen

Nederland heeft op het gebied van DBFM(O) internationaal een toppositie bereikt, onder meer vanwege haar zakelijke focus op «value for money», rijksbrede standaardisatie, professionaliteit van het Rijk als opdrachtgever, de verankering van DBFM(O) binnen de vakdepartementen, de goed gevulde pijplijn van projecten en de respons en flexibiliteit tijdens de kredietcrisis 2008/200929. Deze positie is in 2012 verder uitgebouwd door succesvolle aanbestedingen, verdere stroomlijning van het proces, hoge kwaliteit van contractmanagement en, mits voordelig voor het Rijk, het accommoderen van nieuwe partijen zoals institutionele beleggers en andere investeerders uit binnen- en buitenland.

Tevens is ingezet op het verder implementeren van DBFM(O) bij wegen, sluizen, kanalen en gebouwen van het Rijk. Het kabinet wil DBFM(O) waar mogelijk toepassen om de beschikbare middelen optimaal te gebruiken alsmede ondernemerschap en innovatie te bevorderen. DBFM(O) is daarbij geen doel op zich maar een middel om dezelfde kwaliteit voor minder geld te realiseren.

In 2012 heeft de minister van Financiën bijgedragen aan het realiseren van een efficiëntere en effectieve bedrijfsvoering binnen het rijk. In het programma Compacte Rijksdienst bijvoorbeeld, heeft de minister van Financiën aangestuurd op het versterken van de governance op de ondersteunende bedrijfsvoeringsdiensten en de strategie ten aanzien van in- en uitbesteding (SGO project 5: Governance en Sourcing). Ook ten aanzien van vastgoed heeft de minister van Financiën geadviseerd over deze aspecten, onder meer bij de vorming van het Rijksvastgoedbedrijf (het fusiebedrijf tussen de Rijksgebouwendienst en het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf, SGO project 2: Vastgoed). De kansen die het toepassen van DBFM(O)-principes biedt voor overheidsinvesteringen in ICT, worden nader onderzocht. Eind 2012 is door de Interdepartementale Commissie van CIO’s het besluit genomen een aantal ICT projecten, middels het uitvoeren van PPC’s te onderzoeken op de mogelijkheden van publiek-private samenwerking.

Financiën is betrokken gebleven bij het sourcingprogramma Defensie30 waarbij sourcingafwegingen en -trajecten zijn gefaciliteerd. Ook bij onderzoek naar haalbaarheid en financiering van initiatieven op het gebied van duurzaamheid en energie, zoals windparken, is de minister van Financiën betrokken. Voor financiële zekerheidstelling zoals bedoeld in de Kernenergiewet is toezicht gehouden op de gedegen invulling van de verplichtingen van exploitanten van kernreactoren. In 2012 zijn de aanvragen van een viertal vergunningshouders inzake de nucleaire installaties beoordeeld en op basis daarvan hebben de minister van Financiën en de minister van EL&I31 hen een positieve beschikking gegeven. Voorts hebben de ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gezamenlijk de productieonderdelen van het Nederlands Vaccin Instituut per 29 juni 2012 verkocht. De verkoopopbrengst is verantwoord op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Wat betreft het verdelen van schaarse vergunningen heeft de minister van Financiën een adviserende en toezichthoudende rol gespeeld bij de multiband frequentieveiling die heeft geleid tot een opbrengst van € 3,8 mld. Deze opbrengsten zullen in 2013 op de begroting van het ministerie van Economische Zaken worden verantwoord. Tevens is in 2012 gewerkt aan de voorbereiding voor het verstrekken van vergunningen voor internet kansspelen.

Beheer interventies financiële sector

Als gevolg van de kredietcrisis verleent de Staat op dit moment nog steun aan ING door middel van Core Tier 1 securities. De vordering van de Staat met betrekking tot de Core Tier 1 securities, die de Staat hield in SNS REAAL N.V., is vanwege de nationalisatie van SNS REAAL N.V. op de saldibalans op 0 gewaardeerd. De securities zijn in 2008 door de instellingen uitgegeven om hun kapitaalpositie te versterken. De minister van Financiën heeft in 2012 met ING afgesproken dat het nog openstaande deel van de Core Tier 1 securities zal worden afgelost. Dit zal geschieden door betalingen van in totaal € 4,5 mld. verspreid over de periode 2012–2015 te doen in tranches van € 1,125 mld. per jaar. In 2012 heeft ING de eerste tranche van € 1,125 mld. betaald.

Het onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht van RFS Holdings B.V. aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI) is in 2012 afgerond. Daarom heeft het ministerie van Financiën de aandelen in RFS Holdings B.V. overgedragen aan NLFI tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming. Daarnaast heeft de tijdelijke deelneming ABN AMRO in 2012 een schikking getroffen met Ageas (het voormalige Fortis België) en de Staat over een aantal geschillen die tussen de Staat en Ageas zijn ontstaan bij de verwerving door de Staat van de Nederlandse onderdelen van Fortis en ABN AMRO. Het gaat hierbij om de verrekening van financiële instrumenten (mandatory convertible securities, financieringsprefs van Fortis Capital Company), een bij de verkoop afgegeven vermogensgarantie en over niet-geleverde preferente aandelen in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. Middels het treffen van de schikking is er een einde gekomen aan alle nog uitstaande geschillen tussen de Nederlandse Staat en Ageas over de overname van de Nederlandse activiteiten van de voormalige Fortis-groep door de Nederlandse Staat op 3 oktober 2008.

Illiquid Assets Back-up Facility (IABF)

De IABF is één van de kredietcrisismaatregelen. Begin 2009 hebben de Staat en ING Groep N.V. (ING) overeenstemming bereikt over een back-up faciliteit die betrekking heeft op de gesecuritiseerde Amerikaanse hypothekenportefeuille van ING (de Alt-A portefeuille). De transactie bestaat uit zeven kasstromen (figuur 1).

Figuur 1: kasstromen Illiquid Assets Back-up Facility

Figuur 1: kasstromen Illiquid Assets Back-up Facility

In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen32. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille. Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING.

Later zijn twee extra betalingen van ING aan de Staat overeengekomen33. Die betalingen komen overeen met een verlaging van de funding fee met 0,5 procentpunt en een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt.

De zevende kasstroom (verhandelbaarheidsfee in figuur 1) is een gevolg van afspraken die zijn gemaakt tussen ING en de Staat voor het loskoppelen van de IABF van ING Direct US in verband met de verkoop van ING Direct US34. Eind 2012 is de structuur van de IABF verder aangepast om ook de overige ING US entiteiten los te koppelen van de IABF.

Meetbare gegevens

Het uiteindelijke resultaat op de transactie zal pas na afloop bekend zijn. Contractueel is dit na circa 40 jaar. Tot die tijd kan met behulp van een aantal kerncijfers de ontwikkeling van de gerealiseerde resultaten worden gevolgd (terugkijkend).

In tabel 1 is voor 2011 en 2012 de omvang van de zeven kasstromen die voortkomen uit de transactie weergegeven.

Tabel 1: kasstromen 2011 en 2012 (in € mln.)
 

2011

2012

Funding fee

3.242

2.644

Management fee

39

33

Totaal uitgaven

3.281

2.678

     

Portefeuille ontvangsten

3.012

2.434

Garantie fee

85

73

Additionele garantie fee

128

110

Additionele fee

55

46

Verhandelbaarheidsfee

 

15

Totaal ontvangsten

3.281

2.678

     

Saldo

0

0

Het kasstroomoverzicht laat zien dat elke US dollar (in de tabel zijn dollars omgerekend naar euro’s) die uit de portefeuille of als fee is binnengekomen in 2011 en 2012 ook weer is terugbetaald aan ING. De kasstromen geven beperkt inzicht in de resultaten van de IABF. Een balans en resultaat gebaseerd op een bedrijfseconomische benadering geven meer inzicht.

Door (vervroegde) aflossingen en afboekingen (verliezen) is de omvang van de RMBS portefeuille in 2012 teruggelopen met ca. $ 3,3 mld. van $ 17,8 mld. (€ 13,8 mld.) tot $ 14,5 mld. (€ 11,0 mld.). De dollars die zijn binnengekomen zijn gebruikt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING. Als gevolg daarvan is de gegarandeerde waarde in 2012 teruggelopen met ca. $ 3,1 mld. van $ 13,0 mld. (€ 10,1 mld.) tot $ 9,9 mld. (€ 7,5 mld.) ultimo 2012. De cijfers in euro en de voor omrekening gebruikte wisselkoersen zijn terug te vinden in tabel 2.

Tabel 2: balans ultimo 2011 en 2012 (in € mln.)

Omschrijving

Balans per 31-12-2012

Balans per 31-12-2011

Activa

   

RMBS portefeuille

11.004

13.751

Kas ($-rekening)

0

0

Te ontvangen RMBS hoofdsom

136

183

Te ontvangen RMBS interest

29

39

Te ontvangen additionele fee

3

4

Te ontvangen verhandelbaarheidsfee

2

 

Resultaat 2012

118

 

Totaal activa

11.291

13.976

     

Passiva

   

Guaranteed Value (GV)

7.496

10.055

Buffer in de transactie

3.626

3.695

Te betalen GV

159

209

Te betalen funding fee

11

17

Totaal passiva

11.291

13.976

     

Eurodollar koers

1,3194

1,2939

In tabel 2 staan ook nog enkele posten vermeld die reeds zijn verwerkt in de resultaten voor 2012, maar per 31-12-2012 nog niet zijn ontvangen van ING of nog niet zijn betaald aan ING.

Balans en relatie met de saldibalans

In de saldibalans wordt de resterende meerjaren betalingsverplichting ultimo 2012 weergegeven. De meerjarenverplichting (€ 7,7 mld.) is opgebouwd uit de gegarandeerde waarde ultimo 2012 (€ 7,5 mld.) plus een verplichting van de Staat aan ING die begin 2013 is voldaan, maar betrekking heeft op december 2012 (€ 0,2 mld.). De verplichting luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de in de tabel 2 vermelde eurodollar koers.

In de saldibalans wordt ook de omvang van de Alt-A portefeuille die tegenover de verplichting aan ING staat weergegeven. De omvang van de Alt-A portefeuille luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de in de tabel vermelde eurodollar koers. De nominale omvang van dat deel van de Alt-A portefeuille waarvoor de Staat risico’s heeft overgenomen bedroeg ultimo 2012 € 11,0 mld. Het op de saldibalans vermelde bedrag (€ 11,1 mld.) omvat daarnaast een deel van de portefeuille-ontvangsten die in december 2012 door ING zijn ontvangen, maar pas in januari 2013 zijn betaald aan de Staat (€ 0,1 mld.).

Buffer in de transactie

De buffer in de transactie is sinds het aangaan van de transactie toegenomen van 10% tot 31,9% van de nominale omvang van de portefeuille ultimo 2012. Dit is inclusief het resultaat over 2012.

De buffer neemt jaarlijks toe met de omvang van het resultaat. In 2009, 2010 en 2011 was er sprake van positieve resultaten. In 2012 is voor het eerst sprake van een negatief resultaat (zie tabel 2). Het negatieve resultaat is het gevolg van oplopende verliezen. In absolute termen neemt de buffer in 2012 na verwerking van het resultaat, dus af ten opzichte van de omvang eind 2011.

Relatief, ten opzichte van de resterende omvang van de portefeuille, is nog steeds sprake van een toename in de buffer. Tabel 3 illustreert dit. De ontwikkeling van de buffer is onder te verdelen in drie categorieën: Ten eerste is het financieringsvoordeel in 2012 in relatieve termen gelijk aan dat in 2011. Ten tweede neemt de buffer toe als gevolg van het netto resultaat op de fees in relatieve termen in 2012 iets groter is dan in 2011. Dit komt door de zevende kasstroom die in 2012 aan de constructie is toegevoegd. De laatste oorzaak van de toename van de buffer zijn de beperkte verliezen, dit vergt iets meer uitleg. Doordat de buffer in 2011 is gestegen, kunnen daarmee in 2012 meer verliezen worden opgevangen. In 2012 is de omvang van de portefeuille gedaald door hoofdsommen die zijn ontvangen en door verliezen. In 2012 was het percentage ontvangen hoofdsommen groter dan 73,1% en het percentage verliezen kleiner dan 26,9% (de omvang van de buffer ultimo 2011). Verliezen op de portefeuille nemen weliswaar toe, maar zijn ook in 2012 nog achtergebleven bij de omvang van de buffer. Dit draagt positief bij aan de ontwikkeling van de buffer.

Tabel 3: ontwikkeling van de buffer in de transactie sinds ultimo 2010

Omvang buffer per 31-12-2010

20,7%

Toename door financieringsvoordeel

2,6%

Toename door netto resultaat op de fees

1,3%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

2,3%

Omvang buffer per 31-12-2011

26,9%

Toename door financieringsvoordeel

2,6%

Toename door netto resultaat op de fees

1,5%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

0,9%

Omvang buffer per 31-12-2012

31,9%

Buffer in de obligaties

Naast de buffer in de transactie is er ook sprake van een buffer in de obligaties, de zogenaamde credit enhancement. Een deel van de obligaties in de portefeuille kent door hun kwaliteit een buffer. De gemiddelde credit enhancement in de portefeuille is afgenomen van ca. 16% bij aanvang van de transactie naar ca. 9% per ultimo 2012 (zie figuur 2). De credit enhancement geeft aan hoe groot de bescherming is tegen verliezen op de onderliggende hypothekenpool doordat deze verliezen eerst worden opgevangen door «overcollateralization» of (houders van) obligaties met een lagere rating. Indien op een obligatie sprake is van een credit enhancement van 0 komen de eerstvolgende verliezen op de onderliggende hypothekenpool voor rekening van de houder(s) van die obligatie. Voor steeds meer obligaties in de portefeuille is sprake van een credit enhancement van 0 en als gevolg daarvan daalt de gemiddelde credit enhancement in de portefeuille.

Figuur 2: ontwikkeling gemiddelde credit enhancement

Figuur 2: ontwikkeling gemiddelde credit enhancement

Ontwikkeling van de verliezen op de portefeuille

Als de gemiddelde credit enhancement in de portefeuille afneemt, zullen de verliezen die voor rekening van de Staat komen toenemen. Door toenemende verliezen zal in eerste instantie de buffer in de transactie dus minder hard stijgen of bij forse verliezen zelfs gaan afnemen. Het totale verlies is opgelopen tot ca. 4% van de oorspronkelijke omvang van de portefeuille (zie figuur 3).

Figuur 3: cumulatief verlies (% van de oorspronkelijke omvang portefeuille)

Figuur 3: cumulatief verlies (% van de oorspronkelijke omvang portefeuille)
D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

37.073.208

58.803.151

– 27.770.244

1.027.232

68.581

296.620

– 228.039

Waarvan betalingsverplichting:

             

Verwerving vermogenstitels

23.340.000

429.667

0

0

0

0

0

Verplichting kapitaalstorting Tennet

0

0

0

600.000

0

0

0

Verplichting kapitaalconversie Fortis

0

1.350.000

0

0

0

0

0

Verplichting Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

0

2.600.000

1.031.000

0

0

0

0

Verplichting Fonds Financiële Structuurversterking

13.750.000

0

0

0

0

0

0

Verplichting Superdividend NS naar Prorail

 

0

1.400.000

0

0

0

0

Meerjarenverplichting aan ING

0

19.818.996

1.618.794

461.193

67.858

282.000

– 214.142

               

Waarvan garantieverplichting:

             

Regeling BF

– 34.716

– 11.081

– 6.390

– 8.322

– 1.600

0

– 1.600

Voorwaardelijke verplichting Capital Relief Instrument

0

32.611.091

– 32.611.091

0

0

0

0

Garantie Counter Indemnity

0

0

950.000

0

0

0

0

Garanties en vrijwaringen (Nozema)

0

1.060.447

– 167.198

– 49.092

– 13.000

0

– 13.000

               

Waarvan overige verplichtingen

17.924

944.031

14.641

23.453

15.323

14.620

703

               

Uitgaven

37.107.459

9.282.251

6.833.292

3.599.367

2.993.758

2.377.720

616.038

               

Vermogensverschaffing

             

Kapitaalstorting Tennet

     

300.000

300.000

300.000

0

Uitkering superdividend NS naar Prorail

0

0

1.400.000

0

0

0

0

Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

   

928.000

0

0

0

0

Kasschuif tweede herkapitalisatie ABN AMRO

   

0

0

0

0

Kapitaalstorting couponbetaling MCN

   

103.000

0

0

0

0

Verwerving vermogenstitels

23.340.000

429.667

0

0

0

0

0

Kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS REAAL

13.750.000

0

0

0

0

0

0

Kapitaalconversie Fortis

0

1.350.000

0

0

0

0

0

               

Bekostiging/bijdrage

             

PPS

546

324

6

0

0

0

0

NLFI (voorheen STAK)

       

5.250

5.000

250

               

Lening

             

Management Fee IABF

0

58.754

46.592

38.756

33.206

32.000

1.206

Funding Fee IABF

0

3.903.293

4.345.040

3.242.213

2.644.371

2.030.000

614.371

Mandatory Convertible Note

0

2.600.000

0

0

0

0

0

               

Garantie

             

Regeling BF

1.959

13.918

0

0

0

1.100

– 1.100

Dotatie begrotingsreserve TenneT

   

1.644

4.800

4.800

4.800

0

               

Overig

             

Afkoop bijdrage exploitatiebijdrage Westerscheldetunnel

0

881.464

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten tijdelijke regeling tankstations

32

24

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

11.197

44.807

9.011

13.598

6.131

4.820

1.311

Onderhoud- en beheerkosten GOB

3.725

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

2.409.470

16.130.388

7.970.200

9.925.613

5.131.796

7.891.115

– 2.759.319

               

Vermogensonttrekking

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

379.201

1.400.000

154.600

9.000

12.441

0

12.441

Dividend staatsdeelnemingen

602.677

537.238

617.686

423.226

312.510

216.460

96.050

Winstuitkering DNB

1.181.268

1.279.950

1.658.738

544.278

749.494

549.000

200.494

Afdracht Holland Casino

45.815

– 11.952

9.839

0

0

10.000

– 10.000

Afdrachten Staatsloterij

100.535

94.787

108.395

102.423

100.000

100.000

0

Opbrengst verkoop vermogenstitels

0

1.320.924

355

150

38

0

38

Dividend Financiële instellingen

 

0

6.410

216.244

121.302

419.000

– 297.698

Terugstorting agio

19.080

0

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

       

2.419

4.300

– 1.881

               

Leningen

             

Portefeuille ontvangsten IABF

0

3.819.253

4.058.123

3.012.250

2.433.653

1.839.000

594.653

Garantie Fee IABF

0

129.260

102.502

85.262

73.054

71.000

2.054

Additionele fee IABF

0

13.535

77.067

55.409

46.350

46.000

350

Additionele garantie fee IABF

0

0

153.939

128.048

109.713

106.000

3.713

Verhandelbaarheidsfee

0

0

0

0

14.807

0

14.807

Rente en aflossing div. leningen

75.021

71.014

67.007

62.999

0

0

0

Aflossing securities ING, Aegon en SNS Reaal

0

6.185.000

500.000

3.500.000

750.000

3.000.000

– 2.250.000

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

0

1.250.845

154.715

1.750.472

375.000

1.500.000

– 1.125.000

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

0

0

103.000

0

0

0

0

               

Garantie

             

Regeling Bijzondere Financiering

3.835

548

258

658

210

0

210

Premie-ontvangsten garantie TenneT

   

1.644

4.800

4.800

4.800

0

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

0

28.214

165.482

0

0

0

0

Premie-inkomsten Counter Indemnity

 

0

25.555

25.555

25.555

25.555

0

               

Overig

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

2.036

11.772

4.884

4.839

450

0

450

Tijdelijke regeling subsidie tankstations

2

0

0

0

0

0

0

E: Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Meerjarenverplichting IABF (– € 214,1 mln.)

In 2009 is de Staat een Illiquid Assets Back-up Facility overeengekomen met ING. Als gevolg daarvan is er voor de Staat een meerjaren betalingsverplichting aan ING ontstaan. Deze verplichting is toegenomen door de verplichting tot het betalen van een management fee en rentevergoeding over 2012. De realisatie in 2012 is lager dan de vastgestelde begroting doordat de rentevergoeding over 2012 lager was dan in de raming. Daarnaast is de omvang van de verplichting in euro afgenomen door de appreciatie van de euro ten opzichte van de dollar in 2012. De totale betalingsverplichting aan ING is ultimo 2012 afgenomen tot ongeveer € 7,7 mld. (zie saldibalans).

Garanties en vrijwaringen Nozema (– € 13,0 mln.)

Nozema is in 2006 door de Staat verkocht. Bij die verkoop heeft de Staat aan de kopende partij een aantal garanties en vrijwaringen afgegeven. Met de uitbetaling van de vennootschapsbelasting (zie ook de uitgaven), zijn de verplichtingen die voortvloeiden uit de afgegeven garanties en vrijwaringen komen te vervallen.

Uitgaven

Funding fee (+ € 614,4 mln.)

De funding fee is hoger dan geraamd. Dit is het gevolg van de hogere dan geraamde ontvangsten op de Alt-A portefeuille (zie toelichting bij ontvangsten) en doordat elke dollar die binnenkomt, gebruikt wordt om versneld te voldoen aan de verplichting.

Regeling BF (– € 1,1 mln.)

Onder de regeling Bijzondere Financiering staan nog een paar kredieten uit. In 2012 hebben zich geen schades voorgedaan.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 1,3 mln.)

De uitvoeringskosten gelieerd aan het beheer van de staatsdeelnemingen zijn hoger uitgevallen dan geraamd. Dit heeft meerdere oorzaken. De eerste oorzaak ziet op de voormalige staatsdeelneming Nozema, die in 2006 door de Staat is verkocht. Bij die verkoop heeft de Staat aan de kopende partij een aantal garanties en vrijwaringen afgegeven. De vrijwaring die ziet op de vennootschapsbelasting heeft door een uitspraak van de Belastingdienst geleid tot een uitgave van € 5 mln. De overige kosten, voornamelijk kosten voor de inhuur van extern advies, vallen mee. Dit had te maken met het (tijdelijk) stopzetten van de voorbereidingen ten aanzien van de (deel)privatiseringen van Tennet en de Gasunie. Tenslotte vallen ook de kosten voor de inhuur van extern advies in het kader van de kredietcrisis mee. Er zijn minder kosten gemaakt dan voorzien met betrekking tot de procedures die naar aanleiding van de nationalisatie van Fortis/AA door verschillende partijen tegen de Staat waren aangespannen.

Ontvangsten

Opbrengst onttrekking vermogenstitels (+ € 12,4 mln.)

Er is meer kapitaal uit het eigen vermogen van staatsdeelnemingen onttrokken dan geraamd. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste is Rechterland N.V., een staatsdeelneming in afbeheer, in 2012 geliquideerd. Het nog aanwezige kapitaal is daarmee uitgekeerd aan de Staat. Ten tweede heeft Thales een uitkering uit het eigen vermogen gedaan van € 100 mln. De Staat als 1%-aandeelhouder, heeft hiervan € 1 mln. ontvangen.

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 96,1 mln.)

In 2012 is het dividend van een aantal deelnemingen ten opzichte van de raming in de begroting meegevallen en van een aantal deelnemingen tegengevallen. De meevallers hebben zich voorgedaan bij Tennet, Schiphol en de NS. Terwijl de tegenvallers zich hebben voorgedaan bij NWB bank en BNG.

Winstuitkering DNB (+ € 200,5 mln.)

DNB heeft vanwege de risico’s op de onconventionele maatregelen (Securities Markets Programme, Covered Bonds Purchasing Programme en Open Market Operations) over boekjaar 2011 geen interim-dividend uitgekeerd. DNB heeft over boekjaar 2011 de inkomsten op deze portefeuilles na winstbepaling aan het eigen vermogen toegevoegd. Het verschil tussen de gerealiseerde winst en de aan het eigen vermogen toegevoegde middelen, heeft DNB aan de Staat uitgekeerd. Het door DNB uitgekeerde slotdividend over boekjaar 2011, was hoger dan geraamd.

Afdracht Holland Casino (– € 10,0 mln.)

De winstgevendheid van Holland Casino staat onder druk. De verwachting is dat Holland Casino de komende jaren weinig tot geen winst zal maken. Dit heeft ertoe geleid dat Holland Casino in 2012 geen dividend heeft uitgekeerd.

Dividend financiële instellingen (– € 297,7 mln.)

ABN AMRO heeft in 2012 geen interim-dividend uitgekeerd. ABN AMRO heeft als achterliggende oorzaak gegeven dat het gezien de marktomstandigheden, economisch klimaat, eurocrisis, onzekere vooruitzichten en invoering van Basel 3 in 2013 verstandig is om haar kapitaalpositie te versterken.

NLFI (– € 1,9 mln.)

De op basis van de begroting 2012 van NLFI aan ASR doorbelaste kosten worden in 2013 ontvangen.

Portefeuille ontvangsten (+ € 594,7 mln.)

De ontvangsten uit de portefeuille zijn in 2012 hoger dan geraamd doordat de gerealiseerde verliezen in 2012 lager waren dan de verliezen waarmee in de raming voor 2012 rekening was gehouden.

Verhandelbaarheidsfee (+ € 14,8 mln.)

In 2012 is de IABF geherstructureerd om de IABF los te koppelen van de Amerikaanse ING entiteiten. Als gevolg daarvan is sinds 2012 sprake van een vergoeding (de verhandelbaarheidsfee) die ING aan de Staat betaald voor het feit dat de Staat de meerjarenverplichting aan ING verhandelbaar heeft gemaakt zodat ING deze kan gebruiken om financiering aan te trekken via repo transacties35. In de begroting voor 2012 was nog geen rekening gehouden met de verhandelbaarheidsfee.

Aflossing kapitaalversterking ING (– € 2,25 mld.) en coupon- en boetebetaling kapitaalversterking ING (– € 1,13 mld.)

De Staat en ING hebben met de Europese Commissie een akkoord bereikt over de herstructureringsmaatregelen die ING moet uitvoeren en de terugbetaling van de nog uitstaande core tier 1-securities ter waarde van € 3 mld. ING zal deze core tier 1 securities aflossen door een betaling van in totaal € 4,5 mld. verspreid over de periode 2012–2015, in tranches van € 1,125 mld. per jaar. De betaling van de eerste tranche heeft op 26 november 2012 plaatsgevonden. Voor 2012 betekent dit in zijn totaliteit een neerwaartse bijstelling van € 3,4 mld.

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 0,5 mln.)

Er is € 0,5 mln. doorbelast aan bij de onder beheer staande financiële instellingen.

4.4 Internationale Financiële Betrekkingen

A: Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Nederlandse economie wordt door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk beïnvloed door economische ontwikkelingen van de handelspartners waaronder de lidstaten van de Europese Unie. Verreweg het grootste deel van de Nederlandse export en import gaat naar of komt uit andere Europese landen. Een sterke Europese economie heeft daarmee een directe weerslag op de Nederlandse economie. Mede om die reden is Nederland gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is. De minister van Financiën speelt in Nederland op dit gebied een belangrijke rol en maakt daarbij gebruik van een aantal instrumenten.

Ten behoeve van de preventie van financiële instabiliteit neemt de minister actief deel aan multilateraal toezicht ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de EMU. Hieronder valt ook de uitwerking van de afspraken omtrent de versterking van de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een versterkt Stabiliteits- en Groeipact, een procedure voor economische onevenwichtigheden, en een richtlijn voor nationale begrotingsraamwerken. Verder neemt de minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering, en draagt de minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU begroting en het Meerjarig Financieel Kader van de EU uit.

De minister van Financiën draagt bij aan de totstandkoming van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Dit doet de minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin Raad en door een intensieve lobby bij Europese partners.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden internationale financieel-economische ontwikkelingen, bijvoorbeeld door financieel-economische beleidssurveillance, en door de rol als financieel vangnet in geval van een crisis. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de minister bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, Working Party 3 (van de OESO) en discussies bij de G20, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons.

C: Beleidsconclusies

In 2012 is onderhandeld tussen de Raad en het Europees Parlement over de verordeningen van het «twopack». Deze verordeningen maken verdergaand toezicht en monitoring door de Commissie op eurolanden die zich niet aan de afspraken houden, mogelijk. In 2012 zijn de onderhandelingen over het two pack gevoerd in de Raad en tussen Raad en Europees Parlement. Dit resulteerde uiteindelijk in een politiek akkoord in februari 2013. Daarnaast hebben de staatshoofden en regeringsleiders op 2 maart 2012 het verdrag inzake Stabiliteits, Coördinatie en Bestuur in de EMU ondertekend. Ook is de kabinetsvisie op de toekomst van de EMU onder andere ingebracht in voorbereiding op en tijdens de Europese Raad van 13–14 december 2012, waar naar aanleiding van rapporten van ER-voorzitter Van Rompuy en van de Europese Commissie is gesproken over de toekomst van de EMU. Met het oog op de financiële stabiliteit van de eurozone heeft de Eurogroep op 30 maart 2012 besloten om de gezamenlijke leencapaciteit van het EFSF en het ESM op te hogen (zogenaamde firewall)36. De gezamenlijke leencapaciteit van het EFSF en het ESM is € 700 mld., in plaats van € 500 mld.. Dit gecombineerd met de eerder aangegane leningen uit het EFSM van € 49 mld. en de Griekse bilaterale leningen van € 53 mld. is er daarmee een Europese firewall beschikbaar van circa € 800 mld. Meer informatie over de programmalanden en stabiliteitsmechanisme is te vinden in het beleidsverslag.

Internationale Financiële Instellingen

Nederland heeft als aandeelhouder van de verschillende instellingen actief bijgedragen aan inhoudelijke debatten over de wereldeconomie. Zo heeft Nederland in internationale fora het belang van structurele hervormingen in combinatie met begrotingsdiscipline benadrukt en actief ingezet op IMF surveillance. Mede dankzij de Nederlandse inzet speelt het Internationaal Monetair Fonds (IMF) een belangrijke rol bij het bestrijden van de crisis. Het IMF heeft financiële middelen beschikbaar gesteld en stelt doelstellingen gericht op macro-economische en financiële stabiliteit.

Nederland heeft daarnaast als aandeelhouder, toezicht gehouden op de financiële soliditeit van IFI’s, onder andere door in te zetten op een prudente portefeuille van leningen, waarbij additionaliteit ten opzichte van de markt en selectiviteit, leidende principes zijn, en een gematigd beloningsbeleid.37

Dit is ook de Nederlandse inzet geweest in de discussie rondom de kapitaalverhoging van de Europese Investeringsbank (EIB). In 2012 is er besloten tot een verhoging van het kapitaal van de EIB met € 10 mld.38 Deze kapitaalverhoging betreft een storting (zogeheten inbetaling). Het Nederlandse aandeel aan de kapitaalverhoging bedraagt € 448,2 mln. en is eind 2012 ingegaan. Dit besluit maakt onderdeel uit van een breder initiatief ter ondersteuning van de groei, werkgelegenheid en concurrentiekracht in de Europese Unie. Aangezien hiermee ook kapitaal van de particuliere sector kan worden gemobiliseerd, leidt dit mogelijk tot een veelvoud aan additionele investeringen. De extra capaciteit van de EIB wordt vooral ingezet voor investeringen in R&D, strategische infrastructuur, energie-efficiënte en duurzame energie, en ter ondersteuning van het Midden- en Kleinbedrijf. Deze versterking van de kapitaalbasis draagt ook bij aan de bestendiging van de sterke positie van de EIB op de financiële markten en de hoge waardering door de internationale rating agencies. Dit is van belang voor een optimale toegevoegde waarde van de EIB in alle Lidstaten van de Unie (o.a. door lage rente).

Verder heeft Nederland meegesproken over de rol van IFI’s bij de bevordering van economische ontwikkeling, armoedebestrijding en financieel-economisch evenwicht. Zo hebben de International Bank for Reconstruction and Development (IBRD), de International Finance Corporation (IFC) en de International Development Association (IDA), allen onderdeel van de Wereldbank Groep, tussen 1 juli 2011 en 30 juni 2012 52,6 mld. USD aan leningen, subsidies, investeringen en garanties verstrekt, die vooral lage- en middeninkomenlanden hebben ondersteund bij een evenwichtige financieel-economische ontwikkeling39. Nederland heeft daarbij vooral ingezet op resultaatgerichtheid en het verzekeren van value for money van ontwikkelingsprojecten.

De European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) blijft daarnaast, ondanks de uitbreiding van haar werkgebied naar de Zuidelijke en Oostelijke Mediterrane regio, actief in de landen in Midden- en Oost-Europa. Vanwege de impact van de huidige crisis werd er in 2012 in deze landen meer geïnvesteerd door de Bank dan oorspronkelijk de bedoeling was. De Bank beziet ook of, en zo ja hoe, het haar expertise in kan zetten in Griekenland en de haar omringende landen in de EBRD-regio.

Tot slot heeft Nederland met de landen van de eigen kiesgroep kennis en know-how, de zogenaamde technische samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van budgettair beleid, gedeeld.

EU-begroting

De minister van Financiën heeft zich in 2012 ingezet voor een sobere en effectieve EU-begroting. Mede dankzij de inspanningen van de minister van Financiën is de oorspronkelijke EU-begroting 2012 bevroren met slechts een beperkte inflatiecorrectie (+1,9%). Deze inzet heeft niet kunnen voorkomen dat de Europese Raad in 2012 alsnog een forse aanvullende begroting heeft aangenomen. Alleen Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden stemden tegen. De minister van Financiën heeft eveneens actief tegen een sterke stijging van de begroting 2013 gepleit. De Europese Commissie wilde deze laten stijgen met 6,9% ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 2012. Mede dankzij de inspanningen van de minister van Financiën is dit percentage fors naar beneden gebracht, naar +2,9%. Dit bleef nog onvoldoende voor de minister van Financiën om te kunnen instemmen. Tezamen met de minister president en de minister van Buitenlandse Zaken, heeft de minister van Financiën zich in 2012 ook ingezet voor een voor Nederland gunstige afronding van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader. De onderhandelingen hebben in 2012 niet tot een akkoord geleid. De gezamenlijke inzet van de minister president, de minister van Financiën en de minster van Buitenlandse Zaken heeft wel een goede basis gecreëerd voor een voor Nederland gunstige afronding in 2013. Tijdens de Europese Raad van 7/8 februari jl. is dankzij deze inzet dan ook alsnog een akkoord bereikt. Nederland heeft daarin wederom een korting op de afdrachten weten te bedingen van ruim € 1 mld.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

27.954

16.632.437

40.452.217

91.240.416

38.336.697

40.363.086

– 2.026.389

Waarvan betalingsverplichtingen

322.532

2.764

4.708.053

730.004

3.585.959

4.629.495

– 1.043.536

EIB

       

448.222

0

448.222

Lening Griekenland

       

– 1.505.643

0

– 1.505.643

Kapitaal ESM

       

4.573.600

4.573.600

0

               

Waarvan garantieverplichtingen:

– 294.578

16.629.673

35.744.164

90.510.412

34.750.738

35.733.591

– 982.853

Multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

– 592.450

2.739.375

277.118

304.524

120.110

174.746

– 54.636

DNB: IMF en BIS

297.872

13.473.298

5.416.546

18.518.207

– 825.772

113.445

– 939.217

EU betalingssteun

0

417.000

1.232.500

– 102.500

5.000

0

5.000

EFSM

   

2.946.000

– 120.000

6.000

0

6.000

EFSF

   

25.872.000

71.910.181

0

0

0

ESM

       

35.445.400

35.445.400

0

               

Uitgaven

115.662

95.370

1.304.504

2.284.106

2.005.213

3.078.912

– 1.073.699

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en -fondsen

             

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

115.662

95.370

55.897

337.276

158.227

158.472

– 245

EFSF

   

1.054

571

0

0

0

ESM

       

1.829.440

1.829.440

0

               

Lening

             

Lening Griekenland

1.247.553

1.946.259

4.546

1.091.000

– 1.086.454

Uitkering rente aan Griekenland

       

13.000

0

13.000

               

Ontvangsten

18.630

12.338

39.495

127.715

50.131

183.036

– 132.905

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en -fondsen

Ontvangsten IFI's

18.630

12.338

9.611

13.081

9.454

9.036

418

               

Lening

Rente en servicefee lening Griekenland

29.884

114.634

40.677

174.000

– 133.323

Aflossingen lening Griekenland

0

0

0

0

0

E: Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen – € 2.026 mld.

EIB kapitaalstorting € 448,2 mln.

Dit betreft de verplichting behorende bij de Kapitaalstorting EIB. De kasuitgave is geraamd voor 2013.

Lening Griekenland – € 1,51 mld.

Het resterende deel van het bilaterale leningprogramma dat in 2010 aan Griekenland is toegezegd, is begin 2012 overgeheveld naar het European Financial Stability Facility (EFSF). De bilaterale leningen die in 2012 en 2013 verstrekt zouden worden door Nederland komen hiermee te vervallen. Hierdoor vervalt ook de betalingsverplichting.

Multilaterale Ontwikkelingsbanken en -fondsen – € 54,6 mln.

De aanpassing van de verplichtingen wordt voornamelijk veroorzaakt door wisselkoersbijstellingen van garanties aan de Wereldbank.

DNB IMF en BIS – € 825,8 mln. + – € 113,5 mln.

De mutatie voor de garantie aan DNB bestaat uit twee delen: een negatieve bijstelling van € 825,8 mln. in verband met wisselkoerseffecten en een afboeking van € 113,5 mln. met betrekking tot de garantie BIS omdat deze niet is geëffectueerd.

EU Betalingsbalanssteun € 5,0 mln.

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

EFSM € 6,0 mln.

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

Uitgaven

Lening Griekenland – € 1,1 mld.

Het resterende deel van het bilaterale leningprogramma dat in 2010 aan Griekenland is toegezegd, is begin 2012 overgeheveld naar het European Financial Stability Facility (EFSF). De bilaterale leningen die in 2012 en 2013 verstrekt zouden worden door Nederland komen hiermee te vervallen.

Bij de verstrekte leningen hebben lidstaten voor elkaar gecompenseerd, waardoor begin 2012, toen de lening werd geconsolideerd en het resterende gedeelte werd overgeheveld naar het EFSF, sommige lidstaten meer dan hun aandeel in het bilaterale leningenprogramma Greek Loan Facility hadden betaald en andere lidstaten minder dan hun aandeel. Nederland moest bij de consolidatie nog € 4,5 mln. betalen.

Uitkering Rente Griekenland € 13 mln.

Verschillende nationale centrale banken van het eurosysteem hebben Griekse obligaties als onderdeel van hun investeringsportefeuille. De Eurogroep heeft in februari 2012 besloten dat deze inkomsten van de Griekse obligaties in de investeringsportefeuille worden doorgeven aan Griekenland.

Ontvangsten

Rente Lening Griekenland – € 133 mln.

De renteontvangsten zijn naar beneden bijgesteld. Per saldo is er een negatieve bijstelling. Deze bijstelling heeft verschillende oorzaken. Door de overheveling van het restant van de Greek Loan Facility naar het EFSF, zijn er in 2012 geen nieuwe bilaterale leningen verstrekt waardoor de lidstaten die deelnamen aan de GLF, dus ook niet meer de daaruit voortvloeiende rente ontvangen. Daarnaast is de renteopslag op de bilaterale leningen onder de Greek Loan Facility verlaagd van 300 (of 200 in de eerste 3 jaar) naar 150 basispunten. Deze renteverlaging is retroactief van aard, dus dat betekent dat met terugwerkende kracht een renteverlaging is geëffectueerd voor de periode waarin de nationale procedures over de verlaging van de opslag nog liepen en Griekenland nog de oorspronkelijke hogere opslag betaalde40. In 2012 is gecorrigeerd voor de retroactieve renteverlaging door minder rentevergoeding van Griekenland aan de lidstaten uit te keren. Door consolidatie van de leningen vallen de ontvangsten hoger uit (zie uitgaven lening Griekenland).

4.5 Exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties

A: Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op dit vlak.

B: Rol en verantwoordelijkheid

Op basis van de Kaderwet Financiële Verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de Staat. Door middel van onder andere exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de «EKV-faciliteit») wordt het concurrentievermogen van het Nederlandse bedrijfsleven bevorderd, zodat Nederlandse bedrijven grote en middellang of langlopend gefinancierde exportorders kunnen verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de werkgelegenheid.

Sinds de stelselwijziging die op 1 januari in 2010 in werking is getreden, treedt de Staat op als verzekeraar en voert Atradius Dutch State Business N.V. de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de Staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, sinds het begin van deze kabinetsperiode, samen met de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen.

Om te bevorderen dat Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren, wordt door Nederland in internationaal overleg gewerkt aan een gelijk speelveld op het gebied van de exportfinancieringssteun door overheden. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden als instrument voor exportbevordering, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord leenbeleid. De OESO en de EU proberen op hun beurt te overleggen met niet-lidstaten over beperking van de overheidssteun.

Internationaal is afgesproken dat exportkredietverzekeringsfaciliteiten over een langere periode kostendekkend moeten zijn, om concurrentievervalsing en daardoor marktverstoring te voorkomen. Dat betekent dat op lange termijn de premie-inkomsten voldoende moeten zijn om de uitvoeringskosten van de EKV-faciliteit en de schade-uitkeringen die niet teruggevorderd kunnen worden, te dekken. De lange termijn kostendekkendheid wordt door het Ministerie van Financiën gemeten middels het model voor Bedrijfseconomische Resultaatbepaling (BERB). De meest recente meting (over 1999 t/m 2011) geeft aan dat het resultaat € 142 mln. positief is. Ten opzichte van de omvang van de portefeuille en de schades die hieruit kunnen voortvloeien betreft dit een relatief bescheiden positief resultaat. De resultaten over 2012 zijn hierin nog niet verwerkt. Deze worden toegelicht bij de tabel budgettaire gevolgen van beleid.

Ook op het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt door het Ministerie van Financiën nauwlettend toezicht gehouden, door middel van een Risk Management Framework, zodat onverantwoord grote risico’s worden vermeden.

C: Beleidsconclusies

De exportkredietverzekeringsfaciliteit bestond in 2012 uit de volgende instrumenten: de exportkredietverzekeringen (EKV) en de regeling investeringsgaranties (RIV)41. In 2012 zijn 110 polissen afgesloten, waarvan één investeringsverzekering. Dit is een toename ten opzichte van 2011 toen er 106 verzekeringspolissen zijn uitgereikt. De stijging laat zien dat Nederlandse exporteurs op markten opereren waar behoefte is aan exportkredietverzekeringen.

Onderstaande figuur geeft het gebruik van de EKV en de RIV door middel van het cumulatief uitstaand obligo weer.

Cumulatief uitstaand obligo

Cumulatief uitstaand obligo

In de grafiek is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen). De eerste categorie is in 2012 ten opzichte van 2011 ongeveer gelijk gebleven, terwijl de categorie dekkingstoezeggingen in dezelfde periode met € 2 mld. is gestegen. Deze ontwikkeling laat zien dat er een flink grotere vraag is naar exportkredietverzekeringen.

Om ervoor te zorgen dat de producten goed blijven aansluiten bij de behoeften van Nederlandse exporteur is in 2012 veel geïnvesteerd in een goede samenwerking met Nederlandse exporteurs en exportfinancierende banken. Dit heeft er in 2012 onder meer toe geleid dat een van de producten, de exportkredietgarantie (EKG) is aangepast42 zodat exportfinanciering een interessantere investering wordt voor institutionele beleggers, banken meer ruimte op hun balans krijgen om export te financieren en Nederlandse exporteurs uiteindelijk een scherper financieringsaanbod kunnen doen richting hun klanten.

Om inzicht te krijgen in de concurrentiepositie van de Nederlandse exportkredietverzekeringsfaciliteit, wordt door het Ministerie van Financiën een vergelijkend onderzoek uitgevoerd tussen de Nederlandse faciliteit en faciliteiten in een aantal voor de concurrentie relevante landen (de zogenaamde «benchmark»).

Uit de benchmark kwam naar voren dat Nederland, op de beleidsonderdelen landenbeleid, premies, dekkingsbeleid en milieu- en sociale beoordeling, gemiddeld tot goed bestand is tegen de concurrentiedruk van de meeste andere exportkredietverzekeraars. Atradius DSB liet, tegen de algemene trend in, een stijging zien in afgegeven verzekeringen. Verder bleek uit de internationale vergelijking dat de rol van exportkredietverzekeraars aan het veranderen is van pure verzekeraar naar verzekeraar en financier. Nederland kent geen van de onderzochte financieringsinstrumenten, zoals directe financiering, rentesteun en herfinanciering.

Op MVO-gebied is in 2012 de milieu- en sociale beoordeling van verzekeringsaanvragen herijkt. Directe aanleiding hiervoor was een herziening van de internationale afspraken in OESO-verband over de milieu- en sociale beoordeling (de «common approaches»). De herijking van het beleid heeft bijgedragen aan een versterking van het level playing field op dit beleidsterrein.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op dit vlak.

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

5.108.936

– 4.970.709

1.161.667

1.099.920

2.934.821

10.616.386

– 7.668.959

waarvan betalingsverplichtingen:

33.886

15.367

16.672

12.032

12.412

0

12.412

waarvan kostenvergoeding Atradius DSB

12.688

11.512

10.212

10.557

12.126

12.606

– 480

               

waarvan garantieverplichtingen:

5.075.050

– 4.986.076

1.144.995

1.087.888

2.922.409

10.603.780

– 7.681.371

EKV

5.304.050

– 5.051.312

1.198.639

1.118.144

2.942.882

10.000.000

– 7.057.118

RIV

– 229.000

50.000

– 49.220

– 19.752

– 20.473

453.780

– 474.253

MIGA

0

0

0

0

0

150.000

– 150.000

Omzetpolissen

0

15.236

– 4.424

– 10.504

0

0

0

               

Uitgaven

39.892

271.488

92.479

28.657

70.109

133.106

– 62.997

Programma-uitgaven

27.204

259.976

82.267

18.100

57.983

120.500

– 62.517

               

Schade-uitkering EKV

7.049

255.986

76.137

17.909

57.697

120.000

– 62.303

Schade-uitkering RIV

0

0

0

0

0

500

– 500

Schade-uitkering MIGA

0

0

0

0

0

0

0

Schade-uitkering Omzetpolissen

0

0

218

90

0

0

0

Uitgaven Seno-Gom

0

3.990

5.912

101

286

0

286

Uitgaven risicobeheer

20.155

0

0

0

0

0

0

               

Opdrachten

             

Kostenvergoeding Atradius DSB

12.688

11.512

10.212

10.557

12.126

12.606

– 480

               

Ontvangsten

209.904

223.489

158.374

141.642

350.432

104.550

245.882

Programma-ontvangsten

209.904

223.489

158.116

141.142

142.277

104.050

38.227

               

Premies EKV

78.442

36.190

25.382

55.106

43.629

40.000

3.629

Premies RIV

997

791

723

563

537

1.250

– 713

Premies omzetpolissen

0

44

330

88

15

0

15

Schaderestituties EKV

130.465

182.474

125.769

84.834

97.911

62.800

35.111

Schaderestituties Seno-Gom

0

3.990

5.912

551

185

0

185

               

Ontvangsten Seno-Gom

0

0

0

0

207.655

0

207.655

Overige ontvangsten

0

0

258

500

500

500

0

E: Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

In de ontwerpbegroting zijn stelpostramingen opgenomen ter hoogte van het maximaal te verstrekken jaarlijkse garantieplafond voor nieuwe verplichtingen. De realisatie van de verplichtingen betreft het saldo van verleende en vervallen garanties.

Garantieverplichting exportkredietverzekering (– € 7,1 mld.)

Het garantieplafond voor de EKV bedraagt in 2012 € 10 mld. In 2012 is er voor € 12,6 mld. aan nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 9,7 mld. aan verplichtingen vervallen. In 2012 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties € 2,9 mld. Deze mutatie betreft het afboeken van het restant deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Regeling Investeringen (– € 474,2 mln.)

Het jaarlijkse plafond voor de Regeling Investeringen bedraagt € 453,8 mln. In 2012 zijn er voor € 13,8 mln. aan nieuwe verplichtingen aangegaan en is € 34,3 mln. aan verplichtingen vervallen. In 2012 bedraagt het saldo van nieuwe en vervallen garanties – € 20,5 mln. Deze mutatie betreft het afboeken van het restant deel van het verplichtingenplafond.

Garantieverplichting Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) (– € 150,0 mln.)

Het jaarlijkse plafond voor de MIGA bedraagt € 150,0 mln. In 2012 is er geen beroep gedaan op de MIGA faciliteit.

Uitgaven

Schade-uitkering EKV (– € 62,3 mln.)

De schade-uitkeringen zijn lager uitgevallen dan de raming. De schadedreigingen hebben zich in 2012 in mindere mate dan begroot gematerialiseerd. Gegeven de onzekerheid op de financiële markten en de complexe internationale context is behoedzaamheid geboden.

Ontvangsten

Premies EKV (+ € 3,6 mln.)

In 2012 zijn de kasontvangsten van de exportkredietverzekeringen € 3,6 mln. boven begroot.

Schaderestituties EKV (+ € 35,1 mln.)

Ondanks de moeilijke periode die de wereldeconomie doormaakt is de provenustroom boven verwachting goed op gang gebleven. Hierdoor zijn de schaderestituties hoger uitgekomen dan geraamd.

Vrijval Seno-Gom reserve (+ € 207,7 mln.)

De zogeheten Seno-Gom portefeuille (onderdeel EKV) wordt afbeheerd en in dat kader vindt er een vrijval plaats uit de reserve. Met de geraamde meerjarige vrijval wordt de reserve afgebouwd tot € 37,9 mln., welke gereserveerd blijft voor eventuele schades die nog voortkomen uit de Seno-Gom portefeuille.

4.6 BTW-compensatiefonds

A: Algemene doelstelling

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

B: Rol en verantwoordelijkheid

Het BTW-compensatiefonds beoogt een eind te maken aan de factor btw bij de afweging tussen uitbesteden en inbesteden. Dit krijgt vorm door betaalde btw over niet-ondernemersactiviteiten terug te geven aan provincies, gemeenten en Wgr-plusregio’s43. Voorbeelden hiervan zijn (het uitbesteden van) taken als de inzameling van huisvuil, het onderhoud aan gebouwen, het straatbeheer, schoonmaakactiviteiten, archivering, ingenieurswerkzaamheden en groenbeheer.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • verstrekken, verzamelen en controleren van de opgaafformulieren en het uitbetalen van de compensabele btw;

  • beheer van het BTW-compensatiefonds.

C: Beleidsconclusies

In 2012 hebben zich qua uitvoering en beoogde resultaten geen bijzonderheden voorgedaan.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 6 BTW-compensatiefonds
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio's hebben de mogelijkheid om een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

2.664.772

3.123.921

– 459.149

               

Uitgaven

2.348.414

2.577.086

2.789.430

2.788.318

2.664.772

3.123.921

– 459.149

               

(1) Programma-uitgaven

2.348.414

2.577.086

2.789.430

2.788.318

2.664.772

3.123.921

– 459.149

             

w.v. gemeenten en WGR-plusregio's

2.142.830

2.343.904

2.511.061

2.496.131

2.360.993

2.775.883

– 414.890

w.v. provincies

205.584

233.182

278.369

292.187

303.779

348.038

– 44.259

               

Ontvangsten

2.348.414

2.577.086

2.789.430

2.788.317

2.664.772

3.123.921

– 459.149

Uitgaven

Gemeenten declareren in absolute zin meer btw bij het BTW-compensatiefonds dan provincies. Dit declaratiepatroon ligt in het verlengde van de ruimere budgettaire mogelijkheden van gemeenten ten opzichte van provincies. Het Gemeentefonds is namelijk groter dan het Provinciefonds.

In relatieve zin declareren de provincies meer bij het BTW-compensatiefonds. De provincies zijn vooral actief op het gebied van verkeer en vervoer, een uitgavencategorie die veelal voor compensatie van btw-bedragen in aanmerking komt. Dit is een mogelijke verklaring voor het feit dat provincies in vergelijking tot gemeenten een relatief groot beroep doen op het BTW-compensatiefonds.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn gelijk aan de uitgaven omdat de terugbetaalde btw-bedragen tevens belastinginkomsten zijn.

Apparaat

De begroting van het BTW-compensatiefonds kent géén apparaatsuitgaven. De personeelskosten en materiële kosten voor het beheer van het fonds zijn opgenomen bij artikel 1. De Belastingdienst draagt zorg voor de uitvoering van het BTW-compensatiefonds.

E: Toelichting op de instrumenten

Compensatie

De Belastingdienst is belast met het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

2012

Realisatie

Het verstrekken en verzamelen van opgaafformulieren en het compenseren van de btw over niet-ondernemersactiviteiten.

Ja

Controles op de toepassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds door de Belastingdienst

Ja

Bron: Belastingdienst

Controle- en toezichtsbeleid

De controle op de toepassing van de Wet op het BTW-compensatiefonds is belegd bij de Belastingdienst. De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van compliance bij belastingplichtigen. Om dat te bereiken, zet de Belastingdienst meerdere toezichtinstrumenten in.

Bij de uitvoering van de Wet op het BTW-compensatiefonds is een centrale rol toegekend aan de Belastingdienst. Dit vanwege de nauwe relatie tussen de heffing van de omzetbelasting op grond van de Wet op de Omzetbelasting en de compensatie van de omzetbelasting op grond van het BTW-compensatiefonds. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid is ervoor gekozen de Wet op het BTW-compensatiefonds in belangrijke mate aan te laten sluiten bij het systeem van heffing van omzetbelasting in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit betekent onder meer dat de controle van het BTW-compensatiefonds onderdeel uitmaakt van de reguliere controle bij gemeenten en provincies van de aangiften omzetbelasting44. De handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de opgaaf BTW-compensatiefonds is, gezien de nauwe relatie met het systeem van heffing van omzetbelasting, niet anders dan die met betrekking tot de aangifte omzetbelasting. Dit betekent de mogelijkheid van controle achteraf gedurende een periode van vijf jaar. Inherent aan het systeem van heffing van omzetbelasting (voldoening op aangifte met slechts beperkte informatie) is dat de controle op de juistheid van de ingediende aangiften achteraf en op basis van risicoafweging plaatsvindt. Dit is ook het geval indien sprake is van een zogenoemde negatieve aangifte (de voorbelasting overtreft de verschuldigde belasting). Slechts in uitzonderingsgevallen vormt de aangifte omzetbelasting zelf aanleiding tot het instellen van een boekenonderzoek. Voornoemde handelswijze met betrekking tot het BTW-compensatiefonds betekent dat de Belastingdienst niet per uitkeringsjaar vaststelt in welke mate de uitbetaalde bedragen rechtmatig zijn geweest, maar binnen het algemene handhavingsbeleid zich er op richt om in de actualiteit te beoordelen welke gemeenten en provincies op welke aspecten het meest voor nadere toezichtsactiviteiten in aanmerking komen.

De algemene beleidsdoelstelling van de Belastingdienst is het onderhouden en versterken van de compliance bij belastingplichtigen. Het streven is om bij zoveel mogelijk provincies en gemeenten een horizontaal toezichtstraject te starten. In een traject naar horizontaal toezicht werkt een gemeente of provincie aan haar interne procedures met als doel het opstellen en indienen van aanvaardbare opgaven voor het BTW-compensatiefonds. De Belastingdienst bespreekt met de gemeenten en provincies hoe zij hun verantwoordelijkheid invullen met betrekking tot hun opgave. Daarbij wordt vastgesteld hoe zij omgaan met fiscaliteit en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing daarvan. De gemeenten en provincies beoordelen zelf daarna cyclisch de opzet, het bestaan en de werking van de interne beheersing van de (fiscaal relevante) bedrijfsprocessen en delen de resultaten daarvan met de Belastingdienst. De Belastingdienst monitort dit en bepaalt in welke mate gesteund kan worden op deze interne beheersing. Vervolgens wordt dit getoetst. De Belastingdienst voert verder toezicht uit gericht op grote afwijkingen in de opgaven BTW-compensatiefonds ten opzichte van eerdere periodes. Tot slot vinden traditionele boekenonderzoeken plaats naar de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven BTW-compensatiefonds wanneer daar gerede aanleiding toe is.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2012

Realisatie 2012

Gemeenten en provincies, waarbij de Belastingdienst zicht heeft op de kwaliteit van de werking van de fiscale beheersing.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

35–50

74

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Bij 319 gemeenten en provincies zijn de mogelijkheden beoordeeld tot horizontalisering van het toezicht. Bij 148 gemeenten en provincies heeft de Belastingdienst zicht op de opzet van de fiscale beheersing. Bij 74 gemeenten en provincies heeft de Belastingdienst zicht op bestaan en werking van de fiscale beheersing.

Door de Belastingdienst zijn in 2012 17 traditionele controles afgerond naar de juistheid van de door gemeenten en provincies ingediende opgaven BTW-compensatiefonds.

In de tabel zijn de naar aanleiding van de uitkomsten van deze controles aangebrachte correcties in 2011 en 2012 weergegeven.

Bedragen x € 1 mln.

Controles, waarvan uitgevoerd in:

aantal

Gecorrigeerd bedrag t.l.v. compensatie-gerechtigden

Gecorrigeerd bedrag t.g.v. compensatie-gerechtigden

Per saldo gecorrigeerd

2011

2012

18

17

7

10,5

3

9,2

4

1,3

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Een traditionele controle wordt alleen nog ingesteld indien daar gerede aanleiding voor was. In 2012 zijn door de Belastingdienst 17 traditionele controles afgerond. Per saldo is daarbij in 2012 € 1,3 mln. gecorrigeerd ten laste van gemeenten, provincies en Wgr-plusregio’s.

4.7 Beheer Materiële Activa

A: Algemene doelstelling

Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

B: Rol en verantwoordelijkheid

Voor de financiële consequenties van de verkoop en het beheer van materiële activa van het Rijk in 2012 wordt verwezen naar onderstaande Tabel budgettaire gevolgen van beleid en de toelichting daarop.

Wat betreft de deelname door de minister van Financiën in gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn, kan het volgende worden gemeld.

Naast voortzetting van de werkzaamheden aan projecten die reeds eerder zijn gestart, is het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) in 2012 onder meer ingeschakeld om bij te dragen aan financieel en ruimtelijk haalbare oplossingen voor de krimpproblematiek in diverse regio's in Nederland. Voorts is een derde project in uitvoering genomen waarbij het RVOB voor eigen rekening en risico handelt, te weten het Hembrugterrein (gemeente Zaandam). Door inzet van het financieel instrumentarium en afspraken met diverse departementen en mede-overheden is het mogelijk gebleken de herontwikkeling van dit voormalige Defensieterrein daadwerkelijk te starten.

Op 5 november 2012 is besloten tot een departementale herindeling met betrekking tot rijksvastgoed. Hierbij is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van rijksvastgoed, met inbegrip van het RVOB, voor zover deze voor 5 november was opgedragen aan de minister van Financiën. Ook de taken en organisatie van de directie Rijksvastgoed, – opgericht ter ondersteuning van de afstemming tussen zowel uitvoerende diensten als departementen ten aanzien van rijksvastgoed in respectievelijk de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR) en de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV) –, worden overgeheveld van het ministerie van Financiën naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De taken van het ministerie van Financiën en van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden dienovereenkomstig gewijzigd en de organisatorische, personele en rechtspositionele aspecten van de hier bedoelde herindeling van departementale taken worden uitgewerkt in overleg tussen de minister van Financiën en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties45.

In de portefeuilleverdeling die in het constitutionerend beraad is overeengekomen, is het rijksvastgoed opgenomen onder de minister voor Wonen en Rijksdienst. De minister voor Wonen en Rijksdienst heeft een tijdelijke regeling getroffen op grond waarvan de door de minister van Financiën voor 5 november 2012 verleende mandaten, volmachten en machtigingen worden aangemerkt als met ingang van genoemde datum te zijn verleend door de minister voor Wonen en Rijksdienst, zodat bevoegdheidsgebreken worden vermeden en er meer tijd is om het Organisatiebesluit BZK en het Mandaatbesluit BZK aan te passen46.

Met het oog op de organisatorische aspecten van de herindeling is begonnen met de voorbereiding van een (6e) wijziging van de CW 2001.

Met het oog op de samenvoeging van het RVOB en de Rijksgebouwendienst (Rgd) in een toekomstig Rijksvastgoedbedrijf (RVB), met optie voor latere aanhaking van andere diensten, is begonnen met het opstellen van een ondernemingsplan. Tevens is voor een periode van 1 jaar een Directeur-Generaal ad interim voor het RVB in oprichting benoemd.

C: Beleidsconclusies

In 2012 is begonnen met het opzetten van een nieuw financieel kader voor het RVB i.o.. Ook is gewerkt aan het tot stand brengen van een rijksbrede vastgoedportefeuille strategie. Verder zijn afspraken gemaakt omtrent de vervreemding van monumenten met erfgoedfunctie.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 7 Beheer materiële activa
Bedragen x € 1.000

Algemene beleidsdoelstelling: Een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

81.748

98.851

296.298

– 114.310

100.220

88.111

12.109

Waarvan garantieverplichting vorderingenplafond RVOB

   

207.000

– 207.000

0

0

0

               

Uitgaven

81.347

94.856

89.570

92.477

99.942

88.111

11.831

               

Leningen

             

Anticiperende aankopen

392

0

0

0

0

4.600

– 4.600

               

Opdrachten

             

Onderhoud en beheerskosten

10.964

21.292

13.667

10.329

12.290

7.679

4.611

               

Bekostiging

             

Zakelijke lasten

46.969

51.742

51.624

59.104

61.198

53.513

7.685

               

Beheerskosten DRZ

0

0

0

383

500

0

500

               

Bijdrage aan RVOB

23.022

21.822

24.279

22.661

25.954

22.319

3.635

               

Ontvangsten

269.686

237.306

347.964

213.724

163.501

179.859

– 16.358

               

Bekostiging

             

Zakelijke lasten

15.289

31.181

25.320

28.140

25.873

26.602

– 729

               

Opdrachten

             

Onderhoud- en beheerskosten

404

4.440

17

0

17

               

Leningen

             

Anticiperende aankopen

139

3.491

410

0

0

0

0

               

Programma-ontvangsten Baten-lastendiensten

             

Ingebruikgeving RVOB

113.007

99.817

98.714

99.045

106.484

98.059

8.425

Vervreemding RVOB

139.545

102.571

235.572

80.194

28.360

53.698

– 25.338

Vervreemding DRZ

1.706

– 158

– 12.052

1.905

2.767

1.500

1.267

E: Toelichting op de instrumenten

Uitgaven

Anticiperende aankopen en gebiedsontwikkeling (– € 4,6 mln.)

Het gaat hierbij om een leenfaciliteit waarop andere ministers een beroep kunnen doen voor het anticiperend aankopen van onroerende zaken en het aankopen van onroerende zaken in het kader van gebiedsontwikkelingsprojecten waarbinnen meerdere rijksdoelstellingen gerealiseerd moeten worden (zie beleidskader anticiperend en ontwikkelingsgericht handelen in vastgoed)47. In 2012 is geen beroep gedaan op deze leenfaciliteit. Met ingang van 2013 is de faciliteit komen te vervallen.

Onderhoud en beheerskosten (+ € 4,6 mln.)

Het gaat hierbij om kosten voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken van de minister van Financiën. Beheerskosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld taxatiekosten en kosten voor bodemonderzoek en sanering.

  • In de loop van het jaar is een schadeclaim van een exploitant van een wegrestaurant toegekend en uitbetaald. (+ € 2,5 mln.)

  • Door de economische situatie is er meer tijd gemoeid met de verkoop van objecten. Hierdoor stijgen de kosten van tijdelijk beheer, zoals bewaking en energiekosten (+ € 1,5 mln.).

  • Er was in 2012 sprake van onvoorziene beheerskosten, zoals bodemonderzoeken en bodemsaneringskosten (+ € 0,6 mln.).

Zakelijke lasten (+ € 7,7 mln.)

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen die samenhangen met het bezit van onroerende zaken. Gedacht moet worden aan de onroerendezaakbelasting en waterschap heffingen ter zake van de onroerende zaken van de Staat. Tevens vallen onder deze post de door gemeenten opgelegde belastingen en heffingen die samenhangen met het gebruik van/in onroerende zaken zoals rioolheffing.

  • Er is een toename in de uitgaven OZB in verband met (autonome) tariefstijgingen en het voor het eerst aanslaan van bepaalde objecten voor OZB (woonbootligplaatsen) (+ € 1,3 mln.).

  • Per 1 januari 2012 is het IJsselmeer voor het eerst aangeslagen voor watersysteemheffing. Dit betreft een structurele heffing (+ € 1,5 mln.). Daarnaast zijn de waterschapsheffingen met betrekking tot aan derden in gebruik gegeven gronden met € 0,8 mln. gestegen. Van de € 0,8 mln. is € 0,5 mln. doorbelast aan en betaald door de gebruikers (+ € 2,3 mln.).

  • In 2012 is € 4,1 mln. meer betaald aan door gemeenten opgelegde belastingen en heffingen ter zake van het gebruik van onroerende zaken dan was begroot. Financiën voert sinds 2009 het centrale loket voor deze lasten en heeft de lijn ze door te belasten aan de gebruikers van de onroerende zaken. De doorbelasting van de gemeentelijke heffingen en belastingen is in 2012 nog niet gerealiseerd, waardoor deze lasten nog voor rekening van Financiën komen.

Bijdrage aan het RVOB (+ € 3,6 mln.)

Over 2011 heeft het RVOB een batig saldo gerealiseerd van € 3,6 mln. Dit batig saldo is in 2012 door het moederdepartement toegevoegd aan het eigen vermogen van het RVOB als buffer voor risico’s bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarin het RVOB participeert.

Ontvangsten

Ingebruikgeving RVOB (+ € 8,4 mln.)

  • Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (verhuring) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat. Ook de verkoop van bodemmaterialen zoals zand is hier ondergebracht.

  • De opbrengsten uit bodemmaterialen zijn door een tariefverhoging in 2012 hoger uitgevallen dan geraamd (+ € 3,4 mln.).

  • De inkomsten uit pacht, erfpacht /opstalrechten zijn hoger uitgevallen door o.a. een pachtprijsverhoging en de realisatie van een aantal windturbineparken op Staatseigendom (+ € 8,1 mln.).

  • De huurinkomsten zijn lager uitgevallen omdat de Dienst Uitvoering Onderwijs in verband met het betrekken van nieuwbouw de huurovereenkomst heeft opgezegd op het gehuurde pand (– € 2,8 mln.).

  • De inkomsten uit overige ingebruikgevingen, waaronder huurrechten benzinestations langs rijkswegen en opbrengst van Onbeheerde Nalatenschappen, zijn per saldo € 0,3 mln. lager uitgevallen dan begroot (– € 0,3 mln.).

Vervreemding RVOB (– € 25,3 mln.)

  • Het gaat hierbij om de vervreemding van de onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat.

  • De opbrengst uit verkopen is door de huidige economische situatie fors achtergebleven bij de raming (– € 20,5 mln.).

  • Er was in 2012 een lagere opbrengst uit veiling van huurrechten benzinestations langs rijkswegen, omdat er voor minder locaties huurrechten zijn geveild (– € 4,5 mln.).

  • Ook de overige ontvangsten, zoals ontvangsten uit agrarische verrekenbedingen en anti-speculatiebedingen, vielen door de economische situatie lager uit dan geraamd was (– € 0,3 mln.).

Vervreemding DRZ (+ € 1,3 mln.)

De verkoopopbrengsten van DRZ zijn hoger dan geraamd door zowel een hoger aantal verkopen als door een hogere gerealiseerde gemiddelde prijs.

Niet uit tabel blijkende budgettaire gevolgen

Middelenafspraken

De minister van Financiën verzorgt behalve de ingebruikgeving en vervreemding van de eigen (overtollige) onroerende zaken ook de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministers. Wanneer een middelenafspraak is gemaakt met een minister, dan wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze minister verantwoord op zijn eigen begroting.

Onroerende zaken van de baten- lastendienst RVOB

Met inachtneming van het Financieel Kader RVOB/DO48 kan de batenlastendienst RVOB onroerende zaken verwerven. Alle kosten en opbrengsten van verworven onroerende zaken worden verantwoord in de Baten- lastenparagraaf van het RVOB.

5. NIET-BELEIDSARTIKELEN

5.1 Apparaat kerndepartement

A: Apparaat kerndepartement
Beleidsartikel 8 Apparaat Kerndepartement
Bedragen x € 1.000
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

180.069

200.712

208.773

195.796

182.512

188.261

– 5.749

               

Uitgaven

180.069

200.712

208.773

195.796

189.009

188.261

748

               

Personeel Kerndepartement

       

123.624

112.443

11.181

Eigen personeel

       

118.331

112.443

5.888

inhuur externen

       

4.990

0

4.990

overig personeel

       

303

0

303

               

Materieel Kerndepartement

       

65.385

75.818

– 10.433

waarvan ICT

       

10.321

12.639

– 2.318

waarvan bijdrage aan SSO's

       

27.716

44.953

– 17.237

waarvan overig materieel

       

27.348

18.226

9.122

               

Ontvangsten

24.877

20.975

34.960

30.793

36.539

27.065

9.474

Uitgaven

Personeel kerndepartement (+ € 11,2 mln.)

Dit betreft alle personeelsuitgaven inclusief externe inhuur voor het kerndepartement. Bij de ontwerpbegroting 2012 was nog geen budget geraamd voor de inhuur externen en de vorming van de Auditdienst Rijk per 1 mei 2012. De uitgaven aan personeel zijn daarom hoger dan de oorspronkelijke begroting.

Materieel kerndepartement (– € 10,4 mln.)

Dit betreft materieeluitgaven van het kerndepartement. Dit omvat onder andere zaken aangaande huisvesting en communicatie. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven, zoals onderhoud en licenties.

Bij de ontwerpbegroting 2012 is een schatting gemaakt van de verdeling van de materiële budgetten naar de drie categorieën ICT, SSO en overig materieel.

De onderuitputting op materieel wordt voornamelijk verklaard door een technische overheveling bij de materiële budgetten voor de SSO P-Direkt naar beleidsartikel 1 (€ 7 mln.). Het restant van de onderuitputting op SSO’s (€ 10,2 mln.) wordt gecompenseerd door hogere uitgaven dan begroot bij overig materieel (€ 9,2 mln.).

Daarnaast zijn de materiële uitgaven lager dan geraamd vanwege vertraging bij ICT-projecten, zoals bij invoering van het document management/workflow systeem (€ 2,3 mln.).

Ontvangsten

Ontvangsten (+ € 9,5 mln.)

De ontvangsten zijn hoger dan geraamd door voornamelijk het afromen van het eigen vermogen van Domeinen Roerende Zaken (€ 2,6 mln.) en het RijksVastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (€ 3,6 mln.) vanwege overschrijding van het toegestane eigen vermogen en meer inkomsten vanuit de Auditdienst Rijk voor het uitvoeren van (externe) opdrachten.

B: Totaal overzicht Apparaat Financiën

Financiën is in 2012 verantwoordelijk voor twee baten-lastendiensten: het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en Domeinen Roerende Zaken. De Apparaatuitgaven en ontvangsten worden verder uitgesplitst en toegelicht in de baten-lastenparagraaf. Voor de AFM, Waarderingskamer en DNB wordt de volledige overheidsbijdrage gebruikt voor apparaat. De onderstaande tabel geeft de totale apparaatuitgaven voor Financiën weer. Hierbij zijn de apparaatuitgaven voor het kerndepartement, de Belastingdienst, de baten-lastendiensten en ZBO’s bij elkaar opgeteld.

Tabel 1: Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten Financiën (bedragen x € 1.000)
 

2008

2009

2010

2011

2012

Totaal apparaat Financiën IXB

3.169.563

3.188.624

3.245.408

3.089.448

3.108.604

           

Departement

3.074.555

3.107.375

3.152.582

2.998.170

3.012.807

Kerndepartement

Belastingdienst

180.069

2.894.486

200.712

2.906.663

208.773

2.943.809

195.796

2.802.374

189.009

2.823.798

           

Baten-lastendiensten

31.342

32.701

34.997

34.306

37.811

RVOB

Domeinen Roerende Zaken

19.733

11.609

19.661

13.040

20.877

14.120

20.223

14.083

20.180

17.631

           

ZBO’s en RWT’s

63.666

48.548

57.829

56.972

57.986

AFM

DNB

Waarderingskamer

27.986

35.013

667

28.931

18.950

667

28.666

28.496

667

30.505

25.800

667

29.721

27.710

555

Bron: financiële administratie

 

2008

2009

2010

2011

2012

Kerndepartement

180.069

200.712

208.773

195.796

189.009

           

GT

29.065

27.771

28.873

27.757

23.985

DGRB

30.542

25.868

28.978

20.949

22.390

SG cluster

106.920

133.159

136.211

132.884

128.294

DGFZ

13.542

13.914

14.711

14.206

14.340

Bron: financiële administratie

C: Taakstelling

De taakstelling van € 17 mln. die de DG’s in totaal opgelegd hebben gekregen voor de apparaatsuitgaven, liep in 2012 grotendeels volgens schema. De beoogde besparing op verdichting van de huisvesting van € 1 mln. is in 2012 niet gerealiseerd en is vertraagd naar 2013. De totale taakstelling komt daarmee niet in gevaar.

5.2 Algemeen

Per ontwerpbegroting 2012 heeft IXB geen budgetten meer op het niet-beleidsartikel Algemeen.

5.3 Nominaal en onvoorzien

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien
Bedragen x € 1.000
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

13.200

– 5.900

0

– 7.300

0

3.386

– 3.386

               

Uitgaven

0

0

0

0

0

3.386

– 3.386

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven

Onvoorzien

De post onvoorzien in de ontwerpbegroting was bedoeld om onzekere ontwikkelingen op te vangen. Dit bedrag was dit jaar niet noodzakelijk voor specifieke problematiek binnen de begroting IXB.

6. BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

1. Inleiding

Financiën besteedt op een gestructureerde wijze aandacht aan de bedrijfsvoering. Er is een planning- en controlcyclus, en een interne governance, waaronder een Audit Committee met een meerderheid aan externe leden. Op basis van de periodieke informatie over de beleids- en bedrijfsvoeringprocessen en de risico’s die daarbij aan het licht treden, wordt systematisch bewaakt of het ministerie zijn doelstellingen op doelmatige en rechtmatige wijze realiseert. Waar nodig wordt bijgestuurd.

Over het bereiken van de doelstellingen van Financiën over 2012 wordt in het jaarverslag bij de beleidsartikelen verantwoording afgelegd. In deze bedrijfsvoeringsparagraaf (die betrekking heeft op IXA en IXB) wordt ingegaan op de bedrijfsvoeringvraagstukken die zich gedurende het begrotingsjaar hebben voorgedaan en waarvan informatieverstrekking voor het inzicht en de oordeelsvorming door de Staten Generaal van belang is.

2. Algemene Rekenkamer over jaarverslag IXB Financiën 2011

In 2012 is veel aandacht besteed aan de onvolkomenheden in de bedrijfsvoering die door de Algemene Rekenkamer zijn geconstateerd in het Rapport bij het Jaarverslag IXB 2011:

Personeelsbeheer bij de Belastingdienst

De Belastingdienst heeft in 2012 de procedures rondom het uitbetalen van reisdeclaraties, de uitbetaling van verlofuren en de IKAP-regeling aangescherpt. Met name de naleving van de procedures rondom de uitbetaling van verlofuren in geval van ontslag, ziekte of langdurige afwezigheid zal in 2013 nadrukkelijk getoetst worden.

ICT-beheer bij de Belastingdienst, bestaande uit testen ICT-systemen en beveiligen informatie

Over 2012 is door de Belastingdienst het testen van systemen op een hoger plan gebracht. Het testen is in grote lijnen op voldoende niveau. Aan verdere verbetermogelijkheden wordt nog gewerkt. Het beleid inzake leesrechten is ingeperkt tot «need to know». Vanwege de hoge eisen, die worden gesteld aan de systemen van de Belastingdienst, geldt een gestandaardiseerd hoog beveiligingsniveau. Bij de ontwikkeling van nieuwe systemen wordt de risicoafweging zichtbaar gemaakt of sprake is van bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven tot aanvullende maatregelen. Voor bestaande systemen geldt hetzelfde op het moment dat deze worden aangepast. De Belastingdienst heeft software in gebruik genomen, die het proces van toekenning en intrekking van autorisaties ondersteunt. Inmiddels is gestart met het koppelen van deze software aan de primaire processystemen en het invoeren van autorisatieprofielen door de bedrijfsonderdelen. Dit zal overigens nog enige tijd vergen en zal zich toespitsen op die situaties waar duidelijk sprake is van toegevoegde waarde.

Vertrouwensfuncties bij de Belastingdienst

Het management van de Belastingdienst heeft de vertrouwensfuncties opnieuw aangewezen. De vereiste veiligheidsonderzoeken door de AIVD zijn aangevraagd. Een rijksbreed initiatief om vertrouwensfuncties bij Bijzondere Opsporingsdiensten op elkaar af te stemmen heeft de aanwijzing van vertrouwensfuncties bij de FIOD en Douane vertraagd.

EU-aanbestedingen bij het Kerndepartement

Op het gebied van inkoop is er in 2012 veel aandacht geweest voor het op orde krijgen van het contractbeheer en het naleven van de Europese aanbestedingsregels. In 2012 is een aantal verbetermaatregelen opgesteld en uitgevoerd. Deze maatregelen hebben geresulteerd in een beter beheersbaar en transparant inkoopproces.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat het ministerie van Financiën in 2012 nog steeds genoodzaakt was om gebruik te maken van de overeenkomst met Carlson Wagonlit Travel (CWT) ten behoeve van buitenlandse dienstreizen. Reden hiervoor is dat de interdepartementale aanbesteding in 2011 niet geslaagd was, waardoor meerdere departementen zonder (rechtmatig) contract moesten inkopen en een nieuwe aanbestedingsprocedure gestart diende te worden. Het nieuw contract is op 1 april 2013 in werking getreden.

3. Bedrijfsvoering Belastingdienst op lange termijn

De Belastingdienst staat voor de opdracht mede als gevolg van de moeilijke economische situatie meerdere fiscale maatregelen respectievelijk wetswijzigingen te verwerken, de continuïteit van het bestaande te waarborgen en daardoor de kasstroom te garanderen en tegelijkertijd de weg naar vernieuwing te vinden. De vernieuwing behelst onder meer digitalisering van de dienstverlening en het geleidelijk vernieuwen van de technische infrastructuur van de dienst. Het werkprogramma en het portfolio ICT voorzien daarin. Daarnaast ligt er de opdracht bestaande taakstellingen in te vullen en de intensiveringsopdracht van het toezicht waar te maken. De combinatie van het tijdig realiseren van belastingmaatregelen, verdere digitalisering dienstverlening, taakstellingen en intensiveringen met het vernieuwen van de technische infrastructuur is een forse opgave voor de Belastingdienst, welke qua programmering nauw luistert. In het auditprogramma van het ministerie is in 2012 en wordt in 2013 door middel van vraaggestuurde operational audits de implementatie ondersteund en bewaakt.

In het kader van de taakstelling spoor 1 (verbetering efficiency Belastingdienst) worden vanaf 2012 de bedrijfsprocessen van de Belastingdienst systematisch doorgelicht. Naast verbetering van de proceskwaliteit, zal dit leiden tot minder benodigde capaciteitsinzet. Verder worden, in aansluiting op rijksbrede afspraken, maatregelen getroffen om de bedrijfsvoering te versoberen. Aan de invulling van de taakstelling spoor 2 (vereenvoudiging van wetgeving en uitvoering) wordt in samenwerking met DG Fiscale zaken gewerkt. Deze is voor een belangrijk deel gerealiseerd via de Belastingplannen 2012 en 2013. De nog resterende taakstellingen worden bij de komende Belastingplannen nader ingevuld. Tot slot zijn om de toezichtstaak van de Belastingdienst een forse impuls te geven bij het Regeerakkoord extra middelen vrijgemaakt voor intensivering van toezicht en invordering49. De hiermee gepaard gaande instroom van nieuwe medewerkers heeft als belangrijk neveneffect de borging van kennis en ervaring, die anders door de vergrijzingsuitstroom de komende jaren dreigen te verdwijnen.

4. Claims

Met betrekking tot de verwerving van de Nederlandse onderdelen van Fortis en ABN AMRO door de Staat, is door een aantal (voormalige) aandeelhouders gesteld dat zij hierdoor schade hebben geleden. Zij hebben de Staat aansprakelijk gesteld en gerechtelijke procedures opgestart. Deze procedures lopen op dit moment nog steeds. Het ministerie van Financiën is van mening dat de Staat een sterke positie heeft. In eerste aanleg hebben enkele rechters al claims afgewezen. Het ministerie acht de kans op toewijzing van de claims in de lopende hoger-beroepsprocedures klein.

SNS REAAL

Naar aanleiding van de nationalisatie van SNS REAAL op 1 februari 2013, heeft de minister van Financiën op 4 maart 2013 een aanbod tot schadeloosstelling gedaan aan de onteigenden. De minister van Financiën heeft eveneens 4 maart 2013 de ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam verzocht de schadeloosstelling vast te stellen overeenkomstig zijn aanbod. De onteigenden die zich niet in het aanbod tot schadeloosstelling kunnen vinden, kunnen hiertegen bij de ondernemingskamer verweer voeren.

5. Rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering IXB

Op basis van de mij beschikbare informatie bevatten:

  • de departementale verantwoordingsstaat over 2012 met de financiële toelichtingen daarbij;

  • de samenvattende verantwoordingsstaat over 2012 betreffende de diensten die een baten-lastenstelsel voeren met de toelichting daarbij;

  • de departementale saldibalans per 31 december 2012 met de toelichting daarbij;

geen zodanige onrechtmatigheden en/of onzekerheden, dat deze op grond van de rapporteringstoleranties of vanwege in het bijzonder te signaleren risico’s vermeld dienen te worden behoudens het onderstaande.

Naleving wet- en regelgeving toeslagen, regelgeving huurtoeslag

De betalingen voor de huurtoeslag worden door de minister van Binnenlandse Zaken verantwoord op beleidsartikel 03 Woningmarkt van het begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Rijksbegrotingsvoorschriften schrijven met ingang van 2012 voor dat, indien bij statistische steekproeven de meest waarschijnlijke of maximale fout de tolerantiegrens overschrijdt, hierover in de bedrijfsvoeringsparagraaf expliciet verantwoording moet worden afgelegd.

Voor de toeslagregelingen geldt een tolerantiegrens van 3% behalve voor de huurtoeslag vanwege de geringe omvang van het desbetreffende begrotingshoofdstuk. Voor de huurtoeslag geldt voor 2012 een tolerantiegrens van 1,76%.

Op basis van de meest waarschijnlijke fout voor de uitbetaalde voorschotten (€ 51 mln.) en de definitief toegekende huurtoeslagen (€ 53 mln.) wordt de tolerantiegrens van € 57 mln. niet overschreden.

Op basis van de maximale fout wordt de tolerantiegrens van de uitbetaalde voorschotten met circa € 31 mln. en de definitief toegekende huurtoeslagen met circa € 37 mln.