32 Internationalisering in het onderwijs

Aan de orde is het VAO Internationalisering in het onderwijs (AO d.d. 12/12).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom, net als de mensen op de publieke tribune en de woordvoerders.

De heer Duisenberg (VVD):

Voorzitter. Het was goed om in het AO te zien dat wij in deze commissie de ambitie om te komen tot internationalisering in het onderwijs zo breed deelden. Wij hebben echter ook gesteld dat het ambitieuzer en vooral concreter en met meer focus moet. Dat heb ik ook in mijn inbreng gezegd. Wij zijn een middenmoter wat betreft de uitgaande mobiliteit van studenten, leerlingen en docenten. Italië is Europees kampioen in het gebruiken van Europees geld. Ik wil dat wij stijgen en dat wij Europees kampioen worden. Wat betreft de ingaande mobiliteit halen wij met name alfastudenten binnen in plaats van de zo gewilde bèta- en techniekstudenten. Ook daarin moet dus meer focus komen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitgaande mobiliteit van Nederlandse leerlingen, studenten en docenten onder het Europees gemiddelde is en Nederland een groter deel van de Europese mobiliteitsgelden kan benutten;

overwegende dat de ingaande mobiliteit van buitenlandse studenten naar Nederland nog onvoldoende gericht is op sectoren met een grote arbeidsvraag;

van mening dat het actieplan "Make it in the Netherlands! 2013-2016" een goede basis vormt om meer te profiteren van de baten van internationalisering, maar grotendeels generieke maatregelen betreft en dat een sterkere focus op specifieke studierichtingen (bèta en techniek, topsectoren) gewenst is;

verzoekt de regering om voor de zomer van 2014, in haar visie op internationalisering, concrete aspiraties en de stappen ernaartoe op te nemen op de terreinen uitgaande mobiliteit en arbeidsmarktfocus van ingaande mobiliteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Duisenberg en Jadnanansing. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (22452).

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Er moeten mogelijkheden zijn om in het buitenland te studeren en om buitenlandse studenten in Nederland te laten studeren. De internationale uitwisseling van kennis en kunde is altijd belangrijk geweest en dat zal het ook altijd blijven. Internationalisering om de internationalisering, vanuit een ideologie van kosmopolitisme zoals die in bepaalde kringen als een pseudoreligie gevierd wordt, is echter niet in het Nederlandse belang. Dat Nederlandse belang moet wat ons betreft altijd vooropstaan. Als het om internationalisering gaat, is wederkerigheid van het grootste belang: quid pro quo. Vandaar deze motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sprake is van een disbalans tussen buitenlandse studenten in Nederland (53.150) en Nederlandse studenten in het buitenland (18.100);

constaterende dat internationale studentenmobiliteit daarmee voor Nederland een nettokostenpost vormt van 90 miljoen euro op jaarbasis;

constaterende dat hier geen sprake is van wederkerigheid;

verzoekt de regering om per direct alle activiteiten te staken die tot doel hebben om studenten te werven in het buitenland om de disbalans niet groter te maken dan die nu al is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (22452).

De heer Beertema (PVV):

Tot ons verdriet gaan ook gerenommeerde onderzoeksinstellingen zoals het CPB en het SCP mee in die kosmopolitische droom. Bij de berekening van de baten en lasten van internationale studentenmobiliteit zijn zij niet concreet genoeg, maar begeven zij zich wat ons betreft in wensdenken. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het actieplan "Make it in the Netherlands!" niet gebaseerd is op feiten, maar op speculaties;

overwegende dat genoemde financiële opbrengsten van buitenlandse studenten in Nederland zoals het CPB en het SCP die berekenen, niet gebaseerd zijn op harde cijfers, maar op schattingen en wensdenken;

verzoekt de regering om kosten en baten van inkomende en uitgaande studentenmobiliteit concreet te kwantificeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (22452).

Mevrouw Jadnanansing (PvdA):

Voorzitter. We hebben een mooi AO gehad over de internationalisering van het onderwijs. Ik heb daarin een pleidooi gehouden voor extra aandacht voor het mbo. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat buitenlandse studenten een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie en dat in de komende jaren in sommige sectoren behoefte is aan buitenlandse studenten met een goede beroepsopleiding;

van mening dat er momenteel te veel praktische obstakels zijn voor buitenlandse studenten die een beroepsopleiding willen volgen in Nederland, terwijl internationalisering andersom juist ook veel kansen biedt voor mbo-leerlingen;

verzoekt de regering om bij de visiebrief over internationalisering en hoger onderwijs ook het middelbaar beroepsonderwijs te betrekken en te komen met een integrale visie op internationalisering in het (beroeps)onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jadnanansing en Straus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (22452).

Hiermee is een eind gekomen aan de termijn van de Kamer. De staatssecretaris beschikt al over alle moties en zal direct reageren.

Voorzitter: Van Veldhoven

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. De minister heeft in het AO al beloofd om voor de zomer een visie op de internationalisering naar de Kamer te sturen. Daarin zal zowel aan inkomende mobiliteit als aan uitgaande mobiliteit aandacht worden besteed. De minister heeft aangegeven dat het daarbij niet alleen gaat om het hoger onderwijs, want zij hecht ook veel belang aan internationalisering in het mbo. Dat leidt ertoe dat wij het oordeel over de motie-Duisenberg/Jadnanansing op stuk nr. 36 en de motie-Jadnanansing/Straus op stuk nr. 39 aan de Kamer kunnen overlaten.

Ik wil beide moties van de heer Beertema ontraden. In de motie op stuk nr. 37 wordt verzocht om per direct te stoppen met alle activiteiten om studenten van buiten te werven. Wij vinden meer balans tussen uitgaande en inkomende mobiliteit belangrijk, maar wij vinden dat dit vooral moet bereikt worden door het animo van Nederlandse studenten om een tijdje in het buitenland rond te kijken, te vergroten en dus niet op de door de heer Beertema voorgestelde manier.

De heer Beertema (PVV):

Ik vind dat de staatssecretaris heel laconiek voorbijgaat aan de kostenpost van 90 miljoen euro. Vanuit onze visie is de staatssecretaris op deze manier eerder bezig met een verkapte vorm van ontwikkelingshulp dan met studentenmobiliteit waar ook Nederland belang bij heeft. Het is toch niet zo verkeerd om te zeggen dat Nederland er ook wat mee op moet schieten? Quid pro quo. Waarom storten we 90 miljoen in een put zonder er iets voor terug te krijgen? Waarom doen we daar zo laconiek over?

Staatssecretaris Dekker:

Ik wil niet het hele AO overdoen, maar ik roep in herinnering dat we hebben gesproken over het belang van internationalisering. Dat is een belang dat verdergaat dan kwantificeerbare kosten. Je kunt namelijk ook wat leren van andere culturen en van internationale medestudenten. Het is ook een belangrijke stimulans naar meer excellentie in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs, juist omdat studenten van buiten extra gemotiveerd zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de Duitse studenten die gemiddeld een punt hoger scoren dan hun medestudenten. Dat legt de lat hoger en dat vinden wij belangrijk. Een tweede aspect is het kostenaspect. De heer Beertema veronderstelt dat het geld kost. Er ligt echter een CPB-studie, die ik ook graag betrek bij mijn reactie op de tweede motie van de heer Beertema, waaruit blijkt dat internationale studenten netto geld opleveren voor Nederland. Als studenten hier na hun studie blijven wonen en werken en dus ook belasting gaan betalen of een eigen onderneming opzetten waarmee zij economische bedrijvigheid genereren, dan leidt dat netto tot opbrengsten en is het dus geen kostenpost.

De heer Beertema (PVV):

Ik stel vast dat de staatssecretaris veel afstand neemt van zijn collega Zijlstra uit het kabinet-Rutte I, die becijferd heeft dat we een verliespost hebben van 90 miljoen op jaarbasis. Dat vind ik veel geld. Ik stel vast dat de staatssecretaris nu 90 miljoen uitgeeft aan een vaag soort didactisch middel, namelijk die gemotiveerdheid van de studenten, en aan een soort multiculturele opvoeding van studenten omdat die zo goed voor ze zou zijn. Dat kunnen ze kennelijk zelf niet. Dat is mijn constatering.

Staatssecretaris Dekker:

Ik laat die constatering geheel voor rekening van de heer Beertema. Het zou mijn conclusie niet zijn. De heer Zijlstra heeft in mei 2012 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin hij zelf ook al heeft aangegeven wat de kosten en opbrengsten zijn van internationalisering in het onderwijs. Er is ook een SER-advies naar de Kamer gestuurd. De aanbiedingsbrief bij het actieplan ging in op de uiteindelijke kosten en baten van internationalisering. Ik verwijs nogmaals naar het onderzoek van het CPB uit 2012. Daaruit blijkt dat niet alles volledig te kwantificeren is. Als je echter kijkt naar de wel te kwantificeren elementen en de effecten op de overheidsfinanciën, dan komt het CPB tot de conclusie dat internationale studenten in Nederland nu al 740 miljoen euro per jaar opleveren in plaats van dat ze het bedrag kosten dat de heer Beertema noemde.

Dat brengt me direct bij de motie op stuk nr. 38 van de heer Beertema. Die zou ik willen ontraden. Opnieuw soortgelijk onderzoek doen, is in mijn ogen niet nodig.

De voorzitter:

De heer Van Dijk heeft ook een vraag. Hoewel hij niet de indiener is van de motie, mag hij toch een vraag stellen, want we zitten ruim in de tijd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat was ook mijn inschatting. Ik wil ook niet het AO overdoen, maar ik heb wel een vraag in reactie op de motie. Ik vind internationalisering ook iets moois en uitwisseling is prachtig. Maar wat doet de staatssecretaris als er sprake is van verdringing? Stel dat studenten uit Engeland die een hoog collegegeld moeten betalen, naar Nederland komen omdat het hier goedkoper is en zij hier plaatsen innemen. Waar sprake is van een numerus fixus is dat reëel. Blijft de staatssecretaris de internationalisering dan op eenzelfde manier toejuichen? Of wil hij het dan toch goed bekijken?

Staatssecretaris Dekker:

Ook bij studies waarvoor een numerus fixus geldt, is het belangrijk om te kijken naar de samenstelling van de studentenpopulatie. Als we op voorhand zeggen dat we niet aan internationalisering willen doen omdat Nederlandse studenten zouden voorgaan, leidt dat tot een enorme vernauwing. Ik denk dat het ook bij selectievere studies belangrijk is om te bekijken of we ruimte hebben om internationale studenten een plek te geven.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dus ook als sprake is van verdringing, vindt de regering dat geen probleem?

Staatssecretaris Dekker:

U noemt dat verdringing. Als je kijkt naar studies waarbij een selectie wordt toegepast of in dit geval numerus fixus en loting, zou het niet per se zo moeten zijn dat Nederlandse studenten automatisch voorrang hebben. Je zou dan ook moeten kijken wat je kunt doen om ook daar een international classroom te hebben, wat ook uiteindelijk de Nederlandse studenten die daar een studie doen ten goede komt.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. De stemming over de moties vindt aanstaande donderdag plaats.

De vergadering wordt van 17.16 uur tot 19.30 uur geschorst.

Naar boven