Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 94, item 13

13 Gronden voorlopige hechtenis

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis (33360).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, vloeit voort uit de enorme onvrede die er in de samenleving en, denk ik, ook in de Kamer heerst over het herhaaldelijke geweld tegen gezagsdragers. Iedere week, bijna elk weekend, is het ergens in Nederland raak. De mannen en vrouwen van de ambulance, de brandweer, de politie, maar ook een heel groot aantal andere mensen die uit hoofde van hun functie bezig zijn om deze samenleving een stukje beter te maken, worden daarbij door personen die niet gericht zijn op het welzijn van de samenleving gehinderd in de uitvoering van hun werkzaamheden. Bovendien worden ze gehinderd in het handhaven van de orde, het redden van levens en het blussen van branden.

Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij gevallen van geweldpleging – die kennen wij allemaal – en van vernielingen die plaatsvinden in de publieke ruimte, mensen langer in voorlopige hechtenis te houden. Dat element heeft twee grote voordelen. Het eerste is dat er onmiddellijk een duidelijk signaal komt van de samenleving, van politie en justitie, aan deze personen en aan hun omgeving dat niet op deze wijze met de samenleving kan worden omgegaan. Wij weten dat dit laatste ontzettend belangrijk is. De VVD-fractie vindt het gedrag van deze mensen echt onacceptabel. Wij vinden dan ook dat streng moet worden opgetreden tegen deze mensen en dat het signaal dat wij vandaag met dit wetsvoorstel afgeven een belangrijk signaal is. Zoals de politie heeft bevestigd in de stukken bij dit wetsvoorstel, krijgen politie en justitie ten tweede ruimschoots de tijd om in alle rust gedurende die zeventien dagen het onderzoek te verrichten om vervolgens kwalitatief hoogwaardig te kunnen optreden, zonder dat er voor de verdachten een mogelijkheid bestaat om met elkaar afspraken te maken over hoe zij zich zullen gedragen en welke verklaringen zij zullen afleggen. Het is een grote vreugd dat dit wetsvoorstel vandaag wordt behandeld, omdat dit bij uitstek een punt is in het VVD-verkiezingsprogramma en omdat het daarnaast is terechtgekomen in het regeerakkoord.

De essentie is dat dit wetsvoorstel aansluit op het zogenaamde snelrecht. Dat betekent natuurlijk dat in een situatie waarin het snelrecht niet van toepassing is, het risico bestaat dat de betrokkenen toch nog worden vrijgelaten. Daarmee kunnen wij leven omdat het niet in alle gevallen zal gaan om zeer ernstige misdrijven, maar wel om misdrijven die grote maatschappelijke onrust hebben veroorzaakt, zoals ook in het wetsvoorstel staat. Dat betekent dat wij kunnen leven met de gevallen waarin de hechtenis moet eindigen. Wij zouden het uiteindelijk wel plezierig vinden als het anders was. Daarom hoop ik dat de minister vandaag kan bevestigen dat juist in dit soort gevallen het snelrecht, of in ieder geval het sneller recht doen, zal worden gerealiseerd. Het is één van de intenties van de rechterlijke macht om niet meer te spreken over snelrecht en dus kennelijk ook niet meer over langzaam recht. De Raad voor de Rechtspraak en de rechterlijke macht streven er juist naar om alle zaken zo snel mogelijk af te doen, zodat de termijn van zeventien dagen bij alle rechtszaken van toepassing is.

Gezien de stukken die zijn ingediend, leven er met name bij de rechterlijke macht en bij de Nederlandse Orde van Advocaten wat bezwaren tegen dit wetsvoorstel. Ik denk dat het goed is dat ik de minister in de gelegenheid stel om in het kader van de parlementaire geschiedenis van dit wetsvoorstel daarover een enkel woord te zeggen. De bezwaren richten zich met name tegen de definities van de drie essentiële begrippen waarover wij in dit geval spreken. Ten eerste is de vraag wat precies een voor het publiek toegankelijke plaats is. Ten tweede is de vraag hoe het precies zit met die maatschappelijke onrust. Wat valt daaronder? Hoe moet je daartegen aankijken? Hoe moeten rechters en officieren van justitie dit interpreteren? Ten derde is de vraag wie er precies vallen onder personen met een publieke taak. Ik zei net al dat iedereen snapt dat het gaat om ambulancemedewerkers, politieagenten en brandweerpersoneel. Gaat het echter bijvoorbeeld ook om de uitvoerende medewerkers van het UWV en van andere diensten die in het kader van de overheid in contact treden met burgers?

Een andere vraag is hoeveel risico wij met dit wetsvoorstel lopen dat de uiteindelijk opgelegde straf lager kan uitvallen dan de voorlopige hechtenis die van toepassing zal zijn. Dat zou namelijk kunnen leiden tot schadevergoedingen. Ik zou de minister op dat punt het een en ander kunnen zeggen. Hoe kijkt de minister aan tegen het risico dat je in die zeventien dagen niet in staat bent om voldoende bewijs te vergaren, uit die termijn loopt en betrokkenen alsnog met elkaar in overleg gaan om een goed verhaal te verzinnen waarom ze niet kunnen worden vervolgd?

Dat zijn de vragen die de VVD-fractie bij het wetsvoorstel heeft. Voor het overige zijn wij, zonder enige twijfel met de SP, zeer enthousiast over dit uitgangspunt.

De heer De Wit (SP):

Dank voor deze extra vermelding in de bijdrage van de heer Recourt … eh sorry, de heer Van der Steur. Ik wilde hem nog een vraag stellen. Over de zaak-Haren heeft de Kamer de afgelopen periode vaker gesproken. Vindt de heer Van der Steur dat de zaak-Haren ook onder dit wetsvoorstel had kunnen worden gevoegd, gesteld dat dit wetsvoorstel toen al van kracht zou zijn geweest? En hoe kijkt hij ertegen aan dat de rechter in die zaak in een groot aantal gevallen een taakstraf heeft opgelegd?

De heer Van der Steur (VVD):

Laat ik het volgende vooropstellen. In Haren zijn met bakstenen, dranghekken, verkeersborden, met alles wat men maar kon vinden, aanvallen uitgevoerd op de politie, de brandweer en het ambulancepersoneel, dat mensen die gewond waren geraakt probeerde weg te halen maar daarin werd belemmerd. Bij alle mensen die die beelden van Haren hebben gezien – ik was daar één van – is er, net als bij de heer De Wit denk ik, geen enkele twijfel dat dit gedrag passend en voldoende zou zijn om te vallen onder de definitie van dit wetsvoorstel. Wat dat betreft, is het een goede vraag. Tegelijkertijd hebben wij ook vernielingen gezien zonder gevaar voor personen. Dan rijst de vraag wat de ernst van de vernielingen is om te kunnen beoordelen of het onder dit wetsvoorstel valt. Vervolgens is de vraag of door die specifieke vernielingen maatschappelijke onrust is ontstaan. Tenminste, zo interpreteer ik het wetsvoorstel. Als de minister daar anders over denkt, moet hij dat maar zeggen. Dus: ja, al die gevallen waarin het gaat om personen die zich als gekken hebben gedragen jegens politie, justitie, ambulancepersoneel en andere gezagsdragers, vallen hieronder. Uiteraard, maar dat zou eigenlijk geen kwestie mogen zijn, want daar hadden ook doden bij kunnen vallen. In de andere gevallen hangt het af van de ernst van de situatie.

De heer De Wit (SP):

Maar in een deel van de vonnissen werd geen hechtenis of gevangenisstraf opgelegd maar werden taakstraffen opgelegd. De heer Van der Steur duidde zelf al op het voorkomen van claims enzovoorts. Hoe kijkt hij daar dan tegen aan?

De heer Van der Steur (VVD):

Ten eerste hebben wij hier niet al te lang geleden een wetsvoorstel behandeld waardoor het zuiver opleggen van een taakstraf bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven niet meer kan: het wetsvoorstel adolescentenstrafrecht. Daarbij is het risico waar de heer De Wit op wijst, in zekere zin illusoir. Ten tweede, met alle respect, ook de VVD-fractie vindt nog steeds dat de rechterlijke macht zelfstandig kan beslissen over wat een passende straf zou zijn. Daarom heb ik ook net aan de minister gevraagd: hoe kijkt u aan tegen het risico dat aan het einde van een termijn van zeventien dagen voorlopige hechtenis, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeventien dagen wordt opgelegd? Maar een ding is zeker: de heer De Wit weet net als ik dat het zuiver opleggen van een taakstraf bij ernstige geweldsmisdrijven niet meer mogelijk is.

De heer Oskam (CDA):

Dit wetsvoorstel doet er toch niet aan af dat de rechter-commissaris de vordering kan afwijzen? Ook al zijn de bevoegdheden verruimd, als de rechter-commissaris de indruk heeft dat er een taakstraf of een ander soort straf zou komen, moet hij die voorlopige hechtenis zelfs afwijzen, vraag ik aan de heer Van der Steur.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik hoop ook dat hij dat doet, omdat zich anders het risico verwezenlijkt dat er schadevergoeding moet worden betaald omdat iemand ten onrechte in de gevangenis heeft gezeten. Maar wij mogen niet vergeten dat dit wetsvoorstel het juist mogelijk maakt dat iemand wel langer in de gevangenis blijft zitten, zodat de voordelen waar ik net naar heb verwezen, zich verwezenlijken.

De VVD-fractie – ik herhaal het nog maar even – is een voorstander van dit wetsvoorstel en wil graag dat er een eind komt aan het geweld tegen de mensen die zich inzetten voor het belang van de samenleving.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Ook mijn fractie is al lang bezig om te bedenken hoe je jongeren en volwassenen die zich ernstig misdragen in de openbare ruimte, in het café, bij het voetbal of die zelfs ambulancepersoneel, politieagenten of andere hulpverleners molesteren, zo goed mogelijk kunt aanpakken en hoe dat voorkomen kan worden. Hulde dus voor het kabinet, dat dit met dit voorstel heeft gedaan. Alleen, op de vorm waarvoor gekozen is, was mijn reactie in eerste instantie: moet dat nou op deze manier? Het doel is uitstekend maar het gaat mij om de vorm. Ik ben dat wetsvoorstel eens gaan afpellen en ben uiteindelijk tot een conclusie gekomen.

Belangrijk daarbij zijn bestaande wettelijke criteria die zijn opgenomen in artikel 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering. Er is al een onderzoeksgrond. Dus op het moment dat het onderzoek nog loopt, is er al een grond en dan is dit wetsvoorstel niet nodig. Zodra het onderzoek is afgelopen, gaat de meerwaarde van dit wetsvoorstel pas gelden. Dat wordt ook zo gezegd: we willen die mensen vasthouden tot aan de snelrechtzitting. Eén voordeel is in ieder geval dat de supersnelrechtzitting soms misbruikt wordt of dat het daarbij weleens misgaat, omdat het dan wel heel snel moet en je dan niet echt recht kunt doen aan de aard van de zaak, ook als het slachtoffers betreft, benadeelde partijen of reclasseringsrapporten; dat is een klein voordeeltje.

De tweede grond betreft de recidivegrond. Nu geldt dat je iemand die voor de tweede keer vast komt te zitten, wat gemakkelijker in voorlopige hechtenis kunt plaatsen. In dit wetsvoorstel is dat niet meer nodig. Ook als first offender, als je voor het eerst met Justitie in aanraking komt, kun je wat eenvoudiger in voorlopige hechtenis blijven.

Het derde punt is het anticipatieverbod. Als je denkt dat de straf korter gaat worden dan de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht, moet de voorlopige hechtenis meteen worden opgeheven.

Het laatste punt is dat de rechter-commissaris niet alleen een rechtmatigheidstoets doorvoert – in de zin van: zijn alle regeltjes nageleefd? – maar ook een belangenafweging maakt. Bij die belangenafweging lijkt het mij evident dat de rechter-commissaris zich afvraagt: wat gebeurt hier eigenlijk? Wordt er een voorschotje genomen op de straf? In dat geval zal de rechter-commissaris naar mijn inzicht altijd moeten zeggen: dan gaat het hele feest niet door. Of – daarmee komen we bij de kern van deze zaak – is hier sprake van een vorm van "geschokte rechtsorde"? Die grond bestaat ook al. Alleen bij zware delicten is er sprake van een geschokte rechtsorde. Ik begrijp het wetsvoorstel zo dat in dit geval eigenlijk sprake is van uitbreiding van die grond. Dat noemen we dan niet "geschokte rechtsorde" maar "publieke onrust". Volgens mij gaat het om hetzelfde. Alleen bij lichtere delicten moet je ook die publieke onrust meerekenen. Dat is de reden dat mensen tot aan de snelrechtzitting vast blijven zitten. Een andere reden kan ik niet bedenken, waarbij ik overigens niet wil zeggen dat dit een slechte reden is; het kan een heel goede reden zijn. Net als de heer Van der Steur is mijn vraag daarbij wel: wat is die publieke onrust dan precies? Hoe stel je die vast? De sociale media werden al genoemd. Ik vind dat een kwetsbaar punt. Het kan wel een element zijn; als ik zie wat er af en toe op Twitter gebeurt, dan zou ik dat niet representatief willen noemen. Ik stel de vraag heel open. Hoe moeten een rechter-commissaris en een officier van justitie dit vaststellen?

Cruciaal wat mij betreft is de rol van de rechter-commissaris. Ik ga ervan uit dat die kritisch zijn of haar werk verricht. Als het inderdaad een delict vanwege de openbaarheid is dat grote onrust heeft veroorzaakt, dan is het terecht dat de rechter-commissaris zegt dat mensen voor de genoemde vijf delicten langer in voorlopige hechtenis blijven, met een maximum van zeventien dagen. Als dit echter niet zo is, moet de rechter-commissaris zeggen: jammer, u gaat eruit; zoek een andere manier. Ik zou het inderdaad – zo zeg ik ook tegen de heer De Wit – een gemiste kans vinden als dit leidt tot extra feitelijke detentie, waar alternatieven mogelijk veel beter zijn.

Ik kom tot een afronding. Dit is een wetsvoorstel waarover ik niet heel enthousiast kan worden. Als je het helemaal afpelt, zijn er een aantal gevallen waarbij het inderdaad een meerwaarde kan hebben die lik op stuk oplevert maar geen voorschot op de straf. Dat is een meerwaarde die Nederland een veiliger land kan maken en in ieder geval de Nederlandse burger het gevoel kan geven dat er recht wordt gedaan en dat hij op dat moment in ieder geval even veilig is. In die enkele gevallen kan ik ermee leven.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. 23,1 miljoen euro. De Nederlandse Staat betaalt zich blauw aan schadevergoedingen. Dat zijn vergoedingen voor personen die onterecht in hechtenis hebben gezeten. Alleen al vorig jaar ging het om meer dan 11.000 mensen die onterecht zijn vastgehouden. Dat zijn grote aantallen en forse bedragen. Die getallen zijn de afgelopen jaren alleen maar gestegen. Sinds 2010 is er zelfs sprake van een ruime verdubbeling. De regels voor voorlopige hechtenis worden dus steeds rekkelijker toegepast. Is het dan verstandig om de gronden voor voorlopige hechtenis uit te breiden? Is het dan verstandig om hechtenis niet strikter of minder, maar juist vaker toe te passen? Is het verstandig om dit niet, zoals dat nu geregeld is, vanwege vlucht-, recidivegevaar of waarheidsvinding te doen, maar om nog vaker dan nu het geval is, vooruit te kunnen lopen op een uitspraak van de rechter? Mijn fractie vindt deze uitbreiding vanuit dat oogpunt niet verstandig en is dus zeer kritisch over dit kabinetsvoorstel. Dit voorstel is namelijk niet zo simpel als de coalitie het voorwendt.

De heer Van der Steur (VVD):

Mevrouw Berndsen kan zich toch wel voorstellen dat de politie er gelijk in heeft dat de extra termijn juist heel belangrijk kan zijn om dossieronderzoek goed te kunnen doen en om ervoor te zorgen dat verdachten niet met elkaar kunnen communiceren? Dat wordt ook in de stukken bij dit wetsvoorstel geschreven. Ziet mevrouw Berndsen dat voordeel dan niet?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Mijn fractie hecht eraan dat er een zorgvuldige dossieropbouw plaatsvindt, zodat die tot een echte veroordeling kan leiden. Wij plaatsen er grote vraagtekens bij of dit wel in de verlengde voorlopigehechtenisperiode kan plaatsvinden. Dat is een weging die je maakt. Misschien kan de heer Van der Steur mij mijn verhaal nog iets verder laten uitspreken, want dan zal hij horen wat verder onze overwegingen zijn.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat zal ik natuurlijk met vreugde doen, want ik ben altijd zeer geïnteresseerd in wat mevrouw Berndsen te zeggen heeft, maar ik zou het wel op prijs stellen als zij de vraag wil behandelen hoe haar oordeel zo duidelijk kan afwijken van het oordeel van de politie, die juist dit punt uitdrukkelijk omarmt.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ja, wij hebben een heleboel adviezen gekregen, zoals die van de Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Daarover hoor ik de heer Van der Steur niet, want die waren heel kritisch over dit wetsvoorstel. Als de heer Van der Steur dus nog even wil luisteren, zal hij horen dat ik mij meer thuis voel bij de argumenten van deze twee gremia dan bij die van de politie. Ik snap dat de politie natuurlijk altijd meer wil. Die bekijkt het van één kant.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik wijs mevrouw Berndsen er graag op dat ik in mijn eerste termijn expliciet verwezen heb naar de kritiek vanuit de Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Ik begrijp de opmerking van mevrouw Berndsen dus niet geheel dat ik dat niet gezegd zou hebben, want ik steek dat juist helemaal niet onder stoelen of banken. Ik heb ook aan de minister gevraagd of hij juist om die reden nog even op de definitiekwesties wil ingaan. Ik stel vast dat mevrouw Berndsen zich kennelijk niet kan inleven in de argumenten van de politie zelf, die uiteindelijk het slachtoffer is van het geweld tegen gezagsdragers zoals wij dat helaas nog elk weekend zien in Nederland.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Volgens mij heb ik helemaal niet gezegd dat ik mij niet kan inleven. Ik kan mij buitengewoon goed inleven. Juist vanwege mijn eigen achtergrond kan ik dat. Ik zeg alleen dat het gaat om een weging van argumenten. Nogmaals, ik denk dat juist de slachtoffers – we hebben het dan immers over de politie in de rol van slachtoffer en niet over politie zoals de Raad van Korpschefs in het advies heeft aangegeven – gebaat zijn bij een zorgvuldige voorbereiding op een proces. Wij denken dat dit wetsvoorstel daarbij niet zal helpen.

Natuurlijk hecht ook D66 eraan dat bij geweld tegen personen met een publieke taak snel en stevig wordt opgetreden, maar dit voorstel gaat veel verder dan alleen een lik-op-stukreactie. Dit voorstel betekent een fundamentele wijziging van de toepassing van voorlopige hechtenis en raakt daarmee aan de rechtswaarborgen binnen onze rechtsstaat: de onschuldpresumptie, het principe dat je in vrijheid je berechting mag afwachten en een voortvarende en zorgvuldige rechtspleging. Het is voor mijn fractie een brug te ver als we die principes opzijschuiven vanuit de onderbuik en vanuit een eenzijdige vergeldingsdrang. Dat lijkt zich hier voor te doen. Het voorstel beoogt immers opsluiting, louter en alleen om snelle berechting mogelijk te maken, terwijl geenszins is aangetoond dat in zulke ernstige zaken de zaak ook na zeventien dagen definitief kan worden afgedaan of dat in zo'n korte tijd een zorgvuldige voorbereiding van zo'n ernstige zaak kan plaatsvinden. Hoe ziet de minister dit voor zich? Heeft hij op dit punt een effectmeting gedaan op grond waarvan aannemelijk wordt dat criminaliteit hiermee effectiever kan worden aangepakt?

Wat is precies de noodzaak van het voorstel? Een verdachte van ernstig geweld kan in verzekering worden gesteld. Hoe vaak komt het voor dat iemand in deze categorie na inverzekeringstelling in vrijheid wordt gesteld? Als er een zeer reëel risico bestaat dat de waarheidsvinding wordt gefrustreerd, dat herhaling zal plaatsvinden of dat de verdachte de benen zal nemen, is voorlopige hechtenis op grond van de huidige wet toch al mogelijk? Nogmaals: wat maakt dit wetsvoorstel dan nog noodzakelijk? Wat rechtvaardigt om een first offender zeventien dagen en vijftien uur op te sluiten zonder dat er sprake is van een reëel veiligheidsrisico? Kan de minister nog een poging doen om dat uit te leggen?

Is dit voorstel eigenlijk wel EHRM-proof? Mijn fractie is daar niet van overtuigd. De discussie hangt hier op de term "public disorder" en is ook voor mijn fractie belangrijk. Ik begrijp dat dit ook voor de VVD en de PvdA belangrijk is, want hoe legt de minister dit precies uit? Moet er daadwerkelijk sprake zijn van verstoring van de rechtsorde? Of vindt hij het voldoende als hechtenis al wordt toegepast als alleen de kans bestaat dat er maatschappelijke onrust ontstaat als de verdachte in vrijheid zijn berechting mag afwachten? Sluiten we mensen dan feitelijk niet alleen vanwege vermeende publieke verontwaardiging op? En vindt de minister werkelijk dat publieke verontwaardiging zwaarder kan wegen dan de rechtsstatelijke beginselen die de zorgvuldigheid van de rechtsgang bewaken? Hier krijg ik graag duidelijkheid over.

Hoe verhoudt het voorstel zich tot artikel 6 van het EVRM? Het voorstel beoogt opsluiting als voorproefje op de veroordeling die na zeventien dagen moet plaatsvinden. Het wetsvoorstel stelt op dit punt "dat een directe reactie (lik op stuk) nodig is om aan de verdachte en de omgeving duidelijk te maken dat het gedrag (…) onaanvaardbaar is. Daarmee wordt direct en in persoon een passende justitiële reactie op strafbaar gedrag gegeven ten opzichte van de verdachte en ten opzichte van de samenleving". Deze passage verraadt de werkelijke intentie van dit wetsvoorstel; dat noemen we "straffen voor de rechter uit". Dat is in strijd met het onschuldbeginsel. Je bent als verdachte onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Het gaat niet om een verwachting. Bovendien: welke garantie heeft het kabinet bij voorbaat dat de rechter daadwerkelijk een vrijheidsstraf zal opleggen? Uit welk onderzoek blijkt dat die aanname gerechtvaardigd is? De minister spreekt in zijn voorstel tegen dat hij vooruitloopt op de rechter. Met dit voorstel wordt de rechter echter geconfronteerd met een verdachte die zijn straf al zeventien dagen uitzit voordat de feiten überhaupt door een rechter zijn gewogen. Wat kan een rechter daar dan nog mee anders dan wellicht onterechte hechtenis constateren? Dit anticiperen op de gevangenisstraf lijkt mijn fractie overduidelijk in strijd met artikel 6 van het EVRM. Als de minister dit punt kan weerleggen, dan hoort mijn fractie dat uiteraard graag. Ik heb er echter bij voorbaat een hard hoofd in.

De voorbereidingstijd is een belangrijk argument in het voorstel. Het kabinet wil tempo in het proces en zo snel mogelijk bestraffing. Het verbaast niet dat de termijn van drie dagen bij het supersnelrecht te kort is. Ernstige zaken vragen goede en zorgvuldige dossiervorming. Dat betekent echter niet dat zeventien dagen opsluiting wél voldoende tijd biedt voor een goede voorbereiding van de strafzaak of dat zeventien dagen opsluiting vanuit een verontwaardigingsgevoel gerechtvaardigd is. Ook hier mist mijn fractie een onderbouwing met feiten en onderzoek. Bovendien, als meer voorbereidingstijd nodig is om de zaak rond te krijgen, dan kan dat volgens artikel 67 van de wet toch al? Als een reclasseringsrapport nodig is, dan hoeft de verdachte daarvoor toch niet in hechtenis te zitten? Dit kabinet wil toch niet riskeren dat de verdachte wordt ontslagen of wordt verwijderd van school? Dan groeit de kans om recidive immers alleen maar. Kortom, ook op deze punten overtuigt het wetsvoorstel mijn fractie niet.

Tot slot, mijn fractie begon deze inbreng met de 23,1 miljoen, het bedrag dat in 2012 werd uitgekeerd aan ex-verdachten die ten onrechte in hechtenis hadden gezeten. Hoe denkt de minister te voorkomen dat hij met zijn wetsvoorstel de staatskas nog verder op kosten jaagt, of zijn uitvoeringsdiensten in de knel brengt? Want hoe moet het Openbaar Ministerie dit voorstel straks uitvoeren als het een kwart van zijn budget dreigt te verliezen? Dat aspect staat niet in het voorstel, maar is wel relevant.

De heer Recourt (PvdA):

Ik heb twee vragen aan mevrouw Berndsen. De eerste vraag betreft de zaken waarop geen vier jaar staat en waarbij voorlopige hechtenis dus niet mogelijk is. Van belang bij deze zaken is wel dat het onderzoek mogelijk verstoord kan worden als de verdachte op vrije voeten is. Dit wetsvoorstel maakt het in de vijf daarin opgenomen gevallen mogelijk om dan toch voorlopige hechtenis toe te passen. Hoe waardeert de fractie van D66 dat? De tweede vraag betreft het amendement dat ik zelf heb ingediend om een bepaling over een evaluatie na vijf jaar op te nemen, omdat de rol van de rechter-commissaris van belang is. Of dit wetsvoorstel goed uitpakt of minder goed, hangt eigenlijk af van de rechter-commissaris. Hoe waardeert de fractie van D66 mijn amendement?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Om met dat laatste te beginnen: wij zijn altijd voor een evaluatiebepaling. Dat zullen we dus absoluut steunen. Wat betreft het eerste punt van de heer Recourt het volgende. Dat is nu juist een weging die je maakt. De minister geeft zelf al aan dat het voor een relatief gering aantal gevallen zal gaan gelden. Dan is de vraag van mijn fractie: moet je daarvoor nu met zo'n wet komen? Of kun je dan niet beter tijd besteden aan zorgvuldige processtukken, zodat ook daadwerkelijk tot een goede veroordeling kan worden gekomen? Nogmaals: wij denken dat deze wet niet nodig is.

De heer Recourt (PvdA):

Mevrouw Berndsen heeft mij ook gehoord: ik ben er geen groot fan van. Echter, soms kan er geen sprake zijn van een zorgvuldige voorbereiding als de verdachte op vrije voeten is, bijvoorbeeld omdat de verdachte kan beïnvloeden, intimideren of whatever. Wat dat betreft kan met dit wetsvoorstel juist wel een extra stap worden gezet. Hoe wordt dat dan gewaardeerd?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dat is nog maar de vraag. Er zijn ook nog andere mogelijkheden. Er is ook nog zoiets als het opleggen van een gebiedsverbod. Het is een kwestie van weging. Ik snap dat de heer Recourt ook niet erg warmloopt voor dit wetsvoorstel en dat hij kennelijk probeert om het dan voor een aantal gevallen voor zichzelf aannemelijk te maken om wel voor dit wetsvoorstel te zijn. Wij maken een andere weging.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik was nog niet klaar, voorzitter, maar ik ga wel afronden.

Kortom, mijn fractie vindt het wetsvoorstel niet overtuigend. Dat zei ik net ook al. De noodzaak om voorlopige hechtenis als punitieve maatregel in te voeren, wordt onvoldoende onderbouwd. Ook blijkt nergens uit dat de huidige wet niet zou volstaan als het gaat om voorbereidingstijd, nader onderzoek of rapportages. Wel ziet mijn fractie het reële risico dat de Staat zichzelf op kosten jaagt en zich met bezuinigingen op het Openbaar Ministerie en het sluiten van huizen van bewaring in de vingers snijdt. Hoe moet het OM dit uitvoeren? En waar laten we de mensen als gevangenissen worden gesloten? Toch een enkelband? Bovenal vindt mijn fractie dit voorstel strijdig met fundamentele rechtsbeginselen, die juist een zorgvuldige procesgang moeten bewaken. Ook blijkt nergens uit dat de huidige wet niet zou volstaan als het gaat om voorbereidingstijd, nader onderzoek of rapportages. Wel ziet mijn fractie het reële risico dat de Staat zichzelf op kosten jaagt en zich met de bezuinigingen op het Openbaar Ministerie en het sluiten van huizen van bewaring in de vingers snijdt. Hoe moet het OM dit uitvoeren en waar laten we deze mensen als gevangenissen worden gesloten? Toch een enkelband? Bovenal vindt mijn fractie dit voorstel echter strijdig met fundamentele rechtsbeginselen, die juist een zorgvuldige procesgang moeten bewaken.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. In het spoeddebat over geweld tegen hulpverleners, al op 20 januari 2011, heeft de PVV de staatssecretaris gevraagd om in de wet een extra grond op te nemen voor voorlopige hechtenis, namelijk de grond dat iemand op een snelrechtzitting dient te verschijnen in zaken waar dit wetsvoorstel ook over gaat. Toen werd aangegeven dat de staatssecretaris hier al mee bezig was, en vandaag spreken we over het wetsvoorstel. Het zal u dan ook niet verbazen dat de PVV in beginsel positief staat tegenover dit wetsvoorstel.

Inmiddels vraag ik me wel af of we in het debat niet gedeeltelijk aan de kern voorbijgaan. In 2011 is namelijk een motie aangenomen die ik samen met de toenmalige collega's van het CDA en de VVD had ingediend. In die motie werd gevraagd om toepassing van snelrecht en een verhoogde strafeis in geval van agressie en geweld tegen personen met een publieke taak. Sinds begin 2011 is het dus beleid om in deze gevallen de strafeis met 200% te verhogen. Inmiddels is daar al twee keer een onderzoek naar uitgevoerd. In de begeleidende brief bij het tweede onderzoek staat: inmiddels staat vast dat het Openbaar Ministerie een beduidend lagere straf eist dan het thans, sinds 2011, veel hogere BOS-advies.

Dit is dus gebleken uit het vervolgonderzoek van de Universiteit Tilburg. In het vragenuur van gisteren antwoordde de minister dat hij laat onderzoeken of er in dergelijke situaties, waarin dus geweld wordt gebruikt tegen personen met een publieke taak, lagere strafeisen worden gesteld door het Openbaar Ministerie. Dat antwoordde de minister ook op schriftelijke vragen die de PVV-fractie hierover in november vorig jaar heeft gesteld. Wij stelden die vraag echter omdat dus was geconcludeerd dat er in een aantal gevallen lagere strafeisen worden gesteld. De minister erkent dat ook in de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel. Ik vraag de minister dan ook wat hij gaat doen om tegen te gaan dat het Openbaar Ministerie lagere strafeisen blijft stellen.

Het is namelijk goed om snelrecht toe te passen, maar als dan niet de afgesproken verhoogde straf wordt gevorderd, is het uiteindelijke resultaat toch nog teleurstellend voor het slachtoffer in het bijzonder en de samenleving in het algemeen. Dan is namelijk geen sprake van een lik-op-stukbeleid met een afschrikkende werking. In dat geval is een belangrijk deel van de beoogde werking van dit wetsvoorstel, namelijk een adequate reactie op laakbaar gedrag, weggevallen. Snelrecht is namelijk in het bijzonder bedoeld voor zaken met een grote maatschappelijke indruk, zoals geweld in het publieke domein. Als er vervolgens via het snelrecht wordt gehandeld maar er een lage strafeis wordt gesteld, wordt het snelrecht, en daarmee dit wetsvoorstel, toch enigszins uitgehold. Er wordt dan weliswaar snel opgetreden, maar de straf is zodanig laag dat de tijd in voorarrest langer is dan de straf die uiteindelijk wordt opgelegd.

De PVV-fractie wil ook graag van de minister weten of het aantal geweldsdelicten tegen hulpverleners nog steeds stijgt en of de ernst van de misdrijven ook toeneemt. Inmiddels zijn er namelijk al vele ernstige gevallen bekend. Een voorbeeld van een heel ernstige zaak is het inrijden op agenten. Laten we zeggen: poging doodslag. Kan de minister de Kamer bij brief ieder halfjaar een overzicht van dit soort misdrijven sturen? De PVV-fractie heeft er eerder al voor gepleit om, als het aantal delicten nog steeds stijgt en de delicten ernstiger worden, de strafeis dan maar te verhogen, dus met meer dan die 200%. Daarvoor moet ik het antwoord van de minister echter afwachten.

Terug naar de inhoud van het wetsvoorstel. De PVV constateert dat in het wetsvoorstel de genoemde misdrijven zijn beperkt tot de aldaar met name genoemde misdrijven. Waarom is dit nodig? Er worden al eisen gesteld. Het moet namelijk gaan om feiten van zodanige ernst dat het Openbaar Ministerie een vrijheidsstraf geïndiceerd acht en ook verwacht dat de rechter deze zal opleggen. Waarom wordt dan toch nog onderscheid gemaakt in misdrijven? Wat de PVV betreft moet het Openbaar Ministerie hierin de vrijheid hebben en moet het kunnen kiezen voor de toepassing van snelrecht wanneer er sprake is van andere misdrijven dan in het wetsvoorstel genoemd, maar waarbij wel voldaan is aan de andere voorwaarden die ik zojuist noemde. Dat zal dus zeker geen vrijbrief zijn voor het eenvoudig in voorarrest nemen van verdachten, omdat bij de toepassing van voorlopige hechtenis sprake moet zijn van ernstige bezwaren jegens de betreffende verdachte. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel – ik zei het al – is ook dat het moet gaan om dusdanig ernstige feiten dat het Openbaar Ministerie een vrijheidsstraf geïndiceerd acht. Er zijn dus genoeg waarborgen. Een beperking tot de met name genoemde misdrijven is wat ons betreft dan ook niet nodig. Daarom heb ik namens mijn fractie een amendement ter zake ingediend om de met name genoemde misdrijven uit het wetsvoorstel te halen.

Mijn fractie wil er eveneens op wijzen dat niet alleen snelheid van berechting belangrijk is, maar ook twee andere aspecten. Ten eerste noem ik zorgvuldigheid, want uiteindelijk moet wel de juiste persoon gestraft worden. In dat kader wil de PVV weten of er problemen worden voorzien met het rond krijgen van de zaak, ofwel het verkrijgen van voldoende bewijs binnen de gestelde maximale termijn van zeventien dagen. In de nota naar aanleiding van het verslag staat namelijk dat een verdachte soms zal moeten worden heengezonden als de zaak toch complexer blijkt te zijn dan vooraf is ingeschat en er geen andere grond voor het toepassen van voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Graag krijg ik een nadere toelichting van de minister op dat punt. Welk vangnet denkt hij hiervoor te kunnen bieden? Ten tweede noem ik het strenger straffen. De minister heeft het in het kader van ZSM altijd over "zo snel mogelijk", maar nooit over "zo streng mogelijk". Maar goed, dat blijft de PVV dan natuurlijk wel zeggen; zo kent hij ons. Slachtoffers of gedupeerden en de maatschappij hebben er niets aan als daders wel binnen zeventien dagen zijn berecht, maar meteen op straat staan omdat zij hun tijd hebben uitgezeten in voorlopige hechtenis. Of nog erger, niemand heeft er wat aan als de rechter een lichtere straf oplegt en de dader nog recht heeft op schadevergoeding ook.

Laat ik tot slot nog een open deur intrappen. De PVV blijft pleiten voor minimumstraffen en groepsaansprakelijkheid.

De heer De Wit (SP):

Ik wil mevrouw Helder iets vragen over haar amendement in aansluiting op het betoog dat zij gehouden heeft. Ik begrijp dat zij twee elementen uit het wetsvoorstel haalt, namelijk de publieke ruimte en het feit dat het gericht moet zijn op personen met een publiek ambt of een publieke taak. Zij geeft in de toelichting een voorbeeld van een diefstal. Beoogt mevrouw Helder met haar amendement dat het in principe mogelijk moet zijn dit wetsartikel toe te passen als er een diefstal plaatsvindt van – ik noem maar wat – een fiets op een plein? En hoe zit het dan met de maatschappelijke onrust, want dat is ook een element in dit wetsvoorstel?

Mevrouw Helder (PVV):

Ik meen dat ik dat net voldoende heb toegelicht. Wij willen dat de met name genoemde misdrijven eruit worden gehaald. De overige voorwaarden blijven gehandhaafd.

De heer De Wit (SP):

Dat heb ik begrepen. Misschien ben ik niet duidelijk geweest. Wat is de maatschappelijke onrust, die ook beschreven is in het wetsvoorstel en waar mevrouw Helder het ook mee eens is, bij een diefstal van een fiets of een brommer op een plein? Wat is bij zo'n misdrijf de maatschappelijke onrust waardoor snelrecht toegestaan is?

Mevrouw Helder (PVV):

Wij willen dat aan het Openbaar Ministerie overlaten. Het Openbaar Ministerie start de vervolging naar aanleiding van het opsporingsonderzoek. Wij gaan ervan uit dat de opsporingsambtenaren worden gehoord. Zij zullen kunnen toelichten of er sprake is van maatschappelijke onrust. In het voorbeeld van de heer De Wit over diefstal zal dat bijna nooit gebeuren. Het Openbaar Ministerie zal de vrijheid moeten hebben om naar aanleiding van de voorwaarden die wel gehandhaafd blijven, bij ieder misdrijf te kunnen beoordelen of in dat geval snelrecht geïndiceerd is.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. Samen met de critici van dit wetsvoorstel ben ik als voormalig coördinerend rechter-commissaris van mening dat de gronden van de voorlopige hechtenis nu al ruim zijn geformuleerd en dat de rechter-commissaris al veel beslisruimte heeft. Tegelijkertijd is in het kader van de aanpak van geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publiekrechtelijke taak of een publieke taak en de daarop beoogde snelle afdoening, behoefte aan uitbreiding van de gronden. De CDA-fractie kan zich vinden in dit wetsvoorstel.

Het gedrag van personen die zich misdragen in de publieke ruimte en geweld uitoefenen tegen personen met een publieke taak, kan niet getolereerd worden. Functionarissen met een publieke taak moeten die taak zonder hinderlijke interventies van omstanders kunnen uitoefenen. Mensen die dat in de weg staan, moeten hard worden aangepakt. Het gaat hier om gedragingen en misdrijven die een sterk ordeverstorend karakter hebben en daarom ook een snelle justitiële reactie vragen. Wij kunnen ons vinden in de met dit wetsvoorstel gecreëerde verruiming van de mogelijkheden om zulke personen in voorlopige hechtenis te nemen met het oog op een snelle berechting. Dat maakt ook de keuze tussen supersnelrecht en snelrecht in de toekomst makkelijker en effectiever. Wij hebben regelmatig met de minister in de clinch gelegen over afdoeningen rond oud en nieuw en andere evenementen. De officier van justitie koos voor snelrecht, maar de zaak liep in het honderd omdat de zaak nog niet was afgedaan en de officier van justitie bang was dat als hij voor snelrecht zou kiezen, hij iemand niet langer vast kon houden en de bewuste verdachte niet op de zitting zou komen. Met dit wetsvoorstel is die keuze wat makkelijker.

Wat betreft de critici wil ik nog zeggen dat er voldoende waarborgen blijven voor de verdachte. De rechter-commissaris kan de vordering tot inbewaringstelling afwijzen. De heer De Wit heeft gevraagd hoe het moet als iemand eigenlijk voor een taakstraf in aanmerking komt. Dat kan natuurlijk. Voor een first offender is het beleid een beetje om een taakstraf, een boete of een voorwaardelijke straf opgelegd te krijgen voordat je de bak in gaat. Die beslissing ligt bij de rechter-commissaris. Als iemand bij de rechter-commissaris komt, zal zijn advocaat dat ook aanvragen. Hij zal zeggen: ik doe een beroep op artikel 67a lid 3 en de verdachte moet nu op vrije voeten worden gesteld, want de kans bestaat dat hij geen gevangenisstraf krijgt. Als de rechter-commissaris dat vindt, moet hij ook de vordering afwijzen.

Mevrouw Berndsen vraagt hoe het met de jongeren moet, want zij moeten naar school, hebben net een baan of zijn net gestart met een opleiding. Daarvoor is ook ruimte. De rechter-commissaris kan de voorlopige hechtenis schorsen. Sterker nog, dat is vaak aanbevelingswaardig omdat je de jeugdige dan ook klem kan zetten. Je kunt begeleiding opleggen, je kunt een contactverbod opleggen. Je kunt zo iemand in de tang nemen en wat ons betreft, gebeurt dat dan ook.

Wat betreft onze vragen en opmerkingen en de inbreng van het verslag heeft de nota naar aanleiding van het verslag voldoende helderheid verschaft. Dit gevoegd bij het gegeven dat de werking van het straks tot wet verheven wetsvoorstel na drie jaar – na aanneming van het amendement-Recourt – wordt geëvalueerd, leidt ertoe dat wij geen nadere vragen of opmerkingen hebben over dit wetsvoorstel.

Ik heb wel een vraag over de praktische invulling.

De voorzitter:

Ik wil even vragen of u al bijna aan de afronding toe bent.

De heer Oskam (CDA):

Een heel klein stukje nog. Ik had heel weinig tijd aangevraagd en u kunt er misschien soepel mee omgaan.

De voorzitter:

Mevrouw Berndsen, misschien is het goed als de heer Oskam zijn verhaal afmaakt. Hij is bijna klaar namelijk.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik wil eigenlijk iets vragen over wat de heer Oskam heeft gezegd. Hij somt allerlei mogelijkheden op van de rechter-commissaris op basis waarvan die verlenging van de voorlopige hechtenis misschien niet nodig is of onderbroken kan worden. Wat is dan volgens de heer Oskam de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel?

De heer Oskam (CDA):

Het voordeel is dat je first offenders kunt vastzetten, als er aanleiding is om te veronderstellen dat de politierechter of de rechtbank die de zaak gaat afdoen tot een gevangenisstraf komt en als de verontwaardiging van de maatschappij over bijvoorbeeld oud-en-nieuwrellen en voetbalrellen zodanig is dat mensen zeggen dat het van de zotte is dat deze mensen worden vrijgelaten. De heer De Wit noemde het voorbeeld Haren. Het Openbaar Ministerie heeft dan de mogelijkheid om die grond op te voeren. De rechter-commissaris kan die grond wel of niet overnemen. De rechter-commissaris kan dus met maatwerk tegemoetkomen aan de bezwaren van mevrouw Berndsen. Dit geeft extra gereedschap, zowel aan het Openbaar Ministerie als aan de rechter-commissaris, om daarin mee te gaan als daar aanleiding toe is. Dat laatste is een afweging van de rechter-commissaris.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De heer Oskam zegt dat de rechter-commissaris die mogelijkheden heeft, maar ook dat die first offenders vaak een taakstraf krijgen of een boete. Bij de zaak-Haren werden er nauwelijks gevangenissenstraffen gevorderd. Ik zie daarom geen andere toegevoegde waarde van deze wet dan dat die mogelijk gebruikt zou worden. Is dat een rechtsgrond om een dergelijke aantasting van het rechtsbeginsel in ons land mogelijk te maken?

De heer Oskam (CDA):

Ik kom hier zo nog op terug. Wij zijn namelijk de geschiedenis ingedoken en hebben bekeken om hoeveel gevallen het gaat. In 2011 zou het om 1.100 gevallen gaan. 1.100 mensen hebben toen een gevangenisstraf gekregen, maar die op vrije voeten afgewacht. De officier van justitie zou daarbij hebben gezegd dat hij die mensen in voorarrest had gehouden, als hij wel die gronden had gehad. Ik denk dat het nodig is. Ik denk dat het in minder gevallen voorkomt dan in die 1.100 zaken uit 2011, omdat de rechter-commissaris nu eenmaal – gelukkig – een afweging kan maken van de verontwaardiging van de maatschappij, de schade die is toegebracht, de ellende die het heeft veroorzaakt en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo kan hij bedenken: eigenlijk moet deze persoon vastzitten, maar omdat hij werk heeft, omdat het de eerste keer is of omdat hij naar school gaat, geven wij hem een kans, maar zetten wij hem wel klem. Als je die gronden niet hebt, kun je dergelijke personen ook niet klem zetten.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik zit nog even te kauwen op die 1.100 gevallen. Volgens mij hebben ook 1.100 personen een schadeloosstelling gekregen vanwege het feit dat ze ten onrechte in voorlopige hechtenis zaten. De minister heeft het in zijn memorie van toelichting echt over een veel lager aantal, namelijk tussen de 100 en 200 maximaal. Het zijn allemaal aannames. Wij gaan dus een dergelijke wet aannemen op basis van aannames.

De heer Oskam (CDA):

Dit is geen vraag, maar wat mij betreft nemen wij die wet aan.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, mijnheer Oskam.

De heer Oskam (CDA):

Ik kom nu op de vraag over de praktische invulling. Vorige week hebben wij een debat gevoerd met staatssecretaris Teeven over het Masterplan DJI. Toen is ook even gesproken over de voorlopige hechtenis. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, dat is geschreven voordat het Masterplan DJI bedacht was, staat dat volgens de beschikbare cijfers over het jaar 2011 voor de delicten waar het hier om gaat, namelijk openlijke geweldpleging, brandstichting, bedreiging, mishandeling en vernieling, in ongeveer 1.100 gevallen een vrijheidsstraf opgelegd is, zonder dat daaraan een voorlopige hechtenis is voorafgegaan. In een beperkt deel van deze gevallen betreft het misdrijven die zijn gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plaats of gericht tegen personen met een publieke taak. Dat zijn er dus minder dan die 1.100, zoals mevrouw Berndsen net al zei.

Ik kom nu nog op de afschatting die de rechter-commissaris kan maken. Het is mijn inschatting dat de nieuwe grond voor voorlopige hechtenis zou kunnen leiden tot niet meer dan enkele honderden gevallen per jaar waarin voorlopige hechtenis zal worden toegepast. Het beslag dat hiermee wordt gelegd op de capaciteit van de politie, de officieren van justitie en de rechter-commissarissen is op te vangen binnen de bestaande capaciteit en leidt niet tot extra financiële lasten, aldus de memorie van toelichting. Hoe zit het met het nog aan te passen Masterplan DJI waar staatssecretaris Teeven nu zijn tanden op stukbijt? Kan de minister aangeven wat de gevolgen van dat aan te passen masterplan zijn voor de beschikbare detentiecapaciteit om personen in voorlopige hechtenis te nemen als gevolg van deze nieuwe grond voor voorlopige hechtenis?

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Op de dag af één jaar geleden, te weten 12 juni 2012, kwam in het mondelinge vragenuur de voorlopige hechtenis aan de orde. Het ging toen over het bericht dat in Nederland veel onschuldige mensen worden opgesloten en dus ten onrechte in voorlopige hechtenis worden genomen. In tien jaar tijd, zo luidde toen de tekst van de mondelinge vragen, bijna 30.000 onschuldigen vastgezet. De minister antwoordde aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA dat dat conform de prognose was en dat dit budgettair was berekend. Ook zei de minister dat de toename van het aantal mensen in voorlopige hechtenis het gevolg is van het beleid dat wij in Nederland voeren.

De SP-fractie vindt dat een zorgelijke ontwikkeling. Een persoon die nog niet veroordeeld is, in de gevangenis plaatsen, dat doe je niet zomaar, dat doe je alleen als het echt niet anders kan. De onschuldpresumptie, waarover vanavond al eerder is gesproken, is een belangrijk principe. Iemand is onschuldig totdat de schuld is komen vast te staan. Daarom moet voorlopige hechtenis een ultimum remedium zijn. Dat noemde de minister ook zo in zijn antwoorden een jaar geleden. Kan hij vandaag nogmaals benadrukken dat dit nog steeds het geval is, dat het toepassen van voorlopige hechtenis ultimum remedium is, en dat alternatieven worden toegepast indien dat mogelijk is? De minister zei indertijd dat naar dat laatste onderzoek wordt gedaan. Hoe staat het met het toen genoemde onderzoek naar uitbreiding van alternatieven rond het fenomeen van voorlopige hechtenis? Graag een reactie van de minister.

Desondanks staat mijn fractie niet negatief tegenover het voorliggende wetsvoorstel. Voorgesteld wordt een beperkte uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis mogelijk te maken. In het wetsvoorstel is sprake van een limitatief geheel. Het gaat om vijf strafbare feiten: openlijke geweldpleging, brandstichting, mishandeling, bedreiging en vernieling. Die strafbare feiten moeten begaan zijn in de voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel gericht zijn tegen personen met een publieke taak. Er moet maatschappelijke onrust zijn ontstaan. Snelrecht moet mogelijk zijn binnen zeventien dagen en vijftien uur. De vraag is of dit inderdaad een limitatieve opsomming is. Zal steeds op deze punten worden getoetst of sprake kan zijn van verruimde voorlopige hechtenis? Graag de mening van de minister.

Als ik het goed zie, gaat het om een beperkte verruiming van de mogelijkheid van voorlopige hechtenis. Ik heb kennisgenomen van de kritische opmerkingen van diverse adviesorganen. Zij vragen naar de meerwaarde van het voorstel, omdat er vaak al sprake is van het voldoen aan de gronden die nu reeds bestaan voor voorlopige hechtenis. De regering schrijft dat dat misschien wel vaak zo is, maar niet altijd. Daarom juich ik het ook toe dat dankzij het amendement van de heer Recourt een evaluatie mogelijk wordt gemaakt. Dat zal een belangrijk moment zijn om de meerwaarde van het voorstel te beoordelen.

De SP-fractie is het in zoverre eens met het voorstel, dat het inderdaad kan gaan om misdrijven die tot grote verontwaardiging en maatschappelijke onrust kunnen leiden. Het bedreigen van een conducteur, het kort en klein slaan van een restaurant, het knokken met agenten in het uitgaansleven, het zijn dergelijke misdrijven die ook als zij voor het eerst zijn gepleegd, kunnen rechtvaardigen dat iemand in hechtenis blijft tot de zaak via snelrecht is behandeld. Ik zeg met nadruk: kúnnen rechtvaardigen. Het is niet zo dat iedereen die aan de criteria voldoet, automatisch in voorlopige hechtenis verdwijnt. Het is geen automatisme. Het wordt zorgvuldig beoordeeld door de rechter-commissaris. Er is een rechterlijke toets die ziet op de noodzakelijkheid van het voortduren van de voorlopige hechtenis. Wat is de reactie van de minister?

Daar komt nog bij dat het vanavond vaker genoemde anticipatiegebod geldt; zodra de verwachting is dat iemand bij een veroordeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal krijgen die langer is dan de termijn van voorlopige hechtenis, moet de voorlopige hechtenis niet voortduren. Ook dat is een belangrijk beginsel en een belangrijk aspect van deze zaak.

In antwoord op vragen van mijn fractie erkent de regering dat het geen doel op zichzelf is om een verdachte vast te houden tot het moment van de snelrechtzitting. Dat is terecht, want per geval moet zorgvuldig beoordeeld worden of er minder bezwarende alternatieven zijn. Ik grijp toch even terug op het voorbeeld dat de minister zelf noemt, op pagina 7 en 8 van de nota naar aanleiding van het verslag. Een cafébezoeker zwaait in het rond met een barkruk en slaat het meubilair kort en klein. De minister schrijft dat hij niet wil dat die persoon de volgende dag weer op dezelfde locatie aanwezig kan zijn, dat er maatschappelijke onrust is en dat dus voorlopige hechtenis een optie is. Bedoelt de minister dit ook zo te zeggen? Is het niet zo dat dit nu precies een situatie is waarvoor we destijds bijvoorbeeld het gebiedsverbod hebben bedacht en ingevoerd? Graag een toelichting van de minister op dit punt.

Ik wil ook nog even stilstaan bij het vereiste van de maatschappelijke onrust. Mijn fractie blijft dit een heel moeilijk punt vinden. Hoe zit dat nu bij die man met de barkruk, in het voorbeeld dat de minister zelf noemde? Wat is de maatschappelijke onrust die op dat moment ontstaat? Wie maakt zich buiten de kring van de cafébezoekers druk over dit strafbare gebeuren? Buiten de plaats delict, om het maar zo te noemen, zal niet gemakkelijk grote maatschappelijke onrust ontstaan over dit feit. Hoe breed is "maatschappelijk" in het begrip "maatschappelijke onrust"? Moet het gaan over een heel grote groep in de samenleving of is de beperkte groep van direct betrokkenen op zichzelf al voldoende? Ik denk dat het aspect van de maatschappelijk onrust een cruciaal punt zal zijn bij de daadwerkelijke beoordeling van de mogelijkheid om hier voorlopige hechtenis toe te passen. Ik krijg graag nog een nadere toelichting van de minister op mijn vraag wat "maatschappelijke onrust" precies is.

Ten slotte. Mijn fractie blijft de mogelijkheden van alternatieven benadrukken. Ik heb de minister uitdrukkelijk gevraagd om daar nog naar te kijken en er een nadere toelichting op te geven, omdat, in ieder geval in dat opzicht, alternatieven wellicht een betere uitweg bieden dan deze verruiming, die heel ver gaat op het punt van de rechtsbescherming van de burger, in de zin dat die niet zomaar kan worden opgesloten als voorschot, zoals mevrouw Berndsen het eerder noemde, op een straf die wordt uitgesproken.

De voorzitter:

Dank u wel. Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors de vergadering zes minuten.

De vergadering wordt van 22.00 uur tot 22.09 uur geschorst.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun bijdragen in eerste termijn. Het is voor mij een genoegen om vandaag met de Kamer over dit wetsvoorstel van gedachten te wisselen. Het wetsvoorstel beantwoordt aan de behoefte om lik op stuk te kunnen reageren op geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak. Wij hebben er de laatste weken al in verschillende AO's met elkaar over gesproken. Het gaat om strafbare feiten die het publieke leven ernstig verstoren en die gevoelens van onveiligheid veroorzaken. Gedacht kan worden aan geweld op een dorpsplein bij festiviteiten ter gelegenheid van Koningsdag of aan een ambulancebroeder die tijdens zijn dienst wordt mishandeld. Een snelle justitiële reactie, in alle zorgvuldigheid die de wet aangeeft met alle waarborgen van dien, is in die gevallen gewenst. Het wetsvoorstel maakt dat mogelijk door de toepassing van voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte. Ik ga gaarne in op een aantal vragen van de Kamer.

De heer Van der Steur vroeg wat moet worden verstaan onder een voor het publiek toegankelijke plaats. Het begrip omvat zowel de openbare ruimte als andere voor het publiek toegankelijke plaatsen en voor het publiek toegankelijke gebouwen zoals winkels, horecagelegenheden, stations, openbaar vervoer, parkeergarages en de publieke gedeelten van ziekenhuizen. Een plaats is voor het publiek toegankelijk als deze feitelijk voor een in beginsel onbeperkt aantal personen toegankelijk is, bijvoorbeeld een winkel, bank en openbare weg. Ook als de toegang tot een plaats gereguleerd is doordat men in het bezit moet zijn van een toegangsbewijs of plaatsbewijs dat door eenieder kan worden aangeschaft, is sprake van een voor het publiek toegankelijke plaats. Denk in dit geval aan een museum of een kermisterrein. Wat ik nu zeg is inmiddels ook in jurisprudentie vastgelegd. Onder het begrip "voor het publiek toegankelijke plaats" vallen niet de ruimten die niet voor eenieder toegankelijk zijn, bijvoorbeeld omdat deze alleen toegankelijk zijn met een persoonlijke toegangspas of voor het personeel, zoals kantoorgebouwen.

De heer Van der Steur, de heer Recourt en de heer De Wit hebben gevraagd wat het bestanddeel "maatschappelijke onrust" inhoudt. Laat ik vooropstellen dat niet elk strafbaar feit dat wordt gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plaats of tegen een persoon met een publieke taak tot maatschappelijke onrust leidt, hoe ernstig dat ook kan zijn en hoe verwijtbaar wij dat ook vinden. Het wetsvoorstel ziet op die gevallen waarin het gepleegde strafbare feit vanwege het ordeverstorende karakter ervan wel tot grote maatschappelijke verontwaardiging en gevoelens van onveiligheid leidt. In de nota naar aanleiding van het verslag noemde ik onder meer het voorbeeld van een geweldsdelict dat 's ochtends vroeg tijdens de spits in de tram tegen de bestuurder of een controleur wordt gepleegd. Het zou in mijn ogen zeer onwenselijk zijn als de verdachte van een dergelijk feit de volgende dag weer op hetzelfde tijdstip met dezelfde tram kan reizen. Naar mijn mening zijn dat sprekende voorbeelden. Ik ben dan ook van mening dat de categorie verdachten waarop het wetsvoorstel ziet in verband met de maatschappelijke onrust moet kunnen worden vastgehouden tot aan de snelrechtzitting met de waarborgen die daarvoor overigens in de wet zijn aangegeven. Het wetsvoorstel biedt die mogelijkheid, ook voor first offenders.

De heer De Wit (SP):

Ik heb een opmerking over het begrip "maatschappelijke onrust", zonder badinerend te willen zijn. Ik woon zelf in het zuiden van het land. Een tramconducteur of trammachinist wordt in elkaar geslagen. Dat is vreselijk, daarover bestaat geen misverstand. Ik denk echter dat er in Zuid-Limburg geen enkele maatschappelijke onrust ontstaat over het feit dat in Amsterdam dit vreselijke voorval heeft plaatsgevonden, omdat niemand de krant leest en het mogelijk ook niet op televisie komt. Het wordt niet eens bekend. Is er dan toch sprake van maatschappelijke onrust? Hoe breed moet dat zijn? Hoe meet de minister dat vervolgens?

Minister Opstelten:

Ik ben het niet eens met de heer De Wit. Een conducteur in elkaar slaan in een tram komt gelukkig niet zo vaak voor. Ik ken niet heel veel feiten daarover. Ik denk dat er wel maatschappelijke onrust zal zijn. Dat hoeft niet over het hele land te zijn. De beelden zijn en worden uitgezonden. Als er dan niet wordt ingegrepen langs een weg die verantwoord is in het kader van deze wet met nog veel meer waarborgen en nadat de rechter-commissaris heeft getoetst, is dat volgens mij een redelijk voorbeeld. Wij moeten het met elkaar aandurven om daar de jurisprudentie aan te gaan en de ervaringen te laten zien. De rechter-commissaris is de cruciale persoon die het moet beoordelen.

De heer De Wit (SP):

Ik vind maatschappelijke onrust een heel zware kwalificatie. Is het niet zo dat de minister hier bijvoorbeeld verontwaardiging of ophef verwart met maatschappelijke onrust? Mensen zien het in de krant en op televisie en spreken daar schande van en dat snap ik. Dat is heel duidelijk. Is er daardoor echter maatschappelijke onrust ontstaan?

Minister Opstelten:

Maatschappelijke onrust leidt ook tot maatschappelijke verontwaardiging en gevoelens van onveiligheid. Het zal niet worden geaccepteerd, ook in een rechtstatelijke situatie, als er niet terstond naar de mogelijkheden van de wet zorgvuldig en direct snel een justitiële actie plaatsvindt. Dat is alleszins voorstelbaar.

De heer De Wit refereert aan het voorbeeld in de nota naar aanleiding van het verslag over de man die in een café rondzwaaide met een barkruk, terwijl het café drukbezocht was. In het voorbeeld waren er vele omstanders in het café. In een publieke ruimte moet men zich veilig kunnen voelen en moet er opgetreden kunnen worden. Anders gaan wij de casuïstiek aan. Wij gaan het dan steeds zwaarder aanzetten, omdat het binnen deze wet valt. Ik vind dat soort situaties goede voorbeelden. Uiteindelijk zijn het de rechter-commissaris en het Openbaar Ministerie die een weging maken of het kan of niet.

De heer Recourt (PvdA):

Er bestaat in de wet al een criterium dat in de praktijk moeilijk hanteerbaar is en dat zeer vergelijkbaar is. Dat is de geschokte rechtsorde. De vraag is dan altijd wanneer die geschokt is. Nu is er in dit wetsvoorstel gekozen voor een ander wettelijk criterium dat iets dergelijks moet uitdrukken, namelijk die maatschappelijke onrust. Mijn eerste vraag is of de minister kan uitleggen wat het verschil is tussen die twee criteria. Mijn tweede vraag is of die maatschappelijke onrust alleen op het feit zelf ziet of ook op de omstandigheid dat iemand wordt vrijgelaten na het plegen van dat feit.

Minister Opstelten:

De maatschappelijke onrust is ingegeven door de situatie waarin zich het verdachte feit voordoet, als publieke ambtsdragers in de publieke ruimte het doelwit zijn van de agressie. Bij de vraag of er sprake is van de maatschappelijke onrust moet ook de situatie waarin het feit heeft plaatsgevonden worden betrokken. Er kan sprake zijn van grote verontwaardiging en gevoel van onveiligheid. In dergelijke situaties verwacht het publiek, de samenleving, dat direct een justitiële actie plaatsvindt. Ik denk dat dit het punt is. Als dat gebeurt, moet dat worden getoetst aan de feiten. Ik heb de vijf feiten genoemd. Ik denk dat dit een verruiming rechtvaardigt.

De heer Recourt (PvdA):

Uit het antwoord op mijn eerste vraag begrijp ik van de minister dat het begrip maatschappelijke onrust een stuk ruimer moet worden geïnterpreteerd dan het begrip geschokte rechtsorde. Begrijp ik dat goed? Mijn tweede vraag staat nog open.

Minister Opstelten:

Wat was de tweede vraag?

De heer Recourt (PvdA):

Mijn tweede vraag was waar die maatschappelijke onrust op ziet, op het feit of op het feit dat de overheid de persoon in kwestie in vrijheid stelt.

Minister Opstelten:

Die zit in de combinatie van het feit en het punt dat op dat feit een directe justitiële reactie wordt verwacht en geboden is.

De heer Van der Steur vroeg wat moet worden verstaan onder personen met een publieke taak. Hij vroeg dat nadrukkelijk. Personen met een publieke taak zijn personen die ten behoeve van het publiek en in het algemeen belang een hulp- of dienstverlenende taak vervullen. Het gaat om medewerkers van diverse organisaties in diverse sectoren die in dienst van of namens de overheid taken uitvoeren. Deze medewerkers kunnen zich minder dan een doorsneeburger onttrekken aan de situatie waarin zij slachtoffer van een misdrijf dreigen te worden. Daarnaast dienen zij hun taak onbelemmerd te kunnen vervullen. Ik denk dat dit een cruciaal punt is.

Ik zal de sectoren noemen die onder de publieke taak vallen. Onderwijs, bijvoorbeeld leerkrachten, rectoren, conrectoren en conciërges; ook ondersteunend onderwijspersoneel valt hieronder. Het openbaar bestuur, bijvoorbeeld politici, medewerkers van de gemeente, stadswachten, parkeerwachten, toezichthouders, belastinginspecteurs, belastingdeurwaarders en boswachters. Openbaar vervoer en infrastructuur, bijvoorbeeld buschauffeurs en trein- en tramconducteurs. De sociale zekerheid, bijvoorbeeld medewerkers van uitkeringsinstanties. Veiligheid en Justitie, bijvoorbeeld medewerkers van de politie, het Openbaar Ministerie, de brandweer, geneeskundige hulpverleningsorganisaties en de Dienst Justitiële Inrichtingen, arbeidsinspecteurs en private beveiligers als zij taken uitvoeren voor de overheid. Woningcorporaties, bijvoorbeeld baliemedewerkers en conciërges. Zorg, bijvoorbeeld ambulancepersoneel, ziekenhuispersoneel, ggz-medewerkers en medewerkers van Jeugdzorg. Dit is een scala van typeringen en beroepen.

De heer Van der Steur en mevrouw Helder vroegen welke consequenties het wetsvoorstel heeft voor de bewijsgaring binnen zeventien dagen. Het wetsvoorstel heeft betrekking op geweldsmisdrijven die extra gevaarzettend zijn voor de veiligheid van personen en goederen. Gedacht kan worden aan misdrijven die zijn begaan in het uitgaansleven of tijdens evenementen, waarbij dus meestal veel mensen op de been zijn. Het wetsvoorstel ziet echter ook op misdrijven die zijn gericht tegen bijvoorbeeld ambulancepersoneel of andere hulpverleners die in de uitoefening van hun taken met geweld of bedreiging te maken hebben. Door de gronden voor voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte, kan in die gevallen alsnog snelrecht worden toegepast, maar dan binnen zeventien dagen en vijftien uren. Het voordeel is dat er dan meer tijd is voor de bewijsgaring en voor de vergaring van andere informatie betreffende de verdachte en het slachtoffer, hetgeen het onderzoek ter terechtzitting ten goede komt. De heer Recourt heeft dit aangegeven als een duidelijk voordeel ten opzichte van de huidige situatie. Ik onderschrijf dat.

Het risico dat het onderzoek niet binnen zeventien dagen kan worden afgerond, kan ik niet op voorhand uitsluiten. Wel zal het onderzoek in het overgrote deel der zaken gereed zijn. Het gaat hier niet om zeer complexe zaken. De heer Van der Steur heeft gevraagd of ik ernaar streef om alle zaken binnen zeventien dagen af te doen. Het zou mooi zijn als dat zou kunnen, maar het is geen doelstelling als zodanig. Ik vind natuurlijk de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn aangegeven erg belangrijk. Overigens wil het kabinet in zijn algemeenheid, dus naast de praktijk van het snelrecht en het supersnelrecht, de afdoening van eenvoudige strafzaken zodanig versnellen dat twee derde binnen een maand eindigt met een strafbeschikking of een eindvonnis in eerste aanleg. Dat doen wij door meer in te zetten op snelle interventies en afdoeningen aan de voorkant van het proces. De heer Van der Steur kent de ZSM-werkwijze. Ook zaken die niet in aanmerking komen voor afdoening binnen zeventien dagen op een snelrechtzitting, zullen dan binnen een beperkte termijn op een zitting van de politierechter worden afgedaan.

De heer Recourt vroeg hoe een rechter-commissaris bepaalt of sprake is van maatschappelijke onrust. Wij hebben daar zojuist al over gesproken, maar ik wil daarover toch nog iets zeggen. Het is een belangrijk punt. Bij de beoordeling of al dan niet maatschappelijke onrust dreigt als de verdachte tot aan de snelrechtzitting op vrije voeten blijft, kunnen uiteraard alle omstandigheden van het geval worden betrokken. De aandacht die het strafbare feit in de sociale media krijgt, kan bij die beoordeling een rol spelen. Het spreekt voor zich dat berichten in de sociale media ook de gevoelens van de samenleving reflecteren. Kijk naar Haren. Door die berichten te betrekken bij de beoordeling van de vraag of tot voorlopige hechtenis kan worden bevolen, wordt niet ingespeeld op onderbuikgevoelens. Dat zeg ik met nadruk. Wel wordt daarmee ingespeeld op reële gevoelens van verontrusting en onveiligheid die burgers kunnen treffen en schokken. Overigens is hiermee niet gezegd dat de rechter-commissaris verplicht is de voorlopige hechtenis te bevelen als een strafbaar feit veel stof in de sociale media heeft doen opwaaien. Het is en blijft aan hem of haar om die afweging te maken en om aan te nemen dat de later oordelende rechter in de strafzaak een gevangenisstraf zal opleggen. Verder zal de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis niet bevelen of opheffen zodra blijkt dat de zaak zo complex is dat die niet binnen zeventien dagen aan de rechter kan worden voorgelegd. Ik zeg dat ook met nadruk. Al deze voorwaarden waarborgen een zorgvuldig proces.

De heer Recourt vroeg ook of de rechter-commissaris mogelijkheden heeft om af te zien van een bevel tot voorlopige hechtenis om te voorkomen dat iemand wellicht onterecht in hechtenis wordt genomen. De rechter-commissaris is nooit verplicht om voorlopige hechtenis te bevelen. Het is aan hem om de in het geding zijnde belangen af te wegen. Daarbij wordt hij op geen enkele manier belemmerd, zij het dat de rechter-commissaris de vordering tot bewaring moet beoordelen aan de hand van de voorgestelde wettelijke criteria, die alle woordvoerders hebben genoemd. Het wetsvoorstel behelst een aanvulling op het bestaande toetsingskader van de rechter-commissaris maar tast dat toetsingskader niet aan.

Ik kom bij het amendement-Recourt op stuk nr. 8. Ik heb met belangstelling kennisgenomen van dat amendement. Het strekt ertoe een evaluatiebepaling aan het wetsvoorstel toe te voegen op basis waarvan de minister van Veiligheid en Justitie vijf jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel beide Kamers informeert over de doeltreffendheid en de effecten ervan in de praktijk. Eerder had ik al toegezegd dat dit wetsvoorstel drie jaar na inwerkingtreding zou worden geëvalueerd en dat ten behoeve van die evaluatie zou worden bijgehouden hoeveel verdachten er op basis van de nieuwe grond in hechtenis worden genomen. Nu wordt voorgesteld om het wetsvoorstel na vijf jaar te evalueren. Gelet op de inhoud van het amendement zie ik geen aanleiding mij tegen deze voorgestelde evaluatiebepaling te verzetten, maar het is wel een verruiming van mijn eigen ambities.

De heer Recourt (PvdA):

Ik dank de minister dat hij mij hierop wijst. Ik heb die toezegging over het hoofd gezien. Maar nu de ambitie van de minister verder strekt, kondig ik een gewijzigd amendement aan waarin die vijf jaar in drie jaar wordt gewijzigd. Ik mag aannemen dat de minister daar ook geen bezwaar tegen heeft.

Minister Opstelten:

Daar zal ik zeker geen bezwaar tegen hebben, maar ik vond het wel eerlijk om het even tegen de heer Recourt te zeggen. Ik heb natuurlijk al mijn toezeggingen scherp in mijn hoofd zitten.

Mevrouw Berndsen en de heer De Wit vroegen wat de meerwaarde is van de voorgestelde grond van de voorlopige hechtenis. Het wetsvoorstel maakt mogelijk dat voorlopige hechtenis wordt toegepast voor een extra groep verdachten voor wie dat nu niet mogelijk is. Het gaat om verdachten van geweldsdelicten die in de publieke ruimte of tegen personen met een publieke taak worden gepleegd. Het zijn strafbare feiten die tot grote maatschappelijke onrust kunnen leiden en daarom met een snelle justitiële reactie moeten kunnen worden beantwoord. Volgens het geldend recht kan alleen voorlopige hechtenis worden gevorderd als er sprake is van vrees voor herhaling of van zeer ernstige feiten. Die vrees voor herhaling blijkt meestal uit een strafblad waaruit eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten blijken.

Als iemand niet eerder veroordeeld is, kan nu geen voorlopige hechtenis worden opgelegd. Bij verdenking van deze feiten moet naar mijn oordeel ook voorlopige hechtenis van first offenders mogelijk zijn. Wij hebben net een voorbeeld gehoord, maar te denken valt ook aan iemand die in een overvolle trein een coupé kort en klein slaat of een conducteur mishandelt. Als hij nog niet eerder veroordeeld is voor een vergelijkbaar feit, kan geen voorlopige hechtenis worden opgelegd omdat daarvoor geen grond aanwezig is. Hetzelfde geldt voor verdachten die voor een van de vijf in het voorstel genoemde misdrijven zijn veroordeeld, maar van wie de veroordeling nog niet onherroepelijk is en voor de gevallen waarin wel sprake is van een eerdere onherroepelijke veroordeling maar geen vrees voor recidive bestaat.

Mevrouw Berndsen, de heer Recourt en de heer De Wit vroegen of dit voorstel "EHRM-proof" is. Voorlopige hechtenis als zodanig is niet in strijd met de onschuldpresumptie. Dat blijkt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Wij hebben dit voorstel natuurlijk continu daarop getoetst. De voorgestelde uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis voldoet naar mijn stellige overtuiging aan de eisen van het EVRM. Ten aanzien van artikel 5 EVRM en artikel 15 Grondwet, het recht op vrijheid, geldt het volgende. Door de toepassing van voorlopige hechtenis wordt de verdachte zijn vrijheid ontnomen. Op grond van artikel 5 EVRM kan een verdachte van een strafbaar feit op de wijze bij wet voorzien in hechtenis worden genomen, mits de wet regelt dat hij onverwijld voor de rechter wordt geleid en binnen een redelijke termijn wordt berecht of hangende het proces in vrijheid wordt gesteld. Artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de voorlopige hechtenis wordt bevolen door de rechter-commissaris. Daarmee voldoet de wetgeving over de voorlopige hechtenis aan de belangrijke eis van artikel 5 EVRM dat de verdachte onverwijld voor de rechter moet worden geleid. De rechter beslist of de vrijheidsbeneming rechtmatig is.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt in zijn rechtspraak het belang van de onschuldpresumptie – artikel 6, lid 2 EVRM – en het recht op individuele vrijheid voorop. Een beperking van deze vrijheid is alleen mogelijk in zwaarwegende gevallen en indien dit bij wet is voorzien. Voor de beoordeling van de voorgestelde uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis is een aantal aspecten van belang dat tot uitdrukking komt in de rechtspraak van het EHRM: het bestaan van een verdenking, de grond voor de voorlopige hechtenis, de duur van de voorlopige hechtenis en de voortgang van het proces. Ik zal deze aspecten één voor één bespreken.

Ik begin met de eis van het bestaan van een verdenking. Wat betreft die eis is het van belang dat de vordering tot bewaring, waarmee de voorlopige hechtenis aanvangt, alleen kan worden toegewezen als ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan. Dat betekent dat er een ernstige verdenking moet bestaan dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

Wat de grond voor voorlopige hechtenis betreft, het volgende. Het EHRM onderscheidt verschillende gronden die voorlopige hechtenis kunnen rechtvaardigen. Het gaat om het risico dat verdachte niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn en het risico dat de verdachte, als hij wordt vrijgelaten, de rechtsgang zal belemmeren of opnieuw strafbare feiten zal plegen dan wel public disorder zal veroorzaken. De aanwezigheid van een grond moet in het concrete geval aan de hand van de omstandigheden van dat geval getoetst worden.

De toetsing hoeft minder diepgaand te zijn als de voorlopige hechtenis, zoals wordt voorgesteld, maar kort duurt. Het bestaan van een gegronde verdenking kan voldoende zijn voor een korte periode van voorlopige hechtenis. De grond voor voorlopige hechtenis is beperkt tot de toepassing van snelrecht. Bovendien moet het gaan om de verdenking van één van de vijf in het voorstel genoemde delicten waardoor zich gevaar voor personen of verstoring van het publieke leven kan voordoen en waardoor veel maatschappelijke onrust kan ontstaan. Deze grond valt daarmee onder de door het EHRM genoemde grond van "het gevaar voor public disorder". In de rechtspraak van het EHRM wordt onder public disorder ook begrepen "social disturbance", zie onder meer Letellier tegen Frankrijk en Kanzi tegen Nederland.

Tot slot besteed ik nog aandacht aan het recht van de verdachte op voldoende voorbereidingstijd; dat is natuurlijk ook cruciaal. Op grond van artikel 6, lid 3b van het EVRM moet de verdachte over voldoende tijd beschikken voor de voorbereiding van zijn verdediging. De voorgestelde grond voor voorlopige hechtenis ziet op de toepassing van snelrecht. De toepassing van snelrecht moet beperkt blijven tot relatief eenvoudige zaken vanuit bewijstechnisch oogpunt waarbij de verdachte en zijn raadsman tijdig de beschikking kunnen hebben over het volledige strafdossier. Daarom verwacht ik niet dat het wetsvoorstel in de weg staat aan het recht op voldoende voorbereidingstijd. Mocht de tijd te kort zijn, dan kan de verdachte op grond van artikel 372 van het Wetboek van Strafvordering op de terechtzitting in het belang van zijn verdediging om aanhouding van de zaak verzoeken. De rechter kan, als hij dat verzoek gegrond acht, het onderzoek voor bepaalde tijd, en desgeraden ook de voorlopige hechtenis, schorsen. Ik hechtte eraan om dit uitvoerig met de Kamer te bespreken.

Mevrouw Berndsen vreest dat op basis van het onderhavige wetsvoorstel nog meer onschuldige mensen worden vastgezet. Ik licht graag toe dat deze vrees naar mijn mening ongegrond is. De kans dat door dit wetsvoorstel meer voorlopige hechtenis wordt toegepast ten aanzien van verdachten die achteraf geheel onschuldig blijken te zijn, acht ik klein. Het gaat immers meestal om relatief duidelijke zaken waarin is waargenomen dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Niettemin kan ik niet uitsluiten dat verdachten bij een slagvaardige opsporing, ondanks alle zorgvuldigheid die wordt betracht, soms ten onrechte worden aangehouden.

Wel kent het Wetboek van Strafvordering strikte en duidelijke normen voor de toepassing van inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis. Na de aanhouding wordt telkens bezien of voortzetting van de vrijheidsbeneming nodig en mogelijk is. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis geldt dat de criteria waaronder de rechter-commissaris moet toetsen zijn neergelegd in 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering. Er moet zowel een geval als een grond voor voorlopige hechtenis zijn. Bovendien moet sprake zijn van ernstige bezwaren. Ook moet er op grond van artikel 67a, derde lid worden geanticipeerd op strafoplegging.

Zelfs als aan al deze voorwaarden is voldaan, is de rechter-commissaris nog niet verplicht de voorlopige hechtenis te bevelen. Er moet telkens een belangenafweging plaatsvinden over de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de verdachte. Het wetsvoorstel behelst een aanvulling op de al bestaande gronden. De criteria in het wetsvoorstel zijn zorgvuldig geformuleerd, omdat ook ik niet wil dat onschuldige mensen in hechtenis worden genomen. Dat zeg ik met nadruk ook tegen mevrouw Berndsen. Een van de voorwaarden van de voorgestelde grond is dat snelrecht moet kunnen worden toegepast. Dat moet alleen kunnen als het bewijstechnisch relatief eenvoudige zaken zijn.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik wilde nog reageren op datgene wat de minister heeft gezegd over het EVRM, maar ik geef ook nog even een reactie op het laatste punt, namelijk dat de minister niet wil dat er onschuldige burgers in de gevangenis zitten. Dat waren er vorig jaar 11.000, zeg ik dan toch maar even.

De doelstelling van deze wet is wel degelijk punitief voor de rechter uit, want het loopt voor de rechter uit met het preventief hechten. Je straft dus al iemand voordat een rechter überhaupt een afweging heeft kunnen maken. Dat is daarmee in strijd. De minister geeft er echter een andere uitleg aan. Wij merken wel hoe het uitpakt.

Minister Opstelten:

Ik kan daar heel kort over zijn. Ik hoopte zowel bij het een als bij het ander een poging te doen om ook de steun van D66 te krijgen voor dit wetsvoorstel. Daarom ben ik echt even diep gegaan om mevrouw Berndsen toch te overtuigen. Zij heeft immers gezegd dat het niet geheel kansloos was, maar dat het wel moeilijk zou zijn. Er zitten zo veel waarborgen in en de rechter toetst uiteindelijk. Het komt langs bij de rechter-commissaris. Ik zou tot een herhaling van zetten overgaan. Dat wilde ik maar niet doen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Het is een weging van hoe je het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wilt uitleggen. De minister hoeft mij niet te overtuigen. Ik hoop dat hij in staat is om het Europese Hof daarvan te overtuigen. Daar heb ik grote twijfels over.

Minister Opstelten:

Ik ga het zeker niet herhalen, maar ik ben hier juist uitgebreid en diep op ingegaan omdat mevrouw Berndsen de deur niet helemaal dicht deed en omdat dit voor mij natuurlijk een belangrijk punt is. Dat is continu de afweging, want wij willen absoluut dat dit wetsvoorstel EVRM-proof is. Het is aan alle kanten gecheckt en bekeken. Daarom heb ik de argumenten nog eens goed aangegeven.

Mevrouw Berndsen vroeg of er jaarlijks niet te veel schadevergoeding wegens onterechte voorlopige hechtenis wordt uitgekeerd. We beschikken alleen over de cijfers over de uitgekeerde totaalbedragen in het kader van de onrechtmatige detentie. In 2010 is ruim 10 miljoen euro uitgekeerd en in 2011 bijna 9 miljoen euro. Die bedragen omvatten dus meer dan alleen schadevergoeding als gevolg van onterechte voorlopige hechtenis. Het gaat bijvoorbeeld ook om gevallen waarin ten onrechte vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister noemt 2012 maar even niet, want daarin gaat het om 23,1 miljoen. Is de minister bereid om wanneer deze wet van kracht wordt – als zij van kracht wordt – in ieder geval een onderverdeling te maken in mensen die een schadevergoeding krijgen omdat zij onterecht in voorlopige hechtenis hebben gezeten en in de overige gevallen? Bij de evaluatie van deze wet kunnen we daar dan nadrukkelijk naar kijken.

Minister Opstelten:

Dat vind ik op zich een reële vraag. Als je evalueert, moet je natuurlijk de kans krijgen om goed te evalueren. Dat zullen we meenemen in de monitoring, die natuurlijk altijd plaatsvindt als je evalueert.

Mevrouw Berndsen vroeg met welke toename we rekening kunnen houden. Ik heb daar in het algemeen al iets over gezegd. De foutmarge is bij het hoge heterdaadgehalte klein en het maximale aantal te vergoeden dagen is ook laag. Dit wetsvoorstel ziet op bewijstechnisch eenvoudige zaken. De kans dat de rechter in die zaken tot een ander oordeel komt dan de rechter-commissaris die de voorlopige hechtenis heeft bevolen, acht ik klein.

Mevrouw Berndsen vroeg of voorlopige hechtenis tot aan de zitting bijdraagt aan snelle berechting. Ik stel voorop dat het voor snelle berechting niet altijd noodzakelijk is dat de verdachte tot aan de zitting in voorlopige hechtenis wordt gehouden. Dit wetsvoorstel ziet op een bepaald soort zaken waarvoor dat wel nodig is. Het gaat om vaak voorkomende overlastgevende misdrijven die het publieke leven verstoren en die gevoelens van onveiligheid veroorzaken. In die gevallen is een snelle justitiële reactie gewenst. Het zou onwenselijk zijn als de verdachten van de strafbare feiten waarop het wetsvoorstel ziet, zich na het gepleegde delict meteen weer op of bij de plek des onheils kunnen begeven. Daar voorziet het voorstel in.

De heer Oskam en mevrouw Berndsen vroegen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de voorgenomen bezuiniging op het gevangeniswezen en de sluiting van penitentiaire inrichtingen. In het masterplan is natuurlijk rekening gehouden met alle lopende wetsvoorstellen en de effecten daarvan voor de detentie. Dat is één. Deze vraag gaat ook uit van de veronderstelling dat het wetsvoorstel beoogt om in bepaalde zaken de strafeis in opwaartse zin te beïnvloeden. Ik zeg met nadruk: dat is niet het geval. In de zaken waarop dit wetsvoorstel ziet, zal niet vaker dan nu het geval is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden gevorderd. Er zal wel sneller op het gepleegde feit worden gereageerd.

Mevrouw Helder vroeg wat ik doe aan de zwaardere straffen bij agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. We hebben het geweld rond de oudejaarsviering vorige week ook uitvoerig besproken in het AO. Mevrouw Helder doelt op de 200% strafverhoging – dat is een driemaal zo hoge straf – die is voorgeschreven door het College van procureurs-generaal. Uit onderzoek is gebleken dat de zittende magistratuur 93% van de eisen van het OM volgt in die zaken. Er is alleen twijfel gerezen of de richtlijn van het College van procureurs-generaal in alle haarvaten van het OM, dus overal, wordt uitgevoerd. Het College van procureurs-generaal en ik zitten precies op dezelfde lijn: het moet gebeuren. Daarover kan geen twijfel bestaan. Het college heeft een onderzoek lopen en zal nog in de loop van dit jaar, in het najaar, komen met de uitkomsten van dat onderzoek en met zijn conclusies. Daar verwijs ik dus naar. De lijn is dat de richtlijn van het College van procureurs-generaal onverkort wordt uitgevoerd. Ik zal daarover vanuit mijn verantwoordelijkheid met het college over spreken en er mede voor zorg dragen dat het gebeurt. Ik heb geen enkele twijfel over het College van procureurs-generaal. Dat wil ook dat dit gebeurt.

Mevrouw Helder vroeg ook of ik elk jaar een overzicht kan sturen van het aantal gevallen waarin sprake is van geweld tegen publieke ambtsdragers. Laten we elkaar niet in de war brengen met allerlei verschillende publicaties. Wat ze vroeg, doen we al. Dat is het programma Veilige Publieke Taak. Ik verwijs naar wat ik samen met collega Plasterk uitbreng. Daar staat het allemaal in.

Mevrouw Berndsen vroeg of er een effectmeting gedaan is op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de samenleving hierdoor veiliger werd. Er zijn geen metingen of onderzoeken bekend waaruit blijkt dat de samenleving veiliger wordt of de criminaliteit daalt. Het gaat hier om een beperkte groep verdachten, die door hun handelen in het publieke domein echter voor grote maatschappelijke onrust zorgen. Dat is de rechtvaardiging voor dit wetsvoorstel.

Mevrouw Helder vroeg of door alle maatregelen minder werknemers met een publieke taak te maken hebben met agressie en geweld. Binnen het programma Veilige Publieke Taak is een nieuwe meting uitgevoerd naar het aantal werknemers met zo'n publieke taak dat slachtoffer is geweest van agressie en geweld. De cijfers zijn ten opzichte van 2007 significant gedaald: van 66% in 2007 naar 59% in 2011. Hiermee is de oorspronkelijke doelstelling van 51% echter niet gehaald. Ik ben dus niet tevreden. De maatregelen van het programma Veilige Publieke Taak 2011–2015 zijn gericht op een verdere reductie van de aantallen.

Over het amendement van mevrouw Helder zeg ik het volgende. Ik heb kennisgenomen van het amendement van mevrouw Helder. Voorgesteld wordt om de nieuwe voorlopigehechtenisgrond te laten gelden voor elk misdrijf. Dat zou er inderdaad toe leiden dat voorlopige hechtenis voor meer feiten kan worden toegepast. Ik heb juist gekozen voor een beperking omdat dit aansluit bij de situatie waarin de behoefte aan dit instrument zich het meest doet voelen en het instrument daardoor ook zijn rechtvaardiging vindt. Ik hecht eraan om dat nog een keer te benadrukken. Voor deze vijf misdrijven geldt dat ze, als ze worden gepleegd op een voor het publiek toegankelijke plaats of tegen een persoon met een publieke taak, over het algemeen leiden tot grote maatschappelijke onrust en risicovolle situaties. Zo zal openlijke geweldpleging vrijwel altijd leiden tot een verstoring van de openbare orde. Dat geldt ook voor brandstichting, mishandeling, bedreiging en grote vernielingen als die misdrijven zijn gepleegd in de openbare ruimte of tegen een persoon met een publieke taak. Het gaat om de combinatie van een verdenking van een van de vijf misdrijven en het plegen daarvan tegen een persoon met een publieke taak of op een voor het publiek toegankelijke plaats. Die combinatie leidt over het algemeen tot maatschappelijke onrust, risicovolle situaties en verontwaardiging. Als de beperking tot de vijf in het wetsvoorstel genoemde misdrijven wordt opgeheven, wordt de nieuwe voorlopigehechtenisgrond een algemeen instrument. Dat is niet de doelstelling van dit wetsvoorstel. De aanvullende grond ziet dan enkel op de toepassing van snelrecht, zonder dat de koppeling met de bijzondere context waarin het misdrijf wordt gepleegd nog van belang is, en zonder de waarborgen die daarbij gelden. Mevrouw Helder begrijpt uit mijn toelichting dat ik het amendement dien te ontraden.

Mevrouw Berndsen vraagt wat het wetsvoorstel betekent voor jeugdigen. Die moeten volgens haar naar school. De schorsingsmogelijkheden veranderen niet, ook niet bij minderjarige verdachten. Indien de verdachte minderjarig is, zal de rechter-commissaris ook bij de voorgestelde grond op grond van artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering nagaan of de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis kan worden geschorst.

Mevrouw Berndsen vraagt ook hoe het OM dit moet uitvoeren met een kwart minder budget. Het kwantitatieve effect van het wetsvoorstel zal beperkt zijn, zo zeg ik nogmaals. Over de bezuinigingen door de taakstelling van het Openbaar Ministerie heb ik net een brief geschreven waarin ik nog een keer aangeef dat het voor de komende jaren gaat om, uit mijn hoofd, 52 miljoen. Voor 2014 en 2015 is het OM vrijgesteld. Dat betekent dat die bezuiniging van 52 miljoen binnen de taakstelling heel geleidelijk zal worden verdeeld over drie jaar: 20 miljoen in 2016, 20 miljoen in 2017 en 12 miljoen in 2018. Ik heb daarover overeenstemming bereikt met het College van procureurs-generaal, dat overigens een groot voorstander is van dit wetsvoorstel, zodat het de prioriteiten en de taakstellingen die daarbij horen, kan uitvoeren.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dan wil ik de minister toch even wijzen op een praktijkvoorbeeld, vervat in een reactie van 14 juli 2011 van de Raad van Korpschefs. Toen werden al zorgen uitgesproken, omdat door de personeelskrapte bij het OM op dat moment al moeilijk kon worden gekomen tot effectuering van afspraken. En het is er natuurlijk niet beter op geworden. Ik vraag de minister dus nogmaals hoe hij denkt dat deze verzwaring van het takenpakket en de inspanningen van het OM kunnen plaatsvinden met een reductie van het budget.

Minister Opstelten:

Een reductie bagatelliseer ik niet. Sinds 2011 is het OM-budget ook jaren omhooggegaan. Nu is er een taakstelling voor 52 miljoen, misschien voor 53 of 54 miljoen, maar meer is het niet. Dat gaat heel geleidelijk. Het OM is voorstander van dit wetsontwerp en kan dit ook aan. Het gaat ook om niet al te veel zaken. Het is juist goed voor de effectiviteit en het optreden van het OM dat men als groot voorstander van het supersnelrecht en snelrecht op deze basis zijn werk kan doen.

De voorzitter:

Er komt nog een debat over de bezuinigingen bij het OM.

Minister Opstelten:

Dat wilde ik niet zeggen, maar u herinnert me eraan. Dat zal er inderdaad wel komen.

Dan kom ik op de stelling van de heer De Wit dat Nederland voorop loopt in de toepassing van voorlopige hechtenis. Ook vroeg hij waarom er niet meer alternatieve mogelijkheden zijn. Ik herinner me dat we het daarover hebben gehad. Allereerst wil ik graag het beeld dat Nederland koploper is in de toepassing van voorlopige hechtenis corrigeren en nuanceren. Voorlopige hechtenis is en blijft een ultimum remedium. Dat zeg ik nadrukkelijk in reactie op de heer De Wit. Nederland scoort betrekkelijk hoog in het aandeel van voorlopige hechtenis in de totale gedetineerdenpopulatie, maar deze score moet wel in zijn context worden gezien. Nederland kent in vergelijking met andere EU-lidstaten een gemiddeld gedetineerdenratio; dat is het aantal gedetineerden per 100.000 inwoners. Het is begrijpelijk dat waar minder, maar doorgaans wel veel korte onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd, zoals in Nederland het geval is, het aandeel van de voorlopige hechtenis groter zal zijn. Dat Nederland voorlopig voorop zou lopen wat betreft de toepassing van voorlopige hechtenis is naar mijn oordeel dus een deels vertekend beeld.

Alternatieven voor voorlopige hechtenis bestaan op dit moment in de voorwaarden die de rechter verbindt aan de opschorting of schorsing van voorlopige hechtenis. De rechter is vrij in de voorwaarden die hij daarbij stelt. Zo kunnen de voorwaarden vrijheidsbeperkend zijn, zoals een locatieverbod. Dat is in dit debat ook genoemd. Ook kunnen de voorwaarden een verplichting tot deelname aan zekere activiteiten of programma's inhouden. Maar er komt meer. Zo heb ik al eerder het voorstel aangekondigd inzake de aan de verdachte in het vooronderzoek op te leggen vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen. Dat voorstel maakt deel uit van het programma Versterking prestaties strafrechtketen, waarover ik vlak voor de zomer een brief naar de Kamer zal sturen. In overleg met de praktijk zal dit nog nader worden uitgewerkt.

Tot slot wijs ik op het implementatiewetsvoorstel dat ziet op de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis. Dit implementatiewetsvoorstel is inmiddels door de Eerste Kamer aanvaard en zal later dit jaar in werking treden.

Voorzitter, dat waren mijn antwoorden in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is behoefte aan een korte tweede termijn.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de nadere duiding van de drie cruciale begrippen: de voor het publiek toegankelijke plaats, de personen met een publieke taak en de maatschappelijke onrust. De heer De Wit vroeg hier ook naar. Natuurlijk zal het zo zijn dat die aspecten verder in de jurisprudentie worden uitgewerkt. Ik denk dat het heel goed is dat wij vanavond in het kader van de parlementaire geschiedenis van dit wetsvoorstel er met elkaar over gesproken hebben en op die manier ook richting hebben gegeven aan hoe het zou moeten worden uitgevoerd.

Door de opmerkingen van de minister en de nadere toezegging van de heer Recourt dat hij zijn amendement zal wijzigen, kan ik meedelen dat de VVD-fractie voor het aangepaste amendement zal stemmen. Ondanks het feit dat de VVD-fractie op zich positief staat tegenover het uitgangspunt van het amendement van mevrouw Helder, zijn de opmerkingen van de minister voor ons aanleiding op dit moment zo'n amendement nog niet te steunen. In de toekomst willen wij wel nadenken – met name nu ook na drie jaar al een evaluatie plaatsvindt – over de vraag of dit niet eigenlijk veel breder zou moeten gelden.

Het is jammer dat één partij na dit debat vandaag niet voor dit wetsvoorstel zal stemmen. Dat is de fractie van D66. Ik roep mevrouw Berndsen op, net als de minister dat heeft gedaan, ook alinea 2 nog eens te lezen van de bijlage die de politie ons heeft gestuurd. Een groot voordeel van de huidige supersnelrechtsituatie is dat de politie in het voorstel maximaal zeventien dagen de tijd heeft het eigen onderzoeksdossier op orde te brengen – bijvoorbeeld hoe en waar de dader geregistreerd staat – de immateriële schade van het slachtoffer te inventariseren ten behoeve van de voeging, een reclasseringsrapport aan te vragen en het veiligheidshuis te betrekken. Van al die punten heeft ook de D66-fractie meermalen laten merken dat zij die van belang vindt. Ik doe nogmaals dringend een beroep op collega Berndsen om de eensgezindheid over dit wetsvoorstel terug te brengen en voor het wetsvoorstel te stemmen, zoals dit door fracties van uiterst links tot uiterst rechts in deze Kamer zal gebeuren.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Laat ik vooropstellen dat de heer Van der Steur helemaal niet weet of D66 de enige partij is die niet voor dit wetsvoorstel zal stemmen, want er zijn vanavond maar zes partijen aanwezig en wij hebben er elf in deze Kamer.

Ik dank de minister voor zijn beantwoording en voor zijn inspanningen om mij ervan te overtuigen mijn fractie te adviseren wel voor dit wetsvoorstel te stemmen. Mijn fractie tempert nadrukkelijk de regelzucht van dit kabinet. Te vaak staan rechtsstatelijke beginselen op de tocht uit zucht naar veiligheid, hard optreden en strenger straffen en verliezen wij zorgvuldigheid uit het oog. Mijn fractie zit niet op nog een symboolwet te wachten, zeg ik dan toch maar. De minister heeft mij helaas niet kunnen overtuigen.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Ik was al op de hoogte van het onderzoek dat het College van procureurs-generaal laat uitvoeren. Ik heb mijn vraag echter niet voor niets gesteld. In het onderzoek van Tilburg University werd geconcludeerd dat er vaker lagere strafeisen worden gesteld dan de afgesproken verhoging met 200%. Maar goed, ik begrijp dat er nu een onderzoek loopt en dat de minister dat wil afwachten. Laten wij dat dan ook maar doen. Ik vertrouw erop dat de minister zegt dat er wel onverkort gehandhaafd moet worden. Laten wij dat onderzoek dus afwachten.

Ik heb nog een toelichting op het amendement. De VVD-fractie vroeg in de schriftelijke ronde ook of de gronden konden worden uitgebreid. Het is natuurlijk leuk dat de VVD-fractie door één zin van de minister overtuigd is, maar inmiddels is dat geen verrassing meer. Ik haak ter toelichting op mijn amendement aan bij het voorbeeld diefstal. Op 30 mei gebeurde in Maastricht het volgende, iets wat de heer De Wit misschien zal aanspreken. Toen ambulancebroeders bezig waren met hulpverlenen aan een slachtoffer, werd de ziekenwagen leeggeroofd. Niet alleen de kostbare apparatuur werd meegenomen, maar ook gevaarlijke medicijnen. Een ander voorbeeld komt uit een wijk waar veel ouderen wonen. In die wijk werden regelmatig de AED-apparaten gestolen die daar hingen om snel hulp te bieden ter voorkoming van ernstig lichamelijk letsel. Daarover ontstond enorme commotie. Het zijn misschien slechts weinig zaken, maar wel ernstige zaken. De PVV-fractie vindt het amendement dus nog steeds noodzakelijk.

De voorzitter:

Ook de heer De Wit heeft geen behoefte aan een tweede termijn en de minister kan direct antwoorden.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik kan heel kort zijn. Ik dank de leden der Kamer voor hun reacties in tweede termijn. Ik vind het jammer dat ik mevrouw Berndsen niet heb kunnen overtuigen. Ik zeg dit met nadruk. Ten eerste dacht ik dat voor haar en haar fractie de rechtsstatelijke beginselen heel belangrijk zijn en daardoor ook de waarborgen die in dit voorstel zijn opgenomen en de rechterlijke toetsing. Ten tweede dacht ik dat het een heel overtuigend betoog is aan de hand van de feiten en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit wetsvoorstel kan immers de toets van het EVRM doorstaan. Ik doe dus nog een keer een poging om mevrouw Berndsen over te halen, want het is nog een paar nachtjes slapen voordat er gestemd wordt, maar hier laat ik het dan bij.

Ik constateer dat mevrouw Helder en ik het niet met elkaar eens zijn. Ik hecht er zeer aan om vast te houden aan de criteria, de waarborgen, die wij in het wetsvoorstel hebben aangegeven. Daarom ontraad ik de aanneming van het amendement.

Ik dank u zeer, voorzitter.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de twee termijn.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over het wetsvoorstel en de ingediende amendementen zal volgende week dinsdag worden gestemd.

Sluiting 23.09 uur.