Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201721501-30 nr. 400

21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 400 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2017

Hierbij bied ik u, mede namens de Minister van Economische Zaken, het verslag aan van de informele bijeenkomst van de Ministers verantwoordelijk voor concurrentievermogen («informele Raad voor Concurrentievermogen») van 3 mei 2017 in Valletta, Malta. Deze informele Raad bestond alleen uit een onderzoeksdeel, inclusief innovatie en ook een aantal aan Horizon 2020 geassocieerde landen was vertegenwoordigd.

Het Maltees Voorzitterschap stelde tijdens de Raad «Euro-mediterrane samenwerking» en de «Innovatiekloof in Europa» centraal. Voor beide onderdelen werden de discussies gevoerd in plenaire tafelrondes. De discussie over Euro-mediterrane samenwerking werd gevoerd in het licht van science diplomacy en het thema Open to the World en internationale samenwerking met landen buiten de EU, in dit geval de landen rondom de Middellandse Zee. Dit debat was ook bedoeld als inleiding op de conferentie van 4 mei over ditzelfde thema. Het tweede debat richtte zich op de innovatiekloof in Europa, waarbij problemen werden geadresseerd van lidstaten die achterblijven op het gebied van onderzoek en innovatie en, in het verlengde hiervan, beperkter deelnemen aan het Europese Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, Horizon 2020.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

Euro-mediterrane samenwerking op het terrein van onderzoek en innovatie

Gedachtewisseling

Het Maltese Voorzitterschap wilde met de discussie over Euro-mediterrane samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie een aanzet geven voor de conferentie over dit thema die de dag na de informele Raad werd gehouden.

De discussie werd ingeleid door Eurocommissaris Moedas, die het belang van science diplomacy benadrukte en een voorbeeldrol ziet voor Europa op dit gebied. Hij benoemde drie doelen voor science diplomacy: (1) het slaan van bruggen door wetenschap (zoals gebeurd door middel van de SESAME synchrotron in Jordanië en het PRIMA-initiatief dat in voorbereiding is), (2) het oplossen van wereldwijde maatschappelijke uitdagingen door de gezamenlijke inzet van onderzoek en innovatie en (3) de positieve bijdrage die de wetenschap kan leveren aan globalisering, bijvoorbeeld door middel van kenniscirculatie en het geven van inzicht in handelsbewegingen.

In de discussie die volgde onderstreepten lidstaten het belang van science diplomacy, met name in de Euro-mediterrane regio. Om de relaties met de landen aan de andere kant van de Middellandse Zee te verbeteren is samenwerking op grond van gelijkheid noodzakelijk. Onderzoek en innovatie kunnen een stimulans geven aan economische groei, banen en welzijn. Ook het probleem van brain drain kan op die manier worden aangepakt. De problemen in het gebied zijn groot, variërend van tekorten aan drinkwater tot voedselveiligheid, en houden tevens verband met migratiestromen. Initiatieven zoals Research and innovation for blue jobs and growth in the Mediterranean (BlueMed) en het Partnership for Research and Innovation in the Mediterranean Area (PRIMA) kunnen hier op een positieve manier aan bijdragen.

De lidstaten waren positief over het artikel 185-initiatief PRIMA dat op dit moment wordt voorbereid. De lidstaten die geen deelnemer zijn in PRIMA gaven daarbij vrijwel allemaal aan dat zij ook expertise hebben die bij kan dragen aan het oplossen van de maatschappelijke uitdagingen waar PRIMA zich op richt en die in grote, gezamenlijke projecten benut zou kunnen worden. In dit verband werd ook gewezen op BONUS, een succesvol artikel 185-initiatief dat zich richt op het gebied rondom de Baltische Zee.

Nederland onderstreepte het belang van internationale samenwerking in onderzoek en innovatie, niet alleen om oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen te vinden, maar ook om landen dichter bij elkaar te brengen. Het bouwen van bruggen door onderzoek en innovatie, maar ook door sport, cultuur of onderwijs biedt kansen om de economische stabiliteit in de regio te versterken. Verder noemde Nederland het van belang dat, ook binnen een initiatief als PRIMA, van alle reeds beschikbare expertise in Europa gebruik gemaakt wordt om oplossingen te vinden voor de uitdagingen waar de landen in de Middellandse Zee-regio mee te maken hebben.

Van innovatiekloof naar innovatietoenadering

Gedachtewisseling

Het Maltese Voorzitterschap beoogde met het debat over de innovatiekloof de problematiek te adresseren van EU-lidstaten die minder onderzoek- en innovatie-intensief zijn. De stakeholders uit deze lidstaten nemen in de praktijk beperkter deel aan het Europese Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (Horizon 2020), waarbij de meest excellente voorstellen met de grootste impact gehonoreerd worden. Er werden ideeën uitgewisseld over mogelijke oplossingen voor deze problematiek op nationaal en op Europees niveau.

Eurocommissaris Moedas benadrukte in zijn inleiding dat nationale maatregelen essentieel zijn om de prestaties op het gebied van onderzoek en innovatie te verbeteren. Hij refereerde hierbij onder meer aan de bijdrage van de Policy Support Facility (PSF) van de Europese Commissie. De PSF biedt landen de mogelijkheid om van elkaar te leren en helpt zo bij het hervormen van hun nationale systeem. Moedas verwees ook naar een aantal maatregelen die op Europees niveau zijn genomen, waaronder de grotere financiële ondersteuning voor het verbreden van de deelname aan het huidige Kaderprogramma.1 Moedas onderstreepte dat excellentie overal in Europa te vinden is en dat het in sommige gevallen gaat om het verbeteren van toegankelijkheid en aansluiting tot het Kaderprogramma. De interim- evaluatie van Horizon 2020 biedt hierbij mogelijk nieuwe inzichten en handvatten. Tot slot noemde Moedas nog het belang van een verbeterde aansluiting in de toekomst tussen het volgende Kaderprogramma en de structuurfondsen.

De verschillende lidstaten boden een overzicht van wat zij gedaan hebben om hun nationale systemen voor onderzoek en innovatie te hervormen. Hierbij werden ook oplossingen voor de innovatiekloof tussen (binnenlandse) regio’s genoemd, zoals het concentreren van onderzoekinstituten en universiteiten, het aanpassen van het HR-systeem en belastingvoordelen of het steunen van start-ups, ook om brain drain te voorkomen. Brain drain is een probleem dat niet alleen is op te lossen door maatregelen zoals investeringen in onderzoeksinfrastructuur; een aantal lidstaten benadrukte dat er ook maatregelen denkbaar en nodig zijn om bijvoorbeeld een aantrekkelijker salaris voor de beste onderzoekers te verzekeren. Ook uitten veel lidstaten hun waardering voor het PSF-instrument, waarbij het leren van elkaar centraal staat, dat een aantal landen al geholpen heeft om hervormingen door te voeren.

Nederland benadrukte het belang van het honoreren van de beste voorstellen op basis van excellentie en impact, met het oog op de concurrentiepositie van Europa. Ook verwees Nederland naar eigen hervormingen en de specifieke rol van de structuurfondsen, die ook in Nederland worden ingezet voor onderzoek en innovatie. Structuurfondsen helpen met het versterken van de onderzoeks- en innovatie-infrastructuur en opleidingsmogelijkheden, waardoor excellentie tot bloei kan komen. Naast Nederland, legde ook een aantal andere lidstaten de link tussen goede nationale inzet en succes in participatie in het Kaderprogramma op Europees niveau. Zo werd er in deze context gerefereerd aan de recente digitale ontwikkelingen die kansen biedt om als Europa de leiding te nemen en gezamenlijk verder te groeien. Ook werd voorgesteld om minder in termen van «verbreden van deelname» te spreken en juist over inclusiviteit. Hoewel de meeste lidstaten het principe van excellentie in het Kaderprogramma net als Nederland omarmden, maakte een aantal minder onderzoek- en innovatie-intensieve lidstaten de kanttekening dat binnenlandse maatregelen niet voldoende zijn. Zij pleitten voor meer ondersteuning voor «verbreden van participatie». Tot slot gaven veel lidstaten net als Nederland aan de visie van de Eurocommissaris te delen dat er behoefte is aan meer synergie tussen de structuurfondsen en het Kaderprogramma.


X Noot
1

Het gaat hierbij om vijftig miljoen euro op jaarbasis tot 2020, dat ervoor wordt ingezet om lidstaten met een achterblijvende deelname aan het Kaderprogramma te helpen om dat te verbeteren.