Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-30 nr. 405

21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 405 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 9 juni 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken, de vaste commissie voor Europese Zaken en de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben op 23 mei 2017 overleg gevoerd met de heer Kamp, Minister van Economische Zaken, over:

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 17 mei 2017 inzake de geannoteerde agenda van de Raad voor Concurrentievermogen van 29 en 30 mei 2017 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 399);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 26 april 2017 inzake het verslag van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 6 april 2017 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 397);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 18 mei 2017 inzake het verslag van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 3 mei 2017 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 400);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 februari 2017 inzake het fiche: Verordening en richtlijn Europese e-kaart voor diensten (Kamerstuk 22 112, nr. 2316);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 februari 2017 inzake het fiche: Richtlijn handhaving notificatieverplichting onder de dienstenrichtlijn (Kamerstuk 22 112, nr. 2314);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 februari 2017 inzake het fiche: Richtlijn proportionaliteitstoets gereglementeerde beroepen (Kamerstuk 22 112, nr. 2315);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 24 februari 2017 inzake het fiche: Mededeling hervormingsaanbevelingen gereglementeerde beroepen (Kamerstuk 22 112, nr. 2313);

  • het voorstel van de Europese Commissie d.d. 5 april 2017 inzake EU-voorstel: Richtlijn bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten COM (2017) 142;

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 april 2017 inzake het fiche: Verordening Europese bedrijfsstatistieken (Kamerstuk 22 112, nr. 2335);

  • de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 26 april 2017 inzake het fiche: Richtlijn versterken bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten (Kamerstuk 22 112, nr. 2339);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 9 mei 2017 inzake de voortgang dienstenpakket (Kamerstuk 22 112, nr. 2343);

  • de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 19 mei 2017 inzake kabinetsappreciatie: mid-term review Digitale Interne Markt Strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 2346).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Ziengs

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Azmani

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Tellegen

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Nava

Voorzitter: Ziengs

Griffier: Konings

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Van den Berg-Jansen, Hijink, Van der Lee, Paternotte, Weverling en Ziengs,

en de heer Kamp, Minister van Economische Zaken.

Aanvang 16.02 uur.

De voorzitter:

Hartelijk welkom. Ik heet de mensen op de publieke tribune van harte welkom, evenals de Minister en zijn gevolg en de Kamerleden. Er zijn wat dingen veranderd in de zaal, zoals u allemaal ziet. Dit is een proefopstelling. Ik heb begrepen dat deze na twee maanden geëvalueerd zal worden. Het is een experiment. De bedoeling is om een meer duale manier van vergaderen te realiseren. Het belangrijkste deel van deze proef is dat de leden en de Minister hun inbreng staand achter een katheder doen. Bij nieuwe vormen van gezondheid hoort ook dat je meer staat, zo heb ik weleens begrepen. Kennelijk is dit daar een onderdeel van. De bedoeling is dat de inbreng gedaan wordt vanachter de katheder. De microfoon kunt u daar zelf aan- en uitzetten. Als er een interruptie gepleegd wordt, verzoek ik u om de microfoon uit te zetten. Ik moet het aan- en uitzetten van de microfoon van hieruit gaan aansturen, maar die techniek werkt nog niet helemaal, dus dat mag u zelf doen. Hetzelfde geldt voor de beantwoording door de Minister. Ook aan hem vraag ik om bij een interruptie de microfoon uit te zetten – ik hoop dat hij genegen is om dat te doen – en daarna, bij de beantwoording, weer aan te zetten. Het zal zich vanzelf wel wijzen. Er is al mee getest; volgens mij zijn wij de tweede in rij die gebruikmaken van deze zaal. Er wordt geknikt, dus deze informatie zal kloppen.

Staatssecretaris Dekker van OCW heeft zich voor dit AO afgemeld. De Minister heeft aangegeven ook de vragen op het terrein van OCW te zullen beantwoorden. Verder kan ik melden dat er een vooraankondiging van een VAO is gedaan, inclusief stemmingen.

De spreektijd is vijf minuten per persoon. We houden als vanouds twee interrupties per persoon aan.

De heer Weverling (VVD):

Voorzitter. Volgende week, tijdens de Raad Concurrentievermogen, staan er diverse onderwerpen op het programma. De VVD heeft een aantal vragen naar aanleiding van de geannoteerde agenda, met name over de typegoedkeuring van motorvoertuigen. Dat is een belangrijk agendapunt, omdat hiermee een belangrijke stap moet worden gezet om fraude zoals dieselfraude in de toekomst te voorkomen. Belangrijk is dat de verordening geen ruimte meer biedt voor shopgedrag in testprocedures en interpretaties. Kan de Minister aangeven in hoeverre dit met deze verordening wordt voorkomen? Hoe is het krachtenveld in de Raad, gelet op de bijvoorbeeld door Duitsland geuite bezwaren? Kan worden aangegeven op welke punten de algemene oriëntatie mogelijk niet haalbaar is, op welke punten het voorstel al is aangepast en wat dat betekent voor de Nederlandse inzet? Hoe staat het met de aanpassing van de nieuwe Euro 5/Euro 6-verordening, inclusief de RDE-test, de «real driving emissions»-test? Voor de VVD geldt dat een pakket alleen effectief kan zijn als de wet- en regelgeving helder is, de RDE-test is ingevoerd en nationale toezichthouders voldoende mogelijkheden hebben om op te treden als willens en wetens wordt gesjoemeld of de lacunes in de wetgeving actief worden verhuld. In hoeverre zijn in de voorliggende verordening eisen voor accreditatie opgenomen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van technische diensten te borgen? Of wordt er verder voorgesorteerd op een nationale vergoedingsstructuur? In hoeverre is er steun voor de Nederlandse inzet met betrekking tot de consequenties voor de EU-begroting?

Daarnaast hebben wij van onder andere de ANWB zorgen vernomen over de consumentenbelangen, die in deze oriëntatie mogelijk op de tocht komen te staan. Dan hebben we het over de «on-board diagnostics»-poort in elke auto op de Europese markt. Klopt het dat de verordening ervoor zorgt dat de consument en het retailkanaal straks mogelijk geen toegang hebben tot deze OBD-poort? Zo ja, is de Minister dan bereid om het behoud hiervan te bepleiten in de Raad?

Ik ga nog in op twee andere onderwerpen waar de VVD wat kritisch over is. Ik begin met het fiche over de verordening en richtlijn voor de Europese e-kaart voor diensten. De Commissie wil deze dienst introduceren om het ondernemers makkelijker te maken activiteiten te starten in andere lidstaten. De VVD-fractie is echter bang dat dit enorm veel uitvoeringslasten met zich mee zal brengen. Gelukkig benadrukt ook het kabinet dat er nadelen aan zitten. In het voorstel worden de regelgevende barrières bijvoorbeeld niet aangepakt. Ook ontstaat er geen wederzijdse erkenning van elkaars wet- en regelgeving. Net als het kabinet zijn wij van mening dat wij het Nederlandse ondernemers in het buitenland makkelijker moeten maken, maar dan wel op een effectieve manier. Ondernemers zijn nu eenmaal niet gebaat bij te veel regels. Ik heb twee vragen aan de Minister. Ten eerste: is hij bereid om, bij voorkeur voor de zomer, in gesprek te gaan met verschillende ondernemers uit diverse sectoren om van henzelf te horen welke knelpunten in de praktijk worden ervaren bij zakendoen in het buitenland, binnen Europa? Ten tweede: lidstaten moeten een nationale autoriteit aanwijzen die de e-kaart dient af te geven. Welke instantie moet dit in Nederland gaan coördineren? Wordt gedacht aan een bestaande instantie, of gaan we weer een heel nieuw instituut optuigen?

Een ander fiche gaat over de richtlijn voor de versterking van bevoegdheden van nationale mededingingsautoriteiten. Volgens de Commissie is er nog veel onbenut potentieel in de handhaving van het mededingingsrecht door nationale mededingingsautoriteiten. Dit komt volgens de Commissie doordat veel nationale mededingingsautoriteiten nog niet de bevoegdheden hebben die zij voor een doeltreffende handhaving nodig hebben. Het richtlijnvoorstel heeft dan ook als doel de nationale lidstaten te dwingen hun mededingingsautoriteiten minimaal die bevoegdheden te geven. De VVD is er natuurlijk voor dat de EU-lidstaten goed functionerende en onafhankelijke mededingingsautoriteiten hebben; dat is ook goed voor het bedrijfsleven, de interne markt en uiteraard een gelijk speelveld. Het is op zich dan ook logisch dat je een aantal minimumeisen vastlegt, maar de vraag is welke eisen dat dan moeten zijn. Het is onwenselijk dat de richtlijn of het fiche ertoe zou leiden dat de bevoegdheden van de ACM meer of minder worden omdat Brussel dat nu eenmaal voor ogen heeft.

De voorzitter:

Wilt u afronden?

De heer Weverling (VVD):

De VVD wil daarom eerst een volledig, duidelijk en vergelijkend overzicht van de huidige bevoegdheden van de ACM en de bevoegdheden op basis van de richtlijn, zodat de verschillen klip-en-klaar zijn en we weten waar we aan toe zijn. Is de Minister bereid om dit overzicht op te stellen? We willen dat er tot die tijd geen onomkeerbare stappen worden gezet.

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Voorzitter. Er staan verschillende punten op de agenda. Ik begin met het fiche over de verordening en richtlijn Europese e-kaart voor diensten. Het idee als concept is mooi. Ook het CDA is voorstander van een goed werkende markt. Echter, het CDA is niet positief gestemd over de uitwerking van dit idee. Kan de Minister aangeven of hij het met het CDA eens is dat door grensoverschrijdend verkeer de arbeidsmarkt in verschillende sectoren al onder druk staat door illegale dan wel legale constructies met ongewenste effecten en dat deze verordening en richtlijn dit verder kunnen vergroten?

Het CDA heeft ook zorgen over eventueel misbruik en onvoldoende handhaving, want wetten zonder werking zijn ons inziens waardeloos. Vreest de Minister niet dat Nederlandse bedrijven en dienstverrichters zaken moeten gaan accepteren door bijvoorbeeld Bulgaarse voorwaarden, zonder te kunnen controleren of de informatie überhaupt klopt? Moet Nederland niet leren van de fraude en het oneigenlijk gebruik van het A1-formulier in de sociale zekerheid? Hoe staat de Minister tegenover de bezwaren van de sectoren bouw, schoonmaak en verzekeringen tegen het voorstel voor een dienstenpaspoort? Zij vinden dat onverstandig. Hebben zij niet een punt als zij zeggen dat, juist nu er gewerkt wordt aan de aanpassing van de Detacheringsrichtlijn om misbruik te voorkomen, het huidige voorstel de achterdeur mogelijk weer openzet voor misbruik? Waarom is in het fiche niets terug te vinden van de bezwaren van deze sectoren, zeker omdat in het fiche wordt aangegeven dat de bouwsector hiervan zou moeten profiteren? Hoe kijkt de Minister aan tegen de kritische punten van VNO-NCW en MKB-Nederland, die aangeven dat echte barrières niet worden geslecht, dat bewezen is dat de handhaving geen sterk punt is in Europa en dat de uitvoering veel te wensen overlaat en nog veel vragen oproept? Zij willen bijvoorbeeld voorkomen dat een kaart zonder controle voor onbepaalde tijd wordt uitgegeven. Kan de Minister daarop reflecteren? Voor het CDA is ook onduidelijk wat nu precies onder de verordening valt en wat onder de richtlijn. Daarover krijgt mijn fractie graag meer duidelijkheid.

Verder hebben wij begrepen dat de Oostenrijkse Bundesrat en de Duitse Bondsdag een subsidiariteitsbezwaar hebben ingediend. Kan de Minister aangeven op welke gronden zij dit hebben gedaan en waarom Nederland de subsidiariteit juist positief beoordeelt?

Tot slot. Wij begrijpen dat de Minister samen met negen andere lidstaten in november 2016 een brief heeft geschreven aan Commissievoorzitter Juncker, om meer actie te ondernemen. Klopt dat bericht? Zo ja, kan de Minister de inhoud van de brief met ons delen? We hebben dus veel zorgen over deze richtlijn, met name over de besluitvorming. Hoe wil de Minister de Kamer verder bij de besluitvorming betrekken?

Dan kom ik op het fiche Richtlijn versterken bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten. Het CDA vindt het verstandig dat het kabinet kritisch is op het onderdeel harmonisatie van de regels. Kan de Minister aangeven in hoeverre het kabinet ruimte houdt om eigen beleidskeuzes te maken? Kan de Minister nog steeds beleidsregels afgeven, bijvoorbeeld aan de ACM? Als die ruimte wordt beperkt, op welke manier gaat de Minister zich er dan voor inzetten dat lidstaten wel voldoende ruimte houden? Kan de Minister ook aangeven of de huidige bevoegdheden van de ACM worden beperkt? Zo ja, wat gaat de Minister doen om dit aangepast te krijgen?

Ik kom op de geannoteerde agenda, te beginnen met de typegoedkeuring van motorvoertuigen. Het CDA heeft begrepen dat het Commissievoorstel door de onderhandelingen wat is verwaterd. Kan de Minister aangeven of de aspecten die Nederland belangrijk vindt, evengoed voldoende zijn geborgd? Is het nu voorliggende compromisvoorstel naar de inschatting van de Minister voldoende om een nieuwe dieselgate te voorkomen, of om tenminste tijdig inzicht te verkrijgen als een dergelijke situatie zich weer voordoet?

Ik kom op de Richtlijn proportionaliteitstoets gereglementeerde beroepen. Het CDA begrijpt dat Nederland in het Coreper (Comité des Représentants Permanents) al heeft ingestemd met de algemene oriëntatie. Kan de Minister aangeven of dit klopt? Op welke manier is de Tweede Kamer hier dan bij betrokken? Volgens ons is dit namelijk de eerste keer dat we erover spreken.

De voorzitter:

Wilt u afronden?

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Het CDA vraagt zich af of de inhoudelijke gevolgen voor Nederland beperkt zijn. Verder vragen we de Minister hoe hij zich ervoor gaat inzetten dat er geen nieuwe controleorganen in Nederland worden ingesteld. Gaat het lukken om dat te bereiken?

De heer Hijink (SP):

Voorzitter. De aanpassingen aan de Dienstenrichtlijn, die deze week besproken worden, lijken vooral bedoeld om tot verdere liberalisering te komen. We kennen de gevolgen daarvan: meer concurrentie, zoals in het transport en in de bouw, en minder bescherming en loon voor mensen die hard werken. Dreigt dit straks ook te gebeuren bij beroepen waar lidstaten nu nog speciale eisen aan kunnen stellen? Hoe kijkt de Minister naar de bezwaren van de Duitse Bondsdag tegen het voorstel voor toelating tot gereglementeerde beroepen? De Duitsers stellen dat je wel eisen kunt stellen aan de onderlinge erkenning van beroepen, maar dat de EU niet vooraf bevoegd is om nationale regels op dit punt te beoordelen. Is de Minister het met deze kritiek eens?

Wat gebeurt er als Nederland beslist om een bepaald beroep te erkennen als gereglementeerd beroep, bijvoorbeeld omdat wij het belangrijk vinden dat deze beroepen aan wettelijke kwaliteitseisen moeten voldoen? Kan Nederland bijvoorbeeld straks nog taaleisen stellen bij de toelating van dienstverleners uit andere lidstaten? Welke mogelijkheden hebben wij om een beroep toch te reglementeren en waarom moet de Europese Commissie zich daarmee bemoeien?

Klopt het dat de toets van de Europese Commissie met name is gericht op de economische effecten en niet op de gevolgen voor de werkgelegenheid? Is het in de discussie over de toelating van mensen met gereglementeerde beroepen niet erg belangrijk om ook naar de kwaliteit en de gevolgen voor de werkgelegenheid te kijken? Je zou toch zeggen dat de kwaliteitseisen aan een notaris in Roemenië niet automatische overeenkomen met de eisen aan een notaris in Nederland.

Precies deze argumenten gelden ook bij de invoering van het Europees dienstenpaspoort. Wie garandeert ons dat de geleverde informatie in een lidstaat genoeg vertelt om diensten te kunnen leveren in een andere lidstaat? Is dit uiteindelijk niet vooral een maatregel om de concurrentiedruk in sectoren verder te verhogen? Geldt ook hierbij niet dat een lidstaat aanvullende eisen moet kunnen stellen, bijvoorbeeld dat iemand de taal moet spreken, om ongelukken en misverstanden te voorkomen?

Hoe reageert de Minister op de brief van de Europese federatie van aannemers en bouwbedrijven, waarin wordt gewaarschuwd voor grensoverschrijdende fraude en het verstoren van inspecties na invoering van het dienstenpaspoort?

Tot slot kom ik op de Europese bedrijfsstatistieken en de rol van het CBS hierin. Kan de Minister uitleggen waarom het slim is om vertrouwelijke gegevens over onze export uit te wisselen met andere landen? Hoe gaat de Minister om met het extra werk dat het Centraal Bureau voor de Statistiek op zijn bordje krijgt, terwijl hij in de afgelopen jaren flink heeft gekort op het CBS? Recentelijk heeft de Minister nog een voorstel over niet meer te verzamelen statistieken naar de Kamer gestuurd. In hoeverre zorgen de nieuwe Europese verplichtingen ervoor dat de data die nu nog worden verzameld, straks niet meer verwerkt of verzameld kunnen worden?

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Voorzitter. GroenLinks juicht het toe dat het voorkomen van een nieuwe dieselgate het eerste agendapunt is in de Raad Concurrentievermogen. De dieselfraude heeft tot heel veel milieu- en onnodige gezondheidsschade geleid. Men schat bijvoorbeeld dat er in 2015 sprake was van 6.800 extra premature doden. Het is dan ook heel terecht dat de Commissie veel maatregelen heeft voorgesteld om herhaling in de toekomst te voorkomen. Is de Minister met mij van mening dat het cruciaal is dat er een onafhankelijk toezicht komt, dat de praktijktesten robuust zijn en dat eventuele toekomstige sancties echt afschrikwekkend zijn?

Bronbeleid is een heel belangrijk sturingsmechanisme in de aanpak van klimaatverandering, voor de verbetering van de luchtkwaliteit en voor de noodzakelijke energietransitie. Nog zo'n debacle kunnen we ons echt niet veroorloven. De kern van het probleem is nog steeds dat lidstaten met een grote auto-industrie ertegen aanhikken om de kosten en de consequenties van stevig toezicht echt te dragen. Eén ding weet ik zeker: de kracht van de lobby van de auto-industrie, overigens net als die van de fossiele industrie, valt niet te onderschatten. Is de Minister ervan overtuigd dat met het huidige pakket aan maatregelen een nieuw dieselgate niet meer kan optreden? Gelooft hij echt dat de lidstaten met een grote auto-industrie te vertrouwen zijn als het gaat om het garanderen van het effectieve toezicht dat hiervoor nodig is? Op welk specifieke punt vreest hij het meest voor een afzwakking van de huidige voorstellen?

In het huidige voorstel staan genoeg maatregelen om te voorkomen dat lidstaten toch een weg vinden om hun eigen auto-industrie te beschermen. Hoe schat de Minister de kansen in voor een hoge boete per voertuig dat straks mogelijk in overtreding is? Wil Nederland zich nog inzetten voor een stevige geharmoniseerde boete? Of leggen we ons neer bij de toch vreemde situatie dat boetes per land en/of toetsingsorgaan gaan verschillen?

In de aangenomen motie-Van Tongeren/Van Veldhoven (21 501-33, nr. 557) wordt aangedrongen op een onderzoek naar het gelijktrekken van de emissie-eisen voor dieselvoertuigen aan die voor benzinevoertuigen. Weet de Minister hoe het hiermee staat? Kan daar vaart mee worden gemaakt?

Een ander agendapunt betreft het industriebeleid. In de Raadsconclusie wordt benadrukt dat het urgent en van kritisch belang is voor de industrie om de grote transformaties aan te pakken, waaronder uiteraard verduurzaming. GroenLinks kan dit alleen maar toejuichen. Zijn er echter al concrete voorstellen op dit punt? Op welke manier kan de EU volgens de Minister het beste deze transformaties versnellen?

Ook Nederland dient de nadruk te leggen op de aanpak van grote maatschappelijke uitdagingen. Financiering voor duurzame innovatie moet daarom veel gemakkelijker beschikbaar zijn. Kan dit ook de Europese inzet van het kabinet op dit onderwerp zijn? Het is toch steeds niet gemakkelijk voor een duurzame mkb'er of start-up om financiering los te krijgen voor duurzame innovaties. Het is hard nodig dat dit soort initiatieven goed wordt ondersteund, zodat de zogenaamde vallei des doods kan worden overbrugd. Bedrijven kunnen snel in deze vallei belanden als zij er niet in slagen investeringskapitaal te vinden om van een kansrijke innovatie een marktsucces te maken. Dit risico is dikwijls nog groter voor duurzame innovaties. Welke mogelijkheden ziet de Minister voor de Europese Unie om deze kloof te helpen overbruggen? Of is dit in de ogen van de Minister meer een nationale taak, voor bijvoorbeeld Invest-NL of een heuse groene investeringsbank in de toekomst?

Ik wil het ook graag hebben over Horizon 2020. In de Nederlandse position paper over Horizon 2020 staat geschreven dat er veel te weinig kans op succes is voor onderzoeksfinanciering, vooral voor kleine en middelgrote bedrijven. Eigenlijk maken alleen maar grote consortia een reële kans. Dit zorgt voor veel frustratie, nutteloze kosten en verspilde tijd. Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot het verbeteren van Horizon 2020? Kan de Kamer echt vooruitgang verwachten op het punt van verbeterde toegang voor het mkb, of is dat ijdele hoop?

Wat de aanpassingen in de Dienstenrichtlijn betreft sluit ik me gemakshalve aan bij de vragen die de collega's al hebben gesteld, met name bij die van de SP-fractie.

Ik wil ook gebruikmaken, of misschien misbruik maken, van de gelegenheid om een actuele vraag te stellen. Gisteren werd bekend dat de Commissie op een aantal punten verbeteringen hoopt te zien in het Nederlandse financieel-economische beleid. Er werd zeer specifiek gewezen op het veel te grote betalingsbalansoverschot van Nederland. Dat is natuurlijk echt een product van ons sterke concurrentievermogen. Feit is wel dat die hoge betalingsbalans door het uitblijven van loonsverhogingen eigenlijk niet gecorrigeerd wordt. Ik ben er toch benieuwd naar hoe de Minister tegen deze kritiek aankijkt. Is hij, net als Klaas Knot, van plan om aan te dringen op meer loonsverhogingen, ook omdat die bijdragen aan een correctie op de hoge betalingsbalans van Nederland?

De heer Paternotte (D66):

Voorzitter. De agenda van deze Raad bestaat uit faits divers. Dat betekent dat ik met 130 km/u door de onderwerpen heen moet. Dan begin ik natuurlijk met diesel. Bijna twee jaar na het uitbreken van dieselgate staat de herziening van de typegoedkeuringsvoorschriften op de agenda van de Raad Concurrentievermogen. Deze herziening moet nieuwe schandalen met sjoemelsoftware gaan voorkomen. Dat is wat D66 betreft ook precies wat we nodig hebben: een forse verbetering van het Europese systeem voor goedkeuring van auto's, met maximale helderheid in wet- en regelgeving, zodat autofabrikanten simpelweg niet de ruimte hebben om onder allerlei voorwendselen gebruik te maken van illegale sjoemelsoftware.

Nu blijkt echter dat grote auto-industrielanden zoals Duitsland en Italië dreigen die verbetervoorstellen te blokkeren. Dat baart D66 grote zorgen, zoals ook al bleek uit de Kamervragen van mijn collega Jessica van Eijs, die een halfuur geleden zijn beantwoord door de Minister van I en M. Mijn vragen aan deze Minister zijn de volgende. Klopt het dat landen als Duitsland dwarsliggen? Wat zijn de gevolgen daarvan? Gaan we het meemaken dat de auto-industrie nogmaals de hand boven het hoofd gehouden wordt? Wat is de positie van Nederland nu? Steunt de Minister het voorstel om op Europees niveau auto's te kunnen hertesten en boetes te kunnen geven aan autofabrikanten bij overtredingen? Ik las eerder in het BNC-fiche dat Nederland de uitgebreide maatregelen over toezicht verwelkomt, maar bedenkingen heeft over de nalevingscontroles en keuringen die de Commissie op zich neemt. Lees ik het goed dat Nederland zich daarmee in feite aansluit bij de grote auto-industrielanden? Nederland ziet meer in een zogenaamde regiefunctie. Mij is niet duidelijk hoe die ingevuld moet worden. Een regiefunctie klinkt echter als iets wat geen deuk in een pakje boter slaat.

Als we van fossiel naar duurzaam gaan, zijn onderzoeken en innovatie cruciaal. In de geannoteerde agenda benadrukt de Minister het belang van het op peil houden van de Europese publieke investeringen in onderzoek en innovatie. D66 wil die investeringen liever fors verhogen. In Europa groeit de arbeidsparticipatie namelijk nauwelijks meer. Daarom is innovatie eigenlijk de enige belangrijke bron van economische groei. Deelt de Minister de analyse dat we in Europa van koeien naar kennis moeten? Is hij bereid om deze ambitie in de Raad naar voren te brengen?

Ik kom op de voorstellen voor een sterkere interne markt, allereerst op de Europese e-kaart voor diensten. De Minister heeft hier forse kritiek op. Hij zegt dat de e-kaart in deze vorm de werkelijke belemmeringen in de interne markt niet aanpakt, namelijk de regelgevende barrières. Is het in een later stadium mogelijk om naast de administratieve belemmeringen ook wet- en regelgeving toe te voegen aan de e-kaart? Of is deze optie in feite bekeken als we nu zouden instemmen met deze vorm voor de e-kaart voor diensten? Hoe komt het dat er zo'n groot verschil is tussen de Raadsconclusies van de Raad onder het voorzitterschap van deze Minister in Nederland en het voorstel dat de Commissie nu voorlegt?

Ik kom op de richtlijn over mededinging. Ik ben het eens met de vraagtekens die de Minister bij het voorstel zet als het gaat om de ruimte voor nationale beleidskeuzes en de onderlinge aanpassing van nationale wetgeving. Wat dit betreft zien we het verslag van de Raad graag tegemoet.

Ik heb ook nog een andere vraag. De richtlijn voorziet in een aantal minimumeisen voor de nationale mededingingsautoriteit, zoals onafhankelijkheid, voldoende middelen en onderzoeks- en dwangbevoegdheden. Kan de Minister aangeven wat de gevolgen hiervan zijn voor de ACM, inclusief de financiële gevolgen? Sommigen hebben dit al aangehaald, maar betekenen deze minimumeisen dat de ACM iets moet aanpassen in haar bevoegdheden?

Ten slotte heb ik nog een vraag over overnames. De Minister heeft besloten een wetsvoorstel te maken om bedrijven een jaar vrijblijvend bedenktijd te geven na een openbaar bod. Is de Minister van mening dat dit in lijn is met de Takeover Directive?

De voorzitter:

De Minister heeft het niet goed gehoord, zie ik.

De heer Paternotte (D66):

Pardon, dat is de Europese Overnamerichtlijn 2012, voor overnames van bedrijven. Er zijn grote verschillen tussen de lidstaten in de bescherming van bedrijven. Nederland heeft belang bij een gelijk speelveld. Is de Minister daarom bereid om dit thema in de Raad aan te snijden en indien nodig te pleiten voor herziening van de Europese Overnamerichtlijn?

We hebben gelezen dat de European Spallation Source op de agenda staat. Wat is de laatste stand van zaken rondom de besluitvorming om founding member te worden? D66 zou er een groot voorstander van zijn als Nederland dat wordt.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Wellicht kunnen we voorkomen dat er te veel Engelse termen tussendoor gegooid worden. Collega Elias was daar altijd heel streng in. Anders ontstaan er soms misverstanden hier achter de tafel. Ik kijk even naar de Minister. Hoeveel tijd hebt u nodig voor een eventuele schorsing?

Minister Kamp:

Voorzitter, u en ik zijn de enige twee die in deze nieuwe commissie nog zijn overgebleven uit de vorige periode. U bent gewend dat ik altijd direct antwoord geef op hetgeen naar voren is gebracht, maar dat gaat me deze keer niet lukken. Er zijn heel veel gedetailleerde vragen gesteld. Ik weet niet in welke mate ik die vragen kan beantwoorden, maar ik zal proberen in een kwartier een eind te komen. Dat heb ik wel nodig.

De voorzitter:

Het is nu een paar minuten voor halfvijf. Laten we tot kwart voor vijf schorsen. Dan kijken we hoever we komen. Is dat een oplossing? Ik zie dat dat het geval is.

De vergadering wordt van 16.28 uur tot 16.46 uur geschorst.

De voorzitter:

De Minister had, gezien de vele vragen die gesteld waren, gevraagd om een schorsing. Die schorsing is inmiddels voorbij. De Minister gaat nu over tot de beantwoording van de door de leden gestelde vragen. Ik sta per lid twee interrupties toe op het betoog van de Minister.

Minister Kamp:

Mijnheer de voorzitter. Ik heb de eer om in Brussel te mogen deelnemen aan drie Europese Raden: de eerste is de Raad voor het Concurrentievermogen, de tweede gaat over energie en de derde gaat over telecommunicatie. Je maakt dan mee dat er met 28 landen wordt geprobeerd om steeds stappen vooruit te zetten. Nederland speelt daar altijd een constructieve rol. Wij geloven sterk in Europese samenwerking, zeker op het punt van de interne markt. Ik denk dat er een aantal dingen is waarvoor Europa belangrijk is voor Nederland. Ik denk aan de integratie van Oost- en West-Europa, ik denk aan de veiligheid in Europa zelf, terugkijkend op de afgelopen 100 jaar, en ik denk aan het opkomen voor onze plaats in de wereld, dus voor de Europese belangen in de wereld tegenover India, Rusland, China en Amerika. Wil je daar overeind blijven, dan heb je echt Europese samenwerking nodig. Ook denk ik, en wel in de eerste plaats, aan de interne markt. Nederland heeft heel veel belang bij die interne markt. Europa als geheel heeft daar heel veel belang bij. Als wij allemaal onze eigen economieën hadden gehouden, dan zouden wij veel minder welvaart en veel minder werkgelegenheid in Europa hebben dan nu. In het bijzonder in Nederland zou dat het geval zijn, omdat Nederland sterk op de export is gericht. 80% van onze export gaat naar Europese landen, wat betekent dat wij enorm profiteren van Europese samenwerking.

Je kunt drie onderscheiden maken in de interne markt in Europa. Het eerste betreft de markt voor producten, die heel aardig loopt omdat we daar al tientallen jaren mee bezig zijn. Daar is het nodige bereikt, waarvan Nederland ook profiteert. Het tweede betreft de markt voor diensten. Het derde is de digitale markt. Die digitale markt is in ontwikkeling. Daar moet nog een heleboel gebeuren en dat is eigenlijk niemand verwijtbaar. De markt voor diensten had echter veel verder moeten zijn dan hij op dit moment is. We hebben de Europese Commissie al eens laten uitrekenen dat als we optimaal profiteerden van één vrije interne markt voor diensten in de Europese Unie, dit meer dan 400 miljard per jaar aan extra economie in Europa zou opleveren en dus ook heel veel meer welvaart en werkgelegenheid. Dit betekent dat Nederland er altijd op is ingesteld om te proberen de interne markt voor diensten vooruit te helpen. Dat is moeilijk, omdat er bij ieder onderdeeltje van die markt wel landen zijn die er belang bij hebben om de situatie te laten zoals die is. Vaak is het nog niet eens zo dat een land daarbij belang heeft, maar dat een bepaalde belangengroep in een land daarbij belang heeft en die belangengroep sterk genoeg is om dat aan de regering over te brengen. Vervolgens heb je dan een hindermacht vanuit de regering van een bepaald Europees land.

Dat gaat heel breed. Het zijn niet alleen de kleine landen die hierop aan te kijken zijn. Ook Duitsland heeft een eigen cultuur van notarissen, accountants, belastingadviseurs en allerlei andere mensen in dienstverlenende beroepen. Men heeft erg sterk de neiging om daar regels voor te maken die zodanig zijn dat Duitsers er heel goed aan kunnen voldoen en dienstverleners uit andere landen niet. Door het stellen van regels scherm je dan je markt af. In Europa proberen we nu ervoor te zorgen dat die gelegenheid niet meer of in ieder geval minder wordt geboden en dat we langzaam tot afbouw van die praktijken in de verschillende landen komen. We proberen het daarbij zo te organiseren dat op verantwoorde wijze dienstverlening over de grens kan worden geboden. Een Nederlandse dienstverlener die iets kan leveren in België, Slowakije, Duitsland of Polen wat van waarde is en die dat op een verantwoorde manier kan doen omdat hij aan de regels in dat land kan voldoen, in de taal van dat land kan communiceren en voldoet aan wat hij zou moeten kunnen in zo'n land, moet niet oneerlijk worden gehinderd door regels die niet zijn gemaakt om het kwaliteitsniveau te waarborgen, maar om de eigen mensen uit het eigen land te beschermen. Als we dat blijven doen in Europa, komt er te weinig terecht van een Europese markt voor diensten.

Met name de heer Paternotte sprak kritisch over mijn mooie verhalen over het dienstenpaspoort ten tijde van het Nederlands voorzitterschap in de eerste helft van 2016 en zei: kijk nu wat er uiteindelijk is overgebleven van de e-card. Hij vroeg mij hoe ik dat zie. Het ziet er niet al te best uit, zeg ik via de voorzitter tegen mijnheer Paternotte. Het is een stuk minder dan wij wilden. Wij wilden graag dat je, als je aan de regels voldeed, mocht toetreden tot andere landen en daar je werk mocht doen. Dat is er echter niet uit gekomen. Het voorstel voor een e-card dat er nu ligt, gaat alleen over administratieve beperkingen. De heer Paternotte en ik kunnen dan zeggen dat dat onvoldoende is, maar je kunt het ook anders zien. Als je dit in ieder geval voor elkaar krijgt, heb je iets geregeld voor de administratieve verplichtingen en kun je vervolgens weer proberen of je ook de regels op hetzelfde niveau kunt krijgen zodat er alleen regels zijn voor een eerlijke bescherming en geen regels tot afbakening van je eigen landelijke markt. Dan kun je misschien ook tot een soort e-card komen die ook van belang is voor de regels.

Zover is het nog niet. Wat er nu ligt, is onvoldoende, maar het kan een stap zijn in de goede richting. We hoeven nu nog niet te beslissen over de e-card. Het onderwerp staat niet op de agenda; dat komt pas in het najaar. Ook voor dit onderwerp geldt dus wat voor vele andere onderwerpen geldt. Ik mag maandag mijn inbreng leveren namens Nederland, één van de 28 landen. Ik moet bekijken hoe we daar iets kunnen bereiken. Daarbij hoort dat je steun moet vinden, dat je je ook moet aansluiten bij anderen en dat je moet bekijken welke mogelijkheden er zijn. Ik heb me daarop voorbereid. Ik kan me daar nu nog beter op voorbereiden aan de hand van de aandachtspunten die de verschillende woordvoerders naar voren hebben gebracht. Ik zal daar zeker mijn voordeel mee doen.

Ik denk dat het voor de e-card uiteindelijk van belang is dat we de zaak in beweging houden. De afgelopen jaren is er echt te weinig gebeurd inzake het openstellen van de Europese markt voor het verlenen van diensten. Het tempo dat er onder ons voorzitterschap in zat, is er alweer uit. We moeten nu dus proberen om de schade te beperken, stappen vooruit te zetten en tijdens volgende voorzitterschappen weer vooruit te gaan. Ik ben van plan om daarbij goed naar de Duitsers te luisteren. Ik praat daar vaak over met mijn Duitse collega's, zowel op landelijk niveau als op het niveau van de deellanden. Het is natuurlijk niet allemaal flauwekul wat er vanuit Duitsland wordt gebracht. Er zijn ook goede dingen in Duitsland, bijvoorbeeld als het gaat om de vakmensen die ze daar hebben, wat daarvoor is geregeld en de eisen waaraan je moet voldoen om als goede vakvrouw of -man aan het werk te kunnen in Duitsland. Ik denk dat het ook goed is om te bekijken wat wij in Europa van Duitse voorbeelden kunnen leren. Hetzelfde geldt voor Frankrijk, dat wat dit betreft vaak met Duitsland optrekt. Mijn lijn is dus in ieder geval om ernaar te streven, veel meer dan nu te profiteren van de Europese interne markt, de e-card als middel daarbij te gebruiken en stappen in de goede richting te zetten. Wat de Europese Commissie nu heeft gedaan, zien wij als het minimum. We proberen om tussen nu en het einde van het jaar, als het op de agenda komt, meerdere stappen in de goede richting te zetten. We gaan proberen om zo veel mogelijk andere landen aan onze zijde te krijgen en om ons aan hun zijde te scharen. Dat waren mijn algemene opmerkingen over de interne markt, wat meer toegespitst op de e-card.

De Europese Commissie heeft een dienstenpakket uitgebracht met daarin een drietal voorstellen. Ik heb de e-card, die wat vooruitgeschoven is, al behandeld. Verder is er de proportionaliteitstoets, in de vorm van een richtlijnvoorstel, en een notificatieverplichting, ook in de vorm van een richtlijnvoorstel. Wij vinden de notificatieverplichting heel goed, omdat je zo zicht krijgt op alles wat er in de diverse landen gebeurt op het punt van diensten. Het moet bij Europa aangemeld worden. Europa moet weten wat er gebeurt. Daarmee weten ook alle landen wat er gebeurt en kunnen ze daarover met elkaar spreken. Ook kunnen ze elkaar erop aanspreken. De notificatierichtlijn lijkt me dus een heel goede zaak.

Ook de proportionaliteitstoets vind ik een goede zaak. In Nederland hebben wij namelijk al zo'n proportionaliteitstoets. Wij doen alleen dingen met betrekking tot mensen die actief zijn in de dienstensfeer die meerwaarde hebben en die ook redelijk zijn voor hen. We stellen niet te veel eisen. We zijn er voortdurend op gericht om eisen en regels te beperken en, als het mogelijk is, regels te verminderen. In Nederland hebben we dit dus al goed voor elkaar. We vinden het heel prettig dat er nu ook in Europa zo'n proportionaliteitstoets komt. Is dat wat je aan regels stelt, wel echt gericht op het doel dat je nastreeft? Is het daarmee in verhouding? Wat doe je meer? Heb je misschien iets anders achter de hand waarnaar je streeft? Wij vinden het een heel goede zaak dat dit nu ook op Europees niveau zo aangegeven wordt en ook in Europa zijn weerklank gaat vinden. Het is onze lijn om de Commissie te steunen op het punt van de proportionaliteitstoets en de notificatierichtlijn. Wat de e-card betreft, is het onze inzet om stappen in de goede richting te zetten.

De woordvoerder van GroenLinks heeft kritiek geuit op de e-card, namelijk dat er misbruik van kan worden gemaakt als hij verkeerd wordt gebruikt en dat hij misschien administratieve lasten oplevert voor de desbetreffende sectoren, waaraan ze heel weinig hebben. Ik denk dat dit belangrijke signalen zijn, die we ook al vanuit de sectoren zelf hebben gekregen. Het is onze taak om, naast het overleg dat we natuurlijk al met de sectoren hebben gevoerd, de concrete bewegingen van de Europese Commissie met betrekking tot de e-card gedetailleerd met hen door te nemen. Daarbij moeten we bekijken waar er verbeterpunten zitten, hoe eventuele tekortkomingen kunnen worden weggenomen en op welke wijze wij ons op dit gebied constructief kunnen opstellen. Ook het Nederlandse bedrijfsleven weet heel goed dat het groot belang heeft bij het beter functioneren van de interne dienstenmarkt. De bezwaren die de sectoren nu opperen, zie ik als constructieve bezwaren. Ze willen de voordelen van de interne markt graag benutten, maar ze willen niet dat dit tot misbruik kan leiden. Ook willen ze niet dat het tot lastendruk leidt. Daaraan hebben we helemaal geen behoefte. Op deze manier zal ik dit onderwerp benaderen.

Ik kom te spreken over de toelating van de motorvoertuigen. Morgen is er een algemeen overleg met de Minister van I en M, die meer in detail op dit onderwerp zal kunnen ingaan dan ik. Ik zal het wel zo goed mogelijk doen. Om te beginnen zeg ik dat datgene wat nu aan de orde is, niet het «real driving emissions»-pakket betreft waarover ook gesproken is. Er wordt nu niet geregeld hoe dat pakket er precies moet gaan uitzien. Dat komt pas in het najaar aan de orde. Nu worden de wettelijke basis en de randvoorwaarden daarvoor neergelegd, namelijk de financiering, de handhaving en het toezicht. Op zichzelf zitten daar de problemen niet. Het gaat erom dat er gedurende een flink aantal jaren door landen en door Europa niet op een adequate wijze is opgetreden richting de industrie. De industrie heeft die ruimte voor een deel misbruikt. Dat is aan het licht gekomen. Als je naar Duitsland kijkt, is het heel opmerkelijk dat het ene concern dat wel heeft gedaan en het andere concern helemaal niet. Je ziet ook dat het concern dat het wel heeft gedaan, met zeer ingrijpende gevolgen wordt geconfronteerd, niet alleen in Europa maar in de hele wereld. Het is dus ook in het belang van de industrie dat er regels komen waaraan iedereen zich houdt. Je zult maar een Duits concern zijn dat zich aan de regels heeft gehouden en oneerlijke concurrentie heeft gekregen van een concern dat zich niet aan de regels heeft gehouden. Dan heb je er dus groot belang bij, ook als Duitse automobielindustrie, dat er regels komen waaraan je je kunt houden en waaraan jij en iedereen ook gehouden wordt, dus niet alleen jijzelf maar ook je collega's of concurrenten.

Er is natuurlijk een verschil in Europa. Er zijn landen die helemaal geen automobielindustrie hebben. Zij kunnen gemakkelijker zeggen dat de regels heel fors moeten worden aangescherpt, omdat ze maar naar één aspect hoeven te kijken. Er zijn ook landen die een heel grote automobielindustrie hebben die goed is voor heel veel werkgelegenheid. Zij zullen ook kijken naar de gevolgen voor de economie en de werkgelegenheid. Die verschillende belangen zijn er dus zeker. Uiteindelijk is er een compromis uit gekomen, dat zeer gedetailleerd is. Het beslaat 200 pagina's. We kunnen er dus duizenden vragen over stellen, maar we kunnen ook met elkaar constateren dat het toch een betekenisvol compromis is waarbij de zaak vanuit Europa veel beter wordt geregeld. Nederland heeft zich erin verdiept en is tot de conclusie gekomen dat datgene wat wij willen bereiken, goed zijn werking krijgt in het compromis. Het heeft ook geen zin om in zo'n moeilijke kwestie als land in je eentje te opereren. Je moet er echt voor zorgen dat er een meerderheid komt in de goede richting en dat je daarvan zelf deel uitmaakt. Dat is onze lijn geweest en wij gaan er ook op die manier mee door.

Ik zal nu kijken of ik wat gedetailleerder op de vragen en opmerkingen kan ingaan. Zoals ik al zei, is Nederland voorstander van meer toezicht, een strengere handhaving, de introductie van markttoezicht, strengere regels voor de technische diensten, het elkaar laten controleren en op hetzelfde peil brengen van de technische diensten en van het instellen van een adviesforum van de nationale keurings- en toezichtautoriteiten, dat wordt voorgezeten door de Europese Commissie en dat de zaak kan aansturen. Die maatregelen zijn voor ons essentieel, omdat je daarmee wat kunt bereiken. Ze zullen ook zorgen voor een uniforme toepassing van de Europese regelgeving en strengere controles. Je kunt altijd zeggen dat de controles nog strenger kunnen en dat er nog meer auto's moeten worden gecontroleerd. Als wij het compromisvoorstel bekijken, hebben wij de overtuiging dat de dingen die noodzakelijk zijn, echt gedaan worden en dat het dus ook goed is om dit nu te ondersteunen. Wij denken dat dit compromis aanstaande maandag door de Raad zal worden bekrachtigd. Als ik het hele krachtenveld overzie en de reacties van de verschillende landen hoor, en ik vertaal die naar de Raad die maandag zal plaatsvinden, denk ik dat het compromis van het Maltese voorzitterschap steun zal krijgen.

De heer Paternotte (D66):

De Minister verwees een paar keer naar het compromis, dat inderdaad een uitgebreid compromis is. In het antwoord op de schriftelijke vragen van mijn collega Van Eijs, die wij vandaag vlak voor het AO binnenkregen, wordt ook bevestigd dat in dat compromis een aantal versoepelingen te vinden is. Wij hebben onder meer gevraagd wat Nederland heeft gedaan tegen die versoepelingen. Dat wordt eigenlijk niet helemaal duidelijk. Mijn vraag is dus hoe Nederland die versoepelingen heeft proberen te voorkomen. Een ander punt is dat de Minister terecht aangeeft dat er strengere regels komen. Hoe weten we nu zeker dat de nationale keuringsautoriteiten in andere landen de strengere regels op de juiste manier toepassen? Zoals de Minister terecht aangeeft, liggen er allemaal belangen. Eerst lag er een voorstel om Europees te hertesten en daarmee eventueel ook een Europese controle van motorvoertuigen mogelijk te maken. Dat zit nu niet meer in het voorstel. Wat ons betreft komt dat terug. Mijn vraag is dan ook of de Minister daarvoor gaat pleiten.

Minister Kamp:

Het heeft geen zin om nu nog te proberen om maandag in Brussel tot iets aparts te komen. Als ik daar moeilijk ga doen, is het beste wat ik kan bereiken dat er geen besluitvorming komt. Er zijn onderhandelingen geweest van al die landen, waarbij iedereen zijn eigen inbreng had. Nederland is daar altijd zeer actief in. Uiteindelijk probeer je daarmee zo ver mogelijk te komen. Je bekijkt dan het eindresultaat dat eruit komt, in dit geval de meerderheid die er te halen is en het feit dat het Maltese voorzitterschap het steunt. Je bekijkt of datgene wat eruit komt, voldoende is. Niet alles wat je wilt, komt daarin. Als het echter qua uitkomst vergelijkbaar is met wat je wilt of daar in voldoende mate aan tegemoetkomt, zou je het toch kunnen steunen. Die laatste conclusie hebben wij getrokken. Het is moeilijk voor mij om op alle punten die in die 200 pagina's zijn verwerkt, aan te geven welke inbreng wij precies hebben geleverd, wat daar niet en wel uit is gekomen, welke argumenten daarvoor waren en hoe dat door andere landen werd gesteund. Het is moeilijk om dat te zeggen. Het is een overleg dat in Brussel plaatsvindt, waar 28 landen hun ambtelijke vertegenwoordigers hebben. Zij zijn er met zijn allen mee bezig. Wat ik politiek moet doen, is bekijken of de einduitkomst voldoende is. Er is afgesproken dat er echte controles komen, dat de landen die op dezelfde manier, op hetzelfde hoge niveau moeten doen, dat dit ook inzichtelijk moet worden voor de Europese Unie, dat de toezichthouders samenwerken en dat dat weer wordt aangestuurd door de Europese Commissie. Het pakket dat eruit gekomen is, vinden wij uiteindelijk voldoende. Als er op enig moment op onderdelen toch nog behoefte is bij de Kamer om extra informatie te krijgen, ben ik bereid om die informatie te laten geven. Misschien kan dat morgen al in het algemeen overleg met de Minister die hierover gaat. Anders zal ik het zelf schriftelijk doen. Ik moet wel zeggen dat het er niet in zit om maandag nog wijzigingen hierin aan te brengen.

De heer Paternotte (D66):

De Minister zegt dat het niet zo veel zin heeft om maandag nog iets heel nieuws aan te brengen. Dat vind ik in zoverre gek dat wij anderhalf uur geleden antwoord kregen op schriftelijke vragen of Nederland het voorstel steunt om auto's te kunnen hertesten en boetes te kunnen geven aan autofabrikanten. Dat antwoord was dat het onderhandelingsproces nog gaande was. Daarmee wordt gesuggereerd dat het onderhandelingsproces anderhalf uur geleden nog gaande was, maar dat het nu eigenlijk niet zo veel zin heeft om daar nog nieuwe dingen op in te brengen, terwijl ik hier ook lees dat de Minister aangeeft dat Nederland tijdens de onderhandelingen vanzelfsprekend ook nog alternatieve methoden voor dat hertesten en eventueel bekeuren inbrengt. Ik kan me best voorstellen dat de Minister van I en M daar gedetailleerder op in kan gaan, maar ik kan dat in ieder geval niet helemaal rijmen met wat de Minister hier zegt.

Minister Kamp:

Dat begrijp ik. Komende maandag hebben we een vergadering van de Raad Concurrentievermogen. Daar ligt een compromisvoorstel dat, naar ik verwacht, steun zal krijgen. Het is niet zo dat daarmee de zaak helemaal af is wat betreft dit grote probleem. Natuurlijk zullen er de komende tijd verdere ontwikkelingen op dit vlak zijn. Nederland heeft in het begin een bepaalde opstelling gekozen. Voor zover wij denken dat onderdelen daarvan ook na dat compromisvoorstel toch nog naar voren gebracht moeten worden, zullen de gelegenheden die zich daartoe voordoen, benut worden. Ik zal de Kamer apart moeten laten weten welke gelegenheden dat precies zijn. Het is ook mogelijk dat de Kamer het morgen met mijn collega van I en M bespreekt.

De heer Paternotte (D66):

Ik ben natuurlijk nog redelijk nieuw in deze commissie, maar ik had begrepen dat dit punt simpelweg morgen niet op de agenda van het AO over de Transportraad staat. Hoe verhoudt dat zich tot het feit dat de Minister – heel begrijpelijk – ertoe oproept om op dat moment allerlei vragen aan de Minister van I en M te stellen over dit onderwerp? Het zijn inderdaad gedetailleerde vragen.

Minister Kamp:

Het is niet mijn gewoonte om voor antwoorden op vragen naar collega's te verwijzen.

De voorzitter:

Er kunnen in een overleg altijd vragen gesteld worden aan de Minister. Het is dan aan de Minister om te bepalen op welke wijze hij die vragen beantwoordt. Verder heeft de Minister in dit overleg aangegeven dat hij ook bereid is om eventueel een nadere schriftelijke toelichting op de onderhandelingen te geven. Dat heb ik uit zijn woorden van zojuist begrepen.

Minister Kamp:

Ja. Ik vind dat de heer Paternotte wel gelijk heeft. Er wordt komende maandag een uitspraak over gedaan in de Raad Concurrentievermogen. Ik ga naar die Raad Concurrentievermogen toe. De heer Paternotte heeft het volste recht om die punten aan de orde te stellen. Het is ook terecht dat hij mijn antwoorden van nu vergelijkt met de antwoorden op schriftelijke vragen. Wat overblijft, is dat er maandag uiteindelijk door 28 landen op dit punt een conclusie moet worden getrokken. We kunnen bij de keuringen van motorvoertuigen niet doorrommelen op de oude manier. We moeten daar verder mee. Dat is aanstaande maandag mogelijk, omdat er een compromisvoorstel ligt. Wij hebben dat compromisvoorstel beoordeeld en wij hebben bevonden dat daar voldoende van onze lijn in zit. Daarom willen wij dat compromisvoorstel steunen.

Er zijn twee mogelijkheden als er door de heer Paternotte op onderdelen terechte vragen worden gesteld waar ik nu geen antwoord op kan geven. Ik moet die antwoorden dan alsnog schriftelijk geven of mijn collega van I en M schudt die wellicht uit haar mouw. Ik vind de benadering van de heer Paternotte echter geheel terecht.

De voorzitter:

Ik stel dan als tussenoplossing maar voor dat het gewoon schriftelijk gebeurt.

De heer Paternotte (D66):

Ik begrijp dat het hierbij dus gaat om de vragen die ik zojuist bij interruptie heb gesteld.

De voorzitter:

Ja.

De heer Paternotte (D66):

Oké.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik zou graag een vraag van een andere orde willen stellen. Ik ben ook een nieuw Kamerlid. Ik ben nog nooit bij een Raad Concurrentievermogen geweest.

Minister Kamp:

Dat komt nog wel een keer!

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik ben toch wel benieuwd hoe dat nou in de praktijk werkt. De Minister legt het een en ander uit. Ik begrijp dat goed. Dieselgate was een groot issue. Er is heel lang gedacht en gewerkt aan een werkend antwoord. Dat ligt nu voor, en het is maandag ja of nee. Ik vraag me echter af hoe het in Europa bij zo'n groot vraagstuk werkt. Wordt het nu echt alleen maar op zichzelf beoordeeld? Of wordt er toch ook gekeken naar andere dossiers die in deze raad besproken worden? Duitsland was net al prominent aanwezig in het dossier over de dienstenrichtlijn en speelt, naast andere autoproducerende landen, ook een prominente rol bij dieselgate. Vinden er ook uitruilen plaats tussen de dossiers of is dat iets wat totaal niet gebeurt? Kan de Minister de nieuwe Kamerleden iets meer vertellen over de werking van een en ander in de praktijk?

Minister Kamp:

Het werkt in grote lijnen als volgt. Je hebt in Europa de Europese Commissie waar besluitvormingsprocessen plaatsvinden, je hebt het Europees Parlement waar datzelfde het geval is en je hebt de diverse landen, de 28 landen, die in de raden zijn vertegenwoordigd. Uiteindelijk moet er iets uitkomen waar iedereen zich in kan vinden. Het begint vaak bij voorstellen van de Europese Commissie. Daarover wordt gesproken tussen de landen. Op een gegeven moment komt er iets uit waar de landen hun steun aan willen geven. Dat wordt dan weer besproken met het Europees Parlement. Er wordt onderhandeld met dat Europees Parlement. Daar komen dan nog weer wijzigingen uit. Vaak komen er op stukken duizend amendementen vanuit het Europees Parlement. Uiteindelijk komt er dan een eindresultaat tot stand.

Zowel bij de Europese Commissie en het hele ambtelijke apparaat dat daarachter staat, als bij de 28 landen, de politieke mensen met de ambtelijke apparaten die achter ieder van hen staan, als bij het Europees Parlement, waar behalve de medewerkers en de ondersteuning ook een heel groot lobbycircuit omheen staat, vinden allerlei contacten plaats. Daar worden allerlei zaken uitgewisseld. Ik heb er geen zicht op wie dingen uitruilt en ergens mee akkoord gaat, omdat hij op een ander dossier zijn zin krijgt. Uiteindelijk komt er bij ieder van die drie iets uit, en dat moet je op zijn merites beoordelen nadat dat hele proces dat ik net heb beschreven, heeft plaatsgevonden.

Wat er uit de Europese Commissie is gekomen, is duidelijk. Vervolgens zijn de landen daarmee bezig geweest onder leiding van het voorzitterschap Malta. Er is heel veel ambtelijk overleg geweest. Er is ook politiek overleg geweest, soms tijdens eerdere raden, soms in bilaterale contacten en soms ook in groepen. Maar uiteindelijk is er vooral vanuit de vooruitgeschoven ambtelijke posten met betrokkenheid van de politiek verantwoordelijken een compromisvoorstel gedaan door Malta, waarvan Malta wist dat het daar voldoende steun voor zou krijgen. Dat ligt er nu. Al die landen gaan daar naar kijken. Het ene land vindt dat het wat te ver gaat, het andere land vindt dat het niet ver genoeg gaat. Maar je bekijkt toch of je datgene wat eruit komt, kunt steunen. Ik heb nu gezegd dat het onze beoordeling is dat wij het willen steunen. Zo gaat het ongeveer.

De voorzitter:

Dat was een prachtige uitleg. Ik stel voor dat de Minister doorgaat met zijn beantwoording.

Minister Kamp:

De heer Weverling vroeg naar het shopgedrag waar in het verleden sprake van was. Als je in het ene land geen typegoedkeuring kreeg, kon je naar een ander land gaan. Dat kan dus niet meer in de nieuwe opzet.

De heer Weverling vroeg voorts naar het krachtenveld. Ik heb al aangegeven hoe dat in elkaar zit en wat ik daar voor komende maandag van verwacht. Hij vroeg of er in de voorgestelde verordening ook accreditatie is opgenomen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van technische diensten te borgen. Dat is een heel belangrijk punt. Als dat niet het geval is, zitten er overal bij de diverse landen gaten in. Dat is dus opgenomen in de verordening en dat is naar onze overtuiging goed geregeld.

De heer Weverling vroeg ook of het klopt dat Nederland tegen een nationale vergoedingsstructuur heeft gepleit, waardoor de belangenverstrengeling tussen testinstanties en fabrikanten kan blijven voortbestaan. Wij denken dat technische diensten en goedkeuringsautoriteiten onafhankelijk moeten kunnen functioneren en dat die allemaal dezelfde kwaliteit kunnen leveren. Wij denken dat je dat voor elkaar kunt krijgen door accreditatie. Dan wordt beoordeeld of je aan de eisen voldoet. Als dat geval is, mag je je werk doen. En vervolgens ga je gezamenlijk elkaar controleren. Wij denken, en dat is ook in de praktijk vaak gebleken, dat je op die manier, met een combinatie van peerreviews en accreditatie, het noodzakelijke kwaliteitsniveau kunt bereiken. Wij denken dat het opzetten van een vergoedingsstructuur voor van alles dan ook geen enkele meerwaarde heeft. Om die reden hebben wij hiermee ingestemd.

De heer Weverling vroeg verder of ervoor gezorgd kan worden dat de informatie die uit de voertuigen komt, voor iedereen beschikbaar blijft. Dat is een heel belangrijk punt. Er komen op allerlei plekken in onze samenleving data beschikbaar. Dat heeft enorme effecten. Er is op dit moment een trend gaande dat de hoeveelheid data die beschikbaar komt, jaarlijks meer dan verdubbelt. Dat is ook de reden dat die cloud zich steeds meer uitbreidt en dat er ook nog steeds meer datacenters komen. Dat doet zich ook in Nederland voor. Het is van belang, met name met betrekking tot voertuigen, dat er niet met die data gegoocheld wordt teneinde een bepaald deel van de markt weg te houden. Het is niet de bedoeling dat een bepaald deel van de markt wel de klandizie naar zich toe kan trekken, en een ander deel niet. Daar doelt ook de heer Weverling op. Iedereen moet de mogelijkheid krijgen om toegang tot die data te hebben. BOVAG, ANWB en RAI Vereniging hebben dat ook naar voren gebracht. Ik ben van mening dat dit moet gebeuren, dat het «on-board diagnostics»-databestand breed toegankelijk moet zijn. Wij hebben daar aandacht aan besteed en zijn van mening dat wat er nu uiteindelijk in dat 200 pagina's tellende compromisvoorstel zit, voldoende garanties biedt om ervoor te zorgen dat dat wat de heer Weverling wil, het geval is. Dan is het misschien goed om even wat te zeggen over ACM en over de richtlijn die geldt voor de toezichthouders.

De voorzitter:

Dit wordt de tweede interruptie van de heer Paternotte.

De heer Paternotte (D66):

Voordat we verdergaan, los van de typegoedkeuring van voertuigen, had ik nog de volgende vraag die ook voortkomt uit de antwoorden op de schriftelijke vragen. De regering gaat in Brussel alternatieve methoden voorstellen, waarmee de doelen veiligheid en schone voertuigen nog beter kunnen worden bereikt. Mijn vraag is eigenlijk: welke alternatieven zullen er dan voorgesteld worden? Het gaat dan om alternatieven voor het Europese hertest- en bekeuringssysteem. Dat lijken mij belangrijke alternatieven.

Minister Kamp:

Ik ben ermee begonnen dat dit niet de zogenaamde RDE regelt. Daar doelt ook de heer Paternotte op. Dat moet in het najaar komen, want dat wordt in het najaar ingevuld. Het overleg daarover is nog volop gaande. Daar zullen wij de dingen die de heer Paternotte aangeeft, naar voren kunnen brengen. Nu stellen wij het kader daarvoor vast.

De voorzitter:

Dus mijnheer Paternotte, nog even geduld. Zo begrijp ik van de Minister.

Minister Kamp:

Om precies te zijn: het staat op de agenda voor november.

De heer Paternotte (D66):

Dat begrijp ik. Ik begrijp ook dat de regering ons voor die tijd gaat vertellen welke alternatieven zij naar voren gaat brengen.

Minister Kamp:

Het lijkt mij heel nuttig, ook gelet op de informatiebehoefte die bij de Kamerleden over dit onderwerp bestaat, dat ik goed luister naar de diverse punten die door de woordvoerders naar voren zijn gebracht. Het overleg om tot een uitkomst te komen op het punt van de RDE is in november. Ik heb veel momenten om de Kamer te informeren. In totaal zijn dat twaalf momenten in een jaar en daarom schat ik in dat er tussen nu en november nog een stuk of zes momenten zijn. Ik kan de Kamer dus voorafgaand aan of na de Raden of eventueel tussentijds informeren. Ik ben van plan om de Kamer te informeren aan de hand van de punten die naar voren zijn gebracht. Ook wil ik de Kamer de gelegenheid geven om daar een opvatting over te hebben en daar met mij of mijn opvolger over van gedachten te wisselen.

De voorzitter:

Dank u wel. De Minister gaat verder met de beantwoording.

Minister Kamp:

Dan ga ik naar de mededingingsautoriteiten. Ik wil niet zeggen dat we het in Nederland altijd geweldig voor elkaar hebben en dat Europa daar een beetje achteraan hobbelt; absoluut niet, want ik weet heel goed wat er in andere landen van Europa allemaal gepresteerd wordt. Maar het feit ligt er dat we in Nederland veel dingen goed geregeld hebben, omdat wij voor onszelf al tot de conclusie zijn gekomen dat dat belangrijk is. Wij hebben een onafhankelijke toezichthouder. Dat is wettelijk vastgelegd. De financiering daarvan is goed geregeld. Er werken ook voldoende mensen. Ik geloof dat er in totaal ongeveer 500 mensen bij ACM werken, meer dan 500 zelfs. Wat wij geregeld hebben op het punt van onze toezichthouder, is al verregaand. Ik zie nu wat er vanuit Europa gedaan wordt om ervoor te zorgen dat de nationale mededingingsautoriteiten meer op hetzelfde niveau komen. Ik denk dat dat nuttige bewegingen zijn voor Europa als geheel, maar dat de effecten voor Nederland beperkt zijn. Wat Europa doet, is regels stellen en ervoor zorgen dat de Europese mededingingsregels allemaal op dezelfde manier worden toegepast in Europa. Dat is heel goed. Daar ben ik het ook zeer mee eens. Ik vind niet dat Europa eisen moet stellen aan de toepassing van nationale mededingingsregels. Ik denk dat wij dat heel goed zelf kunnen. Landen die dat niet kunnen, moeten dat maar op orde gaan brengen. De taak van Europa is, denk ik, om ervoor te zorgen dat de Europese mededingingsregels goed op orde zijn en goed worden toegepast. Ieder van de mededingingsautoriteiten in alle landen speelt daarin de rol die noodzakelijk is.

Enkele woordvoerders hebben in dit verband naar Nederland gevraagd. De bewindspersoon van Economische Zaken – ik in dit geval – heeft niet de mogelijkheid om zich bij ACM met individuele gevallen te bemoeien. Dat moet ook absoluut zo blijven. Ik kan wel beleidsregels stellen en een politiek bepaald kader neerzetten waarbinnen de toezichthouder moet functioneren. Zoals het er nu uitziet, zou dat weleens weg kunnen vallen. Wij denken dat het heel slecht is als dat zo zou gaan. Op dit punt zullen wij dus inbreng leveren, waarbij wij ons op twee punten zullen concentreren.

In de eerste plaats vinden wij dat de eisen die gesteld worden, vooral over de Europese mededingingsregels moeten gaan en niet over de nationale mededingingsregels. Wij vinden dat er ook ruimte moet zijn voor landen waar dit allemaal al op een goede manier is geregeld. Dat wat de politiek belangrijk vindt, moet als kader voor die mededingingsautoriteit gaan gelden. Wij willen ons niet met individuele gevallen bemoeien, maar wel ervoor zorgen dat de grote lijn past binnen dat wat de politiek heeft bepaald.

Nu kom ik op de middelen, de bevoegdheden en de positie van ACM. Ik denk dat dat allemaal voldoende is. Wij hebben bekeken wat wij al geregeld hebben en wat er nu nog geregeld zou moeten worden op grond van waar Europa nu mee bezig is. Wij zien niet dat het nodig is om extra bevoegdheden, middelen en mensen naar ACM toe te laten gaan. Wij denken dat ACM door kan gaan op de manier waarop zij nu bezig is. Wij moeten ons ook realiseren dat de richtlijnbepalingen die nu in ontwerp vanuit de Europese Commissie gekomen zijn, minimumnormen zijn. Wij hebben bijvoorbeeld recentelijk om heel goede redenen de boetemaxima verhoogd en zitten nu boven de minima. Dat mag dus en kan in stand blijven.

Mevrouw Van den Berg heeft enkele dingen over ACM gezegd waar ik al op ingegaan ben. Wij zullen bij het vervolg van de behandeling van dit voorstel handelen zoals ik gezegd heb. Als ik mevrouw Van den Berg goed beluisterd heb, is dat ook in de geest van haar benadering. Ik ben met name ingegaan op het punt van de beleidsregels dat zij naar voren heeft gebracht.

Voor wat betreft de vragen en opmerkingen van de heer Paternotte ben ik ingegaan op de financiële aspecten ACM betreffende.

Voorzitter, misschien is het goed dat ik nog even bekijk of er nog vragen van de woordvoerders over de diensten zijn blijven liggen. Ik denk dat dat niet het geval is.

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Ik realiseer me dat wij erg veel detailvragen hadden. Als we die nog even schriftelijk aanleveren, is de Minister dan bereid om daar specifieker op in te gaan?

Minister Kamp:

Het zou helpen als mevrouw Van den Berg zegt op welke specifieke vraag zij in het bijzonder doelt. Ik kijk even naar ...

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

U had het over diensten. Ik heb het dan met name over de dienstenkaart en niet over de mededinging. Wij hadden met name zorgen over de beleidsregels.

Minister Kamp:

Het gaat dus met name over de kaart.

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Ja.

Minister Kamp:

Ik denk dat ik wat betreft die kaart heb gezegd wat ik daarover kan zeggen. De kritische inbreng van mevrouw Van den Berg van het CDA had twee elementen. Mevrouw Van den Berg wilde dat er recht wordt gedaan aan wat er vanuit het bedrijfsleven terecht naar voren is gekomen. Ik heb aangegeven dat wij niet aanstaande maandag over de e-card gaan beslissen, maar dat die pas in het najaar aan de orde komt. Ik ben het met u eens, mevrouw Van den Berg, dat dit moet gebeuren. Het bedrijfsleven zegt: je loopt op deze manier risico op misbruik en ook het risico dat je verplichtingen gaat opleggen die administratieve lastendruk opleveren die geen meerwaarde heeft. Die punten moeten wij verder uitpraten met het bedrijfsleven. Dan moeten we bekijken in hoeverre wij ons daardoor kunnen laten overtuigen en wat dat moet betekenen voor onze inbreng. Voor mij is het nu zaak om ervoor te zorgen dat ik u tussen nu en het moment dat hierover besloten wordt in Europa, daar inzage in geef, zodat u dat kunt volgen en uw opvattingen daarover kunt hebben. Dat zal ik doen. Iedere keer als er een Europese Concurrentieraad komt – die is er een aantal keren per jaar, formeel en informeel – is de lijn dat wij u vooraf stukken sturen met allerlei informatie en dat wij achteraf nog een keer doen. Als je alle natuurlijke informatiemomenten in de loop van een jaar bij elkaar optelt, is dat twaalf keer. Wij hebben bovendien gezegd dat wij u tussentijds nog informeren over bijzondere ontwikkelingen. Dat hebben wij de afgelopen jaren steeds gedaan. Ik zal er dus voor zorgen dat u zicht houdt op het proces. Ik zal de aandachtspunten die u naar voren heeft gebracht – dat geldt ook voor uw collega-woordvoerders – gebruiken bij de verdere contacten die er met het bedrijfsleven in Nederland plaats zullen vinden en ook bij de formulering van onze inbreng in Europa bij de verdere onderhandelingen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik denk dat de Minister heel goed op weg is om praktisch al de vele vragen die gesteld zijn te beantwoorden. Laten we na de beantwoording even bekijken of alle specifieke vragen beantwoord zijn. Dit AO is namelijk hét moment waarop vragen beantwoord zouden moeten worden. Straks om 19.00 uur hebben we een VAO. Als de antwoorden later komen, kunnen we er niet meer zo veel mee. Ik stel dus voor dat de Minister verdergaat met zijn beantwoording in blokjes. Daarna inventariseren we even of er iets is blijven liggen.

Minister Kamp:

Mevrouw Van den Berg heeft alle relevante stukken voor deze vergadering gelezen. Ze zal dus ook mijn brief van 9 mei hebben gelezen, waarin ik veel informatie heb aangeleverd over wat er gaande is rond het dienstenpakket. Ik ben begonnen met aan te geven wat onze houding is ten opzichte van de diensten in algemene zin. In die algemene benadering heb ik ook de e-card geplaatst, net als de proportionaliteitstoets en de Notificatierichtlijn. Ik denk dat met de schriftelijke informatie die ik al gegeven heb en de antwoorden die ik nu gegeven heb, een groot deel van de duidelijkheid bereikt is. Voor zover die er niet is en zij op korte termijn aanvullende informatie wil, zal ik die schriftelijk geven. Verder zal ik, zoals ik net heb gezegd, de Kamer de komende tijd bij het dossier betrokken houden.

De heer Weverling (VVD):

Begrijp ik het goed dat de Kamer twaalf keer per jaar wordt geïnformeerd? ik geloof dat de Minister zoiets zei.

Minister Kamp:

Ja. In de afgelopen jaren is gebleken dat wij de Kamer over de Raad Concurrentievermogen in totaal op twaalf momenten schriftelijk informeren. Dat is voor ons een gelegenheid om alle lopende zaken en alle interessante ontwikkelingen naar voren te brengen. De Kamer kan daar dan een overleg over hebben en uitspraken over doen. Het blijft niet per se bij die twaalf momenten; er kunnen ook extra momenten zijn. Als de Kamer tussentijds wat extra's wil, kan dat altijd.

De heer Weverling (VVD):

Ik had gevraagd of het zinvol zou zijn om ook individueel met ondernemers te spreken over hun wensen binnen Europa en de knelpunten waar zij tegenaan lopen. Dat lijkt ons tenminste zinvol. Ik krijg echter de indruk dat de Minister de inbreng vanuit de sectoren, waarvan de bezwaren in het voortraject al genoemd zijn, voldoende vindt. Of wil hij voor de zomer toch nog in gesprek gaan?

Minister Kamp:

Ik moet dat doen. Ik ben niet te beroerd om met individuele ondernemers in gesprek te gaan. Iedere maandag begin ik de week met bezoeken aan individuele ondernemers. Afgelopen maandag heb ik ook weer vier individuele ondernemers in verschillende sectoren bezocht en met hen doorgesproken wat er allemaal leeft en speelt en wat zij vinden. Dat gaat ook vaak over Europa. Ik heb natuurlijk veel contact met individuele ondernemers; wekelijks begin ik daarmee. Ik moet echter wel opletten dat ik daar vooral de grote lijnen uit krijg. Ik maak daarvoor dankbaar gebruik van de brancheorganisaties, VNO-NCW, MKB-Nederland en andere ondernemersorganisaties die relevant zijn. Daar hebben we gestructureerd overleg mee. Als we advies willen hebben, vragen we dat aan hen. Zij hebben ook reguliere contactmomenten met ons. Op die manier gaat de voorbereiding van onze inbreng voor Europa heel vaak via het gestructureerde, georganiseerde bedrijfsleven. Het is voor mij niet mogelijk om zelf contact te hebben met iedere ondernemer die een opvatting over iets Europees heeft. Dat wil trouwens niet zeggen dat ik er niet voor open sta als iemand met zijn verhaal bij mij wil komen; daar sta ik altijd voor open. De heer Weverling komt uit het Westland. Ik zou heel graag over allerlei dingen die in het Westland spelen met hem willen praten, maar ik denk dat dit nu niet het goede moment daarvoor is. Daar zitten zeer bijzondere ondernemers.

De voorzitter:

Daar kunt u ongetwijfeld nog een keer een aparte afspraak over maken met de heer Weverling.

De heer Hijink (SP):

Ik zit een beetje met de volgende moeilijkheid. We hebben veel gedetailleerde vragen gesteld – dat is ook nodig, denk ik – maar ik vind het lastig dat als wij vragen stellen over de e-kaart, over de gevolgen daarvan en over de risico's op fraude en dergelijke, de Minister dat grotendeels vooruitschuift naar het najaar. Ik vrees dat we als het eenmaal zover is hetzelfde meemaken als hiernaast gebeurde. Dan horen we dat volgende week de Raad is en dat we niet moeten denken dat er nog heel veel te veranderen valt, want het compromis is al in kannen en kruiken. Dan lijkt het mij handig om dit soort relevante vragen juist wel nu te behandelen en niet vooruit te schuiven.

Minister Kamp:

Dat spanningsveld zit er altijd in; daar heeft de heer Hijink gelijk in. Specifiek voor dit geval geldt dat de e-card niet voor maandag geagendeerd staat. Die wordt geagendeerd voor het najaar. Desondanks zegt de heer Hijink er wat over, zeggen anderen er wat over en zeg ik er wat over. Ik heb de verdere procedure geschetst. Daarin zullen we de Kamer betrokken houden en het bedrijfsleven erbij halen. Dan zullen we op grond daarvan onze inbreng in Europa hebben. We hebben daar zelf natuurlijk ook opvattingen over. Dit is geen kwestie van vooruitschuiven, maar het heel vroegtijdig voorbereiden van besluitvorming die in het najaar plaats zal vinden. Daar praat ik het algemene gevoel van de heer Hijink niet mee weg, hoor. Ik ben namelijk in een heel andere positie dan hij. Mensen op mijn ministerie zijn er voortdurend mee bezig. Onze ambtelijke vertegenwoordigers in Brussel zijn er voortdurend mee bezig. Ik heb voortdurend contact met hen. Ik kan precies volgen wat er allemaal gebeurt en heb daar zicht op. Voor de Kamerleden is dat niet zo. Om dat toch zo veel mogelijk te bereiken, hebben wij de procedure om iedere keer als er wat speelt in Europa – een formele of informele Raad – voor en na die tijd bij de Kamer te komen. Voor die tijd komen we met de geannoteerde agenda en na die tijd met het verslag. We hebben bekeken hoe vaak dat is. Dat is dus twaalf keer per jaar. Dat is de intensieve manier waarop we de Kamer erbij betrekken. Ik schuif het dus niet weg. Ik doe echt mijn best om recht te doen aan de verantwoordelijkheid van de Kamer en haar ook in de gelegenheid te stellen die verantwoordelijkheid naar haar eigen zin waar te maken.

De voorzitter:

Ik hoop dat de heer Hijink daarmee gerustgesteld is. Er komen dus nog vele momenten.

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Ik heb een aanvulling. U noemde zonet het bedrijfsleven, de brancheorganisaties zoals VNO. Dat is zeer begrijpelijk.

De voorzitter:

Wilt u via de voorzitter spreken?

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Betekent dit dat u ook met de vakbonden om tafel zit om ook hun reacties en bezwaren op zo'n dossier mee te nemen?

Daarnaast geeft u aan dat het voor het najaar op de agenda staat. Anderzijds hebben wij begrepen dat het Europees Parlement volgens de huidige planning al in september zijn amendementen zou moeten indienen. Daar zou ik graag wat meer zicht op willen hebben.

Minister Kamp:

Amendementen waarop?

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Op de services card, op de dienstenkaart.

Minister Kamp:

De besluitvorming daarover vindt in het najaar plaats.

Ik kom op de vakbonden. Die zijn voor ons een even relevante partner als de werkgeversorganisaties. Wij hebben de overtuiging dat als het bedrijfsleven voor de belangen van bedrijven opkomt, het ook meteen voor de belangen van werknemers opkomt en dat dit een onderdeel is dat via de bedrijven in beeld komt. Daarnaast hebben wij ook apart overleg met de vakbonden, ook in dit geval. Dat zullen we ook blijven doen. Het zijn twee soorten overleggen. Ik heb reguliere contacten met de vakbonden, al dan niet in SER-verband, en daarnaast is er ook voortdurend ambtelijk contact. Mocht de Kamer apart geïnformeerd willen worden over wat er specifiek vanuit de vakbonden naar voren komt, dan zal ik dat graag doen. In algemene zin heeft de vakbeweging in Nederland er vooral groot belang bij dat Nederlandse werknemers geen oneerlijke concurrentie wordt aangedaan door buitenlandse werknemers vanuit de EU. Mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik willen dat je gelijk betaald wordt en gelijke arbeidskosten hebt als je in Nederland op dezelfde plaats gelijk werk verricht, of je nou wel of niet uit Nederland komt. Dat is de hoofdlijn waarop wij dat benaderen. Dat is ook in overeenstemming met de manier waarop de vakbeweging dat benadert.

Ik kom op de onderzoeksfinanciering en Horizon 2020. Ik zeg dat altijd in het Engels, maar de heer Van der Lee zei het in het Nederlands. Daar heeft hij gelijk in; dat is veel beter. Ik zal dat ook doen. Horizon 2020 is een groot Europees onderzoeksprogramma waarin heel veel geld gaat zitten en waaruit je op basis van kwaliteit van voorstellen geld kunt krijgen. In Nederland hebben we veel innovatie. Daarom zijn we ook de meest concurrentiekrachtige economie van Europa. Er is sprake van goede samenwerking tussen de provinciale overheden, de nationale overheid, alle kennisinstellingen, universiteiten, TNO en de vergelijkbare TO2-instellingen en het bedrijfsleven. Wij hebben de innovatie dus heel goed georganiseerd in Nederland. Er zijn ook allerlei goede incentives. Wij staan met onze innovatievoorstellen heel sterk bij het programma Horizon 2020. Nederland krijgt ongeveer anderhalf keer zo veel geld terug uit dat programma als het erin steekt. Een deel van dat geld gaat naar kennisinstellingen. Wat die kennisinstellingen doen, komt uiteindelijk bij het bedrijfsleven terecht. Een deel gaat rechtstreeks naar het bedrijfsleven. In het afgelopen jaar kwam een bedrag van 531 miljoen euro rechtstreeks bij het bedrijfsleven terecht. Daarvan ging meer dan de helft naar het mkb. Het gaat dus niet allemaal naar het grote bedrijfsleven. Het grote bedrijfsleven heeft in totaal slechts 13% uit het Horizon 2020-budget gehaald. Een deel gaat naar het mkb, een deel gaat naar kennisinstellingen en 13% gaat naar het grote bedrijfsleven. Laten we dat grote bedrijfsleven echter niet onderschatten. Philips is de grote patentenmotor in Nederland. Het haalt ongeveer 4.000 patenten per jaar binnen. ASML is onderdeel van een netwerk met 160 mkb-bedrijven in Nederland. Als je iets aan ASML geeft, heeft dat een enorme impact op alle mkb-bedrijven die daarbij betrokken zijn. Alle grote Nederlandse bedrijven leunen voor hun innovatie steeds meer op startups en mkb-bedrijven. Ze binden die aan zich en zijn ook heel blij als die worden geholpen om meer en beter te innoveren, omdat die innovatie uiteindelijk bij de grote bedrijven terechtkomt. Er is dus geen grote tegenstelling tussen grote Nederlandse bedrijven en mkb-bedrijven, als het gaat om de aanwending van de Horizon 2020-middelen. Ter geruststelling zeg ik tegen de heer Van der Lee dat meer dan de helft van het budget dat naar het bedrijfsleven in Nederland gaat, naar het mkb ging.

Wij doen het in Nederland goed op het punt van innovatie. Je ziet wel dat onze economie sterk groeit. Ik noemde vandaag in de Kamer al dat volgens een overzicht van The Economist – dat is een wat gekleurd plaatje voor ons, maar het is leuk voor mij om dat een keer te noemen – Nederland 3,4% groeit en dat Duitsland, Frankrijk en Engeland zo'n 1,7% groeien. Onze groei op dit moment is dus het dubbele, ook het dubbele van Europa. Die 3,4% is een beetje gekleurd. Als je dat corrigeert, kom je uit op 2,8%. Maar 2,8%, bijna 3% groei is heel mooi, wetende dat we met 1% krimp zijn begonnen. Onze economie groeit, ons bruto binnenlands product groeit en onze uitgaven voor innovatie groeien minder. Dat betekent dat het percentage van het bruto binnenlands product dat we aan innovatie besteden terugloopt. D66 heeft daar vaak op gewezen en heeft ook gezegd dat daar iets aan moet veranderen. Het heeft daarvoor ook geld vrijgemaakt in het verkiezingsprogramma. Wat dit betreft, ben ik het zeer met D66 eens. De heer Paternotte zegt dat we het voor onze economische groei van innovatie moeten hebben. Dat is bijna goed. Innovatie moet zorgen voor een hogere arbeidsproductiviteit. Daarvan moeten we het hebben om economische groei te kunnen blijven realiseren. Het is inderdaad een grote opgave voor het komende kabinet – ik begreep dat de fractie van de heer Paternotte daarbij in beeld is – om ervoor te zorgen dat op het punt van innovatie wordt gedaan wat er nodig is.

Ik kom bij het CBS. Ik ben positief over wat er gebeurt in verband met de bedrijfsstatistieken. Voor de tien verordeningen die daarover gingen, komt nu één stuk in de plaats. Dat is heel goed. Dat ene stuk leidt echter niet tot vermindering van de statistische informatieverplichting van de landen, en wat Nederland betreft voor het CBS, aan de Europese Commissie, maar het leidt er juist toe dat meer informatie aangeleverd moet worden. Ik vind dat geen goede zaak. Ik denk dat wij kritisch moeten zijn wat al die informatie betreft. Natuurlijk wil Europa alles en nog wat weten en het liefst nog iets meer. Ik denk echter dat dit selectief moet zijn: wat is echt nodig en wat kan redelijkerwijs worden gevraagd? Dat moeten wij dan ook aanleveren. Ik ben van plan om samen met andere lidstaten in Europa te bekijken hoe we ons maximaal kunnen inzetten om die Europese informatie-eis terug te brengen tot datgene wat redelijkerwijs noodzakelijk is voor Europa. Daar hebben we de gelegenheid voor en dat zullen we ook doen.

De heer Hijink heeft aangegeven dat het ook de vraag is hoe er wordt omgegaan met de vertrouwelijkheid van gegevens die van bedrijven afkomstig zijn. Het is heel terecht dat de heer Hijink dat zei. Dat is een belangrijk punt. Wij zullen bekijken of bedrijven hun gegevens in vertrouwen kunnen aanleveren en of er, behalve door het CBS, ook in Europa op een goede manier mee wordt omgegaan. Ik zeg de aandacht die hij daarvoor vraagt graag toe. Hij vraagt zich af of het CBS dit kan opvangen. Ik denk dat nadat wij, hopelijk met succes, de Europese informatie-eis hebben beperkt tot datgene wat redelijk is, het voor het CBS is op te vangen. Of dat allemaal het geval is, zal blijken als we in de loop van de komende maanden verder hierover spreken.

De voorzitter:

De heer Hijink.

Minister Kamp:

Misschien nog één punt voordat we naar de heer Hijink gaan. Dan heb ik dit punt afgerond. Europa kent zichzelf ruime bevoegdheden toe bij de vaststelling van nadere regelgeving op het punt van statistieken en statistische informatie. Wij staan daar heel kritisch tegenover. Ik denk dat de landen dat zelf heel goed kunnen regelen en dat het niet nodig is dat er meer bevoegdheden naar de Europese Commissie worden overgeheveld.

De heer Hijink (SP):

Mijn zorg zat er vooral in dat de regering flink heeft gesneden in het budget voor het CBS en dat het CBS de opdracht heeft gekregen om veel minder statistische informatie te verzamelen. Als het resultaat van dit hele proces is dat er nog meer werk op het bordje van het CBS komt, dan zal dat ten koste gaan van wat het CBS nu nog wel doet, want dat zal dan moeten worden verminderd. Of de Minister moet toegeven dat er dan geld bij zal moeten om het niveau op peil te houden. Ik hoor graag hoe hij daartegen aankijkt.

Minister Kamp:

De heer Hijink zal in de verkiezingsprogramma's van zijn partij en alle andere partijen zien dat er voortdurend druk is om de overheid kleiner te maken en om te bezuinigen op de overheid. Zijn partij heeft het financiële plaatje onder andere rondgemaakt door middel van bezuinigingen bij de overheid. Bezuinigingen bij de overheid worden voor een deel bij de kernministeries, bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, bij het Centraal Planbureau en bij het CBS neergelegd. Dat moet allemaal worden vertaald in het komende regeerakkoord. Ik heb er een persoonlijke mening over. Ik denk dat de overheid in Nederland op een hoog niveau functioneert, wat in het algemeen belang van Nederland en zeker ook in het belang van het bedrijfsleven is. We moeten daar voorzichtig mee omgaan. Wat je eenmaal afbreekt bij de overheid, bouw je niet zomaar weer op. We zullen bekijken hoe dat in het komende regeerakkoord zal komen te staan.

Ondanks de bezuinigingen die bij het CBS zijn doorgevoerd, heeft men toch extra dingen kunnen doen binnen het budget. Als de heer Hijink een keer op bezoek gaat bij het CBS, moet hij eens de warroom bekijken van waaruit de communicatie plaatsvindt om de berichten van het CBS goed in de pers te krijgen. Het lijkt wel of je bij CNN bent, met al die schermen eromheen en zo. Het is echt helemaal prima voor elkaar. Binnen hun budget hebben ze toch nog bepaalde keuzes voor door hen belangrijk geachte prioriteiten kunnen maken. Ik sprak er net over dat Europa niet meer informatie moet verzamelen dan echt noodzakelijk is. Wij hebben dat in Nederland zelf al gedaan. Wij hebben heel kritisch bekeken welke informatie wij door het CBS lieten verzamelen. Toen wij zagen dat het budget daarvoor verminderd moest worden, hebben wij ook onze informatiebehoefte verminderd.

De heer Hijink (SP):

Volgens mij is het niet per se een aanbeveling als je een soort warroom met gave schermen en puike propaganda optuigt. Dat kan ook ten koste gaan van de statistieken en het onderzoek waarvoor je juist bent aangesteld. Naar belangrijke onderwerpen wordt nu geen onderzoek meer gedaan. Op het gebied van veiligheid moeten ze dingen laten vallen. Ze gaan heel veel data over financiële markten en pensioenfondsen niet meer verzamelen. Wij staan niet achter die keuze, maar de Minister wel. Het is mogelijk dat er nog meer zal moeten worden ingeleverd als gevolg van eisen die Brussel stelt en die door de Minister worden gesteund. Volgens mij is dat een stap te ver. Het zou goed zijn als de Minister nu uitspreekt dat we dat niet gaan doen. Als er extra eisen komen, dan moet daarvoor ook budget worden geleverd, zodat het CBS in ieder geval niet nog verder moet snijden in zijn dienstverlening.

Minister Kamp:

In algemene zin ben ik het ermee eens dat je er geld bij moet leggen als je extra dingen vraagt, hoewel het mijn ervaring is dat men niet in de rij staat om geld in te leveren als er ergens wat minder gevraagd wordt. Het is dus altijd belangrijk om het evenwicht tussen geld vragen en geld krijgen te bewaken. Ik denk dat wij in Nederland een evenwicht hebben tussen het actief optreden van het CBS naar buiten toe, en het verzamelen van informatie door het CBS voor Nederlandse behoeften en voor Europese behoeften. Ik denk dat die goed met elkaar in evenwicht zijn. Het zal voor de nieuwe kabinetsperiode weer opnieuw beoordeeld worden, maar daar ben ik in ieder geval niet bij. Dit kabinet is daar niet bij. Er komt een nieuw kabinet. Het zal straks dus toch weer opnieuw moeten worden beoordeeld. Het gaat er nu om dat wij merken dat Europa extra vragen gaat stellen. Het is mijn inzet om dat terug te dringen, om ervoor te zorgen dat het CBS niet meer doet dan redelijk is. Ik denk dat dat kan met hetzelfde dat het nu al krijgt, misschien in een wat andere vorm, misschien met andere prioriteiten. Mijn inzet is dus om ervoor te zorgen dat er vanuit Europa geen extra druk op het CBS wordt gelegd. Mocht dat wel het geval zijn, dan zullen we zien hoe het volgende kabinet daar vervolgens mee omgaat.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de Minister doorgaat met de beantwoording.

Minister Kamp:

Dat was het wat betreft deze richtlijn.

De heer Paternotte vroeg naar de European Spallation Source. Nederland heeft nog niet besloten om daar lid van te gaan worden. Als je daar lid van wordt, komt er geld beschikbaar maar moet er ook cofinanciering geregeld worden. Die cofinanciering is op dit moment niet beschikbaar. Nederland behoort op veel wetenschappelijke terreinen niet alleen tot de Europese top maar tot de wereldtop. We zullen de komende tijd blijven bekijken hoe we vanuit onze sterke positie wel of niet samen met andere landen in programma's kunnen meedraaien. Ik heb al aangegeven wat we allemaal doen op het punt van Horizon 2020 en hoe succesvol we daarmee zijn. Wat betreft alternatieven en andere mogelijkheden zoals die nu door de heer Paternotte aan de orde worden gesteld, hebben wij nog niet besloten om het te gaan doen. Ik ben demissionair, dus of dat straks het geval zal zijn, zal door mijn opvolger in het kabinet aan de orde worden gesteld en daar zal erover besloten worden. Van mij krijgt de Kamer op dat punt geen initiatieven meer.

Ik kijk even welke onderwerpen ik verder nog heb. Ik moet in ieder geval nog even iets zeggen over wat er allemaal speelt rond overnames. De Kamer heeft gemerkt dat ik daar de afgelopen tijd druk mee bezig ben geweest, omdat ik daar opvattingen over heb. Het kabinet heeft daar opvattingen over. Die zijn in een brief aan de Kamer neergelegd. Wat er nu gaat gebeuren, is dat wij over onze opvattingen gaan spreken met het georganiseerde bedrijfsleven, met experts en natuurlijk met de Kamer. Nadat die gesprekken met het bedrijfsleven, de experts en de Kamer hebben plaatsgevonden, waarin de lijn die het kabinet heeft neergezet aan de orde is geweest, zullen we aan de hand van dat geheel onze lijn opnieuw bepalen.

Als er op voldoende korte termijn een kabinet tot stand komt, lijkt het mij het meest logisch dat het omzetten in een wetsvoorstel door mijn opvolger wordt gedaan. Ik zal daar graag zo veel mogelijk het voorbereidende werk voor doen. Als u er nu met elkaar voor zorgt dat er tijdig een kabinet is, dan hoef ik op dat punt niet nog een stap verder te gaan. Ik vind de overnames een heel belangrijk punt. Ik vind dat we heel veel te beschermen hebben en dat we dat op een verantwoorde, proportionele manier moeten doen. Als het overleg met de Kamer, het bedrijfsleven en de deskundigen daar aanleiding toe geeft, dan zal ik met een wetsvoorstel komen als dat noodzakelijk blijkt te zijn omdat het te lang duurt voordat er een nieuw kabinet is.

Ik begrijp dat de Kamer hier nog een hoorzitting over gaat organiseren en hierover, naar ik meen op 13 juni, met mij een overleg wil voeren. Ik ben daar heel graag voor beschikbaar. Ik zal ervoor zorgen dat ik tegen die tijd, of kort daarna, de overleggen die ik net heb genoemd, heb afgerond. Dan kunnen we wat mij betreft nog voor het zomerreces voor onszelf de zaak op een rij hebben, aansluitend op de brief die de Kamer net van mij namens het kabinet heeft gekregen.

Laat ik eens bekijken of ik hiermee de meeste vragen afdoende heb beantwoord. Mocht dat niet zo zijn, dan hoor ik het graag in de tweede termijn en zal ik daarin graag opnieuw mijn best doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Wij gaan over naar de tweede termijn. De heer Paternotte krijgt natuurlijk alsnog de gelegenheid om de dringende vraag die hij wilde stellen, daarin mee te nemen. De spreektijd is anderhalve minuut. Ik geef het woord aan de heer Weverling.

De heer Weverling (VVD):

Voorzitter. Even over de e-kaart ...

De voorzitter:

Ik moet er zelf even aan wennen, maar zelfs de tweede termijn hoort u inderdaad van achter het katheder te doen. U bent dus van harte welkom om achter dat prachtige spreekgestoelte te gaan staan. Ik dank de heer Paternotte ervoor dat hij even meedacht, heel goed! Ik was alweer teruggekeerd in het oude stramien. Bij dezen is het woord aan de heer Weverling.

De heer Weverling (VVD):

Voorzitter. Wij hebben wat zorgen geuit over de e-kaart. Die zorgen heeft het kabinet ook. Er werd gezegd: dit is eigenlijk wel een stap in de goede richting. Dat denken wij ook, maar tegelijkertijd zijn we bang dat er weer heel veel wordt opgetuigd. Ik had daarover een vraag. Die betrof met name: gaan wij nog een extra autoriteit in het leven roepen, of wordt het ergens ondergebracht, bij RVO of iets dergelijks? Die vraag zou ik graag nog beantwoord zien. Wij onderschrijven de richting namelijk wel, maar we zitten niet te wachten op allerlei extra administratieve lasten. We blijven dus graag goed aangesloten bij en goed op de hoogte van de verdere richting waarin de e-kaart wordt uitgerold, omdat we er best wat kritische punten over hebben.

Wat betreft de ACM krijg ik de indruk dat we toch nog een beetje op een verschillend level praten. Wij willen eerst weten wat de bevoegdheden zijn en pas dan kunnen we goed beoordelen of de richtlijn voor de versterking van de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten de juiste is. Ik hoorde de Minister zeggen: dat is allemaal in kaart. Wellicht, maar wij hebben dat te weinig op ons netvlies. Eigenlijk willen we dat wel eerst hebben voordat we hier echt enthousiast over kunnen zijn en daarover behandelafspraken maken. Ik begrijp dat een behandelvoorbehoud niet meer mogelijk is, maar wat behandelafspraken over communicatie zouden erg prettig zijn.

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Voorzitter. De Minister heeft uitgebreid gesproken over de e-kaart. Hij heeft met name gezegd dat hij de punten van misbruik en fraude ziet. Hij heeft ook aangegeven de Kamer twaalf keer per jaar te informeren, voor de Raad en naderhand nog met een verslag. Maar het echte werk vindt natuurlijk plaats in het Coreper. Als wij hier nu al praten over de Raad van aanstaande maandag, zijn we al een beetje aan de late kant. Wij willen dus graag van de Minister horen of hij bereid is om voordat de informatie naar het Coreper gaat, met ons te delen wat daar op de agenda staat en besloten moet worden. Wij kwamen daarop door wat in de notitie staat, namelijk dat het Coreper op 10 mei al over de gereglementeerde beroepen heeft gesproken. Dat was nog voordat wij hier überhaupt over dit fiche met de Minister konden spreken. Wij maken ons dus ernstig zorgen over de invloed die wij nog kunnen hebben op het Europese besluitvormingsproces. Als de Minister kan toezeggen dat hij ons voor het Coreper van informatie voorziet, een week ervoor of zo, en dat wij daar nog op kunnen reageren, dan zouden wij daar zeer verheugd over zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Hijink van de SP. Hij ziet af van een tweede termijn. Dan is het woord aan de heer Van der Lee van GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de Minister heel hartelijk voor de antwoorden. Het is zo'n eerste keer toch even zoeken naar waar dit overleg nou eigenlijk over gaat, wat er allemaal langskomt en hoe ik daar als nieuw Kamerlid een beetje greep op kan krijgen. Dank ook voor de verhandeling over hoe het in het algemeen werkt in Europa, maar ik was eigenlijk benieuwd naar wat specifiek uw eigen rol daarin is. Voor mijn goede begrip wilde ik ook weten in hoeverre er weleens linken gelegd worden tussen dossiers die in de Raad Concurrentievermogen worden behandeld. Als u contacten hebt met uw Duitse collega's, zoals u zei, in hoeverre worden die dossiers dan weleens gekoppeld? Het is voor mij belangrijk om voor de komende jaren te weten hoe dat in de praktijk gaat. Het gaat mij dus meer om uw eigen rol dan om het proces in het algemeen. Over dieselgate bent u klip-en-klaar geweest. Het is maandag gewoon ja of nee zeggen, als ik het goed begrepen heb. Er is dus geen ruimte meer voor een verbetering, maar in uw ogen hoeven wij ook op geen enkel punt een verslechtering te vrezen. Ik hoop dat u dat nog even wilt bevestigen, want op zich zijn we natuurlijk wel blij met wat er ligt. Het is veel beter dan de situatie daarvoor en hopelijk is het ook effectief als het maandag wordt afgekaart.

Ik ben blij met wat er gezegd is over Horizon 2020.

Ik had nog een vraag gesteld over de kritiek op het overschot op de Nederlandse betalingsbalans. Ik zou het heel fijn vinden als de Minister daar heel kort op in kan gaan.

De voorzitter:

Ik wil toch even meegeven dat we hier spreken via de voorzitter. Ik weet dat het in de beginfase altijd zoeken is. Ik zeg dit ook voor de Minister, want hij begon ook rechtstreeks te antwoorden.

De heer Paternotte (D66):

Voorzitter. Wat betreft mededingingsautoriteiten zijn wij in ieder geval gerustgesteld, omdat de Minister aangeeft dat het gaat om minima, waar wij onze eigen eisen bovenop kunnen leggen.

Het is mooi dat de Minister aangeeft dat de e-kaart een eerste stap kan zijn en dat we die verder moeten optuigen, misschien wel in de richting van de mooie Raad die de Minister hier in Nederland heeft voorgezeten.

Over de typegoedkeuring van voertuigen maken wij ons nog wel steeds grote zorgen, simpelweg omdat er grote druk is vanuit de auto-industrielanden om de maatregelen die er nu liggen, verder te versoepelen. Het compromis is daar een voorbeeld van. Dat is een uitgebreid compromis. Wij willen voorkomen dat tijdens de Raad een volgende stap in de versoepeling gezet wordt. We zijn ervan overtuigd dat de Minister ook op die lijn zit. We horen hier ook iedereen van links tot rechts, van de heer Weverling tot de heer Van der Lee, zeggen dat we ervoor moeten zorgen dat de consument, maar ook het milieu en onze gezondheid beschermd worden tegen sjoemelsoftware. De vraag is of we dat nu echt effectief kunnen gaan aanpakken op Europees niveau.

Wat betreft de Overnamerichtlijn gaf de Minister aan hoe een en ander in Nederland in zijn werk gaat, maar wij zien het ook als een Europees thema. Een gelijk speelveld kan Nederlandse bedrijven helpen. Is de Minister ook bereid om dat in Europa aan de orde te stellen? En heeft hij het idee dat een jaar bedenktijd past binnen de Europese Overnamerichtlijn?

Op het punt innovatie hield de Minister een prachtig, geïnspireerd verhaal over bedrijfsleven, mkb, TO2-instellingen en de samenwerking daartussen. Ook deed hij de mooie oproep om het verkiezingsprogramma van de D66 tot kabinetsbeleid te maken. Dank daarvoor. Ik was afgelopen weekend op het VVD-congres en ik merkte dat de Minister daar ook over enig gezag beschikte. Hij mocht zelfs op het podium een en ander vertellen. Ik vraag de Minister dus om dit ook bij die partij onder de aandacht te brengen.

Onze vraag ging natuurlijk over Europese investeringen in innovatie. Daarover staat op de agenda dat het de Nederlandse inzet is om die op peil te houden. Is de Minister van mening dat ook op Europees niveau de investeringen in innovatie opgevoerd dienen te worden?

De voorzitter:

Ik bekijk even of de Minister nog een schorsing nodig heeft. Hij schudt van nee, dus hij gaat over tot de beantwoording. Het woord is aan de Minister voor de beantwoording in tweede termijn.

Minister Kamp:

Voorzitter. De heer Weverling had twee verstandige punten. Ik zal aan beide tegemoetkomen. Hij wil geen extra autoriteit hebben voor het toezicht dat er moet komen. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft voor wat betreft de e-card. Daar moet geen aparte autoriteit voor komen. Dat is een belangrijk punt in het verdere overleg dat hierover Europees moet plaatsvinden. We hebben daarover nog niet besloten, noch in Nederland, noch in Europa. Ik denk dat we daarvoor zowel wat betreft Europa als wat betreft Nederland een vorm moeten kiezen die praktisch is. De heer Weverling heeft een grote terughoudendheid voor wat betreft het oprichten van nieuwe autoriteiten. Die terughoudendheid heb ik ook. We zullen eens bekijken hoe dat uiteindelijk tot een resultaat zal leiden.

Dan het tweede punt van de heer Weverling. Hij zegt dat ik mooie dingen heb verteld over de ACM en dat het allemaal wel meevalt, maar vraagt zich af hoe het was voordat Europa zich ermee ging bemoeien en hoe het zal worden als Europa zich ermee bemoeit. Ik denk dat ik dat inzichtelijk moet maken voor de Kamer. Ik zeg dus toe dat wij dat overzicht aanleveren.

Mevrouw Van den Berg vroeg of ik de Kamer ook wil informeren over de Coreper-agenda. Dat ga ik niet doen. Het is een ambtelijk overleg en naast het communiceren met de Kamer moet ik ook gewoon mijn eigen werk kunnen doen. Er moet een heleboel gebeuren in Europa. We moeten met de 28 landen tot een compromis zien te komen. Het Coreper speelt daarin altijd een heel belangrijke rol. Mijn momenten zijn de Europese Raden, in dit geval de Raad Concurrentievermogen. Dan spreek ik met de Kamer over de agenda en later over het verslag. Naar aanleiding daarvan kan ik de Kamer nog extra informatie geven. De Kamer kan mij bij de behandeling van die stukken ook om extra informatie vragen, maar ik wil niet, naast het circuit dat wij al opgezet hebben en dat is gericht op de bestuurlijke momenten, ook nog een informatiecircuit opzetten dat gericht is op de ambtelijke overleggen, met name het Coreper-overleg. Op dat punt wil ik dus niet ingaan.

Ik denk dat ik daarmee de vragen van mevrouw Van den Berg heb beantwoord. Is er nog een punt blijven liggen volgens haar?

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Alleen de vraag of het klopt dat in het Coreper al een besluit is genomen of een algemene richting is bepaald over de gereglementeerde beroepen, voordat wij daarover hier met elkaar hebben gesproken. Daar zit onze zorg.

Minister Kamp:

Dat is goed mogelijk, want die Coreper-vergaderingen vinden voortdurend plaats. Wij proberen daarin om grote verschillen tussen landen te overbruggen. Een land als Nederland wil bijvoorbeeld graag veel doen op dit punt, terwijl andere landen heel terughoudend zijn. Dat is afhankelijk van de gelegenheid die zich voordoet. Als wij denken dat we stappen vooruit kunnen zetten in een Coreper-overleg, dan doen wij dat. Maar ik probeer natuurlijk mijn communicatie met de Kamer op geen enkele manier te laten doorkruisen door dat Coreper-overleg. Dit is ons eerste overleg, maar mevrouw Van den Berg is in het komende jaar twaalf keer, en desnoods vaker, in de gelegenheid om met mij inhoudelijk over zaken te spreken. Ik kan haar verzekeren dat zij dan alle ruimte krijgt om ook hierover inhoudelijk met mij van gedachten te wisselen. Ik heb al aangegeven dat ik geen aparte afspraken over informatie-uitwisseling en overleg over de besluitvorming in het Coreper wil maken, omdat ik denk dat dat geen goede zaak zou zijn.

De heer Van der Lee is twee keer begonnen over uitruil. Hij vroeg zich af wat mijn rol daarin in is. Ik ruil nooit uit. Ik houd niet van dat soort dingen en ik kan het ook niet goed. Je hebt een dossier, waarop je moet proberen tot iets te komen. Ik maak dan voor mezelf uit wat ik denk dat het beste zou zijn. Vervolgens ga ik er met anderen over praten. Ik probeer dan om met hen zo dicht mogelijk bij mijn eigen standpunt uit te komen en dat is het dan. Ik heb in de bijna twaalf jaar dat ik in Europese Raden zit nog nooit verschillende dingen aan elkaar gekoppeld. Als ik namelijk dingen aan elkaar koppel, koppelt een ander ook dingen aan elkaar. Dan ontstaat er een kluwen, waar je niet meer uit komt. Ik denk dat het heel moeilijk is voor degenen die ons moeten controleren, om dat te volgen. Het past ook niet in het transparantieverhaal, dat ik belangrijk vind, zeker vanuit Europa. Wij zijn als nationale overheid heel transparant; in Europa is dat al een stuk moeilijker. Als ik daar allerlei dossiers ga uitruilen, wordt het nog lastiger. Maar goed, ik heb ook niet de wijsheid in pacht. Het kan best zijn dat anderen daar op een heel verantwoorde manier toch resultaten mee bereiken. De heer Van der Lee vraagt echter naar mijn rol en ik heb het op deze manier gedaan.

De heer Van der Lee zei dat hij wel aanneemt dat er maandag geen verslechtering komt op het punt van de typegoedkeuringen en alles wat daarmee samenhangt. Ik verwacht dat maandag het heel uitgebreide compromis aangenomen zal worden, waar lang over gesproken is en dat nu door het voorzitterschap is gepresenteerd. Maandag zullen echter 28 landen achter elkaar het woord nemen en dingen zeggen. Het zou in theorie, maar dat gebeurt zelden, ook nog kunnen dat de landen op elkaar gaan reageren en er discussies ontstaan. Het zou dus in theorie kunnen dat daaruit verbeteringen of verslechteringen naar voren komen, maar mijn ervaring is dat dat nooit gebeurt. Je kunt de onderhandelingen niet in zo'n openbare vergadering met 28 landen voeren en dan denken dat je aan het eind van die vergadering een conclusie kunt trekken. Dat lukt niet, omdat je bij nieuwe punten toch vaak af moet wijken van datgene waarvoor je dekking hebt vanuit je eigen parlement of je eigen kabinet. Je speelruimte in die vergaderingen is klein. Ik denk dan ook dat het maandag zal blijven bij dat compromis van het voorzitterschap. Ik kan niet garanderen dat het zo zal zijn, maar dat is mijn oprechte inschatting.

De heer Van der Lee sprak over de betalingsbalans. Nederland heeft een groot overschot op de betalingsbalans. Ik ben daar eigenlijk wel trots op. Laten de andere landen dat ook maar voor elkaar proberen te krijgen. Wij hebben een overschot op de betalingsbalans, omdat ons bedrijfsleven in staat is om producten en diensten te leveren die in de wereld gewild zijn en waar de wereld voor wil betalen. Ik was anderhalve week geleden in Beieren, Duitsland. Beieren is heel trots; de mensen daar zijn echt heel zelfbewust, ook in de industrie en in het bestuur. Zij vertelden wat ze allemaal naar Nederland exporteerden: al die BMW's die uit Beieren komen en weet ik wat allemaal. Er gaat 6 miljard per jaar van Beieren naar Nederland. Dat is waar, maar ik kon ze vertellen dat er 9 miljard van Nederland naar Beieren gaat. Dat is Nederland. Wij zijn de vijfde exporteur van goederen van de wereld. Dan kun je zeggen: dat is vanwege de haven van Rotterdam. Maar wij zijn ook de zesde exporteur van diensten van de wereld. We zijn de meest concurrentiekrachtige economie van Europa. Wij exporteren dus meer dan we importeren en we verdienen meer dan we uitgeven. Dat is een goede zaak. Ik ben daar blij mee. Laat anderen ook maar hun best doen. Ik ga als demissionair Minister geen uitspraken meer doen over de vraag of dat ook in Nederland moet leiden tot hogere lonen. Ik heb daar wel opvattingen over. Ik zou een heel verhaal kunnen houden over sectoren. Ik denk dat er sectoren zijn waarin dat zeker kan en sectoren waarin dat heel slecht zou zijn voor de werkgelegenheid. Maar dat genuanceerde verhaal heb ik al vaak kunnen vertellen en mijn opvolger zal daarover in de toekomst ook nog vaak met de heer Van der Lee van gedachten wisselen.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik zal u niks meer vragen over de toekomst, Minister. Maar ik wil toch even iets opmerken over het verleden. Nederland heeft al 35 jaar een overschot op de betalingsbalans, dat ook heel erg groot is. Het is nu iets kleiner; het lag eerder zelfs boven de 10% van het bnp. We hebben in Europa de afspraak dat landen proberen om binnen een bepaalde bandbreedte te blijven, namelijk tussen –4 en +6. Nederland zit al heel lang boven die bandbreedte. Dat leidt ook tot onevenwichtigheden in de Europese economie. De zuidelijke landen kunnen eigenlijk te weinig verdienen aan een land als Nederland, omdat wij onze binnenlandse vraag toch wel vaak hebben afgeremd, ook door jaren van loonmatiging. Ik begrijp dus de blijdschap over de kracht van de Nederlandse exportindustrie, maar ik vind het toch vreemd dat u de andere kant, die onevenwichtigheid die deze kracht in Europa veroorzaakt, niet problematisch vindt. Daar is de afgelopen jaren namelijk niets aan gedaan. Ik zal niet u daarop aanspreken, Minister, maar het met uw opvolger bespreken. Maar ik denk wel dat Nederland, samen met Duitsland, de verantwoordelijkheid heeft om daar in de toekomst iets aan te doen.

Minister Kamp:

Dat ben ik met de heer Van der Lee eens, maar ik vind wel dat dat er vooral toe moet leiden dat wij Zuid-Europese landen aansporen om sterker te staan op de Europese markt en de wereldmarkt, vooral door meer kwaliteit te leveren voor een betere prijs met betere service. Het is voor hen net zo goed een uitdaging als voor ons. Als wij erin slagen om dat te doen en andere landen nog niet, dan moeten we zeker in Europees verband samenwerken om hen ook zover te krijgen. De heer Van der Lee zegt dat we meer moeten doen in de sfeer van uitgaven in Nederland en investeringen in Nederland, waardoor vanuit andere landen ook meer aan Nederland verdiend kan worden. Daarmee legt hij helemaal geen rare verbinding. Dat mag ook. Ik denk dat dat de komende tijd opnieuw aan de orde zal komen en ik wens hem daar heel veel succes mee.

De heer Paternotte vroeg naar de Overnamerichtlijn. Ik heb nu gezegd waar het kabinet toe neigt en wat wij met de Kamer gaan bespreken. Zijn vraag was met name hoe dat zich verhoudt tot de Europese regels. Dat jaar bedenktijd heeft niets te maken met wat in de Europese Overnamerichtlijn staat. Als we dat gaan doen, is dat dus niet in strijd met een bepaalde bepaling in die Overnamerichtlijn. Het is wel zo dat je het geheel van Europese regels moet bekijken en los moet laten op onze voornemens. Wij hebben dat gedaan en ik ben ervan overtuigd dat de lijn die wij nu in de brief aan de Kamer hebben neergezet, binnen het Europese juridische kader past. In de gesprekken die we de komende tijd nog gaan voeren op dit punt, ook met deskundigen, zullen we het daar nog nader over hebben. Aan de hand van die gesprekken kan er ook nog een verdere verbijzondering plaatsvinden van onderdelen van onze plannen. Maar wij hebben de overtuiging dat het kan. Ik zal dat ook graag verdedigen in het debat hierover met de Kamer en ik zal het ook nog nader bespreken met degenen die er hun specialisme van hebben gemaakt om daarover geïnformeerd te zijn en daar opvattingen over te hebben.

De heer Paternotte spoorde mij aan om ook bij de VVD aandacht te vragen voor innovatie. De VVD heeft daar aandacht aan gegeven door mij op deze plek neer te zetten, bij Economische Zaken. Toen wij begonnen, was er een economische krimp van 1%. Nu we ermee ophouden, zitten we op een economische groei van bijna 3%. De werkgelegenheid stijgt sneller dan ze in tien jaar heeft gedaan. De werkloosheid daalt sneller dan ze in vele jaren heeft gedaan. Het aantal faillissementen is erg laag. De koopkracht, de investeringen en de industriële productie nemen toe. Een belangrijk onderdeel van het Nederlandse succes is de manier waarop wij omgaan met innovatiemiddelen. Ik ben ervan overtuigd dat wij dat heel goed op orde hebben. Er zijn verbeteringen denkbaar wat betreft de hoogte van het budget. Op dit punt kan ik mij vinden in de lijn van de heer Paternotte en zijn fractie. En dat is maar goed ook, want er zijn nog een heleboel andere punten van D66 waarin de VVD zich zal moeten kunnen vinden, en andersom, om tot een nieuw kabinet te kunnen komen. Hetzelfde geldt voor mevrouw Van den Berg, en ik had het ook heel graag laten gelden voor de heer Van der Lee.

De voorzitter:

De heer Paternotte heeft nog een korte nabrander.

De heer Paternotte (D66):

Ja, voorzitter. Na al die mooie woorden over innovatie en het programma van D66, en met ook nog 3,4% economische groei, zou ik bijna tegen de Minister zeggen: ga toch niet terug naar Drenthe. Maar ik heb een vraag over de Overnamerichtlijn. Wij zien het als een Europees thema. Ziet de Minister dat ook zo? Europese landen hebben allerlei verschillende vormen van bescherming, of het nou differential voting rights zijn of een takeover panel, zoals in het Verenigd Koninkrijk.

De voorzitter:

Oei, oei, oei. Allemaal Engelse terminologie!

De heer Paternotte (D66):

Pardon. Ik bedoelde: verschillende aandeelhoudersstemrechten of een overnamecommissie. Mijn vraag is of de Minister dat ook zo ziet en of hij het wenselijk vindt dat de Overnamerichtlijn zo wordt herzien dat er een gelijker Europees speelveld ontstaat met betrekking tot vijandige overnames.

Minister Kamp:

Ja, ik denk dat daar veel voor te zeggen is. De eerste stap zou kunnen zijn om in Europees verband de reciprociteit nader te gaan bekijken. De Verenigde Staten hebben bijvoorbeeld zo'n toetsingscommissie. Als er een overname is in Amerika vanuit bijvoorbeeld Nederland, dan kan die aangemeld worden bij die toetsingscommissie. Wat daar dan gebeurt, weet niemand. Op een gegeven moment komt daar al dan niet iets uit, en dat heeft allerlei effecten. In Frankrijk zijn de administraties van politiek en bedrijfsleven op een heel bijzondere manier met elkaar verweven. Dat heeft ook een dempende werking op overnames. In Italië hebben grote families grote belangen in de belangrijkste bedrijven; dat heeft ook weer een dempende werking. In Duitsland hebben de werknemersorganisaties een speciale positie in het bedrijfsleven. Dat wordt ook weer niet door iedereen in de wereld als even positief gezien. Er zijn in Europa dus allerlei zaken gaande. Ik denk dat het goed is om daar meer lijn in te brengen. Dat zou kunnen beginnen met aandacht voor reciprociteit. Dat betekent dat wij, als vanuit Amerika of vanuit China overnames worden gedaan in Europa, gaan bekijken welke mogelijkheden er zijn voor Nederlandse bedrijven om in de praktijk in China en in Amerika over te nemen. Als die verhouding gelijk is, zijn we heel blij. Als die niet gelijk is, dan is dat een reden om ons beleid daarop aan te passen. Hierover ligt er een verzoek van Italië, Duitsland en Frankrijk aan de Europese Commissie. In de brief die wij aan de Kamer hebben gestuurd, staat dat wij van plan zijn om dat initiatief te ondersteunen en de Europese Commissie te vragen om met voorstellen te komen. Dat zou zich op termijn ook nog verder kunnen vertalen in meerdere acties in de Overnamerichtlijn, zoals de heer Paternotte zegt.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we bijna aan het eind gekomen van dit AO. Maar eerst wil ik toch even mijn complimenten uitspreken aan de Minister, omdat hij toch in staat is geweest om de vele vragen die zijn ingediend te beantwoorden. De vraag is natuurlijk of ze ook naar behoren beantwoord zijn, maar dat horen we natuurlijk wel bij het aangekondigde VAO. Ook dank ik de leden van de vaste Kamercommissie voor hun souplesse bij het uitoefenen van hun rol in deze eerste fase en in deze nieuwe setting.

De Minister heeft de volgende toezeggingen gedaan.

  • De Minister zal de Kamer schriftelijk nader informeren over de onderhandelingen in de EU over het voorstel voor een verordening over toelating van en markttoezicht op motorvoertuigen en hun aanhangers. De Kamer ontvangt de brief voorafgaand aan de Raad Concurrentievermogen op 29 en 30 mei 2017.

Minister Kamp:

Ik heb een opmerking over deze eerste toezegging. Ik zal nagaan welke vragen van de Kamer zich daar nog voor lenen, welke dingen dus nog zijn blijven liggen. Als daarover twijfel is bij mij, zal ik rechtstreeks contact opnemen met de woordvoerders. Dat zal vandaag plaatsvinden. Ik denk dat het niet veel vragen zullen zijn, maar ik zal inventariseren wat er nog ligt en proberen dat zo snel mogelijk schriftelijk te beantwoorden.

De voorzitter:

Met deze toelichting kunnen de leden wel leven, denk ik. Ik ga naar de tweede toezegging.

  • De Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen voor de ACM van het EU-voorstel Richtlijn bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten en over de besluitvorming hierover in Europa.

Voor de rest van de toezeggingen verwijs ik naar het verslag, dat zal verschijnen.

Er is een VAO aangekondigd. Wordt dit VAO ook daadwerkelijk aangevraagd en, zo ja, wie is de eerste aanvrager?

Mevrouw Van den Berg-Jansen (CDA):

Volgens mij is het CDA de eerste aanvrager.

De voorzitter:

Uitstekend. Dan stel ik vast dat er een VAO zal plaatsvinden. Dat staat volgens mij ook al ingepland, om 19.00 uur in de plenaire zaal. De eerste spreker zal mevrouw Van den Berg zijn. Mijnheer Paternotte, hebt u daarover nog een vraag?

Minister Kamp:

Wanneer is het VAO?

De voorzitter:

Dat staat kennelijk voor vanavond 19.00 uur op de plenaire agenda. Mijnheer Paternotte?

De heer Paternotte (D66):

Ik vroeg me af hoe je op de sprekerslijst voor het VAO komt, maar dat is misschien iets wat ik ook na het AO kan vragen.

De voorzitter:

Dat kunt u regelen met de Griffie plenair.

De heer Weverling (VVD):

En ik vroeg me af of u de formulering van de tweede toezegging nog even kunt herhalen, want ik weet niet of ik daar heel enthousiast van werd.

De voorzitter:

Ik zal die voor u herhalen. De Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over de gevolgen voor de ACM van het EU-voorstel Richtlijn bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten en over de besluitvorming hierover in Europa.

De heer Weverling (VVD):

Ja, maar we willen graag weten wat de bevoegdheden zijn. Het gaat ons om de huidige bevoegdheden van de mededingingsautoriteiten, en met name die van de ACM. Daar hebben wij te weinig beeld bij.

De voorzitter:

Ik kijk naar de Minister.

Minister Kamp:

Ik heb goed begrepen wat de heer Weverling wil. Hij wil weten wat er verandert voor de ACM.

De heer Weverling (VVD):

Ja.

Minister Kamp:

Hoe was het eerst en hoe wordt het in de ogen van Europa in de nieuwe situatie? Hij wil dat door ons uitgewerkt op papier aangereikt krijgen, en dat krijgt hij.

De voorzitter:

Ik denk dat het hiermee voldoende toegelicht is.

De heer Van der Lee (GroenLinks):

Ik maak er toch even gebruik van dat dit punt nu terugkomt, omdat ik er in tweede termijn geen tijd meer voor had. De Minister zei in zijn bijdrage ook dat hij vreesde dat zijn mogelijkheden om richting de ACM te sturen op aandachtsgebieden verloren zouden kunnen gaan. Nu loopt al langer de volgende discussie. Het is op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen belangrijk om te bekijken of het mogelijk is om op mededinging iets meer ruimte te scheppen. Die discussie loopt nu ook op Europees niveau. Ik vroeg me af datgene wat nu in ontwikkeling is, mogelijk op gespannen voet staat met die wens en met de ruimte van een nieuwe Minister om ...

De voorzitter:

Mijnheer Van der Lee, ik begrijp uw vraag, maar het debat is afgelopen. Ik heb het afgerond en afgesloten. Wellicht kan de vraag bij een volgende gelegenheid gesteld worden.

Minister Kamp:

Voorzitter, misschien ...

De voorzitter:

De Minister wil er toch op ingaan.

Minister Kamp:

Als u toch de toezeggingen noteert, zeg ik de heer Van der Lee graag toe dat ik dit belangrijke punt apart zal behandelen in de eerstvolgende communicatie met de Kamer over wat er speelt bij de Raad Concurrentievermogen. De heer Van der Lee doelt op het in de nieuwe situatie al dan niet nog mogen geven van beleidsregels aan de ACM. Dat is een belangrijk punt, dat ik apart zal behandelen in de communicatie.

De voorzitter:

U ziet het, mijnheer Van der Lee. Als je het niet probeert, gebeurt er niks. Het is u toch gelukt. Ik verwijs voor deze toezegging naar het verslag; ik zal die niet herhalen.

Sluiting 18.24 uur.