Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 32, item 11

11 Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2014 (33750-XV).

De voorzitter:

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie)

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van harte welkom. Zij zullen vandaag reageren op de inbreng en de vragen die gisteren in eerste termijn door de Kamer naar voren zijn gebracht. Er is een overzicht rondgedeeld van de opbouw van het betoog van de minister. Ik stel voor, hem eerst in de gelegenheid te stellen per onderdeel antwoord te geven. Daarna geef ik gelegenheid voor eventuele interrupties.

Ik geef het woord aan de minister.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Minister Asscher:

Mevrouw de voorzitter. Dank u wel. Ik heb zelfs de hoop dat wij vandaag misschien ook de tweede termijn kunnen doen. Ik wacht dit gespannen af.

De voorzitter:

Dat gaat zeker gebeuren.

Minister Asscher:

Ik dank de Kamer voor de inbreng in eerste termijn. Wij hebben ons best gedaan om een groot deel van de vragen schriftelijk te beantwoorden. Ik dank de medewerkers van mijn ministerie daarvoor. De leden gaan over de kwaliteit en ik ben ervoor verantwoordelijk dat zij tevreden zijn, maar mijn medewerkers hebben hier afgelopen nacht hard aan gewerkt.

Ik zal een aantal hoofdonderwerpen in volgorde bespreken. Ik heb de opzet van het betoog laten uitdelen opdat de leden kunnen zien wanneer het onderwerp langskomt dat hen het meest beroert. Ik begin met een algemene inleiding over onze arbeidsmarkt op dit moment.

Afgelopen week heb ik een aantal mensen op bezoek gehad die mij hebben geschreven omdat zij niet aan het werk komen. Een van hen is een vrouw van 22 jaar. Zij heeft middelbaar laboratoriumonderwijs gevolgd en is dus laborante, maar zij komt niet aan de bak. Ik heb haar gevraagd hoe dat kan worden verklaard, want ik hoor overal dat er juist behoefte is aan laborantes. Zij antwoordde: ja, in het westen van het land, maar zij komt uit Drachten. Ik suggereerde dat zij dan een beetje opschuift naar het westen, maar dat vindt zij een grote stap. Zij heeft moeite met het idee om naar de Randstad te gaan om daar aan het werk te komen. Ik heb begrepen dat zij intussen wel een aanbod heeft gekregen. Ik vind dit echter wel een typerend verhaal. Aan de ene kant doet zij ontzettend haar best, aan de andere kant maakt zij niet de stap naar de plaats waar wel werk is.

Een paar weken eerder was ik bij scheepswerf IHC Merwede bij Kinderdijk. Dat is een prachtig bedrijf waar heel grote baggerschepen worden gebouwd. Het bedrijf had net een grote order binnengesleept. Ik dacht: dat is mooi, goed voor de werkgelegenheid en goed voor heel veel mensen die bij dat bedrijf werken. Dat is ook zo; 2.700 mensen in vaste dienst kunnen dankzij die enorme order in dienst blijven en vol trots baggerschepen bouwen die de wereld over gaan. De werf verwachtte echter wel dat veel personeel uit het buitenland moet worden aangetrokken om die nieuwe schepen snel genoeg te kunnen bouwen. Dat is wrang en ook een symbool van de huidige tijd. Aan de ene kant mensen die op zoek zijn naar werk en dat niet kunnen vinden, te weinig werkgelegenheid, te weinig banen, maar aan de andere kant sluiten vraag en aanbod niet goed op elkaar aan en dat kan ons voor problemen stellen.

Die verschillende elementen van onze huidige arbeidsmarkt verdienen onze aandacht. Het gevaar is groot dat je alles richt op het ene en niet op het andere, maar je moet het samen aanpakken. Wij hebben meer banen nodig, wij hebben ook meer mensen nodig die worden opgeleid voor de vacatures die er zijn in onze maakindustrie, de techniek en de scheepsbouw. Er zijn 675.000 mensen werkloos, maar er zijn ook ondernemers die schreeuwen om goed geschoolde vakmensen. Wij zien helaas ook de slechte werkgevers die gebruikmaken van het vrij verkeer in Europa om mensen onder de cao-lonen en soms onder het minimumloon te laten werken of zonder de premies af te dragen die daarvoor verschuldigd zijn. Ik begrijp best dat er soms specialisten uit het buitenland moeten worden gehaald, maar het is in ons aller belang dat bedrijven eerst in de buurt zoeken naar geschikte kandidaten die in de regio wonen en in de eigen arbeidsregio beschikbaar zijn of naar kandidaten die kunnen worden omgeschoold om dat werk te doen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen zei terecht namens de VVD dat onderwijs en arbeidsmarkt veel beter op elkaar moeten aansluiten. Dat is ook mijn doel. Nu steken ouders vol trots de vlag uit en hangen zij daar een schooltas aan als hun kind is geslaagd en een diploma heeft behaald. Eigenlijk moet de vlag uit bij de eerste baan, maar je moet de schooltas er niet bij hangen omdat ze die hun hele leven nodig hebben voor permanente scholing, zeg ik tegen de heer Van Weyenberg. Wij zetten met de sociale partners alles op alles om de werkloosheid te bestrijden op de korte termijn en meer werkgelegenheid, meer banen, te creëren op de lange termijn. Wij doen dat onder andere met sectorplannen. Formeel zijn er nu zes sectorplannen ingediend en ik verwacht binnenkort de eerste formele goedkeuring en betalingen. Er zijn echter veel meer organisaties bezig met plannen: meer dan 80 organisaties hebben zich bij ons gemeld.

In het begrotingsakkoord dat het kabinet heeft gesloten met de ChristenUnie, SGP en D66 is besloten om ten minste een derde van het budget te gebruiken voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Ik vind dat een prima afspraak. Ik ben het ook zeer met de heer Van Weyenberg eens die erop wees hoe frustrerend het op dit moment voor jongeren is om maar niet uitgenodigd te worden en maar niet aan de bak te komen. Investeren in hun toekomst, is investeren in de toekomst van ons land.

We hebben met het begrotingsakkoord ook meer vaart, meer tempo gemaakt en meer ambitie gezet achter de invoering van de Wet werk en zekerheid. Met die wet leggen we de basis voor een goede en fatsoenlijke arbeidsmarkt, waarin mensen van werk naar werk gaan, het liefst zonder dat ze in de WW belanden. Het ontslagrecht blijft mensen onverminderd beschermen tegen ongerechtvaardigd ontslag. De WW blijft een behoorlijke inkomensbescherming bieden bij werkloosheid. Het ontslagrecht en de Werkloosheidswet zijn er echter meer op gericht om mensen zo snel mogelijk te helpen aan een nieuwe baan. De tijd dat je je leven lang een en dezelfde baan had, is misschien verleden tijd. We willen echter bereiken dat mensen hun hele leven lang een baan hebben en dat ze van de ene naar de andere baan kunnen gaan. Met het wetsvoorstel pakken we de doorgeschoten flexibilisering aan en worden procedures eenvoudiger, sneller, goedkoper en eerlijker. Ik ga daar later in mijn betoog nog dieper op in. Ik wilde er echter mee beginnen omdat het om een fundamentele verandering en een fundamentele verbetering gaat, waar mensen in de praktijk baat bij hebben. Het gaat niet alleen om werk, werk en nog eens werk. Het gaat ook om goed werk, met goede arbeidsomstandigheden, en een gelijk loon voor gelijk werk. Het heeft weliswaar de Handelingen niet gehaald, maar om die reden kon de Kamer mij gisteren zien knikken toen de heer Kerstens namens de Partij van de Arbeid sprak over een strenge aanpak van wat hij de "foute werkgevers" noemde, de schijnconstructies, de schaduwkanten van het vrije verkeer in de Europese Unie. Dit had al mijn aandacht, maar op aandringen van velen in deze Kamer, onder wie de heer Heerma, zullen we dat extra hoog op de agenda in Brussel zetten. Goed en fatsoenlijk werk heeft voor mij de allerhoogste prioriteit. Het aan het werk helpen en aan het werk houden van mensen moet vooropstaan.

We hebben nu te maken met de extreme gevolgen van de crisis. Hoewel we een licht stijgende werkgelegenheid in de afgelopen maand zien, hebben te veel mensen het afgelopen jaar hun werk verloren. Dat is dramatisch. Het is goed om stil te staan bij de gevolgen voor een persoon die op straat komt te staan na vele jaren trouwe dienst. Veel Kamerleden hebben dat ook gedaan. Ondanks de dramatische cijfers, zijnde records waarvan ik had gehoopt die nooit mee te maken, is het goed om te zeggen dat mensen voortdurend ook weer wel werk vinden. De kansen op de arbeidsmarkt worden gegrepen. Er zijn vacatures en het aantal vacatures stijgt eindelijk ook weer wat. In het derde kwartaal werden 160.000 vacatures ingevuld. Iedere dag gaan mensen vanuit de WW aan het werk: in de eerste tien maanden van dit jaar waren dat 210.000 Nederlanders. Het is goed om daar ook oog voor te hebben. Het is goed om dat vertrouwen ook te hebben. En het is goed om dat voor ogen te hebben bij de beantwoording van de vraag wat we verder kunnen doen om ons beleid te verbeteren. Bij de ontmoeting met die jonge vrouw die laborante wilde worden, had ik een hele tafel vol mensen die maar niet aan het werk kwamen. Ik wilde ze onder ogen komen om te testen of we de dingen goed doen en of we genoeg doen. Zijn ze tevreden over wat ze meemaken in de uitvoering? Zijn er klachten over het UWV? Ja, die waren er. Er was ook iemand bij die eigenlijk op het laatste moment had moeten afzeggen. Deze jongen, Ab genaamd, is 27 jaar en hij had eindelijk een baan gevonden, na meer dan 500 brieven. Hij zei: ik ben toch gekomen, want ik wilde mijn verhaal kwijt en vertellen hoe belangrijk het voor mij was dat mensen in mijn omgeving bleven zeggen dat ik wel werk zou vinden en dat het niet zo kon zijn dat er uiteindelijk geen plek voor mij zou zijn op de arbeidsmarkt. Er stonden mensen om hem heen die hem bleven stimuleren, hoe frustrerend het ook was om telkens afgewezen te worden. Uiteindelijk was het hem gelukt. Ik vond dat een belangrijk voorbeeld.

We kennen alle cijfers, van het CBS, van het CPB. We kennen alle voorspellingen. Sommige voorspellingen zijn positief. Het CPB verwacht wat groei. Het CBS kijkt ook wat positiever. Anderen zijn negatief. Gisteren zei ABN AMRO te verwachten dat het slechter werd. Achter al die cijfers staan mensen met gezichten die hun eigen strijd leveren en behoefte hebben aan vertrouwen en hoop. Het zijn de mensen die, zoals mevrouw Schouten het zei, de wil hebben om te werken en de moed erin weten te houden. Dat zijn de mensen die mij inspireren en motiveren. Dat zijn de mensen waar wij ons met z'n allen voor in willen zetten in deze Kamer. Dat geldt dus ook voor de verhuizer die de kroonluchter van de heer Dijkgraaf liet vallen. Voor hem doen wij het ook, evenals voor de laborante die nu toch werk lijkt te gaan vinden en voor de mensen die denken "laat mij nou een kans krijgen op de scheepswerf; waarom moeten daar nu weer anderen aan de beurt komen; geef mij omscholing".

Mevrouw Hamer zei dat wij het afgelopen jaar in de opstartfase zaten van de sectorplannen uit het sociaal akkoord. 2014 moet een jaar worden van omslag, van aanpakken, van plannen in de praktijk. Ik vind dat een mooi voornemen en een mooie wens voor 2014. Laat dat het jaar zijn van de ommekeer. Laat meer mensen de hoop terugkrijgen en laat meer mensen een kans krijgen op betaald en goed werk waar ze trots op kunnen zijn.

Ik wil nu ingaan op de arbeidsmarkt op de korte en de lange termijn.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik ben verbaasd. De minister heeft vanochtend duidelijk zijn roze bril opgezet. Ik noem de 160.000 werklozen in het eerste jaar van zijn bewind. In de begrotingsstukken staat dat er tot 2014 nog 200.000 werkzoekenden bij komen. De minister gebruikt echter beeldspraak die suggereert dat het probleem is opgelost als je van Drachten naar de Randstad verhuist. Het is toch zo dat door het kabinetsbeleid 10.000, 20.000, 30.000, honderdduizenden banen worden vernietigd? Daar hoor ik de minister niet over. Ik heb het genoemd in mijn eerste bijdrage. Ik heb hem gevraagd of het bordje "werkgelegenheid" niet van het ministerie af moet, want uit de cijfers die nu voorliggen blijkt dat het zo niet kan. Komt de minister nu met plannen of gaat het bordje van het ministerie af?

Minister Asscher:

De heer Ulenbelt vraagt naar de plannen. Daar ben ik juist op ingegaan. De sectorplannen zijn van groot belang om mensen aan het werk te houden en aan het werk te krijgen. Een bedrag van 600 miljoen euro is in een tijd van recordbezuinigingen dankzij de steun van de begrotingsakkoordpartijen overeind gebleven. Daar maken wij nu plannen voor en daardoor leggen de bedrijven er geld bij. Dat leidt tot een investering van 1,2 miljard, tot vele duizenden plekken voor jongeren die anders geen kans hebben en vele duizenden plekken voor ouderen die dan hun kennis kunnen overdragen aan jonge vakmensen. Dat hebben we in de bouw afgesproken. Dat is het werkgelegenheidsbeleid op korte termijn. Daarnaast maken we afspraken die erop zijn gericht om meer banen te krijgen. Denk aan de afspraken met Aedes: 400 miljoen euro om woningen energiezuiniger te maken. Denk aan het lage btw-tarief in de bouw. Dat is werk voor de bouw. We proberen op korte termijn de crisis te bestrijden en we nemen maatregelen om op lange termijn meer werkgelegenheid te krijgen. Zeker, we zitten nog in de crisis. De eerste lichtpuntjes die er zijn, vertalen zich nu nog niet in veel betere verwachtingen over de werkgelegenheid. Als wij ons beleid echter goed uitvoeren, als wij de plannen concreet maken en als die leiden tot echte nieuwe banen en tot goed werk, dan bereiken wij toch die omslag? Dat is toch wat wij van elkaar mogen verwachten?

De heer Ulenbelt (SP):

Weer kijkt de minister door die roze bril. Hij zegt: dit levert werk op, dit levert werk op, dit levert werk op. Uit de cijfers die vermeld zijn op de begroting die de minister hier staat te verdedigen, blijkt echter dat het aantal mensen in de WW en de bijstand de komende twee jaar met 200.000 zal oplopen — oplopen! — naar boven de 900.000. Daar helpen die banenplannen niet bij. Hoeveel banen worden gecreëerd met de banenplannen die sociale partners indienen? Ik heb ze bestudeerd: veel kansen voor jongeren. Dat is mooi, maar dat doet niks aan het terugdringen van de 200.000 extra werkzoekenden. Dat klopt toch, minister? Ik heb toch geen zwarte bril op en u een roze? Het zijn uw eigen cijfers.

Minister Asscher:

Wij hebben geen van beiden een gekleurde bril op. U vraagt of in de begroting rekening wordt gehouden met het effect van de crisis, dus dat je geld moet hebben om ons mooie sociale stelsel te laten werken en om ervoor te zorgen dat je mensen die onverhoopt zonder werk komen te zitten, ook in het volgende jaar een uitkering of een bijstandsuitkering kunt bieden. Daar houden we zeker rekening mee. Ondanks de crisis en ondanks de stijgende werkloosheid bezuinigen wij niet op de WW-uitgaven. Wij doen dat dus niet en dat is ook een groot goed. Volgens mij moet u daar blij mee zijn. Een van de verdiensten van de afgelopen eeuw is dat je, als het economisch tegenzit, niet zegt: we kunnen de WW-uitkeringen niet meer betalen. Wij nemen dit dus op in de begroting. Intussen is al ons beleid erop gericht om de werkgelegenheid te laten stijgen en de werkloosheid te laten dalen. Is het volgend jaar al omgedraaid? Ik hoop van wel, maar de verwachtingen zijn van niet. Dat ontslaat ons geen van beiden van de plicht om er alles aan te doen om het beter te doen.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik prijs het grenzeloze optimisme van de minister, maar ik wil me graag bij de feiten houden. In de stukken van het ministerie, ik dacht op bladzijde 25 van de begroting, staat: tot en met 2016. In de voor de minister resterende periode komen er dus 200.000 extra werkzoekenden bij. Tegen die tijd is de minister al weg, als het met de verkiezingen normaal zal gaan althans. Daar kan toch geen optimisme tegenop? Het optimisme van de minister zou toch in die cijfers tot uitdrukking moeten komen? Dat gebeurt niet. De roze bril is dus nog niet af.

Minister Asscher:

Ik denk dat we de rondleiding door de brillenwinkel kunnen afsluiten. Ik ben begonnen met een beschrijving van de economische situatie en van de prijs die een heleboel mensen daar nu voor betalen. Ik ben begonnen met de 675.000 mensen die dolgraag willen werken, maar geen werk kunnen vinden. Ik ben begonnen met de noodzaak om met elkaar meer werkgelegenheid te creëren. Vervolgens vind ik het wel belangrijk dat we niet alleen staan kijken, maar ook iets gaan doen; dus dat we die banenplannen wel degelijk gaan maken, dat we die sectorplannen en die 600 miljoen overeind houden. Ik hoop dat dit gebeurt met de steun van de heer Ulenbelt. Hij zegt dat veel kansen voor jongeren mooi is, maar het is méér dan mooi: het is onze plicht om die kansen te creëren. Dat doen we met die plannen. De heer Ulenbelt heeft die plannen bestudeerd. Ik verwacht geen complimenten, maar in ieder geval steun voor het feit dat het kabinet werk maakt van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, dat met die plannen mensen aan het werk worden gehouden, en dat we dat doen samen met de sectoren, met de vakbeweging en de werkgevers. Dat is de aanpak die we voor de korte termijn moeten kiezen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik denk dat we het snel eens kunnen zijn over de ernst van het probleem; volgens mij hoeven we daar geen debat over te voeren. Ik hoop dat zijn optimisme dat die veel banen zullen opleveren, straks zal worden bewaarheid. De minister spreekt met enige trots over de sectorplannen. De politieke vraag lijkt mij of je, gezien de prognoses en gezien hetgeen het kabinet nu doet, niet meer zou kunnen en moeten doen. Misschien mag ik de minister iets vragen over het rapport dat op verzoek van zijn eigen partij is geschreven door de commissie-Melkert. Die commissie stelt dat we veel te veel zijn gefocust op de begroting, op het budget, op het geld en op de norm voor het begrotingstekort. Ze stelt dat we diezelfde focus en prioriteit zouden moeten geven aan de werkgelegenheid, bijvoorbeeld door een norm voor de maximale werkloosheid te formuleren en daarmee in Europa de boer op te gaan. Wat vindt de minister van die suggestie van zijn partijgenoot en — zo zeg ik er maar even bij — mijn voormalige partijgenoot?

De voorzitter:

Dat is heel lang geleden.

Minister Asscher:

De heer Van Ojik stelt een cruciale vraag: doen we genoeg? Hij haalt het rapport aan van een partijcommissie van de Partij van de Arbeid, die zegt dat op de middellange termijn in Europa een andere norm moet worden geïntroduceerd. Ik vind dat een belangrijk debat, maar het gaat nu natuurlijk over wat we nú doen, over wat we volgend jaar doen en over wat we nu kunnen doen om mensen aan het werk te houden. Als de heer Van Ojik aan mij vraagt of we genoeg doen, staat dat in een wel heel schril contrast tot het voorstel van GroenLinks om in 2014 voor 300 miljoen in de werkgelegenheidsplannen te schrappen. Als hij dus aan mij vraagt of we genoeg doen, is het uitermate merkwaardig dat hij die hele investering in banen schrapt, die per jaar wordt verdubbeld en leidt tot banen voor en omscholing van jongeren. Dan wil ik heel graag het debat aangaan over de vraag of wij in Europa op middellange termijn een werkloosheidsnorm moeten hebben. Als die eraan kan bijdragen, vind ik het prima, maar ik denk dat alle landen van Europa een lage werkloosheid ongelofelijk belangrijk vinden. Wij vinden dat zeker. Op de korte termijn is er een stemmetje in mij dat zegt dat GroenLinks juist meer geld zou moeten willen voor die sectorplannen en er extra in zou moeten willen investeren.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De minister weet volgens mij heel goed dat GroenLinks veel meer geld uittrekt in het verkiezingsprogramma en in de tegenbegroting voor het bestrijden van de werkloosheid. Als hij dat niet weet, moet hij de CPB-berekening er nog maar eens op nalezen. GroenLinks is er ook heel succesvol in, als je de doorrekeningen mag geloven. Er is geen sprake van dat we geld schrappen. We trekken er juist meer geld voor uit. We denken echter dat er betere manieren zijn om de werkloosheid te bestrijden dan de plannen van dit kabinet. We hebben daar vaak met elkaar over gedebatteerd. Ik heb heel vaak aan de minister gevraagd om daarop te reageren, om arbeid structureel goedkoper te maken en om veel meer publieke investeringen te doen. GroenLinks trekt daar heel veel geld voor uit. Ik geloof niet dat ik mij hier door de minister hoef te laten zeggen dat GroenLinks alleen maar zaken schrapt in de werkloosheidsbestrijding. We trekken juist heel veel extra geld uit, veel meer dan het kabinet, en we bezuinigen de economie niet kapot.

Minister Asscher:

Ik bedoelde het ook helemaal niet vervelend, maar ik heb juist voor de voorbereiding van dit debat de tegenbegroting van GroenLinks nog eens bekeken en het oordeel dat het Centraal Planbureau daarover geeft. Daar is die tegenbegroting namelijk ingediend. Daarin staat dat GroenLinks 300 miljoen aan werkgelegenheidsinvesteringen schrapt in 2014. Dat is het enige wat ik hier stipuleer.

Op de vraag of het kabinet genoeg doet, wil ik altijd aanspreekbaar zijn, sterker nog, als we meer kunnen doen, wil ik dat heel graag. We hebben onlangs nog 30 miljoen extra uit het ESF-fonds kunnen toevoegen aan de Europese middelen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Dat vind ik mooi. Op die manier moeten we elkaars bondgenoot zijn. De heer Van Ojik vraagt mij of ik genoeg doe. Het zou fantastisch zijn als hij nu, achteraf, dat deel van de tegenbegroting schrapt en dat hij alsnog de investeringen in het sectorplan steunt. Dat zou ik mooi vinden.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het spijt me wel, maar dat is niet het issue. We trekken miljarden uit voor bijvoorbeeld het goedkoper maken van arbeid. Hierdoor worden werkgevers gestimuleerd om meer mensen in dienst te nemen. We trekken meer dan een miljard uit voor scholing en re-integratie. Het kabinet bezuinigt hierop. We doen heel veel dingen die het kabinet niet doet. We denken inderdaad dat je die 300 miljoen beter kunt besteden dan aan die sectorplannen op de website. Daarover kunnen we van mening verschillen. Een en ander zal nog moeten blijken. Misschien zijn die plannen ontzettend succesvol. Dan ben ik de eerste om de minister daarmee geluk te wensen. Als de minister zegt dat GroenLinks 300 miljoen schrapt, moet hij er ook bij vertellen dat GroenLinks miljarden extra investeert in de arbeidsmarkt ten opzichte van datgene wat het kabinet doet. Dat vertelt hij er niet bij.

Minister Asscher:

Dat wil ik er ook graag bij vertellen, in alle fairness naar de heer Van Ojik, die ik zeer waardeer. Het klopt. GroenLinks heeft goede voorstellen gedaan om arbeid goedkoper te maken, bijvoorbeeld door vervuiling meer te belasten. Die voorstellen zijn overgenomen in het begrotingsakkoord dat gesteund is door de vijf partijen. Volgend jaar maken we arbeid goedkoper. Volgend jaar belasten we vervuiling meer, minder dan de heer Van Ojik had gewild, maar we doen het wel degelijk. Misschien is hij wel een van de auctores intellectuales, een van de geesten die dit heeft bedacht. We doen het dus ook.

Arbeid goedkoper maken heeft een structureel effect. Dat zie je ook terug in de berekeningen. Daarnaast moeten we op korte termijn de crisis bestrijden. Daar steken we nu 600 miljoen in. Het is ongelofelijk belangrijk voor de jongeren die daar straks een leerbaan aan te danken hebben dat we dat geld wel investeren en niet wachten op de structurele werkgelegenheid.

Via deze interruptie van de heer Van Ojik heb ik al het een en ander kunnen zeggen over onze arbeidsmarkt. In het kader van het tempo wil ik ook niet te veel herhalen, maar ik wil even teruggrijpen op 5 maart van dit jaar. Toen hebben we de Aanpak jeugdwerkloosheid geïntroduceerd, met de collega's van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het gaat om een combinatie. Er is sprake van een regionale aanpak, waarin we gebruikmaken van de plannen van gemeenten, bedrijven en onderwijsinstellingen. Zij kunnen lokaal het beste zien waar behoefte aan is en hoe je jongeren kunt omscholen naar een baan. We doen het ook via het onderwijs. We zorgen er door School Ex-middelen voor dat jongeren langer op school kunnen blijven en een opleiding kunnen doen die naar werk leidt. Misschien kunnen ze nog een tandje hoger als ze nog wat langer in de schoolbanken blijven. We hebben Mirjam Sterk gevraagd om als ambassadeur van die aanpak het land rond te reizen en te zorgen dat er ook echte afspraken komen en dat er een echte matching komt tussen bedrijf, onderwijsinstelling en gemeente. Ik deel de zorgen zoals die door mevrouw Karabulut, de heer Van Weyenberg en mevrouw Hamer zijn geuit over de hoge werkloosheid juist ook onder migrantenjongeren.

Er is gevraagd hoe het staat met de uitvoering van de motie-Hamer/Van Weyenberg op dat punt. In het kabinetsbeleid, specifiek binnen de aanpak jeugdwerkloosheid, is bijzondere aandacht voor jongeren die relatief hard getroffen worden door de oplopende werkloosheid, zoals migrantenjongeren. We zetten fors in op het verminderen van het aantal voortijdig schoolverlaters. Via het School Ex-programma dat ik net noemde, stimuleren we jongeren in het mbo om juist langer door te leren, want het zijn migrantenjongeren die daar vaak als drop-outs, als eersten uitvallen en die dan ook terugkomen in de werkloosheidscijfers.

Ook binnen de arbeidsmarktregio's worden allerlei praktische initiatieven genomen om de kansen van jongeren te verbeteren. In het begrotingsakkoord is aanvullend afgesproken om eenderde van de middelen te besteden aan het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Bovendien worden werkgevers per 1 januari financieel geprikkeld, beloond als ze uitkeringsgerechtigde jongeren in dienst nemen via een premiekortingsregeling voor jongeren. Daarmee geven we de meest kwetsbare jongeren een extra steuntje in de rug.

De heer Dijkgraaf van de SGP vraagt in het kader van deze premiekorting aandacht voor de verzilveringsproblematiek. Een kenmerk van de systematiek van premiekortingen is inderdaad dat een werkgever niet meer korting kan krijgen dan hij aan premie verschuldigd is over de totale loonsom en dat hij soms de korting ook krijgt terwijl hij iemand toch al had aangenomen. De verzilveringsproblematiek hebben we geprobeerd te beperken in omvang en hebben we mede op verzoek van de SGP verder beperkt door de premiekorting ook toepasbaar te maken op de sectorpremies. Ik ben bang dat we binnen het systeem van de premiekorting zijn gestuit op het einde van de mogelijkheden om de verzilveringsproblematiek verder te beperken, maar ik ben bereid — dat zeg ik hem toe — te verkennen of een alternatief aan de inkomstenkant van de begroting naast of in plaats van een premiekorting mogelijk is.

Het gaat de goede kant op met de arbeidsparticipatie van ouderen. We zien dat de arbeidsparticipatie van 55-plussers snel stijgt. Alleen, het beeld is aanmerkelijk minder positief op het moment dat ze toch hun werk kwijtraken. Ouderen zitten dan veel te lang aan de kant en dat kan anders en dat moet anders. Het sociaal akkoord is er daarom bij uitstek op gericht om ook die arbeidsmarktpositie van ouderen te verbeteren. Sociale partners hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid op zich genomen met name als het gaat om het verbeteren van werk-naar-werktransities. We zien juist bij die oudere werknemers dat als ze vanuit het bedrijf waar ze werken, begeleid en omgeschoold worden naar een nieuwe plek, hun kansen heel groot zijn en dat hun ervaring benut wordt en de waardering er ook is, terwijl die groep op het moment dat ze in een uitkering belandt, te maken krijgt met dat deprimerende fenomeen van solliciteren zonder uitnodiging en brief op brief.

Daarnaast hebben we 67 miljoen extra uitgetrokken om oudere werklozen aan het werk te helpen. Op 2 oktober heb ik met het UWV het Actieplan 55-plus Werkt gepresenteerd. Naast inspiratiedagen en netwerkbijeenkomsten komen er scholingsvouchers voor omscholing en plaatsingsbonussen om meer ouderen aan het werk te helpen. Die inspanningen komen bovenop de reeds bestaande mobiliteitsbonus voor ouderen die het voor werkgevers financieel aantrekkelijk maakt om een oudere uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik kom nog even terug op die toezegging om naar de verzilveringsproblematiek te kijken, waarvoor dank. Mijn enige simpele vraag is welk idee de minister daarbij heeft wat betreft de timing. Ikzelf heb wel een voorkeur. We gaan als Kamer nog discussiëren met het kabinet over het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen dat betrekking heeft op de gehele fiscaliteit. Ik kan mij voorstellen dat het verstandig is om het daarbij te betrekken. Dat zal dan ergens in het voorjaar zijn. Kan de minister toezeggen dat indien mogelijk het daarmee gecombineerd kan worden?

Minister Asscher:

Dat lijkt mij een heel constructieve suggestie. Die neem ik graag over.

De heer Klein (50PLUS):

De minister geeft terecht een aantal initiatieven aan om de 55-plusser aan het werk te krijgen en te houden. Ik heb er twee vragen over. De eerste betreft de scholingsvouchers. Volgens mij was er ook de idee dat die eventueel beschikbaar zouden zijn voor degenen die al een baan vinden. Is het niet veel logischer om het te concentreren op degenen die werkloos zijn en dus nog een baan moeten vinden? Dat is mijn eerste vraag.

De voorzitter:

Wil de minister eerst deze vraag beantwoorden?

De heer Klein (50PLUS):

Ik kan ook gelijk mijn tweede vraag stellen; die is heel eenvoudig. Ik ben erg blij met de mobiliteitsbonus — dat houden wij vast — maar zal de mobiliteitsbonus geen wisselgeld blijken te zijn in het kader van andere discussies om geld te besparen?

Minister Asscher:

Ik begin met het eerste punt. De middelen moeten zo effectief mogelijk worden ingezet. Soms moeten ze worden ingezet voor mensen die nog niet werkloos zijn. Dat kan, maar daarvoor hebben wij ook sectorplannen. De sectorplannen zijn er bij uitstek op gericht om te voorkomen dat werknemers in een uitkering terechtkomen. Het gaat vaak om oudere werknemers, die door omscholing, mede gefinancierd door de rijksoverheid, naar een andere baan kunnen worden geleid. Bij het plan met het UWV hebben wij ons juist gericht op ouderen die in een uitkering zitten. Zij kunnen heel succesvol zijn met de sectorplannen, maar toch zitten nu heel veel 50-plussers in een uitkering en ervaren zij dat soms bijna als uitzichtloos. Vandaar dat wij de middelen in dat plan erop hebben gericht om mensen uit die uitkering te krijgen, via een uitzendbureau, via scholing, via netwerkbijeenkomsten. Er is ook aandacht voor scholing van mensen die nog wel aan het werk zijn, maar dat kan via het sectorplan. Als wij daarin effectiever kunnen zijn, ben ik zeker bereid om met de heer Klein te bespreken hoe dit beter kan.

De tweede vraag van de heer Klein was hoe het in de toekomst gaat. Is het kabinet van plan om alle mooie dingen die ik net beschreven heb, te schrappen? Nee, dat is het kabinet niet van plan. Is het kabinet intussen ook in overleg om een ander probleem op te lossen, namelijk het probleem rond het Witteveenkader? Daar vroeg de heer Klein gisteren naar. Hij vroeg wat er gebeurt in de onderhandelingen. Daar wordt door zeven partijen gepraat over een ongelooflijk belangrijke en ingewikkelde kwestie, namelijk hoe je pensioensparen voor toekomstige generaties fiscaal mogelijk kunt blijven maken, terwijl je wel rekening houdt met de financiële krapte van deze tijd en terwijl je het tweedepijlersysteem, waar wij allemaal heel trots op zijn, in Nederland overeind houdt. De staatssecretaris zal daar in haar betoog ongetwijfeld op ingaan. Het kan uitdraaien op een andere uitkomst dan het kabinet aanvankelijk had voorgesteld. Dan zullen wij het toch met elkaar moeten oplossen. Het heeft zeker niet mijn voorkeur om daarvoor te putten uit de SZW-begroting, uit het budget voor de instrumenten die ik net genoemd heb, maar ik kan daarvoor geen garanties geven.

De heer Klein (50PLUS):

Ik kom hier in tweede termijn op terug. De mobiliteitsbonus is dus voor 2015 weg, zo concludeer ik alvast maar. Die wordt gebruikt om te komen tot een oplossing voor het probleem van de financiering van het opbouwpercentage.

Mijn andere vraag sluit aan bij wat gezegd is over de heer Ab, die 500 sollicitatiebrieven had geschreven. Wij krijgen vaker vragen over dat eindeloze, zinloze solliciteren en de wijze waarop dat georganiseerd is. Ik weet niet of de minister daar in zijn verhaal nog op terugkomt. Hij gaf net aan dat veel mensen eindeloos bezig zijn met sollicitatiebrieven schrijven en solliciteren, wat alleen maar deprimerend werkt. Wat is de minister van plan om hieraan te doen? Gaat hij het UWV verzoeken om alternatieven in te zetten, zoals vrijwilligerswerk?

Minister Asscher:

De heer Klein leidde zijn vraag in met een onjuiste conclusie over het antwoord dat ik daarvoor had gegeven. Dat wil ik even stellen. Ik vind het jammer dat hij dat doet, want het stimuleert mij minder om te antwoorden als vervolgens het antwoord verkeerd wordt samengevat, maar dat is verder aan hem.

De heer Klein zegt dat de heer Ab heel veel brieven heeft moeten sturen, maar hij heeft wel een baan gevonden. Hij heeft volgehouden, hij heeft de frustratie overleefd en hij heeft een baan gevonden. Wij moeten nu dus niet al te makkelijk zeggen dat het geen zin heeft om te solliciteren. Het is voor sommige mensen ongelooflijk lastig. Vandaar dat ik in de schriftelijke antwoorden, ook op de vraag van de heer Klein, heb aangegeven dat het UWV kan toestaan dat wordt afgeweken van de verplichting om vier keer te solliciteren als dat past bij de persoon om wie het gaat. Het UWV kan daarin maatwerk leveren. Dat kan het nu reeds doen. De verplichting als zodanig is echter goed. Je wilt mensen niet aan het werk krijgen als vrijwilliger, je wilt hen weer hun brood laten verdienen en je wilt hun zo snel mogelijk weer een plek geven op de arbeidsmarkt. Ik heb eerder, als ik me niet vergis op verzoek van de heren Heerma en Van Weyenberg, gezegd dat ik juist bij mensen in de WW die kans maken op een baan in de techniek, wel zou willen kijken of je die niet iets meer ruimte moet geven om zich om te scholen in die richting. Maar dan is het wel gericht op snel weer aan het werk komen. Dus laten wij proberen steeds te kijken naar de instrumenten die zo effectief mogelijk zijn om mensen weer naar betaald werk te leiden. Dat is wat zij van ons mogen verwachten. Daarbij moet je oog hebben voor het feit dat de sollicitatieplicht als zodanig wel ergens toe moet leiden, en dat sommige mensen dus die hele frustrerende ervaring hebben, maar laten wij ook de moed niet opgeven. Dat is het voorbeeld van Ab.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Asscher:

De heer Van Weyenberg vroeg nog naar de stand van zaken met de sectorplannen. Ik heb daarover net al het een en ander gezegd in antwoord op vragen van de heren Van Ojik en Ulenbelt. Het gaat om meer dan 100 initiatieven van 80 organisaties die zich hebben aangemeld. Wij zijn in gesprek met 25 sectoren over een concept-sectorplan. Tot nu toe zijn er zes ingediend die wij snel en degelijk willen behandelen. Dat doen wij wel zorgvuldig, want het gaat om overheidsgeld, dus het moet wel afrekenbaar zijn en leiden tot echte werkgelegenheid.

De heer Ulenbelt en de heer Van Ojik hebben gevraagd hoeveel het uiteindelijk oplevert. Die vraag kunnen wij nu nog niet beantwoorden. Wij hebben nu de eerste zes plannen. Maar je kunt nagaan dat het heel veel Nederlanders zal helpen als wij die instrumenten goed gebruiken en dit inderdaad leidt tot een investering van 1,2 miljard. Is dan de werkloosheid opgelost? Nee, die eerlijkheid moeten we ook hebben. Er is nog steeds te weinig werkgelegenheid. Er zijn nog steeds mensen die desondanks geen baan kunnen vinden. Is het dan toch de moeite? Me dunkt.

Ik kom bij een aantal langeretermijnaspecten van onze arbeidsmarkt.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het blijft natuurlijk onbegrijpelijk en bizar dat terwijl de werkloosheid zo hoog oploopt het kabinet nog eens 6 miljard bezuinigt, waardoor die werkloosheid nog meer oploopt. Maar goed, er is 600 miljoen, die sectorplannen zijn er en de minister gaf net ook al aan dat hij voor de jeugdwerkloosheid en specifiek migrantenjongeren extra gerichte acties onderneemt. Is de minister bereid om dat te concretiseren? Er gebeurt namelijk heel veel goeds, zegt de minister, maar ik zie geen doelstelling en ik zie ook geen mogelijkheden om achteraf met elkaar te tellen wat dat dan heeft opgeleverd.

Minister Asscher:

Ik weet dat de SP ageert tegen het feit dat wij ook de overheidsfinanciën op orde moeten brengen. Het is de lastige taak waar wij voor staan als land om aan de ene kant de werkgelegenheid te bevorderen maar dat aan de andere kant op zo'n manier te doen dat daardoor de schulden niet totaal uit de hand lopen. Wij weten allemaal dat we veel meer uitgeven dan er binnenkomt, dat dat ook de komende jaren niet anders wordt en dat de maatregelen die wij nemen de schade enigszins beperkt houden. Dat was ook het kenmerk van de afspraak over de 6 miljard. We hoefden de 3% niet te halen, maar we moesten wel maatregelen nemen om het beperkt te houden. In de Miljoenennota hebben we die maatregelen zo samengesteld dat ze niet ten koste gingen van de werkgelegenheid. In de doorrekening van het Centraal Planbureau hebt u dat ook gezien. De groei bleef, weliswaar een kwart procent minder, en de werkgelegenheid bleef op peil.

Ook in de afspraken die daarna zijn gekomen, bij het begrotingsakkoord, zijn wij erin geslaagd om wel de bezuinigingen te halen, wel de overheidsfinanciën onder controle te houden, maar dat toch niet ten koste te laten gaan van de werkgelegenheid. Dat is de moeilijke opgave die wij ons hebben gesteld. Wij kunnen het ons niet veroorloven om te zeggen: wij laten het een helemaal schieten om alles voor het ander te doen. Wij zullen het allebei moeten doen, maar dan loont het om maatregelen te nemen, zoals de maatregelen rond het beklemde vermogen, de korting voor mensen die hun stamrecht-bv eerder willen benutten. Want dat is zowel goed voor de economie en de werkgelegenheid als goed voor de overheidsfinanciën. Dus in die balans zoeken wij steeds naar een combinatie van werkgelegenheid, waarbij wij wel verantwoord omgaan met de overheidsfinanciën.

Na die opmerking vroeg mevrouw Karabulut naar de concrete vertaling van de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Ik heb u daarover een voortgangsbericht gestuurd, maar zij vraagt of er niet een doelstelling moet komen. Er zijn doelstellingen, voor het verder terugdringen van het voortijdig schoolverlaten van 35% naar 25%. Dat is een heel belangrijke doelstelling, juist voor de werkloosheid onder migrantenjongeren, want wij weten dat als iets een voorspeller is van jeugdwerkloosheid, dat wel het van school gaan zonder diploma is. Er zijn geen doelstellingen voor percentrages van de jeugdwerkloosheid zelf, want wij zien dat dat meeloopt met de algemene werkloosheid. Het is dus moeilijk om daar een doelpercentage op te zetten. We willen zo veel mogelijk jongeren aan het werk krijgen en houden. Dat is de doelstelling. We kijken specifiek naar wat je nodig hebt om de jongeren die telkens in het verkeerde rijtje komen, aan het werk te brengen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat begrijp ik, maar tegelijkertijd zegt de minister: dit is ons instrument om de jeugdwerkloosheid aan te pakken, met name de hoge werkloosheid onder de migrantenjongeren. We hebben ontzettend goede plannen. Per regio kan dan wel degelijk als doel gesteld worden de jeugdwerkloosheid met zoveel terug te dringen; dat kan per regio verschillen. We moeten ook, zoals de heer Van Ojik al opmerkte, achteraf kunnen concluderen dat er een succes geweest is: het heeft 1.000 banen of duizenden stageplekken opgeleverd. Doen we dat niet, dan zal er veel gerapporteerd en gesproken worden, maar kan de minister ons achteraf niet melden wat het heeft opgeleverd.

De voorzitter:

Uw vraag is?

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik wil er bij de minister op aandringen te onderzoeken of het regionaal kan worden uitgewerkt.

De SP is er overigens wel degelijk voor om de overheidsfinanciën netjes op orde te brengen. Maar nu wordt er meer dan 15 miljard bezuinigd vanwege de crisis en de rekening daarvan wordt neergelegd bij de gewone mensen. De economie gaat kapot en met het kapotgaan van de economie verdwijnen er banen. Met het verdwijnen van banen verdwijnen er inkomens.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Karabulut (SP):

Met het verdwijnen van inkomens wordt er niet meer geïnvesteerd.

De voorzitter:

Wat is precies uw vraag?

Mevrouw Karabulut (SP):

Als de koers niet verlegd wordt, zal deze minister aan het eind van de rit moeten concluderen dat hij meer minister is geweest van werkloosheid dan van werkgelegenheid. Dat kan hij niet willen.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, ik doe een ordevoorstel. Dat geldt overigens niet alleen voor u, maar voor alle deelnemers aan dit debat. We hebben afgesproken de interrupties in drieën te doen, maar dan echt kort. Doen we dat niet, dan loopt het uit de hand en ga ik die afspraak opnieuw bekijken. Nogmaals, korte interrupties en korte vragen om het debat een beetje levendig te houden. Ik ben benieuwd.

Minister Asscher:

We moeten altijd kijken wat er van die middelen wordt vertaald in banen. Dat doet men in de regio's en dat moet in de kwaliteit van de plannen zitten. Dat doen we ook met de sectorplannen. Ik ben graag bereid om u van tijd tot tijd te rapporteren wat we zien, hoe het staat met de uitvoering van de plannen en wat het oplevert. Daar ben ik het helemaal mee eens.

De vraag begon met de stelling dat we door die 6 miljard de werkloosheid laten oplopen. Dat heb ik weerlegd. Vervolgens zegt mevrouw Karabulut in algemene zin voor bezuinigen te zijn, maar op een andere manier. Dat respecteer ik. Ik schets het dilemma en de opdracht waarvoor wij staan: zowel de overheidsfinanciën onder controle houden als de werkgelegenheid bevorderen. Voor het komende jaar lukt het om dat, ondanks die extra taakstelling, niet ten koste te laten gaan van de werkgelegenheid, maar voor de komende jaren hebben we nog heel wat werk te doen. De werkloosheid is veel te hoog en zal omlaag moeten. Daarnaast hebben we het probleem van de begroting. Ik ben alleen maar blij dat de SP zich dat ook aantrekt.

De heer Madlener (PVV):

De minister zegt dat hij zich zorgen maakt over de stijgende werkloosheid onder de oudere werknemers. Tegelijkertijd komt de minister met twee maatregelen die dat nog veel erger maken. Ten eerste natuurlijk het versoepelen van het ontslagrecht, het verlagen van de ontslagvergoeding, met name voor oudere werknemers. Zij kunnen nu goedkoper aan de kant worden gezet. Ten tweede het verhogen van de pensioenleeftijd, waardoor mensen die op latere leeftijd hun baan verliezen, langer in een werkloosheidsituatie blijven zitten. Bent u met deze twee maatregelen niet bezig de werkloosheid onder de ouderen te vergroten?

Minister Asscher:

Ik denk dat het heel goed is dat we het debat over de Wet werk en zekerheid uitgebreid met elkaar voeren. Dan zal blijken dat we de ontslagbescherming kaarsrecht overeind laten staan, dat er wel degelijk kosten worden bespaard voor werkgevers omdat zij eerder weten waar zij aan toe zijn. Juridische procedures worden korter. Dan kun je binnen vier weken een oordeel van het UWV krijgen wanneer je uit elkaar moet gaan omdat het slecht gaat met een bedrijf. Daar zitten besparingen in. Het wordt ook eenvoudiger omdat er niet meer kan worden geshopt hoe je uiteindelijk afscheid van iemand neemt, bedrijfseconomisch via het UWV en om persoonlijke redenen via de rechter. Dat zijn de grote verbeteringen van het ontslagrecht. Iets wat de heer Madlener niet genoemd heeft, is dat er op dit moment heel veel mensen worden ontslagen die helemaal niets meekrijgen. Ze krijgen geen gouden handdruk, geen prachtige regeling, geen kantonrechtersformule, nul. In dit voorstel krijgt iedereen een transitievergoeding. Iedereen krijgt voortaan wat dat betreft een gelijke behandeling. Dat is een enorme verbetering, juist voor mensen met een laag inkomen, oud én jong.

Juist in deze crisis, juist voor de komende jaren tot 2020, kiezen we er in onze voorstellen voor om oudere werknemers extra te beschermen door ze een hogere ontslagvergoeding mee te geven. We weten namelijk dat ze extra kwetsbaar zijn als ze op dit moment moeten zoeken naar een baan. Ik denk dat het ontslagrecht een enorme verbetering oplevert voor de economie en voor de werkgevers, omdat er duidelijkheid is en omdat er kan worden bespaard op juridische kosten. Het is eveneens een verbetering voor de werknemers, ook voor de oudere werknemers.

De heer Madlener (PVV):

Ik denk dat we dat moeten afwachten. Ik ben bang dat het juist goedkoper wordt om oudere werknemers te ontslaan, omdat die vaak langer in dienst zijn en omdat de ontslagvergoeding omlaag gaat. Bovendien is de verhoging van de pensioenleeftijd, zeker op dit moment, heel ongelukkig. Je blijft dan immers langer in een werkloosheidssituatie omdat je later met pensioen mag. Jongeren kunnen ook minder makkelijk aan een baan komen omdat ouderen langer aan het werk blijven. Is het kabinet niet heel dom bezig door op dit moment de pensioenleeftijd enorm snel te verhogen?

Minister Asscher:

Ik kom eerst nog even op het eerste punt. De heer Madlener realiseert zich vast dat veel van de mensen die worden ontslagen in de bouw, juist ook de oudere werknemers, eruit gaan via het UWV. Die mensen krijgen niets mee. Bij hen valt geen ontslagvergoeding te verlagen, want ze krijgen geen ontslagvergoeding, nul. Straks krijgen deze mensen als gevolg van deze wet ook een vergoeding. Is het een gouden handdruk waarmee je meteen twee nieuwe huizen kunt kopen? Nee. Nu is dat ook slechts weggelegd voor de happy few. Straks krijgen die mensen wel een vergoeding. Dat is een enorme verbetering. Ik zie uit naar het debat hierover.

Ik kom op de pensioenleeftijd. We worden gelukkig met zijn allen ouder. We blijven langer gezond en we leven langer. Dat betekent dat we er met zijn allen wel voor moeten zorgen dat we de pensioenen kunnen blijven betalen. In dat kader is het een noodzaak, die eigenlijk iedereen wel begrijpt, dat de pensioenleeftijd voorzichtig omhoog gaat. De heer Madlener zegt dat het te snel is. De staatssecretaris zal het debat hierover graag met de Kamer voeren. Wij denken dat er voldoende maatvoering in zit. Alle landen om ons heen komen tot de conclusie dat de pensioenleeftijd omhoog moet. Het is geweldig dat we langer gezond blijven, dat we langer kunnen werken en dat we ouder worden, maar dat betekent ook dat we ietsje langer moeten werken.

De voorzitter:

Mijnheer Madlener, tot slot.

De heer Madlener (PVV):

We zijn het er in ieder geval over eens dat de verhoging van de pensioenleeftijd voor een heleboel oudere werknemers betekent dat ze langer in een werkloosheidssituatie blijven zitten. We zijn het erover eens dat het wel degelijk een maatregel is die de werkloosheid vergroot voor ouderen en die het voor jongeren die een baan zoeken, moeilijker maakt om op dit moment aan een baan te komen.

Minister Asscher:

Daar zijn we het niet over eens, maar misschien kan ik de heer Madlener straks alsnog overtuigen als ik inga op het punt van verdringing. Een aantal vragen ging immers over verdringing. Dan kom ik ook op het onderwerp werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. De heer Madlener heeft ook belangstelling voor dit onderwerp.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Het leek erop dat we al in het blokje "werk en zekerheid" terecht waren gekomen. Ik had de indruk dat de minister zijn blokje over de sectorplannen en de regioplannen had afgerond. Ik zie hem knikken. Ik heb daar nog een vraag over.

In eerste termijn heb ik gevraagd om van die mooie plannen naar daden te komen en om met die plannen een slag te maken naar de individuele ondernemer in de regio. In de schriftelijke beantwoording lees ik — ik chargeer het maar even — dat ik me daar geen zorgen over hoef te maken, omdat MKB-Nederland vertegenwoordigd is. Dat vind ik iets te makkelijk. Ik denk dat er heel wat voor nodig is om die slag daadwerkelijk te maken in de regio en om de individuele ondernemer te bereiken. Ik vraag de minister dus om hier iets dieper op in te gaan. Hoe wil hij met die zorgen omgaan? Daarbij moeten we zeker het aspect communicatie in ogenschouw nemen. Er is nergens op een website zomaar even iets simpels te vinden, als iemand vraagt: wat zijn de mogelijkheden als ik een jongere of een oudere in dienst wil nemen? Er is geen enkele website waar een individuele ondernemer terechtkan.

Minister Asscher:

De zin "maakt u zich geen zorgen, want MKB-Nederland doet mee" was inderdaad te kort. Het is belangrijker dat de sectoren waar we mee in gesprek zijn, bij uitstek ook mkb-sectoren zijn, met heel veel aangesloten midden- en kleinbedrijven, die ook graag gebruik willen maken van die plannen. Dat is ook extra aantrekkelijk voor het mkb. Het is niet aantrekkelijk om in je eentje zo'n sectorplan te organiseren, het geld daarvoor aan te vragen en er verantwoording over af te leggen. Bedrijven zijn echter wel degelijk geïnteresseerd in meeliften met hun sector op wat er geregeld wordt om jongeren in dienst te nemen of ouderen vast te houden. Ik zie dat ook terug in de eerste plannen van de procesindustrie, de transportsector en de bouw. Daar zijn een aantal heel grote ondernemingen actief, maar juist ook veel midden- en kleinbedrijven. Zij hebben er baat bij dat de brancheorganisaties zich namens hen aansluiten bij zo'n plan.

Vervolgens zijn er ook nog regelingen waar je als individuele werkgever gebruik van kunt maken, bijvoorbeeld de premiekortingsregelingen die we net al even bespraken. Ze staan bij elkaar op een website van het ministerie. We hebben alle mogelijkheden opnieuw geordend. Als de Kamer zegt dat dit nog onvoldoende doorkomt, heeft zij daar gelijk in. Ik denk alleen niet dat de overheid dit met massale campagnes moet doen, maar dat we ervoor moeten zorgen dat brancheorganisaties, ondernemersverenigingen en sectoren daar zelf ook veel meer reclame voor gaan maken. Daar wil ik me graag hard voor maken. Ik zal naar aanleiding van de opmerking het gesprek hervatten. Ik zal zeggen: we hebben die website gemaakt en hebben al die instrumenten. We maken het zo eenvoudig mogelijk, mits het binnen de regels gebeurt. Wijs je ondernemers daar nou ook op. Wijs ze op de mogelijkheden.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik ben blij met het antwoord van de minister. Toch wil ik nog één slag verder gaan. Er zijn ook regio's, bijvoorbeeld in Brabant, waar men al heel ver is. Er zijn daar al concrete uitwerkingen voor plannen. Toch loopt men er soms tegen heel simpele problemen aan. Bij een proefplaatsing hanteert het UWV bijvoorbeeld twee maanden en de gemeente drie. Er moet ergens een keer een knoop worden doorgehakt. Zo zijn er meer dingen waar men tegen aanloopt. Daardoor kan men eigenlijk niet goed vooruit, terwijl dit regio's zijn die zeggen: kom maar op, wij gaan die werkloosheid oplossen. Dat moet de minister toch ook deugd doen. Is de minister bereid om met zijn ministerie, daar waar men tegen problemen aanloopt, te helpen om daarin tot oplossingen te komen?

Minister Asscher:

Net als mevrouw Van Nieuwenhuizen ben ik heel enthousiast over wat men in Brabant op dit gebied aan het doen is. Ik ben in West-Brabant op bezoek geweest bij het transfercentrum dat daar gebouwd is. Eigenlijk functioneert dat zoals je wilt dat de Wet werk en zekerheid gaat werken. Mensen worden ter plekke ondergebracht bij een ander bedrijf. Vraag en aanbod ontmoeten elkaar. Ze krijgen daar begeleiding bij. Ik wil heel graag met mijn mensen kijken hoe we ze verder kunnen faciliteren en hoe je dat soort mooie voorbeelden verder kunt helpen. Ja, er zijn regels. Ik denk dat we daar allemaal heel erg aan hechten, want het gaat ook over overheidsgeld. Ik zeg echter graag toe om te kijken hoe ik belemmeringen bij dat initiatief kan wegnemen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Het gaat natuurlijk niet alleen om het transfercentrum. Er zijn immers meerdere initiatieven. Het gaat mij om het totale pakket.

Minister Asscher:

Wij hebben een algemene regeling gemaakt, maar je ziet dat al die sectoren enorm van elkaar verschillen. Het plan voor de bouw ziet er heel anders uit dan het plan voor de transportsector. De procesindustrie heeft ook weer haar eigen elementen. Er wordt nu gepraat over een plan voor welzijn en zorg. Dat is een heel ander soort sector. Daar moet dus maatwerk in zijn. Dat moet ook gelden voor de regio's. Ik begrijp dat mevrouw Van Nieuwenhuizen het niet uitsluitend had over het transfercentrum in West-Brabant, maar meer in het algemeen over het mogelijk maken van dit soort goede initiatieven waarbij mensen weer zo snel mogelijk aan het werk gaan. Dat wil ik graag doen.

Ik kom dan bij de Wet werk en zekerheid. Naast de aandacht die er nu moet zijn voor de hoge werkloosheid op korte termijn gaat deze over de vraag hoe we de arbeidsmarkt voor de eenentwintigste eeuw goed kunnen inrichten.

De heer De Graaf (PVV):

Het blijft een beetje hangen. Ik vroeg me af wanneer het afgelopen is wat betreft de werkgelegenheid op de lange termijn. De aanjager van dit onderwerp zijn de sectorplannen. Ik weet natuurlijk van de inspiratiedagen. We hebben daar al eerder een keer een robbertje over gevochten in een algemeen overleg. De basis daarvan en degene die dit moet regelen, is de ambassadrice voor de jeugdwerkloosheid. Dat is een oud-Kamerlid. Zij kan voor twintig uurtjes in de week, halve dagen dus, zo'n €11.000 per maand declareren. Daarnaast krijgt ze een NS-abonnement, een iPad, een telefoon en een chauffeur wanneer nodig. Dat zijn aardige omstandigheden voor iemand die de jeugd aan werk moet helpen. Maar nu over de inhoud: wij hebben gemeentehuizen vol met ambtenaren met kaartenbakken vol vacatures. Tegenwoordig gaat dat natuurlijk digitaal. Toch zijn ook die gemeenteambtenaren er niet in geslaagd om met het bedrijfsleven zodanig in contact te komen dat de jeugd aan het werk komt. De banen zijn er soms en de jeugd is er om de banen te vervullen, maar toch is dat jaren onder het stof gebleven. Nu gaat de ambassadrice het allemaal boven water halen. Mijn vraag aan de minister is: hebben die gemeenteambtenaren niet gewoon massaal zitten slapen en is daarom die ambassadrice nodig om ze wakker te schudden?

Minister Asscher:

In de eerste plaats vind ik het jammer dat er op die manier wordt gepraat over mensen die zich inzetten voor de publieke zaak en dat volgens mij tegen heel fatsoenlijke voorwaarden doen. Ik heb er ook helemaal geen geheim van gemaakt en dat zoals beloofd per brief aan de heer De Graaf laten weten. Het is niet iets om ons voor te schamen. Iemand zet zich in voor de goede zaak en krijgt daar fatsoenlijk voor betaald.

Een aantal jaren geleden lag de jeugdwerkloosheid juist op een heel laag peil. Nederland deed het in Europees verband heel goed. Toen was ook onze algemene werkloosheid heel laag. Wat je nu ziet, is dat de crisis met name hard toeslaat bij de jongeren die van school komen en niet aan de bak komen. Of nog erger: jongeren die van school gegaan zijn zonder diploma en hun werk kwijtraken. Ik vind het juist de kwaliteit van heel veel gemeenten dat zij nu mooie plannen maken en daar zelf in investeren. Zij krijgen daar dan wat geld van ons bij. Zij maken concrete afspraken met de scholen, in de trant van: ga nu niet de zoveelste kapper opleiden als wij geen kappers meer nodig hebben, maar denk eens aan de techniek. Dat is het succes. Dat kun je vanuit Den Haag niet regelen; het moet echt ter plekke gebeuren. Daar zit een bedrijf dat om mensen schreeuwt, daar zit een school die de verkeerde mensen opleidt en daar zit de gemeente die ze bij elkaar kan brengen.

De heer De Graaf (PVV):

Het beste banenplan is lastenverlichting. Dan hoeven wij geen ambassadrice langs te sturen. Ik zei dat het heel aardige arbeidsvoorwaarden waren, €11.000 per maand voor twintig uur in de week, maar ik heb er geen oordeel over gegeven. Dat laat ik aan de mensen thuis over. Heel veel plannen op die gemeentehuizen lagen al onder het stof. Ze zijn van zes jaar gelden, vier jaar geleden, vorig jaar of twee jaar geleden. Nu worden ze onder het stof vandaan getoverd en samengevoegd, er wordt een sticker opgeplakt van een ambassadeur en dan is het in een keer een topplan. Maar het onderwijs in Nederland leidt mensen op tot breakdancer, heavy-metalspecialist of cabaretier; daar hebben wij een hbo-opleiding voor. Verder hebben wij vrijetijdsdeskundigen en -wetenschappers. Op dat gebied is het dus ook losgezongen en matcht het ook al niet. Gelukkig probeert mijn collega Beertema daar iets aan te doen. Het grote probleem blijft natuurlijk de lastenverlichting. Is deze minister bereid om binnen het kabinet te pleiten voor lastenverlichting, zodat mensen meer overhouden en er vanzelf meer besteed gaan worden? Dan kunnen er meer mensen aan het werk, in plaats van dat al deze melkertachtige banenmachines worden geïntroduceerd.

Minister Asscher:

Het kabinet is juist bezig om met het middelbaar beroepsonderwijs de veranderingen door te voren die nodig zijn. Er wordt veel meer opgeleid naar werk. Er komt veel meer aandacht voor techniek. De opleidingsinstellingen worden ook veel meer beloond als zij rekening houden met datgene waar straks vraag naar is op de arbeidsmarkt. Wij zijn het er met elkaar over eens dat die verandering nodig is en wij zetten die ferm in. Er wordt extra geïnvesteerd in de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs. Bij alle bedrijven waar ik kom, zie je dat ook terug. De tijd dat je op school een diploma haalde en dan klaar was voor de rest van je leven, ligt achter ons. In bijna alle gevallen gaat het om een goede mbo-opleiding. In het bedrijf waar je gaat werken, leer je dan vervolgens weer verder, vaak nog met één dag op school, of het nu een scheepsbouwbedrijf is, een visserijbedrijf of noem het allemaal maar op. Denk aan de techniekfabriek van de NS in Amsterdam, waar ze leren om treinen te onderhouden. Daar is in de toekomst enorm veel werk in. Het gaat dan om een goede opleiding op school, gericht op techniek, de grote mechanica, en vervolgens aan de echte treinen sleutelen met nog een dag op school. Het onderwijs gaat al die richting uit en dat is ook de toekomst. Wij hebben straks heel veel vakmensen nodig en wij hebben een hoop jongeren die daarvoor getalenteerd zijn.

Lastenverlichtingen zorgen zeker op de langere termijn voor economische groei en meer werkgelegenheid. In het begrotingsakkoord is gekozen voor een lastenverlichting op arbeid. Dat wordt ook door het Centraal Planbureau gewaardeerd. Het leidt tot betere werkgelegenheidscijfers. Het is echter niet zo dat daar meteen volgend jaar de extra banen vandaan komen. Daarom moet je én-én doen: de crisisaanpak op de korte termijn met sectorplannen, "aan het werk", en op de lange termijn de economische structuur versterken. Daar hoort ook een verstandig lastenbeeld bij.

De heer De Graaf (PVV):

Concluderend: wat ik hoor van de minister is dat wij nu nog heel veel geld weg gaan gooien aan dingen die voor een groot deel onzinnig zijn en die vooral ambtenaren aan het werk houden. Op de langere termijn mag de gewone man ook een baan verwachten. Kinderen die nu 12 of 13 jaar zijn, hebben nu als vooruitzicht dat zij werkloos zijn als zij over tien jaar klaar zijn. Maar over 30 jaar hebben zij een baan. Dank u wel.

Minister Asscher:

Het lijkt nu net alsof de heer De Graaf beweert dat de jongen die dankzij die plannen aan het werk is bij die scheepsbouwer, geen gewoon mens is. Hij doet alsof de man die in het Noorden door de plannen weer aan het werk is gekomen, geen gewoon mens is. Hij doet alsof de mensen die met het isoleren van woningen toch weer een baan vinden in de bouw, geen gewone mensen zijn. Wat is dat nou voor onzin? De heer De Graaf dacht iets gehoord te hebben wat ik niet heb gezegd.

De voorzitter:

Ik maak een opmerking tussendoor. Wij hebben veertien onderwerpen te behandelen en wij zijn nu een uur bezig met één onderwerp. Ik zeg dit maar even om de leden te informeren.

Minister Asscher:

Voorzitter. Die Wet werk en zekerheid gaat over de structuur van de arbeidsmarkt. Wat hebben wij op lange termijn nodig om Nederland sterk te houden en om een arbeidsmarkt te hebben waar mensen zich kunnen ontwikkelen, waar mensen perspectief hebben op echt, goed werk, waar ze flexibel zijn omdat de economie dat vraagt, maar waarbij zij ook zekerheid krijgen? Flexibiliteit is voor heel veel mensen juist wenselijk. Je begint je baan in een flexibel contract. Als er een piek in het bedrijf is of als er iemand ziek is, ben je nodig. Maar de kansen en de risico's van de moderne arbeidsmarkt moeten beter worden verdeeld. Dat is waarom ik met veel trots het wetsvoorstel voor die Wet werk en zekerheid naar de Kamer heb gestuurd. Vele partijen binnen en buiten de Kamer hebben meegedacht en meegewerkt aan de vormgeving hiervan. In dit verband had ik verwacht dat de heer Ulenbelt in zijn betoog ook nog even had stilgestaan bij het feit dat veel elementen uit het initiatief dat hij met mevrouw Hamer heeft ingediend, in die wet terecht zijn gekomen. Twee tienen gaf Emile Roemer voor de wet. En één onvoldoende.

Met het wetsvoorstel bieden wij perspectief voor de mensen die lang, in mijn ogen vaak te lang en onvrijwillig op een flexibel contract werken. Daardoor kunnen zij moeilijk aan een hypotheek of een huurcontract komen. Dat is niet hoe wij het willen. De voordelen van de flexibiliteit staan soms niet in verhouding tot de nadelen. De balans moet hersteld. Het is van het grootste belang dat wij mensen toerusten op de veranderingen die komen. Daar ligt een belangrijke rol voor het onderwijs, maar juist ook op de werkvloer moet er voldoende aandacht zijn voor ontwikkeling, opleiding en scholing. Ik ben het dus eens met de heren Van Weyenberg en Heerma.

Met de Wet werk en zekerheid wordt invulling gegeven aan de vraag wat een goed werkgever is. Wat mag worden verwacht in het kader van goed werkgeverschap? Wat mag worden verwacht bij het einde van het dienstverband? Het behoort tot het goede werkgeverschap dat een werkgever een werknemer schoolt voor de functie waarin de werknemer werkzaam is, maar dat hij ook investeert in scholing als die functie dreigt te verdwijnen. Het vergt ook verantwoordelijkheid van de werknemer om zich te blijven ontwikkelen en zich te realiseren dat de arbeidsmarkt verandert en dat hij scholingskansen moet grijpen. Daarnaast is de werkgever straks een transitievergoeding verschuldigd als een dienstverband twee jaar of langer geduurd heeft. Als een werkgever scholing aanbiedt aan een werknemer die hij wil ontslaan, dan mag hij die kosten aftrekken van de transitievergoeding. Ook wordt in de Wet werk en zekerheid gestimuleerd dat de werkgever investeert in brede, duurzame inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt. Met die voorzieningen denk ik dat het niet nodig is om daarnaast nog een apart wettelijk recht op scholing voor de werknemer op te nemen. Ik twijfel er niet aan of wij zullen daar in de wetsbehandeling van de Wet werk en zekerheid nader met elkaar over spreken.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen vraagt welke stappen het kabinet zet om tegemoet te komen aan die veel grotere verscheidenheid in arbeidsrelaties. Naast de Wet werk en zekerheid worden ook verdere stappen gezet, bijvoorbeeld op het vlak van scholing van zzp'ers. Sociale partners kijken naar de mogelijkheden voor zzp'ers om gebruik te maken van de voorzieningen uit de O&O-fondsen Ook kijkt mijn collega voor Wonen en Rijksdienst op dit moment naar de hypotheekverstrekking aan zzp'ers en flexwerkers. Daarbij hebben wij ook de taak om ervoor te zorgen dat opdrachtnemers die helemaal geen ondernemer zijn, zoals postbodes, voortaan wel vallen onder het wettelijk minimumloon. De Kamer heeft daarmee ingestemd. Het zijn allemaal stappen die naast de Wet werk en zekerheid nodig zijn om recht te doen aan die verscheidenheid aan contractvormen en arbeidsrelaties in de moderne arbeidsmarkt. Ik verheug mij zeer op het debat dat ik daarover met de Kamer aanstonds hoop te voeren.

De voorzitter:

Korte interrupties en het liefst in tweeën! Als u nu eens het goede voorbeeld geeft, mevrouw Van Nieuwenhuizen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik ga proberen om het in een keer te doen.

Ik ben blij met het antwoord van de minister op de vragen over de brede problematiek rondom flex, rondom pensioen, hypotheek en scholing. Naar de onderdelen hypotheek en scholing worden onderzoeken gedaan, waarvan de uitkomsten in het voorjaar van 2014 worden gepresenteerd. We missen dan nog informatie over de pensioenen en een aantal andere zaken. Hierdoor komt de informatie nogal versnipperd naar de Kamer. Is de minister in staat om alle informatie in een totaalrapportage voor het reces gebundeld naar de Kamer te sturen?

De voorzitter:

Minister, dit moet heel kort kunnen.

Minister Asscher:

Ja.

De voorzitter:

Ik bedoel het antwoord.

Minister Asscher:

Dat was het antwoord!

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik deel de opvatting van de minister dat de Wet werk en zekerheid voor scholing een stap in de goede richting is. Ik heb echter nog steeds het gevoel dat we dat goed werkgeverschap pakkender kunnen formuleren en dat we het wettelijk zouden moeten verankeren. Ik kom daar later nog op terug. Het is in ieder geval goed om te proeven dat wij niet van mening verschillen over het doel.

Er is een motie aangenomen van de leden van Van Hijum, Koşer-Kaya en Hamer over een scholingsbudget, een rugzak. Ik heb de minister hierover nog niet gehoord. Kan hij misschien iets meer zeggen over de wijze waarop die motie wordt uitgevoerd? Misschien is de minister niet de juiste persoon om op deze vraag in te gaan, maar ik heb echt het gevoel dat er nog iets ontbreekt.

Minister Asscher:

Ik begon mijn inleiding met de metafoor van de rugzak en de vlag. Die rugzak moet in mijn ogen om je schouders blijven hangen, omdat je je leven lang geschoold moet worden. Uiteindelijk zullen we het moeten zoeken in de invulling die de bedrijven in een bepaalde sector zelf vinden. Niet voor niets is goed werkgeverschap een van de open normen in ons civiele recht. Het is niet iets wat je uitputtend kunt definiëren, omdat de omstandigheden bepalen wat van een goede werkgever verwacht mag worden. Die norm vullen we wel meer in met de Wet werk en zekerheid. Het is onze verwachting dat er veel meer ingezet zal worden op scholing en van werk naar werk. Dat zal alleen maar toenemen als de sociale partners in de toekomst meer verantwoordelijkheid krijgen en nemen. Ik denk hierbij aan de opmerking van de heer Heerma dat we te verstatelijkt zijn en dat de verantwoordelijkheid daar hoort te liggen waar die hoort te liggen. Het belang van de werkgever om hieraan invulling te geven zal alleen maar toenemen.

Voorzitter, in tweede termijn zal ik proberen om preciezer in te gaan op het wedervaren van de motie die de heer Van Weyenberg zojuist citeerde.

De voorzitter:

Ik zie de heren Heerma, Ulenbelt en Van Ojik bij de interruptiemicrofoon staan. Blijkbaar willen zij over hetzelfde onderwerp een vraag stellen. Ik geef als eerste de heer Van Ojik het woord.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het is een goede zaak dat de positie van flexwerkers wordt versterkt en dat er een einde wordt gemaakt aan allerlei schijnconstructies. Dat heeft zeker de instemming van mijn fractie. We gaan de wet nog behandelen, maar er is een punt dat hiermee samenhangt en dat al heel veel aandacht heeft getrokken. Daarom stel ik er toch maar een vraag over.

Als je vastlegt dat mensen nog maar twee jaar in plaats van drie jaar een flexcontract mogen hebben en dat de betrokkene daarna een vaste baan moet worden aangeboden, dan bestaat het gevaar dat die man of vrouw niet na drie jaar maar na twee jaar zijn flexwerk kwijt is. Ziet de minister dit gevaar ook? Zo ja, welke mogelijkheden heeft hij dan om de zorgen hierover weg te nemen?

Minister Asscher:

Deze zorg leeft bij veel partijen in de Kamer, ook bij de VVD en D66. Deze ketenbepaling moet je niet los zien van de rest van de wet. Als we in deze wet alleen maar zouden regelen dat het van drie jaar naar twee jaar gaat, dan zou dat risico inderdaad heel groot zijn. We veranderen echter veel meer. We maken het op allerlei manieren aantrekkelijker dan wel, zo u wilt, minder riskant om mensen in vaste dienst te nemen. We snijden de mogelijkheid van de draaideur, iets wat uit het onderwijs kennen, af. Voor de vakantie eruit en na de vakantie weer terug: dat kan niet langer, want er moet voortaan zes maanden tussen zitten. We zorgen er verder voor dat een concurrentiebeding wel kan worden opgelegd in een vast contract, maar niet in een tijdelijk contract. Daardoor zullen werkgevers serieus moeten afwegen of het niet beter is om iemand wel een vast contract aan te bieden. Alleen dan lonen immers de investeringen van een werkgever in een werknemer. Met de transitievergoeding voor tijdelijke contracten maken we het ten slotte financieel aantrekkelijker om iemand die volgende stap te laten zetten. We hebben met andere woorden een hele reeks maatregelen getroffen om de arbeidsmarkt als geheel te helpen veranderen.

Dan nog houd je, net als nu het geval is, een groep mensen die aan het einde van die periode het risico loopt om geen verlenging te krijgen als gevolg van de ketenbepaling. In sommige gevallen zal dat misschien terecht zijn, omdat de werkgever heeft geoordeeld, na die, dan kortere, periode van onzekerheid, dat dit het niet gaat worden. Wij denken echter dat in de meeste gevallen het juist vaker zal leiden tot een vast contract dan nu het geval is, omdat de risico's voor een werkgever kleiner zijn geworden en de voordelen groter. Dit is een van de kernonderwerpen waarover we bij de behandeling van de wet ongetwijfeld zullen spreken.

De voorzitter:

Precies. Dat wilde ik net zeggen. Het wetsvoorstel wordt nog uitgebreid in de Kamer behandeld.

De heer Ulenbelt (SP):

De minister heeft complimenten gehad van mijn fractievoorzitter. Ik dacht dus: dat hoef ik niet over te doen.

De voorzitter:

Het is altijd goed om complimenten te herhalen.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik wil ze dan alsnog wel geven. Van harte. Het voorstel dreigt echter onder vuur te komen vanwege de vraag die de heer Van Ojik net stelde over eenmaal twee. In het voorstel dat ik met mevrouw Hamer had, stond ook en ontslagvergoeding voor de eerste twee jaar. Daar zit het verschil tussen wat wij hadden en wat er nu instaat. Die kritiek kan de minister wegnemen door nu te zeggen dat hij ook in de eerste twee jaar een ontslagvergoeding geeft. Dan worden de flexkrachten niet goedkoper dan daarna en is het probleem opgelost. Ik probeer dus nog meer complimenten voor de minister te vergaren. Als hij dit overneemt, is het helemaal dicht.

Minister Asscher:

Het kabinet prijst zich gelukkig dat bij de verdediging van een wetsvoorstel waarvan de schriftelijke ronde nog moet komen, nu al de SP te hulp schiet met concrete suggesties. Ik ben ervan overtuigd dat deze suggestie tot verbetering en vele andere in de debatten straks hun rol zullen krijgen.

De heer Heerma (CDA):

Mijn vraag sluit aan bij die van de heer Van Weyenberg zojuist. In mijn inbreng gisteren heb ik naast het individuele scholingsrecht ook het individuele scholingsbudget aan de orde gesteld. Daarbij heb ik verwezen naar de aangenomen motie. De minister verwijst naar de tweede termijn. De Kamer heeft echter al de uitspraak gedaan dat er stappen gezet moeten worden. Ik hoop dat de minister er in zijn eerste termijn al iets meer over kan zeggen. Als dat niet lukt, zal ik alsnog in tweede termijn een motie indienen, die ik dan wellicht kan aanhouden na het antwoord van de minister. Er is dus een verschil tussen het scholingsrecht en de wens om te komen tot een scholingsbudget. Op dat punt heeft de Kamer al een uitspraak gedaan in relatie tot de O&O-fondsen. Ik ben benieuwd of de minister hier nu toch al iets meer over kan zeggen.

Minister Asscher:

Ik denk dat we het snel eens zullen zijn over het belang van een budget om mensen te scholen. De kernvraag is hoe je dat op de beste manier materialiseert in afspraken met sociale partners. Hoewel ik niet zeg dat het voorstel van de heer Heerma daartoe zou leiden, bestaat wel het risico dat wanneer je het individuele scholingsbudget te precies afbakent, het voor de een te veel is en voor de ander te weinig. En je wilt juist dat werkgever en werknemer met elkaar op gezette tijden bezien, niet alleen aan het einde van de arbeidsovereenkomst, wat er nodig is om de werknemer verder te ontwikkelen en klaar te houden voor de arbeidsmarkt. Op die manier wil ik daarnaar kijken en op die manier wil ik ook naar die motie kijken.

Verschillende leden hebben mij gevraagd om te reageren op het vraagstuk van verdringing op de arbeidsmarkt. Mevrouw Hamer deed dit zelfs zeer expliciet. Er leven grote zorgen over verschillende soorten verdringing: verdringing door arbeidsmigranten, verdringing door bijstandsgerechtigden die een tegenprestatie leveren en verdringing, misschien, door ouderen die werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Ik spreek van verdringing als er sprake is van oneerlijke concurrentie en van misstanden, waarbij je moet denken aan werken met schijnconstructies en ontduiking van het minimumloon of het cao-loon. Kortom, er is sprake van verdringing als er oneerlijk geconcurreerd wordt tussen werknemers, doordat er niet wordt gewerkt volgens de geldende afspraken. Dan stoot de ene werknemer de andere werknemer het brood uit de mond door onder het afgesproken loon te werken. Dat is onacceptabel. Er is sprake van verdringing als mensen, arbeidsmigrant of niet, werken onder voorwaarden die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden die we in Nederland hebben vastgesteld. Als dit gebeurt, werkt dat norm- en stelselondermijnend. Iedereen die zich daarover opwindt en die dat fenomeen wil bestrijden, vindt mij aan zijn zijde.

We doen er ook iets aan. In het geval van de arbeidsmigranten pakken we schijnconstructies aan en zien we toe op het naleven van cao-afspraken. We zoeken naar de samenwerking met sociale partners. We gaan oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden concreet tegen.

Er is aandacht gevraagd voor ouderen die niet meer vervroegd met pensioen gaan, maar tot de pensioengerechtigde leeftijd doorwerken en soms daarna. Worden jongeren dan niet verdrongen door ouderen? Niet per definitie, zolang er maar eerlijke concurrentie is in plaats van oneerlijke. In het recente verleden is het arbeidsaanbod van ouderen juist flink toegenomen. Wij vierden dat net nog, zeg ik in de richting van de heer Klein. Dat heeft niet geleid tot verslechtering van de positie van jongeren. Ook de massale toestroom van vrouwen tot de arbeidsmarkt in de jaren negentig heeft niet geleid tot verdringing van de mannen van de arbeidsmarkt, maar tot meer werkgelegenheid en meer economische groei. In landen waar 65-plussers aan het werk blijven, zoals in Zweden, zien wij dat dit hand in hand gaat met een hoge arbeidsparticipatie van ouderen onder de 65.

Ik verwacht dus niet dat het verder verhogen van de arbeidsparticipatie een negatief effect zal hebben, maar ik vind wel dat wij er waakzaam voor moeten zijn. Het is een belangrijk punt. Bij het wetsvoorstel dat langer doorwerken na de AOW-leeftijd bevordert, zal ik er uitgebreid op ingaan. Overigens merk ik nu al op dat die AOW-gerechtigden niet per se goedkoper zijn dan de jongere werknemers. De inschaling in de cao geldt ook gewoon voor die werknemers. Sociale partners zijn er dus zelf bij om een eerlijk speelveld te helpen creëren. De staatssecretaris zal in haar termijn in het bijzonder ingaan op mogelijke verdringing als gevolg van de tegenprestatie in de bijstand. Voor haar geldt net als voor mij dat wij het scherp in de gaten houden en dat wij oneerlijke verdringing met alle middelen zullen bestrijden.

Ik kom op het punt van de arbeidsmigratie, dat door velen is besproken. Het vrije verkeer van goederen, diensten en personen in het kader van de Europese eenwording heeft Nederland heel veel welvaart gebracht, maar wij moeten de ogen niet sluiten voor de negatieve gevolgen die dat ook met zich brengt: negatieve gevolgen van globalisering, van het vrije verkeer van personen en van de arbeidsmigratie. In dat licht bezie ik de ideeën van premier Cameron om bij toekomstige uitbreiding van de EU met nieuwe lidstaten het volledig vrije verkeer aan voorwaarden te koppelen. Nu zijn dat voorwaarden in de tijd. Hij zegt dat je er inhoudelijke voorwaarden aan zou moeten koppelen. De heer Kerstens, de heer Heerma en mevrouw Van Nieuwenhuizen hebben mij om een reactie gevraagd op dat voorstel. Ik heb dat eerder potentieel interessant genoemd, omdat het gaat over de discussie hoe je op lange termijn het draagvlak voor Europese samenwerking kunt versterken en behouden. Het vrije verkeer is een fundamenteel uitgangspunt van de Europese Unie, zegt de heer Van Weyenberg terecht.

Tegelijkertijd mogen wij de ogen niet sluiten voor de problemen die daarmee gepaard gaan. Als iemand die problemen aan de kaak stelt, moeten wij dat niet afdoen als bangmakerij of angst zaaien. Integendeel, als je de Europese Unie als af beschouwt, is die ook mislukt. De EU is niet af en het vrije verkeer is niet een trofee die je in de prijzenkast zet, die je oppoetst en waar je de hele tijd rondjes omheen loopt terwijl de rest van de prijzenkast instort. Nee, juist dat vrije verkeer vraagt ons om te kijken naar de negatieve gevolgen en die binnen de kaders van de Europese samenwerking met elkaar te bestrijden, maar wel echt met oog voor de reële problemen. Ik denk aan de vele Nederlanders die ik heb gesproken die het oneerlijke daarvan als probleem ervaren. Dat is niet alleen de vrachtwagenchauffeur, maar ook het bedrijf waar hij werkt, dat zegt: wij doen het volgens de regels, wij betalen het cao-loon, maar wij worden van de weg gereden doordat een ander met een slimme schijnconstructie gebruikmaakt van een oneindig aanbod van goedkope arbeidscontracten, waardoor je uiteindelijk dat deel van onze economie met oneerlijke verdringing beschadigt. Dat ondermijnt niet alleen het leven van die vrachtwagenchauffeur of van dat nette bedrijf, dat het op een goede manier wil doen. Het ondermijnt ook ons stelsel en daarmee het draagvlak voor het Europese samenwerken dat ons zo veel gebracht heeft.

De misstanden die wij in de praktijk tegenkomen, de regelmaat waarmee je arbeidsmigranten uitgebuit ziet worden, arbeidsmigranten die werken onder erbarmelijke omstandigheden tegen belachelijke lonen, die te veel betalen voor dure slechte woonruimte en die meer uren moeten werken dan ze betaald krijgen, het feit dat zij daartegen niet durven op te komen omdat zij bang zijn dat zij dan niet alleen hun baan kwijt zijn, maar ook hun huis en hun inkomsten in dit land; het zijn onacceptabele sociale situaties die ook leiden tot onacceptabele maatschappelijke overlast. Wij hebben niet voor niets de afgelopen jaren samenwerking gezocht met gemeenten die veel arbeidsmigranten herbergen, met sociale partners en met andere partijen om die misstanden aan te pakken. Het heeft nu een prioriteit als nooit tevoren. De aanpak van schijnconstructies gaat een nieuwe fase in door de invoering van ketenaansprakelijkheid. Ik ben er ongelooflijk blij mee dat in Nederland werkgevers zich achter die ketenaansprakelijkheid hebben geschaard. Daarmee zeggen zij immers dat zij nette bedrijven willen die het volgens regels doen, die niet proberen te profiteren van mensen die uit een land komen waar het veel minder goed is. Zij willen bedrijven die niet proberen om de regels te ondermijnen en daarmee de lonen onder druk zetten. Zij zeggen dat zij trots willen zijn op hun bedrijven in een nette en goede arbeidsmarkt.

Je kunt het niet alleen in Nederland oplossen, ook niet met de extra inspectiecapaciteit, met de hoge boetes en met de verbeterde samenwerking met de cao-partijen. Wij zullen ook moeten kijken naar wat het over de grens betekent. Vandaar de afspraken met Roemenië en met Bulgarije. Aanstaande maandag onderteken ik afspraken met Kroatië. Vandaar ook de noodzaak om het op de Europese agenda te zetten en het daar te bespreken.

Aanstaande maandag hoop ik in de Raad van ministers van Werkgelegenheid en Sociale Zaken een akkoord te bereiken over de voor Nederland zeer belangrijke handhavingsrichtlijn. Die richtlijn zorgt ervoor dat je grensoverschrijdend boetes kunt innen en dat je maatregelen kunt nemen om de negatieve effecten te beteugelen. De richtlijn leidt ook tot internationale ketenaansprakelijkheid, zodat mensen die hun loon niet krijgen dat kunnen terughalen bij bedrijven die in het buitenland gevestigd zijn. Wij zullen het niet alleen over die richtlijn hebben. Ik zal daar ook het bredere probleem van de negatieve aspecten van het vrije verkeer van werknemers aan de orde stellen, want ik zoek daar bondgenoten voor. Die bondgenoten vinden wij in toenemende mate. In veel EU-landen wordt het vrije verkeer gekoesterd, maar worden de nadelen veracht. Men zegt dat wij daar nu iets aan moeten doen en dat wij dat samen moeten doen. Denk aan Frankrijk, aan de Scandinavische landen en aan het Verenigd Koninkrijk.

Er wordt een toenemend beroep op publieke voorzieningen gedaan. Ik ben bezig met een wettelijke regeling, mede op initiatief van de heer Azmani. Hij mag geloof ik het woord niet voeren vandaag, maar ik zie hem wel zitten in de zaal. Met die regeling wil ik ervoor zorgen dat gemeenten pas bijstand kunnen verlenen aan EU-burgers nadat de IND het verblijfsrecht heeft getoetst. Op 1 oktober zijn wij begonnen met een proef in Rotterdam. Daar passen de gemeente en de IND die volgorde al toe en stemmen zij hun werkprocessen op elkaar af. De IND streeft ernaar om binnen vier weken het verblijfsrecht te toetsen, voordat de gemeente bijstand verleent. Bij de evaluatie wordt gekeken of dat streven is gehaald en of men klaar is voor een landelijke uitrol van dat experiment.

Premier Cameron heeft geopperd om migranten pas na drie maanden recht te geven op een uitkering. In dat verband noemt hij Nederland als bondgenoot. Dat is niet zo gek. In Nederland is het nu al zo geregeld dat er geen recht op bijstand is voor EU-burgers gedurende de eerste drie maanden. EU-burgers die als werkzoekende naar Nederland zijn gekomen, hebben geen recht op bijstand, ook niet als zij al langer drie maanden in ons land verblijven. Voor EU-burgers die economisch niet actief zijn geweest, geldt dat een beroep op bijstand kan leiden tot beëindiging van het verblijfsrecht zolang zij korter dan vijf jaar in Nederland verblijven. Een EU-burger die langer dan een jaar in Nederland heeft gewerkt, heeft recht op bijstand, uiteraard mits aan de overige voorwaarden van de Wet werk en bijstand wordt voldaan.

Voorzitter, ik wil nu overgaan naar het onderwerp integratie. Ik heb echter de indruk dat er vragen zijn.

De heer Heerma (CDA):

De minister heeft de voorstellen van de heer Cameron potentieel interessant genoemd. Hij komt ook hier met een uiteenzetting over waarom dat vrije verkeer van werknemers geen vast gegeven is en je dat steeds opnieuw moet bekijken. Dat doet mij deugd. Zou het niet nog beter zijn om na die wederom positieve waardering contact op te nemen met het Verenigd Koninkrijk om te kijken of er gezamenlijk tot initiatieven gekomen kan worden, zoals staatssecretaris Teeven dat met een aantal landen doet? Hij heeft vandaag nog in een debat aangegeven dat door te zetten nu er in Europa niet positief is gereageerd. Zou dat hier ook niet zeer op zijn plaats zijn?

Minister Asscher:

Zeker. Wij zoeken bij deze lijn bondgenoten en waar nodig sluiten wij ons aan bij anderen. Frankrijk heeft tijdens de Europese Raad in oktober gezegd dat het meer wil bereiken met ketenaansprakelijkheid. Wij werken daar heel nauw samen. Wij zoeken dus bondgenoten, niet één maar zo veel mogelijk. Je moet immers meerderheden vinden in Europa om verandering te realiseren. Dat betekent dat ik ook op weg naar aanstaande maandag niet zal aflaten steun te zoeken voor de Nederlandse lijn: steun voor het vrije verkeer van personen, maar de negatieve gevolgen ervan aanpakken.

De heer Heerma (CDA):

Betekent dat ook dat de minister voor aanstaande maandag contact gaat zoeken met de Britse premier Cameron om te kijken of er gezamenlijk initiatieven genomen kunnen worden, gegeven zijn positieve beoordeling van een aantal zaken die Cameron naar voren brengt?

Minister Asscher:

Nederland heeft permanent contact met bevriende lidstaten en alle lidstaten zijn bevriend. Wij hebben dus ook contact met het Verenigd Koninkrijk. Het is niet nodig om hierover apart contact te hebben met Cameron. Hij heeft een artikel geschreven. In de Europese Raad van maandag gaat het concreet over de handhavingsrichtlijn en de landen die die willen steunen. Op dat punt heb ik het Verenigd Koninkrijk nog niet aan onze zijde. Wij moeten eerst die meerderheid krijgen om concreet wat te doen voor mensen in Nederland die nu last hebben van die negatieve gevolgen, maar vervolgens is de discussie daarmee niet afgelopen. Daar zijn de heer Heerma en ik het over eens. Die trofee in de prijzenkast waar je vooral niet aan mag komen, gaat niet werken. Die wordt dof en op een gegeven moment valt die naar beneden en breekt die. Je hebt vrij verkeer nodig dat zich mee ontwikkelt en dat oog heeft voor de sociale gevolgen. Wij willen niet een Europa waar je uiteindelijk uitkomt op een minimumloon op het niveau van Bulgarije. Wij willen geen race naar de bodem. Wij willen het Nederlandse sociale stelsel behouden. Mensen die hier willen komen werken, mogen dat doen, maar dan moeten zij concurreren op eerlijke voorwaarden zodat Nederlandse werkgevers dezelfde kansen hebben. Wij willen Nederlandse bedrijven beschermen die het netjes en volgens de regels doen, niet uit angst voor concurrentie met buitenlandse bedrijven maar om ze te beschermen tegen oneerlijke concurrentie. Daar was Europa immers nooit voor bedoeld.

De heer Van Weyenberg (D66):

De minister heeft nu ongeveer tien minuten besteed aan de problemen bij het vrije verkeer en nogmaals, ik steun dat wij uitbuiting en oneerlijke concurrentie aanpakken. Ik heb een heel concrete vraag: komen nu de tien minuten waarin de minister de voordelen over het voetlicht gaat brengen? De voorzitter schudt nee, maar ik hoop op een bevestigend antwoord van de minister. Komen nu de tien minuten waarin hij gaat vertellen over de kansen om in een ander land te werken, de kansen voor bedrijven om personeel te krijgen, en over de noodzakelijkheid ervan voor onze exportsector, de land- en tuinbouw? Gaan die tien minuten nu ook volgen?

Minister Asscher:

Ik ben mijn betoog vandaag niet begonnen met de 91% van de Nederlanders die aan het werk zijn. Ik ben begonnen met de 8,6% van de mensen die werkloos zijn. Het is onze taak om de problemen op te lossen. Zonder iets af te doen aan de geweldige dingen die dit handelsland, dit exportland te danken heeft aan Europese samenwerking en onze internationale houding, is het onze taak om niet alleen de lofzang te zingen en die prijzenkast te bewonderen, maar ook om ervoor te zorgen dat wij in de toekomst net zo blij en trots kunnen zijn. Dus nee, die tien minuten komen niet. Ik zou ze graag nog een keer met de heer Van Weyenberg besteden, maar nu gaat het mij om een toekomst voor heel Europa die niet een race naar de bodem is maar een race naar de top. Ook Europa als geheel moet niet denken dat het met China kan concurreren op arbeidskosten. Wij zullen moeten concurreren op toegevoegde waarde, op wat mensen extra kunnen bijdragen en op wat bedrijven kunnen bieden aan innovatie en creativiteit. Die strijd wordt nu gestreden. Die winnen wij niet door ons af te vragen of wij evenveel minuten hebben besteed aan de positieve kant van het verhaal. Die winnen wij alleen door de problemen aan te pakken.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat vind ik een beetje makkelijk, want een van de problemen is dat het draagvlak ook kan afkalven als je de voordelen onvoldoende voor het voetlicht brengt. Wij hebben de afgelopen tientallen jaren meermaals gezien met Europa dat wij de problemen weten te benoemen, maar de baten voor lief nemen. Ik had het veel beter gevonden als de minister ook tien minuten daaraan had gewijd. Ik heb nog één heel concrete vraag: kan mijn fractie ervan uitgaan dat de minister hard strijdt tegen uitbuiting en ervoor zorgt dat regels worden gehandhaafd en dat dit kabinet geen voorstellen zal doen of zal steunen die er ten principale voor zorgen dat er eerste- en tweederangsburgers komen in Europa?

Minister Asscher:

Ik prijs mij gelukkig met het feit dat de fractievoorzitter van D66, Alexander Pechtold, nog afgelopen zaterdag heeft gezegd dat hij de aanpak van het kabinet als het gaat om het vrije verkeer van personen, om Europese integratie, om mijn strijd tegen uitbuiting en schijnconstructies en om het nu eindelijk op de agenda zetten van de keerzijde van het vrije verkeer, een gezonde aanpak vindt en dat hij die steunt en verstandig vindt. In dat oordeel acht ik de waardering voor de positieve kant besloten, zoals het kabinet die ook uitdraagt. Die balans zal D66 misschien anders maken dan het kabinet, maar klaarblijkelijk vindt ook de heer Pechtold dat wij de goede lijn te pakken hebben. En dat waardeer ik zeer. Dus daar wilde ik mee doorgaan.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat is ook precies wat ik zei. Ik had een andere vraag. Kan ik ervan uitgaan dat het kabinet geen voorstellen zal indienen of steunen die ten principale zorgen voor twee verschillende soorten burgers in Europa?

Minister Asscher:

Gelijke behandeling is een kernprincipe, niet alleen voor dit kabinet, maar voor mij ook als richtsnoer in de politiek. Betekent dit nu dat je bij nieuwe toetreding geen eisen mag stellen? Nee, die portee van het voorstel van Cameron begrijp ik. Voorlopig valt het niet te verwachten, maar als nieuwe en zeker grote landen met een heel andere economie zouden toetreden, is het raadzaam om daarnaar te kijken. Daarmee creëer je geen eersterangs- en tweederangsburgers, zeker niet. Moet je dan nu in de huidige afspraken onderscheid gaan maken tussen Europese burgers? Ook niet. Ik blijf zeker staan achter de Nederlandse bijstandsregels, zoals ik ze zojuist beschreef. Die gaan niet over eersterangs- en tweederangsburgers, maar over de vraag wie recht heeft op een voorziening en wie niet.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik snap heel goed dat de minister de voorstellen van de Britse premier kan omarmen, want hij gaat nu samen met Cameron het verkiezingsprogramma van de PvdA uitvoeren. Daarin staat namelijk dat vrij verkeer in de toekomst beperkt kan worden als de economische verschillen tussen landen heel erg groot zijn. Dat is net wat Cameron zegt. De PvdA kan het principe van het vrije verkeer ook toetsen aan dat soort dingen. Doordat onder andere Griekenland en Spanje slecht gaan, nemen de verschillen in Europa toe. Gaat deze minister ook met Cameron bespreken of je in die situatie anders met het vrije verkeer moet omgaan?

Minister Asscher:

Ik sta hier als minister van een kabinet van VVD en PvdA en dit is de lijn van het kabinet, zoals ik die uitdraag met of zonder Cameron. Wij zoeken daar bondgenoten bij. Het is belangrijk voor de toekomst van de Europese Unie en van ons land dat we effectiever worden in het aanpakken van misstanden, oneerlijke concurrentie en het werken onder het minimumloon en onder het cao-loon. Dat zijn de bedreigingen waar we nu last van hebben. Iedere steun daarbij is welkom, van welk land dan ook.

De heer Ulenbelt (SP):

Vanmorgen hadden wij een overleg met de minister, waarin de heer Azmani wel het woord mocht voeren. Daar leek hij ook nogal geporteerd van de ideeën van Cameron. Misschien zit er toch iets in om dit onderdeel van het PvdA-programma door het kabinet te laten uitvoeren.

Minister Asscher:

Daar waar het kabinet de kans ziet om onderdelen van het PvdA-programma uit te voeren en dat past binnen het regeerakkoord, doen wij dat graag. Maar dat is hier niet de kwestie. In het artikel van Cameron gaat het over het recht op bijstand en dat heeft Nederland anders heeft geregeld dan het Verenigd Koninkrijk. Hij geeft aan het te willen doen zoals Nederland. Het gaat over problemen om de arbeidsmigratie te beteugelen en in de hand te houden. Wij hebben daar een hele reeks maatregelen voor genomen, ook met het oog op de toetreding van Roemenië en Bulgarije. Het gaat ook over de toetreding van toekomstige lidstaten, net als in het PvdA-programma. Ik denk dat dit een verstandige lijn is en ik kies er namens Nederland voor om nu eerst in te zetten op het aanpakken van die schijnconstructies om ervoor te zorgen dat wij meer gaan bereiken in het grensoverschrijdende probleem van al die uitzendbureautjes en al die slimmigheden, de Cyprusroute en noem het allemaal maar op. Intussen doen we in Nederland wat we kunnen door meer inspectiecapaciteit, strengere regels en ketenaansprakelijkheid. Dat gaat bijdragen aan de Nederlandse arbeidsmarkt, aan de kansen van een vrachtwagenchauffeur, maar ook aan het draagvlak van Europa.

De heer Ulenbelt (SP):

Maar wij zien in Europa de verschillen tussen noord en zuid toenemen en dat brengt migratiestromen op gang. Die situatie willen Cameron en de PvdA in de toekomst vermijden, maar het probleem doet zich nu voor. Dan moet je toch nu wat doen?

Minister Asscher:

Ik heb net met veel overtuiging geschetst wat wij daaraan doen in nationaal verband en door afspraken met andere landen. Dat is ook nog allemaal niet af. Later deze week gaat onze inspecteur-generaal nog naar Polen om die afspraken weer verder aan te scherpen, wat ik ook hoop te bereiken op Europees niveau. Ik ben het dus zeer eens met de heer Ulenbelt. Dit zijn problemen die vragen om actie.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Gelukkig spreken de heer Azmani en ik altijd met een mond en zo hebben wij ook drie jaar geleden al gezamenlijk een motie ingediend, waarin werd gevraagd om de negatieve bijeffecten van het vrije verkeer in beeld te brengen en daar een actieplan op te ontwikkelen. Ik heb daar twee vragen over. De eerste sluit aan bij het blokje dat hieraan voorafgaand is besproken. Mag ik de minister eraan houden dat hij in de struisvogelpolitiek van de heer Andor, die nog in de ontkenningsfase zit, volop de strijd zal aangaan en toch de Nederlandse problemen onder de aandacht zal blijven brengen? Mag ik erop rekenen dat hij er zeker alle moeite voor zal doen om steun te vinden bij de heer Cameron om onze problematiek aan te pakken? Tot slot lijkt het een soort mantra van de minister te worden om over schijnconstructies te spreken. Mag ik het daarom uitbreiden naar alle andere maatregelen die wij de afgelopen jaren al in gang hebben gezet, namelijk registratieplicht, verhogen van de boetes, inschrijving in de GBA, samenwerking tussen Belastingdienst, UWV et cetera? Kan hij een effectrapportage opstellen waarin staat welke resultaten we met die maatregelen hebben bereikt? In zijn schriftelijke reactie staat "schijnconstructies", maar het is veel breder dan dat.

Minister Asscher:

Dit onderwerp is zo ongelooflijk belangrijk voor de Nederlandse arbeidsmarkt dat de VVD zich geen zorgen hoeft te maken over de vraag of we zullen doorzetten, ook niet als het soms een enkele Commissaris onwelgevallig is. Het is te belangrijk. Ik zal wel altijd moeite blijven doen om desnoods andere woorden te kiezen en andere manieren te vinden om duidelijk te maken dat het een legitiem probleem is, dat er echt iets aan de hand is en dat het de Europese Commissie juist zou passen om zich daarin te verdiepen. Ik heb de heer Andor niet voor niets rondgeleid in het Westelijk Havengebied in Amsterdam. Ik heb hem willen laten zien wat het met zich mee kan brengen als in een gebied allerlei schimmige bedrijfjes met schimmige constructies gebruikmaken van de mogelijkheden. Dus zeker, het kabinet zal daar niet mee wachten en ook niet mee stoppen.

Gaat het om meer dan schijnconstructies? Natuurlijk gaat het om meer dan dat. Ook onze aanpak daarvan behelst meer. Ik noemde al de samenwerking met gemeenten. Straks krijgen we de registratie van niet-ingezetenen. Er wordt gewerkt aan de verbetering van de GBA, met steun van Binnenlandse Zaken. Ik noemde al de samenwerking met de IND en gemeenten, ook onder aanvoering van staatssecretaris Teeven. De aanpak is dus veel breder, zoals ik al heb gezegd naar aanleiding van de top over arbeidsmigratie. Daar gaan we ook mee door. Het behelst meer dan alleen de schijnconstructies, maar die "schrijnconstructies" zijn wel een heel schrijnend toonbeeld van de dagelijkse praktijk.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik ben blij om te horen dat de minister ook ziet dat het veel breder is dan die schijnconstructies. Hij zegt dat hij daarmee doorgaat, maar hij heeft een rapportage toegezegd over de schijnconstructies. Mag ik hem verzoeken om daaraan het gehele palet — waar staan we nu, welke maatregelen nemen we, hoe staat het met de invoering daarvan en wat hebben ze opgeleverd? — toe te voegen?

Minister Asscher:

Zeker. In het kader van de arbeidsmigratie heb ik de Kamer na de top van 9 september geïnformeerd over het bredere kader dan alleen de schijnconstructies. Het ging ook over de afspraken met gemeenten, de registratieplicht et cetera. Ook in de toekomst zal ik de Kamer die bredere rapportage ter hand stellen, zodat zij kan controleren of wij op al die punten doen wat wij hebben afgesproken.

De voorzitter:

De heer Heerma heeft een paar punten die niet aan de orde zijn geweest.

De heer Heerma (CDA):

En die ik nog aan de orde zou willen stellen. Ik ga even door op het punt van Cameron, maar dan specifieker. De minister gaat in algemene zin de goede kant op en geeft ook aan dat het vrije verkeer niet absoluut is en met goede redenen best beperkt kan worden. Dat gebeurt ook al, in de JBZ-Raad door de heer Teeven. De schriftelijke beantwoording over de export van de kinderbijslag vond ik echter teleurstellend. De minister geeft aan dat het kabinet van mening is dat het eigenlijk alleen voor het onderhoud van kinderen in Nederland zou moeten gelden, constateert vervolgens dat Cameron het ook binnen de Europese Unie ter discussie wil stellen, maar schrijft dat het niet direct op steun kan rekenen. Als het kabinet die mening is toegedaan en constateert dat er in Europa steun voor begint te komen, dan ligt het toch in de lijn der verwachting om samen die handschoen op te pakken en daarvoor te gaan knokken in plaats van de schouders te laten hangen? Dat laatste lijkt namelijk te gebeuren.

Minister Asscher:

Stap voor stap. Aanstaande maandag hebben wij belangrijk werk te doen in Europa. Over de export van de kinderbijslag heeft de Tweede Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat op dit moment nog in de Eerste Kamer ligt. Dat gaat over de export van kinderbijslag naar derde landen, buiten de Europese Unie. Op dat punt lijkt het vooralsnog al niet zeker dat ik een meerderheid in de Eerste Kamer behaal. Dat hangt onder andere af van het CDA. Ik weet dat het CDA het heeft gesteund in de Tweede Kamer. Ik heb ook heel goede gesprekken gevoerd met de fractieleden van het CDA in de Eerste Kamer, maar ik denk dat mijn kans om dit wetsvoorstel aangenomen te krijgen, bepaald niet toeneemt als ik nu reeds een volgende stap zou nemen. De zorg in de Eerste Kamer heeft vooral betrekking op de overgangstermijnen, op de vraag of de verandering niet te snel wordt doorgevoerd. We hebben al het woonlandprincipe geïntroduceerd, dat een aanmerkelijke verlaging met zich meebrengt, en vervolgens komt het kabinet met het voorstel om te stoppen met de export van de kinderbijslag. De taxatie dat het nu niet kansrijk is, heeft ook een uitstraling naar de vraag wat we nu als eerste moeten doen. We hebben een in de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel. Dat hangt in de Eerste Kamer. Laten we er samen voor zorgen dat dat wordt aangenomen. Het kan best zijn dat de heer Heerma daarop op dit moment meer invloed heeft dan het kabinet. Daarna kunnen we bekijken wat de volgende stap is.

De heer Heerma (CDA):

Volgens mij hebben we het ook in AO's al over die wet gehad. Toen lagen bijna alle vragen van de Eerste Kamer voor. Die vragen waren van juridische aard. Ze gingen bijvoorbeeld over wat in welke volgorde moet gebeuren: eerst de verdragen met die landen of eerst de wet. Daar gaat het hier echter niet over. Het gaat hier over het feit dat het kabinet aangeeft dat het eigenlijk ook vindt dat export van kinderbijslag binnen Europa niet de bedoeling is. Dat standpunt neemt het kabinet ook in de beantwoording al in. Daarmee gaat het kabinet al verder dan de wet die nu nog in de Eerste Kamer ligt. Het standpunt is al ingenomen. Als daarvoor in Europa meer steun komt, zoals het kabinet zelf constateert, dan ligt het toch in de rede om stappen te zetten om dat samen te bereiken, los van die wet in de Eerste Kamer?

Minister Asscher:

Het is waar wat de heer Heerma aangeeft: verschillende partijen in de Eerste Kamer hebben nog bedenkingen bij het beperken van de export van de kinderbijslag. Juridische vragen spelen daarbij een rol, evenals overgangstermijnen en de verdragsonderhandelingen met verschillende derde landen. Dat klopt. Het is echter ook waar dat het CDA een van de bepalende partijen is voor de vraag of het wel of niet op een meerderheid kan rekenen. Ik kies er nu namens het kabinet niet voor om dit punt als eerste te proberen in Europa. De Nederlandse belangen zijn volgens mij meer gediend met de Handhavingsrichtlijn, het beperken van uitkeringstoerisme en het voorkomen van misstanden, fraude en uitbuiting. Mijn inschatting is dat daarvoor steun is te verwachten. Ik ben bang dat het een risico zal zijn voor de steun op die aangelegen dossiers als je de mand met wensen te vol maakt. Dat is een politieke inschatting van wat op dit moment in Europa mogelijk is. Dat doet niets af aan de principiële stellingname, die ik deel met de heer Heerma, dat de kinderbijslag bedoeld is om kinderen in Nederland groot te brengen.

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb twee vragen aan de minister. De laatste vraag is een heel korte vraag, maar eerst heb ik een andere vraag. Ik heb de minister al een paar keer gecomplimenteerd met de verdere stappen die hij steeds zet. Ik heb ook aangegeven dat ik hem graag scherp wil houden, dat ik hem wil uitdagen om mogelijke en noodzakelijke volgende stappen te zetten. Ik heb gisteren gesproken over ketenaansprakelijkheid. Ik weet dat dat een extra stap is, die op veel waardering kan rekenen. Ik heb ook aangegeven dat er nog andere ketens zijn. Ik noemde de champignonsector, waar het niet gaat om een keten van onderaanneming maar om een keten waarmee uiteindelijk ook een winkelier te maken heeft. De minister heeft aangegeven dat de Stichting van de Arbeid, waar werkgevers en vakbonden samen praten over thema's als dit, aan het praten is over een code voor verantwoordelijk aanbesteden. Daar heb ik ook om gevraagd. In de schriftelijke beantwoording heeft hij aangegeven dat daar best eens interessante elementen in zouden kunnen zitten voor die andere keten, de keten waarvoor ik aandacht heb gevraagd. Gaat de minister wachten totdat er dergelijke interessante elementen in zitten of wil hij ook echt dat die keten verantwoordelijk wordt gemaakt voor de misstanden die daar plaatsvinden?

Minister Asscher:

De heer Kerstens wijst op een heel goed punt. Als je die uitbuiting effectief wilt bestrijden, dan is er ook een verantwoordelijkheid voor de afnemer, voor de supermarktketen en zelfs voor de consument. In de discussie over de champignons zagen we het heel duidelijk terug. Als de supermarkt eist dat de productie van die champignons gebeurt volgens de voorwaarden die wij stellen, dan zal die markt veranderen. Als men dat niet eist, is het bijna niet van de consument te vragen om in de winkel het onderscheid te maken tussen de ene en de andere champignon. Er ligt dus een enorme verantwoordelijkheid voor andere partijen in de verschillende ketens in onze economie om er samen zorg voor te dragen dat goederen worden geproduceerd volgens de arbeidsvoorwaarden die wij willen, en dat de enorme winstgevendheid van werken onder het niveau van die voorwaarden afneemt. Dat speelt in het bijzonder in de land- en tuinbouw. Ik heb met zowel de werkgeversorganisatie LTO als de supermarkten afspraken gemaakt om een gezamenlijke agenda op te stellen om van het begin tot het eind ervoor te zorgen dat die prachtige producten onder goede omstandigheden worden geproduceerd. Niet voor niets zien we dat veel van de zaken rond schijnconstructies te maken hebben met asperges, aardbeien en champignons. Die producten zijn daar dus heel kwetsbaar voor. Dat is een belangrijk voorbeeld. Daarnaast kan de Stichting van de Arbeid zelf een grote stap zetten door afspraken te maken over aanbestedingen. Als men uiteindelijk met niets komt, dan moeten we opnieuw bezien of de wetgever aan de beurt is. Als men echter wel ergens mee komt, zoals niet voor niets is beloofd, dan is dat veel krachtiger en sterker. De nieuwe aanpak schijnconstructies, inclusief de ketenaansprakelijkheid, is veel krachtiger, omdat werkgevers en werknemers zich erachter hebben geschaard. Wij zijn hier niet in debat met werkgevend Nederland, nee, wij maken ons met zijn allen kwaad over de verkeerde werkgevers, over de verkeerde jongens, over de verkeerde bedrijven. Dat is hoe het moet. Dat is hoe we het kunnen veranderen. Ik zou graag met de heer Kerstens in de gaten houden of dit ook leidt tot verbeteringen in de andere ketens.

De heer Kerstens (PvdA):

Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik heb ook altijd gepleit voor een stevige samenwerking tussen de verschillende belanghebbenden en verantwoordelijken, dus de sectoren en de overheid.

Dan nog een kort vraagje, zoals ik net heb aangekondigd. Het voordeel van het feit dat deze debatten live gevolgd kunnen worden, is dat je weleens een sms'je binnenkrijgt. De minister heeft deze week misschien gelezen over de ellendige situatie van twaalf Bulgaarse vrachtwagenchauffeurs die al een tijd bivakkeren in West-Brabant. Mijn voormalige collega Groen van de FNV vraagt mij het volgende. Als de minister zulke goede contacten heeft met zijn Bulgaarse ambtsgenoot en de Bulgaarse ambtsgenoot, net als deze minister, alles wil doen om misstanden aan te pakken, zou de minister misschien eens een telefoontje kunnen plegen: jongen, los dat op, laat het Bulgaarse bedrijf gewoon de regels naleven, dan kunnen die mensen naar huis.

De voorzitter:

En dat allemaal in een sms'je.

Minister Asscher:

Misschien wil de heer Kerstens de heer Groen terug-sms'en dat ik er in de dinerpauze even naar ga kijken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Asscher:

Voorzitter, ik kom bijna op het punt dat we de groeten gaan doen aan de kijkers thuis! Dat wil ik niet doen, want we hebben nog een belangrijk deel van het debat met elkaar te voeren. Bovendien zit onze staatssecretaris te popelen om de vragen die aan haar zijn gesteld te beantwoorden.

De voorzitter:

De heer De Graaf dacht: laat ik nu maar …

Minister Asscher:

… de groeten doen!

De heer De Graaf (PVV):

Nou, de groeten aan … Nee, ik heb nog een korte vraag over de arbeidsmigratie. Het blokje ging over in interrupties en daardoor verschoof het onderwerp wat. Ik heb gewoon een heel korte vraag. Als een emmer overloopt en de kraan openstaat, moet je dan de kraan dichtdraaien of moet je dan gaan dweilen?

De voorzitter:

Een korte vraag.

Minister Asscher:

Ik zou adviseren om beide te doen.

De heer De Graaf (PVV):

Waarom kiest deze minister dan alleen voor dweilen?

Minister Asscher:

Als er een emmer overloopt, kiest deze minister voor beide. In dit geval hebben we het over arbeidsmigratie in Europa. Niet voor niets heb ik besloten om voor Kroatië gebruik te maken van de maximale termijn die we hebben om te wachten met het vrije verkeer. Die wachttermijn — dat weet de heer De Graaf heel goed — is verlopen voor Roemenië en Bulgarije. Ondanks de moties die we hierover dagelijks in stemming kunnen brengen, is dat een feit. Ik probeer binnen die feiten daadwerkelijke verbeteringen te bereiken. Daar wil ik graag aan werken, ook met de heer De Graaf. Steun van de PVV voor de aanpak van schijnconstructies is dus zeer welkom. Ook duidelijke uitspraken over hoge boetes voor bedrijven die misbruik maken van migranten zijn zeer welkom. Ik hoop dat de PVV ook op dat punt met concrete ideeën komt.

De voorzitter:

Tot slot, de heer De Graaf.

De heer De Graaf (PVV):

De minister maakt er een mooi verhaal van, maar het klopt niet. De minister doet namelijk de kraan helemaal niet dicht; hij zet hem verder open op 1 januari 2014, namelijk voor Roemenen en Bulgaren. Ik trek maar een conclusie, want verder debat heeft denk ik geen zin: kan-niet ligt op het kerkhof, naast wil-niet. Dat is er aan de hand.

Minister Asscher:

We weten dat de PVV er voorstander van is om de Europese Unie te verlaten met Nederland, om daarmee de handelspositie van Nederland en de werkgelegenheid die daarbij hoort te verkwanselen. Ik weet niet op welk kerkhof dat idee begraven wordt, maar ik ben er geen voorstander van. Ik denk dat we Europese samenwerking nodig hebben maar dat we binnen die samenwerking de problemen moeten aanpakken. Daar maakt het kabinet werk van en daar steunt de Kamer het kabinet in. Ik zou het mooi vinden als de PVV op dat punt ook met ideeën en suggesties kwam. Ik geloof namelijk dat de zorgen van de heer De Graaf voor die groep oprecht zijn en dat wij die zorgen delen. Hij helpt de vrachtwagenchauffeur waarover ik zonet sprak alleen niet door te doen alsof hij iets kan doen aan 1 januari 2014. Het helpt ook niet om te beloven om uit de Europese Unie te gaan, omdat dit de banen voor de vrachtwagenchauffeur en zeker die voor zijn kinderen op de tocht zou zetten. Ik geloof dat het wel helpt om samen te bekijken hoe we de problemen kunnen aanpakken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Asscher:

Ik kom bij het onderwerp integratie. Naast regels voor arbeidsmigratie hebben we ook integratiebeleid nodig. We moeten ervoor zorgen dat iedereen in dit land naar vermogen kan meedoen in de samenleving. Dat vergt een enorme inspanning van Nederland, maar het vergt in het bijzonder een forse inspanning van mensen zelf. Dat betekent dat mensen de moeite moeten doen om de Nederlandse taal te leren, maar ook dat zij zich de kernwaarden van de Nederlandse samenleving moeten eigen maken zodat zij aan de slag kunnen op de arbeidsmarkt en kunnen meedoen in onze samenleving. Daarvoor zijn mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Tegelijk moeten nieuwkomers er wel op kunnen vertrouwen dat ze eerlijk behandeld worden door de samenleving. Mensen moeten als individu bejegend worden, niet alleen als onderdeel van een groep. Mensen verdienen dezelfde kansen als ieder ander. Dat betekent ook het tegengaan van discriminatie en racisme. Dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid houdt ook in dat we debatten op het scherpst van de snede, maar altijd beschaafd moeten voeren, waarbij we te allen tijde blijven uitgaan van de mens als individu die zijn eigen keuzes maakt, zijn eigen verantwoordelijkheid draagt en het dus verdient om daarop afgerekend te worden. Als we verder willen komen met elkaar moet dat het uitgangspunt zijn. Dat is ook het fundamentele uitgangspunt van de Nederlandse rechtsstaat. Allen in Nederland worden gelijk behandeld door de wet. Mensen met een voorbeeldfunctie, zoals bekende Nederlanders, maar ook wij als politici, dienen zich bewust te zijn van die verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid behelst het benoemen van de problemen, het aanpakken van de problemen en het niet weglopen voor de problemen. Maar we moeten uit blijven gaan van het individu. Soms is een harde discussie nodig. Soms is een moeilijke discussie nodig. Maar laat het wel een echte discussie blijven, waarbij je naar elkaar luistert en met elkaar spreekt.

Ik kom op de inhoud van de bijdrage van de heer Van Klaveren. Hij noemt een aantal zaken waarover hij zich zorgen maakt: de zorgen van autochtone Nederlanders in bijvoorbeeld Amsterdam en Den Haag, de vrees voor uitblijvende secularisering van moslims, de positie van vrouwen, hoge criminaliteitscijfers en de Nederlandse tradities in het algemeen. Ik begrijp die zorgen en voor een groot deel zijn het ook mijn zorgen. Ik zal beginnen met de zorgen over criminaliteit. Grensoverschrijdend gedrag van jongeren, met wat voor achtergrond dan ook, mag maar één antwoord kennen: een snelle, duidelijke en harde aanpak. Ieder die zich niet aan die cruciale regels houdt of zijn handen niet thuishoudt, moet direct worden aangepakt. We moeten meteen op het probleem af, met oog voor de rol van de omgeving. Als anderen iemand ergens niet op aanspreken, moeten zij ook benaderd worden. Als kinderen niet worden opgevoed, moeten ouders daarop aangesproken worden. Grenzen moeten worden gesteld.

Daarnaast stelt de heer Van Klaveren voor om potentiële terroristen preventief op te sluiten. Ik weet niet precies wie er dan mag bepalen wie potentiële terroristen zijn, maar het lijkt mij in strijd met de fundamentele beginselen van de rechtsstaat, die we met z'n allen hebben te verdedigen, om mensen op te sluiten die geen wet overtreden. Dat zijn rechten die ook onze vrijheid beschermen. Dat is een vrijheid die we moeten koesteren. Een andere suggestie was om Nederlandse jongeren het land uit te zetten. Opnieuw een beginsel van onze rechtsstaat dat geschonden wordt.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Van Klaveren wil interrumperen, maar ik stel voor dat de minister eerst dit onderwerp afrondt. Daarna krijgt de heer Van Klaveren de gelegenheid om te interrumperen.

Minister Asscher:

We dienen hier onze problemen zelf op te lossen. Dat geldt ook voor de problemen met Nederlandse jongeren die het voor zichzelf en voor anderen verpesten.

Interessant vond ik dat de PVV zich zorgen maakt over de dreigende verdwijning van de sociale cohesie, onder andere door immigratie. Dat is een zorg. Dat is een van de spanningen die we voelen. Dat is een van de problemen van integratie. Herkennen mensen zichzelf nog? Herkennen ze hun buurt nog? Kunnen ze nog met elkaar omgaan? Weten ze nog wat hun identiteit betekent? Zien ze zichzelf nog terug in de ontwikkeling van Nederland? Dat vergt ook oplossingen die juist de rechtsstaat en het feit dat we hier met elkaar kunnen samenleven overeind houden. Verschillende leden, onder wie mevrouw Karabulut, de heer Van Weyenberg, de heer Heerma en mevrouw Schouten, hebben terecht ook om aandacht voor discriminatie gevraagd. Laat ik helder zijn: ongelijke behandeling, discriminatie en racisme komen voor in Nederland. We hebben daar de afgelopen tijd voorbeelden van zien langskomen. Dat is niet acceptabel, het verdient onze volle aandacht en kan alleen beantwoord worden met een heel duidelijke stellingname. De oplossingen zijn niet altijd eenvoudig en bewijsvoering is niet altijd geleverd. Niet ieder vooroordeel leidt tot discriminatie of racisme. Het vergt ook precisie voordat je mensen "racist" noemt. Maar laat helder zijn dat er wel degelijk racisme is in onze samenleving. Alle Nederlanders verdienen het ook daartegen beschermd te worden. Het voorbeeld uit Rotterdam dat mevrouw Schouten noemde, is glashelder.

Er zijn nu al instrumenten om dat probleem aan te pakken — denk maar aan de Wet gelijke behandeling — maar het kan beter. Onze staatssecretaris heeft daarom de SER gevraagd om een advies om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Dat wordt komend voorjaar verwacht. Na dat advies zal het kabinet de Tweede Kamer zo snel mogelijk informeren.

Laten wij wel wezen. Je moet van jongeren verwachten dat ze hun school afmaken, dat ze hun best doen, dat ze zich netjes presenteren, dat ze werken aan hun cv en dat ze niet opgeven, zelfs als het soms lastig is. Maar als ze dat allemaal gedaan hebben en ze dus hun uiterste best hebben gedaan, verdienen ze ook een eerlijke kans en gelijke behandeling. Ze verdienen het dan om niet afgerekend te worden op waar ze vandaan komen, op hun huidskleur, maar om deel te kunnen nemen aan de gezamenlijke Nederlandse droom dat je heel ver kunt komen als je je best doet, ongeacht waar je vandaan komt.

De heer Heerma vraagt in dat kader of het niet tijd wordt voor een integratieakkoord. Ik vind dat een interessante suggestie. In de integratieagenda komen enkele elementen die hij noemde aan de orde. Ik heb in de schriftelijke beantwoording beloofd om op zeer korte termijn een update daarover te sturen. Het gaat hierbij natuurlijk over het toerusten met de juiste werknemersvaardigheden. Het gaat ook om taal op de werkvloer. Het gaat bovendien om de acties die de Ambassadeur Jeugdwerkloosheid op dit moment onderneemt. Het gaat echter ook om het committeren aan de grondbeginselen van de Nederlandse rechtsstaat en de Nederlandse samenleving. Dat is een van de onderwerpen die ik in het participatiecontract hoop uit te werken. De heer Heerma wacht daar met smart op; dat weet ik. In 2014 zal ik rond de thema's "kernwaarden" en "arbeidsmarkt" afspraken gaan maken, gericht op een concrete aanpak vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de integratie bevorderd wordt, dat mensen een eerlijke kans krijgen en dat problemen niet alleen benoemd, maar ook opgelost worden.

De voorzitter:

Bent u nu klaar met dit blokje?

Minister Asscher:

Zeker.

De heer Van Klaveren (PVV):

De minister gaf net aan dat hij vindt dat er hard moet worden opgetreden tegen mensen die de regels overtreden. Tegelijkertijd zien wij dat dit kabinet groepsaansprakelijkheid en het idee van "mininumstraffen" heeft geschrapt. Als wij rapporten zoals "Wat werkt nu werkelijk?" lezen, weten wij ook dat de softe aanpak van de afgelopen decennia niet heeft gewerkt. Om die reden pleit de PVV keer op keer voor een harde aanpak. De minister geeft aan dat hij hard wil optreden, maar tegelijkertijd verwerpt hij alle voorstellen die de PVV gedaan heeft over onder andere minimumstraffen en groepsaansprakelijkheid. Wat blijft er dan over van het verhaal van de minister over hard aanpakken?

Minister Asscher:

Hard aanpakken is in mijn ogen lik-op-stuk. Als iemand de grens overschrijdt, moet je er snel bij zijn. Dan moet snelle rechtspraak volgen en een duidelijke straf. Mijn collega's Opstelten en Teeven personifiëren dit beleid. Zij geven daar invulling aan. In mijn ogen is het preventief opsluiten van groepen mensen zonder dat zij de wet hebben overtreden, geen effectieve aanpak. Het is misschien wel een harde aanpak, maar die leidt juist tot een aantasting van de rechtsstaat. De rechtsstaat wordt aangetast door mensen die geweld gebruiken, zich misdragen en de regels overtreden en daar moet een sanctie op komen, maar wij moeten niet hetzelfde gaan doen.

De heer Van Klaveren (PVV):

De minister verwijst naar administratieve detentie voor mensen die terrorist zijn of die bereid zijn om terroristische aanslagen te plegen. Het eerste punt ging onder andere over jongeren in wijken die mensen molesteren, mishandelen, bedreigen et cetera. Dat onderscheid moet wel even duidelijk zijn. Het tweede punt was eigenlijk een vraag van de minister aan de PVV. Hij vroeg wat wij bedoelen met administratieve detentie. Wij zien dat verschillende landen, waaronder Israël, al decennialang geconfronteerd worden met islamitisch terrorisme. Daar heb je administratieve detentie voor. Iemand die volgens de inlichtingendiensten een gevaar is voor onze samenleving, kan worden voorgedragen bij de minister van Binnenlandse Zaken. Deze tekent daarvoor. Vervolgens bekijkt de bestuursrechter — vandaar het idee "administratieve detentie" — binnen een halfjaar of diegene nog langer vastgezet kan worden. Dit punt, de administratieve detentie, is dus een maatregel om het islamitisch terrorisme tegen te gaan. Het andere punt gaat over jongeren, zoals ik net al aangaf. Het gaat daarbij om groepsaansprakelijkheid en minimumstraffen. Dit kabinet doet daar niets mee. De minister geeft aan dat Opstelten en Teeven daar stevig mee bezig zijn, maar dat is niet zo. Taakstrafjes, groepsgesprekjes et cetera werken niet. Dat hebben wij gezien en dat verandert niet.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Van Klaveren (PVV):

Mijn vraag is of de minister daarop kan ingaan. De rest was mijn toelichting op de vraag van de minister.

Minister Asscher:

In de eerste plaats stel ik het op prijs dat de heer Van Klaveren het debat voert en bereid is om toe te lichten wat hij bedoelt met zijn voorstel voor preventieve detentie. Dat wil niet zeggen dat ik denk dat het een goed idee is. Het is te prijzen dat er zo veel vertrouwen is in Ronald Plasterk dat de PVV nu zegt: geef de minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid om mensen een halfjaar op te sluiten, waarna een bestuursrechter moet gaan kijken of dat wel of niet terecht is. Wij weten allebei dat terrorisme allang in het strafrecht geregeld is, met serieuze straffen. Er zitten nu terroristen in de Nederlandse gevangenis, en terecht, na veroordeling door de rechter voor de misdaden die zij hebben gepleegd. Ik pak het punt op omdat het werd gepresenteerd als een oplossing voor integratieproblemen. Ik denk echter dat integratieproblemen een reactie verdienen die echt op het probleem is gericht. Dan gaat het wel degelijk om adolescentenstrafrecht; snel erbij zijn en duidelijk straffen. Maar ook: kijken naar wat er verder gebeurt, opvoeders aanspreken, grenzen stellen en staan voor het recht op gelijke behandeling.

De heer Van Klaveren (PVV):

Het adolescentenstrafrecht is eigenlijk een verzwakking van het voorstel van de PVV. Daarom gaf ik aan dat het geen stevige maatregel is. Het is niet iets wat op lange termijn gaat werken, en op de korte termijn overigens ook niet. Administratieve detentie zou een prachtige oplossing zijn. Wij zien nu hordes mensen naar Syrië vertrekken om zich daar aan de meest gruwelijke misdaden te buiten te gaan. Zij keren vervolgens terug en er gebeurt niets. Zij krijgen een huis, zij krijgen en baan en zij worden geholpen met een opleiding. Wat er moet gebeuren, is dat die mensen worden opgepakt, vastgezet en waar mogelijk uitgezet. Wat wij zeggen, is: pak die mensen, van wie de AIVD en andere inlichtingendiensten denken dat het gevaarlijke personen zijn, preventief op en zet ze vast zo lang dat nodig is. Dat is absoluut een oplossing als het gaat om het tegengaan van islamitisch terrorisme.

Minister Asscher:

Als de AIVD zou denken dat de heer Van Klaveren een gevaarlijk persoon is en zou zeggen "je moet die man een halfjaar opsluiten", zal ik het voor hem opnemen, omdat ik vind dat er een rechter aan te pas moet komen en er een wet moet zijn overtreden. Het bestuursrecht is daar niet voor gemaakt. In het bestuursrecht worden geen gevangenisstraffen opgelegd. Als de heer Van Klaveren met mij van mening is dat hij niet mag worden opgesloten zonder een bevel van de rechter, zijn wij het met elkaar eens. Dan kunnen wij het weer hebben over het echte integratiedebat. Als de heer Van Klaveren van mening is dat in deze rechtsstaat de nood zo hoog gestegen is dat de bestuursrechter na een halfjaar moet toetsen of hijzelf terecht in de gevangenis is gestopt, worden wij het echter niet met elkaar eens.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb een vraag over het aanpakken van discriminatie op de arbeidsmarkt. De zaak van Jeffrey is weer een incident. Wij hebben inmiddels stapels onderzoeken waaruit blijkt dat uitzendbureaus discrimineren. Het komt voor op basis van afkomst en op basis van leeftijd. Ik word toch wel een beetje verdrietig en boos tegelijk als ik nu weer het bos in word gestuurd met een SER-advies, en met mij Jeffrey en al die andere mensen die worden afgewezen op grond van hun leeftijd. Ik verwacht actie van de minister, zeg ik er heel eerlijk bij. Ik heb suggesties gedaan, maar de minister zegt: nee daar doen wij niets mee, want het is te ingewikkeld. Ik geef toe dat het een ingewikkeld probleem is. Is de minister dan in ieder geval bereid om een actieplan op te stellen met een aantal onderdelen, waarin staat wat je kunt doen om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden? Er zijn allerlei instanties, die zich op verschillende manieren bezighouden met arbeidsmarktdiscriminatie, waardoor het voor de mensen niet helder wordt. Is de minister bereid om dat eens goed te onderzoeken en met een helder voorstel te komen? Nu gebeurt er eigenlijk niets.

Minister Asscher:

Ik begrijp het ongeduld van mevrouw Karabulut heel goed. Ik denk dat wij dezelfde reactie hebben gehad bij de voorbeelden van de afgelopen week. Ik heb zojuist gezegd dat het SER-advies niet het enige is, maar het is wel belangrijk, want het gaat om praktische maatregelen van werkgevers en werknemers zelf om de discriminatie te bestrijden. De staatssecretaris, die al aan de slag is gegaan met de uitzendbureaus, zal er straks in haar eerste termijn nog dieper op ingaan.

Mevrouw Karabulut (SP):

De minister onderschrijft de ernst van een en ander en heeft zich in de media daarover uitgelaten. Gelukkig maar, zeg ik, want dan is het niet alleen de staatssecretaris, maar zijn het de bewindslieden samen. Ik strijd graag met hen mee. Is de minister het dan wel met mij eens dat er actie moet worden ondernomen, dat wij concreet aan de slag moeten en dat wij niet moeten wachten op het voorjaar, op het SER-advies en op acht brieven?

Minister Asscher:

Er gebeurt gelukkig al meer dan je zou denken als je mevrouw Karabulut hoort. Ik ben het helemaal met haar eens dat wij niet moeten wachten met dingen die wij nu al kunnen doen. De aanvraag van zo'n advies is niet bedoeld om u het bos in te sturen, maar om de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers zelf te benadrukken. Ik denk dat dit iets is wat waardevol is.

Mevrouw Karabulut (SP):

Zeker, maar ik geef de minister mee dat ik hier nu al een aantal jaren meeloop. Wij krijgen al een aantal jaren dit soort antwoorden. Op een gegeven moment denk je: nu is het genoeg.

Minister Asscher:

Ik volg al jaren in grote bewondering dat mevrouw Karabulut hier rondloopt. Wij zijn hier heel serieus in. Ik hoop dat zij dat van mij wil aannemen. De staatssecretaris zal er straks nog nader op ingaan.

De heer Heerma (CDA):

Gisteren heb ik in mijn termijn in het debat gepleit voor een integratieakkoord. Daarbij heb ik de problemen genoemd rond het niet internaliseren van kernwaarden, alsmede de schimmige geldstromen uit het buitenland. Ook heb ik de discriminatie op de werkvloer aan de orde gesteld. De minister noemde het zojuist een interessant idee. In zijn schriftelijke beantwoording gaat hij ook best ver in het overnemen van het idee. Mag ik het zo interpreteren dat de minister afspraken wil gaan maken met werkgevers, zelforganisaties en CMO's, met het doel en de ambitie om tot een integratieakkoord te komen langs deze lijnen?

Minister Asscher:

Ik noem het niet voor niets een heel waardevolle suggestie. In de schriftelijke beantwoording heb ik aangegeven naar zo'n diversiteitshandvest te streven zoals dat er in Frankrijk is gekomen. Dat is iets waar werkgevers en werknemers nauw bij betrokken zijn. Daarnaast wil ik afspraken maken met de organisaties die de heer Heerma noemde, juist rond die thema's als kernwaarden. Ik weet niet of de naam uiteindelijk "integratieakkoord" wordt en of wij het dan over alle elementen eens zijn, maar ik wil er graag op terugkomen en ik wil er concreet mee aan de slag.

De heer Heerma (CDA):

Het gaat mij niet om de uiteindelijke naam, maar om de voorafgaande ambitie. Wij willen de diverse spelers niet apart, maar gezamenlijk aan tafel krijgen om de diverse onderwerpen op tafel te leggen om tot samenhangende afspraken te komen over discriminatie op de arbeidsmarkt, over de openheid, enz. Wij staan voor die openheid. Is het de ambitie om het gezamenlijk met al die partijen te doen? Ik noem het een integratieakkoord.

Minister Asscher:

Ik wil dat proberen. De heer Heerma zal de aarzeling bij mij zien. Ik wil die aarzeling toelichten. Het is niet omdat ik het geen goed idee vind, maar het zit hem in de intrinsieke aarzeling bij de vertegenwoordigers van minderheden. Sommigen doen dat naar eer en geweten op een geweldige manier, maar bij het verhaal dat ik net hield hoort ook dat wij mensen te allen tijde als individu moeten benaderen. Dat is wat ik probeer te bereiken met die participatiecontracten. Het één hoeft niet ten koste te gaan van het ander, maar voor een daadwerkelijke verandering heb je niet alleen de organisaties nodig, maar juist ook de individuen die die organisaties zeggen te vertegenwoordigen. Ik geloof helemaal niet dat de heer Heerma en ik het daarover oneens zijn, maar ik vond het nodig om de twijfel die hij bij mij waarnam, te adstrueren.

De heer Heerma (CDA):

Mijn idee is dat, wanneer het in samenhang op tafel komt, de organisaties sneller en harder bereid zijn om te zeggen: wij vinden dat er altijd openheid moet zijn over een aantal zaken, mits werkgevers uitspreken dat zij meer gaan doen om discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken. Volgens mij ligt er een kans als de dingen in samenhang worden gebracht. Alleen al de symbolische waarde daarvan is voor die individuen van belang. Het kan een sneeuwbaleffect veroorzaken als je het in samenhang met die waarden neerlegt.

Minister Asscher:

Als de vrijheid van een individu om zijn eigen leven te leiden, om te kiezen of hij wel of niet gelovig wil zijn, om te kiezen of hij wel of niet wil deelnemen aan de ramadan, om te kiezen of hij wel of niet wil houden van iemand van hetzelfde geslacht, daar een onderdeel van is, dan hebben wij een kans, die ik wil grijpen. Het gaat om individuele vrijheden die tot de Nederlandse kernwaarden behoren.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik sluit daarbij aan. Mijn collega Yücel heeft in een eerder algemeen overleg een suggestie in dezelfde richting gedaan. Ik hoor de minister zeggen dat hij het idee om tot zo'n agenda-akkoord te komen interessant vindt. Laat hij met een uitwerking, een concretisering daarvan komen en laten wij dat in de Kamer in een algemeen overleg bespreken. Dan komen wij er verder mee.

Minister Asscher:

Zeker. Ik heb al aangegeven dat ik bezig ben met het maken van een voortgangsrapportage rond de agenda integratie. Al die elementen komen daarin terug. Ik noem de justitiële kant, de overlastkant, maar ook de waardenkant en de discriminatiekant. De staatssecretaris van Onderwijs is bezig met die burgerschapsvorming in het onderwijs. Niet voor niets hebben wij in eerdere debatten gezegd: als wij het belangrijk vinden dat nieuwkomers de rechtsstaat verinnerlijken en kennisnemen van normen en waarden, dan moeten wij er ook voor zorgen dat kinderen die hier opgroeien dat meekrijgen. Op al die punten hoop ik de Kamer een voortgangsrapportage te geven. Dan kunnen wij ook nader spreken over de suggestie van de heer Heerma.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik maak dit punt, omdat ik het verder wil brengen. Het voorbeeld dat de minister noemde, is verder een oud initiatiefwetsvoorstel dat ooit door mevrouw Kraneveldt, de heer Dijsselbloem en mijzelf is ingediend. Dat voorstel is opgepakt door het ministerie van Onderwijs, maar vervolgens wordt het niet goed gecontroleerd. Met andere woorden: niet alleen maar nieuwe dingen bedenken, maar ook controleren, en dingen die al bedacht zijn verder brengen. Ik neem verder het voorstel van de heer Heerma en de minister over om het uit te werken en in een algemeen overleg bespreken.

Wij hebben een rapportage ontvangen van het Verwey-Jonker Instituut, een rapportage die volgens mij ook naar de Kamer komt. Uit die rapportage blijkt dat het aantal racistische incidenten toeneemt. Ik denk dat we die rapportage bij deze discussie moeten betrekken. Is de minister het daarmee eens?

Minister Asscher:

Ik ben nog bijna geen onderwerp tegengekomen, waarover niet een initiatiefvoorstel van mevrouw Hamer blijkt te bestaan, ergens op een plank in dit gebouw. Soms is zo'n voorstel al heel ver, soms …

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dit voorstel is gewoon aangenomen door de Tweede Kamer.

Minister Asscher:

Kijk aan!

Ik denk dat het heel belangrijk is, want in mijn Amsterdamse tijd heb ik gezien dat burgerschapsonderwijs cruciaal is om kinderen op de toekomst voor te bereiden. Het kan veel beter! De staatssecretaris heeft een reactie in voorbereiding op het advies van de Onderwijsraad. Dat advies gaat puur over dat leerdoel. Wat behelst burgerschapsonderwijs precies? Die vraag moeten we beantwoorden, want het mag niet een beetje vrijblijvend praten worden over wat de Tweede Kamer doet. Sterker nog: het moet gaan over de vraag wat het écht betekent. Binnen de vrijheid die scholen nodig hebben om hieraan invulling te geven, moet je duidelijk maken wat je ambitie is. Dat is de reden waarom ik het noem. Hierover is verder al gesproken in een algemeen overleg over de integratieagenda.

Ik zal proberen een reactie te geven op het rapport van het Verwey-Jonker Instituut over het toegenomen aantal incidenten. Ik weet niet zeker of ik het op tijd mee kan nemen. Als dat niet mogelijk blijkt, neem ik het mee naar de volgende bespreking. Ik wil de voortgangsbrief namelijk wel snel naar de Kamer sturen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik deel het ongeduld van mevrouw Karabulut en de minister. Een jaar geleden heb ik hierover nog met de staatssecretaris gedebatteerd in verband met de uitzendbureaus. Ik wacht het SER-advies af, want de sociale partners spelen hierbij een heel belangrijke rol. Laat ik het zo zeggen: mijn verwachtingen over hun inspanningen zijn hoog gespannen.

Ik heb twee concrete vragen, omdat ik hoop dat de minister nu iets meer kan zeggen dan in de schriftelijke beantwoording. Elke paar jaar deed het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzoek naar hoe het nu precies staat met de arbeidsmarktdiscriminatie. De financiering van dit onderzoek is gestopt. Ik vind het daarom jammer dat de minister in de schriftelijke beantwoording niet gewoon heeft toegezegd dat hij hiervoor geld zal vrijmaken. Mijn tweede vraag betreft de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik begrijp dat het heel ingewikkeld is, maar ziet de minister nu echt geen rol weggelegd voor deze inspectie?

Minister Asscher:

De heer Van Weyenberg en ik hebben al vaker met elkaar gesproken over zijn eerste vraag. Hij weet dan ook dat ik het met hem eens ben dat je moet kijken naar wat er in de praktijk gebeurt. Ik ben er echter niet zeker van of we daarvoor het juiste middel inzetten. Moet het met andere woorden per se tweejaarlijks onderzocht worden door het SCP? Gaan we in de toekomst gewoon bekijken wat er in de praktijk gebeurt rond discriminatie op de arbeidsmarkt? Ja. Moet dat per se via de oude weg? Wat mij betreft hoeft dat niet. We moeten gewoon bezien hoe we het op een goede manier kunnen invullen.

Is er een rol weggelegd voor de inspectie? Ja, die rol is er. Als er concrete klachten aan de inspectie worden voorgelegd, kan de inspectie wat doen. De inspectie kan dan bijvoorbeeld een boete opleggen. Mevrouw Karabulut vroeg in een eerder debat of de inspectie een onderzoeksrol of een klachtenrol moet krijgen. Ik heb haar geantwoord dat we niet voor niets het College voor de Rechten van de Mens hebben geëquipeerd. Dat college is er juist voor ingericht om dat soort klachten te behandelen en te beoordelen. Dat laat onverlet dat ik opensta voor suggesties om de kracht van de inspectie beter te gebruiken. Je moet de inspectie echter niet een taak geven die eigenlijk al elders is belegd, want zowel de inspectie als het College voor de Rechten van de Mens gaan het daardoor slechter doen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik zal de minister in tweede termijn nog wat aansporen om enthousiast door te gaan in de richting van het SER-advies. Ik zal verder nadenken over zijn suggestie, in een motie vast te leggen dat er een onderzoek moet komen maar niet door wie. Ik krijg namelijk de indruk dat dit achter de reactie van de minister zit. Kan de minister mij ten slotte zeggen hoe vaak de inspectie met haar huidige bevoegdheden op dit onderwerp heeft geacteerd? Ik vraag dat, omdat het mijn indruk is dat het wel eens buitengewoon beperkt zou kunnen zijn.

Minister Asscher:

Ik denk dat die observatie klopt, maar ik zal het even nagaan.

De voorzitter:

Mijnheer Van Klaveren, u bent al geweest. U bent waarschijnlijk iets vergeten?

De heer Van Klaveren (PVV):

Ik had inderdaad iets vergeten, voorzitter.

De massa-immigratie van de afgelopen decennia heeft enorme gevolgen gehad voor onze samenleving. Een van de gevolgen, ik refereerde er al aan in mijn eerste termijn, is het feit dat autochtonen in steden als Amsterdam, Den Haag en weldra Rotterdam een minderheid zijn geworden. Hoe duidt de minister dit, ook met het oog op de extreme oververtegenwoordiging van allochtonen op het gebied van schooluitval, bijstandsafhankelijkheid en, vooral, criminaliteit en taalachterstand? Er treedt natuurlijk enorme vervreemding op van het land zelf.

Minister Asscher:

Die enorme demografische veranderingen maken het extra noodzakelijk dat integratie slaagt, dat mensen de taal leren, dat mensen zich realiseren dat je met elkaar de samenleving vormgeeft, dat er goed onderwijs is en dat kinderen samen naar school gaan, dat mensen aan het werk gaan en deelnemen aan de samenleving. Dat is de toekomst. Wij leven in een land dat heel veel eerder grote veranderingen heeft doorstaan. Dit is zo'n grote verandering. We kunnen daar alleen maar goed uitkomen door de rechtsstaat overeind te houden als iets wat van ons allemaal is, door duidelijk integratiebeleid, dat uitgaat van waar mensen op kunnen rekenen maar ook van wat je van mensen mag verwachten, door grenzen te stellen en te corrigeren als mensen daar overheen gaan, maar ook door te staan voor gelijke behandeling. Mensen die hun best doen, die hun diploma halen, die zich goed inzetten, moeten niet worden afgerekend op hun huidskleur.

De heer Van Klaveren (PVV):

De PVV heeft nog nooit iemand afgewezen of wat dan ook op basis van huidskleur. Dat is een totaal kulverhaal. We hebben het al eerder gehoord; de SP komt er ook vaak mee. Het is onzin. De PVV heeft niets tegen iemand met een andere kleur. Het gaat erom dat we zien dat vooral de islam niet te integreren valt. We zien eerwraak, we zien de meest bizarre vormen van uithuwelijking, we zien een toename van Jodenhaat, we zien de haat tegen homofielen toenemen, we zien zelfs mensen van Nederland naar Syrië vertrekken om daar anderen te gaan martelen en onthoofden. Gezellig integreren lukt niet op deze manier, dat hebben we de afgelopen decennia wel gezien. Is de minister bereid om harde maatregelen te nemen en in te zetten op assimilatie in plaats van op integratie? De integratie heeft namelijk gefaald.

Minister Asscher:

Ik had de heer Van Klaveren helemaal niet beschuldigd van racisme, voorzitter. Blijkbaar voelt hij zich aangesproken. Dat heb ik helemaal niet gedaan. Ik heb gezegd wat de principes zijn die de basis vormen van ons integratiebeleid: duidelijk zijn, verwachtingen, eigen verantwoordelijkheid van de mensen die hiernaartoe komen, en de principes van onze rechtstaat hooghouden. Daaronder is begrepen het recht op gelijke behandeling. De heer Van Klaveren hoeft zich wat mij betreft hier nergens voor te excuseren. Hij weet zelf heel goed hoe hij denkt over andere bevolkingsgroepen. Dat ga ik helemaal niet voor hem inkleuren. Ik heb geconstateerd dat de PVV steeds heel kribbig reageert op vragen naar samenwerking met extreemrechtse partijen. Daar kan ik niets aan doen. Het hoort bij het democratisch debat dat er vragen worden gesteld. Eenieder gaat over zijn eigen antwoorden.

De heer Van Klaveren (PVV):

Absoluut. Natuurlijk moet de minister vragen stellen, dat doen wij ook. Het punt is dat ik dan wel graag antwoord krijg op de door mij gestelde vraag waarom de minister niet inzet op assimilatie. We hebben immers gezien dat de integratie de afgelopen decennia heeft gefaald. Het werkt niet, het lukt niet. Assimilatie dus, en als dat niet lukt uitzetting van de mensen die de regels overtreden.

Minister Asscher:

Wij gaan voor integratie. Dat betekent dat je je committeert aan de waarden van de rechtsstaat, aan de rechten van andere individuen in onze samenleving. Je hebt grote vrijheden, die beschermd worden. Vrijheden tegen de overheid maar ook vrijheden tegen andere burgers. Dat betekent dat je de vrijheid van een ander ook moet respecteren. Je hebt godsdienstvrijheid maar er zijn ook de grenzen van de wet. Je hebt dus de vrijheid te respecteren van een ander om niet te geloven of een ander geloof te hebben. We hebben de vrijheid van meningsuiting, die niet onbeperkt is maar wel ver gaat en zorgt voor een open debat, voor democratie, voor meningsvorming zoals we die hier vandaag hebben. Deze vrijheden zijn niet onderhandelbaar; zij gelden voor iedereen in dit land. Daarnaast kunnen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven invullen, hun eigen vrijheid gebruiken zolang ze maar een bijdrage leveren aan de samenleving.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met uw volgende blokje.

Minister Asscher:

Dat zal ik doen, voorzitter. Ik heb even geen goed bruggetje paraat, want wij gaan naar de peuters, naar de kinderopvang en naar arbeid en zorg.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik dacht dat de minister nog een aantal vragen zou beantwoorden, omdat hij begon bij de inbreng van de heer Van Klaveren. Ik dacht dat hij alle woordvoerders zou aflopen. Dat was niet het geval, maar dat maakt niet uit.

De voorzitter:

Dat was wel het geval, volgens mij ook schriftelijk.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dan heb ik een aantal gemist. In ieder geval heb ik op een aantal vragen van mij geen antwoord gekregen. Als u mij toestaat, wil ik nog een vraag stellen.

De voorzitter:

Ja.

Mevrouw Karabulut (SP):

De minister zegt dat taal belangrijk is. Ik heb gezegd dat de inburgering van geen kant loopt. Van de 8.000 inburgeringsplichtigen zijn er nu 1.000 bekend bij de minister en zelfs over hen weet hij niks. Er zijn hier in Den Haag en de andere grote steden tienduizenden arbeidsmigranten die niet aan taal en inburgering doen. De minister kan toch niet menen dat het allemaal vanzelf gaat — zo lees ik zijn antwoord — en dat hij dát bedoelt met eigen verantwoordelijkheid?

Minister Asscher:

Inderdaad, dat meen ik niet, want dat heb ik niet gezegd en ook niet geschreven in de beantwoording. Ik begrijp heel goed dat er bij de Kamer vragen leven: komt het nu wel goed met het inburgeringsstelsel, met de sociale leningen die beschikbaar zijn gesteld? Mensen hebben drie jaar de tijd, dus ik vind dat je heel even moet bekijken hoe die getallen zich ontwikkelen. Ik heb eerder in een algemeen overleg over dit onderwerp al beloofd om bij de jaarrapportage inburgering ook op die vraag in te gaan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Hoe dan ook, ik hoop dat dat deel goed komt, maar die tienduizenden arbeidsmigranten hebben hier geen boodschap aan. De minister zal hen niet vinden via zijn statistieken, want zij zijn niet inburgeringsplichtig. Laat de minister de boel de boel met als gevolg dat de segregatie en de gettovorming die wij de afgelopen decennia hebben gezien met een eerdere groep arbeidsmigranten, zich opnieuw voordoen met de nieuwe arbeidsmigranten? Of zegt de minister: ik ga mijn verantwoordelijkheid nemen, wij gaan ervoor zorgen dat wij hoe dan ook deze mensen bereiken en wij gaan de taal regelen voor deze mensen?

Minister Asscher:

Ik hecht er juist heel grote waarde aan dat integratie niet alleen voor inburgeringsplichtigen is. Niet voor niets hadden wij het net uitgebreid over arbeidsmigratie, ook uit Oost-Europa, ook uit lidstaten van de Europese Unie. Het is van ongelofelijk belang om niet alleen te weten wat je rechten zijn in Nederland — gelijk loon voor gelijk werk — maar ook te weten wat je plichten zijn. Het is niet mogelijk om deze arbeidsmigranten een inburgeringsplicht op te leggen. Daarom zoek ik naar de participatiecontracten, om aan de ene kant mensen iets aan te bieden — denk aan informatie, misschien wel toegang tot een taalcursus — en om aan andere kant mensen te vragen zich te verplichten tot een bijdrage, tot participatie, tot het leren van de taal. Ik ben met een aantal gemeenten bezig die combinatie verder uit te werken en hoop de Kamer zeer binnenkort hierover te kunnen berichten. Wij delen de wens om integratiebeleid van toepassing te laten zijn op iedereen uit een ander land die zich hier vestigt, want dat is de manier waarop je de samenleving ook voor de toekomst overeind houdt.

De voorzitter:

Goed. De staatssecretaris moet ook nog antwoorden voor de dinerpauze. Althans, dat is de planning.

Minister Asscher:

De heer Heerma en mevrouw Schouten hebben gevraagd naar de uitkomsten van de bijeenkomst Arbeid en Zorg en de bredere visie van het kabinet op de combinatie van arbeid en zorg. In een dynamische en veranderende arbeidsmarkt is de vraag hoe de goede balans tussen werk en privé kan worden gevonden steeds belangrijker voor ons allemaal. Dat is de reden waarom wij die bijeenkomst hebben georganiseerd op suggestie van de heer Heerma om allerlei betrokken partijen aan tafel te hebben. Het heeft mij gesterkt in de gedachte dat het belangrijk is, de combinatie van werk en zorg soepeler te organiseren. Zeker, het ging ook veel over het patroon waarin de vrouw de meeste zorgtaken vervult, dat nog niet doorbroken is. De heer Heerma zegt terecht dat dat niet het enige mag zijn, maar hij was het er wel mee eens dat het een relevant en belangrijk punt is. Daardoor blijven veel carrières en blijft veel talent onderbenut. Veel vrouwen zijn niet economisch zelfstandig. Ik vind dat iedereen in staat moet zijn, zelf keuzes te maken over het combineren van arbeid en zorg. Wij gaan het niet opleggen — mevrouw Schouten vroeg daarnaar — maar op dit moment heeft niet iedereen die keuze of wordt men sterk in die keuze beperkt. De combinatie van betaald werk en onbetaalde zorg moet makkelijker worden. Die ruimte moeten wij als samenleving bieden. Essentieel is daarbij ook dat het verlenen van zorg op waarde wordt geschat, ongeacht of het gaat om de zorg voor jonge kinderen, voor ouderen of voor chronisch zieken. Hier is in mijn ogen een wereld te winnen. Dat zeg ik met name tegen de heer Dijkgraaf, die dat punt maakte.

Betere mogelijkheden tot het combineren van arbeid en zorg zijn ook in het belang van de samenleving als geheel. Dat is goed voor de arbeidsparticipatie en daarmee goed voor onze welvaart. De overheid kan niet alle zorg in de samenleving op zich nemen. Volgende week zal ik de Kamer informeren over de resultaten van de arbeid-en-zorgbijeenkomsten. Ik zeg de heer Van Weyenberg en mevrouw Hamer toe dat ik daarbij aandacht zal schenken aan de relatie met het wetsvoorstel inzake modernisering van regelingen voor verlof en arbeidstijden. Ik zal ook ingaan op vragen over andere samenlevingsvormen dan het traditionele gezin en de eerstegraadsverwantschap.

Wat betreft de peuterspeelzalen, de kinderopvang en de voor- en vroegschoolse educatie (vve) maken wij een stap, een belangrijke stap, om onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie meer op elkaar af te stemmen zodat alle peuters een goede start kunnen maken in het basisonderwijs. Ik heb de Kamer afgelopen week een brief gestuurd over de vormgeving daarvan. Die heeft geleid tot een flink maatschappelijk debat en tot kritiek van de VNG. Er ontstond ook een discussie in de media over de prijs van peuterspeelzalen. Mevrouw Hamer en mevrouw Schouten vroegen mij om een reactie op die kritiek en op dat debat.

Ik wil vooropstellen dat het kabinet en de Nederlandse gemeenten een aantal dingen met elkaar delen. Over het streven naar een kwalitatief hoogwaardige voorziening waarin alle peuters bij elkaar kunnen komen en het wegnemen van de verschillen en de schotten tussen kinderopvang en peuterspeelzalen zijn wij het met elkaar eens. Dat is een heel belangrijke stap waar wij al heel lang tegenaan hikken. De VNG heeft kritiek op de uitwerking. Zij is bang dat ouders meer geld kwijt zijn voor de opvang van kun kinderen. Voor doelgroepouders, dus ouders van kinderen die recht hebben op voor- en vroegschoolse opvang, en voor niet-werkende ouders zijn die zorgen niet op hun plaats. Voor hen verandert er qua financiering niets, want deze opvang blijft een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Gemeenten krijgen zelfs wat meer financiële armslag om daar invulling aan te geven.

Of werkende ouders straks echt meer gaan betalen, hangt heel erg af van het lokale beleid in de gemeente waar zij wonen. Ouders die nu gebruikmaken van een gratis peuterspeelzaal moeten mogelijk meer betalen. Het is echter maar de vraag of dat gaat gebeuren. De steden die nu al gratis of vrijwel gratis peuterspeelzaalwerk aanbieden, financieren dat geheel of grotendeels uit hun eigen vve-budgetten en die blijven onaangeroerd. Daar komen wij niet aan. Die blijven dus ter beschikking van de gemeente. Gemeenten kunnen er dus nog steeds voor kiezen om hun eigen maatwerk toe te passen om die plaatsen goedkoper te maken. Zij hebben daar een eigen keuze in.

De VNG heeft ook zorgen over de aansluiting met het basisonderwijs. Juist op dat punt wil ik, onder leiding van staatssecretaris Dekker, met de sector een slag maken. Een goede aansluiting met het basisonderwijs moet een van de basiskenmerken zijn van zo'n gezamenlijke voorschoolse voorziening. Dat is niet alleen in het belang van de kinderen met een achterstand, maar in het belang van alle kinderen die gebruikmaken van die voorschoolse verblijven.

De voorzitter:

Ik begrijp dat de minister klaar is met dit blokje. Dan geef ik de mogelijkheid voor een korte interruptie. Ik vraag overigens ook de minister om het kort te antwoorden.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. U vraagt om een korte interruptie, maar ik heb nog helemaal geen interrupties gedaan. Ik heb bewust gewacht op dit blokje. De minister pakte twee punten in één, namelijk arbeid en zorg en het peuterplan. Ik wil eerst terugkomen op arbeid en zorg. Ik ben blij dat de minister erkent dat de keuzevrijheid van ouders centraal staat in zijn beleid en dat hij dat hier nog een keer bevestigt. Er werd echter onder andere op de top — ik merk dat dit breder gebeurt — negatief over gesproken dat Nederland veel gezinnen kent met het "anderhalf-verdienmodel", dus waarin deeltijd wordt gewerkt. Nederland zou kampioen deeltijdwerk zijn. Dat wordt door sommigen als een probleem ervaren. Ik kreeg de indruk dat de minister dat zelf ook niet gewenst vindt. Erkent hij en is hij het met mij eens dat juist het feit dat er deeltijdwerk mogelijk is, maakt dat in Nederland de combinatie van arbeid en zorg op een eigen unieke manier kan worden ingevuld?

Minister Asscher:

Die enorme vlucht die het deeltijdwerk sinds de jaren negentig heeft genomen, biedt een gigantische verbetering ten opzichte van het heel ouderwetse model dat wij daarvoor hadden. Ik wil niet treden in de keuzes die mensen met elkaar maken over de manier waarop zij hun leven inrichten. Maar als er kinderen komen, gaat een op de drie vrouwen minder werken tegenover een op de twintig mannen. Het zou mij verbazen als al die mannen veel meer talent hebben dan die vrouwen en als al die mannen voor de carrière kiezen terwijl die vrouwen daar geen kans op hebben. Het staat mensen vrij hun eigen leven in te richten. Dat is een groot goed, maar ik denk dat daarachter soms dingen zitten als culturele barrières, gebrekkige kinderopvang en schooltijden die niet aansluiten bij het combineren van arbeid en zorg. Met andere woorden, er is heel veel te winnen, ook voor de samenleving. Het is immers goed voor de samenleving als er niet alleen gezorgd wordt maar ook gewerkt. Dat doet niets af aan de individuele vrijheid van gezinnen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik hoor een tweeledig antwoord. Aan de ene kant erkent de minister dat deeltijdwerk heel veel kansen heeft gecreëerd. Aan de andere kant zegt hij dat hij niet wil dat vrouwen daar te veel gebruik van gaan maken, maar dat het eerlijker wordt verdeeld; ik zeg het een beetje in mijn eigen woorden. Is dat nou niet net de kern van het debat? Moeten ouders dat niet zelf beslissen en afwegen, juist met het oog op hun kind of kinderen? Is de minister bereid om deeltijdwerk an sich niet langer als een probleem te zien, maar als een heel grote kans en dat ook meer uit te dragen?

Minister Asscher:

Zeker, als mensen daarvoor kiezen, dan staat het hun vrij. Maar je moet niet te snel uit de bestaande situatie afleiden dat dat de gewone keuze is voor iedereen. Tot in de jaren vijftig werden vrouwen bij de overheid ontslagen als er kinderen kwamen of als zij in het huwelijk traden. Tot in de jaren negentig gingen wij ervan uit dat al die vrouwen ervoor kozen om niet te werken als er kinderen kwamen. Daarna kwam het parttime werken. Nu gaan wij een nieuwe fase in. Wij moeten de samenleving zo inrichten dat de zorg voor kinderen, ouders en zieken op een normale manier gecombineerd kan worden met werk. Dan zal het werk soms tijdelijk deeltijd zijn, maar je ziet dat de kuil die ontstaat als mensen minder gaan werken bij jonge kinderen, blijft. Weer teruggaan naar voltijd werken blijft vaak uit, ook als kinderen weer veel ouder zijn. Ik maak mij er sterk voor dat dat niet voor alle vrouwen waar dat nu voor geldt, de diep gevoelde wens hoeft te zijn. Soms is de combinatie namelijk niet mogelijk. Soms is er op de werkplek geen goed gesprek. Soms is het gesprek thuis over wie de zorgtaken doet, nog ver weg. Soms durft de man dat gesprek niet te voeren op zijn werkplek. Soms zijn onze regelingen niet toegesneden op wat mensen willen. Denk maar weer aan de schooltijden. Met andere woorden, ik doe niets af aan het recht van wie dan ook om eigen keuzes te maken, maar het is onvoldoende om vanwege het feit dat het nu zo is, te zeggen: wij hoeven niets te veranderen, want blijkbaar kiest men daarvoor. Daar is de samenleving te veel voor in beweging, ook gelet op de afgelopen zestig jaar.

De voorzitter:

Ik zie u aarzelend kijken, mevrouw Schouten. U mag nog één keer. Ik wil ook een beroep doen op de minister om kort en bondig te antwoorden.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Over de manier waarop wij tegen arbeid en zorg aankijken, zullen wij de discussie blijven voeren, maar ik wil graag nog ingaan op het peuterplan. De minister zegt terecht dat de VNG kritisch is over het peuterplan. De VNG heeft ook duidelijk in haar brief gesteld dat door deze maatregel de eigen bijdrage van de ouders waarschijnlijk omhooggaat, dus ook van de ouders die niet werken en die wij heel graag willen bereiken. Hoe rijmt de minister dat met zijn statement dat de kosten waarschijnlijk niet zullen stijgen? De VNG signaleert dat zelf immers wel.

Minister Asscher:

Ik ben dat niet met de VNG eens.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Maar de gemeenten moeten die budgetten toch uitgeven aan de peuterspeelzalen? Dat is een unieke infrastructuur, die wij niet moeten willen verliezen. Ik zou zeggen: kom eens in Rotterdam-West kijken, want heel veel ouders die wij normaal niet bereiken, maken juist wel gebruik van de peuterspeelzaal en daarmee de vve. Hoe gaat de minister voorkomen dat de eigen bijdrage gaat stijgen? Als dat gebeurt, ontstaat er namelijk direct een probleem.

Minister Asscher:

Net als mevrouw Schouten weet ik heel goed dat er geweldige dingen gebeuren in de voorschool, in de peuterspeelzaal en in de kinderdagverblijven. Daar worden kansen geboden aan kinderen die ze soms elders niet krijgen. Daardoor komen ze veel beter voorbereid op de basisschool. Daar gaat het hier ook om. Wij willen daar weer een stap in zetten. Wij willen meer kwaliteit, meer aandacht voor de ontwikkeling van een kind en meer aandacht voor pedagogische elementen. Wij willen niet meer een onderscheid in regels, maar een hoger kwaliteitsniveau met één vorm van toezicht. Het gesprek met de gemeenten ga ik graag aan. Dat zal de komende maanden ongetwijfeld plaatsvinden. Zij hebben ook ideeën. Zij zeggen alternatieven te kunnen bieden. Daar staan wij zeer voor open. Maar ik zal niet loslaten dat de kinderen van Nederland kwalitatief goede opvang verdienen, met aandacht voor hun ontwikkeling en voor de pedagogiek. Dat is uiteindelijk waar je voor kinderen met een achterstand en zonder een achterstand ook een verschil kunt maken in de schoolloopbaan daarna. Ik verwijs in dit verband naar allerlei onderzoeken, ook internationaal.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik wil hetzelfde doen als mevrouw Schouten en die twee onderwerpen aan de orde stellen. Ik mag de minister toch zo verstaan, ook in het verlengde van het debatje dat wij zojuist hadden, dat we in het beleid ten aanzien van arbeid en zorg en ten aanzien van de appreciatie van deeltijdwerken niet teruggaan maar vooruitgaan in de tijd? Ik zeg dit ook aan het adres van mevrouw Schouten. Wij hebben een paar jaar geleden met de voorganger van deze minister, de heer Plasterk, "Het plan van de man" besproken. Het was toen zo fijn dat we zeiden dat deeltijdwerk en bijvoorbeeld twee maal vier dagen werken niet alleen iets van vrouwen is, maar juist ook iets van mannen. Ik had heel even de indruk dat we een stapje terug in de tijd deden. Ik krijg dus graag de garantie van de minister dat we dat niet gaan doen.

In de tweede plaats is het ook noodzakelijk, omdat we zien dat gezinsverbanden veranderen. Dat debat hebben wij gisteren al gevoerd. Mensen kunnen wel samen beginnen, maar eindigen vaak niet samen. Voor hun toekomst is het dan ook van buitengewoon belang dat zij in hun eigen inkomen kunnen voorzien. Zal de minister in zijn brief ingaan op die elementen of krijgen we die op een andere manier terug?

Minister Asscher:

Ik zal zeker op die elementen ingaan. Wij willen juist een stap vooruit zetten. Dat was ook de strekking van mijn betoog toen ik teruggreep naar de jaren vijftig en liet zien hoe ver we gekomen zijn en aangaf dat we dus ook door moesten gaan. Dat past bij een modern Nederland. Dat betekent dat je rekening moet houden met andere vormen van samenleven, met andere verbanden tussen mensen en met de behoeftes die daarbij horen. Van economische zelfstandigheid is niet voor niets door minister Bussemaker zo'n pregnant punt gemaakt. Dat heeft niet alleen tot applaus geleid, maar het is wel waar. Als je in een scheiding terechtkomt en je hebt geen economische zelfstandigheid, sta je in een ongelooflijk lastige positie. Dat overkomt veel mensen, vooral vrouwen. Dat is iets wat we onder ogen moeten zien. Het laat ook zien dat we met inachtneming van de vrijheid die mensen zelf hebben in ieder geval de voorwaarden moeten creëren waarin het gewoon is om werk en zorg te combineren, waarin het gemakkelijk gemaakt wordt in perioden dat heel veel zorg wordt gevraagd voor jongere kinderen of door ziekte om ons heen. We moeten ook de cultuur veranderen, zodat het op de werkplek gewoon wordt om het te vragen.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat antwoord stelt mij gerust. Wij kijken met spanning uit naar de brief op dat punt.

Ik wil nog even ingaan op de kinderopvang en de peuterspeelzalen. De gemeenten hebben een aantal bezwaren neergelegd en ik hecht eraan dat de minister even schetst hoe het nu verder gaat. Ik heb namelijk steeds begrepen dat je dit alleen maar kunt doen als er ook overeenstemming wordt bereikt met die gemeenten, en de landelijke overheid en de gemeenten samen die stap zetten. Hoe gaat het nu verder?

Minister Asscher:

De gemeenten zullen met ons in gesprek gaan over de vraag hoe wij hiermee omgaan. Het regeerakkoord schrijft de integratie van peuterspeelzaal en kinderdagverblijf voor. De Kamer heeft terecht gevraagd wat ik daarmee van plan ben. Ik had beloofd om dat bij deze begrotingsbehandeling te sturen. Dat is de reden waarom die brief er nu ook echt moest zijn. Het is ook het uitgangspunt voor de gesprekken met de gemeenten. De grote verandering in de stelselwijziging zou per 2016 moeten ingaan en dat betekent dat we de komende maanden in gesprek gaan met de gemeenten. Maar het zal echt nog wel wat voeten in de aarde hebben voordat ik met de gemeenten tot overeenstemming ben gekomen over de manier waarop je met name meer pedagogische kwaliteit bereikt zonder dat de toegankelijkheid in het geding komt. Daar zit namelijk hun zorg.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Dat betekent wel dat het uitgangspunt is dat overeenstemming met de gemeenten wordt bereikt. Ik neem aan dat dit ook met de sector van de kinderopvang moet gebeuren.

Minister Asscher:

Ik kan me niet nu afhankelijk maken van volledige overeenstemming en totale unanimiteit met de gemeenten. Ik ga wel in gesprek met de gemeenten over de uitwerking van onze plannen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Wij krijgen een brief van de minister over de combinatie van arbeid en zorg. Als het aan mevrouw Hamer ligt, krijgen wij zelfs een heel jaar waarin de combinatie van arbeid en zorg centraal komt te staan in ons debat. Dat hebben wij gisteren gehoord. Ik kijk ernaar uit, maar vooruitlopend daarop heb ik nog een vraag. Op 18 november verscheen een artikel van zijn hand in Trouw over flexibel werken. Daarin schreef hij te willen bekijken "hoe we werknemers in positie brengen om afspraken te maken over flexibel werken". Een voorstel om dat te doen is door mijn collega Linda Voortman en Eddy van Hijum van het CDA neergelegd in het wetsvoorstel over flexibel werk, dat we graag zo snel mogelijk in het parlement zouden willen bespreken. Ik neem aan dat de minister kennis heeft genomen van dit wetsvoorstel. Hoe staat hij daartegenover? Kunnen wij rekenen op zijn steun en instemming?

Minister Asscher:

Ik ben het zeer eens met de gedachte achter dat wetsvoorstel. Dat betekent namelijk dat werknemers in staat moeten zijn om afspraken te maken over werktijden. Dat moet flexibeler en je moet de kans krijgen, juist ook met het oog op de combinatie van arbeid en zorg, om maatwerk te creëren. De vraag is of het wetsvoorstel van het CDA en GroenLinks de juiste maatvoering levert. Dat gaat immers niet alleen over flexibel werken maar ook over een recht op plaatsonafhankelijk werken. Je kunt daar bezwaren tegen hebben. Dat is niet zozeer vanwege de doelstelling, want die deelt het kabinet, maar vanwege de effecten die het kan hebben in bedrijven, bijvoorbeeld kleinere bedrijven in het mkb. Als daar het recht ontstaat op plaatsonafhankelijk werken, kan dat op kosten en problemen stuiten. Ik wil niet flauw doen door meteen weer over kosten te beginnen, maar we bevinden ons in een crisis. We hebben dus verbeteringen nodig op het vlak van arbeid en zorg, maar die arbeid moet wel blijven bestaan en bedrijven moeten daardoor niet omvallen. In mijn brief zal ik enigszins een voorschot nemen op het debat over dat wetsvoorstel dat wij ongetwijfeld gaan voeren. Ik zie er zeer naar uit om dat wetsvoorstel te behandelen, hetzij elementen uit dit wetsvoorstel te betrekken bij de Wet modernisering verlof en arbeidstijden, waar ik mogelijk een aantal amendementen op zal indienen. Dat hoort de Kamer volgende week.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Uiteraard. Ik vraag van de minister ook niet dat hij zich nu voor de volle honderd procent en voor alle artikelen aan dit wetsvoorstel committeert. Daarvoor komt er nog een debat. Wat de minister als zijn ambitie formuleerde in het genoemde artikel, namelijk werknemers in de positie brengen dat ze kunnen vragen om flexibel werken, spoort naar mijn overtuiging een-op-een met hetgeen het wetsvoorstel in ieder geval beoogt. Als een werknemer vraagt om de mogelijkheid om zijn of haar werktijden anders in te richten, kan de werkgever daar niet zomaar nee tegen zeggen, maar zal hij serieus moeten omspringen met dat verzoek. Daar gaat het mij om.

Minister Asscher:

Zeker. Ik zie dat het wetsvoorstel dat beoogt. Het gaat erom dat wij met elkaar verkennen waar de grootste knelpunten zitten. Zitten die in de cultuur op de werkplek, zoals in heel veel gevallen aan de orde is? In sommige bedrijven is het nog steeds not done om die discussie te voeren. Dan moet je je afvragen hoe je dat op een goede manier kunt veranderen en hoe je de werkgevers daar zelf bij kunt betrekken. Wat doe je als redelijke verzoeken toch worden afgewezen? Stel dat iemand een heel redelijk verzoek heeft ingediend om tijdelijk wat meer thuis te werken om iemand op te vangen, en de werkgever gaat daar toch niet in mee, wat betekent dat dan? Dat wil nog niet zeggen dat je het op de beste manier oplost door daar een recht voor te bieden. Dat heeft ook altijd weer nadelen. Ik sta er heel open in en verheug mij erop om dat debat te voeren, want ik ben ervan overtuigd dat de Kamer daar samen met het kabinet uiteindelijk een balans in weet te vinden, die helpt om arbeid en zorg beter te combineren.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik zie uit naar de eventuele nota van wijziging betreffende de Wet arbeid en zorg. Verder ben ik blij met de toezegging aan mevrouw Hamer en mij om daarbij ook modernere samenlevingsvormen mee te nemen, evenals het feit dat je misschien ook voor andere mensen wilt zorgen dan een familie- of gezinslid. Ik heb nog een heel concrete vraag over het ontwikkelrecht voor jonge kinderen. Ik was heel enthousiast over het eindbeeld van de brief die de minister heeft gestuurd. Ik hoop dat hij met een open mind het gesprek met de gemeenten aangaat. Het lijkt me buitengewoon complicerend als men er niet uitkomt. In de brief van de minister is ervoor gekozen om de kinderopvangtoeslag alleen te geven als beide ouders werken. Is dat een budgettaire keuze — ik begrijp dat niet alles in één keer kan — of zit er ook een principiële blokkade onder?

Minister Asscher:

In eerdere debatten heb ik met D66 gespeculeerd en gedroomd over een basisvoorziening die je bij het onderwijs zou onderbrengen. Dat kan simpelweg niet om budgettaire redenen. Verdragen verplichten ons om dat dan gratis aan te bieden. Dat kunnen we in deze tijd niet voor elkaar krijgen. Dan kom je al snel bij de kinderopvangtoeslag. Dat is een instrument voor arbeidsmarktparticipatie. Daarom wordt hij ook buiten de huishoudtoeslag, een inkomensvoorziening, gehouden. Niet voor niets krijg je die toeslag als beide ouders werken. Het kabinet hecht daar zeer aan. Als je dat loslaat, dan loop je het risico dat het een gewone inkomensvoorziening of een andere soort voorziening wordt. Dan mis je het arbeidsparticipatie bevorderende element.

De heer Van Weyenberg (D66):

Als we ooit naar die basisvoorziening toe willen — ik weet dat we dat beiden heel graag willen — dan moeten we dat dus doen via de route van een aantal dagdelen voor iedereen gratis maken en niet via de route van de kinderopvang, omdat we dan tegen een knelpunt bij het kabinet aanlopen. Heb ik dat zo goed begrepen?

Minister Asscher:

Ik heb willen zeggen dat het kabinet zeer hecht aan de kinderopvangtoeslag als instrument om de arbeidsparticipatie te bevorderen. Dat heeft goede diensten bewezen. We zullen dus niet instemmen met voorstellen die dat instrument voor andere doelen zullen gebruiken. Of en, zo ja, op welke manier je in een nog verdere toekomst met die jonge kinderen wilt omgaan, daarover komen we vast nog te spreken.

De heer Dijkgraaf (SGP):

De minister wil belemmeringen wegnemen voor de kinderopvang. Dat is duidelijk. Ik ben verbaasd over het volgende. Als ouders een fout maken moeten ze met terugwerkende kracht soms wel over vijf jaar die toeslag terugbetalen. Er zijn gevallen waarin ouders €60.000 moeten terugbetalen. Wil de minister eens onderzoeken of er niet meer proportionaliteit kan komen tussen de fout die ze hebben gemaakt en het bedrag dat ze moeten terugbetalen?

Minister Asscher:

In beginsel kun je altijd zeggen: ik wil ernaar kijken. Echter, we moeten wel precies weten waarover we het hebben. Eerder heb ik op verzoek van de Kamer, onder aanvoering van de heer Ulenbelt, gekeken naar het aanvragen van kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht. Een groep ouders werd aanzienlijk benadeeld doordat — overigens om een goede reden, namelijk fraudebestrijding —de regels waren veranderd zonder dat ze daarvan op de hoogte waren. Je hebt niet zo heel snel te maken met het moeten terugbetalen van €60.000. Dan heb je het over redelijk uitzonderlijke gevallen. Ik wil voorzichtig zijn met te makkelijk de suggestie wekken dat het anders kan. Ik ben in de schriftelijke beantwoording al op deze vraag ingegaan. Dat heeft de heer Dijkgraaf ook gezien. Ik voel me een beetje huiverig om op dit punt meer te zeggen dan dat mensen altijd naar de rechter kunnen gaan, hoe onbevredigend dat ook is, en dat er altijd mogelijkheden zijn om bezwaar te maken tegen een beschikking, in dit geval een beschikking van de Belastingdienst. Juist ook met het oog op de fraudegevoeligheid wil ik nu niet een ander spoor openen, hoe sympathiek ik de gedachte ook vind.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Aan de ene kant begrijp ik dat wel, want je moet natuurlijk fraude tegengaan en je moet niet een systeem hebben waarbij iedereen gaat frauderen in de hoop nooit gepakt te worden. Aan de andere kant zijn er ook heel veel gevallen van mensen die in het verleden een fout hebben gemaakt en dat niet meer kunnen herstellen. Ze hebben aantoonbaar te goeder trouw gehandeld. In het huidige rechtssysteem worden ze daarvoor zwaar gestraft. Ik heb het niet over één geval. We hebben diverse gevallen langs gekregen waarbij dit het geval is. Het zou in een rechtssysteem toch zo moeten zijn dat er in ieder geval sprake is van proportionaliteit. Er is een overtreding begaan. Het is helder dat men verkeerd heeft gehandeld en dat men daarvoor wordt gestraft, wat nodig is om de prikkel tegen fraude in het systeem te houden. Het moet echter wel proportioneel zijn. Ik vraag niet om die prikkel weg te nemen. Kan er nog eens worden gekeken naar die proportionaliteit tussen de overtreding die is begaan en de straf die daarop volgt?

Minister Asscher:

Ik vind dat je zeker moet kijken naar de proportionaliteit van de sanctie en van de straf. Waar ik meer moeite mee heb, is het doen van een proportionaliteitstoets als mensen zonder recht toeslag hebben ontvangen die ze moeten terugbetalen. Ik zie de heer Dijkgraaf knikken. Hij heeft het dus ook over de sanctie, over het aspect van een boete als gevolg van zo'n fout. Er zijn mogelijkheden tot matiging en daar wil ik wel naar kijken. Dat past ook in het debat dat ik met de Kamer voer over de nieuwe fraudewet en bij de evaluatie die ik daarvan heb toegezegd aan onder anderen de heer Heerma. We hebben strenge frauderegels en een strenge fraudewet met hoge boetes, maar er moet wel een mogelijkheid zijn om die boetes bij beperkte verwijtbaarheid te matigen. In dat licht wil ik er best naar kijken.

De vergadering wordt van 18.21 uur tot 18.25 uur geschorst.

Minister Asscher:

Ik kom bij de vraag van mevrouw Karabulut over de kloof tussen de hoge en de lage inkomens in Nederland en de vraag van de heer Klein welk vervolg we geven aan de stapelingsmonitor die het kabinet heeft gemaakt. We proberen de maatregelen die we nemen om de overheidsfinanciën op orde te brengen, zo vorm te geven dat van iedereen naar draagkracht een bijdrage wordt gevraagd. Hoge inkomens dragen meer bij, bijvoorbeeld door fiscale heffingskortingen af te bouwen voor hogere inkomens. Bovendien hebben we met de partijen die betrokken zijn geweest bij de begrotingsafspraken voor 2014, de belastingtarieven voor lage inkomens verlaagd via een verlaging van het tarief in de eerste schijf. Op die manier dragen we bij aan een evenwichtige inkomensverdeling in Nederland. Dat is juist van belang in de crisis waar we nu doorheen gaan. Ook bij de besluitvorming in augustus is specifiek aandacht besteed aan de laagste inkomens. Zo wordt bijvoorbeeld de algemene heffingskorting verhoogd en krijgen minima in 2014 een eenmalige extra uitkering van €100 voor een paar en €70 voor een alleenstaande.

Ook hebben we oog voor de risico's van de stapeling van maatregelen. Allereerst kijken we bij het beoordelen van het koopkrachtbeeld naar de integrale gevolgen van het beleid. We bekijken ook tijdens de rit of dat nog evenwichtig is. Daarnaast hebben gemeenten hierbij een belangrijke rol. Daar is de stapelingsmonitor bij uitstek op gericht. Die brengt namelijk in beeld waar zich naast de koopkrachtplaatjes — sommige risico's komen daar niet in terug — risico's voordoen die mensen wel degelijk kunnen raken. Daarmee is het voor gemeenten mogelijk om maatwerk te creëren. Het houdt dus niet op met die stapelingsmonitor. Het is juist een belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat we, met al het beleid en alle veranderingen die er nu zijn, steeds blijven kijken naar welke gevolgen het heeft voor mensen en om ervoor te zorgen dat ze daar ook op kunnen reageren.

Dat brengt mij op de huishoudentoeslag. Tijdens de algemene beschouwingen heeft de Kamer via de minister van Financiën gevraagd om nog vóór de begrotingsbehandelingen een hoofdlijnschets te sturen over de huishoudentoeslag. Daar is het helaas niet van gekomen. Excuses daarvoor. Er wordt op dit moment nog zo hard gewerkt aan de uitwerking van de huishoudentoeslag, niet alleen door mijn departement, maar ook door vier andere departementen, dat ik het nog niet heb kunnen sturen op het niveau waarop ik het met de Kamer wil bespreken. We zijn van plan de huidige toeslagen te stroomlijnen en te vereenvoudigen door de invoering van de huishoudentoeslag. Het is een enorme vereenvoudiging van het aantal inkomensregelingen waar mevrouw Van Nieuwenhuizen een terechte vraag over stelde. Bij de huidige toeslagen heeft iedere toeslag zijn eigen set regels, met name wat betreft het afbouwen van de toeslag als het inkomen toeneemt. Dat is ingewikkeld, zeker bij mensen die verschillende toeslagen ontvangen waardoor het afbouwpercentage stapelt en de marginale druk heel hoog is. De huishoudentoeslag moet dit eenvoudiger en transparanter maken door met een vast afbouwpercentage te gaan werken, ongeacht het aantal toeslagen. Verlaging van de gemiddelde marginale druk is daarvan het gevolg en daarmee ook een vergroting van de werkgelegenheid.

We zullen de huishoudentoeslag gefaseerd invoeren. In 2015 bestaat hij uit een ouderencomponent en de huidige zorgtoeslag. De MKOB zal worden afgeschaft en het budget van de fiscale ouderenkortingen wordt gebruikt om een ouderencomponent in de huishoudentoeslag te financieren. In 2017 wordt het kindgebonden budget toegevoegd aan de huishoudentoeslag. Daarna zal ook de huurtoeslag deel gaan uitmaken van de toeslag.

De invoering gaat samen met een besparing, een bezuiniging, van ruim een miljard euro. Dat betekent dat deze verandering echt niet alleen maar goed nieuws is, maar ook inkomenseffecten zal hebben. Bij de Miljoenennota heeft de Kamer een eerste overzicht gekregen van de te verwachten effecten. De uiteindelijke inkomenseffecten hangen natuurlijk af van de precieze uitwerking die we met elkaar zullen kiezen. De middelen voor inkomensondersteuning worden zo gericht mogelijk ingezet, zodat het geld zo veel mogelijk daar terechtkomt waar het het meest nodig is. Dat betekent dat het vormgeven van die toeslag enorme precisie en zorgvuldigheid vergt, terwijl we tegelijkertijd haast hebben. De wet moet immers voor de zomer in de Kamer behandeld worden om per 1 januari in te gaan. Wij werken daar hard aan, maar we zullen pas in het begin van het nieuwe jaar die notitie aan de Kamer kunnen doen toekomen, juist omdat het gaat om de integratie van zo veel verschillende toeslagen, waar zo veel departementen bij betrokken zijn, met zulke ingrijpende effecten voor mensen.

Voorzitter, daarmee ben ik gekomen aan het einde van mijn eerste termijn.

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot een korte interruptie.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dit waren twee onderwerpen.

De voorzitter:

U kunt gewoon de vraag stellen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat zal ik doen, voorzitter.

Toen de minister net begonnen was, hadden wij een debat tijdens het mondelinge vragenuur. Dat ging over de positie van alleenstaande ouders, vaak moeders met kinderen, die niet werken. Hij zei toen: ik zie wat het effect is van ons beleid op deze groep, namelijk dat die groep er heel erg op achteruit gaat terwijl die al niet rond kan komen, dus ik ga daar wat voor regelen. Tot mijn grote spijt moet ik constateren dat de minister daar niet in is geslaagd. Is de minister alsnog bereid om voor al die groepen — ik bedoel niet alleen deze groep, maar ook de huurders met lage inkomens en de chronisch zieken en gehandicapten — toch iets van dat verhaal over eerlijk delen waar te maken?

Minister Asscher:

In de afspraken in het begrotingsakkoord is er veel meer geld terechtgekomen bij gezinnen met kinderen. Het is geen groot geheim dat met name de ChristenUnie en de SGP daarvoor gepleit hebben. Dit betekent dat de effecten aanzienlijk verzacht worden. Vervolgens zijn er nog steeds effecten voor mensen die te maken krijgen met de verandering van de kindregeling. Daarover gaan wij debatteren. Die wetgeving komt zeer binnenkort in het parlement aan bod. Dan kunnen wij praten over de vraag of wij de juiste maatvoering hebben gevonden bij het verzachten van de effecten, terwijl wij tegelijkertijd juist wel een aantal effecten willen bereiken.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik kan de minister melden dat de juiste maatvoering en de eerlijke verdeling niet is gevonden. Dit kabinet zorgt ervoor dat bij de gezinnen een half miljard wordt weggehaald. Vervolgens wordt er met de huishoudentoeslag, waar de minister het over had …

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Karabulut (SP):

Nu wordt er weer een miljard weggehaald bij diezelfde gezinnen, terwijl de allerrijksten een cadeautje van 500 miljoen krijgen. Mijn vraag aan de minister is of hij bij de uitwerking van de huishoudentoeslag bereid is om de bezuiniging van 1 miljard euro neer te leggen bij de allerrijksten? Ik heb al een voorbeeld gegeven, namelijk om de rekening neer te leggen bij de miljonairs met hun vermogens.

Minister Asscher:

Wij hadden het over de kindregeling en de wetsvoorstellen daaromtrent. Die komen binnenkort in het parlement aan de orde. Daarnaast moeten wij de huishoudentoeslagen omzetten in voorstellen. Die toeslagen zijn per definitie inkomensafhankelijk. Wat dat betreft gaat het altijd om het ondersteunen van de lage inkomens en het verbeteren van de systematiek van die toeslagen. Dat lijkt mij een prima gelegenheid om dit debat met elkaar te voeren. Dat zal voor de zomer moeten gebeuren.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karabulut, een korte opmerking.

Mevrouw Karabulut (SP):

Tot slot. De minister doet alsof hij het niet begrijpt. De minister schuift dingen vooruit. Mijn punt is dat deze minister van sociaaldemocratischen huize de mensen met de laagste inkomens het allerhardst pakt en de mensen met de hoogste inkomens buiten schot laat. Dat stelt mij enorm teleur. Dat zorgt er ook voor dat het aantal werkende armen, kinderen in armoede en chronisch zieken en gehandicapten die hun medicijnen niet meer kunnen betalen, toeneemt. Gaat de minister daar iets aan doen? Ik begrijp dat de minister niet daartoe bereid is en dat vind ik heel spijtig.

Minister Asscher:

Ik begrijp best dat mevrouw Karabulut dingen anders had gewild, maar zij heeft iedere kans om daar invloed op uit te oefenen, laten lopen. Zij heeft niet meegepraat. Haar partij heeft niet meegepraat en geen verantwoordelijkheid genomen. Het is een keuze om van de zijkant te roepen dat het allemaal niet deugt. Je kunt ook de keuze maken om mee te werken aan verbetering. Dat heeft zij niet gedaan. Dat betekent ook dat ik haar teleurstelling wat minder serieus neem.

De voorzitter:

Nee mevrouw Karabulut, echt niet. Ik geef het woord aan mevrouw Schouten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Wij hebben het over de inkomenspositie van arme gezinnen in Nederland. Ik heb een specifieke vraag gesteld over de arme gezinnen op de BES-eilanden. Daar kunnen juist de lagere inkomensgroepen niet gebruikmaken van de tegemoetkoming voor kinderen. Is het kabinet bereid om die regeling om te vormen, zodat juist de mensen met de laagste inkomens op de BES-eilanden gebruik kunnen gaan maken van de tegemoetkoming via de kindregeling?

Minister Asscher:

De staatssecretaris is in het bijzonder belast met de verantwoordelijkheid voor Caribisch Nederland. Zij zal op die vraag ingaan.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Op het gevaar af dat ik straks, net als mevrouw Karabulut, misschien het verwijt van de minister krijg dat ik niet heb meegepraat — in mijn geval zal dat zijn: niet lang genoeg heb meegepraat — wil ik een vraag stellen over wat nu precies een evenwichtige inkomensontwikkeling is. Als je kijkt naar het cumulatieve koopkrachtplaatje — zo heet dat, geloof ik; ik heb er gisteren in eerste termijn een vraag over gesteld — na het Herfstakkoord, dan zie je dat voor alle verschillende groepen in de categorie "inactieven/sociale minima" minnetjes staan. Op allerlei plekken in die tabel zie je plusjes opdoemen, maar daar geen enkele. Dan kun je toch niet zeggen dat er sprake is van een evenwichtige of een bevredigende inkomensontwikkeling?

Minister Asscher:

Het klopt dat mensen aan de onderkant bij uitstek de pijn voelen van de crisis. Het leven wordt duurder en hun inkomen neemt niet toe. Mensen lijden inkomensverlies doordat zij hun werk verliezen. Zij hebben te maken met stijgende prijzen van energie; noem het allemaal maar op. Onze eigen btw-verhoging heeft daar niet bij geholpen. Wij moeten daar niet omheen draaien. De maatregelen die wij nemen, zoals de verlaging van de eerste belastingschijf, de verhoging van de arbeidskorting, de specifieke uitkering juist voor minima, zijn allemaal bedoeld om die effecten te verzachten. Is het daarmee zo dat zij gecompenseerd zijn voor de pijn van de crisis? Nee, dat ben ik met de heer Van Ojik eens. Laten wij er niet omheen draaien: hij heeft ook gelijk dat in het Herfstakkoord de beweging is geweest om de vierde belastingschijf de andere kant op te duwen. Dat is een prijs die het kabinet heeft betaald ten opzichte van zijn voorstellen in de begroting, om een meerderheid voor de begroting te krijgen in de Eerste Kamer. Dat is waar.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Dat is een keuze geweest. Het is een keuze die ik zeer betreur, maar goed, dat doet er misschien minder toe. Ik zie het als onderdeel van een bredere onderstroom, waarbij het de hele tijd gaat over "werk moet lonen". Daarvan heb ik gisteren gezegd dat het bijdraagt aan een "eigen schuld, dikke bult"-maatschappij. Werk moet lonen, want mensen gaan anders niet werken. Dat zie je terug in de koopkrachtplaatjes. Er zit een bewuste politieke keus achter om mensen die in de categorie inactieven/sociaal minimum zitten, een minnetje te geven. Het is geen natuurramp die deze mensen overkomt, maar een bewuste politieke keus. Is de minister dat met mij eens?

Minister Asscher:

Ik wilde zojuist heel ruiterlijk ingaan op wat er bij het Herfstakkoord is gebeurd. Inderdaad is er als gevolg van het compromis extra geld gekomen voor de hogere inkomens. Maar wij hebben niet voor niets ook honderden miljoenen uitgegeven om de eerste schijf te verlagen. Dat komt terecht bij die groep. Wij hebben niet voor niets de extra maatregel voor de minima getroffen; puur gericht op die groep. Met andere woorden: zeker, wij vinden dat werk moet lonen en dat betekent dat je, waar je nu erop achteruitgaat als je gaat werken vanuit de bijstand, er straks op vooruitgaat. Daarnaast doen wij juist heel veel om lage inkomens te beschermen in deze ongelooflijk ingewikkelde tijd. Allerlei keuzes die in de bijbel van Financiën langskomen als het tegenzit, zoals de ontkoppeling, zoals de verlaging van de uitkeringen, maakt dit kabinet niet, juist omdat het deze groep wil beschermen en ontzien. Had het verder kunnen gaan? Zeker. Kan het evenwichtiger? Ook waar. Maar wij doen wel degelijk heel veel om deze groep te beschermen en te ontzien. Dat neemt niet weg dat het een heel zware tijd is.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik heb over het inkomensbeleid voor oudere werklozen aan de minister gevraagd of hij mogelijkheden ziet om de uitkering aan te vullen tot WW-niveau als iemand een lager betaalde baan accepteert. Wat nu pas na een jaar gebeurt, kan al na drie maanden worden gedaan om zo die ouderen weer wat sneller op de arbeidsmarkt te krijgen.

Minister Asscher:

De gedachte is mij dierbaar, want het betekent dat je er nooit op achteruitgaat als je aan het werk gaat. Er hoort wel techniek bij. Zo moet je inkomstenverrekening organiseren. Je moet precies bekijken wat iemands inkomsten zijn geweest, zodat je ervoor kunt zorgen dat de persoon in zijn uitkering voldoende wordt aangevuld om er niet op achteruit te gaan. Dat vergt een grote verandering bij het UWV. Wij willen dat toch doen, omdat tegenover het aanvaarden van passende arbeid die inkomstenverrekening moet staan, zodat je er niet op achteruitgaat als je arbeid aanvaardt onder je scholingsniveau. Het kost het een en ander om dat door te voeren in systemen. Helaas betekent het ook dat de introductie van die passende arbeid met een halfjaar naar voren kon worden gehaald, maar niet met een jaar. Ik steun de gedachte, maar in de praktijk van de uitvoering kan ik het niet verantwoord doen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik concludeer dat het dus feitelijk onmogelijk is om het bij het UWV tijdig voor elkaar te krijgen.

Minister Asscher:

Ja.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Dan is het des te belangrijker om heel snel de Wet werk en zekerheid te behandelen.

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. De katheder daalt, maar ik hoop dat iedereen zijn aandacht er nog een beetje bij kan houden. Ik dank de leden van harte voor hun inbreng in eerste termijn. Er zijn veel onderwerpen aan snee gekomen en er is een fors aantal vragen gesteld. Een groot aantal daarvan is schriftelijk beantwoord. Ook ik zou graag mijn beantwoording willen indelen in een vijftal onderdelen, namelijk Participatiewet, bijstand, armoedebeleid, pensioenen en arbeidsmarktdiscriminatie.

Zoals mevrouw Van Nieuwenhuizen net als uitswinger al zei: de Wet werk en zekerheid wordt hier binnenkort behandeld. Dat geldt ook voor een aantal wetten die ik onder mijn hoede heb. Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt er hier breedvoerig op preluderen, waar ik erg voor ben, want ik vind het prachtig om die wetten onder mijn hoede te hebben, maar je kunt ook zeggen: de wetsbehandeling genaakt en ik verschiet mijn kruit niet voordien.

Ik begin met de Participatiewet. Eigenlijk zijn alle fracties daarmee gekomen. Essentieel blijft — dat is ook het adagium van de wet — dat ieder mens zijn eigen talent heeft en dat mensen het gewoon hartstikke fijn vinden als zij die talenten kunnen ontplooien. Soms moeten mensen daar een beetje bij geholpen worden, een steuntje in de rug krijgen. Dat geldt zeker voor mensen met een beperking. Wat wij graag willen, is dat mensen met een beperking die nu soms nog worden buitengesloten, gewoon kunnen meedoen, want meedoen is voor iedereen belangrijk. Ik was onlangs in Gorinchem en trof daar 30 mensen die via een langdurige detachering vanuit de WSW bij het bedrijf JW werken. Daar worden plinten gemaakt, met alles erop en eraan. Dat werk is "gereshored" — dat zal ook de heer Kerstens deugd doen — vanuit lagelonenlanden. De mensen in Gorinchem kunnen daardoor hun steen bijdragen. Ze zijn daar niet alleen trots op, maar ze zijn ook loyaal en ze doen hun werk tot uiterste tevredenheid van het bedrijf. Het gaat om werk dat ze waarschijnljk nooit hadden gekregen zonder een steuntje in de rug van de gemeente en de werkgever. JW is een voorbeeld, maar iedere week zie je wel mensen in vergelijkbare situaties, bijvoorbeeld de buurtvoorlichters in Lelystad en de testengineers met een autistische beperking bij Philips. Ik kan zo een hele rij voorbeelden geven. Veel Kamerleden hebben net als ik dit soort gesprekken gevoerd. Die gesprekken hebben in ieder geval mij gesterkt in de overtuiging dat we met de Participatiewet die steun in de rug goed neerzetten.

Sommige Kamerleden hebben mij gevraagd wat het verschil is tussen de Participatiewet en de Wet werken naar vermogen. Dat is behoorlijke lijst. Dankzij het regeerakkoord zou sowieso de quotumwet er komen. Die zat immers niet bij de Wet werken naar vermogen. In het verlengde hiervan zijn er in het sociaal akkoord afspraken gemaakt over de banen van de mensen die het betreft. Er is met de werkgevers afgesproken dat zij de komende jaren 100.000 extra banen beschikbaar zullen stellen voor mensen met een arbeidsbeperking. De overheden doen daar nog eens 25.000 banen bij. Ik denk dat dit een heel belangrijk verschil is.

De bezuinigingen rond de Participatiewet worden veel geleidelijker ingevoerd. Bij de Wet werken naar vermogen gingen de bezuinigingen immers tamelijk abrupt in op 1 januari 2013. In de Participatiewet worden de bezuinigingen vanaf 1 januari 2015 gespreid over een periode van zes jaar. Pas in 2021 zijn de bezuinigingen dus volledig doorgevoerd. Een en ander betekent dat er voor de gemeenten "een inverdiener" is van 1 miljard. Ook dat is een behoorlijk verschil.

Verder praten we over het instrument loonkostensubsidie in plaats van over het instrument loondispensatie. Dat was overigens een wens van de vakbeweging en de mensen zelf. Hierdoor krijgen de mensen die het betreft een gewone baan, want ze worden aan het einde van de maand niet geconfronteerd met twee loonstrookjes, met twee vormen van inkomen. Ze krijgen dan namelijk een inkomen van ten minste het wettelijk minimumloon, dat bovendien keurig in een cao is geregeld. Ik vind dat een groot goed. Ook dit is natuurlijk een behoorlijk verschil.

De Participatiewet wordt verder gesteund door de sociale partners en de gemeenten. Die hebben elkaar samen met het Rijk gevonden in de werkkamer en hebben daar tegen elkaar gezegd: we gaan de instrumenten voor deze wet uitwerken.

Veel woordvoeders hebben het hunne gezegd over een ander verschil, namelijk dat de groep Wajongers herbeoordeeld wordt. Ik kan me de zorgen van de Kamerleden heel goed voorstellen, want ik ben mij ook zeer bewust van het feit dat het vaak om heel kwetsbare mensen gaat. We bekijken dan ook zorgvuldig hoe we die herbeoordeling het beste vorm kunnen geven. Ik stel voor om daarover tijdens de behandeling van de Participatiewet zeer indringend met elkaar te spreken. Ik prijs me ten slotte gelukkig dat we voor de herbeoordeling 100 miljoen structureel beschikbaar hebben, want daardoor kunnen we er niet alleen de scherpe randjes afhalen, maar ook de herbeoordeling echt goed oppakken.

Wat ook anders is dan bij de Wet werken naar vermogen, is dat de sociale partners en de gemeenten tegen elkaar hebben gezegd dat ze in nauwe samenspraak met elkaar aan de slag zullen gaan in regionale werkbedrijven en in arbeidsmarktregio's. Er zijn 35 arbeidsmarktregio's en vanuit die regio's gaan we de Participatiewet gestalte geven. Ook dat is echt anders dan in het oorspronkelijke voorstel.

De heer Potters wees erop dat gemeenten binnen de kaders van de wet bepalen wie welke ondersteuning nodig heeft. Is het, zo vroeg hij, nu ook al in het overgangsjaar, 2014, mogelijk om het participatiebudget en de middelen voor de WSW als het ware samen te smelten? In de schriftelijke beantwoording heb ik daarover al het een en ander opgemerkt. Ik zou dat zo sec niet voorstaan, want het betekent dat de wetten moeten worden aangepast. Ik kan me er echter alles bij voorstellen dat wij de SW-bedrijven benutten om de re-integratie vorm te geven en dat wij daarvoor ook de participatiemiddelen inzetten. Zo kunnen wij de SW-bedrijven als het ware als "mensontwikkelbedrijf" inzetten.

De voorzitter:

Bent u klaar met dit onderwerp?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee, voorzitter.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u dit afrondt, voordat wij overgaan naar de interrupties.

Staatssecretaris Klijnsma:

Heel goed.

Uiteraard komen wij nog uitgebreid te spreken over de Quotumwet, ook bij de behandeling van de Participatiewet. Vooruitlopend daarop zeg ik alvast het volgende. Werkgevers kunnen nu al onderleveranciers meetellen bij het realiseren van de gemaakte afspraken voor de 100.000 extra banen; hierover werd ook een vraag gesteld. Werkgevers hebben de vrijheid om naar eigen inzicht het aantal mensen met een arbeidsbeperking dat werkt, te verhogen. Zij kunnen dat op heel veel manieren doen, bijvoorbeeld door afspraken te maken tussen sectoren, in te kopen bij sociaal ondernemers, gebruik te maken van detacheringen of, zoals ik zonet al zei, door de onderleveranciers erbij te betrekken.

De heer Kerstens heeft het een en ander gevraagd over mogelijkheden om het sociaal ondernemen verder te stimuleren. Ik juich het natuurlijk zeer toe als werkgevers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen op het gebied van sociaal ondernemen. Ik ben er ook van overtuigd dat de duurzaamheid zich uiteindelijk uitbetaalt. Doelen waarop sociaal ondernemers zich richten, liggen op heel veel uiteenlopende terreinen, zoals leefbaarheid op buurt- en wijkniveau, de armoedebestrijding, het vergroten van kansen voor kwetsbare kinderen en jongeren, werkgelegenheid voor kwetsbare groepen of aandacht voor een groene omgeving.

Samen met EZ en andere departementen hebben wij de nodige acties op touw gezet om dat sociaal ondernemerschap te versterken. Ik noem bijvoorbeeld de Society Impact. Dat doen wij samen met BZK. Vanuit SZW ondersteunen wij werkgevers via De Normaalste Zaak, AWVN en Locus, allemaal partijen waar werkgevers terechtkunnen als zij mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt willen opnemen in hun bedrijf en daarbij ondersteuning kunnen gebruiken.

Voor sociale ondernemingen staat het hele instrumentarium van EZ, gericht op het bevorderen van ondernemerschap, ter beschikking, inclusief alle financieringsinstrumenten. Het lijkt me eigenlijk geen slecht idee om de Kamer hierover eens goed te rapporteren. Deze vraag is natuurlijk niet voor niets gesteld. Dit inzicht wil ik dolgraag verschaffen.

Hiermee ben ik aan het einde van mijn eerste blokje gekomen.

De voorzitter:

Dan geef ik gelegenheid voor korte interrupties, te beginnen bij de heer Potters.

De heer Potters (VVD):

Ik ben in ieder geval erg blij met de toezegging van de staatssecretaris dat bedrijven op een flexibele manier met die quotumregeling kunnen omgaan. Dat is ook voor de toekomst van de nieuwe SW ontzettend belangrijk. Ik zou echter graag nog een andere toezegging krijgen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat de gemeenten die nu gebruik willen maken van de experimenteerstatus zoals beschreven in artikel 7 van de Wet participatiebudget, gemeenten die dus op een goede manier met beide budgetten, SW en WWB, omgaan, in aanmerking komen voor deze speciale status, zodat zij ook kunnen experimenteren? Zou de staatssecretaris dat willen onderzoeken?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik wil dat met alle plezier onderzoeken, met dien verstande dat het niet zo kan zijn dat het participatiebudget wordt ingezet om tekorten op gemeentebegrotingen te dichten die in de context van de SW-bedrijven zijn ontstaan. Dat was niet de bedoeling.

De heer Potters (VVD):

Dat is helder. Maar als zich morgen gemeenten bij de staatssecretaris melden die voldoen aan deze voorwaarde, staat zij dus open voor deze experimenteerstatus?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik ga dat onderzoeken. Ik moet namelijk eerst bekijken of dit ook echt mogelijk is op basis van de wet. Ik constateer dat vanaf 1 januari 2015 het hele budget integraal kan worden aangewend. Dit zou dus alleen voor de overgangsperiode, de jaarschijf 2014, gelden.

Mevrouw Karabulut (SP):

De staatssecretaris was altijd tegen de plannen van voormalig staatssecretaris De Krom. Die plannen gingen, en gaan nog steeds, om jonggehandicapten, bijstandsgerechtigden en mensen in de sociale werkvoorziening. Ik vind het dan ook verbazingwekkend, en met mij vinden heel veel mensen in het land dit, dat juist deze staatssecretaris diezelfde plannen nu toch gaat uitvoeren, weliswaar met wat verschilletjes, maar de VVD is er heel content mee en dat zegt genoeg. Neemt de staatssecretaris daarmee afstand van haar eerdere uitlatingen, bijvoorbeeld de tweets die ik gisteren in mijn inbreng noemde? "Snijden in uitkeringen, bah", zei de staatssecretaris, maar zij snijdt nu in de uitkering van de jonggehandicapten. "De sociale werkvoorziening ga ik beschermen. Sterk en sociaal", zei de staatssecretaris op 12 september. Maar de sociale werkplaatsen worden niet beschermd. Sterker nog, de staatssecretaris gaat verder dan voormalig staatssecretaris De Krom. De 30.000 plekken die De Krom garandeerde, worden door de staatssecretaris niet meer gegarandeerd.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik wil het volgende kwijt. Ik heb niet voor niets zojuist heel stevig opgesomd waarin de Participatiewet verschilt van de Wet werken naar vermogen. Dat verschil zit niet alleen in de titel maar ook in de inhoud. Wat ben ik blij dat er een sociaal akkoord ligt op basis waarvan we verder kunnen bouwen met werkgevers, werknemers en vooral de mensen die het betreft. Immers, dankzij dat sociaal akkoord en dankzij het feit dat de Participatiewet echt heel anders van toon en fundament is dan de voorgaande wet, kunnen we 125.000 plekken aanbieden aan mensen die anders buitenboord blijven. Wat mij mijn hele leven al bezielt, is dat ik wil dat alle mensen kunnen meedoen. Dat geldt zowel voor mijn politieke leven als het leven daarvoor en ik hoop tot aan mijn dood. Ik blijf dat enorm uitdragen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Daar kan de staatssecretaris zelf wel ontzettend content mee zijn en ze kan ook op een oude wet een nieuw stickertje plakken, maar het wrange is dat de wet wel "Participatiewet" heet, maar juist de arbeidsgehandicapten en werklozen ontzettend uitsluit. Laten we er even van uitgaan, in deze tijd van bijna massawerkloosheid, dat de banen er inderdaad komen. Waarom is het dan nog nodig om bijvoorbeeld de jonggehandicapten naar de bijstand te bonjouren? Waarom is het nodig om hen te korten op hun uitkering?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik werp verre van mij dat wij jonggehandicapten naar de bijstand zouden bonjouren. Het is wel degelijk zo dat het sociaal werkbedrijf gewoon open blijft en dat de mensen die daar werken gewoon daar kunnen blijven werken. Het is wel degelijk zo dat wij niet snijden in de uitkeringen. Het is wel degelijk zo dat de 30.000 plekken voor beschut werk gewoon recht overeind blijven. Ergo, wat dat betreft verandert er helemaal niets. Wat de 125.000 plekken betreft: die zijn spiksplinternieuw en geven perspectief aan mensen. Ik heb eerlijk gezegd — daar sta ik ook voor — dat het herbeoordelen van Wajongers natuurlijk bijzonder zorgvuldig dient te gebeuren. Ook ik praat met Wajongers en met hun ouders en ik zie wat het voor hen betekent. Daarom is het ook zo belangrijk dat we die 100 miljoen hebben. Ik doe mijn uiterste best om het op een goede manier ingevuld te krijgen, samen met de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Hier is zeker het laatste woord nog niet over gezegd. De strijd gaat gewoon voort, met of zonder deze wet, met of zonder deze staatssecretaris. Ik moet echter wel concluderen dat het Kamerlid Jetta Klijnsma van toen, met haar overduidelijke tweets, nu weg is. Daarvoor in de plaats is een staatssecretaris van PvdA-huize gekomen die keihard rechts VVD-beleid uitvoert en de grootste en hardste bezuinigingsmaatregelen treft die de meest kwetsbaren in onze samenleving raken. Dat raakt mij en met mij heel veel mensen in het land. Ik hoop oprecht dat de staatssecretaris alle slechte punten in deze wet gaat repareren. Anders was het inderdaad het Kamerlid Klijnsma dat mooie verkiezingspraatjes hield en nu de mensen laat barsten.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, de wet moet nog worden behandeld. Die is maandag naar de Kamer gestuurd en er komt nog een uitgebreide behandeling van. Mevrouw Schouten!

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. Ik hecht eraan om toch nog even te antwoorden. Het staat voor mij als een paal boven water dat ik, of ik nu gemeenteraadslid ben of staatssecretaris, sta voor datgene wat ik verdedig. Ik verdedig deze wet, omdat ik die inhoudelijk echt prima vind voor de mensen voor wie ik altijd heb geknokt. Inderdaad, ik zit in een coalitie. Ik heb mijzelf zeer voorgenomen om iedere keer opnieuw in de spiegel te kijken: lukt het wel of lukt het niet? Ik kan u zeggen dat dit lukt, dus ik sta daar stevig voor. Ik hecht eraan dit nog te beklemtonen.

Ik sta er ook voor dat ik deel uitmaak van een kabinet, dat ik meebestuur en dat ik mijn nek uitsteek om voor mensen iets te betekenen. Sommige mensen doen dat ietsje minder, maar ik heb in mijn hele leven, ook als bestuurder van een stad, altijd de verantwoordelijkheid gekozen. Soms moet je dan dingen doen waarvoor je een rechte rug moet hebben, zoals het verhogen van de AOW-leeftijd.

De voorzitter:

Mevrouw Schouten! Nee, mevrouw Karabulut. Nee, nee, nee, nee!

Mevrouw Karabulut (SP):

Dus de staatssecretaris trekt die tweets in? Dat is dan de conclusie.

De voorzitter:

Nee, mevrouw Karabulut. Mevrouw Schouten!

Staatssecretaris Klijnsma:

Die tweets gingen over de Wet werken naar vermogen. Ik heb het nu over de Participatiewet. Ik heb net nog eens geduid welke enorme verschillen daartussen aan de orde zijn.

De voorzitter:

En er is ook nog een tweede termijn, mevrouw Karabulut. Mevrouw Schouten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Nu echt!

Ik heb het zelf in mijn eerste termijn ook al benadrukt. Die onrust is er nu gewoon onder de Wajongers. De staatssecretaris zegt dat zij structureel 100 miljoen heeft voor verzachtingen, maar dat blijft zo abstract. Ik snap dat de staatssecretaris de discussie met de Tweede Kamer hierover nog wil aangaan, maar kan zij een tipje van de sluier oplichten waaraan zij denkt, juist om een stuk van die onrust te kunnen wegnemen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik realiseer mij heel goed dat het het allermooist zou zijn, als je de desbetreffende Wajongers meteen op een arbeidsplek zou kunnen makelen. Als dat niet onmiddellijk kan, is de bijstand aan de orde en zijn er zaken als de kostendelersnorm, de vermogenstoets en de partnertoets. Ik vind dat wij dat allemaal eens goed moeten onderkennen en dat wij heel stevig moeten bekijken wat wij met 100 miljoen kunnen doen om de scherpe randen daarvan af te knagen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik probeer het wat concreter te maken. Geeft de staatssecretaris hierbij aan dat het voor haar een optie is om voor die groep Wajongers niet het bijstandsregime te laten gelden, als zij niet meteen een baan hebben? Wil zij dit nu als een van de opties duidelijk op tafel leggen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Met mij valt over dat soort dingen goed te praten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dan zullen wij zeker ons best doen om dat te realiseren.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat is een bemoedigend antwoord van de staatssecretaris richting mevrouw Schouten. Ook mijn fractie heeft er zorgen over. Ik heb nog een vraag gesteld over de jobcoach, maar ik kom in tweede termijn daarop terug. Ik zal de Kamer dan om een uitspraak vragen.

Ik heb een concrete vraag over de herkeuring, die eigenlijk ertoe leidt dat mensen die nu een Wajong-uitkering hebben en die arbeidsvermogen hebben, naar de bijstand gaan. In het kabinet-Rutte/Verhagen zou die herkeuring tot een lagere uitkering leiden, maar bleef men wel bij het UWV en in de Wajong. Is de reden voor de keuze om naar de bijstand over te gaan dat de staatssecretaris dan wel het kabinet dit een betere regeling vindt? Of is de keuze primair budgettair gedreven, omdat men dit bij de onderhandelingen over het sociaal akkoord nu eenmaal heeft moeten afspreken om de loonkostensubsidie te betalen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Het is van meet af aan de filosofie, het adagium geweest om alle mensen met een beperking in Nederland onder te brengen in de Participatiewet. Inderdaad maak je dan een keuze voor een aantal groepen. Dat zijn de groepen bijstandsgerechtigden, Wajongers en SW'ers. Wij hebben de keuze gemaakt om de Wajongers, die door de bank genomen nog een heel lang leven voor zich hebben, mee nemen in de optie om perspectief te krijgen in een baan, in een van de 125.000 banen die gefourneerd zijn. Dat was de oorspronkelijke gedachte en die heeft ons ertoe gebracht om deze mensen te herbeoordelen. Ik geef heel ruiterlijk toe dat het geld oplevert. Dat is waar. Daarom vind ik het zo belangrijk om naar de zorgvuldigheid te kijken. Ik vind het ook heel fijn dat in het sociaal akkoord 100 miljoen hiervoor beschikbaar is gekomen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Begrijp ik nu goed dat dit niet in beeld was gekomen in deze vorm als er niet ook een oplossing voor de rekening van loonkostensubsidies gevonden had moeten worden?

Staatssecretaris Klijnsma:

Voor de onderhandelaars was het wezenlijk dat soelaas zou worden geboden voor het herbeoordelen. Zomaar overhevelen naar het regime van de bijstand kan absoluut niet. Er waren twee zaken essentieel, namelijk de plaatsen en de 100 miljoen.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Wij komen in het debat over de Participatiewet nog te spreken over de loonkostensubsidie. Ik heb echter nog geen antwoord gekregen op mijn toch vrij simpele vraag. Is dit uitkeringsregime dat een paar honderd miljoen moet opleveren, dat niet in het regeerakkoord staat en dat zelfs niet in de afspraken van het kabinet-Rutte I zat erin gekomen doordat er op verzoek van de vakbeweging een loonkostensubsidie moest komen, die alleen maar heel veel geld kost?

Staatssecretaris Klijnsma:

Het is besluit geweest van de drie partners die aan tafel hebben gezeten en die staan er alle drie voor.

De heer Kerstens (PvdA):

De PvdA-fractie heeft al eerder gepleit voor een zorgvuldige herbeoordeling van Wajongers en een zachte landing. Ik heb daar een aantal ingrediënten aan toegevoegd met het verzoek aan de staatssecretaris om eens te kijken of zij met een oplossing kan komen. Mevrouw Schouten heeft er net nog een aantal herhaald. Ik heb gisteren in mijn inbreng in eerste termijn nog een ander ingrediënt in beeld gebracht. Ik heb gevraagd om te bekijken of de periode waarin de herbeoordeling plaatsvindt een beetje kan worden opgerekt zodat die wellicht wat meer gelijk oploopt met de opbouw van de banenafspraak, de afspraak over die 125.000 extra banen, uit het sociaal akkoord. Zou dat een van de ingrediënten kunnen zijn die betrokken worden bij het zoeken naar een goede oplossing voor Wajongers?

Staatssecretaris Klijnsma:

Zeker. Alle ingrediënten doen ertoe, ook de periode die wordt gebruikt voor de herbeoordeling. Er kan ook worden gedacht aan het voorrang geven aan Wajongers bij het zoeken naar een nieuwe plek.

De heer Kerstens (PvdA):

Ik dank de staatssecretaris. Dat laatste ingrediënt had ik ook genoemd.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan kom ik bij het tweede blok, de WWB. Ook dat wetsvoorstel komt terug in de Kamer. Wij hebben afgesproken dat wij dat op 16 december behandelen. Ik denk dat het essentieel is om nog eens te beklemtonen dat wij vinden dat je mensen echt goed helpt door ze niet weg te zetten in een uitkering; volgens mij vinden wij dat allemaal, zoals wij hier bij elkaar zitten. Wij moeten een beroep op ze doen om op zoek te gaan naar werk en ze daarbij helpen. Dat is bij de bijstand ook aan de orde.

Veel woordvoerders hebben het een en ander gezegd over de tegenprestatie. Die tegenprestatie is heel pril. Een aantal gemeenten werkt er nu al mee. Zij zeggen dat het instrument op zichzelf plezierig is. Wij zijn nu met zijn allen op zoek naar de manier waarop wij die tegenprestatie precies vorm moeten geven en de wijze waarop wij het instrument zo kunnen inkleden voor gemeenten dat zij er goed mee kunnen werken. Ik heb goed geluisterd naar de inbreng in eerste termijn van de Kamer. De verdringing, waar de minister ook al op is ingegaan, is natuurlijk een belangrijk onderwerp, ook in deze context. Het gaat erom dat wij de gemeenten helpen om het fenomeen verdringing in te kleuren, in die zin dat wij kunnen kijken of wij met modelverordeningen waarin criteria zijn opgenomen soelaas kunnen bieden. Ik zou mij bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat mensen zelf aangeven wat zij terug zouden willen doen voor de samenleving. Dat kan op basis van wat ze misschien al sinds jaar en dag doen aan vrijwilligerswerk. Ik kan mij voorstellen dat de gemeente bepaalde klussen voorlegt. En ik kan mij voorstellen dat je dan heel minutieus kijkt naar de vraag onder welke voorwaarden dat kan. Twee voorwaarden die ik zou kunnen verzinnen, zijn dat er voor zo'n klus bijvoorbeeld geen vacature mag bestaan, want dan is het gewoon regulier werk, en dat het ook niet recentelijk reguliere arbeid geweest mag zijn. Wij kennen immers allemaal voorbeelden van tegenprestaties waarvan wij denken: dat is niet de bedoeling. Daar moeten wij goed met elkaar over doorpraten.

De voorzitter:

Was u klaar met dit onderwerp?

Staatssecretaris Klijnsma:

Er zijn nog een aantal vragen gesteld. Kan ik daar nu ook op ingaan?

De voorzitter:

Ja.

Staatssecretaris Klijnsma:

Prima. Het gaat erom dat de gemeenteraad zijn controlerende taak goed kan uitvoeren. De heer Van Ojik heeft er ondubbelzinnig op aangedrongen om te bekijken hoe het precies zou kunnen gaan met de additionele, onbeloonde, maatschappelijke, nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, zodat er geen verdringing op de arbeidsmarkt is. Ik vind het heel wezenlijk dat mensen zelf meedenken over hun tegenprestatie in de bijstand. Dat heeft de heer Potters ook naar voren gebracht. Dat is een uitstekend idee. De bijstand is een vangnet en moet ertoe bijdragen dat mensen weer aan het werk gaan. Tegelijkertijd wordt de rechtszekerheid met die landelijke en meer uniforme regeling voor mensen heel helder. Gemeenten bepalen altijd zelf aan het eind van de rit hoe zij met mensen omgaan. Daarom ligt dit ook bij gemeenten. Gemeenten kunnen op basis van de hardheidsclausule bekijken of het wel of niet lukt met iemand. Daar hebben wij goede afspraken over gemaakt. Dus op deze manier valt die tegenprestatie in te voeren.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, ik geef u het woord en niet de heer Heerma, want als hij wil interrumperen, moet hij bij de microfoon gaan staan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik ben u heel dankbaar, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Karabulut (SP):

Maar mijn collega stond net al een hele tijd te wachten. Dus van mij mag hij.

De voorzitter:

Dan moet hij bij de interruptiemicrofoon staan. Ik bepaal wie het woord krijgt. U hebt het woord, mevrouw Karabulut. Durft u niet meer? Hoeft u niet meer? Nou, gaat uw gang, mijnheer Heerma.

De heer Heerma (CDA):

Luister voorzitter, ik gaf net het signaal dat ik iets over het vorige blok wilde vragen. Nu zegt u: dan had u niet weg moeten lopen. Maar toen ging de staatssecretaris maar door. Daardoor dacht ik dat ik de kans niet meer kreeg en liep ik weg. Misschien geeft u mij straks alsnog de kans om over het vorige blok een vraag te stellen, maar het was volgens mij handiger geweest om het op dat moment te doen, want toen was de staatssecretaris pas net met dit blok begonnen.

De voorzitter:

Ik wil hier niet te veel over uitweiden.

De heer Heerma (CDA):

Maar u spreekt mij aan.

De voorzitter:

Als er antwoorden worden gegeven, moet er ook worden opgelet.

De heer Heerma (CDA):

U spreekt mij aan.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

De heer Heerma (CDA):

Ik heb toch nog een vraag over het vorige blok, met excuus aan de staatssecretaris.

Ik vind de redenatie over de Participatiewet rondom het herkeuren van de Wajongers in het interruptiedebat met de heer Van Weyenberg iets te makkelijk. De staatssecretaris heeft namelijk tot het sociaal akkoord steeds benadrukt dat het niet herkeuren van Wajongers een van de belangrijkste verbeteringen was ten opzichte van de vorige wet. Los van het feit dat ik dat niet met haar deelde, is het niet heel geloofwaardig — het lijkt mij gelegenheidsargumentatie — om nu te zeggen: wij hebben het alle drie op tafel gelegd tijdens de onderhandelingen over het sociaal akkoord. Het ligt toch veel meer in de lijn van de rede om te zeggen: dat herkeuren levert honderden miljoenen op, dus dat is gekoppeld aan het verschuiven van loonkostendispensatie naar loonkostensubsidie?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik heb net in mijn beantwoording heel helder gezegd dat het en-en is. De drie partijen zijn hiervoor gaan staan. Dat heeft ook een inverdiener opgeleverd, maar het adagium is ook: omdat er nu plekken zijn en omdat er een zachte overgang kan wezen door de 100 miljoen, vind ik het verantwoord om het te doen. Zonder die plekken en zonder die 100 miljoen was het een kille aangelegenheid.

De heer Heerma (CDA):

Die twee hebben bij het sluiten van het sociaal akkoord wel samen op tafel gelegen en kunnen niet los van elkaar worden gezien.

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee, want het was ook een voorwaarde om de herbeoordeling vorm te geven.

Mevrouw Karabulut (SP):

Als de staatssecretaris zegt dat zij werken zonder loon en verdringing wil voorkomen, kan zij daarmee beginnen door de tegenprestatie uit de wet te schrappen. Niemand is erbij gebaat en gemeenten zijn van mening dat er genoeg instrumenten voor re-integratie zijn en dat het alleen maar een obstakel is. Kunnen we dat via een nota van wijziging van de staatssecretaris verwachten voordat de wet wordt behandeld?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee, de tegenprestatie blijft in de wet omdat ook veel gemeenten hebben gevraagd om haar in de wet te verankeren.

Mevrouw Karabulut (SP):

Toevallig hebben wij de vorige week een heel uitgebreide hoorzitting gehad in de Tweede Kamer. Gemeenten, VNG, wethouders, cliëntenorganisaties en de vereniging voor vrijwilligerswerk: iedereen is tegen. Maar goed, staatssecretaris Klijnsma houdt eraan vast. Waarvan akte. Vervolgens heeft de staatssecretaris het over nadere regels. Kunnen wij die dan verwachten voor wetsbehandeling?

Staatssecretaris Klijnsma:

Wij hebben in onze memorie van toelichting behoorlijk wat inkleuring gegeven aan de wijze waarop je daarmee zou kunnen omgaan. Wij hebben ook aangegeven dat wij met de VNG en Divosa in conclaaf zijn over de manier waarop zaken bij modelverordening kunnen worden ingericht. Dat gaan we ook gewoon doen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Tot slot: ik vind dit echt ongelooflijk. De staatssecretaris probeert hier te doen alsof ze iets tegen die verdringing doet. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat naar Europa om schijnconstructies aan te pakken en wat doet zijn staatssecretaris onder zijn toeziend oog: feitelijk wordt de bijstand het nieuwe minimumloon, want de staatssecretaris laat verdringing ongemoeid. Een straatveger wordt ontslagen, maar moet vervolgens als werkloze hetzelfde werk doen maar dan zonder loon, dus voor €400 minder. In woorden zegt zij dat zij er iets aan gaat doen, maar de wet wordt gewoon niet veranderd.

Staatssecretaris Klijnsma:

Wij hebben schriftelijke vragen over deze casus beantwoord en daaruit bleek dat de straatveger in kwestie niet zomaar van een reguliere baan in een tegenprestatie was beland, maar dat terzijde. Ik blijf voor de tegenprestatie staan.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De staatssecretaris blijft voor de tegenprestatie staan, maar het gaat natuurlijk wel om meer dan die verdringing. Dat is inderdaad een probleem en inmiddels zijn er heel vreemde voorbeelden van wat zich op dat vlak kan afspelen. Ik heb er gisteren een paar gegeven. Als je echter goed naar de gemeenten luistert, hoor je dat het om veel meer gaat. Dan gaat het ook om de verplichte tegenprestatie, om sancties in geval X en boetes in geval Y. Gemeentes zeggen dit allemaal niet te kunnen en niet te willen. Zoals wethouder Van Es van Groen Links op het Divosacongres al zei, wil men zelf een goede afweging kunnen maken tussen regels en moraliteit. Zij vertrouwde haar mensen ermee, omdat zij dat goed kunnen. De wet laat haar echter niet de mogelijkheid, omdat zij wordt verplicht om dat allemaal te doen, dat wil zeggen sancties, boetes en verplichte tegenprestatie. Misschien kan de staatssecretaris daar nog eens op reageren.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik begrijp het heel goed en ik begrijp ook heel goed wat de heer Van Ojik hier naar voren brengt, maar het is altijd de balans tussen wat je centraal en decentraal regelt. Die balans gaat bijvoorbeeld in de Participatiewet enorm in de richting van de gemeenten, voor maatwerk en om mee te kunnen denken met mensen met beperkingen die de arbeidsmarkt gaan betreden. Die balans is voor mensen die in de bijstand terechtkomen in die zin centralistischer, omdat zij dan ook precies weten wat er wel en niet van hen verwacht wordt. Zij weten wat hun plichten, maar ook wat hun rechten zijn. Het is dus maar net hoe je die balans inkleurt. Ik kies ervoor om die balans wat betreft de WWB net iets steviger in te kleuren, zodat mensen van meet af aan weten wat ze hebben te doen voordat zij een bijstandsuitkering kunnen krijgen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik begrijp dat de staatssecretaris daarvoor kiest, maar dat is nu juist het probleem. Al die gemeenten houden haar voor dat zij er het dichtstbij zitten. Dat is ook de gedachte achter al die decentralisaties: laat de mensen die er het dichtstbij zitten, de wethouders, de ambtenaren in al die gemeenten, die afweging maken. Natuurlijk, mensen in de bijstand willen niets liever dan weer aan de slag. Laten we dat vooral nog eens hardop zeggen. Het is niet altijd nodig om mensen met boetes, sancties en tegenprestaties tot iets te dwingen. Ze willen zelf heel er graag. Maar laat nou de gemeenten de afweging maken welke instrumenten daarvoor het beste ingezet kunnen worden. Ik doe een dringend beroep op de staatssecretaris om daar veel meer ruimte voor te scheppen en de verantwoordelijkheid daarvoor bij die mensen te leggen die dat van dichtbij het beste kunnen beoordelen.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik hecht daar ook zeer aan, want gemeenten kunnen natuurlijk samen met de man of vrouw in kwestie bekijken wat er van hem of haar teruggevraagd wordt. Daarom hecht ik er ook zo aan dat mensen zelf kunnen bepalen waar zij goed in zijn en wat zij plezierig vinden om te doen. Dat kan het vrijwilligerswerk zijn dat zij al sinds jaar en dag doen. Maar, en daar ben ik heel eerlijk in, als mensen om hen moverende redenen niet zelf met iets komen, dan is het ook goed dat de gemeente prikkelt en zegt: kom op, blijf een beetje actief, kom er in hemelsnaam weer bij en ga niet de hele tijd thuis zitten.

De voorzitter:

Op 16 december is er een wetgevingsoverleg over dit onderwerp. Mijnheer Van Ojik, u mag tot slot een opmerking maken.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik hoop van harte dat de staatssecretaris tussen nu en 16 december nog eens heel goed wil nadenken over dat heel dringende appel van al die gemeenten, die het niet met haar oneens zijn. Ook de mensen waar het om gaat, zullen het overigens niet oneens met haar zijn dat het heel goed is om te re-integreren, hoe eerder, hoe beter. Door echter centraal allerlei beperkingen, boetes, wetgeving en straffen op te leggen, bereik je niet wat de staatssecretaris zegt te willen bereiken. Er is nog tijd, het is nog geen 16 december, er zijn nog twaalf dagen te gaan …

De voorzitter:

Dit is geen interruptie, toch?

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Nee, dit is een conclusie en een oproep aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dit was een appel, voorzitter.

De voorzitter:

Dat heb ik begrepen. Het woord is aan de heer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik blijf die wet dan toch een beetje een januskop vinden. Aan de ene kant wordt er met de Participatiewet tegen gemeenten gezegd: pak jullie vrijheid. Aan de andere kant zegt de staatssecretaris over de bijstandswet dat zij daarin centraler wil sturen. Dit wordt uiteindelijk één wet. Wat moet je dan als gemeente? Is de staatssecretaris het met mij eens dat de kern van de bijstandswet, die nota bene door Mark Rutte is bedacht en ingevoerd, is dat bij gemeenten de prikkel, om het in economische termen te zeggen, goed staat, zodat die er alles aan gaan doen om mensen aan de slag te krijgen? Hoe verhoudt dat zich dan tot het op de komma vastleggen van wat gemeenten in elk geval moeten doen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Het is natuurlijk niet zo dat tot op de komma wordt vastgelegd wat gemeenten moeten doen. Het is immers helder dat centraal de hoogte van de bijstand wordt bepaald. Dat doen we hier met zijn allen. We hebben een aantal zaken in de WWB, de bijstandswet, voor alle Nederlanders gelijkgeschakeld. Nederlanders vinden het op zichzelf ook plezierig om te weten waar ze staat op kunnen maken, welke heldere kaders er aan de orde zijn en waar ze wel of niet een beroep op kunnen doen in de bijstandswet. Daar is helemaal niks mis mee. Overigens is het altijd zo, ook binnen de Participatiewet, dat mensen bezwaar of beroep kunnen aantekenen. Dat blijft ook. Ook dat is een groot goed in ons land. Ik vind die heldere kaders in een wet niet verkeerd. Overigens vond mijn voorganger Rutte dat ook niet.

De heer Van Weyenberg (D66):

Kaders zijn prima. De staatssecretaris zegt dat mensen bezwaar kunnen maken. Gelukkig maar! Dat is de rechtsstaat. Er is een hardheidsclausule, zo hebben we ook veel gehoord. Natuurlijk, er zijn altijd uitzonderingen. De kern is echter: op wie vertrouw je eigenlijk? Ik heb een heel simpele vraag: vertrouwt de staatssecretaris gemeenten maatwerk toe en de mogelijkheid om zelf keuzes te maken bij de uitvoering van de wetten die ze in toenemende mate bij hen neerlegt en waarvoor ze hen financieel verantwoordelijk maakt?

Staatssecretaris Klijnsma:

Het antwoord is ja.

De heer Kerstens (PvdA):

Ik heb gisteren gewezen op het belang van mantelzorg, het zorgen voor een naaste, een familielid, een vriend of een vriendin. Ik ben blij dat de staatssecretaris dat in de schriftelijke beantwoording onderschrijft. Ik ben ook blij met de toezegging, waarom ik ook heb gevraagd, om nauw contact te onderhouden met de staatssecretaris van VWS om ervoor te zorgen dat er geen ongelukken gebeuren.

De voorzitter:

Wat is de vraag?

De heer Kerstens (PvdA):

Kan de staatssecretaris er iets meer over zeggen? En op welke termijn kunnen we enig licht van beide staatssecretarissen geschenen zien worden op mantelzorg, bijvoorbeeld als je bijstandsgerechtigde bent?

Staatssecretaris Klijnsma:

Collega Van Rijn en ik hebben afgesproken dat binnen de Wmo de mantelzorg volledig uitgekristalliseerd is wat betreft de manier waarop je als mantelzorg ruggensteun kunt krijgen, en dat binnen de WWB mensen eenduidig worden bejegend. We zijn er dus in heel nauw overleg samen voor gaan zitten. Binnen de Wmo kan de Kamer dat dus tegemoetzien.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, u mag niet meer interrumperen. We gaan nu naar het volgende onderwerp. Er is ook nog een tweede termijn. U bent al geweest. Sorry. U, mevrouw Schouten, bent nog niet geweest, althans niet op dit onderwerp. Ga uw gang.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het ging eerst alleen over de tegenprestatie, maar we gaan het nu toch wat breder trekken. Ik had nog een vraag over de vierwekeneis. Ik niet alleen, overigens. De heer Kerstens had er ook nog een vraag over. Moeten we niet bekijken of die niet contraproductief gaat werken omdat die juist schulden in de hand zou kunnen werken? Ik heb op die vraag nog geen antwoord gehad.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat is het mooie van dit debat. Het is ook de vraag van de heer Van Weyenberg. Het is aan gemeenten om te bekijken hoe men precies met die vierwekeneis omgaat: hebben de mensen die je voor je krijgt, echt acute geldnood? Dat kan gebeuren. Dat is zeker in dit tijdsgewricht vaak aan de orde. Dan kan de gemeente een voorschot verlenen. Dat doet de gemeente in de praktijk dan ook. Wat dat betreft is er, denk ik, voor de gemeenten voldoende beleidsvrijheid om mensen die acuut moeten worden geholpen, ook echt te helpen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Welk probleem zijn we dan nu aan het oplossen? Op dit moment kunnen gemeenten, als de situatie er aanleiding toe geeft, al zeggen: wacht maar even vier weken. De norm is echter: we zullen die uitkering uitkeren, tenzij. De staatssecretaris zegt dat ze die norm hoog wil houden, maar in het wetsvoorstel wordt echt uitgegaan van een andere norm, namelijk: nee, tenzij. Hoor ik de staatssecretaris hier zeggen dat ze eigenlijk gewoon bij de oude situatie wil blijven en dat we het op die manier maar goed in de wet moeten verankeren?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee. Als iemand bij de gemeente aanklopt, dan kijkt de gemeente daarnaar en dan zegt ze: we willen graag dat u de komende vier weken nog even echt ontzettend uw best doet om werk te vinden. Natuurlijk kijkt de gemeente dan ook naar de manier waarop zo'n man, zo'n vrouw of zo'n gezin zich manifesteert. Als de gemeente het niet verantwoord vindt om die man of vrouw zo weg te sturen omdat het anders financieel mis gaat, dan heeft ze de mogelijkheid om een voorschot te geven. Als de gemeente echter vindt dat die man of vrouw vier weken om zich heen kijkt en als die man of vrouw dan onverhoopt niets kan vinden en terugkomt, dan krijgt die persoon met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Schouten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dan is er dus echt wel een wezenlijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Ik voorzie dat daardoor heel veel mensen in de problemen kunnen komen, met alle kosten van dien, zo zeg ik erbij tegen de staatssecretaris. Ze komen dan immers gewoon bij het schuldhulploket weer terug.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik zei natuurlijk niet voor niets dat de gemeente maatwerk kan leveren aan de mensen die het betreft.

De heer Potters (VVD):

Ik heb een andere vraag, over antwoorden van de staatssecretaris aan mijn collega Kerstens. Gisteren is er een discussie gevoerd over een mogelijke bonus in de bijstand. Wij hebben gezegd dat wij daar niet voor zijn, maar ik zie in het antwoord van de minister iets waarmee ik heel blij ben. De staatssecretaris schrijft namelijk dat het moet gaan om aantoonbare stappen op de arbeidsmarkt voordat de gemeente ultimo gebruik mag maken van haar bevoegdheid. Het moet iets zijn waarmee iemand een stapje vooruit zet.

Staatssecretaris Klijnsma:

De gemeente heeft echt beleidsvrijheid in het stimuleren van mensen om mee te doen. Als mensen in dat meedoen bijvoorbeeld met een tegenprestatie aan de slag gaan en daar onkosten voor maken die ze zelf echt niet kunnen betalen, dan staat het de gemeente vrij om daarin een stap voorwaarts te zetten. Dat gaan we natuurlijk niet landelijk regelen.

De heer Potters (VVD):

Dat laatste is zeker erg prettig, maar het moet natuurlijk niet zo zijn dat iemand die een tegenprestatie levert daarvoor beloond wordt alleen vanwege het feit dat hij een tegenprestatie levert. Het moet iets zijn dat leidt tot werk. Daarvoor geldt die beleidsvrijheid dus niet, zou ik zeggen. Is de staatssecretaris het daarmee eens?

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan is het maar net wat je verstaat onder "leiden tot werk". Je gaat natuurlijk niet belonen voor een tegenprestatie in de zin dat iemand nog een extra incentive krijgt. Ik zou me echter kunnen voorstellen dat je de onkosten vergoedt die iemand maakt om de tegenprestatie te kunnen leveren. Maar nogmaals, dat is aan de gemeente.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik heb in mijn eerste termijn een vraag gesteld over de sollicitatieplicht voor alleenstaande ouders in de WWB. Ik vind dit een lastig punt. We gaan het natuurlijk uitdiscussiëren op 16 december, maar richting dat debat zou ik van de staatssecretaris graag horen of zij die sollicitatieplicht zelfstandig uit de wet gaat halen. Vorig jaar hebben we de sollicitatieplicht er nog per amendement opnieuw uitgehaald in het geval dat er kinderen zijn. Dan weet ik in ieder geval of ik een amendement moet indienen.

De voorzitter:

Iedereen verwijst naar 16 december, maar intussen ...

Staatssecretaris Klijnsma:

Zal ik dat dan kortheidshalve ook maar doen?

De voorzitter:

Ja.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat lijkt me wijs, want dan is de wetsbehandeling en dan hebben we dit allemaal aan snee.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Daar maak ik dan uit op dat het kabinet in ieder geval niet zelfstandig met het voorstel zal komen vóór 16 december.

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee, ik heb de wet gepresenteerd zoals ik hem gepresenteerd heb. Ik heb goed geluisterd naar alle leden van de Kamer. Bij de behandeling van het wetsvoorstel zullen we zien wat er gebeurt.

De voorzitter:

Ik stel toch voor om te gaan schorsen, want er zijn nu nog drie onderwerpen en ik ben bang dat die niet voor 19.45 uur afgerond zullen zijn, zoals de bedoeling was.

De vergadering wordt van 19.28 uur tot 20.32 uur geschorst.

De voorzitter:

Voordat ik de staatssecretaris het woord geef, wil ik voorstellen om de laatste drie onderwerpen als eerste af te handelen. Daarbij sta ik twee interrupties toe op alle drie de onderwerpen. De interrupties gaan dan in tweeën, niet in drieën.

Staatssecretaris Klijnsma:

We gaan voort met het derde blokje. Dat gaat over armoedebestrijding. We zitten in economisch zware tijden. Dat zou je misschien niet zeggen als we hier om ons heen kijken, maar buiten is het heftig. Dat blijkt voor het tweede jaar op rij uit de armoedecijfers die het CBS en het SCP deze week publiceerden. We weten natuurlijk dat we allemaal naar draagkracht onze bijdrage leveren om de rijksbegroting op orde te krijgen, maar het is gewoon heftig. Weliswaar zeggen het SCP en het CBS dat de armoedecijfers zich in 2014 zouden kunnen gaan stabiliseren, maar dan nog is het wezenlijk om erbij te blijven voor het beste resultaat. Er zijn ontzettend veel Nederlanders die dagelijks worstelen met de vraag hoe zij de eindjes aan elkaar moeten knopen. Ik vind dat zeker schrijnend als het gaat om kinderen. Niemand mag buiten de boot vallen, zeker kinderen niet. Daarom trekt het kabinet extra geld uit. Dat weet iedereen ook. We trekken 100 miljoen structureel uit voor de aanpak van armoede en schuldenproblematiek. Hoewel overal in het land iedereen al ontzettend meehelpt — er wordt echt veel gedaan — is dat extra geld hard nodig. Belangrijk is dat tijdig hulp wordt geboden, zodat problemen niet de pan uit rijzen. Dat speelt zeker ook bij het voorkomen van schuldenproblematiek, want we willen graag dat iedereen die een beetje aan lager wal raakt meteen hulp inroept en niet wacht tot hij echt met enorme schulden wordt geconfronteerd.

Samenwerken en kennis uitwisselen zijn daarbij essentieel. In oktober heb ik tijdens de armoede- en schuldenestafette ook met eigen ogen gezien welke mooie initiatieven gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers nemen om de problemen in veel huishoudens die het niet breed hebben, aan te pakken. Dat heeft mij ertoe gebracht om de middelen die wij beschikbaar hebben niet alleen maar naar gemeenten door te sluizen, maar soms ook naar instellingen en stichtingen die de hand aan de ploeg slaan. Daar is een deel van de subsidie voor beschikbaar. Ik ben echt diep onder de indruk van de manier waarop vrijwilligers soms ruggensteun bieden aan mensen die gewoon met dikke dippen worden geconfronteerd.

Die dippen zitten echt niet alleen bij de kleinste portemonnees, maar ook bij de middeninkomens. Ze zitten vooral bij de mensen die met hypotheken te maken hebben en met huizen die onder water staan. Ik heb het project Schakel! bezocht. Dat is een samenwerkingsverband van 6 grote hypotheekverstrekkers en 90 bij de brancheorganisatie NVVK aangesloten organisaties voor schuldhulpverlening. Het project Schakel! zorgt ervoor dat partijen elkaar snel kunnen vinden en dat daarmee grote financiële problemen voor huizenbezitters worden voorkomen. De Vereniging Eigen Huis is daar ook erg in geïnteresseerd en helpt daar ook bij. Dat is goed om te zien. Wat mij betreft blijven we hiermee doende. We hebben vorige week een algemeen overleg hierover gehad en vanmiddag stond een VAO op het programma. Wat dat betreft is er nu niet meer zo veel te wisselen. Edoch, dit is gewoon een continue aangelegenheid.

Tot slot van dit blokje wil ik graag ingaan op wat mevrouw Schouten naar voren heeft gebracht. Ze is nu even niet in de zaal, maar zij heeft mij een vraag gesteld over Caribisch Nederland. Zij heeft gevraagd of we onze kinderbijslag daar zouden kunnen implementeren. Mijn antwoord daarop is dat wij 10-10-10 in 2015 evalueren. Wij hebben afgesproken dat wij een periode van vijf jaar, dus tussen 2010 en 2015, legislatieve rust implementeren. Dat moeten wij volgens mij ook doen. In 2015 moeten wij dan bekijken wat het betekent als je de kinderbijslag op de BES-eilanden zou implementeren. Voor de tussentijd hebben wij armoedemiddelen en daarvan geven wij zes ton aan de BES-eilanden. Ik heb namelijk gezien dat het nodig is om daar extra inzet te plegen. De evaluatie die in 2015 plaatsvindt, zal natuurlijk onder de coördinatie van de minister van BZK plaatsvinden en ik zal daar mijn bijdrage aan leveren.

Voorzitter, dit was het blokje "armoede".

De voorzitter:

Wij hebben net twee interrupties per onderwerp in totaal afgesproken. De interrupties moeten kort en maximaal in tweeën gedeeld zijn. Mevrouw Karabulut, u geeft steeds anderen het woord. Dat mag, maar het hoeft niet.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik dacht dat mijn collega er eerder stond.

De voorzitter:

Wat keurig, maar ga uw gang.

Mevrouw Karabulut (SP):

Erkent de staatssecretaris dat de armoede en tweedeling groeit door deze politiek?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee, dat komt niet door deze politiek. Dat komt gewoon door de buitenwereld en dat is verdrietig. Wij zien in heel Europa, ook in Nederland, dat mensen, daar waar het buiten economisch heftig is, daarmee geconfronteerd worden. Het is hartstikke beroerd als je je baan verliest, maar wij doen er alles aan om te stutten, te krammen en te spijkeren. Dat is zeker aan de orde, maar wij zijn er niet de schuld van.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Misschien is het niet de schuld van deze politiek, maar die is wel medeschuldig. Ik schrik een beetje van het antwoord van de staatssecretaris. Dit kabinet is medeschuldig, omdat het bijvoorbeeld een half miljard weghaalt bij gezinnen met kinderen. Dit kabinet is medeschuldig omdat het bijvoorbeeld de uitkeringen verlaagt. Het is medeschuldig, omdat door het kabinetsbeleid tienduizenden banen verdwijnen. Ik maak het nu concreet. De staatssecretaris schaft vervolgens een bestaande regeling voor kinderen en gezinnen in armoede af. Is de staatssecretaris dan op zijn minst bereid om die regeling intact te laten?

Staatssecretaris Klijnsma:

Wij hebben in de afgelopen maanden een rapport ontvangen van de Kinderombudsman. Hij riep ons op om kinderen in armoede echt te steunen. Het is wezenlijk dat de gemeenten goed in positie worden gebracht om gezinnen die in armoede verkeren, te helpen om de economische winter goed door te komen. Zij moeten maatwerk leveren en echt kijken naar de wijze waarop die gezinnen zich manifesteren. Zij moet ervoor zorgen dat de kindpakketten die allerlei onderdelen kunnen bevatten, ook daadwerkelijk bij de kinderen terechtkomen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het gaat inderdaad misschien wat ver — dat zegt mevrouw Karabulut volgens mij ook niet — om te zeggen dat alle armoede en inkomensongelijkheid de schuld is van dit kabinet, maar het is natuurlijk ook geen natuurverschijnsel. Ik had ongeveer hetzelfde debatje met de minister. Armoede en inkomensongelijkheid is niet iets dat door de boze buitenwereld of de harde tijden wordt veroorzaakt. Dit is wel degelijk het gevolg van politieke keuzes.

Ik schrok heel erg van een onderzoek dat ik volgens mij eind september kreeg van de Universiteit van Amsterdam. Ik vraag de staatssecretaris om daarop te reageren. In dat onderzoek heeft men de inkomensongelijkheid gevolgd vanaf 1977. Je ziet in dat onderzoek dat de armste 10% van de mensen in Nederland, de mensen aan de onderkant, er sinds 1977 30% op achteruitgegaan is ten opzichte van alle andere inkomensgroepen; dus niet alleen ten opzichte van rijke miljonairs, maar ook ten opzichte van alle anderen. Mijn vraag is niet zozeer wie daar nu precies schuld aan heeft, want wij hebben tijden van hoogconjunctuur gehad, wij hebben linkse …

De voorzitter:

Wat is de vraag?

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Wat kan, wil en gaat dit kabinet van de evenwichtige inkomensontwikkeling daar nu aan doen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Dit kabinet zorgt er natuurlijk al voor dat ook, of misschien wel juist, aan de onderkant mensen gewoon kunnen blijven meedoen, ook als ze in de sores zitten. Die sores zijn aan de orde. Dat poetst niemand weg, echt niet. Het is dus aan ons allemaal om daarin te helpen. Die hulp is in velerlei vorm aanwezig; de minister is daar zojuist ook op ingegaan. De heer Van Ojik heeft gelijk hoor: als je door de decennia heen kijkt, zie je dat er zaken zijn die zo nu en dan de wenkbrauwen doen fronsen, maar als je sec naar de koopkrachtplaatjes van nu kijkt, zie je dat wij die evenwichtigheid echt enorm hoog in het vaandel willen houden. Daar zijn wij druk mee bezig, ook door de allerlaagste inkomens eenmalig €100 te geven. Verder noemde ik zojuist het bedrag van 100 miljoen, maar er zijn nog tal van andere zaken die wij deze mensen geven, zodat zij kunnen blijven meedoen. Maar dan nog is het hartstikke zwaar.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Het is inderdaad een lang durende trend, maar helaas is het zo dat in de koopkrachtonwikkeling zoals die nu tot 2017 wordt voorspeld, bij alle categorieën inactieven op het sociaal minimum een min staat. Soms is het min 3, soms min 2, soms min 1. Die trend, waar wij al 30 jaar mee te maken hebben, gaat onder dit kabinet niet gekeerd worden. Nee, die trend wordt versterkt. Daar is het kabinet wel op aanspreekbaar. Ik neem aan dat de staatssecretaris het met mij eens is dat zij daar wel op aanspreekbaar is.

Staatssecretaris Klijnsma:

Daar is het hele kabinet op aanspreekbaar. Daarom vinden wij het ook zo belangrijk dat het meerjarige doorzicht een mooie balans geeft voor alle inkomens. Dat is echt heel erg wezenlijk. Daarom doen wij ook zo ons best om mensen niet inactief te laten, maar ze uit te nodigen om alsjeblieft mee te gaan doen. Ik weet zeker dat de heer Van Ojik het met mij eens is dat werk het allerfijnste is voor mensen op alle fronten, niet alleen financieel maar ook anderszins. Verder moet je blijven proberen om degenen die niet onmiddellijk werk kunnen vinden, naar werk te helpen. Wij doen ons uiterste best om mensen te helpen in het kader van preventie, ook vanuit de armoedebestrijding. Daar zijn hartstikke mooie voorbeelden van in het hele land. O, wat is die preventie belangrijk!

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik kom terug op mijn punt van de BES-eilanden.

De voorzitter:

Dat is zojuist aan de orde geweest. Toen was u er nog niet.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Nee, maar ik wil daarover toch interrumperen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij bij de evaluatie, die in 2015 plaatsvindt, wil bezien hoe de situatie is. Het is echter allang bekend dat daar gewoon grote armoede is. De staatssecretaris is er zelf geweest en heeft het met eigen ogen kunnen zien. Als wij in 2015 de evaluatie hebben, is het bijna 2017 voordat wij een heel traject hebben doorlopen. Daar zijn de mensen nu niet mee geholpen. Is de staatssecretaris bereid om nu al te bezien wat er mogelijk is om de fiscale korting om te zetten in bijvoorbeeld een vorm van kinderbijslag?

Staatssecretaris Klijnsma:

Mevrouw Schouten was er even niet, maar het antwoord daarop is dat wij in 2010 hebben afgesproken dat wij een periode van vijf jaar legislatieve rust in acht zouden nemen, zodat wij zouden kunnen bezien hoe de instrumenten die wij op de BES-eilanden hanteren, uitwerken. Ik denk dat het goed is om dat te doen. Ik heb het van de zomer ook gewisseld, met dien verstande dat wij, als wij hier aan deze kant van de oceaan extra inzet plegen op armoede, dat natuurlijk ook doen voor onze overzeese gebiedsdelen. Daarom wil ik ook heel graag van onze armoedemiddelen in ieder geval zes ton op jaarbasis daar inzetten. Daar waar ik met de instrumenten die nu aan de orde zijn kan helpen, kijk ik bijvoorbeeld ook naar de hoogte van het minimumloon, omdat daarbij de koppeling natuurlijk aan de orde is. Op Saba, bijvoorbeeld, kunnen wij het minimumloon nu een beetje verhogen. Dat helpt weer voor de mensen die daar wonen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat helpt niet voor al die gezinnen met kinderen. Gedeeltelijk wel, maar er zijn daar ook mensen die bijna geen baan hebben. Die baantjes zijn zo klein dat ze heel weinig soelaas bieden. Er is echt diepe armoede. Als wij hier in Nederland aan het debatteren zijn, naar wegen zoeken om kinderen uit de armoede te krijgen, dan zijn wij ten minste verplicht om dat ook voor die eilanden te doen. Het enige wat ik vraag, is of de staatssecretaris bereid is om een eerste onderzoek te doen, een eerste inventarisatie te maken om te kijken wat de mogelijkheden zijn. Wij kunnen het wel over legislatieve rust hebben, maar het gaat hier gewoon over bittere armoede. Daar moeten wij toch eerder stappen voor kunnen zetten?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nogmaals, binnen de mogelijkheden die er nu zijn, zet ik alle mogelijke stappen. Als je het minimumloon verhoogt — dat wil ik goed gezegd hebben — verhoog je daarmee natuurlijk ook de onderstand en de AOV. Dat heeft ook effect voor gezinnen met kinderen, ook als er geen baan is. Mijn collega van BZK is coördinerend minister, ook over de hele evaluatie van 2015. Als je aan het knopje "kindregelingen" draait, heeft dat meteen effect voor het knopje "fiscaliteit". Als mevrouw Schouten het kabinet oproept om in de opmaat naar 2015 te bekijken welke mogelijkheden er allemaal zouden kunnen zijn bij de evaluatie, dan lijkt mij het wijs om dat in de context van de BES-eilanden als geheel aan snee te brengen. Datgene wat ik kan doen om de armoede op de BES-eilanden nu te bestrijden, doe ik. Als ik een steen kan bijdragen aan die evaluatie, doe ik dat ook zeker, maar het overall-plaatje moet ik echt bij collega Plasterk neerleggen.

De heer Potters (VVD):

Ik vraag om een verduidelijking aan de staatssecretaris. Zij heeft het over verhoging van het minimumloon en de daaraan gekoppelde onderstand, maar wij hebben het natuurlijk wel over een niveau dat past bij de regio van de BES-eilanden. Wij hebben het niet over het Nederlandse niveau. Het gaat om de regio BES en omgeving.

Staatssecretaris Klijnsma:

Daar moeten wij ook heel helder over zijn. Op 10-10-10 is afgesproken dat de context van de BES-eilanden wordt gevormd door de inkomensvoorzieningen die wij op de drie eilanden aan de orde hebben. Dat is hierbij ook het geval. Als minimumlonen worden verhoogd — dat hebben de ondernemers op Saba voorgesteld, alleen voor Saba — wordt ook gekeken naar de koppeling. Dat betekent niet dat de hoogte van de onderstand en de AOV gelijk is aan de hoogte van onze bijstand en onze AOW.

De heer Potters (VVD):

Dit is ook voor de VVD-fractie best belangrijk. Het moet gekoppeld worden aan het in de regio gebruikelijke niveau.

Staatssecretaris Klijnsma:

Zeker, het minimumloon is geënt op de regio.

Ik kom op de oudedagsvoorziening. Op 6 november hebben wij tijdens een algemeen overleg uitvoerig gesproken over het pensioenbeleid. Wij zijn daarover geenszins uitgesproken, want het volgende AO staat alweer gepland voor 21 januari. Op die datum kom ik de pensioenwoordvoerders wederom tegen. Dit laat zien dat er gelukkig volop aandacht is voor het verbeteren van de toekomstbestendigheid van ons pensioenstelsel. Daarvoor worden verschillende stappen gezet. Veel woordvoerders hebben gevraagd naar de timing van die stappen. Een eerste belangrijke stap is afgelopen zomer gezet met de publicatie in het Staatsblad van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. De wet verbetert de governance en leidt tot een betere borging van een evenwichtige belangenafweging. Die wet is door de Eerste Kamer aanvaard; het was de eerste stap.

Over de fiscaal gefaciliteerde omvang van de pensioenopbouw wordt momenteel door de minister van Financiën uitvoerig gesproken met leden van deze Kamer. Ik hoop dat deze gesprekken op korte termijn tot resultaat leiden. Een verdere stap wordt gezet met het nieuwe financieel toetsingskader, dat zorgt voor de financiële houdbaarheid van het stelsel. Op 6 november heb ik aangegeven dat ik de Kamer voor het kerstreces zal informeren over de planning. Ik zal mijn uiterste best doen om mijn toezegging gestand te doen. ik heb namelijk gezegd dat ik zal proberen om de Kamer voor 31 januari het wetsvoorstel te doen toekomen, opdat ik er in het voorjaar met de Kamer over in debat kan gaan. We vinden het namelijk allemaal ontzettend belangrijk dat de fondsen per 1 januari 2015 met de nieuwe regels kunnen gaan werken.

Vorige week ik heb een voorontwerp van wet betreffende de pensioencommunicatie voor internetconsultatie opengesteld. Uitgangspunt bij de communicatie is dat de deelnemer centraal komt te staan. Na sluiting van de consultatie en verwerking van de reacties zal het wetsvoorstel in het voorjaar aan de Kamer worden aangeboden. Daarnaast spelen er nog andere langetermijnontwikkelingen, bijvoorbeeld de veranderende arbeidsmarkt, zzp'ers en alles wat daarbij speelt, en de keuzevrijheid. Om het vertrouwen in het stelsel voor de toekomst veilig te stellen zal het debat hierover gevoerd moeten worden. Het debat zal dus moeten gaan over de vraag hoe we de toekomst van het pensioenstelsel in de eenentwintigste eeuw zien.

Als onderdeel daarvan ontvangt de Kamer, wat mij betreft voor het kerstreces, de beleidsdoorlichting pensioenen, een stuk dat een mooie dwarsdoorsnee biedt van wat er in de pensioenwereld de afgelopen jaren aan de orde is geweest, en het onderzoeksrapport van het CPB over de doorsneepremie. Naar dat laatste heeft de heer Van Weyenberg gevraagd in het pensioendebat.

Het pensioen is bij uitstek een maatschappelijk onderwerp met veel belanghebbenden. De komende periode zal het kabinet dan ook de tijd nemen om zich goed te informeren over de ideeën hierover in de samenleving en verdere gedachten ontwikkelen over een toekomstig pensioenstelsel. Het denken over pensioenen staat namelijk nooit stil. Daarvoor zijn de belangen van de huidige en toekomstige generaties veel te groot. In het algemeen overleg op 21 januari zal ik heel graag aangeven hoe het kabinet die dialoog voor zich ziet.

De heer Madlener heeft gevraagd naar de dekkingsgraad. Deze vraag heb ik overigens deels al schriftelijk beantwoord. De dekkingsgraad van de pensioenfondsen is de afgelopen maanden inderdaad verbeterd. Dat vinden we natuurlijk allemaal fijn, maar het herstel is nog pril en de meeste pensioenfondsen hebben nog weinig vet op de botten. De komende tijd zullen we dus moeten afwachten hoe het zich verder ontwikkelt. Het ABP, een fonds dat onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken valt, heeft voor het komende jaar een verlaging van de premie aangekondigd. De reden daarvoor is de versobering van het Wittenveenkader naar 2,15%. Een lagere pensioenopbouw betekent dat de premie lager kan worden vastgesteld. De andere pensioenfondsen hebben echter nog niet het achterste van hun tong laten zien.

In het geval van het ABP is er in 2014, ook na de premieverlaging, nog steeds sprake van een herstelopslag in de premie. Als geen premieverlaging zou hebben plaatsgevonden, dan zou de rekening heel eenzijdig worden neergelegd bij de jongere generaties. Dat is moeilijk verenigbaar met de evenwichtige belangenafwegingen die pensioenfondsen moeten maken.

De voorzitter:

Bent u klaar met dit onderdeel?

Staatssecretaris Klijnsma:

Ja, voorzitter.

De heer Madlener (PVV):

De minister van Binnenlandse Zaken mag dan primair verantwoordelijk zijn, u bent met uw beleid verantwoordelijk voor de gevolgen voor de salarissen van de werknemers. In het geval van het ABP zijn dat leraren en ambtenaren. Het ABP is een mooi voorbeeld, want het ABP verlaagt de premies, zonder dat wij weten waar die verlaging naartoe gaat. Welk deel vloeit naar de werknemers en welk deel stopt het Rijk in zijn eigen zak? Wat vindt u dat er moet gebeuren? Dit is het eerste pensioenfonds dat de premies verlaagt en ik wil daarom nu uitvoerig van u horen wat er volgens u moet gebeuren met die ruimte. Ik neem daarbij aan dat u inmiddels overleg hebt gevoerd met de minister van Binnenlandse Zaken en dat u mij dat nu kunt vertellen.

Staatssecretaris Klijnsma:

Het is een goed gebruik dat werkgevers en werknemers aan de cao-tafels nauwgezet nagaan welke ruimte er de komende tijd is. Als men de pensioenpremie verlaagt, ontstaat er ruimte waarover kan worden onderhandeld. Dat is echt aan werkgevers en werknemers. Zo moeten wij dat doen. Dat wachten wij dus af. Bij het ABP wordt de werkgever natuurlijk ingekleurd door een aantal collega's. Zij hebben echter allemaal hun eigen cao-onderhandelingstafels. Ik constateer dat daar nu dus wat loonruimte op zit.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Madlener.

De heer Madlener (PVV):

Daarnaast heb ik gevraagd hoe het zit met de kortingen die nog boven de markt hangen. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat de premies worden verlaagd en dat er toch weer gekort gaat worden. Er is dit jaar ook gekort, bijvoorbeeld 0,5% bij het APB. Vindt de staatssecretaris niet ook dat die kortingen eerst ongedaan moeten worden gemaakt voordat er premies worden verlaagd? Dat wil ik niet alleen weten voor het ABP maar voor de hele sector. Een aantal werkgevers hebben al gezegd dat zij helemaal niet van plan zijn om die loonruimte te gebruiken voor verbetering van salarissen. Ik wil daarover graag een standpunt horen. Ik wil graag weten wat de staatssecretaris redelijk vindt dat er gaat gebeuren. Anders vraag ik haar om de Kamer daarover per brief te informeren.

Staatssecretaris Klijnsma:

Specifiek in het geval van het ABP is er in 2014 ook na de premieverlaging nog steeds sprake van een herstelopslag in de premie. Het ABP is dus doende om ervoor te zorgen dat ook voor de toekomst het pensioenrecht overeind blijft. De heer Madlener weet dat in dit land het voortouw in het beleid rond pensioenen bij de pensioenfondsbesturen ligt. Zij moeten er ontzettend goed voor zorgen dat hun buffers op orde zijn. Gelukkig ziet het er nu beter uit dan vorig jaar. De eindverantwoordelijkheid ligt echter daar.

De voorzitter:

Gaat u verder. U was toe aan het laatste onderwerp.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dat onderwerp is de discriminatie op de arbeidsmarkt. De minister is daarop ook al ingegaan. Evenals de minister kan ik zeer helder zijn: het is volstrekt onacceptabel als mensen worden afgewezen voor een baan op discriminatoire gronden of niet in aanmerking komen voor een stageplek op grond van hun huidskleur of herkomst.

Discriminatie op de arbeidsmarkt dient met kracht te worden bestreden. De verantwoordelijkheid voor het voorkomen en bestrijden van discriminatie op de arbeidsmarkt ligt primair bij werkgevers. Zij moeten die verantwoordelijkheid oppakken. Om discriminatie te bestrijden is het belangrijk dat werknemers of sollicitanten die te maken krijgen met discriminatie, daarvan ook melding maken. Of er in individuele gevallen sprake is van discriminatie, is aan de rechter of aan het College voor de Rechten van de Mens. Met het College voor de Rechten van de Mens heb ik natuurlijk ook gesproken. Ik vind het heel goed dat dit college de bedrijven die het betreft, echt "labelt", zou je kunnen zeggen, aan de schandpaal nagelt en aan naming and shaming doet.

Zoals al gezegd werd, zal ik de Kamer binnenkort via de Voortgangsbrief discriminatie 2013 informeren over de cijfers van het afgelopen jaar. Uit de meldingscijfers van de diverse instanties waarover de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd wordt, blijkt dat een derde van de meldingen over de arbeidsmarkt gaat. Dat is dus nogal wat. Inderdaad, ik heb de SER om een advies gevraagd over discriminatie op de arbeidsmarkt. Dit advies wordt in het voorjaar van 2014 verwacht. Naar aanleiding van het advies zal ik bekijken welke vervolgstappen nodig zijn. Dat doe ik natuurlijk in nauwe samenspraak met de sociale partners.

Dit was het laatste blokje. Ik heb goed geluisterd naar de inbreng van alle Kamerleden. Ik wil iedereen nogmaals van harte danken. Wij zullen elkaar de komende tijd veelvuldig spreken bij de behandeling van de verschillende wetsvoorstellen.

De voorzitter:

Er is ook nog een tweede termijn. Dank u wel.

Hiermee zijn wij aan het einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Maar ik zie dat de heer Dijkgraaf nog iets wil vragen.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik heb geen vraag aan de staatssecretaris maar een punt van orde. Ik had twee moties voorbereid, maar op die punten hebben de staatssecretaris en de minister toezeggingen gedaan. Mijn goed gebruik is dan om de moties niet in te dienen. Ik wil de beide bewindslieden dus bedanken en afzien van mijn tweede termijn.

De voorzitter:

Dank u wel.

Dan zijn we toegekomen aan de tweede termijn. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Karabulut van de SP-fractie.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Ik begin bij het laatste punt waarover de staatssecretaris sprak. De arbeidsmarktdiscriminatie is nog altijd een groot probleem. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat discriminatie op de arbeidsmarkt nog altijd veel voorkomt;

constaterende dat dit mensen belemmert om deel te nemen aan de arbeidsmarkt;

constaterende dat verschillende instanties zich bezighouden met registratie en afhandeling van klachten over arbeidsmarktdiscriminatie en een totaaloverzicht ontbreekt;

overwegende dat dit de bestrijding van arbeidsmarktdiscriminatie bemoeilijkt;

verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze melding, registratie en afhandeling van klachten over arbeidsmarktdiscriminatie verbeterd kunnen worden en daarbij de mogelijkheid te bezien van een grotere rol voor de Inspectie SZW,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. De minister haalt hetzelfde trucje uit als mevrouw Hamer deed toen ik begon over eerlijk delen. Ik leg de pijnlijke constatering neer, op basis van feiten, dat de mensen met de laagste inkomens ongelofelijk moeten inleveren terwijl de allerhoogste inkomens buiten schot blijven. De komende jaren kunnen we nog voor miljarden aan bezuinigingen verwachten die neerslaan bij de mensen met de lage inkomens en de middeninkomens, onder andere via een huishoudtoeslag. Dat moeten we voorkomen en daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering verschillende toeslagen wil samenvoegen tot één huishoudentoeslag;

constaterende dat dit gepaard gaat met een bezuiniging van 1 miljard euro die mede ten laste komt van lage inkomens en middeninkomens;

overwegende dat dit leidt tot dalende koopkracht;

verzoekt de regering, bij de uitwerking van de huishoudentoeslag de sterkste schouders het zwaarst te belasten met de bezuiniging van 1 miljard euro,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Ik kom te spreken over de armoedebestrijding. Het is heel frappant dat de staatssecretaris die gaat over armoedebestrijding juist diezelfde armen, de mensen met de laagste inkomens, ongelofelijk afknijpt. Om maar één voorbeeld te noemen: bijna 400 miljoen euro wordt via de bijstand en armoederegelingen bezuinigd. Vervolgens komt de staatssecretaris met een fooi van 100 miljoen. Natuurlijk ben ik blij met 100 miljoen. Veel effectiever is echter om het geld niet daar weg te halen waar dat niet kan. Het ergste is nog wel dat de staatssecretaris vervolgens meegaat in het VVD-beleid. Dat ziet er als volgt uit: we schaffen alle collectieve voorzieningen af, je vraagt het maar individueel aan en of je recht hebt op inkomensondersteuning laten we afhankelijk zijn van de gemeente en de desbetreffende ambtenaar, met alle bureaucratie en ondergebruik van voorzieningen als gevolg. Als klap op de vuurpijl sloopt de staatssecretaris ook nog eens een regeling die nu in de wet zit en die nota bene door haar partijgenoot Hans Spekman en het CDA in de wet is gekomen. Het gevolg daarvan is dat alle gemeenten voor alle gezinnen met kinderen die in armoede leven regelingen moeten maken.

Om dit tegen te houden, dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is om de mogelijkheid van categoriale bijzondere bijstand aan mensen met schoolgaande kinderen ten behoeve van de bevordering van de participatie van die kinderen te laten vervallen;

constaterende dat hiermee de verordeningsplicht voor gemeenteraden ten aanzien van categoriale bijzondere bijstand voor huishoudens met schoolgaande kinderen komt te vervallen;

verzoekt de regering, de verordeningsplicht voor gemeenteraden ten aanzien van categoriale bijzondere bijstand voor huishoudens met schoolgaande kinderen in stand te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karabulut en Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Mijn laatste motie gaat over het stoppen van het werken zonder loon, de verdringing, de binnenlandse schijnconstructie om het maar even zo te noemen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er veel onduidelijkheid is over de regels waaraan een tegenprestatie in de bijstand moet voldoen;

verzoekt de regering, voor de behandeling van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten de Kamer te informeren over de handvatten en spelregels die gemeenten dienen te hanteren bij het omgaan met de maatschappelijke tegenprestatie in de bijstand,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Dat dit kabinet buiten de crisis om zelf de crisis, de werkloosheid en de armoede nog eens verergert door een heel rechts bezuinigingsbeleid te voeren, is tot daaraan toe. Ik vind het echter bijzonder pijnlijk dat dit kabinet die rechtse VVD-maatregelen met trots uitvoert, juist met staatssecretaris Klijnsma, met wie wij samen hebben gestreden voor het behoud van de sociale werkplaatsen om de mensen met een arbeidsbeperking te beschermen tegen strenge wetten die werklozen straffen in plaats van hen aan het werk te helpen. De staatssecretaris kan zeggen dat het allemaal heel anders is, maar zij gaat tot mijn grote spijt nog veel verder dan haar voorganger. Zij heeft zelf het woord "sterfhuis" over de sociale werkplaatsen in de mond genomen. De onderkant van de arbeidsmarkt, zoals die heet, is niet gebaat bij deze plannen. De Participatiewet leidt tot armoede en uitsluiting. Ik roep de staatssecretaris op om deze wetten in te trekken en haar verkiezingsbeloften waar te maken.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Wie de debatten over de arbeidsmigratie via de pers en de media heeft gevolgd, zal de indruk krijgen dat hier een parlement zit dat het vrije verkeer van personen in Europa ter discussie stelt. Volgens mij is het nog niet zover. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verschillen in welvaart en werkgelegenheid binnen Europa groot zijn en dat met volledig open grenzen hierdoor zeer grote groepen werknemers naar Nederland komen;

constaterende dat door de oplopende werkloosheid in Europa naast werknemers uit Midden- en Oost-Europese landen ook werknemers uit Zuid-Europese landen kunnen besluiten om naar Nederland te vertrekken;

constaterende dat de tijdelijke commissie Lessen uit recente arbeidsmigratie heeft geconstateerd dat een grote instroom van arbeidsmigranten sociale problemen oplevert;

van mening dat de grote verschillen in welvaart en werkgelegenheid moeten worden aangepakt, alvorens er sprake kan zijn van een vrij verkeer van personen;

van mening dat in geval van grote werkloosheid en sociale problemen die een relatie hebben met arbeidsmigratie, Nederland de mogelijkheid moet hebben om al dan niet tijdelijk de instroom te reguleren;

verzoekt de regering om in de Europese Unie voorstellen doen om de verdragen aan te passen teneinde de mogelijkheid te realiseren om al dan niet tijdelijk de instroom van arbeidsmigranten uit Europese lidstaten te reguleren en hiervoor steun te zoeken bij andere lidstaten;

verzoekt de regering tevens, in afwachting van het aanpassen van verdragen de verplichte werkvergunning voor de groep Bulgaarse en Roemeense werknemers ook na 2014 toe te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (33750-XV).

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. Ik verzoek u deze motie tweezijdig af te drukken, omdat ik nog wat aanvullende informatie op de achterkant voor de Kamerleden heb staan.

Deze minister strijdt tegen alle schijnconstructies. Alle hulde daarvoor! Maar nu moet de minister geen schijnbeweging gaan maken, als het gaat om schijnconstructies in het binnenland. Daarmee doel ik op de stages. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de hoge jeugdwerkloosheid steeds meer jongeren werkervaring opdoen door stages te lopen na het afronden van de opleiding;

overwegende dat vaak niet duidelijk is of er sprake is van leren of dat het gaat om werken met de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden;

verzoekt de regering om de Arbeidsinspectie een apart programma uit te laten voeren voor het handhaven van de arbeidsvoorwaarden voor starters op de arbeidsmarkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21 (33750-XV).

De heer Ulenbelt (SP):

Ik opende mijn eerste termijn met Jan de Boer uit Dokkum. Ik vind echt dat mensen die strijden voor hun werk niet gekort horen te worden op hun WW. Dan wordt staken immers een straf, terwijl je aan het strijden bent. Daarom dien ik een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat stakingsdagen niet mee worden geteld bij het vaststellen van de hoogte van de WW-uitkering;

overwegende dat werknemers die met hulp van hun vakbond strijden voor behoud van werk of goede arbeidsomstandigheden niet daarvoor gestraft moeten worden door een lagere WW-uitkering;

verzoekt de regering, een voorstel te doen waarin stakingsdagen mee worden geteld bij het vaststellen van het laatstverdiende loon,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22 (33750-XV).

De heer Ulenbelt (SP):

Over de WW en de AOW komen wij nog te spreken, maar er moet in elk geval één urgent probleem worden opgelost. Het betreft de mensen die nu gebruik maken VUT, prepensioen of een andere regeling, die er niet bij kunnen werken en die toch één maand AOW missen dit jaar, volgend jaar twee maanden, enzovoorts. Daarom dien ik een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat door de snelle verhoging van de AOW-leeftijd mensen te maken kunnen krijgen met een inkomensgat dat kan oplopen tot twee jaar;

overwegende dat de huidige overbruggingsregeling slechts voor een zeer beperkte groep toegankelijk is;

van mening dat alle mensen moeten kunnen rekenen op zorgvuldig overgangsrecht en een betrouwbare overheid;

verzoekt de regering om mensen met een reeds ingegane inkomensregeling zoals VUT of prepensioen uit te zonderen van de verhoging van de AOW-leeftijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (33750-XV).

De heer Ulenbelt (SP):

Wij hebben een geïnspireerde, overtuigende en zelfverzekerde minister gehoord. Dat is altijd mooi om te horen. De woorden die hij uitsprak, scheppen echter niet het vertrouwen dat Nederland nodig heeft. Ik kan de conclusie over deze begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid in één zin samenvatten, namelijk: ons land wordt armer aan werk en rijker aan armoede.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Voorzitter. Allereerst wil ik beide bewindslieden danken voor hun uitgebreide beantwoording. Ik wil ook, niet in de laatste plaats, alle ambtenaren danken. Op een fotootje in een tweet van minister Asscher konden wij zien dat zij diep in de nacht allemaal achter hun schermpjes actief waren. Ik dank ook hen voor al die nuttige antwoorden. Gezien de tijd ga ik snel over tot het indienen van mijn moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er op dit moment tientallen inkomensregelingen zijn;

constaterende dat er bij de kindregelingen een grote slag is gemaakt om deze te stroomlijnen op basis van het bevorderen van arbeidsparticipatie en het bieden van inkomensondersteuning;

van mening dat het huidige stelsel veel inkomensregelingen bevat en complex is, waardoor het ook voor burgers onduidelijk is;

verzoekt de regering om het stelsel van inkomensregelingen onder de loep te nemen en te bezien in hoeverre het grote aantal inkomensregelingen vereenvoudigd en gestroomlijnd kan worden, met als uitgangspunten arbeidsparticipatie en inkomensondersteuning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nieuwenhuizen-Wijbenga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (33750-XV).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in de praktijk tussen sociale partners onduidelijkheid is over de interpretatie van de in de cao afgesproken normale arbeidsduur;

van mening dat deze interpretatieverschillen onwenselijk zijn en de certificering belemmeren;

verzoekt de regering om duidelijkheid te scheppen over het begrip "normale arbeidsduur" door exacte uitgangspunten te formuleren en zo de certificering door de SNA voor zowel werkgevers als werknemers te verbeteren;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (33750-XV).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat na vijf jaar onafgebroken groei van het aantal afspraken over duurzame inzetbaarheid in cao's er nu sprake is van een lichte afname;

overwegende dat ook de Stichting van de Arbeid heeft aangegeven dat er nog flinke stappen op het gebied van duurzame inzetbaarheid gezet moeten worden;

overwegende dat de demografische ontwikkeling het noodzakelijk maakt om de inzetbaarheid van werknemers, onder wie zeker ook ouderen, op de arbeidsmarkt te bevorderen;

van mening dat de verantwoordelijkheid van duurzame inzetbaarheid bij zowel werknemers als werkgevers ligt;

verzoekt de regering, in gesprek te gaan met sociale partners over duurzame inzetbaarheid en een leeftijdsbewust personeelsbeleid;

verzoekt de regering tevens om cao's die geen concrete bepalingen bevatten over duurzame inzetbaarheid, niet meer algemeen verbindend te verklaren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (33750-XV).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Brabant innovatieve decentrale initiatieven zijn die via een combinatie van ondernemerschap, onderwijs en overheid proberen de werkgelegenheid te vergroten;

constaterende dat deze vooruitstrevende initiatieven oplopen tegen verschillende praktische problemen die het belemmeren dat mensen snel aan het werk gaan;

van mening dat dergelijke innovatieve initiatieven die kunnen bijdragen aan het vergroten van de werkgelegenheid, niet belemmerd maar juist gefaciliteerd dienen te worden;

verzoekt de regering om met deze initiatiefnemers in gesprek te gaan en te bezien in hoeverre de door hen ervaren belemmeringen kunnen worden tegengegaan zodat deze initiatieven bijdragen aan het vergroten van werkgelegenheid en tevens breder uitgerold kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (33750-XV).

De heer Potters (VVD):

Voorzitter. In mijn tweede termijn wil ik nog even stilstaan bij het thema integratie in relatie tot de Wet werk en bijstand. Ik zal verder geen moties indienen. Voordat ik dat ga doen, wil ik een groot compliment geven aan de ambtenaren die deze nacht hard hebben gewerkt en alle vragen van de Kamerleden goed hebben beantwoord. Het is goed dat de Kamer daar ook even bij stilstaat.

Voor de VVD telt niet je afkomst maar je toekomst, niet je geloof maar je gedrag en niet de groep maar het individu. Vanuit dat perspectief kijken wij naar integratieproblematiek. Migranten hebben niet alleen rechten maar ook plichten, net als iedere andere burger in dit land. Wij leven in een democratische rechtsstaat, waarin iedereen zich aan de wet- en regelgeving heeft te houden. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten. Discriminatie van homo's of eender welke andere groep of persoon is dan ook niet toegestaan.

Ook verwachten wij van alle nieuwkomers dat zij helpen om de samenleving mede mogelijk te maken. Dat betekent niet dat je thuis op de bank moet blijven zitten, je alleen in je eigen gemeenschap begeeft of buiten op straat rotzooi trapt. Nee, de Nederlandse taal beheersen, kennis opdoen van de Nederlandse samenleving en betaald werk verrichten zijn de ingrediënten van succesvolle integratie in de Nederlandse samenleving.

Daarover heeft de VVD stevige afspraken weten te maken in het regeerakkoord. Ten eerste worden de eisen voor de inburgering verder aangescherpt. De VVD is blij met de recente toezegging van de minister aan de VVD om het inburgeringsexamen uit te breiden met een praktijkmodule, waardoor niet alleen uit kennis maar ook uit daden blijkt dat je kiest voor dit land. Wanneer kan de VVD een concrete invulling daarvan tegemoetzien?

Ten tweede wordt gezichtsbedekkende kleding verboden in onderwijs, zorg, openbaar vervoer en overheidsgebouwen. Ook kan de politie in de openbare ruimte gelasten de gezichtsbedekkende kleding af te leggen. Heeft de minister er zicht op wanneer de Kamer deze wetsvoorstellen tegemoet kan zien? Kortom, van de nieuwkomers wordt de komende jaren meer verwacht om volwaardig te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving en succesvol te integreren. Een betaalde baan is pas echt meedoen in de Nederlandse samenleving en daarom is de VVD ook erg tevreden met de aanscherping van de WWB op dit punt.

Ik ben tevreden met de vorderingen die met dit onderwerp zijn gemaakt. Ik krijg nog graag een toezegging van de minister. Waar het de VVD om gaat, is dat werk echt de ultieme vorm van integratie is. Wij zijn dan ook blij met de Wet werk en bijstand zoals die nu in de Kamer ligt.

Mevrouw Karabulut (SP):

De heer Potters wil op het laatste moment toch nog iets strengs over integratie zeggen. Dat is prima, want dat is zijn goed recht. Hij sprak echter over inburgering. Ik moet constateren dat de VVD helemaal niets meer doet aan inburgering. De vluchtelingen zijn daartoe verplicht om hun verblijfsvergunning te krijgen — hoe dat gaat lopen, moeten we zien — maar de tienduizenden arbeidsmigranten leren de taal helemaal niet. Waarom doet de heer Potters hier nu zo stoer?

De heer Potters (VVD):

Het gaat niet om stoer doen, het gaat om wat je wilt uitstralen als Nederland en wat je vraagt aan mensen die naar Nederland komen. Inburgering is de verantwoordelijkheid van de inburgeraars zelf, zoals mevrouw Karabulut weet. Zij moeten die verantwoordelijkheid nemen en het gaat erom wat zij de komende tijd gaan doen om zelf in te burgeren. Daar hebben we duidelijke afspraken over gemaakt en daar zijn we ook ontzettend tevreden over. Daar staan wij gewoon voor.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik ben blij dat in ieder geval de heer Potters zelf tevreden is met zichzelf. Misschien is de heer Potters het contact af en toe wat kwijt met het volk, want in de volkswijken zijn ze minder blij. De migranten zelf zijn ook minder blij, want er zijn helemaal geen mogelijkheden om in te burgeren. Hij heeft de stekker uit die taal- en inburgeringslessen getrokken en nu gebeurt er helemaal niets. De heer Potters neemt zijn eigen verantwoordelijkheid niet. Als hij zegt dat anderen hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, moet hij eerst zelf wel het goede voorbeeld geven. Wat gaat hij daar nu aan doen?

De heer Potters (VVD):

Dat is nu het grote verschil tussen de SP en de VVD. Mevrouw Karabulut kijkt gelijk naar de overheid en wat zij moet doen aan de inburgering, terwijl wij zeggen dat het de eigen verantwoordelijkheid is. Via het stelsel kan men dat ook doen en moet men die kans ook echt pakken. Je ziet het in andere landen, maar ook in Nederland is het volstrekt normaal dat je de taal leert, dat je leert in te burgeren en dat je de kansen grijpt die er zijn. Nu loopt mevrouw Karabulut weer weg.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik mag niet meer.

De voorzitter:

Nee, ze mag niet meer, maar nu lokt u mevrouw Karabulut uit. Zij mag een reactie geven.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik laat graag eerst even de heer Potters uitpraten. Was u klaar, mijnheer Potters?

De voorzitter:

Nee, nee ...

De heer Potters (VVD):

Ik was klaar.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het heel grote verschil is inderdaad dat u zegt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. Mensen willen dat ook heel graag doen. Dan zegt de heer Potters echter dat zij het zelf maar lekker moeten uitzoeken en vervolgens sloopt hij de boel. Dat heeft hij gedaan. Hij heeft het inburgeringsonderwijs om zeep geholpen en arbeidsmigranten, lekker goedkoop, naar Nederland gehaald omdat de grenzen niet gereguleerd mochten worden. Van werkgevers vraagt hij niets en de problemen kwakt hij bij de bevolking. Dat is de VVD.

De heer Potters (VVD):

Ik hoorde geen vraag.

De voorzitter:

Dat klopt.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Ik dank beide bewindspersonen voor de beantwoording van de vele vragen. Ik dank ook de ambtenaren die vannacht zo hard hebben doorgewerkt. Ik wil nog een paar opmerkingen maken over het debat van vandaag en de beantwoording van mijn vragen aan beide bewindslieden, maar vooral aan de minister. We kunnen van werk naar werk gaan regelen middels honderden cao-afspraken, maar je kunt afspraken maken tot je een ons weegt als twee heel grote seinen op rood staan aangaande de werkgelegenheid voor de gewone man. Het eerste sein dat op rood is gezet, is de torenhoge lastenverhoging die al gaande is en die er ook nog bij komt. Zodra mensen minder te besteden hebben door deze lastenverhogingen wordt de economie om zeep geholpen.

Het andere sein dat op rood staat, is de tewerkstellingsvergunning. Hordes Roemenen, Bulgaren en zelfs Moldaviërs die een Roemeens paspoort krijgen — zelfs Oekraïners die heel lang geleden in de zesde graad nog een familielid hadden ergens in Roemenië kunnen een paspoort krijgen — komen allemaal naar Nederland en de rest van West-Europa. Dat is het tweede sein dat voor de economie op rood staat. Dan kun je mensen van werk naar werk willen begeleiden, maar dat werkt niet. Het aantal banen wordt namelijk minder en de banen worden ingenomen door goedkope arbeidsmigranten. Dit kabinet spant het paard dus achter de wagen. Dan kun je de WW activerender maken, maar dat is gewoon een eufemisme voor mensen versneld de bijstand injagen. De banen zijn er niet, sterker nog: de banen worden door het afbraakkabinet vernietigd.

Ik heb nog een paar korte vragen, allereerst over de ambassadrice voor de jeugdwerkloosheid. Hoe gaat de minister dit dadelijk evalueren met de Kamer en hoe gaat hij verantwoording afleggen over de instelling van het ambassadeurschap? Hoe worden de doelstellingen SMART gemaakt en de resultaten SMART gepresenteerd aan de Kamer? Wanneer gaat de minister dat doen? Als het zover is, kan dan in die evaluatie worden meegenomen hoeveel banen er bij de bedrijven dankzij deze ambassadrice daadwerkelijk en zonder subsidie bij zijn gekomen? Ik gun haar het werk natuurlijk van harte, maar ik gun iedereen heel veel werk. Vandaar dat wij zo strijden voor lastenverlaging, want dat is het recept.

Dan kom ik bij mijn laatste punt. De minister vindt het loket voor Roemenen en Bulgaren van zijn partijgenoot Marnix Norder een puik idee. Het is echter een weggeefloket, want je wordt doorverwezen naar de subsidies en de uitkeringen, je hoeft geen Nederlands te leren en er hangt een vlag van je thuisland, zodat je je prima thuis voelt in het atrium. Deze minister vindt het een puik idee, maar het is natuurlijk exemplarisch voor de weggeefmentaliteit, de "weg met ons"-mentaliteit van de Nederlandse elite. Conclusie: Nederland schaft zichzelf af.

Tot slot dien ik twee moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek blijkt dat 80% van de Nederlanders niet zit te wachten op Roemeense en Bulgaarse werknemers;

overwegende dat de enige manier om de toestroom vanaf 1 januari 2014 tegen te houden, het handhaven van de tewerkstellingsvergunning is;

overwegende dat daarmee de belangen van de Nederlandse werknemers het beste worden gediend;

verzoekt de regering, de tewerkstellingsvergunning voor Roemenen en Bulgaren per 1 januari 2014 in stand te houden en de tewerkstellingsvergunning voor Polen vanaf deze datum te herinvoeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (33750-XV).

De heer De Graaf (PVV):

Wij blijven het gewoon proberen, voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dankzij het desastreuze beleid van deze regering vele werkenden de werkloosheid in zijn gejaagd en worden gejaagd;

overwegende dat de duur en hoogte van de WW is ingeperkt, waardoor mensen sneller in de bijstand terechtkomen;

van mening dat mensen daarmee de armoede worden ingejaagd;

verzoekt de regering, niet te tornen aan de hoogte en de duur van de WW-uitkering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (33750-XV).

De heer Madlener (PVV):

Voorzitter. De afbraak van ons pensioenstelsel gaat maar door. De PVV zegt: handen af van ons pensioenstelsel. We hadden het beste pensioenstelsel in de wereld, maar dat wordt nu afgebroken. Er wordt uiteindelijk maar liefst 3 miljard op bezuinigd. Ik heb daarover twee moties. De eerste luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het onterecht is dat het kabinet de AOW-partnertoeslag inkomensafhankelijk wil maken;

verzoekt de regering, de aangekondigde bezuiniging op de partnertoeslag te schrappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Madlener. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (33750-XV).

De heer Madlener (PVV):

De tweede motie gaat over de MKOB, die beruchte €25 voor ouderen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de ouderen in Nederland de afgelopen jaren stelselmatig onevenredig hard worden gepakt in hun portemonnee;

verzoekt de regering, de MKOB in stand te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Madlener. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (33750-XV).

De heer Madlener (PVV):

Voor de dekking van beide moties verwijs ik naar ons verkiezingsprogramma.

De heer Van Klaveren (PVV):

Voorzitter. Ik vond het wat betreft het onderwerp integratie een betreurenswaardig debat. De twee grootste partijen van het land, de VVD en de Partij van de Arbeid, wijdden er samen nog geen minuut aan. Beter kunnen deze partijen hun desinteresse of wellicht hun angst voor de sociale ramp die de multiculturele samenleving is geworden, niet weergeven. De oververtegenwoordiging van met name niet-westerse allochtonen in de bijstand, in de schooluitval en vooral de geweldscriminaliteit, de voortwoekerende islamisering met het geweld tegen vrouwen middels uithuwelijking en eerwraak, geweld en agressie tegen Joden en homo's, de afkeer van het Westen en inmiddels zelfs jihadisten die vanuit ons land afreizen om elders in de naam van de islam aan het moorden te slaan: het interesseert de PvdA en de VVD blijkbaar geen biet. De slachtoffers van roofovervallen, intimidatie, bedreigingen en mishandelingen door niet-westerse allochtonen, en de mensen die worden geraakt door de vervreemding als gevolg van de islamisering, staan bij deze partijen volledig in de kou.

Verder horen we de SP eens te meer als de charlatanpartij die ze is roeptoeteren dat ze de afbraak van de verzorgingsstaat wil tegenhouden. Het is echter dezelfde SP die ieder generaal pardon heeft gesteund — ze heeft die zelfs ruimer willen maken — die het makkelijker wil maken voor huwelijks- en gezinsmigranten om hierheen te komen en die meer asielzoekers wil toelaten. Waar denkt de SP dat al deze mensen gaan wonen? Het zijn niet de vrijstaande huizen van de VVD. Nee, het zijn corporatiewoningen, waaraan toch al een tekort is. De tienduizenden Somaliërs die mede dankzij de SP in de loop der tijd hiernaartoe zijn gekomen, zitten maar liefst voor de helft in de bijstand. De SP breekt de verzorgingsstaat af door de massa-immigratie te faciliteren. De SP draait haar kiezers een rad voor ogen. Ze zet de grenzen van Nederland wagenwijd open, maar klaagt vervolgens over de logische gevolgen hiervan, namelijk de sloop van de verzorgingsstaat. De SP is als een pyromaan die het huis in brand steekt en vervolgens de brandweer belt.

Deze minister van integratie bezigt holle frasen. Hij maakt zich druk over de gekwetste gevoelens van minderheden, maar niet over de slachtoffers van de massa-immigratie. We zien multikulclubjes als Forum en Vluchtelingenwerk nog steeds aan het subsidie-infuus liggen.

Een minister die stelt dat onze hoofdstad onderdeel is van de islam, een minister die moskee-internaten openhoudt en zelfs flyerde in het Turks, gaat zonder correctie van de koers geen enkel integratieprobleem oplossen. Daarom dient de PVV drie moties in. De eerste luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat niet-westerse allochtonen extreem zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteit;

constaterende dat Antillianen 24 keer en Marokkanen 22 keer zo vaak verdachte zijn van vermogensdelicten met geweld, dat Marokkanen 6 keer vaker betrokken zijn bij geweldsdelicten dan autochtonen en dat liefst 65% van de Marokkaanse jongens tot 23 jaar in aanraking komt met politie;

overwegende dat de problemen de afgelopen decennia alleen maar zijn toegenomen;

voorts overwegende dat het reeds gevoerde beleid de bestaande problemen niet heeft kunnen voorkomen of oplossen;

verzoekt de regering, de extreme criminaliteit als gevolg van de massa-immigratie keihard aan te pakken door altijd in te zetten op zo hoog mogelijke straffen, waar nodig denaturalisatie en uitzetting na afloop van de straf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Klaveren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (33750-XV).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de islam niet bij Nederland hoort en een eeuwige bron van onrust zal vormen;

constaterende dat de islamisering van Nederland nog altijd gaande is;

constaterende dat deze islamisering zich onder andere uit in het bestaan van honderden moskeeën, tientallen islamitische scholen, islamitisch antisemitisme en geweld tegen vrouwen en homo's;

overwegende dat de bovengenoemde ontwikkelingen slechts enkele voorbeelden zijn waarop de islam zich in Nederland manifesteert;

voorts overwegende dat dit zeer negatieve ontwikkelingen zijn die moeten worden tegengegaan;

verzoekt de regering, de islam zo veel mogelijk uit Nederland te bannen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Klaveren en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (33750-XV).

De heer Van Klaveren (PVV):

Ik heb nog een laatste mooie motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het dreigingsniveau in maart 2013 vanwege de terugkeer van jihadstrijders naar "substantieel" is verhoogd;

constaterende dat deze jihadstrijders hebben leren omgaan met automatische wapens, zelfgemaakte explosieven en ander materiaal;

overwegende dat het in het kader van een effectief antiterreurbeleid ongewenst is dat mogelijke terroristen op straat vrij rondlopen;

voorts overwegende dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om preventief het islamitisch terrorisme tegen te gaan;

verzoekt de regering, met wetgeving te komen ter introductie van administratieve detentie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Klaveren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (33750-XV).

De heer Van Klaveren (PVV):

Op dit laatste punt zijn er tal van democratische rechtsstaten zoals de Verenigde Staten, Israël, Engeland en Australië die dit principe ook kennen. Daarnaast kennen we in Nederland al de bestuursrechtelijke maatregel om mensen vast te zetten; denk aan vreemdelingenbewaring. Het verhaal dat het in strijd zou zijn met de rechtsstaat is dus lariekoek.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ook ik wil graag de medewerkers bedanken, maar ik bedank ook de bewindslieden voor hun uitgebreide beantwoording in eerste termijn. Daarin zijn heel veel zaken al aan de orde geweest, waardoor we de tweede termijn redelijk beperkt kunnen houden.

Mijn collega John Kerstens en ik hebben in eerste termijn gezegd dat voor ons vooral leidend was dat we in deze periode stappen kunnen zetten ondanks het feit dat er smalle marges zijn. En die marges zijn ook smal, met een economische crisis, een hoge werkloosheid en bezuinigingen. Toch durft het kabinet nieuwe stappen te zetten op de arbeidsmarkt. Dat is een hele prestatie, waar ik de bewindslieden nogmaals mee wil complimenteren. Als ik het debat zo tot mij door laat dringen, denk ik dat we, natuurlijk met aanpassingen want dat hoort bij het politieke werk, in grote lijnen met veel optimisme de behandeling tegemoet kunnen zien van de Wet werk en zekerheid en de Participatiewet. Het is belangrijk om dat bij deze begroting vast te stellen.

Ik heb in mijn eerste termijn gezegd dat dit eerste jaar eigenlijk een soort opstartfase was. We hebben de periode van de akkoorden gehad en vervolgens de periode van de wetgeving. Laten we die opstartfase snel afhandelen door de wetgeving te behandelen, en dan aanpakken en aan de slag gaan. Allereerst doen we dat natuurlijk op de arbeidsmarkt, want dat is het belangrijkst. De topprioriteit blijft immers om de hoge werkloosheid tegen te gaan en daarvoor alle afspraken uit het sociaal akkoord, de sectorplannen et cetera te benutten. Ik denk dat elke partij dat met mij deelt. Dat heeft de hoogste prioriteit en dat blijft ook zo.

We willen daarnaast ook een aantal andere dingen doen. We hebben vandaag zowel in het debat met de minister als in het debat met de staatssecretaris veel gesproken over instrumenten, middelen en regels die we willen inzetten om allerlei groepen aan de slag te laten gaan en te activeren, of het nu de jongeren zijn, de mensen in de AOW-gerechtigde leeftijd of de mensen met een uitkering die worden gestimuleerd om activiteiten te ondernemen. We hebben ook wel een risico gezien. We moeten namelijk niet de ene groep opzetten tegen de andere. Ook willen we het activerende werk niet in de plaats laten komen van het reguliere werk en het werk dat gewoon moet lonen. Daarom hebben we gisteren en vandaag veel aandacht besteed aan het punt van de verdringing. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een activerend arbeidsmarktbeleid de arbeidsparticipatie stimuleert van verschillende groepen, zoals mensen na de AOW-gerechtigde leeftijd en mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, en mensen perspectief biedt;

constaterende dat de tegenprestatie, werken met behoud van uitkering en doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd, kan leiden tot het verdringen van reguliere banen;

overwegende dat het principe "gelijk loon voor gelijk werk" dient te worden gerespecteerd en een gelijk speelveld voor werkgevers dient te worden bevorderd;

roept de regering op om spelregels te formuleren met maatregelen en objectieve criteria, opdat verdringing maximaal wordt voorkomen en hierop toe te zien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hamer en Kerstens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

De gemeenten en alle betrokken, inclusief de vakbond en de mensen zelf — iedereen eigenlijk behalve de staatssecretaris — zijn het erover eens dat de tegenprestatie zoals die nu in de wet staat overbodig is en leidt tot oneerlijk werk en werk zonder loon. Dat moet er dus in ieder geval uit. Is mevrouw Hamer dat met mij en met al die andere partijen eens?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb net een motie ingediend waarmee ik verdringing wil voorkomen bij het in werking treden van een tegenprestatie. Volgens mij is mevrouw Karabulut bij hetzelfde debat geweest als ik. De staatssecretaris heeft al aangegeven de gemeenten de mogelijkheid tot maatwerk te willen geven op dit punt. De stellige conclusie dat iedereen het ermee oneens is, deel ik niet. Ik heb wel veel gehoord over waarschuwingen en zorg wat betreft verdringing. Daarom heb ik net die motie ingediend. Zoals mevrouw Karabulut weet, heeft die niet alleen betrekking op de Wet werk en bijstand, maar eigenlijk op de gehele arbeidsmarkt. Als deze motie wordt uitgevoerd — ik neem aan dat we daar nog over komen te spreken bij de behandeling van de verschillende wetsvoorstellen — hebben we een mooie bescherming geregeld rondom het activerende arbeidsmarktbeleid waar groepen tegenover elkaar zouden kunnen staan. Dat is eigenlijk de slotsom van wat we nog moesten doen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Als ik meega in de dromen van mevrouw Hamer denk ik: Wauw! Dat klinkt goed!

Mevrouw Hamer (PvdA):

Misschien moet u het eens proberen.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik geloof niet in dromen. Ik droom wel, maar ik knok om ze te realiseren. In droompraatjes geloof ik niet, want de wet deugt gewoon niet. Mevrouw Hamer was niet bij de hoorzitting van de week en misschien heeft zij de discussie en alle artikelen ook gemist, maar er is buiten mevrouw Hamer en staatssecretaris Klijnsma werkelijk waar niemand te vinden die zegt dat het zo in de wet moet. Iedereen wil het eruit hebben. Het is mij weer eens duidelijk: eerst komen al die slechte dingen erin en wordt werken zonder loon normaal gemaakt. In plaats van al die slechte onderdelen uit de wet te slopen, moeten we gaan fröbelen met definities, spelregels en weet ik veel wat. Mevrouw Hamer maakt het echter niet eens concreet.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Karabulut (SP):

Hoort bij werken gewoon loon? En wat is gewoon werk, volgens mevrouw Hamer? Wat is dan additioneel werk? En wat is dan vrijwilligerswerk? Daar komt u niet uit, mevrouw Hamer!

Mevrouw Hamer (PvdA):

Daar kom ik prima uit. Ik heb daar net een motie over ingediend. Als het kabinet die motie uitvoert, dan hebben we dat goed geregeld met elkaar. Als mevrouw Karabulut de motie leest, kan zij dat ook zien. Verder constateer ik dat zij blijkbaar niet in haar eigen dromen gelooft. Ik wel, en ik ga ze waarmaken ook. Ik was gebleven bij het punt dat wij het eerste jaar, de opstartfase, nu hebben gehad en dat wij moeten gaan aanpakken. Daarom diende ik een motie over verdringing in. In mijn eerste termijn heb ik ook nog aandacht gevraagd voor een andere groep. Natuurlijk vinden wij het ongelooflijk belangrijk dat bij de Wet werk en zekerheid veel aandacht wordt besteed aan de flexwerkers, vanwege hun toch wat moeilijkere positie op de arbeidsmarkt. In het verlengde hiervan dien ik graag de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat te veel werknemers kampen met een te hoge werkdruk, stress en pesterijen en/of intimidatie op de werkplek;

overwegende dat flexwerkers extra kwetsbaar zijn voor een te hoge werkdruk, vanwege veel stress over zekerheid van werk en inkomen, over het combineren van arbeid en zorg en stress over voortdurende pesterijen of intimidatie op de werkplek;

constaterende dat het kabinet heeft aangekondigd met een actieplan te komen ten aanzien van psychosociale arbeidsbelasting;

roept de regering op om specifieke aandacht te besteden in het actieplan aan de positie van flexwerkers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (33750-V).

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb een vraag over de motie op stuk nr. 35 die mevrouw Hamer samen met collega Kerstens heeft ingediend. Ik snap dat zij geen verdringing wil door de tegenprestatie en werken met behoud van uitkering. De derde groep die zij in haar overweging benoemt zijn mensen die gewoon doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Dat lijken mij onvergelijkbare grootheden. Dat zijn namelijk gewoon mensen met een baan en een salaris en zonder uitkering van de overheid. Is mevrouw Hamer bereid om die groep uit deze motie te schrappen en de motie dus aan te passen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Nee, uiteraard niet. Sterker nog, de afspraak over voorzichtigheid bij de uitwerking van deze wet in het kader van de verdringing is ook onderdeel van de begrotingsafspraken in het Herfstakkoord. De heer Van Weyenberg heeft daar ook zijn handtekening onder gezet. Het lijkt mij dus heel raar om die groep weg te halen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vind met name de wijze waarop deze twee groepen op één hoop worden gegooid, verrassend. Natuurlijk moeten wij ervoor zorgen dat er een gelijk speelveld is. Ik constateer dat volgens mevrouw Hamer een 65-plusser die doorwerkt eigenlijk van hetzelfde laken een pak krijgt als iemand die een tegenprestatie levert in de bijstand. Ik had die koppeling niet gemaakt.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb net proberen uit te leggen dat wij dit zien als een veiligheidsklep voor al het activerend arbeidsmarktbeleid. Dat hebben wij specifiek afgesproken in het begrotingsakkoord voor de groep mensen die doorwerkt na de AOW-gerechtigde leeftijd. Het leek mij zinvol om niet met twee moties te komen, maar om deze hele problematiek in één motie aan te pakken. Het gaat erom dat wij voorkomen dat de mensen die wij in reguliere banen aan de slag willen hebben, geen gelijk speelveld hebben. Volgens mij zijn dat de woorden van de heer Weyenberg zelf.

Ik ben gekomen aan het laatste punt onder het kopje "arbeidsmarkt". In dat verband refereer ik even aan het feit dat ik de motie van mevrouw Van Nieuwenhuizen over de arbeidsduur heb medeondertekend. Zij is nu even afgeleid, maar dan weet ze dat.

Ik kom nu aan het tweede blokje "arbeid en zorg". Ik heb in mijn eerste termijn een beetje uitdagend gezegd — maar ik meende dat wel — dat het, nu wij de veranderingen en aanpassingen op de arbeidsmarkt breed hebben geregeld, tijd is voor een tweede agenda, namelijk het aanpassen van arbeid aan het privédomein. Het is, anders gezegd, tijd voor de agenda "arbeid en zorg". Ik geloof dat sommige partijen goed in hun oren hebben geknoopt dat ik dat gezegd heb. Voorstellen die daarover zijn gedaan of die al ingediend zijn, zoals het initiatiefwetsvoorstel flexibel werken, zullen hun weg naar de Kamer vinden. Wij zullen die met veel plezier behandelen. De minister heeft toegezegd dat hij heel snel met een brief over het thema "arbeid en zorg" komt. Daar kijken wij met veel spanning naar uit. Mijn partij heeft in de eerste termijn al aangegeven dat wij vooral het zorgverlof en het verbreden daarvan, dus meer dan alleen familie, een belangrijk punt vinden. Wij hopen iets daarvan in de genoemde brief terug te vinden.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik kan het niet laten, want mevrouw Hamer zegt dat zij het wetsvoorstel inzake flexibel werken met veel plezier hier in de Kamer gaat behandelen. Dat is op zichzelf genomen al heel goed nieuws, maar dan is de volgende vraag natuurlijk: gaat zij het wetsvoorstel ook steunen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik ben gewend om het definitieve oordeel te geven bij de behandeling, maar wij hebben een positieve grondhouding ten aanzien van het wetsvoorstel. Laat ik het zo verwoorden.

Dan kom ik nu op de kinderopvang. De minister en ik hebben daar al een debatje over gevoerd. Voor ons is het heel belangrijk dat de stappen nu zijn gezet zoals ze in de brief tot ons zijn gekomen. Ik wil benadrukken dat de Partij van de Arbeid het heel belangrijk vindt dat er nu overeenstemming met gemeenten wordt gevonden, zodat de integratie van de kinderopvangvoorzieningen nu daadwerkelijk kan plaatsvinden.

In de eerste termijn hebben wij al het nodige gezegd over integratie. Wij hebben veel aandacht gevraagd voor met name de jeugdwerkloosheid onder allochtone jongeren. De minister en de staatssecretaris zijn daar uitgebreid op teruggekomen. Ik heb er vertrouwen in dat wij daar veel over zullen terugzien. Ik heb in de eerste termijn aandacht gevraagd voor de arbeidsmarktdiscriminatie. Ik zal een motie ondertekenen van mevrouw Schouten en de heer Van Weyenberg om dit goed in de gaten te blijven houden.

Ik heb het in de eerste termijn uitgebreid gehad over het armoedebeleid. Ik heb aandacht gevraagd voor de positie van met name de mensen die werken, maar ook in de schulden zitten. Daarover dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat iedereen mee moet kunnen doen in onze maatschappij;

verzoekt de regering om in kaart te brengen welke instrumenten en partners gemeenten ter beschikking hebben bij de bestrijding van armoede onder werkenden, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33750-XV).

De heer Kerstens (PvdA):

Voorzitter. Ook ik dank de minister en de staatssecretaris voor de uitgebreide antwoorden op alle vragen, in het bijzonder de vragen die door mij zijn gesteld. Ik dank ook alle ambtenaren die de minister en de staatssecretaris een handje, en misschien meer dan een handje, geholpen hebben om die goede antwoorden te geven.

Ik heb het al een paar keer gezegd in het debat en herhaal het nog een keer: ik geef de minister complimenten voor de stevige strijd die hij voert tegen uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing op de arbeidsmarkt bij de inzet van buitenlandse werknemers. Zoals hij zojuist zei: wij gaan een nieuwe fase in bij het aanpakken van schijnconstructies en van werkgevers en uitzendbureaus die zich van die schijnconstructies bedienen, met geen ander doel dan de regels te omzeilen over de rug van Nederlandse en buitenlandse werknemers. Ik ben blij dat hij dit doet samen met de sociale partners, want die hebben natuurlijk ook een verantwoordelijkheid. Hij doet dit ook op het nationale vlak en op het internationale, Europese, vlak. Hij gaat door met zijn missie om bondgenoten te zoeken om echt een einde te maken aan misstanden.

Ik ben tevreden met de opmerking van de minister, naar aanleiding van de door mij gestelde vraag, dat er gestreefd wordt naar een code verantwoord aanbesteden, opdat ook sociale aspecten een belangrijke rol gaan spelen bij het aanbesteden van werkzaamheden. Ik ben ook zeer tevreden met de toezegging van de minister om serieus te kijken naar de andere keten dan de keten tussen onderaannemer en hoofdaannemer en die tussen aannemer en opdrachtgever, namelijk de productieketen zoals wij die bijvoorbeeld in de landbouw zien. Ik kijk uit naar de verdere stappen die de minister op dat vlak zet.

Ik ben benieuwd of de minister iets heeft gedaan met mijn suggestie om eens te kijken naar de penibele situatie waarin twaalf Bulgaarse truckers al een paar dagen verkeren in het West-Brabantse. Zij bivakkeren daar aan de A58. Misschien is de minister er inderdaad even ingedoken in de dinerpauze en kan hij ons iets vertellen over de stand van zaken en mogelijkerwijze over het moment waarop hij zelf in de pen of in de telefoon klimt.

Ik kom op de beantwoording van de staatssecretaris. Ik ben blij dat zij heeft aangegeven dat zij ook het ingrediënt van het mogelijk meer gelijk laten oplopen van de periode van herbeoordeling van Wajongers met de banenopbouw zoals voorzien in het sociaal akkoord, de 125.000 extra banen, wil meenemen in de mix die echt nodig is om te zorgen voor een zorgvuldige herkeuring van Wajongers en een zachte landing voor die Wajongers — ik hoop dat het er erg weinig zullen zijn — die niet aan de slag worden geholpen met behulp van die 125.000 banen.

Ik ben tevreden over de rapportage die de staatssecretaris heeft toegezegd rondom sociaal ondernemen en het belang dat zij daar net als ik aan hecht. Ik zeg haar dat ik die rapportage met veel belangstelling tegemoetzie. Ik zie die rapportage als mogelijke eerste stap naar een actieplan sociaal ondernemen. Ik denk echt dat dat een belangrijker rol kan spelen in het voor elkaar boksen van datgene wat wij allemaal zeggen te willen: die inclusieve samenleving waarin maatschappelijk verantwoord ondernemen samengaat met zakelijk ondernemen.

Ik heb er in interrupties niks over gezegd, maar ik heb natuurlijk wel kennisgenomen van de schriftelijke beantwoording van een aantal opmerkingen die wij gisteren gemaakt hebben. Ik stel tevreden vast dat de staatssecretaris positief aankijkt tegen mijn opmerking over het belonen van bijstandsgerechtigden die aan de slag gaan. Zij staat daar positief tegenover, maar wij weten dat het een verantwoordelijkheid van de gemeenten is. Ik ga ervan uit dat veel gemeentes gezien hebben dat er ook goede voorbeelden zijn en dat er voldoende materiaal is om een witboek te vullen met hoe het wel kan en moet. Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris dat mooiere voorbeelden vindt dan de voorbeelden die ik ook in het land ben tegengekomen waarin bijstandsgerechtigden bij wijze van spreken geld moeten meenemen om aan de slag te kunnen gaan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik stel de heer Kerstens dezelfde vraag. Hij heeft gisteren heel duidelijk gemaakt dat er regels moeten komen tegen verdringing. Die regels zijn er nu niet. In het wetsvoorstel dat wij over twee weken zullen behandelen, staan die regels evenmin. Deelt de heer Kerstens mijn mening dat de staatssecretaris dit de Kamer voor de wetsbehandeling moet laten weten?

De heer Kerstens (PvdA):

Ik deel de opvatting dat de staatssecretaris ons voor de wetsbehandeling zal laten weten wat zij met die motie doet, maar ik heb wel graag dat de motie goed wordt ingevuld en dat er iets goeds mee gebeurt. Ik zou er geen haastklusje van willen maken. De wet zelf gaat op 1 juli 2014 in. Dat geeft wat meer gelegenheid om met een zorgvuldige set spelregels te komen die mensen perspectief bieden. Dus nee, ik ga er geen haastklusje van maken. Als de staatssecretaris of eigenlijk de minister — de motie is aan de minister gericht — positief reageert op onze opmerking over het tegengaan van verdringing, dan is dat voor vanavond voldoende. Dan volgen wij de invulling van de motie; daar zullen wij ook met elkaar over in gesprek raken. Laat er geen misverstand over bestaan: wij zijn tegen verdringing.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dan begrijp ik het niet meer. Hoezo geen haastklus? Wij gaan de wet nog behandelen. Waarom dient de heer Kerstens dan nog een motie in? Ik neem aan dat de PvdA zelf met concrete amendementen komt om de wet te repareren. Anders gaat de heer Kerstens instemmen met een wet, met een verslechtering van een wet, waar hij eigenlijk niet achter staat. Komt hij met amendementen om zijn woorden van gisteren, waar ik op zichzelf blij mee ben, waar te maken?

De heer Kerstens (PvdA):

Het is een waar genoegen om mevrouw Karabulut een keer te horen zeggen dat zij blij is met iets wat de PvdA zegt. Dat overkomt ons niet elke dag. Wij hebben geen motie ingediend om vervolgens zelf allerlei amendementen te gaan indienen. Als helder wordt aangegeven dat verdringing maximaal wordt tegengegaan, dan is dat voor het moment voldoende. En dan gaan wij ons natuurlijk bemoeien met de precieze invulling, maar ik vind het al een hele stap vooruit als dit gezegd zou worden.

De heer Klein (50PLUS):

De heer Kerstens geeft aan dat de motie over verdringing beantwoord zou moeten worden door de minister. De motie kent echter twee elementen. De heer Van Weyenberg maakte er eerder terecht ook al een punt van. Ik wil zelf ook een reactie krijgen van de staatssecretaris op het element van de verdringing door AOW'ers die na hun 65ste of 67ste door blijven werken. Dat kan toch geen verdringing zijn in de zin van waar we het over hebben in relatie tot de twee andere regelingen die in de motie benoemd worden? Vraagt u in feite beide bewindslieden om een reactie?

De heer Kerstens (PvdA):

De staatssecretaris en de minister gaan zelf over de vraag wie wat beantwoordt en op welke wijze.

De heer Klein zegt dat er geen sprake zou kunnen zijn van verdringing door mensen die doorwerken nadat zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Overigens heeft mevrouw Hamer ook al een poging ondernomen om dit te weerleggen. Of er sprake is van verdringing, hangt erg af van de arbeidsvoorwaarden waaronder iemand aan de slag gaat. Als het doorwerken na de pensioengerechtigde leeftijd niet onder een cao gebeurt en dus zonder allerlei primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, dan leidt dat tot een ontzettend verschil in kostprijs met een jongere werknemer die wel onder de cao valt. Het is dus in het voordeel van de werkgever om voor een oudere werknemer te kiezen die doorwerkt na zijn pensioengerechtigde leeftijd. Het is dus wel degelijk van belang dat ook hier wordt gekeken naar objectieve spelregels en objectieve criteria die verdringing en oneerlijke concurrentie voorkomen.

De heer Klein (50PLUS):

Is het niet veel verstandiger om dit onderdeel aan te houden, nu we in afwachting zijn van de nieuwe wet over het doorwerken na je 65ste? Die wet is namelijk al aangekondigd. Als we dat doen, weten we ook om wat voor contracten het gaat. Om een voorbeeld te geven: het is heel goed mogelijk dat mensen na hun 65ste op basis van een flexcontract wel willen werken. Dat is dus anders dan in een cao van de andere wetgeving. Dat moet je niet op voorhand uitsluiten. Ik zou zeggen dat we dit punt er even uit moeten halen en dat we even moeten wachten op de wetgeving die op dit moment in voorbereiding is. Is dat niet een logische consequentie?

De heer Kerstens (PvdA):

Er worden nu twee tegengestelde stellingen aangedragen met allebei een logische consequentie, namelijk "doe het zo snel mogelijk zelf" en "houd het maar aan". In beide gevallen wordt het beargumenteerd door erop te wijzen dat er binnenkort een wetsvoorstel ligt. Wij hebben er goed over nagedacht. Wij krijgen signalen — en die moet de heer Klein ook hebben gekregen — over daadwerkelijke gevallen van verdringing en mogelijke verdringing. Wij willen gewoon dat het kabinet daar werk van maakt.

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Kerstens komt zelf terug op de motie die hij met mevrouw Hamer heeft ingediend. Hij zegt dat een tegenprestatie, werken met behoud van uitkering, kan leiden tot verdringing. Ik heb een heel simpele vraag. Vindt hij dat het huidige wetsvoorstel leidt tot verdringing? Als je dat wetsvoorstel scherp leest, moeten overigens alle 400.000 mensen in de bijstand een tegenprestatie leveren en dat is natuurlijk een uitvoeringstechnisch drama, maar dat terzijde.

De heer Kerstens (PvdA):

Niet op voorhand. Dat hangt erg af van hoe het ingevuld wordt. Dat hebben we al in verschillende debatten met elkaar gewisseld. Het is ook in de hoorzitting voorbijgekomen. Het is ook precies de reden waarom wij het kabinet vragen te komen met objectieve criteria en heldere spelregels.

De voorzitter:

Nogmaals: 16 december is het wetgevingsoverleg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Daar ben ik mij van bewust, maar ik heb deze motie niet ingediend. Dat heeft de heer Kerstens gedaan.

De conclusie is dus blijkbaar dat hij de behoefte voelt om op basis van het voorliggende wetsvoorstel een motie in te dienen om al wat eerste reparatiewerk te doen. Vat ik het zo goed samen?

De heer Kerstens (PvdA):

De heer Van Weyenberg vat zijn eigen opmerking zo goed samen, maar mijn woorden zeker niet. Neem maar van mij aan dat de Partij van de Arbeid, gelet op de praktijk van alledag, meer dan voldoende aanleiding had om om spelregels te vragen tegen verdringinging. En dat zou ook het geval zijn als dit wetsvoorstel niet voor zou liggen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Kerstens (PvdA):

Dat doe ik, voorzitter. Ik ben bijna aan het einde van mijn bijdrage.

Ik heb met de staatssecretaris wat heen en weer gesproken over het belang van mantelzorg. Ik ben blij met het belang dat de staatssecretaris aan mantelzorg en aan de belangen van de mantelzorgers hecht. Om dat laatste ging het mij met name. Ik heb gehoord dat de staatssecretaris nauw overleg heeft met de staatssecretaris van VWS en dat we in de Wmo het een en ander tegemoet kunnen zien. Mijn fractie zal het kritisch blijven volgen. Als we zo ontzettend blij zijn dat mensen mantelzorg verlenen, dan moeten we ze natuurlijk ook in de gelegenheid stellen om dat te doen en niet allerlei belemmeringen opwerpen.

Ik meld nog even dat de heer Van Weyenberg straks mede namens mij een motie zal indienen over de jobcoach voor Wajongers en dat mevrouw Schouten iets zal zeggen over de vierwekentermijn.

De heer Heerma (CDA):

Voorzitter. Ik wil beide bewindslieden bedanken voor hun beantwoording in eerste termijn. Ik heb het gevoel dat dit debat zich in een tussenfase bevindt. Hoewel er de nodige moties zijn ingediend, lijkt het een debat waarin veel moties in de lucht blijven hangen, zijn aangekondigd of nog zullen volgen tijdens de debatten over de diverse wetten die er aankomen. Ik sluit ook niet uit dat er vanavond nog veel moties zullen volgen waarvoor het advies luidt: aanhouden tot de behandeling van de betreffende wet. We zullen het zien.

Ik wil de minister specifiek bedanken voor zijn antwoord op mijn suggestie over een integratieakkoord. Ik ben benieuwd wat daar verder uit gaat volgen.

Mijn fractie heeft bij deze begroting een aantal amendementen ingediend die zien op het herstellen van de vaste voet in de kinderopvang (33750-XV, nr. 14) en de terugdraaien van de resterende bezuinigingen bij kindregelingen (33750-XV, nr. 15). Ik wacht het oordeel van de minister over beide amendementen graag af.

Ik ben best tevreden wat de minister gezegd heeft over het vrije verkeer van werknemers in Europa. Hij straalt de nodige ambitie uit en geeft aan dat hij Cameron als bondgenoot ziet. Via verschillende beeldspraken heeft hij laten zien dat wat hem betreft de manier waarop wij er nu mee omgaan niet heilig is. Ik vind het jammer dat de minister nog enige terughoudendheid lijkt te hebben om gezamenlijk met Cameron de handschoen op te pakken. Ik roep de minister op om na de bijeenkomst in Europa van aanstaande maandag die handschoen alsnog op te pakken. Ik heb goed begrepen dat de minister de dingen in de juiste volgorde wil doen en dat hij zich eerst op die bijeenkomst wil focussen. Ik hoop dat dit betekent dat hij daarna alsnog samen met Cameron gaat werken aan de voorstellen. Immers, belofte maakt schuld.

Op een specifiek onderwerp vond ik de beantwoording niet ambitieus genoeg. Ik heb bij interruptie de minister al laten weten dat ik de schriftelijke beantwoording op dat punt wat dubbelzinnig vond. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat kinderbijslag en kindgebonden budget bedoeld zijn voor ondersteuning in het onderhoud van kinderen die in Nederland wonen;

constaterende dat de regering deze mening deelt;

overwegende dat het beperken van export van kinderbijslag binnen de EU in het Europees recht nu niet mogelijk is;

overwegende dat het niet kunnen beperken van export van kinderbijslag ook elders in Europa ter discussie wordt gesteld;

verzoekt het kabinet om in Europa de discussie aan te gaan om te komen tot een exportverbod van kinderbijslag in de EU,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33750-XV).

De heer Heerma (CDA):

Een ander punt waarop de beantwoording wat achterbleef betreft het scholingsbudget. De minister verwees naar zijn tweede termijn. Ik heb vanmiddag al gezegd dat ik overweeg om op dit punt een motie in te dienen. Ik heb nu besloten om dat vanavond niet te doen. Het antwoord van de minister over de manier waarop hij omgaat met een eerdere motie van de heer Van Hijum, die destijds mede is gesteund door D66 en de PvdA, zou er namelijk toe leiden dat ik die motie dan opnieuw zou moeten indienen. Ik wil daarom eerst horen wat de minister in zijn tweede termijn hierover zegt. Ik hoop dat hij zal zeggen dat hij deze motie volledig gaat uitvoeren. Zo niet, dan zullen we zo meteen bij interruptie nog het nodige met elkaar bespreken en kom ik er bij de behandeling van de Wet werk en zekerheid op terug. Dan kan ik de motie alsnog indienen.

Voor de rest heb ik een aantal moties gesteund, zowel van de SP als de VVD, en volgen er zo meteen nog moties van D66 en de ChristenUnie die ik mee heb ondertekend.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik heb een vraag over de kinderbijslagmotie. Het CDA wilde de export binnen Europa verbieden. Vindt de heer Heerma dat de mensen die in Nederland belasting betalen en daardoor recht op kinderbijslag hebben belastingverlaging zouden moeten krijgen?

De heer Heerma (CDA):

Het CDA doet diverse voorstellen om niet verder te bezuinigen op de kindregelingen. Dat doet het kabinet op dit moment wel. Op het moment dat er kosten wegvallen, zou ik mij kunnen voorstellen dat wij dat geld gebruiken om de kindregelingen overeind te houden. Wij hebben ook diverse voorstellen gedaan om belastingen te verlagen. Laten wij over beide opties een vervolgdiscussie voeren.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik moet mijn fractie adviseren om voor of tegen te stemmen, dus ik wil helderheid van de indiener over zijn interpretatie. Nogmaals, mensen hebben recht op kinderbijslag die in het buitenland terechtkomt. Die mensen betalen belasting in Nederland. Wordt naar verhouding hun belasting in Nederland verlaagd? Of wordt de kinderbijslag voor buitenlandse kinderen gebruikt voor binnenlandse kinderen?

De heer Heerma (CDA):

De motie spreekt op dit moment uit wat wij al langer bepleiten, namelijk dat opnieuw moet worden bekeken of de export binnen Europa kan worden gestopt. Volgens mij was dat destijds een onderdeel van de overwegingen van de SP om niet enthousiast te zijn over de voorstellen voor het beperken van de kinderbijslag buiten Europa. Als ik ernaast zit, moet de heer Ulenbelt mij corrigeren, maar zo herinner ik het mij. Laten wij op het moment dat wij verder zijn en het kunnen beperken, met elkaar de discussie voeren over de vraag wat er moet gebeuren. Op dit moment moeten wij het eerst voor elkaar krijgen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De heer Heerma heeft ook twee amendementen ingediend, waarvan een over de kindregelingen. Wij hebben altijd warme gevoelens voor de kindregelingen; dat weet de heer Heerma.

De heer Heerma (CDA):

Dat weet ik. Ik heb er ook complimenten voor gegeven.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Zeker. Een ding in dat amendement verbaast mij echter een beetje. Dit amendement regelt onder andere dat er in 2014 indexatie van de kinderbijslag zal plaatsvinden. Ik herinner mij een discussie van afgelopen jaar, 2013, waarin dit vraagstuk ook speelde. Nota bene de Eerste Kamerfractie van het CDA heeft tegen indexatie van de kinderbijslag gestemd, terwijl onder andere mijn partij daar voor die indexatie heeft gepleit. Vanwaar deze ommezwaai nu opeens van het CDA?

De heer Heerma (CDA):

De Tweede Kamerfractie van het CDA heeft net als de ChristenUnie voor de indexatie van de kinderbijslag gestemd. Die consequente lijn had ik toen en heb ik nu ook. Ik vind de toonzetting wat suggestief, een beetje jammer en niet passend bij de manier waarop wij gezamenlijk hiervoor strijden. Het ging bij die indexatie om 1 miljoen. Onze Eerste Kamerfractie heeft bij de behandeling begin dit jaar gezegd dat zij eerdere voorstellen om de kinderbijslag niet te indexeren heeft gesteund en dat zij dat voorstel ook nog zou steunen, maar dat is gepaard gegaan met een pittig signaal richting het kabinet dat daarmee een lijn werd getrokken en dat een verdere beperking van kindregelingen niet geaccepteerd zou worden.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het is fijn dat het CDA nu tot inkeer is gekomen; laten wij het zo maar noemen.

De heer Heerma (CDA):

Dat is een beetje flauw.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Een beetje flauw? Ik constateer gewoon dat de Eerste Kamerfractie van het CDA een kans heeft laten liggen in 2013. De Tweede Kamerfractie was er toen wel voor, maar doet nu net alsof het heel dramatisch is met de kindregelingen. Nogmaals, wij dienen hetzelfde doel. Ik vraag alleen een verklaring hiervoor, omdat het op mij een beetje inconsequent overkomt.

De heer Heerma (CDA):

Mevrouw Schouten geeft zelf al aan dat dit in lijn ligt met hetgeen de Tweede Kamerfractie eerder dit jaar al heeft gezegd en de wijze waarop de CDA-fractie heeft gestemd. Haar suggestie klopt dan ook sowieso niet. Als wij straks met elkaar spreken over de bezuinigingen op de kindregelingen, komen wij ook te spreken over een bezuiniging op een kindregeling die de fractie van de ChristenUnie in de Tweede Kamer zal steunen en die wij in onze tegenbegroting rechtzetten, waarvoor ik nu ook amendementen indien. Ik hoop op steun van de fractie van de ChristenUnie.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Het kabinet is nu meer dan een jaar op streek en dit waren in bepaalde mate toch nog steeds inleidende beschietingen naar bakken wetsvoorstellen die wij hier de komende tijd zullen gaan behandelen. Mijn fractie kijkt daarnaar uit, zowel naar de wetten die in het kader van het Herfstakkoord onderdeel van gesprek zijn geweest als naar naar de andere. Ik dank de beide bewindslieden voor hun uitgebreide beantwoording, zowel in de plenaire zaal als schriftelijk. Vanzelfsprekend dank ik ook al hun medewerkers die daar de hele nacht hard aan hebben gewerkt. Dat wordt gezien en gewaardeerd, zeg ik ook vanaf deze plaats.

Ik heb in het bijzonder aandacht gevraagd voor scholing. Ik heb de minister al laten weten dat ik daar nog op terug zal komen bij de behandeling van de Wet werk en zekerheid. Hij schrijft in de schriftelijke beantwoording dat hij zal kijken naar scholing van zzp'ers. Ik vraag hem of hij of zijn medewerkers daarover in gesprek zouden willen gaan met zzp-organisaties.

Ik heb ook een aantal opmerkingen gemaakt over de Participatiewet en over de zorgen die mijn fractie heeft over de nieuwe bijstandswet. Wij komen daar nog uitgebreid over te spreken. De minister refereerde zelf eigenlijk al aan de zorg van mijn fractie over de aanscherping van de ketenbepaling in de Wet werk en zekerheid. De vraag is hoe wij gaan waarborgen dat die ertoe leidt dat mensen met een tijdelijk contract, vaak jongeren, vooral sneller aan het werk gaan en niet onverhoopt langs de kant komen te staan doordat zij juist eerder hun baan verliezen.

Ik heb een aantal moties. De eerst gaat over jobcoaches. Daar maak ik mij echt zorgen over.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen in de Wajong voor een maximale duur van drie jaar gebruik kunnen maken van jobcoaching;

constaterende dat een deel van de mensen in de Wajong langer dan drie jaar ondersteuning van een jobcoach nodig heeft om te kunnen werken bij een reguliere werkgever;

overwegende dat in het voorstel voor de Participatiewet het maximum van drie jaar niet meer van toepassing is;

overwegende dat er de afgelopen jaren onderuitputting was op het budget voor re-integratie Wajong;

verzoekt de regering om er met het UWV voor te zorgen dat, tot inwerkingtreding van de Participatiewet, voor de specifieke groep mensen die zonder ondersteuning van een jobcoach hun baan bij een reguliere werkgever niet kunnen behouden, het maximum van drie jaar door het UWV niet wordt toegepast en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Kerstens en Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33750-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):

Mevrouw Karabulut en ik hebben al een motie ingediend over discriminatie op de arbeidsmarkt. Ik heb nog een tweede.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de veelvuldig voorkomende discriminatie op de arbeidsmarkt ongewenst is en de kansen van bepaalde groepen op de arbeidsmarkt beperkt;

overwegende dat het van groot belang is om discriminatie in kaart te blijven brengen en te bestrijden;

constaterende dat er op het moment geen financiering meer is voor onderzoek door het SCP naar discriminatie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt;

constaterende dat de SER in het voorjaar van 2014 met een advies komt over welke aanvullende acties mogelijk zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt te voorkomen en te bestrijden;

verzoekt de regering om binnen het onderzoeksbudget middelen te reserveren, zodat er regulier onderzoek naar discriminatie op de arbeidsmarkt gedaan kan blijven worden en om naar aanleiding van het SER-advies met concrete voorstellen te komen om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Schouten en Hamer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (33750-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):

De minister zal hebben opgemerkt dat ik hem alle ruimte bied waar het gaat om wie dat onderzoek gaat doen.

Wij hebben uitgebreid gedebatteerd over de vraag of er vertrouwen is in de gemeenten waar het gaat om het uitvoeren van regelingen, of niet. Daarover dien ik een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten dicht bij hun inwoners staan en in de gelegenheid zijn om maatwerk te leveren;

verzoekt de regering, gemeenten de ruimte te geven voor maatwerk bij de uitvoering van regelingen waarvan zij budgettaire tekorten zelf moeten opvangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Dijkgraaf, Schouten en Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (33750-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik kom op het algemeen verbindend verklaren. Mevrouw Van Nieuwenhuizen diende net al mede namens mij een motie in over scholing.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de OESO adviseren om het beleid qua algemeen verbindend verklaren (avv) aan te passen;

overwegende dat meer ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld in tijden van crisis, in het avv-beleid goed kan zijn voor de werkgelegenheid;

overwegende dat algemeen verbindend verklaren een zwaarwegend instrument is;

overwegende dat modernisering van het avv-beleid het draagvlak voor algemeen verbindend verklaren kan vergroten;

verzoekt de regering, voor de zomer van 2014 een onderzoek te doen naar de toekomst van de avv-wetgeving en waar nodig concrete voorstellen te doen om de wetgeving te moderniseren;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Van Nieuwenhuizen-Wijbenga. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (33750-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):

Last, maar zeker not least, kom ik op Europa en het vrije verkeer. Deze motie is een ander geluid dan dat van vele fracties die hier het idee van de heer Cameron, geïnspireerd door de anti-EU-partij UK Independence Party, goed vinden. Dit is het D66-geluid.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering stevig inzet op het handhaven van de spelregels van het vrije verkeer van personen in de EU om uitbuiting, schijnconstructies en oneerlijke concurrentie aan te pakken;

overwegende dat het vrije verkeer van werknemers een hoeksteen is van de EU en goed is voor de Nederlandse economie;

verzoekt de regering, met kracht door te gaan met beleid om naleving van de spelregels te handhaven;

verzoekt de regering voorts, geen voorstellen te steunen of in te dienen die afbreuk doen aan het vrije verkeer van personen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (33750-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik kom aan het einde van mijn betoog. Ik zie uit naar het komende jaar, waarin wij al die wetsvoorstellen met beide bewindslieden zullen behandelen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording van alle vragen en aan de ambtenaren die ook vannacht hard hebben doorgewerkt, zoals wij op de foto van de minister zagen op Twitter. De begrotingsbehandeling is altijd een hele toer, een tour de force, maar wij hebben het vandaag ook over belangwekkende onderwerpen gehad.

Dit was toch ook de begroting die in het licht stond van alle wetsvoorstellen die nog gaan komen, die onlangs zijn ingediend of nog zullen worden ingediend. Over die wetsvoorstellen is nog niet het laatste woord gezegd. Daarover zullen wij stevig het debat aangaan. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de ruimte die zij heeft geboden bij de Wajongers. Zij wil serieus bekijken of zij kunnen worden uitgesloten van de overgang naar het bijstandsregime. Als zij daar voorstellen toe doet, zullen wij serieus bekijken of wij die kunnen steunen.

Over arbeid en zorg zullen wij volgende week nog een brief krijgen van de minister. Ook daar zullen wij dan nader het debat over aangaan. Dat neemt niet weg dat wij nog de nodige opmerkingen zullen hebben over de vraag hoe ouders de combinatie van arbeid en zorg op hun eigen wijze kunnen vormgeven en over de effecten van het wetsvoorstel op de peuterspeelzalen.

Een wetsvoorstel dat hier lang en breed bediscussieerd is en dat wij over twee weken nog verder zullen bediscussiëren, is het wetsvoorstel over de bijstand. Daar zitten elementen in waar wij grote bedenkingen bij hebben. Ik heb hier één motie over. Ik wil niet zeggen dat het hele wetsvoorstel met deze motie onze steun kan krijgen, maar wij vinden het heel belangrijk om nu al een signaal in deze richting te geven.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet de zoektermijn van vier weken binnen de bijstand als verplichting breed wil gaan toepassen;

van mening dat een verplichte toepassing van de zoektermijn van vier weken ertoe kan leiden dat mensen door het wegvallen van hun inkomen in de armoede en de schulden terechtkomen;

verzoekt de regering, gemeenten meer beleidsvrijheid te geven ten aanzien van de toepassing van de zoektermijn van vier weken in de bijstand, zodat ruimte ontstaat voor maatwerk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schouten en Kerstens. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (33750-XV).

Mevrouw Karabulut (SP):

Hoe ziet mevrouw Schouten dat voor zich, meer ruimte voor gemeenten? De gemeenten hebben nu meer ruimte, want er zijn gemeenten die nu al de termijn van vier weken toepassen. Met deze wet wordt die ruimte straks weggenomen. Het is of de huidige wet of de wet zoals die hier voorligt.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Mevrouw Karabulut krijgt de motie dadelijk, maar zij kan daaruit opmaken dat wij grote bezwaren hebben tegen het verplichtende karakter van de vierwekeneis.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat heb ik ook, maar ik ben zo benieuwd naar de tussenvorm. Die zie ik niet direct.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

De tussenvorm is het maatwerk dat de gemeenten op dit moment al kunnen toepassen onder de huidige wet.

Ik heb aandacht gevraagd voor de positie van nabestaanden in een werkomgeving. Nogmaals, wij zijn blij dat wij de bezuinigingen op de Nabestaandenwet van tafel hebben kunnen krijgen, maar in de praktijk blijkt het in de werkomgeving erg moeilijk te zijn hoe moet worden omgegaan met mensen die hun partner hebben verloren.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 40% van de werkende nabestaanden zich na kortere of langere tijd toch weer ziek meldt vanwege onverwerkte rouw;

overwegende dat op de werkvloer vaak onvoldoende kennis is over de gevolgen van rouw voor de inzetbaarheid van werknemers en de wijze waarop rouwende werknemers kunnen worden benaderd;

verzoekt de regering, met de sociale partners te overleggen over het verbeteren van de begeleiding van nabestaanden op de werkvloer via bijvoorbeeld voorlichting of het gebruik van protocollen in cao's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schouten, Dijkgraaf en Heerma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (33750-XV).

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb een derde motie en wel over de kindregelingen op de BES-eilanden.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kinderkorting op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba leidt tot verzilveringsproblematiek voor gezinnen met een lager inkomen;

van mening dat de inkomensondersteuning aan gezinnen met kinderen zich ook moet richten op gezinnen met een lager inkomen;

verzoekt de regering, in het voorjaar van 2014 met een voorstel te komen om de kinderkorting op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba om te vormen tot een kinderbijslagregeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schouten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (33750-XV).

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik heb met de heer Van Weyenberg en mevrouw Hamer een motie ingediend over discriminatie. Ik heb niet veel toe te voegen aan de woorden die de heer Van Weyenberg daar al aan gewijd heeft.

Ik begon mijn bijdrage met de stelling dat deze bewindslieden misschien wel de grootste klus van het kabinet hebben, namelijk het bestrijden van de werkloosheid. Dat is een groot probleem op dit moment. De zorgen daarover zijn nog niet weg, maar ik wens deze bewindslieden met de Kamer alle wijsheid toe om juist dat grote vraagstuk voor al die mensen in het land aan te pakken, zodat wij volgend jaar kunnen stellen dat de maatregelen die wij hebben genomen effect hebben gehad.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Uiteraard ook van mijn kant dank aan de bewindslieden en aan allen die hen hebben ondersteund. Hoe maak je nu de balans op van zo'n breed debat dat raakt aan zo veel zaken in het dagelijks leven van zo veel mensen, eigenlijk van alle mensen? Ik vind dat niet zo eenvoudig, moet ik eerlijk zeggen. Er is veel waarin de fractie van GroenLinks de komende tijd graag met het kabinet optrekt, bijvoorbeeld als het om het vraagstuk van het combineren van zorg en werk gaat. Een ander voorbeeld is de Wet werk en zekerheid, waar heel veel zaken in zitten die ook mijn fractie zeer aanspreken. Wat betreft de nieuwe Wet werk en bijstand meen ik toch — maar misschien ben ik daarin te optimistisch en dan zal de staatssecretaris mij daarin straks wellicht corrigeren — ook bij de staatssecretaris enige ruimte te horen om toch niet zo heel dirigistisch van boven allerlei verplichtingen op te leggen, maar wat meer te kijken naar wat gemeenten dicht bij de mensen kunnen doen en vooral te kijken vanuit dat wat het individu al wil doen en kan doen. Dat lijkt mij een heel goede ontwikkeling en ik hoop dat ik dit ook goed gehoord heb.

Er zijn echter ook zaken waarover het kabinet en mijn partij fundamenteel van mening verschillen. Ik heb het de "eigen schuld, dikke bult"-samenleving genoemd. Een samenleving waarin werk moet lonen, waarin verschillen tussen de inactieven en actieven steeds groter worden, alsof het probleem is dat mensen niet willen werken. Een samenleving waarin sancties, boetes en verplichte tegenprestaties in de bijstand de norm worden, alsof — en daarmee herhaal ik wat Jetta Klijnsma als Kamerlid heeft gezegd — de mensen thuis voor hun plezier van hun minimale inkomen zitten te genieten. Dat is het soort samenleving waar wij ons op geen enkele manier in thuis voelen. En, ik zeg het nog maar eens, armoede en ongelijkheid zijn geen natuurrampen die mensen overkomen omdat het een beetje tegenzit of omdat er in de buitenwereld iets naars gebeurt.

Het is natuurlijk niet allemaal de schuld van dit kabinet. Was het maar zo, want dan was het simpel en wisten we precies wie we daarvoor moesten aanwijzen en dan waren armoede en ongelijkheid de wereld uit. Maar ook dit kabinet maakt keuzes waardoor de inkomensongelijkheid, vooral die tussen actieven en inactieven, verder wordt vergroot. Dat valt niet te ontkennen en dat betreur ik.

Ik dien twee moties in. De eerste heeft betrekking op de toenemende ongelijkheid.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit recent onderzoek blijkt dat de inkomenskloof tussen de 10% minst verdienende huishoudens en alle andere inkomensgroepen al 35 jaar groeit;

constaterende dat deze ontwikkeling haaks staat op de door het kabinet gewenste evenwichtige inkomensontwikkeling;

verzoekt de regering, met maatregelen te komen om deze kloof te dichten en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (33750-XV).

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Mijn tweede en laatste motie gaat over de kwestie waar we veel over gesproken hebben, namelijk hoe om te gaan met de combinatie van het hebben van een uitkering, het leveren van een tegenprestatie en het al of niet vervullen van een reguliere baan in deeltijd daarnaast. De fractie van GroenLinks wil dat mensen meer mogelijkheden krijgen om bij te verdienen en in deeltijd te werken naast de uitkering. Nu hangt dat af van de gemeente. Er zijn ook grote verschillen tussen de gemeenten. Soms mag het wel, soms mag het niet, soms mag je werken in deeltijd, soms moet je volledig beschikbaar zijn. Ik heb daar gisteren een aantal voorbeelden van genoemd. Ik zou graag een motie indienen die beoogt om de verschillen tussen gemeenten weg te nemen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de mogelijkheden tot bijverdienen naast een bijstandsuitkering op dit moment verschillen per gemeente;

van mening dat bijverdienen naast een bijstandsuitkering een opstap kan zijn naar een volwaardige stap naar de arbeidsmarkt en daarom niet afgestraft zou moeten worden;

verzoekt de regering, te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om mensen een wettelijk recht te geven om te mogen bijverdienen naast een bijstandsuitkering en de Kamer daarover voor de behandeling van het wetsvoorstel Maatregelen Wet werk en bijstand te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (33750-XV).

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb nog één seconde. Die gebruik ik graag om in navolging van de spreker vóór mij de bewindslieden heel veel succes en sterkte te wensen bij hun — ook ik realiseer me dat heel goed — zeer zware en zeer moeilijke taak.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb geen vraag aan de heer Van Ojik, voorzitter. Ik maak echter graag van de gelegenheid gebruik, nu de heer Klein naar het spreekgestoelte loopt, om bij mijn motie op stuk nr. 40 de naam van mevrouw Karabulut aan de namen van de indieners toe te voegen. Dat lijkt me een efficiëntere werkwijze dan als we het allemaal weer via een wijziging moeten doen.

De voorzitter:

Dan is bij dezen de motie op stuk nr. 40 gewijzigd door toevoeging van de naam van mevrouw Karabulut.

Ik geef nu het woord aan de heer Klein van 50PLUS.

De heer Klein (50PLUS):

Voorzitter. Ook ik dank graag de minister en de staatssecretaris voor de beantwoording van de door 50PLUS-fractie gestelde vragen in eerste termijn. Daarmee dank ik uiteraard ook de ambtenaren, die tot laat hebben doorgewerkt. Het gaat zowel over de antwoorden die de bewindspersonen vandaag in eerste termijn hebben gegeven als over de schriftelijke antwoorden. We vinden het belangrijk dat in de schriftelijke antwoorden is aangegeven dat de premiekorting voor jongeren niet ten koste gaat van de premiekorting voor de oudere werknemers. Daar zijn we blij en tevreden mee.

50PLUS wil met name reageren op de reactie van de staatssecretaris op de door 50PLUS gestelde vragen over de flexibele AOW. Het valt 50PLUS tegen dat de staatssecretaris het idee van een flexibele AOW alleen maar benadert in het licht van de eventueel mogelijke financiële besparing op de schatkist. Ze rept met geen woord over het positieve effect dat de flexibele AOW kan hebben op de duurzame inzetbaarheid van werknemers, over het lang en gezond kunnen blijven doorwerken door het werkzame leven stapsgewijs af te bouwen, over het financiële voordeel dat kan worden gegeven aan mensen die door onbetrouwbaar handelen van de overheid in een AOW-gat terechtkomen of over de mogelijkheden die de flexibele AOW aan mensen biedt om een pensioengat aan te vullen door langer te blijven doorwerken. Dat laatste moet het kabinet toch op zijn minst aanspreken. Volgens 50PLUS kan een flexibele AOW budgettair neutraal worden ingevoerd. Voor ieder jaar dat iemand eerder stopt met werken en aanspraak wil maken op een vervroegde AOW, wordt de aanspraak met 2% verlaagd. En omgekeerd kan iemand de AOW pas later dan op de pensioengerechtigde leeftijd opnemen. Daarom mag het inbouwen van flexibiliteit best de becijferde 2% kosten. De maatschappelijke opbrengsten die met een flexibele AOW worden gegenereerd, zijn het waard. We dienen daarom graag een motie hierover in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een flexibel opneembare AOW een uitkomst zou kunnen bieden aan mensen die door de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd met een overbruggingsprobleem geconfronteerd worden;

overwegende dat het voordeel van een flexibele AOW ook de mogelijkheid geeft om bij doorwerken na de AOW-leeftijd de AOW later te laten ingaan, wat bij een eventueel pensioengat een nuttige bijdrage kan leveren;

overwegende dat de AOW-uitkering naar rato met 2% per jaar kan worden verlaagd indien deze eerder wordt opgenomen, en vice versa bij het later opnemen;

verzoekt de regering, de mogelijkheden tot het invoeren van een flexibele AOW qua financiële kosten en maatschappelijke opbrengsten te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (33750-XV).

De heer Klein (50PLUS):

Zijn de leden nog niet allemaal moe, voorzitter?

De voorzitter:

Mevrouw Hamer is helemaal wakker! Gaat u verder.

De heer Klein (50PLUS):

De staatssecretaris heeft ook heel behartigenswaardige woorden gesproken aan het begin van het onderdeel pensioenen, namelijk: het denken over pensioenen staat nooit stil. Althans, zo heb ik het genoteerd. Het is jammer dat in het schriftelijke antwoord onze opmerkingen over de keuzevrijheid bij pensioenen wat ongenuanceerd zijn afgewezen. Helaas. We gaven in eerste termijn aan dat de individuele keuzevrijheid bij pensioenen juist heel belangrijk is en extra mogelijkheden biedt. 50PLUS meent dat het pensioenstelsel in meerdere opzichten dan alleen dat van de financiële weerbaarheid een modernisering behoeft. Mensen werken niet meer 40 jaar bij dezelfde werkgever. Een meeneembaar pensioen voorkomt waardeverlies, maar helpt ook om de mobiliteit van oudere werknemers te stimuleren. De staatssecretaris geeft in haar schriftelijke beantwoording aan dat het pensioen tot de arbeidsvoorwaarden behoort en dat dit kabinet daar dus niet over gaat. 50PLUS meent dat je een knip kunt maken tussen enerzijds het arbeidsvoorwaardenbeleid en anderzijds de uitvoering van het pensioenstelsel. Ook 50PLUS is voor behoud van collectiviteit en solidariteit; laat dat heel duidelijk zijn. Maar met behoud van collectiviteit en solidariteit zijn ook moderniseringen door te voeren, zoals de keuzevrijheid van de pensioendeelnemers voor een pensioenfonds waar zij zelf in willen. Graag zouden wij dit agenderen voor de toekomst, maar ik dien er nu geen motie over in.

Waar ik wel een motie over wil indienen, is koopkrachtbehoud en koopkrachtontwikkeling.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de koopkrachtontwikkeling voor ouderen in 2013 en 2014 een stuk nadeliger uitpakt dan de koopkrachtontwikkeling voor andere groepen;

overwegende dat een rechtvaardig inkomensbeleid betekent dat gelijke koopkrachtontwikkeling voor alle inkomensgroepen nagestreefd moet worden;

constaterende dat de wet Mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen in 2015 wordt afgeschaft;

verzoekt de regering, de wet Mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (MKOB) voor iedere AOW-gerechtigde in stand te houden of te zorgen voor een vergelijkbare compensatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (33750-XV).

De heer Klein (50PLUS):

Ik heb er nog vier, voor de liefhebber.

We hebben ook gesproken over de veelheid aan regelingen. De VVD-fractie heeft in haar eerste termijn gesproken over de onduidelijkheid daarvan en gevraagd om een overzicht. Ook heeft zij gezegd dat je wellicht het aantal regelingen zou moeten verminderen en een veel eenduidiger en robuuster socialezekerheidsstelsel zou moeten realiseren. Daarvoor hebben wij een oplossing aangereikt in onze eerste termijn. Ik dien er ook een motie over in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het socialezekerheidsstelsel thans een groot aantal sociale uitvoeringsregelingen kent, en dat deze regelingen een zware uitvoeringslast, hoge uitvoeringskosten, een veelheid van individuele verdelingsvraagstukken en bureaucratie met zich brengen;

overwegende dat het naast elkaar bestaan van vele vaak ingewikkelde individuele socialezekerheidsregelingen leidt tot bureaucratie, fraudegevoeligheid en ondoelmatige besteding van middelen;

overwegende dat sociale zekerheid gebaseerd is op zekerheid voor de burgers en vraagt om een betrouwbaar overheidsbeleid;

nodigt de regering uit om een verkenning uit te voeren, waarbij wordt onderzocht of en in hoeverre de invoering van een "sociaal basisbudget" voor iedere burger tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten, de nadelen van het huidige grote aantal individuele sociale uitvoeringsregelingen zou kunnen ondervangen;

verzoekt de regering, de Kamer hier binnen twee jaar over te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (33750-XV).

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik heb een vraag over deze motie. De heer Klein spreekt over een sociaal basisbudget. Ik weet niet welke term hij precies gebruikte.

De heer Klein (50PLUS):

U hebt het goed gehoord.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Aan welk niveau denkt u dan? Is dat bijstand? Is dat AOW? Waar moet ik aan denken?

De heer Klein (50PLUS):

Het vertrekpunt is voor ons de AOW. Vervolgens gaan we bekijken hoe dit op een goede manier kan leiden tot goed koopkrachtbehoud en goede sociale zekerheid voor iedereen. Dat is de verkenning die uitgevoerd zal worden.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Dan worden dus alle uitkeringen op AOW-niveau gebracht. Hoe denkt de heer Klein dat te gaan betalen?

De heer Klein (50PLUS):

Dat is onderdeel van de hele financiering. Aan de ene kant kan er een verhoging ontstaan, maar aan de andere kant ontstaan er ook enorme besparingen doordat we veel minder bureaucratie en uitvoeringskosten hebben. Er bestaan een aantal goede wetenschappelijke studies over het goed opzetten en uitvoeren van dit hele systeem. Ik heb er vandaag nog een ontvangen. Ik denk dat het heel verstandig is om met elkaar de verkenning aan te gaan en te bekijken wat de mogelijkheden en de pro's en contra's zijn. Als het volstrekt onbetaalbaar blijkt, is het logisch dat ook 50PLUS er niet voor zal zijn. Als het goede mogelijkheden blijkt te bieden, moeten we ernaar kijken. Modernisering van het socialezekerheidsstelsel kan alleen maar tot voordelen voor iedereen leiden.

De heer Ulenbelt (SP):

Even voor mijn begrip, voorzitter. De heer Klein noemt het een "sociaal basisbudget", maar hij bedoelt eigenlijk "basisinkomen". Nu heb ik sommetjes voorbij zien komen waaruit blijkt dat een fatsoenlijk basisinkomen 24 miljard kost. Bedoelt de heer Klein dus "basisinkomen"?

De heer Klein (50PLUS):

Nee, ik noem het bewust een sociaal basisbudget om verwarring met het basisinkomen te vermijden. Van de andere kant kent het natuurlijk een heleboel elementen. Vandaar dat we expliciet om een verkenning vragen. Dan kunnen we de voors en tegens, die ook in de discussie een plaats hebben — kijk bijvoorbeeld naar de publicaties van de Vereniging Basisinkomen — naast elkaar leggen zodat we hierover een goede discussie kunnen voeren. We willen daar ruim de tijd voor nemen. Vandaar dat we een verkenningsperiode van twee jaar heel verstandig vinden. Dat is ook in lijn met de discussies rond de herziening van het belastingstelsel en de commissie-Van Dijkhuizen.

De heer Ulenbelt (SP):

Is dat sociale basisbudget voor iedereen?

De heer Klein (50PLUS):

Dat is inderdaad het uitgangspunt.

Wij hebben ook veel aandacht besteed aan de werkgelegenheidspositie van de 50-plussers in dit land. Daarvoor bestaat het actieplan "55-plus werkt". Dat is wel een beetje een beperkt plan. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de scholingsvouchers die in het kader van het actieplan "55-plus werkt" alleen ter beschikking worden gesteld aan 55-plussers;

overwegende dat het voor 50-plussers net zo moeilijk is weer aan een baan te komen na een periode van werkloosheid en dat zij net als 55-plussers veel baat kunnen hebben bij het verkrijgen van een scholingsvoucher;

verzoekt de regering, deze scholingsvouchers ook beschikbaar te stellen voor 50-plussers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (33750-XV).

De heer Klein (50PLUS):

Bij die scholingsvouchers is ook nog sprake van een klein foutje. Dat zouden wij graag weg willen nemen. In de beantwoording is daar onvoldoende over naar voren gekomen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de scholingsvouchers die in het kader van het actieplan "55-plus werkt" door het UWV beschikbaar worden gesteld aan mensen die werkzoekend zijn en nog geen uitzicht op een baan hebben en aan mensen die een concreet aanbod voor een arbeidscontract bij een werkgever voor ten minste drie maanden hebben;

overwegende dat het budget voor scholingsvouchers reeds zeer beperkt is en dat dit in beginsel bedoeld is om de kans op een baan voor werkloze 55-plussers te verbeteren;

verzoekt de regering, het budget dat beschikbaar is voor scholingsvouchers uitsluitend te gebruiken voor mensen die nog geen zicht op een baan hebben,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (33750-XV).

De heer Klein (50PLUS):

Mijn laatste motie gaat over de rol van de gemeenten bij het perspectief bieden aan oudere werklozen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Inspectie SZW in haar rapport "Perspectief voor oudere werklozen" constateerde dat de manier waarop gemeenten oudere bijstandsgerechtigden ondersteunen bij het vinden van een baan onvoldoende effectief is;

constaterende dat uit gegevens van het CBS blijkt dat met een uitstroom van 20% nog altijd veel meer jongeren werk vinden dan ouderen; in de categorie 55 tot 65 jaar vindt slechts ongeveer 1% een baan;

verzoekt de regering, de gemeenten aan te moedigen van specifiek beleid voor oudere werklozen in de bijstand te ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Klein. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (33750-XV).

De heer Klein (50PLUS):

Tot slot heb ik nog twee opmerkingen. De minister heeft een goed antwoord gegeven over de stapelingsmonitor. Hij heeft aangegeven dat het niet alleen gaat over het instrument — daar waren wij even bang voor — maar dat het ook moet leiden tot daadwerkelijke acties en mogelijkheden om het beleid aan te passen, met name waar het gaat over de gemeentelijke effecten. Daar dank ik hem voor.

Dit was de eerste keer dat ik vanuit deze positie de begroting SZW deed. Ik heb begrepen dat deze begrotingsbehandeling eigenlijk ook al had moeten gaan over de Participatiewet, de Wet werk en bijstand en de Wet werk en welzijn. Die onderwerpen hadden ook nog allemaal de revue moeten passeren. Maar het einde van mijn spreektijd nadert. Ik geloof dus dat ik mijn opvattingen daarover bewaar tot de momenten die we al met elkaar hebben afgesproken. De voorzetten daarvoor waren in mijn ogen eigenlijk overbodig.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het eind gekomen van de tweede termijn van de Kamer. Mij is gebleken dat er behoefte is aan een schorsing.

De vergadering wordt van 22.43 uur tot 23.15 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ga er ook nog eens even op studeren. Ik ben buitengewoon hoopvol gestemd. Het antwoord van de minister wordt steeds mooier, want inmiddels is het scholingsrecht al impliciet. Dan is het nog maar een heel kleine stap om het expliciet op te schrijven. Hier kom ik met belangstelling op terug bij de behandeling van het wetsvoorstel.

Minister Asscher:

Voorzitter. Ik kijk terug op een bijzonder aangenaam, rijk debat dat ik met de Kamer heb mogen voeren. Ik zie ernaar uit dat wij de komende weken en maanden enorme wetten in deze Kamer gaan behandelen. Ik zie dat alles met vertrouwen tegemoet. Ik kan namens de staatssecretaris zeggen dat wij het misschien niet over alles in ieder opzicht eens zijn in deze zaal, maar dat de staatssecretaris en ik ons wel degelijk bemoedigd weten. Wij zijn zeer gemotiveerd om die zware taak het komende jaar samen met de leden der Kamer uit te voeren.

Ik begin bij de Bulgaren. "Bevrijd de Bulgaren" was de boodschap van het lid Kerstens. Het is cruciaal dat de wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het is bijzonder zorgelijk als het loon niet wordt betaald. De Inspectie SZW is alert op signalen van dit soort overtredingen en die is ook bij deze zaak betrokken. Als blijkt dat de arbeidswetgeving is overtreden, kunnen de werkgevers forse boetes tegemoetzien. Ik maak uit artikelen in de kranten op dat het Bulgaarse bedrijf inmiddels naar Nederland is gekomen om een oplossing te zoeken. De betrokken partijen moeten dit snel oplossen. Dat is de beste route, want dit is een conflict tussen werkgever en werknemer. De vakbond FNV is erbij betrokken. Volgens mijn meest recente informatie zou er een oplossing zijn en een akkoord met de chauffeurs. Afhankelijk van de uitvoering van dat akkoord is de verwachting van FNV dat de chauffeurs naar huis kunnen. Als nu mocht blijken dat dit niet snel tot een oplossing leidt, zal de regering inderdaad contact opnemen met de Bulgaarse ambassade.

Ik kom bij de vraag de heer De Graaf naar het smart formuleren van de doelstellingen van onze aanpak jeugdwerkloosheid en de rol van de Ambassadeur Jeugdwerkloosheid daarbij. Haar opdracht is het stimuleren en verbinden van regionale en sectorale initiatieven, het stimuleren van de match tussen vacatures voor stages en leerwerkbanen en het aanbod. Zij heeft specifieke aandacht voor mensen met een niet-westerse achtergrond en voor de jongeren zonder startkwalificatie. Wij hebben geen kwantitatieve doelstelling met haar afgesproken, zoals net besproken met de Kamer. In het voorjaar stuur ik een stand van zaken na één jaar aanpak. Ik zie ernaar uit om een debat over de effectiviteit daarvan met elkaar te voeren.

Ik kom nu op de vraag van de heer Heerma over het scholingsbudget. Er is een motie ingediend door de heer Van Hijum, mevrouw Koşer Kaya en mevrouw Hamer over het individuele scholingsrecht. Onder anderen de heer Heerma heeft aangekondigd dat hij daarop terugkomt bij de behandeling van de Wet werk en zekerheid. Scholing en van-werk-naar-werkbudgetten zijn uitvoerig aan bod gekomen in het sociaal akkoord van april van dit jaar. De reactie van mijn ambtsvoorganger na de motie uit 2011 bestond ook uit het maken van afspraken met sociale partners en het aan de orde stellen van de onderwerpen bij hen. Ik heb net in algemene zin betoogd — maar dat zou ik ook specifieker kunnen doen — dat zich dit op allerlei manieren heeft vertaald. Die motie en de geest daarvan waren mede de oorzaak van de komst van het transitiebudget dat juist ziet op scholing.

Er is een relatie tussen het individuele scholingsbudget en het individuele scholingsrecht. Een scholingsbudget is een persoonsgebonden budget waaruit scholing bekostigd kan worden. Dit kan minder afhankelijk zijn van de individuele werkgever. Het scholingsrecht is meer iets waar je als werknemer jegens een bepaalde werkgever aanspraak op kan maken. Aan beide elementen geeft de Wet werk en zekerheid, zij het impliciet, een invulling. Er is een impliciet scholingsrecht, omdat de werkgever de werknemer moet scholen voor de functie waarin de werknemer werkzaam is. Dat stelt de Wet werk en zekerheid in zekere zin verplicht. Daarnaast kan de transitievergoeding bij ontslag gebruikt worden voor een individueel scholingsbudget. Zo wilde ik voor dit moment de beantwoording van die motie afdoen.

De voorzitter:

Een korte reactie graag.

De heer Heerma (CDA):

Begrijp ik goed dat de minister vindt dat deze motie uitgevoerd is met het sociaal akkoord?

Minister Asscher:

Met de Wet werk en zekerheid in combinatie met het sociaal akkoord en de toezegging van mijn ambtsvoorganger uit 2011 beschouw ik de motie inderdaad als uitgevoerd.

De heer Heerma (CDA):

Dat vind toch een lichtelijk teleurstellend antwoord. Ik ben niet van mening dat de motie hiermee uitgevoerd is. Ik zal daar inderdaad bij de behandeling van de wet op terugkeren.

Minister Asscher:

Ik kom toe aan de behandeling van de moties. Voor de goede orde: de staatssecretaris zal ingaan op de moties die haar gebied regarderen.

De motie-Karabulut op stuk nr. 17 over de uitwerking van de toeslag beschouwen wij als ondersteuning van beleid, indien ik die mag lezen als een pleidooi voor inkomensafhankelijkheid van de toeslagen. Ik laat het oordeel daarover aan de Kamer.

De motie-Ulenbelt op stuk nr. 20 gaat over de tewerkstellingsvergunning. Dit is niet mogelijk. Wel heb ik uitgebreid aangegeven dat ik in Europa zal spreken over de negatieve gevolgen van arbeidsmigratie. Ik ontraad de aanneming van de motie.

De motie-Ulenbelt op stuk nr. 21 gaat over een apart programma voor de Arbeidsinspectie. Ik heb al een toezegging gedaan tijdens het VAO arbeidsmarktbeleid op 19 november jongstleden, namelijk dat de Inspectie SZW onderzoek doet wanneer er een vermoeden is van onderbetaling en schending van het arbeidsrecht in het geval van stages na het afronden van de opleiding en bij concrete klachten over de oneigenlijke inzet van de stagiairs. Het is nodig dat de Inspectie vermoedens en klachten ontvangt, omdat niet bekend is waar stagiairs hun stage lopen. Dat geldt met name wanneer stagiairs actief zijn in sectoren die niet in de risicoselectie van de Inspectie voorkomen. Tot nu zijn er naar aanleiding van meldingen van studenten drie onderzoeken gestart. Bij één onderzoek zijn geen onrechtmatigheden vastgesteld. De twee andere onderzoeken lopen nog. Ik heb ook al toegezegd, de Kamer te informeren over de uitkomsten van die onderzoeken. Een apart onderzoeksprogramma is om die reden op dit moment niet nodig. Ik ontraad de aanneming van de motie.

De heer Ulenbelt (SP):

Ik heb de antwoorden op de vragen natuurlijk ook gelezen, en daar reageer ik met deze motie op. Nu is het zo dat individuen moeten klagen. Dan wordt het individuele geval onderzocht. Wat ik met de motie bedoel, is een programma-aanpak die wij bij de Arbeidsinspectie kennen om het fenomeen stage na opleiding onder de loep te nemen. Dat gaat iets verder.

De voorzitter:

Ik wil alleen interrupties toelaten om een toelichting te geven op de motie of om de motie aan te houden of in te trekken. Ik wil niet het debat opnieuw voeren. Er is genoeg ruimte geweest om van gedachten te wisselen.

Minister Asscher:

Met dank voor de additionele toelichting, handhaaf ik het preadvies ontraden.

De motie-Ulenbelt op stuk nr. 22 gaat over stakingsdagen en WW. Een WW-uitkering wordt bepaald op basis van het loon in de laatste dienstbetrekking. Het loon waarover premie is betaald, vormt de basis voor de vaststelling van de uitkering. Die koppeling is een belangrijk uitgangspunt van de sociale verzekering. Omdat over een stakingsdag geen loon wordt uitbetaald en geen premie wordt betaald, leidt een stakingsdag tot een lagere uitkering. Een uitzondering op dat beginsel zou onwenselijk zijn. Het zou bovendien leiden tot enorme complexiteit in de uitvoering. Ik ontraad de aanneming van de motie.

De motie-Van Nieuwenhuizen-Wijbenga op stuk nr. 24 gaat over het stelsel van inkomensregelingen. Wij hebben op dat vlak al heel veel plannen en heel veel in petto. Ik noem het wetsvoorstel inzake kindregelingen en de vereenvoudiging van het toeslagenstelsel. Ik onderschrijf echter het doel van de motie volledig, namelijk het zo eenvoudig en transparant mogelijk bereiken van onze doelen. In het kader van enig verwachtingenmanagement zou ik willen zeggen dat er bij vereenvoudigingen altijd rekening moet worden gehouden met mogelijke inkomenseffecten. Ik laat het oordeel over de motie graag over aan de Kamer, omdat ik ook het belang zie van het verdergaan op de weg van vereenvoudiging.

De motie-Van Nieuwenhuizen-Wijbenga/Hamer op stuk nr. 25 gaat over de onduidelijkheid van de afgesproken normale arbeidsduur. Primair zijn de sociale partners aan zet. Ik ben in overleg met de sociale partners en de SNA over de verbetering van het certificaat. Wij gaan uit van een arbeidsduur van 40 uur per week. Dat zorgt ervoor dat de handhaving effectiever kan worden gedaan. Als ik de motie zo mag interpreteren dat wij, gegeven de verantwoordelijkheid van sociale partners voor het bepalen van de arbeidsduur en de handhaving van cao's, desalniettemin die duidelijkheid zouden moeten scheppen, laat ik het oordeel graag met een positief gevoel aan de Kamer over. Dan is het namelijk ondersteuning van beleid.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 26. Deze motie heeft twee verschillende verzoeken. De regering wordt verzocht in gesprek te gaan met sociale partners over duurzame inzetbaarheid en een leeftijdsbewust personeelsbeleid. Dat is ondersteuning van beleid en beoordelen wij dus als positief. In het tweede deel van het dictum wordt de regering verzocht om cao's die geen concrete bepalingen bevatten over duurzame inzetbaarheid, niet meer algemeen verbindend te verklaren. Dat zouden wij niet moeten doen, omdat wij dan bij de vraag van het al of niet algemeen verbindend verklaren politieke wensen inbrengen die losstaan van het systeem van algemeen verbindend verklaren. Om die reden zou ik de indieners in overweging willen geven om dat deel van het dictum te wijzigen, en sociale partners te vragen om hun leden aan de cao-tafels te stimuleren afspraken over duurzame inzetbaarheid te maken. Als dat het dictum zou kunnen worden, laat ik de motie graag aan het oordeel van de Kamer over. Anders zou ik de motie moeten ontraden.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik heb al even overleg gehad met de mede-indiener en wij willen de motie graag op die manier wijzigen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 26 zal worden gewijzigd.

Minister Asscher:

Waarvoor dank, voorzitter. Ik kom op de motie op stuk nr. 27 van mevrouw Van Nieuwenhuizen en de heer Heerma. Daarin wordt de regering verzocht om met initiatiefnemers rond innovatieve decentrale initiatieven, bijvoorbeeld in Brabant, in gesprek te gaan. Het zal geen verrassing zijn dat ik daar zeer positief over ben. Het is ondersteuning van beleid. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer.

Ik kom op de motie van de heer De Graaf op stuk nr. 28 over de tewerkstellingsvergunning. Deze motie vertoont grote gelijkenis met de motie van de heer Ulenbelt op stuk nr. 20. Ik heb er vandaag veel over gesproken en ik ontraad de motie.

De motie op stuk nr. 29 van de heer De Graaf gaat over de hoogte en de duur van de WW. Met het sociaal akkoord wordt ingezet op het voorkomen van werkloosheid. Met sociale partners worden afspraken gemaakt in cao's over de begeleiding van werk naar werk en re-integratie. De maatregelen rond de publiek gefinancierde WW zijn nodig met het oog op onze budgettaire situatie. Ze leveren een forse besparing op. Ik ontraad de motie.

Dan de motie van de heer Van Klaveren op stuk nr. 32 over extreme criminaliteit, enz. enz. en denaturalisatie en uitzetting na afloop van de straf. Ik ontraad de motie, omdat zij in onze ogen disproportioneel is en op sommige punten in strijd kan komen met het beginsel van gelijke behandeling.

In de motie op stuk nr. 33 van de heren Van Klaveren en Wilders wordt de regering verzocht de islam zo veel mogelijk uit Nederland te bannen. Ik ontraad de motie vanwege strijdigheid met onze Grondwet.

De motie op stuk nr. 34 van de heer Van Klaveren is gericht op de introductie van administratieve detentie. Na het debat dat ik met de heer Van Klaveren heb gevoerd, is het geen verrassing dat ik de motie ontraad.

In de motie op stuk nr. 35. van de leden Hamer en Kerstens gaat het over verdringing. Ik ben het eens met de indieners dat verdringing die het gevolg is van oneerlijke concurrentie ongewenst is. Vervolgens is het voor ons de vraag wat verstaan moet worden onder objectieve criteria. Ik wil de motie zo uitleggen, dat wij bij de uitwerking van het wetsvoorstel over doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd bijzondere aandacht zullen besteden aan het voorkomen van verdringing. Dat zullen wij bijvoorbeeld in de memorie van toelichting opnemen. Daarbij gelden uiteraard subjectieve criteria en de verplichtingen van onder andere minimumloon, cao, Arbeidstijdenwet, etc. Daarmee zou kunnen worden voldaan aan de wens in de motie om te komen tot objectieve criteria. Anders kom ik aan het einde van mijn verbeeldingskracht, terwijl ik het belang zeer deel. Als het gaat om een tegenprestatie in de WWB denken wij dat het mogelijk moet zijn om dit soort concrete criteria op te stellen. De staatssecretaris zal daarover met de gemeenten in overleg treden. Die gemeenten zullen de criteria vervolgens in praktijk moeten brengen. Zo mag het niet gaan om een bestaande vacature of om werk waar recentelijk nog gewoon voor werd betaald. Als wij de motie zo mogen interpreteren, dan is het positief. Wij laten het oordeel aan de Kamer.

In de motie-Hamer op stuk nr. 36 wordt de regering gevraagd om specifieke aandacht te besteden aan de positie van flexwerkers bij het actieplan ter voorkoming van psychosociale druk, stress, overspannenheid, etc. Ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer. De motie is ondersteuning van het beleid, want in het actieplan zullen we specifiek aandacht besteden aan die groep.

De heer Heerma heeft op stuk nr. 38 een motie ingediend over de export van kinderbijslag. De positie van Nederland is steviger als wij eerst zelf de export van kinderbijslag naar landen buiten de Europese Unie stilzetten. Ik reken daarbij overigens op de steun van het CDA, ook in de Eerste Kamer. De heer Heerma gaf in zijn betoog al aan dat hij begrip heeft voor mijn opvatting dat het starten van een discussie hierover in Europa niet mijn prioriteit heeft. Het zou namelijk weinig kansrijk zijn en ook nog eens afdoen aan onze strevingen bij andere dossiers. Het is belangrijk om eerst de schijnconstructies effectief aan te pakken.

Deze discussie behelst een potentiële belemmering van het vrije verkeer en daardoor is zij nu niet erg kansrijk. Dat doet overigens niets af aan het feit dat ik heel goed begrijp waarom de heer Heerma zou willen dat ik deze discussie start. Ik hoop dat hij op zijn beurt begrijpt waarom ik de motie op dit moment moet ontraden.

Op stuk nr. 42 heeft het lid Van Weyenberg een motie ingediend over de toekomst van de algemeenverbindendverklaring. Nog onlangs heb ik in het algemeen overleg over cao en avv aangegeven dat ik geen concrete aanleiding zie om een onderzoek te doen naar het avv-beleid, in de eerste plaats omdat cao's en de algemeenverbindendverklaring van grote waarde zijn voor een positieve en stabiele sociaaleconomische ontwikkeling. De algemeenverbindendverklaring is een belangrijk wapen tegen oneerlijke concurrentie tussen werknemers. Wij hebben het instrument dan ook hard nodig om onderbetaling, bijvoorbeeld van arbeidsmigranten, aan te kunnen pakken. Wij willen geen oneerlijke verdringing van binnenlands arbeidsaanbod door dat soort onderbetaling.

In de tweede plaats zie ik hiervoor geen aanleiding, omdat het draagvlak voor algemeen verbindend verklaarde cao's onder werkgevers en werknemers heel hoog is. Beiden geven hoge waarderingscijfers aan cao's en aan het instrument van de algemeenverbindendverklaring. Om al die redenen ontraad ik de aanneming van de motie.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik neem daar kennis van. De minister gebruikt een van de overwegingen om aan te geven waarom de avv een goede zaak is. Ik hecht eraan te zeggen dat ik niet de bedoeling heb om dat met mijn motie te ontkennen. In de motie spreek ik alleen maar uit dat je selectiever moet zijn met het moment waarop je voor avv kiest en bij wat voor afspraken je dat doet. Onderbetaling en dergelijke worden dan ook wat mij betreft niet door de motie geraakt, wat onverlet laat dat de minister en ik tot een andere conclusie komen.

Minister Asscher:

Zou de heer Van Weyenberg nog niet overtuigd zijn door mijn eerste argument, dan handhaaf ik subsidiair mijn tweede argument voor mijn negatieve preadvies. Vanzelfsprekend wacht ik af wat de Kamer uiteindelijk uitspreekt.

De motie van de heer Van Weyenberg op stuk nr. 42 betreft het vrije verkeer van personen. In eerste termijn hebben we daar uitgebreid en wat mij betreft goed over gedebatteerd. Ik heb toen aangegeven dat het vrije verkeer van personen wat het kabinet betreft niet ter discussie staat, maar dat we tegelijkertijd onze ogen niet mogen sluiten voor de negatieve gevolgen ervan. Ik heb een aantal elementen van mijn inbreng ook teruggezien in de overwegingen van de heer Van Weyenberg.

Ik hoop dat ik de motie zo mag uitleggen dat het principe van het vrije verkeer van personen niet betekent dat we moeten stoppen met nadenken. Je moet blijven nadenken over de transitieperiodes voor nieuwe toetredende landen, het bestrijden van misstanden in ons eigen land, het voorkomen van fraude met A1-formulieren en het feit dat het vrije verkeer van personen soms op gespannen voet staat met het belang van effectieve handhaving van de handhavingsrichtlijn, de ketenaansprakelijkheid en wat dies meer zij. Als ik de motie zo mag uitleggen, dan kan ik de motie niet anders zien dan als een samenvatting van mijn betoog in eerste termijn. Ik laat het oordeel over de motie dan graag aan de Kamer.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dit is een heel ingewikkelde. Ik herken een heleboel van wat de minister zegt. Overgangsbepalingen zijn er echter nu ook al. Mijn fractie is er overigens niet altijd voor om die ook te gebruiken. Het idee van de heer Cameron om iets anders te gaan doen met landen met een lager bbp, is echter zeker niet iets wat de motie ondersteunt. Ik laat dat maar over aan de minister. In de dingen die hij noemde, kan ik mij vinden, maar wat betreft de dingen die hij niet noemde, geef ik het graag nog even expliciet terug.

Minister Asscher:

Dat is merkwaardig, want landen die nog niet zijn toegetreden tot de Unie, kunnen geen gebruik maken van het vrije verkeer van personen. Dat betekent dat het legitiem is om daar, voordat ze toetreden, eisen aan te stellen, ook als je dat principe overeind wilt houden.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, maar de regels zijn nu dat op het moment dat je toetreed, het vrije verkeer gaat gelden met een overgangsbepaling. Dat is iets anders dan wat de heer Cameron voorstelt. Laat ik het zo formuleren: het voorstel van de heer Cameron past wat mij betreft niet binnen het doel van mijn motie.

Minister Asscher:

Dat is merkwaardig. De heer Van Weyenberg heeft het over het vrije verkeer, maar er mag niet worden nagedacht over regels rond de toetreding, dus wanneer het vrije verkeer van kracht wordt. Dan gaat deze motie dus veel verder dan je zou verwachten als je haar leest, en moet ik haar alsnog ontraden. Dat is heel jammer. Ik was juist bezig om een positief preadvies te geven, maar als de motie betekent dat we de trofee in de prijzenkast moeten zetten en daar zo nu en dan een dansje omheen moeten doen, maar vooral nooit meer mogen kijken wat er ook alweer onder die trofee staat, dan moet ik de motie ontraden. Ik vind het heel jammer.

De voorzitter:

Geen verdere discussie, mijnheer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter, wat mij betreft was dit uitlokking. Ik zet namelijk helemaal geen trofeeën in kasten. De kern is heel simpel. We hebben nu regels met overgangsbepalingen. Die snap ik. Alle problemen die de minister beschrijft, snap ik ook. Het idee van de heer Cameron, echter, vind ik niet in overeenstemming met mijn definitie van het vrije verkeer zoals we dat hebben. Dat was de aanleiding voor deze motie.

Minister Asscher:

Ja, maar dat betekent dat we alleen voor het vrije verkeer mogen zijn zoals de heer Van Weyenberg dat definieert. Dat is merkwaardig. Dan houdt het denken namelijk op. Het principe van het vrije verkeer heb ik vandaag verdedigd, ook tegen de indieners van twee moties die opriepen in te gaan tegen de afspraken die Nederland heeft gemaakt; de motie-Ulenbelt op stuk nr. 20 en de motie-De Graaf op stuk nr. 28 heb ik ontraden. Als de heer Van Weyenberg echter de regering vraagt om niet mee te doen aan discussies over de manier waarop je bij toekomstige toetredende landen het probleem van de onevenwichtigheid kan voorkomen, juist om het draagvlak voor het vrije verkeer te behouden, betreur ik het maar blijf ik bij mijn oordeel "ontraden".

Voorzitter. Ik kom te spreken over de motie-Van Ojik op stuk 47, over de 10% minst verdienende huishoudens. De inkomensontwikkeling van de 10% laagste inkomens moet voorzichtig worden geïnterpreteerd. Het eerste inkomensdeciel bestaat voor een groot deel uit studenten en ondernemers met een verliesgevend jaar. In beide gevallen gaat het om mensen die perspectief hebben op inkomensstijging, ook op korte termijn, en vaak niet om de mensen die we normaal verstaan onder de groep met een laag inkomen. De meeste sociale minima bevinden zich juist in het tweede en derde inkomensdeciel. De inkomensontwikkeling van die huishoudens wijkt niet substantieel af van andere huishoudens in ons land. Het is gebruikelijk om de inkomensongelijkheid te volgen op basis van de Gini-coëfficiënt. Dit laat zien dat de inkomensongelijkheid sinds de jaren negentig min of meer constant is gebleven. De kans op armoede is ondanks de stijging waar het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau deze week over berichtten, gedaald. Dat laat zien dat de toename van de welvaart in de afgelopen twintig jaar zich wel degelijk heeft verspreid over alle inkomensgroepen, zoals artikel 20 van de Grondwet ons ook voorschrijft. Met andere woorden, ik ontraad deze motie.

De motie-Klein op stuk nr. 51 nodigt de regering uit om een verkenning uit te voeren naar een sociaal basisbudget voor iedere burger, tegen aanvaardbare kosten. Ik zie niet, zelfs niet in de vorm van een verkenning, hoe we een dergelijk ongerichte opdracht kunnen uitvoeren zonder enorme inkomenseffecten, positief en negatief, en enorme kosten. Het basisinkomen, waar dit uiteindelijk op zou neerkomen, is al een ouder idee. Het is heel goed om daar het debat over te voeren, naar op dit moment zie ik werkelijk geen mogelijkheid hoe het gevraagde op een verantwoorde manier zou kunnen, binnen de budgetten die we nu hebben. Ik wil deze motie dus ontraden.

Dan resten mij enkel nog de amendementen. Het amendement op stuk nr. 8, van de leden Van Hijum en De Rouwe, gaat over de financiering van het Infrastructuurfonds. Ik wil dit amendement ontraden. We hebben juist in het sociaal akkoord 600 miljoen uitgetrokken. Dat is nog eens bekrachtigd in het begrotingsakkoord. Ik zie aan het gezicht van de heer Heerma dat hij niet verbaasd is over dit preadvies.

Dan het amendement op stuk nr. 9 van de leden Oskam en Van Hijum, over artikel 13, integratie en maatschappelijke samenhang van de begrotingsstaat, de verlaging van het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag met 37 miljoen. Dit heeft betrekking op de inburgeringslening. Mijn collega van Veiligheid en Justitie heeft dit amendement eerder al ontraden. Dat doe ik ook. Het kabinet wil de inburgering van asielgerechtigden op een goede manier tot stand laten komen, zodat zij een goede start in de Nederlandse samenleving kunnen maken. De overheid biedt faciliteiten in de vorm van het sociaal leenstelsel. De lening die asielgerechtigden hebben afgesloten voor het volgen van een inburgeringscursus, wordt kwijtgescholden zodra het inburgeringsdiploma is gehaald. Daarmee geeft de regering invulling aan een afspraak uit het regeerakkoord waarmee uw Kamer eerder heeft ingestemd.

In het amendement van de heer Heerma op stuk nr. 14 wordt voorgesteld om de verplichtingen in artikel 7 Kinderopvang te verhogen met 50 miljoen en dekking te vinden in artikel 99 Onvoorzien, met als doel een verhouding 1/3-1/3-1/3. Ik moet dit amendement ontraden, omdat ik een probleem heb met de voorgestelde dekking. De ruimte op de post Onvoorzien is bedoeld om onverwachte uitgaven te financieren en het totaalbeeld van het SZA-kader te plooien. Door enkele mutaties naar aanleiding van de begrotingsafspraken is de actuele stand van de post Onvoorzien 82 miljoen in 2014, één promille van de totale SZA-uitgaven. Of er geld en zo ja, hoeveel uit de post Nominaal en onvoorzien vrij te besteden is, weten wij op dit moment nog niet. Een deel is reeds belegd. Het onbelegde deel kan, gegeven de budgettaire risico's die wij lopen, bijzonder snel verdampen. Indien de post Onvoorzien zou worden afgeroomd voor nieuw beleid, zal er meteen moeten worden omgebogen wanneer die risico's zich materialiseren. Tegenvallers dekken gedurende het begrotingsjaar is nagenoeg onmogelijk. Veel maatregelen kennen een langere voorbereidingstijd vanwege wetgevingstrajecten en invoeringstermijnen. Ik moet het amendement dan ook ontraden.

In het amendement van de heer Heerma op stuk nr. 15 wordt voorgesteld om in artikel 10 Tegemoetkoming ouders de verplichtingen te verhogen met 30 miljoen. De heer Heerma vraagt om die verhoging van de kindregelingen te financieren uit het onder de balkenendenorm brengen van medisch specialisten. Het kabinet heeft met de zorgsector een akkoord afgesloten waarbij ook afspraken zijn gemaakt over de inkomens van medisch specialisten. Het kabinet is van plan zich aan die afspraken te houden. Daarnaast kost het voorstel van de heer Heerma meer dan hij denkt. Het indexeren van de kinderbijslag in 2014 kost in het jaar 2014 geen 12 miljoen, maar 34 miljoen. Structureel kost het het dubbele. Ook het ophogen van het bedrag voor het eerste en het tweede kind kost structureel fors meer dan in 2014, namelijk 147 miljoen. Daarvoor zie ik nu geen dekking, maar ik zie uit naar het binnenkort te voeren debat over het wetsvoorstel hervorming kindregelingen. Het advies is: ontraden.

Staatssecretaris Klijnsma:

Voorzitter. Ook van mijn kant dank voor de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik ga snel door de resterende moties heen.

De motie van mevrouw Karabulut op stuk nr. 16 is net als de motie op stuk nr. 40 op zoek hoe de registratie van klachten over arbeidsmarktdiscriminatie verbeterd kan worden. Als ik deze motie zo mag lezen dat ik dit kan doen nadat de SER een oordeel heeft geveld, zou ik de motie aan het oordeel van de Kamer willen laten.

De voorzitter:

Mevrouw Karabulut, ik zag u bevestigend knikken.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ja, voorzitter. Ik wilde ook even zeggen dat mevrouw Hamer deze motie mede wil ondertekenen. Ik wil de staatssecretaris nog meegeven dat zij niet hoeft te wachten tot het SER-advies, maar dat dit wel mag.

Staatssecretaris Klijnsma:

Dank u wel.

De motie van mevrouw Karabulut en de heer Heerma op stuk nr. 18 gaat over de verordeningsplicht voor gemeenteraden ten aanzien van de categoriale bijzondere bijstand. Ik ontraad deze motie, want wij hebben nu de mogelijkheid om in de bijzondere bijstand meer individueel maatwerk te leveren. Deze verordeningsplicht omarm ik dus niet.

Mevrouw Karabulut (SP):

Wij hebben nu juist de verordeningsplicht, die straks dreigt te verdwijnen. Deze motie is bedoeld om dat te voorkomen, mede omdat dat een diep gekoesterde wens was en misschien voor een deel nog is van de Kamer — ik noem de Partij van de Arbeid, het CDA en onze partij — behalve de VVD.

Staatssecretaris Klijnsma:

Deze motie gaat over de categoriale bijzondere bijstand. Ik stel voor om de categoriale bijzondere bijstand nu af te schaffen. Daarvoor in de plaats kan binnen die bijzondere bijstand meer maatwerk worden geleverd. Ik blijf dus bij het ontraden van deze motie.

De motie op stuk nr. 19 gaat over de tegenprestatie. In deze motie wordt de regering verzocht om handvatten en spelregels te maken die gemeenten dienen te hanteren bij het omgaan met de maatschappelijke tegenprestatie in de bijstand. Dat is in strijd met de beleidsruimte van gemeenten. Er is nog een motie ingediend over de verdringing, de motie op stuk nr. 35. Als ik deze motie, de motie op stuk nr. 19, zo mag lezen dat de regering wordt verzocht om in overleg met gemeenten tot spelregels te komen, laat ik het oordeel erover aan de Kamer.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dat lijkt mij prima. Is het mogelijk om de Kamer daar in elk geval over te informeren voor wij overgaan tot de behandeling van het wetsvoorstel, dus voor 16 december?

Staatssecretaris Klijnsma:

Nee. Ik kom bij de motie op stuk nr. 35 nog te spreken over het tijdpad. Er zijn twee dingen. Er staat "dienen te hanteren", dat is dus eigenlijk moeten. Ik ga ervan uit dat dat niet aan de orde is. Die handvatten en spelregels wil ik best met de gemeenten doorspreken, maar dat red ik niet voor de behandeling op 16 december.

Mevrouw Karabulut (SP):

Even voor de goede orde …

De voorzitter:

Geen discussie, mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Nee, voorzitter. Het is een toelichting. Ik wil het u ook nog even uitleggen. De staatssecretaris zegt zojuist dat er "dienen" staat en dat dat de gemeenten voorschrijven is. De staatssecretaris wil in haar nieuwe wetsvoorstel gemeenten juist voorschrijven dat zij per definitie zoiets als wat zij "tegenprestatie" noemt, moeten toepassen. Ik constateer dat daarover onduidelijkheid is, nog even los van de vraag of zij dat zouden moeten of niet. Dan moet de staatssecretaris zich in te toekomst wellicht iets zorgvuldiger uitdrukken.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ik dacht dat ik juist een handreiking deed door met de gemeenten in conclaaf te gaan over de handvatten en de spelregels. Dat doe ik met alle plezier. Als ik de motie zo mag lezen, laat ik het oordeel erover aan de Kamer.

In de motie op stuk nr. 23 wordt de regering verzocht om mensen met een reeds ingegane inkomensregeling uit te zonderen van de verhoging van de AOW-leeftijd. Deze motie moet ik ontraden. Wij hebben deze discussie al vaker gevoerd. Er is een overbruggingsregeling voor de schrijnendste gevallen en er is geen dekking voor bredere uitzonderingen of overgangsregelingen.

De heer Madlener vraagt de regering in zijn motie op stuk nr. 30 om de aangekondigde bezuiniging op de partnertoeslag te schrappen. Deze motie moet ik ontraden. De besparing die is ingeboekt voor deze maatregel, kunnen wij natuurlijk niet genereren. Ik lees de motie ook zo dat zij eigenlijk over de gehele partnertoeslag gaat. De afschaffing daarvan is natuurlijk al aangekondigd in 1995.

De heer Van Klaveren heeft een motie ingediend op stuk nr. 31 over de MKOB.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 31 is van de heer Madlener.

Staatssecretaris Klijnsma:

Ja, dat is waar. Ik ontraad die motie, net als ik de motie van de heer Klein op stuk nr. 50 ontraad. De heer Madlener verzoekt de regering in zijn motie om de MKOB in stand te houden. Op de huishoudentoeslag, waaronder de ouderencomponent, wordt 1 miljard op een inkomensafhankelijke manier bespaard. Het in stand houden van de MKOB leidt dus tot denivellering of tot een budgettair gat van 1 miljard. Daarom ontraad ik deze motie.

In de motie-Hamer op stuk nr. 37 worden wij verzocht in kaart te brengen welke instrumenten en partners gemeenten ter beschikking hebben bij de bestrijding van armoede onder werkenden. Hedenmiddag heeft het lid Kuzu een motie ingediend die ertoe strekt om de instrumenten in kaart te brengen voor het bestrijden van armoede onder kinderen. In die context wil ik deze motie meenemen. Dus ik laat het oordeel daarover aan de Kamer.

De motie-Van Weyenberg c.s. op stuk nr. 39 gaat over de jobcoaches. Als ik haar zo kan lezen dat ik daarover in overleg kan gaan met het UWV, dan laat ik het oordeel graag aan de Kamer.

In de motie-Van Weyenberg c.s. op stuk nr. 40 wordt de regering verzocht om een onderzoeksbudget te reserveren, zodat na ommekomst van het SER-advies kan worden gekeken welke concrete voorstellen wij kunnen doen om de discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Als deze motie aangehouden zou kunnen worden, dan kunnen wij dat inderdaad bekijken als het SER-advies er ligt.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat vind ik nou jammer, want wij doen juist recht aan het feit dat er eerst een SER-advies moet komen. Daarna vragen wij twee dingen: zorg dat er een beetje geld is om de vinger aan de pols te houden en zet er een beetje de turbo op. Dus wat zou het aanhouden van de motie toevoegen?

Staatssecretaris Klijnsma:

Als het SER-advies er ligt, gaan wij bezien of er vervolgacties aan de orde zijn en, zo ja, welke. Dan gaan wij onder meer bezien of naast eerdere onderzoeken van onder andere het Sociaal en Cultureel Planbureau nog verder onderzoek nodig is. Wij krijgen nu het verzoek om middelen te reserveren. Als dat tot op zekere hoogte kan, dan heb ik daar ook geen bezwaar tegen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik zit even te kauwen op die reactie. Het doel van de motie is tweeledig. De eerste vraag is: zorg dat je de vinger aan de pols kunt houden met een onderzoek. Op verzoek van de bewindslieden hebben wij al weggehaald uit het dictum wie dat onderzoek moet doen. De tweede vraag is: zet straks een tandje bij naar aanleiding van het SER-advies. Dit zou toch volledig moeten aansluiten bij de insteek waarvan de bewindslieden tijdens deze begrotingsbehandeling blijk hebben gegeven?

Staatssecretaris Klijnsma:

Het komt door de tijdspanne. Wij gaan pas na het SER-advies kijken welke vervolgacties wij beetpakken. Maar de strekking van deze motie is zodanig dat wij inderdaad op het SER-advies wachten. Wat dat betreft kan de motie worden aangehouden. Ik kan haar ook aan het oordeel van de Kamer laten, want wij gaan pas na het SER-advies kijken hoe of wat.

De motie-Van Weyenberg c.s. op stuk nr. 41 wil ik ook graag aan het oordeel van de Kamer laten, vermits een en ander binnen de wettelijke kaders kan, maar dat lijkt mij logisch. Het is een algemeen beginsel dat spoort met de Participatiewet, de WWB et cetera. Dus dat is verder prima.

De motie-Schouten/Kerstens op stuk nr. 44 gaat over de zoektermijn van vier weken in de bijstand. Ik wil de indieners vragen om de motie aan te houden, zodat wij haar kunnen betrekken bij de beraadslaging over de WWB-maatregelen, want daar komt zij ongetwijfeld aan de orde.

De voorzitter:

Gaat u verder; ik zie niet dat er behoefte is om daar iets mee te doen.

Staatssecretaris Klijnsma:

De motie op stuk nr. 45 …

De voorzitter:

Aanhouden en anders? Als de motie niet wordt aangehouden?

Staatssecretaris Klijnsma:

Dan zou ik haar moeten ontraden, omdat we dan voor de wetsbehandeling al zouden zeggen dat gemeenten meer beleidsvrijheid zouden krijgen ten aanzien van de toepassing van de zoektermijn. Ik wil dat heel graag betrekken bij de wetsbehandeling.

De motie op stuk nr. 45 over de nabestaanden in de werkomgeving vind ik een ondersteuning van beleid. Ik laat het graag aan het oordeel van de Kamer over. Ik zal graag met de werkgevers en werknemers daarover in overleg treden.

In de motie op stuk nr. 46 over de kindregelingen op de BES wordt de regering verzocht, in het voorjaar van 2014 met een voorstel te komen om de kinderkorting op de BES-eilanden om te vormen tot een kinderbijslagregeling. Deze motie moet ik ontraden vanwege de tijdspanne, maar ik wil in 2014 wel graag de mogelijkheden onderzoeken om te bezien hoe wij daar in 2015 meer zouden kunnen omgaan. Een voorstel om in het voorjaar van 2014 echt al te acteren, moet ik ontraden.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dat lijkt mij een fideel voorstel van de staatssecretaris. Ik zal mijn motie op dit punt ook wijzigen, zodat in 2014 onderzocht wordt welke mogelijkheden daartoe zijn.

Staatssecretaris Klijnsma:

Volgaarne. De motie op stuk nr. 48 gaat over het wettelijk recht om te kijken welke mogelijkheden er zijn om bij te verdienen. Deze motie wil ik ook ontraden omdat gemeenten zelf binnen kaders al vrijlatingen toekennen om een opstap naar arbeid te stimuleren. Dat zou ik graag zo willen laten.

De motie op stuk nr. 49 gaat over de flexibele AOW. Wij hebben het er al eerder over gehad. Ik moet de heer Klein teleurstellen. Deze motie moet ik ontraden, omdat het een kostbare maatregel is. Zij heeft een negatief effect op de werkgelegenheid en de houdbaarheid zal zo rond 1 miljard verslechteren. Ik ontraad deze motie.

De motie op stuk nr. 50 heb ik al behandeld bij de bespreking van de motie op stuk nr. 23 over het behoud van koopkracht voor ouderen.

In de motie op stuk nr. 52 wordt verzocht, de scholingsvouchers ook beschikbaar te stellen voor 50-plussers en niet alleen voor 55-plussers. Deze motie wil ik ontraden, want de beschikbare middelen worden ingezet voor de groep waarvoor het het lastigst is om aan het werk te komen. Daarom is gekozen voor de leeftijdsgrens van 55, omdat de werkhervattingskansen vooral vanaf deze leeftijd dalen. Ik ontraad daarom deze motie.

De voorzitter:

Welk nummer is dat?

Staatssecretaris Klijnsma:

De motie op stuk nr. 52.

De motie op stuk nr. 53 gaat ook over de scholingsvouchers. Daarin wordt verzocht om die alleen maar te gebruiken voor mensen die geen zicht hebben op een baan. Dat lijkt mij geen goed idee, want het is juist fijn om te kunnen scholen als mensen uitzicht hebben op werk. Daarom zou ik deze motie willen ontraden.

Last but not least, de motie op stuk nr. 54. Daarin wordt de regering verzocht om gemeenten aan te moedigen om specifiek beleid voor oudere werklozen in de bijstand te ontwikkelen. Als ik het zo mag lezen dat ik hierover met de VNG in overleg treed, dan laat ik het oordeel aan de Tweede Kamer.

De voorzitter:

Mijnheer Van Weyenberg, gaat u een motie intrekken?

De heer Van Weyenberg (D66):

Nee, voorzitter. Ik ga één woordje in een motie wijzigen. Het leek mij handiger om dat nu zo te doen met het oog op het feit dat de stemmingen al morgen zijn. Het betreft het dictum van de motie op stuk nr. 43, waarin een storend foutje is geslopen. Daarin staat het "vrije verkeer van personen", terwijl de hele motie natuurlijk gaat om het "vrije verkeer van werknemers". Ik verzoek om "personen" in "werknemers" te veranderen. Excuses voor de verwarring.

De voorzitter:

Dan is bij dezen de motie op stuk nr. 43 gewijzigd. Dank u wel.

Staatssecretaris Klijnsma:

Wij danken u, voorzitter, en de Kamerleden.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee zijn we aan het eind gekomen van de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2014. Over de ingediende moties, amendementen en de begroting zullen we morgen stemmen. Ik dank de minister en de staatssecretaris voor hun antwoorden en ik dank de mensen die via Politiek 24 dit debat hebben gevolgd. Ik sluit de vergadering en morgen gezond weer op!