Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 94, item 13

13 Ggz

Aan de orde is het VAO Ggz (AO d.d. 31/05).

De voorzitter:

We gaan nu verder met het VAO geestelijke gezondheidszorg.

Ik heet de staatssecretaris opnieuw van harte welkom. Er zijn vijf sprekers aangemeld, met ieder een spreektijd van twee minuten. Ik geef nu eerst het woord aan mevrouw Van den Berg van de CDA-fractie.

Mevrouw Van den Berg (CDA):

Dank u wel, voorzitter. In het AO bleek dat de deadline door de ggz wederom niet is gehaald. Wij willen een motie indienen ter ondersteuning van de staatssecretaris om de zorgaanbieders en verzekeraars tot afspraken te doen komen. Die motie dien ik mede namens de heer De Lange van de VVD in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in strijd met hetgeen een jaar geleden is afgesproken de wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) niet op 1 juli 2018 binnen de treeknorm zullen vallen;

constaterende dat halverwege juli 2018 een deel van de ggz samen met Zorgverzekeraars Nederland wil komen met een actieplan om de wachtlijsten aan te pakken en hiervoor ten minste tot juni 2019 de tijd wil nemen;

constaterende dat op 13 juli 2017 afgesproken is om 288 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het wegwerken van de wachttijden in de ggz, maar dat hiervan tot nu toe 109 miljoen euro extra is gecontracteerd en dat hier dus geen sprake is van een financieel probleem;

verzoekt de regering om:

  • -vóór 1 september 2018 de Kamer te informeren hoe de ggz-sector er zorg voor draagt dat zowel de aanmeldwachttijden als de behandelwachttijden per 1 januari 2019 weer binnen de treeknormen vallen;

  • -hierbij inzichtelijk te maken welke concrete afspraken met alle betrokken partijen worden gemaakt om dit doel te bereiken;

  • -alsmede inzichtelijk te maken welke stappen de regering en toezichthouders kunnen zetten als deze deadline niet wordt gehaald,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Berg en De Lange. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 410 (25424).

Ik dank u voor uw inbreng. Dan kunnen wij nu gaan luisteren naar mevrouw Agema van de PVV-fractie.

Mevrouw Agema (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat plegers van terreurmisdrijven steeds vaker worden aangemerkt als "verwarde personen";

van mening dat het psychologiseren van deze daders noch de samenleving noch de ggz-sector ten goede komt;

verzoekt de regering plegers van terreurmisdrijven geen "verwarde personen" meer te noemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 411 (25424).

Dan gaan wij nu luisteren naar mevrouw Diertens van de fractie van D66.

Mevrouw Diertens (D66):

Voorzitter. Geen motie van mij, maar ik wil de staatssecretaris nogmaals bedanken voor de toezeggingen tijdens het debat, en deze even scherp krijgen. Allereerst is het goed om te zien dat de staatssecretaris aan de slag gaat met het schrappen van regels. Ik heb het over de POD-methode gehad, waarmee geëxperimenteerd wordt bij de ggz-Eindhoven. De staatssecretaris zei de methode te kennen van het recovery college in Utrecht en hij wil deze graag verspreiden. Het is fijn dat hij daarbij wil kijken naar de inzichten op het gebied van administratieve lasten. Uiteraard dank dus voor deze toezegging, maar ik zou hierbij wel willen benadrukken dat de POD-methode bij het recovery college focust op nazorg. De POD-methode waarmee ggz-Eindhoven aan de slag is gegaan betreft behandeling vanaf dag één. Dat is een belangrijk verschil.

Ten slotte dank ik de staatssecretaris voor zijn toezegging om met YoMo! in gesprek te willen komen. Een depressie kan iedereen overkomen en ik zou dan ook graag willen dat onze preventiecampagnes zo inclusief mogelijk worden ingericht.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Diertens. Dan is nu het woord aan de heer De Lange van de VVD-fractie.

De heer De Lange (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor een goed algemeen overleg. Wat de VVD betreft is er eigenlijk nog één punt over, waar we overigens gezamenlijk met het CDA, collega Van den Berg, een motie over indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in strijd met hetgeen ruim een jaar geleden is afgesproken de wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg niet op 1 juli 2018 binnen de treeknorm vallen;

constaterende dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting toezicht moet houden op veilige en kwalitatief goede zorg en dat de Nederlandse Zorgautoriteit toezicht moet houden op het naleven van de zorgplicht;

constaterende dat alle ggz-aanbieders per 1 januari 2018 de wachttijdinformatie maandelijks moeten aanleveren aan Vektis en dat ongeveer 30% dit tot de dag van vandaag nog niet heeft gedaan;

constaterende dat vanuit de ggz-sector zelf wordt aangegeven dat het wachten op een noodzakelijke behandeling voor mensen een spoedige start van herstel in de weg staat, dit leidt tot ongewenste maatschappelijke schade en een goede doorverwijzing en/of de mogelijkheid van zorgbemiddeling in de weg staat;

overwegende dat de staatssecretaris van VWS heeft aangegeven met de inspectie in oprichting en met de Nederlandse Zorgautoriteit te hebben afgesproken dat zij hierop gaan handhaven;

verzoekt de regering om:

  • -de Kamer vóór 1 september te informeren over het aantal ggz-aanbieders dat nog geen wachttijdinformatie aan Vektis heeft aangeleverd en deze ggz-aanbieders openbaar te maken;

  • -inzicht te geven in de maatregelen die vanuit de inspectie in oprichting en de NZa zijn opgelegd om de wachttijdinformatie alsnog aan te laten leveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Lange en Van den Berg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 412 (25424).

Mevrouw Diertens (D66):

Ik heb een verhelderende vraag. Ik begrijp dat de problematiek nijpend is, maar wat schiet een patiënt die zorg nodig heeft op met naming-and-shaming? Wat schiet betrokkene ermee op om al die namen openbaar te maken en dat op die manier te doen?

De heer De Lange (VVD):

Wat die daarmee opschiet, is dat de ggz-aanbieders die dit nu nog niet doen, in beweging worden gebracht om dit wel te gaan doen. Helaas was dat tot een aantal dagen geleden nog zo'n 30%. Ik vind het dan heel goed dat je die stok achter de deur zet, want nu staan mensen in de kou omdat die zorgbemiddeling niet op gang kan komen. Dat lijkt mij het allerbelangrijkste. Het gaat bij mij altijd om mensen en ik wil die mensen niet in de kou zetten. Ik wil die ggz-aanbieder echt in beweging krijgen om nu te gaan leveren.

De voorzitter:

Er is ook nog een vraag van de heer Hijink van de SP-fractie.

De heer Hijink (SP):

Het valt mij op dat de heer De Lange de bal nu volledig bij de zorgaanbieders legt. Ik vraag mij af of hij ook bereid is te kijken naar de rol van de verzekeraar, die natuurlijk regelmatig bepaalde budgetplafonds oplegt bij ggz-instellingen. Dat kan voor wachtlijsten zorgen en vindt hij daarom ook niet dat we duidelijkheid moeten hebben over waar contractering en plafonds zorgen voor langere wachtlijsten?

De heer De Lange (VVD):

Tijdens het algemeen overleg hebben we het hier ook over gehad. Ik vind zeker dat zorgverzekeraars een verantwoordelijkheid hebben. Daarom wil ik juist de zorgverzekeraars in de positie brengen om die zorgverantwoordelijkheid te kunnen nemen, namelijk hun verantwoordelijkheid voor de zorgplicht en de zorgbemiddeling. Ik hoor nu van zorgverzekeraars dat men zelf Excelsheetjes moet bijhouden van hoe men nog mensen doorbemiddeld krijgt. Ik denk dat dat anders kan en dat dat beter kan. Als die wachtlijstinformatie gewoon aan Vektis wordt aangeleverd, dan is dat voor iedereen zichtbaar en kunnen de zorgverzekeraars hun rol pakken, namelijk mensen helpen aan de goede zorg en doorbemiddeling naar plekken waar er wel ruimte is.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Hijink.

De heer Hijink (SP):

Natuurlijk heb je informatie nodig om te kunnen beoordelen of er daadwerkelijk wachtlijsten zijn, maar je moet natuurlijk ook weten of er bij zorgverzekeraars op sommige punten verkeerd wordt ingekocht, zoals dat dan zo fout heet. Je moet weten of er wel goed gecontracteerd wordt en of er niet bijvoorbeeld veel te weinig wordt ingekocht, waardoor behandelstops worden ingesteld en waardoor er plafonds worden ingesteld. Als je die informatie niet wilt hebben, leg je de bal dus alleen bij de instellingen zelf en ben je dus niet geïnteresseerd in wat de rol van de verzekeraar is in het creëren van wachtlijsten.

De heer De Lange (VVD):

Nee, dat is in de kern niet het punt van deze motie. Omdat er hierover al vanaf 1 januari een afspraak ligt, horen de zorgaanbieders, van groot tot klein, hun informatie over wachtlijsten aan te bieden. Daarmee wordt het inzichtelijk en kunnen zorgverzekeraars ook hun verantwoordelijkheid nemen voor de zorgbemiddeling. Uiteindelijk leidt het ertoe dat mensen weten: hier is een lange wachttijd, maar misschien is ergens anders nog wel een plek. Daardoor kunnen mensen dus geholpen worden en daar gaat het mij om!

De voorzitter:

Dan gaan we nu luisteren naar de heer Hijink van de SP voor zijn eigen inbreng.

De heer Hijink (SP):

Dank u, voorzitter. De eerste motie haakt meteen aan bij de discussie die wij net hebben gevoerd. Die hoef ik dus niet meer toe te lichten.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het van groot belang is dat wachtlijsten in de ggz zo snel mogelijk worden opgelost;

constaterende dat het hierbij van belang is dat ggz-instellingen de actuele wachttijden voor een behandeling openbaar maken om inzicht te krijgen in de wachtlijsten;

constaterende dat het daarnaast van belang is dat zorgverzekeraars inzicht verschaffen in hun inkoopbeleid ggz om te kunnen beoordelen of zorgverzekeraars genoeg zorg inkopen;

verzoekt de regering om daar waar ggz-instellingen openheid moeten geven over wachttijden, zorgverzekeraars te verplichten inzicht te geven in waar zij zorgaanbieders budgetplafonds opleggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hijink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 413 (25424).

De heer Hijink (SP):

Dan wil ik een tweede motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Algemene Rekenkamer heeft geconcludeerd dat de ROM niet bruikbaar is voor het vergelijken van zorgaanbieders en zorginkoop, omdat de metingen subjectief en onvolledig zijn;

constaterende dat voor de ROM een rol in het zorgclustermodel is voorzien, namelijk het vaststellen van een passend zorgcluster voor patiënten en het evalueren en op- of afschalen van zorg;

verzoekt de regering om de ROM binnen het clustermodel geen rol te geven als afrekeninstrument of als instrument om zorgaanbieders te vergelijken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hijink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 414 (25424).

Daarmee zijn we gekomen aan het eind van de termijn van de Kamer. De staatssecretaris heeft even tijd nodig. Daarom gaan we kort schorsen en wel tot 18.15 uur.

De vergadering wordt van 18.10 uur tot 18.16 uur geschorst.

De voorzitter:

Dan gaan we nu luisteren naar de staatssecretaris voor de beantwoording van de gestelde vragen en de reactie op de gemaakte opmerkingen.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dank voorzitter. Er zijn vijf moties ingediend. Ik zal die behandelen in de volgorde waarin ze zijn ingediend. De eerste motie is ingediend door mevrouw Van den Berg en de heer De Lange. Het is een pittige motie. In het dictum wordt opnieuw een deadline gesteld. Volgens mij zei mevrouw Van den Berg dat de deadline wederom niet wordt gehaald. In de afspraak die met minister Schippers is gemaakt, is 1 juli de deadline. Ik weet wanneer dan eerder een deadline niet gehaald is. Feit is wel dat het ernaar uitziet dat wij niet binnen de treeknormen zullen blijven. Daar zijn we het volstrekt over eens. Die winstwaarschuwing heb ik heel duidelijk gegeven.

In het dictum van de motie wordt uitgegaan van 1 januari als nieuwe deadline. In het algemeen overleg heb ik heel duidelijk gezegd dat ik liever geen nieuwe deadline wil. Als ik zie hoelang de wachttijden voor sommige aandoeningen zijn en hoelang de wachttijden in sommige regio's zijn, is het niet realistisch om op heel korte termijn met een nieuwe deadline te gaan werken. Ik zou natuurlijk heel graag willen dat het gisteren geregeld was. Wij weten dat het om een zeer kwetsbare doelgroep gaat. Ik steek er in overleg met de betrokken organisaties heel veel energie in om dit structureel goed op te lossen.

Behalve ongeduldig moet ik ook realistisch zijn. Met de deadline die in het dictum wordt genoemd, werken we in de hand dat er gedragseffecten ontstaan. Aanbieders kunnen trucjes gaan toepassen. Ik noem het maar even trucjes. Zij kunnen bijvoorbeeld de aanmeldwachttijden verkorten en vervolgens verlenging van de behandelwachttijden organiseren. Dat is een kwestie van of je nu door de hond of door de kat wordt gebeten. Het is een cosmetische oplossing. Op papier kan dan aan de treeknormen worden voldaan zonder dat de totale wachttijd voor de patiënt ook maar een dag korter wordt. Dat is geen structurele oplossing en die wil ik wel.

Het dictum van de motie heeft een paar onderdelen. Ik wil graag toezeggen dat ik de Kamer informeer over het plan dat de desbetreffende organisaties aan het opstellen zijn. Ik zal dat plan met de Kamer delen. Ik zal periodiek de stand van zaken melden. Ik zit er bovenop. Als ik zicht heb op zaken wil ik de Kamer dat niet onthouden. Maar om de eerder genoemde reden wil ik de motie ontraden.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Berg.

Mevrouw Van den Berg (CDA):

Voorzitter, ik heb een toelichtende vraag als dat mag. De staatssecretaris geeft aan dat men dan wellicht trucjes gaat uithalen. Wij spreken hier natuurlijk ook specifiek over de behandelwachttijden.

Staatssecretaris Blokhuis:

In de rapportage van de NZa ziet u dat er organisaties zijn die over de hele linie wel binnen de treeknormen blijven maar bij de aanmeldwachttijden enorme overschrijdingen hebben. Ze halen dat weer in bij de behandelwachttijden of andersom. Wij bedienen de gedupeerde cliënten niet als we zeggen dat de organisaties op 1 januari 2019 de treeknormen moeten halen. Dat zal deze mensen niet helpen.

De voorzitter:

De heer De Lange.

De heer De Lange (VVD):

Ik ben het zeer eens met de staatssecretaris dat we niet naar een situatie moeten waarin er trucjes worden toegepast. Het zou een grof schandaal zijn als we nu, na een jaar te hebben gewacht en de norm nog niet wordt gehaald, daarin komen te vervallen. Ik snap ook dat het realistisch moet zijn. Maar het is toch heel realistisch om een halfjaar extra de tijd te geven om een actieplan te maken? Daar kunnen in ieder geval de contouren instaan van de wijze waarop op 1 januari weer aan de treeknormen wordt voldaan. Ik snap dat er dan nog dingen nader uitgewerkt moeten worden. De staatssecretaris zou het met ons eens moeten zijn dat dit een heel normaal streven is. Met dit halfjaar extra zijn we er dan anderhalf jaar mee bezig geweest. De mensen die op zorg wachten willen echt dat dit geregeld wordt.

Staatssecretaris Blokhuis:

Ik ben het van harte eens met de heer De Lange en met de hele Kamer als zij zeggen dat dit zo snel mogelijk opgelost moet worden, en wel goed en structureel, zodat wij ook in de toekomst mensen die geestelijke hulpverlening nodig hebben adequaat kunnen helpen. Ik hoop dat uit de debatten die we hierover hebben gehad, de correspondentie die ik hierover naar de Kamer heb gestuurd en de activiteiten die ik ontplooi in samenspraak met alle betreffende verantwoordelijken in ieder geval de gedachte rijst dat ik erbovenop zit en heel erg eager ben om dit probleem op te lossen, in het belang van een heel kwetsbare doelgroep.

Tegelijkertijd zie ik ook hoe weerbarstig deze problematiek is. Die wachtlijsten zijn ook niet van vorig jaar. Die bestaan al langer. Ik heb gaandeweg gezien dat het heel ingewikkeld is om de problematiek goed op te lossen en dat we alle hens aan dek moeten houden. Voor u staat een zeer gemotiveerd bewindspersoon die erbovenop wil zitten om dit snel op te lossen, maar ik blijf benadrukken dat ik 1 januari wel bijzonder ambitieus vind. Ik ontraad de motie en als de Kamer toch de uitspraak doet, is dat in ieder geval een heel duidelijk signaal naar de betreffende organisaties.

De voorzitter:

Dan uw reactie op de motie van mevrouw Agema.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dan de motie op stuk nr. 411 van mevrouw Agema. Even een heel kleine semantische opmerking. In het dictum staat: "verzoekt de regering plegers van terreurmisdrijven geen "verwarde personen" meer te noemen". Ik heb sowieso een hekel aan de term "verwarde personen". Dat is niet flauw bedoeld, maar volgens mij hebben het over personen met verward gedrag.

Tegelijkertijd heeft mevrouw Agema een punt. Waar wij elkaar zeker in vinden, is dat we dingen bij naam moeten noemen. Als je terreurverdachten onder de brede noemer van "personen met verward gedrag" schaart, gaat daar ook een stigmatiserende werking van uit naar alle mensen die geestelijke hulpverlening zoeken en nodig hebben, maar ook naar dementerende ouderen. Die hebben wel degelijk hulp, maar die zijn absoluut niet gevaarlijk en terreurverdachten zijn dat wel. Ik kan me van harte voorstellen dat de Kamer het met deze uitspraak eens is en ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De voorzitter:

Oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 412. Nee, mevrouw Agema wil nog iets zeggen. Gaat uw gang.

Mevrouw Agema (PVV):

Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor zijn "oordeel Kamer". Ik zal het dictum aanpassen naar "personen met verward gedrag". Ik had bewust gekozen voor "verwarde personen", omdat je het op die manier in de media leest. Dus ik ken het onderscheid, maar om even precies te zijn zal ik dan weer teruggaan naar de terminologie zoals wij die hier in dit huis gebruiken. Dank u wel voor het "oordeel Kamer".

De voorzitter:

Dank u wel. U kunt naar de motie op stuk nr. 412, denk ik.

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat schept nog meer een band.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 412 van de heer De Lange en mevrouw Van den Berg vraagt in het dictum om een paar dingen. Er staat bijvoorbeeld bij dat ggz-aanbieders openbaar moeten worden gemaakt als zij op 1 september nog niet zijn aangesloten bij Vektis. Ik snap het ongeduld en de kromme tenen van de indieners, van dat het toch een keer afgelopen moet zijn en dat ze er al zo lang voor hebben gehad. Ik snap het, maar de motie gaat eigenlijk te snel. Ik ben net zo ongeduldig als u en denk: verdorie jongens, vanaf 1 januari moest het. De motie gaat te snel en wel om de volgende reden. De Wet marktordening gezondheidszorg voorziet erin dat bij niet-aanleveren van gegevens bij Vektis de NZa eerst een aanwijzing geeft en pas openbaar maakt als zo'n aanwijzing onverhoopt niet wordt opgevolgd. Dat is hoe wij het met elkaar wettelijk hebben geregeld: er komt een aanwijzing van de NZa en als die niet wordt opgevolgd dan wordt dat openbaar gemaakt.

Die procedure hebben we met elkaar afgesproken en die zou hiermee omgeklapt worden. Dan zouden we openbaar gaan maken voordat de NZa een aanwijzing heeft gegeven en gaat sanctioneren. Volgens mij moeten we de route die we met elkaar serieus hebben afgesproken blijven respecteren. Dus op het onderdeel van zeg maar de schandpaal, het openbaar maken, zou ik terughoudendheid willen vragen.

Ik kan wel iets zeggen ten aanzien van de andere dingen in het dictum. De indieners vragen om de Kamer voor 1 september te informeren over het aantal ggz-aanbieders dat nog geen wachttijdinformatie aan Vektis heeft aangeleverd. Dat onderdeel van het dictum is prima. Dat kunnen we leveren. Dat geldt ook voor het tweede deel van het dictum, inzicht in maatregelen die vanuit de inspectie en de NZa worden opgelegd. Alleen dat onderdeeltje "aanbieders openbaar maken", daar zit ik even tegen aan te hikken. Misschien kan ik ook de indieners wel op hun wenken bedienen, want als de NZa gaat handhaven, dus een aanwijzing geeft, en die bij de aanbieders niet leidt tot het gewenste gedrag, het gewenste effect, wordt een sanctie die de NZa oplegt automatisch openbaar. En op die manier zit de betreffende aanbieder dus al in de openbaarheid. Dat is mijn reactie op de motie. Als zij onverkort blijft zoals nu, wil ik de motie afraden, gewoon omdat zij doorkruist wat wij met elkaar hebben afgesproken.

Mevrouw Van den Berg (CDA):

Ik heb een toelichtende vraag. Wat betekent dit dan? Als de NZa niet handhaaft, dan wordt dat dus ook compleet niet zichtbaar. Wat gaat de staatssecretaris daar dan aan doen?

Staatssecretaris Blokhuis:

Dat dan de betreffende aanbieder vooralsnog niet zichtbaar is, is gewoon een simpele waarheid die mevrouw Van den Berg signaleert. Tegelijkertijd hebben wij met de NZa afspraken over handhaven. Dus laten we er ook alstublieft op vertrouwen dat de NZa dat serieus oppakt. Sterker nog, daar zijn ze bij de NZa mee bezig. Wij kunnen wél inzichtelijk maken hoeveel aanbieders er dan nog niet aangehaakt zijn, maar dat is niet helemaal het honoreren van uw wens. Die hoeveelheid is gelijk, zeg maar de "bult huiswerk" die de NZa te doen heeft.

Voorzitter. Ik ga naar de motie op stuk nr. 413 van de heer Hijink. Daarin wordt de regering verzocht om daar waar ggz-instellingen openheid moeten geven over wachttijden, zorgverzekeraars te verplichten inzicht te geven in waar zij zorgaanbieders budgetplafonds opleggen. Dat lijkt heel logisch en spiegelbeeldig: de een, dan ook de ander. Hier is echter wel een belemmering, namelijk dat de afspraken die de zorgverzekeraars met de zorgaanbieders maken privaatrechtelijke overeenkomsten zijn. Ik kan op m'n kop gaan staan, maar dat gaan we niet doorkruisen. Het zijn private overeenkomsten en om die reden kunnen wij volgens mij niet aan de verzekeraars en de aanbieders vragen om die overeenkomsten openbaar te maken. Dat zou misschien best ondershands kunnen, of in gesprekken met mij, maar als je vraagt om dit openbaar te maken, vraag je volgens mij dus om de contracten die zij sluiten inzichtelijk te maken. Om die reden wil ik de motie ontraden.

De heer Hijink (SP):

Ik hoor de staatssecretaris twee keer "volgens mij" zeggen. Dat gaf mij de indruk dat het niet helemaal zeker is.

Staatssecretaris Blokhuis:

Nou ja, dan ben ik te ongenuanceerd. Het is een private overeenkomst. De reactie van de aanbieders en verzekeraars zal zijn: daar krijg je geen inzicht in. Dan kan ik dat niet afdwingen, want ik, de overheid mag niet partijen die een private overeenkomst sluiten, dwingen om die aan mij te laten zien.

De heer Hijink (SP):

Maar is de staatssecretaris het dan wel met de SP eens dat het een beetje vreemd is dat wij de duimschroeven aandraaien bij ggz-instellingen — laat ik het dan maar zo zeggen — maar dat de zorgverzekeraars in dezen buiten schot blijven, ook als door hun vorm van contractering en inkoopplafonds mogelijk wachtlijsten ontstaan?

Staatssecretaris Blokhuis:

Ja, ik snap dat je daar kromme tenen van krijgt. Ik zou mij willen bezinnen op de vraag of het denkbaar is dat ik bijvoorbeeld in gesprekken met de zorgverzekeraars daar wel meer zicht op ga krijgen. Dat hoeft dan niet met namen en rugnummers. Maar is het denkbaar dat ik meer zicht krijg in de mate waarin er gecontracteerd wordt met budgetplafonds? Ik wil graag toezeggen dat ik dat inzicht wil zien te krijgen. Dan zal ik geen namen en rugnummers, en geen contracten krijgen, maar dan zou ik wel het inzicht hebben, en ook de volumes die daarmee gepaard gaan. Dat is het maximale wat ik kan doen, zonder dat ik kan toezeggen dat dat dus ook wordt gehonoreerd door de zorgverzekeraars en de aanbieders.

Voorzitter, de motie op stuk nr. 414 van de heer Hijink is best wel technisch. Het gaat daarin over ROM. In die motie wordt de regering verzocht om ROM binnen het clustermodel geen rol te geven als afrekeninstrument of als instrument om zorgaanbieders te vergelijken. Hierop wil ik als volgt reageren. Sectorpartijen werken aan een nieuw kwaliteitsinstituut. Daarin speelt inzicht in kwaliteit een belangrijke rol. Ik zou dat proces willen afwachten en niet bij voorbaat willen zeggen: laten we dus ROM overboord kieperen. Voor welke inhoudelijke route wordt er precies gekozen? Daar loopt de motie op vooruit. Hetzelfde geldt voor het zorgclustermodel; dat is ook nog in ontwikkeling. Daarom vind ik het prematuur om nu te zeggen: ROM zetten we terzijde voor beide doelen in afwachting van iets anders. Dus ik snap de bezwaren die er zijn. Ik zou de partijen die aan het doorontwikkelen zijn voor vervanging van dit model, wel de ruimte willen geven om dat te doen, en ik zou dus niet het bestaande model terzijde willen schuiven. Om die reden ontraad ik de motie, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de beraadslaging.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de leden voor de inbreng en de staatssecretaris voor de beantwoording. Stemmingen over de ingediende moties vinden aanstaande dinsdag plaats.

De vergadering wordt van 18.30 uur tot 19.20 uur geschorst.