Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 35, item 29

29 Wet arbeid vreemdelingen

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met de implementatie van de Richtlijn nr. 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PbEU 2009 L 168) (32843).

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van den Besselaar (PVV):

Voorzitter. Het is vrij gemakkelijk voor werkgevers om vreemdelingen of derdelanders voor arbeid naar Nederland te halen. De werkgever meldt ten minste twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden de vreemdeling schriftelijk bij het UWV en na overlegging van verklaring en bewijsstukken kan de vreemdeling aan de slag. Zo zou het moeten gaan met de meldingsplicht.

De PVV steunt overigens de praktijk om vreemdelingen voor arbeid naar Nederland te halen niet. Er zijn voldoende laaggeschoolde mensen die dit werk zouden kunnen doen. Het meeste aangeboden werk is laaggeschoold. In dit geval gaat het er om dat werkgevers zich vaak niet houden aan de meldingsplicht. Er worden vreemdelingen naar Nederland gehaald die vervolgens niet schriftelijk worden aangemeld of, zelfs nog erger, de werkgever laat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen arbeid verrichten. Daarnaast bemoeit de werkgever zich helemaal niet met de terugkeer van deze vreemdeling naar het land van herkomst.

De notificatieplicht kan mogelijk een negatief effect hebben wat betreft de vervanging tijdens ziekte. Omdat de notificatieplicht vereist dat twee werkdagen voor aanvang van het werk wordt gemeld, kan er een probleem zijn wanneer bij ziekte vervangen moet worden. Buiten het feit dat een griepje zich niet twee dagen van tevoren aankondigt, geeft het wellicht praktische problemen. De dagbladsector heeft daarop gewezen. Ongeveer 10% van onze dagbladbezorgers zijn zogenaamde derdelanders. De krant willen wij tenslotte toch op tijd op de deurmat hebben liggen. De tweedageneis lijkt hier niet goed uitvoerbaar. Mijn vraag aan de minister is dan ook hoe hij hiervoor tot een passende oplossing kan komen, zonder dat illegaal verblijf in Nederland daardoor toeneemt.

Illegaal verblijf moet hard en effectief aangepakt worden. De wetswijziging stelt voor dat een werkgever die een vreemdeling arbeid in Nederland laat verrichten waarvoor geen tewerkstellingsvergunning nodig is, verplicht wordt dit te melden. Niet voldoen aan deze verplichting leidt tot boete. De minister zal beleidsregels stellen omtrent de hoogte van de boete. Kan de minister zeggen hoe hoog deze boete ten minste zal zijn? De indruk bestaat dat lage boetes in dit soort situaties niet echt afschrikken.

Dan is er nog een onduidelijkheid. Op welke wijze kunnen de terugkeerkosten van de illegaal te werk gestelde onderdaan van een derde land worden verhaald? Werkgevers kijken immers niet naar de gevolgen van het naar Nederland halen van vreemdelingen. De kans dat deze vreemdelingen niet meer terugkeren naar het land van herkomst en vervolgens illegaal in Nederland verblijven is groot. In de Wet arbeid vreemdelingen kan, let wel "kan", een bestuurlijke boete worden opgelegd waarin de terugkeerkosten zijn verdisconteerd. Hiermee kom ik bij mijn belangrijkste punt. De PVV is tegen deze kan-bepaling. Die is te vrijblijvend. De minister zou ons zeer tegemoetkomen door de kan-bepaling te vervangen door een moet-bepaling met een hardheidsclausule. Uitzettingskosten verdisconteren in boetes treft namelijk de werkgever niet echt. Beter is een boete én het verhalen van de uitzettingskosten op de werkgever. Werkgevers zullen zich wel drie keer achter hun oor krabben eer zij een vreemdeling voor arbeid naar Nederland halen of een eventuele illegaal hier aan het werk zetten als zij voor 100% zeker weten de uitzettingskosten te moeten betalen als zij gepakt worden. Dat laatste geeft naar mijn mening een veel betere afschrikwekkende werking dan kan worden bewerkstelligd met de kan-bepaling zoals die er nu staat.

De heer Azmani (VVD):

Voorzitter. Ik kan mijn bijdrage over dit wetsvoorstel kort houden. Het gaat om implementatie van de richtlijn die het tegengaan beoogt van illegale tewerkstelling en illegale immigratie. Dat is een goede zaak. Ik constateer echter dat de Nederlandse wetgeving nagenoeg voldoet aan de richtlijn. Immers, op twee punten is dat niet het geval: de notificatieplicht en de ketenaansprakelijkheid.

In de schriftelijke ronde heb ik namens de VVD een aantal vragen gesteld over de nieuwe notificatieplicht. Deze moet niet leiden tot extra lasten. Ik bedoel daarmee te zeggen dat het niet bovenop andere kennisgevingsprogramma's moet komen, zoals het aanvragen van tewerkstellingsvergunningen of aangifte doen bij de Belastingdienst. Ik wil van de minister nogmaals de bevestiging horen dat dit niet het geval is, dat het slechts in uitzonderingssituaties van toepassing is en dat het oogmerk is om administratieve lasten voor werkgevers zo min mogelijk op te leggen. Kan de minister dit allemaal nogmaals bevestigen?

In de nota naar aanleiding van het verslag wordt een voorbeeld genoemd van zo'n uitzonderingssituatie, namelijk bij grensoverschrijdende dienstverlening waarbij tijdelijke arbeid in Nederland wordt verricht door een derdelander die in dienst is van een in de EU gevestigde onderneming. Dit is dus een bijzonder specifiek geval. Ik ben ook benaderd door de dagbladsector. Op dit moment zijn er zo'n 35.000 dagbladbezorgers in Nederland. 10% daarvan bestaat uit derdelanders die wel beschikken over een verblijfsvergunning met de aantekening: arbeid is vrij toegestaan. Voor hen is geen tewerkstellingsvergunning vereist. De vraag is dan ook of dit een uitzonderingssituatie is. Is er een notificatieplicht? Zo ja, welke gevolgen heeft die voor de sector? Ik krijg van de minister graag een antwoord op deze vragen.

Tot slot het verzoek van de PVV over de terugkeerkosten. Ik heb begrepen dat de heer Van den Besselaar die gesplitst wil zien. Ik heb daar geen moeite mee, tenzij dit leidt tot extra lasten. Dan is het de vraag wat het oogmerk daarvan is.

Dan nog de opmerkingen over de kan- of moet-bepaling. Hoofdregel moet zijn dat terugkeerkosten worden verhaald op de werkgever. Ik kan me echter ook voorstellen dat er situaties zijn waarin je dat in alle redelijkheid niet kunt verwachten. Ik krijg daarop ook graag een reactie van de minister.

Minister Kamp:

Mevrouw de voorzitter. Wij spreken vandaag over een interessante richtlijn, de richtlijn Illegale tewerkstelling. Die is voor Nederland weliswaar interessant, maar de richtlijn leidt niet tot grote wijzigingen omdat wij al de Wet arbeid vreemdelingen hebben, waarin wordt geregeld wanneer mensen uit het buitenland hier werk mogen verrichten. De wet regelt op een gedegen manier alles wat hier speelt. Dit betekent dat wij nauwelijks iets moeten doen voor de implementatie van die Europese richtlijn. Slechts enkele puntjes behoeven nog wijziging.

Een van die puntjes is het feit dat een werkgever moet melden dat hij mensen uit het buitenland haalt. De heer Van den Besselaar zal begrijpen dat alles blijft gelden wat wij hebben geregeld in de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk dat je alleen maar mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland mag halen als je daarvoor een tewerkstellingsvergunning hebt. Er verandert niets. Daarbovenop komt nu dat er ook nog een melding moet worden gedaan. Wij willen die melding invoeren en wij moeten dat ook doen, want dit is een richtlijn. Zoals de heer Azmani al zei, is het echter onze bedoeling om die extra melding – die naar onze mening materieel geen betekenis heeft – zo veel mogelijk langs de normale procedures te laten verlopen. Werkgevers doen dus allerlei aangiften bij de overheid: ze moeten hier een formulier invullen en daar een aangifte doen. Wij proberen de dingen die ze nu al doen zodanig uit te leggen dat daarmee ook aan deze meldingsplicht is voldaan. We doen dat zo veel mogelijk. Als dat lukt, hebben we geen of nauwelijks extra administratieve lasten voor de werkgevers.

Ik kom bij de boetes. De heer Van den Besselaar vroeg mij naar een specifieke boete. Op het geval dat hij noemde, heb ik niet meteen een antwoord. Ik zal bekijken wat in dit geval speelt en of het nodig is om daarover met de Kamer in overleg te treden. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal ik de Kamer melden wat er in dit geval aan de hand is en waarom wij inschatten dat deze boete op dit punt voldoende is.

De heer Van den Besselaar (PVV):

Het ging mij niet om een specifiek geval, maar over de boetes in het algemeen. Welke boetes worden opgelegd in gevallen waarin men de notificatieplicht overtreedt? Welke boetes worden opgelegd als men wel mensen te werk heeft gesteld, maar niet aan de voorwaarden voldoet?

Minister Kamp:

Ik heb de vraag goed begrepen en ik zal die meteen beantwoorden. De heer Van Besselaar zegt het volgende. Als iemand die hier niet mag zijn – voor wie dus geen tewerkstellingsvergunning is verleend – aangetroffen wordt in een bedrijf, zou je die kosten eigenlijk moeten verhalen op de werkgevers. Die persoon moet het land uit en daarvoor moeten kosten worden gemaakt. Die kosten zouden op de werkgever verhaald moeten worden.

Oorspronkelijk hadden wij in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen geregeld dat als de werkgever een particulier was, de boete maximaal € 4000 zou zijn. Als de werkgever een rechtspersoon was, zou de boete maximaal € 8000 zijn. Wij hebben deze boetes zeer drastisch verhoogd. De eerste keer krijg je in alle gevallen een boete van € 12.000 per vreemdeling die je zonder vergunning te werk hebt gesteld. Doe je het een tweede keer, dan wordt de boete verhoogd naar € 24.000. Bovendien wordt er dan een dwangsom opgelegd die de volgende keer kan worden geïnd. Bij die volgende keer wordt die dwangsom geïnd. Bovendien betaal je per aangetroffen vreemdeling een boete van € 36.000. Ik kan u verzekeren dat dit uiterst onaantrekkelijk is voor werkgevers, nog afgezien van het feit dat wij het bij herhaalde overtredingen mogelijk maken dat het bedrijf helemaal gesloten wordt. Ik denk dus dat wij hiermee zeer hard en effectief optreden tegen overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen.

De uitzetkosten die gemaakt worden, vallen daarbij eigenlijk in het niet; die verliezen aan betekenis. Dat neemt niet weg dat bij de wijzigingen van wet- en regelgeving in het kader van modern migratiebeleid er ook een vereenvoudiging komt om deze uitzettingskosten toch te kunnen verhalen, bovenop de boete, op de betrokken werkgevers. Daarvoor is geen tussenkomst van de rechter meer nodig. Het kan rechtstreeks gebeuren. Ik denk dat het goed is om dat als een kan-bepaling te formuleren, anders dan voorgesteld wordt door de heer Van de Besselaar. Als je een en ander met een kan-bepaling formuleert, sluit dat aan bij de hele systematiek die wij in onze Vreemdelingenwet hebben. Ik ben van plan om deze kan-bepaling echter alleen te gebruiken voor uitzonderlijke gevallen. Het uitgangspunt is dat de werkgever een hoge boete betaalt. Bovendien verhalen wij de uitzetkosten op deze werkgever, hoewel deze kosten, zoals ik al zei, vergeleken met de hoogte van de boete enigszins wegvallen. Desondanks verhalen wij ze op de werkgever.

Er zijn echter uitzonderlijke situaties denkbaar, bijvoorbeeld een werkgever die een fout heeft gemaakt, dit inziet, de boete betaalt en optimaal meewerkt aan uitzetting. Desondanks worden hier toch kosten voor gemaakt. In dat geval kunnen wij ons erin vinden dat vanwege het feit dat de werkgever meewerkt en een hoge boete heeft betaald, er een bijzondere, uitzonderlijke reden kan zijn om in dat geval af te zien van het verhalen van de kosten. Ik denk dat wij ons die mogelijkheid moeten voorbehouden. Het moet echter wel een uitzondering zijn, daarom denk ik dat het verstandig is om de uitvoeringsregels, in dit geval de vreemdelingencirculaire, scherper te formuleren, opdat het verhalen van kosten op de werkgever inderdaad regel wordt en geen uitzondering. Ik zal met mijn collega voor Immigratie en Asiel bespreken hoe wij dit kunnen doen, ook in de geest van hetgeen door de heer Van den Besselaar naar voren is gebracht.

De heer Van den Besselaar (PVV):

Als je die uitzonderingsgevallen gaat beschrijven, wordt het min of meer een limitatieve opsomming.

Minister Kamp:

Ja, ik kan het niet helemaal overzien. De heer Van den Besselaar vroeg om een moet-bepaling met een hardheidsclausule. Ik zeg: wij maken een kan-bepaling, maar van dat "kan" maken wij slechts bij uitzondering geen gebruik. De gevallen waarin wij er geen gebruik van maken, zullen wij goed beschrijven in de vreemdelingencirculaire. Ten aanzien van de vraag hoe ik dat precies doe, met een positieve of een negatieve lijst of met een andere indicatie, vraag ik de heer Van den Besselaar om het even aan mij over te laten om te kijken hoe ik dat het beste kan doen. Ik moet hierover nog overleg voeren met mijn collega voor Immigratie en Asiel. Ik wens dit overleg te voeren in de geest van wat door de heer Van den Besselaar net naar voren is gebracht.

Ik hoop dat ik ook naar tevredenheid van de heer Azmani heb geantwoord. Ik ben vast van plan om de extra administratieve lasten voor de werkgevers als gevolg van deze Europese richtlijn, die eigenlijk geen meerwaarde heeft omdat wij onze Wet arbeid vreemdelingen al goed voor elkaar hebben, maximaal te beperken. Ik hoop dat ik de heer Azmani hiermee tevreden heb kunnen stellen.

De heer Van den Besselaar (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord. Zeker op een aantal punten heeft hij helderheid gecreëerd. Ik verwachtte namelijk dat de boetes wat te laag zouden zijn. Op één punt is de minister nog niet ingegaan. Dit betreft de dagbladbezorgers.

Ik wil de minister verder de ruimte en de rust gunnen om naar de uitzonderingsgevallen te kijken. Ik neem aan dat de brief van de minister daarover in een later stadium naar de Kamer komt.

Minister Kamp:

Voorzitter. Ik verontschuldig mij bij beide woordvoerders die het punt van de dagbladbezorgers naar voren hebben gebracht, terwijl ik daar niet op heb gereageerd. Ik begrijp goed wat beide woordvoerders hebben gezegd. Ik ben daarover in overleg met de vertegenwoordigers van de dagbladpers. Ik zal bekijken hoe wij kunnen voorkomen dat deze richtlijn tot extra administratieve lasten leidt. Ik ben dus van plan om samen met de vertegenwoordigers van de dagbladpers daarvoor een praktische oplossing te vinden.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Volgende week dinsdag zullen we stemmen over het wetsvoorstel.

De vergadering wordt van 16.26 uur tot 16.35 uur geschorst.

Voorzitter: Bosma