Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 28, item 24

24 Begroting Buitenlandse Zaken

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2014 (33750-V).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Timmermans, van harte welkom. Zijn ondersteuning zie ik niet en heet ik dus nog niet van harte welkom, maar waarschijnlijk is die er al wel. Ook heet ik alle mensen die meekijken welkom. Wij beginnen vanavond met de eerste termijn van de Kamer.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. De wereld is aangenaam verrast met een belangrijke diplomatieke stap, het nucleaire akkoord met Iran. Na jaren van oorlogsdreiging zijn er nu eerste afspraken gemaakt over de begrenzing van het nucleaire programma en verlichting van de sancties. Het komt nu aan op het vervolg. Heeft de minister vertrouwen in de oprechtheid van het akkoord? Wat betekent die sanctieverlichting nu precies? Wat betekent die in de eerste plaats voor de Iraanse bevolking? Ik denk aan de toegang tot medicijnen. En wat betekent die voor Iraanse jongeren in Nederland? Kunnen zij hun collegegeld straks weer door hun ouders overgemaakt krijgen naar hun rekeningen in Nederland?

Een onaangename verrassing kwam er uit Afghanistan. Daar dreigt steniging weer als straf te worden ingevoerd. Na meer dan tien jaar investeren in de wederopbouw zou dat een enorme terugval zijn. De minister zei in de media dat de herinvoering daarvan gevolgen zal hebben voor de relatie tussen Nederland en Afghanistan. De vraag die zich natuurlijk opdringt, is waar hij concreet aan denkt. De relatie tussen westerse landen en Afghanistan lijkt in het algemeen te verslechteren, ondanks de enorme inspanningen van de internationale gemeenschap. De goede doelen worden daar, net als eerder in Irak, niet of nauwelijks gehaald. Militaire interventie blijkt bepaald geen wonderolie voor vastgelopen samenlevingen. De westerse aanwezigheid lijkt even vaak bij te dragen aan nieuw geweld, omdat het groepen een legitimatie verschaft om de wapens op te nemen. Dit alles neemt uiteraard niet weg dat militairen, ook de Nederlandse, ter plaatse goed werk kunnen leveren, zoals de Nederlanders in Uruzgan. De problemen bleken echter groot en de cultuur te verschillend om structurele verandering teweeg te brengen.

Inmiddels liggen er plannen voor een nieuwe militaire missie, nu in Mali. De huidige onrust in Mali is deels een resultaat van een andere westerse militaire interventie die verwoestende gevolgen had, die van de NAVO in Libië. Onbedoeld leidde deze interventie ertoe dat strijders en veel wapens uit de opslagplaatsen van Kadhafi via de immense woestijn hun weg vonden naar het noorden van Mali, waarna de ellende in het land begon. Er moet worden voorkomen dat in Mali dezelfde fouten worden gemaakt als in Irak, Afghanistan en Libië. Welke lessen zijn er geleerd uit die militaire interventies?

In het geval van Syrië lijkt de kans op een militaire interventie nu verruild voor een vredesconferentie in januari. Ook dat is toe te juichen. De SP vindt het van groot belang dat alle relevante groepen daarbij aan tafel komen. Er moet dus druk op het Vrije Syrische Leger komen om ook deel te nemen. Ook moet er ruimte zijn voor de grote groep christenen die klem zit tussen de oppositie en het regime. Humanitaire hulp bereikt deze groep nauwelijks. Hoe gaan Nederland en de Europese Unie bevorderen dat alle betrokken groepen hulp krijgen en mee mogen praten over de toekomst van Syrië?

Een heel ander thema betreft nucleaire ontwapening. Nederland is hiervoor, maar in de praktijk wordt dat niet waargemaakt. Toen 129 VN-leden onlangs een resolutie aannamen voor het vastleggen van 26 september als de internationale dag voor de volledige afschaffing van kernwapens, stemde Nederland tegen. Eerder werd geweigerd een verklaring te steunen waarin wordt gesteld dat het in het belang van het voortbestaan van de mensheid is dat kernwapens onder geen enkele omstandigheid meer worden gebruikt. De SP maakt zich hierover grote zorgen. Is de regering oprecht in haar wens tot nucleaire ontwapening? Is de regering bereid om op zijn minst een "no first use"-standpunt binnen de NAVO te bespreken? Ook het verbod op chemische wapens is er gekomen na die eerste belangrijke stap van een "no first use"-verklaring. Wij waren recent bij de OPCW op werkbezoek. Vorige week nam de Kamer een motie aan waarin staat dat de opvolger van de F-16 geen nucleaire taak mag hebben. Wat betekent dat voor de Nederlandse kernwapentaak in de NAVO?

Een volgend thema betreft het Amerikaanse beleid van targeted killing. De SP vraagt opnieuw aandacht voor de drone-oorlog, die al duizenden slachtoffers heeft gemaakt, onder wie vele burgers. De reden hiervoor is simpel: onderdelen van dit Amerikaanse beleid en specifieke targeted killings die de VS uitvoeren, zijn in strijd met het internationaal recht. Dat geldt bijvoorbeeld voor zogenaamde signature strikes, waarbij de VS in Pakistan en Jemen raketten afvuren op mensen van wie men de identiteit niet kent. Ook specifieke targeted killings zijn illegaal, zoals de tot in detail gedocumenteerde aanval met kruisraketten met clustermunitie in 2009 in Jemen. Daarbij kwamen tientallen burgers om het leven. Mensenrechtenorganisaties en andere ngo's hebben hier inmiddels al veel over gepubliceerd. De minister reageert op mijn opmerkingen hierover steeds met een verwijzing naar de door de Verenigde Staten opgeworpen blokkade van ondoorzichtigheid. De eenvoudige vraag of ten minste een van de honderden drone-aanvallen het internationaal recht heeft geschonden, wordt dan ook niet bevestigend beantwoord. Dat is ridicuul. Omdat de VS zich niets aantrekken van de kritiek op het gebruik van drones, vraag ik de minister om een internationale bijeenkomst op statelijk niveau te organiseren over de juridische beperkingen aan de inzet van drones en targeted killings. Ook vraag ik de minister, te verzekeren dat inlichtingen die Nederland met de VS deelt, niet gebruikt zullen worden voor illegale targeted killings. Kan de minister dat toezeggen?

Ik kom te spreken over de relatie met Israël. De SP is het zeer met de minister eens dat uitbreiding van de nederzettingen de grootste bedreiging vormt voor een tweestatenoplossing. Van groot belang is dan ook dat tegenwicht wordt geboden aan deze uitbreiding. Nederland, de EU en de internationale gemeenschap falen daarin. Sinds de start van de huidige onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen heeft de regering-Netanyahu immers de bouw van bijna 9.000 nieuwe woningen in bezet gebied goedgekeurd. Een middel om tegenwicht te bieden is eerlijke etikettering van producten uit nederzettingen. Mijn fractie constateert teleurgesteld dat hierover al sinds het jaar 2000 gesproken wordt in de Tweede Kamer, dus al dertien jaar lang, maar dat het vooralsnog wachten is op een einde aan deze consumentenmisleiding. Wanneer komt hier nu eindelijk eens verandering in? Moeten we ook niet de vraag stellen waarom überhaupt wordt toegestaan dat producten uit nederzettingen worden geïmporteerd? Juridisch gezien mag het, maar feitelijk dragen we daarmee bij aan de instandhouding van nederzettingen.

Bilateraal wordt begin december het Nederlands-Israëlische samenwerkingsforum opgericht. Voor de SP is hierbij van cruciaal belang dat de nederzettingeneconomie uitgesloten wordt van dit forum. Dat kan door een clausule op te nemen waarin de overeenkomst expliciet wordt beperkt tot de lijn van 1967. Die clausule geldt ook per 1 januari 2014 voor EU-subsidies. Is de minister bereid, dit na te streven? Meer algemeen is de vraag waarom juist nu de betrekkingen worden verdiept. Ligt het niet veel meer voor de hand om dit voorwaardelijk te maken aan vorderingen in het vredesproces?

Wat doet de minister ter uitvoering van de motie om meer aandacht te besteden aan mensenrechtenschendingen in Saudi-Arabië? Concreet vraag ik waarom niet wordt gevraagd om toegang tot het proces van de prominente mensenrechtenactivist Fadel al-Manasef. Morgen is vermoedelijk de laatste zitting. Het verzoek van Amnesty International hiertoe ligt al enige tijd bij de Nederlandse ambassade.

Ten slotte ga ik in op het Nederlandse koloniale verleden in Indonesië. De SP complimenteert het kabinet vanwege het besluit om claims van weduwen van standrechtelijk geëxecuteerden in voormalig Nederlands-Indië in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Dit besluit moet royaal uitgevoerd worden, maar de kous is daarmee niet af. Er waren immers veel meer slachtoffers door Nederlandse oorlogsmisdaden. De laatste maanden blijven hierover nieuwe schokkende gegevens naar buiten komen, over Nederlandse, maar ook over Indonesische misdaden. Het belang van een breed onderzoek naar het militaire geweld in Indonesië in de tweede helft van de jaren veertig blijft dus overeind staan. Deelt de minister dit oordeel en is hij bereid naar mogelijkheden te zoeken, zodat dit onderzoek alsnog kan worden uitgevoerd?

De voorzitter:

Fantastisch binnen de tijd, mijnheer Van Bommel.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. 2013 was voor de internationale politiek een opmerkelijk jaar. Het was een jaar van radicale omwentelingen in de mondiale machtsverhoudingen waarbij ijzersterke allianties op de proef werden gesteld en soms ook opmerkelijke allianties werden gesloten. Het was een jaar van grote democratische hervormingen, maar het was helaas ook het zevende jaar op rij waarin volgens het Freedom House de vrijheid in de wereld er meer op achteruitging dan vooruitging.

Nergens in de wereld leek er zoveel te veranderen als in het Midden-Oosten. We zagen ook hoe de Europese Unie zichtbaarder werd en tegelijkertijd hoe de Amerikaanse regering zich als strategische partner langzamerhand terugtrok uit een aantal gebieden. Het machtsvacuüm dat de VS en Egypte in het Midden-Oosten hebben achtergelaten, lijkt nu te kunnen worden opgevuld door de hoogste bieder. Zo probeerde Turkse premier Erdogan een alternatief te vormen voor de Pax Americana door toenadering tot de Arabische wereld te zoeken. De Sinaïwoestijn, ooit de geboorteplaats van de wet, is verworden tot een wetteloos niemandsland, waar Egyptische veiligheidsdiensten, christenen en toeristen niet langer veilig zijn voor oprukkende jihadisten. Pakistan en Saudi-Arabië werken intussen samen op het gebied van nucleaire technologie. Naast Rusland en China dingt ook Frankrijk tegenwoordig mee naar een rol van formaat in hetzelfde Midden-Oosten.

Dé gebeurtenis van 2013 was natuurlijk de inzet van chemische wapens in Syrië. De norm van het niet vergassen van je eigen bevolking is een absolute ondergrens van onze beschaving. De internationale gemeenschap moet die norm willen handhaven als het zich "internationale gemeenschap" wil blijven noemen. Iedereen is het daarover eens: 190 landen, 98% van het wereldoppervlak en van de wereldbevolking, worden gecoverd door de conventie voor chemische wapens. Het is de enige conventie van de drie conventies — chemisch, biologisch en nucleair — die universeel is in haar handhavingsregime. Iedereen is gelijk: leden van de Veiligheidsraad worden niet anders behandeld dan andere landen. Toen die norm werd overschreden, werd de internationale gemeenschap zelf op de proef gesteld. Dat we waarde hechten aan deze normen, aan deze ondergrenzen van de internationale gemeenschap, is niets nieuws. Op 15 januari 1946, 67 jaar geleden, hield onze toenmalige minister-president Schermerhorn een toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Daarbij benadrukte hij het belang van morele ondergrenzen en waarschuwde hij voor de gevolgen van een internationale gemeenschap die die ondergrenzen niet erkent, niet langer wenst te handhaven of alleen toepast als dat haar goed uitkomt. Hij vreesde voor de terugkeer van het verwerpelijke concept van het recht als "what is useful to the state" en voor de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor de legitimiteit van de toen nog piepjonge Verenigde Naties. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens, waarschuwde voor dreigend misbruik van het vetorecht in de VN-Veiligheidsraad.

Als wij niet oppassen, zijn er gelijkenissen met vandaag. Het is terecht dat onze minister van Buitenlandse Zaken zijn zorgen heeft geuit over het misbruik van het vetorecht in de VN-Veiligheidsraad en over de gevolgen voor de legitimiteit van de VN. Ik leg hem de vraag voor of het vrijwillig opgeven van een veto een voldoende overtuigende bijdrage is om de doctrine van Responsibility to Protect een praktische en vooral ook overtuigende invulling te geven. Ik kom daar straks op terug.

Het jaar 2013 begon als het jaar van diplomatiek falen en escalatie. De wereld bleek niet in staat om de gruwelen in Syrië via de diplomatieke weg op te lossen. We zagen in de Arabische wereld de sjiitisch-soenitische scheidslijn zich verder verdiepen. Syrië zit in een geloofsoorlog, maar waar men elkaar niet de hoofden inslaat, zet men elkaars ambassadeurs wel uit, zoals vorige week gebeurde door Turkije en Egypte. De VS hebben de grootst mogelijke moeite om de aloude betrekkingen met aloude belangrijke bondgenoten zoals Israël en Saudi-Arabië goed te houden. Eind vorige week liep ook de spanning tussen China en Japan voor het eerst in jaren weer gevaarlijk op, nadat China een luchtverdedigingszone instelde boven de betwiste Senkaku-eilanden in de Oost-Chinese Zee. Dit lijkt me een mooi moment om de heer Van Bommel het woord te geven.

De voorzitter:

Ik hoorde ook een punt.

De heer Van Bommel (SP):

Ik weet niet of dit inderdaad een mooi moment is. Daarom aarzelde ik even, want ik wilde een vraag stellen over Syrië. Misschien komt de heer Ten Broeke daar nog verder over te spreken. Het ging even heel snel, maar hij had een duidelijk punt over Syrië, over de norm. We hebben daar ook in het publieke debat met elkaar de degens over gekruist. Toen verweet de heer Ten Broeke mij bijna dat ik kies voor de vorm, namelijk de VN, terwijl hij kiest voor de norm dat er geen chemische wapens mogen worden ingezet. Dat standpunt deelden wij. De heer Ten Broeke gaf toen onverkort steun aan het idee dat het gebruik van gas moest worden bestraft met een militaire aanval. Die is er niet van gekomen. Wij kunnen dus eigenlijk vaststellen dat ik met mijn positie in het kamp van de Amerikaanse president zat en dat de heer Ten Broeke tamelijk alleen stond. Komt hij daar nu op terug of zegt hij dat Obama wel de juiste keuze heeft gemaakt?

De heer Ten Broeke (VVD):

Het is natuurlijk een gotspe om te beweren dat iemand in deze zaal graag had gezien dat Obama kruisraketten had afgevuurd op Damascus. Ik kan ook niemand aanwijzen van wie ik zelfs maar het vermoeden heb dat hij dat zou willen. De wereld is behoed voor deze aanval en dat heeft ook mijn steun. Anders dan heel veel partijen in deze Kamer, inclusief de partij van de heer Van Bommel, gaf de VVD van tevoren wel helderheid. Mijn fractie gaf wel helderheid over het handhaven van de norm en zij verkoos op dat moment niet de vorm van de Veiligheidsraad. De heer Van Bommel kent de positie van mijn fractie op dit vlak. Wij hebben die bij het debat in deze Kamer over de commissie-Davids uitgebreid voor het voetlicht gehad. Als je alles hebt gedaan om uniformiteit in de Veiligheidsraad te bereiken, is er dan een situatie denkbaar waarin je toch met een veto, dat een dergelijke norm niet kan handhaven, een norm die dus door 190 landen, inclusief alle leden van de Veiligheidsraad, wordt onderschreven, daaraan voorbijgaat? Mijn fractie en mijn partij zeggen al jaren: ja, dat is zo. Wij gaan niet voor het legalistische argument, maar voor het legitieme argument. Het is legitiem om op dat moment de burgerbevolking te hulp te schieten, om de norm te handhaven en niet de vorm die de heer Van Bommel kennelijk laat prevaleren en om de principes te handhaven boven de procedures.

De heer Van Bommel (SP):

De heer Ten Broeke heeft veel woorden nodig voor een antwoord op mijn vraag. Dat is meestal geen goed teken. Mijn vraag was namelijk heel eenvoudig. De fractie van de heer Ten Broeke was er toen voor dat de Amerikanen als strafexercitie, om die norm te handhaven, bombardementen zouden uitvoeren. Ze zouden wel bombardementen uitvoeren, maar niet op Damascus. Dat is echter niet gebeurd. Is de heer Ten Broeke achteraf niet gelukkig dat men niet naar hem geluisterd heeft? Dat is de kern van mijn vraag.

De heer Ten Broeke (VVD):

Normaal gesproken zou ik met de heer Van Bommel nooit een debat kunnen voeren, als ik het gevoel had dat hij mij bewust verkeerd zou interpreteren. In dit geval denk ik — ik roep bijna mijn collega's hierbij als getuigen op — dat niemand mij heeft horen zeggen dat ik een aanval op Syrië wenste, integendeel. Integendeel! De VVD-fractie was echter wel de enige fractie die in alle eerlijkheid vooraf zei dat er zich een situatie zou kunnen voordoen, als het hele VN-spoor afgewandeld zou zijn, waarin een aanval op Syrië gelegitimeerd zou zijn. Vele anderen dachten dat en zouden die positie misschien achteraf hebben moeten innemen. Mijn fractie nam die van tevoren in.

Mijnheer Van Bommel, nog één ding: ik denk dat die positie ook de positie van de Amerikaanse regering was. Ik denk dat die positie ertoe heeft geleid dat, weliswaar op het allerlaatste moment, deze aanval gelukkig niet hoefde door te gaan. Laten wij elkaar wel serieus blijven nemen. Ik heb mijn houding in dat debat geëxpliciteerd. Ik heb nooit opgeroepen tot een aanval. Ik heb altijd de hoop uitgesproken dat die vermeden kon worden. Het overtreden van deze norm, het inzetten van gifgassen tegen de eigen bevolking en het bezitten van die wapens en ze ook inzetten, kunnen echter niet onbestraft blijven. Dat is een vrijbrief voor terroristen. Dat is een vrijbrief voor staten die denken dat ze daarmee weg kunnen komen. Op dat moment — ik zeg dit speciaal tegen de heer Van Bommel — ben ik blij dat ik behoor tot een partij die dan het principe boven de procedure stelt.

Aan het einde van dit opmerkelijke jaar zien wij toch een aantal diplomatieke successen. Waar een diplomatieke faux pas in het verleden tot oorlog leidde, leidde de verspreking van John Kerry tot het afblazen van een vergeldingsactie. Gelukkig! Dezelfde John Kerry verdient alle lof voor de wijze waarop hij Israël en de Palestijnen weer aan de tafel wist te krijgen. Deze week gingen de historische besprekingen tussen Iran en de P5 plus 1 van start. Die hebben ook een resultaat opgeleverd. Bovendien zagen wij in eigen land hoe kundige diplomatie, zowel van minister Timmermans als van de minister-president, ervoor zorgde dat de broodnodige de-escalatie werd aangebracht in onze relatie met Rusland. Ik heb hier weleens gezegd dat wij de plicht tot optimisme moeten hebben, en die voel ik ook. Ik denk dat 2014 het jaar kan worden van echte diplomatieke doorbraken. Daarvoor hebben we nodig: een opvolger van het interim-akkoord met Iran, waar ik straks op terugkom; natuurlijk, bij voorkeur, liefst na zoveel jaar een Israëlisch-Palestijns vredesakkoord, en heel misschien wel enige diplomatieke vooruitgang in de gesprekken tussen de Syrische regering en de oppositie, die in elk geval weer aangekondigd zijn. Deze konden niet in de laatste plaats tot stand komen omdat de Amerikanen in elk geval nog bereid waren om hun vergeldingsinstrument in te zetten, mijnheer Van Bommel. Al zijn deze onderhandelingen fragiel, we moeten realistisch zijn. Wie falen voorspelt, heeft in dit soort gevallen altijd de grootste kans op gelijk. Maar toch zou het zomaar kunnen dat de diplomatie van 2014 ons gaat verrassen.

Stabiliteit, vrede en veiligheid in de wereld kunnen nog steeds niet zonder een internationale organisatie. Om aan zo'n wereld bij te dragen richtten wij in 1945 de Verenigde Naties op. Ik hoef u niet te vertellen dat de legitimiteit van diezelfde VN enorm onder druk staat. Dat geldt voor de VN Veiligheidsraad, dat geldt voor de VN Mensenrechtenraad en dat geldt zelfs voor de Algemene Vergadering.

Mag ik daar een voorbeeld van geven? Op 14 november jongstleden nam de Algemene Vergadering 9 resoluties aan ter veroordeling van Israël. Geen enkel ander land werd die dag middels een resolutie veroordeeld. Zwartepieten? De VN weet er alles van. Een VN-tolk was vergeten haar microfoon uit te zetten. In de veronderstelling dat haar microfoon inderdaad uit stond, sprak zij haar collega als volgt aan: "I think, when you have like a total of ten resolutions on Israel and Palestine, there's got to be something… C'est un peu trop, non? There's other really bad shit happening, but no one says anything about the other stuff." De zaal moest lachen, de tolk schrok zich dood en bood direct haar excuses aan. De anekdote is behalve grappig ook exemplarisch voor de toestand van de Algemene Vergadering van de VN, en zeker voor het gedrag van de VN Mensenrechtenraad. Hier spatte de nobele droom van liberale internationalisten uiteen in een politieke nachtmerrie.

Wanneer de Algemene Vergadering volgende maand afgelopen is, heeft zij 22 resoluties tegen Israël en 4 tegen andere landen aangenomen. Hypocrisie, selectiviteit, politisering, in het enige orgaan waarin de hele wereld overtuigend kan samenkomen. Israël, dat Syrische vluchtelingen verzorgt. Israël, dat als enige land in het Midden-Oosten gay prides toestaat. De enige liberale democratie in het Midden-Oosten. Dat Israël krijgt 22 resoluties aan zijn broek. Dat moet ook een kandidaat voor de Veiligheidsraad zich aantrekken, zeg ik tegen de minister.

De VVD-fractie is zich maar al te bewust van de beperkte mogelijkheden om hier heel veel aan te kunnen veranderen, maar de ambitie van deze regering om zich te kandideren voor een zetel in de Veiligheidsraad biedt ook bescheiden kansen. Dan heeft Nederland de uitgelezen kans om zich in te zetten voor de bevordering van de internationale rechtsorde, zoals wij dat in de Grondwet hebben genoemd, maar ook en vooral voor de praktische afdwingbaarheid daarvan. Dat is ook nog altijd in ons eigen belang.

De VVD steunt de Nederlandse kandidaatstelling voor de VN Mensenrechtenraad, zij het schoorvoetend, zoals ik al eerder heb gezegd. Dan willen wij graag zien dat de Nederlandse regering zich inspant om Israël uit te dagen lid te worden van die Mensenrechtenraad. Ik heb begrepen dat Israël die bereidheid heeft. Graag wil ik van de minister weten of hij pogingen heeft ondernomen om Israël lid te laten worden van een onderdeel van die Mensenrechtenraad, namelijk de Western European and Others Group. Heeft de minister in dit kader wat ondernomen? Wat gaat Nederland doen om Israël lid te laten worden van deze groep?

Terug naar de Veiligheidsraad. Kunnen we deze materialisering van de naoorlogse wereldorde, die nu zo onder druk staat, omdat de architecten ervan niet langer bij machte lijken om de orde te handhaven, institutioneel hervormen? Iedereen is het erover eens dat de gevolgen van een zwakke Veiligheidsraad voor Nederland niet gunstig zijn. Misbruik van het veto-instrument levert immers een vrijbrief op voor verdere proliferatie van chemische wapens, of de inzet daarvan, zeg ik tegen de heer Van Bommel.

Dat bully's op het schoolplein de dienst uitmaken, kunnen we nog wel accepteren, want dat is de realiteit van internationale verhoudingen, maar dat zij met het overtreden van zelfs de meest basale normen van de internationale gemeenschap wegkomen, dat is niet te accepteren. Minister Timmermans heeft bij zijn toespraak tot de Algemene Vergadering gezegd dat hij de permanente leden van de Veiligheidsraad vrijwillig zou willen laten afzien van het inzetten van hun veto-instrument, bijvoorbeeld bij humanitaire interventies, die noodzakelijk worden bij grote mensenrechtenschendingen. Als het aan mijn fractie ligt, mag dat wel wat specifieker en concreter. De permanente leden zouden vrijwillig moeten afzien van het gebruik van hun veto bij bijvoorbeeld de inzet van chemische wapens. Die norm is in het Verdrag chemische wapens immers al door iedereen onderschreven, op zes landen na, waarvan vier ondertussen overwegen om het verdrag te ondertekenen. Is de minister bereid om dit hard te maken en om dit concreter te maken? Wat is zijn inzet op dit punt? Is die inzet gekoppeld aan de kandidatuur van Nederland?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik kom nog even terug op Israël. Ik vond het verhaal van de heer Ten Broeke over de eenzijdigheid in het kader van het aanklagen van Israël wel ontroerend. Het ging over die 22 resoluties et cetera. Wat vindt de heer Ten Broeke van de bijdrage van 65 miljoen per jaar die Nederland levert aan de Palestijnse Autoriteit? Wat vindt hij van het amendement van mijn fractie waarmee wordt beoogd te bekijken of we die 65 miljoen misschien iets moeten omvormen, opdat er echte samenwerking tot stand komt? Zo gaat ook daar de eenzijdigheid er een beetje af. Laten we proberen met elkaar die projecten te ondersteunen die vrede van onderop stimuleren. Hoe kijkt de heer Ten Broeke daartegenaan?

De heer Ten Broeke (VVD):

Al jaren steunt mijn fractie de bijdrage aan de Palestijnse Autoriteit. Het is de enige kans op vrede. De Palestijnse Autoriteit moet gesteund worden. De legitimiteit daarvan is wat mij betreft boven elke twijfel verheven. Dat niet al het geld goed terechtkomt en goed wordt gebruikt, is wel degelijk een punt van zorg. Dat moet ook altijd worden besproken. Gelukkig neemt Nederland voortdurend initiatieven om dat te verbeteren. Ik ben er echter van overtuigd dat er maar één weg is naar vrede, namelijk de weg waarbij we beide partijen, zoals ook in het regeerakkoord staat vermeld, zo even-handed mogelijk benaderen. Dat geldt dus ook voor de steun.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik dank de VVD voor die opening. De heer Ten Broeke heeft het over even-handed benaderen, maar onderschrijft hij dan ook de inspanningen van bijvoorbeeld dit kabinet in het kader van verzoeningsprojecten en samenwerkingsprojecten waarbij Palestijnen, Arabieren en Israëli's op het grondvlak met elkaar samenwerken? Misschien moeten we dat soort projecten wat meer gaan stimuleren. Staat de VVD ook open voor dat soort projecten?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik heb een grote voorkeur voor projecten die uiteindelijk het dagelijks leven van mensen verbeteren. Als het gaat om verzoening, is er sprake van een intrinsieke waarde om een en ander te doen. Het moet dus vanuit de mensen zelf komen. Tijdens alle bezoeken die ik aan deze gebieden heb gebracht, heb ik nooit de indruk gekregen dat hardwerkende Palestijnen en hardwerkende Israëli's niet uit zichzelf die behoefte al zouden vervullen. Misschien is het nodig om dat met subsidies en projecten aan te kleden. Het lijkt me prachtig, maar ik heb veel liever dat de economie wordt gesteund en dat er echte projecten komen waaraan bijvoorbeeld Nederlandse bedrijven deelnemen. Ik heb het dan bijvoorbeeld over waterzuiveringsprojecten. De heer Voordewind kan zich daar ongetwijfeld wel iets bij voorstellen. Ik wil liever dat met dit soort projecten het praktische leven van mensen verbetert dan dat ze proberen met overheidsgelden uit andere landen verzoening na te streven. Dat zouden ze uit zichzelf moeten doen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. De VVD erkent dat er in de Veiligheidsraad grote veranderingen nodig zijn, maar dat die niet overnight mogelijk zijn. We zijn ons bewust van de consequenties. Als de VN-Veiligheidsraad er niet voor kiest zichzelf te delegitimeren — hetgeen wat ons betreft de afgelopen twee jaar bij Syrië gebeurd is — dan rest ons niets anders dan hem te passeren en in urgente gevallen, bijvoorbeeld na de inzet van chemische wapens, buiten de Veiligheidsraad om te gaan. Niet de vorm maar de norm telt, zoals de heer Van Bommel goed heeft onthouden. Niet de procedure maar het principe moet hier uiteindelijk overleven. De belangen van de burgers moeten immers worden behartigd door de VN. Dat geldt net zo hard in Syrië als dat ooit gold in Halabja.

Onze zorgen over de VN gaan verder. We willen niet alleen een meer eigentijdse uitwerking van het vetorecht zien. Ik hoor overigens straks graag het oordeel van de minister daarover. We willen ook dat moderne humanitaire overwegingen worden meegenomen, ook als het gaat om iets waar we eigenlijk vandaag nog wat aan moeten doen, namelijk de budgetcontrole. Het budgetrecht van de Kamer is misschien wel ons meest fundamentele parlementaire wapen. Gelet op de begroting van Buitenlandse Zaken, zie ik dat we elk jaar opnieuw een keurige lijst krijgen waarbij de vrijwillige afdrachten aan VN-organisaties op een rij zijn gezet. Ik controleer die begroting graag. Dat is mijn taak. Dat is ons aller taak namens de Nederlandse bevolking. Met de vaste uitgaven is op zichzelf niet zo heel veel mis. Maar ik constateer ook dat in de loop van het jaar aan sommige organisaties tientallen miljoenen meer wordt betaald dan verplicht is, zonder dat wij dat van tevoren exact weten. Ik hoef het niet per se te weten, maar ik zou in ieder geval willen dat het achteraf wordt uitgelegd, want dan kan ik mijn controletaak vervullen. Daarover zou ik graag wat meer duidelijkheid krijgen, evenals over het Nederlandse belang dat gediend is met die extra uitgaven. Het gaat om organisaties die we meer geld geven dan waartoe we verplicht zijn, zoals de ILO, UN Women, UNAIDS, UNDP, UNEP — de environmental organisatie van de VN — de UNESCO, UNRWA, UNHCR, het World Food Programme, maar ook de Wereldgezondheidsorganisatie. Het zijn alle organisaties van de VN die vele miljoenen meer krijgen dan waartoe wij via onze vaste bijdrage verplicht zijn. Ik wil er twee voorbeelden uithalen.

Voor de UNESCO draagt Nederland de verplichte contributie af ter waarde van 15 miljoen — de dertiende bijdrage in de wereld — maar in 2012 kwam er maar liefst 24 miljoen aan vrijwillige bijdragen bij. Dat is vijf keer zo veel als de verplichte bijdrage en dat op het moment dat de Amerikanen de subsidiekranen aan UNESCO hebben dichtgedraaid om redenen die iedereen kent, namelijk omdat de UNESCO zo onverstandig was om geheel tegen de mening van de Algemene Vergadering in de Palestijnen al een volwaardig lidmaatschap te bieden. Dat is een positie waar Nederland zich gelukkig van stemming heeft onthouden. Zo staat Nederland plotseling in de top vijf van de wereld. Het mag toch niet zo zijn dat wij gaan bijstorten omdat de Amerikanen niet langer betalen?

Ik kan ook een andere organisatie noemen, de ILO, the International Labour Organization. Nederland geeft daaraan 5,1 miljoen per jaar, maar alleen al tussen 2009 en 2013 kwam daar een vrijwillige bijdrage van in totaal 58 miljoen bij. Welk belang heeft Nederland erbij om ILO's vierde grootste donor te zijn?

De scorekaart die het ministerie van Buitenlandse zelf hanteert, geeft aan dat de ILO wel degelijk onderhevig kan zijn aan kritiek. Het personeelsbeleid laat te wensen over, de uitvoerig van het beleid wordt als matig gekwalificeerd en er is zelfs sprake van een grote mate van inefficiëntie bij de veldkantoren. Niet alleen Nederland dacht er zo over, ook de Britse inspectiedienst dacht er zo over.

De voorzitter:

De heer Sjoerdsma staat al enige tijd klaar om een vraag stellen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Zeker! Mijn excuses daarvoor.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat is niet erg, want wij wachten even op het punt van de heer Ten Broeke en dat kwam alsnog. Ik heb een vraag over een stukje eerder in het betoog, namelijk dat over de parlementaire controle. Ik ken de heer Ten Broeke als zeer zuiver op de graat. Het gaat om de parlementaire controles achteraf.

De heer Ten Broeke (VVD):

We doen ons best.

De heer Sjoerdsma (D66):

Wat ik mij wel afvraag, is hoe de heer Ten Broeke staat ten opzichte van het voorstel van zijn collega, mevrouw de Caluwé, die zegt dat het parlement natuurlijk wel verwittigd moet worden met brieven als de minister noodhulp gaat uitgeven van meer dan 5 miljoen. Dat kan niet zomaar gebeuren en zij vraagt waarom Nederland toch altijd als eerste in de rij moet staan. Dat strookt toch niet met elkaar?

De heer Ten Broeke (VVD):

Nee hoor. Ik zie twee liberalen van dezelfde fractie die hun controletaak buitengewoon serieus nemen. Misschien is mevrouw De Caluwé nog wel wat zuiverder op de graat als ik het idioom van de heer Sjoerdsma moet volgen. Zij wenst parlementaire controle op de grote uitgaven die wij doen. Wij roepen niet alleen maar buiten deze Kamer wanneer iets nodig is; wij kijken ook binnen de Kamer altijd heel scherp waaraan Nederlandse belastingcenten worden besteed.

De heer Sjoerdsma (D66):

Maar zo werkt het natuurlijk niet.

De heer Ten Broeke (VVD):

Nee?

De heer Sjoerdsma (D66):

Parlementaire controle is achteraf. Had minister Ploumen dan in het geval van de Filipijnen, toen zij 5 miljoen gaf, een brief naar de Kamer moeten sturen om dat aan te kondigen? Had de VVD als liberale fractie moeten zeggen "Goed idee! Dat doen we"? De manier waarop noodhulpgelden zijn uitgegeven, is toch iets wat aan het einde van het jaar verantwoord kan worden? Dat is toch een heel raar voorstel van de VVD.

De heer Ten Broeke (VVD):

Nee, ik vind het een uitermate goed voorstel. De noodzaak voor noodhulp wordt door ons niet betwist. Wel zien we dat noodhulp soms pondspondsgewijs wordt gegeven. Daar zou je veel meer beleid op kunnen zetten en controle vooraf — opiniëring van deze Kamer vooraf — is een instrument dat door mijn fractie net zo vaak wordt gebruikt als door de fractie van de heer Sjoerdsma. Wat mij betreft, is er geen enkel bezwaar om de minister tevoren te vragen om dat even toe te lichten aan de Kamer wanneer hij voornemens is om grote hulpbedragen over te maken. Dat lijkt mij een uitermate goed idee.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik heb een vraag over de vrijwillige bijdrage. Eerlijk gezegd, ben ik enigszins verbaasd over deze vragen. De heer Ten Broeke laat zich erop voorstaan dat de begroting altijd heel goed gecontroleerd moet worden. Maar wat vraagt hij? Hij stelt een vraag over iets wat we sinds 1949 doen. De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is zo ongeveer begonnen met een vrijwillige bijdrage aan de Verenigde Naties. We doen dit inmiddels een jaar of 50. In 2013 vraagt de heer Ten Broeke nu voor het jaar 2014 aan de minister waarom wij eigenlijk zo'n hoge vrijwillige bijdrage betalen. Ik zeg tegen de heer Ten Broeke dat wij dit al 50 jaar doen. Wat is de reden dat hij nu van de minister wil weten waarom wij dat eigenlijk in die mate doen?

De heer Ten Broeke (VVD):

Dit is een opmerkelijk pleidooi van de heer Van Ojik. Eigenlijk zegt hij tegen mij: wij geven die miljoenen al heel lang zonder dat daar al te veel controle op plaatsvindt, maar laten wij dat vooral zo houden. De VVD-fractie zal dat nooit accepteren. Wij zullen voor elke cent die wordt uitgegeven waar mogelijk scherp begrotingstoezicht houden. Onze fractie doet ook altijd buitengewoon scherpe begrotingsonderzoeken. Wat dat betreft kan dat geen verrassing zijn. Men kan zich afvragen waarom wij nu pas naar de vrijwillige bijdrage vragen. Ik heb hier overigens vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling ook al een punt van gemaakt, maar dat doe ik nu opnieuw. Wat mij opviel is dat de eigen inspectiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken bij een aantal organisaties zelf aangaf twijfels te hebben over de besteding van het geld. De heer Van Ojik kent die inspectiedienst volgens mij buitengewoon goed. Als ik het niet mis heb, heeft hij daar zelf ooit leiding aan gegeven. Ook de rapporten uit zijn periode zijn, zonder enige uitzondering, terecht kritisch. Waarschijnlijk heeft dat de dezelfde reden als waarom ik er met een kritische blik naar kijk, namelijk dat Nederlands belastinggeld altijd zorgvuldig moet worden uitgegeven. Ik reken dus op uw steun, mijnheer Van Ojik.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

De VVD-fractie en de GroenLinks-fractie zijn het er volledig over eens ...

De heer Ten Broeke (VVD):

We hadden afgesproken dat u dit niet meer zo vaak zou zeggen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

… dat onze internationale hulpgelden zorgvuldig moeten worden besteed. Het grote verschil van mening tussen ons betreft de omvang van de gelden. De VVD wil er 3,5 miljard van afhalen, maar heeft slechts ten dele haar zin gekregen op dit punt. GroenLinks wil er juist wat bij doen, maar wij zijn allebei voor zorgvuldige besteding. De heer Ten Broeke zegt dat hij er vorig jaar ook al naar heeft gevraagd. Al die kabinetten waar de VVD altijd in heeft gezeten, hebben echter ondanks al die kritische rapporten van de inspectie — ik zeg tegen de heer Ten Broeke dat er inderdaad heel veel kritische rapporten zijn — altijd ingestemd met de vrijwillige bijdrage. Ik ben dus benieuwd wat op dit moment precies de reden is dat de heer Ten Broeke dit punt ter sprake brengt. Wil hij misschien nog meer bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking? Dat zou kunnen, maar dan is het misschien goed om dat gewoon te zeggen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Integendeel, ik zal zo meteen aangeven hoe een kritischer blik kan voorkomen dat geld mogelijk niet wordt besteed. Ik zal geen voorstel doen voor extra bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking; daar hoeft de heer Van Ojik niet bang voor te zijn. Ik wil wel het werk van de mensen op het ministerie, de oud-collega's van de heer Van Ojik, buitengewoon serieus nemen. Ik reken wat dat betreft op zijn steun, al is het steunen van een motie over dit onderwerp wellicht niet mogelijk. Ik vraag de minister of hij bereid is om de Kamer een brief te sturen met een overzicht van al die afdrachten en of hij daarin wil ingaan op de omvang van de vrijwillige bijdrage. Ik vraag hem ook om daarbij aan te geven wat de hem moverende redenen zijn geweest om de vrijwillige bijdrage op die manier in te boeken. Zoals de heer Van Ojik weet, fluctueert die vrijwillige bijdrage nogal eens. Tevens vraag ik de minister om de scorecard over het functioneren en de doelmatigheid van organisaties, een mooi systeem dat de heer Van Ojik beter kent dan ik, mee te nemen.

De voorzitter:

Volgens mij bent u nu alweer bezig met uw betoog.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dat zou zomaar kunnen, mevrouw de voorzitter.

Ik maak nog een laatste opmerking over de VN. Een betere besteding van geld in VN-verband is wat mijn fractie betreft het UNHCR-noodfonds. Ook dat punt hebben wij al eens eerder gemaakt.

De heer Omtzigt (CDA):

De VVD-fractie stelt voor om bijdragen vanaf 5 miljoen aan noodhulp aan de Kamer te melden. Vindt de VVD-fractie het ook een goed idee dat de regering forse schuldhulpverlening van tevoren aan de Kamer meldt? Ik doel op het kwijtschelden van schulden, zoals de regering vorig jaar in het geval van Sudan van plan was.

De heer Ten Broeke (VVD):

Sterker nog, ik herinner mij dat ik de heer Omtzigt van harte en als eerste heb ondersteund in zijn oorspronkelijke pleidooi daarvoor. Dat doe ik hier vandaag opnieuw.

De heer Omtzigt (CDA):

Mooi. Ondersteunt de heer Ten Broeke dus mijn pleidooi dat forse bedragen van tevoren aan de Kamer gemeld moeten worden?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ja, als het om heel forse bedragen gaat, zoals bij Sudan, waarbij je ook nog twijfels kunt hebben of het helemaal strookt met het regeringsbeleid. Dat punt maakte de heer Omtzigt destijds, geloof ik. Ik meen mij zelfs te herinneren dat ook de regering daarop welwillend reageerde. Of het praktisch altijd mogelijk is, is een tweede, maar als principe, als uitgangspunt, lijkt het mij volkomen terecht. Ik steun dan ook de heer Omtzigt op dat punt.

Het laatste punt over de VN betreft het noodfonds van de UNHCR, het Central Emergency Response Fund, het CERF. Op dit moment is dat noodfonds onvoldoende gekapitaliseerd om bij een opstapeling van humanitaire problemen hulp te bieden zonder dat eerst met de pet wordt rondgegaan. Nederland trekt dan vaak, terecht en vooral ook braaf, de portemonnee. Andere landen doen dit veelal niet. Dat zijn niet zelden ook landen met een heel grote mond als het aankomt op de conflicten die de oorzaak zijn van grote vluchtelingenstromen. Ze hebben een grote mond, ze doen alsof hun neus bloedt of ze politiseren hun hulpstromen — landen in de Golfregio zijn daarvan een voorbeeld — omdat ze nu eenmaal een eigen agenda hebben. Nederland geeft gul aan Syrische vluchtelingenstromen en nu ook aan de Filippijnen. Landen als China en Rusland geven zelden of nooit thuis. Deelt de minister deze analyse? Is de minister bereid de mogelijkheden tot het kapitaliseren van het CERF te verkennen, bij voorkeur als alternatief voor eventuele overschietende vrijwillige afdrachten van de VN-organisaties?

We gaan iets dichter bij huis kijken, net over de grens. De minister doet dat in Limburg. Ik doe dat elders, het liefst met de heer Omtzigt in Twente. Wij hebben al eerder in de Kamer een groot debat gevoerd over de zogenaamde grenseffecten. Ik wil hier niet pleiten voor een apart instrument voor grenseffecten. Wij hebben dat debat destijds gevoerd. Ik denk dat dat niet nodig is, ook gezien onze drang om de regelzucht wat te beteugelen. Er wordt echter in het algemeen aangenomen dat ministeries bij het opstellen van nieuwe wetgeving wel degelijk rekening houden met grenseffecten. Nu is het vervelende dat niet bij alle wetsvoorstellen en niet bij alle ministeries die grenseffecten in beeld worden gebracht. Ik zou dat graag zien. Ik wil daarop geen aparte toets zetten, maar wil wel graag dat dit altijd inzichtelijk wordt gemaakt, zodat wij ook daarop betere parlementaire controle — achteraf, zeg ik tot de heer Sjoerdsma — kunnen uitoefenen.

In Oost-Europa veranderen de verhoudingen heel snel. Wij zien dat in het bijzonder in Oekraïne een machtsstrijd gaande is die tegelijkertijd een strijd is waarbij Oekraïne een keus moet maken. Het lijkt een keus voor Europa te zijn of een keus om terug te keren in de oude invloedssfeer van een nieuw Sovjetrijk, maar dan onder een andere naam en met een andere tsaar. De associatieakkoorden die nu met Oekraïne, Moldavië en Georgië kunnen worden gesloten, zijn voor de EU vanuit economische belangen en veiligheidsbelangen van grote waarde. Oekraïne speelt daarin een bijzondere rol. Oekraïne is nummer drie in Europa wat betreft schaliegasvoorraden. De Oekraïense markt bedraagt ongeveer 150 miljard. Er zijn zo'n 250 Nederlandse bedrijven actief. Verder beschikt Oekraïne over de derde aardgasvoorraad van Europa en over de derde schaliegasvoorraad van Europa. Ik wil graag van de minister horen hoe het staat met de onderhandelingen met Oekraïne, of dat muizengaatje al is gevonden en of hij het met mij eens is dat er met name voor Nederland sprake is van economische belangen.

Georgië heeft zich de afgelopen jaren ontpopt als de hervormer van de Kaukasus. Vijf jaar geleden was het land nog vooral bezig met het bestrijden van de grote buur, of de grote beer zo u wilt, Rusland. Van het bnp ging 6% op aan een leger, dat uiteindelijk in een confrontatie met Rusland twee gebieden moest prijsgeven: Abchazië en Zuid-Ossetië. De laatste twee verkiezingen waren de eerste twee democratische machtsoverdrachten sinds de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie en de meest democratische in de regio. Het land hervormt ook op economisch gebied sterk. Het staat zesde op de Ease of doing business index. Ik dacht eerst dat dit geen serieuze index was, maar hij is van de Wereldbank, dus ik neem hem serieus. Nederland is als jaren actief met Matra. De onderhandelingen met de EU over een associatieakkoord lopen goed. Dankzij deze betrokkenheid zat de Nederlandse ambassadeur op de dag na de verkiezingen van 2012 al met de nieuwe premier, Ivanisjvili, om de tafel. Ook Moldavië heeft grote stappen gezet en is momenteel een van de weinige landen in de wereld met een volledig liberale regering. In een land dat vijf jaar geleden nog werd geleid door pro-Russische communisten, is nu sprake van buitenlandse en binnenlandse verzoening.

Deze landen zijn wat de VVD betreft geen kandidaat-toetredingslanden voor de EU. Dit is geen voorportaal voor de EU, maar economische integratie helpt Nederland en de EU wel, ook om de regio te stabiliseren en op die manier de belangen te dienen op het gebied van veiligheid, economie en zelfs migratie. De landen in de regio hebben dan ook een alternatief voor aansluiting bij Europa, zoals Armenië liet zien. De VVD wil alleen wel graag dat de positieve impuls die is uitgegaan van de Matra-fondsen die wij op dit vlak hebben ingezet, wordt voortgezet. Dat hebben wij vorig jaar al per amendement laten weten. Het is een vrij goedkope manier om invloed uit te oefenen. Vorig jaar hebben wij met de PvdA een amendement ingediend om 3 miljoen toe te kennen aan het Matra-fonds voor de oostelijke partnerlanden. Kan de minister aangeven op welke wijze het amendement voor Matra-programma's in de pre-EU-accessielanden, maar ook in de oostelijke partnerships- en prioriteitslanden wordt uitgevoerd? Wij konden dit niet helemaal opmaken uit de begroting. Wij konden ook niet uit de begroting opmaken waarom dit niet structureel is geworden, hoewel dat nadrukkelijk de strekking van het amendement was. Wij zouden dit vandaag graag opnieuw regelen.

Ik maak nu een sprong naar onze eigen regio. Door de terugtrekkende beweging van de Amerikanen in Noord-Afrika wordt deze instabiele regio steeds meer een Europees probleem, dat op onze stoep ligt. Ook Nederland heeft op dit gebied veel te verliezen. De EU is wat de VVD-fractie betreft gebaat bij een assertief buitenlands beleid dat gericht is op handel, migratie en veiligheid. De VVD heeft altijd gepleit voor een sterkere Europese grensbewaking. De huidige grensbewaking, Frontex, doet op zichzelf goed werk, maar dat is onvoldoende om de migratiebelangen van Nederland en de EU te kunnen dienen. De VVD is dan ook van mening dat Europese landen zo veel mogelijk moeten samenwerken om militair te kunnen optreden in Noord-Afrika als dat gevraagd wordt. Dat hebben wij gedaan ineerdere crises, bijvoorbeeld in Mali; dat is toch een beetje een draaischijf van ellende: wapens en terrorisme, en ook nog eens op onze stoep. Ook in Libië hebben wij die houding laten zien. Dat geldt zelfs voor Somalië. Tijdens de crisis in Somalië tussen 2009 en 2012 leverde dat land Nederland een stroom aan asielverzoeken op met 13.000 aanvragen. Dergelijke zaken komen nu uit Afrika en baren ons zorgen. Hiervoor kunnen Europese oplossingen worden gevraagd.

De minister en ik zijn het grotendeels eens over Frontex, maar ik roep hem op om samen met de staatssecretaris van Justitie en de minister van Defensie te zorgen voor drie punten. Ten eerste willen wij meer regionale opvang en betere terugnameovereenkomsten, dus niet alleen met Tunesië. Wij willen dit ook afdwingen bij andere landen in de Noord-Afrikaanse regio. Ten tweede willen wij aanpassing van het Europees asielbeleid, met meer gemeenschappelijkheid, zodat de eventuele inzet van boten, die wij vaak bepleiten, niet gaat werken als een soort shuttleservice voor migranten. Ten derde willen wij verruiming van de bevoegdheden van Frontex, zodat het een echte kustwachtorganisatie wordt. Ik heb dat al vaker genoemd. Ik verzoek de minister dan ook om met de staatssecretaris van Justitie en de minister van Defensie met een Europees plan van aanpak te komen langs de punten die ik zojuist noemde, met een justitie- en een defensiecomponent; Frontex valt op dit moment nog onder Justitie.

Ten slotte ga ik in op Iran. Het interim-akkoord met Iran was de meest opvallende gebeurtenis van de afgelopen dagen. Ik beoordeel dit akkoord voorlopig als volgt: het legt een bodem in de race tussen Iran en de rest van de wereld om een nucleaire bom te maken dan wel te voorkomen, maar beide uitkomsten zijn met dit akkoord niet uitgesloten. Het akkoord onderwerpt Iran aan beperkingen van het nucleaire programma en een intensief verificatieproces. In de komende zes maanden mag Iran geen nieuwe centrifuges bouwen en de meest geavanceerde centrifuges mogen niet in gebruik worden genomen. Daarnaast mag de voorraad verrijkt uranium niet toenemen en wordt het werk in de zware reactor bevroren.

Deze deal is niet historisch, maar het is ook geen historische vergissing. Beide oordelen kunnen wat mij betreft pas worden gegeven als het inspectieregime heeft gefaald dan wel heeft waargemaakt wat wij hopen dat het zal waarmaken. Daarom heb ik een paar vragen. Hoe verklaart de minister de verschillen tussen de Iraanse en de Amerikaanse samenvatting van het interim-akkoord? Hoe beoordeelt hij het feit dat Iran beweert dat het recht op uraniumverrijking nu is erkend, terwijl Secretary of State Kerry precies het tegenovergestelde beweert? Hoe kunnen we voorkomen dat sanctieverlichting leidt tot herbewapening van Hezbollah, Hamas en andere terreurorganisaties? Is de minister het met ons eens dat een permanent akkoord afspraken over Iraanse ballistische capaciteiten moet behelzen? Acht de minister Saudi-Arabië in staat om met behulp van Pakistan een eigen nucleair programma te gaan verkennen? Kan de minister bij het IAEA navragen of men daar voldoende in staat denkt te zijn om het verificatieproces dagelijks naar behoren uit te voeren? Is het IAEA daartoe in staat, of zal de wereld weer worden misleid?

Tot slot herhaal ik, terughoudend, maar hoopvol nog maar eens dat 2014 het jaar van de diplomatie zou kunnen worden. "Diplomacy roaring back" noemde de columnist van The New York Times Roger Cohen de ontwikkelingen van de afgelopen dagen treffend. Collega Servaes haalde gisteren een uitspraak van Churchill aan. Op de vraag wat een diplomaat is, antwoordde Churchill ooit: dat is iemand die de kunst verstaat om tien mensen te vertellen dat ze naar de hel kunnen lopen, waarna ze je allemaal de weg vragen. Voor zowel Iran als voor Syrië en het Midden-Oosten Vredesproces lijken er nu voorzichtig wegen te worden geopend. Laat ik bij dezen de hoop uitspreken dat diplomaten erin slagen om ons uit die hel te houden.

De heer Van Bommel (SP):

Ik hoorde een aantal eisen voorbijkomen van de VVD over een akkoord met Iran. Ze werden aan de minister voorgelegd. Iedereen kan er gelukkig mee zijn dat er nu diplomatieke stappen worden gezet. Ook de VVD heeft daarover voorzichtig blijdschap geuit. Waarom wil die fractie het zetten van verdere diplomatieke stappen bemoeilijken door de eis te stellen dat ook ballistische raketten onder het akkoord zouden moeten vallen?

De heer Ten Broeke (VVD):

In de eerste plaats heb ik geen eisen gesteld, maar heel normaal vragen gesteld. Wellicht heeft dit iets met dialectiek te maken, en met een verschil tussen de politieke opvoeding van de heer Van Bommel en die van mij. Ik stelde gewoon vragen. Een van die vragen betreft inderdaad de mogelijkheid om ballistische raketten onderdeel te laten zijn van het uiteindelijke akkoord. Ik meen dat de wereld vooral bang kan zijn voor die raketten. In ieder geval landen in de regio zijn daarvoor bang, maar ook Europa kan daar bang voor zijn. Het zou mij daarom een lief ding waard zijn als wordt getracht om dit een onderdeel te laten zijn van een eventueel definitief akkoord. Ik weet dat zeker zal worden getracht om dit te doen.

De heer Van Bommel (SP):

Volgens mij heeft de wereld, Europa, en ook Nederland juist moeite met mogelijke nucleaire ambities van Iran. De inzet van het International Atomic Energy Agency richt zich op inspecties van dit nucleaire programma. Waarom wil de heer Ten Broeke die onderhandelingen nu juist verzwaren met ook nog wensen, verzoeken of vragen op ballistisch gebied? Ik snap daarvan werkelijk helemaal niets

De heer Ten Broeke (VVD):

Het is mij de afgelopen jaren weleens vaker geworden dat de heer Van Bommel denkt dat de bedreigingen vanuit Iran uitsluitend op het vlak van de verrijking van uranium liggen. Het gaat uiteraard uiteindelijk om de combinatie met een wapenprogramma. Daarop letten, is de inzet van de internationale gemeenschap. Ik formuleer de vraag hier gewoon heel scherp.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer De Roon. Hij spreekt namens de PVV-fractie. Ook de heer Madlener zal straks namens die fractie het woord voeren.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Ik zal vanavond, in mijn beperkte spreektijd, drie onderwerpen aan de orde stellen. In de eerste plaats wil ook ik het hebben over de Verenigde Naties. Verder zal ik spreken over de Palestijnse Autoriteit. Tot slot zal ik het hebben over internetvrijheid in het internationale verkeer. De legitimiteit van de Verenigde Naties staat enorm onder druk. De vorige spreker voerde dat ook al aan. De regering weet dat ook. De regering heeft ook in haar stukken aan ons laten weten dat zij streeft naar verbetering van alle gebreken binnen de VN. Ik denk dus dat het goed is om het daar vanavond nog eens over te hebben.

Op 25 juni 1945 — de Tweede Wereldoorlog was eigenlijk nog niet eens helemaal afgelopen — kwamen 50 landen bijeen in San Francisco voor het opstellen van een handvest. Na ondertekening van dat handvest sprak president Truman de overige regeringsleiders toe met de volgende woorden. "Dat charter van Verenigde Naties dat jullie zojuist hebben ondertekend, is een solide structuur waarop we een betere wereld gaan bouwen. Met dat charter van Verenigde Naties kunnen we vooruitkijken naar een tijd waarin alle mensen de mogelijkheid krijgen om fatsoenlijk te leven in vrijheid." Truman voegde er nog aan toe dat het handvest alleen zou werken als de volkeren vastbesloten zijn om het te laten slagen. Als we toelaten dat een groep van landen ermee aan de haal gaat, zou dat volgens Truman als een vorm van verraad gekwalificeerd moeten worden. Verraad aan al die mensen die in de jaren eraan voorafgaand voor de vrijheid gesneuveld waren.

Vier maanden later, op 24 oktober 1945, werden de Verenigde Naties formeel opgericht. Er waren toen 51 staten bij aangesloten en er werkten 300 mensen voor het VN-secretariaat. De VN had in de beginjaren — ik kon het terugvinden tot 1947 — een regulier budget van 31 miljoen dollar. Nederland droeg in dat jaar 434.000 dollar bij. Op dit moment omvat het reguliere VN-budget 2,6 miljard dollar — dan heb ik het dus nog niet over de bijzondere budgetten, maar over het reguliere budget — telt de VN 193 lidstaten — zij is bijna vier keer zo groot geworden — en is zij uitgegroeid tot een organisatie met 44.000 medewerkers.

We zijn zo ongeveer 55 jaar verder. Het is dan goed om er nog eens kritisch naar te kijken. Want ook al bestaat de VN dan 55 jaar, we moeten het niet zonder meer als een vanzelfsprekendheid beschouwen dat we er maar op dezelfde manier mee doorgaan. Het is goed om stil te staan bij de waarschuwing die Truman aan de Verenigde Naties meegaf bij haar oprichting. Is de VN een succes geworden? Of is er verraad gepleegd aan al die mensen die hun leven hebben opgeofferd voor vrede en veiligheid? Je kunt de vraag ook anders stellen. Wat hebben Nederland en de wereld nu eigenlijk teruggekregen van de VN? We hebben er gigantisch in geïnvesteerd in al die jaren, maar wat is ervoor teruggekomen?

Ik kan natuurlijk niet alle projecten van de VN nu gaan bespreken. Daar is de tijd veel te kort voor. Je zou daar misschien dagen over moeten praten. Ik zal mij concentreren op een paar belangrijke zaken. Dat zijn om te beginnen de vredesoperaties. Dat zijn dus de operaties die internationale vrede en veiligheid moeten brengen. Daarnaast spreek ik over aandacht voor de vrijheid van het individu en mensenrechten. Tot slot zal ik enige woorden wijden aan de financiële bijdrage van Nederland aan de VN.

Het creëren van een wereld waarin de komende generaties behoed zouden worden voor de gesel van oorlog was de drijvende kracht achter het ontstaan van de VN. Sinds het ontstaan van de VN zijn er 68 vredesoperaties uitgevoerd. De laatste missie vond vorig jaar plaats: een waarnemersmissie naar Syrië. Die was in ieder geval allesbehalve succesvol. Sowieso is het hele VN-optreden ten aanzien van de humanitaire catastrofe in Syrië een mislukking. De Veiligheidsraad is hopeloos verdeeld over een gezamenlijke aanpak en de Office for the Coordination of Humanitarian Affairs kampt met een chronisch geldgebrek omdat landen als Saudi-Arabië en Rusland wel aan de lopende band wapens sturen maar nauwelijks geld. Van de overige 67 missies kun je er misschien, als je van goede wil bent, ongeveer twintig aanmerken als min of meer succesvol, maar de meeste missies hebben toch tot niet meer geleid dan een tijdelijke bevriezing van een conflict. Daar komt dan nog bij dat een organisatie genaamd Transparency International, u wel bekend, vorige maand met een rapport is gekomen, genaamd Corruption and peacekeeping. In dat rapport wordt de VN verweten dat er helemaal geen beleid is voor hoe te opereren te midden van wijdverbreide corruptie, terwijl het inherent is aan vredesmissies dat er gewerkt wordt in landen die tot op het bot corrupt zijn. Door de corruptie simpelweg te negeren worden vredesmissies makkelijk meegezogen in een modderpoel van corruptie, zoals is gebleken in Congo, Sudan en de Balkan, om er maar een paar te noemen.

Als we kijken naar de aandacht die de VN-organen in 2012 aan de mensenrechten schonken, dan vallen er toch een paar dingen op. Ik ga het niet allemaal helemaal preciseren, want de heer Ten Broeke heeft daar in zijn inbreng ook al een paar dingen over gezegd, maar het volgende wil ik toch nog wel naar voren brengen. Terwijl er in het jaar 2012 in Syrië tienduizenden doden vielen, besteedden de Verenigde Naties 60% meer aandacht aan Israël dan aan Syrië. Israël staat in de Verenigde Naties veruit op de eerste plaats als het meest bekritiseerde land ter wereld. Landen als Afghanistan, Saudi-Arabië, Mali en Egypte haalden de top tien niet eens. Tijdens de 68ste sessie van de Algemene Vergadering van de VN zijn 22 resoluties voorgesteld tegen Israël en de overige vier gingen over Syrië, Iran, Noord-Korea en Myanmar. De rest van de wereld blijft helemaal buiten schot.

Op 14 november werden er negen resoluties aangenomen door het vierde comité van de Algemene Vergadering van de VN en die waren allemaal tegen Israël gericht. Een resolutie ging zelfs zover — dat was een resolutie over de Golan — dat Israël daarin weer werd opgeroepen de Golan te overhandigen aan Syrië. De VN deinst er dus niet voor terug om de Syriërs die in vrede en rust op de Israëlische Golan wonen, in de armen te jagen van een bloedige oorlog. Geen woord ook, uiteraard zou ik zeggen, over de Palestijnse vluchtelingen die in Syrië worden dood gebombardeerd of worden tegengehouden bij grenzen van buurlanden. Dit is te bizar voor woorden.

De VN-vertaalster is al door de heer Ten Broeke aangehaald. Zij heeft terecht laten blijken dat er allemaal rare dingen gebeuren zodra het over Israël gaat en dat dat niet in verhouding is tot allerlei andere ernstige zaken die onderbelicht blijven in de VN.

Die excessieve obsessieve aandacht voor Israël is overigens logisch te verklaren, want de VN wordt in niet geringe mate gedomineerd door een blok van maar liefst 57 islamitische landen die deel uitmaken van de organisatie OIC. Die zien Israël het liefst verdwijnen. Het voortdurend bekritiseren van Israël door die landen en door die organisatie is ook een mooie bliksemafleider voor de eigen wandaden. Ik vraag de minister wat zijn oordeel is over de blokvorming van de OIC-landen in de VN als je die afzet tegen de waarschuwing van Truman dat de VN niet gebruikt moet worden voor de eigen belangen van een land of een groep van landen.

De roep om VN-hervormingen, met name van de Veiligheidsraad, wordt steeds luider. Eén onderdeel van de VN heeft al een hervorming ondergaan, dat is de VN-Mensenrechtencommissie. De Mensenrechtencommissie was tandeloos geworden doordat er te veel leden in zaten die zelf ook de mensenrechten schonden. Door een obsessieve aandacht voor Israël bleef er weinig over van het bevorderen van mensenrechten wereldwijd. Die VN-mensenrechtenraad, die dus is opgericht om de VN-Mensenrechtencommissie, die zo jammerlijk faalde, te vervangen, gaat nu weer precies op dezelfde punten mank.

De voorzitter:

De heer Sjoerdsma heeft een vraag voor u. Ik wijs u er verder op dat u niet veel tijd meer over hebt.

De heer Sjoerdsma (D66):

De heer De Roon spreekt veel over Israël. Dat snap ik wel, want zijn partij ziet zichzelf als een trouwe bondgenoot van Israël. In dat kader heb ik een vraag. Hoe kan de heer De Roon die warme gevoelens ten opzichte van Israël nu verenigen met de samenwerking die zijn partij wil aangaan met het Front National waar Jean-Marie Le Pen erevoorzitter van is en bovendien nog lid van het Europees Parlement ook?

De heer De Roon (PVV):

Die samenwerking is gericht op het versterken van onze posities in het Europees Parlement. Verder gaat die samenwerking niet. Ik zie daar dan ook helemaal geen probleem.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat vind ik toch een heel summiere samenvatting van wat de PVV in Europa doet. Als je bekijkt waar de partij Front National voor staat en als je kijkt naar de uitspraken van Jean-Marie Le Pen, kan ik mij niet anders voorstellen dan dat ook de heer De Roon afstand wil nemen van diens uitspraken over de Holocaust, Israël en joden. Wil de heer De Roon echt met deze meneer samenwerken in Europa?

De heer De Roon (PVV):

Het gaat de PVV er niet om om met een bepaalde meneer samen te werken. Het gaat ons erom dat er in het Europees Parlement door partijen wordt samengewerkt die veel vraagtekens zetten bij nut, noodzaak en functioneren van de Europese Unie. Daarbij vinden wij in mevrouw Le Pen, de dochter van de door de heer Sjoerdsma genoemde Jean-Marie Le Pen, naar ons idee een goede bondgenoot.

Ik was bezig met de VN-Mensenrechtenraad, die de niet-functionerende mensenrechtencommissie al heeft vervangen. Die haalde ik aan als voorbeeld dat het blijkbaar niet werkt in de VN. Wat blijkt nu weer? Twee weken geleden werden China, Rusland, Saudi-Arabië, Algerije, Cuba en Vietnam verkozen tot leden van de VN-Mensenrechtenraad. Ik vraag de minister of hij het met mij eens is dat deze landen in het rijtje van de grootste mensenrechtenschenders thuishoren. Als wij ons dat realiseren, hoe schat de minister dan vervolgens de kansen in dat er een nieuwe en effectieve hervorming van de VN-Mensenrechtenraad tot stand komt? Als die hervorming er niet kan komen, wat ik persoonlijk denk, hoe kan die raad met zulke leden dan nog enig gezag uitoefenen en effectief werken, als de ergste mensenrechtenschendende landen daarin zitten? Hoe beoordeelt de minister ook het feit dat de mensenrechtensituatie in China, Cuba, Egypte, Pakistan, Rusland, Saudi-Arabië en Zimbabwe nog nooit heeft geleid tot een VN-resolutie? Wat zegt het feit dat de VN-Mensenrechtenraad dezelfde mankementen vertoont als diens voorganger, de VN-mensenrechtencommissie, over de slagingskansen van hervormingen van de VN-Veiligheidsraad? Zal de VN-Veiligheidsraad niet eerst en vooral een politiek orgaan blijven, ongeacht wie er zitting in neemt?

Ik rond af met een aantal woorden over het budget. Nederland is al jaren een van 's werelds grootste donoren van de VN. Ons land behoort tot de top vijftien van de grootste donoren met een contributie van 40 miljoen euro. Wij betalen een kwart meer dan Turkije en twee keer zoveel als het schatrijke Saudi-Arabië. Wij behoren tot de braafste jongetjes van de klas. Wij behoorden ook tot de 23 van de 193 landen die hun contributie op 31 januari 2013 volledig hadden betaald. Nederland worstelt de laatste jaren met de VN om een eerlijker contributieverdeling te bereiken. Ook wat een eerlijke contributieverdeling betreft blijkt er geen schot in de zaak te zitten. Ziet de minister enige kans op een doorbraak?

Ik realiseer mij dat ik de andere twee punten die ik had aangekondigd, binnen mijn spreektijd niet aan de orde kan laten komen. Misschien zal ik dat nog doen in tweede termijn.

De heer Madlener (PVV):

Voorzitter. Ik wil het hebben over Europa, want er staat in deze begroting Buitenlandse Zaken ook een behoorlijke passage over Europa. De Europese Unie telde in september dit jaar om en nabij de 26,9 miljoen werklozen. In Nederland zijn inmiddels zo'n 674.000 mensen werkzoekend. De OESO voorspelt dat de Nederlandse economie zwak blijft. De werkloosheid zal alsmaar blijven stijgen, totdat die in 2015 hopelijk stabiliseert op ruim 8% van de beroepsbevolking. In 2015 zou de groei 1,2% kunnen zijn. Daarmee doet Nederland het slechter dan alle eurolanden en dan de EU-lidstaten gemiddeld.

Dat komt door het kabinet. Het kabinet verzwaart onder druk van de Europese Unie de lasten, waardoor de crisis verergert. Het kabinet is helemaal niet bezig om Nederland uit de crisis te loodsen, maar loopt aan de teugels van Brussel. Het kabinet heeft bovendien oogkleppen op, zodat het de ramp die het aanricht in de Nederlandse samenleving, niet ziet. Honderdduizenden Oost-Europeanen zitten inmiddels in Nederland en ons geld vliegt het land uit. Dit gebeurt allemaal omdat Brussel dit eist. Er komen echter verkiezingen aan en nu gaan de VVD en de Partij van de Arbeid ineens eurokritisch doen. Zo is minister Timmermans al begonnen met het zaaien van verwarring bij de Nederlandse kiezer. Afgelopen 14 november uitte hij stoere taal in de Financial Times. Hij pleitte voor een smaller, reformed commission, een kleinere Europese Commissie dus, met minder Eurocommissarissen. Wij vragen ons af waarom de minister dan heeft ingestemd met een uitbreiding van de Europese Commissie in mei dit jaar. We kunnen het antwoord natuurlijk wel raden. Deze minister wil en gaat gewoon niets doen aan de onstuitbare regelbrij die uit Brussel over ons land wordt uitgestort, behalve af en toe voor de bühne een beetje kritisch doen om zo de kiezer voor de gek te houden. In een toelichting op zijn gepresenteerde voorstel zei de minister later dat de kleinere Commissie pas iets is voor 2019, dus pas over vijf jaar. Of aast minister Timmermans wellicht zelf op een dikbetaalde baan als Eurocommissaris of misschien zelfs als de nieuwe Lady Ashton?

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik sloeg even aan op "voor de bühne". Ik luisterde de eerste toespraak van de heer Madlener in het Europees Parlement nog even terug. Daarin zei hij over het verhuiscircus tussen Straatsburg en Brussel: ophouden daarmee! Maar wat lees ik dan tot mijn verbazing enkele weken terug? Het hele Europarlement wil stoppen met het verhuiscircus, maar de partij van de heer Madlener niet. Zij wil liever twee Europese hoofdsteden hebben. Mijn vraag aan de heer Madlener is: bent u soms eurofiel?

De voorzitter:

Een uitdagende vraag, mijnheer Madlener.

De heer Madlener (PVV):

Het is een goede vraag, want er is wat verwarring over gerezen. U hebt vast ook verder gelezen dan het stuk dat u hier laat zien. Er was namelijk een goede reden om te stemmen zoals mijn collega's gestemd hebben. De PVV heeft er nooit een misverstand over laten bestaan dat zij tegen het verhuiscircus is. Maar de stemming zoals die afgelopen keer is geweest, gaf helemaal geen uitsluitsel dat er enkel één vergaderplaats zou zijn. Dat is de reden — u moet dat maar even lezen in Elsevier, waarin mijn collega een uitgebreide toelichting heeft gegeven — waarom mijn collega's zo gestemd hebben. Dat lijkt mij een afdoende toelichting.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dan concludeer ik dat dit toch echt voor de bühne is. Dat hele verhuiscircus moet weg, maar als we erover gaan stemmen in het Europees Parlement, als die beslissing voorligt, als het Europees Parlement de bevoegdheid wil om niet meer naar Straatsburg te gaan, zegt uw partij: ja, we zijn er altijd tegen geweest, maar we zullen er niet voor stemmen. Dat noem ik voor de bühne.

De heer Madlener (PVV):

Deze onjuiste voorstelling van zaken is weer zo'n poging om de kiezer zand in de ogen te strooien. Natuurlijk is de PVV tegen het verhuiscircus! Dat is zij altijd geweest. Dat weet u ook. U vertelt een halve waarheid. Ik vertel u de hele waarheid en die is dat de PVV tegen het verhuiscircus is en ook zo heeft gestemd.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dat is dan de waarheid die alleen door de heer Madlener zo wordt beleefd. Werkelijk iedereen die heeft gekeken naar deze stemming en de voorliggende motie, kan maar tot een conclusie komen: de PVV is van haar geloof gevallen nu zij Straatsburg mogelijk wil maken. Ik hoef daarvoor toch niet Elsevier te lezen? Mijnheer Madlener, kunt u het tegenwoordig niet meer zelf? Waar is alle retoriek over "weg met Straatsburg"? U wilt er gewoon naartoe. Misschien wilt u er zelf wel naar terug.

De heer Madlener (PVV):

Ik heb met veel plezier daar gezeten om juist de eurofielen van uw fractie te bestrijden. Er is nooit een misverstand over geweest dat de PVV tegen het verhuiscircus is. Zij heeft zich daar altijd voor ingezet. Ik verwijs u nogmaals naar de uitleg in Elsevier, waarin zeer helder uiteengezet is waarom mijn collega's zo gestemd hebben.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik heb nog niet eerder meegemaakt dat de PVV hier niet in staat was om een heel simpel punt dat zij jarenlang heeft gemaakt, namelijk "geen Straatsburg", zelf toe te lichten en dat we naar de media moeten om te kijken wat de PVV precies bedoeld heeft met die stemming. Ik zal er nog eens naar kijken, maar één ding is zeker: als je van Straatsburg af wilt, ben je bij de PVV niet meer aan het juiste adres.

De heer Madlener (PVV):

Dat is onjuist. Het is net zo onjuist als dat uw partijleider, de heer Rutte, net doet alsof wij niet in een handelszone met de EU willen komen naar Zwitsers voorbeeld. Dat is precies wat ik bedoel. De verkiezingen komen eraan en ineens wordt er weer zand in de ogen gestrooid. Ik denk dat de kiezer daar niet in gaat trappen, mijnheer Ten Broeke.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik ben in de ongelukkige omstandigheid dat ik de Elsevier niet heb gelezen. Ik heb er ook geen abonnement op. Misschien kan de heer Madlener gewoon in zijn eigen woorden heel simpel, voor mensen zoals ik, die de Elsevier niet lezen, uitleggen waarom de PVV gestemd heeft zoals zij kennelijk heeft gestemd.

De heer Madlener (PVV):

Dat heb ik al gezegd: omdat de stemming zoals die heeft plaatsgevonden, niet uitsloot dat Brussel de enige plek was. Als u daar een toelichting op wilt lezen, verwijs ik u naar de toelichting van mijn collega's. Die is helder en die kunt u op internet zien. Ik neem aan dat u weet hoe een computer werkt.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik begrijp dat de motie niet uitsloot dat Brussel de enige vergaderplaats zou worden en dat dat de reden is waarom de PVV de mogelijkheid om in twee steden te blijven vergaderen, heeft opengehouden. Is dat waarover ik mijn computer moet raadplegen om dat nog eens uitgelegd te krijgen?

De heer Madlener (PVV):

Ik verwijs u naar de uitgebreide toelichting die mijn collega heeft gegeven. Daarin zegt hij — en dat is heel juist — dat de stemming zoals die heeft plaatsgevonden, niet uitsloot dat Brussel niet de enige plek was. Daarmee was het dus een onduidelijk voorstel van het Parlement. Dat is de reden. Wij zijn voor duidelijke voorstellen en niet voor onduidelijke, zoals u. Daarom heeft mijn collega gestemd zoals hij gestemd heeft.

Ik heb al gezegd dat de heer Timmermans aast op een nieuwe baan, misschien zelfs als de nieuwe Lady Ashton. Ik denk dat hij dit jaar weleens hogere ogen zou kunnen gooien. Eerder wilde hij al Commissaris van de Mensenrechten worden bij de Raad van Europa. Dat is toen mislukt, maar inmiddels heeft hij het Nederlandse belang al langer verkwanseld en de macht van de EU vergroot. Misschien heeft hij nu dus meer kans. Met de verkiezingen in zicht is het spel om de dik betaalde Brusselse banen begonnen, met als hoofdprijs het voorzitterschap van de Europese Commissie, de nieuwe Barroso. De vacaturetekst is al geschreven: "Ben jij die eurofiel die het liefst alle landen wil opheffen en maling heeft aan de democratische natiestaat en haar burgers, meld je dan aan." De eerste kandidaat heeft zich al gemeld. Dat is de droomkandidaat van de VVD, de heer Guy Verhofstadt. Ik heb natuurlijk meteen zijn boek gekocht. "Voor Europa" is de veelzeggende titel, want dat is natuurlijk het nieuwe verkiezingsprogramma van de VVD. Eurocommissaris Kroes was meteen razend enthousiast over de kandidatuur van de heer Verhofstadt. Zij zei: "Verhofstadt is onze kandidaat om Barroso op te volgen". Ook de heer Van Baalen noemt hem "een uitstekende kandidaat" en "iemand die altijd meestemt met de VVD op het terrein van economische onderwerpen". Dat is natuurlijk net zoiets als Jan Marijnissen partijvoorzitter maken van de VVD of Ad Melkert mee laten doen aan een talentenjacht.

Alle gekheid op een stokje: je kunt van Verhofstadt zeggen wat je wilt, maar hij staat voor zijn zaak. Verhofstadt zegt heel duidelijk dat een echte omwenteling nodig is, namelijk het opzetten van een heuse federale unie met supranationale Europese instellingen. Concreet houdt dit in dat de Europese Commissie zo snel mogelijk moet worden omgevormd tot een heuse Europese regering. Dat schrijft hij ook in zijn boek. Verhofstadt houdt zijn kiezers in ieder geval niet voor de gek. Je weet waar je op stemt. Dat is een goede zaak, want de kiezer heeft recht op een eerlijk verhaal. Een stem op de VVD is een stem op de meest eurofiele fractie van het Europees Parlement: de ALDE-fractie van Guy Verhofstadt en D66.

De heer Sjoerdsma (D66):

Nu de vergelijking wordt gemaakt dat een stem op de VVD of op D66 een stem op Guy Verhofstadt is, roept dat in het verlengde daarvan de vraag op wat een stem op de PVV inhoudt als de PVV in Europa samenwerkt met onder andere het Front National. Dat heb ik ook in een interruptiedebatje met de heer De Roon gewisseld.

De heer Madlener (PVV):

Dat is helder: een stem op de PVV is een stem voor minder Europa. Dat is ook precies onze verkiezingsboodschap. Wij zeggen niet het één terwijl wij het ander doen. Wij zijn voor minder Europa, net zoals de partijen waarmee wij samenwerken. Dat is precies het verschil met de ALDE-fractie. Uw partij, D66, wil meer Europa, een federaal Europa. En u werkt samen met een partij die hier net doet alsof zij dat niet wil. Dat is precies het verschil.

De heer Sjoerdsma (D66):

Nu breekt mijn klomp. De heer Madlener neemt de VVD de maat. Zij zou op economisch vlak met de heer Verhofstadt meestemmen, maar voor de rest zou zij zich van hem distantiëren. Wat doet de partij van de heer Madlener zelf? Ja, zij werkt wel samen met mevrouw Le Pen op het gebied van minder Europa en de rest van die partij, het xenofobische karakter van die partij en het soms misschien zelfs antisemitische karakter van enkele leden van die partij, neemt zij maar voor lief. Staat de partij van de heer Madlener dat voor en gaan haar kiezers in Europa straks daarvoor kiezen?

De heer Madlener (PVV):

Een stem op de PVV is een stem voor minder Europa. Wij gaan dus niet samenwerken met partijen die meer Europa bepleiten. Dat doet de VVD wel. De partij van de heer Sjoerdsma doet dat ook, want zij zegt tegen haar kiezer "wij beloven een federaal Europa", maar gaat dan samenwerken met de VVD. Eigenlijk is dat de onduidelijkheid die hier bewust gecreëerd wordt, maar die nu gelukkig uit de wereld is met Guy Verhofstadt als kandidaat voor de VVD en met zijn boek, waarin hij heel helder schrijft waar hij voor staat. Daar roem ik de heer Verhofstadt om en ook de partij van de heer Sjoerdsma, want die is tenminste eerlijk naar de kiezer: een stem op D66 is een stem voor meer Europa. Maar ja, een stem op de VVD is dat helaas ook. Dat was mijn kritiek op de VVD.

Ik geef een ander voorbeeld van Europese misleiding. Afgelopen zomer werd er gewapperd met een lijstje, de subsidiariteitsexercitie. Hiermee kondigde het kabinet met veel bombarie aan, soevereiniteit terug te gaan halen. Waar bleek het om te gaan? Het was een flutlijst, klein bier, het waren kruimels. Het ging over schoolmelk en schoolfruit. Dat is natuurlijk heel irritant, maar het was een vrijblijvend lijstje zonder harde eisen. Want wat gebeurt er ondanks de kritische taal? Dit kabinet blijft maar tekenen bij het kruisje: meer geld naar de Grieken, de toetreding van Kroatië, het steunen van de EU-onderhandelingen met Turkije, meer begrotingsdiscipline en steeds tussentijdse ophogingen van de Europese begroting. Dat is wat er keer op keer aan de orde is. Dat gaat ergens over. Bovendien gaan de grenzen van onze arbeidsmarkt per 1 januari aanstaande wagenwijd open voor Roemenen en Bulgaren, die hoogstwaarschijnlijk massaal hun heil in Nederland gaan zoeken. Dat is er aan de hand! Dat gaat over meer dan schoolmelk en schoolfruit. Dat is heel goed nieuws voor de goed georganiseerde criminele bendes en daar zijn er een heleboel van in Roemenië en Bulgarije, zoals wij allemaal weten. Wat een onheil zal dit betekenen voor Nederland, maar dit kabinet vindt het fantastisch. Premier Rutte blijft kruisjes zetten, zolang een ander maar betaalt. Ik roep het kabinet nog één keer op om hier iets aan te doen voordat het te laat is. Minister Timmermans, u bent niet bang voor een diplomatieke rel op zijn tijd, dus houd die grenzen dicht!

In de begroting die wij nu bespreken, lopen de uitgaven aan de Europese samenwerking op van 6,5 miljard in 2012 tot maar liefst 8,6 miljard in 2018. Kan de minister dit uitleggen? Dit is toch een heel ander beeld dan wat de Kamer in februari voorgespiegeld kreeg met het rekenmodel van de minister toen?

Overigens stemde het kabinet bij het akkoord voor het Meerjarig Financieel Kader voor de komende zeven jaar ook in met een commissie die zal onderzoeken hoe de EU de komende tijd eigen middelen kan verkrijgen, dus eigen belastingheffing voor de EU. Waarom heeft het kabinet daarmee ingestemd? Belastingen zijn altijd een bevoegdheid van de nationale lidstaten geweest. De PVV vindt het heel belangrijk dat dit zo blijft. Waarom heeft het kabinet in hemelsnaam de deur naar eigen middelen voor de EU wagenwijd opengezet?

Het is tijd voor een andere koers voor Nederland. Het is tijd dat Nederland onder de greep van Brussel uitkomt. De PVV wil dat Nederland uit de monetaire unie en de EU stapt en dat Nederland lid wordt van de EVA-landen, de Europese Vrijhandelsassociatie. Aangezien de premier hier afgelopen weekend over loog om de mensen bang te maken, wil ik het hier nog eens luid en duidelijk zeggen. Wij hebben altijd gezegd: uit de EU, maar in de Europese Vrijhandelsassociatie! Wij willen met Europese landen vrijhandelsverdragen sluiten, net zoals Zwitserland dat heeft gedaan.

Tot slot. Dit kabinet heeft geen serieuze ambities om daadwerkelijk iets te doen aan het Brusselse monster. De Europese Unie blijkt een ramp voor ons land. De dramatische gevolgen voor ons eens zo welvarende land worden steeds duidelijker. Ons land wordt afgebroken. De Europese Unie en de euro zijn mislukt. Deze minister schreef mee aan die verschrikkelijke Europese grondwet die door 61% van de Nederlanders werd weggestemd, maar later toch kwam in de vorm van het Verdrag van Lissabon. Degene die ons in de positie heeft gebracht waarin wij nu zitten, komt nu met een begroting waarin de Brusselse trein gewoon doorgaat. Kritische taal af en toe doet daar niets aan af, evenmin als flutlijstjes. Maar, voorzitter, de Nederlandse kiezers laten zich niet voor de gek houden.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. Ik geef het woord aan de heer Servaes.

De heer Servaes (PvdA):

Voorzitter. Nederland moet een toontje lager zingen, zo kopte een ochtendkrant vorige week. Aan het woord was werkgeverschef Wientjes. Je mag best idealen hebben, zei hij, maar houd ze in het buitenland maar liever even op zak, dat was zo'n beetje zijn boodschap. Een opmerkelijke uitspraak, vond ik. Een opmerkelijke timing ook, na de derde handelsmissie in evenzoveel weken. De Koning, de premier, het halve kabinet gingen bedrijvendelegaties voor, op zoek naar nieuwe partners en orders.

Blijkbaar stoorde het dat de politiek niet alleen aandacht vroeg voor die belangrijke economische dimensie van internationale betrekkingen, maar dat bij bezoeken aan landen als China en Indonesië ook thema's als mensenrechten en democratie op de agenda staan. De premier reageerde snel en adequaat, het kan niet anders gezegd worden. Hij oordeelde dat handel en politiek juist heel goed allebei aan de orde kunnen of zelfs moeten komen, en dat een tegenstelling tussen beide thema's berust op oude beelden, zoals hij dat formuleerde. Dat is precies zoals het is. Een goed functionerende rechtsorde en respect voor mensenrechten zijn doelen op zichzelf, maar zij zijn net zo goed dienstbaar aan een goed en voorspelbaar economisch klimaat en handelsklimaat.

Robin Cook, de eerste en mijns inziens beste minister van Buitenlandse Zaken onder Tony Blair, zei ooit: deze regering accepteert niet dat politieke waarden achtergelaten worden op het moment dat we met ons paspoort inchecken voor een buitenlandse reis. Hij legde de lat hoog, met zijn pleidooi voor een ethische dimensie in het buitenlands beleid, en zou daar later veelvuldig aan herinnerd worden.

Natuurlijk is het zo dat de internationale politiek in de praktijk weerbarstiger is dan in de studeerkamer. Natuurlijk is het zo dat belangen en waarden kunnen botsen. Het zijn de dilemma's waar ons politieke debat hier om draait. Daar ligt wat mij betreft de kern van wat verwacht wordt van ons, politici of buitenlandwoordvoerders, zo u wilt. Benoem je ijkpunten, je waarden, je idealen. Strijd er iedere dag voor om ze waar te maken. Wees ook eerlijk en open over hoe je dat stapje voor stapje voor elkaar probeert te krijgen.

De Partij van de Arbeid is een partij die met het gezicht naar de wereld staat. Betrokkenheid bij de rest van de wereld, ook bij hen die het minder getroffen hebben, zit in onze genen en is een van de pijlers van de sociaaldemocratie. Gelukkig staat ook het kabinet weer met het gezicht naar de wereld. In het eerste jaar Timmermans-Ploumen is een stevig fundament gelegd, met respect voor mensenrechten, Europese samenwerking en internationale solidariteit als hoekstenen van het buitenlands beleid. Soms als voortzetting van een goede Nederlandse traditie, soms ook terug van weggeweest, na de moeizame jaren van de gedoogcoalitie.

Het afgelopen jaar werden de kaders beleidsmatig overtuigend neergezet in nota's over Europese samenwerking, mensenrechten, internationale veiligheid, ontwapening en de modernisering van de diplomatie, waarover wij gisteren hebben gesproken. Ambities werden opgeschroefd, met de voorbereidingen voor de Nuclear Security Summit in maart volgend jaar in deze stad en met de kandidaturen voor de Mensenrechtenraad en de Veiligheidsraad.

Nog belangrijker is dat woorden en daden van dit kabinet getuigen van een grote betrokkenheid bij het voor Nederland zo belangrijke buitenland. Aan werklust en reislust ontbrak het in ieder geval niet. Opkomen voor homorechten van Moskou tot Kampala. De positie van vrouwen centraal stellen in de roerige Arabische regio. Vasthouden aan het VN-spoor in de escalerende Syrië-crisis. Verantwoordelijkheid nemen in missies van de EU, de NAVO en straks mogelijk ook in VN-verband. In de praktijk, hoe idealen in resultaten omgezet worden, bewijst een kabinet wat het waard is. De PvdA-fractie roept het kabinet op, vast te houden aan het ingeslagen ambitieniveau, in woord en in daad.

Ik zal vandaag op een drietal thema's wat dieper ingaan: het bevorderen van vrede en recht, het ondersteunen van democratische krachten en de strijd voor fatsoenlijk werk, wereldwijd.

De ontwikkelingen in het Midden-Oosten blijven ons bezighouden. Het gaat om drie grote kwesties in het bijzonder, die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn: de burgeroorlog in Syrië, de nucleaire dreiging van Iran en het hervatte vredesoverleg tussen Israël en de Palestijnen. Een debat als dit kan eigenlijk niet voorbijgaan zonder stil te staan bij de verschrikkingen van de oorlog in Syrië. Van de opluchting dat een gewapende interventie afgewend kon worden en het chemisch wapenarsenaal ontmanteld kon worden, is helaas weinig meer over. Nog dagelijks vallen er doden. Tot nu toe zijn er 113.735 doden gevallen, onder wie 11.420 kinderen. De schaal van de vluchtelingenstroom is nauwelijks te bevatten en legt een grote druk op de buurlanden. Hun gastvrijheid is te prijzen, maar de situatie brengt ook risico's met zich mee voor hun eigen stabiliteit. Een vredesconferentie en een politieke oplossing voor de complexe situatie in Syrië moeten de allerhoogste prioriteit van de internationale gemeenschap hebben.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik ben het met de heer Servaes eens wanneer hij de ellende in Syrië karakteriseert. Ik ben het ook met hem eens wanneer hij zegt dat de opvang van vluchtelingen in buurlanden langzaamaan een grens bereikt en dat die landen zuchten, steunen, kraken en piepen onder de enorme hoeveelheid mensen die zij moeten opvangen. De heer Servaes spreekt over de grote ambities van dit kabinet in woorden en daden. In dat kader vraag ik hem hoe hij de ambities van dit kabinet zou typeren met betrekking tot het zelf opvangen van Syrische vluchtelingen, al is het maar tijdelijk?

De heer Servaes (PvdA):

Er is een risico dat we hier in een debat belanden dat ook in andere samenstellingen in deze Kamer wordt gevoerd. Ik sprak over het buitenlandbeleid, maar de heer Sjoerdsma koppelt het aan het opvangbeleid in eigen land. Het is prima om die koppeling te maken. Ik ben het met hem eens dat we daar ruimhartig in moeten zijn. Mijn partij heeft dan ook samen met D66 en andere partijen ervoor gepleit om die opvang inderdaad ruimhartig vorm te geven. Gezien de vele miljoenen vluchtelingen die op drift zijn, hebben we het echter altijd over een druppel op een gloeiende plaat. We moeten zeker ruimhartig zijn, maar het overgrote deel van de opvang zal, hoe we dat ook duiden, in de regio moeten plaatsvinden.

De heer Sjoerdsma (D66):

Kwalificeert de heer Servaes, gelet op de huidige opvangcijfers van dit kabinet, de opvang als ruimhartig?

De heer Servaes (PvdA):

Waar we het hier over hebben, is heel lastig. Het asielbeleid is ruimhartig. Er wordt immers soepel omgegaan met de desbetreffende aanvragen. De staatssecretaris die hiervoor verantwoordelijk is, heeft onlangs nog aangegeven dat die aantallen snel oplopen. De heer Sjoerdsma weet ook dat er andere categorieën zijn. We hebben gevraagd om daar ook ruimhartig mee om te gaan. Ik geloof dat er goede stappen worden gezet. De situatie blijft dramatisch. Daar hoeven we niet moeilijk over te doen. Waar er mogelijkheden zijn, zal mijn partij hier ruimhartig mee omgaan.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, gaat het over hetzelfde punt?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ja. De dramatische situatie in Syrië wordt erkend door de Partij van de Arbeid, maar zij zegt dat we juist op dit punt ruimhartiger moeten omgaan met het uitnodigingsbeleid. Dan hebben we het over UNHCR-beleid. Maar op dit punt zien we het kabinet niet bewegen. Is de Partij van de Arbeid nu bij monde van de heer Servaes bereid om harder te duwen tegen dit kabinet, opdat er ruimhartiger met het uitnodigingsbeleid wordt omgegaan?

De heer Servaes (PvdA):

Ik vind het lastig om hier nu op in te gaan. Ik moet eerst weten wat er concreet wordt voorgesteld. Hard duwen is prima, maar dan wel op basis van een concreet voorstel. We hebben gezamenlijk opgetrokken om het aantal uitgenodigde asielzoekers te plaatsen buiten het vaste quotum dat daarvoor geldt. Op dat punt hebben we dus gezamenlijk geduwd. De heer Voordewind weet echter ook dat er heel wat praktische aspecten aan zitten. Ik vind het uitstekend om die discussie hier maar ook elders voort te zetten, maar de UNHCR zelf heeft aangegeven dat zij ongelofelijk veel moeite heeft met het selecteren van deze specifieke groep vluchtelingen, de uitgenodigden. Ik ben bang dat we in een herhaling van zetten terechtkomen als we dat spectrum hier weer langslopen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Wij moeten het debat over het asielbeleid van de vorige week of de week daarvoor niet overdoen, maar daarin zijn de PvdA en de ChristenUnie inderdaad gezamenlijk opgetrokken met betrekking tot het uitnodigingsbeleid van familieleden die in Nederland zouden verblijven. Het kabinet heeft juist gezegd, dat niet te willen doen en de grenzen gesloten te houden en uitgesproken dat familieleden er niet in komen. Is de PvdA bereid om nogmaals het kabinet op te roepen, de visamaatregel te verruimen, gezien de ernst van de situatie van de vluchtelingen?

De heer Servaes (PvdA):

We gaan er steeds verder op door, maar deze onderwerpen zullen in de betreffende commissie opnieuw worden besproken. Mijn partij zal daar zeer consistent in handelen, maar dit lijkt mij de plek noch de tijd om daarin concrete stappen te zetten. Laten wij dit debat voortzetten. Volgens mij staan wij op heel wat punten aan dezelfde kant.

De voorzitter:

Mijnheer Servaes, vervolgt u uw betoog.

De heer Servaes (PvdA):

Ik sprak over de vredesconferentie die in januari eindelijk zal plaatsvinden. Dat hopen wij althans. Dat kondigde Ban Ki-Moon gisteren aan. Tegelijkertijd vind ik het wel moeilijk te accepteren dat het nog twee maanden zal duren, maar de PvdA spreekt hoe dan ook haar waardering uit voor de inspanningen van het kabinet als het om een vredesconferentie, om samenwerking met de Syrische oppositie gaat en specifiek als het om de betrokkenheid van vrouwen en minderheden bij dat vredesoverleg gaat.

Het afgelopen weekend werd in Genève een voorlopig akkoord bereikt over het Iraanse kernenergieprogramma. De PvdA verwelkomt het interimakkoord en prijst de rol die Hoge Vertegenwoordiger Ashton in de onderhandelingen heeft gespeeld. Mijn fractie deelt de mening van Ashton dat het akkoord tijd en ruimte biedt voor een definitief akkoord over zes maanden. Natuurlijk mogen we niet naïef zijn; de komende maanden moet blijken hoe partijen de afspraken invullen en moeten we de druk op Iran opvoeren en behouden om ook de belofte over verbetering van de mensenrechtensituatie na te komen. De aandacht voor het nucleaire dreigt ten koste te gaan van de mensenrechten. Daar maak ik me zorgen over. Amnesty International wees gisteren nog op het grote aantal politieke gevangenen en op zelfs een toename van het aantal terechtstellingen in het land. Graag krijg ik een appreciatie van de minister van het gesloten akkoord, van het vervolgtraject en juist ook van deze mensenrechtendimensie.

In dezelfde regio werd deze zomer het Midden-Oostenvredesproces nieuw leven ingeblazen. De PvdA vindt dat Nederland de door Kerry geïnitieerde gesprekken moet steunen. In dat kader is het verstandig om goede contacten met beide partijen te onderhouden. Mijn fractie meent wel dat Nederland en vooral ook de Europese Unie een eigen rol in het vredesproces kunnen vervullen. Waar de VS vooral faciliterend zijn en daardoor zo neutraal mogelijk moeten zijn, kan Europa juist duidelijk maken welke consequenties, positief of negatief,verbonden worden aan het verloop van de vredesonderhandelingen. Dat heb ik al eerder betoogd.

In december brengt de premier met de ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en later ook met die van Economische Zaken een bezoek aan de regio, aan Israël en aan de Palestijnse gebieden. Het doel van het bezoek is, de goede betrekkingen met beide landen te verstevigen. Met beide autoriteiten zal een samenwerkingsforum gelanceerd worden. Zoals gezegd, steunt mijn fractie deze relaties als doel op zichzelf, maar ook als middel om invloed uit te oefenen. Ik vertaal dat in drie punten.

Ten eerste ga ik ervan uit dat het kabinet tijdens het bezoek zowel Israël als de Palestijnen aanspreekt op hun verantwoordelijkheid voor commitment aan het vredesproces, voor respect voor het internationaal recht en voor het afzien van eenzijdige acties die de onderhandelingen kunnen ondermijnen. Geen nieuwe nederzettingen dus, ook geen aankondigingen. Belemmeringen van de economische ontwikkeling van de Palestijnse gebieden moeten worden opgeheven. Vanzelfsprekend mag er geen geweld plaatsvinden of tot geweld worden aangezet. Ook moet het kabinet opnieuw het UNICEF-rapport over de behandeling van Palestijnse minderjarigen in Israëlische detentie onder de aandacht brengen, want wat dat betreft, is er te weinig voortgang.

Ten tweede dienen de samenwerkingsfora onderdeel te zijn van de evaluatie die na het eerste jaar zal plaatsvinden, omdat zij niet los gezien kunnen worden van de politieke context. Vanzelfsprekend gebeurt dit ook bij vroegtijdige beëindiging van de vredesbesprekingen. Wij hopen daar niet op, maar als het zover is, zal er in de woorden van de minister sowieso een heel andere situatie komen en zullen we daar dus naar moeten kijken.

Ten derde dienen bedrijven of organisaties uit bezette gebieden, in lijn met Europese afspraken, uitgesloten te zijn van participatie in deze samenwerkingsfora. Wellicht zeg ik dit ten overvloede, want volgens mij refereerde collega Van Bommel er ook al aan. Ik ga er wel van uit dat dit gebeurt. De Europese Unie onderhandelt op dit moment stevig over de Horizon 2020-programma's. Nederland moet die lijn vasthouden. Graag krijg ik een bevestiging op dit punt.

Ter afsluiting van dit blokje wil ik nog aandacht schenken aan twee landen, maar ik denk dat ik beter eerst collega Ten Broeke een vraag kan laten stellen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Bij monde van de heer Servaes noemt de Partij van de Arbeid het optreden van de Amerikaanse regering en haar minister van Buitenlandse Zaken vooral faciliterend. Het is een beetje alsof mijnheer Kerry de koffie inschenkt en dat mevrouw Ashton moet langskomen om normerend te zijn. Ik noem dat echter in de weg lopen. Sinds heel lang geleden voeren de Palestijnen en de Israëlische regering weer gesprekken. Die gesprekken werden de afgelopen jaren door de fractie van de heer Servaes als niet waarschijnlijk beoordeeld. Voor zover die gesprekken wel als waarschijnlijk werden beoordeeld, werd daar altijd bij gezegd: dat moet dan zonder voorwaarden vooraf gebeuren! Israël is echter zonder voorwaarden vooraf aan tafel gaan zitten. Van Palestijnse kant zijn er wel voorwaarden gesteld, namelijk de vrijlating van zogenoemde pre-Oslo-gevangenen. Daar is door Israël aan voldaan. Nu wil de heer Servaes aan de hand van een samenwerkingsovereenkomst tussen Nederland en Israël weer allerlei nieuwe voorwaarden koppelen aan die samenwerking, die dan ook nog het vredesproces weer moeten beïnvloeden. Wat is het doel dat de Partij van de Arbeid hiermee beoogt? Moet dit slagen? Geven wij hiermee ruimte of gaan wij in de weg lopen?

De heer Servaes (PvdA):

Ik moet de heer Ten Broeke corrigeren, want het zijn bepaald geen nieuwe voorwaarden. Het gaat om het internationaal recht en de grenzen die sinds 1967 gelden. Het gaat dus om zaken die ver voor "Oslo" speelden. Het gaat om beleid van de Europese Unie dat al veeljarig staat en dat door kabinetten in Nederland, welke kleur die ook hadden, werd uitgedragen. Wij zeggen dus absoluut niet dat er nieuwe voorwaarden moeten worden gesteld. Wij zeggen: houd vast aan de eisen die wij altijd gesteld hebben.

De heer Ten Broeke (VVD):

De heer Servaes heeft zojuist drie mandjes met voorwaarden genoemd die gekoppeld zijn aan de samenwerking tussen Nederland en Israël en die tegelijkertijd implicaties hebben voor het vredesproces. Wij hebben geen enkel verschil van mening over nederzettingen en internationale afspraken. Bij monde van deze minister van Buitenlandse Zaken heeft de regering echter een- en andermaal aangegeven ruimte te willen bieden aan het zo unieke vredesspoor dat tot stand is gekomen. Dat is niet gebeurd omdat de Partij van de Arbeid dit zag aankomen. Zij zag dit namelijk niet aankomen. Dan had ik vandaag echter van de Partij van de Arbeid verwacht dat zij de minister op dit vlak zou steunen. Ik snap niet dat er allerlei nieuwe voorwaarden moeten worden gesteld aan de bilaterale samenwerking tussen Nederland en Israël of tussen Nederland en de Palestijnse Autoriteit. Ik noem simpelweg de voorwaarde die de heer Servaes wil stellen wat betreft de behandeling van kinderen die worden gedetineerd. Daarvoor heeft het Israëlische leger nota bene zelf al een initiatief genomen. Die voorwaarde snap ik niet en die kan de heer Servaes dus wellicht schrappen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Ten Broeke (VVD):

Wat is de zin van deze voorwaarden, waarvan een deel al is vervuld en terwijl de minister van Buitenlandse Zaken al heeft gezegd dat het vredesspoor op dit moment prioriteit heeft?

De heer Servaes (PvdA):

Ik kan bijna niet kiezen waarop ik zal reageren. Ik kan ingaan op de voorspellende gave van verschillende politieke partijen in dit huis over de wereldpolitiek. Ik kan ook ingaan op de bezorgdheid over het ter sprake brengen van bepaalde onderwerpen als je ergens op bezoek gaat, zoals een rapport van een gerenommeerde VN-organisatie als UNICEF. Dat is een zeer serieus rapport. Minder dan een maand geleden kwam daarvan een update waarin werd gesteld dat tot nu toe helaas te weinig is gebeurd met de aanbevelingen die daarin staan. Het lijkt me niet meer dan redelijk dat je dat soort onderwerpen ter sprake brengt. Of gaat het uiteindelijk toch om de simpele voorwaarde dat beide partijen zich committeren aan dit vredesproces en het internationaal recht respecteren? Het is prima als de heer Ten Broeke zegt dat hij het internationaal recht of wat dan ook ter discussie wil stellen, maar ik geloof niet dat ik hier nieuwe zaken op tafel heb gelegd.

Voorzitter. Ter afsluiting van het blokje vraag ik aandacht voor twee landen buiten de regio: Colombia, waar na decennia van geweld een doorbraak in de vredesbesprekingen lonkt, en de Centraal-Afrikaanse Republiek, die juist, in de woorden van de VN, in een totale chaos dreigt te vervallen. Hoe duidt de minister de ontwikkelingen in deze beide landen? En wat acht hij een adequate reactie van de internationale gemeenschap?

Ik ga door naar het ondersteunen van democratische krachten. In Oekraïne gingen dit weekend tienduizenden mensen de straat op om te betogen tegen het besluit van hun regering om de onderhandelingen met de EU af te breken.

De heer Van der Staaij (SGP):

De heer Servaes noemde Colombia. Wij zijn benaderd door organisaties die verbonden zijn met het Colombiaplatform. Die vragen ons om erop te letten dat wij de missie van de OAS blijven steunen, juist nu die vredesbesprekingen lopen en wij zien dat een aantal landen er de handen van aftrekt. Hoe staat de PvdA-fractie daarin? Juicht ze het toe dat men ook komend jaar vanuit het stabilisatiefonds de OAS-missie blijft steunen?

De heer Servaes (PvdA):

Ik ken de details hiervan niet. Ik vind het interessant om van de minister te horen hoe het precies zit met die funding. Ik heb ervan gehoord, maar ik ken de details niet. Ik wil er wel het volgende over zeggen. Na al die doden die zijn gevallen in dit vreselijke conflict en na de moed die de onderhandelaars hebben getoond, is het heel goed dat wij hierbij betrokken zijn. Juist bij zoiets dat ver van ons af lijkt te staan — hoewel, wij hebben het over een buurland van Aruba — is het heel belangrijk dat wij steun blijven geven aan deze onderhandelingen.

Voorzitter. Ik was inmiddels in Oekraïne beland, waar dit weekend vóór Europa betoogd werd. Het associatieakkoord en het vrijhandelsakkoord werden door de Oekraïense regering opgegeven. Ik vind het doodzonde dat het zo is gelopen. In reactie op het Oekraïense besluit zijn stevige woorden gevallen. Van Poetin, maar ook van Barroso en van Van Rompuy. Hoezeer ik ook snap waar die frustratie bij de Europese Unie vandaan komt, ik geloof niet dat het de Oekraïners helpt om over hun hoofden heen de blame game uit te vechten. We moeten de deur openhouden, we moeten steun blijven geven aan de pro-Europese krachten in dat land en we moeten ervoor zorgen dat de blame game in een zero-sum game eindigt. Hoe beschouwt de minister de ontwikkelingen in Kiev en welke mogelijkheden ziet hij om de besprekingen voor of na Vilnius nieuw leven in te blazen? Hoe dan ook acht mijn fractie betrokkenheid bij en versterking van partijen en het maatschappelijk middenveld in de landen aan de oostgrens van Europa hard nodig. Wij pleiten er daarom voor om het Matra-programma, dat volgens de begroting alleen beschikbaar zou zijn voor kandidaat-lidstaten of potentiële kandidaat-lidstaten van de Europese Unie, ook open te houden voor de landen van het Oostelijk Partnerschap, zodat organisaties als het Netherlands Institute for Multiparty Democracy kunnen doorgaan met hun goede werk.

In de Arabische wereld gaat het proces van democratisering lang niet zoals wij gedacht, of in ieder geval gehoopt, hadden. Ontwikkelingen in Libië en Egypte baren grote zorgen. Aan andere landen lijkt de Arabische Lente überhaupt voorbij te zijn gegaan en de repressie neemt er eerder toe. Dit alles roept de vraag op of het huidige Nederlandse en Europese beleidsinstrumentarium dat wij de afgelopen jaren hebben ontwikkeld, wel goed is toegesneden op de laatste ontwikkelingen. Hoe kunnen democratie, goed bestuur en respect voor de mensenrechten, vrouwenrechten in het bijzonder, het meest effectief worden gestimuleerd? De PvdA-fractie acht het van belang dat het debat hierover op basis van goede analyses gevoerd blijft worden. Ik overweeg over dit punt een motie in te dienen, waarin wij de AIV vragen advies te geven over dit complexe vraagstuk.

Mijn derde en laatste onderwerp is een haast klassiek sociaaldemocratisch thema: de strijd voor fatsoenlijk werk wereldwijd. Die strijd gaat voort, zeker mondiaal, waar er nog veel misstanden zijn. Denk aan de ingestorte textielfabriek in Bangladesh, met meer dan 1.100 doden. Denk aan de voetbalstadions voor het wereldkampioenschap in Qatar, die worden gebouwd door moderne slaven. Wij kunnen het niet accepteren. Wat wij voor onszelf als een gegeven beschouwen, moeten wij elders in de wereld bevechten: de garantie van werknemersrechten, het recht op goede arbeidsomstandigheden, de vrijheid van vereniging in vakbonden en sociale bescherming voor iedereen. Dat kan op het niveau van een sector, zoals minister Ploumen met haar initiatief in Bangladesh heeft laten zien; gisteren liet zij op dit gebied overigens weer op uitstekende wijze van zich horen. Het kan ook door steun te geven aan multilaterale initiatieven en internationale samenwerking tussen vakbonden; ik zou bijna in een pleidooi voor de International Labour Organization terechtkomen. Het is sowieso verstandig om dit samen met andere Europese landen te doen door dit hoger op de EU-agenda te zetten, want van een coherente Europese agenda is op dit moment geen sprake. Ik verzoek het kabinet om zich in te blijven zetten voor dit thema en zich in te spannen voor een Europees actieplan voor fatsoenlijk werk wereldwijd.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Ik sluit mij uiteraard graag aan bij dat pleidooi. De discussie die wij hier het laatste jaar vaak hebben gehad, gaat over de vraag hoe je die garanties en rechten — die niet alleen een sociaaldemocratisch ideaal zijn, maar een ideaal dat gelukkig ook door veel anderen breed gedragen wordt — kunt effectueren en in de praktijk brengen. Vaak gaat de discussie over de vraag of dit veel of weinig richtlijnen zijn en of ze vrijwillig zijn of niet, maar zou het wellicht ook mogelijk zijn om toe te werken naar bepaalde internationale standaarden met een verplichtende werking? Ik zou graag horen of de heer Servaes er net als GroenLinks voor pleit om die richting op te gaan, naar een mooie set makkelijk handhaafbare, maar dus wel handhaafbare richtlijnen.

De heer Servaes (PvdA):

Ik herken mij zeer in dit pleidooi. In het kader van de mensenrechtennota hebben wij hierover uitgebreid met elkaar gesproken. Wij zullen dat ook nog doen als het Nationaal actieplan mensenrechten en bedrijfsleven het licht ziet. Wij zullen hier dus op terugkomen. De normen en afspraken die wij hebben, de OESO-normen en het zogenaamde Ruggie-framework, zijn op zich goed. Sterker nog, je zou daaruit al bepaalde verplichte elementen kunnen afleiden. Het gaat dus met name om een goede uitvoering daarvan en toezicht daarop. Daar zijn voorstellen voor gedaan, ook nationaal, bijvoorbeeld in de vorm van een nationaal contactpunt. Ik ben het dus met de heer Van Ojik eens. Ik denk dat wij de normen strikt moeten toepassen. Dat ontslaat ons niet van de plicht om ook andere initiatieven te ontplooien, zoals bijvoorbeeld het textielinitiatief van minister Ploumen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Net als de heer Servaes heb ik veel waardering voor het activisme van minister Ploumen op het gebied van de textielsector in Bangladesh, maar ook hier is het probleem dat ook de activistische minister Ploumen uiteindelijk niet beschikt over het instrumentarium om Nederlandse bedrijven in de kledingketen die weigeren om dergelijke convenanten te ondertekenen, tot de orde te roepen. Zij kan slechts zeggen dat je daar dan maar geen kleren moet kopen. Daarop krijgt zij het verwijt dat zij zich opstelt als actievoerder en niet als beleidsmaker. Er ontbreekt dus iets in het instrumentarium. Als wij het daarover eens zijn, kunnen wij de regering vragen om de hiaten in het instrumentarium te repareren; liefst in EU-verband, dat ben ik met de heer Servaes eens.

De heer Servaes (PvdA):

Ik waardeer het activisme in de minister zeer. Het bleek bovendien zeer effectief, want binnen een dag was het convenant wel ondertekend. Zo zie je maar hoe het kan gaan. In dit specifieke geval geloof ik dat de benadering goed is en goed werkt, maar dat het instrumentarium zich verder ontwikkelt, onder andere door beter toezicht en door andere landen ook aan te spreken op hun verplichtingen, in de eerste plaats landen in de Europese Unie. Daarover ben ik het met de heer Van Ojik eens. Ik kan mij ook zomaar voorstellen dat dit onderwerp morgen bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Handel nog terug zal komen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik wil even bekijken waar wij gezamenlijk op kunnen trekken. Minister Ploumen heeft inderdaad gezegd dat wij hier morgen op terugkomen, maar dan gaat het alleen om de textielindustrie in Bangladesh. Wij zouden toch een convenant moeten hebben dat breder is dan alleen Bangladesh? Zulke dingen gebeuren namelijk ook in Cambodja. Daar storten ook textielfabrieken in. Ook andere landen in Azië kunnen in dit verband worden genoemd. Is de Partij van de Arbeid er voorstander van om een breder convenant op te stellen, dat over meer landen gaat dan alleen over Bangladesh?

De heer Servaes (PvdA):

Goede voorbeelden uit een bepaalde sector of een bepaald land kunnen zeker ook elders worden toegepast. In de houtketen zijn we bijvoorbeeld heel goed bezig geweest. Er is daar meer inzicht geschapen in de keten en er is sprake van certificering. Die systematiek kunnen we nu toepassen in andere sectoren. Ik noem de kolensector of de energiesector in meer algemene zin. Als dit convenant in Bangladesh dus goed werkt, is het volgens mij inderdaad zeker de moeite waard om te bezien of we het ook op andere plekken kunnen toepassen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik neem aan dat ook de Partij van de Arbeid vindt dat hierbij niet alleen de brandveiligheid van belang is, maar ook leefbaar loon, de afwezigheid van kinderarbeid, het recht op vereniging en vergadering et cetera. Naar ik aanneem, hebben wij het hierbij over arbeidsvoorwaarden in brede zin.

De heer Servaes (PvdA):

Volgens mij zijn de zaken die de heer Voordewind zojuist noemde, precies de rechten die ik zojuist benoemde en die in deze discussie van belang zijn.

Ik wil daaraan nog één deel toevoegen, dat wat specifieker is dan de generieke aanpak van een Europees actieplan voor fatsoenlijk werk wereldwijd. Ik doel op de aandacht voor het respecteren van in het bijzonder de rechten van werknemers die zijn betrokken bij de organisatie van grote internationale sportevenementen zoals de Olympische Spelen en het wereldkampioenschap voetbal. Hoe is het toch mogelijk dat grote evenementen worden toegewezen aan landen waar zelfs de meest elementaire bescherming van werknemers ontbreekt? Hoe is het toch mogelijk dat de grote internationale sportbonden geen werk maken van de misstanden die nu voorkomen in onder meer Sotsji en vooral in Qatar? Ik realiseer me dat ons land niet op statelijk niveau in deze sportbonden is vertegenwoordigd. Toch roep ik het kabinet op om in actie te komen via multilaterale organisaties zoals de VN en de ILO. Men moet ook in actie komen in samenwerking met onze nationale sportbonden NOC*NSF en in het bijzonder de KNVB. Het moet toch mogelijk zijn om normen voor onder meer goede arbeidsomstandigheden opgenomen te krijgen in de regelementen van deze internationale bonden? Het moet toch mogelijk zijn dat wordt toegezien op de naleving van die normen? Sport hoort een feest te zijn, niet de aanleiding tot de misstanden die wij nu zien. Ook op dit punt hoop ik in de tweede termijn een motie in te dienen.

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. De CDA-fractie wil de eerste termijn van dit debat vandaag dicht bij huis beginnen, want buitenland is binnenland. Den Haag is de stad van vrede en veiligheid. We hebben in de afgelopen dagen forse discussies gevoerd over het gedrag van buitenlandse diplomaten. Met de overgrote meerderheid van deze diplomaten is uiteraard helemaal niets mis. Toch wordt nog steeds de helft van de verkeersboetes die zijn opgelegd aan buitenlandse diplomaten niet betaald, ook na jaren aandringen. Dat gebeurt met boetes die zijn opgelegd in Den Haag, maar ook met boetes die daarbuiten zijn opgelegd. We hebben geen antwoord gekregen op de vraag hoe vaak er in de afgelopen twintig jaar is gevraagd om opheffing van de diplomatieke status. Hoe vaak is aan een diplomaat gevraagd om het land te verlaten? In deze twintig jaar hebben zich incidenten voorgedaan, bijvoorbeeld met diplomaten die hebben gereden onder invloed van alcohol en met mensen die op grote schaal rekeningen niet betaalden. Wij krijgen graag antwoorden op de vragen die wij hierover hebben gesteld.

Wij willen ook graag dat de regering hierover een plan opstelt. Diplomaten die zich echt misdragen, moeten minder CD-platen en geen vrije parkeerplaatsen krijgen. Het Nederlandse beleid moet bovendien officieel zijn dat wordt gevraagd om intrekking van de diplomatieke status als er sprake is van een diplomaat die wordt verdacht van iets waarop een behoorlijke gevangenisstraf staat. Ik hoor hierop graag een reactie.

Ik behoor tot een kleine fractie, dus ik moet mij helaas beperken tot een gedeelte van de wereld. Ik zou wensen dat ik het onderwerp Syrië niet zou hoeven aan te snijden. Het lijkt er misschien wat op dat de crisis daar een beetje is opgelost nu we het probleem met de chemische wapens aan het oplossen zijn, maar niets is minder waar. De oorlog daar wordt erger, harder en wreder. Er zijn nu ook meer dan 10.000 kinderen het slachtoffer en het lijkt erop dat uithongering als een strategie wordt gebruikt in die oorlog. We zijn vervallen in middeleeuwse taferelen. Er zijn bijna 100 Nederlandse jihadstrijders. Dat is een behoorlijk gevaar aan het worden. Ook bij de rol van Turkije zetten we vraagtekens.

Een massaal vluchtelingenprobleem voltrekt zich voor onze ogen. Als dit nog verder gaat, lopen we het risico dat landen als Libanon en Jordanië inklappen omdat al meer dan een kwart van hun bevolkingen bestaan uit vluchtelingen die daar lange tijd zullen blijven. Hoe gaat Nederland ze ondersteunen? Welke oplossing streeft de regering structureel na? Hoe zorgt het westen ervoor dat Al Qaida Syrië niet gaat overnemen?

De CDA-fractie zou van de regering willen weten of zij bereid is om in internationaal verband ervoor te pleiten dat het Internationaal Strafhof nu wel jurisdictie van de VN-Veiligheidsraad krijgt en daar een zo groot mogelijke coalitie voor te bouwen. We weten dat de minister deze mening deelt, maar nog steeds wordt het Internationaal Strafhof niet ingezet daar waar het het keihardst nodig is in deze wereld. Wil de regering dan ook meteen ervoor pleiten dat onder de Responsibility to Protect ook het uithongeren onderzocht gaat worden door de VN?

In Syrië speelt een tweede probleem en dat is dat minderheden keihard geraakt worden. Christelijke steden als Sadat, Saydnaya en Maaloula worden extra getroffen en de vluchtelingen daarvandaan kunnen vrijwel nergens naartoe. We zien het in grote delen van de islamitische wereld gebeuren. Als we niet oppassen vindt er een etnische schoonmaak plaats. 98 jaar na de genocide vindt er een nieuwe ronde plaats. Dat is dramatisch. Dramatisch niet alleen voor deze religieuze minderheid, maar ook voor andere religieuze en etnische minderheden die daar uitgedreven worden. Daar kunnen we onze kop niet voor in het zand blijven steken. De Responsibility to Protect moet er zijn. Op welke wijze spreekt Nederland landen aan die jihadisten daar sponsoren, waaronder ook bondgenoten als Saudi-Arabië en de Golfstaten?

Ten aanzien van de mensenrechten betreuren wij het dat godsdienstvrijheid een minder hoge prioriteit heeft. Wij denken dat de huidige ontwikkelingen helaas aanleiding geven om die prioriteit wel te stellen. Zou Nederland bereid zijn om samen met een land als Canada, Zuid-Afrika of Bolivia, met drie landen een initiatief te nemen — de Canadese regering is ermee bezig — om te kijken of burgerschap en godsdienstvrijheid als inclusief thema benoemd kan worden en dat we sektarisme niet aansporen, maar juist met andere projecten beginnen? Wanneer krijgen we trouwens de evaluatie van de pilots over godsdienstvrijheid?

Mensenrechtenbeleid moet goede woorden hebben maar ook tanden. Ik geef een paar voorbeelden. Ik krijg daar graag een reactie van de regering op. We geven 7,4 miljoen aan de presidentsverkiezing in Afghanistan en Afghanistan overweegt stenigen bij overspel opnieuw in te voeren. Welke actie heeft de minister in gedachten? Hij had daar gisteren overigens goede opmerkingen over. We werken samen met Turkije maar Turkije straft een Nederlandse journaliste levenslang. Deze journaliste wint zelfs een zaak bij het Hof in Straatsburg. Turkije heeft nog steeds de compensatie niet betaald. Wat doet Nederland? President Al-Bashir van Sudan wordt gezocht voor genocide. De Nederlandse regering was vorig jaar zelfs even bereid om honderden miljoenen schuld van Sudan kwijt te schelden. Dat land geeft overigens niets uit aan onderwijs en alles aan bommenwerpers, maar dat terzijde. Saudi-Arabië is onze bondgenoot, maar wat doen we met de motie die hier Kamerbreed is aangenomen? Want vrouwen, christenen en migranten hebben werkelijk waar nul rechten in dat land. Qatar is hier al aan de orde geweest. Wat doen we met Qatar? Als we Sotsji aanspreken, nou, dan zouden we van Qatar zeker iets moeten vinden. Tot slot Brunei. Vorig jaar nog ging onze koningin daar op staatsbezoek, maar nu voert het de sharia in, inclusief het stenigen. Afghanistan spreken we daar op aan. Hoe doen we dat bij Brunei?

Dan kom ik bij Sudan, het einde van de aarde, genocide, dagelijkse bombardementen van de eigen regering. Gaat de Nederlandse regering pleiten voor die humanitaire interventie in de Nuba Mountains? De minister zou pleiten voor de factfinding mission. Heeft hij zijn EU-collega's al gepolst? Wanneer vindt dat plaats? Blijft de steun voor Radio Dabanga op orde? Dat is de enige vrije radio die daar nog is.

Sudan zat vorig jaar bij de schuldkwijtschelding en ook dit jaar staat er 150 miljoen voor schuldkwijtschelding op de begroting. Het CDA zou graag een precieze lijst zien van landen waarvoor Nederland geld reserveert voor schuldkwijtschelding. Is de regering bereid om de Kamer bij de wat grotere bedragen — ik sprak hier zojuist al over met de heer Ten Broeke — van te voren, dus op het moment dat de verplichting nog niet is aangegaan, te informeren of dat landen zijn waarvan wij denken dat het geld in ieder geval op enige wijze goed terecht komt? Ik krijg graag een toezegging, want ik overweeg op dat punt een motie.

De heer Ten Broeke (VVD):

Even een toevoeging, want het moet heel helder blijven waar wij het met elkaar over eens zijn. Ik vind namelijk wel dat de regering gewoon haar eigen keuzes moet maken. Anders dan de heer Omtzigt heb ik niet de neiging om voortdurend voor regering te gaan spelen. Dus als de regering voornemens is om grote schulden kwijt te schelden en zij neemt dat besluit, dan is dat volgens mij het moment om de Kamer daar actief over in te lichten. Dat is althans zoals ik de heer Omtzigt oorspronkelijk verstaan heb. Voor Sudan geldt dat dan dus ook. Om een besluit van de regering als het ware afhankelijk te maken van toestemming vooraf, vind ik een beetje opmerkelijk, want dat zou de regering wel heel erg beperken in haar mogelijkheden om überhaupt een besluit te nemen. Ik krijg dan ook graag helderheid van de heer Omtzigt over wat hij exact wil en wat voor duidelijkheid en helderheid over dit soort besluiten moet worden gegeven. De regering moet namelijk wel kunnen blijven regeren.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik zou ten eerste graag een lijst willen hebben met de landen waarvoor schuldhulpverlening wordt overwogen. Er wordt hier namelijk gevraagd om ergens mee in te stemmen, terwijl wij pas achteraf horen om welk land het ging. Er zijn verschillende landen waarvoor ik mij dat heel wel kan voorstellen in een pakket, maar er zijn ook landen waarvoor ik daar absoluut niet mee wil instemmen. Daar wil ik niet hier in de begroting al mee instemmen. Als die lijst er in tweede termijn ligt, dan kunnen we het er dan over hebben op welke wijze we dat in de Kamer vorm gaan geven. Overigens verontrust dit antwoord van de VVD-fractie mij wel enigszins, want die fractie wilde graag dat als de regering ook maar 5 miljoen aan noodhulp geeft, er vooraf door de Kamer toestemming voor wordt gegeven, maar als er tientallen miljoenen schuld kwijtgescholden worden, hoeft dat niet. Ik zou denken: doe het dan in beide gevallen.

De heer Ten Broeke (VVD):

In beide gevallen willen wij graag dat de regering ons inlicht over een besluit. Maar dat besluit is wel een regeringsbesluit. We gaan niet een besluit afhankelijk maken van toestemming van de Kamer voordat het besluit genomen is.

De heer Omtzigt (CDA):

Een van de elementaire rechten van de Kamer is het budgetrecht. Dat probeer ik hier uit te oefenen. Dat budgetrecht houdt in dat wij van tevoren weten waar verplichtingen aangegaan worden. Op welk detailniveau dat moet gebeuren, daar kun je een hele lange lijst vragen over stellen. Ik hoef niet van elke ambtenaar te weten in welke salarisschaal hij zit, maar ik wil wel per land weten hoeveel er aan schuldhulpverlening op de lat staat. Dat lijkt mij toch wel het minimale detailniveau dat wij als Kamer kunnen vragen als het om schuldkwijtschelding gaat. Als de heer Ten Broeke dan zegt dat het ergens in een groot pakket voor minder dan een paar ton is, dan wil ik er best een minimum van 5 miljoen in leggen. Dat snap ik allemaal wel. Maar grote bedragen dienen wij hier gewoon van tevoren te weten, dus voordat de verplichting wordt aangegaan.

Voorzitter. Ik ga over op de nucleaire ontwapening. Daar heeft deze minister belangrijke woorden over gesproken. De CDA-fractie is van mening dat de motie-Omtzigt nog niet echt is uitgevoerd. Wij zouden graag nog even teruggaan naar 1960, toen zei minister Visser in deze Kamer: "De hoofdvraag van de geachte afgevaardigde" — dat was de heer Bakker, die een interpellatie hield — "is of het inderdaad juist is, dat in ons land atoomwapens zijn opgeslagen. Dat is inderdaad het geval, Mijnheer de Voorzitter". Daarna klaagde ook afgevaardigde Bakker dat hij nooit antwoord kreeg op zijn vragen, maar zo helder als deze heb ik ze nog nooit gezien de afgelopen 25 jaar. Kan de minister aangeven of die wapens hier nog steeds zijn, of hun opvolgers, en in welke aantallen? Dan zullen wij op een nader moment verder praten over hoe we met die ontwapening omgaan. Daar zal ongetwijfeld gelegenheid voor zijn voor de nucleaire top in maart 2014.

Tot slot kom ik op het misbruik van kinderen. In 2007 vroeg het Europees Parlement om de uitwisseling van gegevens van veroordeelde pedofielen en mensen die andere zedenmisdrijven hebben begaan binnen de Unie. In 2010 vroeg de Raad van Europa om de uitwisseling van die gegevens. Als die er was geweest, had Robert M., die veroordeeld is in Duitsland, wellicht geen verklaring omtrent het gedrag gekregen en was hij in ieder geval niet in een kinderdagverblijf aan het werk gegaan. Of hij ergens anders misbruik had begaan, weten wij niet. Ik wil graag weten met welke landen er op dit moment sluitende informatie wordt uitgewisseld.

Ik heb hierover een aantal zeer specifieke vragen. Indien een Nederlander in het buitenland veroordeeld wordt binnen de Unie, krijgen wij die informatie dan van alle 27 andere lidstaten? Betekent dit dat die persoon geen vog krijgt? Indien iemand veroordeeld wordt in Cambodja of Thailand, krijgen wij die informatie dan en kunnen wij die persoon vervolgens weigeren in een kinderdagverblijf? Met welke landen vindt er sluitende informatie-uitwisseling plaats? Overigens verplicht het verdrag van Lanzarote uit 2007 ons daar ook toe. Dat verplicht ons ertoe die informatie uit te wisselen. Er wordt dan in ieder geval ook over mensen met een andere nationaliteit informatie uitgewisseld in het Schengengebied. Wij willen vaak minder Europa, maar hierbij willen wij meer Europa. Dat is nodig om de allerkwetsbaarsten te beschermen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik heb een vraag over een onderwerp dat niet echt naar voren is gekomen in de brede toespraak van minister Omtzigt. Ik bedoel: de heer Omtzigt. Ik promoveer hem meteen tot een nieuw ambt! Hij is langs het onderwerp Israël gegaan. De heer Omtzigt heeft in een eerder stadium gezegd dat er, als het zo doorgaat met de nederzettingenbouw, op een gegeven moment een rode lijn in zicht komt. Dan zou daarop bijvoorbeeld iets met het associatieakkoord moeten volgen. Ik vraag hem vandaag dan ook het volgende. De minister reist af naar Israël en intensiveert het contact met Israël. Op welke wijze kijkt de heer Omtzigt hiertegenaan? Moeten daaraan niet ook voorwaarden worden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van het internationaal recht en het respecteren van mensenrechten?

De heer Omtzigt (CDA):

Ik vraag graag aan de minister welke voorwaarden hij hieraan zelf stelt. Ik stel zelf vast dat ik blij ben dat de Amerikanen ingegrepen hebben na de aankondiging over de laatste nederzettingen. Eigenlijk zaten de Israëli's op dat moment over de rode lijn van de CDA-fractie heen. Ik vond dat de Israeli's op dit punt te ver gingen met de aankondiging van massale nederzettingenbouw. Dat is op dit moment niet het geval. Ik wil op dit moment het voortouw bij Kerry houden, maar ik kan mij heel wel voorstellen dat in de associatieverdragen die Nederland tekent zowel met de Palestijnse zijde als met de Israëlische zijde voorwaarden worden gesteld aan beide. De CDA-fractie denkt bij de Israëlische zijde inderdaad aan voorwaarden over de nederzettingenbouw, niet zozeer aan de muur. Ik heb dat debat hier met de heer Sjoerdsma gevoerd naar aanleiding van het burgerinitiatief van iemand die hier overigens wel als minister stond. Bij de Palestijnse kant denk ik onder andere aan de betaling van mensen die in Israëlische gevangenissen gevangen zitten en van de Palestijnse Autoriteit gewoon geld uitbetaald krijgen, terwijl zij na een eerlijk proces veroordeeld zijn voor terrorisme. Ik denk dan niet aan kindgevangenen. Ik kan mij op dit moment voor beide kanten best behoorlijke voorwaarden voorstellen.

De heer Sjoerdsma (D66):

De heer Omtzigt spreekt hier belangwekkende woorden, namelijk dat er voor beide zijden, zowel voor Israëlische zijde als voor Palestijnse zijde, sprake moet zijn van voorwaarden waaronder die intensivering kan plaatsvinden. Dat ben ik eigenlijk wel met hem eens. Ik vind dat de heer Omtzigt wijze dingen zegt over wat er aan Israëlische maar ook Palestijnse kant zou moeten gebeuren. Vindt hij ook dat het bilaterale akkoord ingebed moet zijn in de Europese afspraken? Dat wil zeggen dat elke bemoeienis, direct of indirect, met de Israëlische nederzettingenindustrie moet worden vermeden in dat bilaterale akkoord.

De heer Omtzigt (CDA):

Op dat laatste punt ben ik nog niet helemaal zo ver. Ik hoorde ook woorden van collega Van Bommel waar ik mij in alle eerlijkheid nog niet helemaal bij thuis voel. Ik ga dus niet zo ver als een aantal andere sprekers hier. Ik vind het van belang dat Nederland met beide kanten goede bilaterale betrekkingen blijft houden, zoals het altijd heeft gedaan en zoals de heer Sjoerdsma in een vroegere rol van hem buitengewoon goed deed.

De heer Servaes (PvdA):

Het is goed om te horen waar het CDA staat. Het zijn duidelijke woorden — de rode draad — die de heer Omtzigt eerder ook in een overleg heeft geuit. Ik heb het net geconcretiseerd in drie punten. Ten eerste moet je een aantal zaken ter sprake brengen als je die kant op gaat, inclusief de positie van Palestijnse minderjarigen in detentie. Ten tweede moeten de samenwerkingsfora worden geëvalueerd, ook op basis van politieke factoren, zoals het nederzettingenbeleid. Ten derde is er de kwestie dat je je aan de afspraken moet houden dat je bijvoorbeeld Israëlische bedrijven die in bezet gebied actief zijn, niet faciliteert middels onze eigen samenwerkingsfora. Kan de heer Omtzigt die drie punten onderschrijven?

De heer Omtzigt (CDA):

Ik vond in alle eerlijkheid de insteek van de Partij van de Arbeid in die zin anders dan mijn insteek, omdat zij feitelijk alleen vragen aan de Israëlische kant voorlegde. Ik heb net een voorbeeld genoemd van een vraag die ik ook aan de Palestijnse kant zou voorleggen. Ik zou er nog een aantal kunnen noemen. Ik mis de even-handedness. Die mis ik in de internationale arena, maar die mis ik op meer plaatsen. Als er nu één punt van beleid is waarop ik deze minister behoorlijk even-handed vind, dan is het wel dit beleid.

De heer Servaes (PvdA):

Volgens mij zijn we het daarover volledig eens. Als de indruk al ontstaan is dat het om een van beide partijen in het samenwerkingsforum gaat, dan wil ik dat hier wegnemen. Het gaat om het commitment van beide partijen aan het vredesproces en het afzien van beide partijen van stappen die dat proces zouden kunnen ondermijnen. Als ik het zo uitwerk, neem ik aan dat de heer Omtzigt zich daar wel in kan vinden.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik kijk daar met een zeer positieve grondhouding naar. Maar iedereen die over de nederzettingen begint en tegelijkertijd niet ziet dat degenen die op dit moment de macht hebben op de Gazastrook nog niet erkennen dat er een bestaansrecht is voor de staat Israël en niet ziet dat diegenen die voorwaarden niet stellen, dan denk ik: jongens, het moet echt van beide kanten komen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik mag toch hopen dat het CDA niet aan de kant gaat staan van het stellen van voorwaarden. Dat zou wel heel erg bombastisch zijn voor die onderhandelingen. Ik mag toch aannemen dat we die onderhandelingen in alle vrijheid laten plaatsvinden.

De heer Omtzigt (CDA):

Even voor de helderheid, de heer Voordewind gebruikt dit trucje vaker. Hij legt mij iets in de mond wat ik niet heb gezegd. Dit ging niet over de onderhandelingen van Kerry, maar over de verdragen die Nederland zelf sluit met Israël en Palestina. Daaraan kan Nederland voorwaarden stellen. Er is hier niemand die denkt dat hij de tekstschrijver van Kerry of de VN is. Dat heb ik vandaag tot nu toe ook niemand horen doen in de Kamer.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dan hebben we dat opgehelderd. Ik heb nog een vraag over de jihadstrijders. De heer Omtzigt zei dat er inmiddels 100 Nederlandse jihadstrijders zijn. Ik heb nog even op internet gekeken. Er zijn allerlei Nederlandse websites op dit moment waarop wordt opgeroepen om deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië. Het zijn Nederlandse teksten en Nederlandse websites. Vindt de heer Omtzigt niet met mij dat we de minister van Buitenlandse Zaken zouden moeten oproepen om samen met de minister van Justitie na te gaan wat er mogelijk is om dit soort websites, waarop actief wordt opgeroepen tot geweld, tegen te gaan?

De heer Omtzigt (CDA):

Ik sta daar zeer sympathiek tegenover. Echter, ik ken het internet als een plek waar het bijzonder lastig is om websites uit de lucht te halen. Als je dat doet, zul je die binnenkort in een andere jurisdictie zien. Ik heb niet de illusie dat dit de belangrijkste manier is om deze strijd tegen te gaan. Ik denk dat het belangrijker is om — daarom heb ik ook dat voorstel gedaan — het Internationaal Strafhof onmiddellijk jurisdictie te geven. Het heeft die nu niet. Syrië als staat heeft het Verdrag van Rome niet ondertekend, waardoor het Strafhof niet kan ingrijpen, ook niet met terugwerkende kracht. Ik zie dat liever vandaag dan morgen gebeuren. Op dat moment vallen ook de misdaden van eventuele jihadistische strijders eronder. De CDA-fractie is volledig bereid om na te denken over het afnemen van paspoorten om die mensen hier niet alleen met open armen te ontvangen, maar ook met straf.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, u hebt al twee vragen gesteld.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De eerste was geen vraag, maar een opmerking waarop ik meteen geïnterrumpeerd werd.

De voorzitter:

U hebt al twee vragen gesteld.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik heb toen geen vraag gesteld. Dan moet u het stenogram maar nalezen. Ik heb toen alleen een opmerking gemaakt en geen vraag gesteld.

De voorzitter:

De heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP):

Dan was het gewoon een slechte interruptie. Nee, dat is flauw. Dat neem ik terug. Dat neem ik ogenblikkelijk terug. Ik doe dat niet vaak, maar dit neem ik ruimhartig terug.

De voorzitter:

Ik stel het op prijs dat u dat terugneemt, want dit soort oordelen hoort niet in deze Kamer.

De heer Van Bommel (SP):

Daar hebt u helemaal gelijk in, voorzitter. Schrapt u dat alstublieft uit de notulen.

Ik wil de heer Omtzigt een vraag stellen over de voorwaarden. Aan de ene kant bepleit hij even-handedness ofwel "trapje op, trapje af"; zo is het debat ook altijd door de minister gevoerd. De situatie is nu echter wel dat er concreet voorligt dat er een samenwerkingsforum overeen wordt gekomen. Ik verneem graag van de heer Omtzigt aan welke voorwaarden voldaan moet worden voor een beloning via zo'n samenwerkingsforum.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik heb zojuist een aantal voorwaarden genoemd over dat samenwerkingsforum. Ik ben ook heel benieuwd wat de regering zal voorstellen in de eerste termijn. Over het algemeen kan ik mij nog wel voorstellen dat beide samenwerkingsfora een clausule bevatten in de zin van: als de vredesbesprekingen mislukken en als de internationale gemeenschap van mening is dat een van de twee kanten daar schuldig aan is, wordt het desbetreffende samenwerkingsforum op dat moment bevroren.

De voorzitter:

Mijnheer Van Bommel, tot slot.

De heer Van Bommel (SP):

Ik zou iets concreter willen zijn, want met formuleringen als "als de vredesonderhandelingen mislukken" en "als er een schuldige aan te wijzen is", wordt het natuurlijk een discussie waar je nooit uit komt. De een zal immers zeggen dat het is gebeurd door iets wat het stopzetten van de onderhandelingen of het stellen van nieuwe eisen rechtvaardigt, terwijl de ander zal zeggen dat die nieuwe eisen onredelijk zijn. Wat zijn de concrete voorwaarden? De heer Omtzigt heeft in eerdere debatten steeds verwezen naar de nederzettingen en de uitbreiding daarvan. Hij zegt nu dat dit gelukkig tijdelijk is gestopt door minister Kerry, maar welke aanvullende eisen stelt het CDA, los van Kerry? Of is het CDA dik tevreden met de huidige situatie: handtekening, klaar?

De heer Omtzigt (CDA):

Nee, ik heb zojuist een aantal dingen genoemd, zoals samenwerking met de Amerikanen. Ik heb ook iets gezegd over de nederzettingen, het niet langer uitbetalen van veroordeelde terroristen in Palestijnse gevangenissen en medewerking op het terrein van internationaal recht. Dat laatste zou een voorwaarde kunnen zijn voor beide zijden. Dat is een goede frase waaronder je ook niet-gedefinieerde problemen al enigszins vat, ook al is het soms best lastig om daarmee om te gaan. Dat zijn de voorwaarden. Ik ben benieuwd of de regering bereid is om hier een aantal voorwaarden te noemen die zij zelf hanteert. Het lijkt overigens wel alsof ik in de Verenigde Naties ben, want het lijkt er weer op dat het probleem tussen Israël en de Palestijnen het enige probleem is dat dit parlement aan het oplossen is. Als ik zie wat er in Syrië en in Sudan gebeurt, verdient ook dat al onze aandacht. Ik zou de quote die ik heb gebruikt over het debat over nucleaire ontwapening, graag aan de Handelingen willen toevoegen.

De voorzitter:

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Ten Broeke (VVD):

De betrokkenheid van ons allen, maar zeker die van de heer Omtzigt, bij Syrië is natuurlijk enorm groot. Hij vraagt bijvoorbeeld consequent aandacht voor de vervolging van christenen. Die betrokkenheid is helder, ook vandaag weer, bij de aanbieding van de petitie. Ik werd echter vooral getroffen door het eerste deel van zijn betoog. We worstelen allemaal een beetje met de mogelijkheid om de VN effectiever te maken in het optreden ten behoeve van grote mensenrechtenschendingen. Is de benadering van de heer Omtzigt, waarmee hij meer zaken onder "genocide" wil brengen, de meest pragmatische en gaat die benadering vervolgde groepen helpen? Bijvoorbeeld in Sudan zien we dat de internationale gemeenschap dan tracht om onder die formulering uit te komen. Mijn vraag aan de heer Omtzigt is heel concreet: wil hij die definities oprekken om R2P, de Responsibility to Protect, mogelijk te maken of gaat hij meer naar de door mij voorgestelde benadering, heel pragmatisch via conventies die al door alle landen zijn ondertekend, om juist op dat vlak vooruitgang te boeken?

De heer Omtzigt (CDA):

Ik moet zeggen — en dat ligt in ieder geval niet aan de onwil van de mensen die hier zijn — dat ik het voor Syrië heel zwart inzie, zeker nu de afmeldingen voor tweede conferentie in Genève in januari van de belangrijke strijdende partijen vandaag zijn binnengekomen. Wij hebben het niet meer over conventies, want niemand houdt zich aan enige conventie. Daarom heb ik gezegd dat het Internationaal Strafhof er nu zo snel mogelijk in zal moeten komen. Wat mij betreft is het wapenembargo een optie die weer op tafel moet komen. Misschien zijn Iran en Rusland nu wel daartoe bereid. Als de heer Ten Broeke vraagt of ik op dit moment een kant-en-klare oplossing heb, is mijn constatering: nee, die heb ik niet. Ik zie alleen dat het daar ongelooflijk uit de hand aan het lopen is. Het eerste jaar van de oorlog was het conflict een burgeroorlog, zoals op veel plekken in de wereld, maar op dit moment is het een oorlog geworden waarbij een kwart van de Syrische bevolking niet meer op zijn plek woont. Mensen weten 's avonds niet of ze morgen nog te eten hebben. Het gaat om ongelooflijke aantallen. Er zijn op dit moment besmettelijke ziektes, zoals polio, aan het uitbreken en men staat aan de vooravond van een verschrikkelijke winter. De internationale gemeenschap moet dit zo snel mogelijk aanvliegen, zoals ik net al zei. De heer Ten Broeke sprak over de spillover naar Israël, maar ik ben op dit moment heel bang voor een spillover naar Jordanië en Libanon, want als het daar misgaat, is het bijna oncontroleerbaar. Wat kunnen wij dan nog doen?

De heer Ten Broeke (VVD):

De ernst van de analyse van de heer Omtzigt deel ik.

De heer Omtzigt (CDA):

Ja, dat is het probleem niet.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dat is inderdaad niet het probleem. Volgens mij heeft niemand een pasklare oplossing bij de hand, maar doet wel iedereen ontzettend zijn best. De heer Omtzigt pleit vandaag in zijn betoog bijvoorbeeld voor humanitair ingrijpen in Zuid-Sudan en niet in Syrië. Hij pleit ervoor om allerlei landen aan te spreken, met name de landen waarin christenvervolging plaatsvindt. Tegelijkertijd wenst hij pragmatische oplossingen. Hij weet dat die twee bewegingen tegenstrijdig kunnen zijn. Als je gaat voor het oprekken van de definitie van bijvoorbeeld "genocide", terwijl je nu al ziet dat dit praktische problemen met zich brengt, omdat hier de medewerking is gevraagd van landen die zich soms ook schuldig maken aan de vervolging, moet je kiezen. Wij kiezen voor de meest pragmatische benadering, omdat die uiteindelijk het meeste effect sorteert. Is mijn constatering correct dat de CDA-fractie, die daar in het verleden ook voor koos, nu kiest voor de — laat ik ze maar zo noemen — "legalistische" benadering?

De heer Omtzigt (CDA):

Wij denken dat je genocide, als die plaatsvindt, ook zo moet noemen. Dan kun je pragmatisch omgaan met de manier waarop je dit het beste kunt oplossen, maar dat is er nu aan het gebeuren. Ik zie dat alle pragmatisme op dit moment eigenlijk helemaal nergens toe leidt. Daarom roep ik de regering op om een coalitie van landen te verzamelen die het Internationaal Strafhof onmiddellijk de jurisdictie geeft. Daartoe zal ik ook een motie indienen. Dan weten wij straks wie hiermee bezig zijn, zodat die personen vervolgd kunnen worden en alleen al die dreiging ertoe leidt dat bepaalde misdaden wat minder vaak begaan worden. Ik weet niet of een wapenembargo praktisch is of niet. Zolang alle landen daar strijdgroepen naartoe sturen, strijdgroepen steunen en trainingskampen opzetten, zie ik de oplossing niet dichterbij komen.

De voorzitter:

Ik dank de heer Omtzigt voor zijn bijdrage. Wij zijn nu tweeënhalf uur bezig. Voordat ik het woord geef aan de heer Sjoerdsma, schors ik de vergadering voor enkele minuten.

De vergadering wordt van 20.57 uur tot 21.06 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik begrijp dat Ajax met 1-0 voor staat, precies tijdens deze paar minuten schorsing. Het is u gegeven.

De heer Sjoerdsma (D66):

Voorzitter. Een jaar minister Timmermans, een rollende roadshow, een wervelende wereldtournee, waar zelfs Springsteen jaloers naar zou kijken. 53 landen bezocht, 300.000 km gereisd, en veel handen geschud, heel veel handen geschud, we zagen het op de facebookcollage. Deze minister zette zichzelf tijdens zijn eerste begroting prachtig neer: van Pieter de la Court tot Spinoza. Grote ambities, high hopes.

Een man van de wereld, onder de snelknop van John Kerry, maar ook een man met ervaring, opgeleid als ondervrager van Russische krijgsgevangenen, en dus dé man om naar Moskou te sturen, toen het Nederland-Rusland-jaar een klein beetje stroef werd. In Italië vroegen kijkers van Rai Uno zich af bij welke partij die signore Timmermans eigenlijk zat. Waarom hadden ze deze Italiaanse politicus niet eerder gezien? We horen dus goede verhalen uit het buitenland. Nederland, zeggen ze, nieuw elan! Een positievere toon, een herkenbaar gezicht, en zelfs geruchten in Brussel. Komt na lady Ashton lord Timmermans?

Maar dit is ook een ongrijpbare minister. Ondoorgrondelijk. Een soort diplomatieke goochelaar, een politieke Hans Klok. Razendsnelle illusies. Houdini-achtig. Telkens als je denkt: hoe redt hij zich hier nu weer uit, komt er toch weer een politiek foefje: een emotioneel pleidooi, een draai verkocht als compromis.

Wat als wij kritisch kijken naar het motorblok van ons buitenlands beleid? Dan zien we dat het nog niet lukt om de beste diplomatieke dienst van de wereld te bereiken. Niet vanwege de kwaliteit van onze diplomaten, maar vanwege de voorgenomen bezuinigingen van het kabinet. In de hoge hoed verdween 25% van het budget. Vijf consulaten moesten verdwijnen. De minister had D66 nodig om de bezuiniging te halveren en vier consulaten open te houden. Ook minister Ploumen kan er wat van. Eén miljard eraf bij de steun voor mensen in arme landen. Een mooie show, maar toch voel ik mij een beetje bekocht.

Misschien moeten wij niet verbaasd zijn over die punten. Die stonden namelijk gewoon in het regeerakkoord. Eerlijker is het daarom om te kijken naar de resultaten. Minister Timmermans wilde Nederland weer op de kaart zetten. 2013: het jaar van de intensiveringen. Iedere week een nieuw persbericht. We intensiveren met België, we intensiveren met Duitsland, met Polen, met Indonesië, met Frankrijk, met Rusland, met Israël. Tientallen intensiveringen. Hoe gaat het daarmee? Wat gaan we precies doen? Wat betekenen die intensiveringen voor ons postennetwerk?

Hoe staat het in de praktijk met al die intensiveringsintenties? Intenties zijn goed, maar resultaten nog belangrijker, en die resultaten zijn gemengd. Geen Nederlandse stappen voor nucleaire ontwapening. Aan de zijlijn bij een historische stemming over de Palestijnen. Proberen uit een VN-organisatie te stappen. More for more, less for less, behalve voor Rusland en Israël. En Europa? In Europa is het stilstand, of: we moeten een kleinere Commissie.

Minister Timmermans speelde ook balletje-balletje met tanks en fregatten voor Indonesië. Tanks? Nee, die konden niet worden geëxporteerd naar Indonesië, maar patrouilleschepen, dat kon wel.

Wat vindt de minister eigenlijk van deze opsomming van zijn resultaten? Ik kan natuurlijk geen gedachten lezen, maar misschien denkt hij nu: stierenmest! Of: laat die Sjoerdsma maar brullen!

De minister zal wijzen op de eerste LHBT-bijeenkomst bij de VN, op de excuses aan Indonesië, op zijn nieuwe visie op mensenrechten, met een volstrekt andere toon en ambitie dan bij zijn voorganger. Hij zal wijzen op onze Patriots, die Turkije beschermen, en op de laatste militairen die terugkwamen uit Kunduz, die daar goed werk hebben gedaan.

Daar heeft de minister gelijk in. Natuurlijk is er veel verzet en natuurlijk is er veel gerealiseerd, maar toch … De minister zal niet ontkennen dat er sprake is van halve schoten.

Het eerste waar de minister over sprak toen hij na zijn beëdiging naar buiten liep, was een nieuwe koers inzake Israël. Maar waar is deze koers dan? Rutte I noemde alleen Israël in het regeerakkoord en blokkeerde een en ander in Europa. Deze minister ging het proberen, maar hij moest toekijken hoe de Palestijnse status werd opgehoogd, met een wegduikend Nederland. De minister probeerde het met correcte etikettering van producten uit bezette Palestijnse gebieden, maar ook op dat punt moest hij wegduiken. Er was sprake van een Europese vlucht naar achteren. Nu gaat het kabinet fora optuigen met de Israëli's en de Palestijnen. Dat is prima, met alle twee, maar wat D66 betreft, gebeurt het wel onder strikte voorwaarden: more for more, less for less. Mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal recht kunnen we niet belonen met versterkte banden. Krijgen wij de garantie dat wij niet onvoorwaardelijk zullen intensiveren? Krijgen wij de garantie dat onze bilaterale fora volstrekt binnen de EU-afspraken zullen vallen als het gaat om territorialiteit? Wij moeten immers direct noch indirect de nederzettingeneconomie steunen.

De winter komt eraan. Dat geldt letterlijk voor Syrische vluchtelingen. De situatie daar is onbeschrijfelijk. Meerdere collega's hebben dat al aangegeven. Iedereen in dit huis wil zo snel mogelijk een einde aan het geweld en wil zo snel mogelijk naar Genève. Iedereen wil dat landen zich houden aan beloften. De minister werkt hieraan. Hij geeft gul. We doen ontzettend veel aan humanitaire hulp; dat moet ik het kabinet nageven. Maar toch staan vluchtelingen hier voor een symbolische dichte deur. Staatssecretaris Teeven zei dat er totaal geen sprake is van een noodzaak om meer Syriërs op te nemen. Minister Timmermans noemde het gebaar van Duitsland om 5.000 vluchtelingen op te nemen "een druppel op een gloeiende plaat". Hij zei: "Ik wil het beeld wegnemen dat we uit xenofobie niet méér vluchtelingen uit Syrië opvangen." Misschien is het niet xenofoob om er in totaal 250 op te nemen, maar het is wel heel weinig. Houden de VVD en de PvdA echt vast aan dit aantal?

Naast de actualiteit, zijn er vier momenten die voor deze minister en voor Nederland in het bijzonder van belang zijn: de strijd om de zetel in de Veiligheidsraad, de strijd om de zetel in de Mensenrechtenraad, de nucleaire supertop volgend jaar en het EU-voorzitterschap van Nederland. Dat zijn hoogtepunten, maar het moet natuurlijk wel gaan om wat wij met die zetels willen bereiken en wat wij met het voorzitterschap voor elkaar willen boksen. Naar aanleiding daarvan zegt D66: minister, kies, selecteer, ga voor het resultaat en formuleer uw doelen, zodat de Kamer u daar helder op kan afrekenen. Graag wil ik hierop een reactie.

De voorzitter:

De heer Van der Staaij wil u hier iets over vragen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik kom nog even op het punt van de Syriërs. Ik hoor de D66-fractie alleen spreken over het aantal uitgenodigde vluchtelingen. Maar is het de heer Sjoerdsma bekend hoeveel mensen uit Syrië dit jaar tot nu toe asiel hebben aangevraagd in Nederland en wat het gemiddelde inwilligingspercentage is tot nu toe?

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat is mij zeker bekend. Ik heb daar laatst in een debat met staatssecretaris Teeven uitgebreid over gesproken. Hij zei dat het opnamepercentage van Syriërs die hier asiel aanvragen, zeer dicht bij de 100% ligt. Hij zei ook: als we asielaanvragen niet inwilligen, komt dat omdat die Syriërs eigenlijk asiel zouden moeten aanvragen in een ander Europees land. Los van de normale asielprocedure die Nederland terecht volgt …

Voorzitter, ik zie dat mijn tijd loopt.

De voorzitter:

Excuus, mijnheer Sjoerdsma.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat neemt niet weg dat de staatssecretaris wat mij betreft een stuitende cirkelredenering hanteert als hij zegt: we kunnen Syrische families niet tijdelijk opnemen, omdat zij na afloop van dat tijdelijke verblijf waarschijnlijk succesvol een asielverzoek zouden kunnen indienen. Dat is iets waar D66 helaas niet mee kan leven. Wij willen een ruimhartiger beleid voor Syrische vluchtelingen, naast het bestaande reguliere asielbeleid.

De heer Van der Staaij (SGP):

Begrijp ik het goed dat de heer Sjoerdsma de cijfers kent en onderschrijft waaruit blijkt dat het dit jaar al om meer dan 1.700 asielaanvragen gaat? Inderdaad wordt drie kwart tot 100% daarvan ingewilligd. Hoe zou hij dit soort aantallen willen kwalificeren?

De heer Sjoerdsma (D66):

Die kwalificeer ik simpelweg als onze plicht. Wij hebben ons verplicht aan bepaalde normen voor het opnemen van vluchtelingen. Duitsland heeft ook te maken met reguliere asielaanvragen en volgt hetzelfde stelsel als wij. Daarbovenop nemen zij nog eens 5.000 vluchtelingen extra op. Zij nodigen hen uit niet omdat het moet, maar omdat zij die blijk van solidariteit nodig vinden. Ik kan mij voorstellen dat de heer Van der Staaij vanuit zijn visie op solidariteit daar alleen maar mee kan instemmen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog en ik zal de tijd nauwlettend in de gaten houden. U hebt nog 4,5 minuut.

De heer Sjoerdsma (D66):

Dank u wel, voorzitter. D66 verwacht in ieder geval een sterke focus van de minister op mensenrechten. De minister citeerde vorig jaar Max van der Stoel: wat wezenlijk leeft in ons volk kan niet verzwegen worden. Voor mij is dat een prachtige samenvatting van de universaliteit van mensenrechten. Iedereen wil in vrijheid leven en niemand wil pijn lijden of onderdrukt worden. We hebben een dag lang met de minister over zijn nieuwe visie gesproken. De toon was verfrissend en natuurlijk ging het over verre oorden, waar situaties inderdaad soms schrijnend zijn. Kernprioriteit moet zijn om schendingen en straffeloosheid te voorkomen. Daarom vragen wij deze minister nogmaals om bijzondere aandacht voor het Internationaal Strafhof, voor de bijzondere verantwoordelijkheid die Nederland als zetelstaat heeft. Wij vragen ook aandacht voor mensenrechten op posten. Die aandacht moet op peil blijven, ook na de bezuinigingen. De minister heeft hierover al een harde toezegging gedaan, waarvoor wij hem dankbaar zijn. Wij zullen echter ook de vinger aan de pols houden.

Wij willen dat Nederland zich inzet op taboedoorbrekende thema's, bijvoorbeeld vrouwenrechten en homorechten. D66 is bijvoorbeeld verheugd dat we binnen de Nederlandse noodhulp aandacht gaan besteden aan het schenken van abortus aan vrouwen in conflictgebieden die als gevolg van verkrachting zwanger zijn geraakt.

Wij hebben in het debat over mensenrechten ook aandacht gevraagd voor het eigen huis. Het eigen huis moet op orde zijn om geloofwaardig te zijn. Ik vraag in dat kader opnieuw de aandacht voor onderzoek naar Nederland en Indonesië in de situatie net na de Tweede Wereldoorlog. Nieuwe feiten bewijzen dat nieuw onderzoek nieuwe inzichten kan opleveren. Dit verleden schreeuwt om aandacht. Dit verleden leeft. Zou de minister alsnog zijn financiële steun willen uitspreken voor dit onderzoek? Ik vraag in dit kader ook de aandacht voor het lot van de gewetensbezwaarde dienstweigeraars van destijds. Welke oplossing ziet de minister hier?

De excuses waar ik de minister in het geval van Indonesië voor complimenteerde, blijven helaas nog steeds uit voor Srebrenica. Na jarenlang procederen was het oordeel van de rechter dat Nederland verantwoordelijk was. Kunnen excuses nog uitblijven?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik wil graag een vraag aan de heer Sjoerdsma stellen over het onderzoek naar het verleden met Indonesië. De vorige week hebben wij de start gezien van iets moois: een nieuwe impuls aan de relatie tussen Nederland en Indonesië die is voorbereid door deze minister en die de vorige week mede is vormgegeven door de minister-president. Bij mij komt telkens het beeld naar boven dat Indonesië zelf geen enkele behoefte heeft aan dit onderzoek. Dat zou op zichzelf nog geen reden hoeven te zijn om het dan niet te doen, maar aan de kant van Indonesië bestaat die behoefte duidelijk niet. Er is wel behoefte aan een nieuwe start en die is vorige week gemaakt. Er is ook heel veel onderzoeksmateriaal beschikbaar en het staat historici volledig vrij om nu al een onderzoek te doen, zouden zij dat wensen. Wat moet dan in 's hemelsnaam de rol van de regering zijn? Moet zij daarin sturend optreden? Wat is de wens van D66? Wat belet historici om dat onderzoek nu reeds zelf uit te voeren? Waarom wil D66 hier een soort staatsonderzoek van maken?

De heer Sjoerdsma (D66):

Dat zijn terechte vragen van de heer Ten Broeke. Als je kijkt naar de relatie met Indonesië is het natuurlijk belangrijk dat wij vooruit kijken. Daarvoor zijn de rollen ook te zeer omgedraaid. Wij zaten ooit in de G20 en nu zit Indonesië erin. Maar wie door de voorruit wil kijken, moet af en toe ook in de achteruitkijkspiegel durven kijken. Voor Nederland is dat nodig, omdat wij een assertief mensenrechtenbeleid hebben. Als wij andere landen op een geloofwaardige manier willen aanspreken op wat zij hebben gedaan, moeten wij ook die zwarte pagina in onze geschiedenis onder ogen durven komen. Wij kunnen geen excuses aanbieden zonder die pagina in het geheel tot ons te nemen.

Wat is dan de rol van de regering? De regering moet wat mij betreft als opdrachtgever fungeren en gedeeltelijk financiële steun geven. Wat mij betreft moet 50% van het onderzoek door de regering worden betaald. Waarom? Vanwege de rol die ik net voor de regering schetste. Kunnen onderzoekers het dan niet zelf? Ja, onderzoekers kunnen het gedeeltelijk zelf. De drie instituten die daarvoor het beste geëquipeerd zijn, zijn echter buitenproportioneel hard geraakt door de bezuinigingen van dit kabinet en beschikken niet over het benodigde budget. Daarom zie ik daarbij ook een rol voor de overheid weggelegd.

Doet het ertoe dat de Indonesische regering, waarover de heer Ten Broeke spreekt, er niet op zit te wachten? Dat denk ik niet. Ik verwijs naar de nieuwsberichten die ons de afgelopen weken bereikten en waarin verschillende Indonesiërs figureerden. Het betrof getuigen en soms ook slachtoffers van Nederlandse acties die dolgraag zouden meewerken aan zo'n onderzoek en zich dolgraag met Nederlandse overheid en Nederlandse onderzoekers zouden verstaan. Wij moeten volgens mij ook naar die stemmen luisteren.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik constateer dat D66 duidelijk een staatsonderzoek wenst. Zij heeft al nagedacht over de hoeveelheid subsidie die dan naar onderzoeksinstellingen zou moeten gaan die door opeenvolgende kabinetten gekort zijn. Als het werkelijk zo'n belangrijk onderzoek is dat de heer Sjoerdsma hier naar voren brengt — het is een belangrijk onderdeel van zijn bijdrage in eerste termijn — vraag ik mij af of die onderzoeksinstellingen niet zelf de afweging kunnen maken en de daarvoor beschikbare budgetten kunnen gebruiken. Ik snap nog steeds niet waarom de heer Sjoerdsma de Nederlandse Staat niet eruit haalt als opdrachtgever, om de nieuwe kans, de nieuwe impuls, en het omslaan van de bladzijde mogelijk te maken.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik ben het natuurlijk helemaal met de heer Ten Broeke eens dat het in eerste instantie de functie van onderzoeksinstituten zelf is. Ik ben het ook met hem eens dat zij zo'n onderzoek in eerste instantie zelf zouden moeten financieren. De werkelijkheid is alleen dat zij niet meer in staat zijn om dit belangwekkende onderzoek zelf te financieren. De heer Ten Broeke weet beter dan ik dat de bezuinigingen van de afgelopen twee kabinetten dit onmogelijk hebben gemaakt. Waarom dan een staatsonderzoek? Ik zei het net al: de heer Ten Broeke vindt misschien dat de Nederlandse overheid geen verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van onze geschiedenis en dat zij kan weglopen voor de verantwoordelijkheid die zij destijds had, maar dat vind ik niet.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik heb helemaal niet gezegd dat de Nederlandse regering wegloopt of dat wij weglopen. In mijn geschiedenisonderwijs heb ik uitgebreid het slavernijverleden in Suriname behandeld en de Cubacrisis en het Indonesiëverleden van Nederland kwamen daarin ook uitgebreid aan de orde. Dat kon allemaal. Ik heb daar helemaal niets over gezegd en dat moet de heer Sjoerdsma mij ook niet in de mond leggen.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik dank u voor uw steun.

De voorzitter:

De heer Sjoerdsma vervolgt zijn betoog.

De heer Sjoerdsma (D66):

Ik was erbij gebleven dat het eigen huis op orde moet zijn, hier maar ook in Europa. In Europa zien wij toenemend antisemitisme, toenemende discriminatie en homofobe politiek. Dat bespraken wij net ook al in een aantal interruptiedebatjes. In Frankrijk is het Front National de grootste in de peilingen. In Servië wordt de Gay Pride verboden. Ik nodig de minister uit om op deze ontwikkelingen te reflecteren. Ik vind namelijk dat wij moeten blijven staan voor onze Europese waarden. Wij moeten voorkomen dat extremisme mainstream wordt. Hoe kijkt de minister hiernaar? Wat kunnen wij hier samen aan doen? Wanneer krijgen wij een waakhond voor de grondrechten?

Een jaar minister Timmermans zit erop. Ik zei het: het was een rollende roadshow, een wervelende wereldtournee. De Britse schrijver Terry Pratchett zegt: als je weet hoe het werkt, is het nog steeds magie. En ja, het was een spectaculaire show waar mijn fractie met bewondering naar heeft gekeken, maar nu moet die show ook echt invulling, échte inhoud, krijgen. Laat deze minister zijn belofte waarmaken.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Het gebeurt niet vaak dat de fracties van D66 en de ChristenUnie dezelfde teksten uitspreken, maar dat gaat nu toch gebeuren. Ik had in mijn inleiding ook de cijfers van de minister staan, namelijk hoe vaak hij landen heeft bezocht en hoe vaak dat ongeveer de wereld rond zou zijn: zeven en een halve keer. Ook in de Kamer is hij regelmatig aanwezig geweest: in verband met het Nederland-Ruslandjaar, humanitaire rampen in Syrië en ook de missies die wij gezamenlijk uitvoeren. Het mag duidelijk zijn dat deze minister heel ambitieus is, veel in zijn mars heeft en over veel deskundigheid beschikt en daar loven wij hem om. Zo hoorden wij hem gisteren nog spreken over Afghanistan en zeggen dat de steniging voor overspel echt niet heringevoerd mag worden. Wij steunen dit uitdrukkelijk.

Wel zoekt mijn fractie naar evenwichtigheid en consistentie wat het Midden-Oosten en de Arabische regio betreft. Ik zal daarvan drie voorbeelden noemen. Ten eerste noem ik Syrië. Wij denken aan de burgeroorlog die nog altijd voortduurt. Ook deze minister is ertoe overgegaan om de Syrische oppositie te erkennen. Tegelijkertijd is de minister een tegenstander, terecht overigens, van het leveren van wapens aan diezelfde oppositie, een oppositie die steeds meer wordt gekenmerkt door jihadistische bewegingen. Zoals wij net al tijdens het interruptiedebatje met de heer Omtzigt hebben besproken, zien wij dat veel meer van dit soort jihadistische websites ook in Nederland worden gepresenteerd. De Nederlanders die in Syrië zijn omgekomen, worden verheerlijkt. Er wordt opgeroepen om deel te nemen aan die gewapende strijd. Wij hebben eerder een debat gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie over de vraag wat wij kunnen doen om de jihadisten die terugkeren naar Nederland aan te pakken, zoals hun paspoorten afnemen. Ik vraag deze minister om, mogelijk in overleg met de minister van Veiligheid en Justitie, te bekijken wat er kan worden gedaan aan dit soort websites, die ook in het Nederlands worden gepresenteerd en waarop geweld en het oproepen tot geweld worden gepresenteerd. Ik heb hier een aantal voorbeelden voor de minister. Die kan ik straks aan hem geven. Ik ontvang graag een reactie van de minister over wat daartegen kan worden gedaan. Een ander voorbeeld is de positie van de christenen in Syrië. Ik heb het land zelf een aantal maanden geleden mogen bezoeken. Ook de minister erkent de penibele situatie van de christenen en natuurlijk in zijn algemeenheid de hele positie van de vluchtelingen en van de ontheemden in Syrië zelf, maar met name ook van de christenen. Tegelijkertijd — wij hebben het net al besproken — mogen christenen en vluchtelingen hier hun eigen familieleden niet bezoeken.

Een tweede voorbeeld van de consistentie die ik bij de minister van Buitenlandse Zaken zoek, betreft Egypte. Voormalig president Morsi van de Moslimbroederschap, de organisatie die de moederorganisatie is van Hamas, dat nog altijd raketten afstuurt op Israël, werd gesteund, zij het in beperkte mate. Toen deze president van de troon werd gestoten, werd de hulp weer bevroren.

Een derde voorbeeld betreft Saudi-Arabië. Nogmaals mijn complimenten voor het aan de kaak stellen van de vreselijke stenigingen die heringevoerd zouden kunnen worden in Afghanistan, maar Saudi-Arabië is niet veel anders dan Afghanistan, moet ik helaas zeggen. Daar zijn de afgelopen maanden ook weer 47 mensen publiekelijk onthoofd. Het gaat daarbij om dezelfde vergrijpen, bijvoorbeeld overspel, afvalligheid van het geloof et cetera. Daarover horen wij de minister van Buitenlandse Zaken minder. Dat moet in de marge van een handelsdelegatie worden besproken. Ik denk dan met weemoed terug aan Max van der Stoel, een voorbeeld voor deze minister, die in 1975 een bezoek aan Saudi-Arabië afblies omdat een Joodse journalist een visum werd geweigerd.

De boodschap van de ChristenUnie-fractie is helder: wij zoeken consistentie in het buitenlands beleid als het gaat om de Arabische regio. Mijn fractie hecht er dan ook aan dat de minister helder uitdraagt dat een, terechte, legitieme oproep tot meer democratie in die regio altijd gepaard moet gaan met een oproep tot het versterken van de rechtstaat. Dat is eerlijk, helder en geloofwaardig. Graag ontvang ik een reactie van de minister op dat punt.

Iran kan niet onbesproken blijven. Ik lees in de media dat de minister verheugd heeft gereageerd op het atoomakkoord. Voorziet hij ook risico's? Zo ja, welke? Ziet hij ook het risico dat Iran mogelijk meer tijd koopt met deze deal?

Een ander punt dat de ChristenUnie meerdere malen aan de kaak heeft gesteld, is de godsdienstvrijheid. Ik ben blij dat ook deze minister in zijn nota godsdienstvrijheid als een speerpunt heeft betiteld. Wij zien dat de Engelse minister voor geloofszaken, minister Warsi, deze minister bijvalt. Zij stelde onlangs dat godsdienstvrijheid een belangrijke pijler van het buitenlands beleid moet worden, niet alleen voor Engeland, maar ook voor de Europese Unie. Is de minister bereid om contact op te nemen met minister Warsi en te bekijken hoe zij gezamenlijk op kunnen trekken in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld daar waar het christendom in het Midden-Oosten dreigt uit te sterven door extreme vervolging? Welke acties is de minister bereid te ondernemen?

Wij hebben het ook gehad over het Europese richtsnoer voor godsdienstvrijheid. Dat is in de zomer uitgekomen en geeft heel veel handvaten om te kijken wat EU-lidstaten kunnen doen aan het promoten van godsdienstvrijheid. Ik heb de minister gevraagd om een reactie hierop, maar hij heeft gezegd dat hij er volgend jaar op terugkomt. Ik mis hier het gevoel van urgentie. Is de minister bereid om te bekijken of een inventarisatie kan worden gemaakt van landen die grove schenders zijn van godsdienstvrijheid? Punt 48 van het richtsnoer geeft daartoe aanleiding. Dan kan hierop gezamenlijke actie ondernomen worden in EU-verband.

Ik ga verder met het vredesproces in het Midden-Oosten. Wij hebben eerder Kamervragen gesteld over het betalen van salarissen van veroordeelde terroristen in de Israëlische gevangenissen. Eerdere Kamervragen meldden dat 7,5 miljoen euro wordt besteed aan het betalen van die salarissen. De minister zou nog kunnen zeggen dat het gaat om uitkeringen van Palestijnen die daar in de gevangenissen zitten, ware het niet dat de uitkeringen oplopen naarmate men tot een langere straf is veroordeeld. Naarmate het aantal doden is toegenomen, krijgt men meer salaris. Dat kan oplopen tot €2.500 per maand. Is de minister bereid om deze perverse stimulans tot terrorisme te veroordelen? Hoe verhoudt deze regeling zich tot de internationale antiterrorismewetgeving? Is de minister bereid om de EU-antifraudedienst OLAF te verzoeken om een onderzoek te laten doen naar de vraag of en in hoeverre EU-gelden hiervoor worden gebruikt?

Ik heb nog twee korte punten. Na zijn reis naar Israël heb ik de minister horen spreken over de verzoeningsprojecten in Israël. Ik heb daarvoor een amendement ingediend à 1 miljoen euro. Ik ben benieuwd hoe de minister dat amendement beoordeelt. Ik heb een aantal projecten die de minister heeft bezocht, ook zelf bezocht en ik ben er erg enthousiast over.

Net voor de zomer heeft de Kamer een motie ingediend over de dalits in India. Ik krijg berichten dat Nederland op dit moment geen voortrekkersrol meer op zich neemt ten aanzien van de positie van de dalits. Is de minister nog steeds bereid om dit wel te doen?

De heer Van Ojik (GroenLinks):

Voorzitter. Wij willen het graag zien en wij zien het soms ook: een voorzichtige, bescheiden revival van de internationale diplomatie; helaas altijd onvolkomen, in kleine stapjes en breekbaar. Dat lijkt een wetmatigheid. Maar toch, wij willen het graag geloven en wij zien het soms ook. Ook in de kwestie van het Greenpeace-activisme is de hoop op een spoedige diplomatieke oplossing nog steeds aanwezig, maar zeker is die niet. De heftige reactie van Rusland en het daaropvolgende diplomatieke spitsroeden lopen geven maar al te duidelijk aan hoe snel internationale spanningen kunnen oplopen wanneer economische belangen in het geding zijn. Die economische belangen zijn er als het om Rusland gaat. De banden tussen Nederland en Rusland op economisch gebied zijn inniger dan ooit.

Afgelopen week kwamen Faiza Oulahsen, Mannes Ubels en al die andere Greenpeace-activisten op borgtocht vrij. Het Internationaal Zeerechttribunaal oordeelde dat de Arctic Sunrise en haar bemanning direct vrijgegeven respectievelijk vrijgelaten moesten worden. De minister en zijn diplomatieke dienst verdienen lof voor hun optreden. Er was sprake van een goede combinatie van stille diplomatie en een openlijk beroep op internationale arbitrage. Maar we zijn er nog niet. Rusland geeft vooralsnog geen gehoor aan de uitspraak en de aanklacht is niet ingetrokken. Vreedzaam protest, mensenrechtendiplomatie en grote economische belangen verdragen elkaar niet altijd even goed.

In de begroting voor 2014 staat dat Nederland de relaties met belangrijke producenten en consumenten van energie wil versterken. Het gaat daarbij om landen als Rusland en China, en ook om opkomende producenten in Afrika. Ook willen we met andere landen strategische partnerschappen aangaan en willen we de internationale regelingen voor energie versterken, onder andere via het International Energy Agency. Kan de minister verduidelijken waar het hier precies om gaat? Wat zijn dat voor partnerschappen en regelingen? Aan welke landen denken we? Welke plek nemen, bij het aangaan van die partnerschappen en nieuwe regelingen, overwegingen in op het vlak van duurzaamheid, energieschaarste, milieuvervuiling, opwarming van de aarde, maar ook op het vlak van mensenrechten?

De minister heeft grote ambities. Dat siert hem. Er is niets mis met grote ambities. Maar de uitvoering valt soms een beetje tegen. Zo stuurde de minister eind oktober een teleurstellende brief over nucleaire ontwapening en non-proliferatie naar de Kamer. Toen we hier vorig jaar over spraken, vroeg hij tijd om met zijn toen net nieuw aantredende collega Kerry in Washington te kunnen overleggen. Dat was een redelijk verzoek, maar nu we na een jaar dan eindelijk het verslag van het gesprek krijgen toegestuurd, blijkt dat niets te hebben opgeleverd. De VS willen de voorraad tactische kernwapens in Europa ook wel terugdringen, maar niet alle bondgenoten denken daarover hetzelfde en Rusland werkt ook niet erg mee. Hoe gaan we deze impasse doorbreken? Welke rol wil Nederland daarbij spelen? Kunnen we samen optrekken met bondgenoten die de kernwapens — het Kamerlid Timmermans noemde ze ooit "relikwieën uit de Koude Oorlog" — ook liever kwijt zijn dan rijk? Wat is de kip en wat is het ei? Met andere woorden: welk aanbod heeft de VS in dit verband eigenlijk aan Rusland gedaan? Welke initiatieven nemen we om de impasse, die er kennelijk is, te doorbreken? Ik wil de minister vragen om op die vragen een antwoord te geven.

Een stabiele, veilige wereld is alleen te bereiken door duurzame oplossingen voor conflicten, door het respecteren van mensenrechten en het eerlijk delen van macht en welvaart. Dat geldt overal waar wordt gevochten en waar burgers worden onderdrukt. We hebben het in de Kamer al vaak gehad over het beschermen van burgers in conflictsituaties, maar het schiet niet erg op. Ik vraag de minister om zich sterk te maken voor de bescherming van burgers in conflictsituaties. Dat betekent bijvoorbeeld dat burgerbescherming duidelijk moet worden opgenomen in het toetsingskader voor de uitzending bij missies. Vorig jaar heb ik met toenmalig PvdA-collega Bonis hierover een motie ingediend. Op aandringen van de minister is die motie aangehouden om er een debat over te kunnen voeren. Dat debat is er nooit gekomen. Ook nog maar kort geleden hebben collega Voordewind en ikzelf een motie ingediend over deze kwestie. Ook die werd aangehouden, dit keer op verzoek van minister Ploumen. Wordt het niet eens tijd om concreet te worden over burgerbescherming? Kan de minister duidelijk maken hoe hij de bescherming van burgers veilig wil stellen bij de uitzending van militaire eenheden? Die vraag is nu weer zeer relevant door de missie naar Mali die op handen is.

Mijn laatste punt gaat over wat de "killer robots" zijn gaan heten. Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Defensie heb ik het gehad over de ontwikkeling van autonome wapensystemen. Op aandringen van minister Hennis heb ik mijn motie over een in te stellen moratorium op dat punt aangehouden. Zij wilde hierover nog overleggen met minister Timmermans en zou hierover vervolgens de Kamer een brief sturen. Vandaag ontvingen wij die brief. Het kabinet deelt mijn zorgen over deze nieuwe wapensystemen, het zal nieuwe wapensystemen altijd toetsen aan het internationaal recht en het acht nadere gedachtevorming en een internationale discussie over dit thema wenselijk, zo vat ik de brief samen. Daar ben ik blij mee. Maar op de centrale vraag die ik in mijn motie heb voorgelegd en die de speciale rapporteur van de VN heeft gesteld, namelijk "bent u bereid om een moratorium in te stellen, ten minste zolang als de discussie gaande is?", geeft de brief geen antwoord. Daarom vraag ik de minister of hij met mij van mening is dat een moratorium voor deze onethische killerrobots, die geen verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun daden, gewenst is. Dit opdat er eerst een maatschappelijk debat gevoerd kan worden over de ethische en juridische aspecten van dergelijke wapensystemen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik was niet van plan om over het reisschema van de minister te spreken vanavond, maar nu zo veel collega's dat wel deden, heb ik die indrukwekkende schemaatjes toch ook even bekeken. Toen viel mij op hoe ontzettend goed België scoort. Dat is het meest bezochte land door deze minister; maar liefst 23 keer prijkt het in het schema. Dat geeft tegelijkertijd aan dat alle overzichtjes en schemaatjes beperkte waarde hebben, want wie zou denken dat de minister zich telkens weer in alle vezels van de Belgische samenleving verdiept, heeft toch een verkeerd beeld. Het bracht mij tot de vraag hoe het eigenlijk staat met het binnenlandse werkbezoek van deze minister van Buitenlandse Zaken. Want alle gekheid op een stokje, het is juist goed om breed draagvlak te hebben binnen de Nederlandse samenleving voor de manier waarop wij betrokken zijn bij het buitenland. Ik vind het altijd weer verrassend hoeveel mensen, ondernemers, maatschappelijke organisaties zich op allerlei manieren bemoeien met wat in het buitenland aan de gang is. Hoe onderhoudt de minister die contacten en hoe waardeert hij die aanvullende waarde van contacten met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de vormgeving van het buitenlands beleid? Die onverwachte vraag kwam bij mij op naar aanleiding van het reisschema.

Om nog even in Europa te blijven: betalen voor onderzoek dat in eigen land verboden is, dat gebeurt in Europa. Vorige week stemde het Europees Parlement in met een budget van 70 miljard euro voor het programma Horizon 2020. Hieronder vallen ook zeer omstreden onderzoeken waarbij gebruik wordt gemaakt van embryonale stamcellen. De SGP heeft inhoudelijk grote ethische bezwaren tegen de Europese financiering van onderzoeken waarbij menselijke embryo's worden vernietigd. Maar ook los van deze inhoudelijke opstelling kan het toch niet zo zijn dat Europa van bovenaf de ethische afweging die lidstaten zelf moeten maken, overneemt? Die ethische afwegingen moeten bij uitstek op het niveau van de lidstaat zelf gemaakt kunnen worden. Volksgezondheid is hoe dan ook toch vooral een aangelegenheid van de lidstaten zelf. Hoe gaat de minister hiermee om?

Het bedrijven van buitenlandse politiek houd je niet vol zonder een dosis optimisme. Een jaar geleden had deze minister het over het zo dicht mogelijk bij elkaar brengen van wat haalbaar is en wat wenselijk is. Optimisme is ontzettend belangrijk, maar tegelijkertijd moeten we steeds weer voorkomen dat het in goedgelovigheid ontaardt. Dat denk ik in het bijzonder ook bij de discussie over de nucleaire ambities van Iran. Het is duidelijk dat Iran een andere toon aanslaat. Als het daadwerkelijk gaat om verbeteringen en aanpassingen van programma's, juichen we die zeer toe. Maar toch horen we graag een reactie van de minister op de critici die zeggen: we praten nu allemaal met Rohani, die een vriendelijk gezicht toont, maar is het in feite niet nog steeds Khamenei die aan de touwtjes trekt en is er wel echt enige aanwijzing dat Iran een andere koers wil varen sinds het vertrek van de vorige president? Wij voelen dan ook geen opluchting na het gesloten nucleaire akkoord. Het is slechts tijdelijk. Het bevat verlichting van sancties, maar geen ontmanteling van nucleaire installaties. Opnieuw koopt Iran tijd. Landen als Israël maar ook de Golfstaten hebben grote zorgen geuit. Rohani duidt aan dat met dit akkoord Iraans recht op verrijking is erkend. Klopt dat? Wij willen vasthouden aan de afgesproken internationale lijn zoals vastgelegd in resoluties van de Veiligheidsraad. Iran moet stoppen met iedere vorm van verrijking van uranium. Hieraan mogen geen concessies worden gedaan.

Geloofsvervolging is wereldwijd een indringend probleem, niet in de laatste plaats in de Arabische regio waar een massale exodus van christenen aan de gang is. Een recent gevonden massagraf in Sadad met daarin tientallen christenen, vormt hiervan een lugubere illustratie. Ook vanmiddag werd er nog een petitie aangeboden door een groep vanuit de Syrische gemeenschap die daar ook weer aandacht voor vroeg.

Wij zijn blij met de komst van de zogenaamde Europese guidelines op het vlak van godsdienstvrijheid, niet in de laatste plaats omdat hiermee een soort morele norm wordt geschapen. Uiteindelijk gaat het er echter om hoe deze guidelines in de praktijk worden gehanteerd en hoe ambassades hiermee aan de gang gaan. Worden bij de praktische uitvoering hiervan ook maatschappelijke organisaties ingeschakeld? Zij kunnen bijvoorbeeld trainingen geven op ambassades, maar ze beschikken ook over contacten die een ambassade soms niet heeft. Ik denk dan aan contacten met niet geregistreerde kerken. Daarom de vraag hoe de betrokkenheid van ngo's wordt geborgd.

Over het vredesproces in het Midden-Oosten hebben we al een aantal keren uitvoerig van gedachten gewisseld in afzonderlijke debatten, zoals trouwens voor nogal wat onderwerpen geldt die vandaag aan de orde zijn, zoals de mensenrechtennota en de verhouding met Rusland. Dat maakt deze begrotingsbehandeling misschien ook wat minder spannend dan andere keren, toen we nog in afwachting waren van de grote nota's en de besprekingen daarvan.

Ik wil nog even terugkomen op het punt waarover wij het in het algemeen overleg over het AIV-advies ook hebben gehad, namelijk dat de vredesbesprekingen tussen Israël en Palestijnen niet gediend zijn met haat zaaien in de officiële Palestijnse media en het belonen van terroristen of het vernoemen van openbare voorzieningen naar plegers van zelfmoordaanslagen. Dat staat haaks op eerder gesloten akkoorden. In dat licht is er ook gewezen op mijn motie uit 2011, die een Kamermeerderheid kreeg, waarin de minister werd opgeroepen om subsidies aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk te maken van effectieve maatregelen tegen het verheerlijken en vergoelijken van terrorisme. De minister zei toen dat hij niet direct voor ogen had waar het in die motie om ging. Vandaar dat ik dat toch nog even nadrukkelijk wil noemen. Het gaat om de motie op stuk 21501-02, nr. 1039, die op 17 maart 2011 is ingediend. Daarin wordt die koppeling nadrukkelijk gemaakt. Ik ben benieuwd op welke manier aan deze motie uitvoering is of wordt gegeven.

Heeft de minister ook de berichtgeving gevolgd waaruit blijkt dat Palestijnen die zijn vrijgelaten uit de Israëlische gevangenis, soms grote beloningen krijgen van de Palestijnse Autoriteit? Acht de minister dit een goede besteding van subsidies die Nederland en de Europese Unie schenken aan de Palestijnse Autoriteit? Zou dit niet juist een punt van bespreking moeten zijn?

We hebben het hier heel veel gehad over de vluchtelingenproblematiek, ook in het kader van het vredesproces in het Midden-Oosten. Daar is internationaal ook heel veel aandacht voor. Er is zelfs een aparte VN-organisatie voor de Palestijnse vluchtelingen. Het treft mij dan weer hoe weinig aandacht er is voor de joodse vluchtelingen vanuit allerlei Arabische landen. Het Canadese parlement heeft daar aandacht voor gevraagd en onderzoek naar laten verrichten. Pasgeleden hoorde ik op een internationale conferentie in Washington — dat wil ik hier toch nadrukkelijk noemen — dat daar nu een heel bijzondere expositie aan de gang is, en ook in New York in de nationale archieven. Destijds was bij de inval in Irak duidelijk dat er geen massavernietigingswapens gevonden zijn, maar wat toen wel gevonden is, zijn meer dan 2.700 documenten die het verhaal vertellen van de joodse vluchtelingen vanuit Irak en het beleid dat in de afgelopen decennia systematisch is gevolgd om hen uit het land te verdrijven. Van de 120.000 75 jaar geleden is nu nog maar een handjevol over. Is hier ook aandacht voor? Past dat ook niet in het kader van een breder oog hebben voor de vluchtelingenstroom in het Midden-Oosten?

De heer Sjoerdsma (D66):

De woorden van de heer Van der Staaij over zijn zorgen over joodse vluchtelingen zijn mij uit het hart gegrepen, maar andere delen van zijn betoog brengen mij een beetje in verwarring, als ik eerlijk moet zijn. Zegt de heer Van der Staaij nu dat de Nederlandse Staat Palestijnse terroristen en Palestijnse haatzaaiers subsidieert? Is dat de kern van zijn betoog?

De heer Van der Staaij (SGP):

De kern van mijn betoog was dat het mij geen goede zaak lijkt als Palestijnen die zijn vrijgelaten uit de Israëlische gevangenis, als het om terroristen gaat, een beloning krijgen van de kant van de Palestijnse Autoriteit. Dat is een beeld dat naar voren komt in de berichtgeving. Daar vraag ik de reactie van de minister op.

De heer Sjoerdsma (D66):

Oké, dan is dat duidelijk. Ik heb een vraag over het andere gedeelte waar de heer Van der Staaij over sprak, namelijk het haat zaaien. Ik denk dat wij elkaar kunnen vinden bij de overtuiging dat haat zaaien in algemene zin verwerpelijk is en dat dit niet zou moeten plaatsvinden. In dat kader vraag ik mij af waarom de heer Van der Staaij ervoor kiest om de minister alleen te bevragen op haat zaaien aan de Palestijnse zijde. Waarom is hij hierbij niet even-handed? Waarom vraagt hij niet om een reactie op wat er aan beide zijden gebeurt? Niet dat dit overigens de situatie verbetert, maar ik denk dat de heer Van der Staaij dat ook niet verwacht.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vind dat er echt een duidelijk verschil is met de verhalen, documentatie en concrete voorbeelden in schoolboekjes en dergelijke die wij zien waarin geweld wordt vergoelijkt en verheerlijkt. Denk ook aan het vernoemen van straten naar zelfmoordstrijders. Daarvan weet ik geen voorbeelden in Jeruzalem of waar dan ook.

Aan het slot van mijn betoog besteed ik nog een kort woord aan Colombia en aan een punt dat door de SGP-jongeren is opgebracht en gaandeweg dit debat in mijn mailbox kwam. Ook daarvoor wil ik nog de aandacht vragen. Al veel jaren verleent het ministerie, de Nederlandse Staat, financiële steun aan de zogenaamde OAS-missie in Colombia. Die missie richt zich onder meer op ondersteuning van het vredesproces met paramilitaire groepen. De afgelopen jaren is er serieuze vooruitgang geboekt ten aanzien van de veiligheidssituatie. Dat heeft de fragiliteit van het land verkleind en ruimte gegeven voor economische ontwikkeling. Het herstel is echter fragiel en een terugval in het vredesproces zou grote schade berokkenen aan wat nu is opgebouwd. Daarom dring ik van harte aan op continuering van de Nederlandse steun. Het gaat maar om een bescheiden bedrag van 2 miljoen euro. Ik begreep dat dit vanuit het stabilisatiefonds komt. Ik begrijp dat de minister hierover binnenkort een knoop moet doorhakken. Mag ik rekenen op een positief besluit?

Ik kom op het laatste punt dat ik noemde. Het is altijd goed om bij het buitenlandbeleid te bekijken hoe dat binnenlands leeft en welk draagvlak daarvoor is. Daar begon ik mijn betoog mee. Ik vind het heel mooi dat politieke jongerenorganisaties ook vaak betrokkenheid hebben met allerlei landen. Ik kreeg net een mail door van de SGP-jongeren. Zij zijn in Moldavië geweest. Zij zeiden zich zorgen te maken op grond van hun contacten met jongeren daar over de gevolgen van de partnerschaps- en associatieovereenkomst die de Europese Unie met Moldavië wil sluiten. Men is namelijk ontzettend bezorgd dat heel veel mensen zullen wegtrekken uit dit land naar andere Europese landen. Het gaat dus om de braindrainproblematiek. Bovendien heeft het geld dat in Moldavië terechtkomt, gelet op de stand van corruptie, een heel verkeerde uitwerking. Er is in dat land dus heel veel bezorgdheid, ook onder de jongeren, over de vraag wat zo'n associatieovereenkomst met de Europese Unie eigenlijk betekent. Men was benieuwd hoe de Nederlandse regering en de Nederlandse minister daarover denkt. Ik hoor graag zijn reactie op dat punt.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de Kamer wat betreft de begroting van Buitenlandse Zaken. Ik dank de leden voor hun bijdrage en ik dank de minister voor zijn aanwezigheid. De beantwoording van de kant van de regering in eerste termijn en de tweede termijn vinden morgenavond plaats. Die is gepland om 18.30 uur. Ik verzoek u allen om het schema in de gaten te houden, maar dat weet u. Ik wens iedereen een goede avond, voor wat daar nog van over is.