Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 97, item 31

31 WRR-rapport "Naar een lerende economie"

Aan de orde is het debat over het WRR-rapport "Naar een lerende economie". 

Voorzitter: Van Miltenburg

De voorzitter:

Ik heet de minister-president, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Economische Zaken van harte welkom, net als natuurlijk de mensen die aanwezig zijn op de publieke tribune of die op een andere manier dit debat volgen en de deelnemers aan dit debat. Twaalf stuks hebben zich aangemeld. Er is zeven minuten spreektijd per fractie. De eerste spreker is de heer Pechtold. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Vrijdag 4 november verscheen het WRR-rapport Naar een lerende economie. 27 februari verwierpen de minister van Economische Zaken en de minister van Onderwijs het advies in de NRC. De WRR leeft nog in het verleden, was de conclusie van beide bewindspersonen. Mijn fractie betreurt de weinig vleiende kwalificaties aan het adres van een belangrijk adviesorgaan, maar was vooral bezorgd over de gemakzuchtige houding van het kabinet. 

Waarom? Omdat nieuwe groei en nieuwe banen niet vanzelf komen aanwaaien. De WRR waarschuwt dat het succes van Nederland allerminst vanzelfsprekend is, dat wij ons niet door goede ranglijstjes in slaap moeten laten sussen, dat andere, niet-westerse landen in opmars zijn. Maar het kabinet ging op de handen zitten en sloeg zich op de borst over de goede Nederlandse uitgangspositie. Aanbeveling na aanbeveling werd minzaam terzijde geschoven. Kort samengevat zei het kabinet zeven maal "wij deden al iets", vier maal "er komt al een brief aan", zes maal "geen actie in het algemeen". Dan was er nog een soort restcategorie die is te definiëren als: wij gaan erover nadenken, wordt vervolgd. 

Vandaag wil ik mij vooral richten op de vraag: hoe gaan wij alsnog werk maken van nieuwe groei en banen, van een lerende economie? Ik richt mij daarbij eerst tot de minister-president, de premier van sterker uit de crisis. Dit rapport is namelijk zijn verhaal. Als oud-staatssecretaris van Werkgelegenheid en van Onderwijs moet juist hij de waarde inzien van een rapport dat economie, innovatie, onderwijs en arbeidsmarkt samen neemt. De premier heeft professor Van Lieshout, de opsteller van het rapport, maar liefst drie keer enthousiast ontvangen op het Catshuis. Dat staat in schril contrast met de kabinetsreactie. Kan de premier mij geruststellen, in die zin dat het WRR-advies niet verworpen is? Graag een uitgebreide reactie, waarbij ik de premier vraag om in ieder geval in te gaan op de aanbevelingen die de kabinetsreactie niet hebben gehaald, zoals ruimte om vakken te volgen op verschillende niveaus, zodat iedere leerling het beste uit zichzelf kan halen, en zoals veel meer samenwerking tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven en een flinke verbetering van het hoger onderwijs. Wij zijn het er immers toch over eens dat dit verder moet gaan dan een grote financiële injectie vanuit de studiebeurs? 

Kan de premier ingaan op de aanbevelingen: een rijksbegroting waarin investeringen in onderzoek, innovatie en infrastructuur niet worden verdrongen door uitgaven aan zorg en sociale zekerheid, en een moderne polder, waarin niet de gestolde belangen van werkgevers en werknemers boven aan de agenda staan maar groei en innovatie? FNV en VNO-NCW hebben beide een nieuwe voorzitter en het voorzitterschap van de SER is vacant. Dat is naar mijn idee hét moment om in de polder niet meer over verdelen maar over verdienen te praten. Is de minister-president dat met mij eens? 

Ik spreek ook de minister van Onderwijs aan. De WRR luidt de noodklok: de kwaliteit van ons onderwijs gaat zowel absoluut als relatief achteruit. Op de middelbare school staat in één op de vijf lessen een onbevoegde leraar voor de klas. Wij betalen onze leraren 16% tot 30% minder dan andere hogeropgeleiden. Terwijl artsen, advocaten en notarissen zich regelmatig moeten laten nascholen, is de leraar na zijn studie vooral druk met lesgeven, nakijken en een berg administratie. 

Hoe zorgt de minister van Onderwijs ervoor dat ons onderwijs vooruit- in plaats van achteruitgaat? Hoe zorgt zij voor onderwijs waarin de leraar de ruimte krijgt om te leren en te innoveren en zo de leerlingen voor te bereiden op de toekomst? Een toekomst, waarin digitalisering, duurzaamheid en internationalisering geen bedreigingen maar kansen zijn. Ik krijg graag een reactie op die punten. 

Aan de minister van Economische Zaken vraag ik hoe ook andere werknemers blijven leren. Voor nieuwe groei en meer banen is een leven lang leren belangrijker dan het hebben van de laagste belastingen voor grote bedrijven. De WRR stelt individuele leerrechten voor. Die woorden kom ik in de kabinetsreactie niet tegen. Kan de minister van Economische Zaken op die aanbeveling ingaan? 

Het versterken van ons verdienvermogen, het werken aan nieuwe groei en meer banen, is wat mijn fractie betreft de opdracht aan dit kabinet in de tweede helft van zijn regeerperiode. Daarom zet ik mij over de teleurstellende kabinetsreactie heen. Ik daag het kabinet uit om mee te denken over een ambitieuze groei. Zoals bekend is D66 altijd bereid dit kabinet bij te sturen, zeker als het gaat om onderwijs en innovatie. Daarom stellen wij vandaag een toekomstfonds voor, geleidelijk te vullen met aardgasbaten. Dat gas raakt ooit op. Wij moeten dus hoe dan ook zorgen voor nieuwe inkomstenbronnen. Gebruik de eindige gasbaten voor investeringen in de innovatie van ons verdienvermogen. Stel tegelijk een soort toekomstcommissaris aan. Daarbij maak ik de vergelijking met de Deltacommissaris, die ervoor zorgt dat we geen natte voeten krijgen. Zet daar een instituut naast — zo'n toekomstcommissaris — zodat we niet met lege hoofden en lege handen komen te staan. Die commissaris moet, los van de politieke waan van de dag en over de departementale kokers heen, ons verdienvermogen veilig stellen. Wat vindt de premier van zo'n voorstel? Om hem over de streep te trekken verwijs ik graag, zoals hij dat ook zelf doet, naar Duitsland. Daar hebben ze niet eens aardgas en investeren ze veel meer in onderzoek en innovatie. Daarbovenop hebben ze een sluitende begroting. Dat kan dus wel. 

Het kabinet heeft een vruchtbaar jaar achter de rug, maar de belangrijke hervormingen die zijn doorgevoerd, waren eigenlijk achterstallig onderhoud. Nu is een agenda voor de toekomst nodig. Niet alleen voor de toekomst van dit kabinet, maar vooral ook voor de toekomst van de Nederlandse economie. Ik verwacht ambitie van dit kabinet en ik verwacht ambitie van deze premier en zijn ploeg. 

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Allereerst wil ik de medewerkers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid danken voor het uitstekende werk dat zij hebben geleverd met het rapport over de lerende economie. Complimenten daarvoor. Het rapport Naar een lerende economie biedt veel aanknopingspunten om tot een duurzamere economie met meer aandacht voor onderwijs en innovatie te komen. Het rapport geeft inzicht, maar houdt de politiek ook voor waar zij de laatste jaren steken heeft laten vallen. Het houdt ons een spiegel voor over de stille achteruitgang van de kwaliteit van het onderwijs. Over de gebrekkige visie op innovatie en het ontbreken van een duidelijke economische visie voor de langere termijn. Over het afbreken van mogelijkheden voor mensen met werk of in een uitkering om zichzelf bij te scholen en verder te ontwikkelen. 

Het is stevige kritiek, waar de nonchalante reactie van het kabinet niet bij past. Het kabinet wuift de analyse en de aanbevelingen weg. Wij zijn lekker bezig, lijkt de houding van het kabinet. Daarmee diskwalificeert het kabinet niet alleen het instituut en zijn onderzoekers maar maakt het ook duidelijk dat het meedenken door het kabinet niet echt gewaardeerd wordt. En dat is een gemiste kans. 

Als een lerende economie iets betekent dan is het wel dat we als samenleving moeten leren van gemaakte fouten. We moeten vaststellen dat de politiek de afgelopen 30 jaar vaak averechts heeft gewerkt om onze economie duurzaam te vernieuwen. Daarbij werkten de winstmaximalisatie bij bedrijven en de schaalvergroting in de publieke sector juist averechts. Een langetermijnvisie op duurzame groei was niet langer nodig. Toezichthouders en commissarissen keken toe of deden zelf vrolijk mee. Die publieke moraal stuit in de samenleving steeds meer op afkeer, maar in de politiek klinkt deze kritiek op het doorgeslagen individualisme nog te weinig door. De politiek van dit moment zet juist de rem op de sociale innovatie die ook de WRR probeert aan te moedigen. Ik wijs bijvoorbeeld op het akkoord over het schuldenstelsel voor studenten, waarin het individuele eigen belang nog steeds opgehemeld en gestimuleerd wordt en het collectieve belang van goed opgeleide mensen voor de samenleving opzij wordt geschoven. 

Maar laten we nu ook vooral kijken naar de vele suggesties en kansen die er liggen door of naar aanleiding van dit rapport. Sociale innovatie betekent dat we meer moeten investeren in onderwijs, in bijscholing van personeel, in het delen van kennis en in een slimme industriepolitiek waarbij de overheid bedrijven steunt in hun duurzame ontwikkeling in een sociale samenleving. Het betekent bijvoorbeeld dat het collegegeld voor een tweede studie juist zou moeten worden verlaagd, zodat doorleren voor iedereen mogelijk blijft. Het betekent dat, zoals de WRR ook voorstelt, onze leraren meer academisch geschoold moeten zijn en dat we het rendementsdenken in het onderwijs moeten tegengaan. Sociale innovatie betekent dat werknemers meer scholingsrechten krijgen zodat voor hen een leven lang leren ook daadwerkelijk mogelijk wordt. 

De groeiende ongelijkheid in onze samenleving schaadt het vertrouwen van mensen in de politiek, in instituties en in elkaar. Wie hard werkt, moet daar ook goed voor beloond worden. Daarom steunen we ook de acties van schoonmakers, mensen in de thuiszorg, vrachtwagenchauffeurs enz. Zij doen fysiek zwaar werk maar worden daarvoor onvoldoende betaald. Dit is een verdienmodel zonder toekomst, omdat het leidt tot verarming van mensen, wat weer leidt tot minder omzet voor het midden- en kleinbedrijf en tot minder welvaartsgroei voor iedereen. 

De WRR geeft ons een inkijkje in een toekomst waarin steeds meer banen in het midden van de inkomensverdeling verdwijnen. De huidige politiek versterkt dit effect. Veel mensen leven in armoede en de groep werkende armen stijgt snel. Dat zijn gezinnen waarin van een salaris bij lange na niet fatsoenlijk geleefd kan worden, gezinnen waar hard wordt gewerkt zonder perspectief om op te klimmen op de sociale ladder. Erkent de premier dat het gevaar van een groeiende tweedeling op de loer ligt? Wat zijn de maatregelen die hij gaat nemen om de krimp van de middenklasse in Nederland te voorkomen? 

Loonmatiging en koopkrachtdaling die nu al jaren aanhouden, hebben onze economie op slot gezet. De WRR wijst er terecht op dat het stimuleren van de exportsector tot gevolg heeft dat de vraag naar niet-exporteerbare goederen en diensten voor de binnenlandse markt wordt geremd. Loonmatiging om de export te vergroten, verarmt de bevolking en beperkt het verdienvermogen van het midden- en kleinbedrijf. Dat is wat het beleid van de afgelopen jaren teweeg heeft gebracht. Is de premier het daarmee eens en, zo niet, waarom spreekt het kabinet dan over het rapport als ondersteuning van reeds ingezet beleid? 

Soms lijkt het of we helemaal geen lessen hebben geleerd uit de financiële crisis. Ons land werd hard getroffen door de bankencrisis, mede omdat de financiële sector in Nederland groot is, veel te groot. Er is in ons land een verdienmodel opgetuigd waarin een deel van onze knapste bèta's geen bijdrage levert aan een reële economie maar gevaarlijke producten uitdenkt voor banken. Zo heeft ons land zichzelf een financieel waterhoofd aangemeten waarmee de gehele economie uit balans is gebracht. We moeten werken naar een gezonde en dienstbare financiële sector, met kleinere banken, strenger toezicht en minder risico's, die dienstbaar is aan bedrijven die willen investeren aan en consumenten die bijvoorbeeld een huis willen kopen. 

De SP deelt de zorgen van de WRR over de kwaliteit van het onderwijs. Nederland blijft achter, met name omdat het rendementsdenken onze scholen degradeert tot toetsfabrieken. Het is goed om alle ruimte te geven aan toptalenten, maar we moeten bovenal de basis van ons onderwijs versterken. Hoger opgeleide docenten voor de klas, kleinere klassen en meer aandacht voor volwassenen die naast hun werk een vervolgopleiding willen volgen. Wij willen schrappen in management en bureaucratie, zodat onderwijsgeld ook echt aan onderwijs wordt besteed. De SP onderschrijft de uitspraak van de WRR dat innovatie van iedereen komt en niet alleen van dat ene bedrijf dat toevallig — of niet toevallig — subsidie krijgt. Innovatie en groei moeten de hele samenleving toekomen en daarom verzetten wij ons tegen de neoliberale visie op de economie, waar bedrijven vooral bezig zijn met een snelle winst op de korte termijn. Dat gaat ten koste van de duurzaamheid van het bedrijf en de samenwerking en de loyaliteit van mensen. 

De voorzitter:

Uw tijd is op. 

De heer Roemer (SP):

Ik zal snel afronden. Ik zal de rest in de interrupties zeggen. 

Als we niet investeren in mensen, zullen alle verhalen over innovatie en kenniseconomie loze praatjes blijven. Onze toekomst gaat over de wil om te delen, of dat nou informatie of kennis is, of welvaart in zijn algeheel. Het is aan de politiek om mensen de ruimte te geven om zich te ontwikkelen, door goede sociale zekerheid en eerlijke kansen op goed werk. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Het debat moet nog een beetje op gang komen, maar ik ga mijn best doen. 

Ik begin met een citaat. "In bijna geen enkel politiek debat is sprake van een puur economische afweging. In plaats daarvan krijg je moreel-ideologisch gedreven beslissingen, die zelden verstandig zijn." Wie heeft dat gezegd, mevrouw de voorzitter? Wie van de hier aanwezige fractievoorzitters heeft dat gezegd? Het is een opmerkelijke uitspraak van die meneer die daar naar zichzelf zit te wijzen, de fractievoorzitter van de grootste partij van Nederland, collega Zijlstra. "Ideologie? Weg ermee!" Het doet denken aan een uitspraak van de minister-president van nog niet zo lang geleden. Van visie moest hij niets hebben en dat was wellicht niet zo vreemd. Alsof de minister-president geen visie heeft! Alsof de heer Zijlstra niet ideologisch gedreven is! Alsof "werk moet lonen", "nivelleren kost banen" en "overheidsbanen zijn geen echte banen" allemaal niet bij uitstek ideologische argumenten zijn. Natuurlijk heeft de minister-president een visie en natuurlijk is de heer Zijlstra ideologisch gedreven. Ze lopen er alleen niet mee te koop. Ze verkopen en presenteren hun keuzes liever als de enige logische optie. 

Het rapport van de WRR dat wij vandaag bespreken, staat haaks op wat collega Zijlstra zaterdag zei. De WRR zegt dat er in Nederland juist te weinig wordt gedebatteerd over de vraag wat je inhoudelijk eigenlijk wilt, wat je idealen zijn en wat je als "het goede leven" beschouwt, dat er juist veel te veel op puur economische gronden wordt gestuurd en dat het juist goed is om het streven naar maximale groei te relativeren. De WRR vindt het bijvoorbeeld heel legitiem om te kiezen voor meer sociale cohesie en een gelijkere verdeling van inkomen, zelfs als dat ten koste zou gaan van groei. Dat is mij uit het hart gegrepen. Wat vindt de minister-president? Is hij het met de WRR eens dat we eerder meer dan minder over het bepalen van doelen zouden moeten spreken? Ik hoop het van harte. 

Nu de ene helft van het regeerakkoord is geschrapt en de andere helft is uitgevoerd, kan en moet het kabinet zich — als het aan mijn fractie ligt — buigen over de grote vraagstukken van deze tijd: grondstoffenschaarste en energieafhankelijkheid, ongelijkheid en werkloosheid. De WRR heeft een mooie analyse gemaakt van de ingrediënten van een toekomstig verdienmodel, maar het is aan ons, aan de politici, om keuzes te maken. Waartoe leidt het onderwijs ons op? Welk soort bedrijven hebben we nodig om de goederen en diensten te maken waaraan we behoefte hebben? Hoe kan en wil de overheid hierin sturen? Hoe gaan we de schaarste aan grondstoffen en energie te lijf? Wat is welvaart eigenlijk en hoe meten we die? 

Dat laatste is cruciaal. Al in 1992 kwam de SER met het advies om een breder welvaartsbegrip te hanteren, niet alleen gericht op de groei van het bnp, maar ook op verduurzaming, eerlijk delen en een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie. Ruim twintig jaar later zijn we niet veel verder dan toen. We kunnen natuurlijk om nog meer adviezen van de WRR vragen. Aan de hand van de bij vlagen vlijmscherpe analyse van de WRR is die verleiding ook bij mij soms groot, maar het is nog beter om zelf aan de slag te gaan. Ziet de minister-president iets in het opstellen van een nieuwe agenda, een soort aanvulling op het regeerakkoord, een inspirerend verhaal over de toekomst van Nederland? Of blijft het bij de reactie die het kabinet op het WRR-rapport heeft gegeven? Ik hoop het eerste. 

Ik denk ook dat wij als parlement meer kunnen doen. Ik zou willen dat wij een tijdelijke commissie instellen die zich buigt over de manier waarop wij onze welvaart meten en over de vraag wat daarin ontbreekt. In de ons omringende landen is hiermee recentelijk de nodige ervaring opgedaan. Duitsland en Frankrijk ontwikkelden samen een nieuwe welvaartsmaatstaf. In België is iets vergelijkbaars gebeurd. In Europees verband zijn het Europees Parlement en de Europese Commissie al in 2007 een project gestart dat beoogt verder te kijken dan het bruto nationaal product. In Nederland lopen we op dat vlak een beetje achter. Ik nodig mijn collega's ertoe uit om hier in het parlement het initiatief te nemen om met dit onderwerp aan de slag te gaan, zoals dat ook in andere parlementen is gebeurd. 

Ik ben er dus voorstander van dat parlement en kabinet zelf de verantwoordelijkheid nemen voor het opstellen van de nieuwe toekomstagenda. Een visie op toekomstige werkgelegenheid is daarbij onmisbaar. De waarschuwing van de WRR dat door de verdergaande automatisering mogelijk middenbanen zullen verdwijnen, is interessant. GroenLinks heeft al eerder gewezen op dit risico en heeft mede daarom de 32-urige werkweek in de discussie gebracht. Ook het kabinet erkent het risico dat banen zullen verdwijnen en stelt, in zijn reactie op het rapport, nader onderzoek hiernaar te gaan doen. Ik zou de bewindslieden willen vragen hoe het staat met dit onderzoek. 

Het tweede wat niet mag ontbreken is een visie op datgene waar we ons geld mee verdienen. Het huidige topsectorenbeleid, en ik citeer wederom de WRR, subsidieert de status quo, zou je kunnen zeggen. Dat zijn dan mijn woorden en niet die van de WRR. Het sluist veel belastinggeld naar de winnaars, die het toch al goed doen. Nederland zou net als andere landen met een hoog innovatief karakter enkel projecten moeten subsidiëren die zich richten op datgene wat we zien als de grote maatschappelijke uitdagingen op de lange termijn. We moeten ons niet richten op de bedrijven die, als topsectoren, juist al heel goed voor zichzelf kunnen zorgen. 

De heer Pechtold (D66):

Ik moet zeggen dat de heer Van Ojik dit debat serieus ingaat. Hij gaf laatst in een interview in Vrij Nederland ook al een beetje zijn kijk op hoe de nieuwe economie er zou moeten uitzien. Hij pleitte daarin niet zozeer voor het creëren van meer werk, maar meer voor het herverdelen van het huidige werk. Ik hoor dat nu eigenlijk ook een beetje in zijn verhaal. We zouden een soort basisinkomen moeten hebben. Hij zei, een beetje grappend bedoeld en beetje in de sfeer van de moestuinuitlatingen: ach, als een paar mensen de hele dag aan yoga willen gaan doen, dan is dat ook goed. Kan hij daar eens wat nader op ingaan? 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik doe dat graag. De heer Pechtold heeft mij nooit horen zeggen dat het verdelen van werk of het eerlijk delen van werk voor mij urgenter of belangrijker is dan het creëren van werk. Ik heb in interviews, maar ook in al mijn bijdragen in de Kamer, altijd gezegd dat we er alles aan moeten doen om meer werkgelegenheid te creëren. Wij verschillen misschien van mening over hoe je dat het beste doet, maar de manier die in ieder geval altijd door mijn fractie wordt bepleit, is het substantieel verlagen van de kosten van arbeid voor werkgevers. Ik denk overigens dat daarover hier in de Kamer heel brede overeenstemming bestaat. Op die manier kun je het aantrekkelijker maken om mensen in dienst te nemen. 

Dat neemt niet weg — het WRR-rapport heeft mij daarvoor weer nieuwe data gegeven — dat je je ook moet prepareren op een situatie waarin er misschien geen sprake meer is van volledige werkgelegenheid zoals we die vroeger kenden. Dan zou je naar de smaak van mijn fractie kunnen en moeten nadenken over het eerlijk delen van werk, vandaar ons voorstel voor een 32-urige werkweek. 

De heer Pechtold vraagt heel veel dingen tegelijk, maar ik kom bij mijn laatste punt. Ik heb inderdaad in veel discussies die ik heb gevoerd, van mensen het voorstel gehoord voor het invoeren van een basisinkomen. Dat lijkt me allemaal nog heel ingewikkeld; dat zeg ik heel eerlijk. Maar om ons nu exclusief te richten op de mensen die wellicht in de toekomst zeggen: ik wil liever iets anders doen dat betaald werk ... Ik zou me kunnen voorstellen dat we ons serieus de vraag stellen of we op die mensen al onze inspanningen moeten richten. Dat is misschien een verschil tussen ons. Daarover verschillen we ongetwijfeld van mening. 

De heer Pechtold (D66):

Wat mij verbaasde, was dat de heer Van Ojik dit zo nadrukkelijk uitwerkt in de hele discussie, die we heel breed kunnen voeren. 32 uur gaan werken, herverdelen, basisinkomen, en als je yoga wilt gaan doen in plaats van betaald werk, zou dat moeten kunnen. Maar ik chargeer een beetje, zoals die moestuinuitspraak ook een beetje uit zijn verband is gerukt. Volgens mij zaten daar ook gewoon goede bedoelingen achter van de staatssecretaris. Maar daarom probeer ik er bij de heer Van Ojik wat dieper op in te gaan. Kijk, grondstoffen hebben we weinig. Mijn idee is dat we het van innovatie en onderwijs moeten hebben, maar het lijkt nu een beetje de GroenLinks-agenda te zijn dat we genoegen moeten nemen met de huidige economie en het huidige werk, dat we dan nooit tot totale werkgelegenheid gaan komen en dat daar ideeën als de 32-urige werkweek, het herverdelen en het "ga maar aan yoga doen" vandaan komen. Klopt dat? 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dat laatste is wellicht wat al te snel geformuleerd, alsof mensen maar aan yoga moeten gaan doen, maar het eerste klopt wel ongeveer, moet ik eerlijk zeggen. Ik vind inderdaad dat we ons politiek moeten gaan prepareren op een toekomstige samenleving waarin er misschien niet meer voor iedereen werk is op de manier zoals dat er nu nog is, waarin een steeds kleinere groep mensen steeds harder werkt en een steeds grotere groep mensen structureel aan de kant staat. Dat moet je in eerste instantie bestrijden door zo veel mogelijk nieuwe banen te creëren als in je macht ligt; daar zijn de heer Pechtold en ik het over eens. Dat doe je naar mijn smaak door lastenverlichting op arbeid. Ik sluit echter inderdaad niet uit dat de stijging van de arbeidsproductiviteit, waar de WRR heel veel over schrijft, zodanig zal zijn dat we ook moeten gaan nadenken over een model waarin we met zijn allen het werk eerlijker verdelen. Dat klopt. 

Voorzitter. Ik rond mijn betoog af. Naar een lerende economie is een mooi rapport. Het stelt veel goede vragen en draagt soms concrete oplossingen aan, maar het legt de bal uiteindelijk waar die hoort: in de politieke arena. Ik zeg het toch nog een keer, tegen collega Zijlstra in het bijzonder: daar moet meer, en niet minder, op basis van heldere idealen en doelen met elkaar worden gesproken. En daar moet juist minder in plaats van meer op puur economische gronden een afweging worden gemaakt. Dat vind ik de belangrijkste boodschap van dit mooie rapport. 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Een artikel in NRC over het WRR-rapport kreeg de titel Een revolutionair rapport — en een gapende bureaula. Ik ben bang dat die bureaula de bestemming wordt van dit mooie rapport. Dat is onterecht, want er worden veel belangrijke manco's in genoemd, die juist heel veel aandacht verdienen. Volgens mij hebben de samenstellers de politieke dimensie van het rapport onderschat. Het is breed opgezet; zo breed dat elke partij er veel in vindt wat voor de eigen zienswijze pleit, en net zoveel wat ertegen pleit. Het is opvallend dat sommige conclusies in het rapport heel verstrekkend zijn, zoals de vaststelling dat ons poldermodel zijn houdbaarheidsdatum heeft overgeschreden. Het beschermt namelijk de status quo, wat we bijvoorbeeld terugzien in het topsectorenbeleid. Dat versterkt de winnaars van de economie nog verder en biedt de nieuwkomers nog minder kansen dan ze al hebben. Dit is allemaal waar. Het rapport roept ook op tot revolutionaire maatregelen, zoals het doorbreken van het poldermodel. Maar de belangen van de gevestigde bedrijven en sectoren, die veel baat hebben bij het topsectorenbeleid, laten zich niet zomaar opzijzetten door al die zinnige conclusies en aanbevelingen van de WRR. 

Ik sta stil bij enkele reacties van de VVD, PvdA en D66 op het rapport. De VVD focust net als wij op de onderwijsagenda. Ook ons lijkt dat de beste insteek voor een lerende economie. Maar ik lees dat de VVD zaken wil gaan veranderen in het onderwijs. "Alsjeblieft niet", zeggen wij daarop. Als het onderwijs ergens door wordt gekenmerkt, is dat het feit dat er te veel veranderingen zijn geweest. "Niet doen", zeggen wij, althans, niet op de manier die de VVD voor ogen heeft. De VVD zegt dat het onderwijs nu zelf bepaalt welke vakken er gegeven worden en wat het aanbod is, omdat er rekening moet worden gehouden met de wensen van het bedrijfsleven. Ik heb daarover een vraag aan de minister van EZ. Heeft de VVD-fractie daar nou gelijk in? Hoe komt het dan dat het bedrijfsleven kennelijk zo weinig invloed heeft, terwijl het in alle kenniscentra, examencommissies, denktanks en gremia die zich met onderwijs bezighouden, zit? Wat doen al die mensen daar dan? Wat moet er van de VVD nog bijkomen? 

Graag krijg ik ook een reactie van de minister op het volgende. Volgens MKB-Nederland en VNO-NCW analyseert de WRR het gebrek aan concurrentiekracht goed, maar geeft deze tegelijkertijd niet voldoende oplossingen. Veel ideeën en mogelijkheden van ondernemingen komen onvoldoende aan bod, zeggen zij. Dat is zeker waar, maar waar blijven de inspanningen van VNO en MKB-Nederland dan? Als het allemaal zo urgent is, waarom staan ze dan niet aan de poorten van de roc's te rammelen om te helpen? Of werven ze uiteindelijk liever in Oost-Europa als er technici nodig zijn die wij hier in Nederland kennelijk niet in voldoende mate kunnen opleiden? Dat vind ik een belangrijk probleem. Graag krijg ik hierop een reactie van de bewindspersonen. 

Bij de Partij van de Arbeid zien we terecht dat zij toekomst ziet in de maakindustrie. Dat zien wij ook. Tegelijkertijd is er die onmiddellijke reflex dat we moeten inzetten op duurzame energie, op een eigen Energiewende zoals in Duitsland. Wat zegt de WRR daarvan? Een van de samenstellers noemt het ontplooien van spiksplinternieuwe sectoren problematisch. Hij ziet juist een tegenovergestelde beweging en geeft een mooi voorbeeld over Océ. Dat maakt traditionele kopieerapparaten, maar verkoopt ook steeds meer digitale opslagsystemen. Die beweging, vanuit traditionele producten naar een doorontwikkeling die uiterst vernieuwend is, zie je overal. Wat de PVV betreft zouden we ons daarop moeten richten, niet op risicovolle nieuwe sectoren waarop alle andere landen zich ook richten, maar op onze eigen sterke sectoren, die wij zelf in eigen land hebben ontwikkeld. Dat zijn de sectoren waar we goed in waren, waar een sterke behoefte aan was en waar onze ambitie lag. Niemand in de wereld is zo sterk in de agrisector als wij. Transport en logistiek, voedsel en chemie zijn traditioneel onze sterke sectoren. Water en waterbeheer zijn daarbij gekomen, mede door sturing van de overheid — dat geef ik toe — maar ook omdat het per traditie in ons lage land bij ons hoort. Een van de samenstellers van het rapport stelt dat we met individuele subsidies een verzorgingsstaat voor ondernemingen hebben gecreëerd. Het heeft volgens hem weinig zin om nieuwe sectoren te stimuleren. Brainport Eindhoven komt niet eens voor in de top twintig van hightechregio's, zegt hij. Hij zegt: waarom concentreren ze zich daar niet op de kweek van varkensvlees en de export daarvan? Daarin zijn ze wel nummer één in de wereld. Op die manier zouden ze bijvoorbeeld over twintig jaar de grootste exporteur van kunstvlees kunnen worden. De conclusie is dus: focus op onze bestaande sectoren. Je moet niet geforceerd nieuwe sectoren aanboren met veel belastinggeld, want in die traditionele sectoren hebben wij een geschiedenis. Er was een direct lokaal of regionaal belang om die te ontwikkelen en dat is zo goed gegaan, dat juist al deze sectoren ons de welvaart hebben gebracht die we hebben. 

De maakindustrie hoort onlosmakelijk bij die sectoren, maar is jarenlang verwaarloosd door de focus op de kenniseconomie, alsof dat eenheden zijn die tegenover elkaar staan. Dat is ontzettend jammer. We kunnen namelijk niet zonder die maakindustrie. Je ziet die verwaarlozing terug in het onderwijs. De oude mts en meao leverden technische vakmensen af met een uitgebreide technische kennis, heel cognitief opgeleid, maar ook met uitgebreide vaardigheden. Dat waren allemaal mensen die uitstekend in staat waren om nieuwe ontwikkelingen onmiddellijk toe te passen. Zij waren breed in plaats van smal opgeleid. In de huidige roc's vinden we daar niets meer van terug. In de loop van enkele onderwijsvernieuwingsgolven, waarin juist de PvdA een belangrijke rol heeft gespeeld, werd het mbo uitgekleed van een volwaardige technische opleiding tot een soort buurtcentrum waar iedereen gekwalificeerd kon worden door het competentiegerichte onderwijs. 

Ik zei het al: onze focus is gericht op onderwijs, niet op overheidssturing van onderzoek en innovatie. De overheid loopt bijna per definitie achter de feiten aan in de dynamiek in de bestaande sectoren en zeker in nieuw aan te boren sectoren. Het is een illusie te denken dat ambtelijke commissies met subsidies een innovatieproces zouden kunnen sturen. Wat wij als overheid wel moeten doen, is het volgende. Iemand maakte het onderscheid tussen het onderwijsmodel uit de Angelsaksische wereld en het Rijnlandse model. Ons onderwijs is een hybride van die twee modellen. Het Angelsaksische model kenmerkt zich door formeel onderwijs, strikte eindtermen, onafhankelijke toetsing, veel cognitie en veel determinatie en selectie. Hoe je dat ook waardeert, het levert wel mensen af die tot echt briljante innovaties in staat zijn; kijk maar naar Silicon Valley. Ons onderwijs richt zich op de onderkant en het midden, nooit op de top: veel samenwerking, weinig cognitie en vooral niet selecteren en determineren, want dat wordt al gauw zielig gevonden. 

Het is zoals het is: wij hebben door onze eigen keuzes niet de onderwijscultuur om de concurrentiestrijd met al die andere landen te winnen. Daarom zeggen wij: ken je beperkingen, wees realistisch, richt je op je eigen sterkte. Dat zijn de sectoren die ik noemde. 

Ik zie dat ik door mijn spreektijd heen ben, voorzitter, maar ik hoop dat ik het even af mag maken. Wij willen degelijk onderwijs dat mensen aflevert die echt kwaliteiten hebben op alle niveaus, ook in het mbo, waar de maakindustrie van afhankelijk is. In een toekomstfonds zien wij niets. Er hoeft niet nog meer geld naar onderwijs. Eerst en vooral moeten we terug naar een stevige onderwijsbasis, goede leraren, de juiste eindtermen, onafhankelijke examens, civiel effect van diploma's en toegankelijkheid voor alle groepen, dus ook voor de lagere-inkomensgroepen, want daar zit veel talent. Dat is het abc van het onderwijs; de rest is dure ballast die we overboord moeten gooien. 

De heer Samsom (PvdA):

Voorzitter. Na anderhalf jaar is dit kabinet op stoom aan het raken. Ik zou kunnen zeggen: in tegenstelling tot dit debat tot nu toe. Maar ook daar gaan we nu iets aan veranderen. Na tien jaar van paralysepolitiek, waarin op het gebied van werk, wonen en zorg toch vooral keuzes werden vermeden, is er in anderhalf jaar tijd ontzettend veel goedgemaakt en wordt er veel veranderd. Mijn goede collega Van Ojik zei vorige week zelfs in Vrij Nederland: dit kabinet is uitgeregeerd. Beste Bram, beste collega's, zolang er nog meer dan 600.000 mensen werkloos langs de kant staan, is dat compliment echt voorbarig. De belangrijkste opdracht ligt nog voor ons. 

Dit debat komt dan ook geen dag te vroeg. Na anderhalf jaar van laveren in zware economische tegenwind lijken we nu iets rustiger vaarwater te bereiken. Het wordt tijd om de blik iets verder naar de horizon te richten en ons af te vragen hoe wij de toekomst veilig gaan stellen. Waar verdient Nederland straks zijn geld mee? Voor de Partij van de Arbeid is de eerste opdracht: hoe krijgen wij al die werklozen zo snel mogelijk weer aan het werk? De eerste vraag heeft de WRR in een lijvig rapport van een antwoord proberen te voorzien. De tweede vraag koppelt de PvdA er zelf aan, omdat ze met elkaar verbonden zijn en omdat de aanpak van de werkloosheid voor ons op 1 tot en met 10 staat de komende periode. 

Hoe verdient Nederland straks zijn geld? Volgens de WRR met een lerende, responsieve economie, waarin kennis circuleert. De WRR doet daarvoor veel aanbevelingen op het gebied van onderwijs en onderzoek. Veruit de meeste daarvan zijn zeer waardevol en verdienen serieuze uitwerking en waar mogelijk uitvoering. De eerste reactie van het kabinet — er werd al even aan gerefereerd — was dan ook iets te laconiek. Die reactie mag niet maatgevend zijn voor de wijze waarop het kabinet met de aanbevelingen omgaat. De vervolgreactie — ik noem de mbo-brief van de minister van OCW — stemt al weer veel hoopvoller. 

De heer Pechtold (D66):

Ik ben blij dat de leider van de PvdA die eerste reactie kwalificeert zoals wij die dienen te kwalificeren, namelijk als een gemiste kans. Een onderdeel, het mbo, wordt opgepakt, maar ik zie heel veel meer punten in het WRR-advies. Ik heb er zojuist enkele genoemd waarop geen reactie is gegeven, maar ik heb ook opgesomd hoe vaak de reactie was "doen we al" of "komt nog wel" of wat dan ook. Ik proef bij de PvdA de ambitie om hier iets mee te doen. Vind ik de heer Samsom aan mijn zijde als wij zeggen: kabinet, werk nu de komende tijd, zeker richting Prinsjesdag, eens meer van die adviezen wat structureler uit? 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, waarbij ik het wel aan het kabinet laat welk tijdschema en welke specifieke prioriteiten het daarin aanhoudt. Ik ben dan ook benieuwd naar de reactie in eerste termijn. Het is een nogal lijvig rapport, met veel aanbevelingen. Ik kan mij voorstellen dat het kabinet zijn eigen verantwoordelijkheid neemt en aangeeft welke het meest aansprekend en belangrijk zijn. Dan kunnen wij daarover straks verder debatteren, want daarvoor is dit debat bedoeld. Ik beschreef de eerste reactie als iets te laconiek. Niets menselijks is ons vreemd. Als je zo'n zwaar advies krijgt, ben je natuurlijk eerst geneigd om te denken: dat doen we toch allemaal al. Ik herken dat wel een beetje. Ik snap dat dus van de kabinetsleden. De tweede reactie, de mbo-brief, stemt veel hoopvoller en smaakt naar meer. 

De heer Pechtold (D66):

Ik ben op zoek naar dat meer. Ik wil hier niet die eerste reactie zo veel mogelijk uitvergroten, want dan blijven wij hangen in iets waar vandaag een streep onder kan. Het kabinet zit, als wij de volgende kiesdatum aanhouden, nog bijna drie jaar en heeft, zoals de heer Van Ojik zei, de helft van het regeerakkoord geschrapt en de helft uitgevoerd. Er moet dan een ambitie zijn. Voor mijn fractie ligt een belangrijk deel van die ambitie, ook geconcentreerd op het scheppen van werk, in dit rapport. Dat gaat over het mbo, maar ook over de kijk op de polder en andere zaken. Zouden wij samen aan het kabinet kunnen vragen om de punten waarmee het kabinet aan de slag wil, voor Prinsjesdag te vertalen in een agenda, een actiepunt of wat dan ook, opdat wij een rapportage krijgen die serieuzer en concreet langs de aanbevelingen loopt? Er mag van mij best een aantal aanbevelingen geschrapt worden, zaken die niet worden gedaan of al gedaan zijn, maar er moet ook een aantal zijn waar de Kamer op kan controleren. Dat is immers onze taak. 

De heer Samsom (PvdA):

Dat lijkt mij een aardig idee. Ik sluit mij aan bij die vraag. De heer Pechtold stelt die in deze interruptie, maar heeft die ook in zijn eigen termijn gesteld. Ik zeg er wel bij dat de PvdA daar bovenop nog belangrijker werk voor ogen heeft de komende periode. Dat gaat over werk. Het zijn bijna appels en peren en alles is even belangrijk in deze periode, maar als wij echt moeten kiezen, echt prioriteiten moeten stellen, gaat het er de komende tijd om dat wij de mensen die nu ongewild aan de kant staan, aan het werk krijgen. Dan bedoel ik iedereen, niet alleen de hoogopgeleide, innovatieve circulerende kenniswerker, maar iedereen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

In navolging van de heer Pechtold wil ik nog iets vragen. De heer Samsom zei dat het kabinet niet is uitgeregeerd, zolang er nog meer dan 600.000 werklozen zijn. Het punt is dat het regeerakkoord niet meer zo veel plannen omvat om nog iets extra's te doen aan de hardnekkige werkloosheid. Dat was de achtergrond van mijn opmerking over het kabinet. De heer Samsom zegt dat de werkloosheid het allesoverheersende probleem is op dit moment. Daar ben ik het grotendeels mee eens. Zou het een goed idee zijn om het kabinet te vragen om op dit punt met een aantal nieuwe plannen te komen? Wat er nu in het regeerakkoord staat, is geschrapt of reeds uitgevoerd. Laat ik erbij zeggen dat het op zich een compliment waard is dat er binnen een jaar zo veel is gedaan. Of je de plannen goed of slecht vindt doet niet ter zake: ze zijn uitgevoerd. Nu moet er iets nieuws komen. 

De heer Samsom (PvdA):

Ik denk dat het kabinet het compliment in dankbaarheid aanvaardt, waarbij ik de aantekening maak dat het allemaal nog niet is uitgevoerd. Ik zal dat maar alvast zeggen voordat het kabinet het doet. Veel is inmiddels in wetgeving vastgelegd, maar de uitvoering wordt nog een hele kluif. Ook de volksvertegenwoordiging zal hier de komende jaren haar handen aan vol hebben. Laten wij ons daarop voorbereiden. Het is wel nodig. Het moet gebeuren en het zijn soms pijnlijke maatregelen. We gaan het zo goed mogelijk doen en ik denk dat het kabinet dit ook doet. Ik ben het verder eens met de heer Van Ojik. Ik zal hem alvast verklappen dat de rest van mijn eerste termijn ongeveer gaat over die opdracht, namelijk: wat gaan we vanaf nu doen om werk te creëren en ervoor te zorgen dat de werkloosheid gaat dalen? Dat is wat ons te doen staat. 

De heer Roemer (SP):

Uiteraard ben ik daar ook zeer benieuwd naar. Ik wacht het met veel belangstelling af, want voor de langere termijn zullen we samen zeker iets moeten doen. 

De heer Samsom legt nu zo veel nadruk op het behouden en creëren van werk, dat ik eigenlijk had verwacht hem aan mijn zijde te krijgen om te voorkomen dat er tienduizenden banen verdwijnen in de zorg. Ik had verwacht dat ik hem aan mijn zijde had om te voorkomen dat men op tal van terreinen, vooral in het midden- en kleinbedrijf, nog steeds klappen krijgt, en om te bevorderen dat de binnenlandse besteding geïntensiveerd zou worden, zodat we nú al wat aan banen kunnen doen. Maar dan blijft de heer Samsom steeds weg. 

De heer Samsom (PvdA):

Ik hoorde de heer Roemer in zijn eerste termijn zeggen dat de koopkracht daalt. De koopkracht stijgt dit jaar echter voor het eerst in vier jaar tijd. Daar was een eendrachtige inspanning van de coalitie voor nodig, overigens gesteund door andere partijen. De koopkracht stijgt dit jaar voor het eerst. Hij stijgt overigens zodanig dat hij bij de lagere inkomens het meest stijgt en bij de hogere inkomens wat minder. Dat is de afgelopen jaren ook wel eens anders geweest. Het lijkt me precies in lijn met wat de heer Roemer voorstelt. 

Ook voor het overige doen we er alles aan om ervoor te zorgen dat mensen hun baan behouden. We zullen echter niet in elke sector even veel banen zien als afgelopen jaar. De heer Roemer noemde zelf de zorg. We hebben ook als opdracht om ervoor te zorgen dat de zorg in de toekomst houdbaar blijft. Voor onze kinderen moet er ook goede, toegankelijke zorg zijn. De groei van de zorguitgaven is de afgelopen jaren pijlsnel gegaan en moet worden beteugeld. Aangezien bijna alle zorguitgaven bestaan uit personeelskosten, neemt de groei van het aantal banen af. Dit jaar neemt het aantal banen zelfs in netto-aantal af. Maar die mensen hoeven wat mij betreft niet werkloos te raken en ook wat het kabinet betreft niet, al heb ik daar wel wat extra vragen en opdrachten bij. Die zal ik in mijn eerste termijn uitspreken. Wat ons betreft zetten de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van VWS alles op alles om via hun sectorplan de mensen aan het werk te helpen. Over de sectorplannen wordt wel eens wat meesmuilend gedaan, maar ze zijn een belangrijke voorwaarde om mensen die hun baan kwijtraken, zo snel mogelijk weer aan een nieuwe baan te helpen. 

De heer Roemer (SP):

Dat is nu juist het anwoord waarop mensen afhaken. Als we het hebben over de banen in de zorg, zijn het juist de mensen aan het bed die ontslag hebben gekregen. Loop een willekeurig verpleeg- of verzorgingshuis binnen. Daar zijn het de activiteitenbegeleiders die massaal ontslag hebben gekregen, de voedingsassistenten die naar huis kunnen, en de verpleegkundigen en verzorgenden in de thuiszorg die eruit gebonjourd worden. Het gebeurt massaal: iedereen met tijdelijke contracten gaat eruit. Tienduizenden en als ik de vakbond mag geloven, loopt het straks op tot 50.000 of zelfs 100.000. Daar hadden we samen iets aan kunnen doen. Voor de verkiezingen stonden we samen op een podium om dit te voorkomen. Het is jammer dat de heer Samsom nu ineens over zorgkosten spreekt en de rekening legt bij de ouderen en de mensen die in de zorg werken, waardoor zij hun banen kwijt zijn. Laten we daar nu eens beginnen en ervoor zorgen dat we die mensen aan het werk houden. Vervolgens kunnen we naar de langere termijn kijken om te bezien wat er nog meer nodig is. Maar dat u daar al afhaakt, vind ik triest. 

De heer Samsom (PvdA):

Allereerst: ook de SP bezuinigt in haar verkiezingsprogramma 1,3 miljard euro op de zorg in de komende tijd. Dat zijn allemaal personeelskosten. Dat zijn dus ook banen. De SP bezuinigt 1,3 miljard op de zorg. De heer Roemer kan dat zelf nazoeken in zijn eigen verkiezingsprogramma en in de doorrekening van het Centraal Planbureau. Ik heb hem daar toen voor gecomplimenteerd en zou willen dat hij er nu niet voor wegloopt. 

Ten tweede: de veranderingen in de zorg gaan inderdaad over de verschuiving van werkgelegenheid in verpleeg- en verzorgingshuizen naar werkgelegenheid in de wijk. De heer Roemer had het over de mensen in de verpleeg- en verzorgingshuizen, maar ik heb het over de wijkverpleegkundigen. Daar nemen we er duizenden extra van aan. Dat doen we omdat we zo graag willen dat mensen niet eerder in een verzorgingshuis wegkwijnen, maar gewoon thuis kunnen blijven wonen. 

Onlangs sprak ik nog zo iemand, die na een gecompliceerde ribbreuk in een verpleeghuis had gezeten. Hij wilde er nooit meer naar terug. Nu had hij in zijn eigen huis een wijkverpleegkundige, die veel sneller kwam. Als hij in het verpleeghuis op het belletje drukte, duurde het een uur voor er iemand kwam. Nu stond binnen een kwartier iemand voor de deur om te komen helpen. Hij zei: laat mij alsjeblieft hier thuis blijven wonen. Hij heeft daarbij wel de wijkverpleegkundige nodig, maar er is ook een bed met bijbehorend personeel in een verpleeghuis leeg. 

Dat zijn de veranderingen in de zorg waar je voor moet gaan staan als je wilt dat de zorg uiteindelijk verbetert. Ja: het gaat om kostenbeheersing. Voor de toekomst moet de zorg houdbaar blijven. Het gaat daarnaast om de echte verbeteringen in de zorg, waar de heer Roemer en ik samen voor zouden moeten strijden. 

De heer Roemer (SP):

Verbeteringen, graag! Op papier heeft de heer Samsom voor de verkiezingen vaak ideeën gehad die overeenkwamen met die van ons, om vervolgens niet het geld in de zorg te halen waarvoor we voor de verkiezingen samen streden. Nu gaat het niet ten koste van de bureaucratie en nu bezuinigen we niet op de kosten van managementlagen, maar nu is het het gewone personeel dat overal ontslag krijgt. Dat geldt in de thuiszorg, in verpleeghuizen en in verzorgingshuizen. Je ziet nu in psychiatrische instellingen dat er nachtdiensten worden gedraaid met slechts één verpleegkundige op een afdeling. Dat soort zaken is … 

De voorzitter:

Dank u wel. 

De heer Roemer (SP):

Ja, maar voorzitter, hij beschuldigt mij ergens van. Laten we dit soort zaken dan samen oppakken, zodat al deze mensen gegarandeerd die banen in de zorg zullen behouden. Die garantie zal ik van de heer Samsom echter niet krijgen, omdat we merken dat de bezuinigen hard op het personeel slaan en niet daar waar het geld zit. 

De heer Samsom (PvdA):

De heer Roemer wil de garantie dat alles blijft zoals het is. Ik kan hem verzekeren dat dat niet gebeurt. Verpleeghuizen en verzorgingshuizen zullen een minder prominente plek in de zorg krijgen. Dat is namelijk precies wat mensen die nu ouder worden graag willen. Als je het ze vraagt, zeggen ze: laat me alsjeblieft hier in mijn eigen omgeving oud worden, thuis, ondersteund door een verpleegkundige of andere ondersteuners. Er zijn dan dus inderdaad minder plekken in het verzorgingshuis nodig. Die verandering doet pijn. Daarom draag ik de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris op om daarmee om te gaan. Die verandering is echter wel nodig. 

De voorzitter:

Mijnheer Slob, misschien hebt u een vraag over onderwijs? 

De heer Slob (ChristenUnie):

Nee, niet over onderwijs, al heeft het er misschien wel wat mee te maken. Mijn vraag gaat meer over de prioriteiten 1 tot en met 10 die de heer Samsom naar voren bracht, en het feit dat we het grote aantal werkzoekenden hier in Nederland moeten terugdringen. Dit WRR-rapport biedt daar volgens mij heel mooie handvatten voor. Dat geldt met name waar de WRR aandacht vraagt voor het aanjagen en stimuleren van innovaties in de regio's, bedoeld om verbindingen tot stand te brengen tussen de overheden daar, het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen. Onderschrijft de heer Samsom ook dat advies van de WRR? En wat betekent dat concreet als je kijkt naar de wijze waarop het kabinet met innovatie omgaat? 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, dat onderschrijf ik. Ik heb er zelfs een motie over klaarliggen. Ik krijg nu zomaar het vermoeden dat dit ook voor de heer Slob geldt. We kunnen dan snel proberen om daar samen iets aan te gaan doen. Als dat nodig is overigens, want dat moet je bij dit veel toezeggende kabinet altijd even afwachten. Dat is althans hoopvol uitgesproken. 

Ja, ik onderschrijf het. Ik onderschrijf het bijvoorbeeld als ik zie wat er in het noorden gebeurt. Dat is een regio die het zwaar heeft, zwaarder dan gemiddeld. De noordelijke provincies en andere bestuurslagen werken er ook al gezamenlijk aan een banenplan. Ik zou heel graag willen dat dit kabinet dat op een of andere manier, en liefst zo ruimhartig mogelijk, ook echt ondersteunt. Volgens mij kunnen we elkaar hier dus heel snel in vinden. 

Dit is maar één aspect van de werkgelegenheid, maar niet het onbelangrijkste aspect. Het is dus terecht dat de heer Slob daar aandacht voor vraagt. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik had heel Nederland in beeld. Ik weet inderdaad dat er in het noorden enkele plannen zijn ontwikkeld, soms nog vrij recent, waarbij ernaar wordt gestreefd om die samenwerking tot stand te brengen. Ik zou het een heel goede zaak vinden als wij een debat als dit gebruiken om dat soort plannen ook daadwerkelijk een kans te geven. Ik heb nog een motie in voorbereiding, dus wie weet, kunnen wij nog tot een uitspraak komen. 

De heer Samsom (PvdA):

Ik had het over de aanbevelingen van de WRR op het gebied van onderwijs en innovatie. Goed beschouwd is daarmee nog geen echt antwoord gegeven op de vraag hoe wij straks in Nederland ons geld verdienen. Wij kunnen elkaar straks lerend, responsief en kennis circulerend aankijken, maar wat doen wij dan eigenlijk? Hoe verdienen wij ons geld? De WRR houdt opvallend veel afstand van die keuze. De Partij van de Arbeid wil die keuze wel maken. Wat ons betreft richten wij ons in Nederland, meer dan voorheen, op een gedegen maakindustrie, op familiebedrijven in dit land die waarde creëren en op een regionale clustering die innovatie mogelijk maakt. Dat is onlosmakelijk verbonden met de kenniseconomie die de WRR zo propageert, want een kenniseconomie bestaat niet zonder maakindustrie. Waar zou de kennis van Brainport Eindhoven zijn zonder de maakbedrijven Philips, ASML en VDL? In de door de WRR aanbevolen onderwijsverbetering gaat wat ons betreft de meeste nadruk dan ook naar het mbo, want een kenniseconomie gaat over zo veel meer dan wetenschappelijk onderzoek en innovatie. Die kenniseconomie gaat ook over voldoende opgeleide vakmensen. Het gaat over minder hippenamenstudies, minder megalomane leerfabrieken, maar specialisatie en een gedegen vakopleiding. Ik kon vanaf mijn werkkamer de verbouwing van het Mauritshuis gedurende de afgelopen jaren volgen. Toen het echt lastig werd, namelijk toen er onder water gelast moest worden, kwamen daar Italianen aan te pas omdat wij die mensen niet meer in voldoende mate opleiden. Dat moet echt veranderen. 

De heer Pechtold (D66):

Misschien mag de WRR dan wat afstand nemen van de keus, maar ik heb zo mijn twijfel bij de keus die de heer Samsom maakt. Of hij moet duidelijker zijn. Ik snap het dat hij vanuit zijn achtergrond misschien zegt dat hij helemaal voor de maakindustrie gaat, maar ik vind dat gevaarlijk. Dat is zo breed als van chips maken, en alles wat daarachter zit, tot de fietsenmaker. Gaat hij echt zo ver en wil hij echt het rode blazoen zo opwrijven dat wij weer zo veel mogelijk concurreren op arbeid? Ik ben bang dat dit, niet alleen in Europa maar zeker ook daarbuiten, een gelopen race is. Of bedoelt hij het anders? 

De heer Samsom (PvdA):

Ik bedoel in generieke zin vooral dat waar ook de heer Roemer naar verwees. Wij hebben ons de afgelopen jaren erg gefocust op een dienstensector, met name een financiële dienstensector en consultancy. Dat heeft ons veel gebracht, maar ons ook heel kwetsbaar gemaakt. Het heeft ons bijvoorbeeld kwetsbaar gemaakt voor financiële crises, zoals wij die de afgelopen jaren hebben gezien. Ik constateer dat landen met een beter evenwicht tussen diensten en de maakindustrie, zoals Duitsland maar ook Polen en de Baltische staten, in de afgelopen jaren minder kwetsbaar bleken dan wij. Het dal waar wij doorheen zijn gegaan, is mede daarom dieper geweest dan nodig was. Ik zou dat willen voorkomen. Ik zeg erbij dat ik daarmee niet kies voor specifieke sectoren, zoals fietsen, auto's of vliegtuigen. Ik maak daarbij één uitzondering, want ik kies wel voor duurzame technologie. Duurzame technologie is kansrijk in Nederland, maar ook buitengewoon urgent. De maatschappelijke uitdaging van een schone en zekere energievoorziening is bij iedereen wel bekend. Nederland is ook nog eens het beste offshoreland ter wereld. Wij kunnen een wereldspeler zijn op de enorme groeimarkt van duurzame energiewinning op zee, en dat is meer dan alleen wind. Met de kennis uit Wageningen en de logistiek van Rotterdam kan hier het centrum van de biobased economy ontstaan. Met de juiste keuzen en investeringen kunnen wij Nederland groei en banen geven en onze kinderen een toekomst. Dat is een keuze die ik graag maak; dat klopt. 

De heer Pechtold (D66):

Ja, als het woord Wageningen valt, ben ik natuurlijk al direct … 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, dan smelt u even. 

De heer Pechtold (D66):

Ja, dan is ieder verzet gebroken. Toch wil ik proberen het voor het debat scherp te houden. Ik hoor nu een aantal nuances. De heer Samsom heeft die uitlatingen eerder gedaan en ik was er even bang voor dat hij een soort tegenstelling zou oproepen die zich dadelijk ook in kabinetsbeleid vertaalt. Mijn idee is juist dat de hele kenniseconomie aanvullend is. Ik sprak daarom net ook over: geen lege hoofden en geen lege handen. Dat moet aanvullend zijn. Wageningen kan niet bestaan als er niet ook een groen mbo en een groen vmbo zijn. Het moet helemaal kloppen. Ik hoor heel duidelijk dat de PvdA aanzet tot een keuze voor de maakindustrie. De nuance die ik daarachter hoor, is dat dit niet in strijd is met de kenniseconomie waarover we natuurlijk in bredere zin praten. Dan word ik weer gerustgesteld. 

De heer Samsom (PvdA):

Ik kan de heer Pechtold wat dat betreft geruststellen, maar het is wel degelijk een keuze. Ik zie dat we in Nederland te lang en te veel op die dienstverlening zijn gaan leunen. Ik zie een noodzaak voor balansherstel. Ik zie ook dat het in de politiek heel populair is om hoogdravende innovatie en wetenschappelijk onderwijs te bejubelen. Ik doe daaraan mee. Ik wil daarbij echter wel de balans — waarover de heer Pechtold heel terecht sprak aan de interruptiemicrofoon — met een goed mbo en vmbo, omdat we voldoende vakmensen nodig hebben en omdat we iedereen in dit land een baan gunnen. 

De heer Roemer (SP):

Ik zei net al dat ik met buitengewoon veel belangstelling naar dit blokje uitkeek. De heer Samsom zegt heel terecht: we moeten af van dat waterhoofd dat de financiële dienstverlening in het verleden was. Dat is gewoon niet in balans. Dat delen wij. Hij zegt dat wij in de toekomst vooral moeten gaan kijken naar het verbeteren van de mogelijkheden van de maakindustrie. Ik hoor hem eigenlijk alleen zeggen — dat staat ook in het WRR-rapport en dat delen we volgens mij allemaal — dat we vooral beter opgeleide vakmensen moeten hebben. Is die garantie voldoende om in Nederland de maakindustrie te herstellen of te verbeteren? Hij zegt dat hij geen sectoren wil noemen, maar er zal toch meer moeten komen dan het verbeteren van onderwijs om de maakindustrie in Nederland terug te krijgen of te organiseren en te verbeteren. 

De heer Samsom (PvdA):

Dat klopt. Ook een herwaardering van familiebedrijven, die veel opereren in die sector, zien wij zitten. Verder is van belang het energieakkoord — daar heeft mijn fractie lang aan getrokken en ik ben blij dat het zo ver is gekomen — waarin het bedrijfsleven, door de overheid gestimuleerd, investeringen doet in die nieuwe energievoorziening waardoor de maakindustrie daadwerkelijk een kans krijgt. Het hoort bij elkaar: voldoende vakmensen en voldoende bedrijvigheid. Ik hoor overigens nu, vanuit de sterkste regio's van dit land, onder andere Eindhoven, dat vooral dat eerste als noodkreet wordt geroepen: geef ons meer opgeleide vakmensen, want wij kunnen straks de vraag niet meer aan omdat we niet genoeg mensen hebben om het spul te maken. Maar allebei moet; de heer Roemer heeft gelijk. Ik heb net al aangegeven in reactie op een vraag van de heer Pechtold dat ik voor één sector specifiek een keuze zou willen maken. Nederland als bevorderaar, ook gestimuleerd vanuit de overheid, van duurzame technologie en energie. 

De heer Roemer (SP):

Ik waardeer de boodschap van de heer Samsom om meer werk in Nederland te houden. We kennen natuurlijk allemaal de roep vanuit de technische industrie, onder andere in Brabant. Die is niet nieuw. Meer mensen interesseren voor techniek is ook niet nieuw. Ik had gehoopt op concretere voorstellen voor het hierheen halen van de maakindustrie. Als de heer Samsom nu suggereert dat we meer richting familiebedrijven moeten doen, dan ben ik ook heel benieuwd welke concrete voorstellen hij daarvoor heeft. Ik wil graag meedenken. Hoe gaan wij het midden- en kleinbedrijf stimuleren — want daar zit heel veel werk — terwijl het de afgelopen jaren klap na klap na klap heeft gekregen? Wat zijn de concrete voorstellen? Ik breng even in herinnering dat wij meer dan 40 concrete voorstellen voor het midden- en kleinbedrijf hebben. Gaat de heer Samsom die omarmen en gaan we die straks samen in de begroting fietsen, zodat het midden- en kleinbedrijf daadwerkelijk een maakindustrie in Nederland kan behouden of krijgen? 

De heer Samsom (PvdA):

Een van de grote problemen in het mkb is de kredietverlening en de financiering ervan. Niet voor niets hebben wij het kabinet gevraagd, inmiddels precies een jaar geleden, om te komen met een investeringsagenda in relatie tot het aantrekken van geld van pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Die moeten hun geld toch ergens beleggen, maar doen dat tot nu toe veel in Miami en elders, en weinig in Nederland. Op die manier willen we meer beleggingen in Nederland krijgen. Het kabinet maakt daar schuchter voortgang mee, en ik zal daar straks nog iets strengs over zeggen, maar dat is nu expliciet zo'n voorstel dat wij hebben gedaan. In dit land wordt vreemd vermogen meer gestimuleerd dan eigen vermogen. Eigenlijk zou je dat verschil moeten opheffen, omdat je daarmee juist mkb'ers stimuleert. Zij werken veel met eigen vermogen. Dit zijn maar twee concrete voorbeelden. Ik zal er zo van het kabinet nog een aantal extra vragen. Het kabinet is immers wat ons betreft de partij die het initiatief moet nemen om dit voor elkaar te krijgen. Ik denk echter dat we het grotendeels met elkaar eens zijn. 

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog. 

De heer Samsom (PvdA):

Voorzitter. Ik had het dus over die keuze voor duurzame technologie. Daarmee kunnen wij Nederland groei en banen bezorgen en daarmee kunnen wij onze kinderen een nieuwe toekomst geven. Als je allebei kunt doen, lijkt me dat alleen maar extra aanbevelenswaardig. Daarom was ik zo gelukkig met dat energieakkoord en daarom is mijn fractie nu enigszins bezorgd — misschien is zij dat nodeloos — over de moeizame voortgang daarbij, met name op het terrein van de juist zo kansrijke offshore-energiewinning met windmolens. Ik hoop dat het kabinet in de eerste termijn van dit debat in staat is om die zorgen weg te nemen. 

Dit debat gaat over het veiligstellen van de toekomst. De toekomst veiligstellen begint vandaag. Ik zei al dat de focus van het kabinet vanaf nu dient te verschuiven. Drie hoofdzaken staan daarbij centraal, namelijk werk, werk en nog eens werk. Ik wil van de premier graag de verzekering horen dat alles wat vanaf nu door het kabinet wordt bedacht en uitgevoerd, nog maar één leitmotiv kent, namelijk werk; werk voor iedereen. De investeringsagenda, die met de nationale investeringsinstellingen een goed, maar wat haperend en schuchter begin maakte, moet wat ons betreft meer vlees op de botten krijgen. De komende veranderingen van het belastingstelsel dienen radicaal in het teken te staan van werk. Ook in de begeleiding van de soms pijnlijke hervormingen in de zorg moeten minister Asscher en staatssecretaris Van Rijn alles op alles zetten om mensen van werk naar werk te helpen. De mbo-agenda van minister Bussemaker, de investeringen van minister Schultz en staatssecretaris Mansveld; ze moeten allemaal over werk gaan. Ze moeten gaan over werk voor iedereen, overal in Nederland. Dat laatste zeg ik erbij, want in sommige delen van het land is de werkloosheid hardnekkiger dan elders. De heer Slob zei dat ook al. Dat betekent dus ook dat wij alle steun moeten geven aan regionale werkgelegenheidsplannen. Onlangs werd een zeer goed voorbeeld daarvan in Noord-Nederland gepresenteerd. 

De fractie van de Partij van de Arbeid spoort het kabinet aan om van de tweede fase van de kabinetsperiode een werkfase te maken. Uiteraard hopen we op, en zullen we wederom werken aan veel steun van andere partijen, zoals we ook eerder hebben gedaan. Op die manier hoeven we niet alleen te dromen over, maar kunnen we vandaag ook letterlijk werk maken van de economie van de toekomst. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik lees in de media dat er overeenstemming is tussen de vijf partijen over een nieuw fonds voor de toekomst dat wordt gevoed uit de aardgasbaten. Klopt dat? 

De heer Samsom (PvdA):

Ja. Ik wil degene die daarover het eerste sprak, daarover de meeste uitleg laten geven. Maar goed, ik ben medeondertekenaar van die overeenkomst. Ja, het klopt. We hebben het over een innovatiefonds. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik vind het netjes dat de heer Samsom daarover het woord niet heeft gevoerd, maar dat heeft gelaten aan de heer Pechtold. Toch wil ik hem daarover vragen stellen. Klopt het ook dat het daarbij om een bedrag van 100 miljoen voor volgend jaar gaat? 

De heer Samsom (PvdA):

In eerste instantie gaat het oplopen naar dat bedrag. Ik meen dat het er niet al direct in het eerste jaar inzit dat we bij dat bedrag uitkomen. De heer Pechtold zal me ongetwijfeld corrigeren als ik het mis heb. Het gaat dus om een bedrag in die orde van grootte, ja. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Als dat wil werken — tegenwoordig heet dat, dat het moet "vliegen" — dan moet je het natuurlijk niet hebben over 100 miljoen. De opbrengst daarvan zal zo'n 3 miljoen, 4 miljoen of 5 miljoen per jaar zijn. Dat is het geld dat je dan kunt gebruiken. Dan moeten we het niet hebben over een fonds van 100 miljoen, maar over een fonds waar miljarden inzitten. Is het inderdaad de bedoeling dat het een fonds wordt waarin miljarden komen te zitten? Bij zo'n vulling zijn er inderdaad per jaar bedragen van zo'n 100 miljoen te besteden. 

De heer Samsom (PvdA):

Ja. Zie dit als een goed begin. Waar het precies eindigt, zal afhangen van de vraag hoe het met die aardgasbaten gaat. Daarbij moet het dan een beetje meezitten. Daarover zal in de motie ook het een en ander staan. Waar het precies eindigt, weet dus niemand. Een goed begin is echter volgens mij sowieso noodzakelijk. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik hoop dat ik mijn vraag nog mag stellen, voorzitter. Die heb ik namelijk nog niet gesteld. Als ik dat nog mag doen, is er direct helderheid over het fonds en weet ik of ik het kan steunen. De aardgasbaten gaan nu naar de begroting. Naar ik aanneem wordt dat geld dus volgend jaar gekort op de begroting. Die wordt dus zo'n 100 miljoen minder. Dat geld gaat dan naar een fonds. Klopt dat? 

De heer Samsom (PvdA):

Wat betreft de eerste 100 miljoen heeft de heer Van Haersma Buma geheel gelijk. Ik zei al dat de overige vulling afhangt van de vraag hoe het met de aardgasbaten loopt. Daarvoor hebben we ramingen. Als we boven die ramingen uitkomen, zou het grootste deel van dat geld naar dit fonds kunnen gaan. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik stel de vraag straks wel, want ik begrijp dat nu dat het helemaal niet over de aardgasbaten gaat, maar over eventuele meevallers. 

De voorzitter:

Dank u wel. Mijnheer Van Ojik. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik ben niet tegen zo'n fonds. Dat lijkt me prima. Maar ik heb een andere vraag aan de heer Samsom. Hij zegt dat de komende jaren die het kabinet nog zijn gegeven, tenminste, dat is zijn vooronderstelling … 

De heer Samsom (PvdA):

Tot 8 maart 2017. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

… alles in het teken moet staan van drie prioriteiten: werk, werk, werk. De grootste vernietiger van banen zijn de bezuinigingen op de overheidsuitgaven. We hebben het net over de zorg gehad. Het sectorplan van dit kabinet — ik kan dat de heer Samsom wel zeggen — gaat niet voldoende werken. Dat gaat over maximaal 18.000 mensen die nu werk hebben en die naar ander werk kunnen worden begeleid. De cijfers die circuleren met betrekking tot de zorg gaan over 50.000 tot 100.000 banen. Wat betekent de opvatting van de heer Samsom over de bezuinigingen die nog op de rol staan? Valt daarover te praten als die werkgelegenheid vernietigen in plaats van banen scheppen? 

De heer Samsom (PvdA):

Als je op korte termijn banen wilt scheppen, moet je inderdaad niet bezuinigen. Maar als je op langere termijn de economie overeind wilt houden, dan moet je — dat stond ook in uw verkiezingsprogramma — wel werken aan begrotingsevenwicht. Op dat punt heeft het de afgelopen jaren niet meegezeten vanwege economische tegenwind. Overigens hebben we het in de zorg over 16.000 banen. De discussie ontstaat altijd als je het over voltijdsbanen hebt, maar ook de banen waar u het over had, in de sectorplannen, zijn voltijdsbanen. Dus als je appels en appels wilt vergelijken, moeten we het daar wel over hebben. Het gaat dus echt om veel. Ik weet dat er weleens wat minachtend wordt gedaan over die sectorplannen, maar realiseert u zich wat het betekent als iemand zijn baan verliest maar dankzij een opleiding weer een andere baan kan vinden. Ik sprak onlangs mensen die daar nu al profijt van trekken of de hoop hebben dat dit snel zal gebeuren. Dat is voor hen een verschil van dag en nacht. Dat is belangrijk. Het kabinet kan daar niet genoeg aan doen. 

Voor het overige zullen we inderdaad nog meer moeten doen. Ik sprak al over het belastingstelsel en over investeringen van pensioenfondsen en verzekeraars. Dat is geld dat belegd moet worden, sowieso. Als je kunt kiezen tussen Miami of Groningen, Leeuwarden of Eindhoven, zou ik voor die laatste kiezen, namelijk in Nederland beleggen, als dat verantwoord is. Daar moet het kabinet natuurlijk zorg voor dragen, maar ik denk dat het kan. Dat is ongelooflijke winst, want dat zijn miljarden aan investeringen en die maak je aan begrotingsgeld nooit vrij. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Er is niemand die laatdunkend of badinerend doet over de sectorplannen; ik in ieder geval niet. Ik heb dat nooit gedaan, in geen enkel debat met minister Asscher, en ik doe dat nu ook niet. Ik zeg wel dat de sectorplannen geen oplossing zijn voor het probleem dat de bezuinigingen op de overheidsuitgaven, specifiek op de zorg, de grootste vernietiger van banen zijn op dit moment. Dat is de stelling. Mijn vraag aan de heer Samsom was, en is nu nogmaals: zijn de bezuinigingen zoals die nu zijn afgesproken, in beton gegoten? Of valt daar, als het straks weer wat beter gaat met de economie, en dat is zo — er is zo nu en dan weleens een meevaller — over te praten? 

De heer Samsom (PvdA):

De bezuinigingen zoals we ze nu vormgeven, zitten in de hervormingen die we in de zorg hebben doorgevoerd. Overigens lagen die in lijn met wat ook GroenLinks in haar verkiezingsprogramma had staan als het ging over de zorg. Want ook uw partij constateerde terecht dat de groei van de uitgaven in de zorg een onhoudbare situatie creëerde. Daar moet je dus wat aan doen. Die hervormingen vinden plaats zoals we ze hebben bedacht, zoals ze nu in wetgeving zijn vastgelegd en zoals ze nog moeten worden uitgevoerd. Dat wordt nog een hele klus. Ik zou daar nu juist niets meer aan willen veranderen. We hebben al zo veel op de schop genomen, we hebben al zo veel veranderd en verbeterd. Laten we ons nu concentreren op de uitvoering en — en dat was mijn pleidooi — het kabinet opdragen om de focus, als het gaat om nieuwe dingen, te verschuiven, naar werk. Immers, investeringen in duurzame energie, investeringen in het mkb, in de maakindustrie, die leveren banen op, veel meer dan er elders verloren gaan, en dan krijgen we netto-werkgelegenheidsgroei. Gelukkig zagen we daar het eerste puntje al van de afgelopen maanden, maar dat kan natuurlijk nog veel beter. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter, wilt u mij toestaan om een punt recht te zetten, namelijk over wat de heer Samsom over het GroenLinks-programma heeft gezegd? Ook GroenLinks is niet tegen bezuinigingen in de zorg. De heer Samsom heeft daar groot gelijk in. Het hangt alleen voor de werkgelegenheidseffecten van die bezuinigingen heel erg vanaf waar je op bezuinigt. Nu wordt er veel bezuinigd op juist de dingen die veel banen kosten. 

De voorzitter:

U hebt uw punt rechtgezet. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Ik ben blij verrast met de opmerking van de heer Samsom dat hij steun wil geven aan het fonds voor innovatie dat ook door de heer Pechtold naar voren is gebracht. Mijn vraag is dan evenwel de volgende. In februari hebben wij een debat gehad over de gaswinningen. Daar heb ik namens 50PLUS uiteraard eenzelfde fonds voorgesteld. De Partij van de Arbeid was toen tegen. Hoe komt het dat de heer Samsom zo snel tot het goede inzicht is gekomen en nu voor dat voorstel is? 

De heer Samsom (PvdA):

Ik weet niet precies welk voorstel de heer Klein toen deed. Ik was niet bij dat debat aanwezig, maar als wij het op voortschrijdend inzicht mogen afmaken, dan zijn wij misschien een heel end tot elkaar gekomen. Dan steunen nog meer partijen dat fonds. Als iedereen daarvoor is, dan kan het nog sneller gaan vliegen. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Het gaat niet zozeer over de vraag of je er wel of niet bij aanwezig bent. Er blijkt dus sprake te zijn van voortschrijdend inzicht bij de Partij van de Arbeid. Men schijnt enthousiast te zijn. Ik hoop dat er op meer punten wat voortschrijdend inzicht zal zijn en dat het dus niet alleen hoeft te gaan over werk. De heer Samsom heeft het over "werk, werk, werk", wat volgens mij ook iets anders is. Het gaat echter ook over duurzaamheid in relatie tot het werk en tot de transitie naar een nieuwe economie. Daar zou juist dat fonds een extra bijdrage aan kunnen leveren. Ik hoop dat hij dat inzicht ook heeft. 

De heer Samsom (PvdA):

Jazeker. Dat is juist een van de redenen waarom wij dit initiatief mede steunen. 

De heer Pechtold (D66):

Naast inhoudelijk ingaan op het WRR-rapport heeft de heer Samsom zijn bijdrage gebruikt om het kabinet nog eens op te roepen tot de drie thema's: werk, werk, werk. Hij noemt vervolgens tal van bewindslieden die daarvoor aan het werk moeten, maar hij vergeet er één. Ik ben geïnteresseerd in het antwoord op de vraag of die ook aan het werk moet. Ik doel op de minister van Financiën. Ten opzichte van het kabinetsvoorstel hebben wij in het Herfstakkoord met de drie constructieve partijen de lasten op arbeid met bijna 2 miljard weten te verlagen. Nu is er rond iets met vluchtelingen ook nog eens een half miljard lastenverlaging naar de hogere inkomens gegaan. Maar ik begrijp het toch goed dat ook de minister van Financiën kan helpen aan werk door dadelijk in de richting van Prinsjesdag verder te gaan met lastenverlaging op arbeid? 

De heer Samsom (PvdA):

Als daar ruimte voor is, dan staat dat zeker op onze wensenlijst. Daar is ook al in het openbaar hardop over gesproken. Overigens is de lastenverlichting die in het Herfstakkoord zat, mede betaald door heel inventieve lastenverzwaringen elders in het belastingsysteem. Mijn goede collega Ed Groot heeft daar denkwerk voor verricht. De Drees-penning is inmiddels onderweg. Dus wij hebben dat gezamenlijk goed opgepakt, maar het was geen nettolastenverlichting zoals de heer Pechtold haar nu presenteert. Het was wel degelijk een vorm van lastenverschuiving. Die was echter wel zo creatief dat zij bijna nergens pijn deed. Wij zoeken nog steeds naar dat soort oplossingen, maar die raken een beetje uitgeput als je alle creativiteit hebt aangewend. Mochten er echter nog meer zijn — wij wachten met spanning op de volgende ramingen, de CPB-studie uit augustus — dan zijn wij volgens mij al met elkaar overeengekomen dat wij dan de kans grijpen om de lasten op arbeid nog iets meer te verlagen, want dat staat in het teken van werk. 

De heer Pechtold (D66):

Dit kabinet is wel verantwoordelijk voor de hoogste lastendruk van de afgelopen twee decennia. Daarom proberen wij dat ook via steun te veranderen. Vergroening zat inderdaad in die 1,8 miljard. Daar zaten voor 700 miljoen aan vergroeningsmaatregelen in. Die waren niet allemaal even succesvol, maar daar blijven wij op studeren. Maar ik hoor dus in de ambitie voor de komende jaren die de PvdA hier vandaag neerlegt, ook het creëren van werk door het verlagen van de lasten op arbeid. Dat is altijd een kwestie van keuzes maken — dat ben ik met de heer Samsom eens — maar ik hoor hem toch ook dat speerpunt benoemen en ook die minister aanspreken. 

De heer Samsom (PvdA):

Ja, en het stond zelfs in mijn spreektekst: de komende veranderingen van het belastingstelsel dienen radicaal in het teken te staan van werk. Ik ging ervan uit dat iedereen weet dat dat belandt bij minister Dijsselbloem, maar ook bij staatssecretaris Wiebes, die daar enthousiast mee aan de slag is. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Er gebeurde net iets heel boeiends: de heer Samsom riep het kabinet er met heel veel nadruk toe op om voor de komende periode heel nadrukkelijk de focus te leggen op wat werd samengevat als "werk, werk, werk". Dat is nog een beetje de echo van de jaren negentig, maar naar ik hoop wordt die dan op deze tijd toegepast. Maar wat betekent dat dan uiteindelijk concreet? De heer Samsom is fractievoorzitter van een regeringspartij, een van de dragers van het regeerakkoord. Hij geeft opdracht aan het kabinet om aan de slag te gaan. Betekent dit dan een nieuwe opdracht aan het kabinet? 

De heer Samsom (PvdA):

Het betekent dat onze fractie het kabinet daartoe de komende tijd aanspoort, nu zich kansen voordoen. Na anderhalf jaar ingewikkeld manoeuvreren in economisch maar ook politiek vaarwater, lijken we nu in wat rustiger tij terecht te komen. Gegeven het feit dat er nog veel te veel mensen langs de kant staan, lijkt me dat een goede focus. Wij zijn een van de dragende partijen. Ik hoor de collega-coalitiepartij altijd praten over groei, groei en groei; het mooie is dat groei en werk voor elkaar nodig zijn. Daar moeten wij dus wel uitkomen. Het afgelopen anderhalf jaar hebben wij echter gemerkt dat het daar pas begint, want vervolgens moeten wij nog met een paar andere partijen tot overeenstemming weten te komen over nieuwe plannen en ideeën. Maar misschien gaat dat ook wel lukken. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik ben enorm voor ambitie, visie, vooruitkijken en het aangaan van nieuwe uitdagingen, zeker in een tijd van crisis waarin — de heer Samsom heeft daar terecht op gewezen — nog zo veel mensen werkzoekend langs de kant staan. Werk, werk, werk; groei, groei, groei. Dat is dus de boodschap van de dragende partijen van het regeerakkoord in de richting van dit kabinet. De vraag is dan wel wat dit uiteindelijk gaat betekenen voor de inspanningen van dit kabinet, voor de onderscheiden bewindspersonen, en voor de minister-president als de primus inter pares van dit kabinet. In dat geheel is de heer Samsom een van degenen die duidelijke opdrachten moeten gaan geven. Het lijkt mij dus belangrijk dat er niet alleen woorden worden gebruikt maar dat ook heel concreet en duidelijk is waarmee dit kabinet aan de slag moet gaan. 

De heer Samsom (PvdA):

Dat ben ik geheel met u eens. Volgens mij heb ik dat net ook uitgesproken. In ons dualistische stelsel laat ik het vervolgens aan de uitvoerende macht. Ik heb een aantal suggesties gedaan: belastingstelsel, Nationale investeringsinstelling, de mbo-agenda van minister Bussemaker, investeringen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Ik wacht af wat het kabinet daarmee gaat doen. Ik denk ook niet dat dat allemaal in één dag geregeld is, maar laten we eens kijken welke ambitie de minister-president vandaag verwoordt. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook ik wil dit debat beginnen met het uitdelen van mijn complimenten aan de WRR voor het belangwekkende rapport Naar een lerende economie. Het is een rapport dat op een heel treffende wijze illustreert waar de WRR voor hoort te staan, namelijk onafhankelijk, sectoroverstijgend advies geven over de richting van het overheidsbeleid voor de langere termijn. 

Dit rapport had een iets warmere ontvangst van het kabinet mogen krijgen. Ik hoop dat het kabinet de mogelijkheden die het vandaag krijgt om in de herkansing te gaan, ook zal benutten. Het is namelijk ontzettend belangrijk dat we dit soort rapporten gebruiken om visie te ontwikkelen en om ambities opnieuw aan te scherpen, ook voor de langere termijn. Dat is noodzakelijk, zeker als we bedenken dat we behoorlijk zware economische tijden hebben doorgemaakt. We zijn door een behoorlijke crisis heengegaan, en daar zijn we nog steeds niet volledig uit. Van zulke crises moet je leren. Als het mogelijk is, moet je vooruitkijkend je beleid wijzigen. We hebben namelijk op te grote voet geleefd. We hebben productiemethodes gebruikt die we kunnen verbeteren. De WRR besteedt er ook nadrukkelijk aandacht aan dat wij ons land te lang draaiende hebben gehouden op onze dienstensector en een steeds verder slinkende gasvoorraad. Dan is het ook van belang dat je je op tijd bezint en dit soort rapporten, die handvatten geven, nadrukkelijk gebruikt om voor de toekomst een aantal andere keuzes te maken. Die noodzaak klemt des te meer als we vaststellen dat er in ons land nog steeds zo veel mensen werkzoekend langs de kant staan. Dat vraagt de nodige creativiteit van de politiek om er alles aan te doen om die grote groep van werkzoekenden te verkleinen en ervoor te zorgen dat mensen daadwerkelijk een plek op de arbeidsmarkt krijgen. 

Ik vraag in dit debat aandacht voor vier onderdelen uit het WRR-rapport. Onze tijd is immers beperkt, al hebben we twee minuten extra gekregen. Allereerst de rol van de regio in het innovatiebeleid. In een interruptiedebatje met de heer Samsom heb ik daar al aandacht voor gevraagd. De WRR legt ook heel nadrukkelijk de vinger op het feit dat het ontzettend belangrijk is dat in die verschillende regio's overheden, bedrijfsleven en onderwijsinstellingen samenwerken om met elkaar kansen te creëren en innovaties aan te zwengelen die uiteindelijk moeten zorgen voor meer werkgelegenheid. 

Als ik in Nederland rondreis en her en der de regio's bezoek, zie ik mooie initiatieven. Sommige bestaan al jarenlang. Ik denk aan de Brainport in Eindhoven, waar men op een ongelooflijk goede manier bezig is. Ik denk aan wat ik in mijn eigen regio zie, in Zwolle, waar inmiddels zo'n negentien gemeenten met elkaar aan het samenwerken zijn. Het is een groeiende groep, die zich niet echt stoort aan allerlei grenzen die wij in het verleden gecreëerd hebben, maar probeert samen te werken, innovaties probeert aan te jagen en werkgelegenheid te bevorderen. Ik zie dat ook in het noorden van het land, een regio waar de werkgelegenheid zwaar onder druk staat en waar het aantal werkzoekenden vele malen groter is dan het gemiddelde in Nederland. Ik zie overheden daar samenwerken met het bedrijfsleven en met de aanwezige onderwijsinstellingen — al zou dat laatste nog wel een tikkeltje scherper kunnen — om er alles aan te doen om die werkgelegenheid te bevorderen en toekomstgerichte keuzes te maken. Hoe kijkt het kabinet naar die regio's? Hoe waardeert het dit soort innovatieve ideeën en plannen die worden ontwikkeld en die volgens mij ook een steun in de rug verdienen van de rijksoverheid? En dat niet alleen op momenten dat er iets gecompenseerd moet worden. Dan denk ik met name aan wat er rond de gasbaten is gebeurd. Graag een reactie van het kabinet. 

Dit rapport vraagt terecht heel veel aandacht voor onderwijs. Onderwijs is inderdaad belangrijk. Ik wil echter wel gezegd hebben dat ik het een te magere visie op onderwijs vind, als je onderwijs alleen maar ziet in het belang van de economie, om mensen voor te bereiden op die economie. Onderwijs is ook vormend voor mensen, ook in veel bredere verbanden waarin mensen leven dan alleen maar werk. Het moet echter ook gezegd worden dat onderwijs voor de economie van cruciaal belang is en we zullen de kwaliteit zo hoog mogelijk moeten zien te krijgen en te houden. Ik denk dat we niet moeten doen alsof het nu allemaal maar een rommeltje is en alsof er heel weinig gebeurt. Collega Pechtold had het over nascholing. Ik weet dat op heel veel scholen al vele jaren een nascholingsverplichting geldt. Waar men echter juist dat soort zaken verzaakt en er nog wel een tandje bij kan, is het van belang dat we daar aandacht voor hebben en ervoor zorgen dat men dit op gaat pakken, omdat kwaliteit altijd weer verder moet worden ontwikkeld. Daar hoort nascholing bij. 

We horen ook aandacht te hebben voor de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Dit is een voortdurend terugkerend iets, waar je nooit bij achterover kunt leunen. Het zijn zaken die wat mij betreft hoge prioriteit moeten hebben en dat vraag ik ook aan de minister van Onderwijs. 

In dat opzicht vraag ik ook aandacht voor de positie van het mbo. Er ligt sinds een maand of twee een brief van het kabinet over het mbo en we weten dat er wetgeving aan gaat komen. Het mbo hoort in Nederland echter veel meer in positie gebracht te worden. Bij "toponderwijs" zitten we heel snel te praten over het hbo en het wo. Dat is deels terecht, maar het mbo hoort daar ook bij. Laten we dit in de komende tijd oppakken en ervoor zorgen dat de kwaliteit ook daar op orde is, zodat ook vanuit mbo-kwalificaties een bijdrage kan worden geleverd aan onze arbeidsmarkt en onze economie. 

Met betrekking tot het topsectorenbeleid is er een voortdurend terugkerende klacht, waar ook de WRR nu op ingaat: in de loop van de tijd gaat het steeds meer om geld verdelen in plaats van om kennis delen. Vooral de grote, gevestigde ondernemingen hebben daar profijt van. Wij vinden dat we het mkb, dat daar oorspronkelijk van profiteerde maar langzaam maar zeker uit die periferie is verdwenen en weggezakt, daar veel meer een plek in moeten geven. Ik vraag het kabinet om daar serieus mee aan de slag te gaan. 

De heer Roemer (SP):

De heer Slob plaatst terecht kanttekeningen bij het sectorenbeleid en wijst erop dat de subsidiëring die daar naartoe is gegaan, niet altijd op de juiste plek terechtkomt. Dat heeft ook de WRR geconstateerd. De heer Slob zou graag een verschuiving zien naar het mkb. Heeft hij concrete voorstellen hoe we dat kunnen organiseren? Ik deel die gedachte immers met liefde en plezier. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik zeg niet dat het altijd op de verkeerde plek terechtkomt, maar ik constateer dat veel van het topsectorenbeleid en het geld dat daarbij komt, vooral bij grote, gevestigde ondernemingen terechtkomen. We weten dat innovatie eigenlijk een onderdeel is van hun werk. Het past helemaal bij die ondernemingen om daarmee bezig te zijn. Het is natuurlijk heel plezierig als je daar overheidssubsidie voor kunt krijgen, maar als zij die subsidie niet kregen, zouden zij echt niet ineens stoppen met innoveren, want dan is het binnen de kortste keren afgelopen met het bedrijf. Dat laat onverlet dat ook zij wat mij betreft steun mogen hebben, maar voor het mkb is de afstand tot dit soort gelden gewoon te groot. Dat heeft met regels en ervaringen te maken. Kortom: laten we samen met het mkb bezien hoe het nadrukkelijker hierbij betrokken kan worden, zodat die gelden ook voor het mkb beschikbaar komen. Daar mag de minister wat mij betreft een leidende rol in hebben. 

De heer Roemer (SP):

Ik zoek naar gezamenlijke mogelijkheden om het doel te bereiken dat we blijkbaar allebei willen bereiken, namelijk dat er meer mogelijkheden naar het midden- en kleinbedrijf gaan. Daar zijn wij het namelijk mee eens. We hebben daar een heel rapport over geschreven. We zouden ook heel erg voor een nationale investeringsbank zijn, want de huidige instelling voldoet niet. Is de heer Slob ervoor om bij die innovatiesubsidies voor grotere bedrijven vanaf nu te gaan spreken van achtergestelde kredieten? Als er winsten gemaakt worden, betalen die bedrijven die subsidies dan dus netjes terug, waardoor we dat geld kunnen besteden aan het midden- en kleinbedrijf. Dan zijn er meer armslag en geld voor innovatieve programma's, met name bij kleinere bedrijven. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik ben een voorstander van iedere suggestie om met elkaar te bezien hoe we het mkb meer in een positie kunnen brengen waarin het van dit soort middelen kan profiteren. Het is niet nodig dat we, naast het geld dat in de boeken is neergelegd voor het topsectorenbeleid, ook nog apart geld voor het mkb moeten uittrekken. Laten we proberen om het mkb in een positie te brengen waarin het van het topsectorenbeleid kan gaan profiteren en waarin het mkb die middelen kan gebruiken om te innoveren en daarmee ook werkgelegenheid te creëren. Ik ben ervoor om alle initiatieven die daar een bijdrage aan kunnen leveren eens bij elkaar te leggen en om daar eens keuzes in te maken. 

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik was tot slot bij innovatie aangekomen. Ik zei dat innovatie een kwestie van lange adem is. We weten echter ook dat investeren in innovatie en ontwikkeling bijdraagt aan economische groei en uiteindelijk dus ook een positieve uitwerking heeft op werkgelegenheid. Voor ons is dat ook reden geweest om actief mee te denken over zo'n toekomstfonds. Ik ben inderdaad zeer benieuwd naar de reactie van het kabinet daarop. Naar mijn mening moeten we dat fonds echt een kans geven. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Bij de voorbereiding op dit debat kreeg ik een brief in handen van Pim van 15 jaar. Pim heeft het WRR-rapport en de kabinetsreactie gelezen en heeft een brief aan de minister-president geschreven. In die brief zaten heel veel punten die de SGP erg aanspreken. Ik denk dus dat ik eigenlijk gewoon kan volstaan met het voorlezen van de brief van Pim en met het vragen van een reactie van het kabinet daarop. 

Geachte minister-president, 

Ik ben Pim uit Zeeland. Ik ben 15 jaar en ik ben erg benieuwd waar ik later mijn brood mee kan verdienen. Waar kan ik dan aan de slag? 

Soms snap ik echt niks van Den Haag. Mijn pa werkte bij de Zeeuwse fosforfabriek Thermphos, maar zit nu thuis. Hoe kan dat? Iedereen roept dat we hier minder buitenlandse grondstoffen moeten gebruiken en dan laten ze de enige fosforfabriek in Europa failliet gaan. 

Ik heb gezien dat wijze mensen goed nagedacht hebben over de toekomst van onze economie. Prachtig hoor! Ik vond nog een coole uitspraak: de beste voorspelling is dat zaken anders zullen lopen dan wij denken. Nou, inderdaad, wie had gedacht dat Facebook zo populair zou worden en dat de regering een paar banken zou gaan opkopen? Ze pleiten er in het rapport voor dat we snel en slim kunnen inspelen op veranderingen. Zo is het maar net. 

Ik was soms wel wat verbaasd over de reactie van uw kabinet op dat dikke rapport. U ziet het rapport als ondersteuning van wat u allemaal doet. Misschien snap ik de politiek niet helemaal, maar de mensen van de WRR noemden het overheidsbeleid toch halfslachtig met te weinig investeringen in kennis? Hoe kan dat nou? 

En nog iets. U schrijft ergens dat Eindhoven de slimste regio ter wereld is, maar ik heb even wat zitten googelen en ik zag dat dit in 2011 was. Het afgelopen jaar kwam Eindhoven niet meer in de top twintig voor. En u geeft de topsector Water schouderklopjes. Nou, mijn oom werkt bij ARCADIS en die zegt dat bedrijven zelf schreeuwen om innovatieve visitekaartprojecten in eigen land. Wat kopen ze nou voor schouderklopjes? 

Een sterk punt in dat dikke rapport vond ik de kritiek op de vakbonden. Mijn opa is afdelingsdirecteur bij de FNV, maar wat ik van hem hoor, word ik als jongere niet zo vrolijk. Ze zijn wel voor verandering, maar alleen bij een ander. Mijn opa is fan van verplichte cao's. Nou, mij niet gezien. Ik heb liever dat de deur van een mooi techniekbedrijfje voor me opengaat dan dat die deur door een dikke cao dicht blijft. We kunnen volgens mij beter die overlegpolder onder handen nemen dan onze Hedwigepolder. 

En dan nog iets. Die mensen van de WRR pleiten ervoor om alle kennis die we in huis hebben, meer en beter te delen. Lijkt me een strak plan. Ik heb begrepen dat u een heleboel geld stopt in een belastingvoordeel voor bedrijven die speurneuzen in dienst hebben, maar als je het mij vraagt, hebben ze die Willy Wortels toch wel. U kunt er beter voor zorgen dat alle studenten een goede speurneus krijgen en dat iedere werknemer zijn best doet om mee te denken. Waarom wordt er niet meer geld gestoken in de samenwerking tussen scholen, onderzoeksbureaus en bedrijven? 

Zelf verdien ik wat geld door eieren te verkopen. Mijn moeder zegt altijd dat ik zuinig aan moet doen en alles op een spaarrekening moet zetten. Is dat ook niet een ideetje voor in Den Haag? Ik las op NU.nl dat uw kip met de gouden eieren, de aardgasproductie, binnenkort stopt met leggen. En dan? Zou het niet verstandig zijn om alvast geld opzij te leggen voor de versterking van onze economie? 

En wilt u er a.u.b. ook voor zorgen dat er zeker in havo en vwo meer hoger opgeleide vakmensen voor de klas komen? Eén steengoede leraar zegt mij meer dan duizend studieboeken. Mijn natuurkundeleraar zat vorige week te mopperen dat hij graag een eerstegraadsdiploma wil halen, maar dat hij daar door de nieuwe cao niet meer voor beloond wordt. Daar snap ik dus helemaal niks van. Wat heb je nou aan zo'n rare cao? Mijn leraar heeft er niks aan en wij dus ook niet. Kunt u mijn natuurkundeleraar vooruit helpen? 

Trouwens, ik heb best zin in een stevige studie, maar is het niet maf dat mijn broer met gemak twee studies kan volgen terwijl hij niet bijzonder slim is? Kunt u ervoor zorgen dat ik voldoende uitgedaagd word? De WRR schrijft dat je dat kunt doen door een scherpere scheiding tussen de bachelorfase en de masterfase en meer uitdagende tweejarige masters. Wat vindt u daarvan? 

Eén ding wil ik absoluut niet. De WRR roemt het onderwijs in Zuid-Korea. Lieve help zeg, scholieren zitten daar van 's morgens vroeg tot 's avonds laat op school. Ik moet er niet aan denken! Het leven is meer dan school en economische groei. 

Tot slot. U schrijft dat Nederland een sterke uitgangspositie heeft. Dat zal zo zijn, maar ik hoorde pas dat het ooit beroemde fotografiebedrijf Kodak die in 1980 ook dacht te hebben. Maar het ging wel mooi mis. Ik ken het bedrijf niet eens. Ik hoop dat u de goede keuzes gaat maken en aan mijn toekomst denkt. En o ja, vergeet u ook Zeeuws-Vlaanderen niet? U woont geloof ik in een torentje in Den Haag, maar vergeet niet dat er ook veel kinderen buiten de Randstad wonen. Die willen later graag aan de slag bij bedrijven in hun buurt. Wilt u daarop letten? 

Veel sterkte met alles en de hartelijke groeten, 

Pim 

De voorzitter:

Ik denk dat Pim wel mag solliciteren bij de Tweede Kamer. Ik geef het woord aan de heer Van Klaveren. 

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Voorzitter. De WRR adviseert gepaste ongerustheid. Dat advies is terecht. De kabinetsreactie op het rapport heeft me erg verbaasd. Ik vond die reactie badinerend, alsof het in dit debat gaat over een werkstukje van de eerste de beste scholier. Die neerbuigende toon van het kabinet is volstrekt ongepast. Het gaat nog steeds niet goed met de Nederlandse economie. Als we het roer in ons land niet drastisch omgooien, ben ik bang dat lage groei en hoge werkloosheid het structurele beeld zullen worden. 

In het WRR-rapport gaat veel aandacht uit naar het onderwijs. Dat is terecht. Ik ben het met de WRR eens dat het niveau van veel leraren omhoog moet. Het liefst zou ik in de bovenbouw van de havo, in het vwo maar ook in het hbo alleen nog docenten met een academische titel zien. Maar er is meer. In de lijst van het magazine The Times Higher Education staat bijvoorbeeld slechts één Nederlandse universiteit in de top 50. De top tien is volledig Angelsaksisch. Amerikaanse en Britse universiteiten steken met kop en schouders boven de rest uit. Als wij meer dynamiek in ons hoger onderwijs, betere motivatie van zowel student als docent en een hogere kwaliteit willen, dan dient men impulsen hiertoe te stimuleren. Financiële prikkels en werkelijke concurrentie zijn daarvoor geëigende methoden. 

Het betekent een radicaal andere invulling van ons onderwijsbestel. Het zou betekenen dat we ons hoger onderwijs moeten privatiseren. Privatisering zou zowel de instelling als de student op positieve wijze prikkelen. Een hoger collegegeld bekostigd in de vorm van een lening of beurs dwingt de student tot een weloverwogen studiekeuze. De ongemotiveerde instroom zal verminderen en het aanbod van onzinnige studies zal ook afnemen. Daarnaast wordt de studie-attitude positief beïnvloed. Een persoonlijke investering stimuleert het voorkomen van uitval, vertraging en zwakke tot matige prestaties. Niet de belastingbetaler, maar de student zelf draait op voor een eventueel gebrek aan inzet. De stimulans om na de studie aan de slag te gaan op de arbeidsmarkt wordt eveneens vergroot, daar men de eigen investering wil terugverdienen. 

Maar ook de onderwijsinstellingen zullen verbeteren. Het onderwijsaanbod zal, zoals gesteld, wijzigen. Studenten willen immers waar voor hun geld. Verhoging van de kwaliteit van de opleiding, de soorten opleidingen die men kan volgen en de verhouding onderwijstijd-collegegeld zullen leidend worden. Met de garantie dat er door studenten gewoon een lening kan worden afgesloten, blijft ook de toegankelijkheid gewaarborgd. 

Om de Nederlandse economie er weer bovenop te helpen, moeten we niet alleen naar het onderwijs kijken en moet niet alleen het onderwijs veel beter, maar we moeten onszelf compleet heruitvinden. We moeten niet vasthouden aan de verworvenheden van de vorige eeuw. Die tijd is voorbij. We moeten vooruitkijken. We moeten de belastingen verlagen, de overheidsuitgaven verkleinen, de staatsschuld terugdringen, de arbeidsmarkt moderniseren en kansloze immigratie beperken. Doen we dat niet, dan ben ik bang dat Nederland zal verworden tot een soort openluchtmuseum terwijl de echte innovatie en economische ontwikkeling in de wereld voortaan uitsluitend plaats zullen vinden in Noord-Amerika en Oost-Azië. 

We moeten af van de klassieke verzorgingsstaat en op weg naar een moderne participatiesamenleving. Al in 1994 schreef ene dr. Pim Fortuyn: "Wat nodig is, is dus niet een verbouwing of renovatie van de Nederlandse verzorgingsstaat, maar complete afbraak. Na de afbraak zullen we nieuwbouw moeten plegen. (…) Die nieuwe verzorgingsstaat is er evenwel alleen voor diegenen die echt niet voor zichzelf kunnen zorgen. Een opdracht, een geëmancipeerde en geïndividualiseerde samenleving als de Nederlandse waardig." 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Voorzitter. Het verdienvermogen van Nederland is door de WRR op de kaart gezet: een dik en doorwrocht rapport dat duidelijk maakt dat we niet alles bij het oude kunnen laten en maar hopen dat het herstel wel van buiten op ons afkomt. Onze toekomst en de toekomst van onze kinderen vergt politieke moed en daden. Daarom is het ook zo jammer dat de eerste reactie van het kabinet niet veel meer was dan een sneer naar de WRR: het lijkt wel of de WRR een paar jaar in het verleden leeft. Vervolgens schetste het kabinet het beeld alsof het alles al deed of al verzonnen had. En dat terwijl het beleid van het kabinet juist haaks staat op wat nodig is voor ons toekomstige verdienvermogen. Kortetermijnuitruil in plaats van langetermijnbelastingverlagingen. 

De werkelijkheid is voor de lange termijn nog steeds een verhoging van de lasten. Nee, de toekomst van Nederland heeft behoefte aan principes die juist de lange termijn boven de korte termijn plaatsen: een sterke samenleving, lucht voor het bedrijfsleven, vooral voor het midden- en kleinbedrijf, een belastingstelsel dat werken beloont, onderwijs dat opleidt voor de banen van de toekomst en een polder die kiest voor vooruitgang. 

De basis van een gezonde economie ligt in vertrouwen. Vertrouwen leidt tot vooruitkijken en vooruitkijken leidt tot investeren. Als er echter één probleem is in onze huidige samenleving, is dat wel dat er juist weinig vertrouwen is, in de politiek, in Europa, in banken, in de polder. Als wij praten over ons verdienvermogen, moeten wij dus eerst praten over het herstellen van het vertrouwen binnen onze samenleving. Daarom kan het debat van vandaag niet zonder het debat dat wij volgende week zullen voeren over de participatiesamenleving. Alleen een sterke samenleving waarin mensen meedoen, biedt de basis voor vertrouwen en voor een sterke economie. 

Het verdienvermogen van Nederland kan ook niet zonder een sterk mkb, want het mkb is goed voor 60% van de werkgelegenheid in Nederland. Het is de motor van de economie, het cement van de lokale samenleving. En dat niet alleen: het midden- en kleinbedrijf is ook verantwoordelijk voor het grootste deel van de innovaties en nieuwe technieken. Het mkb betaalt echter ook het leeuwendeel van de belastingen en de accijnzen, zo zeg ik tegen de heer Pechtold, die daar net buiten de microfoon een opmerking over maakte. Dat geldt ook voor de btw op de bouw, die per 1 januari 2015 weer verhoogd zal worden van 6% naar 18%. Veel meer dan alleen de grote bedrijven worden ook de kleine bedrijven gepakt door de overheid. Als we banen willen scheppen, zullen we dus moeten beginnen met het verlagen van de lasten voor de bedrijven. 

Daarom doe ik de volgende voorstellen, ook om de stap van zzp'er naar bedrijf makkelijker te maken. Halveer de winstbelasting voor kleinere bedrijven van 20% naar 10%. Stap af van de plicht van loondoorbetaling bij ziekte van twee jaar; breng die periode terug tot in ieder geval niet meer dan één jaar. U zult zien dat dit leidt tot het aannemen van meer mensen. Bied startende ondernemers de ruimte om bijvoorbeeld bij maximaal drie werknemers drie jaar lang korting te krijgen op de werkgeverslasten, zodat het voor een succesvolle zzp'er interessant wordt om mensen in dienst te nemen. Graag krijg ik een reactie van het kabinet op deze voorstellen, die ik doe opdat het mkb de kracht krijgt die het verdient. 

De WRR waarschuwt voor niet minder dan de uitholling van de middenklasse: de gewone gezinnen, de ondernemers, maar ook de medewerkers in de administratieve sector. Dat is niet minder dan dramatisch, want de middenklasse is de ruggengraat van de samenleving. Juist die middengroepen krijgen klap na klap. Zij krijgen de rekening van de uitgaven van het kabinet gepresenteerd in de vorm van hogere belastingen. Het CDA heeft in het verkiezingsprogramma al een doorgerekende belastinghervorming gepresenteerd, vergelijkbaar met het rapport-Van Dijkhuizen. Het is nu echt hoognodig dat dit plan wordt uitgevoerd; dat geldt in ieder geval voor een hernieuwing van het belastingstelsel. Wij horen echter alleen nog maar van het kabinet dat het er niet uitkomt, terwijl lastenverlichting op arbeid en lastenverlichting in het algemeen, na de miljarden lastenverhogingen van dit kabinet, de uitweg uit de crisis zijn. Ik verzoek het kabinet dan ook — ik krijg daar graag een antwoord op — om in ieder geval met Prinsjesdag met een toekomstvisie op het belastingstelsel te komen. 

Dan kom ik op de polder. Bij de toekomstige economie hebben wij immers ook de polder nodig. Daar wijdt de WRR ook woorden aan. De polder is vermaard om zijn successen uit het verleden, maar de behaalde resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Het sociaal akkoord heeft alleen voor de korte termijn lucht gegeven. Wij weten dat er voor de lange termijn meer nodig is. Vooral op het gebied van scholing zit de polder te veel vast in oude patronen. Er is geld genoeg, maar het wordt totaal verkeerd ingezet. De grote O&O-fondsen komen alleen maar sectoraal beschikbaar. Dat is goed voor de bonden en hun eigen achterban, maar niet voor de kansen van alle werknemers. Is het kabinet bereid om dit stelsel te doorbreken en ervoor te zorgen dat de O&O-fondsen individueel en op maat beschikbaar komen voor werknemers? 

Dan kom ik bij de maakindustrie. Het kabinet zou daar veel meer aan kunnen doen. Ik spreek dan bijvoorbeeld over het Engelse woord "reshoring", productiewerk voor lage lonen weer hierheen halen. En ja, dat begint bij lagere belastingen, want het verschil tussen het inkomen dat de werknemer krijgt en het bedrag aan arbeidskosten dat een bedrijf betaalt, is alleen al reden om naar het buitenland te gaan. Het begint dus bij belastingverlaging. Wij hebben de minister van SZW al eerder gevraagd om het geld dat hij beschikbaar heeft in te zetten voor banen, juist voor reshoring. Er is zelfs een motie over aangenomen. De minister van SZW heeft toegezegd dat te doen, maar wij hebben er nog niets over gehoord. Graag een reactie. 

Tot slot het onderwijs. Daarna kom ik tot een afronding. Onderwijs moet goed en bereikbaar zijn. De WRR schrijft ook over het mbo, want daar ligt voor heel veel Nederlanders de sleutel voor de toekomst en dus voor goed onderwijs. Het is de opleiding voor de vakman en de vakvrouw van morgen, maar het fungeert ook als een brug voor laatbloeiers die alsnog naar het hoger onderwijs kunnen doorstromen. Juist in het mbo is nog zo ontzettend veel wat verbeterd kan worden. Het bedrijfsleven zou veel meer betrokken moeten worden bij het onderwijs. Het CDA heeft al vaak bepleit dat de vakschool de toekomst zou moeten zijn om jongeren voor de juiste beroepen op te leiden, met het juiste vakmanschap. Kan het kabinet met voorstellen komen om juist die vakschool te versterken? 

De voorzitter:

Dank u wel. Het lichtje knippert al enige tijd. Dank u voor uw bijdrage. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik wil nog één vraag stellen, een slotvraag. Over het fonds stelde ik al vragen aan de heer Samsom. Ik stel mijn vraag ook aan het kabinet. Hoe groot zal dat fonds worden, hoe wordt het gevoed en wat betekent dat voor de begroting van volgend jaar? Dat was één vraag met drie komma's. 

De voorzitter:

Ik tel drie vraagtekens, maar ze zijn genoteerd. 

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Wij konden er generaties lang van uitgaan dat wij het beter zouden krijgen dan onze ouders. Die vlieger gaat niet langer automatisch op. Onze generatie en de generaties na ons zullen er harder voor moeten knokken, harder dan ooit. De internationale concurrentie is immers heviger dan ooit. Het zal dus aankomen op onze vechtlust en onze flexibiliteit. Sommigen zien die flexibiliteit als een soort noodzakelijk kwaad. Zelf ben ik ervan overtuigd dat wij er een beter en sterker land door zullen krijgen. Ik ben ervan overtuigd dat de generatie van mijn zoon het beter zal krijgen dan wij. Dat kan gewoon. 

In dit debat hoor ik velen zeggen dat wij ervoor moeten zorgen dat mensen een vak leren, dat wij terug moeten naar de vakschool en dat soort zaken. Bij mij roept dat de vraag op: welk vak? Als je kijkt naar de pas afgestudeerden en naar de toptienberoepen op dit moment, zie je beroepen die nog niet bestonden toen hij of zij aan zo'n studie begon. Wie kon er in 2005 voorspellen dat er op dit moment een enorme vraag zou zijn naar app-bouwers? De stuurbaarheid in dezen is dus enigszins beperkt. Wij zullen moeten zorgen dat leerlingen leren omgaan met snelle veranderingen. Wij zullen moeten zorgen dat zij snel kunnen inspelen op een snel veranderende wereld. Echte vernieuwing vind je vaak niet in bestaande structuren of bij grote beursgenoteerde bedrijven, maar juist bij mensen die in staat zijn om dwarsverbanden te zien en die iets nieuws durven te proberen. Dan moet je ook accepteren dat het soms misgaat. Je ziet dat vooral bij een start-up op een zolderkamer, in ieder geval veel vaker dan in de boardroom van een AEX-bedrijf. 

Vernieuwing vraagt om een overheid die mensen meer ruimte laat, die durft los te laten en gevestigde structuren en belangen durft te doorbreken. Dat geldt ook voor de politiek en voor onze mentaliteit. Het is natuurlijk heel verleidelijk om te gaan shoppen in het WRR-rapport. Het is dik genoeg, dus je kunt er altijd wel een paar zinnen in vinden die jou tegemoetkomen. Je kunt zeggen: een extra zak geld hier en daar erbij en dan zijn we er wel. Het gaat echter om de vraag of we bereid zijn om echte stappen te zetten. Het WRR-rapport gaat niet alleen over onderwijs, over de wijze waarop we onderwijs dienstbaar kunnen laten zijn aan onze economie en over hoe we zo veel mogelijk uit ons onderwijs moeten halen om het beste uit onszelf te kunnen halen. Het rapport raakt ook aan ons economische beleid en aan onze sociale voorzieningen. We gaan er daarom vanuit dat het gehele kabinet ermee aan de slag gaat. Minister Asscher moet bijvoorbeeld aan de slag met de aanbeveling over het anders vormgeven van het poldermodel. Dat zou niet langer gericht moeten zijn op het verdelen van de bestaande koek, maar op het laten groeien van de koek. 

De heer Pechtold (D66):

Dit is de tweede fractie van de coalitie ... 

De heer Zijlstra (VVD):

U bent er nu doorheen. 

De heer Pechtold (D66):

Zover kan ik ook tellen, dat houdt het overzichtelijk. De VVD is de tweede fractie die mild kritisch is op de ontvangst van het rapport. De heer Zijlstra zegt dat iedereen er iets uit kan halen, maar dat het kabinet er in eerste instantie toch behoorlijk weinig uit wist te halen. Ik ben echt op zoek naar een manier om het rapport onderdeel te laten zijn van de agenda die het kabinet voor de komende tijd kan opstellen. Ik heb het zojuist aan collega Samsom gevraagd en ik vraag het nu aan collega Zijlstra. Ik zou rond Prinsjesdag een kort overzicht willen ontvangen — we gaan geen hele papierwinkel starten — met de punten uit het rapport die het kabinet werkbaar vindt. Wat vinden de minister van Economische Zaken, de minister van Onderwijs en anderen werkbaar? Het zou fijn zijn als de Kamer een beetje kan meekijken naar die ambitie. Een fonds lijkt me mooi, maar los daarvan wil ik ook graag een werkprogramma voor onszelf. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik heb de reactie van het kabinet zo gelezen dat het er terecht en met enige trots op wijst dat het heel veel doet. Het is enorm wat het kabinet heeft geregeld en in de steigers heeft gezet: de sociale zekerheid en het onderwijs zijn hervormd, we hebben werkloosheidsuitkeringen die erop gericht zijn om mensen zo snel mogelijk aan de slag te krijgen, we hebben het ontslagrecht, de pensioenen en de huizenmarkt hervormd, wat niet? De uitvoering moet overigens nog wel even plaatsvinden. Ik vind eerlijk gezegd dat het kabinet dan ook wel eens mag constateren dat het al veel gedaan heeft. Nu komen we in de uitvoeringsfase, en daar moet het kabinet mee aan de gang. Dat was ook de vraag van de heer Pechtold. Ik zie hiervoor in het WRR-rapport de mogelijkheid en een boodschap om aan het kabinet mee te geven: we zijn lekker op stoom. Geen kabinet heeft de afgelopen decennia zo veel hervormd, is zo daadkrachtig geweest en heeft zo veel zaken opgezet. Als het dan toch zo goed bezig is, laat het dan nog even doorgaan. Die oproep leg ik nadrukkelijk bij het kabinet neer. Ik ken dit kabinet als een kabinet dat er enthousiast mee aan de slag zal gaan en er zo snel mogelijk bij ons op zal terugkomen. Daarbij wil ik zelf ook graag wat kanttekeningen meegeven. Daarop is mijn inbreng vandaag gericht. 

De heer Pechtold (D66):

Dat begrijp ik, maar in het spel van regeren en controleren moeten wij dat wel transparant doen. Mijn fractie ziet in het WRR-rapport een belangrijke bouwsteen voor de inhoud van het tweede deel van de kabinetsperiode. Die periode zou nog drie jaar kunnen duren. Ik snap dat het kabinet de handschoen opneemt. Ik was teleurgesteld over de eerste reactie, maar ik stel de heren Zijlstra en Samsom voor om aan het kabinet te vragen om wat concreter te worden. Anderen vragen om een nieuw regeerakkoord, maar daar zit ik niet op te wachten. Ik zit te wachten op de waardevolle aanbevelingen die er nog wel zijn. We kunnen elkaar wel schouderklopjes geven over wat er het afgelopen jaar gebeurd is, maar ik kijk gewoon vooruit. Hoe gaan we dat vormgeven? Ik vraag aan de heer Zijlstra hoe wij de oproep die hij en de heer Samsom aan het kabinet doen, zo kunnen insteken dat de Kamer op Prinsjesdag kan zeggen: dit is de agenda en zo gaan wij ermee om. 

De heer Zijlstra (VVD):

Volgens mij heeft de Kamer twee rollen: soms een agendazettende en vaak een controlerende. Volgens mij zijn we hier bezig met een stuk agendazetting. Wij geven het kabinet een aantal boodschappen mee waaruit de wensen van de Kamer naar voren komen. Dat doen de heer Pechtold en de heer Samsom vanuit hun perspectief en ik vanuit VVD-perspectief. Daarbij gaat het om de vraag hoe wij in de toekomst ons geld gaan verdienen. De VVD vindt dat zeer belangrijk. Overigens gaat dat wat mij betreft niet alleen over de toekomst, maar ook over het nu. Ik schat zomaar in dat het kabinet daadkrachtig genoeg is om daar snel mee aan de slag te gaan. Dat heeft het in de afgelopen tijd ook wel bewezen. We komen dan terecht bij onze controlerende rol als we ervoor willen zorgen dat de zaken die wij hebben meegegeven ook worden opgepakt. 

Is dat op dit moment dan precies puntje x, y of z? Nee, ik wil dat graag weer bij het kabinet neerleggen. Dat gaat een vertaling maken van wat ik en anderen hebben gezegd. Wat mij betreft komt het daarmee zo spoedig mogelijk terug. Dat lijkt mij vanzelfsprekend. 

De heer Pechtold (D66):

Ik snap het niet, of de heer Zijlstra is niet bereid om heel concreet te worden. Hoe komt het kabinet terug? Ik heb namelijk geen zin om tweeënhalf jaar in het duister te tasten. Ik moet dan iedere vrijdag aan de buis gekluisterd zitten. Dat doe ik ook hoor, als de minister-president zijn persconferentie houdt. We zetten daar alles voor opzij en we luisteren, maar het kan niet zo zijn dat ik als parlementariër iedere vrijdag zou moeten kijken welke agenda het kabinet deze week heeft behandeld. 

We hebben een regeerakkoord. Van Ojik chargeerde enigszins dat de helft daarvan gedaan is en de helft geschrapt. Dat constaterende: wat gaan we dan doen? Is de heer Zijlstra het met mij eens dat wij vandaag inhoudelijk voeden, maar dat we op Prinsjesdag mede op basis van het WRR-rapport concrete nieuwe agendapunten en ambities krijgen? 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik zie daarin geen tegenspraak. Wij geven vandaag aan welke zaken wij graag van het kabinet willen zien, of het nou gaat om economische groei, of om hoe die zich vertaalt in werkgelegenheid, banen, of innovatief vermogen in dit land. Het kabinet zal daar chocola van moeten maken. Dat zal het zo snel mogelijk moeten doen. Op Prinsjesdag zal het ons daar ongetwijfeld een eerste blik op laten werpen. Dat hoort er een beetje bij. Het zal ook echt niet elk punt al in concreto hebben ingevuld. Ik bedoel: het kabinet kan ontzettend veel. Dat heeft het wel bewezen. We moeten alleen niet ineens onredelijke eisen gaan stellen. Ik denk wel dat de eerste outline er op Prinsjesdag moet zijn. Dat ben ik met de heer Pechtold eens. 

Overigens kan ik hem aanbevelen om op vrijdagmiddag toch echt iets anders te gaan doen. Als hij elke vrijdag naar de persconferentie van de premier zit te kijken, maak ik me toch wel een beetje zorgen. 

De voorzitter:

Mijnheer Van Ojik, gaat uw punt over de persconferentie? 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik sla ook geen vrijdag over, mevrouw de voorzitter. Dat kan ik u eerlijk zeggen. Collega Zijlstra zegt dat er geen kabinet is dat zo veel hervormd heeft als dit kabinet in het afgelopen jaar. Ik zou zeggen: het gaat er niet om dat je veel hervormt, maar dat je goed hervormt. Of je goed hervormt, kun je alleen beoordelen als je weet waar je naar op weg bent, of met andere woorden: als je duidelijk zegt wat je doel is. We komen dan weer terug bij het WRR-rapport. Mijn vraag aan de heer Zijlstra is wat zijn doel is. Waar zou hij nou willen dat dit kabinet, waarop hij toch in een niet geringe mate invloed heeft, in de komende twee jaar naar streeft? 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik zal aangeven wat ik daarvan vind. Ik realiseer me daarbij dat de laatste keer dat ik het controleerde ik geen 76 zetels had. De politieke werkelijkheid zal dus misschien niet helemaal tot dat eindplaatje leiden. Daarover zijn we altijd met elkaar in debat. 

Mijn visie op Nederland is dat het een land is waarin we die vrijheid en die veerkracht in de samenleving neerleggen. Ik wil niet dat we, zoals ik in sommige pleidooien heb gehoord, allerlei dingen vanuit de overheid over de samenleving gaan uitkruien. Ik wil niet dat we zeggen: we gaan voor u allerlei zaken regelen, opzetten en plannetjes maken. Nee, ik wil dat we de flexibiliteit die in het WRR-rapport genoemd wordt, namelijk het omgaan met snelle veranderingen, in de maatschappij neerleggen. Ik wil dat wij als overheid aan de Nederlandse burger het vertrouwen uitstralen dat wij geen keuzes voor hem gaan maken, maar dat wij het vertrouwen hebben dat de keuzes die hij maakt goed zijn en dat wij daarom als overheid een stapje terug durven doen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mag ik concluderen dat dit een ideologie is van de VVD? Wij leggen het in de samenleving neer, de overheid doet een stapje terug en wij laten de burger zelf kiezen wat hij wil doen? Ik vraag dat natuurlijk omdat de heer Zijlstra dit zette tegenover het gestelde dat er veel meer op economische gronden moet worden gekeken, als het citaat dat ik voorlas tenminste klopte. Is dit de kern van de ideologie of het ideaal van de heer Zijlstra, als ik het zo mag zeggen? 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik kan de heer van Ojik sowieso aanraden om het artikel nog eens goed terug te lezen, want het is precies het omgekeerde van wat hij zei. Als het gaat over economisch-rationeel — en dat zal hem aanspreken — moeten wij in dit land voor belastingen een systeem opzetten waarbij je bijvoorbeeld vervuiling belast. De politieke ideologie wil nog weleens in de weg zitten op dat punt, omdat je wel de extra belastingen krijgt, maar nooit de teruggave die daar vervolgens bij hoort. Mijn verhaal was, eerlijk gezegd, dus net het omgekeerde van hoe de heer Van Ojik het interpreteerde. En ja, ik geef toe dat ik inderdaad ook last heb van ideologie. Ik heb last van een visie op een samenleving en ik hoop dat die visie ook werkelijkheid wordt. Het is een visie waarbij wij vertrouwen hebben in de mensen in plaats van wantrouwen en wij de overheid elke keer laten doen wat de mensen eigenlijk zelf zouden moeten doen. Ik ben niet van een risicoloze samenleving waarbij wij elk risico proberen uit te sluiten en te voorzien van een regeltje en een regeling. Ik ben van een samenleving waarin wij accepteren dat er risico's zijn, waarin wij accepteren dat zaken soms misgaan en waarin wij de mensen in hun kracht zetten en leren daarmee om te gaan. Dat is de enige manier om er in een globaliserende wereld voor te zorgen dat de Nederlandse burger vooruitkomt en dit land vooruitkomt. 

Waar gaan de hervormingen wat mij betreft naartoe? Wat mij betreft is dat het aan de mensen geven van de mogelijkheid om te vertrouwen op hun eigen veerkracht. Wij kunnen echter niet op onze lauweren rusten, dat zeg ik erbij. De hervormingen van dit kabinet zijn fantastisch. Het kabinet heeft dat enorm snel gedaan. Nu moeten wij van de gelegenheid gebruikmaken om door te gaan. Wij delen de ambitie om bestaande belangen te doorbreken, bijvoorbeeld als het gaat om topsectoren. Meerdere sprekers hebben het daarover al gehad. Dat moet niet alleen gevestigde belangen dienen of de ontwikkeling van de wetenschap. Het moet ook niet zo zijn dat dit alleen via universiteiten loopt, want ook daar hebben wij vernieuwing nodig. Innovatie gedijt het beste in dwarsverbanden tussen bedrijven en kennisinstellingen. Het onderwijs versterkt ons verdienvermogen alleen als wij het bedrijfsleven daar op een goede manier bij betrekken. Dit moet dus flexibel worden ingericht. De VVD is het dan ook met de WRR eens dat de arbeidsmarkt om steeds meer flexibiliteit vraagt. Nederland vaart daar wel bij, want als werknemers en zelfstandigen rouleren van klus naar baan, nemen zij hun kennis en vaardigheden mee. Kennis delen is kennis vergroten. Mensen hebben meer aan mogelijkheden om een leven lang te blijven leren of aan flexibiliteit bij hun pensioenopbouw, dan aan een hoge uitkering of een vast contract. Dat laatste is inmiddels een illusie. De vraag is dus niet alleen hoe wij in de toekomst ons brood kunnen verdienen, maar ook hoe wij vandaag al ondernemend Nederland kunnen helpen om meer uit ons potentieel te halen. De bal ligt hier, bij ons, bij de politiek. Wij moeten de neiging die wij vaak hebben om ons verdienvermogen te verzwakken, onderdrukken. Dat doen wij als wij pleiten voor een wettelijk recht op thuiswerken, als wij het aantal tijdelijke contracten willen maximeren en als wij zelfstandigen in een keurslijf van collectieve regelingen willen duwen. Wij onderdrukken dan uiteindelijk het verdienvermogen. Dat doen wij ook als wij extra regels bedenken bovenop de Europese regels en op die wijze onze ondernemers en onze economie op achterstand zetten. Een populair onderwerp zijn bijvoorbeeld de bonussen bij banken. Als wij in Europees verband afspreken dat daar een cap op zit en wij dat in Nederland vervolgens weer extra zwaar invoeren, zet je de Nederlandse banken op achterstand, zet je de kredietverlening in Nederland op achterstand en zet je het economisch potentieel op achterstand. Doe dat dus niet! Ik hoor graag van de premier of hij kan toezeggen dat het kabinet bereid is om nationale koppen op Europese regelgeving te voorkomen. 

Tot slot, voorzitter. Niemand kan de toekomst voorspellen. Geen overheid kan alle risico's afdekken. Een samenleving moet in beweging zijn om te kunnen groeien. Daarvoor is ruimte en vrijheid nodig, en een overheid die dus een stapje terug doet. Een overheid die durft los te laten in plaats van in de weg te lopen. De vraag vandaag is: wie durft? Wij wel. 

De heer Roemer (SP):

Ik was eigenlijk niet van plan om te reageren. Ik dacht: nou, laat maar. Toch zijn er een paar dingen. Als u het hebt over minder regels, zullen we dan samen eens die toetsbatterijen op scholen met de helft of drie kwart gaan verminderen? Het onderwijs wordt knettergek van het zogenaamde "moeten concurreren met elkaar". De ene Cito-toets volgt op de andere, peutertoets hier, andere toets daar. We worden knettergek. Het zijn ideeën die zo ongeveer allemaal uit uw koker zijn gekomen. Laten we daar nu eens een einde aan maken. 

De heer Zijlstra (VVD):

Het leerlingvolgsysteem is door het onderwijs zelf zeer gewenst om na te gaan welke vorderingen leerlingen maken. Dat soort zaken moet je het onderwijs niet ontnemen. Daar moet je geen regel op zetten om het te verbieden. Je moet het onderwijs de vrijheid laten om daaraan vorm te geven. Ik ben daar zeer voor. 

De heer Roemer (SP):

Kortom, deze bedoelt u blijkbaar niet. In het verleden hadden wij een financiële sector die enorm gedereguleerd was. We hebben gezien wat voor een ellende daar vervolgens van kwam: onverantwoorde woekerpolissen, onverantwoorde risico's. Minder regels van de overheid hebben geleid tot een complete chaos in de financiële sector en een enorme crisis. U pleit voor minder regels, u zegt dat er meer bonussen voor de bankiers moeten komen; u leert weinig van de geschiedenis geloof ik. 

De heer Zijlstra (VVD):

De heer Roemer moet even goed luisteren naar wat ik daarover zeg. Natuurlijk was het nodig om op het gebied van de banken het toezicht aan te scherpen. De VVD-fractie is daarin ook meegegaan, omdat er daartoe een noodzaak bestond. Mijn pleidooi gaat echter over Europese regelgeving. De financiële wereld is internationaal. Als we in Europa afspraken maken over de regels die we gaan toepassen en we daar in Nederland één ons, twee ons, een pond of een kilo bovenop leggen, dan plaatsen we de Nederlandse banken in een achterstandspositie. Banken en activiteiten vertrekken dan gewoon naar het buitenland. U wilt altijd zo graag banen hier houden, maar u jaagt ze daarmee gewoon weg. Ik zeg niet dat we in Nederland meer bonussen moeten geven dan in de rest van Europa. Nee, ik zeg: in Europees verband maken we afspraken. Dat is hartstikke goed. Daar moeten we ons aan houden, en streng ook. We moeten echter niet meer gaan doen. Daarmee jaag je namelijk mensen weg. Het is een makkelijke boodschap als u zegt: die banken waren zo fout, die gaan we nog eens extra straf geven. Dat klinkt leuk maar dat is economisch, qua verdienmodel, ontzettend dom. Al die ondernemers die u zegt te willen helpen, staan vervolgens bij de poort van een bank die weg is of geen krediet kan verschaffen omdat wij te strenge regels stellen. Daar moet u nu eens een keer op ingaan. 

De heer Roemer (SP):

We hebben al 70 jaar VVD-beleid. In reactie op al die verwijten aan de Kamer, aan mij en aan de rest zeg ik dus: het is steeds beleid geweest van u en uw voorgangers. Laat dat even helder zijn. Mijn tijd komt nog, en ik hoop heel snel. Als we naar een duurzame, reële economie willen gaan, dan moeten we juist leren van de geschiedenis. Dan moeten we leren van de fouten die we in de afgelopen twintig, dertig jaar hebben gemaakt. Waar zijn overtollige regels die alleen maar in de weg staan en waar moet gereguleerd worden om ervoor te zorgen dat de economie duurzaam is, dat iedereen meedoet en dat de economie ook voor de langere termijn op orde is, voor onze kinderen? Wat u doet, is vrij spel voor de banken en vrij spel voor de multinationals: vooral nergens aanzitten als het daarom gaat en de gewone mensen laten stikken als het gaat om zekerheden op het gebied van werk, zorg en onderwijs. We zitten inderdaad op een heel andere lijn. 

De heer Zijlstra (VVD):

Dank voor het compliment dat de VVD heeft meegewerkt aan het Nederland dat er nu staat, zo zou ik willen zeggen. We wonen in een land waar je je diep voor moet schamen, waar het zeer ellendig is om te wonen en waarvan de situatie niet uit te leggen is. Als je daaraan hebt meegewerkt als partij, dan moet je je daar diep voor schamen, zo geef ik toe. Wij wonen natuurlijk in een fantastisch land! Daar heeft de VVD gelukkig aan meegewerkt. 

Ten tweede, de heer Roemer maakt een karikatuur. Wij zijn voorstander van regulering van zaken die zijn misgegaan. Daar zijn wij hartgrondig voor. Dat hebben wij altijd gesteund. Maar mijn punt is het volgende. Als je het hebt over verdienvermogen in dit land — de SP van de heer Roemer houdt prachtige verhalen over het behoud van banken — moet je niet Nederlandse bedrijven, banken of anderszins, op een achterstandspositie zetten door hier allemaal extra regels in te voeren, waardoor banken de grens overgaan en waardoor bedrijven die hier in Nederland misschien willen produceren, in Duitsland, België of elders in Europa gaan zitten. Als we Europees dingen afspreken, hartstikke goed, daar moeten wij ons aan houden. Maar dan moeten we niet méér gaan doen, want dan zijn ondergraven we uiteindelijk het verdienvermogen van Nederland. Dat is de kern van het beleid. Als de heer Roemer dat niet wil, wens ik Nederland heel veel succes, mocht zijn droom werkelijkheid worden. Dan gaan we dan eens kijken hoe het er dan voor staat. 

De heer Pechtold (D66):

Ik zit met enige interesse dit inhoudelijke debat te volgen, maar het dwaalt langzaam af van het WRR-rapport. Maar goed, het is onze eerste termijn. Het is wel interessant dat het eerste voorbeeld dat de heer Zijlstra te binnen schiet als het gaat om Europese regeldruk, het beleid is dat Nederland zou hebben boven op het Europees beleid als het gaat om de bonussen van bankiers. Hoor ik hem nu zeggen dat we het Europees beleid in Nederland niet nog verder moeten gaan verscherpen? 

De heer Zijlstra (VVD):

Op het gebied van toezichtsregels en kredieteisen en dat soort zaken zijn er Europese afspraken. Die zijn niet voor niets gemaakt. We hebben een sterke beweging gemaakt. Maar banken houden niet op bij de Nederlandse grens. Als je als land extra regels stelt, terwijl ze in Frankrijk, Duitsland, België, de rest van Europa of aan de overkant van de Noordzee die regels niet stellen, moet je niet gek opkijken als bedrijven ervan tussen gaan. Dit prikkelende voorbeeld is er ook een van. Natuurlijk zijn er bij de banken veel dingen misgegaan. Maar de politiek, wij, moeten ook leren weerstaan dat we die dingen vervolgens populistisch vertalen en eens een keer leuk dit soort dingen gaan roepen. Nee, we hebben heel veel extra zaken afgesproken rond banken en toezicht, juist omdat er iets gerepareerd moest worden. Dan doen we op Europees niveau, maar ga dan niet extra dingen doen in Nederland, want dan plaats je de Nederlandse banken en de Nederlandse bedrijven, die daardoor geen kredieten krijgen, op achterstand. 

De heer Pechtold (D66):

Het is nogmaals, in extenso nu, door de heer Zijlstra uitgelegd, maar ik begrijp het helemaal niet. Ik kijk ook met een schuin oog naar de coalitiegenoot PvdA. Op pagina 12 van het regeerakkoord staat toch heel duidelijk dat we de bonussen in Nederland terugbrengen tot 20%, in tegenstelling tot de Europese richtlijnen. Mijn vraag aan de heer Zijlstra is of dit in het kader van de heer Van Ojik weer een onderdeel is van het regeerakkoord is dat geschrapt wordt. Is dit voornemen eruit met deze uitspraak van de heer Zijlstra? Of is er nu toch een klein probleem in de coalitie? Ik wil altijd graag even kijken waar dat uiteindelijk toe leidt. 

De heer Zijlstra (VVD):

Dat vind ik een leuke insteek van de heer Pechtold. Ik heb overigens meer voorbeelden genoemd van zaken die het kabinet heeft ingesteld. Het maximumaantal flexibele contracten heb ik ook genoemd. Dat is door dit kabinet, met onze steun, geregeld. Ik vind het interessant dat de heer Pechtold zo makkelijk schakelt tussen de toekomst en waar we naartoe willen, en, als het hem uitkomt, het heden. Laat helder zijn dat ook wij als VVD in de huidige politieke constellatie soms dingen hebben gedaan die wij voor het verdienvermogen van Nederland niet goed vinden. Dat klopt. Daar lopen we niet voor weg. Laten we daarmee ophouden. Dat is het perspectief waar ik naartoe wil. De heer Van Ojik vroeg dat ook heel helder: waar wilt u naartoe? Ik wil naar een situatie waar dit soort dingen er niet in zitten. Het zou zo helpen als ook de heer Pechtold op dit punt zou leveren naar de toekomst toe. Laten wij ophouden met nationale koppen en met dingen die ons bedrijfsleven op achterstand zetten, want dán krijg je economische groei en dán krijg je banen. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. 

De voorzitter:

U kunt zich niet inhouden. Ik snap het. Maak het af. 

De heer Pechtold (D66):

U snapt, dit moeten we toch even terugbrengen tot de essentie, want het waaiert nu uit. 

De voorzitter:

Nog één vraag. 

De heer Pechtold (D66):

In het regeerakkoord staat op pagina 12 dat we in Nederland wel degelijk verder gaan dan Europa als het gaat om het terugdringen van bonussen. Steunt de VVD dat de komende jaren, ja of nee? Of is het een breuk met het regeerakkoord? Dan heb ik straks een vraag aan de heer Samsom. 

De heer Zijlstra (VVD):

De heer Pechtold weet als geen ander dat wij altijd onze afspraken nakomen. Dit valt dan ook precies in het perspectief waar hij naar vroeg. Waar wilt u naartoe? Wat is de toekomst? Welke bewegingen wil de VVD maken? Nou, die geef ik hier. Ja. Daarnaast is er inderdaad ook nog een werkelijkheid waar wij af en toe mee te maken hebben, overigens ook de heer Pechtold, namelijk de afspraken die wij met elkaar hebben gemaakt. Maar het zou toch heel gek zijn als ik hier hetzelfde verhaal als de heer Samsom ga staan houden? Dit is namelijk wat ik als VVD'er vind. De heer Samsom vindt inderdaad heel regelmatig wat anders, zeg ik ook tegen sommigen die dat graag zouden willen horen. Hij is van de PvdA, ik ben van de VVD. Hij vindt bepaalde zaken. Ik vind bepaalde zaken. Dit debat gaat precies daarover: wat is het perspectief dat jij als partij wilt neerzetten? En ja, die fusie tussen de PvdA en de VVD zit er voorlopig nog niet in, zoals de heer Pechtold terecht heeft geconstateerd, en ik denk ook nooit. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Voorzitter. De voorzichtig ontluikende economische zomer, die is bevestigd in de juniraming van het Centraal Planbureau, stelt ons voor twee belangrijke vragen. Ten eerste, wat moeten wij doen om die economische wind goed in de zeilen te houden? Ten tweede, hoe kunnen wij verder werken aan een duurzaam behoud van onze welvaart, ook voor de toekomstige generaties? 

Het is belangrijk om het staatshuishoudboekje op orde te krijgen, maar daarin kun je ook te ver gaan. Inmiddels is in brede kring het inzicht gegroeid dat overhaaste begrotingsconsolidatie niet zaligmakend is en dat die economisch herstel en groei extra kan schaden. De WRR wijst in zijn rapport terecht op de complicerende factor die deze extra bezuinigingen zijn voor het inverdienvermogen van Nederland. Daarbij gaat het vooral de om de op korte termijn gerichte monetaire oriëntatie van het ministerie van Financiën. Dagkoersen en kortetermijnvisie lijken bij dit kabinet te regeren. Hoe beoordeelt het kabinet dit? Gaat het immers niet juist om dingen voor de lange termijn te realiseren? 

Het prille economische herstel vereist de blik verder vooruit te werpen. Na jaren van lastenverzwaring moet het lastenniveau verantwoord verlaagd worden. Dan krijgt het economisch herstel dynamiek, kan de werkloosheid afnemen en kan de binnenlandse consumptie aantrekken. "Verantwoord" betekent echter wel dat wij een balans moeten vinden tussen vereenvoudiging en verlaging van belastingen en de andere doelstelling van het belastingsysteem, namelijk ervoor zorgen dat het een goed instrument is om sociale en maatschappelijke rechtvaardigheid te bereiken. 

Voor duurzame versterking van het verdienvermogen van Nederland is echter meer nodig dan een maatschappelijk verantwoorde lastendruk. Met de WRR ben ik van mening dat de overheid zich vooral moet richten op het accommoderen en aanjagen van noodzakelijke maatschappelijke hervormingen. Vooral randvoorwaarden en mogelijkheden scheppen en niet hinderen; daar gaat het om. Men moet het innoverend vermogen als geheel verbeteren, minder inzetten op de winnaars — sectoren en producten — en meer inzetten op het brede bedrijfsleven en het mkb. Daar zit namelijk 60% van de werkgelegenheid en de omzet van het bedrijfsleven. 

Door mijn eigen ervaring met innovatiebevordering in de afgelopen jaren is mij duidelijk gebleken dat het mkb sterker wordt en een betere marktpositie verkrijgt door ogenschijnlijk niet zo spectaculaire innovaties. Het topsectorenbeleid heeft nog veel te veel risico in zich, waardoor het innovatievermogen van het mkb tussen wal en schip dreigt te raken. In het mkb zijn er veel 50-plusondernemers die met hart en ziel innovaties opzetten, maar zij hebben vaak niet de tijd en middelen om de slag naar het topsectorenbeleid te maken. Dat hoeft ook niet. De WRR pleit voor een en-enbeleid, passend bij een lerende economie. Om dit financieel structureel mogelijk te maken hebben wij al eerder gepleit om te komen tot een fonds voor de volgende generaties gericht op het duurzame behoud van onze welvaart. Dit fonds zou gevoed kunnen worden uit aardgasbaten. 

Dit sluit ook aan bij de reactie van VNO-NCW en MKB-Nederland, die zorgen hebben geuit over het wegvallen van het FES, het Fonds Economische Structuurversterking. 50PLUS heeft in het debat over de gaswinning in februari dit jaar ook het voorstel gedaan om dit te onderzoeken. Helaas waren de VVD en de Partij van de Arbeid daar toen tegen, maar we hebben vandaag ontdekt dat het herhaalde pleidooi van D66 tot nieuw inzicht bij deze partijen leidt. Dat is alleen maar toe te juichen, want voortschrijdend inzicht kan dit land vooruithelpen. 

De reactie van het kabinet op het WRR-rapport is teleurstellend. Het getuigt van een bedenkelijke zelfgenoegzaamheid. Wij doen een beetje wat de WRR wil en we varen de juiste koers in ons huidige economische en innovatiebeleid, zo luidt ongeveer de boodschap. Een echt inhoudelijke reactie op de belangrijke bevindingen van de WRR ontbreekt. Daar krijgen we in de eerste termijn van het kabinet graag de invulling van. Om echter te komen tot een verdere verbetering van onze kenniseconomie worden in het rapport drie lijnen geschetst ten aanzien van kennisverbreding en kennisverdieping: kenniscirculatie, zorgvuldig leren en lerend werken. 

Vanuit onze verantwoordelijkheid als 50PLUS zie ik twee hoofdthema's. In de eerste plaats: hoe kunnen kennisinstellingen, onderwijsinstellingen, meer gestuurd worden op de kwaliteit van het onderwijs en minder op de kwantiteit? Een belangrijk punt is dat de eisen aan het onderwijsniveau omhoog moeten. Wij zijn hooguit een mondiale subtopper, zo staat in het rapport. De emancipatiedoelstelling moet verlegd worden naar de economische functie van het onderwijs, gekoppeld aan de economische structuur van nu en de transitie naar de duurzame economie straks. 

In de tweede plaats: hoe kan structureel de kennis en kunde van 50-plussers worden ingezet in deze kenniscirculatie? Hoe kan niet alleen kennisoverdracht plaatsvinden van oud naar jong, maar juist ook, passend bij een lerende economie, van jong naar oud? Nieuwe technologieën in samenhang met de maatschappelijke mogelijkheden van onze informatiesamenleving moeten juist ook door 50-plussers worden geadopteerd. De combinatie van ervaring, kennis en kunde van de 50-plusser met de nieuwe technologieën biedt naar onze mening extra kansen om het Nederlandse verdienvermogen te vergroten. Zeker als mensen bijna gepensioneerd zijn, dreigt er veel maatschappelijke uitval, terwijl dit absoluut niet nodig is en Nederland zichzelf daarmee tekortdoet. Die mensen hebben heel veel ervaring en kennis die we ook goed kunnen gebruiken voor onze Nederlandse samenleving. Op dit punt schiet de kabinetsreactie schromelijk tekort. Terecht wordt er veel aandacht gegeven aan vroeg beginnen om geen talent onbenut te laten, maar voor talentbenutting en -behoud als mensen 50-plus zijn, is veel te weinig aandacht. Daarover staat geen letter in de kabinetsreactie. Graag hoor ik wat de inzet van het kabinet hierop zal zijn. 

De voorzitter:

Daarmee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de Kamer. Het is bijna half acht; ik stel voor dat we gaan dineren. 

De vergadering wordt van 19.23 uur tot 20.35 uur geschorst. 

Minister Rutte:

Voorzitter. Wij praten vandaag over het verdienvermogen van Nederland en over de vraag hoe wij met elkaar de banenmotor weer aan de gang kunnen krijgen. Voor ik inga op een aantal gemaakte opmerkingen en gestelde vragen, wil ik u eerst deelgenoot maken van de manier waarop ik aankijk tegen de context en tegen de vraag waar we op dit moment staan. 

We kunnen vaststellen dat Nederland onderliggend een aantal zeer sterke kanten heeft. Gemeten in oppervlakte zijn we het 133ste land van de wereld. Op inwoneraantal zijn we het 61ste land van de wereld. We zijn het 18de land van de wereld wat betreft de kracht van onze economie. We staan in de top vijf van de meestverdienende inwoners van de Europese Unie. We zijn de derde meest innovatieve natie binnen de Europese Unie. We hebben het een-na-beste pensioenstelsel van de wereld. Als exportland hebben wij wereldwijd 125% van ons bbp aan investeringen uitstaan. Dat is 783 miljard euro. Wij hebben dus 125% uitstaan, waar het EU-gemiddelde 44% is. 

Tegelijkertijd zijn er grote problemen. Het grootste probleem van dit moment is de werkloosheid, die hardnekkig is en die omlaag moet. Hoewel we heel recent positieve cijfers hebben gezien door daadwerkelijk groeiende werkgelegenheid, zijn we nog lang niet tevreden en moet die werkloosheid verder gaan dalen. 

Dit is één punt waar we vandaag over praten: waar staat Nederland, zowel positief als negatief? Een ander punt waar we in het kader van het verdienvermogen van Nederland naar moeten kijken, zijn de trends. Welke trends zien wij in Nederland, zowel societal — maatschappelijk — als ook internationaal? 

De eerste trend die ik wil benoemen, is de technologische ontwikkeling, die vergaande gevolgen heeft, bijvoorbeeld voor de gezondheidszorg. Technologische ontwikkeling heeft ook vergaande gevolgen voor bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf. Het leegvallen van winkelpanden is niet alleen het gevolg van de economische crisis, maar ook het gevolg van het feit dat steeds meer aankopen gedaan worden via internet. We zien hoogtechnologische stedelijke netwerken ontstaan. De hele wereld kijkt er jaloers naar en een regio als Eindhoven — hij werd al genoemd — is een van de belangrijkste toeleveranciers geworden van de Duitse auto-industrie. 

Wat betreft de kenniseconomie zien we dat die technologische ontwikkeling niet alleen maar gaat over het hbo en over het universitair onderwijs. Ook iemand die op het vmbo en vervolgens op het mbo zit, heeft met die kenniseconomie te maken. Wat betreft op het eerste gezicht heel dagelijkse aangelegenheden, bijvoorbeeld hoe wij onze huizen verwarmen, is er immers inmiddels technologie die meer vraagt dan een aantal traditionele hulpmiddelen en die begrip vraagt van de technologie die erachter zit. 

Internationaal speelt er ook veel. We zien de opkomst van China, met de grote uitdagingen waar dat land voor staat. Henk Kamp wijst steeds op het feit dat wij internationaal in staat zijn om een bijdrage te leveren aan een aantal heel grote internationale vraagstukken, bijvoorbeeld op het terrein van de voedselvoorziening en de bescherming tegen het water. We zien op dit moment ook de middenklasse internationaal enorm toenemen en dat biedt grote kansen voor Nederland. Op dit moment zijn wereldwijd 2,8 miljard mensen bezig toe te treden tot de middenklasse. Dat is een gigantisch aantal en dat is nog nooit eerder vertoond. In de afgelopen 10 à 20 jaar zijn 1 miljard mensen vanuit de armoede omhoog gekomen. Op dit moment is er een mogelijke toename van de middenklasse met 2,8 miljard mensen. Tegelijkertijd zijn, vanwege de grote gevolgen van de wereldeconomie, 1 miljard van die mensen misschien weer aan het terugzakken in armoede. Er is dus een potentiële toename met 2,8 miljard, maar er is ook een mogelijke afname met 1 miljard. Dat zal grote maatschappelijke gevolgen hebben voor die landen. 

We zien, ook internationaal, enorme technologische ontwikkelingen. Ik noem het feit dat een taxibedrijf als Uber in staat is om in Londen de beroemde Engelse taxi naar de kroon te steken en ook in Nederland en andere landen grote vooruitgang boekt. Ik noem ook het feit dat het door technologische vooruitgang mogelijk is om niet meer heel klassiek via ingewikkelde logistieke constructies de boodschappen thuis te laten komen als je die niet zelf wilt halen bij de Albert Heijn of de Aldi. Het is dankzij internet mogelijk om dat te laten doen door mensen die zelf bij die supermarkt gaan winkelen. Die ontwikkeling heeft inmiddels geleid tot verdienmodellen. In de VS zijn bedrijven opgericht die dit in de praktijk brengen en die in staat zijn om dit om te zetten in geld verdienen. Al deze ontwikkelingen hebben een enorme impact op het verdienmodel waar we naar moeten kijken. Ik vraag daar aandacht voor. 

Ik wijs erop dat veranderen en het voorbereiden van Nederland op een situatie waarin simpelweg niet meer aan de orde is dat de zaken altijd zullen blijven zoals zij zijn, naar mijn absolute overtuiging de enige manier is om met deze veranderingen om te gaan. Ook de heer Zijlstra en andere fractievoorzitters hebben dat in dit debat gezegd. Dat stelt eisen aan de inrichting van de arbeidsmarkt, aan de wijze waarop we met het onderwijs omgaan en aan de wijze waarop wij de kosten van de gezondheidszorg onder controle houden. Alle hervormingen die wij doorvoeren, hebben daarmee te maken en ook met het streven om Nederland uiteindelijk simpeler te maken. Ten aanzien van onze relatie met Europa betekent dat ook: geen koppen op Europese regelgeving. Die waren in het verleden nog vaak aan de orde, maar we moeten proberen om ons mooie land zo transparant mogelijk te besturen. 

Tegen die achtergrond is het kabinet twee jaar geleden gestart met een heel pakket aan hervormingen die voor een deel door de Tweede en Eerste Kamer zijn gegaan en die nu, zoals dat in het politieke jargon heet, maatschappelijk moeten landen. Er liggen nog heel grote vraagstukken voor die opgelost moeten worden om daar een succes van te maken. Tegelijkertijd komt het kabinet met nieuwe plannen, zoals het actieplan Ambitieus Ondernemerschap, de hervorming van het beroepsonderwijs en de Nederlandse Investeringsinstelling die is opgezet, maar bijvoorbeeld ook met wetgeving die nog moet worden behandeld door de Kamer en die betrekking heeft op de Omgevingswet en het leenstelsel. Ook los van alle zaken die wij ons hebben voorgenomen in het regeerakkoord, heeft het kabinet in de afgelopen maanden dus een hele reeks nieuwe initiatieven ontplooid die allemaal bijdragen en in de toekomst zullen bijdragen aan het flexibeler en wendbaarder maken van deze samenleving, om het ook eens in WRR-taal te zeggen. 

Tegen die achtergrond kan ik het volgende zeggen, en daarmee beantwoord ik ook de heer Pechtold, die ernaar vroeg, en de heer Van Ojik. Voor dit kabinet zijn groei en werk prioriteit één, twee en drie. Dat geldt voor Lodewijk Asscher en dat geldt voor mijzelf. Ik zeg dat op iedere persconferentie. Ik ben overigens blij dat de heer Pechtold die zo zorgvuldig bekijkt. Hij heeft dan gehoord dat voor Lodewijk Asscher en mijzelf, als aanvoerders van deze coalitie aan kabinetszijde, prioriteit één, twee en drie is: het herstel van de werkgelegenheid, groei en banen. Dit is de absolute topprioriteit. 

We zien tegelijkertijd dat het beter gaat met de economie. Steeds meer signalen kleuren groen. Dat gebeurt terwijl de grote hervormingen op de woningmarkt, de arbeidsmarkt en het sociale domein nu zo langzamerhand in de uitvoeringsfase beginnen te komen. Het zijn de hervormingen die Nederland financieel gezonder en dus inderdaad ook wendbaarder moeten maken, die Nederland beter in staat moeten laten zijn om met de grote veranderingen om te gaan. Naar mijn overtuiging is het nu van het grootste belang om die hervormingen ook door te zetten. Naast maatregelen om de werkloosheid aan te pakken, hebben we ook maatregelen genomen, en nemen we die nog steeds, om de arbeidsmarkt te versterken. Daarmee onderschrijf ik het belang van werk, dat ook de heer Samsom eloquent in het debat naar voren bracht. Dit vraagt in de komende jaren wel alle aandacht van ons. 

Tegelijkertijd moeten we ons blijven afvragen wat nodig is aan verdere maatregelen om het land concurrerend te houden. Dat is ook de opdracht die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de WRR, ons voorhoudt. Je merkt, ook naar aanleiding van het rapport dat is verschenen, dat dit debat over groeivermogen en over groei relevant is, ook in deze Kamer. Wat dat betreft ben ik blij met de vele suggesties die vanuit de verschillende fracties in de Kamer zijn aangedragen. Het gaat hierbij naar mijn overtuiging om vragen als hoe we het beleid consistent kunnen houden. Het gaat om de vraag hoe we langjarige zekerheden en voldoende middelen kunnen bieden. Uiteindelijk gaat het om zo veel mogelijk ruimte voor en inrichting van wat in het WRR-jargon "de lerende economie" het. 

De heer Pechtold vroeg mij in dat kader om een rijksbegroting waarin de investeringen in kennis en innovatie niet worden verdrongen door uitgaven aan zorg en sociale zekerheid. Ik ben dat met hem eens. We zijn juist bezig met de hervormingen in de sociale zekerheid en juist ook bezig met de hervormingen in de gezondheidszorg om ervoor te zorgen dat vangnetten, essentiële voorzieningen, in kwaliteit waar het kan omhooggaan, en tegelijkertijd om daarmee kosten te beheersen zodat essentiële uitgaven op het terrein van kennis en innovatie niet als een koekoeksjong uit het nest worden gedrongen. Hij stelde voor om een "toekomstcommissaris" aan te stellen, die over de departementale kokers heen werkt. Ik kan hem geruststellen: die is er al, dat ben ik. Ik ben heel blij met de suggestie. Ik zal deze titel voortaan toevoegen aan mijn functieomschrijving. Hij kan mij te allen tijde aanspreken op de samenhang van het kabinetsbeleid. 

De heer Pechtold (D66):

Zo'n functionaris heeft iets met visies en stippen aan de horizon. Zo'n functionaris zorgt ervoor dat, als er een belangrijk rapport ligt zoals dat van de WRR, daarop door zijn team adequaat en enthousiast wordt gereageerd. Hoe beoordeelt de minister-president de eerste reactie van beide bewindslieden, zowel in het interview in NRC Handelsblad als vervolgens in de officiële kabinetsreactie? Deze was, verrassend genoeg, voor het eerst niet door de minister-president ondertekend maar door twee vakministers. 

Minister Rutte:

Deze toekomstcommissaris is ervan overtuigd dat hij juist als aanvoerder van een team ervoor moet zorgen dat de relevante bewindslieden ook zelf zo veel mogelijk het voortouw nemen. Ik vind de reactie van het kabinet adequaat. Er ligt een goed WRR-rapport. We hebben laten zien waar het ons uitdaagt tot het zetten van nadere stappen. Het laat ook zien waar we al heel veel zaken doen. We hebben het ook aangegeven als er terreinen zijn waarvan we menen dat die op dit moment in de prioriteitstelling minder relevant zijn. 

De heer Pechtold (D66):

Zit de minister-president nog in de groef waarin, naar mijn gevoel in ieder geval, de leiders van de coalitie in de Kamer niet meer zitten? Ik hoop dat beide bewindslieden daar straks ook niet meer in zullen zitten. Ik bedoel de groef van deze eerste reactie: leuk rapport, daar hebben we er al veel van gehad, dat kennen we inmiddels wel en dat doen we inmiddels al. Met andere woorden: niks aan de hand, mensen, loopt u maar door. Of zit de minister-president met een agenda die voor de helft is gerealiseerd en voor de andere helft gewoon is geschrapt? Pakt de minister-president de handschoen op en grijpt hij dit debat aan om dadelijk, zoals ook de fractieleiders van de PvdA en de VVD hebben gevraagd, concreet een nadere invulling te geven aan het WRR-rapport? Of zit hij nog in de oude groef van "niks aan de hand"? 

Minister Rutte:

Die groeven zijn een beetje zelf verstopte paaseieren van de heer Pechtold. Ik herken ze niet. Het kabinet heeft naar eer en geweten gereageerd op het WRR-rapport. Ik vind dat een goed rapport. Als zo'n rapport uitkomt, zeg je niet: nou gaan we het beleid 180 graden wijzigen. Dat hoefde ook niet. Het geeft heel duidelijke aanzetten tot aanpassingen van beleid en tot een verdere aanscherping daarvan. Je ziet dat ook terug in een hele lijst van vervolgacties die het kabinet onderneemt. Wij zeggen natuurlijk ook in alle oprechtheid, bijvoorbeeld op het punt van het topsectorenbeleid of bij suggesties voor vrij vergaande onderwijshervormingen, dat wij menen dat het daarvoor nu niet de tijd is. Dat zeggen we ook. Je probeert zo'n reactie dus altijd afgewogen te laten zijn. Als dat als defensief wordt gezien, zoals de heer Pechtold zegt, dan is dat geenszins de bedoeling. Wij hebben echt gepoogd en gemeend dat wij daar vooruitkijkend naar kijken. 

Het tweede punt gaat over het regeerakkoord. Ik heb net gezegd dat het kabinet al met een hele reeks initiatieven bezig is die alweer verder gaan dan het regeerakkoord. Dat is logisch. Het regeerakkoord is iets wat je de eerste jaren zo veel mogelijk in de steigers zet en waarvan je zorgt dat zo veel mogelijk door de Kamers komt, zodat je de grote voornemens ook in de praktijk kunt realiseren. Er zijn tal van terreinen waarop het kabinet inmiddels ook weer verdergaande voorstellen heeft gedaan. Ik schetste er al een aantal: de toekomstherziening van en de toekomstagenda voor het mbo en de hele aanpak van het bedrijfslevenbeleid. Wij gaan daar mee door, ook geïnspireerd door het WRR-rapport. 

De heer Pechtold (D66):

Ik heb het zojuist in mijn eerste termijn even samengevat. Er staan ruim twintig reacties in en ik heb ze gewoon geturfd: zeven maal is de reactie "we deden al iets", vier maal is de reactie "er komt al een brief", en zes maal is de reactie "geen actie in het algemeen" en dan is er nog een restcategorie die te definiëren is als "we gaan erover nadenken, wordt vervolgd", waardoor we boven de twintig komen. 

De minister is hier in zijn inleiding toch wat afhoudend. Dat vind ik jammer hoor. Mag ik nu één zin uit het WRR-rapport noemen? Het Nederlandse onderwijsniveau is het afgelopen decennium zowel absoluut als relatief gedaald. De reactie van het kabinet daarop is: in absolute zin gaan de onderwijsprestaties in Nederland niet vooruit, terwijl dat in andere landen wel het geval is. Als volksvertegenwoordiger van een land dat nauwelijks grondstoffen heeft en dat niet op concurrentie van arbeid de 21ste eeuw in kan, maak ik mij dan zorgen. Ik verwacht toch dat een minister-president dan zegt: ja, kom op, dat neem ik serieus en ik maak me er niet van af met een half miljard in een Herfstakkoord en een klein miljard door het opheffen van de studiefinanciering. Ik hoop dat de minister van Economische Zaken, die hem nu souffleert, er wat enthousiasme in kan brengen. Als dit kabinet "werk, werk, werk" serieus neemt — en wie is daartegen? — en nog tweeënhalf jaar door wil, verwacht ik gewoon dat dit WRR-rapport serieus wordt genomen en tot een agenda leidt op Prinsjesdag. 

Minister Rutte:

Door harder te gaan praten, wordt de heer Pechtold niet overtuigender op dit punt. Wij nemen het WRR-rapport serieus. We hebben er serieus op gereageerd. We benoemen ook de terreinen waarover we minder enthousiast zijn, zoals de vrij vergaande onderwijshervormingen of het opheffen van het topsectorenbeleid. Er zijn ook heel veel zaken waarover we wél enthousiast zijn. We hebben het nog eens samengevat in een hele pagina van vervolgacties die uit het rapport voortkomen voor zover het kabinet die oppakt. We hebben de beleidsagenda voor het mbo, die ik zonet noemde. We zijn bezig om vergaande maatregelen te nemen voor het primair en het voortgezet onderwijs. We hebben het Nationaal Onderwijsakkoord gesloten, waardoor de ouderenregelingen worden gemoderniseerd, er meer geld beschikbaar komt voor het onderwijs en we meer academici voor de klas krijgen. Er komt op termijn een miljard extra beschikbaar door te investeren in het hoger onderwijs. Dat zijn allemaal goede zaken. Laten we dus niet proberen om elkaar in zo'n debat op te jutten om steeds grotere woorden te gebruiken. Mijn overtuiging is dat er een vergaande mate van convergentie is over de ideeën. Ik herken ik mij oprecht niet in het beeld dat het kabinet het rapport van de WRR terzijde zou hebben geschoven. Ik zeg dat in alle eerlijkheid. Ik hoorde veel fracties dat zeggen. 

De heer Pechtold (D66):

Ook van de coalitie! 

Minister Rutte:

Ja, het is prima dat de coalitie daar ook iets over zegt, overigens in verschillende gradaties. Ik ben blij dat de heer Pechtold de coalitie zo goed beluistert. Dat is een goed teken. Dat neemt echter niet weg dat wij dat rapport relevant vinden. Ik heb de heer Van Lieshout niet voor niets tot drie keer toe met collega's ontvangen om uitvoerig over het rapport te spreken. Er ligt gewoon een goed stuk werk! Wij pakken dat op tal van punten op. Er is geen sprake van dat we dat niet zouden doen. 

Dan kijk ik even naar de verdere reacties. Ik heb de heer Pechtold zonet bediend door te zeggen dat ik het zeer met hem eens ben dat we niet in de rijksbegroting moeten gaan snijden teneinde geld vrij te spelen voor kennis en innovatie, en dat we moeten opletten dat de uitgaven voor sociale zekerheid en gezondheidszorg onder controle worden gebracht. Daar werken we verschrikkelijk hard aan. 

Ik heb de toekomstcommissaris benoemd. Daar kwam het interruptiedebat eigenlijk uit voort. In het verleden zijn ambassadeurs een tijd in de mode geweest, net als taskforces en aanjaagteams. Ik heb ook "loodsen" al gehoord, en nu is er de toekomstcommissaris. Ik denk niet dat dat uiteindelijk de essentie van dit debat moet zijn. Voor zover er een toekomstcommissaris nodig is, is dat wat mij betreft de minister-president. 

Ik kan melden dat het kabinet ontwikkelingen in gang heeft gezet die naar de mening van het kabinet nauw aansluiten bij de strekking van het WRR-advies. Ik noemde het topsectorenbeleid. Daarin is het WRR-advies tamelijk radicaal. Dat neemt niet weg dat het aanleiding is geweest voor aanpassingen, zowel in het topsectorenbeleid zelf als in het onderwijs. Dat is ook de kracht van het rapport; de minister van Onderwijs zal daar nader op ingaan. Het kabinet wil geen blauwdruk geven voor de vraag hoe het allemaal moet. Wij zijn er heel erg van overtuigd dat het gaat om kaders, ook financiële. Daarbinnen moet ruimte zijn voor inbreng van bedrijven, sectoren, belangengroepen en kennisinstellingen. Dat is nodig voor zowel het draagvlak als meer betrokkenheid bij de uiteindelijke resultaten. Het energieakkoord vind ik daar een goed voorbeeld van. Dat is gelukt met 40 organisaties. Wat is nou een mooier beeld dan Bernard Wientjes en de directeur van Greenpeace die tot drie keer toe hebben gegeten teneinde de noodzakelijke bruggen te slaan en het energieakkoord mogelijk te maken? Ook dat is Nederland, zeg ik ook in de richting van de heer Samsom. Over energiecorporaties en een energiebesparingsfonds stond geen letter in het regeerakkoord. Er zijn nu wel afspraken over gemaakt. Dat is een versterking van het beleid, met dank aan alle partijen in de energiesector. 

De heer Roemer en de heer Van Ojik hebben aandacht gevraagd voor de inkomensverdeling en de positie van de middeninkomens. Dat is een relevant thema. Zoals de WRR ook eerder heeft geconcludeerd, is Nederland nog steeds een betrekkelijk egalitair land. De inkomensverschillen zijn hier niet zo klein als in de Scandinavische landen, maar aanzienlijk kleiner dan het OESO-gemiddelde. Nederland behoort tot de kleine groep landen waarvan de inkomensongelijkheid na de jaren zeventig slechts zeer beperkt is toegenomen. Daarnaast valt aan de hand van de ontwikkeling van het standaardkoopkrachtbeeld ook niet te concluderen dat de middeninkomens in Nederland er sterk op achteruitgaan. 

De heer Samsom gaf aan dat hij suggesties heeft gedaan om bij te dragen aan de groei, zoals voor het Nederlands investeringsinstituut en het belastingstelsel. Ook de heer Buma vroeg daarom. Na de zomer komt het kabinet met een reactie op het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen over de inkomstenbelastingen en de toeslagen. Ik ben het met de heer Samsom eens dat kredietverlening aan het mkb belangrijk is. Daar werkt het kabinet aan. Wij dragen eraan bij met het oprichten van dat Nederlandse investeringsinstituut, waarmee institutionele beleggers in staat worden gesteld om te investeren in de Nederlandse bedrijven. Daarnaast zal de minister van Economische Zaken met een actieplan komen om de mkb-financiering te verbeteren. Daarbij doet zich trouwens wel het probleem voor dat het Nederlandse midden- en kleinbedrijf voor de kredietverlening heel sterk afhankelijk is van de grote banken. Tot boven de 80% van de kredieten is afkomstig van de banken. In landen als bijvoorbeeld de Verenigde Staten is dat een veel geringer percentage en zijn er ook heel andere kapitaalstromen. Een van de goede ontwikkelingen van dit moment is dat er geleidelijk een bredere textuur ontstaat van organisaties en instellingen die kunnen bijdragen aan de kredietverlening. 

Tot slot van mijn bijdrage wil ik zeggen dat het kabinet openstaat voor wensen en suggesties die in deze Kamer naar voren worden gebracht, uiteraard met inachtneming van de praktische inslag en de open houding die wij gewend zijn in zo'n geval hier tentoon te spreiden. Ik zeg er wel bij dat niet alles tegelijkertijd kan, maar wat mij betreft gaat dit debat ook niet over wat er precies morgen en overmorgen moet gebeuren, maar ook over de tijd daarna. Waar het echt om gaat, is dat de wereld verandert. Dat vraagt om een groot aanpassingsvermogen van ons land en van de mensen in het land, en om het vermogen en de bereidheid om daarvan kond te doen, ons dat te realiseren en ons daarop voor te bereiden. Daar hebben we ook alles voor in huis. Ik heb het vaker gezegd: er is niets mis met Nederland wat we niet kunnen repareren met wat sterk is aan Nederland. Het gaat er nu echt om dat we ons brood verdienen in die veranderende wereld. Daar hebben we inderdaad een krachtige economie voor nodig, een economie die bereid is om te leren. Daarvoor moeten we investeren in kennis en mensen. We moeten innoveren. Ik merk ook vandaag in dit debat dat dit zonder meer de verbindende onderwerpen zijn. 

De heer Pechtold (D66):

Ik heb nog een vraag die is blijven liggen, naast de vraag die ook de twee collega's van de coalitie hebben gesteld. Ik neem aan dat zij de minister-president er anders zelf aan helpen herinneren. Dat betreft namelijk de vraag wat er op Prinsjesdag concreet als reactie op dit rapport komt. Krijgen we een plan? Krijgen we een agenda? Wat krijgen we? 

De inhoudelijke vraag die nog is blijven liggen, is de volgende. In het WRR-rapport staan lovenswaardige ideeën over de polder; een polder die niet alleen verdeelt maar ook verdient. Dat zou betekenen dat we de kansen pakken nu er in de personele sfeer vernieuwingen ophanden zijn en dat we afspreken wat we met die polder gaan doen. De minister-president is lovend over het feit dat Bernard Wientjes meedenkt over een regeerakkoord en de isolatie van woningen, maar ik ben daar minder lovend over. Ik denk: waar bemoeit de polder zich mee? Kunnen werkgevers en werknemers niet gewoon alleen over cao's, loonschalen en vrije dagen praten? Hoe ziet de premier dat? 

Minister Rutte:

Dat is zeer relevant. Ik ben het vergaand met de heer Pechtold eens. Mijn gevoel ik ook dat Ton Heerts, Hans de Boer en, nu nog, Wiebe Draijer — we moeten bezien wie de nieuwe voorzitter van de SER wordt — het daar ook mee eens zijn. Ik heb gisteren nog overleg gehad, samen met Lodewijk Asscher, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en met de voorzitters van FNV en VNO-NCW. Je merkt dat men, ook in het licht van het debat van vandaag en de discussies over de implementatie van het sociaal akkoord, daaraan wil bijdragen. Ik heb oprecht de indruk dat men, zowel in de vakbeweging als bij de werkgeversorganisaties, die discussie wil aangaan. Dat vraagt natuurlijk wel om een gezamenlijk optrekken. Als ik zou gaan preken— dat wil de heer Pechtold niet — en zou zeggen "u bent voorzitter van de FNV, u moet het voortaan zo en zo aanpakken", is de kans op draagvlak aanzienlijk geringer dan wanneer we surfen op de golven. 

De voorzitter:

En uw antwoord op de vraag of er met Prinsjesdag concrete plannen zijn? 

Minister Rutte:

Excuus, voorzitter. De brief met onze reactie op het WRR-advies is er. Allerlei vervolgacties vinden nu plaats. Er komt zo snel mogelijk na de zomer een reactie op het rapport-Van Dijkhuizen; dat heb ik net genoemd. Een reactie over het mbo is al verschenen. Het kabinet is bezig de Lerarenagenda verder invulling te geven. Al die dingen gebeuren dus. Wij zijn nu, op basis van onze beleidsreactie, bezig om al die dingen te doen. Wij gaan dus niet weer een nieuwe beleidsreactie schrijven. Dan krijgen we beleidsreactie 2; dat lijkt mij niet zinvol. 

De heer Pechtold (D66):

Daar zoek ik toch wel naar. Wij krijgen ook nog een reactie op het rapport van Rinnooy Kan. Ik wil vanuit een constructieve rol kunnen controleren wat het kabinet wel en niet oppakt, wanneer het wat oppakt, wat dat voor financiële consequenties heeft en wat dat verder betekent. Ik wil niet te lang blijven hangen in de groef dat de eerste reactie me te min was, al is dat door velen hier wel geuit. Ik vraag niet om een heel verantwoordingscircus. Ik vraag alleen of de minister-president — hij dicht zichzelf de term "toekomstcommissaris" toe — bereid is om met de bewindslieden rond Prinsjesdag bij de afzonderlijke begrotingen te verwijzen naar het WRR-rapport en inzichtelijk te maken welke acties daaruit voortkomen. 

Minister Rutte:

De reactie op het WRR-rapport hebt u. Wij zijn nu bezig om alle vervolgacties vorm te geven. Een nieuwe reactie op het WRR-rapport lijkt me weinig zinvol, want dan blijven we reageren op een rapport. Ik denk dat we nu over moeten naar de uitvoering. Dat wil de heer Pechtold ook. Laten we afspreken dat ik, vanuit mijn rol als toekomstcommissaris, bezie hoe wij op een verstandige manier die vervolgacties inzichtelijk kunnen maken voor de Kamer. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Een toekomstcommissaris, of hij nu minister-president is of apart wordt aangesteld, heeft in ieder geval visie nodig. Dat is, geloof ik, toch wel een van de centrale boodschappen in het WRR-rapport. Nu hebben wij een minister-president die zegt dat hij toekomstcommissaris is, maar die ook heeft gezegd: met visie heb ik eigenlijk niet zo veel. Staat dat niet haaks op elkaar? De minister-president heeft drie keer met de WRR gesproken, zo heeft hij net gezegd. Heeft de WRR geprobeerd om de minister-president ervan te overtuigen dat je zonder visie geen goede toekomstcommissaris kunt zijn? 

Minister Rutte:

Dat ik niet van visie zou houden, komt voort uit mijn veel geroemde en geprezen rede van vorig jaar in de Rode Hoed, de H.J. Schoo-lezing. Ik zal daar nog eens uit citeren, want op de een of andere manier is dat beeld niet helemaal goed overgekomen. Maar ja, je ziet in dit vak wel vaker dat je iets zegt wat anders blijft hangen dan je het bedoeld had. Dan ligt het natuurlijk altijd aan de spreker; dat geef ik onmiddellijk toe. Ik heb in die lezing het volgende gezegd over visie. Ik citeer mezelf; dat is overigens een moment waarop je je zorgen moet gaan maken, maar ik doe het toch. "Ik geloof niet in alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn. Als "visie" betekent tot in detail voorschrijven waar we over 25 jaar uit moeten komen, dan verzet als liberaal alles in mij zich daartegen. Een land, een samenleving past niet in een mal. Waar ik wel in geloof is visie als perspectief voor mensen. En dat beeld krijgt u vanavond van me." Later, tegen het einde van mijn toespraak, heb ik dat inderdaad gegeven. Ik heb het Nederland geschetst dat ik voor ogen heb, waarbij ook de participatiesamenleving in de grondverf werd gezet. Ik heb geschetst hoe naar mijn overtuiging mensen in het land met elkaar zullen omgaan als een groot aantal hervormingen inmiddels tot maatschappelijk succes hebben geleid en hoe dat zal bijdragen aan economische groei. Als dat visie is — dat is mijn opvatting over visie: hoe acteren wij met elkaar, hoe wordt dit land uiteindelijk losgemaakt uit een aantal knellende banden van oude structuren en systemen die niet meer functioneren? — dan ben ik uw man, maar als "visie" een blauwdruk is — in sommige politieke kringen, die nu opgegaan zijn in GroenLinks, was dat zo — dan niet. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Op dat laatste ga ik niet in. Ik wil wel toegeven dat de minister-president toen de nodige lof kreeg voor zijn speech, vooral voor het feit dat hij die uit het hoofd had geleerd. Die lof ging als ik mij goed herinner over het algemeen wat minder over de inhoud. Ik ben blij met het feit dat hij het beeld dat hij niets met visie heeft, rechtzet. Ik geef een voorbeeld. De WRR zegt dat, als je over economische groei spreekt, je niet alleen de groei van het bnp moet meten maar moet uitgaan van een veel breder welvaartsbegrip. Dan meet je immers de goede dingen. Nu meet je de verkeerde dingen. Is dat iets waar de minister-president voor te porren is? 

Minister Rutte:

Nee. Dat is meteen het punt, namelijk dat als mijn visie niet de visie van de heer Van Ojik is, ik geen visie heb. Ik heb toen voorspeld hoe de heer Pechtold zou reageren op de H.J. Schoo-lezing. Hij heeft die avond precies zo gereageerd. Ik heb voorspeld dat de heer Pechtold zou zeggen dat die toespraak een goede aanzet is en dat de heer Rutte duidelijk de handschoen heeft opgepakt maar dat hij op te veel punten toch tekortschoot. Dat was ongeveer letterlijk hoe de heer Pechtold die avond in het tienuurjournaal reageerde. Dat is niet erg. Dat is onderdeel van hoe wij elkaar af en toe de maat nemen. Maar dat is ook het probleem. De discussie is niet of je voor of tegen een visie bent. Ik ben tegen een bepaalde invulling van het begrip visie, namelijk de blauwdruk dat je volledig voorschrijft hoe mensen met elkaar functioneren. Ik neem aan dat ik de heer Pechtold daarbij aan mijn kant vind. Ik heb geschetst hoe wij in deze samenleving uiteindelijk een perspectief aan mensen geven. Daar ben ik voor. Dat is mijn baan en dat hoort bij de functie van minister-president en politiek leider van een partij. Dat geldt voor ons allemaal. 

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan de minister van Economische Zaken voor zijn beantwoording in eerste termijn. 

Minister Kamp:

Voorzitter. Nederland kan de uitdagingen van de toekomst aan. Dat is mijn vaste overtuiging en dat is ook de basis van de optimistische inzet van het kabinet. Wij kunnen die uitdagingen van de toekomst aan dankzij vele, vele jaren ondernemersinitiatieven die genomen zijn, ondernemers die gepresteerd hebben, werknemers die met een hoge arbeidsproductiviteit hebben gewerkt en ook — dat mag ook gezegd worden — dankzij een goed functionerende, integere overheid. Wij hebben een uitstekende uitgangspositie opgebouwd. Als de minister-president en ik een paar voorbeelden uit lijstjes geven, is dat niet omdat wij altijd zo graag met lijstjes komen, maar omdat tientallen en tientallen jaren lang miljoenen Nederlanders hard, volhardend en lang hebben gewerkt om dit voor elkaar te krijgen. 

Het is goed om te zien waar dat allemaal toe geleid heeft. Wij horen in de top tien van de wereld als het gaat om concurrentiekracht, innovatiekracht en integriteit in de zin van het niet corrupt zijn van de overheid. Wij behoren tot de top vijf van de wereld voor wat betreft onze export. Het gaat dan om agrarische producten, maar ook om hightechproducten. Wij behoren tot de top vijf als het gaat om de arbeidsproductiviteit. De resultante van dat alles is dan ook dat Nederland tot de top vijf van de wereld behoort wat betreft bevolkingsgeluk. Als de generatie voor ons, onze generatie en ook de jongere generatie die nu keihard werkt, dat voor elkaar heeft gekregen, hebben wij een goede uitgangspositie. Dan is het verstandig om dat onder ogen te zien. Als je dat echter laat leiden tot zelfgenoegzaamheid en achteroverleunen, raken wij wat wij hebben opgebouwd heel snel weer kwijt. 

Er zijn grote veranderingen gaande in de wereld met steeds heviger concurrentie tussen steeds meer landen. Ook de technologische ontwikkelingen gaan steeds sneller. Ik zal daar een voorbeeld van geven. Als je de wereldgeschiedenis van de laatste eeuwen bekijkt, zie je eerst de mechanisering, vervolgens de elektrificering, daarna de automatisering en nu zijn wij inmiddels gekomen bij de autonomisering, waarbij robots en machines samenwerken. In de eerste fase werd het stoomschip uitgevonden. Het duurde 115 jaar voordat dat breed werd toegepast. Later werd de telefoon uitgevonden en het duurde 59 jaar voordat die breed werd toegepast. Toen kwam internet en dat duurde 8 jaar. De ontwikkelingen die nu gaande zijn, gaan allemaal nog sneller. Als je niet meegaat, als je niet vooroploopt — wat Nederland kan — ben je het heel snel weer kwijt en dan heb je verspeeld waarvoor zo lang door zo velen is gewerkt. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Nu de minister zulke interessante beschouwingen geeft over bijvoorbeeld de samenwerking tussen de robot en de machine, wil ik een wat concretere vraag stellen over de eventuele oprichting en financiering van een fonds voor dit alles. Ik begrijp dat er een afspraak is gemaakt tussen de vijf coalitiepartijen om een nieuw aardgasfonds op te richten. Hoe wordt dat fonds gevoed en gefinancierd en wat betekent dit voor de begroting? Als de minister nog op dit onderwerp terugkomt, is dat prima, maar anders zou ik nu graag een antwoord op deze vraag krijgen. 

Minister Kamp:

De heer Buma zegt dat het mooi is dat de minister spreekt over de robot en de machine, maar dat hij nu concreet gaat worden. De samenwerking tussen de robot en de machine ís al heel concreet. Ik heb veel bedrijven in Nederland gezien waar op dit moment machines worden aangestuurd door robots. Robots constateren het als er dingen misgaan, verbeteren het proces door de machine bij te stellen en zorgen ervoor dat de producten met een steeds kleinere foutmarge van de band afkomen. Die samenwerking is al heel concreet. In juli wordt een fabriek geopend in Born waar 1.000 robots met 2.000 mensen samenwerken. Dat is de realiteit in Nederland op dit moment. 

De heer Buma vraagt hoe het zit met het fonds. Ik heb ook gehoord dat er gesproken is tussen Kamerfracties. Ik zal de tweede termijn afwachten. Ik heb begrepen dat er een motie komt. Als de Kamer een motie aanneemt, neem ik die altijd zeer serieus. Wij zullen proberen om deze uit te werken naar de letter en de geest van de motie. We zullen zo vroeg mogelijk met onze reactie op de motie komen. Ik stel me voor dat dit voor Prinsjesdag gebeurt. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Laat ik de minister uit de brand helpen: een robot ís een machine. Die samenwerking gaat dus vanzelf. Maar laten we elkaar niet voor de gek houden. Als vijf partijen een deal hebben gesloten, is het kabinet erbij betrokken. De minister weet dus wat er is afgesproken. 

Minister Kamp:

We houden elkaar helemaal niet voor de gek. We voeren een debat naar aanleiding van een rapport dat we hebben gekregen en de reactie van het kabinet daarop. De Kamer komt met haar inbreng en fracties hebben erover gesproken. Dat heb ik ook begrepen, net als de heer Buma. Daar zal een motie uitkomen. Ik wacht de uiteindelijke tekst van de motie af. Als de motie wordt aangenomen, zal het kabinet kijken hoe het recht kan doen aan de uitvoering. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik wacht het wel af en kom erop terug. Eerder heeft de Kamer de motie-Van Hijum/Koolmees aangenomen, die een voorloper was van deze motie. In de motie werd voorgesteld om een fonds voor te bereiden en de voor- en nadelen van een alternatieve aanwending van de gasbaten te onderzoeken, waaronder de voeding van een investeringsfonds en, apart daarvan, de aflossing van de staatsschuld. Is de minister bereid om ten eerste als alternatief een fonds te onderzoeken en ten tweede de aflossing van de staatsschuld? Dat laatste scheelt een paar procent in rente, dus de opbrengstverschillen zijn niet zo groot. 

Minister Kamp:

De gedachten van de heer Buma hebben onze grote belangstelling, of ze nu door hemzelf naar voren worden gebracht of door een van zijn gewaardeerde fractiegenoten, zeker als wordt samengewerkt met de heer Koolmees. Wij zullen kijken wat eromheen speelt en wat er eerder aan Kameruitspraken is gedaan. Mogelijk zullen we op dat punt nader ingaan. 

Ik heb aangegeven dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan en dat we onze positie alleen kunnen behouden als we niet zelfgenoegzaam achterover leunen. De veranderingen in de wereld die ik net beschreven heb, dat het allemaal steeds sneller gaat, dat er steeds meer landen bij betrokken worden en dat er steeds meer concurrentie is, kun je voor Nederland zien als kansen. We hebben in Nederland een goede uitgangspositie en een open samenleving. We staan open voor dit soort ontwikkelingen, zijn zelf creatief en internationaal georiënteerd. We zijn het meest internationaal verbonden land van de wereld. We hebben een zeer hoog kennisniveau en zijn altijd gericht op samenwerking. En wat ook belangrijk is: we proberen altijd aandacht te geven aan dat wat beter kan. Dingen die goed lopen zijn interessant, maar dingen die beter kunnen, zijn nog veel interessanter en daar richten wij ons op. Dat betekent, gelet op die uitgangspositie en gelet op het karakter van de Nederlandse samenleving, dat de uitdagingen vooral kansen zijn en mogelijkheden voor onszelf om in de toekomst een sterke positie te hebben en op een goede manier ons geld te verdienen in de wereld. 

Om dat te kunnen doen, om je geld in de wereld te kunnen verdienen, moet je wendbaar en vernieuwend zijn. Het rapport van de WRR heeft daar zeer terecht op gewezen. Ook wij hebben in onze reactie dus aangegeven dat dit voor ons belangrijk is. We hebben ook gekeken hoe we dat nou gaan doen. Pakken we het rapport van de WRR en gaan we daar punt voor punt op reageren? Of gaan we uit van de hoofdlijn van de WRR, die wij onderschrijven, en geven we daarbij aan hoe wij het zien, wat we al gedaan hebben wat relevant is, waar we in de toekomst wat mee moeten gaan doen en waar we verder concreet in zullen worden? Het is niet zo dat wij daar maar een beetje omheen gepraat hebben. We hebben dat in die brief heel concreet aangegeven. We hebben een groot aantal concrete follow-uppunten genoemd. 

De heer Pechtold zei, ik neem aan bij wijze van grap, dat wij dan zeggen dat er nog een paar brieven komen. Zoals we hebben aangegeven in de reactie zijn we bezig met een visie op wetenschapsbeleid. De minister van OCW komt daar binnenkort mee. Er is een brief naar de Kamer gestuurd over toekomstgericht mbo. Dat is van groot belang. De minister zal daar ongetwijfeld op ingaan, en op wat daar allemaal mee samenhangt. We zijn gekomen met een brief aan de Kamer over ambitieus ondernemerschap, omdat we denken dat we het juist van die uitdagers moeten hebben. Ik kom daar straks nog op terug. Ook zijn we naar de Kamer gekomen met een brief waarin we de versterking van de positie van Nederland in de mondiale waardeketens uiteenzetten. Verder hebben we inmiddels ook bereikt dat de NII, de Nationale investeringsinstelling, is opgericht. Het is dus niet zo dat we zomaar even zeggen dat er een paar brieven komen. Nee, wij hebben precies aangegeven wat er zou komen. We zijn daar inmiddels mee gekomen. Wij zijn naar aanleiding van het rapport van de WRR heel concreet geweest. We hebben dan ook op een constructieve manier op dit constructieve rapport gereageerd. 

De WRR zegt: het is vooral nodig om wendbaar en vernieuwend te zijn. Dat geldt voor de grote bedrijven en ook voor de individuele werknemers. Bij de grote bedrijven zie je precies waar het goed gaat en waar het misgaat. Nokia en Blackberry zijn blijven steken in hun eigen technologie. Ze komen in grote problemen. Philips gooit het roer om. Het kiest een doel in de toekomst en ziet wat er in de wereld en met de vergrijzing gebeurt. Er zijn mensen die meer te besteden hebben. Philips ziet wat het zelf kan. Het kiest ervoor om zich te concentreren op life sciences en gezondheidstechnieken. Je ziet dat zo'n bedrijf het vervolgens goed doet. Dat zie je bijvoorbeeld ook bij de Rabobank. De Rabobank is actief in Italië. Het was daar eerst actief als een bank. Toen heeft het gezegd: wij zijn de bank voor de agrarische ondernemers. Nu is de Rabobank echt een onderscheidende bank in Italië, waardoor hij daar een sterke positie opbouwt. 

Als je als bedrijf wendbaar en vernieuwend bent, ben je kansrijk. Nederlandse bedrijven zijn in hoge mate en in grote aantallen wendbaar en vernieuwend. Ik vind het fantastisch dat onze agrarische ondernemers er in zo'n klein, dichtbevolkt land in slagen om in export de nummer 2 van de wereld te zijn. Ik vind het geweldig dat de machines die het meest belangrijke product in de wereld produceren waar alles van aan elkaar hangt, namelijk chips, voor meer dan 80% uit Nederland komen. Het is niet één bedrijf dat dit doet, maar één bedrijf met daaromheen een heleboel bedrijven, vooral uit het mkb, waarmee intensief wordt samengewerkt. Met elkaar maken ze dat voor elkaar. Dat is de wendbaarheid en de vernieuwendheid van het Nederlandse bedrijfsleven. 

Ik zie mezelf als werknemer, en het overgrote deel van de Nederlanders is werknemer. Het is ook in ons eigen belang om als werknemer vernieuwend en wendbaar te zijn. Dat betekent dat we ervoor moeten zorgen dat we na onze opleiding, als we gaan werken en terwijl we werken, voortdurend blijven leren. Op die manier kunnen we switchen, overstappen en onze meerwaarde voor werkgevers behouden. Dat is de beste garantie die je als werknemer kunt krijgen voor je toekomstige werkzekerheid. 

Het is absoluut niet zo dat wij in ons beleid vooral kijken naar de grote bedrijven. Ik praat anders over grote bedrijven dan sommigen doen. Ik denk dat die grote bedrijven heel belangrijk zijn, om wat ze op zichzelf presteren, maar ook om wat daar allemaal aan kleinere bedrijven omheen zit. Wij denken dat we het voor de toekomst in de eerste plaats moeten hebben van de uitdagers. De heer Zijlstra is erop ingegaan. Zijn fractie heeft eerder al aangegeven dat wij Nederlandse start-ups moeten stimuleren en dat wij ervoor moeten zorgen dat Nederland aantrekkelijk is voor start-ups uit andere landen. Wij moeten omstandigheden creëren waardoor je uitdagers krijgt die dingen doen die nieuw en anders zijn. Dat zijn de ondernemers die uiteindelijk de nieuwe grote bedrijven van de toekomst van de grond zullen tillen en waarvan wij het moeten hebben. Wij zijn dus sterk op die uitdagers gericht. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Uitdagers zijn belangrijk, maar wij hebben heel grote sectoren die wij voor de toekomst wel willen behouden, zoals de bouw. In 2015 loopt de bouw het risico een moeilijk jaar te krijgen, omdat de btw dan weer wordt verhoogd van 6% naar 18%. Is de minister in het kader van het versterken van de bouw bereid om af te zien van die btw-verhoging voor 2015? 

Minister Kamp:

De bouw is zeer innovatief; er zijn ook grote innovatieve ontwikkelingen in de bouw gaande. Het is niet zo dat wij de belasting verhogen. Hoewel er een grote financiële druk op zat en er veel omgebogen moest worden, hebben wij gemeend in de laatste moeilijke jaren van de crisis de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% te moeten brengen en de btw op arbeid in de bouw onder het lage tarief te moeten laten vallen. Wij hebben dus tegen de stroom en wind in gedurende twee jaar door een verlaging van het btw-tarief een belangrijke stimulans aan de bouw gegeven. Die verlaging van het btw-tarief houdt echter een keer op. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het is toch vreemd dat de minister het heeft over het aanjagen van de economie en allemaal mooie verhalen heeft, maar dat als het gaat om de kern — en dat is nu eenmaal de belastingdruk die bedrijven voelen — hij zegt: sorry, wij hebben dit voor twee jaar gedaan, maar voor 2015 hebben zij pech. Dit gaat banen kosten en dat weet de minister ook. 

Minister Kamp:

Nee, dat is helemaal niet vreemd. In 2008 kwamen wij in een crisis terecht, in 2013 was er een omslag en ging het net ietsje beter, voor dit jaar mogen wij hopen op een kleine plus en volgens de verwachtingen van het Centraal Planbureau komen wij volgend jaar en het jaar daarna flink in de plus uit. In die moeilijke laatste jaren van de crisis hebben wij de bouw een extra stimulans gegeven en dat is dus niet vreemd. Het is iets wat heel verstandig en heel goed was. Wij hebben de bouw gedurende twee jaar de stimulans gegeven die men hard nodig had. Op dit moment ontstaat er dankzij deze en andere maatregelen weer een nieuwe situatie en loopt zo'n tijdelijke maatregel ook weer af. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De minister benadrukt het belang van wendbaarheid, flexibiliteit en inzetbaarheid van mensen die van school komen en zich op de arbeidsmarkt begeven. Dat is natuurlijk een manier om een baan te vinden. De WRR heeft echter ook een andere boodschap, namelijk dat het wellicht door al die innovatie en automatisering weleens zo zou kunnen zijn dat wij minder mensen nodig hebben en dat er dus juist banen verdwijnen. Het helpt dan niet als je wendbaar bent, want er is geen baan. Wendbaarheid is goed als je voor de verkeerde dingen bent opgeleid en je iets kunt gaan doen waar wel vraag naar is. Dat die vraag er straks wellicht niet meer is, is iets wat met een aantal voorbeelden in dat WRR-rapport nogal pregnant naar voren komt. 

Minister Kamp:

De heer Van Ojik is niet iemand met een tunnelvisie. Hij ziet ontwikkelingen op wat langere termijn en ook wat bredere ontwikkelingen. Hij realiseert zich ongetwijfeld ook dat toen de mechanisering kwam, er de angst was dat allerlei werk zou verdwijnen. Maar nee, er kwam ander werk. Toen de elektrificering kwam, kwam er weer ander werk. Toen kwam de automatisering en wij hadden nog steeds werk, maar ander werk. Nu is er de autonomisering waardoor allerlei processen vanzelf gaan spelen. Een klant doet via een computer een bestelling bij een leverancier en, zonder dat er een mens aan te pas komt, wordt er een productieproces in gang gezet en wordt het product geleverd. Dat is nu gaande. Wij kunnen dan zeggen dat er banen verdwijnen, maar de heer Van Ojik zal zien dat het in al die jaren zo is geweest dat je in een nieuwe situatie weer nieuwe banen, andere accenten en nieuwe mogelijkheden krijgt. 

Behalve dat er ander en meer werk terugkomt, zal de heer Van Ojik zich ook realiseren dat het nog geen drie jaar geleden is dat wij tegen elkaar zeiden: hoe moet dat nou? We hebben een krimpende beroepsbevolking, we hebben een steeds grotere groep ouderen, we hebben veel mensen nodig voor de zorg voor die ouderen en we houden gewoon te weinig mensen over om de economie aan de gang te houden. Op dit moment horen wij echter dat de beroepsbevolking weliswaar krimpt, maar vanwege de zich voortzettende automatisering, gecombineerd met robotisering, die uiteindelijk uitmondt in autonomisering, komt er ook weer menskracht vrij die op andere wijze kan worden ingezet. Ik ben daar niet bang voor. Ik denk dat onze samenleving heel goed in staat is om dat op te vangen en om zich aan te passen, zeker omdat Nederland niet achteraan hobbelt. Nederland is tot dusverre een van de landen geweest die vooropliepen. We hebben nog steeds de mogelijkheid om voorop te blijven lopen. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De minister zegt, kort samengevat: er komt altijd wel weer nieuw werk, ook in de situatie van snelle technologische ontwikkeling. Hij wijst in dat verband op het verleden. Ik herinner mij nog heel goed dat mijn vader op zaterdag werkte. Dat was heel gewoon. Iedereen werkte op zaterdag. Het is dus niet zo dat er door de technologische ontwikkeling evenveel werk is gebleven. Wel konden we allemaal in de laatste 40 tot 50 jaar korter gaan werken, wat mogelijk werd gemaakt door die technologische ontwikkeling. Als dat proces zich voortzet, dan zou het kunnen — niet omdat wij dat wenselijk achten maar omdat dat onvermijdelijk is — dat er een situatie ontstaat waarin de groei waarover de minister-president enthousiast sprak niet leidt tot meer banen. Dat is iets waarop de WRR wijst. Ik zeg dit niet omdat ik dat leuk zou vinden, maar omdat het wellicht iets is waarop wij ons in het kader van een zorgvuldig toekomstig beleid moeten prepareren. Ik zou graag van de minister horen of hij dat ook ziet als een probleem en of hij, als hij dat ziet, met mij vindt dat het kabinet zich op die situatie moet voorbereiden. 

Minister Kamp:

Niet alleen de vader van de heer Van Ojik werkte op zaterdag. Ik heb zelf ook op zaterdag gewerkt. Toen ik naar de middelbare school ging, gingen we ook gewoon op zaterdag naar school. Als we daar dan klaar waren, dan gingen we nog even werk doen. Toen werkten we al hard en dat doen wij nog steeds. Het is niet zo dat een groot deel van de Nederlandse werkende mensen beperkt werkt en verder maar een beetje kijkt wat er gebeurt. Nee, er wordt door heel veel mensen heel hard gewerkt. Dat zal ook in de toekomst mogelijk zijn. Ik voorzie niet dat we teruggaan naar 32 uur. Ik voorzie dat er voor iedereen voldoende werk zal zijn, zelfs met een krimpende beroepsbevolking, ondanks de grotere vraag naar verzorging van de steeds grotere groep oudere mensen en mede dankzij de autonomisering — de automatisering gecombineerd met de robotisering — en het feit dat we in de wereld voorop kunnen lopen, wat mogelijk is als we dat goed aanpakken. Als er mensen zijn die zeggen "we wonen bij elkaar in huis en werken allebei 24 uur" of "we werken allebei 32 uur", moeten zij dat helemaal zelf weten. De praktijk is evenwel dat er in Nederland veel werk is en dat mensen graag willen werken. Ik denk dat dat in de toekomst ook zo blijft. 

Waar heeft de wereld in de toekomst behoefte aan? Je ziet dat de bevolking naar de grote steden trekt, vooral naar de steden in de deltagebieden. In die deltagebieden wordt water opgepompt, de zeespiegel staat onder druk, het klimaat verandert. Het wordt daardoor steeds gevaarlijker in die deltagebieden. Wie weet hoe je deltagebieden moet beheersen? Dat zijn wij. Voor ons is op dat gebied heel veel werk te doen in de wereld. Ik heb het al gehad over de automatisering. De hele wereld hangt van chips aan elkaar. Die machines worden in Nederland gemaakt. Dat is Nederlandse techniek, niet alleen van ASML maar van het samenwerkende Nederlandse bedrijfsleven. We gaan van 7 naar 9 miljard mensen in de wereld. Er is dus meer voedsel nodig terwijl er minder grond voor het verbouwen van landbouwproducten beschikbaar is, ook als gevolg van het klimaat. Dat staat dus onder druk. Welk land kan op een kleine hoeveelheid grond enorm veel voedsel produceren? Nederland. Die kennis kan in de rest van de wereld worden uitgezet. Ook in de hightechindustrie en allerlei niches in de markt in de wereld zijn Nederlandse bedrijven leidend. Ik denk dat Nederland heel grote kansen heeft om een heleboel werk te doen, ook in de toekomst, waarvan in de wereld geprofiteerd wordt. Wij noemen dat: Global challenges, Dutch solutions. 

Ik heb aangegeven op welke manier de werkgelegenheid zich zou kunnen ontwikkelen. Alle aanbevelingen van de WRR op dit punt zijn terecht. Die nemen wij ons dan ook terecht ter harte. Wij moeten inzetten op onderwijs, onderzoek, innovatie en ambitieus en uitdagend ondernemerschap. Maar als er zulke aanbevelingen komen van de WRR, waar wij al uit overtuiging mee bezig zijn, verwacht dan niet dat wij zeggen: hé, dit is echt een heel nieuw gezichtspunt; het is geweldig dat de WRR dat zegt; wij gaan het vanaf nu helemaal anders doen. Zo gaat dat natuurlijk niet. Wij hebben ons beleid. Wij krijgen door de WRR een analyse met accenten aangereikt. Wij maken graag gebruik van die analyse. Wij leggen ook graag nieuwe accenten en doen ook graag dingen beter, maar het is een gezamenlijk product. Het is een product van de Tweede Kamer, van de politieke partijen in hun verkiezingsprogramma's en van dit en vorige kabinetten. Met onze adviseurs proberen wij het beste resultaat daar te bereiken. Wij doen dat … 

De voorzitter:

Dank u. 

De heer Pechtold (D66):

De minister-president en nu ook deze minister beginnen eerst met een heel lijstje van hoe fantastisch wij het wel niet doen. Ik wil het kabinet van alles gunnen, maar dat komt niet door dit kabinet. Dat komt nooit door één kabinet. Dat komt door een houding. Er zijn dingen in het debat gewisseld rondom de vraag waarom wij een bepaalde economie hebben. Wat wel urgent is, is dat die op het spel staat. Wij doen heel veel dingen gewoon slechter of gaan die slechter doen. Dat is door de WRR aangetoond. Ik vind het jammer dat ook deze minister zegt: als zo'n rapport er komt, moet je niet van ons verwachten dat wij opeens zeggen dat wij het helemaal anders gaan doen. Nee, maar ik verwacht wel een serieuze reactie. Anders hebben wij een aantal banen bij het WRR voor niks. Het is de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Die wordt uitgenodigd op het Catshuis. Die komt met ideeën. Of de minister zegt: wij doen dat allemaal. Dat was overigens zijn eerste reactie. Of hij zegt: nee, het is toch waardevol. En dan verwacht ik ook dat de minister concreet komt met wat hij daaruit overneemt, zeker de minister die moet zorgen voor "werk, werk, werk", ook gelet op het regeerakkoord, dat eigenlijk ten einde loopt omdat de helft geschrapt is en de andere helft van de hervormingen is uitgevoerd. Dus mijn vraag is: wat pakt deze minister concreet op uit dat rapport? Laat hem eens een of twee voorbeelden geven. 

Minister Kamp:

De heer Pechtold zegt: het komt niet door dit kabinet. Dit kabinet zit nog geen twee jaar. Wij hebben echter wel de woningmarkt, de arbeidsmarkt en de pensioenen hervormd. Wij hebben de kosten van de zorg door drastische ingrepen in de zorg beheersbaar kunnen krijgen, wij hebben op onderwijsgebied grote veranderingen doorgevoerd en wij hebben op energiegebied de overgang naar duurzame energie gemaakt. Generaties lang is opgebouwd wat wij nu hebben, net zoals vorige kabinetten dat hebben gedaan, waar ook de Partij van de Arbeid in heeft gezeten en ook de VVD en ook D66 en ook het CDA. Ik weet dat allemaal, maar ook dit kabinet werkt daar hard aan, net als vorige kabinetten. De heer Pechtold zegt voortdurend — en anderen doen dat ook — dat de helft van het regeerakkoord niet wordt uitgevoerd. Ik weet niet waar hij dat vandaan haalt. Wij voeren het hele regeerakkoord uit. Op een aantal onderdelen zijn er dingen veranderd. Op een aantal onderdelen hebben wij dingen niet voor elkaar gekregen, maar het is een absolute karikatuur om te zeggen dat de helft van het regeerakkoord niet wordt uitgevoerd. 

De voorzitter:

Mijnheer … Sorry, ik dacht dat u klaar was, minister Kamp. 

Minister Kamp:

Wij zeggen bepaald niet dat het advies van de WRR aan ons voorbijgaat. Wij hebben in onze doorwrochte reactie op het WRR-advies precies aangegeven welke concrete vervolgstappen wij gaan zetten. De heer Pechtold kan daar dan een karikatuur van maken en zeggen: ja, je zegt dat je nog met een aantal brieven komt. Ik zeg dan: nee, wat het gebruikmaken van pensioengelden betreft zien wij na twee jaar voorbereiding dat er een nationale, een Nederlandse investeringsinstelling is opgericht. Velen verwezen terecht naar het mbo. Er is een visie gekomen voor een toekomstgericht mbo van de minister van OCW namens het kabinet. Voor het wetenschapsbeleid zal dat binnenkort ook het geval zijn. Hoe wij willen omgaan met ambitieus ondernemerschap hebben wij gedetailleerd aan de Kamer aangegeven. Ook hebben wij de positie van Nederland in de mondiale waardeketens geanalyseerd en verder uitgewerkt. Wij nemen dat rapport van de WRR dus zo serieus dat we al die dingen die ik genoemd heb en die wij ook in onze reactie hebben aangegeven, inmiddels tot iets hebben gebracht. 

De heer Pechtold (D66):

Dit leidt tot niks. We moeten maar wat concreter worden. Mijn taak is om dat te kunnen controleren. De minister weet dat; die heeft ook hier gezeten. Wat ik gezien heb, is een beschamend interview. Wat ik gezien heb, is een loze reactie. Ik noem drie punten: een leven lang leren, het aandeel duurzame energie en de R&D-investeringen. Van deze drie punten geeft de WRR onderbouwd aan dat wij het beroerd doen ten opzichte van andere landen. Ik vraag dus aan deze minister wat we daaraan gaan doen. Misschien dat zijn collega iets over een leven lang leren kan zeggen. 

Minister Kamp:

Als er twee gebieden zijn waarop wij zeer actief zijn met goede resultaten, dan zijn het wel een leven lang leren en duurzame energie. Er is een ongekende transitie naar duurzame energie gaande. Er wordt een ongekend bedrag vrijgemaakt om in duurzame energie te investeren. Wij hebben alle wettelijke regelingen daarvoor gereedgemaakt. We hebben daar niet alleen in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer, ook van D66, steun voor gekregen, maar wij hebben brede steun in de samenleving gekregen om die transitie naar duurzame energie volgens de planning te realiseren. 

Wat een leven lang leren betreft, zijn wij ervan overtuigd dat dit begrip absoluut geen leeg begrip is. Ik weet dat er al heel lang over een leven lang leren wordt gepraat, maar wij, de minister van OCW en ik, vinden dit een van de belangrijkste opgaven waar wij voor staan. Het is absoluut noodzakelijk dat er een leven lang wordt geleerd. Middels het Techniekpact hebben wij daarvoor de voorwaarden geschapen. Wij hebben ervoor gezorgd dat er in de regio's tussen de bedrijven en de onderwijsinstellingen intensieve samenwerking plaatsvindt. Terwijl de jongeren worden opgeleid, gaan de bedrijven naar de scholen. Zodra de jongeren eenmaal zijn opgeleid en in de bedrijven gaan werken, is het belangrijk dat die scholen naar de bedrijven gaan en ervoor zorgen dat die jongeren ook opgeleid blijven. Door die intensieve samenwerking op mbo- en hbo-niveau, tussen bedrijven en onderwijsinstellingen, hebben wij de basisvoorwaarden gecreëerd om aan het begrip "een leven lang leren" de komende jaren ook invulling te geven. 

Over zo'n onderwerp hoef ik niet boos naar de heer Pechtold te kijken. Hij en zijn partij hebben altijd het belang van het onderwijs ingezien. Zij hebben ook altijd het belang van het bedrijfsleven ingezien. Ik hoop eigenlijk op steun van D66 als wij met elkaar proberen om dat te combineren, teneinde een leven lang leren werkelijkheid te maken. 

De heer Pechtold (D66):

Die steun is het kabinet wat mij betreft in dit debat vrij snel aan het verliezen. Hier staan twee bewindslieden die op een rijtje af onze punten neerzetten, vertellen wat ze aan het doen zijn en de handschoen niet willen oppakken. In eerste termijn heb ik het geprobeerd en ik probeer het nu weer te vragen. Ik maak geen karikatuur van het regeerakkoord. Praat eens met collega Plasterk, die heeft gewoon een lege agenda; daar staat werkelijk niets meer in. Dat komt niet door wat wij hier doen, maar gewoon omdat het kabinet zelf alle ambitie gesloopt heeft, of het nou gaat om de gemeenten, de waterschappen of wat dan ook. Het kabinet heeft dit allemaal zelf gesloopt. Dit kabinet wil nog drie jaar zitten. Daarom vroeg ik aan de premier en vraag ik nu aan de minister van Economische Zaken die bijdraagt aan werk, werk, werk, en zal ik dadelijk aan de minister van Onderwijs vragen: wat kunnen we dan van dit kabinet verwachten? Ik krijg te horen: weet u wat, we zijn ermee bezig; u bent constructief en we gaan er lekker mee door. Prima, ik ga dadelijk mijn mooie motie voor een fonds indienen; daar gaan we mee aan de slag. Als de houding van het kabinet is "we doen het wel", dan zeg ik: prima, maar dan is mijn enthousiasme in rap tempo verdwenen. 

Minister Kamp:

Hoe kan de heer Pechtold nou beweren dat het kabinet alle ambitie gesloopt heeft? Het is mijn vijfde kabinet, maar ik heb nog niet eerder meegemaakt dat een kabinet zo'n ontzettend grote ambitie heeft. Er wordt met een ongekende overtuiging geprobeerd om die zaken die wij hebben neergezet in het regeerakkoord, gerealiseerd te krijgen. De minister van BZK en alle anderen lopen, zoals wij in Twente zeggen, "de benen uit hun gat" om dat voor elkaar te krijgen. Wij zijn zeer ambitieus. Van het slopen van ambitie is op geen enkele manier sprake. Ik heb gezegd dat het onze ambitie is om die uitstekende uitgangspositie die in Nederland opgebouwd is, vast te houden en verder uit te bouwen en er zo voor te zorgen dat we ook in de toekomst voorop kunnen blijven lopen. Nederland heeft immers wat te bieden aan de wereld. Ik heb aangegeven hoe we dat doen. We doen dat door het ondersteunen van ambitieus ondernemerschap, door een wetenschapsbeleid waarin een productieve verbinding wordt gelegd tussen alles wat we aan kennis hebben en alles wat via de bedrijven voor de samenleving gepresteerd kan worden, door de Nederlandse investeringsinstelling, waardoor het geld van de pensioenfondsen meer in Nederland kan worden besteed, door de samenwerking in de Centres of expertise en de samenwerking tussen mbo-instellingen en bedrijven en hbo-instellingen en bedrijven. Wij zijn zeer ambitieus en ook zeer concreet. Wij zullen daar ook mee doorgaan, wat mij betreft met de steun van de heer Pechtold en zijn fractie. 

De heer Roemer (SP):

Ik was eigenlijk niet van plan te interrumperen, want ik kan nog niet echt zeggen dat er tot dusverre enige reflectie te bespeuren is op het WRR-rapport. We zijn echter nog niet helemaal klaar en ik houd dus nog even hoop. Het nadeel van een debat over zo'n dik rapport met honderden voorstellen en honderden suggesties is echter dat het nergens meer over gaat. Laat ik er toch één punt uit halen, namelijk het leven lang leren, waar de minister net een debatje over had met Pechtold. De minister suggereert dat er van alles gedaan wordt en dat het kabinet van alles op poten heeft gezet. Het kabinet heeft echter in een eigen brief letterlijk geschreven dat de resultaten nog teleurstellend zijn. Het kabinet schrijft zelf dat Nederland op het gebied van een leven lang leren "aanzienlijk slechter presteert" dan andere economieën. Op de volgende bladzijde lees ik dat het kabinet niet veel verder komt dan dat dit een onderwerp voor nadere discussie is. Ik herken dat echter wel. Als iemand, terwijl hij al aan het werk is, na zijn opleiding een tweede studie wil gaan doen, bepalen de universiteiten de collegegelden. Je betaalt €8.000 of €10.000 of soms wel €12.000 voor een tweede studie. Dat is niet echt bevorderlijk voor een leven lang leren. Als je bij een bedrijf werkt, hangt de vraag of je baas in je wil investeren af van of er voldoende is georganiseerd middels de cao's. Als het gaat over flexibele banen, is het maar de vraag of er voldoende klik is tussen de werknemer en het bedrijf om daadwerkelijk in elkaar te investeren. Dat beleid voor een leven lang leren is er helemaal niet. Er ligt nauwelijks een beleid voor een leven lang leren en hetgene wat van het kabinet komt, zoals een schuldenstelsel, bevordert het al helemaal niet. Ik herhaal daarom de vraag van Pechtold: wanneer komt het kabinet daadwerkelijk eens met maatregelen die bevorderend zijn voor een leven lang leren? 

Minister Kamp:

De heer Roemer en ik zitten niet zo ver uit elkaar. Hij zegt dat het nog niet goed genoeg gaat met leven lang leren en dat het kabinet heeft aangegeven dat het beter moet. Dat vindt hij en dat vinden wij ook. De WRR praat over wendbaar zijn en over in kunnen spelen op de uitdagingen om te kunnen vernieuwen. Daar hoort een leven lang leren onlosmakelijk bij. Wij moeten daarvoor nu dus de basisvoorwaarden creëren om ervoor te zorgen dat dat mogelijk wordt. Dat doen we door de samenwerking die we in het Techniekpact georganiseerd hebben, door de samenwerking tussen de mbo-instellingen en de bedrijven en door de samenwerking tussen de hbo-instellingen en de bedrijven. De heer Roemer gaat regelmatig op werkbezoek. Hij zal daarbij merken dat het bedrijfsleven rond die mbo- en hbo-instellingen echt bezig is met een omslag. Dat kan nog veel beter en er moeten nog een heleboel andere dingen gebeuren. De O&O-fondsen zijn genoemd en de heer Roemer noemde ook zelf een aantal punten. Ik zeg absoluut niet dat we er zijn, maar we hebben wel de overtuiging dat een leven lang leren van het allergrootste belang is. De basisvoorwaarden hebben we nu dus gecreëerd en we zullen er wat mij betreft samen aan werken om te proberen om de benodigde resultaten te bereiken. Als je het Nederlandse verdienvermogen voor de toekomst veilig wilt stellen, is dit immers een basisvoorwaarde. 

De heer Roemer (SP):

Zo gaat het nou eigenlijk in het hele debat. Ik pak er eindelijk één concreet ding uit en vervolgens komt daar een heel verhaal omheen. Daarbij wordt niet gereageerd op de specifieke voorbeelden die ik heb gegeven. Er wordt gezegd dat er afspraken zijn gemaakt met Jip, met Janneke, met Piet, met Klaas en met dat bedrijf. Daar gaat het niet om. Het gaat hier om de fundamentele vraag wat wij doen om mensen in dit land ertoe te stimuleren om een leven lang te leren. Via het onderwijs word je niet gestimuleerd, omdat je jezelf als student in de schulden steekt. Na je studie word je niet gestimuleerd, omdat de universiteiten dan zelf de collegegelden bepalen. Die lopen, als je een beetje pech hebt, op tot €8.000, €10.000, €12.000 en €30.000 voor een opleiding. Met een tijdelijke baan ben je niet interessant voor werkgevers om je in het bedrijf te laten leren en het is ook niet interessant om in elkaar te investeren. De een heeft geen motivatie, want hij kan er morgen uit liggen; de ander krijgt de opleiding niet aangeboden, want er is geen binding met het bedrijf. Het gaat om de fundamentele vraag hoe wij een leven lang leren willen organiseren. Dat is meer dan afspraken maken met een paar roc's of mbo-scholen die niet eens voldoende stageplaatsen kunnen vinden. 

Minister Kamp:

De heer Roemer en de Kamer hebben behalve de minister-president ook de minister van OCW en mij uitgenodigd. Ik heb gereageerd op de inbreng over het bedrijfslevenbeleid, maar de reactie op de punten die de minister van OCW betreffen, kan natuurlijk beter gegeven worden door de minister van OCW dan door mij. Als de Kamer ons allebei vraagt, is het nuttig om economische zaken met mij bespreken en onderwijszaken met de minister van OCW. 

De heer Roemer (SP):

Dan wacht ik dat antwoord wel af, maar dan heb ik ook een specifieke vraag voor de minister van Economische Zaken. Hij moet het toch met mij eens zijn — het staat ook in het rapport en het is ook niet vreemd — dat de binding met het bedrijf van groot belang is voor het verhogen van de productiviteit van mensen? Die verhoging van de productiviteit willen wij allemaal, want hoe hoger de productiviteit, hoe beter dat is voor onze economie; daar hebben we jarenlang hard aan gewerkt. Dan is de binding met het bedrijf van groot belang. Als die binding met het bedrijf er is, dan zorgt dat er niet alleen voor dat men elkaar over en weer beter maakt, maar dan stimuleert dat ook dat mensen in bedrijven in elkaar gaan investeren en dat ze scholing gaan volgen. 

De voorzitter:

Wat is uw vraag? 

De heer Roemer (SP):

Van die binding is toch ook geen sprake meer, met steeds meer losse contracten, tijdelijke contracten en flexibele arbeidscontracten? De minister moet het toch met mij eens zijn dat dat niet de juiste weg is? 

Minister Kamp:

Behalve de contractvorm is vooral ook je waarde voor het bedrijf bepalend voor je werkzekerheid. Als je geen vast contract hebt, maar wel meerwaarde voor het bedrijf, kun je daaraan ook zekerheid ontlenen. Ik denk dat we overschatten wat we aan formele regelingen daarop zetten en dat we onderschatten dat je gewoon je geld waard moet zijn voor een bedrijf. Het kabinet is met voorstellen gekomen om evenwicht aan te brengen tussen flexibele arbeid en vaste contracten. We zijn echter ook bezig om ervoor te zorgen dat de werknemer daarnaast ook zekerheid kan ontlenen aan het feit dat hij, doordat hij zijn leven lang leert, voortdurend iemand is bij wie de werkgever, de ondernemer, belang heeft en die die werkgever graag wil hebben. Ik denk dat dat het beste is wat we kunnen doen in het belang van de mensen die willen en kunnen werken en die we ook hard nodig hebben. 

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog. 

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik kom op het bedrijfslevenbeleid. We hebben daarover gesproken. Een aantal woordvoerders heeft ook over het topsectorenbeleid gesproken. Het bedrijfslevenbeleid bestaat voor een deel uit generiek beleid, dat voor alle bedrijven geldt en waarvan alle bedrijven gebruik kunnen maken. Een deel is specifiek beleid: het topsectorenbeleid. Het meeste geld gaat om in het generieke beleid. Hierin wordt ook 93% van het innovatiegeld gestoken middels regelingen waarmee alle bedrijven worden gestimuleerd om aan innovatie te doen. Daarnaast hebben we het topsectorenbeleid, dat in 2011 is opgezet en nu op gang begint te komen. Een kwart van het Nederlandse bedrijfsleven en meer dan 90% van de research and development die in Nederland wordt verricht, valt onder het topsectorenbeleid. Het gaat bij het topsectorenbeleid niet zozeer om het uitdelen van geld maar om het organiseren van samenwerking. In het verleden werden met de beste bedoelingen bij de overheid beslissingen genomen, werden beslissingen genomen door individuele bedrijven en sectoren en werden beslissingen genomen door kennisinstellingen en universiteiten. Dat waren allemaal verstandige beslissingen, maar ze hadden niet de optimale meerwaarde. De optimale meerwaarde ontstaat als je er samen over praat, als je samen bekijkt wat je met zijn allen wilt bereiken, wat je er allemaal aan kunt bijdragen en hoe je dat moet organiseren. Daar is het topsectorenbeleid voor. Het is ervoor om die kennisinstellingen, bedrijven en overheden bij elkaar te krijgen. Als ik praat over overheden, dan praat ik overigens zeker niet alleen over de nationale overheid maar met grote nadruk ook over de regionale overheden. Ik kom daar zo nog op terug. 

Het topsectorenbeleid gaat ook over kennis en innovatie, natuurlijk, maar het gaat ook over de personeelsvoorziening, het Techniekpact, het gaat over regeldrukvermindering en het gaat over internationaal ondernemen, de manier waarop bedrijven betrokken kunnen worden bij handelsmissies, waarvan we er tegenwoordig 25 per jaar hebben. Het gaat ook om de manier waarop we in een topsector een ecosysteem kunnen creëren voor het mkb. 

We zijn in de topsectoren er heel erg op gespitst om het mkb erbij te halen, omdat het mkb nu eenmaal het grootste deel van de Nederlandse industrie vormt. We maken aparte regelingen voor het mkb in de topsectoren. De algemene regelingen maken we zo dat het mkb heel goed daaraan kan meedoen. We maken ook een apart mkb-loket. We zorgen ervoor dat er een mkb'er in de aansturing van de topsector zit. Ook zorgen we ervoor dat mkb-bedrijven die meedoen, niet alleen met geld kunnen meedoen maar ook hun machines of hun menskracht kunnen inbrengen en dat ze dan als ondersteuning in aanmerking kunnen komen voor een financiële toeslag van de overheid. Op die manier zijn wij binnen de topsectoren bezig. Op die manier betrekken we daar met toenemend succes, want het gaat hard, steeds meer mkb-bedrijven bij. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dat is natuurlijk goed nieuws. Tegelijkertijd zucht het mkb onder hoge belastingen. Ik heb in mijn termijn een aantal voorstellen gedaan. Ik vroeg me af of de minister ook daarop nog gaat reageren. 

Minister Kamp:

Ik haal er twee voorstellen uit die typisch betrekking hebben op het mkb. Eén voorstel betrof de doorbetaling bij ziekte. Over de doorbetaling bij ziekte is wel degelijk iets te vertellen in relatie tot het kleinbedrijf. Veel kleine bedrijven verzekeren zich daartegen. Ik schat zo'n 80% van de kleine bedrijven. De meest recente cijfers ken ik niet, maar het gaat in ieder geval om meer dan de helft. Andere doen dat niet. Dat heeft voor- en nadelen. Je ziet echter dat er, sinds we die wijzigingen hebben doorgevoerd, minder uitstroom vanuit ziekte richting arbeidsongeschiktheid is en dat het bedrijfsleven als gevolg daarvan lagere premies heeft. Dat is een groot voordeel. Het is echter iets wat nader bekeken moet worden, hetgeen mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook doet. Hij zal nog voor het eind van het jaar de Kamer informeren over zijn bevindingen op dit punt. Dit is zonder meer een serieus punt, dat ook terecht door de heer Buma naar voren is gebracht. 

Het halveren van belasting voor kleine ondernemers klinkt mij altijd erg sympathiek in de oren, maar het kost wel een miljard. Dat miljard moet vervolgens wel weer ergens vandaan komen. Ik denk dat je dat soort beslissingen het beste in een groter verband kunt nemen, bijvoorbeeld als onderdeel van een grotere belastinghervorming of bij de behandeling van een begroting waarbij je aan kunt geven: daar zien we af van een miljard aan inkomsten en daarmee gaan we dan vervolgens de prijs daarvan betalen. Die afwegingen moet je op zo'n moment maken. Ik zou op dat punt nu dus niet verder willen ingaan. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Nee, en dat is het aparte, want er worden wel allemaal heel mooie woorden gesproken, maar de eenvoudige basis is inderdaad lagere lasten, minder kosten voor het bedrijfsleven en het hele verhaal over het terughalen van de maakindustrie. Dit houdt in dat er keuzes moeten worden gemaakt. Waarom gaat de maakindustrie naar het buitenland? Vanwege te hoge arbeidskosten en vanwege te zware lasten. En wat zegt de minister van Economische Zaken hierop? Die zegt bij alles dat het te ingewikkeld is, dat daarnaar wordt gekeken en dat het nog wel komt. Echter, of je doet iets voor de economie van morgen, of je zegt: sorry, maar de werkelijkheid van morgen is ons regeerakkoord en dat was het dan. 

Minister Kamp:

De heer Buma zegt dat de lasten te hoog zijn, maar hoe komt het dan dat we de nummer vijf exporteur van de wereld zijn? De heer Buma spreekt over te hoge lasten, maar als ik spreek met een bedrijf in Brabant dat een dochter is van een Belgisch bedrijf, hoor ik dat hun lasten in Nederland voor de werknemers 15% lager zijn dan die in België. 

De heer Buma noemt ook de maakindustrie, maar de maakindustrie maakte in het verleden 14% uit van het Nederlandse bruto binnenlands product. Op dit moment is dat 13%. Er is jarenlang weinig politieke aandacht geweest voor de maakindustrie, maar de maakindustrie heeft zich overeind gehouden. Zij heeft op allerlei onderdelen een ijzersterke positie in de wereld. 

De heer Buma noemt de reshoring. De Kamer krijgt daarover binnenkort een brief van ons, naar aanleiding daarvan kunnen we er verder over spreken, maar ik denk dat Nederland kansrijk is als het gaat om reshoring. Ik noem de wijze waarop wij in staat zijn om robots en productiemachines aan elkaar te koppelen, de mogelijkheden die bedrijven nu al benutten, en de manier waarop dat verder uitgewerkt kan worden. We zijn samen met FME bezig om daarvoor een actieplan te maken en daarin verder te gaan. Ik denk dat wij in Nederland unieke mogelijkheden hebben om met de kwaliteit van ons bedrijfsleven, met de kwaliteit van onze werknemers en met de positie van onze bedrijven op de wereldmarkt de link te leggen tussen productiemachines, robots en mensen, en dat wij op grond daarvan in staat zijn om concurrerend te produceren. Je ziet het ook al bij bedrijven. Een voorbeeld is Philips in Drachten. In het verleden lieten ze de scheerapparaten in China maken, maar ze hebben de zaak in Drachten nu zo georganiseerd dat ze die apparatengoedkoper in Drachten kunnen worden gemaakt. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het is wel voor het eerst dat ik een minister van Economische Zaken, en zeker een van de VVD, hoor juichen over de hoogte van de belastingen in Nederland. Die zijn veel te hoog. Als ik kijk naar het aantal van 700.000 werklozen, dan kunnen we toch niet zeggen: dat kan zo wel; de belastingen zijn goed. De belastingen zijn te hoog, en als de minister van Economische Zaken al niet met de bedrijven pleit voor lagere belastingen, weet ik niet meer wie er in het kabinet is om dat te doen. 

Minister Kamp:

De grootste bedreiging voor het bedrijfsleven was niet de hoogte van de belastingen. De grootste bedreiging voor het bedrijfsleven was het grote tekort bij de overheid, waardoor de overheid de zaak niet meer onder controle dreigde te hebben en er een financieel risicovolle situatie zou gaan ontstaan. Daardoor zou de financiering van het Nederlandse bedrijfsleven op lange termijn ter discussie kunnen komen en zou ook de rentestand in Nederland hoger worden dan in andere landen. De overheid moest er dus in de eerste plaats voor zorgen dat er financieel orde op zaken werd gesteld. Als je financieel orde op zaken stelt, kun je niet gelijktijdig grootschalig de belastingen verlagen. Wij hebben echter wel op de plekken waar dat noodzakelijk was, gedaan wat we konden doen. 

De heer Buma begon zelf over de bouwsector. In de bouwsector is in de afgelopen jaren de overdrachtsbelasting teruggebracht van 6% naar 2%. We hebben dat vastgehouden. In de bouwsector hebben we het btw-tarief op arbeid van 21% naar 6% gebracht. Dat hebben we ook twee jaar volgehouden. Op het punt van belastingen doen we dat wat verantwoord is. Naarmate we slagen in het doorvoeren van structurele hervormingen, het saneren van de overheidsgaven en het opnieuw realiseren van economische groei zal er ruimte ontstaan voor lastenverlichting. Vervolgens zal het kabinet praten over de vraag hoe we daar het beste invulling aan kunnen geven. 

De heer Roemer (SP):

Opnieuw hoor ik de minister in antwoord op vragen over het verbeteren van de positie van het midden- en kleinbedrijf uitwijken naar "kijk eens naar hoe goed wij het exporterend doen". Daar zit 'm misschien wel net de crux: een overschatting van onze exportpositie, en een onderschatting van het economisch belang van binnenlandse bestedingen en de rol van het midden- en kleinbedrijf daarin. Dat is de grootste werkgever en dat neemt het belangrijkste deel van onze economie voor zijn rekening. De voorstellen die de heer Buma net ook deed, staan al lang en breed in het plan Hart voor de zaak uit 2010, dat 40 concrete voorstellen voor het midden- en kleinbedrijf bevat. Mijn collega Sharon Gesthuizen heeft het samen met MKB-Nederland opgesteld. Deze minister is verantwoordelijk voor de economie en het midden- en kleinbedrijf. Waarom heeft hij al die jaren gewacht met het nemen van maatregelen? Neem het doorbetalen bij ziekte. In 2010 is dat door de SP voorgesteld, eind 2014 komt er een keer een brief over. Waarom wacht de minister daar zo verschrikkelijk lang mee? 

Ik heb nog een tweede vraag, die hierop aansluit. Krijgen wij dan van deze minister ook een reactie op de overige voorstellen die zo hard nodig zijn om het midden- en kleinbedrijf te helpen? Tot dusverre heeft dat alleen maar lastenverzwaringen gekregen. Er is geen enkel beleidsvoorstel van dit en het vorige kabinet geweest waar het midden- en kleinbedrijf wat aan had. 

Minister Kamp:

Dat is absoluut niet waar. Over de doorbetaling bij ziekte hebben we net al met elkaar gesproken. Ik heb aangegeven dat niet alleen het ziekteverzuim maar ook de doorstroming na arbeidsongeschiktheid zeer aanmerkelijk is gedaald als gevolg van de genomen beleidsmaatregelen. Dat betekent ook dat de premiedruk aanmerkelijk is gedaald. Dat is in het belang van het bedrijfsleven, dat zich overigens kan verzekeren tegen risico's als het die niet wil nemen. Per saldo zijn we daar beter van geworden, omdat we minder kosten en uitgaven hadden, en dus ook minder lasten. Dat was ook zeer in het belang van het midden- en kleinbedrijf. 

De heer Roemer sprak over binnenlandse bestedingen. Sommige landen moeten het helemaal van de binnenlandse bestedingen hebben. Voor Nederland geldt dat niet. De export van Nederland is groter dan die van Frankrijk. Wij exporteren voor 22 miljard per jaar naar Italië en de Italianen exporteren naar ons voor 8 miljard. Wij zijn een heel sterk exportland. Dus een deel van onze economische groei en van onze welvaart komt uit de export. Het is dan ook heel goed dat wij er in die tijd van crisis in geslaagd zijn om de industriële een agrarische productie en de export op gang te houden. Op het moment zien we dat er ruimte ontstaat voor de binnenlandse bestedingen. De verwachting is dat er dit jaar een koopkrachtverbetering is van tegen de 2%. Dat geld dat meer voor koopkracht beschikbaar komt, wordt voor een deel nog gebruikt om af te lossen, om te sparen of om problemen op te lossen. Wij denken, en dat is ook de verwachting van het Centraal Planbureau, dat volgend jaar niet alleen de koopkracht zal toenemen, maar ook de bestedingen. Dan kunnen we dus in de situatie komen dat we én een gezonde export hebben én onze binnenlandse bestedingen op peil komen. Dat is iets waar het mkb het allergrootste belang bij heeft. Dan is het proces van saneren succesvol geweest en ontstaan er weer nieuwe mogelijkheden. 

De voorzitter:

De tweede vraag van de heer Roemer was of u met een reactie wilt komen op de 40 aanbevelingen uit het SP-rapport Hart voor de zaak uit 2010. 

Minister Kamp:

Een reactie op een rapport uit 2010 heb ik zo niet paraat. Ik zal me daarin verdiepen, omdat de heer Roemer dat vraagt. Ik zal de Kamer laten weten wat er al is gebeurd. Als er nog niet voldoende is gebeurd naar de zin van de heer Roemer, dan zal ik bezien of we daar nog op een nadere manier op in kunnen gaan. 

De heer Roemer (SP):

Waar het mij natuurlijk om ging, is dat, toen het midden- en kleinbedrijf het het hardst nodig had, het kabinet en de meerderheid van deze Kamer naar het plafond zat te staren en niets deed. De voorzitter van MKB-Nederland heeft niet voor niets op televisie gezegd dat de SP de meest mkb-minded partij van Nederland is en al drie jaar vooroploopt als het gaat om concrete maatregelen waaraan het midden- en kleinbedrijf wat heeft. Het is toch eigenlijk van de zotte dat wij zelf met een initiatiefwet moeten komen om acquisitiefraude aan te pakken en dat wij zelf met initiatieven moeten komen over huurbescherming van winkeliers die geïnvesteerd hebben in hun pand? Over tal van zaken moeten wij met zulke initiatieven komen. De minister die erover gaat, hecht wel steeds waarde aan export, export, export, maar laat de grootste werkgever, het midden- en kleinbedrijf, steeds in de steek. Ik wil nog één opmerking over die export … 

De voorzitter:

Nee, dit is te lang en te ingewikkeld. Het is te moeilijk voor de minister om hierop te reageren. Ik probeerde u te helpen door een tussenvraag te stellen, maar ik geef nu de minister de gelegenheid om hierop te reageren. 

Minister Kamp:

Het midden- en kleinbedrijf in de steek laten, is het allerlaatste wat het kabinet doet. Met de handen over elkaar naar het plafond staren en niets doen? De heer Roemer weet heel goed dat ook dit precies het allerlaatste is wat het kabinet doet. Wij zijn ontzettend hard bezig en juist gericht op het midden- en kleinbedrijf om ervoor te zorgen dat we voorwaarden creëren voor het midden- en kleinbedrijf om succesvol te zijn. Of ze wel of niet succesvol zijn, maken ze zelf uit. Dat wordt bepaald door de ondernemersinitiatieven, de ondernemerskrachten en de inzet van de werknemers bij een bedrijf. 

Wij kunnen daar voorwaarden voor scheppen en kunnen problemen oplossen. Wij kunnen kaders neerzetten waar ze op voort kunnen bouwen. Dat doen wij als het gaat om de personeelsvoorziening. Dat doen wij als wij helpen bij de financiering waar wij een breed pakket voor hebben en waarvoor wij bij de begroting 2014 een aanvullend pakket hebben gemaakt en wij nu weer bezig zijn met een aanvullend pakket. Wij doen dat door de investeringsinstelling te laten oprichten door de pensioenfondsen en de verzekeraars. Die hebben daar zelf toe besloten en zijn zelf nu bezig om te organiseren dat ze meer Nederlands pensioengeld in de Nederlandse economie en het Nederlandse bedrijfsleven kunnen investeren. Over een breed front zijn wij bezig om voorwaarden te creëren op grond waarvan het midden- en kleinbedrijf succesvol kan zijn. 

Ik vind het prijzenswaardig als er enkele initiatieven genomen worden door de fractie van de SP. Als dat goede initiatieven zijn, zullen we die ook heel graag steunen. Zelf nemen we ook een heleboel initiatieven voor regels. Veder nemen we initiatieven om regels weg te nemen. Ons beleid is erop gericht om per saldo tot vermindering van de regeldruk te komen. Ook daarvoor hebben we een keiharde doelstelling geformuleerd. We hebben gezegd 2,5 miljard minder regeldruk in deze kabinetsperiode. Inmiddels hebben we voor 2,2 miljard daarvan ingevuld en hebben we daarvan 800 miljoen gerealiseerd. 

Ik heb al het nodige gezegd over het topsectorenbeleid. Het is beleid dat succesvol is. Gesteund door alle kennisinstellingen en alle organisaties van het bedrijfsleven zullen wij daar ook mee doorgaan. Wij zijn koersvast. Wij sturen bij en dat betekent dat waardevolle aanbevelingen die ook gedaan zijn door de WRR, omgezet worden, voor een deel in nieuwe accenten maar voor een deel ook omdat we er al mee bezig waren. Wij zijn de topsectoren aan het verbinden met de maatschappelijke uitdagingen. Ik heb al gesproken over global challenges en de Dutch solutions. Wij zijn bezig met de uitdagers, met een actieplan ambitieus ondernemerschap, dit ook in reactie op de voorstellen die door de VVD-fractie zijn gedaan voor start-ups. Wij zijn bezig met vroege fasefinanciering. Wij zijn bezig met financiering van doorgroeiers. Wij zorgen voor een betere verbinding van de topsectoren met het Europees onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020. Wij zijn bezig om het mkb op allerlei manieren er beter bij te betrekken. Wij zijn bezig om een betere benutting te realiseren van ICT. In een groot aantal sectoren gaat dat goed, maar er zijn sectoren waar dat achterblijft. Juist in die sectoren zijn wij samen met het bedrijfsleven bezig om die achterstand in te halen. Wij zijn niet zozeer geïnteresseerd in wat goed gaat en in het ons daarvoor ten onrechte op de borst kloppen. Het is vooral het werk van velen voor ons, maar wij zijn wel bezig om net zoals velen voor ons te kijken naar wat er niet goed is en naar wat wij kunnen bijdragen om verbeteringen aan te brengen. 

Velen voelen zich verantwoordelijk voor duurzame economische groei in Nederland. Dat was altijd zo en dat is nu ook zo, met steeds een sterk accent op duurzaamheid. Wij denken dat we met duurzame economische groei onze welvaart en werkgelegenheid kunnen verbeteren. Dat betekent dat ik ervan overtuigd ben dat Nederland niet genoegen behoeft te nemen met een procentje economische groei. Wij zien kansen. Wij kunnen vernieuwend, wendbaar en toonaangevend zijn. Wij kunnen oplossingen bedenken voor de problemen waar de wereld voor staat. Door dat te doen kunnen wij ook onze economische groei in de toekomst veiligstellen en daar de maatregelen voor nemen die nodig zijn. 

Over wat die maatregelen zijn ben ik in gesprek met een heleboel mensen uit de samenleving. Het gaat om georganiseerde gesprekken die uiteindelijk voor de begroting van Economische Zaken zullen leiden tot een groeiagenda waarbij wij aan zullen geven wat de specifieke mogelijkheden zijn in Nederland om in de toekomst ons inkomen te verdienen, hoe de Nederlanders en de Nederlandse bedrijven van betekenis kunnen zijn voor de wereld en wat de kracht en mogelijkheden zijn van Nederland, wat er uitgebouwd moet worden, wat er beter gedaan moet worden, welke initiatieven wij nu kunnen nemen en welke maatregelen wij nu moeten nemen om straks ook ons verdienvermogen op orde te hebben. 

Dat is een uitdaging waar dit kabinet voor staat, waar wij zelf aan werken, waar wij graag met alle betrokkenen in de samenleving aan werken. Wij voelen ons ook zeer gesteund door initiatieven die door politieke partijen genomen worden, door accenten die in de pers worden gelegd, door mensen uit de wetenschap die met voorstellen komen, door mensen in het bedrijfsleven die ons kenbaar maken wat er moet gebeuren en door mensen vanuit werknemersorganisaties die met ideeën komen. Wij willen graag gezamenlijk die groeiagenda voor Nederland voor de toekomst opzetten. 

Mevrouw de voorzitter, ik kijk of ik nog iets vergeten heb. 

De voorzitter:

De heer Roemer heeft nog een vraag. 

De heer Roemer (SP):

De minister kan hier wel een heel erg lang verhaal houden dat hij met iedereen en met Jan en alleman praat, maar elke keer als je probeert om iets concreet te maken, haakt hij af. Ik zal één concrete vraag stellen. We willen naar een duurzame economie. Een heel terechte vraag is dan wat de minister vindt van een duurzame economie. Ik zal een voorbeeld pakken. We hadden een duurzame farmaceutische industrie in Oss. Die floreerde en werd verkocht. Wat houden wij in Nederland over? Helemaal niets. De winsten gaan naar Amerika. Wat is nou een duurzame economie voor deze minister? De belangen van de aandeelhouders staan voorop, en de belangen van een langdurig intensief beleid en die van werknemers zijn altijd of heel vaak ondergeschikt aan kortetermijnwinsten en kortetermijnbeleid van bijvoorbeeld aandeelhouders. Wat is nou duurzaam? 

Minister Kamp:

De heer Roemer noemt het bedrijf in Oss. Dat bedrijf is onderdeel van een groot Amerikaans concern. Dat Amerikaanse concern heeft duizenden mensen in Nederland op drie verschillende plekken aan het werk. Dat is voor Nederland nog steeds een heel grote werkgever. Dat bedrijf beslist op dit moment over een nieuwe productielijn, over nieuwe initiatieven. Daarbij is Nederland ook weer in beeld. Dat bedrijf heeft het terrein in Oss verlaten omdat op wereldschaal accenten anders zijn gelegd, maar vervolgens heeft het beginnende bedrijven wel in staat gesteld om daar initiatieven te ontwikkelen, die ook al goede resultaten hebben. Als er zo'n groot internationaal bedrijf in Nederland is en als er ergens iets misgaat, proberen wij de resterende mogelijkheden en de resterende werkgelegenheid in ieder geval vast te houden. Dan kijken wij samen met zo'n bedrijf naar nieuwe mogelijkheden om na te gaan of wij in de toekomst weer iets voor elkaar kunnen betekenen. 

De voorzitter:

De heer Roemer wil interrumperen. 

Minister Kamp:

Die duurzaamheid is ook op dit punt aan de orde. 

De heer Roemer (SP):

Nee, hier is geen sprake van duurzaamheid. Je maakt je afhankelijk van grote multinationals en van de belangen van aandeelhouders. Een duurzame economie betekent dat die economie ook echt duurzaam is: dat er sprake is van een vorm van democratisering van de economie, dat er sprake is van langetermijnvisies voor wat wij met onze industrie willen doen in Nederland. Dat moeten wij niet afhankelijk maken van de grillen van aandeelhouders die kortetermijnwinsten belangrijker vinden dan een langetermijnvisie voor de werknemers en de ontwikkeling van bedrijven in Nederland. Daar doen wij niets aan. 

De voorzitter:

Het woord is aan de minister. 

De heer Roemer (SP):

Wij zijn afhankelijk van multinationals en die multinationals verkopen we; dan zijn we gewoon onze industrie kwijt. 

De voorzitter:

Ik wil graag het woord aan de minister geven zodat hij kan antwoorden. 

Minister Kamp:

Grote internationale bedrijven horen ook bij de bedrijven die zeer geïnteresseerd zijn in duurzaamheid en zich daarvoor willen inzetten. Zij doen dat ook samen met ons. De heer Roemer begon over een bedrijf in Oss. Ik heb gezegd dat dat internationale bedrijf goed is voor duizenden arbeidsplaatsen op drie verschillende plekken in Nederland. Als er ergens iets wegvalt, bekijken wij met zo'n bedrijf hoe daarvoor misschien iets anders in de plaats kan komen. Het gaat om duurzaamheid op het punt van bio-economie en energievoorziening. Het is niet alleen de overtuiging van de Nederlandse overheid, maar ook die van het bedrijfsleven dat een business, wil deze op lange termijn kans van slagen hebben, gebaseerd moet zijn op duurzaamheid. 

De heer Pechtold (D66):

We doen dit, we doen dat, we doen zus, we doen zo. De minister gaat ook nog praten met allemaal groepen en zo komt hij tot een groeiagenda. We spreken nu over het WRR-rapport dat in november 2013 uitkwam en dat in februari 2014 van een reactie werd voorzien. Daarover bestaat bijna Kamerbreed het gevoel dat er meer in zit. Sommigen zeggen dat het een weinig scheutige reactie was, anderen gebruiken andere woorden. Laten we zeggen: het minimale is toch een 6-. Kan de minister nu vanuit zijn portefeuille één punt uit het WRR-rapport noemen waarvan hij zegt "dat deden we nog niet, dat hadden we nog niet bedacht, ik vind het waardevol en ik voeg het toe aan mijn agenda"? 

Minister Kamp:

Dat is iets wat de heer Pechtold bij ieder debat doet, althans de debatten die ik mag volgen. Hij zegt: noem één punt, noem drie punten. Wij hebben zeer vele punten genoemd. Wij hebben een analyse gemaakt van het WRR-rapport. Wij hebben gekeken wat de hoofdlijn is waar men ons op wijst. Op grond van die hoofdlijn hebben wij onze eigen visie neergezet. Wij hebben de verbinding gelegd tussen onze eigen visie en het advies van de WRR. In een groot aantal vervolgacties hebben wij aangegeven wat wij zouden gaan doen. Wij hebben in een vijftal gevallen al heel gedetailleerd uitwerking daaraan gegeven. Het is niet zo dat wij dingen helemaal over het hoofd zien of vergeten. De WRR verdiept zich in de materie, wij hebben ons altijd in de materie verdiept en op grond van wat er van beide kanten beschikbaar is, proberen wij ons werk in de toekomst beter te doen op de manier die ik zojuist heb beschreven. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. U stelt het ook vast. Het is geen debattrucje dat de minister mij nu verwijt. Het was een concrete vraag: noem één ding uit dat lijvige rapport waarvan u zegt dat u het nog niet heeft gezien en dat u anders gaat doen. Ik heb er een heleboel genoemd. Ik heb genoemd R&D, duurzame energie, een leven lang leren. Dat zijn voorbeelden van zaken waarbij wij ons nogal eens op de borst kloppen, de minister ook. Een aantal fractievoorzitters heeft over dat leven lang leren gesproken. In een land als Oostenrijk word je tot het jaar voor je pensioen om- en bijgeschoold, gewoon standaard in het systeem. Bij ons kom je uit de jongerenfase en dan ben je klaar. Wij komen in een nieuwe arbeidsmarkt. Vroeger zat je 40 jaar bij een baas, dan kreeg je een gouden klokje en dan was het gebeurd. Tegenwoordig ga je tot je 67ste door. Om de zeven jaar heb je een nieuwe baan. Je gaat van het bedrijfsleven naar de overheid, je bent een keer zelfstandig ondernemer, je gaat failliet. Hoe denken wij over faillissementen? Dat is een visie. Een minister die nog tweeënhalf jaar moet, moet toch bedenken hoe hij dat leven lang leren gaat invullen? Ik vind dat iets in het rapport dat ik oppak en waar ik iets mee ga doen. Ik zou zo graag willen — ik reik de minister de hand — dat de minister zegt: zo'n punt vind ik iets, daar kom ik bij de begrotingsbehandeling op terug en dan werk ik het concreet uit. Dat vraag ik, niet meer en niet minder. 

Minister Kamp:

De heer Pechtold noemt één punt, maar wij hebben in onze reactie tientallen punten genoemd. Ook vanavond heb ik tientallen punten genoemd. Ik heb al een hele discussie mogen voeren over een leven lang leren. Ik doe dat met alle plezier opnieuw. Een leven lang leren … 

De voorzitter:

Nee, volgens mij was dat de vraag helemaal niet. De heer Pechtold noemde een leven lang leren als een voorbeeld dat hij uit het rapport heeft gehaald. Zijn vraag is wat u er nu specifiek uit heeft gehaald. 

Minister Kamp:

Waarvoor komen wij nu met een reactie op een WRR-rapport? De WRR maakt een rapport en wij komen met een reactie. Ik heb gezegd op welke manier wij die reactie hebben opgesteld. Wij hebben een eigen lijn neergezet, dwarsverbanden benoemd en concrete vervolgacties benoemd. Op een aantal punten komen wij met een verdere gedetailleerde uitwerking. Ik heb gezegd dat wij dat in de praktijk allemaal al hebben gedaan. Wij hebben op de manier zoals het hoort niet op één of enkele punten maar op het gehele WRR-rapport adequaat gereageerd. 

De heer Pechtold (D66):

Adequaat gereageerd, dat is de stelling van het kabinet zelf over de reactie tot nu toe. Dan verwijs ik naar de twee coalitiegenoten. Ik zal hen niet citeren. Wij treffen elkaar hier, fractievoorzitters en het kabinet. Bij Prinsjesdag debatteren wij tien uur over weet ik wat allemaal. Dat schiet alle kanten op. Wij zien elkaar hier bij rellen, bij ellende, zoals een staatssecretaris in de problemen. Nu proberen de fractievoorzitters met een kabinet dat bijna halverwege is een agenda te vullen. De heer Slob doet dat met de participatiemaatschappij, ik doe dat met een leven lang leren en anderen hebben ook zo hun punten. Iedereen heeft gezegd, de WRR voorop, dat het interview van de twee ministers in NRC eigenlijk beschamend was en dat de reactie uitbleef. De heer Rinnooy Kan heeft ook een rapport gemaakt en daarop heeft het kabinet al een jaar geen reactie gestuurd, een jaar! Wat staan wij hier dan te doen? Of wij enthousiasmeren elkaar hier of wij zeggen: wij doen het allemaal. Prima, dan stoppen wij. 

Minister Kamp:

Of de heer Pechtold mij enthousiasmeert laat ik in het midden, maar het is wel mijn bedoeling om hem te enthousiasmeren. Ik probeer hem duidelijk te maken dat wij het WRR-rapport zeer waarderen en dat wij er op een adequate manier op zijn ingegaan. Ik ga niet vertellen dat wij met een beschamende reactie zijn gekomen, want dat vind ik niet. Ik ga ook niet vertellen dat wij nog nooit van een Leven Lang Leren hadden gehoord, of dat we niet wisten dat er in het topsectorenbeleid nog verbeteringen mogelijk zijn. Het zijn allemaal punten waarvan de WRR heeft gezegd dat ze belangrijk zijn. Dat vinden wij ook. Voor een deel waren we er mee bezig, voor een deel hebben we accenten gelegd die interessant zijn en voor weer een ander deel hebben wij een gedetailleerde uitwerking gegeven omdat wij denken dat deze punten van groot belang zijn. Ik vind dat wij ons voordeel hebben gedaan met dit doorwrochte rapport van de WRR en dat we er op een adequate manier op hebben gereageerd. 

De heer Samsom en de heer Slob gaven het belang van de regio aan. De heer Samsom noemde Brainport in Eindhoven. Hij zei dat hij vooral het mbo belangrijk vindt. Hij noemde Philips, ASML en Van der Leegte. Bij ASML is 80% van de banen in het primaire proces op hbo-niveau en academisch niveau. Bij de toeleveranciers ligt de verhouding op ongeveer een derde. Daar ligt het accent sterker op mbo-banen. Ik vind net als de heer Samsom dat die mbo-banen ook van het allergrootste belang zijn. Als wij alleen degenen hebben die alles bedenken en organiseren, maar die niet de vaardigheden bezitten om het werk naar de praktijk om te zetten, houden we het niet overeind. Dan blijft onze maakindustrie niet zo sterk als ze nu is en blijven de kansen liggen om sterker te worden. Verbeteringen in het mbo en zeker in het technische mbo zijn van groot belang, zeker voor dit soort grote bedrijven. Ik denk dat wij die verbeteringen landelijk kunnen faciliteren, maar niet kunnen realiseren. Dat moet regionaal gedaan worden. Ik merk ook in alle regio's dat bedrijven zaken willen doen met regionale onderwijsinstellingen en met regionale bestuurders. In Eindhoven is een bestuur dat het heel goed doet, evenals in Helmond. In heel Noord-Brabant is de regionale overheid er zeer op gespitst om deze rol goed te vervullen. Ik vind dat ze het in Limburg ook goed doen. Ook in Friesland zijn ze ambitieus. Het noorden van het land is al eerder genoemd. In Twente doen ze het ook goed, Amsterdam heeft belangrijke initiatieven genomen, Utrecht heeft de serious gaming ontwikkeld en is bezig om daar een heel nieuwe industrie te ontwikkelen. Het gaat ook goed in Zeeland, een gebied waarvan wij vaak de problemen benoemen, maar waar de werkgelegenheid beter is dan in de rest van Nederland. Ik denk dat de regionale economie en de regionale samenwerking van het grootste belang zijn. Wij waarderen die samenwerking zeer, om te antwoorden op de vraag van de heer Slob. 

De heer Samsom vroeg met betrekking tot het energieakkoord of er moeizame voortgang was met de offshore wind. Dat is niet zo. Tot voor kort was ik nog wat bezorgder over wind op land. Wij hadden de plannen voor wind op land helemaal opgesteld, maar kregen vervolgens tijdens de behandeling in de Kamer wat tegengas. Uiteindelijk hebben we een aantal moties zodanig uitgevoerd, dat we de voortgang er voldoende in konden houden. Voor wind op zee hebben wij de zaak op orde. Wij zullen na de zomer de keuze voor de locaties aan de Kamer voorleggen. We hebben de wetgeving zodanig gemaakt dat we als overheid de regie kunnen nemen. We zullen ervoor zorgen dat we de ambitieuze planning voor de duurzame energie kunnen realiseren. Wind op zee is volgens mij voor de korte termijn het belangrijkste onderdeel hiervan. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik heb nog een vraag over de regionale samenwerking. Minister Kamp geeft heel uitgebreid aan dat hij het waardevol vindt wat er in al die regio's gebeurt. Dat ben ik met hem eens. Ik krijg uit de beantwoording echter de indruk dat de minister zegt dat het op regionaal niveau moet gebeuren en dat de rijksoverheid zich er niet mee bemoeit. Ik constateer dat er regio's zijn waar bemoeienis niet nodig is, maar dat er ook regio's zijn die keihard tegen allerlei zaken aanlopen. Enige ondersteuning van de rijksoverheid zouden zij graag willen hebben. Dat hoeft niet direct in geld, het kan soms ook helpen om belemmerende regels weg te nemen. Ik denk dat hulp op zijn plaats is om innovaties verder te kunnen aanjagen. Is de minister bereid om op die wijze met de regio's om te gaan? 

Minister Kamp:

Zeker, maar we hebben bewust besloten om de regionale economische ontwikkeling bij de provincies neer te leggen. Ik denk dat dat een heel goed besluit is geweest. Ik denk ook dat de provincies dat waarmaken. Wij als rijksoverheid werken heel graag met de provincies samen, maar ook met delen van provincies en steden. Waar die mogelijkheden om samen te werken er zijn, benutten we ze. We hebben in iedere provincie een regeldrukambassadeur aangesteld, die iedere dag beschikbaar is voor bedrijven, gemeenten en provincies. Daarmee kunnen problemen die zij op het gebied van regels onderkennen, besproken worden. Wij kunnen vervolgens kijken wat we daaraan kunnen doen. 

We zijn ook bezig om per sector en per regio met aparte afspraken te komen voor alle sectoren waarin ICT nog onvoldoende wordt toegepast. Zo kunnen we die achterstand inhalen. De verantwoordelijkheid die bij de provincies is neergelegd en die zij op een uitstekende manier waarmaken, willen we daar niet weghalen. Daar ligt de eerste verantwoordelijkheid voor de regionale economische ontwikkeling. Wij willen heel graag een partner van hen zijn. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Inderdaad, daar ligt de eerste verantwoordelijkheid. Die wordt vaak ook ingevuld. De heer Samsom noemde het voorbeeld van het noorden. Er liggen op dit moment twee plannen. Ze sluiten op elkaar aan in de poging om innovaties aldaar te bevorderen en werkgelegenheid te versterken. Dat is in het noorden van het land ontzettend hard nodig, met name in Drenthe. Met die plannen in de hand kijkt men vanuit de regio ook naar de rijksoverheid met de vraag of we samen kunnen optrekken. Dat is een gezamenlijk belang. Men heeft daarbij toch het gevoel dat men niet thuis krijgt. 

Minister Kamp:

Misschien is er alleen het gevoel dat men wel thuis krijgt als men geld krijgt. Die budgetten zijn er echter niet. We hebben geen aparte budgetten meer voor regionale economische ontwikkeling. Als ergens iets gedaan moet worden en we daar de mogelijkheden voor hebben, dan doen we dat. De heer Slob noemde het noorden van het land. Behalve de investering die gedaan wordt in het gebied dat gerelateerd is aan het probleem van de aardbevingen hebben we ook gekeken wat gedaan kan worden om het chemiecluster te versterken. We hebben daar 20 miljoen euro bijgelegd. Ook hebben we de organisatie daaromheen helpen opzetten om ervoor te zorgen dat het geld van ons en een gelijk bedrag dat door de provincie beschikbaar is gesteld op de goede manier kan worden aangewend. Daar waar bedrijven uit het buitenland dat cluster via maatwerk zouden kunnen versterken, zullen we met overheidsdiensten als de NFIA proberen om dat voor elkaar te krijgen. We willen de mogelijkheden die we hebben dus graag benutten. Dat geldt niet alleen voor het noorden, maar ook voor andere regio's. Als het alleen om extra geld gaat, moet ik zeggen dat dat geld niet op de begroting staat. Die taak is bij de provincies neergelegd. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Ik heb zelf net al aangegeven dat het niet alleen om geld gaat. Soms wel. Geld is soms inderdaad nodig om bepaalde innovaties aan te jagen en ervoor te zorgen dat de werkgelegenheid bevorderd wordt. Dat kan niet altijd met gesloten portemonnee. Het gaat om meer. Ik constateer dat het WRR-rapport hier heel nadrukkelijk de vinger op legt. Die regionale economische samenwerking is van groot belang. Regionale overheden moeten er samen met het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen — als die aanwezig zijn, want dat is natuurlijk niet overal het geval — voor zorgen dat ze intensief gaan samenwerken. Het kan dan niet zo zijn dat de rijksoverheid op heel grote afstand blijft staan. Dan zie je namelijk vaak dat ontwikkelingen haperen en dat je niet daar komt waar je graag wilt komen, en dat is innoveren, de werkgelegenheid stimuleren, en ervoor zorgen dat regio's die achterblijven weer richting de voorhoede gaan. 

Minister Kamp:

Hoe kan de heer Slob nou zeggen dat de overheid op grote afstand blijft staan? De overheid zit erbovenop. Ik ben tien keer in Eindhoven geweest. Ik ben tien keer in Groningen geweest. Ik ben in de andere regio's geweest en ik heb partners in de burgemeesters, de gedeputeerden en de commissarissen van de Koning, die zich vol overtuiging met dit onderwerp bezighouden. Zij willen hun eigen rol vervullen en hun eigen middelen, die vaak ook aanwezig zijn, benutten. Ook willen zij graag op verschillende manieren met de rijksoverheid samenwerken. Ik wil heel graag invulling geven aan die samenwerking met hen. Ik heb namelijk grote waardering voor hun inzet en zie ook wat zij in de praktijk al bereikt hebben en wat ze in de praktijk nog kunnen bereiken. 

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik vind dat de WRR ons een rapport heeft aangeboden met een interessante en verrijkende analyse. Een en ander levert een bijzonder nuttige bijdrage aan het debat over de versterking van ons verdienvermogen en dus ook over het onderwijs en kennis. Als je kijkt naar het rapport, zie je dat de centrale conclusie van de WRR is dat wij niet moeten inzetten op van bovenaf opgelegde onderwijs- of industriepolitiek, maar dat wij vooral moeten inzetten op responsiviteit. Naar mijn idee onderbouwt de WRR dat ook overtuigend door te laten zien dat de ontwikkeling van nieuwe, kansrijke groeimarkten zich moeilijk of niet laat voorspellen. De dynamiek is troef. Verschillende Kamerleden hebben daar ook al naar verwezen. Ondernemingen als Apple en Microsoft behoren nu tot de grootste van de wereld, maar zij zijn in de jaren zeventig heel klein begonnen. Wie durfde toen te voorspellen dat zij zo groot zouden worden? Google bestond twintig jaar geleden nog helemaal niet. The Economist publiceerde begin dit jaar een artikel over de invloed van innovatie op banen. De heer Zijlstra had het daar naar mijn idee ook zeer terecht over. Het gaat over beroepen die uitsterven en banen die daarvoor in de plaats komen. Dat gaat steeds sneller. De dorpsomroeper wordt multimedia designer, de chirurgijn wordt gezondheidstechnoloog en over tien jaar is er misschien wel een nanodokter of een lichaamsdeel designer. Wij weten het niet. De schillenboer van indertijd wordt de stadsmijnwerker die kostbare materialen en metalen uit afval, gebouwen en producten haalt om ze vervolgens te verwerken in nieuwe producten. Dat gebeurt nu allemaal al. Voor mij en voor mijn departement is de uitdaging hoe wij mensen kunnen opleiden om in die toekomst te werken. Wat hebben zij nodig en wat zijn de beroepen van de toekomst? 

De heer Roemer (SP):

Het ging mij even om de inleiding. Over de punten komen wij dadelijk wellicht nog te spreken, maar misschien ook niet. De minister probeert in alle enthousiasme erg positief te zijn over het rapport. Kunnen wij nu dan ook gewoon even zeggen dat haar uitspraak in de krant dat het lijkt alsof de WRR een paar jaar in het verleden leeft en moet blijven leren, een slip of the tongue was? Dit had niet opgeschreven moeten worden en de minister neemt daar afstand van? Klaar, over en uit? 

Minister Bussemaker:

Ik wil de context van die uitspraak nog wel even toelichten. Ik heb het interview nog even bekeken. In mijn eerste citaat staat dat ik het rapport inspirerend vind. Ik zeg dat nu nog een keer. Het rapport inspireert mij oprecht, maar ik ben het niet altijd eens met de concrete voornemens en voorstellen van de WRR. Ik vind dat de WRR in zijn rapport wel erg weinig aandacht heeft gehad voor de dingen die al in gang zijn gezet en die al spelen. Ik kom daar zo nog over te spreken. Ik wijs op mijn terrein op het Nationaal Onderwijsakkoord. Voor het eerst in de geschiedenis van het onderwijs is er een akkoord van basisonderwijs tot wetenschappelijk onderwijs gesloten om arbeidsvoorwaarden te moderniseren, om leraren op te leiden en in een lerarenregister in te schrijven. Veel Kamerleden hebben daarnaar verwezen. Wij hebben een brief over de leraren gemaakt en over hoe wij ervoor willen zorgen dat er meer hoger opgeleide leraren komen. Ik vond dat de WRR in de uitwerking wel wat weinig aandacht had voor datgene wat al speelde. 

Vervolgens heb ik over levenslang leren gezegd — en daar kom ik zo ook nog over te spreken — dat wij allemaal moeten blijven leren. Ook wij moeten blijven leren: ik ook, het kabinet, de scholen. Ik wil van scholen lerende organisaties maken. Toen heb ik inderdaad, maar met een glimlach, gezegd dat de WRR misschien ook moet blijven leren. De geschiedenis gaat heel snel door het beleid dat door het kabinet wordt gemaakt. Wij zijn nu alweer een heel stuk verder dan waar wij stonden toen het rapport van de WRR uitkwam, gelukkig mede dankzij het rapport van de WRR. Ik vind het echt interessant, met name als het gaat om het conceptuele niveau, om na te denken over responsief onderwijs, over kenniscirculatie en over de beroepen van de toekomst en hoe je mensen daarvoor opleidt. En daarmee ben ik weer terug bij waar ik was. 

Ook in mijn eigen omgeving zie ik echt interessante voorbeelden. Laat ik iets zeggen over de creatieve sector, want dat is een sector die al heel responsief is. Daar wordt eigenlijk al invulling gegeven aan een nieuwe manier van ondernemen, met steeds wisselende netwerken van ondernemers en met vernieuwende concepten en producten die worden voortgebracht die weer verrassende toepassingen kennen. Zo worden nu gamingtechnieken ingezet om de operatievaardigheden van chirurgen te vergroten. Op verschillende plekken wordt door creatieve kunstenaars, kennisinstellingen en bedrijven geëxperimenteerd met lichtkunstwerken om een veilig gevoel te creëren in schimmige tunnels. Die oplossingen vind ik mooi. Die inspireren mij, evenals een rapport als dat van de WRR dat doet. Dat gaat over de netwerkorganisaties, over publiek-private samenwerking, over coproducties, over crossovers et cetera. Dat is kenniscirculatie ten top en dat gaat over responsiviteit in het onderwijs en daarbuiten. 

Het is echter best lastig om dat in heel concrete agendapunten en beleidsvoorstellen te verwerken. We hebben natuurlijk kwalitatief hoogstaand onderwijs nodig, wetenschappelijk onderzoek dat van hoog niveau is, innovatieve bedrijven en een open verbinding met de wereld. Als we het WRR-rapport echt serieus nemen — en dat wil ik doen — dan moeten we ook erkennen dat het een illusie is om te denken dat het mogelijk is om een alomvattend plan te maken en het kabinet nu voor te schrijven hoe we op alle beleidsterreinen, dus ook op dat van Onderwijs, tussen nu en pakweg tien of twintig jaar alles moeten regelen. Mijn inspiratie uit het WRR-rapport ligt dus vooral in een benadering, in de conceptuele analyse en de verwerking daarvan in beleid. 

In dat verband vind ik een aantal voorstellen interessant. Dat vind ik overigens ook van de bijdragen van de fracties. De heer Pechtold sprak over het afronden van vakken op meerdere niveaus. De staatssecretaris en ik vinden dat een buitengewoon interessante gedachte. Ik kan ook zeggen dat we daar al mee bezig zijn. De staatssecretaris heeft een brief over toptalenten gestuurd waar dit in zit. We worstelen er echter ook mee, want het is knap ingewikkeld. Er wordt nu Engels gegeven in het basisonderwijs. Fantastisch. Maar als die kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan en in een klas komen met kinderen die nog geen Engels hebben gehad, dan moeten zij weer van voren af aan beginnen. Dat leidt tot ongemotiveerde en verveelde leerlingen. 

Kortom, de werkelijkheid is best weerbarstig. Het is moeilijk om dat even van de ene op de andere dag te regelen. Ik vind dit bij uitstek een heel belangrijke gedachte omdat we ook gezegd hebben: we gaan niet een heel nieuw systeem organiseren en een middenschool maken. We gaan ook niet zeggen dat iemand pas op zijn zestiende een vervolgopleiding mag kiezen. We moeten dus meer flexibiliteit binnen het huidige stelsel creëren. Dit is één manier om dat te doen. 

Ik ben het dus ook met de heer Pechtold eens dat we vooruit moeten. We doen een aantal dingen, maar we moeten ook verder nadenken over wat we toekomstgericht kunnen doen, en inderdaad, met onderwijs zijn we dus nog niet klaar. We hebben wel een aantal stappen gezet. Ik verwees net al naar het Nationaal Onderwijsakkoord. Voor het eerst is een akkoord gesloten dat echt over de grenzen van de sectoren heen gaat. Wij hebben daarin vastgesteld dat wij met elkaar van goed naar excellent onderwijs willen gaan. We doen het best goed in Nederland, maar we constateren ook dat sprake is van stagnatie. Soms zeggen we dat we blijven watertrappelen. Ook daar is dus meer ambitie nodig. Excellent zijn houdt in dat het onderwijs een brede opdracht heeft en niet alleen kennis, maar ook vaardigheden en sociale en culturele vorming moet bieden. Dat zeg ik in het bijzonder tegen de heer Slob, die daarvoor terecht aandacht vroeg. We streven naar hoge prestaties van alle leerlingen en studenten door alle talenten te willen benutten. Excellent onderwijs betekent ook dat we er alles aan doen om de beste onderwijsgevende voor het onderwijs te interesseren. 

Die afspraken in het Nationaal Onderwijsakkoord zijn mooi, want die staan op papier. Die zijn we nu aan het uitwerken in concrete deelakkoorden. Dat betekent dat we met alle sectoren cao's moeten sluiten. We willen de oude BAPO-regelingen eruit hebben, omdat we willen stimuleren dat er een leven lang geleerd wordt, dat er bijgeschoold wordt, dat leraren zich in een register inschrijven en dat onderwijs wordt gegeven dat kwalitatief goed en aantrekkelijk is. We hebben in het voortgezet onderwijs een cao gesloten. Het mbo heeft ook een cao gesloten. Met beide sectoren worden nog sectorakkoorden gesloten. Dat gaan we ook met het basisonderwijs doen. Dan kunnen we dus echt een slag maken waarbij leraren een persoonlijk budget krijgen, zoals in het voortgezet onderwijs. Daarmee kunnen ze zich blijven ontwikkelen. Dit is nog geen antwoord op een leven lang leren, maar het is wel een stap in de goede richting. Op die manier kunnen we ook leraren stimuleren om zich te blijven scholen. 

De heer Pechtold (D66):

Dit klinkt concreet en dit klinkt ook ambitieus. Ik noemde zojuist een paar voorbeelden waarbij ik denk: onderwijs, let op je zaken. Een op de vijf lessen wordt in Nederland gegeven door een onbevoegd leraar. We betalen leraren 16% tot 30% onder het niveau dat voor andere hoog opgeleiden geldt. Dit zijn de percentages die ik te horen kreeg. Ik vergelijk daarbij het onderwijs met de marktsector. Natuurlijk maakt het daarbij ook een beetje uit over welk vak je het hebt. Bij natuurkunde is het verschil met de marktsector wat groter dan bij andere vakken. 

Ik kom even op de rol van de Kamer. Neem nu de 20% van de lessen die door onbevoegde leraren wordt gegeven. Hoe kunnen we daarbij een doel formuleren? De minister zegt nu: dat ga ik doen. Dan zal de Kamer wel weer roepen hoeveel geld dat kost en zo. Ik wil zoeken hoe we dit samen in een vorm kunnen gieten waarbij de voortgang meetbaar is. Daarbij doel ik op het Nationaal Onderwijsakkoord, maar vooral ook op de sector. Ik vind het namelijk prachtig dat we er nu geld naartoe brengen, maar ik wil ook weten wat de sector met dat geld gaat doen. 

Minister Bussemaker:

Ik kan daar twee concrete antwoorden op geven. Ik zei zojuist dat er met name in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het mbo sectorakkoorden gesloten moeten worden. Die sectoren moeten zelf de cao's afsluiten. Als die cao's er in die drie sectoren zijn, ga ik de Kamer een brief sturen waarin ik zal schrijven wat er in het regeerakkoord stond, wat er in het Nationaal Onderwijsakkoord is afgesproken is en hoe zich dat dan vertaalt naar die drie sectoren, en overigens ook naar het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs loopt echter mee in de afspraak over het studievoorschot. 

Verder kan ik melden dat we vorig jaar een naar mijn idee behoorlijk ambitieuze Lerarenagenda 2013-2020 hebben gestuurd naar de Kamer. Daarin staat dat we geen onbevoegde leraren meer voor de klas willen. Daarin staat ook dat we willen dat er nu eindelijk ook eens een lerarenregister komt. Iedereen heeft namelijk gelijk die zegt dat verpleegkundigen, notarissen en mensen uit allerlei andere beroepsgroepen zich inschrijven en dat van die mensen wordt gevraagd dat zij zich bijscholen. Dat moet ook van leraren gevraagd kunnen worden. 

We willen verder veel meer hoger opgeleide docenten. Op dat vlak heb ik een verschil van inzicht met de WRR. De WRR vindt namelijk dat 100% van de leraren academisch opgeleid moet zijn. Ik wil dat veel meer leraren dan nu academisch opgeleid zijn, maar ik constateer ook dat wij heel goede leraren met een hbo-opleiding hebben. Die zijn mij ook wat waard. Dus differentiëren we. We willen een mix. Op een mbo-opleiding heb je misschien meer mensen nodig die gericht zijn op de praktijk. Voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs is nu de afspraak gemaakt dat, ik meen over vijf jaar, 80% van de leraren academisch geschoold moet zijn. We stellen strenge eisen aan de pabo's. Er zijn nu ook academische pabo's bij de universiteiten. Daar zijn 500 studenten aan het afstuderen. Verder is de lerarenbeurs opgezet. Daarvan hebben maar liefst bijna 40.000 nu gebruikgemaakt om zich bij te scholen naar een hoger niveau. 

Met de Kamer heb ik afgesproken dat de staatssecretaris en ik haar elk jaar tijdens de Dag van de Leraar in oktober een update sturen. Daarin staat wat we in het afgelopen jaar hebben gedaan en waar we staan. Daarbij gaat het dus soms over dingen die wij doen, soms over dingen die hogescholen en universiteiten doen — zij gaan immers over de lerarenopleidingen — en soms over dingen die leraren zelf ondernemen. Kortom, in gezamenlijkheid zorgen we ervoor dat we stappen vooruit zetten. Ik leg daarover heel graag verantwoording af. 

De heer Pechtold (D66):

Hier kan ik ook wat mee. De Kamer moet controleren. Ik kan op deze manier bekijken of de prioriteiten die het kabinet stelt, ook mijn prioriteiten zijn. Of willen we dat er een andere volgorde komt? Is er geld voor nodig of niet? Het is belangrijk dat er vanavond drie bewindslieden in vak-K zitten. Ik zoek namelijk nog naar een antwoord op de vraag hoe we ervoor zorgen dat er ook dwarsverbanden bij de prioriteiten van het kabinet zijn. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat de fractievoorzitters dit debat voeren. Met de onderwijswoordvoerders doet het kabinet dit, minister Kamp doet met anderen dat. Het ging mij echter juist om de samenhang en om de agenda die we voor dit punt willen opstellen. Daar zoek ik naar. Hoe gaan we dat vormgeven? 

Minister Bussemaker:

Ja. Volgens mij heeft de minister-president daarover zojuist ook al iets gezegd. Volgens mij is het bij uitstek aan hem om uitspraken te doen over afstemming en regie en om dit met elkaar goed af te stemmen. Maar laat mijn ambitie duidelijk zijn. In 2020 moeten de lerarenopleidingen sterk verbeterd zijn, want er zijn nu echt lerarenopleidingen waar nog wel een tandje bij kan. De leerlingen en studenten die daar komen, moeten beter geselecteerd worden. Leraren die aan hun baan beginnen, moeten daar voldoende voor toegerust zijn. Een veel groter aantal leraren moet hun master hebben gehaald. Dat differentiëren wij naar onderwijssectoren. Dat ga ik nu allemaal niet opnoemen, maar daar zijn concrete doelstellingen aan gekoppeld. Bovendien moeten leraren professionals zijn die zich blijven bijscholen en die dus zijn ingeschreven in een beroepsregister. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik heb twee verduidelijkende vragen. Ten eerste, ik hoor de minister toch goed zeggen dat er bij lerarenopleidingen geselecteerd moet gaan worden? Wij gaan dus strenge toegangseisen stellen voor bijvoorbeeld de pabo, juist om ervoor te zorgen dat kinderen de best mogelijke leraar krijgen. Dat heb ik toch goed begrepen? Ten tweede, de minister noemt een aantal goede zaken, zoals opleiding en scholing van leraren en een register. Ik neem aan dat zij ook doorgaat of een en ander misschien wel verder aanscherpt. Hoe gaan wij er in het belang van de kinderen voor zorgen dat er in het onderwijs nu eens een keer de geest gaat ontstaan dat leraren die niet via bij- of opscholing in staat blijken te zijn om basisvaardigheden en andere vaardigheden toe te passen, begeleid worden naar ander werk? Wij willen namelijk de beste leraren voor de klas. Soms moeten wij constateren dat sommigen het niet in zich hebben. Daar is niets mis mee. Het is een nieuwe ontwikkeling, maar gaan wij daar nu op zitten? 

Minister Bussemaker:

Laten wij bij het begin beginnen: bij de studenten die op de pabo en de lerarenopleidingen komen. Voor hen worden wij dus strenger. Dat doen wij met algemene beleidsinitiatieven: het ophogen van het niveau van taal en rekenen in het hele onderwijs. Bij de pabo komen daar nog extra toetsen bij voor degenen die in hun middelbareschool- of mbo-opleiding geen aardrijkskunde, geschiedenis et cetera hebben gehad. Die moeten daar een toets voor doen. Wij gaan ook bekijken of wij studenten kunnen selecteren aan de hand van de vraag of ze wel geschikt zijn voor het onderwijs, want ook daar ligt een probleem. Als ze na het eerste jaar niet door een aantal basistoetsen zijn gekomen, dan krijgen ze een bindend studieadvies. Dus bij de pabo doen wij meer dan bij andere opleidingen, juist omdat wij er zo aan hechten dat de beste studenten bij de lerarenopleidingen komen. Als ze dan vervolgens werken, moeten ze beter begeleid worden, want wij merken dat leraren met name aan het begin van hun carrière heel vaak uitvallen, omdat ze zich in het diepe gegooid voelen en vaak tijdelijke contracten hebben. Voor het verbeteren van die begeleiding wordt flink wat geld uitgetrokken. Vervolgens wordt via het lerarenregister van iedereen gevraagd om zich te blijven bijscholen. Dus ook daarvoor geldt dat je moet laten zien dat je nog steeds geschikt bent voor het beroep van leraar. 

De heer Roemer (SP):

Even voor de helderheid, want dat is wel heel interessant. De heer Zijlstra doelde volgens mij — ik zeg het maar heel voorzichtig — heel duidelijk op selectie aan de poort. De minister zegt heel duidelijk dat zij daar niet van is. Zij heeft die toets liever na het eerste jaar. Zeg ik dat zo goed? Ik ben daar een voorstander van. Ik zou dat goed vinden, maar even voor de helderheid: gaat de minister niet mee met de heer Zijlstra als hij zegt dat die selectie aan de poort moet plaatsvinden? 

Minister Bussemaker:

Het zit daar precies tussen in. Ik ben niet voor selectie aan de poort in die zin dat wij zeggen: bepaalde leerlingen en studenten zijn niet welkom. Wij hebben wel geconstateerd dat er bij de pabo 70% afvalt tussen het moment dat een student begint en drie jaar na zijn afstuderen. 70%! Dat komt doordat er studenten zijn die de basisvaardigheden niet hebben, bijvoorbeeld omdat ze een heel andere mbo-opleiding hebben gedaan. Wij stellen geen enkele eis bij het vervolg van mbo naar hbo. Dat gaan wij nu dus wel doen. Je moet een, wat wij noemen, verwante opleiding hebben gehad. Wij stellen ook vast dat je een basisniveau moet hebben om op de pabo het niveau te leren waarop je later aan kinderen aardrijkskunde, geschiedenis, taal, rekenen et cetera moet geven. Dus dat doen wij op de inhoud. 

Nu zijn we aan het onderzoeken of we studenten ook kunnen selecteren op grond van geschiktheid voor het beroep, omdat wij weten dat er een groep is die het gewoon niet in zich heeft. Wij hebben de aanmelddatum voor alle studenten naar voren gehaald. Ik kan het nog niet bewijzen, maar ik heb signalen ontvangen dat er nu al studenten zijn die wel naar de pabo willen maar van wie onmiddellijk duidelijk is dat ze daar niet op hun plek zijn. Met de vaste commissie voor Onderwijs praten we daar zeer regelmatig over. Het betreft een heel palet aan maatregelen, die veel van de lerarenopleidingen en van de studenten vragen, maar die naar mijn idee bitter noodzakelijk zijn om de studenten niet teleur te stellen en de beste leraren voor de klas te krijgen. 

De heer Roemer (SP):

Wat de minister zegt, kan ik een heel eind volgen. Ik ben het er ook mee eens. Ik ben er in ieder geval blij mee dat zij zegt dat het kabinet niet kiest voor een strakke selectie aan de poort; dat zie ik graag gemarkeerd. Ik heb er nog wel een vraag over. Veel van de maatregelen, zoals de toetsing, die die de minister terecht voorstelt om een hoger slagingspercentage op pabo's te realiseren, hebben heel veel pabo's al ingevoerd; ik weet van zeer dichtbij hoe dat werkt. Toch haken nog steeds bovenmatig veel studenten af, zeker ook bij de deeltijd-pabo's. Wat kan de minister dan nog meer doen? Heeft zij een duidelijk beeld waarom die pabo's er vervolgens niet in slagen om die mensen binnenboord te houden? 

Minister Bussemaker:

Ik denk wel dat het een echte stap is. Daarom kijken we ook bij elke stap wie eruit vallen en wat ons dat leert. Dat kan aan het begin zijn, omdat ze gewoon niet goed geëquipeerd zijn voor de opleiding. Het kan ook zijn dat zij zich er niet thuis voelen. Wij weten bijvoorbeeld dat er helaas weinig mannen de pabo doen. De mannen die wel de pabo doen, haken vaak af omdat ze vinden dat ze veel te veel moeten knutselen en liedjes moeten zingen. Zij willen iets anders doen. Een aantal pabo's gaat zich er daarom in specialiseren om mannen over te halen en die bij elkaar in een groep te zetten. Dat is een heel simpel voorbeeld. Wij weten ook dat er studenten afhaken die wel hun diploma halen maar die niet goed landen bij de klas, omdat ze geen begeleiding krijgen. 

Wat hebben we dus gezegd? Die onderwijsinstellingen moeten die net afgestudeerde leraren langer begeleiden. De komende jaren starten we trajecten met juniorleraarschappen, zodat pas afgestudeerden in de eerste jaren intensiever begeleid worden door de hogeschool of universiteit waar ze hebben gestudeerd. Daarmee bekijken we stap voor stap wat wij doen, wat anderen doen — we kunnen het immers niet alleen — en wat we daarvan leren. Daar rapporteren we de Kamer elk jaar in september, oktober over. Dat gaat ook dit jaar gebeuren. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik dank de minister voor het uitgebreide antwoord, waarin zij keurig inging op de zaken na de poort maar ook voor de poort. Ik was heel blij dat de heer Roemer ruiterlijk toegaf het eens te zijn met alles wat de minister had uitgesproken. Daar zullen wij hem aan herinneren. 

Minister Bussemaker:

Laten we constateren dat we het dus in ieder geval met elkaar eens zijn dat er een verbeterslag moet worden gemaakt. Al doe ik het dan niet 100% zoals de WRR het wil met 100% academici, we maken wel forse slagen en zullen daar de komende jaren mee doorgaan. 

Ik was blij met de aandacht die vele woordvoerders voor het mbo hebben gevraagd. De heer Slob, de heer Samsom en anderen vinden dat het bij excellent onderwijs niet alleen over hoger onderwijs moet gaan; met name het vakonderwijs moeten we daar veel meer een plek in geven. Omdat het grootste deel van de jonge kinderen uiteindelijk immers een mbo-opleiding volgt, is het van belang dat we daar ook goede opleidingen hebben. Dat is niet alleen in het belang van de studenten, maar ook in het belang van de samenleving en van de economie. Juist voor mbo'ers zouden de kansen op werk weleens kleiner kunnen worden, door de technologische ontwikkelingen en doordat een deel van de traditionele taken die bij mbo-functies horen door computers en robots worden overgenomen. 

Daarom heb ik, na een toer van een halfjaar langs heel veel mbo-instellingen in het land, recentelijk een brief over de toekomst van het mbo naar de Kamer gestuurd, waarin heel nadrukkelijk een versterking van vakmanschap is opgenomen door middel van het inzetten van de competenties en de praktische creativiteit van mbo'ers. Daarmee worden zij in staat gesteld om in te spelen op de nieuwe mogelijkheden en ook zelf vorm te geven aan nieuwe beroepen. Daarbij hebben we ook aandacht voor de doorstroom naar het hogere onderwijs en voor doorstroom van het vmbo naar het mbo, bijvoorbeeld door technologieroutes, waarbij meer praktisch ingestelde studenten versneld kunnen instromen in het hbo. Dat soort zogenaamde "vakmanschaproutes" hebben we dus ook van het vmbo naar het mbo. 

De heer Buma zei dat we aandacht moesten hebben voor vakscholen. Laat in het rapport nou ook een pleidooi zitten om die heel grootschalige roc's om te vormen tot verenigingen van vakscholen. We hebben daar al goede voorbeelden van: het ROC Midden Nederland is daar al mee bezig. We gaan kijken hoe we aan de meester-gezeltitel op een nieuwe manier vorm kunnen geven om ook de excellentie in het vakmanschap verder te ontwikkelen. Ook ligt er een heel nadrukkelijke link met de maakindustrie en vanzelfsprekend met de samenwerking met het bedrijfsleven. 

Als antwoord op de vraag van de heer Slob en van de PVV hoe het zit met de afstemming tussen het mbo en het bedrijfsleven in de regio, wil ik wijzen op het Techniekpact, waar mijn collega Kamp het ook al over had. Daarin hebben we afgesproken dat we gaan kijken hoe we het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen beter met elkaar kunnen laten samenwerken. Dat gebeurt bijvoorbeeld doordat het bedrijfsleven nu investeert in studiebeurzen voor technische studenten. We hebben ook een Regionaal Investeringsfonds opgericht. Daar stop ik 100 miljoen in, dat moet worden aangevuld met 100 miljoen van het bedrijfsleven en 100 miljoen van de lokale en regionale overheden. Op die manier willen we lokaal het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen beter samen laten werken. We creëren ook meer ruimte in het onderwijsbeleid om de afstemming met het regionaal bedrijfsleven te zoeken. 

We zoeken daarbij in de regio's met name naar waar men sterk in is. Dat hoeft dus niet overal op dezelfde manier. Bij het mbo kan men door de Centra voor innovatief vakmanschap samenwerken met het bedrijfsleven. In Eindhoven doen ze dan aan hightech en in Groningen doen ze energie en in Rotterdam doen ze de haven. Dat zijn mooie vormen om onderwijs en het bedrijfsleven samen aan het werk te krijgen. 

Dat betekent overigens dat we in het onderwijsstelsel ook aandacht moeten hebben voor praktisch talent. We zijn nu erg gefocust op cognitief talent. Als we meer met het mbo willen, moeten we ook het beroepsonderwijs een plek geven. Dat begint al bij het basisonderwijs, maar dat geldt ook voor het vmbo en het havo. Ook daar zie ik inspiratie in het WRR-rapport, maar ook in de praktijk, in nieuwe vormen van onderwijs, zoals de techniek-mavo of het technasium. Dat zijn voorbeelden waar ook de WRR voor pleit: zorg voor meer individueel maatwerk en zorg ervoor dat de traditionele onderwijssystemen niet leidend zijn, maar dat we bekijken wat studenten aankunnen en waar zij behoefte aan hebben. Ook dat is best ingewikkeld en het lukt niet van de ene op de andere dag om daar de hele samenleving mee te wijzigen. Dit geeft echter wel inspiratie om op een andere manier naar het onderwijs te kijken. 

Op het terrein van het hoger onderwijs proberen we de ambitie te verwezenlijken. Daar heb ik recentelijk uitgebreid met de Kamer over gesproken, naar aanleiding van de afspraken over het studievoorschot. Daarmee kunnen we echt gaan investeren in verbetering van het onderwijs, met een investeringsagenda die oploopt tot 1 miljard. Dat betekent dat we ook uitvoering kunnen geven aan een belangrijke aanbeveling uit het WRR-advies, namelijk het bieden van uitdagend en gedifferentieerd onderwijs dat is toegespitst op wat studenten willen en kunnen. Dat kan in de praktijk vorm krijgen door intensievere begeleiding, verhoging van het aantal contacturen, meer aandacht voor excellentietrajecten en schakelprogramma's. Dat gaan we de komende tijd uitwerken. Daar horen ook inventief en uitdagend onderwijs en goede docenten bij. Tegen de heer Roemer zeg ik: dus geen leerfabrieken, maar ook ruimte voor verbeelding. De WRR noemt dat "het opleiden van competente rebellen", mensen die in staat zijn om nieuwe informatie met elkaar te verwerken en te verbinden en om te reflecteren en die de creativiteit waar ik het in het begin over had, kunnen verbinden met wetenschappelijk onderzoek. 

Met het studievoorschot zijn we er niet, want ik kom in 2015 nog met een strategische agenda voor het hoger onderwijs. Daarin gaan we verder bekijken wat we de komende tien jaar nog nodig hebben in het hoger onderwijs om ook in die periode bij de tijd te blijven. 

De voorzitter:

Ik wil iemand altijd even laten uitspreken, mijnheer Roemer. Vandaar dat ik u heel even liet wachten. Ik geef u nu de gelegenheid om uw vraag te stellen. 

De heer Roemer (SP):

De minister ging heel snel door het vorige blokje heen. Dat ging over het uitdagen en opvoeden van leerlingen tot bredere en creatievere denkers. Dat is een leuk idee en dat staat leuk op papier, maar de praktijk is weerbarstiger, omdat wij van de scholen enorme toetsfabrieken maken. Dat begint al op de basisscholen. Wij laten de scholen ook zo met elkaar concurreren en wij rekenen de scholen zo af op een bepaald aantal cognitieve vakken dat er op scholen nauwelijks ruimte is voor het ontwikkelen van die vaardigheden en voor de volwaardige ontwikkeling van het kind. Die ruimte is er niet, omdat wij er zo'n toetsfabriek van maken. 

Minister Bussemaker:

Dat ben ik niet met de heer Roemer eens. Toetsen kunnen heel nuttig zijn, maar het hangt er wel helemaal van af waar je voor toetst. Een toets, bijvoorbeeld de Cito-toets, kan nuttig zijn om te voorkomen dat een docent bijvoorbeeld tegen de dochter van de melkboer zegt dat zij toch niet goed kan leren en dat zij daarom naar het vmbo moet. Er wordt dus echt gekeken naar wat mensen zelf aankunnen. Ik geef echter toe dat de manier waarop toetsen vaak worden gepercipieerd en gebruikt, te veel tot selectie leidt. Het mag dus niet zo zijn dat men op bijvoorbeeld een middelbare school tegen een leerling die wel de gangbare cijfers heeft die voor het niveau van dat betreffende voortgezet onderwijs gelden, zegt: jij hebt een te lage Cito-toets, dus je bent bij mij niet welkom. 

Daarnaast besteden we veel aandacht aan burgerschap. We zijn ook een heel intensief programma voor cultuuronderwijs aan het ontwikkelen, juist om de vormende kant meer nadruk te geven. 

De heer Roemer (SP):

Ik heb er achttien jaar mee gewerkt. Ik heb gezien dat het leerlingvolgsysteem, bedoeld om te zien wat de vorderingen van de leerlingen zijn, een ander verhaal is dan de toetsbatterij die over de scholen wordt uitgestort, met name om te concurreren op rendement. Scholen worden elkaars concurrenten: welke school is beter en welke adviezen zijn er? Over het belang van een toets aan het eind van het jaar als bevestiging voor ouders van het samen het juiste schooltype kiezen, hebben we het allang niet meer. We laten nu scholen met elkaar concurreren. We zijn aan het bekijken of de toetsen van dien aard zijn dat ze voldoende rendement hebben opgeleverd op het gebied van het reken- en taalonderwijs. Er is op scholen te weinig ruimte voor leerkrachten om leerlingen te leren omgaan met verschillen, hen te leren nadenken en hen de creatieve vaardigheden te laten ontwikkelen om inderdaad klaar te zijn voor de toekomst. We moeten af van het rendementsdenken en van die toetsbatterijen. Als de minister dat niet wil doen, dan blijft het leuke theorie en dan blijft de praktijk heel anders. 

Minister Bussemaker:

Ik vind de opmerking van de heer Roemer ongenuanceerd. Ik zie dat er scholen zijn die doorslaan. Ik zie ook dat er ouders zijn die doorslaan. Ik zie echter ook scholen die op een heel goede manier bezig zijn, bijvoorbeeld met de profielkeuze, en die veel doen aan cultuuronderwijs of sportonderwijs, juist om iets anders te bieden. Ik had het net over het mbo. Daarin zijn we heel bewust afgestapt van het concurreren. We zeggen: we willen niet meer dat jullie met elkaar concurreren, maar we willen dat jullie uitdagend onderwijs bieden en dat jullie laten zien waarin je in kwalitatief opzicht verschilt van andere scholen. Dat gaat niet van de ene op de andere dag. Ik zal niet zeggen dat het op dit moment overal in Nederland 100% op orde is. Als ik echter naar een aantal sectoren kijk, dan denk ik wel dat we voortgang boeken. We kunnen dat niet alleen doen. Daarvoor hebben we ook anderen nodig. Dan moeten we ook de ouders aanspreken die het onderste uit de kan willen, die nooit tevreden zijn. Ook dat vraagt heel veel van leraren. Daarbij moeten we hen goed begeleiden. 

De voorzitter:

Gaat u verder. 

Minister Bussemaker:

Voorzitter. We hadden het over het hoger onderwijs. Vandaaruit komen we ook bij de arbeidsmarkt en de overgang naar wat ik maar noem "de transitionele arbeidsmarkt". Loopbanen worden immers steeds vaker onderbroken en kennis en producten verouderen. Mensen moeten daarom inderdaad bijleren, zich steeds kunnen aanpassen en wendbaar zijn. We stellen tegelijkertijd ook vast dat de deelname aan scholing door sommige groepen, zoals lager opgeleiden, mbo'ers, flexwerkers, zzp'ers en werknemers in het mkb, al lang achterblijft en dat scholing nog onvoldoende is gericht op een brede inzetbaarheid over de grenzen van bedrijven, branches en sectoren heen. Dat maakt dat we opnieuw moeten bekijken wat we nodig hebben om een leven lang leren te stimuleren en dat we moeten bekijken of de bestaande regelingen wel toekomstbestendig zijn. 

Ik ben het met de heer Pechtold in die zin eens dat ik me wel erg zorgen maak, met name als het gaat om deeltijdonderwijs en een leven lang leren. Dat is in Nederland op veel punten gedaald. De SER concludeerde al in 2012 dat van alle inspanningen, zowel aan de aanbodzijde als aan de vraagzijde, eigenlijk heel weinig terecht is gekomen. Dat betekent dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn. Ik wil me hiervoor inzetten. Ik vind ook echt dat we het moeten keren. Ik heb daarover een advies van de commissie-Rinnooy Kan gekregen. Dat was overigens, zo zeg ik tegen de heer Pechtold, nog niet zo heel lang geleden, in maart 2014 en dus niet een jaar geleden. Dat was op zichzelf nog best een ingewikkeld advies. De Kamer krijgt binnenkort, na de zomer maar in ieder geval voor Prinsjesdag, een reactie van het kabinet daarop. 

We zullen die verbinden met een aantal dingen die we al doen. Ik had het net over het studievoorschot. Daarin zit een collegegeldkredietverruiming voor mbo'ers in. Dat vind ik zelf heel belangrijk, omdat het bij een leven lang leren heel vaak over hoger opgeleiden gaat, terwijl het juist ook moet gaan over de beroepen die kwetsbaar zijn. Er zit ook collegegeld in voor ouderen, zo zeg ik tegen de heer Klein. Mensen worden dus gestimuleerd om zich tot op latere leeftijd nog te laten scholen. Maar er zijn ook andere manieren dan alleen het volgen van hoger onderwijs. Je kunt het bijvoorbeeld ook doen door eerst te gaan werken en de Associate degree voor mbo'ers te gaan volgen. Dat is een verkorte hbo-opleiding. In het advies van de commissie-Rinnooy Kan wordt overigens ook gesproken over vouchers, maar dan in de zin van individuele leerrechten. Ook daarop zullen we dus ingaan in onze reactie. 

Behalve het onderwijs is natuurlijk de wetenschap cruciaal. Die is de sleutel tot een vitale kennissamenleving. Juist in een samenleving waarin kennis snel veroudert, moeten er immers mensen zijn die goed in staat zijn om die nieuwe kennis te verbinden en responsief te zijn. Ook daarover kan ik kort zijn, want ook daarover krijgt de Kamer nog een visiebrief van de staatssecretaris van Onderwijs en mij. Die komt na de zomer. Daarin geven we ook antwoord op het ibo-rapport, het interdepartementaal beleidsonderzoek naar de kwaliteit van onderzoek en wetenschap in Nederland. Tegen de heer Van Klaveren, die ondertussen is vertrokken, zeg ik dat de Nederlandse wetenschap er heel goed voor staat. Misschien staan we niet in de top tien van universiteiten, zoals de universiteiten in de Verenigde Staten, maar we hebben er wel dertien die bijna allemaal tot de top 200 behoren. Dat is een prestatie van formaat. 

De heer Roemer (SP):

Al geruime tijd praten dit kabinet en het vorige kabinet over een leven lang leren. De minister van Economische Zaken probeerde zonet nog te suggereren dat we al heel wat stappen gezet hebben. We concluderen echter dat deze minister zegt: het is allemaal moeilijk, er komt binnenkort een brief en het is nog steeds niet gelukt. Wil de minister dan op zijn minst nog uitspreken dat ze zo veel mogelijk drempels wil weghalen? Ik had het bijvoorbeeld al over een tweede studie, die vaak €8.000 tot misschien wel €30.000 kan gaan kosten. De minister noemt het nu een studievoorschot. De termen worden met de dag leuker, maar het is gewoon een schuldensystematiek. Studenten steken zich voor 35 jaar in de schulden. Ik had het al over vastigheid voor mensen die betrokken zijn bij bedrijven. Als die er niet is, ga je niet in elkaar investeren en dat daagt niet uit tot een leven lang leren. Er is zo veel te doen, maar je bent afhankelijk van een cao, je bent afhankelijk van je baas en je bent ervan afhankelijk in hoeverre het kabinet jou jezelf in de schulden laat steken en welke belachelijke bedragen je moet betalen voor een tweede studie. Dat bevordert geen leven lang leren. 

Minister Bussemaker:

De minister van Economische Zaken heeft zonet gezegd dat we al een aantal dingen doen en dat klopt ook. Wat ik constateer, en wat ook de SER in 2012 heeft geconstateerd, is dat er wel veel inspanningen zijn geweest om een leven lang leren te bevorderen, maar dat we geen echte vooruitgang boeken. Dat maakt het ook wel een ingewikkeld thema. Er zijn dus ook geen makkelijke oplossingen. De oplossingen van de heer Roemer gaan er ook niet voor zorgen dat alles opeens helemaal verandert. Overigens bekostigt de overheid één bachelor en één master. We maken al een uitzondering voor degenen die opleidingen in de zorg en het onderwijs volgen. Ook hebben we recentelijk nog gezegd dat degenen die tijdens hun eerste opleiding aan een tweede studie beginnen, nog gewoon het wettelijke collegegeld kunnen betalen. Met een studievoorschot verruimen we het collegegeldkrediet. Misschien is het allemaal niet voldoende voor de heer Roemer, of niet helemaal zoals hij het wil, maar hij kan niet zeggen dat we niets doen. 

De heer Roemer (SP):

Als wij met elkaar van mening zijn dat een lerende economie van groot belang is voor onze toekomst, voor onze economie en voor ons verdienmodel, dan moeten we toch op de agenda hebben staan dat we mensen willen stimuleren om zo goed mogelijk door te leren? Dan helpt een rekening voor de tweede studie van tussen de €8.000 en de €20.000 of €30.000 niet. Jongeren vroegtijdig in schulden steken die ze 35 jaar lang moeten aflossen, helpt dan ook niet. En een situatie creëren waarin werkgevers en werknemers altijd op gespannen voet staan — heb ik morgen nog een baan? — bevordert ook niet dat men zo in een bedrijf komt te werken dat men in elkaar gaat investeren. Ja, we kunnen veel meer doen, maar het kabinet doet het niet. 

Minister Bussemaker:

Het onderzoek dat ik ken, geeft niet aan dat het alleen aan de financiering van de tweede studie ligt. Veel belangrijker is dat je bekijkt of je het onderwijs zo kunt organiseren dat het aantrekkelijk wordt voor degenen die tijdelijk en gericht wat willen bijleren, bijvoorbeeld door met kleinere modules te werken en door het makkelijker te maken om studeren met het werkzame leven te combineren, of door daar met sociale partners — dat werd genoemd — over te praten in het kader van O&O-fondsen. Er zijn tal van mogelijkheden. De heer Roemer geeft er maar één aan. Het onderzoek wijst tot nu toe niet uit dat dit het grootste probleem is bij een leven lang leren. Dat wil je niet alleen doen door een nieuwe studie te gaan volgen, maar vooral door je kennis bij de tijd te houden. Nogmaals, daar komen we op terug in de kabinetsreactie die de Kamer voor Prinsjesdag krijgt. 

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister zei net dat we geen eenvoudige oplossing hebben om een leven lang leren even makkelijk voor elkaar te krijgen. Bij de persconferentie bij het WRR-rapport werd echter naar voren gebracht dat op het terrein van de gezondheidszorg enorm veel geld beschikbaar is voor onderzoek naar mogelijke innovaties — onder andere het ZonMw-programma — en dat dit eigenlijk in de onderwijssector op die manier gemist wordt. Wil de minister daar nog eens op reageren? 

Minister Bussemaker:

Daar heeft de WRR een punt. Ik ben ook wel jaloers op wat er in de zorg gebeurt aan onderzoek met een organisatie als ZonMw. Dat ambieert het onderwijs ook. Daar proberen we nu verandering in te brengen met de NRO. Dat is een organisatie die evidencebased onderzoek doet naar interventies in het onderwijs. Zij is ondergebracht bij NWO. We hebben de afgelopen jaren middelen die verstopt zaten in kleine potjes, daar ondergebracht. We hebben samen met de universiteiten en de hbo-instellingen ook geconstateerd dat met name wat betreft leraren de onderzoeksfunctie van universiteiten en hbo-instellingen versterkt moet worden. Ja, daar is werk aan de winkel; daar ligt echt nog een uitdaging. 

De heer Van der Staaij (SGP):

Helder. De minister geeft aan dat daar nog werk aan de winkel is en dat het wellicht een uitdaging is. Wordt er ook nog systematisch aan de Kamer gerapporteerd in hoeverre we stappen in die richting maken? Wat is daarvoor het kader? 

Minister Bussemaker:

Daar moet ik even over nadenken, want het komt waarschijnlijk op verschillende punten terug, sowieso bij de OCW-begroting, maar ook bij de Lerarenagenda omdat het daar ook bij aanhaakt. Wellicht kan ik de heer Van der Staaij ook beloven dat ik daar bij de wetenschapsvisie op zal ingaan. Dan krijgt de Kamer de stand van zaken. Die krijgt zij in ieder geval na de zomer. 

Als we het hebben over wetenschap is het van groot belang om na te denken over de uitdagingen in de kennisintensieve samenleving. Dan laten wij ons inspireren door de WRR, maar ook door wat er in Europa gebeurt. Daar is men bezig met Horizon 2020 en nieuwe aandacht voor onderzoek bij de onderverdeling van science for science and for industry, wat meer raakt aan de topsectoren, en science for society. Daar gaat het ook over thema's als zorg, onderwijs, duurzaamheid en smart cities; ook een actueel thema. Dat zijn thema's waarbij wetenschap een innovatie samengaan en die bijdragen aan het toekomstig verdienvermogen van Nederland, zoals de WRR aangeeft. Dat zijn processen die niet helemaal van bovenaf georganiseerd kunnen worden. Wij kunnen het wel ondersteunen. Dat gaan we dus ook doen. Althans, daar hoort de Kamer meer over bij de wetenschapsvisie. We zien echter ook dat dit al gebeurt tussen universiteiten, hogescholen, bedrijven en maatschappelijke actoren. Een mooi voorbeeld daarvan heb ik vorige week zelf in Eindhoven gezien bij het Research Centre for Integrated Nanophotonics aan de TU Eindhoven. Daar hebben ze een clean lab dat vooral gebruikt wordt voor heel hoogtechnologisch onderzoek, maar ook voor onderzoek waarmee we over tien jaar echt ons geld kunnen verdienen. Dat gebeurt samen met universiteiten maar ook met bedrijven als ASML, die ruimte huren bij de universiteit. Je ziet bij veel van dit soort voorbeelden dat de kennisinstellingen een soort magneetwerking hebben en daarom degene zijn waartoe men zich aangetrokken voelt en waar die regionale afspraken en samenwerking tot stand komen, zeg ik in reactie op de heer Slob. 

Wij zullen ons moeten richten op waar wij goed in zijn. Er zijn geen concrete voorbeelden in andere landen die we zomaar kunnen kopiëren. We zullen ons moeten richten op de eigen sterkte, zoals de heer Beertema zei. We kunnen niet, zoals de heer Van der Staaij zei, de kadaverdiscipline van de Aziatische landen overnemen. Dat gaat het niet worden. De autonomie van het Finse onderwijs is niet zomaar te vertalen naar Nederland. Zo is ook het nationale curriculum dat uit Engeland komt, ook niet zomaar te vertalen naar het Nederlandse, want dat zou zich niet goed verhouden met de vrijheid van onderwijs die we in Nederland kennen. We mogen ons best gelukkig prijzen dat uiteindelijk steeds de OESO laat zien dat de Nederlandse onderwijsinstellingen, die relatief autonoom zijn, gekoppeld aan de centrale examinering en de rol van de inspectie, samen zorgen voor het bevorderen van kwalitatief goed onderwijs. Het kan wellicht nog wel beter en we hebben ook nog stappen te zetten, waarbij we ons ook laten inspireren door de WRR. We zijn dus ook nog niet klaar. 

De heer Roemer (SP):

De minister had het over de kwaliteit van de rol van de inspectie. Ik merk ook uit eigen ervaring van de afgelopen jaren dat de rol van de inspectie, zeker als het over basisonderwijs gaat, er meer een is van controleren dat de dossiers op orde zijn dan dat mensen van de inspectie meedenken met scholen over verbetering van de kwaliteit van het onderwijs in bredere zin of dat ze vrij zijn om adviezen te geven aan scholen. Is de minister bereid om na te gaan of de inspectie die rol wel expliciet kan krijgen? In dit geval heeft ze die namelijk niet. Die is niets meer dan alleen maar controleren of de dossiers op orde zijn en verder komt zij niet. 

Minister Bussemaker:

Dat is nou precies zo'n thema waar de staatssecretaris en ik heel intensief over in gesprek zijn met de inspectie. Daarover hebben we de Kamer ook recentelijk een brief gestuurd waarin we aangeven hoe we gedifferentieerd toezicht willen ontwikkelen, zodat instellingen die het goed doen en die hun zaakjes op orde hebben, minder gecontroleerd worden door de inspectie. We dagen scholen daarbij ook uit om zelf een visie te ontwikkelen. Wij constateren dat uit verlegenheid en onzekerheid heel veel scholen van alles organiseren en ook denken dat ze dat alles op moeten schrijven en verantwoorden, terwijl dat eigenlijk helemaal niet hoeft. Dus ook in het kader van regeldruk is dit een thema waar we zowel voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs als voor het mbo heel intensief mee bezig zijn. 

De heer Roemer (SP):

Ik ben heel benieuwd waar die ontwikkeling naartoe gaat, maar ik maak mij er wel druk over omdat ik een en ander ook in de praktijk heb gemerkt; je kunt wel mooi zeggen dat scholen het goed doen, maar de vraag is dan wat dan "goed" is. Dan hebben ze hun dossiers op orde. Daar gaat het echter niet om. Het gaat erom dat scholen door ervaren inspecteurs geholpen kunnen worden, waarbij ze inhoudelijk kwalitatief in de klassen kunnen kijken teneinde ruimte te geven aan de ouderwetse rol van de inspectie, namelijk meedenken over de kwaliteit van de school. U kunt wel zeggen "we willen daarnaartoe", maar ik merk dat als toetsgegevens niet op orde zijn of als een school aangeeft zo'n toets niet te willen doen, die school meteen bestempeld wordt als een zwakke school. 

Minister Bussemaker:

Wat wij willen, is meer differentiëren. Dat betekent dat een school die het goed doet en nog beter wil worden, ondersteund moet worden. Die moet een critical friend hebben, iemand die meedenkt over hoe het nog beter kan. Echter, een school die er een potje van maakt, die slecht onderwijs geeft of toelaat dat kinderen gewoon niet op school komen, moet wat mij betreft heel hard aangepakt worden. Dan ben ik heel blij met een inspectie die ook bereid is om in te grijpen waar dat moet. Over hoe je die vrijheid meer kunt organiseren, heb ik met het mbo afspraken gemaakt, namelijk over de urennorm. Sommigen vragen zich af of het allemaal zo strikt moet. Ik heb gezegd: "we stellen een norm vast; u mag daarvan afwijken, maar dan moet u wel een goede visie op onderwijs hebben, dan moet u dat afspreken met de docenten en bovendien moeten dan ook de studenten tevreden zijn. Maar dan mag u zelf ook meer uw visie ontwikkelen en bemoeien wij ons er minder mee." Dat vraagt om differentiatie en om cultuurverandering bij scholen om minder bang voor de inspectie te zijn. Het gaat erom dat ze durven te zeggen: we hebben een verhaal en weten waar we op afgerekend willen worden en komt u maar langs. Gelukkig zijn er meer scholen die dat doen. 

Voorzitter. Ik rond af. Het rapport van de WRR agendeert naar mijn idee dus echt belangrijke strategische thema's voor het onderwijs en biedt dus ook een belangrijk fundament voor het beleid, gericht op de verbetering van het onderwijs en de versterking van de Nederlandse economie. Wij doen al veel aan versterking van het groeivermogen via het onderwijs-, wetenschaps- en bedrijvenbeleid, conform de aanbevelingen van de WRR. Sommige aanbevelingen van de WRR vragen echt om verdere overdenking en uitwerking. Daar heb ik er net al een aantal van genoemd. Hoe kom je nu tot die absorptie van kennis? Hoe creëer je die kennisecosystemen op regionaal niveau? Daarbij laten wij ons inspireren door zowel de concepten van de WRR als hetgeen wij in de praktijk zien. Dat proberen wij bij elkaar te brengen. 

De inzichten die de WRR ons over het onderwijs heeft aangereikt, zullen echt terugkomen in een aantal beleidsbrieven die de Kamer binnenkort zal ontvangen of recentelijk heeft ontvangen. Het gaat onder meer om het beleid ten aanzien van toptalenten. Daarover heeft de Kamer eerder een brief van de staatssecretaris ontvangen. De brief met de kabinetsreactie op een leven lang leren en het rapport van de commissie flexibel hoger onderwijs, oftewel de commissie-Rinnooy Kan, krijgt de Kamer voor Prinsjesdag. De brief die ik net al noemde over het toezichtskader van de inspectie en de kabinetsreactie op het interdepartementaal beleidsonderzoek over wetenschap en de wetenschapsvisie van dit kabinet krijgt de Kamer ook na de zomer. De visie op de strategische ontwikkelingen in het hoger onderwijs krijgt de Kamer, zoals gezegd, in het voorjaar van 2015. 

Kortom, ik heb echt nog wel wat werk te doen. Dat gaat niet alleen over de uitvoering, waar wij nog veel ambities en taken hebben liggen, maar ook over het denkproces. Wij blijven nadenken over de vraag hoe wij niet alleen vandaag en morgen, maar ook over tien jaar ons onderwijs up-to-date kunnen houden en daarmee uiteindelijk ook ons geld kunnen verdienen. 

De voorzitter:

Dank u wel. Ik heb gehoord dat er moties werden aangekondigd. Ik concludeer dus dat er behoefte is aan een tweede termijn. Ik heb behoefte aan een korte schorsing. Ik schors de vergadering voor vijf minuten. 

De vergadering wordt van 23.12 uur tot 23.17 uur geschorst. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Naar verluidt had het kabinet een beetje spijt van de afhoudende reactie op het WRR-rapport in eerste instantie. Dat mochten wij tenminste vanochtend opmaken uit de Volkskrant. Als dat al zo zou zijn, heb ik daar in het eerste deel van de beantwoording van het kabinet weinig van gemerkt. Ik vond het een lege reactie van het kabinet. Ik heb in de interrupties op de minister-president en de minister van Economische Zaken gezegd dat die reactie meer invulling hadden moeten krijgen. 

Waarom vind ik dat zo belangrijk? Ik zei al eerder in een interruptie: wij zien elkaar hier bij Prinsjesdag of bij rellen, maar het is de bedoeling dat wij de agenda blijven vullen met ambitie, zeker als het kabinet een beetje op stoom komt. Daar had ik vandaag met een belangrijk rapport, niet het eerste op het gebied van innovatie, onderwijs en werk, meer van verwacht. Dan moeten wij daaraan echter wel invulling geven. Ik heb de heer Zijlstra eenmaal een interruptie zien plegen en de heer Samsom niet. Dat mag best. De Kamer kan het kabinet sturen en aanvuren. Ik heb het gevoel dat de Kamer ambitie heeft. Ik heb die ook bij de coalitiepartijen geproefd. Wij hebben samen met de collega's van ChristenUnie en SGP een motie gemaakt. Dan leidt het debat ergens toe. Ik lees de motie eerst voor en zal die daarna toelichten. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het WRR-rapport "Naar een lerende economie" pleit voor het ontwikkelen van een strategie gericht op het verdienvermogen van Nederland, waarin beleid voor economie, innovatie, onderwijs en arbeidsmarkt moet samenkomen; 

overwegende dat er op korte termijn behoefte is om innovatie te stimuleren ter versterking van de Nederlandse verdiencapaciteit; 

overwegende dat meevallers uit de gasbaten, die nu worden gebruikt voor begrotingsuitgaven, eindig zijn, en daardoor geïnvesteerd moeten worden in toekomstig verdienvermogen; 

overwegende dat er behoefte is aan extra financieringsmogelijkheden voor mkb-ondernemers die een vernieuwend product op de markt willen brengen; 

verzoekt de regering om een samenhangende toekomststrategie te ontwikkelen op basis van het WRR-rapport "Naar een lerende economie"; 

verzoekt de regering tevens om uiterlijk op Prinsjesdag 2014 een voorstel te doen voor een Toekomstfonds, gericht op duurzame economische groei, mede gevoed door een deel van de gasbaten, dat zonder aantasting van de hoofdsom afkomstig uit gasbaten wordt ingezet voor de financiering van innovatieve mkb-ondernemingen en waarvan het rendement bestemd wordt voor (fundamenteel) onderzoek, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold, Zijlstra, Samsom, Slob en Van der Staaij. 

Zij krijgt nr. 210 (27406). 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Wat zijn de meevallers uit aardgasbaten? 

De heer Pechtold (D66):

Het kabinet gaat altijd uit van ramingen. Die ramingen vallen vaak mee of tegen — dat is maar hoe je het bekijkt — en dat betekent dat er geld is dat je kunt investeren. De gedachte daarachter is natuurlijk ook dat die aardgasbaten een keer eindig zijn. Dan kijken wij verder in de toekomst. De bedoeling van dat toekomstfonds is om datgene wat er nu waardevol onder de grond is langzaam te gaan ombuigen tot investeringen die duurzaam zijn boven de grond. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dat is nog geen antwoord. Als ik het goed begrijp, gaat het erom dat er meer gas dan het gemiddelde uit de bodem wordt gehaald. 

De heer Pechtold (D66):

Het is de bedoeling — daar zal het kabinet op Prinsjesdag op terugkomen — dat er voor de begroting van volgend jaar een start wordt gemaakt met het fonds. Daar zal een bedrag in worden gezet. Vervolgens voedt het zich met de meeropbrengsten. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Om de motie te kunnen steunen heb ik nog wat helderheid nodig. De heer Pechtold heeft het over de meeropbrengst, maar daarvoor wordt toch met een ander bedrag gestart? 

De heer Pechtold (D66):

Ja. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Wat is dat bedrag dan? 

De heer Pechtold (D66):

Het kabinet zal in de totale afweging rond Prinsjesdag keuzes moeten maken. Vandaag is een bedrag van rond de 100 miljoen genoemd. Dat zou een startbedrag kunnen zijn, waarmee we vervolgens doorgaan. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het vreemde is dat de heer Pechtold het heeft over meevallers bij de aardgasbaten. Dat zijn dan toch de tegenvallers voor de Groningers? Zijn eigen fractie heeft indertijd gezegd dat we juist minder gas uit de grond moeten halen, omdat men in het noorden last van bevingen heeft. Wat is het nu? Moet ik mevrouw Van Veldhoven geloven die aan minister Kamp vraagt om minder gas uit de grond te halen, of de heer Pechtold die zegt dat er meer uitgehaald moet worden, zodat we de meeropbrengsten kunnen gebruiken voor innovatie? 

De heer Pechtold (D66):

De heer Buma hoort beide D66'ers hetzelfde zeggen. Er zijn meevallers die kunnen worden ingezet voor de toekomst. Ik zou van het CDA een iets positievere houding verwachten. Ik zie bijna het beeld van Groningers die door het toekomstfonds trillen. Ik weet hoe het CDA dit soort dingen soms weet samen te vatten. Ik zou graag een iets positievere grondhouding van het CDA verwachten, vooral omdat het CDA samen met D66, ik geloof een jaar geleden, probeerde om een dergelijk idee tot een studie te laten leiden. Ik zou tegen de heer Buma willen zeggen dat hij op zijn wenken wordt bediend. Dat gaan we nu namelijk doen. Als het trilt, is dat dus ook dankzij het CDA. 

Ik vraag de minister-president, de zelfbenoemde toekomstcommissaris, om ons op Prinsjesdag te informeren over de strategie. Natuurlijk kunnen we niet in één keer alle gasbaten in het fonds storten. Dat geeft problemen op de begroting. Het moet dus geleidelijk gaan. We kunnen het komend jaar met een beperkt bedrag beginnen, bijvoorbeeld met 100 miljoen. Als het aan mij ligt wordt dat geen dood kapitaal, maar kan het worden geïnvesteerd in de innovatie van het mkb. Na opstartstubsidies hebben bedrijven vaak moeite om kapitaal te vinden om door te groeien. Het fonds kan voorzien in die kapitaalbehoefte. Het geld verdwijnt dus niet, maar wordt geïnvesteerd en terugverdiend. Zo blijven de baten behouden voor de volgende generaties. Het rendement op het fonds moet worden uitgegeven aan fundamenteel onderzoek. Dat is ook erg belangrijk voor ons wetenschapsbeleid. 

Naast het toekomstfonds wil ik nog kort stilstaan bij een Leven Lang Leren, waarover zojuist met beide bewindslieden informatie is gewisseld. Ook daar verwacht ik meer van het kabinet. Ik dien daarom de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat het voor nieuwe groei en meer banen van groot belang is om een leven lang leren werkelijk vorm te geven; 

constaterende dat de commissie-Rinnooy Kan zich heeft gericht op het onderwijsaanbod; 

verzoekt het kabinet om in samenwerking met werkgevers, werknemers en het onderwijsveld voorstellen te doen hoe van dit onderwijsaanbod gedurende de gehele loopbaan optimaal gebruikgemaakt kan worden, en hierover voorafgaand aan de behandeling van de begroting van OCW te rapporteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Pechtold en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 211 (27406). 

De heer Pechtold (D66):

Wat mij betreft ... 

De voorzitter:

Ik stel voor dat u één korte slotopmerking maakt, want zo kort als uw eerste termijn was, zo uitgebreid is uw tweede. Dat is niet helemaal de bedoeling. 

De heer Pechtold (D66):

Ik was de enige die zich aan de zeven minuten spreektijd hield. 

De voorzitter:

Dat klopt, maar dat heeft u met uw interrupties weer goed gemaakt. 

De heer Pechtold (D66):

Wat mij betreft houden wij een debat als dit vaker, zeker als het gaat om de toekomstagenda van het kabinet en om belangrijke rapporten, zoals dat van de WRR. Het kabinet pakt volgens mij die handschoen op. Bij de begrotingsbehandelingen van de diverse ministeries, maar ook van de minister-president, zullen we zien dat de visie vandaag niet stopt. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik sloeg even aan op de duiding van de heer Pechtold in de gezamenlijke motie. Hij zei dat het ging om fundamenteel onderzoek. 

De heer Pechtold (D66):

Ik heb een aantal keren "tussen haakjes" gezegd. 

De heer Zijlstra (VVD):

Later duidde hij het anders. We zijn het er toch over eens dat het gaat om bijvoorbeeld Horizon 2020, waar we zoeken naar cofinanciering voor projecten die de aansluiting zoeken tussen onderzoek en verdienvermogen? Ik vraag dit even zodat het kabinet de goede boodschap meekrijgt. 

De heer Pechtold (D66):

Inderdaad, in het debat is Horizon 2020 al genoemd, net als de NWO-projecten. Daar zijn er tal van en we kunnen ze heel concreet maken: vliegtuigen die op zonne-energie vliegen, het Human Brain Project, of het opnemen van 3D-filmpjes met je mobiele telefoon. Ik vond dat de minister van Onderwijs zojuist een aantal verfrissende ideeën had over hoe hele beroepsgroepen gaan veranderen en zich gaan ontwikkelen. Hiermee kunnen we daaraan een slinger geven. 

Ik zeg nog ten overvloede dat dit geen concurrentie is met bijvoorbeeld het topsectorenbeleid. Dat zou namelijk betekenen dat de hakken in het zand gaan. We gaan dit geld juist vinden in het mkb en in innovatie. Nogmaals: ik zie de uitwerking van onze toekomstcommissaris graag tegemoet. 

De heer Roemer (SP):

Voorzitter. Ik dank de leden van het kabinet voor de beantwoording, al valt daar veel over te zeggen. In de eerdere schriftelijke reactie van het kabinet en voor een deel ook in wat vanavond is gezegd, lijkt het kabinet zich toch maar beperkt wat aan te trekken van de analyse en de voorstellen van de WRR. Van reflectie op eigen beleid en op de grote verschillen tussen dat beleid en de voorstellen van de WRR is nauwelijks sprake. Er is vanavond een enorme opsomming geweest van wat er allemaal gebeurt. Echte reflectie op fundamentele zaken die de WRR ons heeft willen meegeven, is vanuit het kabinet wat ons betreft onvoldoende aan bod gekomen. Dat vind ik een gemiste kans. 

Voor de SP-fractie geldt dat het rapport wel degelijk aanleiding geeft om onze voorstellen voor een lerende, duurzame en met name sociale en solidaire samenleving uit te breiden en te versterken. De WRR biedt het kabinet en de Kamer vele mogelijkheden om het innovatiebeleid te verbreden, het mkb duurzaam te stimuleren en de binnenlandse vraag te vergroten. Mijn fractie gaat graag aan de slag met de voorstellen om het onderwijs verder te helpen en de economie te verduurzamen en vooral te democratiseren. Dat geldt ook voor opmerkingen over het afstappen van het rendementsdenken, de toetsfabrieken en het voorstaan van een bredere opvoeding en opleiding voor onze kinderen. Het wordt tijd om te investeren in een echt breder en beter onderwijs. Er is nog een wereld te winnen in het waarderen van banen in bijvoorbeeld de publieke sector, de schoonmaak, de vuilnisophaaldienst, de zorg, enzovoorts. 

Tot slot: het wordt ook tijd om het verschil in inkomens en vermogens in Nederland keer op keer te betrekken bij dit soort belangrijke debatten. Dat zullen we in de toekomst zeker gaan doen. Het wordt nog een hele strijd. 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Het kabinet schrikt van de stapel papier in mijn hand. Het denkt: dat zijn allemaal moties. Het kabinet is niet uitgeregeerd. Ik dacht het even, maar vandaag heb ik gehoord dat er nog heel veel te doen is op het gebied van uitvoering, en dat er ook nog heel veel nieuwe zaken op de rol staan die misschien alweer na het regeerakkoord zijn uitgedacht. 

Of je bent uitgeregeerd of niet hangt uiteindelijk natuurlijk af van de ambitie die je hebt in wat je als de grote uitdagingen van de toekomst ziet. Welke uitdagingen zie je, en wat is je ambitie om daar wat aan te doen? In mijn eerste termijn heb ik er drie genoemd: werkgelegenheid, toenemende ongelijkheid, en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en schaarste aan grondstoffen. Je kunt ook andere uitdagingen formuleren. Dat is de discussie die we met elkaar horen te voeren. De ambitie hebben om te werken aan die uitdagingen die je zelf heel belangrijk vindt, is volgens mij de essentie van regeren. Of het kabinet dus is uitgeregeerd of niet, zal afhangen van de manier waarop het met die grote uitdagingen omgaat. 

Over de ongelijkheid hebben we het kort gehad. De minister-president heeft gezegd dat die de laatste tijd een klein beetje groter wordt, maar dat die in heel veel andere landen veel groter is. 

Over grondstoffen en energieafhankelijkheid hebben wij het gehad, bijvoorbeeld in het kader van het brede welvaartsbegrip, waarin je meer meeneemt dan alleen de economische groei puur in financiële termen. Over de werkgelegenheid hebben wij het uitgebreid gehad. Meerdere fracties in deze Kamer hebben gezegd dat dit de absolute prioriteit is voor het toekomstige kabinetsbeleid. Als eerste wil ik op het punt van de werkgelegenheid een motie indienen. Ik verwijs ter toelichting naar het debat dat ik met name met de minister van Economische Zaken had over de relatie tussen groei, automatisering en banen. De minister van Economische Zaken zei dat er steeds weer nieuwe werkgelegenheid zal zijn. In de brief die wij van het kabinet kregen als antwoord op het WRR-rapport stond dat het kabinet een nader onderzoek zou doen naar die ingewikkelde samenhang. Ik wil het kabinet daar graag aan houden. Als dit wordt toegezegd, kan ik de motie wellicht weer intrekken. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de WRR erop wijst dat de toenemende automatisering kan leiden tot het verdwijnen van middenklassebanen; 

overwegende dat de WRR er daarnaast op wijst dat toenemende automatisering consequenties kan hebben voor de werkgelegenheid op alle opleidingsniveaus; 

overwegende dat meer informatie over deze ontwikkeling nodig is om te komen tot een langetermijnstrategie voor de arbeidsmarkt; 

verzoekt de regering, in kaart te brengen wat de mogelijke effecten van toenemende automatisering zijn op de arbeidsmarkt en de Kamer hierover uiterlijk 2014 te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 212 (27406). 

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mijn tweede motie gaat over het brede welvaartsbegrip. Daarmee ben ik dan ook meteen klaar met mijn bijdrage in tweede termijn. In mijn eerste termijn heb ik gezegd dat het goed zou zijn als de Kamer daar zelf, naar het voorbeeld van een aantal van de ons omringende landen, eens wat preciezer naar zou kijken. Mijn tweede motie gaat daar dan ook over. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de WRR concludeert dat de "intelligence" van het verdienvermogen momenteel zo is ingericht dat in Nederland de facto vooral op macro-economische parameters wordt gestuurd en dat hiermee een structuur is geschapen die de korte termijn boven de lange termijn plaatst; 

overwegende dat als wij de toekomst zwaarder willen laten meewegen in onze huidige beslissingen, wij de uitruil tussen de korte en de lange termijn inzichtelijk moeten maken; 

overwegende dat het bbp-begrip, het bruto binnenlands product, daarvoor volgens de WRR verschillende beperkingen kent; 

besluit tot het instellen van een tijdelijke commissie op basis van artikel 18 van het Reglement van Orde die de taak heeft te komen tot een breed welvaartsbegrip en daarbij behorende indicatoren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ojik en Pechtold. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 213 (27406). 

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Ik heb nog een laatste punt. De partijen die fondsen willen inrichten en die belastinggeld willen spenderen aan de illusie dat de dynamiek in het onderwijs en de economie gestuurd kan worden, zouden het volgende gegeven voor ogen moeten houden. Ten opzichte van 1995 geven wij nu per jaar 22 miljard euro extra uit aan onderwijs zonder dat de werkdruk is verlaagd, zonder dat de klassen zijn verkleind, zonder vermindering van het aantal onbevoegde leraren, maar grosso modo met hetzelfde aantal leerlingen. Waar is het geld gebleven? Dat geld is terechtgekomen in de zakken van managers, stuurgroepen, bestuurders, interimmers en consultants. Elke extra uitgave die wij daar nu bovenop doen, verdwijnt in diezelfde zakken zonder dat de lerende economie een stap dichterbij komt. 

Wat is het recept dan wel? Ik herhaal het nog even heel kort: sobere huisvesting, sobere governance, keigoede leraren, een oormerking van het onderwijsgeld in 80% voor het primaire proces en 20% voor "het gedoe", zoals staatssecretaris Rutte van Onderwijs dat ooit heeft genoemd, eenduidige eindtermen, toetsing en selectie, uitdaging, afrekenen en belonen. Kortom, meer van die Angelsaksische uitdagingen en concurrentie, minder pamperen, begeleiden en uit handen nemen. Dat kost tijd. In het onderwijs denken wij in cohorten, in generaties zelfs. Juist daarom is het zo belangrijk om nu al te beginnen met het herstel van het onderwijs. Ik ben echter bang dat dit niet gaat lukken. We zouden over vijf jaar zo ver kunnen zijn dat we de juiste leraren voor de klas hebben staan. Je zou zeggen: geen dag te verliezen. Ik ben echter bang dat wij tot 2017 zullen moeten wachten, tenzij het kabinet tussentijds valt. Tot die tijd zullen de consultants, de bestuurders en de lobbyisten deze coalitie zeer dankbaar zijn. Hun schoorsteen zal roken dat het een lieve lust is. 

De heer Samsom (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb in eerste termijn de eerste reactie van het kabinet op de WRR-studie wat laconiek genoemd. Ik ben blij dat de minister van OCW die laconieke reactie in een goede context heeft geplaatst. Ik ben natuurlijk vooral blij dat de bewindslieden zich in dit debat hebben gerevancheerd door een lange reeks van maatregelen en voornemens te noemen. Dat zijn voor een deel dingen die al gedaan werden; dat klopt. Voor een deel zijn het echter dingen die nog beter gedaan kunnen worden. 

De heer Pechtold gaf in drie punten de bewijslast voor het feit dat er nog niet genoeg werd gereageerd. Op een leven lang leren is naar ik meen met name de minister van OCW uitgebreid ingegaan. Zij heeft beloofd dat de reactie op het rapport van Rinnooy Kan snel komt. Mocht dat niet genoeg zijn, dan ligt daar zelfs nog een motie bovenop, zo heb ik geconstateerd. Het tweede punt is dat van de duurzame energie. De WRR constateert terecht dat we op dat punt zwaar achterlopen. Gelukkig staat in hetzelfde rapport dat er dit keer wel een hoge ambitie ligt om de achterstand meer dan goed te maken in de komende tien jaar. Zo lang gaan wij daar namelijk over doen. Tot slot gaat het over R&D. Dat kan altijd beter. Met vijf partijen hebben we daarover een vrij zwaar belegde motie ingediend waarmee de financiële middelen in de komende tijd worden vergroot en misschien nog wel met meer als de aardgasbaten inderdaad meevallen. 

Ik ben erg blij met de reactie van het kabinet in relatie tot het mbo. Leren, verdienen en werken gaan in dit land voor iedereen op, niet alleen voor hoogopgeleiden maar ook voor de vakmensen in dit land die een kans moeten krijgen, die betere kansen moeten krijgen. De agenda van de minister van OCW maar ook van de minister van Economische Zaken op dat punt ziet er veelbelovend uit. Werken en verdienen gelden voor iedereen in Nederland, dus ook voor mensen die niet in de Randstad wonen. Ik heb een motie van de heer Slob meeondertekend om de regionale innovatie en ontwikkeling van hieruit verder te ondersteunen waar dat mogelijk is. 

De onderliggende ambitie van dit hele debat, de onderliggende opdracht, is om de komende tijd alles in het teken te zetten van werk, werk, werk. Ik zag toevallig op het journaal dat de minister-president nogal schrok toen ik dat aangaf. Gelukkig gaf hij in zijn beantwoording in eerste termijn wel degelijk aan dat dit de ambitie is, niet alleen van hem maar ook van vicepremier Asscher en naar ik aanneem van de rest van het kabinet. Wij zullen het kabinet daar de komende periode aan houden en op afrekenen. Dat is op dit moment het belangrijkste wat Nederland nodig heeft. Aan het werk. 

De heer Slob (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb het niet geturfd, maar ik denk dat de meest gebruikte woorden in dit debat "visie" en "ambitie" zijn geweest, al spatte dat nog niet helemaal van het debat zelf af. Dat snap ik ergens ook wel, want het belangwekkende rapport van de WRR is heel omvangrijk en daarin zijn ontzettend veel zaken aan de orde gesteld. Ik dacht dat het de heer Roemer was die terecht opmerkte dat als het over heel veel gaat, het risico bestaat dat het uiteindelijk over helemaal niets gaat. Dat is gelukkig niet de uitkomst van dit debat geworden, maar ik ben er wel van overtuigd dat het debat dat wij hier hebben gevoerd, niet nu helemaal beëindigd moet worden. We moeten het op allerlei andere terreinen oppakken en we moeten ervoor zorgen dat het rapport van de WRR niet ergens onderop in een la belandt. We moeten het gewoon gebruiken op het moment dat we weer uitgebreid praten over de positie van het mkb of over de verdere uitwerking van de plannen rond het mbo. 

We moeten dit ook gebruiken als we met elkaar nadenken over de vraag hoe innovatie — het is een prachtig woord — ook in de toekomst voortdurend kan worden bevorderd, ook in financiële zin. Het laatste is voor mijn fractie een reden geweest om de motie van de heer Pechtold te ondertekenen. Hij heeft het prachtige woord "toekomstfonds" gebruikt. Het is duidelijk wat er van het kabinet wordt gevraagd. We zullen straks op Prinsjesdag daarvan de eerste uitwerkingen terugzien. 

Over één onderwerp wil ik een motie indienen, namelijk over regionale economie. Ik heb met nadruk gezegd dat het ontzettend belangrijk is dat in die regio's de samenwerking tussen regionale overheden, het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen tot stand komt. De WRR heeft dat in duidelijke bewoording onderstreept. Op sommige plekken gaat dit goed, maar er zijn ook plekken waar dit absoluut nog een duw in de rug kan gebruiken. Daar is het ook nodig dat de rijksoverheid zich erbij voegt om, waar mogelijk en waar nodig, het van de grond komen van de samenwerking te ondersteunen. Ik zeg nogmaals dat dit niet overal nodig is. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de WRR benadrukt dat regionaal-economisch beleid vraagt om het intelligent verbinden van wat er al is en dat voor de economische ontwikkeling van regio's maatwerk van groot belang is; 

overwegende dat er soms grote verschillen zijn in economische structuur, beroepsbevolking en werkgelegenheid, en dat landelijke regelgeving en beleid niet altijd aansluiten op de regionale situatie; 

verzoekt de regering, waar op initiatief van de regio gewerkt wordt aan structurele versterkingen van de economie, daar waar mogelijk bij te dragen aan actieplannen om innovaties te stimuleren met behulp van rijksbeleid, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Slob en Samsom. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 214 (27406). 

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de beantwoording. De vraag die vanavond een aantal keren naar voren is gekomen, is of het kabinet niet is uitgeregeerd. Ik zat me af te vragen wanneer dit type vragen voor het laatst in de Kamer is gesteld. Dat is volgens mij heel lang geleden. Er is heel vaak gevraagd of het kabinet wel aan regeren is toegekomen. Wat dat betreft is het toch eigenlijk wel een compliment dat deze vraag nu naar voren komt. 

Vervolgens blijkt dat er voor een agenda voor de toekomst genoeg werk aan de winkel is. We hebben een goed debat gevoerd op basis van een inspirerend rapport van de WRR. Dat is een goed geneesmiddel tegen elke vorm van zelfgenoegzaamheid en kortetermijndenken. Er is vanavond een stevige vervolgagenda aan de orde geweest. Diverse visiebrieven of hoe het verder ook genoemd wordt, spreken we door op gevolgen voor het economisch beleid en voor het onderwijsbeleid. Ik ben ook blij met de motie over het toekomstfonds die namens de vijf partijen is ingediend. 

Pim is afgehaakt. Het werd hem wat te laat vanavond. Het is misschien echter wel goed om bij de uitwerking van de plannen nadrukkelijk ook naar de jonge generatie te kijken. Hoe kunnen bijvoorbeeld politieke jongerenorganisaties worden betrokken bij de ideeën voor de economie van morgen? Zij zijn het die uiteindelijk straks die boterham moeten gaan verdienen. 

Ik zei al dat het goed is dat we vanavond dit debat hebben gevoerd. Het ging daarbij voor een deel juist ook over de plannen voor de lange termijn. Het viel mij op dat destijds, bij de presentatie van het WRR-rapport, werd gezegd dat het bij de doorrekening van de verkiezingsprogramma's, in Keuzes in Kaart, uiteindelijk wel weer heel erg over de korte termijn ging. Daarin gaat het om de vraag wat de modellen op die korte termijn doen. Ik zou wensen dat we dat hier ook zouden meenemen. We zeggen nu over allerlei dingen: het is heel goed om te investeren in het verdienvermogen voor de langere termijn. Die dingen moeten straks niet ineens allemaal worden vergeten omdat we dan alleen maar kijken naar wat die modelletjes of die toetsen zeggen over de korte termijn. Ik doel op toetsen op een andere manier dan de manier waarover de heer Roemer het had; dit geldt ook voor onze eigen toetsten. Dat neem ik in ieder geval zelf ook mee van dit debat. 

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren):

Voorzitter. Ik houd het kort. Ik heb één motie. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat het Nederlandse hoger onderwijs internationaal matig scoort; 

overwegende dat het niveau snel omhoog moet, er meer verantwoordelijkheid gelegd moet worden bij studenten, ongemotiveerde instroom moet worden beperkt en er toe moet worden gegaan naar meer specialisatie; 

verzoekt de regering, in te zetten op de privatisering van het hoger onderwijs, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Klaveren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 215 (27406). 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Voorzitter. Dank aan het kabinet voor de beantwoording in zijn langdurige eerste termijn. Toen de minister-president de zegeningen van de veranderende economie aanduidde, kwam hij op het bezingen van de lof op de taxi-app Uber en de boodschappenservice van de supermarkt als dé grote veranderingen van de economie. Dat was ook meteen het meest inspirerende deel van de inbreng van het kabinet, want die was langdurig maar betrof toch vooral het bezingen van de lof van de eigen prestaties en van wat er allemaal al niet wordt gepresteerd. 

Er was veel jargon, waarbij voor mij het meest duistere woord "kennisecosysteem" is, waarmee wij de toekomst te lijf gaan, terwijl de werkelijkheid er toch een is van heel gewone Nederlanders, die in de toekomst een baan willen hebben, die echt niet allemaal bij start-ups en innovatieve toekomstbedrijven werken maar bijvoorbeeld wel in de bouw. Al die mensen in de bouw zullen echter wel zien dat er per 1 januari 2015 minder opdrachten komen, doordat de btw omhooggaat. Wij hebben te maken met een middenklasse die vermalen wordt tussen de bovenkant en de onderkant, zoals de WRR aangaf. Wij hebben verlies aan vertrouwen in de samenleving. Kortom, wij hebben heel grote uitdagingen. 

Het onderwijs is vooral een probleem voor degenen die het willen gaan volgen, want zij worden door het leenstelsel niet geconfronteerd met een leven lang leren, maar met een leven lang schulden. 

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter … 

De voorzitter:

Ik wil graag de vragen aan het einde doen. Gaat u verder, mijnheer Buma. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter, voor deze ingreep. De heer Pechtold heeft een motie ingediend over een toekomstfonds, waarop de regering al positief heeft gereageerd. Daar hebben wij ook over gesproken. Na lezen en herlezen blijft zij bij mij de grote vraag oproepen: wat gebeurt er nou eigenlijk? Immers, een toekomstfonds waarbij wij de aardgasbaten echt apart gaan zetten, vind ik goed, maar als wij gewoon de belasting verhogen met 100 miljoen om 100 miljoen uit te kunnen geven volgend jaar, dan hebben wij er niets aan. Die oorspronkelijke motie ging over de echte aardgasbaten en over het aanwenden daarvan voor een fonds of voor lastenverlichting dan wel voor het betalen van de schuld. Daarom heb ik een motie die dat terugbrengt in de fondsmotie. Die motie luidt als volgt en daarna ben ik ook klaar met mijn inbreng. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende dat de regering overweegt een "toekomstfonds" in te stellen ten behoeve van de financiering van innovatie en fundamenteel onderzoek, dat wordt gevoed uit de aardgasbaten; 

overwegende dat er nog onduidelijkheid bestaat over de budgettaire gevolgen en de omvang van de structurele bijdrage uit het fonds; 

verzoekt de regering om naast een "toekomstfonds" ook de voor- en nadelen van een aanwending van de gasbaten voor reductie van de staatsschuld en verlaging van de rentelasten te onderzoeken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Haersma Buma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 216 (27406). 

De heer Pechtold (D66):

Het CDA vindt keer op keer weer punten waarvan het zegt: het is allemaal fout. Vandaag kunnen wij er twee op het lijstje bijzetten, namelijk de beweging die het kabinet nu gaat maken om structureel na te denken over de gasbaten. Daar kun je het niet over eens zijn. Daar kun je van alles van vinden, maar het CDA neemt eigenlijk nu al afscheid. 

Het CDA maakt ook weer een probleem van de btw. Twee jaar hebben we die laag kunnen houden en het CDA zet nu het beeld neer alsof die omhooggaat. Het CDA heeft problemen met de accijnzen, maar heeft in het eigen verkiezingsprogramma voor 700 miljoen aan accijnzen staan. Het CDA maakt problemen van de stamrecht-bv's, maar maakt het in de tegenbegrotingen niet waar. Daar tel ik de zorg niet eens bij op. In het CDA-verkiezingsprogramma staan dezelfde bezuinigingen in omvang op de zorg als de bezuinigingen die het kabinet, gesteund door D66, aan het doorvoeren is. Dat wordt dus hard werken deze zomer voor het CDA. Ik verwacht namelijk op al die punten alternatieven, van de btw van 6% en de twee miljard voor die stamrecht-bv's tot al die andere zaken. Alternatieven, gedekt en wel, toch? 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ja, net als het afgelopen jaar. Ook in die tegenbegroting hadden we alle alternatieven gedekt. Er zijn andere keuzes gemaakt — dat accepteer ik — maar we hadden ze gedekt. Daar maak ik dus geen enkel probleem van. Veel merkwaardiger is dat de heer Pechtold hier een debat heeft gevoerd met grote kritiek op het kabinet. Zijn kritiek op het kabinet was nog harder dan van wie dan ook uit de Kamer. Het moest allemaal anders, om te eindigen met grote steun voor het kabinet en het verzoek om honderd miljoen op de begroting vrij te maken voor een fonds. Zo anders dan dit kabinet het doet, doet D66 het dus helemaal niet. Als de heer Pechtold vindt dat het anders moet, doe het dan ook anders. Dat zullen we laten zien. 

De heer Pechtold (D66):

Je hebt stuurlui vanuit de oppositie die op alles schieten, maar ook stuurlui die kansen pakken en denken: nou, op bepaalde punten kunnen wij het bijsturen, met het doel om daar in de toekomst, bijvoorbeeld door middel van een fonds, wat mee te veranderen. Ik geef het patroon aan waar het CDA in zit. Neem die studiefinanciering. Er gaat dadelijk een miljard meer naar het hoger onderwijs. Dat is een verhoging van 20% van de budgetten van die instellingen. Ik ben heel benieuwd hoe het CDA in het kader van de kenniseconomie dadelijk even 800 miljoen à 1 miljard gaat vrijspelen in de tegenbegroting, los van de btw, los van de stamrecht-bv's, los van de accijnzen, los van de zorgkosten en ga zo maar door. Van dat alles hoor ik namelijk dat het niet goed is. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Toch is dit wel fascinerend aan het einde van deze dag; de kalender wordt al bijna naar de 25ste omgeslagen. Het was een debat over de toekomst. En wie komt er alleen maar terug op de begrotingsregeltjes? Dat is collega Pechtold. Het gaat om de toekomst, de verre toekomst. Ik heb aangegeven dat er heel andere en veel grotere problemen zijn dan de problemen die je oplost met dit fonds. Het kan een bijdrage zijn — dat vind ik allemaal even mooi — maar het is nog geen begin van een oplossing voor de grote problemen die de heer Pechtold zelf aansneed. Dat mag hij zich zeker aanrekenen. 

De heer Zijlstra (VVD):

Voortbouwend op wat de heer Pechtold aangaf: ik heb er natuurlijk alle vertrouwen in dat het CDA dat gaat dekken. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Dank u. 

De heer Zijlstra (VVD):

Aangezien de heer Buma over de toekomst spreekt, heb ik er ook alle vertrouwen in dat hij niet alleen maar een beetje gaat plussen en minnen voor het komende jaar, maar dat hij ook in staat is om een doorkijk voorbij het jaar 2015 te geven. Die uitdaging heeft hij ook aangenomen voor de tegenbegroting. Hij heeft net ook aangegeven dat hij 12 miljard aan aardgasbaten alternatief gaat dekken. Ik wens hem dus veel succes. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Het gekke is dat ik het afgelopen jaar ook alle alternatieven heb laten zien. Daarom is het zo fascinerend dat u nu verbaasd bent. U wilde ze niet. Dat kan, maar ik heb ze wel aangegeven. Natuurlijk kun je keuzes maken, maar ik heb ze het afgelopen jaar gemaakt. U wilde toen niet meedoen, en dit jaar ook niet. Mijn stelling is dat dat fonds, dat zo groots is aangekondigd als "het fonds voor de toekomst", die naam niet kan dragen. Het kan zeker een bijdrage zijn. Als je 100 miljoen hebt en je gebruikt de renteopbrengst, dan heb je inderdaad 4 miljoen voor investeringen. Gefeliciteerd. 

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. De heer Buma sprak net over kennisecosystemen. Toen kreeg ik het benauwd, want straks krijgen we nog het verzoek van GroenLinks om kennisecologische-verbindingszones te gaan instellen. Dan gaat het niet helemaal goed komen. 

Er is vandaag heel veel gesproken over het verdienvermogen. Maar laten we dan wel even teruggaan naar waar geld wordt verdiend: bij bedrijven en bij ondernemers. De overheid verdient geen geld; zij geeft alleen maar geld uit. Dat is misschien slecht nieuws voor veel aanwezigen hier. Als we het over het verdienvermogen van Nederland hebben, moeten we het dus hebben over de vraag hoe we ervoor zorgen dat ondernemers en bedrijven in dit land geld kunnen verdienen. Als zij zo lang over het verdienvermogen zouden praten als wij vanavond hebben gedaan, ziet het er niet heel goed uit voor het Nederlandse verdienvermogen. De les moet zijn dat wij op dit dossier enige terughoudendheid moeten betrachten en dat wij daar waar het geld verdiend wordt, ruimte moeten bieden. 

Dan helpen sommige boodschappen die ik voorbij heb zien komen, misschien niet. Ik noem bijvoorbeeld de motie van de heren Pechtold en Van Ojik over de commissie-Rinnooy Kan. Laten we nou niet weer opnieuw gaan praten met het onderwijsveld, de werkgevers en de werknemers! Dat heeft de commissie-Rinnooy Kan nou juist gedaan. Zullen we gewoon aan de slag gaan? Zullen we ervoor zorgen dat de bestaande structuren doorbroken worden en dat we de vraag van bedrijven en van mensen die een leven lang willen leren, centraal stellen? Laten we aan de slag gaan met het vastgeroeste onderwijsaanbod, dat juist een van de blokkerende factoren is. Ik neem die uitdaging graag aan, maar die staat niet in de motie. Schrijf die motie dus net iets anders op, zodat die uitdaging daar wordt neergelegd en zodat we dat punt kunnen waarmaken. 

De voorzitter:

Mijnheer Pechtold, een momentje. Mijnheer Zijlstra, bent u klaar met uw inbreng? 

De heer Zijlstra (VVD):

Nee. 

De voorzitter:

Dan maken we die eerst af. Zo probeer ik het nu te doen, want we zijn al zeven uur bezig. 

De heer Zijlstra (VVD):

Laten we ook niet een tijdelijke commissie voor een breed welvaartsbegrip instellen! Laten we de ondernemers nu de ruimte bieden! Dan gaan we toch niet een tijdelijke commissie over een welvaartsbegrip laten praten? Dat lijkt mij de verkeerde lijn. Het gaat om het bieden van ruimte. 

Complimenten aan het kabinet. Er is veel gedaan en het kabinet heeft vanavond terecht aangegeven dat er ook nog veel moet gebeuren. Op een gegeven moment kreeg ik de indruk dat het kabinet en de Kamerfracties het over heel veel dingen eens zijn en dat sommigen wanhopig op zoek gingen: kunnen we het nou niet echt heel erg oneens zijn om te voorkomen dat het debat vervelend wordt? Ik ben juist blij dat er een grote mate van overeenstemming over is dat er een aantal zaken moeten gebeuren, zonder kleurverschillen. Daar ligt echt een uitdaging. De HBO-raad met de vouchers: ga nou aan de slag voor het leven lang leren! Sectoroverstijgende O&O-fondsen: laten we de vakbonden nou even buiten boord houden en laten we mogelijk maken dat iemand die in de agrosector zit, zich bijschoolt in de technieksector en niet meer wordt tegengehouden door dat soort beperkingen. Ook dat beluister ik bij het kabinet. Dat zijn goede ontwikkelingen; ga daarmee door! Dat zijn de zaken die moeten gebeuren: ruimte bieden, blokkades wegnemen en grenzen overstijgen. Ik hoor dat van het kabinet en ik hoor die wens bij veel collega's. Die wens is er zeker ook bij de VVD. Wij gaan die uitdaging graag aan, juist om ervoor te zorgen dat het verdienvermogen van Nederland toeneemt op de terreinen waar het geld echt verdiend wordt, dus bij de bedrijven. 

De heer Pechtold (D66):

Collega Van Ojik en ik nemen die handschoen natuurlijk op en we gaan die motie naar de heer Zijlstra sturen. Hij gaat die motie nog wat concreter maken en gaat haar dan medeondertekenen. Dat is hartstikke mooi, maar vindt de heer Zijlstra dit echt belangrijk? Dat rapport liet al even op zich wachten, maar de kabinetsreactie laat al een jaar op zich wachten. Dan denk ik: kabinet, kom op! Laten we er dan samen voor komen dat die reactie komt. 

De heer Zijlstra (VVD):

Ik heb de minister horen zeggen dat zij voor of — dat zal het verschil niet maken — uiterlijk op Prinsjesdag die reactie zal geven. Ik heb er veel vertrouwen in dat dit kabinet en deze minister die handschoen gaan oppakken, juist omdat het kabinet net als ik en net als u heeft aangegeven dat het de bestaande structuren wil doorbreken. Hier is nu echt een dossier met heel veel bestaande structuur die het leven lang leren ontzettend in de weg staat. De structuur is namelijk aanbodgericht, waardoor helemaal niet bekeken wordt wat de student en met name de werknemer nodig hebben. Er moet een omslag komen naar vraaggericht. Dat is een prima ontwikkeling. Ik heet u van harte welkom met de aangepaste motie. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Voorzitter. We zijn gisteren begonnen met dit debat. We hebben van het kabinet een uitvoerige beschrijving gekregen van de stand van zaken. Die was behoorlijk ronkend. Maar ja, dat is logisch, want je gaat je eigen waar niet afkeuren. De aanleiding van het debat was uiteraard het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, maar uit het debat blijkt dat het rapport eigenlijk meer een soort sidekick was. Het ging veel minder over de aanbevelingen en de wijze waarop we daar iets goeds mee zouden moeten doen. Het kabinet heeft in de beantwoording veel aandacht gegeven aan de macro-ontwikkelingen, aan kansen, aan innovatie en aan de mogelijkheden die er zijn. Dat kun je ook moeilijk ontkennen. Daarom heb ik daarop ook niet geïnterrumpeerd. Dat is dan niet nodig. 

Vervolgens komt er gelukkig wel iets concreets, namelijk het voorstel van de heer Pechtold over het fonds voor de toekomst. Daar zijn we uitermate blij mee, want dat sluit goed aan bij onze ideeën over een fonds voor de toekomstige generaties, zodat ook die in dit land een goed leven zullen hebben. 

Er is ook veel aandacht gegeven aan onderwijs in zijn algemeenheid, met name ook aan het onderwijs aan de jongeren. Verder is het gegaan over het verbeteren van de kwaliteit van nieuwe docenten. Er is even aandacht geschonken aan een tweede opleiding, een vervolgopleiding, naast je werk. Het blijft echter nog behoorlijk vaag als het gaat over het een leven lang leren. Niet voor niks is al een paar keer een algemeen overleg over het een leven lang leren uitgesteld. We verwachten dat dat overleg er na de zomer wel zal zijn. Dan kunnen we er wellicht verder over praten. Het is uiteraard van supergroot belang dat dat goed wordt ingevuld. 

Kenniswerken, "naar een lerende economie", maar er blijkt weinig geleerd te zijn. We moeten naar een lerende economie, maar er is weinig geleerd als het gaat over de waarde van 50-plussers en gepensioneerden in onze samenleving. Ik heb er in de beantwoording door de regering helemaal niets over gehoord. Daarom dien ik de volgende motie in. 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid stelt dat de overheid zich vooral moet richten op het accommoderen en aanjagen van noodzakelijke maatschappelijke hervormingen om onze welvaart ook voor toekomstige generaties te behouden; 

overwegende dat daarbij cruciaal is de verbetering van het innoverend vermogen van Nederland in het algemeen en het mkb in het bijzonder; 

overwegende dat in het mkb veel ondernemers 50-plussers zijn die met hun ervaring, kennis en kunde een brug kunnen slaan naar nieuwe technologieën; 

verzoekt de regering, in haar beleid meer focus te geven aan de kennis, kunde en de ervaring van de 50-plussers om deze optimaal te benutten in de uitwerking van de aanbevelingen uit het WRR-rapport "Naar een lerende economie", 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 217 (27406). 

Hiermee is een einde gekomen aan de tweede termijn van de Kamer. De regering heeft aangegeven, direct over te kunnen gaan tot het geven van de laatste antwoorden en de reacties op de ingediende moties. 

Minister Rutte:

Voorzitter. Voordat ik bij de moties kom, maak ik drie opmerkingen vooraf. In de eerste plaats moet ik zeggen dat ik niet alleen het WRR-rapport inspirerend vond maar ook dit debat. Het was wel even een zoektocht. Het was natuurlijk ook onvermijdelijk dat hier en daar een enkele vlieg werd gevonden en dat die vervolgens ook werd afgevangen. Dat hoort bij debatteren. Dat is helemaal niet erg. Vervolgens was het ook even zoeken naar de mate van abstractheid en de mate van concreetheid, maar dat ging aan beide zijden, bij kabinet en Kamer, gedurende het debat echter steeds beter, althans dat vond ik. Dat leidde ook tot steeds meer content. Ik denk dat dit echt een goede manier is om met elkaar over dit soort onderwerpen te spreken. Enkelen zeiden al: we hebben heel vaak debatten over dingetjes, maar dit is een debat over de grote dingen. Elke kans daartoe moeten we met elkaar aangrijpen. 

In de tweede plaats was ik blij dat zowel de heer Van der Staaij als de heer Van Ojik nog eens heeft bevestigd dat het kabinet volop werk te doen heeft. Het is heel goed om dat te horen, ook van verschillende partijen: één partij die samenwerkt met het kabinet en een andere partij die dat op onderwerpen wel doet maar iets minder structureel dan die ene partij. Ik ben het daarmee eens. Er is heel veel in uitvoering. Er is nog heel veel te doen. Ik heb heel veel onderwerpen genoemd waarbij dat aan de orde is. 

Tot slot maak ik, voordat ik bij de moties kom, de volgende opmerking. Het was de heer Pechtold die zei: we hebben nu allerlei beleidsterreinen waarop een aantal thema's behandeld zijn die de begrotingen van de verschillende departementen overstijgen en die de beleidsterreinen als het ware doorsnijden. De vraag is hoe je daarop zicht kunt houden. Ik heb al toegezegd dat ik me daarvoor in het bijzonder verantwoordelijk voel, uiteraard ook met de minister van Financiën. Die voelt zich daarvoor verantwoordelijk, maar ikzelf ook, als minister-president en nu ook getooid met de nieuwe titel van innovatiecommissaris. 

Dat betekent dat ik de Kamer wijs op een aantal terreinen waarop dat redelijk vanzelfsprekend gebeurt. Dat zijn de groeibrief, de wetenschapsvisie, Leven Lang Leren, de sectorakkoorden in het onderwijs, de reactie op de commissie-Van Dijkhuizen en de follow-up die er gaat komen voor het toekomstfonds als de motie-Pechtold wordt aangenomen. Mijn ragfijne politieke intuïtie zegt me dat er daarvoor weleens een politieke meerderheid kan zijn. Ik noem ook de Omgevingswet. Daarin zit heel veel vereenvoudiging van wet- en regelgeving, maar ook administratievelastenverlichting. Ook noem ik het actieplan mkb-financiering. Het zijn allemaal concrete zaken die inderdaad portefeuilledoorsnijdend zijn, waar het kabinet op verschillende momenten mee zal komen, die allemaal steeds in een context moeten worden bezien en die allemaal door het kabinet zullen worden belicht, ook in dit debat over de WRR. Dat is dus een manier om dat te doen. Het is niet dé manier, maar een manier om er portefeuilledoorsnijdend voor te zorgen dat ook de Kamer de follow-up goed in de gaten kan houden, zonder dat daarvoor een nieuwe administratie wordt opgetuigd. Dat heb ik ook verschillende leden horen zeggen. 

Er zijn acht moties ingediend, waarvan er een niet vraagt om een reactie van het kabinet. Dat is de motie op stuk nr. 213. Ik neem de vrijheid om de moties op de stukken nrs. 210, 216 en 217 voor mijn rekening te nemen. 

Het kabinet onderschrijft de motie op stuk nr. 210. Wij onderschrijven ook de gedachte achter zo'n fonds. Dat kan extra middelen vrijmaken om te investeren in de innovatieve kracht van Nederland. Dat sluit goed aan bij de ambities van het kabinet. Het is ook goed dat in de motie specifiek het probleem wordt geadresseerd van de mkb-financiering. De minister van Economische Zaken komt binnenkort met een actieplan mkb-financiering. Als de motie wordt aangenomen, zullen wij het voorstel vanuit de gedachte van de indieners verder uitwerken. Ik ben ook blij met het interruptiedebat tussen de heer Pechtold en de heer Zijlstra over de opmerking in de motie over het fundamenteel onderzoek. Dat zou namelijk, ook wat betreft het type debat dat wij hier voeren, de zaak wel erg beperken. Juist ook het toepassingsgerichte onderzoek is van belang voor investeringen in bijvoorbeeld hoogwaardige apparatuur en faciliteiten die niet zonder publieke financiering tot stand kunnen komen en die van belang zijn voor het toegepaste onderzoek. Ik was dus blij met de vraag van Zijlstra en de reactie van Pechtold over een nadere duiding aan de motie. Wij zien ons zeer uitgedaagd om deze motie verder uit te werken langs de geschetste lijnen. 

Dat betekent dat ik de motie op stuk nr. 216, van de heer Buma, ontraad. We hebben gewoon de begrotingsregels. De motie lijkt mij weinig toe te voegen. Ik kan mij zo voorstellen dat de heer Buma, ook gehoord de uitdaging die de heer Pechtold bij hem neerlegt, de motie op stuk nr. 210 zal steunen en daarmee de overbodigheid van zijn eigen motie zal inzien. 

De heer Van Haersma Buma (CDA):

Ik begrijp dat in zoverre niet helemaal dat mijn motie, net als de motie-Pechtold c.s., een vervolg is op een eerder aangenomen motie, die nog niet uitgevoerd is, waarin juist wel gevraagd werd om een onderzoek naar de mogelijkheid om in plaats van een fonds, de renteopbrengsten te gebruiken als je de staatsschuld kunt verlagen. De bedoeling van de motie is om het elkander niet te laten bijten. 

Minister Rutte:

Nee, dat snap ik, maar ik vraag me echt af wat daarvan de toegevoegde waarde is. Maar goed, laten we bekijken of de motie wordt aangenomen. Ik zou haar willen ontraden. Volgens mij voegt zij heel weinig aan het debat toe. De normale begrotingsregels zijn dat meevallers gebruikt worden om de staatsschuld te verlagen. In de motie-Pechtold c.s. is ook sprake van een specifieke voeding, onder bijzondere omstandigheden, van dat fonds. Dat bijt elkaar inderdaad niet; daar heeft de heer Buma gelijk in. Maar volgens mij zijn we met zijn allen redelijk overtuigd van de grote waarde van een lagere staatsschuld. Dat neemt niet weg dat we af en toe natuurlijk nog steeds als Kamer en kabinet besluiten tot bepaalde voeding van fondsen en tot bepaalde uitgaven die gedaan moeten worden, die uiteraard niet direct bijdragen tot een verlaging van de staatsschuld maar die we wel om allerlei redenen belangrijk vinden. 

Ik vind de motie op stuk nr. 217 echt te categoriaal. Het hele beleid van Kamp en Bussemaker, dus van de minister van Economische Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, is gericht niet op 50-minners, niet op 50-plussers maar op de hele samenleving, of dat nu studenten zijn, met een leven lang leren, mensen die op hogere leeftijd weer aan de slag willen komen of mensen die een bedrijf willen starten. Ik zou echt willen voorkomen, zeker nu er twee 50PLUS-fracties zijn, dat we dadelijk allemaal onderzoeken moeten gaan doen en we, voor we het weten, allemaal ambassadeurs en taskforces moeten gaan aanstellen om 50-plussers apart te behandelen. Volgens mij wordt niemand daar wijzer van en is het vooral van belang dat we 50-minners en 50-plussers integraal als één grote samenleving bezien. 

De voorzitter:

Dat betekent dat u deze motie ontraadt? 

Minister Rutte:

Dat hebt u goed aangevoeld, voorzitter. Ik ontraad de motie. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Ik vraag de minister-president de motie eerst nog eens goed te lezen. Wij willen helemaal geen onderscheid maken. Dat moet je ook helemaal niet willen. Het gaat niet over een samenleving die met 50-minners of 50-plussers gaat draaien. Het gaat wel om de vraag hoe je omgaat met verschillende mensen en verschillende groepen, zodat je heel nadrukkelijk rekening houdt met en de kennis gebruikt van 50-plussers om de samenleving omhoog te stuwen. Daar is de focus in het beleid voor bedoeld. Het gaat helemaal niet over de vraag hoe je mensen wel of niet … Het gaat over de uitwerking van je beleid. Je moet ervoor zorgen dat je de ervaring en de waarde van 50-plussers en gepensioneerden gebruikt in je beleid. Dat wordt overal, categoraal in feite, ontkend. Ik denk dat het verstandiger is om dat aan te nemen en niet zozeer om uit te gaan van een scheiding tussen 50-minners en 50-plussers, jongeren en ouderen en noem maar op. 

Minister Rutte:

Waar het de gezondheidszorg, pensioenvoorzieningen of de arbeidsmarkt betreft, is het natuurlijk logisch dat je ook naar leeftijd kijkt; vanzelfsprekend. Maar wat betreft ervaringen in de samenleving: er zijn soldaten teruggekomen uit Uruzgan, Kunduz of andere inzetgebieden die nog maar in de 20 zijn en toch al heel bijzondere ervaringen hebben bij te dragen aan de samenleving. Er zijn mensen van boven de 90 die van alles hebben meegemaakt in eerdere delen van de twintigste eeuw, die heel veel kunnen bijdragen aan de samenleving. Het is een gevoelskwestie, maar ook een opvatting. Ik zou willen voorkomen dat, waar bijvoorbeeld bij pensioenen, op de arbeidsmarkt of in de gezondheidszorg een leeftijdsonderscheid gerechtvaardigd is, we zo'n onderscheid uitbreiden naar de hele samenleving. Ervaringen en unieke bijdragen hebben namelijk niets met leeftijd te maken. Die hebben te maken met je eigen achtergrond, met wat je hebt meegemaakt en wat je hebt bij te dragen. Als je daar categoriaal beleid op gaat zetten, zijn we de samenleving aan het opknippen in hokjes. Ik zou daar als liberaal, maar ik denk dat ik ook voor de sociaaldemocratie spreek, niet voor voelen. 

De heer Klein (50PLUS/Klein):

Ik ben het er absoluut mee eens dat we de samenleving niet in hokjes moeten indelen. Daar gaat het natuurlijk ook om. Maar dan gaat het er ook om dat je de waarde en de ervaring van 50-plussers, net als de waarde en ervaring van anderen, moet kunnen gebruiken. Daarom heb ik in de motie aangegeven dat het gaat om het benutten van een focus in het beleid bij het uitwerken van de aanbevelingen van de WRR. Die zie ik absoluut niet en die zie ik ook niet terug in het kabinetsbeleid. Er is dus geen scheiding, er zijn geen hokjes, maar het gaat om een eenduidig beleid, waarbij je rekening houdt met de ervaring en de kennis van 50-plussers en gepensioneerden om te komen tot een lerende economie. 

Minister Rutte:

Dit is waarom de beweging van 50PLUS uiteindelijk vastloopt in haar eigen logica. Nogmaals, vanuit de gezondheidszorg, pensioenen en de arbeidsmarkt is er over leeftijd best een boom op te zetten om specifiek naar leeftijdscategorieën te kijken, maar voor het delen van ervaringen in de samenleving is leeftijd slechts een van de verklarende factoren. Er zijn nog zo veel andere factoren. Welke ervaringen heb je opgedaan? Wat zijn je bijzondere, unieke capaciteiten? Dat is heel vaak onafhankelijk van leeftijd. Ik heb het al vaak gezegd: ik ken stokoude dertigers en piepjonge zeventigers. Ik denk even aan Ivo Opstelten en Erica Terpstra. Als zij horen dat hun ervaring dankzij 50PLUS op een bepaalde manier wordt benut, dan zouden ze me echt woest opbellen, en terecht. Ik zou er ook niet aan moeten denken. 

De voorzitter:

Dank voor uw antwoorden. Ik geef het woord aan de minister van Economische Zaken. 

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik mag reageren op de motie op stuk nr. 212 van de heer Van Ojik, waarin de regering wordt gevraagd in kaart te brengen wat de mogelijke effecten van toenemende automatisering zijn op de arbeidsmarkt en de Kamer hierover uiterlijk 2014 te informeren. De heer Van Ojik zal zich realiseren dat het moeilijk is om goed in te schatten wat de effecten zijn van toenemende automatisering omdat we niet precies weten waar die automatisering zich in welke mate zal voortzetten en ook omdat we niet precies weten welke arbeidsplaatsen er vervallen en welke ervoor terugkomen. Dat neemt niet weg dat de vraag hoe de arbeidsmarkt reageert op die ontwikkelingen een belangrijk onderwerp is, dat wij aan de orde hebben in de groeidialoog die ik op dit moment voer met experts uit het bedrijfsleven en uit de wetenschap. Over de uitkomsten van die groeidialoog zal ik de Kamer voor de behandeling van de begroting van het ministerie van Economische Zaken informeren. Ik zal dit aandachtspunt dus meenemen in die dialoog. Als hetgeen wat ik nu heb gezegd in overeenstemming is met wat de heer Van Ojik bedoelt, dan laat ik het oordeel over deze motie graag aan de Kamer. 

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 213 van de heer Van Ojik, die strekt tot het besluit tot het instellen van een tijdelijke commissie op basis van artikel 18 van het Reglement van Orde. Het is natuurlijk aan de Kamer om dat besluit te nemen. Ik kan van mijn kant alleen opmerken dat het kabinet met overtuiging een breed welvaartsbegrip hanteert. Wij vinden het te smal om alleen maar te kijken naar het bruto binnenlands product. Er is natuurlijk meer. Waar we dat brede welvaartsbegrip niet in een of enkele indicatoren zo gemakkelijk kunnen vangen, hebben we opdracht gegeven aan het CBS, het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau om samen met een monitor duurzaam Nederland te komen om op die manier een beeld te schetsen van een duurzame ontwikkeling in Nederland aan de hand van een brede set indicatoren, waarbij het onder andere gaat om de gezonde levensverwachting, om het vertrouwen in onze instituties en om de kwaliteit van water en lucht. Die monitor beschouw ik als de publicatie waarin met een perspectief naar de ontwikkeling van de samenleving en de welvaart wordt gekeken. Die nieuwe monitor duurzaam Nederland zal in het najaar verschijnen. 

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 214, van de heren Slob en Samsom. Daarin wordt de regering verzocht, waar op initiatief van de regio gewerkt wordt aan structurele versterkingen van de economie, daar waar mogelijk bij te dragen aan actieplannen om innovaties te stimuleren met behulp van rijksbeleid. Ik denk dat dit inderdaad moet. Het is belangrijk dat er in de eerste plaats vanuit de regio's gewerkt wordt aan de regionale economie en dat vervolgens de andere overheden en dus ook de rijksoverheid met de regionale overheden samenwerken en binnen de beleidsmogelijkheden daaraan bijdragen. Dus ik laat het oordeel over deze motie graag aan de Kamer. 

De heer Van der Staaij heeft opgemerkt dat jongeren betrokken moeten worden bij de dialoog over de groei. Dat doen we ook. Bij de groeidialoog zijn wetenschappers betrokken, ook jonge wetenschappers die met name zijn georganiseerd in De Jonge Akademie, en jonge ondernemers die georganiseerd zijn in SMO, de jongerenorganisatie van het bedrijfsleven. Dus die wens van de heer Van der Staaij zal ik vervullen. 

De heer Zijlstra (VVD):

Het kabinet laat het oordeel over de motie op stuk nr. 214 aan de Kamer. De motie verzoekt het kabinet om bij te dragen aan regionale initiatieven. Moet ik hieruit begrijpen dat de minister kennelijk nog ergens een potje geld heeft waar hij dat uit kan financieren? 

Minister Kamp:

Bijdragen zie ik niet alleen als geld. We hebben middelen om regels anders in te vullen of om regels weg te nemen. We hebben ook ons eigen innovatiebeleid, dat voor een deel regionaal wordt ingevuld. Binnen mijn begroting en mijn beleidsmiddelen werkte ik in het verleden ook al met regio's samen en dat doe ik nog steeds graag. Het hele idee achter zowel het Techniekpact als hetgeen waarover we vanavond gesproken hebben, is dat er wordt samengewerkt tussen lokale, regionale en provinciale overheden en de rijksoverheid. In dat kader wil ik daaraan bijdragen, waarbij ik niet alleen denk aan budget. Ik denk ook niet aan budget voor zover dat niet in mijn begroting zit. Voor de regionale economie zijn de bevoegdheden en de budgetten overgedragen aan de provincies. 

De heer Zijlstra (VVD):

Dan hoor ik eigenlijk dat het allemaal al gebeurt. Ik probeer helder te krijgen wat het kabinet nu adviseert. "Oordeel Kamer" is mooi — we zullen wel stemmen — maar als het overbodig is, moeten wij ook geen overbodige moties aannemen. 

Minister Kamp:

Of het overbodig is, is zowel aan de heer Samsom als aan mij. Voor de heer Samsom zal dat blijken uit zijn stemgedrag. Voor mij blijkt het uit mijn stemadvies. Mijn stemadvies houdt het volgende in. Ik heb aangegeven dat ik de samenwerking tussen de verschillende overheden, lokaal, regionaal, provinciaal en landelijk, van belang vind en dat ik bereid ben om met die regio's samen te werken. Als regio's zelf initiatieven hebben voor versterking van de regionale economie, wil ik graag bekijken waar ik daaraan binnen mijn middelen en mogelijkheden kan bijdragen. Vandaar dat ik heb aangegeven dat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer laat. 

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot geef ik het woord aan de minister van Onderwijs. 

Minister Bussemaker:

Voorzitter. Er resten mij twee moties. De motie-Pechtold/Van Ojik op stuk nr. 211 over een leven lang leren beschouw ik als ondersteuning van beleid. Ik heb al toegezegd dat de Kamer voor Prinsjesdag een brief van mij krijgt over een leven lang leren. In de commissie-Rinnooy Kan zaten overigens niet alleen vertegenwoordigers uit het onderwijsveld, maar ook leden — weliswaar op persoonlijke titel, zoals iedereen die daar zat — uit kringen van werkgevers en werknemers. U kunt mij twee dingen vragen: ofwel u vraagt mij dit — dat hebben wij eigenlijk al gedaan — ofwel u vraagt mij om bijvoorbeeld via de SER met werkgevers en werknemers in overleg te gaan, maar dan ga ik het niet halen om dat voor Prinsjesdag bij u te krijgen, vermoed ik zo. Ik zie de motie dus als ondersteuning van het beleid. Ik begrijp dat daar misschien nog verder overleg over is. 

De motie-Van Klaveren op stuk nr. 215 over de privatisering van het hoger onderwijs ontraad ik omdat zij de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar brengt en allerminst vanzelfsprekend een oplossing biedt voor kwaliteitsverbetering en instroom. De argumenten daarvoor heb ik al een beetje gewisseld in het debatje met de heer Beertema, die zei: wij moeten toe naar Angelsaksisch onderwijs. Ik kan zeggen: dat scoort een stuk slechter op alle internationale onderzoeken. Laten wij dus trots zijn op wat wij hebben en ervoor zorgen dat wij dat verder verbeteren. Nogmaals: er is werk aan de winkel! 

De voorzitter:

Rest mij nog een reactie op de motie-Van Ojik/Pechtold op stuk nr. 213, waarin gevraagd wordt om het instellen van een tijdelijke commissie op basis van artikel 18 van het Reglement van Orde. Ik stel de indieners voor dat ik samen met het Presidium een reactie op deze motie formuleer, zodat de Kamer een gewogen besluit kan nemen op grond van haar oordeel over deze motie. Deze motie zal dus later in stemming komen dan de rest van de moties. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter:

Komende dinsdag zullen wij stemmen over de ingediende moties, exclusief de motie op stuk nr. 213. Ik wens u een veilige terugreis en een goede nachtrust.