Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-2017nr. 56, item 17

17 Preventiebeleid

Aan de orde is het VAO Preventiebeleid (AO d.d. 14/12). 

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand is gearriveerd. Kom meteen deze kant op, zou ik zeggen, mevrouw Ouwehand. U bent de eerste spreker. U hebt de spanning opgevoerd. Het woord is aan u. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Wij hebben met de minister en de staatssecretaris gesproken over preventie. Allereerst heeft de Partij voor de Dieren gezegd: dat begint bij een gezonde leefomgeving, en daarbij is het van groot belang dat er voldoende groen in de leefomgeving van mensen is. De minister heeft toegezegd om daaraan bij het volgende Nationaal Programma Preventie expliciet aandacht te besteden. Dank daarvoor. 

Wij hebben haar ook gevraagd naar de hormoonverstorende stoffen in de leefomgeving van mensen. Zij heeft uitgezocht dat het biomonitoringsprogramma dat Europees wordt opgestart zeker ook nationaal resultaten gaat leveren. Ook dank daarvoor. 

Maar dan blijven er wel wat zorgen over. Daar hebben wij twee moties over. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

wijzende op het rapport van het RIVM over Bisphenol A, waarin wordt gesteld dat Bisphenol A (BPA) het immuunsysteem van kinderen kan beschadigen; 

wijzende op het feit dat BPA is opgenomen in de zeerzorgwekkendestoffenlijst van het European Chemicals Agency (ECHA) nadat Europese lidstaten dit hebben aangemerkt als een stof die toxisch is voor de reproductiviteit; 

constaterende dat het Europees Parlement een resolutie heeft aangenomen waarin wordt opgeroepen tot een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen; 

constaterende dat Frankrijk zo'n verbod reeds heeft ingevoerd; 

verzoekt de regering, een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen in te voeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 260 (32793). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de Europese Commissie voorstellen heeft gedaan om de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen in bestrijdingsmiddelen en biociden terug te dringen; 

constaterende dat hormoonverstorende stoffen ook in veel andere producten zitten, zoals speelgoed, voedselverpakkingen en cosmetica; 

verzoekt de regering, er bij de Europese Commissie op aan te dringen om met een ambitieuze aanpak te komen om de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen in alle producten zo snel mogelijk uit te faseren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 261 (32793). 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Tot slot: ik heb een motie ingediend over het opnemen van dierenwelzijn in de voedselapp waarmee de minister bezig is. Die motie (34004, nr. 18) heb ik ingediend bij de staatssecretaris van Economische Zaken, maar die verwees me naar deze minister. Ik zou deze motie dus graag aan de bode willen overhandigen. Ik hoef haar niet opnieuw in te dienen, want ze is al ingediend bij de Kamer, maar ik zou zo graag willen dat deze minister daarop reageert, want dat heeft de staatssecretaris van Economische Zaken mij gevraagd. 

De voorzitter:

Een staatsrechtelijk unicum, maar ik heb niet het idee dat er iets tegen pleit, want u levert gewoon iets aan wat u eigenlijk gesteld hebt. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Precies. Zou dat kunnen? Oké, dank u wel. 

De voorzitter:

Tot zover mevrouw Ouwehand. 

De volgende spreker is de heer Van Gerven van de SP, maar mevrouw Leijten van de SP neemt blijkbaar voor hem waar. 

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter. Sociaal-economische gezondheidsverschillen verkleinen is een primaire taak van de overheid. Sociaal-economische gezondheidsverschillen leiden tot onrecht, tot ongelijke kansen en tot kosten voor de samenleving. Iemand met een laag inkomen gaat gemiddeld acht jaar eerder dood en is zeker zestien jaar langer ziek. Daar moeten wij iets aan doen. Het eerste wat wij moeten doen is in ieder geval toetsen of beleid de sociaal-economische gezondheidsverschillen vergroot of verkleint. 

Daartoe strekt de volgende motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat sociaal-economische gezondheidsverschillen onrechtvaardig zijn, leiden tot ongelijke kansen en de samenleving geld en welzijn kosten; 

overwegende dat de sociaal-economische gezondheidsverschillen in Nederland niet kleiner worden; 

overwegende dat voorkomen moet worden dat er nieuwe wetten worden aangenomen die sociaal-economische gezondheidsverschillen vergroten; 

verzoekt de regering om een sociaal-economische gezondheidseffectrapportage op te zetten waarmee het effect van nieuwe wetgeving op sociaal-economische gezondheidsverschillen wordt getoetst, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Leijten en Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 262 (32793). 

Dan gaan wij luisteren naar mevrouw Dik-Faber van de fractie van de ChristenUnie. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb twee moties. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de doelen van de levensmiddelenindustrie voor verbetering van de productsamenstelling volgens de Wetenschappelijke Adviescommissie hooguit "matig ambitieus" zijn; 

overwegende dat het vanwege de volksgezondheid van groot belang is dat de productsamenstelling verbetert; 

verzoekt de regering, door de Wetenschappelijke Adviescommissie hoogst haalbare criteria te laten opstellen, zodat fabrikanten daaraan kunnen toetsen; 

verzoekt de regering tevens, door de Wetenschappelijke Adviescommissie maximumgehaltes per productgroep te laten vaststellen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 263 (32793). 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat gebruikers van health checks een goede, geïnformeerde keuze moeten kunnen maken; 

overwegende dat hiervoor objectieve en specifieke informatie over kwaliteit, nut en noodzaak van health checks nodig is, waarbij rekening wordt gehouden met mensen met een lage SES (sociaal-economische status), ouderen of andere soms kwetsbare groepen; 

verzoekt de regering, te zorgen dat er onafhankelijke, betrouwbare en specifieke informatie over health checks wordt ontwikkeld en te onderzoeken of deze informatie op een centraal punt kan worden aangeboden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 264 (32793). 

De heer Ziengs (VVD):

Voorzitter. Tijdens het algemeen overleg Preventiebeleid in december heb ik aandacht gevraagd voor vaccinaties en de evaluatie van de beoordelingskamer vaccins. De minister heeft toen een brief beloofd, welke eind januari gepubliceerd is over de samenwerking bij de advisering over vaccins. Deze Kamerbrief zou meer duidelijkheid verschaffen over de tijdslijnen voor beoordeling van vaccins. Het voornemen is om twee tot drie adviezen per jaar te geven. In dit tempo en met het oog op de huidige werkvoorraad aan onbeoordeelde vaccins zouden nieuwe vaccins pas op zijn vroegst in 2020 aan de beurt zijn. De VVD vindt het belangrijk dat voor iedereen duidelijk wordt welke vaccins en vaccinaties er zijn, hoe deze aangeboden en gefinancierd worden en hoe wordt omgegaan met nieuwe vaccins en vaccinaties, ook als het gaat om de producenten van deze nieuwe vaccins en vaccinaties. 

Welke mogelijkheden ziet de minister ervoor dat ook de Gezondheidsraad met vaste, korte tijdslijnen gaat werken, zoals nu Zorginstituut Nederland al gebonden is aan wettelijke oplevertermijnen? Welke mogelijkheden zijn er om de prioritering voor de werkagenda te wijzigen als nieuwe, veelbelovende vaccins zich aandienen? Hoe en binnen welke termijn zal het RIVM de indieners informeren over de wijze waarop met het vraagstuk wordt omgegaan? 

Tot zover, voorzitter, ik heb geen moties. 

Mevrouw Bruins Slot (CDA):

Voorzitter. De voedingsindustrie heeft onderling afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat jonge kinderen niet met reclame voor ongezonde producten in aanraking komen. Dat is een belangrijke steun in de rug voor ouders om weerstand te bieden tegen dit soort verleidingen. De staatssecretaris heeft in het debat aangegeven dat hij het Voedingscentrum laat beoordelen of de normen die de voedingsindustrie heeft vastgesteld, deugen en streng genoeg zijn, en of zij alle voor jonge kinderen ongezonde producten omvatten. 

Daarnaast moet er natuurlijk op worden goed toegezien of de voedingsindustrie zich aan die normen houdt. Daar bestond altijd onafhankelijke monitoring voor. Die is op een gegeven moment afgeschaft. Wat er daarvoor terug is gekomen, is een toets door de voedingsindustrie zelf. De staatssecretaris heeft verteld wat die daaraan heeft gedaan: ze heeft vijftien apps bekeken en een paar websites en dat was het. Maar in de wereld van de vele uitingen op social media en de vele kanalen waarop kinderen daarmee in aanraking kunnen komen, is dat natuurlijk heel erg beperkt. Daarom dient het CDA de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening dat het ongewenst is dat reclame en promotie voor ongezonde voedingsmiddelen specifiek gericht worden op kinderen; 

van mening dat het goed is dat ondernemers en voedingsindustrie zelf het initiatief hebben genomen om hiermee te stoppen; 

van mening dat het tegelijkertijd wel zo is dat het beoordelen of een voedingsmiddel gezond of ongezond is voor kinderen door onafhankelijke experts gedaan moet worden, en dat ook de naleving van deze afspraken onafhankelijk gemonitord moet worden; 

verzoekt de regering om een onafhankelijke monitoring van de naleving van de gemaakte afspraken rond kindermarketing uit te voeren en de Kamer hierover periodiek te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bruins Slot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 265 (32793). 

De voorzitter:

Tot zover de bijdrage van mevrouw Bruins Slot en tot zover de termijn van de Kamer. Ik schors de vergadering enkele minuten, zodat de bewindspersonen even naar de moties kunnen kijken. 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. 

Minister Schippers:

Voorzitter. In de eerste motie van mevrouw Ouwehand, op stuk nr. 260, wordt de regering verzocht, een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen in te voeren. Ik ontraad deze motie. Wij hebben in het AO al hierover gesproken. Het kabinet heeft de aanpak van bisfenol A toegelicht in de brief naar aanleiding van de studie van het RIVM naar gezondheidseffecten van BPA. Daarin staat dat de blootstelling aan BPA omlaag moet, maar dat een verbod niet wenselijk is. Als je bisfenol A eruit haalt, moet je iets anders erin doen. We weten niet of die alternatieve stoffen veiliger zijn en zitten dus met een probleem. Daarom is het niet verantwoord om dat nu te verbieden. Wij moeten tegenover iedereen benadrukken dat we deze switch willen maken, maar we moeten eerst weten wat de alternatieve stoffen doen en of ze niet slechter zijn dan de stoffen die je eruit haalt en die je verbiedt. 

In haar tweede motie, op stuk nr. 261, verzoekt mevrouw Ouwehand de regering er bij de Europese Commissie op aan te dringen om met een ambitieuze aanpak te komen om de aanwezigheid van hormoonverstorende stoffen in alle producten zo snel mogelijk uit te faseren. Ik zie deze motie als ondersteuning van beleid en laat het oordeel aan de Kamer. Wij doen dat ook. 

De derde motie, die niet vandaag maar al eerder is ingediend, gaat over de voedselapp. Mevrouw Ouwehand vraagt of ik een aantal zaken aan de voedselapp wil toevoegen. De voedselapp is nu al in de testfase. Wij testen die al en vullen de databanken met de informatie die we uiteindelijk snel op het schermpje willen zien. Als ik dit zou doen, zou dat tot een enorme vertraging leiden. Ik wil de dingen waarop we de app nu testen en waarmee we nu bezig zijn eerst maar eens van de grond trekken. Later kunnen we andere dingen daaraan toevoegen die belangrijk zijn en waarover mensen informatie willen hebben. Als we dat nu zouden doen, zou dat de introductie van de app echt vertragen. Ik ben daar zeer tegen, dus ik ontraad dat. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Kan de minister toezeggen dat zij de Kamer informeert over de testfase? Voelt zij ervoor om als het wel loopt, in elk geval te kijken naar de mogelijkheid om aanvullende informatie op te nemen? We hebben in het AO gewisseld dat het juist zo fijn is om af te stappen van dat woud aan keurmerken en dat te concentreren. 

Minister Schippers:

Ik ben het helemaal met mevrouw Ouwehand eens. Als een app kan aangeven of voedsel in de schijf van vijf past en of het glutenvrij of lactosevrij is, afhankelijk van je allergie, dan is het heel goed dat je die app kunt uitbreiden en dat een consument zelf kan intikken wat hij belangrijk vindt. Ik sta daar zeker positief tegenover. Maar als wij nu alles al op het schaaltje leggen, gaat het nooit vliegen. Daar ben ik bang voor. Laten we eerst de app introduceren en bekend maken. Langzaam maar zeker kunnen we hem uitbreiden, zeker met de zaken die mevrouw Ouwehand voorstelt. 

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Fijn, dan wachten wij de test af. Het is fijn te horen dat de minister ook vindt dat we verschillende vormen van informatie moeten kunnen combineren, als de app zich daarvoor leent. Dan breng ik de motie nog steeds niet in stemming en houd ik die nog steeds aan. 

Minister Schippers:

De vierde motie is de motie van mevrouw Dik-Faber. O nee, de vierde motie gaat over sociaal-economische gezondheidsverschillen. De staatssecretaris behandelt die. De vijfde motie is ... 

De voorzitter:

En motie vier? 

Minister Schippers:

Ik heb de motie over de voedselapp drie genoemd, maar die heet natuurlijk niet drie. 

De voorzitter:

Die heet achttien. 

Minister Schippers:

De vierde motie is de motie van mevrouw Dik-Faber op stuk nr. 263, waarin de regering wordt verzocht, door de Wetenschappelijke Adviescommissie maximumgehaltes per productgroep te laten vaststellen. Wij hebben afspraken gemaakt met de sector over wat er tussen nu en 2020 moet gebeuren. We doen dat in stappen en we hebben een wetenschappelijke adviescommissie ingesteld om de boel aan te jagen. Als je dat niet doet, gaat de ambitie er namelijk uit en versnel je niet. Het is heel belangrijk dat dat gebeurt, maar het is wel een traject dat we gezamenlijk tot 2020 lopen. Het spreekt voor zichzelf dat je op een gegeven moment evalueert wat er is gebeurd en of we in dit tempo de resultaten gaan halen. We kunnen straks na de evaluatie beoordelen of we die ambitie gaan halen als we in dit tempo doorgaan. Dat is wat we met elkaar hebben afgesproken. Die evaluatie wordt dit jaar uitgevoerd in overleg met die wetenschappelijke adviescommissie. We hebben dus aan haar gevraagd welke categorieën producten met een significante bijdrage aan inname van zout, verzadigd vet en/of suiker echt opgepakt moeten worden of waarvoor de ambitie of de lat hoger gelegd moet worden. Zodra we dat advies binnen hebben, kunnen we kijken of we dit soort moties zouden moeten willen. Nu vind ik dat echt voorbarig. Dat doorkruist het hele proces dat we met elkaar hebben afgesproken, dus ik ontraad deze motie. 

De voorzitter:

Kort, mevrouw Dik-Faber. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

We zijn natuurlijk al een aantal jaren op pad met elkaar met het Akkoord Verbetering Productsamenstelling. Ik signaleer dat de wetenschappelijke adviescommissie keer op keer zegt dat het onvoldoende is en met adviezen komt. Uiteindelijk beslist echter een stuurgroep waar de levensmiddelenindustrie in zit. Dat hele proces zou ik willen doorbreken. Ik wil gewoon meer invloed voor de wetenschappelijke adviescommissie. Als de minister de motie zo leest, zegt ze misschien dat het een route is die zij kan onderschrijven. 

Minister Schippers:

Een convenant sluit je met verschillende partijen aan de tafel. Ik vind het hier en daar echt niet ambitieus genoeg, maar we hebben de afgelopen weken ook gezien dat er echt sprake is van versnelling. Ook op de Nationale Voedseltop hebben we gezien dat een aantal partijen, zowel de boeren als de fabrikanten, heeft gezegd er een schepje bovenop te doen en van 5% naar 10% te gaan. Er zijn echte ambities vastgesteld. Dan vind ik niet dat we dat moeten doorkruisen door nu door middel van zo'n motie ineens over zo'n tafel heen te gaan. Daarvan gaan de resultaten niet beter worden. We hebben met elkaar afgesproken dat we echt evalueren en dat scherp op tafel komt waar we staan, wat er is gedaan en of dat voldoende is. Als het niet voldoende is, nemen we dan maatregelen. Als je dat met elkaar afspreekt, vind ik dat je dat ook moet nakomen. Wat heeft het anders voor zin om met elkaar convenanten te maken? Dan kunnen we net zo goed als overheid zeggen: dit is het lijstje, ga het doen. Ik ontraad dus de motie. 

In de motie op stuk nr. 264 van mevrouw Dik-Faber staat dat de regering ervoor moet zorgen dat er onafhankelijke betrouwbare en specifieke informatie over health checks wordt ontwikkeld en wordt zij verzocht om te onderzoeken of deze informatie op een centraal punt kan worden aangeboden. Ik heb de Kamer over health checks geïnformeerd. Ik vind, net als mevrouw Dik-Faber, dat goede voorlichting een belangrijke taak is en neem mijn rol daar ook in. Het RIVM werkt een goed beoordelingskader uit. Ik weet niet of dat al tegemoetkomt aan het verzoek van mevrouw Dik-Faber. We zijn druk bezig om ervoor te zorgen dat die onafhankelijke informatie beschikbaar komt. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Wat ik me herinner uit het debat en wat mij daarna in contacten met een aantal organisaties duidelijk is geworden, is dat de aanbieders van de health checks nu een vrij grote rol hebben in het verschaffen van informatie aan mensen. Zij hebben natuurlijk ook een rol in de hele informatieverschaffing, maar ik vind het heel belangrijk dat er daarnaast ook onafhankelijke informatie is en dat er een plek is waar mensen die onafhankelijke informatie kunnen krijgen. Dat mag van mij het RIVM zijn, maar ook een andere plek. Als dat er maar komt. 

Minister Schippers:

Het RIVM is dus bezig om een beoordelingskader uit te werken. Ik wil niet de verantwoordelijkheid weghalen bij mensen, want iedereen die een medische beoordeling doet, een health check of iets anders, heeft allerlei plichten conform de wet. Daarbovenop is het RIVM nu bezig met een beoordelingskader. Waarom wachten we dat niet eerst even af? Als het er is, kan mevrouw Dik-Faber beoordelen of het voldoende is. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik ga er nog even naar kijken. Ik weet niet of ik over de verkiezingen heen moties kan aanhouden. 

De voorzitter:

Zeker. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Dat kan? 

De voorzitter:

Ja hoor, tot in alle eeuwigheid. 

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

We hebben nog tijd voor de stemmingen. Ik ga er nog even naar kijken. 

Minister Schippers:

De heer Ziengs heeft een aantal vragen gesteld. Kan de Gezondheidsraad werken met vaste korte tijdlijnen? Is de werkagenda te wijzigen als er bijvoorbeeld een heel veelbelovend vaccin aankomt? En kunnen de fabrikanten beter geïnformeerd worden? De werkagenda van de Gezondheidsraad is hartstikke vol. Hij doet wel zijn best om die gestaag af te werken. Dat gaat echter ook altijd via het ministerie. Als er dus een nieuw vaccin op de markt komt waarvan wij denken dat het weleens een heel belangrijke rol zou kunnen spelen en dat het met voorrang op die werkagenda moet komen, dan kan ik dat ook daadwerkelijk vragen. Ik kan dan ook de prioritering van die werkagenda veranderen. Naar mijn weten worden de fabrikanten goed geïnformeerd. Als de heer Ziengs signalen heeft ontvangen dat dat niet zo is, dan zou ik hem willen vragen om ze aan mij door te geven. Dan kan ik dat ook aan de hand van concrete cases met hen bespreken. 

De voorzitter:

Wat betekent dat voor de motie? 

Minister Schippers:

Dit is geen motie, het waren vragen. 

De voorzitter:

U hebt gelijk, ik dacht dat het een motie was. Dan behandelt de staatssecretaris nog twee moties. 

Staatssecretaris Van Rijn:

In de motie op stuk nr. 262 vragen mevrouw Leijten en de heer Van Gerven de regering om een sociaal-economische gezondheidseffectrapportage op te zetten. Binnen het Nationaal Programma Preventie heeft het stopzetten van de groei van het aantal mensen met chronisch ziekte en het verkleinen van sociaal-economische gezondheidsverschillen reeds prioriteit. We doen dat met diverse lokale, regionale en landelijke programma's. Ik denk dat de toevoeging van een gezondheidseffectrapportage aan wetgeving slechts een administratieve handeling is, die verder weinig bijdraagt aan het verkleinen van de verschillen. Om die reden zou ik de motie dus willen ontraden. 

In de motie-Bruins Slot op stuk nr. 265 wordt gevraagd om onafhankelijke monitoring van de naleving van afspraken rond kindermarketing uit te voeren. De FNLI monitort nu. Dat vindt op voldoende wijze plaats. Ik wijs de indienster er bovendien op dat die monitoring op ons verzoek nu ook wordt uitgebreid naar de social media. We zijn daar dus goed over in gesprek en er zijn goede resultaten. Wat ons betreft is er dus geen aanleiding om dat nu te veranderen. Ik wil de motie ontraden. 

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Leijten nog even het woord. Houdt u het echter kort en puntig, mevrouw Leijten. 

Mevrouw Leijten (SP):

Bij ieder wetsvoorstel wordt er een rapportage over de bureaucratie en administratieve lasten gevraagd van Actal. Want regels voor het bedrijfsleven zouden we toch niet moeten willen! Wat is nou echter precies het verschil met een sociaal-economisch gezondheidseffectrapportage? Daarmee bekijken we of de voorgestelde maatregelen een positieve of een negatieve invloed hebben op de sociaal-economische gezondheidsverschillen tussen mensen. Worden die vergroot of verkleind? Waarom kunnen we regels wel in kaart brengen, en dit soort gezondheidsverschillen niet? 

Staatssecretaris Van Rijn:

Mevrouw Leijten en ik zijn het met elkaar eens dat we sociaal-economische gezondheidsverschillen moeten verkleinen. Waarom kunnen we dit soort gezondheidsverschillen niet in kaart brengen? Omdat sociaal-economische gezondheidsverschillen veel moeilijker te duiden zijn dan de regels die voortvloeien uit een wet. Sociaal-economische gezondheidsverschillen ontstaan namelijk door zaken die te maken hebben met gedrag, leefstijl, de omgeving en allerlei andere factoren. We moeten daar dus programma's op zetten. Mevrouw Leijten vraagt nu om het toekennen van een cijfertje bij een wet, terwijl wat dat cijfer uitdrukt bovendien vooraf heel moeilijk te meten zal zijn. Dat zou volgens mij dus alleen maar administratieve lasten toevoegen, en dat zou ik zonde vinden. 

Mevrouw Leijten (SP):

Het is toch treurig om uit de mond van een bewindspersoon van de Partij van de Arbeid te horen dat het doen van onderzoek naar het vergroten of verkleinen van sociaal-economische gezondheidsverschillen administratief zou zijn. Het makkelijker of moeilijker maken van de toegang tot de gezondheidszorg is wel degelijk van invloed op de sociaal-economische gezondheidsverschillen. Die verschillen worden ook bepaald door de vraag of er in een buurt voldoende groen is. Mevrouw Ouwehand had het daar ook al over. De vraag of mensen voldoende of onvoldoende salaris hebben, heeft effect op de sociaal-economische gezondheidsverschillen. We weten daar ontzettend veel over. Nu blijkt echter dat de staatssecretaris van nota bene de Partij van de Arbeid dat niet in kaart wil brengen. Dat is pijnlijk, zeg! 

De voorzitter:

De staatssecretaris staat hier niet namens de Partij van de Arbeid, maar namens het kabinet. 

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik wil daarbij de volgende kanttekening plaatsen. Ik heb mij helemaal niet uitgesproken over de vraag of onderzoek naar sociaal-economische gezondheidsverschillen nuttig of niet nuttig, zinvol of niet zinvol zou zijn. De factoren die mevrouw Leijten noemt, zijn inderdaad zeer bepalend voor sociaal-economische gezondheidsverschillen. Nu wordt echter voorgesteld om bij wetsvoorstellen een rapportage over effecten op de sociaal-economische gezondheidsverschillen te voegen. Ik wijs erop dat dit zou leiden tot alleen maar een cijfertje bij een wet, dat ook niet zo veel zegt. Het gaat juist om de factoren die mevrouw Leijten ook noemt. Het lijkt mij dat dit zou leiden tot een administratieve last die feitelijk weinig oplevert. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Morgen stemmen wij over de ingediende moties.