Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201722112 nr. 2339

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2339 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 april 2017

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij twee fiches, die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Fiche: Mededeling Europees Interoperabiliteitskader (Kamerstuk 22 112, nr. 2338)

Fiche: Richtlijn versterken bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

Fiche: Richtlijn versterken bevoegdheden nationale mededingingsautoriteiten

1. Algemene gegevens

2. Essentie voorstel

a) Inhoud voorstel

De Europese Commissie (Commissie) constateert dat er nog veel onbenut potentieel is in de handhaving van het mededingingsrecht (kartelverbod en verbod op misbruik van economische machtspositie) door nationale mededingingsautoriteiten. Dit komt volgens de Commissie doordat veel nationale mededingingsautoriteiten nog niet de bevoegdheden hebben die zij voor een doeltreffende handhaving nodig hebben. Het richtlijnvoorstel heeft dan ook als doel de nationale lidstaten te dwingen hun mededingingsautoriteiten minimaal die bevoegdheden te geven. De verwachting van de Commissie is dat daarmee een doeltreffender handhaving van mededingingsregelgeving wordt gerealiseerd.

De reden dat de Commissie dit op Europees niveau wil regelen is dat de procedures in lidstaten die gelden bij de handhaving van concurrentieverstorende praktijken, zeer verschillend kunnen aflopen naargelang de lidstaat of lidstaten waar zij actief zijn. Een ongelijke handhaving van de mededingingsregels van de EU verstoort volgens de Commissie de mededinging op de interne markt en ondermijnt het systeem van gedecentraliseerde handhaving dat bij Verordening (EG) nr. 1/20031 is ingesteld. Zo kunnen grensoverschrijdende zaken naar gelang van het land waarin de zaak behandeld wordt een andere uitkomst krijgen. Bovendien is het van belang zeker te stellen dat de samenwerking tussen nationale mededingingsautoriteiten naar behoren werkt, om grensoverschrijdende onderzoeken te kunnen uitvoeren. Volgens de Commissie leert de ervaring dat lidstaten hun nationale mededingingsautoriteit niet uit zichzelf de benodigde bevoegdheden geven.

Concreet stelt de Commissie voor om minimumeisen neer te leggen over de volgende onderwerpen:

  • 1) De onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten. De richtlijn zou moeten borgen dat i) de nationale mededingingsautoriteiten hun taken en bevoegdheden zonder politieke of andere externe inmenging uitoefenen; ii) instructies van overheidsinstanties of andere publieke of private entiteiten uitdrukkelijk worden uitgesloten; iii) de nationale mededingingsautoriteiten zich onthouden van elk optreden dat niet verenigbaar is met de uitoefening van hun taken en bevoegdheden; iv) ontslag van hun bestuurders om redenen in verband met de besluitvorming in specifieke zaken verboden is; v) de nationale mededingingsautoriteiten de bevoegdheid krijgen om in individuele zaken hun prioriteiten te bepalen, waaronder de bevoegdheid om klachten te verwerpen vanwege die prioriteiten.

  • 2) De middelen die de nationale mededingingsautoriteiten tot hun beschikking hebben. Het richtlijnvoorstel voert de expliciete verplichting in dat de lidstaten erop toezien dat de nationale mededingingsautoriteiten beschikken over de nodige personele, financiële en technische middelen om hun kerntaken op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU uit te voeren.

  • 3) Onderzoeks- en dwangbevoegdheden. De richtlijn moet ervoor zorgen dat iedere nationale mededingingsautoriteit de bevoegdheid krijgt om bedrijfsruimten en andere ruimten te onderzoeken en te verzoeken om informatie, en de bevoegdheid krijgt om een verbod op bepaald gedrag uit te vaardigen en toezeggingsbesluiten te nemen.

  • 4) Geldboetes. Volgens het richtlijnvoorstel moeten geldboetes door alle nationale mededingingsautoriteiten zelf kunnen worden opgelegd en moet dit bijvoorbeeld niet via een strafrechtelijke route lopen. Bovendien moet het boetemaximum ten minste 10 procent bedragen van de wereldwijde omzet van de onderneming of ondernemersvereniging en moeten ook moederondernemingen voortaan in ieder land aansprakelijk gesteld kunnen worden voor het gedrag van een dochteronderneming.

  • 5) Clementie. Alle nationale mededingingsautoriteiten zouden door dit onderdeel van het richtlijnvoorstel immuniteit tegen en vermindering van geldboeten moeten kunnen verlenen aan partijen die een kartel aan het licht brengen, dan wel hieraan meewerken. Ook privépersonen die meewerken zouden door de richtlijn gevrijwaard moeten kunnen worden van vervolging.

  • 6) Wederzijdse bijstand. De nationale mededingingsautoriteiten die andere nationale mededingingsautoriteiten verzoeken een inspectie uit te voeren krijgen met het richtlijnvoorstel de mogelijkheid die bij te wonen. Bovendien worden regelingen ingevoerd waarmee de nationale mededingingsautoriteiten wederzijdse bijstand kunnen vragen en bieden voor de kennisgeving van besluiten en voor de invordering van geldboeten wanneer ondernemingen juridisch niet op het grondgebied van de verzoekende nationale mededingingsautoriteit aanwezig zijn of niet over voldoende activa beschikken om de geldboete op dat grondgebied te kunnen invorderen.

  • 7) Minimumeisen rond verjaringstermijnen en de procesgang.

b) Impact assessment Commissie

In het impact assessment zijn vier beleidsopties onderzocht. De voorkeursoptie behelst het onder 2a) beschreven wetgevend optreden op het niveau van de EU om de nationale mededingingsautoriteiten te voorzien van een minimum aan middelen en instrumenten voor een doeltreffende handhaving, aangevuld met zowel zachte actie als nadere regels waar nodig. Het gevolg van het richtlijnvoorstel is volgens de Commissie dat er door heel Europa meer effectieve mededingingsautoriteiten zijn. Dit zou uiteindelijk moeten leiden tot meer economische groei binnen Europa. De Commissie citeert dat ongeveer 3% van het Europees bruto nationaal product verloren wordt aan kartelvorming, dat is ongeveer EUR 250 miljard. De voorgestelde maatregelen dragen bij aan het oplossen van dit probleem. Ook geciteerde modelmatige berekeningen laten volgens de Commissie een positief effect zien van de maatregelen op de Europese economie.

De belangrijkste (beperkte) kosten van de voorgestelde maatregelen zijn gelegen in de kosten van het veranderen van wetgeving en mogelijk in de uitbreiding van staf van verschillende autoriteiten. Het bedrijfsleven in verschillende landen zal zich bovendien mogelijk moeten instellen op verandering van de wet.

Het impact assessment beschrijft een drietal alternatieve scenario’s:

  • 1) Niets doen. Dit leidt er volgens de Commissie toe dat de potentie van nationale mededingingsautoriteiten onaangeboord blijft en het doel van het versterken van de interne markt niet wordt bereikt.

  • 2) Verdergaande «softe» maatregelen. Dit kan volgens de Commissie een nuttige bron van verbetering zijn op onderwerpen waarvoor het European Competition Network (ECN) nog geen advies of leidraad heeft uitgebracht. De Commissie constateert evenwel dat dergelijke «softe» maatregelen tot dusver niet effectief zijn geweest en veel mededingingsautoriteiten nog steeds de benodigde instrumenten missen.

  • 3) Uniforme regels voor nationale mededingingsautoriteiten. De Commissie beschrijft dat dit effectief zou zijn, maar te ver zou gaan. Er lijkt nauwelijks meerwaarde te zijn ten opzichte van het voorkeursscenario van het stellen van minimumeisen, terwijl de lidstaten ervan zouden worden weerhouden naar eigen voorkeur zwaardere eisen neer te leggen.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het Nederlandse beleid is gericht op een onafhankelijke en effectieve uitoefening van het toezicht op de naleving van de (EU-)mededingingsregels door de nationale mededingingsautoriteit. Dit sluit aan op de doelen van het voorstel van de Commissie. Het sluit ook aan op Verordening 1/2003 die rechtstreekse toepassing introduceerde van alle

EU-mededingingsregels door nationale mededingingsautoriteiten en nationale rechterlijke instanties.

Sinds de inwerkingtreding van de Instellingswet ACM op 1 april 2013 is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de aangewezen mededingingsautoriteit in Nederland. Daarvóór was dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). Behalve op de Mededingingswet en EU-mededingingsregels houdt de ACM ook toezicht op de Wet handhaving consumentenbescherming en sectorspecifieke regelgeving (energie, telecommunicatie, vervoer en post). Het voorstel van de Commissie ziet alleen op de taken van de ACM op het terrein van de EU-mededingingsregels en op parallelle toepassing van de nationale mededingingsregels.

Bij de besluitvorming over de Instellingswet ACM is veel aandacht geweest voor de onafhankelijke institutionele positie van de ACM. De juridische status van het bestuur van de ACM («klein» zelfstandig bestuursorgaan (zbo), waarbij het personeel exclusief onder gezag staat van de ACM) en enkele aanvullende waarborgen garanderen dat de ACM haar wettelijke taken onafhankelijk uitvoert. Zo mag de Minister de ACM geen instructies geven in individuele gevallen en kan hij besluiten van de ACM in individuele zaken niet vernietigen. Voorts beschikt de ACM over voldoende middelen die zij zelfstandig en onafhankelijk kan inzetten. Ook is gewaarborgd dat bestuurders alleen op objectieve en in de wet verankerde gronden kunnen worden ontslagen. Daarmee is voldaan aan Europese onafhankelijkheidseisen die op het terrein van telecom, energie en vervoer al gelden. Tot slot is bij de instelling van de ACM rekening gehouden met voldoende middelen en bevoegdheden om effectief toezicht te kunnen houden.

b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Nederland onderschrijft het doel van het voorstel en neemt een positieve grondhouding aan omdat het voorstel bijdraagt aan effectieve handhaving van de Europese mededingingsregels. De ACM voldoet al aan de doelstellingen van het voorstel. Nederland plaatst een aantal kanttekeningen bij de noodzaak van het voorstel waar het gaat om harmonisatie van nationale mededingingsregels.

Het doel van het voorstel is een effectieve en onafhankelijke uitoefening van het toezicht op de naleving van de EU-mededingingsregels door nationale mededingingsautoriteiten. Dat doel draagt bij aan effectieve concurrentie op de Europese interne markt waar consumenten en bedrijven van profiteren.

Nederland vindt het van groot belang en zet zich ervoor in dat de maatregelen dienstig zijn aan de toepassing van de artikelen 101 (kartelverbod) en 102 (verbod op misbruik van economische machtspositie) VWEU (zoals artikel 103 VWEU vereist) zonder afbreuk te doen aan de institutionele en procedurele autonomie van lidstaten ten aanzien van de positionering en inrichting van mededingingsautoriteiten en de mate waarin daarvoor ministeriële verantwoordelijkheid kan worden afgelegd.

Daarbij is het ook van belang dat het richtlijnvoorstel niet leidt tot een inperking van de huidige bevoegdheden van de ACM als nationale mededingingsautoriteit. De ACM beschikt al over een volledig pakket aan doeltreffende onderzoeks- en beslissingsbevoegdheden. Zij is bij overtreding van de mededingingsregels bevoegd bindende aanwijzingen en doeltreffende en evenredige boetes op te leggen. De systematiek van boeteoplegging van de ACM (Boetebeleidsregel ACM 20142) sluit in hoge mate aan bij die van de Commissie. Ook is een clementieregeling van kracht (Beleidsregel clementie3). Hiermee voldoet de ACM – als Nederlandse mededingingsautoriteit – ruimschoots aan de door de Commissie genoemde doelstellingen.

Hoewel de door de Commissie geconstateerde verschillen tussen lidstaten in de handhaving van EU-mededingingsregels niet per definitie hoeven te leiden tot een suboptimale toepassing hiervan, onderkent Nederland dat het noodzakelijk is dat de basisvoorwaarden voor een effectieve handhaving van de EU-mededingingsregels in de gehele EU gegarandeerd zijn.

In zoverre neemt het kabinet een positieve houding in. In haar reactie op de consultatie van de Commissie over dit onderwerp heeft Nederland aangegeven dat als versterkte samenwerking tussen lidstaten binnen het netwerk van Europese mededingingsautoriteiten, in combinatie met aanbevelingen van de Commissie aan individuele lidstaten, onvoldoende zijn, Europese regelgeving aangewezen wordt geacht. Na bestudering van de resultaten van de consultatie en de impact assessment bij het voorstel acht Nederland Europese regelgeving evenwel aangewezen om de basisvoorwaarden voor een effectieve handhaving van de EU-mededingingsregels in de gehele EU te garanderen. In dat verband staat het kabinet er bijvoorbeeld positief tegenover dat de clementieregeling op Europees niveau wordt verankerd. Het kabinet beschouwt het voorstel in zoverre dan ook als een goede stap, maar er zijn ten aanzien van een aantal onderdelen van de richtlijn nog wel vragen.

Het toepassingsgebied van de richtlijn omvat de toepassing van de artikelen 101 (kartelverbod) en 102 (verbod op misbruik van economische machtspositie) VWEU en van bepalingen van nationaal mededingingsrecht die parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU op dezelfde zaak worden toegepast. Er kunnen zich op mededingingsterrein echter situaties voordoen waar het interstatelijk effect ontbreekt. Nederland acht het van belang dat voor die gevallen, waarin het uitsluitend gaat om de toepassing van nationale mededingingsregels, de lidstaten ruimte houden om beleidskeuzes te maken. Dit gaat dan om keuzes in de uitvoering, bijvoorbeeld ten aanzien van de zwaarte van het in te zetten instrument om een overtreding te sanctioneren. Het richtlijnvoorstel voorziet echter in onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen, waarbij niet geheel duidelijk is in hoeverre die ruimte wordt gewaarborgd. Nederland zal hier aandacht voor vragen.

Nederland is er ook nog niet voldoende van overtuigd dat onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen bij de parallelle toepassing van de EU-mededingingsregels op de wijze zoals voorzien in het richtlijnvoorstel nodig is, om verstoring van de mededinging als gevolg van ongelijke handhaving van de EU-mededingingsregels op te heffen. De argumenten die de Commissie heeft gegeven om deze noodzaak te onderbouwen overtuigen Nederland nog niet. In zoverre heeft Nederland vooralsnog twijfels over de noodzaak van dat deel van het voorstel.

Nederland zal nog in gesprek gaan met stakeholders over het richtlijnvoorstel om hun positie te vernemen.

c) Eerste inschatting van krachtenveld

Verwacht mag worden dat lidstaten die een traditie hebben met een onafhankelijke positionering van toezichtstaken (onder meer de Noord- en West Europese lidstaten) een positievere houding zullen hebben dan lidstaten waar dat minder het geval is. Uit de consultatie die de Commissie heeft gehouden bleek dat een meerderheid van de stakeholders voorstander was van gecombineerde actie op EU-niveau met nationale maatregelen.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

a) Bevoegdheid

De bevoegdheidsgrondslagen van het voorstel zijn de artikelen 103 en 114 VWEU. Artikel 103, eerste lid, VWEU verleent de Raad de bevoegdheid om verordeningen of richtlijnen vast te stellen die dienstig zijn aan de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU. Het tweede lid specificeert met welke doelen dergelijke verordeningen en richtlijnen mogen worden vastgesteld. Artikel 114 VWEU ziet op de harmonisatie van nationale wetgeving die de instelling en de goede werking van de interne markt betreffen.

De Commissie geeft aan dat artikel 103 VWEU is gekozen omdat het voorstel verschillende doelstellingen nastreeft die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hierbij gaat het om een exclusieve Europese bevoegdheid, als aan de voorwaarden van artikel 103 VWEU is voldaan. Het kabinet acht artikel 103 VWEU een juiste grondslag voor maatregelen die ervoor zorgen dat de nationale mededingingsautoriteiten over middelen en instrumenten beschikken om de artikelen 101 en 102 VWEU doeltreffender te handhaven aangezien dit bevorderlijk is voor de volle werking van de mededingingsregels.

Het voorstel beoogt ook de werking van de interne markt te versterken door ongelijke handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU aan te pakken. Ongelijke handhaving kan de mededinging op de interne markt vervalsen en de goede werking ervan ondermijnen. Indien dezelfde waarborgen en instrumenten niet beschikbaar zijn voor het nationale mededingingsrecht wanneer dat parallel met de artikelen 101 en 102 VWEU van toepassing is, leidt dit volgens de Commissie tot rechtsonzekerheid en dreigt dit een gelijk speelveld te ondermijnen. De met het voorstel beoogde onderlinge aanpassing van nationale wetgevingen gaat hiermee verder dan de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, zodat de rechtsgrondslag van artikel 103 VWEU volgens de Commissie niet volstaat. Om die reden baseert de Commissie het voorstel tevens op artikel 114 VWEU (interne markt). Dit betreft een gedeelde bevoegdheid tussen de Unie en de lidstaten. Het kabinet acht artikel 114 VWEU hiervoor een juiste grondslag maar plaatst wel kanttekeningen bij de subsidiariteit van dat deel van het voorstel.

b) Subsidiariteit

Voor zover het richtlijnvoorstel op artikel 103 VWEU is gebaseerd, is een oordeel over de subsidiariteit niet aan de orde, gegeven de exclusieve bevoegdheid van de EU ten aanzien van dit voorstel. Voor zover het richtlijnvoorstel op artikel 114 VWEU is gebaseerd is de grondhouding van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit vooralsnog positief met kanttekening. Nederland onderkent dat het noodzakelijk is dat de basisvoorwaarden voor een effectieve handhaving van de EU-mededingingsregels in de gehele EU gegarandeerd zijn. Nederland is er echter nog niet voldoende van overtuigd dat onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen in het geval van parallelle toepassing van de EU-mededingingsregels op Europees niveau moet plaatsvinden. De argumenten die de Commissie heeft gegeven om de noodzaak hiertoe te onderbouwen, overtuigen Nederland nog niet. Nederland zal hierover om nadere toelichting en verduidelijking vragen.

c) Proportionaliteit

Het kabinet beoordeelt de proportionaliteit van het voorstel positief, met kanttekeningen. Na bestudering van de resultaten van de consultatie en de impact assessment behorend bij het voorstel acht het kabinet Europese regelgeving aangewezen om de basisvoorwaarden voor een effectieve handhaving van de EU-mededingingsregels in de gehele EU te garanderen. In dat verband staat het kabinet er positief tegenover dat het voorstel minimumnormen vastlegt. Ook staat Nederland positief tegenover de keuze voor het instrument van een richtlijn ten opzichte van een verordening omdat dit meer ruimte laat om rekening te houden met specifieke nationale omstandigheden. Zo constateert Nederland vooralsnog dat het voldoende bevoegd blijft om te beslissen over de organisatorische en institutionele inrichting van zijn nationale mededingingsautoriteit.

Zoals hierboven aangegeven plaatst Nederland echter ook enkele kanttekeningen bij de proportionaliteit. Nederland hecht er veel waarde aan dat voor de gevallen waarin het uitsluitend gaat om de toepassing van nationale mededingingsregels, de lidstaten ruimte houden om beleidskeuzes te maken. Dit gaat dan om keuzes in de uitvoering, bijvoorbeeld ten aanzien van de zwaarte van het in te zetten instrument om een overtreding te sanctioneren. Nederland zal hier aandacht voor vragen.

Daarnaast lijken enkele artikelen van het voorstel af te wijken van het huidige Nederlandse wetgevingskader zonder dat Nederland daarvoor een noodzaak ziet. Het huidige nationale stelsel functioneert namelijk goed. Bij onderdeel 6a) wordt hier nader op ingegaan. Nederland zal zich ervoor inspannen om duidelijkheid te verkrijgen over de interpretatie en de reikwijdte van de betreffende bepalingen van het richtlijnvoorstel, met als inzet dat dit niet leidt tot een inperking van de huidige bevoegdheden van de ACM als nationale mededingingsautoriteit.

5. Financiële implicaties, gevolgen voor regeldruk en administratieve lasten

a) Consequenties EU-begroting

De gevolgen voor de EU-begroting zijn geraamd op € 2,3 mln. per jaar. Er is begroot voor drie jaar zodat het totaal uitkomt op € 6,9 mln. Het Nederlandse aandeel (4,6% van het totaalbedrag) is € 0,2 mln. Nederland is van mening dat de EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2014–2020 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de EU-jaarbegroting.

b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of decentrale overheden

De verwachting is dat de maatregelen geen financiële consequenties hebben. Indien het voorstel budgettaire gevolgen heeft voor de Nederlandse begroting worden deze ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels budgetdiscipline.

c) Financiële consequenties (incl. personele) voor bedrijfsleven en burger

Geen.

d) Gevolgen voor regeldruk/administratieve lasten voor rijksoverheid, decentrale overheden, bedrijfsleven en burger

Het richtlijnvoorstel heeft geen gevolgen voor de regeldruk en administratieve lasten.

e) Gevolgen voor concurrentiekracht

Effectieve handhaving van het EU-mededingingsrecht draagt bij aan concurrentie op de interne markt. Dit versterkt de prikkels van bedrijven om te innoveren en producten en diensten aan te bieden met een goede prijs-kwaliteitverhouding. Op deze wijze draagt het voorstel bij aan de concurrentiekracht van Europese bedrijven. Daarnaast ontstaat door meer uniformiteit in de basisvoorwaarden een gelijker speelveld tussen bedrijven die grensoverschrijdend acteren.

6. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

Zoals bij onderdeel 4c) is aangegeven is het voor het kabinet nog onduidelijk of het voorstel consequenties heeft voor nationale regelgeving. Mogelijk dat het slechts om interpretatieverschillen gaat, maar enkele artikelen in het voorstel lijken af te wijken van het huidige Nederlandse wetgevingskader. Zo lijkt artikel 4 van het richtlijnvoorstel, waarin wordt bepaald dat het personeel en leden van het bestuur van nationale mededingingsautoriteiten bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen instructies van overheidsinstanties mogen ontvangen, minder specifiek te zijn dan de Instellingswet ACM. In de Instellingswet ACM wordt gesproken over instructies in individuele zaken. Bij een brede interpretatie van artikel 4 van het richtlijnvoorstel kunnen de huidige boetebeleidsregels of clementiebeleidsregels die Nederland hanteert als dergelijke instructies worden gezien. Verder bevat het voorstel een bepaling die voorschrijft dat informatie die op basis van de richtlijn door nationale mededingingsautoriteiten is verzameld, niet gebruikt mag worden als bewijs om natuurlijke personen sancties op te leggen (artikel 29). De ACM heeft deze mogelijkheid nu wel.

Het richtlijnvoorstel vraagt in ieder geval aanpassingen in de Nederlandse wetgeving om de inning van boetes door de ACM in het buitenland mogelijk te maken, alsmede om in de inning van boetes in Nederland door mededingingsautoriteiten van andere lidstaten te voorzien. Het voorstel heeft geen gevolgen voor het systeem van handhaving, dat in Nederland via het bestuursrecht loopt.

b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het richtlijnvoorstel bevat geen gedelegeerde bevoegdheden of uitvoeringsbevoegdheden voor de Commissie.

c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

In het voorstel is een implementatietermijn van twee jaar opgenomen. Zoals reeds onder a) is aangegeven heeft het voorstel consequenties voor nationale regelgeving. Hierbij dient rekening te worden gehouden dat een wijziging op wetsniveau tenminste anderhalf jaar in beslag neemt. De implementatietermijn is derhalve naar het oordeel van het kabinet aan de krappe kant. Een termijn van minimaal 36 maanden is realistischer. Nederland zal zich inzetten voor een ruimere termijn.

d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Er is geen evaluatie- of horizonbepaling in het voorstel opgenomen. Dat wordt ook niet nodig geacht.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

In Nederland is de ACM aangewezen als toezichthouder op de (EU)-mededingingsregels. Bij de instelling van de ACM is veel rekening gehouden met een onafhankelijke positie en met voldoende middelen en bevoegdheden om effectief toezicht te kunnen houden. Daardoor voldoet Nederland al aan veel van de in het richtlijnvoorstel beschreven doelen. Op dit moment ondervindt de ACM in Nederland ook weinig problemen met de handhaving van de (EU)-mededingingsregels en de ACM stelt uit de voeten te kunnen met de bevoegdheden die zij nu heeft. De eventuele aanvullende bepalingen in het richtlijnvoorstel zijn naar verwachting goed uitvoerbaar door de ACM.

De bepalingen in het richtlijnvoorstel over wederzijdse bijstand zullen naar verwachting tot meer effectieve samenwerking binnen ECN-verband leiden. Juist in dit verband loopt de ACM wel aan tegen enige problemen met onderzoeksbevoegdheden, namelijk daar waar de ACM afhankelijk is van de bevoegdheden van andere mededingingsautoriteiten. De oorzaak van zulke problemen ligt volgens de ACM in de verschillen in nationale wetgeving op dit vlak, die met dit voorstel weggenomen zouden kunnen worden.

De inning van boetes in het buitenland voor overtredingen van de EU-mededingingsregels is onderdeel van een breder probleem met betrekking tot de inning van bestuurlijke boetes over de grens. Als dit probleem zou kunnen worden opgelost voor wat betreft de inning van boetes voor overtredingen van de artikelen 101 en 102 VWEU zou het resultaat voor de ACM gunstig zijn omdat zij dan in staat is om boetes opgelegd aan buitenlandse ondernemingen te innen. Andersom betekent het ook een verplichting voor de ACM om op verzoek van mededingingsautoriteiten van andere lidstaten boetes bij bedrijven in Nederland te innen. Het richtlijnvoorstel leidt daarmee mogelijk wel tot een toename van uitvoeringslasten.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

De richtlijn heeft geen implicaties voor ontwikkelingslanden.


X Noot
1

Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, PbEG 2003 L1.

X Noot
2

Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14112617, met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boetes door de Autoriteit Consument en Markt (Boetebeleidsregel ACM 2014).

X Noot
3

Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 4 juli 2014, nr. WJZ/14112586, tot vermindering van geldboetes betreffende kartels (Beleidsregels clementie).