Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533450 nr. 29

33 450 Mariene Strategie voor het Nederlandse deel van de Noordzee

Nr. 29 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 5 maart 2015

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu en de vaste commissie voor Economische Zaken hebben op 4 februari 2015 overleg gevoerd met Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu en Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken over de Waddenzee en Noordzee.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.)

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, Van Dekken

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu, Sneep

Voorzitter: Harbers

Griffier: Jansma

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Harbers, Jacobi, Ouwehand, De Rouwe, Smaling en De Vries,

en Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus van Infrastructuur en Milieu, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

Aanvang 11.00 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister van Infrastructuur en Milieu welkom. Ik stel een spreektijd voor van vijf minuten per fractie. Ik deel mee dat ik rond 11.45 uur naar de plenaire zaal moet voor een debat en dat tussentijds het voorzitterschap door mevrouw De Vries zal worden overgenomen. Verder meld ik dat gisteren is besloten dat de Staatssecretaris van Economische Zaken niet aanwezig zal zijn. Het agendapunt Convenant transitie garnalenvisserij en natuurambitie Rijke Waddenzee is daarom van de agenda geschrapt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Het zag er even naar uit dat het een Fries onderonsje zou worden. Dat is nooit verkeerd, maar gelukkig krijgen we steun.

Ik ga eerst in op de Noordzee 2050 Gebiedsagenda. De Minister geeft daarin de visie en de ambities van het Rijk weer voor het Noordzeebeleid. Deze aanzet is wat ons betreft prima. Als ik echter de geformuleerde visie en de ambities zie en het maatregelenpakket in de beleidsnota Noordzee 2015–2021, ben ik van mening dat er nog een groot aantal zaken in de uitvoeringsplannen is om tot duurzame benutting te komen en de draagkracht voor het ecosysteem van de Noordzee te vergroten. Hoe zal een en ander zich op basis van dat maatregelenpakket ontwikkelen?

Ooit is toegezegd dat in 2015 schelpenbanken in de Noordzee worden aangelegd in het kader van de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal. Wanneer wordt hiermee gestart?

Ik kom op de olielozingen. Daarover hebben we het in het vorige overleg over de Noordzee gehad. De motie-Dijkstra/Jacobi gaat over illegale lozingen, de traceerbaarheid en de problemen. Gelukkig schijnt het aantal lozingen gehalveerd te zijn. Dat is best een goed resultaat. Wij hadden gevraagd om verdere activiteiten in die richting. Ik ben dus blij met deze ontwikkeling als gevolg van de verbeterde techniek en de verbeterde activiteiten in de havens.

Wij hebben in het AO scheepvaart uitgebreid gesproken over de bijmengingen. De NOS heeft onlangs een beeld geschetst van een ongeval met ammoniak als gevolg van bijmenging. Ik meen dat een bedrijf in Brabant is aangepakt, omdat bleek dat er sprake was van bijmengingen van onder andere scheepsbrandstoffen. Dat is levensgevaarlijk. Ik weet dat de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR) graag wil dat we in de praktijk dat welles-nietesspelletje niet spelen en dat steun ik. Men raadt aan om met een pilot te starten om te inventariseren hoe we het probleem kunnen aanpakken. Ik denk niet dat we het zo moeten laten.

Ik ga in op de Wadden. Men verwacht natuurlijk van mij dat ik aan dit onderwerp heel veel tijd ga spenderen. Eerst kom ik op de Eems Dollard Regio (EDR). Wij zijn blij dat er in zowel Duitsland als in Nederland meerdere stappen gezet worden om eindelijk te komen tot een integraal managementplan voor dit gebied. Het zijn echter nog slechts minimale stappen, namelijk die van MIRT-onderzoeken aan Nederlandse zijde en een soort hoofdlijnenschets aan Duitse kant. Daarnaast zijn bedrijven in Duitsland bezig met een masterplan voor de Eems-Dollard tot 2050. De Algemene Rekenkamer schrijft op pagina 28 van haar rapport dat er toch wel een gebrek is aan coördinatie op de Wadden. In het gebied van de Eems-Dollard is dat volgens mij ook aan de orde. Hoe gaan wij ervoor zorgen dat er afstemming komt, dus dat er een maximale synergie ontstaat bij het uitvoeren van al deze maatregelen?

Er is een heel nieuwe structuur: het Regiecollege Waddengebied (RCW) en het Waddenfonds. Er is sprake van decentralisatie. Volgens mij zaten wij hier drie tot vier jaar geleden ook. Toen was nog spannend of de decentralisatie door zou gaan of niet. Ik geef de regio een compliment. Ik denk dat het regiecollege toch wel wat minder spaghetti heeft kunnen organiseren. Mede gezien datgene wat in de rapporten van de Algemene Rekenkamer staat, lijkt het mij goed dat de Minister overleg voert met het regiecollege of dat zij dat misschien eerst doet met alleen de voorzitter van dit college. Het gaat nu zoals het gaat. Er is een heel aantal zaken dat best naar wens verloopt.

De voorzitter: Wilt u afronden? U bent al over de tijd heen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Donders, dan moet ik wel heel snel praten.

Ik doel op overleg over de vraag of men voldoende bevoegdheden heeft, of een en ander naar wens verloopt en dat soort zaken.

Mijn volgende punt wil ik echt naar voren brengen, namelijk het snelvaren.

De voorzitter: Wilt u het heel kort houden? U bent echt al ruim over de tijd heen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik zou graag horen of de Minister kan garanderen dat vóór 1 mei de handhaving op orde is, want anders vermoed ik dat chaos wordt gelegaliseerd.

Andere punten hoop ik bij interrupties te kunnen inbrengen.

De voorzitter: Ik merk overigens nog op dat ik in eerste termijn twee interrupties per fractie zal toestaan.

Mevrouw De Vries (VVD): Voorzitter. Ik hoop niet dat ik aanleiding geef voor interrupties door mevrouw Jacobi.

Ik denk dat we het erover eens zijn dat de Wadden een uniek natuurgebied zijn, maar wat ons betreft is het veel meer dan dat; het is ook een gebied waar ondernemers hun brood verdienen. Wij vinden dan ook dat er naast natuur ruimte moet zijn voor economie en om te ondernemen.

Wij denken dat het heel goed is dat er in 2018 gewerkt gaat worden als één beheerder. Wij vinden wel wat mager dat er gezegd wordt dat dit de ambitie is. Het zou in 2018 echt zo moeten zijn. Wij zijn benieuwd hoe de Minister de Tweede Kamer tussentijds van de voortgang van dit proces op de hoogte houdt. Wij vinden ook goed dat er een inrichtings- en beheerplan komt, maar dit moet naar de mening van de VVD niet leiden tot allerlei plannen en ontwikkelingen. Er wordt al heel lang gepraat over allerlei beheerplannen met betrekking tot Natura 2000. Daar worden inmiddels punten achter gezet. Het kan niet zo zijn dat we al die discussies opnieuw voeren.

Er komt een opdrachtgeversoverleg. Wat gebeurt er als men er daar niet uit komt? Wie heeft er dan doorzettingsmacht ten aanzien van dat beheer?

Wij vinden het belangrijk om het signaal af te geven dat de Minister en Rijkswaterstaat de coördinerende rol in het Waddengebied stevig oppakken. Verder zijn wij benieuwd naar wat er gebeurt om toch meer uit te nutten dat er sprake is van werelderfgoed. Wij hebben het gevoel dat dit in het Waddengebied nog te weinig gebeurt. Als dat meer gebeurt, kan dat voor de ondernemers een plus zijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik denk dat het werelderfgoed heel belangrijk is. Wat er gebeurt, is nog heel magertjes. Wij kennen het Programma naar een Rijke Waddenzee. Vindt de VVD het evenals de PvdA een goed voorstel om hiervoor een programma werelderfgoed te maken overeenkomstig het Programma naar een Rijke Waddenzee, en dat iedereen systematisch die richting op werkt?

Mevrouw De Vries (VVD): Ik denk dat het vooral van de ondernemers moet komen en dat dus niet de overheid dit moet opleggen. Het Regiecollege Waddengebied heeft al de opdracht gekregen om te kijken naar het werelderfgoed en te stimuleren. Ik heb begrepen dat dit college inmiddels met grotere groepen ondernemers om de tafel zit.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Natuurlijk moet het ook van de ondernemers komen, maar het is volgens mij iets gezamenlijks; het gaat erom dat je met alle partners die daarmee van doen hebben, de uitstraling in totaliteit stap voor stap verbetert. Steunt de VVD mijn voorstel voor een programmatische aanpak van onderop? Misschien moeten we dat voorstel bij motie doen.

Mevrouw De Vries (VVD): Wij hebben al een structuur met heel veel bestuurlijke drukte. Volgens mij heeft het Regiecollege Waddengebied de opdracht om het werelderfgoed te stimuleren. Laten we eerst kijken of zij dat voor elkaar krijgt. Mocht dat helemaal niet gaan lukken, dan moeten we gewoon verder kijken.

Ik kom bij de ondernemers. Er worden enkele voorstellen gedaan om de informatievoorziening voor de ondernemers op het Wad te verbeteren. Wij zijn wel benieuwd wat er tot nu toe gebeurd is. Als ik op overheid.nl de zoekterm «Wadden» intoets, verschijnt er namelijk helemaal niets, terwijl het volgens mij de bedoeling was dat er wel iets zou verschijnen. Er wordt nu gezegd dat we aansluiten bij overheid.nl en waddenzee.nl, maar het lijkt ons logischer om aan te sluiten bij bestaande ondernemersloketten, zoals het Ondernemersplein en het loket van de regionale uitvoeringsdiensten. De ondernemers zouden wat het zoeken van de meeste informatie betreft de lead moeten hebben. We zijn ook benieuwd hoe de Minister hiertegen aankijkt.

Ik kom op de evaluatie van de structuurvisie Derde Nota Waddenzee. Behalve dat er meer aandacht moet zijn voor de reeds aangegeven zaken, bijvoorbeeld natuur, moet die er zijn voor ondernemers en economie. Wij zijn benieuwd hoe de Minister daarnaar kijkt.

Ik ga in op de vaargeul Ameland. Er is sprake van veel problemen en van veel vertraging. Wij vinden dat er voor die problemen een oplossing moet komen en hebben de indruk dat iedereen nu naar elkaar wijst. Als de NS niet op tijd rijdt, voeren wij daarover debatten. Blijkbaar halen wij echter de schouders op als de veerboten niet op tijd kunnen varen. Kan de Minister ons hiervan een goede analyse geven en aangeven – dat kan misschien schriftelijk – wat oplossingen zouden kunnen zijn?

Mijn volgende punten zijn de vaarroutes en de vaarsnelheden. De VVD is voorstander van snelvaren op bepaalde plekken, maar daar behoort wel een goede handhaving bij. Volgens mij heeft Rijkswaterstaat inmiddels toegezegd dat die er komt, wat goed is. Ik kan me wel voorstellen dat er daarnaast overleg plaatsvindt tussen Rijkswaterstaat, snelvaarders en recreanten om na te gaan hoe dit echt op een goede manier kan worden geregeld.

Ik ga in op de bergers, de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM) en de Kustwacht. Soms is er nog onenigheid tussen die partijen. Bergers vinden dat er sprake is van oneerlijke concurrentie. Wij vinden dat het hulpverleningsproces niet mag worden geschaad en dat de veiligheid daarbij vooropstaat. De VVD is voorstander van een door alle partijen geaccepteerd afsprakenkader. Wij hebben begrepen dat de Kustwacht wel tot een dergelijk afsprakenkader zou willen komen. Wij willen dat de Minister hiermee voortvarend aan de slag gaat.

Recent hebben wij iets van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) gekregen over het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Wij vinden dat de informatievoorziening aan gemeenten daarover verbeterd moet worden en dat nadrukkelijk moet worden nagegaan welke knelpunten gemeenten hierbij ervaren. Ik moet eerlijk zeggen dat wij horen dat er veel interpretatieverschillen zijn over de externe werking van bepaalde zaken en cumulatieve effecten en dat er daardoor sprake is van vaagheid. Wij kunnen ons dan ook voorstellen dat er een vereenvoudigingsslag of een verhelderingsslag wordt gemaakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Vandaag spreken wij over een belangrijk onderwerp. Anders dan veel mensen denken, zijn onze zeeën en oceanen en dus niet het tropisch regenwoud de belangrijkste bron van alle schone lucht die we inademen. Dat neemt niet weg dat tropisch regenwoud ook heel belangrijk is. De Partij voor de Dieren wil hiermee zeggen dat de gebieden van de Waddenzee en de Noordzee niet kunnen worden beschouwd als particulier viswater of als mooie plekken waar we kunnen doen wat we willen, maar dat deze de basis zijn van ons bestaan. De overheid heeft dus de collectieve taak om dit belang voorop te stellen en te beschermen tegen alle druk die we als «de soort» mens nu eenmaal gewend zijn daarop uit te oefenen.

Ondanks alle mooie woorden op papier en de erkenning van het belang van bijvoorbeeld de Waddenzee als ongelooflijk uniek natuurgebied met de status van werelderfgoed, moet ik constateren dat dit kabinet gewoon doorgaat met het ontplooien van allerlei activiteiten die juist de kwetsbaarheid van de Waddenzee scherp onder druk zetten: kolencentrales, zoutwinning en garnalenvisserij. De Staatssecretaris is er niet. Als zij er geweest was, hadden we met haar een hartig woordje kunnen wisselen over de garnalenvisserij.

Ik zeg tegen de regering: houd er dan mee op. Zeg dan niet dat je de Waddenzee belangrijk vindt, doe niet alsof je een hart hebt voor natuur maar zeg eerlijk dat economie voor alles gaat en dat je wel ziet wat er overblijft voor volgende generaties.

Dit zien we ook in de strategieën voor de Noordzee. Ja, de Staatssecretaris heeft verschillende gebieden aangewezen in het kader van de internationale afspraken die wij hebben gemaakt over het beschermen van gebieden op de Noordzee. Daarvoor geef ik haar een compliment. De Doggersbank, de Klaverbank en het Friese Front zijn aangemeld als Natura 2000-gebieden. Mooi! Ik moet daar echter bij zeggen dat dit al moest gebeuren en dat we daar al een hele poos op wachten. De afspraak is – die is er niet alleen in het kader van Natura 2000 – dat we niet een paar postzegeltjes aanwijzen als beschermde gebieden maar dat we die gebieden met elkaar verbinden omdat dan de ecosystemen echt herstellen. Als we zeggen dat dit een beschermd gebied is, moeten we ook echt de bedoeling hebben om het beschermd gebied te laten zijn. Dan moeten we daar dus geen activiteiten toestaan die juist de kwetsbaarheid van dat gebied versterken, zoals bodemberoerende visserij en andere vormen van aantasting. Wat wordt in de brieven van het kabinet bedoeld met de volgende zinnen? «De Noordzee is in de toekomst een schone, gezonde en productieve zee. Er zijn ruimte en rust voor diversiteit van een robuuste en veerkrachtige mariene habitat in een samenhangend netwerk van beschermde gebieden op zee. Kwetsbare bodems worden op een groot deel van de Noordzee minder of niet verstoord, waardoor het bodemleven zich heeft kunnen herstellen. Plaatselijk zijn er organisch gevormde harde bodemsubstraten, zoals schelpdierbanken en kokerwormriffen. Die vormen een voedingsbodem en vestigingskansen voor andere, terugkerende soorten.»

Wanneer zal dit paradijselijk plaatje er daadwerkelijk zijn? Wanneer mogen we het kabinet op de resultaten wat dat betreft afrekenen? Hoe moet ik dit zien? Moet ik ervan uitgaan dat het kabinet zich beperkt tot het aanwijzen van de zojuist genoemde gebieden? Er zijn ook andere gebieden die we bijvoorbeeld in het kader van OSPAR (de verdragen van Oslo en Parijs) hadden moeten aanwijzen: de Centrale Oestergronden, de Bruine Bank, de Zeeuwse Banken, Borkumse Stenen, de Kustzee en de Voordelta. Moeten we die gewoon maar aan hun lot overlaten? Waarom kan Duitsland wel inzien dat de Borkumse Stenen bijvoorbeeld moeten worden aangewezen als Natura 2000-gebied en dat je bodemberoerende visserij daar zou moeten weren en waarom zegt het Nederlandse kabinet: nou, daar hebben we geen zin in, want dat is niet nodig voor de bescherming van de Noordzee? Ik snap het niet en vraag de Minister om duidelijk te maken waar de ambities die keurig op papier zijn gezet, toe zouden moeten leiden. We zien immers tussentijds geen daadwerkelijke stappen die gezet worden om die bescherming op papier om te zetten in maatregelen. In Rotterdam zouden ze zeggen: «niet lullen maar poetsen».

Ik verzoek de Minister indringend om de door het kabinet uitgesproken woorden waar te maken. Ze kan dit doen door bijvoorbeeld, als casus, de Duitse aanpak te volgen ten behoeve van de Borkumse Stenen. Dat zou het vertrouwen geven dat het kabinet zijn ambitie nakomt, namelijk die om de natuur op zee echt te beschermen. Zeereservaten zijn geen luxe, maar zijn belangrijk voor de toekomst van het ecosysteem van de Noordzee. Het kabinet zegt dat het die verantwoordelijkheid voelt en wil nemen. Ik zeg: laten we dat ook eens doen.

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Ik weet niet of de Minister in het verleden nog heeft gedebatteerd met Remi Poppe. Als je zijn naam zegt, zeg je onder andere «stookolie». Het zal de Minister dan ook niet verbazen dat ik daarover het een en ander ga zeggen. Het illegaal mengen van chemisch afval en stookolie voor schepen is een groot probleem. Dat realiseert de Minister zich ook. Dat is op te maken uit de door haar gestuurde brief. Jaarlijks gaan naar schatting 60.000 mensen dood aan de gevolgen van deze praktijk. Ook de vaarveiligheid kan in gevaar komen doordat schepen onbestuurbaar worden als gevolg van gevaarlijke brandstoffen. Het zijn echt georganiseerde criminele netwerken. Er is sprake van een miljardenbusiness. De SP heeft dit punt al twintig jaar geleden op de agenda gezet en twee jaar geleden deed zij een rapport Oliezwendel verschijnen. Er gebeurt nu wel iets, maar in onze ogen gebeurt er nog steeds te weinig. Het zal de Minister niet verbazen dat wij die mening hebben. Nu ook de Koninklijke Nederlandse Vereniging van Reders spreekt over een gebrek aan gevoel van urgentie, moet de Minister zich dat toch ook aantrekken.

Ik stel een paar vragen over dit dossier. Mijn eerste punt is dat er gekeken wordt naar Singapore als voorbeeld, waar het licentiesysteem voor het bunkeren naar tevredenheid werkt. In de brief staat dat onderzocht wordt of een dergelijk licentiesysteem ook in Nederland ingevoerd kan worden. Kan de uitkomst van dit onderzoek voor het zomerreces aan de Kamer gestuurd worden?

Mijn tweede punt is dat de Minister bezig is met het opstellen van een lijst met ongewenste stoffen. Wij zijn er blij mee dat zij wil dat die internationaal erkend wordt. De resultaten worden echter niet eerder dan in 2017 verwacht. Waarom zouden we een en ander tot die tijd overlaten aan de sector? Is dat niet vergelijkbaar met het verantwoordelijk maken van de kalkoen voor het kerstdiner? Kan het Openbaar Ministerie al optreden in het geval dat stoffen worden aangetroffen die op de lijst staan? Zo nee, kan de Minister dan regelen dat dit wel gebeurt?

Mijn derde punt betreft de monstername bij het overpompen vanuit de opslagtank naar het brandstoftransportschip. Misschien is het slimmer om een stap eerder maatregelen te nemen. Je zou voor het laden tot monstername kunnen overgaan, analyse verplicht kunnen stellen en pas na die analyse zou je de brandstof kunnen overpompen. Is dat niet een slimmere, goedkopere en beter te controleren optie?

Tenslotte zeg ik dat er vanuit de chemische industrie een structurele afvalstroom is naar stookoliebedrijven. Politiewoordvoerder Ed Kraszewski zei: we gaan ervan uit dat bijna alle stookolie voor schepen is aangelengd met chemisch afval. We moeten proberen om hierop grip te krijgen door deze stromen transparant en traceerbaar te maken. Hierover ligt ook een motie voor. De Minister zegt dat zij niet een ongelijk speelveld wil, dus dat zij het internationaal wil aanvliegen. Dat is begrijpelijk, maar dit is vaak ook een argument om niets te doen. Je zit dan in een soort prisoner's dilemma; als anderen niet bewegen, waarom zouden wij dan moeten bewegen? Ik vind dat toch wel jammer. Ik zou dus iets meer creativiteit van de Minister willen zien op dit punt. Kan er bijvoorbeeld een pilot komen waarbij aan de hand van een concrete partij scheepsbrandstof onderzocht wordt hoe tracering van componenten mogelijk is, zodat je toch een track- and tracesysteem in de benen krijgt?

Mevrouw Ouwehand heeft over natuur op zee al veel zinvolle dingen gezegd. Ik sluit mij gemakshalve bij haar woorden aan.

Als de voorzitter het mij toestaat, zeg ik nog een aantal dingen over de Waddenzee. De kritiek, de analyse, van de Algemene Rekenkamer op het Waddengebied en de besteding van het Waddenfonds is pittig. Ik vind het erg zorgelijk als de Algemene Rekenkamer zegt dat slechts een klein deel van het geld van het Waddenfonds daadwerkelijk aan natuur wordt besteed. Dat kunnen wij toch niet zomaar laten gaan?

De Algemene Rekenkamer komt ook met vier opties voor beheer. Zit daar een optie tussen die de Minister het meest aanspreekt? Er is een Plan van aanpak Verbetering Beheer Waddenzee met de titel «Samen meer doen». Het is al een Poolse landdag, in de optiek van de Algemene Rekenkamer. Als we samen nog meer gaan doen, zal er sprake zijn van een nog grotere Poolse landdag. Is het «meer samen doen», of is het «samen meer doen»? Of moeten we toch toe naar één beheerder? Dat wil niet zeggen dat één beheerder alle doorzettingsmacht heeft en over alle fondsen en over alles het laatste woord heeft, maar als je het rapport van de Algemene Rekenkamer goed leest – daarin staat dat er dertien beheerders zijn, inclusief de ministeries – maak je daaruit op dat er toch een soort vijver is en blijft waar Jan en alleman «in speelt». Zoals mevrouw Ouwehand zegt: het is werelderfgoed en we moeten de natuurwaarde toch een goede plek geven. Nu komt de Staatssecretaris van Economische Zaken weer met de Natuurambitie Grote Wateren 2050. Allemaal prachtig, maar wat heeft dit te betekenen als je gelijktijdig zout gaat winnen, als je in de Eems in Duitsland zout loost dat in de Waddenzee terechtkomt en je het een eindje verderop onder de Waddenzee gaat ophalen? Ik vraag mij dan af of we met die prachtige Waddenzee de zaken wel goed voor ogen hebben.

Mevrouw De Vries stelde het ILT-rapport kort aan de orde over het Barro. De toonzetting in het ILT-rapport ligt in het verlengde ... Als die gemeenten niet met een algemene maatregel van bestuur Ruimte (AMvB Ruimte) uit de voeten kunnen, vraag ik mij af hoe we dat goed gaan regelen. Ik kan me de behandeling van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 herinneren. Toen zaten we ook te wachten op die AMvB Ruimte. Als er op decentraal niveau niet goed met zo'n AMvB kan worden gewerkt, vraag ik mij af wat de Minister daaraan gaat doen.

De heer De Rouwe (CDA): Voorzitter, zou u mij een seintje willen geven op het moment dat mijn laatste minuut ingaat? Althans in dit debat. Ja, anders denkt u direct: wat is dit voor een tekst?

De voorzitter: Ja.

De heer De Rouwe (CDA): Dank u wel.

Laat ik even teruggaan naar een verre geschiedenis die ik recent tegenkwam. In augustus 1666 vond op de Noordzee de Tweedaagse Zeeslag plaats. Er was sprake van een heroïsch gevecht tussen de oorlogsvloten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Deze dagen zijn voor ons niet onbekend. Aan de ene kant stond onze eigen Michiel de Ruyter en aan de andere kant stond natuurlijk de Engelse schurk George Monck. De slag werd door De Ruyter verloren. Hij drukte dit als volgt uit: de slag was een tactische nederlaag, maar er was sprake van een strategische overwinning. Ik dacht dat wij in Den Haag het framen hadden uitgevonden, maar dat is 350 jaar geleden al gebeurd. De vraag ten aanzien van de Waddenzee is wat daar plaatsvindt. Die strijd is nog steeds gaande. Gaat het af en toe om een tactische nederlaag of gaat het om een strategische overwinning?

Laat ik beginnen met een heel concrete slag die daar plaatsvindt, namelijk die door de bergings- en sleepbedrijven. De neutrale positie van de Kustwacht wordt bestreden. Met name een aantal commerciële reders – zij zijn hier aanwezig – zeggen dat de Kustwacht de KNRM eigenlijk klussen meegeeft die voor de commerciëlen bedoeld zijn. Dat zou wel een heel warme relatie zijn tussen beide partijen. Laat ik vooropstellen dat in dit dossier volgens mij de ingrediënten trots, ego en eigenbelang in redelijke mate aanwezig zijn. Misschien zijn die er wel iets te veel, bij alle partijen. Ik vraag de Minister naar de huidige stand van zaken. In het verleden is er een convenant geweest. Volgens mij is dit opgezegd door de KNRM en ik blijf de geluiden horen. Ik laat alle bewoordingen hierover weg. Het belangrijkste vind ik dat de Tweede Kamer borgt dat mensen die op dat water in de problemen zijn, zo goed en efficiënt mogelijk geholpen worden. Ik ga dus geen partij kiezen voor de een of de ander, maar ik ben er in ieder geval van overtuigd dat oorlog voeren op het Wad ten aanzien van dit dossier mensen in nood volstrekt niet helpt. Graag hoor ik van de Minister welke positie zij inneemt en wat zij gaat doen om de onrust die er is, weg te nemen. Ik doe de suggestie om een commissie van wijzen in het leven te roepen die toch nog eens met alle partijen om de tafel gaat.

Ik kom op het snelvaren, want dat is ook een terugkerend dossiertje met over het algemeen veel overlast en irritatie. Het kan echter ook leiden tot gevaarlijke situaties. Het CDA bepleit op te houden met waarschuwen. Ik las wederom in de stukken dat er de afgelopen jaren veel waarschuwingen zijn gegeven en dat er af en toe een boete is gegeven. Het CDA stelt dus voor om op te houden met waarschuwen en vraagt de Minister om zich hierover expliciet uit te spreken. Er is genoeg gewaarschuwd. Wij allen weten dat de capaciteit beperkt is. Als je dan ook nog eens gaat waarschuwen, is de pakkans nihil. Wij pleiten dus voor een directe aanpak, een no-nonsense aanpak die inhoudt dat er gewoon een bekeuring wordt gegeven op het moment dat de overtreding wordt geconstateerd. Er zou sprake zijn van een heel warme relatie tussen beide partijen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben blij dat het punt van het snelvaren en de ellende die dat met zich mee kan brengen, goed tussen de oren zit. Ik denk dat ook de heer De Rouwe wel weet dat dit ergernis nummer 1 is. Intussen is er een overleg geweest met het ministerie en met recreanten. Daarin vragen de recreanten om er uiterlijk op 1 mei – er werd gezegd «eind april of uiterlijk 1 mei» en dat is volgens mij een redelijke termijn – voor te zorgen dat er niet meer wordt gewaarschuwd maar dat de gehele handhaving goed op orde is. Steunt het CDA die oproep?

De heer De Rouwe (CDA): Nee, want ik vind dat – met alle respect – eigenlijk belachelijk laat als we nu moeten afspreken dat dit op 1 april ingaat. Onze stelling is: je hebt een regel en die handhaaf je of je handhaaft niet, maar dan ga je ook geen regels opstellen. Wij hebben dus slechts één pleidooi. Dat is heel simpel, namelijk dit: houd op met waarschuwen en voer lik-op-stukbeleid. Ik wil eventueel met een motie de Kamer om een uitspraak hierover vragen. Er is in de afgelopen jaren heel veel gewaarschuwd, maar desondanks zijn er nog steeds problemen. De capaciteit om te controleren, is gering. Dat snap ik ook. Bovendien ken ik een groot aantal vaarders daar ook wel: als die eenmaal weten dat een bepaald schip op het water is, gaat het vrij snel. Wij hebben dus slechts één pleidooi, namelijk dit: gewoon handhaven, lik op stuk.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik ben het er heel erg mee eens dat er moet worden gehandhaafd, maar het probleem is dat de handhaving nog niet geregeld is. In feite is het al ingevoerd, maar er moet nog uit alle hoeken en kasten een systeem komen om te handhaven. Als je wilt beboeten, moet je die handhaving wel eerst goed op orde hebben. Er is een stok achter de deur nodig. Dat wat de heer De Rouwe zegt, heeft slechts betrekking op een deel van het grote geheel dat inhoudt dat de handhaving nog niet op orde is. Daarvoor zal wel enige tijd nodig zijn, maar ik zou graag het gevoel van urgentie met het CDA delen. Daarom wil ik graag steun voor dat andere aspect.

De heer De Rouwe (CDA): Er is wel sprake van handhaving. Dat is gewoon zo en het werkt wel, al is het misschien niet optimaal. Ik denk dat mevrouw Jacobi dat bedoelt en dan is het een genuanceerder verhaal. Er zijn de afgelopen jaren namelijk al sporadisch boetes uitgedeeld. Wij slaan erop aan dat wij in stukken lezen dat er keer op keer vriendelijk gewaarschuwd wordt. Die momenten van waarschuwen zijn wat ons betreft nu voorbij.

Wat de scheepsbrandstoffen betreft, spreek ik van een heksenbrouwsel. Er wordt allerlei rotzooi in gegooid omdat ook wat dat betreft handhaving op internationaal niveau beperkt is. Het CDA heeft meerdere keren gepleit voor een doelmatige, realistische en mondiale aanpak. Je kunt de wens hebben om dit met heel goede, begrijpelijke pleidooien vanuit Nederland te regelen, maar dat is onzin, weggegooide energie en weggegooid geld. Regel dit mondiaal. In een eerder debat hadden alle Kamerleden de mond vol van Singapore, van het systeem dat daar kennelijk goed draait. Ik hoor daar nu niets meer over. Ik zou die lijn toch willen bestendigen en vraag de Minister dus hoe het zit met het licentiesysteem. Ziet zij dat nog steeds zitten? Zo ja, kunnen we daar echt iets van leren? Mijn beeld is namelijk – ik heb er verder niet veel verstand van – dat mondiaal de mensen die er verstand van hebben, naar Singapore wijzen.

De voorzitter: U hebt nog een minuut.

De heer De Rouwe (CDA): Voorzitter, dank u wel.

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen die zijn gemaakt over de vaargeul rond Ameland. Mevrouw De Vries heeft wat dat betreft volgens mij de vinger wel op de zere plek gelegd.

Ik vraag tenslotte aandacht voor twee regio's, namelijk voor Texel en Holwerd aan Zee. Voor beide regio's geldt dat er initiatieven zijn van de samenleving. Het CDA steunt deze. Ik heb er niet veel behoefte aan om heel veel woorden uit te spreken over regie en organen die allerlei dingen regelen. Die doen ongetwijfeld goed werk, maar ik wil het graag heel dicht bij de mensen houden.

In Texel is er een initiatief om bij Oudeschild een afsluitbare binnenhaven te realiseren. Ik vraag de Minister of zij haar expertise vanuit Rijkswaterstaat daarvoor ter beschikking kan stellen. Dit is een heel klein, mooi project, maar de kennis op lokaal niveau is wat beperkt.

Holwerd aan Zee is een heel mooi project dat wij al vaak hebben genoemd en volgens mij hebben ook andere partijen dat gedaan. Volgens mij gaat de Minister binnenkort naar dat gebied. Misschien kan zij dit bevestigen of ontkennen. Mocht zij niet gaan, dan verzoek ik haar om daar alsjeblieft te gaan kijken. Welke rol kan het Rijk in dat project spelen? Het is een heel mooi initiatief van onderop. Ik zie de reactie over het Waddenfonds. Een en ander is nu bij de provincies heel goed geregeld. Laten wij, Kamerleden, daarover niet te veel pretenties hebben. De opmerking die gemaakt is – ik denk dat die eerder van het vaste land kwam – spreekt ons wel aan. Het Waddenfonds zou naar onze mening bij het project Holwerd aan Zee betrokken kunnen, mogen of zelfs moeten worden.

De voorzitter: Dank u wel. We zijn hiermee gekomen aan het eind van de eerste termijn van de Kamer.

De vergadering wordt van 11.35 uur tot 11.45 uur geschorst.

De voorzitter: Ik zal tijdens de beantwoording van de Minister twee interrupties per commissielid toestaan.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik zou graag willen dat u drie interrupties per commissielid toestaat, want we hebben tijd genoeg.

De voorzitter: Laat ik royaal zijn en het mevrouw De Vries gemakkelijk maken. Ik sta drie interrupties toe. Ik draag het voorzitterschap over aan mevrouw De Vries, zodat ik even naar een plenair debat kan.

Voorzitter: De Vries

De voorzitter: Twee of drie interrupties maakt niet heel veel uit. Ik geef het woord aan de Minister.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Ik heb de beantwoording ingedeeld in drie onderdelen. Het eerste onderdeel is de Noordzee en de discussie die daarover heeft plaatsgevonden. Het tweede onderdeel waarop ik zal ingaan, is het Waddengebied en mijn derde onderdeel is het beantwoorden van de vragen over de olielozingen.

Mevrouw Jacobi heeft over de Noordzee gezegd dat zij blij is dat er een gebiedsagenda is. Zij vraagt naar de uitvoering en vraagt wanneer de Kamer kennis kan nemen van de stand van zaken. De visie op en de actiepunten met betrekking tot de Noordzee 2050 Gebiedsagenda heb ik opgenomen in het Ontwerp Beleidsnota Noordzee 2016–2021. Er is een interdepartementaal team voor het uitwerken van de internationale Noordzeestrategie. Samen met kustprovincies en gemeenten brengen we op dit moment de verbinding tussen land en zee verder in kaart. Acties worden ook al in de praktijk gebracht; EZ heeft al een aantal workshops georganiseerd over het thema «bouwen met de Noordzee-natuur», er is contact met kennisinstellingen over de benodigde kennis voor een ecologisch verantwoorde ontwikkeling op zee en er wordt vervolgonderzoek gedaan naar bijvoorbeeld de kansen van het verkrijgen van energie uit zeewater. Dat onderzoek is al bijna afgerond. De resultaten daarvan zijn van belang voor het masterplan voor de energietransitie op zee tussen 2030 en 2050. EZ neemt daarin het voortouw. Er gebeurt dus al vrij veel om de mooie ideeën die we in de gebiedsagenda hebben opgenomen, daadwerkelijk uit te voeren.

Ook de Partij voor de Dieren heeft gevraagd naar de Noordzee. Mevrouw Ouwehand zei dat dat wat ik opschrijf, goed klinkt maar dat zij er eigenlijk niet zoveel vertrouwen in heeft wat de uitvoering betreft. Als zij kijkt naar de uitvoering, vraagt zij zich af of ik dat wat ik wil behalen, daadwerkelijk zal behalen. Ik geloof dat wij, met de wijze waarop wij een en ander hebben vormgegeven – de aanwijzing van de gebieden door de Staatssecretaris en de ideeën en plannen die wij voor de Noordzee hebben – de natuurlijke toestand van de Noordzee echt goed kunnen beschermen. De Voordelta en de Noordzeekustzone kennen allebei één beheerplan met concrete maatregelen. De plannen voor gebieden buiten de twaalfmijlszone komen er ook aan en Natura 2000 werkt ook door buiten de gebieden. We houden daar dus nadrukkelijk rekening mee, bijvoorbeeld door die molens niet daar te plaatsen waar ook vogels er last van hebben. Denk aan het Friese Front. Ik hoor dat mevrouw Ouwehand haar zorg uitspreekt met de woorden: als u slechts een aantal gebieden aanwijst ... Zou daartussen niet een verbinding moeten plaatsvinden? Naast de Natura 2000-gebieden op zee wordt in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) een maatregelenpakket bekeken waarin de samenhang van die gebieden ook aan de orde komt. Daarin komen ook extra bodembeschermende maatregelen aan de orde voor de Centrale Oestergronden en het Friese Front. Die zijn ook opgenomen in de Ontwerp Beleidsnota Noordzee 2016–2021. Het gaat dus niet alleen om de gebieden die zijn aangewezen, want die samenhang en extra bodembeschermende maatregelen komen ook in die beleidsnota aan de orde.

Mevrouw Ouwehand vraagt wanneer het kabinet afgerekend kan worden op het al dan niet realiseren van het, zoals zij dat zegt, paradijselijke plaatje. In 2020 kan het kabinet worden beoordeeld en zo nodig worden afgerekend op het realiseren van een goede milieutoestand, zoals die is geformuleerd in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Het conceptpakket aan maatregelen ligt nu ter inzage. U kunt dus zien wat we van plan zijn om te doen.

Ik ga iets dieper in op de aanwijzingen die zijn gedaan door de Staatssecretaris van Economische Zaken. Daarbij is uitgegaan van kwalificerende soorten. U ziet dat ik, als ik op een ander terrein actief ben dan mijn eigen terrein, niet meer kan lezen wat er staat. Maar goed, daarbij is uitgegaan van kwalificerende soorten. Er is een beperking op basis van ecologisch onderzoek, de gebieden liggen ver uiteen – er is sprake van een afstand van 50 tot 60 kilometer – en er is geen ecologische noodzaak om die met elkaar te verbinden. Als je die gebieden met elkaar verbindt, is ongeveer de gehele Noordzee tot beschermd gebied aangewezen. We monitoren de ontwikkeling. Afhankelijk daarvan kunnen er in de toekomst eventueel extra beheerafspraken gemaakt worden, namelijk als blijkt dat er issues zijn. Dit is een korte samenvatting, ook namens de Staatssecretaris van EZ. Wij hebben het idee dat de combinatie – enerzijds wordt de Noordzee door verschillende partijen gebruikt en anderzijds willen we de natuur goed beschermen – op een goede manier is vormgegeven door bepaalde gebieden aan te wijzen, doordat wordt gemonitord en doordat rekening wordt gehouden met de gebieden daartussen zonder dat er een moratorium op de Noordzee wordt aangelegd wat tot gevolg zal hebben dat daarvan geen gebruik meer kan worden gemaakt. Uiteindelijk gaat het natuurlijk niet zozeer om de vraag of het gebruikt wordt, maar veel meer om de vraag welke situatie we in de toekomst willen bereiken en hoe we die kunnen bereiken, inclusief medegebruik van de Noordzee door anderen dan de vissers.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dank aan de Minister voor haar beantwoording van de vragen over het natuurdossier, met al het jargon dat daarbij hoort. Ik heb haar het woord «habitattype» nog niet horen zeggen, maar dat is ook een van die discussiepunten. Onze zorg is helaas niet weg. Op papier lijkt het allemaal oké, zoals ik in mijn inbreng al meldde, maar we worden echt gewaarschuwd dat de maatregelen die nu worden uitgevoerd, wel leiden tot het herstel van de lokale natuurwaarden maar nog niet tot ecologische veerkracht, terwijl het kabinet toch zegt dat we daarnaartoe moeten. Het is nu 2015. Over vijf jaar is het dus al 2020. Dat is behoorlijk snel. Ik vraag mij af waarom het kabinet, gezien de waarschuwingen dat de ecologische stabiliteit met deze maatregelen niet gerealiseerd wordt, niet serieuzer kijkt naar extra aanvulling en bijvoorbeeld de Duitse aanpak volgt bij de Borkumse Stenen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik was dan ook nog niet klaar met mijn beantwoording. De Partij voor de Dieren heeft inderdaad gevraagd naar de samenhang tussen de Natura 2000-gebieden en andere aan te wijzen gebieden, bijvoorbeeld de Bruine Bank en de Borkumse Stenen. Ook dat is voor mij een nieuw begrip, kan ik u bekennen. In de loop van het jaar wordt duidelijk welke gebieden worden aangewezen in het kader van Natura 2000. In het conceptmaatregelenpakket van de Kaderrichtlijn Marine Strategie wordt de samenhang van de beschermde gebieden nader bekeken. Dat is het antwoord dat ik doorkrijg van EZ. Ik hoor uw zorg. Tegelijkertijd denk ik dat wij een goed, samenhangend pakket hebben. De maatregelen zijn inzichtelijk, zodat we daarop aangesproken kunnen worden in 2020. Ik denk daarom dat het gewoon een kwestie is van met elkaar in debat blijven gedurende de komende jaren, om te zien of we het inderdaad goed doen. We monitoren ook op dat vlak. Ik wil dus niet bij voorbaat zeggen dat het niet gaat werken, want ik geloof dat dit een goed maatregelenpakket is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb nog een korte vervolgvraag. Bij de uitvoering van Natura 2000 is er druk vanuit de Europese Commissie: als Nederland het niet doet, volgt er een sanctie. Bij het OSPAR-verdrag is dat niet het geval. We hebben niet voor niets het internationale OSPAR-verdrag getekend. Daarin staan echt heldere richtlijnen over hoe de ecologische kwaliteit van de Noordzee beschermd moet worden. Kan de Minister toezeggen dat het OSPAR-verdrag leidend zal zijn, ook al zit er geen juridische verplichting achter met de EC die een inbreukprocedure zou kunnen starten?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dat kan ik niet toezeggen, want ik kan daar nu absoluut niet de consequenties van overzien. We hebben een maatregelenpakket. We monitoren. De vraag op welke wijze we monitoren en welke uitgangspunten we daarbij gebruiken, is voor mij nu te veel een detailvraag. Dus nee, ik kan dat niet toezeggen. We hebben niet voor niets nu beleid naar de Kamer gestuurd, plus monitoring en een maatregelenpakket om aan te geven hoe we het willen aanpakken. Dat wil ik vooralsnog als uitgangspunt hanteren.

Mevrouw Jacobi vroeg mij waarom er nog geen schelpenbanken zijn in 2015.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik vroeg niet waarom ze er nog niet zijn; ik vroeg wanneer de uitvoering zal plaatsvinden zoals bepaald in de uitvoeringsagenda.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voor deze pilot is in 2014 onderzocht wat de mogelijkheden zijn. De actie over schepen- en oesterbanken die genoemd wordt in de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, is in het maatregelenpakket van de Kaderichtlijn Marine Strategie verder uitgewerkt, onder de titel bodembeschermende maatregelen. Een en ander staat ook in de Ontwerp Beleidsnota Noordzee 2016–2021. Het is natuurlijk heel mooi dat we dat allemaal zo beschrijven, maar de vraag is dan natuurlijk wel wanneer ze er komen. Ik zal dat voor u uitzoeken en ik laat het u weten, in de tweede termijn en anders schriftelijk.

Het tweede onderwerp waarover ik kom te spreken, is het Waddengebied. In dat kader is gevraagd naar de voortgang bij de Eems-Dollard. Er wordt tevreden gekeken naar de voortgang die er is. Het is daar inderdaad weleens een halve oorlogssituatie geweest, waarbij schepen van de Duitse energiecentrale betonblokken stortten op ons grondgebied en schepen van Rijkswaterstaat daaromheen voeren om deze en gene echt aan te kunnen pakken. Het leek wel even de zeeslag die de heer De Rouwe noemde, maar dan een aantal jaar geleden. Inmiddels is het echter een stuk beter. Diplomatiek overleg heeft ervoor gezorgd dat we afspraken hebben kunnen maken over beheer en grenzen van gebieden. Zelfs over punten waarover we geen afspraken konden maken, hebben we in ieder geval kunnen afspreken hoe we daar in de toekomst mee omgaan.

Gevraagd is hoe het er nu mee staat. Wordt er wel genoeg integraal gewerkt wil mevrouw Jacobi weten, onder andere naar aanleiding van het Rekenkamerrapport. Integrale aansturing is wat mij betreft geen probleem. Er is een Eemscommissie, die een integraal managementplan heeft dat door EZ samen met Duitsland uitgewerkt wordt. De provincie voert het ecologie- en economieoverleg. Tot slot zit ook dit gebied als gebiedsopgave Noord-Nederland in het MIRT. We doen er dus MIRT-onderzoek naar. Ook daarin kijken we met een integraal oog naar het gebied. De integraliteit wordt dus op drie gebieden geborgd. Wij weten precies wat op die drie terreinen plaatsvindt, zodat dat in de Gebiedsagenda weer samen kan komen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Als het een gebied was waar op sociaal gebied in Nederland weleens iets gebeurt, zou ik geen interruptie plegen, maar het is een heel ... De Minister sprak over een «oorlogsgebied»; ik heb het over iets wat moeizaam tot helemaal niet en nooit van de grond komt. Jaarlijks besteedt de NOS wel een keer aandacht aan de dode rivier en zo. Het is belangrijk dat de Kamer ervan overtuigd wordt dat er echt maximale afstemming zal plaatsvinden en dat iedereen op de uitvoeringsagenda gaat zitten, zodat een en ander echt van de grond komt. Dat soort passie en drive mis ik een beetje in de beantwoording. Misschien kan de Minister er extra tegenaan gaan, in het dringende besef dat dit niet zomaar een kwestie van even afstemmen is en dat er meer moet gebeuren dan even een overlegje af en toe over hoe het gaat. Dat is lang niet genoeg in dit geval.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Mevrouw Jacobi vroeg mij of er integraal gekeken wordt. Ja, er wordt integraal gekeken en ook integraal overlegd. Zij vraagt mij nu of ik ook aan de slag ga in dit gebied. We doen natuurlijk niet voor niets een MIRT-onderzoek; dat doen we om serieus te kijken of we aan de slag willen. Dat hangt echter ook af van de financiering. De opgaven die er liggen, zijn groot en de prioriteiten die we hebben, stellen we altijd over het hele land vast. Wat mij betreft loopt het gewoon mee in het MIRT, maar zal het uiteindelijk ook vergeleken worden met allerlei andere opgaven, zowel binnen de regio als tussen landen. Dus ja, ik ben zeker bereid om naar de concreetheid ervan te gaan. Ik heb geprobeerd om aan te geven dat we dat eigenlijk al doen. Dat betekent echter niet dat er al een budget en een uitvoeringsagenda zijn. Het zijn heel complexe en dure vraagstukken, waarvan het de vraag is of ze opgelost gaan worden en door wie dan. Dat is ook heel erg afhankelijk van de financiering.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Juist omdat het heel complex is – dat besef ik zeer zeker – moet het stapje voor stapje gebeuren. Ik zou echter heel graag van de Minister horen dat zij er bovenop gaat zitten om het met Duitsland maximaal af te stemmen, zonder dat geld straks de reden wordt dat het niet door kan gaan. Het zal ook wel door moeten gaan, want anders krijgen we een ingebrekestelling. Ik zou graag willen dat de Kamer met een termijn van een halfjaar of iets langer op de hoogte wordt gehouden van de manier waarop dit zich ontwikkelt en de afstemming met Duitsland voor elkaar wordt gebracht.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De Kamer zal zeker op de hoogte worden gehouden; daar hebben we de MIRT-overleggen met de Kamer voor. Het MIRT-onderzoek zal ook duidelijkheid geven over de vraag welke maatregelen nodig zijn en welke financiering daarvoor mogelijk is. Dat zullen we vanuit het Rijk bekijken, maar het wordt ook bekeken door de provincie. Het overleg met Duitsland vindt nu gestructureerd plaats met EZ. Dit zal erbij betrokken worden. Zoals bekend draaien EZ en BZK gewoon mee in de MIRT-onderzoeken. Dus wat dat betreft zal de Kamer daar transparant op kunnen toezien. Mevrouw Jacobi weet dat we ermee aan de slag zijn. Ik kan echter nu niet overzien hoever het gaat en wat er gaat gebeuren. Daarvoor moet ik eerst zien wat eruit komt.

De VVD-woordvoerder heeft gevraagd naar het werelderfgoed op de Wadden. Wat doen we ermee? Kunnen we er niet nog meer mee gaan doen? Er wordt op dit moment op verschillende vlakken gewerkt aan een ontwikkeling van het werelderfgoed. Door het Ministerie van EZ, de provincies en de gemeenten is twee jaar geleden een coördinator werelderfgoed aangesteld. Deze zorgt voor betere zichtbaarheid en grotere bekendheid van de Waddenzee als werelderfgoedgebied. Vanuit het programma Naar een Rijke Waddenzee is recent een verkenning uitgevoerd naar de programmalijnen voor een programma werelderfgoed. Op dit moment wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een gezamenlijk streefbeeld. Met andere woorden: hoe wil je het gebied in de markt zetten en hoe wil je het gebied laten beleven? Dit gebeurt in samenspraak met de organisaties die begin 2014 tijdens de regeringsconferentie Waddenzee in Tønder de visie op de strategie voor duurzaam toerisme ondertekend hebben. Er wordt nu met provinciale marketingorganisaties gekeken hoe de marketing van het gebied kan worden opgezet. De recreatieondernemers worden daar direct bij betrokken. Ik heb dus het gevoel dat er op dit moment heel veel gaande is.

De PvdA vroeg naar het overleg met de voorzitter van het Regiecollege Waddengebied. Ik vroeg nog even door waarover er dan overlegd moet worden. Het bleek te gaan om hoe het nu gaat. Daar ben ik altijd toe bereid. We zien elkaar ook af en toe. Het lijkt me prima om te spreken over de voortgang, maar ik ga er ook van uit dat als colleges mij willen spreken, zij mij wel aan mijn jasje trekken. Het is niet echt een punt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Het mag natuurlijk wel gezellig zijn, maar waar het vooral om gaat, is dat het Regiecollege Waddengebied een goede lijn heeft uitgezet, onder andere één beheerpunt per 2018. Maar in het veld hoor ik nog weleens over het regiecollege – het hangt natuurlijk af van de persoon die erin zit – dat het allemaal wel heel zwakjes is. Als een gemeente zegt: «ik doe lekker niet mee», is er geen enkel middel om die gemeente er weer bij te slepen. Ik denk dat het dus vooral daarover moet gaan. Het centrale onderwerp moet wat mij betreft de vraag zijn of het regiecollege voor nu en voor de toekomst voldoende uitgerust is om op deze goede voet door te gaan.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik begrijp dat mevrouw Jacobi vraagt of ik wil verkennen of het Regiecollege Waddengebied voldoende bevoegdheden heeft. Ik wil gaarne die vraag stellen. We hebben echter ook met elkaar in deze Kamer vastgesteld wat de bevoegdheden voor de toekomst zijn. Als daar al een verandering in plaatsvindt, zal die altijd eerst weer aan de orde moeten zijn in de Kamer.

De heer De Rouwe (CDA): Dan wil ik wel even weten welke kant het balletje op gaat rollen. Volgens mij hebben wij hier namelijk besloten dat het Regiecollege Waddengebied niet zomaar even kan ingrijpen. Ik snap dat de PvdA weer een top-downbenadering wil van een club goedwerkende mensen die mogelijk gevraagd heeft: geef ons bevoegdheden om onwillige gemeenten bij de les te roepen. Maar die gemeenten zijn democratisch gekozen. Gaan we hier opnieuw een discussie voeren over organisaties die allemaal nieuwe bevoegdheden krijgen? Mag ik een oordeel van de Minister horen, om te weten welke kant we uitgaan?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij hoorde u net al in mijn beantwoording het oordeel, namelijk toen ik zei dat we hier met elkaar de bevoegdheden hebben vastgesteld. Als er überhaupt al een ander voorstel komt, hebben we daar dus eerst hier discussie over. Zoals de heer De Rouwe weet, ben ik groot voorstander van lokale autonomie. Ik vind het belangrijk dat organen die democratisch gekozen zijn, maar ook gemeenten waar mensen wonen en werken die heel goed kunnen bepalen wat er goed is voor dat gebied, in eerste instantie aan het woord zijn. Maar ik wil nu niet verzeild raken in een discussie van «wij tegen zij» dan wel «zij tegen zij». Ik heb het idee dat de samenwerking op het moment goed verloopt en dat er zich niet echt problemen voordoen, maar ik ga graag een keer in gesprek om te bekijken of er inderdaad issues spelen.

De heer De Rouwe (CDA): Ik hoorde de Minister zeggen dat zij het gaat uitzoeken. Dan ben ik benieuwd wat ze gaat uitzoeken. Ik zou het risicovol vinden als de Kamer zelf een nieuwe discussie wil over structuur en bevoegdheden, terwijl we daar de afgelopen jaren heel veel tijd in hebben gestoken en het nu allemaal draait. Ik vind het eerlijk gezegd ook niet nodig. Vindt de Minister het zélf nodig om een organisatie die we met elkaar hebben opgetuigd en waar vast plussen en minnen aan zitten, nu te gaan herzien of te evalueren?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik was zelf niet tot de conclusie gekomen dat dit nodig was, omdat, zoals ik net al zei, ik het gevoel heb dat de samenwerking tussen gemeenten en regiecollege goed verloopt. Mevrouw Jacobi heeft mij gevraagd om aan de voorzitter van het regiecollege te vragen of dat ook zo is. Ik spreek hem af en toe. Ik vraag dat met liefde, om het maar zo te zeggen. Ik heb ook aangegeven dat ik niet het gevoel heb dat er een issue is. Mocht er wel een issue zijn dat mij tot andere gedachten brengt over de wijze waarop we alles opgezet hebben, dan kom ik vanzelf wel terug naar de Kamer. Ik denk dat we er op dit moment niet te veel ons hoofd over moeten breken.

De heer De Rouwe (CDA): Dat is ook mijn stelling. Prima.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De VVD-fractie spreekt over de wens dat er gewerkt wordt met één beheerder. Zijn er niet te veel verschillende diensten met verschillende regels? Moet Rijkswaterstaat daar geen zwaardere rol in hebben? Ik heb een aantal vragen bij elkaar gepakt. De Samenwerkingsagenda Rijk voor de verbetering van het beheer van de Waddenzee heeft juist de ambitie om in 2018 te werken als één beheerder met één integraal operationeel beheer- en inrichtingsplan als basis. Van belang is dat het beheer van de Waddenzee nu bij verschillende partijen is belegd, ook vanwege de wettelijke verantwoordelijkheden voor natuurbeleid, visserij, mijnbouw, waterveiligheid en milieubeleid. Binnen de samenwerkingsagenda is er daarom voor gekozen om meer samenwerking van onderop vorm te geven, zonder eerst de wettelijke structuur aan te passen. Als we dat doen, zijn we namelijk eindeloos veel tijd verder. In 2016 wordt de voortgang hiervan geëvolueerd. Ik stel de Kamer graag op de hoogte van deze voortgang, zoals mevrouw De Vries mij vroeg. Echter, ik denk dat we op dit moment te ver op de troepen vooruit lopen als we zouden kijken of er nu al een zwaardere rol voor RWS nodig is. Bijvoorbeeld naar aanleiding van de evaluatie zou je in 2016 echter wel kunnen bekijken of dat nodig is.

Mevrouw De Vries vraagt hoe het staat met de vergunningen. Die worden nu op overheid.nl en waddenzee.nl gepubliceerd. Ik geloof dat zij ze of niet kon vinden of aangaf dat niemand ernaar keek. We hebben gezien dat waddenzee.nl gemiddeld 2.400 keer per dag wordt bezocht. Dat vind ik best veel. Op dit moment zijn de vigerende vergunningen van de Natuurbeschermingswet vanuit het Rijk en de provincies, én de vergunning van Rijkswaterstaat en de waterschappen ook ontsloten via een vergunningenregister dat is opgenomen op waddenzee.nl. Het register wordt nu geactualiseerd en aangevuld met vergunningen van gemeenten en visserijvergunningen. We bekijken hoe we de website gebruiksvriendelijker kunnen maken. Er wordt gewerkt aan een portaal voor vergunningen waarmee ook de achterliggende gegevens kunnen worden ontsloten. Er wordt ook gekeken naar ontsluiting van het portaal via overheid.nl. Er wordt op dit moment samengewerkt met de RUD's. Als ondernemende partijen zeggen dat het niet helder is of dat het niet de juiste plek is, vind ik het helemaal niet gek om te bekijken of we bijvoorbeeld een link kunnen initiëren tussen wat hier op de site staat en wat er staat op andere sites, die meer door hen gebruikt worden. Ik vind dat je het gebruiksgemak voorop moet stellen en niet alleen maar moet kijken naar de plek waarop je het zelf het beste kunt organiseren. Met het maken van linken is dat helemaal niet zo ingewikkeld.

Dan is er een vraag gesteld over het Waddenfonds en over de budgetten die naar economie gaan versus de budgetten die naar ecologie gaan. Gebeurt het wel op een goede manier, zodat er ook echt sprake is van een economische stimulans? Wat ik weet, is dat de uitgaven in het Waddenfonds bijna fiftyfifty verdeeld zijn over ecologie en economie. Het betreft directe maar soms ook indirecte uitgaven voor de economie. Subsidies worden niet verstrekt in het kader van het beperken van de visvangst, maar er gaan wel bedragen naar ecologische projecten die weer een indirecte economische spin-off hebben. Andersom zijn er ook economieprojecten die een ecologische spin-off hebben. Bij de aanvragen wordt vrij transparant beschreven wat waarvoor geldt en wat in welke categorie valt. Een voorbeeld zijn de infrastructurele projecten. Die zijn bedoeld voor het versterken van de regionale economie, maar indirect komt dat natuurlijk weer ten goede aan bedrijven.

Mevrouw De Vries stelde een vraag over de vaargeul Ameland. Er wordt inderdaad al even gediscussieerd over de precieze oorzaak van de verstoringen. Dat komt mede doordat niet helder aan te wijzen is wat precies de problemen zijn. Wij signaleren dat er een variatie aan factoren is, vooral niet-beïnvloedbare factoren zoals weersomstandigheden, lage waterstanden, technische storingen en vertragingen bij lossen en laden. Er is vaak discussie over de vraag of de breedte van de vaargeul een probleem vormt. Het is een natuurlijk systeem. Wij houden de vaargeul naar de eilanden bij, maar de breedte van de vaargeul kan echt alleen een factor zijn in geval van extreem lage waterstanden. Dat is dus niet wat er aan de hand is, gezien de grote hoeveelheid storingen in de veerverbinding. Alleen als er extreem lage waterstanden zijn, is er slechts een smalle geul beschikbaar waardoor er minder snel gevaren kan worden.

De vraag is dan wat de oplossing moet zijn. Ik vind het prima om nog een keer te bekijken hoe we eraan kunnen trekken en wie er het beste aan kan trekken. Maar als ik het zo begrijp en er zo naar kijk, zitten er vrij veel factoren in die redelijk onbeïnvloedbaar zijn en die vooral te maken hebben met het weer en de lage waterstanden. Technische storingen en vertragingen bij lossen en laden kun je misschien nog wel oplossen, maar dat is in ieder geval de impressie die wij hebben. Ik zal nog eens vragen of we in een gesprek kunnen bezien of er een bepaalde kant op valt te duwen, want ik snap heel goed dat de mensen bereikbaar willen zijn.

De heer De Rouwe (CDA): Ook het CDA sloeg aan op deze vraag, maar mevrouw De Vries had hem al gesteld. Prima. Ik heb wel een vervolgvraag. Het Rijk heeft volgens mijn fractie twee rollen in deze discussie. Het is namelijk ook concessieverlener. Ik snap de opmerking over de natuurlijke ontwikkelingen en daar heb ik ook begrip voor, maar ik wil ook die tweede rol meegeven aan de Minister. Zij is ook concessieverlener in dit gebied. Als ik lees dat afgelopen jaar een op de vijf tochten vertraging had, vind ik echt dat er meer gedaan moet worden dan alleen een goed gesprek voeren. Ik wil de Minister echt aanmoedigen. Ik voeg daar nog aan toe dat het goed is om ook even te kijken naar de communicatie. Ik krijg signalen uit de regio dat vertragingen en storingen niet altijd duidelijk gecommuniceerd worden. Neem de mensen daar ook in mee. Mag ik dat als extra aandachtspunt meegeven?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Zeker. De heer De Rouwe heeft gelijk; het is inderdaad zo dat onze Staatssecretaris ook alle veren inbesteedt. Van daaruit zullen we de coördinerende rol oppakken om te bezien hoe we het verder kunnen verbeteren. We zullen ook aandacht vragen voor de communicatie. Net als bij het spoor is het ook bij de veren en op allerlei andere plekken van belang om dat op een heldere wijze te doen. Ik noemde echter vooral deze feiten om de impressie te geven dat het misschien niet zo gemakkelijk op te lossen is. Ik doe ook altijd wat aan verwachtingenmanagement.

De heer De Rouwe (CDA): Het begrip is er wel, denk ik, ook hier in de Kamer. Fijn dat de Minister dit zo wil oppakken. Kan zij de Kamer ook informeren over de verschillende rollen en de stand van zaken? Het onderwerp komt regelmatig terug in de Kamer. Het is belangrijk dat we weten wat we kunnen verwachten. Misschien mogen we daar een afspraak over maken.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dat is natuurlijk altijd goed. Het is volgens mij zo dat de Staatssecretaris vaste overleggen heeft over het ov. Volgens mij zitten de veren daar ook in. Misschien kan het daarbij worden gevoegd, zodat het niet een aparte brief wordt. Ik kan het echter in alle vormen aanleveren bij de Kamer.

Voorzitter: Harbers

Mevrouw De Vries (VVD): Ik ben benieuwd wanneer dat zou kunnen. We zouden het op prijs stellen als het bijvoorbeeld voor 1 mei kan. Ik pleit echter wel voor een aparte analyse van de problemen die er nu zijn en van de oplossingsmogelijkheden. Het kan zijn dat dit deels moet via Rijkswaterstaat, maar het zou ook via de concessie kunnen, zoals het CDA al zei. Wat ons betreft krijgen we hier een separate analyse, en wel voor 1 mei.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voor 1 mei is goed. Natuurlijk zal de analyse separaat gemaakt worden. Als er tegen die tijd ook iets is betreffende het ov, sturen we die analyse daarbij mee. Als dat er nog niet is, sturen we die in een aparte brief op.

Er is gevraagd of bij de evaluatie van de Waddenzee ook de economie en de ondernemers worden meegenomen. Ja, dat zullen we doen.

De SP-fractie heeft gevraagd waarom niet conform het advies van de Rekenkamer ervoor is gekozen om één natuurbeheerder voor de Waddenzee aan te wijzen. Dat is dus een andere discussie dan die over de eindbeheerder. De verantwoordelijkheid voor het beheer van de Waddenzee is in verschillende wetten neergelegd: de Natuurbeschermingswet, de Waterwet, de Visserijwet en de Mijnbouwwet. Er is voor gekozen om die verantwoordelijkheden intact te laten en om vanuit de beheerders zelf een gezamenlijke agenda voor de versterking van het beheer op te stellen. Daarbij werken we stapsgewijs toe naar optreden als zijnde één beheerder, vanaf 2018, met één gezamenlijk integraal en operationeel beheer- en inrichtingsplan, zoals ik net al zei. Het is dus niet één natuurbeheerder; we opereren wel als één beheerder, maar wettelijk gezien zijn er verschillende verantwoordelijkheden.

Dan is er gevraagd naar het ILT-rapport waarin staat dat de regels van het Besluit ruimtelijke ordening door gemeenten meestal niet goed worden nageleefd. Allereerst merk ik op dat de materiële gevolgen voor de Waddenzee door ILT niet uitvoerig zijn onderzocht. Hoewel ILT concludeert dat de beoogde ontwikkelingen meestal bescheiden van aard zijn en de gevolgen volgens de provincies meevallen, acht ik het in het kader van zorgvuldigheid raadzaam om nader onderzoek uit te voeren. Dat zullen we ook doen. Ik zal voordat ik de Kamer nader informeer de rapportage van dat nader onderzoek afwachten. Dat is op dit moment in de maak. Daarna laat ik de Kamer weten hoe het ermee staat.

Er liggen nog vragen over het project Holwerd aan Zee en over de binnenhaven van Texel. Ik kom eerst te spreken over Holwerd aan Zee. Gisteren heb ik overleg gehad met de initiatiefnemers van dit project. Zij hebben 9 februari een symposium, maar dan heb ik al andere activiteiten, ook extern. Het is moeilijk om jezelf te splitsen. Ik ga dus niet daarheen. Zij zijn echter bij mij geweest en we hebben ook een filmpje opgenomen voor het symposium. Ik heb gezegd dat ik het een interessant initiatief vind omdat het van onderop komt en omdat het wat mij betreft een doorbraak betekent, niet alleen een doorbraak door de dijk, maar ook een doorbraak in de manier waarop je kijkt naar vraagstukken als krimp en waterveiligheid. Zie je die als een bedreiging of kun je die vraagstukken ook als een kans benaderen? Je kunt ze natuurlijk als een kans benaderen en dat doen zij op een heel interessante manier. Ik heb ook gezegd dat ik met de regio in gesprek zal gaan om te bekijken of het op de uitvoeringsagenda van het MIRT kan komen. Ik heb echter ook de andere kant aangegeven, namelijk dat als je een probleem in een gebied bekijkt, je niet slechts met één oplossing moet komen. Je zult ook een bredere analyse moeten maken. Je moet bovendien bekijken wat er financieel kan en niet kan. Er ligt een eerste MKBA, maar die is nog vrij primair. Uiteindelijk zul je moeten weten wat erin geïnvesteerd moet worden, wil je een vervolgstap kunnen zetten. Het Rijk zal dus betrokken zijn; dat was de vraag. Als Noord-Nederland dit op de gebiedsagenda wil plaatsen, zijn wij vanaf dat moment ook aan boord.

Hetzelfde geldt voor Texel. Nou ja, daarvoor geldt niet hetzelfde, want ik ken dat project nog niet. De vraag was of het mogelijk is om expertise beschikbaar te stellen. De simpelste weg is volgens mij niet om dit nu via de Kamer aan de Minister te vragen. De simpelste weg is dat men zelf aan het regionale onderdeel van Rijkswaterstaat vraagt wat er mogelijk is. Wij geven in eerste instantie altijd een inhoudelijke reactie. Ik heb alleen steeds minder mensen om mensen echt voor een langere tijd ergens te kunnen stationeren, maar als de vraag niet al te groot is, lijkt het mij dat wij daar ook snel een antwoord op kunnen geven.

Ik ga nu eerst in op de vaarroutes en de snelheden in de Waddenzee. Daarna ga ik in op de lozingen en de bergers. Er is heel veel discussie over de snelheden in de Waddenzee. Het ene Kamerlid wil een hogere snelheid, een ander Kamerlid vraagt om meer handhaving. Ik weet dat ook de recreatievaarders hier allang over spreken. Zij zeggen dat zij zich aan van alles en nog wat moeten houden, terwijl de professionele partijen daar heel hard doorheen kunnen varen. Dat is de reden waarom ik heb aangegeven dat ik doorga met de uitbreiding van de controles. Die zullen op onregelmatige tijden plaatsvinden, zowel in het weekend als doordeweeks. Het is de bedoeling dat in de loop van dit kwartaal met die controles wordt gestart. Het is dus helemaal geen probleem om te controleren. Het is ook geen probleem om te beboeten in plaats van alleen te waarschuwen; dat was een vraag van het CDA. Mevrouw Jacobi vroeg echter juist of ik de controles zou kunnen opschorten tot na het algemeen overleg van vandaag. Ik was dus een beetje in de war toen het CDA mij vroeg om beter en meer te controleren. Ik heb toen aangegeven dat dit geen nadelige gevolgen zou hebben, omdat het recreatievaarseizoen pas wat later begint, maar hoe sneller we kunnen beginnen, hoe beter dat wat mij betreft is.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Volgens mij is er sprake van een spraakverwarring. Als je regels hebt op het Wad, moet je je daaraan houden. Daar zijn wij het natuurlijk allemaal over eens. Als je die regels overtreedt, moet er wat mij betreft inderdaad niet worden gewaarschuwd, maar moet die overtreding worden aangepakt. Anders heeft het geen zin. Ik vroeg ook niet om geen controles te doen. Degenen die uit de recreatiesector komen, hebben gevraagd om een nader overleg. Het gaat erom dat er nog van alles schort aan het systeem om te kunnen handhaven. Mijn stelling is dat je voor 1 mei, dat ik echt als uiterlijke datum zou willen zien, een systeem moet hebben waarmee je bestuursrechtelijk de zaken op orde hebt. Een van hun verzoeken is om dit niet alleen te doen met een «mysteryboat» waarvan je na twee dagen weet wat die aan het doen is. Je kunt ook beelden gebruiken vanaf de vuurtoren. Het systeem moet zo op orde zijn dat alle gegevens in samenhang beschikbaar zijn, waardoor je kunt beboeten en mensen aan de regels kunt houden. We hebben hier heel mooie verhalen, maar het systeem is nog niet op orde. Ik zou zeggen: ga straks op de tribune even praten met een aantal mensen die hiermee bezig zijn. Het systeem moet eerst kloppen.

De voorzitter: Wilt u het beknopt houden?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mijn vraag aan de Minister is of zij de urgentie ervan inziet dat zij voor 1 mei het handhavingssysteem op orde kan en moet hebben. Anders zal ik echt met een motie moeten komen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik probeer een interpretatie te geven van wat ik van u hoor. Er kan nu gecontroleerd en ook beboet worden, maar het is niet op alle momenten mogelijk om een goede snelheidsmeting te doen. Dat is een van de issues. Dan wordt er een waarschuwing gegeven, want als je de snelheid niet precies kunt meten, is het moeilijk om de bewijslast te leveren. Ik denk dat dat de discussie is. Als er meer punten zijn, zal ik die verder onderzoeken en ook daarover spreken. Er is in dit verband een opmerking gemaakt over de rigid-hulled inflatable boats. Wij denken dat de inzet van die boten het juist makkelijk maakt om snelheidsovertredingen werkelijk te constateren. Eigenlijk waarschuwen we dus alleen als we een overtreding niet goed hebben kunnen constateren. Als we die wel goed hebben kunnen constateren, zullen we altijd tot beboeting overgaan.

De vraag is nu of ik voor 1 mei een 100% waterdicht proces zal hebben. Dat heb ik natuurlijk nergens, ook niet op de weg of op andere terreinen. Je moet iemand natuurlijk altijd kunnen betrappen, je moet het kunnen zien en je moet het ook kunnen meten, maar ik ben bereid om naar aanleiding hiervan dit nog een keer te bekijken, aan de sector te vragen welke specifieke issues er nog leven en hoe we het systeem sluitend kunnen maken, voor zover wij dat in onze regels kunnen doen, en hierover voor 1 mei aan de Kamer te berichten. Ik kan niet inschatten of voor 1 mei alles dichtgeregeld kan worden, maar ik zal hierover voor 1 mei berichten.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat is precies wat de groepen die zich hier druk over maken en die ik daarin steun, bedoelen. Ik vind dat dit echt goed op orde moet zijn. Er wordt gevraagd om het systeem te laten werken. Daar hoort eigenlijk het woord «traag» bij. Er is wel inzet, ook vanuit het ministerie, maar dat is al heel lang zo. Ik wil graag de toezegging dat het systeem repressief, met radarbeelden, via het strafrecht en via het bestuursrecht goed op orde zal zijn voor 1 mei.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij heb ik net toegezegd dat ik die verschillende vraagstukken in beeld zal brengen en dat ik zal bekijken waar eventueel iets aangepast moet worden. Het straf- en bestuursrecht kan ik niet voor 1 mei aanpassen, zoals u zult begrijpen. Daarbij gelden natuurlijk langere procedures. Het moet natuurlijk ook wenselijk zijn in het totaal, want strafrecht en bestuursrecht vormen een samenhangend geheel; zij zijn niet alleen voor de Waddenzee toepasbaar, maar voor heel Nederland. Nogmaals: mijn inzet is om naar aanleiding van uw vraag te bekijken wat het probleem is en hoe we dat zo snel mogelijk kunnen oplossen en om de Kamer daarover voor 1 mei te rapporteren.

Ook de VVD vroeg naar de vaarsnelheden, maar dan voor de 's nachts snel varende motorboten. Dat is natuurlijk een andere activiteit dan overdag, tussen de recreatievaart door. Op de vraag die de VVD daar in het verleden over heeft gesteld, heb ik welwillend geantwoord: ik heb aangegeven dat ik daar onderzoek naar zou doen. Dat onderzoek is nog niet afgerond. Ik heb de Kamer laten weten dat het best moeilijk aan te tonen is dat er geen negatieve effecten zijn; dat is immers waarop zo'n onderzoek zich moet richten. We doen dit jaar afrondend onderzoek. Op grond daarvan zullen we uiteindelijk een definitief besluit kunnen nemen. Het voorstel tot wijziging van het Binnenvaartpolitiereglement hebben we op 12 januari naar de Kamer gestuurd. Dat moet medio dit jaar in werking kunnen treden. Ook in dat verband kan dus al het een en ander worden gerealiseerd. Voor de watertaxi's moeten we dus nog even wachten op het laatste onderzoek naar de negatieve effecten en de bescherming van de fauna van het natuurgebied van de Wadden. Als het onderzoek geen positieve uitkomst heeft, kom ik hier terug en dan behoort dit niet tot de mogelijkheden.

Met betrekking tot de bergings- en sleepdiensten in de Waddenzee is gevraagd of er ruzie is tussen de KNRM en de bergers, en hoe die ruzie het best kan worden opgelost. Zeker in noodgevallen wil je immers geen problematische situatie. Bij zulke operaties wordt gewoon professioneel samengewerkt. De rolverdeling bij de hulpvraag van recreatievaart op de Waddenzee leidt regelmatig tot discussie tussen de KNRM en de bergers. Dat hebben we overigens ook lange tijd gehad op de weg, met Rijkswaterstaat, maar dat is al een aantal jaren geleden opgelost. Ik zal dus ook even bekijken hoe dat een beetje goed opgelost is. In het geval van assistentie aan vaartuigen stellen de bergers zich op het standpunt dat de KNRM de werkzaamheden aan hen moet overlaten. De KNRM kan haar diensten op verzoek van bijvoorbeeld een schipper of eigenaar wel aanbieden; in een noodsituatie komt dat weleens voor. Het is uiteindelijk natuurlijk aan de hulpvrager om te beslissen van wie hij de hulp aanvaardt. De Kustwacht speelt daar in principe geen rol in. Ook wij willen geen spanningen tussen de KNRM en een berger als zich een noodsituatie voordoet. De KNRM verleent primair hulp aan opvarenden, maar soms moet je daarvoor ook het vaartuig in veiligheid brengen. Ik stel mij voor dat de Kustwacht daarin een soort bemiddelende rol gaat spelen en met de verschillende partijen weer aan tafel gaat, zoals ook gevraagd wordt. In de brief van de Kustwacht is het aanbod gedaan om die partijen bijeen te brengen. Ik heb er vertrouwen in dat dit uiteindelijk kan leiden tot een aantal ordentelijke afspraken waarbij iedereen gebaat is.

De heer De Rouwe (CDA): De Kustwacht is een onderdeel van deze discussie. Ik ga niet in dit conflict treden, want daar heb ik helemaal geen kennis van. Ik neem alleen kennis van de geluiden die ik hoor. Daarin speelt ook de Kustwacht een rol. Is het verstandig om een van de partijen die zelf een onderdeel is van de discussie, dit te laten doen? Daarom vraagt de CDA-fractie of het niet verstandig is om iemand van buiten hiernaar te laten kijken. Dit smeult al langer. Het convenant is opgezegd. Daar is verder geen antwoord op gegeven. Het blijft maar etteren.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voor zover ik het heb begrepen, speelt de Kustwacht geen rol, omdat de Kustwacht niet bepaalt of de hulpvrager via de KNRM of via de berger zijn vaartuig laat afvoeren. De Kustwacht is natuurlijk alleen verantwoordelijk voor de search- en rescue-activiteiten en heeft ook aangeboden om een bemiddelende rol te spelen. Volgens mij moet je altijd eerst bekijken of je het op die manier met elkaar kunt oplossen. Als ze er niet uitkomen, kunnen we als tweede stap altijd opschalen met iemand van buiten, maar het mooiste is als de verantwoordelijke partijen eerst proberen er met elkaar uit te komen; dat vindt het CDA als verantwoordelijke partij volgens mij ook. Volgens mij is elke partij gebaat bij afspraken. Ook de Kustwacht is daar natuurlijk bij gebaat. Er was inderdaad in het verleden een convenant, maar dat is er al een tijdje niet meer. Het kan zijn dat naar aanleiding hiervan weer een convenant ontstaat, maar het kan ook zijn dat de afspraken gewoon helder en duidelijk zijn, waardoor de partijen er met elkaar uit komen.

De heer De Rouwe (CDA): Het feit dat het convenant aanvankelijk belangrijk werd geacht en nu geen status meer heeft, geeft aan dat er op dit moment echt wel even een gat is. Dit speelt nu weer op, met name vanuit de commerciële reders, die zeggen dat er sprake is van broodroof en die daarbij ook wijzen naar de Kustwacht. We doen zaken als de Minister zegt: laten we via de CDA-methode de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk leggen. Dat vind ik prima, maar ik geef de Minister mee dat de informatie die wij hebben, erop wijst dat het probleem echt al dieper ligt en dat de verwijten ook wat scherper zijn. Ik zou de behoefte aan opschaling dus niet onderschatten, maar ik heb de Minister horen zeggen dat zij bereid is om op te schalen. Laten we de vinger dus aan de pols houden. Ik ben benieuwd wat rond mei de stand van zaken zal zijn, want hoelang gaan we nog op elkaar wachten?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik vraag mij af wat er in mei gaat gebeuren, want iedereen wil de stand van zaken rond mei hebben. Volgens mij is de Kamer in die tijd heel lang met reces. Ik denk dat de partijen die verantwoordelijk zijn, gewoon eerst even met elkaar aan tafel moeten gaan. Ik hoor dat u zegt dat de emoties inmiddels hoog zijn opgelopen en dat er ook niet op ieder punt vertrouwen in elkaar is. Uit de tijd van de bergers op de wegen weet ik nog precies hoe dat gaat en ook welk type bewoordingen soms wordt gebruikt. Laten we het gewoon even proberen. Als zij er niet uit komen, kunnen we altijd bekijken of we moeten opschalen.

Tot slot de scheepsbrandstoffen en de olielozingen. Ik heb hier onlangs al over gesproken in het algemeen overleg over maritieme zaken van een of twee weken geleden, waarin ook al het een en ander aan de orde is gekomen. Ik heb de Kamer een brief gestuurd waarin ik haar ook heb geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de moties. Mevrouw Jacobi en de heren Smaling en De Rouwe vroegen naar de bijmenging in de scheepsbrandstoffen en de heer Smaling deed de suggestie om een pilot ook van toepassing te laten zijn op de lijst van de stoffen. Ik heb in het AO over de scheepvaart aangegeven dat ik mij vanwege het level playing field richt op verbetering van de kwaliteitseisen in internationaal verband en dat ik vind dat Nederland op dat vlak niet in zijn eentje moet opereren. Dat is ook de reden waarom ik de lijst die wij samen met de sector hebben geprobeerd op te stellen, nu in internationaal verband promoot om te bekijken of iedereen daarmee akkoord wil gaan. Dat gebeurt in een werkgroep over de brandstofkwaliteit in de Internationale Maritieme Organisatie, de IMO. Omdat dit een lange weg is, ben ik ook nationaal met belanghebbenden in overleg over de maatregelen die de sector zelf kan treffen. Ook al is de lijst internationaal nog niet geaccepteerd als uitgangspunt, ik vraag de belanghebbenden dus wel of zij daarmee niet al een beetje mee kunnen doen. Ook daarmee is in 2014 voortgang geboekt: de sector heeft overeenstemming bereikt over een lijst van stoffen waarvan het ongewenst is om die bij te mengen in bunkerolie. Ik heb ook gezegd dat ik die lijst aan de Kamer doe toekomen, zodra we die lijst inbrengen bij de IMO. Dat is dus ook gebeurd. Wat de pilot betreft: ik ben met de sector in overleg over de vraag hoe deze lijst nu al door de betreffende partijen kan worden gehanteerd. Dat is wat mij betreft al een soort van pilot, vooruitlopend op internationale activiteiten.

In mijn brief heb ik ook aangegeven dat ik kijk naar het licentiesysteem van Singapore. Het systeem is vanwege andere verantwoordelijkheden van havenautoriteiten niet een-op-een over te nemen. De toegevoegde waarde is daardoor misschien wat beperkter, omdat men werkt op basis van internationaal geldende eisen. Ik heb echter al aangegeven dat ik zeker bereid ben om nog eens naar de positieve punten van het systeem van Singapore te kijken en te bezien hoe wij die kunnen overnemen. Ik heb in mijn brief aangegeven dat ik daarmee bezig ben.

Er is gevraagd waarom wij niet optreden op basis van de lijst die nu is gemaakt en of wij de monstername kunnen verbeteren. Ik zei al dat nu reeds handhaven op basis van de lijst de concurrentie met de omliggende landen zou verstoren. Ik heb wel geloof in de pilot of samenwerking die wij op nationaal niveau gaan doen. De suggestie over monstername bij bunkeren, waarbij dus al aan de voorkant sprake is van monstername, kan ik meenemen. Ik weet niet of die suggestie uitvoerbaar is, maar ik zal daar zeker even naar kijken.

Er is gepleit voor meer creativiteit bij de aanpak van tracking and tracing van componenten. Ik kijk nu samen met stakeholders naar toepassingsmogelijkheden van de lijst van ongewenste stoffen. We kijken nadrukkelijk naar verbetering van de mogelijkheden voor traceerbaarheid van componenten. Ook het Ministerie van V en J is op dat punt actief. Dat is ook de plek waar we vervolgens bij het juridisch spectrum aankomen; het OM werd genoemd, maar het Ministerie van V en J kijkt hierbij vanuit zijn verantwoordelijkheid mee.

Ik heb veelvuldig verwezen naar brieven die ik al gestuurd heb, maar eigenlijk is het heel kort geleden, namelijk 21 januari, dat we precies dezelfde zaken en ook dezelfde antwoorden aan de orde hadden. Op dit vlak is er sinds een week dus niet zo heel veel nieuws.

De voorzitter: Ik dank de Minister voor de beantwoording in eerste termijn. We gaan beginnen aan de tweede termijn. Ik stel een spreektijd van twee minuten voor.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de antwoorden. Om met haar laatste opmerking te beginnen: er is inderdaad niet veel nieuws in veertien dagen, maar ik pleit voor een pilot over de traceerbaarheid – hoe is het daarmee gesteld in ons land en hoe kunnen we de bijmenging van de verschillende componenten in de scheepsbrandstoffen beter voor het voetlicht brengen? – omdat er nu sprake is van een welles-nietessituatie. Ook indachtig het verzoek van de reders verzoek ik de Minister daarom om juist op dat punt een pilot te starten. We moeten maar even zien hoever wij komen, maar ik begrijp dat er aan de kant van de Minister nog niet echt veel veranderd is. Ik zal bekijken of wij op dit punt met een motie komen.

Ik vraag een VAO aan, want ik zal in ieder geval een motie indienen over het snelvaren. Het is niet mijn bedoeling om het straf- en bestuursrecht aan te passen. Dat is volgens mij helemaal niet nodig. Het gaat juist om een goede toepassing daarvan, zodanig dat de handhaving op het Wad, met alle regels die daarbij horen, goed wordt uitgevoerd.

Ik ben trouwens blij met de start – ik noem het toch maar een «start» – van de coördinator voor het werelderfgoed Waddenzee, die aan de slag is om een soort programmalijn uit te zetten, inderdaad van onderop. Dat lijkt mij hartstikke goed. Ik denk dat die programmatische aanpak, waarmee je alles steeds op elkaar afstemt en zo vooruitkomt, heel belangrijk is.

Ik ben blij met de inzet op een integrale en goede afstemming met de Eems-Dollard.

Met betrekking tot de berging ben ik het zeer eens met het voorstel van het CDA om een commissie van wijzen in te stellen. Ik weet niet in hoeverre er op dat punt nog wat beweging gaat komen, maar ik denk dat het verstandig is om energie te stoppen in een heel goede procedure daarvoor.

Mevrouw De Vries (VVD): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de antwoorden en toezeggingen. Ik heb nog een aantal punten, allereerst de kwestie van de bergers, de Kustwacht en de KNRM. Op zich kunnen wij ons wel voorstellen dat er eerst wordt geprobeerd of de partijen er onderling uit kunnen komen, maar ik denk dat we er rekening mee moeten houden dat er wat dat betreft veel dubbele petten en rollen zijn. Dat zien we natuurlijk vaker, ook op de eilanden. Als men er niet uit komt, kan ik mij dus voorstellen dat we er een soort onafhankelijke partij bij zetten, maar laten we eerst die andere stap nemen.

Er was enige discussie over de vraag wat wij zouden moeten doen met het Regiecollege Waddengebied. Wat de VVD betreft, loopt het op dit moment goed en is er dus geen aanleiding om daarin nu verandering aan te brengen. Mocht daar in de toekomst wel aanleiding voor zijn, dan moet je daar altijd naar willen kijken, maar daar is wat ons betreft op dit moment geen aanleiding toe.

Met betrekking tot het Waddenfonds wordt heel stellig gezegd dat het gaat om 50% economie en 50% natuur. Wij hebben daar nog wel wat vraagtekens bij, omdat wordt gezegd dat alles in de categorieën werelderfgoed, cultuurhistorie, duurzame ontwikkeling, havens en energietransitie automatisch «economie» is. Maar goed, daar komen we later op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Nogmaals: op basis van de woorden van het kabinet over de Noordzee, de bescherming en de situatie die we in 2020 zouden moeten bereiken, denk je dat het helemaal goed komt. Als je bekijkt wat wij daarvoor doen, blijft onze bezorgdheid echter bestaan. Een van de belangrijkste aanwijzingen daarvoor is de Borkumse Stenen. Dat water ligt deels in Duitsland en deels in Nederland. Duitsland erkent dat daar sprake is van belangrijke habitattypen die moeten worden beschermd. Daar wordt het een beschermd gebied waar men visserijactiviteiten gaat weren. Nederland zegt: volgens ons niet. Dat is niet zo'n goede beurt als je graag doet alsof je je wilt inzetten voor het naleven van de afspraken die wij in Europees verband hebben gemaakt. Ik vraag de Minister om daar nog eens op in te gaan: hoe kan het dat op basis van dezelfde Europese natuurbeschermingsregels de Duitse overheid erkent dat bescherming van dat gebied nodig is en dat Nederland zegt dat dat helemaal niet nodig is? Daarop krijg ik graag een toelichting.

Mijn echte schrik werd veroorzaakt door het antwoord van de Minister op mijn vraag of het OSPAR-verdrag leidend zal zijn bij de verdere uitvoering van deze agenda. Dat verdrag is niet voor niets ondertekend. De Minister zegt letterlijk dat zij dat niet kan toezeggen. Wat is onze handtekening onder die internationale afspraak dan waard?

De heer Smaling (SP): Voorzitter. Ik heb een korte opmerking over de stookolie. Ik heb goed geluisterd naar de Minister. Ik vraag haar of zij, liefst natuurlijk in mei, de Kamer kan informeren over een paar zaken waarover ik vragen heb gesteld, met name de traceerbaarheid. Zij wil die zaken meenemen, maar het zou fijn zijn als die toezegging iets harder kan zijn, in die zin dat we op een bepaald tijdstip, niet ver vanaf nu, te horen krijgen of dit iets heeft opgeleverd.

Kunnen we meer inzicht krijgen in het licentiesysteem van Singapore en kan dat op een bepaald moment naar de Kamer worden gezonden?

De Minister wil ook de monstername meenemen. Dat vind ik fijn, maar ook op dat punt verneem ik graag iets concreter wat we kunnen verwachten. Dan kunnen we wat mij betreft weer verder.

De heer De Rouwe (CDA): Voorzitter. Ik vergat om een paar waarderende woorden uit te spreken voor de nieuwe generatie, want we hebben het rapport Samen werkt het toegestuurd gekregen met tips van kinderen voor de Noordzee. Dat zijn allemaal mooie aanbevelingen. Sommige aanbevelingen zijn een open deur, maar soms bieden de aanbevelingen een prettige visie op hoe je met elkaar moet omgaan en soms zijn het goede suggesties, zoals belonen in plaats van bestraffen. Ik weet niet of dit een vervolg krijgt. Ik ben benieuwd of dit rapport op de een of andere manier een onderdeel gaat worden van het kabinetsbeleid. Wat ons betreft, zijn het heel mooie aanbevelingen en is het mooi dat onze nieuwe generatie op die manier al een beetje betrokken is bij heel serieuze onderwerpen.

Het CDA steunt het verbeteren of inzichtelijk maken van de handhavingsinstrumenten met betrekking tot de Waddenzee, zoals mevrouw Jacobi dat volgens mij probeerde te schetsen. Wat ons betreft, is en blijft de inzet anders dan in de huidige situatie. Ik laat even in het midden of er wel of niet gehandhaafd werd, al dan niet op verzoek van een Kamerlid. De brief van een maand geleden is heel duidelijk: er werd met name alleen gewaarschuwd. Wij willen graag een Kameruitspraak dat we daarmee ophouden. Daar zullen we waarschijnlijk een motie over indienen.

Met betrekking tot de reders, de Kustwacht en de bergers denk ik dat wij uiteindelijk met elkaar moeten afspreken hoeveel tijd wij hun willen geven om er samen uit te komen. Ik zou heel graag willen dat dat lukt, maar ik ben niet helemaal naïef. Ik denk dat eventueel een Kameruitspraak duidelijkheid moet geven over een eventuele opschaling.

Wat het CDA betreft, is en blijft het Waddenfonds iets van de regio. Als er al een verandering zou komen, zou de insteek wat ons betreft kunnen en moeten zijn: meer ruimte voor de regio's, ook om het geld eventueel breder en doelmatiger in te zetten voor economische versterking. Wij willen dus niet de oude reflex dat Den Haag zich daar weer te veel over moet buigen. Dan hebben wij liever meer ruimte voor de regio om het geld op betere of andere manieren te besteden.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Mevrouw Jacobi vroeg naar het snelvaren en het handhaven; ook de heer De Rouwe sprak daarover. Het is ook mijn intentie dat er wordt beboet als wij bewijslast hebben en dat er in ieder geval wordt gewaarschuwd als we geen bewijslast hebben. De vraag was echter vooral hoe we die bewijslast zo goed mogelijk rond kunnen krijgen en dan ook nog voor 1 mei. Ik heb volgens mij al toegezegd dat ik ervoor zal zorgen dat in kaart wordt gebracht waar de omissies zitten, voor zover we dat niet al weten, en dat ook wordt aangegeven hoe we die omissies kunnen herstellen voor die periode. Die toezegging blijft gewoon staan. Daar blijf ik ook achter staan, want ik denk dat het het meeste zin heeft om meteen lik op stuk te kunnen geven.

De heer De Rouwe (CDA): Even in alle scherpte: kan er op dit moment worden gehandhaafd en wordt er op dit moment gehandhaafd? Laten we het niet over de intentie hebben, want ik snap dat dit via allerlei modellen loopt. Kan er op dit moment worden gehandhaafd en gebeurt dat ook? Of is op verzoek van een Kamerlid gezegd dat we op dit moment gewoon helemaal wegkijken?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Er wordt gehandhaafd. Er is alleen op verzoek van een Kamerlid gevraagd om voor een deel ...

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat klopt helemaal niet.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Oké. Zoals het bij ons is overgekomen, is op verzoek van een Kamerlid gevraagd om dit stil te leggen voor het deel van de schepen waarvandaan alleen waarschuwingen worden afgegeven. Zo heb ik het begrepen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Nee, dat is dus ...

De voorzitter: Ik kijk even of de heer De Rouwe een vervolgvraag heeft en dan kom ik bij u, want u wordt aangesproken.

De heer De Rouwe (CDA): Ons uitgangspunt is: niet meer waarschuwen. De brief van december is nog niet oud en is duidelijk. Ik zal die brief niet citeren, want we kennen die brief: er wordt vooral gewaarschuwd en incidenteel wordt een boete uitgedeeld. Ik hoop echt dat dat een brief van het verleden is.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik kan alleen maar doorgeven hoe het bij ons is aangekomen. Ik vind dat de Kamerleden zelf moeten zeggen hoe zij het hebben bedoeld. Wat dat betreft, wil ik dus niet in die discussie treden en is het misschien handiger als de Kamerleden onderling met elkaar discussiëren over wat de essentie was. Wat handhaving betreft: als wij het niet konden bewijzen, werd het een waarschuwing; als wij het wel konden bewijzen, werd er gewoon beboet. Wij denken dat wij onze bewijslast kunnen versterken door het inzetten van die nieuwe scheepjes en dus makkelijker snelheidsovertredingen kunnen vaststellen, zodat we nog meer kunnen beboeten. Mochten er nog meer omissies zijn die wij ergens kunnen herstellen, dan zullen wij dat doen. Ook dat geeft aan dat ik bereid ben om dit te doen, omdat ik net als de Kamerleden geloof op lik-op-stukbeleid als men een snelheidsovertreding begaat.

De voorzitter: Mevrouw Jacobi voelde zich aangesproken op dit punt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik dacht: laat maar zitten die brief; we hebben het debat. Ik krijg echter de kans om het nog eens uit te leggen. Wat er aan de hand was, was dat de regeling al inging voordat we het debat hier met elkaar zouden voeren; dit zit namelijk aan het politiereglement vast. Ik heb in de procedurevergadering ingebracht dat ik vind dat, als je regels invoert, de handhaving op orde moet zijn. Ik ben kritisch over het feit dat het handhavingssysteem niet optimaal is. Volgens mij hebben we er in dit debat voldoende over gediscussieerd dat we de radarbeelden zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk moeten kunnen toepassen, zodat dit echt een serieuze regeling is die je ook serieus kunt handhaven. Of je dat met boetes doet of met één keer waarschuwen, kunnen we hier verder bespreken. Mijn stelling is dus: laten we de regeling zo het debat in fietsen dat we daar met elkaar hier in ieder geval nog iets van vinden. Daarom heb ik verzocht om geen onomkeerbare maatregelen te nemen voordat we het debat hier zouden hebben gehad. Dat lijkt mij heel logisch, maar ik word nu zo geframed alsof ik zou vinden dat er niet gehandhaafd moet worden. Dat is volgens mij een beetje de omgekeerde wereld. Misschien is het verslag nu voor eeuwig en altijd helder. Sa is it en net oars.

De voorzitter: Dank voor uw toelichting. Wil de Minister daarop reageren?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Laten we dan ook maar in het verslag vastleggen dat vanaf vandaag dus alles mag worden ingezet.

De voorzitter: Oké, de Minister vervolgt de beantwoording.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Mevrouw Jacobi en de heer Smaling hebben gevraagd of ik iets meer wil zeggen over de traceerbaarheid. Ik heb aangegeven dat ik bereid ben om te kijken naar de verbetering van de mogelijkheden van tracking and tracing in het kader van de pilot. Er werd gezegd dat hierover misschien moties worden ingediend. Er kan nog een keer een motie over worden ingediend, maar volgens mij heb ik dit gewoon toegezegd. Dat lijkt mij helder.

Kan ik de Kamer voor de zomer – lees: mei – informeren over het licentiesysteem van Singapore en over de monstername? Zoals ik in de brief al aangaf, bekijk ik met belanghebbenden of zo'n licentiesysteem mogelijk is. Ik ben bereid om de Kamer daarover te informeren. Ik weet niet of daar al voor het zomerreces veel nieuws over zal zijn, maar aangezien er toch heel veel punten komen voor mei, kan ik in ieder geval aangeven wat op dat moment de stand van zaken is op dat vlak.

De heer Smaling wil wat diepgaander discussiëren over de monstername. Ik vind het idee juist goed. Daarom zei ik dat ik ga bekijken of dat mogelijk is. Heel veel meer dan dat ik dit nu terugneem naar huis en dat vanmiddag iedereen hierin duikt om te bekijken wat op dit punt de mogelijkheden zijn, kan ik de Kamer natuurlijk nog niet vertellen.

De schelpenbank is niet vereist op basis van de KRW of Natura 2000. Er wordt op dit moment gedacht aan een pilot, maar daar is nog geen financiering voor. Dit kan mogelijk worden verbonden met de natuurambitie grote wateren van de Staatssecretaris van EZ. Het schijnt een heel dure maatregel te zijn. De concrete vraag was wanneer de schelpenbank wordt aangelegd, maar die is dus niet vereist. Het is misschien een welkome aanvulling, maar er is nog geen plan om de schelpenbank aan te leggen zonder dat daar budget voor is.

Mevrouw Ouwehand vroeg waarom de Duitsers wel en de Nederlanders niet iets geroepen hebben over de Borkumse Stenen. Zoals ik in de eerste termijn al zei, wordt dit nog onderzocht. Met de aanwijzing van de natuurbeschermingsgebieden is nog niet het uiteindelijke besluit genomen over de aanwijzing van andere gebieden. Doorslaggevend is de landelijk gunstige staat van instandhouding. De locatie ligt dichtbij de Eemshaven. We moeten dus heel goed afwegen wat we gaan doen. Ik zal ook onder de aandacht van de collega van EZ brengen dat hierover vragen zijn gesteld, maar zij zal een goede afweging moeten maken tussen de verschillende belangen die er spelen op dat vlak.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Een punt van orde: er is een VAO aangevraagd en ik zou hierover een motie willen indienen. Is het dan handig om voor dit punt de Staatssecretaris van EZ alsnog uit te nodigen? Ik kan mij immers voorstellen dat de Minister, als er een motie komt, ter plekke niet heel gedetailleerd kan reageren. Ik leg dit maar even neer. We hoeven daar nu niet over te besluiten, maar ik wil op dit punt een motie indienen en we moeten even bekijken of het handig is dat de Minister daar dan op reageert.

De voorzitter: Het is goed dat u dat alvast aangeeft. Daarmee weet het kabinet dit ook en kan het zelf beoordelen van wie de aanwezigheid bij het VAO straks handig is.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij is dat juist aan de commissie. Maar goed, als er echt EZ-voorstellen zijn, is dat wel handiger, want ik zeg eigenlijk altijd automatisch nee als iets op het terrein van een collega ligt, omdat ik een collega niet in problemen wilt brengen. Laat dat helder zijn, maar het is wel handig om van tevoren te weten of er echt moties op haar terrein komen.

De PvdD vindt het, omdat we afspraken hebben gemaakt in internationaal verband, gek dat ik het OSPAR-verdrag niet toepas. Zoals mevrouw Ouwehand zelf al zei, zijn die afspraken echter niet juridisch verplicht. Ik weet niet in hoeverre we uiteindelijk via de OSPAR-meetsystemen en monitoring aan de slag zullen gaan, maar ik heb dat nu gewoon even niet als uitgangspunt genomen.

Tot slot vroeg het CDA wat wij gaan doen met de tips van de Raad van Kinderen en het pleidooi voor belonen in plaats van bestraffen; het CDA wil bij de scheepvaart overigens juist bestraffen in plaats van waarschuwen, maar gelukkig komt er een nieuwe generatie aan die ook weer naar de andere kant kijkt. Ik heb zelf heel leuke gesprekken gehad met de Raad van Kinderen, die in de toekomst ook betrokken zal worden bij de verdere uitwerking van de plannen. Kinderen kijken inderdaad op een heel verfrissende manier, ook naar verschillende belanghebbenden bij de Noordzee. Zij kiezen niet voor één kant, dus alleen voor natuur of voor visserij; zij werken juist heel erg vanuit consensus. Dat is heel leuk om te zien.

De voorzitter: Ik dank de Minister. De Minister heeft toegezegd om de evaluatie van de samenwerkingsagenda Waddenzee naar de Kamer te sturen. De Minister heeft ook toegezegd om een aparte analyse van de problematiek inzake de vaargeul bij Ameland vanuit de rol als coördinator en als concessieverlener voor 1 mei 2015 naar de Kamer te sturen. De Minister zal de knelpunten op het punt van snelvaren in beeld brengen en de Kamer daarover voor 1 mei 2015 informeren; verder ligt alles vast in het verslag, zeg ik met een knipoog. De Minister zal de Kamer ook informeren over de mogelijkheid van een licentiesysteem conform de Singapore-methodiek in verband met het vermengen van scheepsbrandstof.

Er is een VAO aangevraagd. Dat zal plenair geregeld worden, met als eerste spreker het lid Jacobi. Ik heb even overlegd over de wens van mevrouw Ouwehand om daarvoor ook de Staatssecretaris van EZ uit te nodigen. Ik leg graag aan de commissie de vraag voor of zij zich daarin kan vinden. Dan kunnen we dat gelijk doorgeven aan de plenaire griffie. Anders moet dat via een procedurevergadering van de commissie formeel afgerond worden.

De heer De Rouwe (CDA): Ik geef altijd graag alle medewerking voor het honoreren van een verzoek van een lid, maar gaan we dan een nieuwe discussie voeren of gaat het om een hier ingebracht punt waarop mevrouw Schultz wellicht niet helemaal tot achter de komma kon reageren? Als het een nieuw debat wordt, vind ik dat heel lastig.

De voorzitter: Nee, het moet dan wel hierover gaan. Ik kijk even naar mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het gaat over de Natura 2000-gebieden en de aanwijzing van die gebieden op zee. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van EZ. Mijn vragen gingen daarover en ook de motie zal daarover gaan. Ik heb het gevoel dat het handiger is als de Staatssecretaris daar dan zelf op kan reageren.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Volgens mij is de bedoeling dat dit ook aan de orde komt in het overleg dat voor een groot deel over de garnalenvisserij zal gaan, maar ook over de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. Ik vind het ook zuiverder om dit via een AO te doen en niet via een VAO naar aanleiding van een AO waarin de Staatssecretaris niets heeft kunnen zeggen.

De voorzitter: Nu gaan we heel diep in op de procedure. Mijn idee was dat we het misschien snel zouden kunnen afronden, maar ik denk nu dat het handiger is dat we het verzoek om een VAO gewoon doorgeven. Als er aanvullende wensen zijn over de aanwezigheid van bewindslieden, zullen we die via de reguliere procedure in de procedurevergadering bespreken. De Minister heeft nog een mededeling.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: U noemde bij de toezeggingen ook de licentie, maar die informatie staat eigenlijk al in onze brief. De andere drie toezeggingen zijn aanvullend, maar ik probeer het altijd een beetje zuiver te houden, zodat iets wat we al hebben aangeboden, daarna niet ook nog eens op een toezeggingslijst staat.

De voorzitter: Dat is helemaal helder en dat ligt op deze manier vast. Ik dank de Minister en de leden voor hun aanwezigheid.

Sluiting 13.00 uur.

Volledige agenda

1. Aanbieding Noordzee 2050 Gebiedsagenda

Kamerstuk 33 450, nr. 24 – Brief regering d.d. 28-07-2014

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

2. Aanbieding rapport «Waddengebied: natuurbescherming, natuurbeheer en ruimtelijke inrichting»

Kamerstuk 29 684, nr. 108 – Brief regering d.d. 28-11-2013

president van de Algemene Rekenkamer, S.J. Stuiveling

3. Aanbieding plan van aanpak Verbetering Beheer Waddenzee

Kamerstuk 29 684, nr. 114 – Brief regering d.d. 02-07-2014

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

4. EU-Richtlijn voor maritieme ruimtelijke planning

Kamerstuk 33 601, nr. 10 – Brief regering d.d. 15-09-2014

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

5. Vaarroutes en -snelheden Waddenzee

Kamerstuk 29 684, nr. 118 – Brief regering d.d. 01-12-2014

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

6. Aanbieding van het Convenant transitie garnalenvisserij en natuurambitie Rijke Waddenzee

Kamerstuk 29 684, nr. 117 – Brief regering d.d. 30-10-2014

Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

7. Afschrift van de reactie op een brief van Boekel de Nerée inzake ongelijk speelveld voor bergings- en sleepdiensten op de Waddenzee

– Brief regering d.d. 28-01-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

8. Reactie op verzoek van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu inzake controles op vaarsnelheden op de Waddenzee

Kamerstuk 29 684, nr. 120 – Brief regering d.d. 19-01-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

9. Nederlandse Maritieme Strategie 2015–2025

Kamerstuk 31 409, nr. 70 – Brief regering d.d. 16-01-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

10. Uitvoering moties kwaliteit scheepsbrandstoffen en toezegging olielozingen (Kamerstuk 33 450, nrs. 15, 16, 18 en 19)

Kamerstuk 31 409, nr. 71 – Brief regering d.d. 15-01-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

11. Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, het Binnenvaartpolitiereglement en enkele andere besluiten in verband met een actualisering en enkele andere aanpassingen (alleen het onderdeel betreffende watertaxi's)

Kamerstuk 34 122, nr. 1 – Brief regering d.d. 19-12-2014

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

12. Verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement, het Binnenvaartpolitiereglement en enkele andere besluiten in verband met een actualisering en enkele andere aanpassingen (Kamerstuk 34 122, nr. 1) (alleen het onderdeel betreffende watertaxi's)

Kamerstuk 34 122, nr. 2 – Brief regering d.d. 02-02-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

13. Aanbieding rapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport «Beleidsmonitoring Waddenzee» van december 2014

Kamerstuk 29 684, nr. 121 – Brief regering d.d. 02-02-2015

Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus