21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 632 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 augustus 2012

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft op 4 juli 2012 overleg gevoerd met staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over:

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 29 juni 2012 over de geannoteerde Agenda Lanbouw- en Visserijraad van juli 2012 (21 501-32, nr. 626);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 29 juni 2012 over de uitkomsten van de Landbouwraad van 18 juni jl. die in Luxemburg plaatsvond (21 501-32, nr. 625);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 29 juni 2012 met het verslag van de Visserijraad van 12 juni jl. die in Luxemburg plaatsvond (21 501-32, nr. 624);

  • de brief van de staatssecretaris d.d. 27 juni 2012 over de stand van zaken van de groepshuisvesting van drachtige zeugen (28 286, nr. 571).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Franke

Voorzitter: Van der Ham

Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van der Ham, Van Gerven, Grashoff, Jacobi, Koopmans, Ouwehand en Snijder-Hazelhoff,

en staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Ik heet iedereen van harte welkom. Er is twee uur gepland voor dit algemeen overleg, maar wij hoeven die tijd niet vol te maken. Ik stel een spreektijd van vijf minuten per fractie voor, met maximaal twee interrupties in tweeën.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik begin met het Varkensbesluit. In 1998 is de eis voor groepshuisvesting daarin opgenomen. Eigenlijk zouden de zeugen al vier jaar in groepen gehuisvest zijn. Een succesvolle, en voor mij verdrietige, lobby en gewillige politici in Brussel hebben echter al voor ernstige vertraging gezorgd. Nu komt dan eindelijk toch de deadline in zicht. Over een maand of vijf zou die groepshuisvesting toch echt gerealiseerd moeten zijn, dat wil zeggen voor de periode dat de zeugen drachtig zijn. Tussendoor, bij het werpen en het weer geïnsemineerd worden, staan zij nog steeds vast tussen stangen. Ook met deze maatregel zijn wij er dus nog niet helemaal.

De maatregel die is afgesproken, moet onverkort worden uitgevoerd en wel nu. De varkenshouders hebben meer dan vijftien jaar de tijd gehad om over te schakelen. Wij hebben er al voor gewaarschuwd toen de staatssecretaris de kippenhouders een halfjaar uitstel verleende voor het verbod op de legbatterij. Wij zeiden: doe dat nu niet, want straks willen de zeugenhouders het ook. En jawel, LTO Nederland schrijft in een redelijk onbeschaamde lobbybrief aan de Kamer dat uitstel nodig is en dat uitstel ook eerlijk zou zijn omdat de eierboeren het ook kregen. Ik ben blij dat de staatssecretaris schrijft hier niet aan toe te willen geven. De dieren gaan 4 dagen na inseminatie in de groep, niet 28 dagen erna. 1 januari is 1 januari, ook hier. Ik stel voor om daarop te gaan sturen. Zeugenhouders die op 1 september dit jaar nog niet zijn omgeschakeld en niet zwart-op-wit kunnen aantonen dat dit wel het geval zal zijn per 1 januari 2013, krijgen wat ons betreft – de Dierenbescherming heeft zich hier ook sterk voor gemaakt – een inseminatieverbod. Ik steun de inzet van de Dierenbescherming op dat punt: geen groepshuisvesting, geen biggetjes. Ik hoor graag een toezegging op dit punt. Ik overweeg een motie.

Mijn volgende punt is de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). De staatssecretaris weet dat de Partij voor de Dieren, samen met tal van planbureaus, niets ziet in de vergroeningsmaatregelen die hierin zijn opgenomen. Die stellen namelijk niet zo veel voor. Wat nog wel moet worden gerealiseerd – dat kan nog, ondanks het gegeven dat het nog steeds niet de goede kant opgaat – zijn de ecologische focusgebieden. Die zijn erg belangrijk. Wij willen de staatssecretaris op het hart drukken dat 7% van de akkers moet worden benut om biodiversiteit de ruimte te geven. Daar moeten wij niet in willen schuiven, schrappen, middelen of maatwerk willen leveren. Dat moet een voorwaarde zijn. Dat levert ook een grote bijdrage aan het verminderen van het gebruik van landbouwgif. Functionele agrobiodiversiteit en brede akkerranden die natuurlijke plaagbestrijders aantrekken, leiden allemaal tot een drastische vermindering van het verbruik van gif. Bovendien wordt zo het oppervlaktewater beter beschermd tegen te veel landbouwgif. Ik zou denken dat 7% van het oppervlak niet onredelijk is. Ik vraag de staatssecretaris zich in te zetten voor een onverkorte realisatie van die ecologische focusgebieden.

Ik kom nu op het kwekersrecht. Wij hebben een brief gevraagd over de ontwikkelingen in het Europees Parlement. Die brief hebben wij ontvangen, waarvoor dank. Wanneer en hoe gaat Nederland zich concreet inzetten voor een coalitie van gelijkgestemde landen? Ik ga er toch van uit dat de staatssecretaris nog steeds vierkant achter het kwekersrecht staat en die vrijstelling wil realiseren. Volgens mij moet hij dan wel in actie komen, want wij zien het de verkeerde kant op wegdrijven.

Ik wil de regering nog een keer op het hart drukken dat de overcapaciteit in de visserij moet worden aangepakt. In de voorliggende voorstellen wordt nog steeds niet onderbouwd hoe die overcapaciteit moet worden verminderd. Zolang dat het niet het geval is, zal er een ander plan moeten komen. Waarom gaat de staatssecretaris daar niet op in?

Wij hebben de vorige keer van gedachten gewisseld over de haaien. Toen zei de staatssecretaris dat hij zou beginnen bij de blauwe haai. Hij zei naar aanleiding van vragen van mij dat deze is beschermd via de TAC (Total Allowable Catch) en de quotumverordening. Wij hebben dat nagezocht en hebben het niet kunnen vinden. Er lijkt een misverstand te ontstaan over de Latijnse namen, over welke soorten eronder vallen en welke niet. Dat dreigt een beetje visserslatijn te worden. Ik vraag de staatssecretaris om, eventueel schriftelijk, aan te geven waar de door hem genoemde TAC voor de blauwe haai vermeld is, hoe die samenhangt met de TAC voor de doornhaai en welke zeven andere haaiensoorten onder deze TAC zouden vallen, aangeduid met de Latijnse naam. Ik vraag hem ook of TAC’s voor de kortvinmakreelhaai, alle gladde haaien, alle kathaaien en alle draakvissen zijn ingesteld en, zo ja, waar die vermeld staan. Het gaat ons erom dat er daadwerkelijk vangstlimieten voor alle haaiensoorten, inclusief de bedreigde, kunnen worden gesteld. Ik heb gevoel dat er nu een spraakverwarring ontstaat. Als wij deze informatie in de loop van de zomer schriftelijk kunnen ontvangen, kunnen wij er na de zomer verder op doorgaan.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik wil eerst de geannoteerde agenda langslopen, daarna wil ik ingaan op het verslag en tot slot wil ik nog een paar andere onderwerpen noemen.

De staatssecretaris meldt dat het kabinet positief staat tegenover het risicobeheer dat de Europese Commissie voorstelt, maar zeker niet enthousiast is over een inkomensstabiliteitsfonds. Dat steunen wij en zeker de opmerking dat het kabinet hecht aan een deugdelijk systeem voor risicobeheer voor agrarische ondernemers om ook beheerinstrumenten tijdelijk iets te kunnen faciliteren.

Er worden opmerkingen gemaakt over de tweede pijler. De staatssecretaris meldt dat er eventueel subprogramma’s komen voor jonge boeren, kleine landbouwbedrijven, berggebieden, korte voorzieningsketens en herstructurering van de landbouwsectoren. Wat gaat hier gebeuren? Allerlei subprogramma’s leiden naar ons idee tot veel meer administratievelastendruk. Wat is de aanvliegroute van de staatssecretaris in dezen? Wordt er nog veel meer geld overgeheveld van de eerste pijler naar de tweede? Dat staat de VVD-fractie absoluut niet voor. De staatssecretaris schrijft ook nog dat het mogelijk is dat de steunpercentages worden opgehoogd. Dat lijkt ons allemaal toch wat vaag. Daar krijgen wij graag wat duidelijkheid over.

Ik wil heel nadrukkelijk zeggen dat de VVD-fractie altijd heeft gezegd – ik doe dat ook nu weer – dat ook de tweede pijler gericht dient te zijn op actieve boeren. Ik lees in de voorstellen dat het ook gaat om andere landmanagers. Ik meen dat in het voorstel «other land managers» worden genoemd. Ik weet niet wie daarmee worden bedoeld. Wij wensen geen plattelandsvernieuwing of wat dan ook en geen andere landmanagers in die tweede pijler. Het moet gaan om kennis en innovatie, wat de staatssecretaris ook wilde. Ik hoor hier toch graag wat duidelijkheid over. Ook in de tweede pijler moeten de middelen worden bestemd voor de agrariër op het boerenerf.

Ik kom nu op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat in het verslag uitvoerig aan de orde komt. De staatssecretaris schrijft op pagina 3: «Ik steun de reservering van 30% van de directe betalingen voor vergroening, maar acht het van belang dat er een voor de lidstaten werkbaar systeem van vergroening wordt geschapen.» Dat steunen wij van harte. Wij hebben het al herhaaldelijk gehad over flexibiliteit in een aantal zaken. Hoe zien wij dat nu: nog steeds als voorwaarde of toch, zoals de VVD eerder heeft bepleit, als een soort top-up? Dat laatste zouden wij het liefst willen, omdat dit volgens ons, mede met het oog op de administratieve lasten, het beste zou werken. Is die 7% ecologisch focusgebied nu echt van tafel? Ik zie deze namelijk nog steeds voorbijkomen in allerlei stukken die wij uit Europa ontvangen.

Mijn volgende punt is de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van groepshuisvesting van zeugen. Het is terecht dat Eurocommissaris Dalli zegt als wij afspreken iets te doen per 1 januari 2013, dat ook moet gebeuren. Dan is het wel van belang dat in alle lidstaten controle zal plaatsvinden. Wij weten inmiddels dat een beperkt deel van onze agrarische ondernemers nog niet is omgeschakeld, maar wel in een vergunningtraject zit. Dat vergunningtraject wordt gefrustreerd doordat gemeenten nog geen vergunningen hebben afgegeven. Ik vraag de staatssecretaris om de gemeenten daarop aan te spreken. Ondernemers mogen niet de dupe worden van lange, stroperige processen. Wij zijn voorstander van handhaven, maar dat moet wel op een voor de ondernemers faire manier gebeuren. Bovendien moet het binnen de EU op een vergelijkbare wijze plaatsvinden, laat dat vooropstaan. Het kan niet zo zijn dat wij iets controleren terwijl de rest van Europa dat niet doet.

Wij hebben geconcludeerd dat de suikerquotering gefaseerd wordt afgebouwd. Ik heb een vraag over de voorraden. Voor evenwichtigheid in de markt is het volgens ons belangrijk dat er bepaalde suikervoorraden in de EU aanwezig zijn. Het marktmechanisme moet in die zin wel goed werken, even los van de afschaffing en het voorlopig handhaven van de quotering.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb een vraag aan mevrouw Snijder over de groepshuisvesting van varkens. Als ik het goed begrijp dan zegt zij dat als deze maatregel in het buitenland slecht wordt gehandhaafd, het in Nederland ook wel een tandje minder kan. Is dat wel een goede redenering?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De VVD heeft altijd gezegd voor een eerlijk speelveld te zijn. In die context plaats ik mijn opmerkingen. Dit zijn langjarige afspraken. Niet elke ondernemer neemt echter ieder jaar het besluit om een stal te vernieuwen. Daarom is het nodig om hier langjarige afspraken over te maken. En die zijn gemaakt. Nu blijkt dat ongeveer 75% van de Nederlandse ondernemers aan de voorwaarden voldoet. Voor zover ik heb begrepen gaat 10% stoppen. Dan zit nog 15% in de molen. Zij zitten nog in de molen omdat de vergunningverlening stroperig verloopt. Wij vinden dat je daar nu niet direct ondernemers op kunt afrekenen. Er moet fair worden gehandeld, fair worden gekeken hoe het in andere lidstaten gaat. Wij vinden dat bedrijven daardoor nu niet op slot moeten worden gezet. De gemeenten moeten ervoor zorgen dat er nu snelheid komt in de vergunningverlening zodat met de bouw kan worden gestart. Deze ondernemers willen dus handelen.

De heer Van Gerven (SP): Dit besluit is in 1998 genomen, dus de boeren hebben ruim de tijd gehad om te handelen. Mevrouw Snijder zegt dat het aan de gemeenten ligt, bij die 15%. Ik weet niet of dat zo is. Het gaat mij om de handhaving. Wij hebben afgesproken dat het op 1 januari 2013 op orde moet zijn. De overheid moet erop toezien dat dit gebeurt. Het gaat niet aan om je te verschuilen achter praktijken die wellicht plaatsvinden in andere landen, waar misschien minder goed wordt gehandhaafd. Wij hebben afgesproken dat wij dat met zijn allen doen. Dan moet Nederland het goede voorbeeld geven en de boeren daarop aanspreken.

De voorzitter: Dat is geen vraag, mijnheer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP): Dat is wel een vraag. Mevrouw Snijder legt de schuld met name bij de gemeenten. Ik vraag mij echt af of dat het geval is. Waar haalt zij die wijsheid vandaan?

De voorzitter: Dat laatste is een vraag.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb mij even georiënteerd. Ik heb inmiddels begrepen dat de ondernemers die het nu nog niet op orde hebben, allemaal in het vergunningtraject zitten. Sommigen zitten daar al heel ver in en anderen zitten nog maar aan het begin, doordat gemeenten zeer moeizaam omgaan met vergunningverlening.

Ik wil even ingaan op de opmerkingen van de heer Van Gerven, want die storen mij.

De voorzitter: Dan wel kort, mevrouw Snijder.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): De heer Van Gerven zegt dat de ondernemers dit vanaf 1998 hadden kunnen weten. Zeker. Wij moeten ons ook realiseren dat het niet zo eenvoudig is. Dat verwijt heb ik de heer Van Gerven maandag ook min of meer gemaakt bij het wetgevingsoverleg over de pelsdierhouderij. De SP gaat maar even uit van: vandaag een stal gebouwd, morgen andere besluiten, overmorgen een nieuwe stal. Zo werkt het niet in ondernemersland. Investeringen vragen langjarige trajecten. Dat neemt de VVD zeker in ogenschouw, ook in dit traject.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Ik wil nog even kort stilstaan bij de laatste opmerking van mevrouw Snijder, namelijk dat boeren de tijd moeten hebben om om te schakelen. Ik heb in het kader van het legbatterijbesluit gesproken met boeren. Zij zeiden: alle boeren die bij de ingangsdatum niet zijn omgeschakeld, hebben dat te wijten aan zichzelf. Dat waren de boeren zelf, die wel hun zaken op orde hadden. Daarmee wil ik zeggen dat boeren ook vooruitzien is.

Ik vraag de staatssecretaris in te gaan op het besluit over de groepshuisvesting van varkens en de stelling van de VVD-fractie dat het feit dat 15% van de bedrijven zijn zaken niet op orde heeft, te wijten is aan procedures van gemeenten. Is de staatssecretaris dezelfde mening toegedaan? Wat is de oorzaak ervan dat 15% van de bedrijven zijn zaken kennelijk nog niet op orde heeft?

Ik ga nu terug naar Europa, naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid. 1 500 Europeanen kregen meer dan 1 mln. in 2011. Een bedrijf als Unilever Spanje kreeg meer dan 3 mln. landbouwsubsidie, voor de bananen van het landbouwbedrijf Madeira werd 6,6 mln. subsidie gegeven, de regering van Andalusië kreeg 97,5 mln. en Nestlé ontving 1,5 mld. aan Europese landbouwsubsidies sinds 1997. De SP heeft hier herhaaldelijk bezwaar tegen aangetekend. Er is een motie ingediend met een verzoek om subsidiëring van miljonairs te beëindigen (21 501-32, nr. 459). Daar is het belastinggeld van de Nederlander immers niet voor bedoeld. De rapporteur heeft gezegd dat een aftopping van de subsidies bij € 300 000 moet plaatsvinden. Graag hoor ik of de staatssecretaris dat wil doen. Is hij bereid om de motie van de PVV, het CDA en de VVD (21 501-32, nr. 576) met het verzoek om die subsidie aan miljonairs in stand te houden naast zich neer te leggen? Ik heb begrepen dat wat betreft het uitvoeren van moties enige rekkelijkheid bestaat.

Een volgend punt is voedselspeculatie. Dat heeft betrekking op de G20. Heeft de staatssecretaris zich daar sterk gemaakt voor goede en stabiele prijzen voor boer en consument en ook voor het tegengaan van voedselspeculatie door maatregelen gericht op de financiële markten? Het belangrijkste is dat speculanten worden geweerd van de voedselmarkt, door registratie van handelaren en het direct koppelen van de handel in grondstoffenderivaten aan de daadwerkelijke grondstoffen. Ook kan worden gedacht aan het limiteren van grondstoffenindexenfondsen, een krachtdadige internationale toezichthouder om illegale handel buiten de markt te bestrijden, het bevorderen van transparantie en het stellen van eisen van geregistreerde handelaren, zoals het bezit van eigen vermogen.

Ik kom nu op het dierentransport. Ik heb begrepen dat Eurocommissaris Dalli heeft aangedrongen op aanscherping van de eisen en dat de staatssecretaris dat niet heeft gesteund. Kan hij dat toelichten? Wat is de inzet van de Nederlandse kabinet op dit punt? Hoe is dit verlopen in Europa?

In de haven van IJmuiden zijn protesten rond het vertrek van de supertrawler Margiris naar letterlijk de andere kant van de wereld om daar de zee te gaan leegvissen. Dat is althans de bedoeling. Ook in Australië zijn hier protesten tegen van vissers, milieuorganisaties, politici, zangers en zelfs surfers. Ik hoor hier graag een reactie van de staatssecretaris op. Ze gaan immers maar door met dat leegvissen. De deelnemende families van de Pelagic Freezer-trawler Association (PFA) staan vrolijk in de Quote-500, terwijl Europa die overcapaciteit subsidieert. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

Mijn laatste punt betreft de wisselende inkomsten van boeren door prijsschommelingen. Wij hebben daar recentelijk iets over kunnen lezen met betrekking tot de melkveehouderij. Zijn ten principale maatregelen die dempend werken op de prijsschommelingen en grote inkomensklappen kunnen voorkomen niet te prefereren boven structurele inkomenssubsidies? Dat is een principiële vraag. Welke instrumenten acht de staatssecretaris aangewezen om die prijsschommelingen te beheersen?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik begin met het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De PvdA-fractie steunt de nationale en regionale catalogi, maar maakt zich wel zorgen over de vaagheid van de vergroeningsvoorwaarden. Begrippen als «equivalent» vind ik dodelijk. Wij moeten ons inspannen om heel concrete maatregelen te beschrijven, bijvoorbeeld spuitvrije zones met specifieke meters erbij en data voor verlaat maaien en de verplichte weidegang. Dat zijn concrete zaken. Daarnaast stellen wij pluspakketten voor, waar betalingen tegenover staan. Ik hoor hier graag een reactie van de staatssecretaris op.

Ik moet het weer over schaapskuddes hebben. De schaapherders en de bestuurders van de schaapskuddes hebben bij elkaar gezeten, wat hartstikke mooi is. Eerst is er echter een halfjaar niets gebeurd. Dat zij bij elkaar zijn geroepen, is vooruitgang. Ik maak mij echter zorgen over enkele zaken. De betaling gaat heel laat plaatsvinden, namelijk pas na Europese goedkeuring. De schaapherders moeten echter ook hun brood kopen. Ik vind het dan wel heel vreemd dat er eerst een halfjaar niets wordt gedaan en zij vervolgens heel lang op hun geld moeten wachten. Daar maak ik mij zorgen over.

Er is een voorstel van Stichting Schaapskudde Hof van Twente, die de zaak weer langzaam opbouwt. Die zou heel graag voor een uitzonderingspositie in aanmerking komen. Er is nog discussie over de vraag of het om bijzondere rassen moet gaan of om zeldzame rassen. Als wordt gekozen voor bijzondere rassen, krijgen wij 90 kuddes. Als wordt gekozen voor zeldzame rassen, is dat niet het geval. Hoe gaat de staatssecretaris dit oplossen? Uiteindelijk is het toch de bedoeling dat wij het Veluws heideschaap, het Drents heideschaap, de Schoonebeker, het Kempisch heideschaap en het Mergellandschaap in stand houden? Er bestaat een risico van dubbelfinanciering. Is het niet verstandig om met de provincie tot een goede regeling te komen? Dan hoeven de beheerders van de kuddes ook niet zo lang te wachten op hun geld. Ik hoor hier graag een reactie op.

Wij hebben hier heel lang gesteggeld over het halen van sterke bijen uit Cananda. Ik wacht nog steeds op een uitnodiging. Ik heb nu weer brieven en mails ontvangen waarin wordt gemeld dat op grond van de regelgeving waar Nederlands steeds naar verwijst, in Luxemburg en Duitsland wel bijen worden geïmporteerd. Ik denk dat dit eigenlijk niet kan in deze situatie. Ik zou graag daadkracht zien van het ministerie op dit punt. De bijenhouders, die belangrijk werk doen voor onze natuur, kunnen wij zo niet afschepen.

De voorzitter: U hebt nog één minuut, mevrouw Jacobi.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Wat betreft de zeugen kan ik mij aansluiten bij de PvdD en de SP. Ik vind dat er een keer wat moet worden geregeld.

Ik heb een brief ontvangen van de suikerindustrie. Ik maak mij zorgen om de speculatie in die sector. Ik stel voor om na het reces een rondetafelgesprek te organiseren met experts om die speculatie een keer goed aan de orde stellen.

Ik kom nu op de Dollard. Ik ben er niet tevreden over dat het maken van goede afspraken tussen Nederland en Duitsland steeds maar wordt uitgesteld.

Wat betreft de zeebaars, ben ik zeker niet tevreden over de bag limit die wordt voorgesteld. Het instellen van een bag limit moet je helemaal aan het eind doen. Ik stel voor om een goede pilot te starten. Wij moeten deze stroperij net zo aanpakken als wij dat inlands doen. De hele keten moet daarbij worden betrokken. Ik hoor hier graag een reactie op van de staatssecretaris.

Wat betreft de trawler, sluit ik mij aan bij de heer Van Gerven.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de brieven die wij hebben ontvangen. Wat betreft het gemeenschappelijk landbouwbeleid kent de staatssecretaris de relevante moties – ik denk dat hij ze zelfs boven zijn bed heeft hangen – die hebben bepaald welke richting de Nederlandse regering op dient te gaan.

Wij moeten erop letten dat er soms aanvallen van buiten komen. Een daarvan is het rapport van EP-lid Santos, die flexibiliteit tussen pijlers bepleit. Dat lijkt mij geen goed idee. Ik vraag de regering of zij dat met ons eens is. Als je van de eerste naar de tweede pijler gaat, moet je cofinancieren. Voor je het weet is het is een soort trucje en zijn wij zelf onvoldoende in staat of bereid om dat te doen. Ik vraag de regering zich te verzetten tegen die conclusie. Ik ga ervan uit dat Nederland, zoals altijd vanwege het behandelvoorbehoud, nog een officiële reactie geeft als die rapporten van rapporteur Santos zijn aangenomen. Ik hoor echter graag nu ook al wat.

Wat natuurlijk niet helpt, is dat er vanuit deze Kamer telkenmale aanvallen zijn op het GLB. Mevrouw Snijder-Hazelhoff is jarenlang een soort brother in arms is geweest van mij in de strijd voor de boerenbelangen. Er liggen nu twee moties van mevrouw Van Veldhoven waarin wordt verzocht om 10 mld. uit het GLB te halen (21 501-32, nr. 451) of, in de andere motie (21 501-32, nr. 616), 10%. Dat is pijnlijk en geen goede zaak. Elke keer weer als er in deze Kamer aanvallen zijn op het GLB, gaat in Polen de fles wodka op tafel. Lachen, gieren, brullen, zeggen zij dan tegen elkaar, kom maar op, wij willen die centen wel hebben. Ik waarschuw daar hier nogmaals voor.

De heer Van Gerven (SP): De CDA-fractie is altijd voor het subsidiebeleid. Het gaat om de doelmatige aanwending van die subsidies. De CDA-fractie heeft de motie van de SP (21 501-32, nr. 459) over de subsidie aan de miljonairs niet gesteund. Kan de heer Koopmans nog eens uitleggen waarom het zinnig is om meer dan 1 500 mensen in Europa meer dan 1 mln. subsidie te geven op kosten van de Europese belastingbetaler?

De heer Koopmans (CDA): De heer Van Gerven van de SP – de sinterklaaspartij, de subsidiepartij, die altijd bezig is om subsidies te verlenen – moet mij niet aanvallen als ik ook eens een keer om gerechtvaardigde redenen subsidie wil verlenen. Ik ga hier nu niet de hele geschiedenis van het GLB vertellen. Ik ga het ook zeker niet hebben over de benarde inkomenspositie van tal van boeren in Nederland en Europa, ook nu. Daarom is het heel goed dat wij hiervoor pleiten. Iedereen die hier ook maar enige aanval op waagt, zullen wij bestrijden en aanpakken, zo nodig met pek en veren omgeven. Die motie was veel te grof, omdat daardoor het risico ontstond dat talloze mensen in Nederland er ook onder zouden vallen. Ik heb al een keer eerder gezegd dat er best mag worden gekeken naar de echte top, zonder dat dit afbreuk doet aan het GLB als systeem. Dat is echter niet de kern van het verhaal. De kern van het verhaal is dat het GLB moet blijven. Ik heb de heer Van Gerven de vorige keer al gezegd dat ik het verkiezingsprogramma van de SP heel goed heb gelezen. Daar staat gewoon in dat de helft van het GLB weg moet en dat de andere helft gegeven moet worden aan landen in Midden- en Oost-Europa. Toen de boeren in Polen en in Roemenië dat lazen, hebben ze nog een fles wodka op tafel gezet. Dat moet toch geen beleid worden? Daarom vind ik de moties van de SP op dit punt gewoon ongeloofwaardig en heb ik er moeite mee: wel een aftopping steunen en tegelijkertijd voorstellen om het geld te laten inpikken. Daag, daar doen wij niet aan mee.

De voorzitter: Een korte reactie, mijnheer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP): Dit is wel een principieel punt, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de subsidies. De heer Koopmans parafraseert, waarschijnlijk bewust, het SP-verkiezingsprogramma. Hij maakt er een karikatuur van. Wij pleiten zeker voor halvering van de subsidie. Wij stellen echter ook voor om een systeem te ontwikkelen waarin de boer een eerlijke prijs voor zijn product krijgt en niet via subsidies wordt betaald. Die subsidies zijn namelijk ongericht en komen verkeerd terecht. Ik zal opnieuw een motie indienen. Is de CDA-fractie bereid om het voorstel van de rapporteur te volgen, door bijvoorbeeld een maximum in te stellen van € 300 000? Dan blijven wij weg bij de discussie over subsidie of niet. Dan zou het geld alleen ten goede komen aan de mensen die het echt nodig hebben.

De voorzitter: Nu is het afgelopen. Er is een vraag aan de heer Koopmans gesteld en daar geeft hij antwoord op.

De heer Koopmans (CDA): Als je het GLB terugbrengt naar niets, heeft een plafond geen zin. Ik zou graag met de heer Van Gerven schrijven aan een motie waarin een plafond staat, maar ook «behoud van het GLB». Die motie-Koopmans/Van Gerven willen wij graag steunen.

Ik kom nu bij het markt- en prijsbeleid. Het is goed dat de staatssecretaris conform de motie-Koopmans (21 501-32, nr. 575) artikel 106 wil aanpassen. Ik vraag hem om daarvoor te blijven gaan en ons daarvan op de hoogte te houden.

Rapporteur Dantin wil een herziening van het mededingingsrecht. Dat is een geweldige ondersteuning voor de niet aangenomen motie-Van der Staaij (33 000-XIII, nr. 136) die de regering gelukkig toch wenst uit te voeren. Ik zou graag horen van de staatssecretaris hoe hij dat precies gaat doen.

Met betrekking tot de groepshuisvesting van drachtige zeugen vindt de CDA-fractie dat ook moet worden bekeken hoe snel bedrijven die zijn omgeschakeld, bijvoorbeeld naar strohuisvesting, technisch kunnen voldoen aan hetgeen wij als nationale kop hebben geregeld. Dat blijkt heel moeilijk te zijn. Ik vraag de staatssecretaris om een overgangsregeling te maken. Het heeft helemaal niets met dierenwelzijn te maken als je zeugen veel te snel loslaat, voordat ze daadwerkelijk door het insemineren drachtig zijn geworden. Er zal dus sprake zijn van een verminderd dierenwelzijn. Dat lijkt ons heel slecht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat moet de heer Koopmans toch even uitleggen. Is hij van mening dat als een varken tussen stangen staat en alleen een stapje vooruit en een stapje achteruit kan doen, er sprake is van dierenwelzijn?

De heer Koopmans (CDA): Laat ik het even omdraaien. Is mevrouw Ouwehand van mening dat het huisvesten van zeugen in groepshuisvesting meteen na vier dagen, waardoor zij technisch gezien veel minder snel drachtig kunnen worden en blijven, een bijzondere bijdrage levert aan het dierenwelzijn?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik spreek niet snel over dierenwelzijn. Wij behandelen dieren op een schandalige wijze. Iedere stap die wordt gezet, leidt hooguit tot een iets minder slechte behandeling van dieren. Bij dierenwelzijn zijn wij nog lang niet. Ik vraag de heer Koopmans of hij dat een wenselijke situatie vindt. Wij hebben vanmorgen weer kunnen horen wat een fijne combinatie dat is, zeugenkratten en brand bijvoorbeeld. Als je die dieren ziet staan, springen de tranen je toch in de ogen? Dat is toch niet de manier waarop wij met levende wezens moeten omgaan in ons land?

De heer Koopmans (CDA): Precies. De enige manier waarop ik varkens en vuur wil combineren, is morgenmiddag bij de barbecue op het Binnenhof. Natuurlijk is het zorgelijk als dat gebeurt in een stal. Ik heb daar al eerder, overigens met mevrouw Ouwehand, stappen in gezet. Wij denken dat een langere overgangstermijn voor een aantal bedrijven zal leiden tot een verbeterde dierenwelzijnsituatie.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik begrijp dat de CDA-fractie ook in dit opzicht naar een eerlijk speelveld wil: geen 4 dagen, maar 28 dagen zoals in de rest van Europa. Dat wensen wij ook.

De heer Koopmans (CDA): Wij hebben in Nederland op tal van terreinen gezien dat de markt uiteindelijk wel dit soort eisen gaat stellen. Ik denk dus, ook in relatie tot degenen die op grond van die verplichtingen al investeringen hebben gedaan, meer aan een overgangstermijn. Die moet wel een zodanige lengte hebben dat iedereen daar op een verantwoorde manier gebruik van kan maken.

Er wordt in deze Kamer vaak gezegd dat het visserijbeleid faalt. Laten wij nu ook eens een paar positieve constateringen doen. Het aantal overbeviste bestanden in het Noordoost Atlantische gebied is wederom gedaald. Het aantal bestanden dat duurzaam wordt geëxporteerd en voldoet aan de criteria van het Marine Stewardship Council (MCS) is toegenomen. Voor de Noordzee gaat dat om de voor Nederlandse vissers belangrijke schol en haring. Wij vragen de staatssecretaris om vooralsnog niet akkoord te gaan met enige stappen in de richting van een opsplitsing van de gezamenlijke TAC’s. Wij vragen hem voor te stellen om dat in het vooroverleg met de Noordzee RAC in het kader van deze discussie een groot gewicht te geven. Daarin is iedereen immers betrokken. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de motie van de leden Koppejan, Dijkgraaf en Slob over de aanlandingsplicht (29 675, nr. 126)? In het kader van de meerjarenplannen en het kabeljauwherstelplan vraag ik de staatssecretaris om in het overleg een voorstel te doen tot een pauze in het automatisch korten van zeedagen, nu de hele discussie in een patstelling is gekomen door interpretatieverschillen over de toepassing van het Verdrag van Lissabon.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Wij hebben gepoogd alle vragen op te vissen en aan te landen. Ik zal proberen om een kernachtige reactie op de vragen te geven. Mevrouw Ouwehand stelde een lange en ingewikkelde vraag. Die zal worden beantwoord in een haaienbrief.

De voorzitter: Wanneer komt die brief?

Staatssecretaris Bleker: Die brief komt na 12 september, voor 1 oktober.

De heer Koopmans (CDA): Ik heb een mededeling. Mevrouw Jacobi en ik gaan 22 augustus op haaienjacht. Mevrouw Jacobi gaat ze tellen en ik ga ze jagen.

De voorzitter: Een reisverslag en de dia’s zullen worden bijgevoegd.

Staatssecretaris Bleker: Het jagerstalent van de heer Koopmans kennende, zullen wij de tellingen doen nadat hij zijn jacht heeft uitgeoefend.

Er zijn vragen gesteld over de vergroeningsvoorstellen van de Europese Commissie. Ik ben het hartgrondig eens met mevrouw Jacobi dat het tijd wordt dat Nederland heel concrete alternatieve vergroeningsvoorstellen levert, eventueel samen met andere lidstaten, voor de voorstellen van de Europese Commissie, die veel te rigide zijn. De Kamer kan ervan op aan dat zij daarover deze zomer nader bericht ontvangt. Ik verwacht dat wij deze zomer in staat zijn om concrete werkbare alternatieven, ook in samenspraak met boeren, op papier te krijgen. Dat zijn alternatieven voor, amenderingen van of aanvullingen op de voorstellen van de Commissie. Ik schat in dat de 7% ecologisch focusgebied van de baan is. Er is geen steun in de Raad van landbouwministers voor 7%, dat is veel te omvangrijk. Er is wel veel steun voor alternatieven. Dat rigide systeem van 7% ecologisch focusgebied zal naar mijn vaste overtuiging uiteindelijk niet landen. Daar zullen wij goede alternatieven voor hebben, die ook werkbaar zijn in een agrarisch intensief productielandschap.

Mevrouw Snijder heeft een vraag gesteld over de subprogramma’s. Er zijn wel subprogramma’s voorgesteld. Alle subprogramma’s waar Nederland gebruik van gaat maken, moeten in elk geval aan één criterium voldoen: ook het geld uit de tweede pijler is bedoeld voor innovatie, verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van het Nederlandse agrarische bedrijf. Het ouderwetse plattelandsbeleid van voorheen, waarmee wij fietspaden aanlegden, een strijkijzermuseum mee subsidieerden en dat soort grappen meer, is voorbij. In de Raad van landbouwministers is overigens wel enige support voor een heel klein percentage uit de tweede pijler voor leaderachtige projecten, ik meen 5%. Ik zou graag zien dat ook die gelden ten gunste komen van bijvoorbeeld verbreding van het agrarisch ondernemerschap in het landelijk gebied. Wij zitten dus niet zo met die subprogramma’s. Dat zijn geen verplichtingen, maar mogelijkheden die wij hebben. Dit is de richting waarin wij denken.

De heer Koopmans (CDA): Blijft de regering ook vinden dat die gecofinancierd moeten worden?

Staatssecretaris Bleker: Ook over de cofinanciering bestaat veel discussie. De Commissie neigt ertoe om de cofinancieringsplicht door de lidstaten in elk geval te verlichten. Vroeger was het 50%. Nu wordt er vaak uitgegaan van 25% en in uitzonderlijke gevallen van 0% cofinanciering. De heer Koopmans sprak over overheveling van geld van de eerste pijler naar de tweede. Wij vinden dat interessant omdat het ons de mogelijk biedt die wij nu met artikel 68 hebben, namelijk om gerichte investeringen voor het agrarisch ondernemerschap mogelijk te maken die wij niet via directe betalingen doen, maar wel via de tweede pijler. Door die overheveling van de eerste naar de tweede pijler, zonder cofinanciering, is het mogelijk om, zoals nu conform artikel 68, gerichte ondersteuning voor innovaties in de agrarische sector te realiseren.

De heer Koopmans (CDA): Daar zitten twee risico’s aan vast. Het eerste is dat Nederland dan straks, als dat gebeurt, zelf niet gaat cofinancieren. Het is niet uit te sluiten dat een volgende staatssecretaris van minder goede inborst is op dit punt dan staatssecretaris Bleker. Het tweede is dat het kan worden gebruikt door lidstaten als dekking voor eigen tekorten. Beide lijken mij reden om uiterst terughoudend te zijn.

Staatssecretaris Bleker: Ik vraag de heer Koopmans om te schetsen op welk punt wij uiterst terughoudend moeten zijn.

De heer Koopmans (CDA): De eis om niet te cofinancieren. Het is een risico om veel in de tweede pijler te stoppen. Als daarbij komt dat geen cofinanciering mogelijk is, wordt het heel risicovol.

Staatssecretaris Bleker: Het signaal is duidelijk. Ik heb gezegd dat er serieus gediscussieerd moet worden over de vraag of de cofinancieringsverplichting die nu gangbaar is, op die manier moet blijven bestaan of dat daar wat in gedifferentieerd wordt. Dat laatste is wat mij betreft denkbaar.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik sluit mij aan bij de heer Koopmans. Ik ben begonnen met dit onderwerp. De staatssecretaris zegt dat Nederland in de subprogramma’s kiest voor kennis en innovatie. Daar voegt hij nu artikel 68 aan toe. Als andere lidstaten dat niet doen en en masse bereid zijn om voor de tweede pijler te gaan, welke risico’s lopen wij dan ook voor overheveling van budgetten? Dat lijkt mij echt een zorgpunt. Vergroting van het aantal subprogramma’s biedt alleen maar mogelijkheden om allerlei uitwassen te bedenken.

Staatssecretaris Bleker: De verdeling van de budgetten over de lidstaten heeft niets te maken met de subprogramma’s in de tweede pijler. De verdeling over de lidstaten gaat over de eerste en twee pijler. In de tweede pijler hebben wij al relatief gezien weinig te verdienen. Wij moeten het dus vooral hebben van een sterke eerste pijler. Die tweede pijler is voor ons, zoals ik net al zei, een middel om gerichte investeringen in innovatie en verduurzaming in de agrarische sector mogelijk te maken. Dat zal een hele verbetering zijn ten opzichte van het verleden, want in het verleden hebben wij er van alles en nog wat in gestopt.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Daar zijn wij het over eens, het moet niet gaan om wat wij in het verleden hadden. Dat heb ik ook gezegd. Er wordt echter wel gesproken, zo lezen wij in de stukken, over overheveling van budgetten van de eerste pijler naar de tweede. Daar sla ik even op aan. Dat heeft nog even niets met de lidstaten te maken, maar het zit wel binnen de pijlers. Dat brengt naar ons gevoel een groot risico met zich mee.

Staatssecretaris Bleker: Dat is een mogelijkheid die aan de lidstaten wordt geboden. Volgens de voorstellen die er nu liggen, kan maximaal 10% van de eerste pijler worden overgeplaatst, wat ons betreft zonder cofinanciering, naar de tweede pijler. Dat geld moet wat ons betreft worden ingezet voor het soort doelen waar wij nu artikel 68-middelen voor inzetten. Wij missen in zekere zin toch artikel 68. Dat zit niet meer in het systeem. Met instemming van LTO Nederland hebben wij het percentage van de artikel 68-bijdrage verhoogd. Daar hebben wij meer middelen voor vrijgemaakt, in goed overleg met het bedrijfsleven. Dat duidt erop dat het bedrijfsleven daar waarde aan hecht, bijvoorbeeld waar het gaat om investeringen in verduurzaming en energie. Wij hebben dit dus zelf in de hand.

Er werd gevraagd om het standpunt van Nederland over suikerquotering. Wij zijn voor afschaffing ervan, maar wij kunnen ons verenigen met een gefaseerde afschaffing. Er was ook een vraag over beschikbaarheid van suikervoorraden. In het Beheerscomité Brussel is door Nederland al verschillende keren gepleit voor maatregelen die ertoe leiden dat er meer suiker op de markt komt. Er is een pakket aan maatregelen voor dit marktjaar vastgesteld door de Commissie. In september/oktober begint het nieuwe seizoen weer, met de nieuwe oogst. Dan komt er, als vanzelfsprekend, weer meer suiker beschikbaar. Ik zal tegen die tijd kijken hoe het met de markt is gesteld en eventueel een hernieuwd verzoek indienen tot het nemen van maatregelen. Het punt van mevrouw Snijder deugt, het is een terecht punt.

Er is gezegd dat risicoverzekering primair een verantwoordelijkheid van de sector is. Er moet inderdaad geen EU-brede inkomensstabilisatieverzekering komen. Daar ben ik het mee eens.

De heer Van Gerven heeft gesproken over de producentenorganisatie. Nederland heeft conform de motie van het lid Koopmans (21 501-32, nr. 575) de Commissie verzocht om als een van de doelstellingen van de productenorganisaties op te nemen dat deze organisaties ervoor kunnen zorgen dat producenten een redelijke vergoeding krijgen van kosten voor investeringen in bijvoorbeeld milieu en dierenwelzijn. In mijn visie moeten producentenorganisaties de positie van individuele boeren en tuinders versterken. Daarom ben ik groot voorstander van het systeem waarbij Nederlandse ondernemers straks meer gebruik kunnen maken van deze mogelijkheden en van mogelijkheden tot samenwerking.

De heer Van Gerven heeft gesproken over de aftopping. Daar heeft hij bij interruptie ook over gesproken met de heer Koopmans. Ik treed niet in de discussie dat er niets is af te toppen als er niets meer is. Dat is een discussie tussen de twee heren. De discussie in de Europese Commissie en de Raad van landbouwministers over aftopping concentreert zich op aftopping van de directe betalingen, niet op van alles en nog wat. Ik heb eerder gezegd dat Nederland wil meedenken over een juridisch houdbare en rechtvaardige methode om excessen tegen te gaan. Dat blijven wij doen. Het gaat om de directe betalingen. Een eventueel nieuw systeem moet juridisch houdbaar en rechtvaardig zijn en administratief niet tot een geweldige last leiden. Onder die voorwaarden ben ik bereid om mee te denken over een vorm van aftopping van de directe betalingen.

De heer Van Gerven (SP): De Europese rapporteur heeft een concreet voorstel gedaan, zoals de staatssecretaris ongetwijfeld bekend is. Het is eigenlijk een soort lineaire verlaging die wordt toegepast. Het stopt bij maximaal € 300 000, met een uitzonderingsbepaling voor coöperaties. Wat vindt de staatssecretaris van dat voorstel?

Staatssecretaris Bleker: Ik wil eerst laten beoordelen of dat juridisch sluitend kan worden gemaakt. Als dat kan, moet je misschien wel in die orde van grootte denken. Ik wimpel dat niet meteen weg. Ik benadruk dat het alleen om de directe betalingen gaat. Ik denk overigens dat er in Nederland nauwelijks een bedrijf is dat meer dan dat bedrag ontvangt als directe betaling.

De heer Van Gerven (SP): Ik weet niet of dat in Nederland voorkomt. Het is echter Europees geld. Het zou de SP-fractie zeer verdrieten als het fenomeen van die 1 500 miljonairs blijft bestaan. Dat geldt zowel voor Nederlandse als voor buitenlandse boeren.

Staatssecretaris Bleker: Ik hoor net dat hier vier of vijf bedrijven zijn, of combinaties van bedrijven, die daar eventueel onder zouden vallen. De vraag is echter niet wat je wilt. Ik geloof dat de regering en de heer Van Gerven op dit punt vanuit dezelfde intentie en hetzelfde gevoel opereren. Waar leg je de grens? Hoe leg je de grens? Is het juridisch houdbaar? Als zo’n bedrijf heel makkelijk te splitsen is, zodat het toch twee, drie of vier keer € 300 000 kan ontvangen, schiet het ook niet op. Daar gaat het om.

De heer Van Gerven (SP): Is de staatssecretaris bereid om wat dieper in te gaan op dat concrete voorstel? Ik begrijp dat hij het nog moet wegen langs de parameters die hij heeft genoemd. Ik wil graag weten waar het kabinet praktisch voor wil gaan.

Staatssecretaris Bleker: Wij zullen zodra de rapportages van het Europees Parlement definitief zijn geworden – dat zal na het zomerreces zijn – de reactie hierop van het kabinet aan de Kamer zenden. Daarin zullen wij ook hierop ingaan. Tot nu toe bestaat er bij de Raad van landbouwministers veel weerstand tegen die capping. Wij hebben tot nu toe een soort tussenpositie ingenomen. Wij willen meedenken met de Commissie op dit punt. Het moet wel uitvoerbaar zijn.

Ik kom nu op het dierenwelzijn: de zeugen. Ik heb de Kamer geïnformeerd over het beleid: 1 januari 2013 is 1 januari 2013. Ik zie geen gronden om tot uitstel, op wat voor manier dan ook, te komen. Ik zie ook geen reden om een inseminatiestop in te stellen per september. Het is de verantwoordelijkheid van de ondernemers hoe zij met zij biggen en zeugen omgaan. Per 1 januari 2013 moet er sprake zijn van groepshuisvesting, punt. Hoe ondernemers omgaan met biggen die na 1 september worden geboren en de zeugen die men dan nog heeft, is een zaak van hen zelf.

De heer Koopmans (CDA): Een flink deel van de ondernemers heeft daar echt problemen mee. Ik vraag de staatssecretaris om nog een keer te overleggen. Daarnaast vraag ik hem te proberen om te komen tot een wat langere overgangstermijn zodat alle ondernemers de bedrijfsvoering, de bedrijfsomstandigheden, het bedrijfsmanagement en de bedrijfsinrichting op dat punt nader kunnen inpassen zodat die termijn van vier dagen kan worden gehaald.

Staatssecretaris Bleker: Als de sector behoefte heeft aan overleg, ben ik daartoe bereid. Ik zie op dit moment geen gronden – bij de kippen lag dat anders – om af te stappen van de deadline van 1 januari 2013. Ik heb geen valide argumenten gehoord om dat te doen.

De heer Koopmans (CDA): Dan zal ik die in een motie opschrijven.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik hoor graag nog een reactie van de staatssecretaris op mijn opmerkingen over ondernemers die in vergunningprocedures zitten. Wij kunnen wel zeggen dat het al eerder mogelijk was. Er zijn echter ondernemers die al twee jaar in een vergunningtraject voor de Wet milieubeheer zitten. Die vergunning komt maar niet los, wat mede de schuld is van de landelijke overheid die de PAS en weet ik veel wat heeft geregeld. Die ondernemers zitten met de handen in het haar. Zij kunnen de handel wel verkopen, want als je je zeugen niet kan insemineren dan houdt het op.

Staatssecretaris Bleker: Het is misschien wel een goede tekst, maar geen overtuigende. Althans niet voor mij. Zoals enkele woordvoerders ook al hebben gezegd, was dit uitdrukkelijk voorzienbaar. Bij de legbatterijen was er nog een mogelijkheid om te besluiten om de producten tijdelijk op een andere manier af te zetten. Er is in Europees verband afgesproken om daar een soort soulaas voor te bieden, voor een korte termijn. Ik denk eerlijk gezegd dat de hele varkenshouderijsector er geweldig bij gebaat is om bij 1 januari 2013 een streep te trekken. Het grootste deel van de bedrijven voldoet aan de nieuwe vereisten. Het is voor het imago van de sector niet goed als wij gaan schuiven. Ik vind het onverstandig om daarvoor te pleiten, ook in het belang van de sector zelf, van de varkensboeren en van het draagvlak in de samenleving. Op een gegeven moment moet je zeggen: dit was al lang aangekondigd en nu is het dan ook zover.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat betekent dat de staatssecretaris afstand neemt van een eerlijk speelveld. Wij weten immers inmiddels dat elf lidstaten ook ondernemers meer ruimte geven.

Staatssecretaris Bleker: Ja. Dan gaat de Europese Commissie doen wat hoort, namelijk handhaven, infractieprocedure, enzovoorts.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat duurt even.

Staatssecretaris Bleker: Ja, dat duurt even. Je moet je echter echt afvragen of je als Nederlandse varkenssector wilt horen bij die elf landen. Ik zeg: je moet er niet bij willen horen, je moet willen handelen zoals het hoort per 2013. Dat is mijn stellingname. Je moet er niet bij wíllen horen. Wij moeten op dat punt gewoon doen wat voorzienbaar was. Dat is modern maatschappelijk verantwoord ondernemen, ook in de varkenshouderijsector.

Er is gesproken over de Raadsconclusies inzake dierenwelzijn. Volgens mij heeft de heer Van Gerven gewoon verkeerde teksten gelezen. Het is heel simpel gegaan. Wij hebben in de eerste termijn bij de Raadsconclusies inzake dierenwelzijn gezegd dat wij vinden dat die onvoldoende ambitie hebben, met name op het punt van diertransport, en dat een achtuursgrens voor het transport voor slachtdieren zou moeten worden geïntroduceerd. Toen leefden wij, na informeel contact met de voorzitter en met de heer Dalli, in de veronderstelling dat de heer Dalli enige toezeggingen zou doen. Er kwam echter niets. Omdat er niets kwam, heb ik gezegd: onvoldoende, ik ga deze Raadsconclusies niet actief steunen, punt. Dat was de situatie. Het is dus anders dan de heer Van Gerven heeft gelezen.

De heer Van Gerven (SP): Heeft de staatssecretaris zich van stemming onthouden of heeft hij tegengestemd? Ik begrijp dat er sprake moet zijn van unanimiteit. Wat is de positie precies geweest?

Staatssecretaris Bleker: Deze Raadconclusie is niet in stemming geweest. Er zijn dan drie mogelijkheden. Je kunt een aantekening maken. Een aantal landen, zoals Zweden, heeft gezegd het niet eens te zijn met dit onderdeel en verder niets. Ik heb gezegd dat wij het niet actief kunnen steunen.

De heer Van Gerven (SP): Betekent dit dat het niet van kracht wordt? Er moet immers sprake zijn van unanimiteit.

Staatssecretaris Bleker: Als ik tegen had gestemd, was er geen sprake geweest van unanimiteit. Dan waren het geen Raadsconclusies geweest, maar voorzittersconclusies. Wij hebben hierover een debat gehad in de Kamer, waarin werd gezegd dat dit net een stap te ver zou gaan. De Kamer zei: je moet een duidelijk signaal afgeven, niet even makkelijk meebewegen. Zij was van mening dat het te ver zou gaan als Nederland als enige nee zou zeggen waardoor het geen Raadsconclusies zouden zijn, maar gedegradeerde conclusies. Ik heb daar dus geheel indachtig letter, woord en geest van de Kamer gehandeld. Ik was mij ook steeds bewust van de aanwezigheid van haar geest, daar.

De heer Van Gerven (SP): Ik vraag mij af of die geest wel voldoende helder is geweest, in de zin van wat het gevolg was van het handelen van de staatssecretaris. Er zijn nu Raadconclusies getrokken.

Staatssecretaris Bleker: Ja.

De heer Van Gerven (SP): De staatssecretaris heeft daar zijn kanttekeningen bij gezet. Er is echter wel een slechter voorstel gelanceerd dan wij hadden.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb niet tegengestemd, maar ik heb gezegd dat ik er geen steun aan kon geven omdat er onvoldoende ambitie in zit. Vervolgens – dat is misschien wel veel interessanter – zal er door deze opstelling van Nederland en een aantal andere lidstaten reeds in de volgende Landbouwraad melding worden gemaakt van het initiatief van Nederland en Oostenrijk om met nadere voorstellen te komen op het terrein van Europees dierenwelzijn. De minister van Oostenrijk en ik zullen aankondigen dat wij met een aantal nadere ambitieuzere voorstellen komen wat betreft Europees dierenwelzijnsbeleid. Dat is het resultaat geweest van de door de Kamer gesteunde opstelling.

Ik kom nu op het onderdeel visserij. Ik heb de haaienproblematiek al behandeld. Mevrouw Ouwehand is ingegaan op het capaciteitsplan. Wij hebben al eerder gezegd dat het gemeenschappelijk visserijbeleid vooral quotabeleid is. Het gaat om duurzame visserijbestanden. De capaciteit dient zich daaraan op enig moment aan te passen. Het is geen zaak van de overheid om direct in die capaciteit te interveniëren. Het is een samenstel van maatregelen vanuit Europa, zoals quota, zeedagen, motorvermogen en tijdelijke sluiting van gebieden. De natuurlijke weg der dingen is dat uiteindelijk de capaciteit daarop aansluit.

Het vaartuig dat in IJmuiden lag of ligt, voert de vlag van Litouwen. Naar verluidt zijn er plannen om dit vaartuig in de wateren van Australië activiteiten te laten ontplooien. Ik ga ervan uit dat er in dat geval in overeenstemming met de regelgeving van Australië zal worden gevist. Het betreft dus een niet-Nederlands gevlagd vaartuig. Ik zie dan ook voor de Nederlandse overheid geen reden hier een rol in te spelen, tenzij de openbare orde in IJmuiden in het geding is. Schoenmaker houd je bij je leest.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Hier wordt perfect de problematiek van de overbevissing geschetst. De trawlers die al genoeg hebben gevist in de Europese zeeën zijn niet rendabel als zij niet de hele tijd veel vis naar boven halen, dus wijken zij uit naar andere visgronden. Het kan toch niet zo zijn dat wij erbij staan, ernaar kijken en denken: ja, nou ja, het lost zichzelf wel op? Dat moet de staatssecretaris toch erkennen?

Staatssecretaris Bleker: Soms moet je erbij staan en ernaar kijken, terwijl je niets kunt doen. Je moet echter nooit denken dat je geen bijdrage kunt leveren aan de oplossing van het achterliggende probleem. Dat doen wij via het Europese beleid. Concreet interveniëren ten aanzien van dit schip dat onder deze vlag vaart, onder deze omstandigheden, kan inderdaad niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan moet er voor de herziening van het visserijbeleid een plan komen dat geloofwaardig is, waarin wij kunnen zien dat het de overcapaciteit ook echt vermindert. Dat was het grootste probleem, stond in de rapportage van de Europese Commissie die aanleiding was voor het inzetten van een herziening. Als er geen geloofwaardig plan komt en er blijven grote monstertrawlers bestaan, wordt het niet opgelost. Zeker niet als de houding is dat je in individuele gevallen niet kunt ingrijpen.

Staatssecretaris Bleker: Wij kunnen inderdaad niet zomaar een schip tegenhouden waarvan wij denken dat het misschien ergens buiten het domein waar wij bevoegd zijn wel eens dingen zou kunnen gaan doen die wij minder wenselijk vinden, maar die daar wel legaal zijn. Wij kunnen zo’n schip niet tegenhouden omdat het dingen wil gaan doen die het in onze wateren niet meer mag. Dat slaat nergens op. Dat doe je niet. Je hebt ook geen rechtsgrond om dat te doen. Het nieuwe Europese visserijbeleid is in de maak. Daar hebben wij eerder over gesproken. Daarin wordt met heel scherpe doelstellingen wat betreft duurzame visbestanden geopereerd. Nederland is een van de koplopers, een van de progressieven, in dat verband.

Ik kom nu op de bag limit. Ik heb nog geen oordeel over het voorstel van de Commissie om zeebaars onder TAC’s te brengen. Iets anders is de bag limit voor het tegengaan van illegale verkoop van op zee gevangen vis. Ik informeer de Kamer zeer binnenkort over dit onderwerp en het Nederlandse standpunt daarover.

De voorzitter: Wat is zeer binnenkort?

Staatssecretaris Bleker: Voor 12 september.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb gevraagd om de bag limit te beschouwen als een aanvullend instrument aan het eind van de keten in de aanpak van stroperij. Als je een bag limit instelt, is de verwachting dat er op zee geruild gaat worden. Op het land krijgen de handel, de vissers en de hele rataplan, in positieve zin, een plek in de keten. Daardoor kan de stroperij met omgekeerde bewijslast en dergelijke worden aangepakt. Die bag limit alleen gaat niet helpen.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb in de Eerste Kamer, op aandringen van de vertegenwoordiger van de PvdA-fractie aldaar, gezegd dat ik hierover een brief zal sturen. Daar wordt dit punt in meegenomen. Ik geloof dat mevrouw Jacobi en ik niet elk aan een ander eind van het touw trekken op dit punt. De Kamer ontvangt hierover een brief.

De CDA-fractie stelde een vraag over de zeedagen. De sector stelt dat het dit jaar al knelt met de zeedagen. Dat is een heel vervelend punt. Wij hebben er vorig jaar in december hard over onderhandeld, maar wij kregen uiteindelijk niet meer ruimte. Er vindt op dit moment overleg plaats met de sector om in beeld te krijgen waar de problemen echt zitten. Als het nodig is, wil ik met een goed voorstel naar de Commissie gaan. Dat heb ik de Commissie vorig jaar december ook gezegd. Nog belangrijker is natuurlijk dat er een structurele oplossing komt. In het kader van het tong- en scholplan werk ik aan een oplossing voor 2013, met in elk geval geen verdere krimp in dagen. Het is een lastig punt, want wij hebben daar op een gegeven moment ook onze vrienden voor nodig. Andere lidstaten hebben indertijd eieren voor hun geld gekozen. Zij hadden een ander, hoger belang en steunden ons niet meer wat betreft die zeedagen.

De heer Koopmans vroeg naar de versterking van regionale adviescommissies (RAC’s) en de regionalisering van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat is belangrijk.

De sector ziet nu ook in dat er een aanlandingsplicht komt en wil graag met ons verder spreken over de invulling ervan. Volgende week is er een eerste overleg met de sector waarvoor dit onderwerp geagendeerd staat.

Er is gevraagd naar de geassocieerde bestanden. Ik ondersteun voor nu wel het apart rapporteren, zoals in de geannoteerde agenda staat. Dat kan ons een beter inzicht verschaffen in de bestanden. Ik ben nog niet zover dat ik ook voor een splitsing van de TAC’s ben, wat betreft de verschillende geassocieerde bestanden.

Er was een vraag over het kwekersrecht. Nederland staat positief tegenover het schrappen van artikel 6 tot en met 8 van de octrooiverordening. Dat voorkomt dat vertraging optreedt in de juridische procedures voor het unitair octrooirecht. Het bedrijfsleven is hier ook positief over. Wel zal de kwekersvrijstelling die was voorzien in de octrooiverordening moeten worden overgeheveld naar het rechtspraakverdrag. Wij moeten nu dus een andere route kiezen om het doel te realiseren. Uitstel van stemming in het Europees Parlement is nu even de beste oplossing, omdat dit ruimte geeft om een oplossing te zoeken. Wij moeten nu proberen om het in het rechtspraakverdrag te krijgen, rekening houdend met de wensen van het Europees Parlement, van de Kamer en van het kabinet waar het gaat om de kwekersvrijstelling. In samenspraak met en tussen de Raad, de Commissie en het Europees Parlement kan naar een oplossing worden toegewerkt. De Kamer kan rekenen op een actieve rol van Nederland, samen met gelijkgestemde landen.

Er zijn vragen gesteld over de superbij uit Canada, zoals ik het maar even noem. Als die bijen wel binnenkomen in andere Europese lidstaten, gaat het argument dat ik eerder heb gebruikt, namelijk dat het niet kan, niet meer op. Als het via Luxemburg en Duitsland kan, moet het maar via die landen. Ik wil opnieuw bekijken of dat klopt. Ik zal de Kamer hier in september over informeren.

Wij maken serieus werk van het amendement-Jacobi/Koopmans over een regeling voor schaapskuddes. In de brief daarover worden de contouren van de regeling beschreven. De strekking is duidelijk. Ik wil in september een regeling openstellen voor gescheperde schaapskuddes met zeldzame schapenrassen met bedragen per kudde zoals genoemd in de toelichting van het amendement. Het gaat inderdaad om de vijf rassen die mevrouw Jacobi noemde. Een van de rassen is het Schoonebeker heideschaap. Ik laat er een foto van zien. Dit zijn de vijf rassen die door de Stichting Zeldzame Huisdierrassen als zeldzaam worden beschouwd en die worden gebruikt in rondtrekkende kuddes. Ik had natuurlijk ook graag gehad dat de uitbetaling eerder had kunnen plaatsvinden, maar ik moet echt eerst goedkeuring van de Europese Commissie hebben. Anders moeten wij daarna weer terugvorderen en dat is ook knap beroerd. Uit het overleg bleek dat het mogelijk gaat om meer kuddes dan waarvan in het amendement werd uitgegaan. Als er veel aanvragen zijn, kan het bedrag per kudde lager worden dan beoogd in het amendement. Belangrijk is wel dat het hier hoe dan ook gaat om een vorm van staatssteun. Daar hebben wij goedkeuring van de Europese Commissie voor nodig. Ik wist dat ook niet, maar het is gewoon zo. Er is nauw contact met betrokkenen. De regeling zal zo snel als mogelijk worden opengesteld. De bedoeling is dat dit in september gebeurt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): We geven miljarden uit aan subsidies aan boeren. Ik vind het dan wel heel bizar dat dit als staatssteun wordt aangemerkt. Ik denk dat je moet uitsluiten dat het staatssteun is. Het gaat op bijzondere of zeldzame rassen die op een andere manier niet meer te onderhouden zijn, met een belangrijke waarde voor de biodiversiteit en de cultuur. Volgens mij is het zeker mogelijk om uit te betalen. Wat gaat de staatssecretaris doen om versneld die erkenning in Europa te krijgen?

Staatssecretaris Bleker: Ik denk dat wij in september duidelijkheid hebben over de staatssteunkwestie. Ik zal de Kamer dus in september informeren over hoe dat gelopen is, hoe het gaat uitpakken en hoe het gaat werken. Daar zal ik ook het punt van de erkenning in meenemen.

De Kamer kan deze week een brief verwachten over het Eems-Dollardgebied. Die heb ik al getekend, dus die is in aantocht.

Dit was mijn inbreng in eerste termijn.

De voorzitter: Zijn er nog vragen niet beantwoord?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik heb nog een vraag gesteld over suikerspeculatie, over de noodbrief. Misschien gaat de staatssecretaris hier niet over, maar ik hoor graag zijn reactie op de stelling dat het verstandig zou zijn om een keer breder te kijken naar voedselspeculatie.

Staatssecretaris Bleker: Volgens mij is daar een zeer uitgebreid schrijven over aan de Kamer gezonden, in aanloop naar de G20 en ook eerder. Daarin is ingegaan op transparantie, ook op initiatief van de voormalige minister van landbouw van Frankrijk. Daar heb ik op dit moment niets aan toe te voegen. Daar heeft ook de G20 in Mexico niets aan toegevoegd.

De voorzitter: Voordat wij naar de tweede termijn gaan, zal ik de reeds gedane toezeggingen noemen. De leden hoeven daar dan niet meer op in te gaan in hun tweede termijn. Dat bespaart tijd.

  • De staatssecretaris zal tussen 12 september en 1 oktober 2012 een haaienbrief aan de Kamer sturen.

  • De staatssecretaris zal deze zomer de Kamer nader berichten over concrete werkbare alternatieven inzake vergroening.

  • De staatssecretaris zal zodra de rapportage van het Europees Parlement definitief is, naar verwachting na het zomerreces, een kabinetsreactie hierop aan de Kamer sturen en daarin ook ingaan op het voorstel voor aftopping van de directe betalingen.

  • De staatssecretaris zal de Kamer voor 12 september informeren over de illegale visstroperij en de bag limit.

  • De staatssecretaris zal de Kamer in september nader informeren over het importeren van Canadese bijen.

  • De staatssecretaris zal de Kamer in september nader informeren over de regeling voor de schaapskuddes.

  • De staatssecretaris stuurt nog deze week een brief over Eems-Dollard aan de Kamer.

Ik zie dat er behoefte is aan een tweede termijn. Ik wil als eerste het woord geven aan de heer Grashoff van GroenLinks, omdat hij later is binnengekomen. Dan hebben de staatssecretaris en zijn ambtenaren wellicht wat meer tijd om de antwoorden op zijn vragen voor te bereiden. Daarna begin ik bij mevrouw Ouwehand.

De heer Grashoff (GroenLinks): Voorzitter. Mijn excuses voor mijn late komst. Er was een uur overlap met een overleg van de commissie voor Infrastructuur en Milieu hiernaast.

Ik ben blij dat de staatssecretaris zich wil inspannen voor werkbare alternatieven voor vergroening van het GLB. Dat betekent niet dat wij niet wat enthousiaster waren over sommige onderdelen van die vergroeningsmaatregelen. Wij zijn het wel met hem eens dat die te rigide waren ingevuld. Ik vraag de staatssecretaris om niet het kind met het badwater weg te gooien. Het werken met percentages, als je die kunt collectiviseren en als je die op een zinvolle manier kunt invullen en beheren, is naar de mening van mijn fractie nog steeds een buitengewoon goede bijdrage. Dat sluit ook aan bij de recente analyse van het Planbureau voor de Leefomgeving. Ik hoor hier graag een reactie op van de staatssecretaris.

Mijn fractie is er sterk voorstander van om gebruik te maken van de mogelijkheid die lijkt te ontstaan om gelden van de eerste naar de tweede pijler over te hevelen. Ik heb de kritiek van LTO Nederland gezien, die ook door andere woordvoerders hier is verwoord. Wij vinden ook dat dit er niet toe moet leiden dat die gelden plotseling voor totaal andere zaken worden benut dan waarvoor zij zijn bedoeld, namelijk een groenere en duurzamere landbouw. Daar zijn wij het over eens. Dat neemt echter niet weg dat er tal van beperkingen zijn aan de directe betalingen aan de zaken die wij willen, bijvoorbeeld rondom agrarisch natuurbeheer. Die zouden wij veel flexibeler en veel meer toegespitst kunnen regelen door die overheveling. Ik hoor de staatssecretaris daar gelukkig wat positiever over. Ik zou dat zeer willen aanbevelen. Dit is een van de mogelijkheden die ons wat problemen bespaart.

Mijn fractie is er geen tegenstander van dat er een zekere mate van cofinanciering blijft bestaan. Of dat 50% moet zijn, is iets anders. Dat in redelijkheid in dit soort zaken cofinanciering aan de orde kan zijn, vinden wij goed. Een zekere differentiatie daarin is mogelijk.

De tweede pijler is gericht op innovatie en verduurzaming. Wij staan ook achter de innovatiekant, dus steunen wij de opmerkingen daarover. Het moet wel duidelijk zijn dat die innovatie moet zijn gericht op verduurzaming. Wij moeten een discussie hebben over wat dat dan is. Het is in elk geval niet het financieren van de bouw van megastallen, om het maar even plat te zeggen. Dat vinden wij geen innovatie die iets te maken heeft met verduurzaming.

Wij staan ook zeer achter de aftopping van directe betalingen. Ik hoor de staatssecretaris zich daar in zekere zin positief over uitlaten. Mijn steun daarvoor. De precieze bedragen kunnen wij zo niet noemen.

De staatssecretaris schrijft in zijn brief dat hij zich wil inzetten om in het kader van de discussie over het gemeenschappelijk landbouwbeleid meer mogelijkheden te creëren om in perioden van extreme crises te handelen met volumeafspraken en volumemaatregelen tussen producentenorganisaties. Kan de staatssecretaris aangeven wat een extreme crisis is? Is dit niet het paard achter de wagen spannen? Juist bij signalen van het uit het lood raken van marktverhoudingen is dit soort ingrepen immers het effectiefst. Die zijn veel minder effectief in tijden van extreme crisis. Het zijn methoden die erg kunnen helpen bij het voorkomen van een extreme crisis met bijvoorbeeld extreem lage prijzen vanwege overproductie. Wat is de definitie? Kan de staatssecretaris deze inspanningen niet een tikje verbreden?

Wat betreft de zeugen steunen wij de staatssecretaris zeer in het strikt handhaven, nu. Ook naar het oordeel van mijn fractie is het letterlijk een klap in het gezicht van alle varkenshouders die zich wel aan de regels houden om potdorie degenen die de kantjes ervan aflopen nog een keer in bescherming te nemen. Dat vind ik een onbegrijpelijke inzet van sommige collega’s hier in de Kamer. Overigens geldt dat wat mijn fractie betreft evenzeer voor de legbatterijen. Ik ben van mijn stoel gevallen van het feit dat – onder meer de heer Koopmans heeft hier vijf keer geroepen dat elders in Europa de kantjes eraf zouden worden gelopen met betrekking tot de legbatterijen – Nederland in het rijtje staat van landen waarvoor een ingebrekstellingsprocedure moest worden gestart door de Europese Commissie. Ik vind het een bloody shame.

De voorzitter: De heer Grashoff heeft wat meer tijd gekregen omdat hij niet op tijd aanwezig kon zijn voor de eerste termijn. Omdat wij allemaal druk zijn, heb ik wat souplesse getoond. Voor de leden die een eerste termijn hebben gehad, bedraagt de spreektijd twee minuten. Mevrouw Ouwehand verzoekt om als laatste te mogen spreken, dus krijgt de heer Koopmans als eerste het woord in de tweede termijn.

De heer Koopmans (CDA): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de gegeven antwoorden in eerste termijn. Ik zeg hem nogmaals dat de CDA-fractie buitengewone terughoudendheid wil betrachten met betrekking tot een overheveling van de eerste naar de tweede pijler, waarbij er tegelijkertijd geen sprake meer is van cofinanciering. Daar moet zeer terughoudend mee worden omgegaan, want het gaat ten koste van de primaire middelen voor de boeren en voor je het weet wordt het een trucje voor landen om hun eigen begroting op te plussen. Het risico is ook dat het voor ons straks – wij weten niet wie er komt te zitten – een soort legitimatie wordt om niet te veel te doen omdat het niet nodig is om te cofinancieren.

Ik heb nog een punt met betrekking tot de zeugen. Ik vind dat sommige mensen hier wel heel gemakkelijk redeneren. Alsof met Haagse besluiten – mevrouw Snijder-Hazelhoff zei dat in haar betoog al – een ondernemer die al een investering in stallen heeft gedaan onmiddellijk in een systeem komt te zitten en het management meteen kan aanpassen op een wijze waarop diervriendelijkheid op de meest optimale manier gewaarborgd is. Zo simpel is dat niet altijd. Groepshuisvesting is, zo blijkt, voor een deel van de ondernemers een zoektocht. Ik heb niet gepleit voor het opschorten van de verplichting tot sint-juttemis. Ik vind dat met de sector, met betrokken ondernemers, moet worden bezien of een overgangstermijn mogelijk is. Dat doen wij bij meer zaken. Ik stel dit voor met het oog op dierenwelzijn.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik ben blij dat de staatssecretaris ook van mening is dat de vergroeningsmaatregelen veel beter moeten worden geconcretiseerd. Wat ons betreft gaat het om de inspanning en niet om de vraag of je wel of niet als agrariër te boek staat. Een boomkweker of een natuurorganisatie kan zich ook houden aan gifvrije zones en dat soort dingen. Het gaat om wat de biodiversiteit er uiteindelijk mee wint.

Er is heel veel gedoe met de regeling voor schaapskuddes. Ik ben blij met de inspanningen van de staatssecretaris. Het lijkt mij verstandig om bij de begroting met een structurele financiële regeling te komen in plaats van dit eenmalig te doen. Dan moeten wij dat maar «de regeling van Bleker» noemen, zodat hij toch nog een beetje wordt beloond voor al zijn inspanningen. Wat vindt de staatssecretaris van het idee van structurele financiering?

Het is mooi dat er een brief komt over het Eems-Dollardgebied. Dat zal allemaal wel. Wat er echter echt moet komen, is een integraal plan voor dit gebied. Dit speelt al heel lang. Ik wacht de brief af, maar ik denk dat ik daar toch een motie over ga indienen, met het verzoek om tot een integraal managementplan te komen waarin het evenwicht tussen bereikbaarheid, veiligheid, natuur en leefbaarheid wordt vastgelegd. Ik ben er klaar mee dat het allemaal op de lange baan wordt geschoven.

De heer Van Gerven (SP): Voorzitter. Er zijn nog twee punten blijven liggen waarop de staatssecretaris nog niet is ingegaan. Die zal ik opnieuw noemen. Het eerste betreft de voedselspeculatie en het weren van speculanten. Ik heb de staatssecretaris gevraagd wat hij daaraan gaat doen. Het tweede punt betreft de prijsschommelingen en de inkomensklappen bij boeren. De principiële vraag die ik stelde was of een zekere regulering van die prijsschommelingen niet veel beter is dan de subsidiekraan van het GLB. Is de staatssecretaris bereid om daar nog eens een bespiegeling aan te wijden, met name aan de vraag hoe wij de marktmacht van de boeren versterken zodat zij een eerlijke prijs krijgen voor hun producten en dus die subsidies niet nodig zijn? Dat is immers beter dan de subsidiekraan in stand laten. Die is geen goede oplossing, maar een residu uit de vorige eeuw.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik ga ervan uit dat er geen overheveling van middelen plaatsvindt van de eerste naar de tweede pijler. De 7% ecologisch focusgebied is van de baan. Ik hoop dat er geen lager percentage voor in de plaats komt.

Ik dank de staatssecretaris voor de reactie op mijn opmerking over de suikervoorraden. Hij zei dat er na de oogst weer voorraden zullen zijn en dat hij in de herfst zal kijken hoe het ervoor staat. Ik vraag hem om dat mee te nemen in het verslag van een van de Landbouwraden.

Ik ga nog even in op de zeugen en de groepshuisvesting. Het is voor ons duidelijk: dit is de afspraak. Het is ook de afspraak. Het gaat mij ook helemaal niet om degenen die de kantjes eraf lopen. Het gaat om een aantal zaken. De staatssecretaris zegt dat er geen respijt is voor zeugenhouders die niet aan de eisen voldoen omdat het voorzienbaar was. Een groot deel van de zeugenhouders heeft het ook voorzien. Er is echter een aantal knelgevallen dat geen vergunning op basis van de Wet milieubeheer krijgt en daardoor geen bouwvergunning krijgt. Voor die gevallen zijn wij als overheden wel verantwoordelijk. De ondernemers staan voor het blok. Ik roep de staatssecretaris op om die knelgevallen te inventariseren en om, in samenspraak met de gemeenten c.q. provincies, te bezien wat er aan de problemen te doen is. Volgens mij staan de provincies namelijk mede aan de lat voor de vergunningen op grond van de Wet milieubeheer. Het gaat ons echt niet om mensen die er de kantjes ervan aflopen, zeker niet. Het gaat specifiek om knelgevallen met name op het gebied van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Ik heb namelijk begrepen dat het daarop vastzit. Ik roep de staatssecretaris op om die knelgevallen op korte termijn te inventariseren. Ik vind dat de overheid daar medeverantwoordelijk voor is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Gisterenavond hebben wij het debat over de Crisis- en herstelwet gehad. Daarin heb ik de verzamelde werken van de heer Koopmans gememoreerd. Dat heeft mij een uur gekost. Hij is daar erg trots op, ik ben er niet echt blij mee. Ik wil de staatssecretaris meegeven dat de lijst lang genoeg is. Ik vraag hem om vast te houden aan zijn eigen voornemen om de deadline van 1 januari 2013 te handhaven voor de groepshuisvesting. Ik memoreer ook wat iets langer dan twee jaar geleden is gebeurd. Wij zouden in Nederland eigenlijk het Varkensbesluit al op 1 januari 2011 in werking laten treden. De toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Visserij, de voorganger van deze staatssecretaris, heeft toen, demissionair als zij was, besloten om dat niet te doen. Het is dus meer dan voorzienbaar geweest, zo geef ik de staatssecretaris ter ondersteuning van zijn eigen besluit mee. Laten wij het zo houden. De verzamelde werken van de heer Koopmans zijn lang en droevig genoeg.

De heer Koopmans (CDA): Indrukwekkend.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ze zijn wel indrukwekkend, maar niet per se in positieve zin.

De PvdD is teleurgesteld over het loslaten van de verplichte 7% ecologische focusgebieden. Ik zie dat een ruime meerderheid van de Kamer dat niet wil. Ik blijf zeggen dat het echt heel jammer is.

Het is een beetje droevig dat de staatssecretaris zegt dat hij niets kan tegen de overbevissing. Kan hij dan niet met zijn collega in Australië bellen om hem te melden dat er een schip zijn kant op vaart en met hem bespreken wat zij samen kunnen doen om ervoor te zorgen dat het Europese en ook het Australische visserijbeleid gezonder wordt?

Tot slot wil ik stilstaan bij het feit dat de EU-adviseur van deze commissie, Hidde Jan Buning, voor het laatst aanwezig is bij een overleg van deze commissie. Hij gaat ons helaas verlaten. Wij gaan hem ontzettend missen. Misschien neem ik de voorzitter woorden uit de mond omdat hij dat had willen zeggen, maar ik wilde dat toch ook zeker persoonlijk even doen.

De voorzitter: De ondersteuning is uw bezit, dus ik vind het wel leuk dat de leden dat zelf doen. Zeer bedankt voor die woorden. Ik zie dat iedereen zich erbij aansluit.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb nog een opmerking naar aanleiding van het betoog van mevrouw Ouwehand over de vergroeningstaak, die 7%. Ik wil dat toch even nuanceren. Er is volgens mij wel een meerderheid in de Kamer die dit steunt, maar die wil daar meer flexibiliteit in. Ik doel dan wel op de vermoedelijke samenstelling van de Kamer na 12 september, want nu hangt er een beetje om. Met de oude gedoogconstructie valt het kwartje misschien nog net de verkeerde kant uit. Na 12 september zal volgens mij de groene zon echter toch wat feller schijnen. Dit was geen vraag, maar een opmerking.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het lijkt me een warme nuancering van de huidige Kamerverhoudingen. Wellicht kan de staatssecretaris die inbrengen in de discussies door te zeggen dat er na 12 september waarschijnlijk wel steun is voor die 7% en dat daar dus rekening mee moet worden gehouden.

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. In Europa heeft de Nederlandse regering een uitzonderlijk groen imago. Voor mij persoonlijk schijnt vandaag de groene zon heel duidelijk en overtuigend nu ik door een representatief deel van de Nederlandse bevolking op basis van een enquête van Natuur & Milieu tot een van de top vijf van groenste politici ben uitverkoren. Kan het nog groener? Ik kan mij niet voorstellen dat het na 12 september nog groener kan!

De heer Koopmans (CDA): Wat was dan de precieze plek?

Staatssecretaris Bleker: Het was plaats vijf.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Waar staat de heer Koopmans? Is dat ook bekend?

Staatssecretaris Bleker: Die heb ik niet op die lijst aangetroffen, maar ik geloof niet dat hij dat erg vindt.

De heer Koopmans (CDA): Precies, daar ben ik dan weer trots op.

Staatssecretaris Bleker: Ik wil nog tegen de heer Grashoff, die het eerste deel van deze vergadering helaas niet kon bijwonen, zeggen dat zijn opmerkingen heel duidelijk sporen met de inzet van de regering. Op onderdelen zijn er verschillen in de Kamer, maar de algemene inzet van Nederland ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft brede steun in de Kamer. Laten wij daar duidelijk over zijn. De heer Van Gerven heeft liever dat wij geen gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben, of in elk geval daar veel minder budget voor hebben. Als dat budget er wel is, zijn wij het redelijk eens over de richting waarin wij daarmee uit willen. Ook met de natuur- en milieuorganisaties en de landbouworganisaties hebben wij de hoofdlijnen gezamenlijk te pakken.

De heer Grashoff vroeg wat een extreme crisis is. Het gaat daarbij om een crisis die is veroorzaakt door exogene factoren, zoals in het geval van de EHEC. Toen hadden wij er baat bij gehad als wij mogelijkheden hadden gehad om op dat moment collectieve afspraken te maken over het verminderen van het volume dat wij op de markt zouden brengen om daarmee de prijsval te dempen. Dat was een verstandige zet geweest. Dat kon niet en dat kan niet. Wij hebben voorgesteld om in de nieuwe voorstellen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid op te nemen dat in dit soort gevallen op Europees niveau volumemaatregelen kunnen worden toegestaan. Dat is iets anders dan het een regulier marktordeningsinstrument maken. Als de prijs erg daalt door overproductie – dus niet door exogene factoren, maar doordat de producenten structureel te veel produceren – vind ik niet dat daar belastinggeld van Europa in moet worden gestopt. Dan moet de markt werken en moet herstructurering ontstaan. Waar wij spreken over extreme crises, doelen wij op crises die zijn ontstaan door exogene factoren.

De heer Grashoff (GroenLinks): Dat is nu juist waar ik op inhaakte, juist gezien de formulering die de staatssecretaris zelf kiest in zijn brief. Het gaat niet om het stoppen van belastinggeld van Europa daarin, maar om het creëren van mogelijkheden om producentenorganisaties dat zelf onderling te laten reguleren. De redenering van de staatssecretaris geldt zowel voor kwesties als de EHEC-crisis, waar hij helemaal gelijk in heeft, als voor gevallen waarin er sprake is van ontwikkelingen in de sector zelf. Het kan voor elk individueel bedrijf wel een logische keuze zijn om meer te gaan produceren, maar voor het collectief is het hartstikke slecht.

Staatssecretaris Bleker: Daarmee komt de heer Grashoff direct op het punt terecht waar het om gaat. Wij vinden het wenselijk dat in het geval van een extreme crisis, door exogene factoren bepaald, er mogelijkheden zijn om volumeafspraken te maken tussen de producentenorganisaties. Met dat voorstel komen wij in een spanningsvolle verhouding met de mededingingswetgeving. Als wij dat in reguliere situaties zouden accepteren, komen wij niet op gespannen voet met de mededingingswetgeving: dan plegen wij er een inbreuk op. Wij stellen voor om in uitzonderlijke gevallen een tijdelijke inbreuk op de mededingingsbepaling te accepteren, omdat die te rechtvaardigen is vanuit het exogene karakter van de marktverstoring. Dat kan een gezondheidscrisis zijn, een plantkundige ziekte of wat dan ook.

De heer Van Gerven vroeg waarom wij in Europa niet meer dan 40 mld. per jaar besparen door de subsidies af te schaffen in ruil voor een vaste redelijke prijs die boeren voor hun producten krijgen. Dat doen wij ten eerste niet omdat een systeem van gegarandeerde prijzen verschillende nadelen kent. De heer Van Gerven kent die ook. Hoge kosten van interventie, exportrestituties en andere prijsondersteunende maatregelen zijn dan aan de orde. Verstoring van markten in ontwikkelingslanden kan aan de orde zijn, net als invoering van kostprijsverhogende quota. Dat kunnen elementen zijn van het systeem waar de heer Van Gerven op doelt.

De heer Van Gerven gaat uit van de premisse dat een dergelijk systeem goedkoper is. Dat hoeft helemaal niet het geval te zijn. De uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn de laatste twintig jaar min of meer constant gebleven ondanks een veel groter aantal lidstaten met veel meer boeren en met een omslag van markt- en prijsbeleid naar inkomenssteun. Het argument dat hij gebruikt, namelijk dat het goedkoper is, is dus niet voldoende valide. Ook prijsordening, marktordening, kost geld omdat je in bepaalde gevallen moet interveniëren, moet opkopen, voorraden moet aanleggen, enzovoorts. Daarnaast heeft het een aantal andere nadelen. Bovendien is het Europese budget de afgelopen twintig jaar dus niet explosief gestegen. Het budget voor kinderopvang in Nederland is veel meer gestegen dan het budget voor voedselproductie in Europa, procentueel.

De heer Van Gerven (SP): Ik heb twee vragen naar aanleiding van dit betoog, die ook aansluiten op de discussie tussen de staatssecretaris en de heer Grashoff. De staatssecretaris zegt dat in het kader van de mededinging een aantal dingen niet kan. Zou het indirecte systeem niet gewoon kunnen? Naar mening van de SP kan dat zeer wel als dat in Europees verband wordt afgesproken. Stel nu eens dat er geen subsidie meer zou zijn. Als exercitie voor het debat neem ik de 40 mld. Als er geen subsidie zou zijn, krijgt een boer bijvoorbeeld € 30 000 minder inkomenssteun. Dat geldt voor de Nederlandse boer, maar ook voor andere boeren. Dat zou kunnen betekenen dat de kostprijs dan hoger wordt. Dat is toch een veel eerlijker en reëler systeem? De bakker om de hoek krijgt toch ook geen € 30 000 subsidie om zijn beroep uit te oefenen?

Staatssecretaris Bleker: Volgens mij gaan wij nu naar het extreme liberalisme toe, van de zijde van de SP. Eerst moest de subsidie moest worden vervangen door een systeem waarin eerlijke prijzen worden vastgesteld. Dat zijn elementen die wij in het verleden hadden, met interventies enzovoorts. Daarvan stapt de heer Van Gerven nu kennelijk af. Nu wil hij naar een volledige afschaffing van dat budget van 40 mld. Wij kunnen op zich wel een schets maken van wat dat betekent, bijvoorbeeld in Roemenië en Polen. De grote boeren zullen het wel redden. De heer Van Gerven zou zich echter kunnen afvragen wat het betekent voor het miljoen kleine boeren in Roemenië. Heeft hij zich ook een voorstelling gemaakt van de effecten hiervan voor deze groep? Heeft hij nagedacht over de kansen dat in landen als Roemenië door het Europees beleid zoals wij dat nu kennen ook de voedselproductie omhoog wordt gebracht, wat noodzakelijk is doordat wij naar 9 mld. gaan?

De redenering van de SP is kennelijk: er zijn in Nederland een paar heel grote boeren die heel veel geld vangen van het Europese landbouwbudget van 40 mld., dat bevalt mij niet dus laten wij ermee stoppen. Wij hebben hier ongeveer 80 000 boeren en in Europa ongeveer 3 miljoen. Daar zijn een heleboel boeren bij, onder andere in vroegere socialistische landen, die nu eindelijk, ook met Europese steun en inkomenssteun, een beetje tegen de grillen van de markt opkunnen en hun productie kunnen opvoeren: van 2 hectare naar 6 hectare, van 6 koeien naar 15 koeien. Dat zijn allemaal dingen die ook gebeuren met die 40 mld. Ik vind het niet passen bij een solidaire benadering, ook in Europees verband, om nu wij hier de buit binnen hebben het loket te sluiten en de rest van Europa, die nieuwe lidstaten, niet meer in aanmerking te laten komen voor het moderne Europese landbouwbeleid. Dat is niet reëel.

De voorzitter: Kort, mijnheer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP): De SP heeft niet gepleit voor prijsregulering, een prijsmaatregel. Wij pleiten voor het creëren van omstandigheden waarin een fatsoenlijke prijs tot stand komt. Wij noemen het element van de dierrechten. Er ontspint zich hier toch een interessante discussie. Eigenlijk constateert de staatssecretaris dat de Nederlandse boer de subsidie niet nodig heeft. Ik denk dat dit juist is.

De voorzitter: U moet echte even een vraag stellen, mijnheer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP): De staatssecretaris werpt die discussie op. Hij zegt dat hij het eigenlijk vooral doet voor de Oost-Europese of de Griekse boeren. Ik denk dat dit niet nodig is. Ik denk dat wij een goede en eerlijke markt moeten zien te creëren. Dat moet vooropstaan.

Staatssecretaris Bleker: Dit zijn inderdaad statements. Ik vind het een heel harde benadering die ik, als ik niet naar de heer Van Gerven zou hebben gekeken, niet eens in de rechterflank van de Nederlandse politiek hoor. Zo snoei- en snoeihard is die benadering. Wij moeten het daar maar eens over hebben in een debat, als het over verkiezingen gaat.

Wij willen inderdaad de marktmacht van boeren vergroten. Wij zijn bezig met plannen daarvoor, samen met de Europese Commissie en de Raad van landbouwministers.

Ik ga echt niet bellen met mijn Australische collega met de mededeling dat er wel eens een schip in zijn richting kan komen dat dingen doet die wij niet zo nuttig vinden in Nederland. Dat doe ik gewoon niet, zo zeg ik in antwoord op een vraag van mevrouw Ouwehand.

Er was een opmerking over de G20. Er is afgesproken dat wij verder werken aan transparantie van de marktinformatie met betrekking tot voedselprijzen. Dat wordt internationaal gezien als een eerste stap die kan worden gezet om zicht te krijgen op de ontwikkelingen van de voedselprijzen, grondstofprijzen en mogelijke institutionele speculatie die in dat verband aan de orde is. Als mij wordt gevraagd of ik een bevredigend gevoel heb bij de vraag of wij dat al voldoende in de vingers hebben, zeg ik: nog niet. Wij hebben eerste stappen gezet met de marktinformatie en transparantie. Later zal moeten blijken hoe zich dat ontwikkelt.

Er wordt hard gewerkt aan het Eems-Dollardgebied, ik meen onder leiding van de gedeputeerde van GroenLinks van de provincie Groningen. Het plan zal in de zomer van 2013 zijn afgerond.

Volgens mij heb ik hiermee alle punten gehad.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb gevraagd of de staatssecretaris de knelgevallen nog eens zou willen inventariseren, de bedrijven die vastzitten door verlening van de vergunning op basis van de Wet milieubeheer.

Staatssecretaris Bleker: Ik heb over de zeugenhouderij en de deadline van 1 januari 2013 gezegd wat ik wilde zeggen. Ik voel niet voor een begin van een soort uitzonderingsregeling. Ik ben bereid tot overleg. Als men met die knelgevallen komt, zie ik dat. Ik wacht af wat er vanuit de sector komt.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Dat heb ik niet gevraagd in mijn tweede termijn. Ik heb gezegd dat ik ook besef dat 1 januari 2013 de deadline is. Ik heb de staatssecretaris gevraagd om de knelgevallen nog eens in beeld te brengen. Hij zou de sector kunnen vragen om knelgevallen rond de vergunning op grond van de Wet milieubeheer te melden. Ik vind dat wij daar ook een verantwoordelijkheid hebben. Als hij bereid is om dat te doen, ben ik daar content mee. Dan ga ik ervan uit dat dit wordt opgepakt.

De heer Koopmans (CDA): Ik ook. Ik begrijp de grondhouding, maar ik zie ook de kleine openhouding voor het geval er iets komt van de sector. Ik suggereerde net dat er morgennacht om een uur of vier, of nog later, een VAO zou plaatsvinden. Die suggestie zal ik niet meer wekken.

De voorzitter: Zijn er nog andere leden die dat zouden willen suggereren?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik neem aan dat de staatssecretaris nog reageert op deze vragen van het CDA en de VVD. Afhankelijk daarvan besluit ik of ik een VAO wil.

Staatssecretaris Bleker: Het is heel eenvoudig. Ik zal zelf geen initiatief nemen om knelgevallen in beeld te brengen. Als de sector bij mij komt met knelgevallen zoals bedoeld door mevrouw Snijder en de heer Koopmans, laat ik mij daarover informeren en ga ik daarover een gesprek met de sector aan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wordt de Kamer dan op de hoogte gesteld van de uitkomst daarvan, zodat zij eventueel kan bijsturen als dat nodig is?

Staatssecretaris Bleker: Absoluut.

De voorzitter: Ik stel vast dat er geen VAO wordt aangevraagd, want de staatssecretaris is hiermee iedereen tegemoet gekomen.

Ik dank de staatssecretaris en zijn ondersteuning, de Kamerleden en de belangstellenden op de publieke tribune voor hun aanwezigheid.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik ben nog iets vergeten!

De voorzitter: Wat dan?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Ik heb net even gekeken. Volgens mij ben ik het langstzittende lid van deze commissie. Ik neem ook afscheid, net als u voorzitter. Het leek mij goed om u namens de woordvoerders van deze vaste Kamercommissie te bedanken. Er zijn nog enige overleggen van deze commissie, maar daarvan zit de heer Koopmans er een voor en ik een. Dit is voor de landbouwwoordvoerders uw laatste algemeen overleg. Ik wil u namens deze club woordvoerders danken voor de twee jaar dat u onze voorzitter was en dat u de commissie in goede banen hebt geleid.

(geroffel op de bankjes)

De voorzitter: Zeer bedankt. Ik vond het erg leuk om na acht jaar woordvoerder landbouw te zijn geweest nu eens de stal zelf voor te zitten. Zeer bedankt. Wij zien elkaar ongetwijfeld de komende maanden nog wel, ook de andere leden die afscheid nemen. Ik dank iedereen voor de collegialiteit. Daarmee sluit ik deze vergadering.

Naar boven