Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 18, pagina 1407-1434

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (31930).

(Zie vergadering van 28 oktober 2009.)

De voorzitter:

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van staatssecretaris De Jager op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)2

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Velen hebben mij de afgelopen maanden gezegd: wat haal je toch overhoop door de Successiewet te gaan aanpakken. Je bent de eerste staatssecretaris in vele jaren die deze wet durft aan te pakken, de eerste in 150 jaar die de tarieven zo sterk verlaagt en ook de eerste in ruim 10 jaar, die na de Trustarresten van de Hoge Raad, de trusts en de afgezonderde particuliere vermogens durft aan te pakken en onder de belastingheffing te brengen. Zelfs bij de Wet IB 2001, na de beroemde Trustarresten van 1998, is dat niet gebeurd.

Ik heb ook geweten waar ik aan ben begonnen. Want wat een gedoe is over mij heen gestort. Als je aan fiscale speeltjes komt en fiscale constructies gaat aanpakken, dan tref je niet alleen de mensen die van die constructies profiteren, maar ook degenen die de adviezen daarover geven. In de vele gesprekken die ik heb gevoerd, onder andere met de Coördinatiegroep Constructiebestrijding van de Belastingdienst en de FIOD, is mij ook het belang daarvan gebleken. Bij sommige van die constructies zie ik namelijk facturen bij de Belastingdienst langskomen van wel $800.000 per advies. Dan hebben wij het over groot geld en voor dat grote geld ontwikkelen wij hier een aanpak.

Er is erg veel weerstand geweest en tegenstand geboden. In de hoorzitting hebben velen, al dan niet onder het etiket van hoogleraar, maar vaak toch ook van adviseur, de Kamer gezegd wat voor kritiek zij hadden. Wij zijn daar schriftelijk in verschillende rondes op teruggekomen. De Tweede Kamer heeft ook om advies van de parlementair advocaat gevraagd. Twee weken geleden hebben wij een wetgevingsoverleg gehad en ook daarin heb ik stilgestaan bij de problemen. Straks zal ik nog wat uitgebreider ingaan op de regeling om de afgezonderde particuliere vermogens aan te pakken. Nogmaals: dat is geen gemakkelijk proces gebleken.

Wij hebben heel veel schriftelijke stukken gehad rond het onderwerp. Bij dezen dank ik de Tweede Kamerleden, de griffie en de medewerkers van de Tweede Kamer en de fracties voor de enorme hoeveelheid werk die ook zij hebben moeten verzetten. Natuurlijk dank ik ook mijn eigen ambtenaren die weer op alle stukken moesten reageren. Het is een enorme hoeveelheid informatie geworden. Die betreft ook vaak ingewikkelde fiscale materie.

Het is heel complex. Als je dan al die adviseurs hoort die zich afvragen of het allemaal wel kan, of er geen grote problemen komen en of ik niet ergens een gat sla, dan moeten wij goede antwoorden hebben. Die hebben wij ook gegeven, onder andere door de technische briefing. De Tweede Kamer heeft daarna nog een advies van de parlementair advocaat gekregen. Daar kom ik straks ook nog op terug.

Ook deze week is er nog een brief geweest van mijn kant naar aanleiding van punten die waren opgebracht door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. In die brief is de uitkomst neergelegd van een overleg met de KNB waarin de laatste door hen aangedragen onderwerpen zijn besproken. Ik was eerlijk gezegd dan ook blij met de laatste brief van de KNB, want die was sterk geslonken ten opzichte van eerdere brieven. Kennelijk hebben al die voorgaande overleggen en schriftelijke rondes hun vruchten afgeworpen.

Vandaag hebben wij nog een aantal technische vragen te behandelen die gisteren zijn gesteld. Het is soms met een technische wet als deze bijzonder ingewikkeld om een onderscheid te maken tussen politieke vragen en technische vragen. Wij hebben nagenoeg alle vragen schriftelijk beantwoord. Daarnaast is er apart een reactie gestuurd op de aanvullend ingediende amendementen. Dit hebben wij gedaan om zo informatief mogelijk te zijn. Vandaag is het 29 oktober en het wetsvoorstel is ingediend op 20 april van dit jaar. Wij hebben dus een zeer uitgebreid traject achter de rug. Ik denk dat het goed is dat wij een wetsvoorstel met bijzonder ingewikkelde materie zorgvuldig en langdurig hebben behandeld. Ik zeg dan ook tegen de heer Remkes: de lekkende daken en de scheuren zijn gerepareerd met een grondige renovatie. Het is geen nieuwbouw geworden, wat oorspronkelijk misschien nog de bedoeling was, maar het huis is lekdicht, steviger en in mijn ogen ook mooier vanwege de tariefstructuur, de aanpassingen in de BOR die gunstig zijn voor reële bedrijven en voor constructies minder gunstig.

De heer Remkes (VVD):

Ik wil die conclusie pas over drie jaar trekken als dat inderdaad zo blijkt te zijn.

Staatssecretaris De Jager:

Ik begrijp heel goed dat de heer Remkes dit vanuit de oppositie zo stelt. Ik begrijp ook heel goed dat hij bij een dergelijk ingewikkeld voorstel het resultaat wil afwachten. Ik ben die overtuiging toegedaan, maar ik laat het uiteraard vrij aan de heer Remkes om dat te bekijken. Wij spreken elkaar over drie jaar, waarschijnlijk in een andere setting. Dan kunnen wij de voor- en nadelen goed op een rijtje zetten.

Het voorstel lost de belofte in van stroomlijning van het tariefgebouw. Er zijn minder tariefgroepen en veel minder schijven. Er komt een verlaging van de hoogste tarieven voor verwanten terwijl ook de partners en kinderen er in lichte mate op vooruitgaan. De opzet van de bedrijfsopvolging wordt eenvoudiger, waardoor de uitvoering makkelijker wordt. De verhoging van de vrijstelling is toegespitst op het reële bedrijfsvermogen en niet op het beleggingsvermogen. Door de introductie van de SBBI wordt de vrijstelling van schenk- en erfbelasting voor niet-commerciële dorpshuizen en sportverenigingen omgezet in een regeling met een veel bredere strekking, namelijk voor alle instellingen die van sociaal belang zijn. Alle ANBI's wordt de voorwaarde opgelegd dat zij nagenoeg uitsluitend het algemeen nut dienen in plaats van het moeilijk controleerbare en dus niet te handhaven criterium van slechts 50% algemeen nut. Het partnerbegrip wordt vereenvoudigd, vooruitlopend op de introductie van een mogelijk uniform basispartnerbegrip. Ik heb van de Kamer goed begrepen dat het taaie materie is om te komen tot een uniform basispartnerbegrip voor meerdere fiscale wetten met ingang van 1 januari 2011. Wij zullen als ministerie natuurlijk ons voordeel doen met de discussie die hier al is gevoerd. Het zal beslist nog lastig zijn om tot een uniform basispartnerbegrip te komen waarover iedereen in de Kamer het eens is.

Last but not least de aanpak van ongewenste methoden. Ik noemde al het ontwijken van belasting via APV's en via keuzetestamenten. Dit alles is in zijn geheel verpakt in een wet waarbij de plussen en de minnen elkaar wat betreft budgetneutraliteit in evenwicht houden. Voor de gewone burger is dit heel positief nieuws, want die gaat er gewoon op vooruit.

Ik kom nu toe aan de beantwoording. Ik doe dat in een aantal blokjes per thema, niet per vragensteller, maar per onderwerp. Het eerste onderwerp is de APV.

De heer Remkes (VVD):

De gewone burger gaat erop vooruit. Als dat over de brede linie zo zou zijn, zou gejuich uit liberale hoek de staatssecretaris ten deel vallen. Dat is echter een groot misverstand. Zou de staatssecretaris in dit verband kunnen ingaan op de schenkingen waarvan het tarief verdubbeld wordt?

Staatssecretaris De Jager:

Wij hebben duidelijk aangegeven met grafieken hoe de burger er voor staat. De burger is in die erfbelasting beter af. Ik heb de VVD vaak uitgenodigd om die verlaging van de tarieven om te zetten. In mijn voorstel gebeurt dat nu. Wat schenkingen betreft, is het heel eenvoudig. Die trekken we gewoon samen met de successie. Je moet niet altijd naar het micro-effect kijken, maar naar het totaalplaatje. Misschien dat ik de heer Remkes daarmee kan overtuigen. Als je kijkt naar het totaalplaatje, naar hoe het verdeeld is onder burgers en hoe dat vervolgens weer wordt teruggefinancierd, dan vindt de grootste financiering van deze wetswijziging plaats in die afgezonderde particuliere vermogens. Daar komt het grootste deel van het geld vandaan. Per saldo heeft de normale burger inderdaad – dat weet de heer Remkes ook – geen trust op de Bermuda-eilanden staan met een paar miljard. De gewone burger gaat er absoluut op vooruit.

Dan de APV's.

De heer Bashir (SP):

Voorzitter. Aansluitend daarop wil ik de staatssecretaris vragen wie er relatief gezien het meest op vooruit gaat. Zijn dat mensen met kleine erfenissen of zijn dat mensen met heel grote erfenissen?

Staatssecretaris De Jager:

De heel grote erfenissen gaan nu successiebelasting betalen, waar zij dat in het verleden in veel situaties nog niet deden, omdat het geld in trusts was ondergebracht. De heel grote erfenissen gaan er het meest op achteruit. Wie gaat er het meest op vooruit? Dat moet mevrouw Koşer Kaya aanspreken: dat zijn derden. Zij gaan er inderdaad meer op vooruit dan kinderen, maar ook kinderen gaan erop vooruit. Derdenverkrijgers, dus de goede vriend of het neefje en nichtje dat je ook een erfenis gunt, gaan er zelfs nog wat meer op vooruit dan kinderen. Tot nu toe was er verschil tussen de heel goede vriend en bijvoorbeeld een kleinkind. Die goede vriend betaalde veel meer dan het kleinkind. Dat wordt nu anders en daarachter zit heel duidelijk de maatschappelijke gedachte dat die groep er het meest op vooruit mag gaan. Die derden, waaronder ook neven en nichten, gaan er dus het meest op vooruit. Dat tarief gaat van 68% naar 40%.

De heer Bashir (SP):

Wij hebben het inderdaad niet over mensen met een trust in belastingparadijzen. Ik ben het helemaal eens met de staatssecretaris dat wij ook hen voortaan moeten gaan belasten. Wij komen tot de conclusie, en daar zei de staatssecretaris het net mee eens te zijn, dat mensen met grotere erfenissen er relatief gezien meer op vooruitgaan dan mensen die een kleine erfenis krijgen.

Staatssecretaris De Jager:

Nee.

De heer Bashir (SP):

U zei het net zelf.

Staatssecretaris De Jager:

Nee, voorzitter. Ik zei net dat de heel grote erfenissen er nu op achteruit gaan, omdat zij geld gaan betalen. Om mijn antwoord helemaal aan te vullen en om daarmee ook de gedachte van de heer Bashir af te maken: de kleine erfenissen worden in mijn voorstel zelfs helemaal uitgezonderd, want die betalen helemaal niets maar. De vrijstelling verdubbelt immers nagenoeg. Kleine erfenissen gaan er verschrikkelijk op vooruit en heel grote erfenissen gaan erop achteruit, want die gaan nu ook betalen. Derdenverkrijgers gaan er inderdaad op vooruit. Het is heel makkelijk. De heer Bashir kan wel zeggen: als u dit niet had gedaan en als u dat niet had gedaan, als u het tarief niet had verlaagd of de vrijstelling niet had verhoogd, dan was dit of dat gebeurt. Ja, maar dat is niet het geval. Ik heb een integraal wetsvoorstel neergelegd en nu gaan trusts betalen en bijvoorbeeld de vrijstelling voor kinderen gaat fors omhoog.

De voorzitter:

Mijnheer Bashir, voor de laatste keer.

De heer Bashir (SP):

Voorzitter. Ik ben medewetgever als parlementariër, dus ook mijn amendementen zijn betrokken bij dit wetsvoorstel. Ik wil van de staatssecretaris weten of mensen met een kleine erfenis er beter uit komen te zien als mijn amendement wordt aangenomen dat vrijstelling eist voor 60.000, of onder zijn wetsvoorstel. Heel kort.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Het is interessant dat het nog wel eens verschilt als de SP het over lage inkomens heeft of over kleine erfenissen. Bij inkomen legt de SP de grens op 30.000 of 45.000, afhankelijk van de wet, en bij kleine erfenissen kennelijk bij 60.000 per kind. Dan gaat het dus om een erfenis van 180.000 als er drie kinderen zijn. Ik vind het heel ingewikkeld om iedere keer weer die grens te leggen. Ik wijs er nadrukkelijk op dat het een voetvrijstelling is en niet een afbouwende vrijstelling of een drempelvrijstelling. Het is een voetvrijstelling van 90.000, die nog eens een extra Benthamse progressie invoert. Door die vrijstelling gaan in mijn voorstel ook erfenissen van 60.000 erop vooruit. Ik heb al schriftelijk gereageerd op de amendementen, maar om die reden vind ik dus het amendement van de heer Bashir helemaal niet nodig. Ik ontraad dan ook de aanneming ervan. Dat heb ik schriftelijk al gedaan, maar ik wil het best nog een paar keer doen.

De voorzitter:

Mevrouw Koşer Kaya staat nog te popelen om u een vraag te stellen, staatssecretaris.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik wil mijn vraag best even bewaren totdat de staatssecretaris bij de alleenstaanden komt. Hij triggerde mij net. Hij lokte een reactie van mij uit door te zeggen dat de alleenstaanden – mijn amendement gaat over alleenstaanden – nu in een veel lagere tariefgroep vallen dan vroeger. Het feit is echter nog steeds dat een derde, een geliefde van een alleenstaande, drie keer zo veel moet betalen als een ouder, partner of kind. Dat staat toch echt in de stukken van de staatssecretaris.

Staatssecretaris De Jager:

Mevrouw Koşer Kaya maakt de zaak onnodig ingewikkeld door verschillende dingen met elkaar te vergelijken. Ik hoop dat zij doelt op wat mijn voorstel verbetert aan de huidige situatie. Zij moet het er toch mee eens zijn dat die geliefde, die derde die kennelijk niet samenwoont met de erflater, er fors op vooruitgaat in mijn voorstellen. Het antwoord op de vraag van mevrouw Koşer Kaya is dat die derde er ook in mijn voorstellen op vooruit gaat. Het kan zijn dat zij dat niet genoeg vindt. De heer Remkes vindt dat de tarieven moeten worden gehalveerd in de wet. Wij kunnen niet altijd helemaal 100% ons zin krijgen. Wij hebben een prachtige vooruitgang geboekt, ook voor de mensen voor wie mevrouw Koşer Kaya zo opkomt, zoals de alleenstaanden. Laten wij nu ook een keer de zegeningen tellen, hoewel dat misschien voor mevrouw Koşer Kaya lastiger is. Dat is mijn standpunt.

De voorzitter:

Nog één keer, mevrouw Koşer Kaya. Daarna vraag ik de staatssecretaris om inzicht te geven in de opbouw van zijn betoog zodat de Kamer weet welke blokken successievelijk aan de orde komen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Dit is heel principieel punt. Natuurlijk zit in de nieuwe voorstellen, ook voor partners en kinderen, nu een veel positiever stelsel, net als voor derden. Daar ben ik het met de staatssecretaris over eens. Een derde die door een alleenstaande is aangewezen om een erfenis aan na te laten, moet echter nog steeds drie keer zo veel betalen. Kan de staatssecretaris mij uitleggen waarom over een nalatenschap van een alleenstaande drie keer zo veel belasting moet worden betaald? Die erfgenaam komt gewoon tariefgroep 3 en moet bij een bedrag van € 0 tot € 125.000 30% belasting betalen en bij een bedrag hoger dan € 125.000 40%. Voor een partner is dat respectievelijk 10% en 20%.

Staatssecretaris De Jager:

Nu worden twee dingen door elkaar heen gehaald. Wij hebben het enerzijds over derden. Die gaan erop vooruit, net als de geliefde van een alleenstaande die niet met hem samenwoont of gehuwd is. Mevrouw Koşer Kaya vergelijkt die derden vervolgens met partners. Dat kan, als je iedereen hetzelfde tarief wilt laten betalen. Dat zou kunnen. Als mevrouw Koşer Kaya wil dat er geen verschil is tussen partners en kinderen enerzijds en derden anderzijds, begrijp ik dat. De mate van verwantschap is echter wel al 150 jaar onderdeel van deze wet. Ik heb wel het verschil sterk teruggebracht. Mevrouw Koşer Kaya zegt eigenlijk dat je die derde hetzelfde zou moeten behandelen als een partner.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb het niet over alle derden. Ik heb het echt alleen over alleenstaanden die geen familieleden hebben en wel iemand willen aanwijzen als erfgenaam, wel wat willen nalaten aan een geliefde. Die moeten wel veel meer betalen. De staatssecretaris kan mij niet uitleggen waarom de overheid zich bemoeit in dat geval met aan wie een alleenstaande iets nalaat en waarom diegene dan een veel hoger belastingtarief moet betalen dan een partner of een kind.

Staatssecretaris De Jager:

Verwantschap is een onderdeel van deze wet. De mate van verwantschap telt mee. Bij de partner telt de zorgplicht mee en bij het kind de verwantschap. Ik zeg nogmaals dat de derde met dit voorstel veel beter af is dan met de huidige wet. Dat moet mevrouw Koşer Kaya toch ook met mij eens zijn?

De voorzitter:

Nee, mevrouw Koşer Kaya, ik heb u drie keer de gelegenheid gegeven. Nu is het einde oefening op dit punt. Ik stel voor dat u uw opmerkingen opspaart voor de tweede termijn. De heer Tang wil een vervolgvraag stellen.

De heer Tang (PvdA):

Inderdaad. De staatssecretaris zegt terecht dat de niet-verwanten er met dit wetsvoorstel op vooruit gaan, maar hij maakt als het ware een vergelijking tussen de situatie die gold in 1956 en die in 2009. In de vijftig jaar die daartussen zit, is de samenleving natuurlijk drastisch veranderd. Dat is het punt dat mevrouw Koşer Kaya maakt. Ook de PvdA-fractie vraagt zich af of dit wetsvoorstel bestand is tegen de nieuwe ontwikkelingen, of dat dit daarop is toegesneden. Aan het eind van mijn eerste termijn heb ik dan ook gevraagd of deze wet, als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, over tien jaar nog houdbaar is. Zijn de samenlevingsvormen volgens de staatssecretaris niet veranderd? Past daarbij dan niet dat iedereen die familie van elkaar is, wel in aanmerking komt voor vrijstellingen en dat mensen die geen familie zijn, daarvoor niet in aanmerking komen? Dat zijn toch ontwikkelingen die de staatssecretaris ook ziet? Graag hoor ik zijn reactie daarop.

Staatssecretaris De Jager:

Ja, ik ben het helemaal met de heer Tang eens. Ik heb die ontwikkelingen ook gezien. Laat ik hier in alle openheid eens met een ontboezeming komen. Normaal gesproken wordt er niet al te veel in de keuken van het ministerie van Financiën gekeken. Wij bedenken allerlei plannetjes en uiteindelijk komt er een voorstel. Dat komt uit de Trêveszaal en dat wordt via de Raad van State hierheen gebracht. De gedachte is om niet zo zeer in de vrijstellingen maar wel in de tariefstructuur tot één tabel te komen. Dan zou de mate van verwantschap niet meer als progressie tellen, maar alleen de hoogte van de verkrijging. Naar die mogelijkheid heb ik zeker gekeken en ik heb die serieus overwogen. De zorgplicht van de partner was al heel groot, namelijk € 535.000. Die moesten wij naar mijn idee dan ook niet verlagen. Er is nagegaan of het mogelijk is om die in de vrijstelling tot uiting te laten komen.

Natuurlijk kan ik allerlei principiële redenen geven, maar de verwachtingswaarde speelt ook mee. Als die waarde kleiner is, moet je tarief hoger zijn. Dat is nog steeds een fiscaal principe. Dat geldt ook voor de mate van verwantschap. Maar laat ik eerlijk zijn en zeggen dat ik op dat pad best verder had gekeken als dat ook budgettair heel gemakkelijk had gekund. Ik heb dit wetgevingstraject vooraf echter ingezet met een aantal principes in het achterhoofd. Het is misschien goed om die hier nog eens aan te geven. Één van die principes is dat de gewone verkrijger er ten opzichte van de huidige situatie niet op achteruit zou mogen gaan. Kinderen die nu erven, zouden er dus niet op achteruit moeten gaan. Het is terecht dat die trusts worden aangepakt, want die moeten ook gewoon belasting betalen. Die breng je dus binnen deze belastingheffing. De belangrijkste schuif is dat wij tarieven verlagen en vereenvoudigen, dat derden er flink op vooruit gaan en dat die trusts het grootste deel van de rekening betalen.

Als het vrij eenvoudig was geweest om een tabel te hebben, zonder dat kinderen erop achteruit zouden gaan, had ik daar best serieus naar gekeken. Ik doel op het op dezelfde manier behandelen van een kind en een derde. Maar in de Successiewet is met die derden een veel groter gedeelte aan aan geld gemoeid dan datgene wat er aan totaliteit met dit wetsvoorstel wordt verschoven. Je moet soms dus ook pragmatisch zijn en zeggen dat wij van ver komen. Wij komen van een toptarief van 68% van derden. Dat gaat naar 40%. De vraag is of je dat niet liever wilt brengen naar die 10% à 20% van die kinderen. Als die trusts veel meer hadden opgeleverd dan het bedrag dat wij hebben geraamd, dan hadden wij dat misschien overwogen. Maar ik wil niet dat kinderen erop achteruit gaan. Ook zij moeten erop vooruit gaan. Om die reden ligt het huidige voorstel voor.

De heer Tang (PvdA):

Mag ik dan concluderen dat de minister het punt dat mevrouw Koşer Kaya naar voren brengt, namelijk dat niet verwanten beduidend meer betalen dan verwanten, gewoon deelt? De staatssecretaris heeft ook gekeken naar dat ene tarief. Dat is precies waartegen mevrouw Koşer Kaya zich verzet. Ik concludeer dat hij het daarmee in zekere zin eens is, behalve dat hij een eigen, zelfbedachte restrictie oplegt dat kinderen er op de een of andere manier in vergelijking met het oude wetsvoorstel niet op achteruit moeten gaan. Maar dat is een wat kunstmatige en arbitraire restrictie, die hij net zo goed niet kan opleggen. Dat roept wel de vraag op of dit niet een fundamenteler debat waard zou zijn.

Staatssecretaris De Jager:

Naast de budgettaire afweging hebben wij natuurlijk ook die principiële afweging gemaakt. Het is een enorme stap in de richting van die maatschappelijke ontwikkeling waarover mevrouw Koşer Kaya en de heer Tang spraken – dat kan niemand ontkennen – maar het is geen maatschappelijke ontwikkeling om in één klap derden hetzelfde te behandelen als kinderen. Dat is ook in principieel opzicht ineens een stap te ver. Dat is de achtergrond, ook principieel, van het voorstel. Je kunt natuurlijk blijven afwegen tot je een ons weegt en misschien denken wij er over 20 of 30 jaar weer anders over, maar de maatschappelijke betrokkenheid met een kind is toch echt groter dan met een derde, zeg ik tegen de heer Tang. Dan is het nog steeds logisch dat er verschil is in de tariefstructuur. Alleen heb ik dat verschil sterk teruggebracht om recht te doen aan de maatschappelijke ontwikkeling.

De voorzitter:

Alvorens het woord te geven aan mevrouw Sap, attendeer ik de Kamer erop dat wij in enige tijdsproblemen dreigen te geraken. Er staan voor vanavond nog andere onderwerpen op de agenda, onderwerpen die al enkele keren zijn doorgeschoven. Het is mijn voornemen dat wij, mocht de staatssecretaris niet voor 21.00 uur zijn antwoord in eerste termijn hebben afgerond, de hele tweede termijn doorschuiven naar een later moment. Ik vraag echt om enige beperking. Wij snijden ons in ons eigen vlees. Het woord is aan mevrouw Sap.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Een ordevoorstel misschien?

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter, u doet een voorstel. Misschien mogen wij daarop reageren? Wij hebben er als commissie Financiën meerdere keren op gehamerd dat wij fatsoenlijke ruimte moeten hebben voor een plenaire afronding. Wij hebben om een WGO gevraagd en waren enigszins verbaasd over de zeer beperkte ruimte in de agenda op dag twee. Dat hebben wij gisteren allemaal aangegeven. Wij dringen er van harte bij u op aan dat wij dit vandaag kunnen afronden, maar ik zal mij beperken in mijn interrupties.

De voorzitter:

Het streven is erop gericht om vanavond de eerste en tweede termijn af te ronden, maar dan vraag ik wel enige medewerking van de Kamer. Ik zie nu de interrupties in hoog tempo oplopen. Dat dreigt te vertragen. Nogmaals, ik attendeer u erop dat voorlopig mijn richtuur rond 21.00 uur is. Als wij dat niet halen, komen wij voor problemen te staan die wij dan maar even onder ogen moeten zien.

De heer Omtzigt (CDA):

Als dat zich voordoet, zullen wij een regeling van werkzaamheden aanvragen, maar voorlopig zullen wij proberen dit voor 21.00 uur af te handelen.

De voorzitter:

Graag. Dank u wel. Ik reken op uw medewerking.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter, met dien verstande dat wij bij dit soort heel principiële punten wel even kunnen doorvragen want de staatssecretaris geeft hier echt een waardeoordeel over de liefde die familieleden dan wel derden zouden krijgen, althans de geliefden van alleenstaanden.

De voorzitter:

De staatssecretaris heeft een halfuur gekregen om royaal uit de startblokken te komen. Dat leidt uiteraard tot interrupties. Die heb ik ook royaal toegestaan, maar ik attendeer de Kamer er slechts op dat wij op een gegeven moment vast beginnen te lopen, ook met de andere onderwerpen die zijn geagendeerd en die reeds enkele malen zijn uitgesteld. De heer Tang heeft het woord over dit onderwerp.

De heer Tang (PvdA):

Ik wijs ook de voorzitter erop dat de staatssecretaris zelf dit fundamentele punt ook nog aanroert. Zo zullen er nog wel meer fundamentele punten in dit debat komen, want het is niet het meest eenvoudige maar tegelijkertijd wel een heel relevant wetsvoorstel.

Staatssecretaris De Jager:

Het moet wel lukken, want ik heb nagenoeg alle vragen uit de eerste termijn schriftelijke beantwoord. Nu worden er over het hele debat interrupties gehouden. Dat kan, maar ik ga ervan uit dat het veel sneller gaat en inderdaad is er wel een afspraak tussen de Tweede en de Eerste Kamer om het onderwerp af te ronden. Dat is ook heel belangrijk.

De voorzitter:

Ik weet van alle afspraken en ben bereid voor alle principiële discussies ruimte te maken, maar er staan meer onderwerpen op de agenda. Daarvoor vraag ik aandacht. Ik doe dit op een tijdig moment en trek niet om vijf voor negen pas aan de bel. Ik geef nu het woord aan mevrouw Sap, die al een tijdje gereed stond om een interruptie te plegen. Dat zal de laatste zijn in dit blok. Dan vraag ik de staatssecretaris om voor de orde van de vergadering even aan te geven wat de structuur is, welke blokjes hij wenst te bespreken, zodat wij ordelijk kunnen vergaderen.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Laten wij vaart maken. Dit punt is ook voor de GroenLinks-fractie een heel principieel punt, namelijk dat de nieuwe erfenis- en schenkingsbelasting onvoldoende inspeelt op de moderne samenleving. De staatssecretaris zegt eigenlijk: ik had dit ook graag gedaan, maar er was gewoon geen budgettaire ruimte voor ...

Staatssecretaris De Jager:

Nee.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Ik wil het even kunnen afmaken: er was gewoon geen budgettaire ruimte voor omdat mijn restrictie was dat de verworven rechten moesten worden gehonoreerd.

Staatssecretaris De Jager:

Neen, neen.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Dat acht ik echt een gemiste kans. Ik wil de staatssecretaris hierover twee vragen stellen. In antwoord op mijn vragen of de aanpassing van de Successiewet allemaal wel budgettair neutraal kan, heeft de staatssecretaris gezegd dat zijn aanpak van de vermogens- en belastingparadijzen vast nog veel meer gaat opleveren dan wat hij denkt en vervolgens conservatief heeft geraamd. Daar zit dus ruimte. Ik vraag de staatssecretaris of hij alsnog bereid is om deze ruimte in te zetten om op dit punt een belangrijk deel van de Kamer tegemoet te komen.

Mijn tweede vraag luidt of de staatssecretaris bereid is om bij de herziening van het belastingstelsel waarop nu wordt gestudeerd, de deskundigen nadrukkelijk ook dit aspect te laten meenemen. Hij zou moeten laten kijken of het belastingstelsel op alle onderdelen, inclusief de erf- en schenkingsbelasting, voldoende tegemoetkomt aan de wensen van de moderne samenleving en aan de positie van de alleenstaanden. Dat is immers een steeds grotere groep in de samenleving.

Staatssecretaris De Jager:

Het lijkt mij belangrijk om dit even recht te zetten. Mijn ontboezeming houdt in dat ik het serieus heb overwogen. Ik heb dat zojuist duidelijk gezegd. Maar ik stuitte op twee bezwaren. Het eerste bezwaar was dat de kinderen erop achteruit zouden gaan. Het tweede bezwaar waar ik tegenaan liep, was dat naar het huidig maatschappelijk gebruik nog steeds een verschil bestaat. Naar verwachting zal dit ook de komende paar jaar nog zo zijn. Een kind dat van zijn ouders erft, heeft een veel hogere verwachting en de verwantschap is veel nauwer. Er is een zorgplicht. Al die redenen rechtvaardigen dat nog steeds een verschil bestaat tussen het tarief voor een kind en dat voor een derde.

Ik heb gezegd dat ik er serieus naar heb gekeken. Als het zonder budgettaire consequenties zomaar even zou kunnen, zou ik het misschien hebben willen overwegen. Maar ik heb ook het tweede principiële punt bekeken en gewogen. Naar de huidige stand van zaken en de huidige samenleving ben ik tot de conclusie gekomen dat dit verschil nog steeds bestaat. Wij kunnen in onze politieke meningen verschillen, maar dan is dat geen technisch punt. Ik sta voor mijn keuze. Mevrouw Sap en mevrouw Koşer Kaya denken er misschien iets anders over, hoewel ik ook hen niet heb horen zeggen dat een kind en een derde in alle gevallen hetzelfde moeten worden behandeld. Maatschappelijk is er daartussen gewoon nog steeds een verschil. Dat zal de komende paar jaar nog steeds blijven bestaan. Dat is echt niet van het ene op het andere moment veranderd.

Ik ben in hoge mate tegemoetgekomen aan de maatschappelijke ontwikkeling die zich gedurende de laatste jaren heeft voltrokken. Een derde, bijvoorbeeld een goede vriend, werd wel erg zwaar belast. Om die reden heb ik de tariefstructuur heel sterk verlaagd. Iedereen ziet dat niet alleen kinderen erop vooruit gaan. Juist ook de derden gaan er heel sterk op vooruit. Dat is dus wel degelijk een conclusie geweest die ik heb getrokken. Ik heb daaraan een gevolg gegeven. Wij hebben dus overduidelijk de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste jaren gevolgd.

De voorzitter:

Mevrouw Sap, de laatste keer.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Ik wil nog steeds graag een antwoord horen op mijn vraag. Is de staatssecretaris bereid om de commissie die gaat studeren op de herziening van het belastingstelsel hier nog eens goed naar te laten kijken?

Staatssecretaris De Jager:

Ik heb bij eerdere gelegenheden en ook tijdens het wetgevingsoverleg gezegd dat ik daartoe in zijn algemeenheid bereid ben. Het is een vraag geweest van de Kamer om de successieheffing mee te nemen in de voorstudie naar een eventuele belastingherziening. Ik heb daarop bevestigend geantwoord. Wij zullen dit dus inderdaad doen.

De tweede vraag van mevrouw Sap betreft de raming. Het kan best het geval zijn dat de trusts veel meer zullen opleveren. Maar dat geld geven wij niet bij voorbaat uit. Wij hebben een degelijke raming opgesteld. Het kan iets meer en iets minder zijn, maar wij hebben echt een goede raming gemaakt. Wij gaan ervan uit dat dit het is wat het oplevert. Wij gaan ons nu niet rijk rekenen door te denken: dit kan nog veel meer worden.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Dit blijft me wat te vaag. Het is mooi dat de commissie hiernaar kan kijken. Ik wil echter graag dat de staatssecretaris stelt dat hij het onder de aandacht van de commissie zal brengen dat het een wens van de Kamer is dat de commissie beziet of de Successiewet voldoende is toegesneden op moderne samenlevings- en leefvormen.

Staatssecretaris De Jager:

De Kamer wenste inderdaad dat ik het onder de aandacht zou brengen om dit te beoordelen. Mevrouw Sap specificeert dit nu wat. Ik heb nog niet geconstateerd dat een Kamermeerderheid dit inderdaad zo wil. Als er een Kamermeerderheid voor is dat ook specifiek naar de leefvormen wordt gekeken, dan is dat uiteraard mogelijk. Daartegen heb ik geen bezwaar. Ik heb al eerder bevestigd dat de commissie de hele Successiewet gaat bekijken. Ik kan in ieder geval het gevoelen van de fracties overbrengen en dit naar voren brengen in de gesprekken die er zijn. Eigenlijk heb ik dat al tijdens het wetgevingsoverleg toegezegd. Uiteraard moet dat ook worden bezien. Volgens mij hebben wij tijdens het wetgevingsoverleg de vraag gesteld of de Successiewet modern genoeg is en in de toekomst houdbaar zal zijn. In de toezeggingen hierover valt dit mee te nemen.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog. Hij begint met de Kamer inzicht te geven in de manier waarop hij haar gaat antwoorden.

Staatssecretaris De Jager:

Ja. Ik zal eerst spreken over de APV's. Daarna zal ik spreken over derde progressie, over de lasten voor gezinnen en bedrijven, over de bedrijfsopvolgingsregeling en over de vergelijking tussen enerzijds de ib en de Successiewet en anderzijds de bedrijfsopvolgingsregeling. Tot slot zal ik een samenvatting geven.

De heer Omtzigt heeft gevraagd naar de APV's. Hij vroeg hoe het tegenbewijs voor de erfgenaam werkt. Dit is inderdaad een belangrijk punt, want ik zei zojuist al dat de APV's leiden tot het overgrote deel van de opbrengst van de Successiewet. De hoofdregel is dat er wordt belast bij de inbreng. Dus niet de beoogde erfgenamen moeten betalen, maar eerst de inbrenger. Pas na overlijden van de inbrenger wordt belast bij de erfgenamen. De erfgenaam treedt dan in alle rechten en plichten van de overleden inbrenger. Hij beschikt over het algemeen dus ook over alle stukken, akten en instructies van het APV. Dit is in nagenoeg alle gevallen zo, want de erfgenaam is in de rechten en de verplichtingen van de inbrenger getreden als erfgenaam. In 95% van de gevallen is de erfgenaam ook begunstigde. Dan zijn alle stukken aanwezig. Het zwarte schaap van de familie heeft die stukken niet, want die is al onterfd. Als je bent onterfd, dan wordt niets toegerekend. Het gaat hierbij dus om een echte erfgenaam die alleen geen erfgenaam is van het APV. Als hij wil bewijzen dat hij niets krijgt, geldt de vrije bewijsleer. Daarbij kunnen akten een rol spelen, maar ook verklaringen van de trustee of verklaringen van andere erfgenamen. In bijzondere gevallen kan de inspecteur om informatie over verdragen of TIEA's vragen bij de autoriteiten van het land waar de trustee zit. Hij kan vragen wie de begunstigden zijn van het APV. Ten slotte kan ook de rechter nog uitkomst bieden.

Ik zeg hierbij in alle wijsheid dat de Belastingdienst momenteel geen zielige gevallen kent. Wij weten namelijk dat deze vraag wel is opgeworpen vanuit de adviespraktijk. Wij kennen echter zulke gevallen niet. Uit de vergelijking met het tegenbewijs bij privégebruik van de auto van de zaak blijkt dat dit in de praktijk gewoon goed werkt. Daarbij kan bijvoorbeeld een verklaring van de werkgever heel goed uitwerken. Aannemelijk maken is geen alternatief voor het wetsvoorstel dat nu voorligt, omdat de wetgeving dan alsnog een papieren tijger wordt. Eigenlijk is het heel opvallend dat sommige adviseurs die in eerste instantie twijfels hebben geuit over het behalen van de opbrengst van dit wetsvoorstel, nu zeggen dat het criterium aannemelijk maken moet worden. Ja, dan wordt inderdaad alsnog bewaarheid wat men heeft beoogd. Dan is het voor de Belastingdienst immers heel moeilijk om het geld in de belastingparadijzen op te halen. Laat de Belastingdienst dat namelijk maar eens aannemelijk maken in een belastingparadijs. In de praktijk ontstaan dan eindeloze discussies. Dat is ongewenst. Kortom: constructies en opzetjes niet mogelijk maken en aan redelijke gevallen tegemoetkomen. Dat laatste kan ik de heer Omtzigt toezeggen.

De heer Omtzigt vraagt naar de ministeriële regeling inzake APV's. Die bevat nadere regels over toerekening van het vermogen in het APV aan de inbrenger over de erfgenamen. Het is nog heel hard werken, maar die moeten wij klaar hebben op 1 januari 2010. Dan gaat het om heel specifieke aspecten als de invulling van de wetgeving, entiteiten die wel of niet een APV zijn, uitleg van termen als maatschappelijk ongebruikelijke afzondering, particulier et cetera, en eventuele nadere regels voor het tegenbewijs. Dat is dus de ministeriële regeling.

De heer Omtzigt (CDA):

Is het mogelijk, nu deze toezeggingen zo goed komen, dat de staatssecretaris het hele pakketje ministeriële regelingen naar de Kamer stuurt, zodat wij de uitwerking kunnen zien? Als er dan nog iets in zit, kunnen wij dat in behandeling nemen. Dan zien wij precies met welke toezeggingen het goed is gegaan.

Staatssecretaris De Jager:

Ja, dat is goed. Ik kan die regelingen in februari ter kennisname aan de Kamer toesturen.

Mevrouw Koşer Kaya had het over het belasten bij begunstigden in plaats van erfgenamen. Ik denk dat er een misverstand bestaat, want zij geeft een voorbeeld van een opa die een APV opricht voor zijn kleinkind. De begunstigde kan met dat geld een huis kopen na opa's overlijden. Na zijn overlijden zou de moeder van het kleinkind als erfgenaam worden belast. Dit is een misverstand omdat dit kleinkind een concreet, juridisch afdwingbaar recht heeft over het APV. Het geld staat voor het kleinkind apart om er een huis van te kopen. Dat is dus niet belast bij de moeder-erfgenaam maar bij het kleinkind. Meer in het algemeen, los van het voorbeeld, hebben wij het over constructiebestrijding. Wij hebben dus heel goed nagedacht over de keuze voor het begrip "erfgenaam" in plaats van "begunstigde". Wij belasten het discretionaire deel bij een erfgenaam in plaats van een begunstigde. Dat doen wij omdat in meer dan 95% van de gevallen erfgenamen en begunstigden samenvallen. Daar hebben wij dus geen praktijkvoorbeelden van. Overigens hebben wij het bij APV's over een relatief kleine groep. De groep erfgenamen is precies bekend bij het overlijden van de inbrenger. De kring van begunstigden blijft echter onzeker. Die onzekerheid leent zich heel erg voor constructies. Het zou heel erg constructiegevoelig zijn als je de term "begunstigde" gaat bezien.

Naast die constructiegevoeligheid ontstaan ook hardheden in de heffing als er nieuwe begunstigden bij komen, want meestal staat in de statuten, in de afspraken van zo'n trust dat alle toekomstige kinderen en nakomelingen van een bepaalde persoon, dus ook toekomstige nakomelingen, begunstigden zijn. Dat zijn dan nog niet per se erfgenamen, want het gaat om meerdere generaties: kleinkinderen en kleinkleinkinderen. Die zijn nog niet erfgenaam, maar al wel begunstigde volgens de trust. Erfgenamen hebben bovendien de stukken van de inbrenger. Die liggen in het nachtkastje of de kluis van de erflater. De erfgenaam kan daar bij komen. De begunstigde, die geen erfgenaam is, heeft geen stukken.

De heer Bashir (SP):

Ik heb nog een vraag over de APV's. De opbrengst van het belasten van de APV's wordt geschat op 210 mln. Bij het Belastingplan 2007 heeft mijn fractie gesteld aan de heer Zalm, die daar toen over ging. Hij zei dat de opbrengsten van de Successiewet zullen toenemen van nu 0,3% bbp naar 0,5% in 2040. De opbrengsten uit de Successiewet zullen dan 5 mld. zijn, omdat zowel de vermogens toenemen als de vergrijzing aanstaande is. U hebt in uw antwoorden gezegd dat de belastingtariefverlaging voor sommige schijven resulteert in 10% lagere opbrengsten. De 210 mln. die u uit het belasten van APV's binnenhaalt, moet dus in 2040 groeien naar 500 mln. om uw wetsvoorstel nog steeds budgettair neutraal te houden.

De voorzitter:

En wat is uw vraag?

De heer Bashir (SP):

Kunt u daar ook op ingaan?

Staatssecretaris De Jager:

Na een behandeling van zes maanden in de Tweede Kamer en na een wetgevingsoverleg is het wel een beetje aan de late kant om zo'n technische vraag te stellen en om mij te confronteren met een uitspraak van de heer Zalm. Een van de belangrijkste dingen die wij in de APV's doen, heeft niet alleen betrekking op de nu al gerealiseerde opbrengst, maar met name op het afknotten van de endogene oploop. In de toekomst – maar het is heel moeilijk om ver vooruit te kijken in de toekomst – levert deze maatregel veel meer geld op en misschien nog wel meer dan de factor die de heer Bashir geeft. Want naast de normale groei van de successie zou je kunnen verwachten, naarmate het om meer geld gaat, dat de constructies ook toenemen. Dan groeit het geld dat omgaat in die constructies nog harder dan de opbrengst van de hele Successiewet. Als je de redenering van de heer Bashir volgt, dek ik nu meer in de verre toekomst dan nodig is. Wij kijken alleen niet zo ver in de toekomst. De afknotting die wij nu doen, levert niet alleen nu geld op, maar naar alle waarschijnlijkheid nog veel meer geld doordat wij in de toekomst de groei ervan beperken.

De voorzitter:

Mijnheer Bashir, uw laatste keer.

De heer Bashir (SP):

Ik concludeer dat de staatssecretaris zegt dat zijn wetsvoorstel ook voor de lange termijn budgettair neutraal is. Is hij dan ook bereid om zijn politieke lot hieraan te verbinden?

Staatssecretaris De Jager:

Als de Successiewet over 40 jaar 5 mld. opbrengt of als de endogene groei van de APV's ook ...

De heer Bashir (SP):

Ook voor volgend jaar, en voor 2012, 2013 en inderdaad ook over 40 jaar.

Staatssecretaris De Jager:

Tijdens het wetgevingsoverleg ben ik hier al op ingegaan. Ik heb toezeggingen gedaan, maar niet de toezegging dat ik mijn politieke lot verbind aan het ophalen van één specifieke belastingmaatregel. Ik heb wel gezegd dat ik natuurlijk sta voor een goede, deugdelijke raming. Ik kan wel toezeggen dat de gewone burger – de heer Bashir heeft dat kunnen lezen in de stukken – straks niet meer belasting gaat betalen als hij onverhoopt toch in deze APV's minder geld ophaalt. Wij komen dan met aanvullende maatregelen om alsnog de APV's deugdelijk te belasten. Ik denk niet dat het nodig is, omdat wij alles hebben gedaan en omdat wij er op dit moment van overtuigd zijn dat wij de APV's binnenhalen. De heer Bashir kan "put your money where your mouth is" zeggen, maar mijn track record is dat ik in 2007 door middel van het kasrondje een spoedreparatie artikel 10a van de Vennootschapsbelasting heb uitgevoerd. Daar heb ik geen geld voor geclaimd. Het betrof een gat dat destijds was geslagen, dat in de oorspronkelijke raming niet was meegenomen. Dat gat heb ik netjes gerepareerd, zoals het een staatssecretaris van Financiën betaamt. Als dat hierbij ook nodig is, zal ik dat ook doen. Wij gaan gewoon die APV's belasten.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog. Hij is gebleven bij het tweede blok.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Ik kom op de vraag over het box 3-vermogen. Het gaat om het in het box 3-vermogen meetellen van het vermogen bij een verkrijging om al dan niet een korting toe te passen. Box 2-vermogen wordt uiteraard niet aangegeven in de belasting; pas bij vervreemding of een conserverende heffing leidt dat tot een aanslag. Ik heb al eerder gezegd in het wetgevingsoverleg dat ik een korting op zichzelf een sympathieke gedachte vind. Ik heb nog eens goed naar het amendement gekeken. Je pompt eigenlijk voor een groot deel geld rond. Ik heb in de stukken al aangegeven dat men van de € 1000 korting maar circa € 500 voordeel heeft, omdat de vrijstelling fors omlaag gaat. Uiteindelijk is het verkregen voordeel slechts € 500. En voor die € 500 moet een heel complexe afweging plaatsvinden.

Met het ingediende amendement wordt namelijk een koppeling gelegd tussen de inkomstenbelasting en de successiebelasting. Daardoor is het voorstel sowieso niet uitvoerbaar. Verder geldt dat als je je in verband met het vermogen in box 3 al dan niet kwalificeert, het punt van de verkrijging heel lastig wordt, dus in verband met de mogelijk meetelling. De desbetreffende persoon zit met zijn vermogen bijvoorbeeld nog niet in box 3. Dit is een zeer ingewikkelde kwestie, maar ik weet dat dit voor de heer Tang een belangrijk punt is. Daarom sta ik hier nu ook bij stil. Stel dus dat iemand zich niet kwalificeert voor een box 3-heffing, omdat hij een vermogen heeft onder de grens van box 3. Echter, met de verkrijging komt hij daar wel boven en dan zou hij die korting niet mogen laten gelden. Dat betekent dat burgers zelf zouden moeten aantonen dat zij voor de korting in aanmerking komen en dat zij een bepaald vermogen niet hebben, terwijl de Belastingdienst niet kan controleren of dat zo is. Bij de Belastingdienst is namelijk niet bekend wat zij hebben, omdat zij onder de box 3-grens zitten. Ik hoop dat de heer Tang het mij niet euvel duidt dat ik, als verantwoordelijke voor de Belastingdienst, op dit punt een groot bezwaar zie. In de stukken heb ik nog een aantal andere punten genoemd, maar dit is dus echt een probleem.

De heer Tang (PvdA):

Voorzitter. Dit is een aangelegen punt. De staatssecretaris zegt dat bij herverdeling belasting kan worden gezien als het rondpompen van geld. Dat is zonder meer waar, maar dit is nog geen reden om niet te herverdelen.

Ik heb gezegd dat ik bereid ben om te praten over de problemen met de uitvoering van dit amendement. Dank voor het antwoord dat ik heb gekregen, maar het roept veel vragen op. Er staat bijvoorbeeld: Het vaststellen van de aan de verkrijgers toegerekende eigenwoningwaarde verminderd met de eigenwoningschuld is lastig vast te stellen. Dat is een heel raar argument. Aanneming van het amendement op stuk nr. 30 wordt ontraden. Ik denk aan de tegenbewijsregeling voor de waarde van de eigen woning. Argument was dat via de WOZ de waarde goed zou zijn vast te stellen. Daarom is bij mij ook twijfel ontstaan. Ik wil hierover een discussie voeren, maar dan wel op een gedegen manier. Dat gebeurt niet met dit antwoord. Er staat ook: Het vaststellen van de aan de erflater toegerekende box 3, enzovoorts. Hoezo erflater? Die komt in het amendement niet voor.

Verder wijs ik erop dat het voorgestelde gebeurt op basis van vrijwilligheid. De belastingplichtige mag een korting aanvragen, maar hij hoeft dat niet te doen. Als het voor de belastingplichtige lastig is en het indienen van een aanvraag veel werk met zich meebrengt, dan moet hij dat vooral niet doen. Dus de administratieve lasten voor de belastingplichtigen zijn altijd beperkt. Dit zijn drie punten ...

De voorzitter:

Die lijken mij voorlopig voldoende. Ik stel voor dat de staatssecretaris eerst de vragen beantwoordt. U kunt er daarna op terugkomen. Anders wordt het aantal vragen te veel voor één interruptie.

De heer Tang (PvdA):

Mag ik nog één korte vraag stellen?

De voorzitter:

U mag nog één vraag stellen en dan is het woord aan de staatssecretaris.

De heer Tang (PvdA):

Ik wil nog aangeven dat ik best bereid ben om hierover een discussie te voeren, maar dan op een meer uitgebreide manier en niet op basis van een stuk dat snel tot stand is gekomen.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Ik heb gesproken over herverdelen en rondpompen. Herverdelen is voor de PvdA een mooi begrip. Echter, daarmee doelt de PvdA op herverdelen tussen verschillende subjecten. Hier gaat het echter om iets anders en dat is het bizarre. Hier gaat het namelijk niet om echt herverdelen, want de herverdeling vindt plaats binnen één subject. Van die € 1000 wordt € 500 afgehaald, omdat de vrijstelling omlaaggaat. Dat gebeurt dus binnen één subject. Ik doelde net dus op die € 500 en ik had het niet over die andere € 500. Daarbij ging om een beoogde herverdeling. Nogmaals, ik had het over die andere helft. Ik heb inderdaad gesproken over de verkrijger met een box 3-vermogen.

De heer Tang (PvdA):

Het staat in dit stuk dus fout.

Staatssecretaris De Jager:

Ik heb dat niet voor me. Het is zoals ik het heb uitgesproken. Ik heb het dus over het toetsen bij de verkrijger van het box 3-vermogen. Hij weet over het algemeen niet lang van tevoren, althans niet een jaar van tevoren, of hij verkrijger zal zijn. Het kan gebeuren dat de nalatenschap zes maanden later wordt afgewikkeld. Dan moet hij toch weten wat zijn vermogensbestanddelen zijn, terwijl er geen box 3-aangifte is. De heer Tang zal toch moeten inzien dat er voor de belastingplichtige een groot praktisch probleem is, maar ik doelde op iets anders en herinner dan aan wat ik heb gezegd. Iemand kan de keus vrijwillig maken. Dat ben ik met de heer Tang eens, maar dan moet de Belastingdienst de controle kunnen uitvoeren. Daar had ik het over. Dat is niet iets vrijwilligs. De Belastingdienst controleert in dit land niet vrijwillig. De Belastingdienst moet de wet uitvoeren. Dus als iemand bij de Belastingdienst komt met het verzoek om € 1000 korting, moet die dienst controle kunnen uitvoeren. Dat is mijn punt. Dat heeft niets te maken met de positie van de belastingplichtige, maar met die van de Belastingdienst.

De heer Tang (PvdA):

Mijnheer de staatssecretaris, wilt u dan wel erkennen dat in dit amendement wordt aangesloten bij gangbare begrippen in de hele fiscaliteit. Er worden geen nieuwe begrippen geïntroduceerd. Wat dus voor een kwart van Nederland wel bekend is, namelijk box 3, kan dan voor dat andere deel van Nederland natuurlijk ook bekend zijn. Dat begrijp ik niet. Ik krijg gewoon staatjes van mijn bank over hoeveel er op mijn rekening staat. Dat is bekend bij de belastingplichtige en dat is bekend bij de Belastingdienst. Daarom prijst de staatssecretaris ook de eenvoud van box 3 en daar heeft hij gelijk in. Hij prijst altijd de eenvoud van box 3 omdat het zo goed is uit te voeren. Dezelfde gegevens zijn dus ook te gebruiken voor dit amendement. Dat geldt voor box 3, dat geldt voor box 1 en bij de WOZ-waarden. We zijn een aardig eind op weg. De staatssecretaris onderschat eigenlijk de mogelijkheden die hij zelf voor een deel gecreëerd heeft.

Staatssecretaris De Jager:

Als er één wijziging in het amendement zou zijn, zou dat natuurlijk al helpen. Het gaan er niet om dat we weten wie bóven de grens van box 3 uitkomen. Dat weten we wel, maar we weten alleen niet de vermogensbestanddelen. Dat weet de belastingplichtige over het algemeen ook niet en dat moet hij dan soms nog een half jaar terug verzamelen voor het afwikkelen van de successieaangifte bij de verkrijger die ónder de grens uitkomt. Het punt is dat je niet weet wat de opgetelde virtuele box 3 is. Dat kan de Belastingdienst ook niet weten. De heer Tang sluit niet aan bij een box 3-vermogen, want dat zegt hij nu. Dat is echter niet waar. In het amendement sluit hij aan bij een soort virtueel begrip van box 3, waarin de voor box 3 kwalificerende vermogensbestanddelen worden opgeteld bij de verkrijging in dat jaar en dát weten we niet. Dat is een groot probleem.

De voorzitter:

Mijnheer Tang, uw laatste keer in deze ronde.

De heer Tang (PvdA):

Toch even voor alle duidelijkheid: het box 3-vermogen is natuurlijk gewoon bekend. Het doet niet ter zake of het nu onder of boven de drempel valt. Dat is gewoon bekend, want ik krijg die staatjes van de bank ongeacht of ik belasting betaal of niet. Dat weet mijn bank niet. De gegevens zijn bekend en dat weet de Belastingdienst dan ook. Dat is één. Ten tweede: bij een verkrijgersbelasting zal de verkrijging natuurlijk bekend moeten zijn, ook bij de Belastingdienst. Dat is dus wederom informatie die voor iedereen bekend is, zowel voor de belastingplichtige als voor de Belastingdienst. Ik begrijp het punt dus niet. Nogmaals, ik ben gaarne bereid om dit debat te voeren. Ik wil de uitvoering van de Belastingdienst niet helemaal overhoop gooien, maar met dat soort argumenten kan ik op dit moment gewoon heel slecht uit de voeten.

Staatssecretaris De Jager:

Ik heb aangegeven wat de bezwaren zijn tegen het amendement. De heer Tang zegt: ik wil graag een principiële discussie voeren. Dat kan ik me ook voorstellen. Er ligt nu echter een amendement voor op een fiscale wet. Dan moet ik ook kijken naar de uitvoerbaarheid. De heer Tang heeft het bijvoorbeeld over twee verschillende belastingmiddelen en we hebben ook schriftelijk aangegeven dat we die systemen op dit moment gewoon niet kunnen koppelen. Dan moeten we de inkomstenbelasting aan de successiebelasting koppelen, dat is vrij complex, voor een relatief klein gedeelte. Dat is één. Ten tweede vindt de heer Tang dat wij alle vermogensbestanddelen van box 3 gerenseigneerd krijgen. Dat is niet zo en daar gaat hij ook wat makkelijk overheen. Een belastingplichtige uit box 3 moet aangifte doen. Een deel kunnen wij als contra-informatie controleren of vooraf invullen wat we hebben, maar de belastingplichtige moet aangifte doen voor box 3. Hij mag een rekening hebben in België, als hij het maar opgeeft. Mensen hebben ook in het buitenland geld en dat is geen enkel probleem als ze het maar opgeven. Dus we hebben niet het inzicht als er geen box 3-aangifte is gedaan. Dat heeft deze persoon niet gedaan als hij onder de grens zit.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Laat ik mij ook maar eens in de discussie mengen. Mijn naam staat namelijk ook onder het amendement.

De heer Remkes (VVD):

Partner in crime.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ja, maar het is geen familie-samenwoner in dit geval.

De voorzitter:

Ik stel voor de discussies ordelijk te voeren. Dat wil zeggen via de voorzitter. Mijnheer Cramer, u vervolgt uw betoog, zo ongestoord mogelijk.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter, dat waardeer ik zeer.

De staatssecretaris geeft nogal wat bezwaren aan als het gaat over de mogelijkheden van de Belastingdienst om te controleren. De discussie ging ook gedeeltelijk over de uitvoerbaarheid. Ik hoor de staatssecretaris twee dingen zeggen. Ten eerste heeft hij het over mensen met een klein vermogen in box 3. Dan speelt dit helemaal geen rol, want dan kom je onder die aangiftegrens en dan hoef je dat niet op te geven. Op het moment dat je vererft en je komt boven die grens, moet je dat ineens bij elkaar optellen. Maar je wist het niet. De bewijslast van dat punt is moeilijk. Begrijp ik dat goed? Kan de staatssecretaris dat wat duidelijker uitleggen? Hij heeft namelijk net heel veel woorden gebruikt en ik was in die brij even de draad kwijt.

Het tweede is dat volgens de staatssecretaris niet te koppelen is wat de Belastingdienst wel weet en niet weet op het moment dat de aangifte voor de Successiewet gedaan wordt. Is het probleem dan dat je zoveel maanden na het overlijden, als je die aangifte doet, eigenlijk niet meer weet wat je vermogen in box 3 geweest zou zijn op het moment dat je de aangifte moest doen? Kortom: is één plus één dan wel twee? Moet ik het zo begrijpen?

De voorzitter:

Uw vragen lijken mij helder.

Staatssecretaris De Jager:

Enerzijds is er een probleem voor de burger, voor de belastingplichtige. Hij moet al die informatie bij elkaar rapen. Volgens het amendement mag de burger zelf kiezen of hij dat doet of niet, daar heeft de heer Tang gelijk in. Anderzijds is er een probleem voor de Belastingdienst. Hij moet dat controleren, terwijl die mensen geen box 3-aangifte hebben gedaan omdat zij nog onder de grens van box 3 zaten. In veel gevallen gaat dat over een ander belastingjaar.

Ik geef een voorbeeld. Iemand komt te overlijden in oktober. De verkrijger zit onder de box 3-grens. Dan wordt voor dat jaar meestal geen box 3-aangifte gedaan, want de verkrijger weet pas na een tijd hoe het precies zit met de verdeling van de nalatenschap. Het vermogen in box 3 is voor de Belastingdienst heel moeilijk vast te stellen en te controleren. De verkrijging moet opgeteld worden bij de overige box 3-bestanddelen, die eigenlijk nog niet bestaan, want er zijn geen box 3-bestanddelen omdat die persoon die nog niet had. Hij heeft natuurlijk wel bezittingen, maar die lagen zodanig onder de box 3-grens dat hij er nooit de moeite voor heeft genomen om die te waarderen. Hij heeft in ieder geval geen aangifte hoeven doen. De Belastingdienst beschikt dus niet over de informatie om die te kunnen checken.

Eigenlijk verval je dan al snel in een handmatig proces; in potentie gaat het hier om veel mensen. Dan moet je kijken of het nog proportioneel is. De meeste mensen zijn vrijgesteld van heffing in box 3. Slechts een klein gedeelte van de bevolking zou hiervan kunnen profiteren. Deze mensen krijgen dan € 1000 korting, terwijl de vrijstelling omlaag gaat, want zo wordt het amendement gedekt. Dus het eigenlijke voordeel is geen € 1000, maar ligt rond de € 500. Is het dan proportioneel dat de Belastingdienst zoveel moet controleren voor zo'n relatief kleine tegemoetkoming voor de belastingplichtige?

Het moest natuurlijk allemaal heel snel, maar ik heb een voorlopige inzage in de kosten gekregen. Alleen al de uitvoering van de controle door de Belastingdienst zou zo'n beetje net zoveel kosten als het voordeel dat het oplevert voor de verkrijgers. Dus die € 500 maal het aantal verkrijgers dat zich daarvoor kwalificeert, levert een bedrag op in ongeveer dezelfde orde van grootte als de totale controlekosten bij de Belastingdienst. Dat is gewoon disproportioneel.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Mijn vraag bestaat uit twee delen.

Ik ga eerst in op de laatste opmerking van de staatssecretaris. Is hij bereid om voor de stemmingen in een brief aan de Kamer mee te delen wat hem is gebleken uit de door hem genoemde voorlopige inzage in de kosten?

Is het denkbaar dat de belastingplichtige het aannemelijk kan maken? Ik ga nu even mee in de gedachtegang van de heer Tang. De belastingplichtige heeft er immers belang bij en de bewijslast ligt bij hem. Het kan dus denkbaar zijn dat er een systeem is waarbinnen de belastingplichtige tegenover de Belastingdienst aannemelijk kan maken welk vermogen hij dat op moment bezat.

Staatssecretaris De Jager:

Dat kan als de belastingplichtige moet aantonen dat hij iets heeft. Daar kan hij dan iets van laten zien. Hij kan bijvoorbeeld een rekeningoverzicht van de ABN AMRO overleggen. In dit geval is echter het probleem dat de belastingplichtige moet aantonen wat hij allemaal niet heeft. Hij kan natuurlijk niet aan alle banken van de wereld een verklaring vragen waarin staat dat hij daar geen geld heeft uitstaan. Dat moet de Belastingdienst controleren, en dus niet zozeer of er bij de ene of bij de andere bank geld uitstaat. Dat kan de belastingplichtige immers met bescheiden aantonen. Er kunnen echter andere vermogensbestanddelen zijn waarvan de Belastingdienst geen weet heeft omdat eerder geen box 3-aangifte is gedaan. Ik zie niet in hoe je in de praktijk moet aantonen dat je iets niet hebt. Je kunt wel aantonen wat je wel hebt, maar in dit geval zou je moeten aantonen dat je maar € 2000 hebt. Je kunt wel zeggen dat je € 2000 op je spaarrekening bij ABN AMRO hebt staan, maar dan is nog niet bekend of je ergens anders, misschien in het buitenland, nog iets hebt. Dat is alleen bekend als je officieel box 3-aangifte doet en dat doe je in dit geval niet. Dat is dan nog afgezien van het feit dat wij de bedoelde twee systemen niet aan elkaar hebben gekoppeld.

De heer Cramer (ChristenUnie):

En mijn eerste vraag?

Staatssecretaris De Jager:

Daarop kan ik bevestigend antwoorden. Ik zal dat in een brief aangeven.

De heer Bashir (SP):

Ik heb het amendement van de heer Tang en de heer Cramer zo begrepen dat de belastingplichtige gewoon aangifte inkomstenbelasting moet doen en dat de Belastingdienst dan bekijkt of de betrokkene vermogen in box 2 of box 3 heeft.

Staatssecretaris De Jager:

Van box 2-vermogen wordt helemaal geen aangifte gedaan.

De heer Bashir (SP):

Aanmerkelijk belang.

Staatssecretaris De Jager:

Als dat er ook bij zit, zou iedere ondernemer zijn eigen onderneming moeten waarderen wanneer hij iets verkrijgt. Dan wordt het erg ingewikkeld...

De voorzitter:

Mijnheer Tang, u roept nu vanaf uw bankje, maar wij discussiëren alleen via de voorzitter en alleen via de microfoon en alleen in openbaarheid, en anders doen wij het hier niet. De staatssecretaris antwoordt op de vraag van de heer Bashir.

Staatssecretaris De Jager:

Het probleem ligt in dit geval niet bij de belastingplichtige. Die kan gewoon aan de bel trekken en zeggen dat hij € 1000 wil. Maar laat de heer Bashir zich eens verplaatsen in de positie van de belastinginspecteur. Die moet kunnen controleren of het juist is wat iemand zegt aan vermogen te bezitten dan wel of iemands onderneming inderdaad de aangegeven waarde heeft. Een zzp'er of kleine ondernemer zal zeker zeggen dat zijn onderneming niets waard is, maar de belastinginspecteur zal dat moeten kunnen controleren. Daar gaat het mij om. De heer Tang draait het telkens om, maar ik heb het erover dat de inspecteur moet kunnen controleren.

De heer Bashir (SP):

Mijn fractie steunt het amendement, maar ik wil graag van de staatssecretaris weten hoe het zou kunnen worden gewijzigd. Hij zegt dat de inspecteur niet kan controleren of het eigen vermogen juist is opgegeven. Maar die argumentatie geldt dan toch ook voor de inkomstenbelastingaangifte? Zou dit te verhelpen zijn door bijvoorbeeld niet te kijken naar de aangifte van het jaar van overlijden, maar naar die van het jaar voorafgaand aan het overlijden?

Staatssecretaris De Jager:

Normaal gesproken sta ik hier niet om adviezen te geven. Wel denk ik dat het jaar van aangifte moet liggen twee jaar voorafgaand aan het jaar van overlijden, gelet op het tijdstip dat aangifte moet worden gedaan, als je puur digitaal wilt kijken of iemand box 3-vermogen heeft. Je moet dus niet kijken naar box 1 of box 2, want dan moet je een onderneming gaan waarderen. Als een belastingplichtige zich meldt bij de inspecteur en hij zegt geen vermogen te hebben en hij heeft wel een zzp-onderneming, moet de inspecteur kunnen controleren of die onderneming dat waard is. Als de verkrijging niet meetelt, kun je kijken naar box 3. Of dat in het jaar t-1 of in het jaar t-2 moet, zou ik aan de Belastingdienst moeten vragen. Op grond van dat vermogen kan men eventueel korting claimen.

De voorzitter:

Ik moet nu ingrijpen. Zo wordt hier niet gediscussieerd. Er kan niet wild vanuit de banken worden geroepen en er kan ook niet losjes vanuit vak K worden gereageerd. Dat sta ik niet toe. Mijnheer Tang, mijnheer de staatssecretaris, ik vraag u echt om de orde te respecteren. Wij discussiëren hier ordentelijk. De staatssecretaris was bezig te antwoorden op de vraag van de heer Bashir en niet op die van de heer Tang. Die had ik het woord niet gegeven. Ik geef nu het woord aan mevrouw Sap.

Staatssecretaris De Jager:

Maar voorzitter, de mogelijkheid ...

De voorzitter:

Nee, echt niet, het spijt mij. Het woord is aan mevrouw Sap.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Wij steunen het amendement van de heer Tang ook, maar wij hebben natuurlijk nog meer warme gevoelens voor ons eigen amendement, want dat beperkt zich wel tot box 3-vermogen. In zijn toelichting zegt de staatssecretaris dat dit onuitvoerbaar is, omdat de Belastingdienst de nodige gegevens niet kan koppelen. Zojuist hoor ik dat dat wel kan. Ik mag aannemen dat hij mijn amendement nu niet meer ontraadt.

Staatssecretaris De Jager:

Nee, ik wilde zojuist nog aan mijn opmerkingen toevoegen dat je nog steeds het koppelingsprobleem bij de Belastingdienst hebt. Op langere termijn is dat waarschijnlijk overkomelijk, maar de eerste paar jaar wil ik liever wat andere dingen doen in het systeem van de inkomstenbelasting en de aanslagen van de Belastingdienst. Waarschijnlijk is het probleem overkomelijk, maar de koppeling is nog steeds een probleem.

Volgens het amendement van de heer Tang kan iemand zich aanmelden en € 1000 korting claimen. Eventueel zou hij van het jaar t-2, zonder de verkrijging al dan niet in box 3 mee te tellen, een kopie van zijn aangifte inkomstenbelasting als bewijs kunnen meegeven. En als hij daar dan geen box 3 in heeft, dan klopt dat. Ik probeerde even mee te denken. Dat is namelijk het bewijs: heb je in dat jaar wel of niet box 3-vermogen. Dat is immers gecontroleerd, er is aangifte gedaan. Dat zou kunnen op t-2. Met de koppeling heb je dan nog steeds problemen, maar goed. Dat zou binnen een bepaalde periode waarschijnlijk te doen zijn.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Ik wil even weten of ik het echt goed begrijp. De staatssecretaris zegt het volgende. Als je het amendement van de heren Tang en Cramer tot box 3-vermogen zou beperken, omdat het op eigen initiatief van de belastingbetaler is, dan kan dat meteen. En het amendement van mevrouw Sap kan op langere termijn. De Belastingdienst heeft nog even iets te veel problemen met zijn systemen, maar dat kan op langere termijn ook.

Staatssecretaris De Jager:

Wij hebben heel veel praktische bezwaren. Ik krijg net een briefje van mijn ambtenaren waarop staat: enkel box 3 is ook ontraden vanwege de uitvoering. Er zit iemand van de Belastingdienst mee te denken. Ik zal het briefje aan de heer Tang laten zien.

De voorzitter:

Nee, nee. Mijnheer de staatssecretaris, zo doen wij dat niet. Wat hebben wij net afgesproken? U was in discussie met mevrouw Sap en niet met de heer Tang. Ik begrijp dat u staat de popelen, en de heer Tang ook, maar ik houd dat toch echt tegen.

Staatssecretaris De Jager:

Ik zeg tegen mevrouw Sap dat ik doorkrijg dat enkel box 3 ook ontraden is vanwege de uitvoering. Dan is in ieder geval een belangrijk bezwaar in het voorstel zoals ik dat heb, weggenomen. Dan ga ik tussen de eerste en tweede termijn even vragen welke bezwaren er kennelijk nog resteren.

Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog en kom te spreken over de bedrijfsopvolgingsregeling. Daar is veel om te doen geweest, maar wij zijn op dat punt in het wetgevingsoverleg en in de schriftelijke behandeling gelukkig al enorm ver gekomen. Wij hebben al heel veel vragen daarover beantwoord. Er resteert eigenlijk alleen iets over de vergelijking en de ib en de BOR. Wij beogen de definities in de bedrijfsopvolging zo veel mogelijk gelijk te trekken met deze wetswijziging. Soms zijn er uitzonderingen nodig, bijvoorbeeld omdat een doorschuifregeling is gebaseerd op claimbehoud en er een andere faciliteit is dan een vrijstelling. Dat betekent claimverlies. Ondernemingsvermogen sluit dus ook zo veel mogelijk aan. Incidenteel is er een verschil voor ondernemingsvermogen door overgangsrecht. De Successiewet van 1956 is een oude regeling op grond waarvan geen voorziening nodig is, terwijl de doorschuifregeling met ingang van 2010 beperkend is voor overlijdensgevallen. Dan is er soms wel een voorziening nodig.

Een belangrijk verschil is weggenomen bij de tweede nota van wijziging. De doorschuifregeling had geen regeling voor indirect gehouden aandelen die zakken beneden de 5%-grens. Dat geld heb ik nu kunnen vinden en dat wordt bij een tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel OFM geregeld. Voor alle duidelijkheid: dat staat niet in de tweede nota van wijziging bij de Successiewet, maar dat heb ik in het wetsvoorstel OFM kunnen vinden. Daarin spreken wij immers over de ib en de doorschuiffaciliteit.

Ik heb tot slot nog het punt van scheiding van tafel en bed. Daar is door verschillende woordvoerders al aandacht aan besteed in het wetgevingsoverleg en gisteren in de plenaire zaal. Bij zo'n scheiding is vaak nog sprake van een zorgplicht. In dit voorstel geldt bij een erfenis echter het tarief voor niet-verwanten. Dat is dus tariefgroep 2. Er is op dit moment een voornemen om een oud beleidsbesluit ter zake van de "van echt gescheidenen" uit te breiden naar de "van tafel en bed gescheidenen". Dat betekent dat ik kan toezeggen dat daarmee hun verkrijging krachtens erfrecht tegen het echtgenotentarief wordt belast.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Wel in het testament!

Staatssecretaris De Jager:

Ja, er moet altijd een testament zijn. Anders is iemand ook geen erfgenaam. Dan is er dus een testament.

De voorzitter:

U reageerde op iemand die ik niet het woord had gegeven en die uit de bankjes riep. Ik zal dat door de vingers zien, omdat u zo voortmaakte.

De heer Tang wil nog een vraag stellen.

De heer Tang (PvdA):

Ik ben verrast dat dit het einde is van de eerste termijn. Ik heb de staatssecretaris een aantal vragen gesteld over de bedrijfsopvolgingsregeling. Mij is niet helemaal duidelijk waarom de staatssecretaris voor dit voorstel heeft gekozen en niet voor andere voorstellen. Ten eerste: wij willen allemaal discontinuïteit van ondernemingen voorkomen, maar ik ken in de praktijk nog geen voorbeelden van ondernemingen die door het successierecht in gevaar zijn gekomen. Ik hoor die voorbeelden graag van de staatssecretaris. Ten tweede: zijn er geen andere mogelijkheden om de discontinuïteit van ondernemingen te voorkomen, bijvoorbeeld door de ondernemingen een lening te verstrekken? Het probleem is immers dat het geld vastzit in de onderneming en niet kan worden vrijgemaakt voor het betalen van het successierecht. Waarom heeft de staatssecretaris voor dit voorstel gekozen en niet voor bijvoorbeeld een lening?

Staatssecretaris De Jager:

Wij hebben, ongeveer vanaf het moment dat ik staatssecretaris werd, heel veel kritiek gehad op de bedrijfsopvolgingsregeling zoals die gold. In een aantal gevallen was deze heel erg beperkend vanwege voorwaarden. Hieraan ben ik in een beleidsbesluit al eerder tegemoetgekomen. In dit wetsvoorstel – want het moet geregeld worden bij wet – is de vrijstelling verhoogd voor reële bedrijfssituaties, voor echte ondernemingen. Ik zeg hierbij wel tegen de heer Tang: tegelijkertijd is de mogelijkheid van de liquide middelen, van het kasgeld, beperkt en de kasgeld-bv's zijn er helemaal uitgehaald. De Kamer heeft zelf kennis kunnen nemen van de kritiek van een aantal estate planners. Zij zien dit als een versobering of een belemmering. In de gesprekken die ik vele malen heb gevoerd met onder andere familiebedrijven en met de ondernemersorganisatie is telkenmale gezegd dat zij niet op willen komen voor de constructie met kasgeld-bv's, maar wel voor reële ondernemingen. Bij een kasgeld-bv kan het successierecht betaald worden uit de kasgeld-bv. Er is dus een probleem.

Om de heer Tang te beantwoorden beschrijf ik een korte geschiedenis. In 2002 heeft de Hoge Raad volgens mij een streep gehaald door de toenmalige faciliteit dat bij een ib-onderneming geen goodwill werd berekend in verband met het gelijkheidsbeginsel. Toen moest er ineens belasting worden betaald over goodwill. Wat gebeurt er dus bij bedrijfsopvolging? Over de totale netto contante waarde van alle toekomstige winsten moet successiebelasting betaald worden. Dat wordt ten eerste natuurlijk gezien als onrechtvaardig, omdat men zegt: het is een familiebedrijf, wij verkopen het en wij kunnen niet op de beurs, zodat wij aandelen kunnen verkopen. Men ervaart het zo, en in economisch opzicht klopt dat ook, dat over toekomstige winsten, die netto contant zijn gemaakt, belasting moet worden betaald. Ja, er zijn inderdaad echt gevallen bekend waarbij dit kon leiden tot continuïteitsproblemen. Dit loste men op door als het ware de arm te amputeren, door een deel van het bedrijf af te stoten. Hiervoor kiest dit kabinet niet. Het kabinet heeft met dit voorstel ingestemd, omdat wij willen dat een familiebedrijf in zijn geheel kan doorgaan, met alle economische aspecten van dien, zonder dat er eventueel delen moeten worden verkocht, omdat er ook een maatschappelijk belang is in verband met de werkgelegenheid. Kan dat zonder dat het bedrijf failliet gaat? Ja, natuurlijk kunnen er delen worden verkocht. Maar bij een kasgeld-bv, waar geld in zit, vind ik dat redelijker dan bij een bedrijf dat helemaal bestaat uit mensen, uit steen en uit machines, omdat je daarvan een bepaald bedrijfsonderdeel moet afstoten om de successiebelasting te voldoen. Wij willen bovendien het ondernemerschap bevorderen en wij vinden familiebedrijven belangrijk. Daarom vinden wij het belangrijk om deze faciliteit op te nemen. Het kost ook niet zo heel veel geld, zeg ik tegen de heer Tang, want wat de BOR per saldo kost wordt grosso modo al opgebracht door de box 2-bijdragen in het aanpakken van de trust.

De heer Tang (PvdA):

Mijn vraag is totaal niet beantwoord en dat verrast mij eigenlijk ook niet. Wij hebben deze vraag gesteld en geen antwoord gekregen in het wetgevingsoverleg. Dat krijgen wij ook nu niet. De staatssecretaris is blijkbaar niet in staat om concrete voorbeelden te geven van bedrijven die hierdoor in de problemen zijn gekomen. Nu is het verhaal dat een deel moet worden afgestoten, maar zelfs daarvan heb ik nooit concrete voorbeelden gehoord. De staatssecretaris moet een keer hom of kuit geven en niet met zijn armen blijven zwaaien en spreken over signalen of afgekapte armen. Ik constateer gewoonweg dat die voorbeelden er niet zijn. Dan is het voor de PvdA dus ook niet duidelijk welk probleem er wordt opgelost. Het maakt in dat geval niet uit waar het geld vandaan komt, er wordt geld uitgegeven aan een probleem dat geen probleem is. Dat is mijn punt.

Dat brengt mij bij een andere vraag die de staatssecretaris niet heeft beantwoord. Waarom wordt er geen lening gegeven als het probleem is dat het geld vastzit in de onderneming? Het zijn in principe winstgevende ondernemingen, anders hoef je er ook geen successierechten over te betalen. Waarom zouden wij een bedrijfsopvolging willen wanneer de aandelen geen waarde hebben? Als het bedrijf van nul of generlei waarde is, hoef je er ook geen successierechten over te betalen.

De voorzitter:

Deze vraag lijkt mij helder. Nu geen verdere vragen meer, eerst beantwoordt de staatssecretaris deze vraag.

Staatssecretaris De Jager:

De laatste opmerking van de heer Tang is onjuist. Veel landbouwondernemingen hebben heel veel activa, ter waarde van heel veel geld, maar maken weinig winst. Die zullen toch over de waarde moeten afdragen. Als je geen winst maakt, betekent dat niet dat er geen successiebelasting geheven kan worden.

De heer Tang (PvdA):

Waarom zouden wij dan geen lening verstrekken? Als het een waardevolle onderneming is, dan wordt er uiteindelijk winst gemaakt. Anders kan ik niet begrijpen waarom wij successierechten vragen. Dan zit er iets mis in de waardebepaling.

Staatssecretaris De Jager:

Nogmaals, het gaat hier om een zeer beheersbare budgettaire maatregel. Wij hebben voor deze vrijstelling gekozen omdat het veel eenvoudiger is dan een lening. Je kunt ook vragen waarom je een arbeidskorting nodig hebt. Die kun je ook omzetten in een lening. Wij willen die faciliteit bieden omdat wij het goed vinden dat familiebedrijven continu van hand op hand worden overgedragen. Daarover kun je anders denken, maar het is al met al een redelijk voorstel.

Tot slot wil ik reageren op het amendement-Cramer. Hij vroeg wat er moet veranderen aan het amendement om het aanvaardbaar te maken. Ik onderschrijf de gedachte achter de voorgestelde aanpassingen. Maar de redactionele uitwerking van het amendement is mijns inziens nu wat te ruim. Deze dient op onderdelen te worden aangepast. De voorgestelde uitzondering ziet ook op de verdeling in bloot eigendom/vruchtgebruik, terwijl een dergelijke verdeling net de kern beoogt te raken van artikel 10. Verder biedt het artikel nog steeds ruimte voor fiscaal trapezewerk. Dat is de reden waarom wij er nog niet voor zijn, maar wij zijn het wel eens met de gedachte. De ambtenaren kunnen uiteraard technische ondersteuning bieden aan de heer Cramer voor die aanpassing.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Dat had ik uit de schriftelijke beantwoording al begrepen. Met name het fiscale trapezewerk lijkt mij belangrijk. Ik heb in de toelichting op het amendement een aantal voorbeelden voorbereid om dat te verduidelijken. Het blijft nu enigszins abstract. Het is verstandig om het amendement op dat punt ook aan te passen. Dat is inmiddels in gang gezet.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Ik wil even stilstaan bij de vraag van de heer Tang. Het is mij ook niet helemaal duidelijk waarom nu gekozen is voor 90% bij de bedrijfsopvolging. Als de staatssecretaris een familiebedrijf zo belangrijk vindt, waarom zet hij het dan niet gewoon op 100%? Nu moet een familiebedrijf toch nog gaan waarderen en veel kosten maken om uiteindelijk vrijwel niets te hoeven afrekenen. Zet het gewoon op 100% en laat een familiebedrijf lekker doorgaan met de zaken bij overlijden van een van de eigenaren. Was dat niet veel slimmer geweest?

Staatssecretaris De Jager:

Ik begrijp deze vraag heel goed. Er zijn in de wereld jurisdicties die 100% vrijstelling kennen in dergelijke situaties. Wij hebben een afweging te maken met overige onderdelen van de successiebelasting om het verschil niet al te groot te maken. Een 100% vrijstelling doet toch wel een heel groot verschil ontstaan. Ik heb in het wetgevingsoverleg al toegegeven dat het enigszins arbitrair is: 90% kan ook 89% of 91% zijn. We hebben wel gezegd: we willen een percentage dat hoog genoeg is om geen problemen te veroorzaken, maar we willen geen absolute vrijstelling.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Waar het mij om gaat, zijn de kosten die gemaakt worden om de waarde van een onderneming te bepalen. U weet zelf dat dit niet makkelijk is en dat het een vrij kostbare zaak is om dat te doen. De vraag is of de kosten die gemaakt moeten worden, opwegen tegen de uiteindelijke betaling van erfbelasting. Die kosten overschrijden misschien wel vele malen de uiteindelijke betaling van 10%. Ik zie in de nota naar aanleiding van het verslag wat het kostte om van 75% naar 90% te gaan: dat kostte 26 mln. Ik ben nieuwsgierig naar de afweging achter die 100%, 90%, 80% of 75%. Waarom is er gekozen voor 90%, mede gelet op de kosten die gemaakt moeten worden in verband met de waardering van zo'n firma?

Staatssecretaris De Jager:

Met name omdat bij 100% het verschil te groot zou zijn bij de verkrijger van het familiebedrijf ten opzichte van een normaal bedrijf. Dat verschil is natuurlijk bij 90% ook al groot, maar bij 90% is er nog steeds sprake van dat een substantieel deel over het familiebedrijf wordt betaald. Ik zie het punt van de waardering wel van de heer Van Dijck. Wij zijn op deze manier tegemoetgekomen aan de wens van de familiebedrijven om een hoge vrijstelling te geven. Men had ingezet op het achterwege laten van goodwill, want de waardering van goodwill levert, zoals ik tegen de heer Tang ook al zei, veel problemen op bij de beoordeling. Wij hebben uiteindelijk gezegd dat die 90% resulteert in een redelijke heffing. Uiteraard is de grens arbitrair. Het had ook 89% of 91% kunnen zijn.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij ruim voor 21.00 uur gekomen aan het einde van het antwoord van de staatssecretaris in eerste termijn. Wij gaan nu door met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De maatstaf daarvoor is een derde van de spreektijd in eerste termijn. Ik zou de heer Omtzigt het woord willen geven, maar hij vraagt om een korte onderbreking voor belet.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Omtzigt (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording op hoofdpunten. Dit is ongeveer de vierde termijn, het wetgevingsoverleg meegerekend. Wij naderen de afronding. Ik denk dat hier een mooi wetsvoorstel ligt.

In deze termijn gaan wij allemaal naar kleine puntjes kijken in deze wet, waar wij misschien nog allerlei wensen over hebben. Ik heb zo meteen ook nog een wensenlijstje. Misschien is het goed om nog even stil te staan bij wat dit wetsvoorstel doet. Het regelt dat de mensen die nu denken, in één of ander tropisch belastingparadijs een doodshemd met zakken gevonden te hebben, eveneens onder de normale belastingheffing gaan vallen. Het regelt dat rare constructies in tropische landen niet langer mogelijk zijn, maar belast worden en dat daarmee de gewone erfenissen stukken minder belast worden. Het regelt dat mensen die zich netjes overal aan houden en geen rare constructies bedenken, straks minder belasting gaan betalen en dat grote groepen – de allergrootste groep zijn mensen die getrouwd zijn – straks helemaal niet meer getroffen wordt door de erfbelasting. Dat vindt de CDA-fractie grote winstpunten van dit wetsvoorstel. Ik dank de staatssecretaris dat hij met zo'n doortastend wetsvoorstel naar de Kamer is gekomen. Het was juridisch moeilijk. Hem is het vuur na aan de schenen gelegd, onder andere door de parlementair advocaat en 20.000 mensen die het er niet mee eens waren. Ik weet de reden wel dat een aantal mensen het er niet mee eens was en die had niet te maken met juridische moeilijkheden.

Er zijn nog een paar openstaande punten. Het eerste betreft geregistreerde partners. Wij zijn blij met een eenduidiger partnerbegrip en willen dat er een laagdrempelige manier is waarop mensen die nu samenwonen zich alsnog kunnen registreren als geregistreerde partners bij de gemeente. Dan doen zij iets publieksrechtelijks. Wij zullen daarover samen met de PvdA-fractie een verzoek doen aan de staatssecretaris. Wij zijn blij met de halve toezegging dat hij in overleg gaat met de gemeenten, maar wij willen die graag bekrachtigd zien.

Wij hebben een prachtig amendement gemaakt om te bewerkstelligen dat ouders voor hun kinderen mogen zorgen door ze € 50.000 te kunnen schenken en daarbij niet getroffen worden door de schenkingsbelasting. Dat bedrag moet wel worden afgeboekt op de hypotheeksom, zodat zij niet te maken hebben met overkreditering. Daarnaast strekt het amendement ertoe dat ouders een studiefonds mogen instellen door middel van een vergrote schenking voor bijvoorbeeld niet bekostigde studies, dus met een collegegeld van meer dan € 20.000 – dat is bijvoorbeeld een opleiding tot piloot of een masterstudie in het buitenland – om hun kinderen eenmalig op weg te helpen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Na het indienen van het amendement kreeg ik de vraag – ik stel deze maar aan de eerste indiener – of deze vrijstelling ook geldt als € 50.000 wordt kwijtgescholden van een bestaande lening.

De heer Omtzigt (CDA):

Het is mijn bedoeling dat als iemand zijn kinderen een lening heeft gegeven van € 45.000 en deze na inwerkingtreding van deze wet omzet in een schenking en er nog geen eenmalige schenking van € 26.000 is gedaan – dan kan het namelijk niet – het amendement van toepassing is, zodat ook deze mensen de mogelijkheid hebben om hun kinderen op pad te helpen. Dan moet dat geld wel zijn gebruikt voor de aankoop van een huis en moet het worden afgeboekt op de hypotheek. Als dat niet het geval is, valt het niet onder de dekking.

Ik heb nog enkele technische punten. In artikel 7 wordt gesproken over enkelvoudige rente. Prof. Van Vijfeijken schreef in haar artikel in het Weekblad Fiscaal Recht in juni 2009 dat het in artikel 7 gaat over het verkeer tussen de erflater en de fictieve verkrijger en dat het in het maatschappelijk verkeer normaal is om met samengestelde rente te werken omdat dit de opbrengst is die wordt gederfd. Dat de Belastingdienst soms voor het gemak in andere regelingen van een enkelvoudige rente uitgaat, doet niet ter zake. Kijk maar naar de schenkingen op papier. Daarover moet ook een zakelijke samengestelde rente van 6% daadwerkelijk worden uitbetaald. Er kan dus volgens ons geen enkelvoudige rente blijven bestaan. Wij hopen dat de staatssecretaris hier voor maandag schriftelijk op kan reageren.

Mijn volgende punt betreft artikel 9. In meer dan 90% van de testamenten, zo vertellen mensen ons van verschillende kanten, staat een enkelvoudige rente gebaseerd op een samengestelde rente van 6%. Daarover zijn wij het eens. Er zijn honderdduizenden nalatenschappen afgewikkeld op deze wijze, ook dat is duidelijk. Indien de langstlevende vanaf 1 januari 2010 komt te overlijden voor de statistische levensverwachting, treedt de wiskundige wetmatigheid op dat meer moet worden betaald. Dat is niet helemaal de bedoeling. Graag krijgen wij de toezegging waarom wij al zo vaak hebben gevraagd, namelijk dat daarmee rekening wordt houden. Wij hebben dat twee keer schriftelijk uitgelegd.

Wat betreft artikel 10 zijn nu alle problemen opgelost. Wij zijn blij met de bevestiging dat er twee jaar na inwerkingtreding een evaluatie plaatsvindt en met de tabel waarin precies staat waar het wel en niet zit. Wij zullen de vinger buitengewoon goed aan de pols houden wat dit betreft.

Wij wensen nog steeds een SBBI-register, want er zijn vele niet-commerciële instellingen en verenigingen die wij willen ondersteunen. Daarom dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat sportverenigingen, niet-commerciële buurt- en dorpshuizen, jeugdgroepen en andere maatschappelijke organisaties en verenigingen van onschatbare waarde zijn voor de samenleving;

van mening dat deze verenigingen en organisaties het verdienen dat de overheid hen faciliteert;

constaterende dat de door de regering in het wetsvoorstel Wijziging van de Successiewet 1956 voorgestelde faciliteiten voor Sociaal Belang Behartigende Instellingen (SBBI's) hiervoor zorgen;

constaterende dat mensen die vermogen nalaten of schenken aan voornoemde instellingen zekerheid moeten hebben over de vraag of hetgeen zij nalaten of schenken aan een dergelijke instelling niet met successierechten wordt getroffen;

constaterende dat deze zekerheid kan worden geboden door toegelaten instellingen in een register op te nemen;

verzoekt de regering, in overleg met het veld voor 1 maart 2010 voor een dergelijk register te zorgen en de Kamer hierover te informeren;

en verzoekt de regering tevens, met nadere voorstellen te komen ter ondersteuning en facilitering van SBBI's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Omtzigt, Cramer en Tang. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69(31930).

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik denk dat het goed is – het gaat allemaal zo snel – dat de heer Omtzigt het laatste verzoek dat hij aan de regering doet, nog even expliciet maakt. Wat verstaat hij daar precies onder?

De heer Omtzigt (CDA):

In de originele motie die ik ongeveer driekwart jaar geleden samen met de heer Tang heb ingediend, vroegen wij om aan die SBWI's ook rechtsgevolgen te verbinden, bijvoorbeeld wanneer het om energiebelasting gaat en om vrijstelling van de btw voor kantines. Recent kwamen wij erachter dat verenigingen, bijvoorbeeld de zangkoren waaraan de heer Van der Vlies refereerde, te maken krijgen met belachelijk hoge heffingen van Buma/Stemra. Die heffingen kunnen ook behoorlijk wat naar beneden. Misschien kunt u daar even met uw collega van Justitie en van BZK op bezoek gaan om ervoor te zorgen dat deze verenigingen datgene kunnen doen waarvoor zij bedoeld zijn. Ik doel op het toestaan van zelforganisatie, zonder dat die verenigingen geconfronteerd worden met al te veel rompslomp van de overheid of van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke lichamen als Buma/Stemra.

Ik kom op het overgangsrecht voor de ANBI's. Wij zijn blij met de nieuwe definitie van de ANBI. Wij hebben hier zelfs op detailniveau gesproken over wat er moet gebeuren met de ANBI die Nieuwspoort heet. Onder ons gezegd, een gedeelte van ons amendement wordt nu ook gefinancierd uit de wijnaccijnzen, dus er zullen problemen ontstaan bij Nieuwspoort. De slag bij Nieuwspoort is dus door de Kamer geleverd. Het is onze bedoeling dat het alleen gaat om instellingen die van algemeen nut zijn. Het Kamerlid Schinkelshoek kent Nieuwspoort van beide kanten. Hij zal het waarderen dat dit een uitermate prettige sociëteit is, maar hij zal erkennen dat het niet een instelling is die het algemeen nut beoogt te dienen.

De voorzitter:

Het zal u niet lukken om mij bij dit debat te betrekken. Ik verzoek u om uw betoog te vervolgen.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik zal de voorzitter niet bij dit debat betrekken, maar ik zal de heer Schinkelshoek daarover op een nader moment spreken.

Ik kom op het overgangsrecht. De schriftelijke beantwoording vinden wij wat het overgangsrecht betreft onder de maat. Ik pleit voor een tegemoetkoming voor alle mensen die te goeder trouw waren en die hebben gezegd dat zij een periodieke gift doen aan een culturele instelling, omdat zij die van de belasting kunnen aftrekken. Zij voldoen nu niet meer aan de eis van 90%. Als er geen tegemoetkoming komt, zullen wij onze collega's in de Eerste Kamer daarop attenderen. Die mensen konden immers niet weten dat de eis van 90% in de ANBI zou worden gezet. En vanaf november 2008 is het expliciet toegestaan om een akte te maken waarin wordt vastgelegd dat de gift niet hoeft te worden gegeven wanneer de instelling de ANBI-status verliest.

Wij hebben dit wetsvoorstel heel uitgebreid behandeld. Wij wensen onze collega's in de Eerste Kamer dan ook een snelle behandeling toe. De goede punten in het wetsvoorstel verdienen het immers om snel ingezet te worden.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Voorzitter. De GroenLinks-fractie is voorstander van een grondige modernisering van de erfbelasting. Zij vindt dat mensen zelf moeten kunnen beslissen wie hen dierbaar is. De overheid dient zich daarmee niet te bemoeien. Verder is het voor haar essentieel dat de erfbelasting in de toekomst meer afhankelijk wordt gemaakt van het vermogen dat iemand al heeft. Zodoende wordt het ook een meer sociale belasting. Wij zullen alle amendementen die daartoe bijdragen – ik doel enerzijds op het recht doen aan moderne leefvormen en anderzijds op het afhankelijk maken van de erfbelasting van datgene wat iemand al heeft – van harte steunen.

De GroenLinks-fractie wil ook graag een groep tegemoet komen die de dupe dreigt te worden van de herziening van de Successiewet. Ik doel op de kinderen die bij de enige levende ouder wonen. Vaak verrichten zij ook mantelzorg voor die ouder. Het is een groep die ons heel dierbaar is. Ik heb begrepen dat er best steun is voor deze gedachte, maar dat de dekking die wij erbij hebben aangegeven een probleem vormt. Een aantal collegae heeft dat al expliciet in het debat gezegd, anderen deden dat in de wandelgangen. Onze dekking bestond uit het terugbrengen van de dekking voor partners naar het huidige niveau. Veel collegae vinden uit lastig. Uit de andere amendementen die zijn ingediend, leid ik af dat een dekking in de wijnaccijns minder gevoelig ligt. Ik ben daarom graag bereid om de dekking in de wijnaccijns te gaan zoeken. Ik hoop daarmee meer steun, of eigenlijk zelfs brede steun, te verwerven van de rest van de Kamer.

Voor ons was het budget een belangrijk punt. Wij willen niet dat deze wijziging van de Successiewet de gewone belastingbetaler straks per saldo geld zal gaan kosten. De ramingen die hierover zijn gemaakt, acht ik vooral afhankelijk van hetgeen de belastingparadijzen zullen gaan opleveren. Dat weten wij nu nog niet zeker. Wij moeten vertrouwen op de inschatting van de staatssecretaris, maar ik moet zeggen dat de staatssecretaris hierover ook vandaag weer een aantal ferme uitspraken heeft gedaan die mij aanspreken, Hij heeft ons, met zijn vingertje erbij, duidelijk gemaakt dat hij linksom of rechtsom het geld daar gaat weghalen. Wij zullen de staatssecretaris hieraan houden. Vooralsnog geloven wij hem op zijn woord.

Wij zijn van mening dat een grondigere wijziging had kunnen plaatsvinden. De wijziging die nu plaatsvindt, is in de ogen van de fractie van GroenLinks geen verslechtering van de huidige praktijk maar een verbetering. Hoge vermogens en belastingparadijzen worden harder aangepakt. Daardoor kunnen mensen met kleinere erfenissen worden ontzien. Wij achten dat een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Wij zullen het voorstel dus wel steunen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor zijn antwoorden. Op onderdelen is hij vanavond daarin uitgebreid geweest, maar op sommige andere onderdelen buitengewoon bondig. Ik heb met plezier ook de vele schriftelijke antwoorden gezien die onze kant op zijn gekomen.

Vooraf wil ik een opmerking maken over het proces. De staatssecretaris was daarover nogal jubelend. In het wetgevingsoverleg heb ik daarbij al een aantal kritische kanttekeningen geplaatst. Even los van de belangen die hebben meegespeeld, meen ik dat het in het traject met de deskundigen in het veld in ieder geval een spannend proces is geweest. Dan heb ik het vriendelijk geformuleerd. Ik ben blij dat de discussie uiteindelijk tot een draaglijk amendement heeft geleid dat daarnet is ingediend onder nummer 68. Ik hoop dat de staatssecretaris er nu definitief het groene licht aan zal geven. Ik meen dat wij daarmee een belangrijke stap in deze buitengewoon moeilijke materie zouden hebben gezet.

Ik dank de staatssecretaris hartelijk voor zijn toezegging over de scheiding van tafel en bed. Ik meen dat hij met deze toezegging tegemoet komt aan het gevoelen dat hierover bestond. De situatie van de mensen die hiervoor op principiële gronden kiezen, wordt op deze manier door de staatssecretaris op waarde geschat. Dat waardeer ik zeer.

Er ligt een wat minder gunstige motivering van de staatssecretaris over het amendement over de BOR. Ik begrijp zijn bezwaar, maar ik hoop dat de staatssecretaris kan begrijpen dat ik er goed over heb nagedacht, samen met de coalitiegenoten die mee hebben getekend, en mijn amendement handhaaf.

Het amendement op de opgaande lijn handhaaf ik ook. Het is gewijzigd ingediend in verband met de dekking. Ook daarover maakte de staatssecretaris de opmerking dat hij wat minder gelukkig is met die dekking, maar ik vind het doel in dit verband belangrijker dan zijn oordeel over de dekking.

Voor de zekerheid meld ik nog een keer dat ons amendement op stuk nr. 6 tijdens het WGO is ingetrokken. Ik kon dit niet terugvinden in de stukken dus ik maak er nog een keer officieel melding van. Na al deze discussie zal ik kortheidshalve nog twee moties indienen. Die hebben ermee te maken dat niet alles in de beantwoording net helemaal uitputtend aan de orde is geweest. Ik denk dat het goed is daarover in ieder geval nog de helderheid te bieden, dan maar in tweede termijn door middel van de moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor samenwonende mensen de eerste tariefgroep in de Successiewet geldt, wanneer er een bewijs van samenwonen overlegd kan worden, ofwel in de vorm van een geregistreerd partnerschap, ofwel via een samenlevingsovereenkomst;

overwegende dat het geregistreerd partnerschap aanzienlijke kosten met zich meebrengt, maar dat een samenlevingsovereenkomst een goedkoper alternatief is;

overwegende dat familiesamenwoners, zoals broers en zussen, alleen voor het geregistreerd partnerschap in aanmerking komen en daarmee per definitie voor hoge kosten worden geplaatst;

verzoekt de regering om familiesamenwoners een goedkoop registratiealternatief te bieden, waaruit blijkt dat er sprake is van een wederzijdse zorgplicht en gemeenschappelijke huishouding, waardoor tariefgroep 1 op hen van toepassing is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Cramer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70(31930).

De heer Cramer (ChristenUnie):

De tweede motie gaat over de bedrijfsopvolgingsregeling als boedelfaciliteit. Misschien heb ik het in de snelheid van de beantwoording van de staatssecretaris gemist, maar daarop heb ik het antwoord niet gehoord. Ik probeer het daarom nu nog een keer. Het is misschien een wat ingewikkelde motie, maar het was ook ingewikkelde materie dus ik doe mijn best om het zo duidelijk mogelijk te maken.

De voorzitter:

Probeert u het eens.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij verkrijging van ondernemingsvermogen als gevolg van een nalatenschap het op basis van de bedrijfsopvolgingsregeling voorwaardelijk vrij te stellen gedeelte van dat vermogen wordt berekend over de waarde van het ondernemingsvermogen zonder aftrek van de met de verkrijging samenhangende overbedelingsschulden aan de andere erfgenamen;

overwegende dat bij die andere erfgenamen het met het ondernemingsvermogen samenhangende deel van hun onderbedelingsvorderingen normaal onderworpen is aan de heffing van erfbelasting, behoudens een faciliteit voor rentedragend uitstel;

overwegende dat in die situatie de bedrijfsopvolgingsregeling in onvoldoende mate uitwerkt overeenkomstig haar ratio, te weten het bevorderen van de continuïteit van ondernemingen, doordat het "indirecte" aandeel van de andere erfgenamen in het ondernemingsvermogen niet onder de regeling valt en de erfgenaam die het ondernemingsvermogen verkrijgt, een te hoge voorwaardelijke vrijstelling krijgt;

overwegende dat het voorgaande zich in het bijzonder voordoet in de "standaard"-situatie dat een partner overlijdt met achterlating van de andere partner en kinderen en de langstlevende partner krachtens, al dan niet wettelijke, verdeling het ondernemingsvermogen verkrijgt;

verzoekt de regering, de mogelijkheden te onderzoeken om in de genoemde situatie de voorwaardelijke vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling te verlenen op het niveau van de nalatenschap, waarbij de andere erfgenamen ook voor hun deel van de onderbedelingsvorderingen dat samenhangt met het ondernemingsvermogen in de faciliteit delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Cramer. Ik zal u niet vragen dit in kort, bondig en begrijpelijk Nederlands te herhalen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71(31930).

De heer Cramer (ChristenUnie):

Afrondend: het was een spannend debat, vooral ook rond het amendement van de heer Tang, dat ik mee heb getekend. Voor mij was in deze discussie heel belangrijk de spanning tussen de haalbaarheid van de uitvoering en het amendement. Ik ben benieuwd wat daarover het definitief oordeel van de heer Tang wordt, maar voor mij is de opmerking van de staatssecretaris zwaarwegend geweest.

De heer Remkes (VVD):

Ik vraag over de motie familiesamenwoners, om het zo even samen te vatten, een nadere verduidelijking. Er wordt daarin gevraagd naar een goedkoop registratiealternatief. Waar zit de indiener van deze motie aan te denken? Gaan zijn gedachten in dezelfde richting als die van de heer Omtzigt? Dit is mij eerlijk gezegd allemaal veel te onbestemd. Gaarne een nadere toelichting.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Het probleem was om het "bestemd" te maken, omdat ook in het debat hierover de meningen nogal verschilden. In de discussie is gewezen op het feit dat registratie bij gemeenten, bijvoorbeeld door de registratie in de GBA op één adres, een goedkope manier kan zijn. Ook het geregistreerd partnerschap kan op een vrij goedkope manier worden uitgevoerd. Er is gesuggereerd dat de route via de GBA een mogelijkheid is. Die route staat echter niet open voor familiesamenwoners. Ik zoek naar een analoge mogelijkheid.

De heer Remkes (VVD):

Dit is dus op dit moment een onbestemd verhaal en deze motie is dus in feite een lege huls. Hiervan zal immers niets terechtkomen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik geef toe dat dit op dit moment niet is geregeld. Ik vraag de regering echter of men kans ziet om hiervoor een handvat te bieden, juist omdat het zo onbestemd is en er nu geen oplossing wordt geboden.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Voorzitter. De fractie van de Partij voor de Vrijheid is blij met de vereenvoudiging van de Successiewet en de verlaging van de successierechten. Het is een goede zaak dat allerlei ontduikingsconstructies worden aangepakt. Chapeau voor de staatssecretaris. Maar ... deze vereenvoudigingsslag is niet ten einde. Het is wat ons betreft allemaal nog veel te ingewikkeld. Bijvoorbeeld artikel 10 moet je vijf keer lezen voordat je het begrijpt. Het is jammer dat de staatssecretaris deze wet niet verder heeft versimpeld. Toch is dit een stap in de goede richting. De staatssecretaris had de kans om het successierecht echt te versimpelen en echte transparantie te bewerkstelligen, maar dat is niet gelukt.

Het enige wat ik nog mis in dit wetsvoorstel in verband met onze opmerkingen is de eerbiedigende werking en het overgangsrecht. Ook de schriftelijke antwoorden zijn volgens mijn fractie niet voldoende. Eerder opengevallen nalatenschappen en daarin afgesproken rentepercentages zijn volgens ons te eerbiedigen, evenals de resolutie van 1964. Dit draagt niet bij aan het beeld van een betrouwbare overheid. Afspraken die in het verleden zijn gemaakt, moeten gewoon worden gevolgd.

Ook kan ik niet begrijpen dat de staatssecretaris niet kan zeggen hoeveel ANBI's de status gaan verliezen. Hij weet wel te vertellen dat hiermee 54 mln. wordt bespaard, maar hij kan mij niet vertellen welke ANBI's en hoeveel ANBI's hun status zullen verliezen. Ik krijg hierover graag meer duidelijkheid.

Met de dekking van de APV-aanpak is volgens de staatssecretaris 210 mln. gemoeid. Het gaat daarbij om een structurele dekking. Met het regime waarmee de APV's nu worden aangepakt, komt er straks een einde aan de APV. Immers, het wordt onaantrekkelijk om een APV in te richten. Ik vraag mij daarom af hoe de staatssecretaris deze dekking structureel wil invullen. In de komende jaren zal het hierbij misschien gaan om 210 mln., maar dit bedrag wordt uiteraard gaandeweg steeds lager.

Ik weet niet of de staatssecretaris in zijn tweede termijn nog op amendement ingaat. Kan hij nog eens ingaan op mijn amendement? Ik begrijp namelijk niet waarom dat onuitvoerbaar zou zijn. Het gaat hierbij tenslotte om schrijnende gevallen.

Dit wetsvoorstel is nog niet klaar. Volgens mij is dit pas echt klaar als wij deze onrechtvaardige vorm van belasting helemaal kunnen afschaffen. Die tijd is echter helaas nog niet daar.

De heer Bashir (SP):

Wat vindt de PVV-fractie van de amendementen van de coalitiepartijen om de accijns op wijn te verhogen?

De heer Remkes (VVD):

De fractie is tegen, naar ik aanneem!

De heer Tony van Dijck (PVV):

Ik heb hier nog opgeschreven staan dat wij geen enkel amendement zullen steunen dat leidt tot belastingverhoging of tot koopkrachtvermindering voor burgers. U weet dat de PVV staat voor belastingverlaging en koopkrachtversterking. Het is een heel sympathiek amendement, maar als het niet de wijnaccijns was geweest maar wellicht iets anders, dan hadden wij het gesteund. Wij kunnen echter niet meegaan in het verhogen van accijnzen, want wij strijden juist voor accijnsverlaging.

De heer Bashir (SP):

Beseft de heer Van Dijck dat de accijns op wijn nog veel meer moet worden verhoogd als hij de hele Successiewet zou afschaffen, waardoor de PVV-fractie nooit meer wijn kan drinken?

De heer Tony van Dijck (PVV):

Dat ligt er natuurlijk aan. Wij weten allemaal dat de Successiewet de schatkist 2 mld. oplevert. De vraag is dan of je die 2 mld. dan in andere belastingverhogingen moet zoeken, zoals een accijnsverhoging, of in het schrappen van de welbekende linkse hobby's.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris dank zeggen voor zijn reactie. Ik heb al een paar keer gezegd dat het hoofddoel van de wet onze steun krijgt, alsook de inrichting zoals die zich nu ontwikkelt. Ik heb gisteren wat kritiek gegeven op de ontwikkelingen rondom het partnerbegrip. Die is echter van principiële aard en ligt hier niet ter besluitvorming voor. Ik beperk mij nu door de dingen die door mij nog aan de orde zijn gesteld, dan wel in het debat van vanavond een beduidende rol hebben gespeeld. Daarnaast heb ik nog één vraag over een advisering over een voorliggend amendement.

Ik heb een paar keer gevraagd om een regeling te treffen rond de casus van het gescheiden zijn van tafel en bed. De staatssecretaris heeft dat toegezegd, waarvoor dank. Dat wordt dus geregeld. Prima.

Het amendement op stuk nr. 55 gaat over de belastingkorting van € 1000. Wij kregen zojuist een brief aangereikt van Actal waarin diverse uitvoeringstechnische bezwaren worden aangewezen. De staatssecretaris heeft dat ook uitdrukkelijk naar voren gebracht en komt voor de stemmingen nog met een overzicht van die problemen en van de aard ervan, met een commentaar daarop. Wij wachten dat af.

Het amendement op stuk nr. 51 van mevrouw Sap van de GroenLinks-fractie gaat over de kinderen die een ouder verzorgen of een zorgplicht over een ouder hebben aanvaard, maar die niet onder het nieuwe partnerbegrip kunnen schuiven. Zij wil dat herstellen. Ik had gisteren kritiek op de door haar aangegeven dekking. Zij heeft vandaag in haar termijn een andere dekking gesuggereerd, die bij mijn fractie heel veel plezieriger valt. De steun die ik uitdruk voor de doelstelling van het amendement, blijft dus overeind.

Over het amendement op stuk nr. 46 van mevrouw Koşer Kaya van D66 heb ik nog een vraag. Daarin gaat het over mensen die vijf jaar samenwonen onder het partnerbegrip zonder samenlevingscontract. Daarop geeft de staatssecretaris een heel curieuze beschouwing. Hij heeft heel helder neergezet dat er een onvoldoende controleerbare waarborg is en dat het zonder een afdwingbare verplichting van de erflater moeilijk is. En dan eindigt die beschouwing op de volgende, heel curieuze manier, die ik in mijn leven als parlementariër nog niet eerder ben tegengekomen. "Om die reden wil ik daar nog even de vinger bij leggen. Er zijn veel nadelen aan dit amendement. Het uniforme partnerbegrip raakt buiten beeld. Echter, indien dit de vurige wens van de Kamer is, laat ik het oordeel aan haar over." Dat is een uiterst merkwaardige. "U vraagt, wij draaien", zo heb ik het dualisme nog nooit begrepen. Het is of aanvaardbaar als amendering, of niet. Of de staatssecretaris ontraadt het, of hij heeft geen bezwaar – er zijn inderdaad nog enkele andere varianten – maar het is nooit een kwestie geweest in dit huis van u vraagt, wij draaien. Maar daar lijkt dit toch erg op. Ik verzet mij daartegen. Ik vraag de staatssecretaris uiteraard om hierop te reageren.

Mijn laatste opmerking gaat over de ANBI-lijst. Ik heb hier gisteren een motie over in het vooruitzicht gesteld, maar die zal ik niet indienen. De staatssecretaris heeft namelijk uitdrukkelijk toegezegd in de schriftelijke antwoorden op hetgeen gisteren werd ingebracht, dat de statutaire namen aangevuld kunnen worden met de bekende werknamen van ANBI's. Iedereen begrijpt waarover het gaat. Dat is dus een klip-en-klare toezegging. Ik hoef de motie dus ook niet in te dienen. Dank daarvoor.

De heer Bashir (SP):

Voorzitter. In tijden dat het kabinet zegt dat iedereen moet inleveren, geeft het tegelijkertijd een grote belastingverlaging aan mensen met zeer veel vermogen. Dit wetsvoorstel levert verhoudingsgewijs weinig op voor de gewone man met een kleine erfenis. Wie wel profiteren, zijn de mensen met grote erfenissen.

De heer Omtzigt (CDA):

Graag verneem ik de definitie van een "kleine erfenis" van de SP.

De heer Bashir (SP):

Wij hebben sinds de jaren zeventig, tachtig een generatie gekregen waarvan sommigen een huis hebben dat ook is afbetaald. Er was geen sprake van een aflossingsvrije hypotheek. Iemand die bijvoorbeeld twee of drie kinderen heeft, laat vervolgens het huis na aan die kinderen. Ik vind dat de helft van het bedrag toch als een kleine erfenis gezien moet worden. Ik denk hierbij aan € 40.000 tot € 50.000.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik ben blij dat het eigenhuisbezit nu door de SP wordt bevorderd. Dat vind ik een grote winst in vergelijking met het verleden. Weet de heer Bashir dat mensen met erfenissen van € 40.000 voor kinderen er fors op vooruitgaan met dit voorstel?

De heer Bashir (SP):

Met dit wetsvoorstel betaal je nog steeds flink belasting als je een erfenis krijgt van € 40.000.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik ben blij met de constatering dat een gemiddeld belastingtarief van minder dan 5% door de SP als een fors belastingtarief wordt gezien.

De heer Bashir (SP):

Voorzitter. Om een vergelijking te geven, iemand die bijvoorbeeld nu van een verre verwante meer dan € 880.000 erfenis krijgt, krijgt een belastingverlaging van 28% over het bedrag boven de € 880.000. Tegelijkertijd doen wij bijna niets aan de mensen met een kleine erfenis. Dat is een gegeven.

Ik ga in op de amendementen van de coalitiepartijen. Ze hebben een aantal voorstellen ingediend om gehandicapten, zieke kinderen, ouders en stiefkinderen een grotere vrijstelling te geven. Ze willen deze amendementen echter dekken door de accijns op onder meer wijn te verhogen. Dit wordt voorgesteld terwijl de belasting op de allergrootste erfenissen flink verlaagd wordt. In feite zal de 7 mln. gedekt worden door de accijns op wijn te verhogen. Dit vind ik eigenlijk te gek voor woorden, temeer omdat er ook sprake is van een grenseffect. De staatssecretaris zal dit ongetwijfeld zo direct benadrukken. Europa kent geen minimumaccijns op wijn, in tegenstelling tot andere producten. Er zijn landen die geheel geen accijns op wijn heffen. Wij hebben daarom de drie genoemde amendementen gewijzigd. Wij hebben alleen de dekking gewijzigd; de rest van het amendement is precies hetzelfde. Die dekking hebben wij gevonden door de bedrijfsopvolgingsregeling, waarop onder andere de PvdA-fractie net wees, intact te houden. De PvdA-fractie stelde zojuist dat het eigenlijk onnodig is om die flink te verruimen.

Andere amendementen die ervoor zorgen dat kleine erfenissen minder belast worden of die voor een derde progressie zorgen, zullen op onze steun kunnen rekenen, voor zover deze een degelijke dekking hebben. In tegenstelling tot de staatssecretaris geeft bijvoorbeeld de heer Remkes gewoon toe dat hij niet altijd een dekking heeft gevonden. Amendementen die wel een dekking hebben en die ervoor zorgen dat de kleine erfenissen erop vooruitgaan, zullen wij zeker steunen.

Wij hebben grote vraagtekens gezet bij de dekking van dit wetsvoorstel, maar ook bij het gegeven dat de grote erfenissen er in verhouding meer op vooruitgaan en het gegeven dat tegelijkertijd ongelijkheid wordt gecreëerd tussen particulieren en ondernemers. Dit zorgt ervoor dat ik mijn fractie zal adviseren om tegen dit wetsvoorstel te stemmen.

De heer Remkes (VVD):

Mijnheer de voorzitter. Gisteren heb ik al een voorbeeld gegeven van de soms wat merkwaardig aandoende argumentatie van de zijde van de staatssecretaris in de stukken. Collega Van der Vlies gaf daar zojuist ook een voorbeeld van. Ik denk in dit verband ook aan de passage met het commentaar van de staatssecretaris op het amendement op stuk nr. 49. Ik citeer: Het amendement is daarmee budgettair neutraal. Allereerst wil ik opmerken dat het hoogst onzeker is dat deze maatregel daadwerkelijk budgettair neutraal uitwerkt.

Dit is een letterlijk citaat met twee opeenvolgende zinnen. Hiermee is iets gezegd over alle wijsheden die er qua dekking en financiële effecten van dit wetsvoorstel zijn geuit. In eerste instantie heb ik gezegd de verantwoordelijkheid in dit opzicht bij de staatssecretaris te laten, maar er moet niet de suggestie ontstaan dat hier grote zekerheden gedebiteerd worden. In belangrijke mate zijn het projecties op de wolken.

De staatssecretaris begon zijn antwoord met op te merken dat velen tegen hem hebben gezegd: waar begin je aan? Dat begrijp ik. In eerste termijn heb ik gezegd dat het wetsvoorstel verbeteringen kent. Ik onderken dat. Echter, als je een vrij omvangrijk traject van wetswijziging inzet en als je daarbij geen enkele financiële speling hebt om de mensen die erop achteruitgaan te compenseren, weet je dat je heel veel discussie oproept. Dat heeft de geschiedenis met dit type wetgeving geleerd. Ik ken natuurlijk ook de adviezen van de adviseurs en van allerlei hooggeleerde heren. Met de staatssecretaris onderken ik wel dat er allerlei belangen in het geding zijn, maar die maken op mij niet zo'n geweldig diepe indruk. Wat op mij wel indruk maakt, is dat mensen er als gevolg van de voorstellen daadwerkelijk op achteruitgaan. Bij interruptie heb ik gewezen op de schenkingstarieven, die verdubbelen. Ik zal dat nu niet doen, maar ik kan de staatssecretaris nog wel een paar voorbeelden geven waaruit blijkt dat mensen mede als gevolg van het ontbreken van overgangsrecht op het moment dat zij met de gevolgen van dit wetsvoorstel geconfronteerd worden, zich behoorlijk bekocht zullen voelen. Collega Van Dijck gaf dat ook aan. Er zijn dergelijke situaties te duiden. De ANBI- en de SBBI-discussie is daarvan een voorbeeld. Collega Omtzigt zei dat dit voor de fractie van het CDA een aangelegen punt is. Ik begrijp dat. Ik sta in feite op dezelfde manier in die discussie. Uit de schriftelijke beantwoording van de staatssecretaris moet ik echter de conclusie trekken dat de fractie van het CDA met lege handen staat. Er is wel een motie ingediend, maar het is afwachten wat daarvan terechtkomt. Er komt dus geen SBBI-register. Wat de ANBI's betreft, bevestigt de staatssecretaris in de richting van een aantal fracties dat in feite alles onzeker blijft. Dus het is onzekerheid troef. Over het idee dat er geen constructiegevoelige situaties moeten ontstaan, verschillen wij niet van mening, maar ik vind dat op dit terrein een groot aantal instellingen in volstrekte onzekerheid achterblijven. Dat is ook het commentaar van een aantal maatschappelijke organisaties en dat weegt voor mijn fractie zwaar.

De heer Omtzigt (CDA):

De heer Remkes geeft aan dat er overgangsrecht voor schenkingen ontbreekt. Ik zou niet weten waarom daarvoor overgangsrecht zou moeten zijn. Misschien kan hij dat toelichten?

De heer Remkes (VVD):

Nee, dat zeg ik niet!

De heer Omtzigt (CDA):

Misschien kan de heer Remkes aangeven op welke punten mensen er zodanig op achteruit gaan, zodat het voor de VVD-fractie toch een moeilijk wetsvoorstel is? Daarvan heb ik nog geen voorbeeld gehoord in de erf- en schenkbelasting. We hebben het zo meteen over de ANBI.

De heer Remkes (VVD):

Ik heb net een duidelijk voorbeeld genoemd: de schenkingsrechten worden verdubbeld. Ik heb de staatssecretaris en de CDA-fractie allemaal in jubeltonen gehoord; iedereen gaat erop vooruit. Op het moment dat dit gezegd wordt, vraagt dat ook om enige tegenspraak. Dat is wat mij betreft ook de reden dat op dit punt door de VVD-fractie een amendement is ingediend. Dat is gewoon om even klip-en-klaar aan te geven dat het wat ons betreft onwenselijk is dat de financiering van het wetsvoorstel voor een deel gevonden wordt in een verhoging van de schenkingsrechten.

De heer Omtzigt (CDA):

Het leeuwendeel van de financiering ...

De heer Remkes (VVD):

De discussie over het overgangsrecht is wat mij betreft een totaal andere discussie, maar die is overigens niet minder van belang.

De heer Omtzigt (CDA):

Het leeuwendeel van de financiering van het wetsvoorstel wordt gehaald uit het laten neerdalen van zwevende vermogens op tropische eilanden in het Nederlandse belastinggebied. Is de VVD-fractie nu een voorstander van het hoofdpunt van deze wet of is zij daar een tegenstander van?

De heer Remkes (VVD):

Dat heb ik gisteren al aangegeven. Ik heb gisteren al gezegd dat ik helemaal niks heb tegen de bestrijding van constructies. Ik heb iets tegen voorstellen waardoor mensen erop achteruit zullen gaan. Als wij het er nou samen over eens kunnen zijn dat de aanpak van constructies de goede lijn is, dan vraag ik van de heer Omtzigt om het amendement van de VVD-fractie op dit punt, waar het gaat om de verhoging van de schenkingsrechten, ook te steunen. Mensen mogen er als gevolg van dit verhaal namelijk niet op achteruit gaan, behalve als er sprake is van evidente constructies met als doel het ontduiken van belastingbetaling.

De voorzitter:

Mijnheer Omtzigt, laatste keer.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik zie impliciete steun voor het CDA-amendement dat een forse vrijstelling creëert – een vergelijkbaar amendement is door de VVD-fractie ingediend – voor het schenken aan eigen kinderen tot € 50.000. Dat komt zeer tegemoet aan het enige bezwaar dat de heer Remkes noemt. Dan neem ik dus aan dat de VVD-fractie instemt met deze wet of dat zij met een drogreden onder het aanpakken van de zwevende vermogens wil uitkomen.

De heer Remkes (VVD):

Die truc is wat mij betreft veel te goedkoop. Daar zal ik dus ook niet intrappen, want de werkelijkheid is veel genuanceerder. Ik signaleer dat er mensen zijn die als gevolg van het wetsvoorstel erop achteruit zullen gaan. Ik signaleer bovendien dat de fractie van de heer Omtzigt amendementen heeft ondertekend die tot gevolg hebben dat ten opzichte van de voorstellen die de staatssecretaris op tafel heeft gelegd, het wetsvoorstel verslechterd wordt. Daar zullen wij dus allemaal geen steun aan geven. Ik heb daarover gisteren iets gezegd, maar tegelijkertijd gezegd: we hebben geprobeerd daar toch wat meer duidelijkheid over te krijgen. Dat is voor een deel gelukt en voor een ander deel niet. Ik realiseer mij dat het op dit ogenblik ook niet kan. De staatssecretaris is verantwoordelijk. Dus daar zullen we ons verder bij neerleggen. Daar zal men mij vanavond niet meer over horen, maar wel over een aantal andere onderdelen van de wet, waaronder een voor de fractie van het CDA aangelegen punt dat voor de fractie van de VVD evenzeer aangelegen is.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Omtzigt weer wil interrumperen en ik sta dat niet toe. Ik vraag de heer Remkes nu zijn betoog af te ronden.

De heer Remkes (VVD):

Ik heb natuurlijk gezien dat de coalitiefracties eruit zijn, behalve op het punt van het amendement-Tang/Cramer. Dat is in feite een poging om een vorm van derde progressie te introduceren. De staatssecretaris voert daar, overigens wat mij betreft zeer terecht, buitengewoon harde argumenten tegen aan. Ik zou hem ook willen steunen in de volharding van die houding, want het is in belangrijke mate symboliek wat daar gebeurt. Dus ga op die weg door, zeg ik tegen deze staatssecretaris.

Er is wel overeenstemming tussen de coalitiefracties, maar in een aantal belangrijke opzichten niet tussen de coalitiefracties en de staatssecretaris. Ik geef een paar voorbeelden. In de eerste plaats noem ik het amendement op stuk nr. 53 over de BOR, medeondertekend door de fractie van het CDA. Dat is een achteruitgang ten opzichte van de voorstellen die de staatssecretaris op tafel heeft gelegd. Geen BOR van 90%, maar een BOR van 83% – hoe verzin je het! – althans voor dat deel van het bedrag dat boven de 1 mln. ligt. Ik heb mij er buitengewoon over verbaasd dat de fractie van het CDA daarin meegaat. Ik had liever een regeling van 100% gezien, dat weet de staatssecretaris. Daar heb ik de heer Omtzigt echter niet over gehoord.

Een tweede voorbeeld is het wijnaccijnsamendement, laat ik het zo maar formuleren. De heer Van Dijck heeft daar zojuist iets over gezegd; ik sluit mij daarbij aan.

Ik rond af met het stemgedrag van mijn fractie, want de Kamer heeft er recht op om te weten ...

De voorzitter:

Alvorens u het stemgedrag van uw fractie toelicht, geef ik het woord aan de heer Omtzigt. Hij wil u iets vragen.

De heer Omtzigt (CDA):

Wanneer in de afgelopen 40 jaar heeft de VVD enig wetsvoorstel of amendement ingediend om de successierechten te verlagen?

De heer Remkes (VVD):

De heer Omtzigt vraagt permanent naar de bekende weg. Ik ben daar volgens mij in het wetgevingsoverleg mijn betoog mee begonnen. Onze partij heeft bij de opstelling van het verkiezingsprogramma een fundamenteel debat gehouden over de successierechten. Datzelfde gold voor het CDA. De vraag was: waar wil onze partij voor staan? Wij willen een partij zijn die het werken bevordert, die het sparen bevordert en die dus niet aan het einde van de rit dat allemaal afstraft. Wij moeten bereid zijn, politiek gesproken, om de successierechten ter discussie te stellen. Dat heb ik aangegeven. Onze fractie heeft ervoor gekozen om in deze periode in de tegenbegroting uit te gaan van een halvering van deze opbrengst. Ik heb daar gisteren ook nog niets over gezegd, al heb ik dat verhaal niet volledig financieel ingevuld, omdat het politiek toch onhaalbaar is. In de volgende periode wil onze fractie de successierechten afschaffen. Ik heb mij in dit debat zeer verbaasd over sommige argumentaties en principiële uitgangspunten ten aanzien van het wetsvoorstel, omdat die argumentaties in een aantal opzichten niet consistent zijn. Ik ben in dit debat zeer gesterkt in de overtuiging dat wij er gewoon van af moeten.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik vind het buitengewoon prijzenswaardig dat de VVD-fractie de successierechten wil halveren. Nu hebben wij vele amendementen van de VVD voorbij zien komen, bijna allemaal ongedekt, maar het enige amendement dat ik niet gezien heb is dat over de halvering van de tarieven. Kan de woordvoerder van de VVD toelichten waarom de partij het wel iedere keer met de mond belijdt, maar niet een zodanig voorstel doet wanneer het wetsvoorstel in de Kamer ligt?

De heer Remkes (VVD):

Gisteren heb ik tegenover een andere collega gezegd dat, als hij dat zou willen, hij van mij een amendement kon krijgen met het doel de tarieven te halveren. Ik weet welke gang dat amendement gaat: het wordt door de Kamer, inclusief de fractie van het CDA, afgewezen. Ik heb geen behoefte aan het produceren van papier. Ik ben gisteren ook ingegaan op de dekking. De dekking wordt gevonden in het belastingplan. Dat weet de heer Omtzigt heel goed, en dat zeg ik ook tegen de staatssecretaris. Daar is volgens mij helemaal niks mis mee. Dat is zeer legitiem en dat is van dezelfde orde als het wijnaccijnsamendement van de fracties van de heer Tang, de heer Omtzigt en de heer Cramer.

De voorzitter:

De heer Tang staat te popelen om een vraag te stellen.

De heer Tang (PvdA):

Ik kan niet nalaten te reageren.

De voorzitter:

Nee, met het oog op de tijd en de druk op de agenda, vraag ik u om alleen een vraag te stellen.

De heer Tang (PvdA):

Ik probeer het kort te houden. Hoe komt de VVD erbij dat dit wetsvoorstel over het successierecht sparen ontmoedigt? Als men ziet dat de helft van het vermogen door 5% van de Nederlanders wordt opgebracht? Heeft die 5% dat volledig met sparen bereikt? Is prinses Christina rijk geworden omdat ze zo veel heeft gespaard?

De heer Remkes (VVD):

Nee, het geldt niet voor iedereen. De uitzonderingen zijn voor mij niet de maat van de wetgeving. Ik vond het wel aardig om in de beantwoording van vragen over het Belastingplan te zien dat het in belangrijke mate symbolische discussies zijn, als het gaat om de vermogens- en inkomenssituatie in Nederland en over de echt hoge inkomens en de echt hoge vermogens, die overigens voor een deel terecht worden aangepakt. Het gaat mij om de mensen die gewoon iedere dag werken, mensen die nadat de fiscus al een aantal keren is langsgekomen, erin slagen om per jaar een klein beetje over te houden. Die mensen moeten het gevoel hebben dat er, opgeteld aan het eind van de rit als zij de pijp uitgaan, wat geld overblijft voor hun kinderen of voor wie zij dat anderszins willen.

Ik voeg hier nog iets aan toe, waarmee ik een nuance wil aanbrengen op de beschouwingen van mijn collega Koşer Kaya. Wij zitten in een maatschappelijke overgangssituatie. Er zijn mensen die, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen, die keuze op die manier willen maken. Maar er zijn ook nog steeds partners die hebben samengewerkt, die getrouwd zijn of met elkaar samenwonen, die samen hebben gespaard en samen een woning hebben. Dat is niet helemaal vergelijkbaar. Dat is de nuance die ik wilde aanbrengen. Zij dient straks een motie in. Die zal wel worden aangenomen en dan zien wij wel verder.

Ik kom aan het stemgedrag van de VVD. Wij zullen zijn tegen amendementen die een dusdanige dekking hebben dat de situatie voor mensen verslechtert, hoe sympathiek de gedachte achter deze amendementen ook is. Wij zullen zijn voor de moties die wij zelf hebben ingediend. Het amendement op stuk nr. 43 trek ik bij dezen in, omdat de staatssecretaris al bij nota van wijziging in het gevraagde heeft voorzien. In zijn algemeenheid geldt ook hier: al draagt de aap een gouden ring ...

De heer Cramer (ChristenUnie):

Het is en blijft een schitterend ding.

De heer Remkes (VVD):

Het is en blijft een lelijk ding, collega Cramer.

De voorzitter:

Het amendement-Remkes (stuk nr. 43) is ingetrokken.

Ik stel vast dat daarmee wordt ingestemd.

De heer Tang (PvdA):

Voorzitter. Ik kan helaas mijn papiertje niet vinden, dus ik zal het even uit mijn hoofd moeten doen. Dat moet kunnen.

Ik bedank de staatssecretaris voor de geduldige beantwoording van alle vragen die vandaag weer op hem af zijn gevuurd. Ik kan hem prijzen voor de aanpak van de zwevende vermogens. Daar hebben wij in de loop van dit proces twijfels over gehad, maar wij zijn ervan overtuigd geraakt dat de aanpak van de trust, de constructies, voldoende perspectief biedt om te komen tot een verlaging van tarieven. En dan de vraag hoeveel dat op zal brengen. De heer Van Dijck van de PVV denkt dat het meer zal zijn, maar ik ben bang dat het minder zal zijn. De tijd zal het leren. Wij zullen het ontdekken, op zijn vroegst in 2011. Dat is dus het positieve deel van dit wetsvoorstel. Dat is ook het positieve vertrekpunt van waaruit wij dit wetsvoorstel zullen beoordelen.

Ik heb in eerste termijn al aangegeven dat er wel verschillende pijnpunten zijn. De eerste is dat de zorggedachte niet voldoende is uitgewerkt. Daarvoor zijn er ook amendementen ingediend, in de regel met de fracties van het CDA en de ChristenUnie.

Een ander pijnpunt is dat het perspectief van de verkrijger eigenlijk nog steeds minnetjes in deze wetswijziging zit. Het perspectief van de verkrijger heeft de PvdA proberen vorm te geven door de belastingkorting en door ook de positie van de verkrijger centraal te stellen. Voor ons is er een verschil tussen een student met een studieschuld en een vijftiger met een goed gevulde beleggingsrekening. Dat verschil willen wij tot uitdrukking brengen, om ook te laten zien dat het gaat om de ontvanger, en niet om de gever. Het gaat ook om het principe van gelijke kansen dat daaraan ten grondslag ligt. Het verbaast mij van een liberale partij als de VVD dat zij dat principe van gelijke kansen eigenlijk aan haar laars lapt. Nu doet afkomst en de hoeveelheid geld die je ouders hebben, er weer toe. Dat is jammer. Dat is een stap terug. Zeker als ik bedenk dat de helft van het vermogen in Nederland aan 5% van de mensen toevalt, is dat zeer ongelijk verdeeld en zijn ook de kansen in deze samenleving zeer ongelijk. Daar is nog steeds rechtvaardiging te vinden.

Wij proberen dat te benadrukken door de belastingkorting. Daar is natuurlijk het een en ander over gezegd. Het moge duidelijk zijn dat de Partij van de Arbeid niet graag ziet dat wij hier met een gedrocht komen. De discussie ging er ook over of wij niet gebruikmaken van vermogensbegrippen in de fiscaliteit die al aanwezig zijn. Daar ging de discussie over. Mijn stellige indruk is dat er wordt aangesloten bij een vermogensbegrip in box 1, de WOZ-waarde, dat er wordt aangesloten bij een vermogensbegrip in box 3 dat gewoon bekend is en dat het wel degelijk uitvoerbaar is. Ik vind het vervelend dat wij op dit moment, in deze fase, nog dit debat moeten voeren. Ik ben wel bereid om mijn amendement aan te passen voor box 2, om dat er bijvoorbeeld uit te halen, want voor mij is dat niet essentieel voor dit amendement. Ik ben ook bereid om met het amendement een uitvoeringstoets in te voeren. Dat wil zeggen dat het amendement kan worden aangenomen, maar dat er eerst een uitvoeringstoets komt met een onafhankelijk oordeel van Actal om te bezien of dit in de praktijk uitvoerbaar is. Dan gaat het ook om de lasten voor de Belastingdienst.

De heer Remkes (VVD):

Dat laatste verbaast me, want er is zojuist een advies van Actal uitgedeeld. Dat vraagt nog om enig nader onderzoek, maar dat advies is allerminst positief. Collega Tang heeft zojuist zware woorden in de richting van de VVD gesproken. Ik wijs op de aanvankelijke inzet van zijn fractie op het punt van de introductie van een derde progressie in de successiewetgeving. Hoe waardeert hij nu eigenlijk het schamele resultaat – zeker als je dat even legt langs de rekensom die de staatssecretaris daarop heeft losgelaten – van het amendement dat er op dit punt door hem en collega Cramer is ingediend? Dat is toch pure symboliek!

De heer Tang (PvdA):

De heer Remkes noemt het pure symboliek als mensen € 1000 korting krijgen. Dat betekent in de regel een hogere vrijstelling voor kinderen van zo'n € 10.000. Voor studenten met een studieschuld zou ik dat geen symboliek noemen. Dit gaat juist om de groep mensen waar geen grote vermogens zitten. Het gaat om meer dan de helft van Nederland. Dat is niet symbolisch. Integendeel! Ik hoop dat u er begrip voor hebt dat ik naar een manier heb gezocht om het stelsel niet te ingewikkeld te maken – wij hebben eerste en tweede progressie – en toch het idee van de derde progressie en van de verkrijger centraal te stellen. Ik heb daarbij gezocht naar een werkbare manier. Ik hoop dat u daarvoor enig begrip hebt. Het heeft dus niet geleid tot een mêlee aan tarieven. Het moet leiden tot een redelijk eenvoudige en uitvoerbare regeling. Ik kom niet op voor de vermogens van mensen die de helft van het Nederlands vermogen bezitten. Voor hen, voor Wassenaar, komt u op. Wij doen dat anders.

De heer Remkes (VVD):

Het gaat mij om de netto effecten. Ik dacht dat dit u voldoende duidelijk was. De staatssecretaris heeft in zijn schriftelijke reactie, en zojuist trouwens ook nog, aangegeven dat een belangrijk deel van de € 1000 die u noemt, gewoon verdampt vanwege de andere tariefeffecten die erin zitten. Het is dus voor een deel het rondpompen van geld. De staatssecretaris heeft volgens mij die kwalificatie gebruikt, maar het kan ook collega Omtzigt zijn geweest. U vereenvoudigt de systematiek niet. U maakt de systematiek veel gecompliceerder met uw poging om een derde progressie te introduceren.

De heer Tang (PvdA):

De discussie betreft inderdaad precies dat laatste punt, mijnheer Remkes. Hoe gecompliceerd wordt het? Om op het eerste punt terug te komen: er is een verschil van € 10.000 tussen een student met studieschuld en een vijftiger met een goedgevulde beleggingsregeling. U kunt dat weinig noemen. Volgens mij is het veel. Er moet worden gekeken naar het verschil dat geïntroduceerd wordt tussen verkrijgers. Dat is relevant en precies wat dit amendement beoogt. U kunt dan weer trucs uithalen en de staatssecretaris kan op een of andere manier gaan rekenen, maar het gaat om het verschil tussen verkrijgers. Ik stel de verkrijger centraal. Nogmaals, dat gaat om € 1000 aan belasting. In veel voorkomende gevallen gaat het om kinderen die vallen onder een tarief van 10%. Het komt dan neer op een verschil van € 10.000 in vrijstelling. Dat is niet niks. Dat weet u ook best goed.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt.

De heer Tang (PvdA):

Prima. De slotsom ervan was dat wij bereid zijn om opnieuw naar dat amendement te kijken.

Een ander pijnpunt is de bedrijfsopvolging. Ik moet constateren dat de antwoorden van de staatssecretaris op dat punt onder de maat zijn. Het is voor de PvdA-fractie nog steeds onduidelijk welk probleem wordt opgelost. Ik krijg dat maar niet helder. Dat is heel vervelend.

Een volgend pijnpunt, dat meer principieel van aard is, heeft te maken met het partnerbegrip. Wij zijn op zich voor uniformering van het partnerbegrip, omdat dit moet leiden tot een vereenvoudiging ervan. Daarbij is natuurlijk gekozen voor registratie van partners. Tegelijkertijd is er bij ons enige verwarring ontstaan door bijvoorbeeld het amendement van de D66-fractie, dat laat zien dat er geen budgettaire gevolgen zijn als er geen formele registratie is. Wij zien graag een goedkope registratie. Wij hebben ook sympathie voor het idee dat alleenstaanden erfgenamen kunnen aanwijzen, omdat dit wetsvoorstel uiteindelijk wel eens te veel in het verleden en te weinig in de toekomst geplaatst kan zijn. Daarom zou dit wetsvoorstel niet bestand kunnen zijn tegen de tijd. Laat ik het zo formuleren.

Er is een motie, dus ik hoef daarop verder niet in te gaan, over de SBBI die aangeeft dat wij het grote belang zien van bijvoorbeeld sportverenigingen in de maatschappelijke samenhang.

De voorzitter:

Probeert u af te ronden?

De heer Tang (PvdA):

Ik werk naar twee moties toe, als u mij dat toestaat.

De voorzitter:

Leest u die moties voor, want u bent al in blessuretijd.

De heer Tang (PvdA):

De eerste motie gaat over de kosten voor het registreren van het partnerbegrip.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een groep samenwoners is die al jaren samenwoont zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of notariële akte, met wederzijdse zorgplicht;

overwegende dat er een helderder partnerbegrip ingevoerd wordt bij zowel de successiebelasting als de inkomstenbelasting;

overwegende dat mensen op een laagdrempelige manier een geregistreerd partnerschap moeten kunnen aangaan om hiermee publiekelijk te kiezen voor een partnerschap met alle daaraan verbonden rechtsgevolgen;

verzoekt de regering, op korte termijn in contact te treden met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en een voorstel uit te werken voor een laagdrempelige, goedkope manier om een partnerschap aan te gaan en daar voldoende publiciteit aan te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tang en Omtzigt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72(31930).

De heer Tang (PvdA):

Voorzitter. Ik moet zeggen dat deze motie grote gelijkenis vertoont met de motie van de heer Cramer, zo is ons opgevallen.Tang

Mijn laatste motie gaat over het verschil tussen samenwonenden en gehuwden bij de inwerkingtreding van het partnerschap. Daarover is eerder bij het wetgevingsoverleg van gedachten gewisseld, waarbij de staatssecretaris wel enige sympathie voor dit idee kon opbrengen. Hij trok toen de gelijkenis met ondertrouw. Deze motie is om hem daaraan te helpen herinneren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap voor het successierecht onmiddellijk gelding heeft na het sluiten van het huwelijk of het tekenen van de partnerschapakte;

overwegende dat samenwonenden die een notarieel samenlevingscontract met zorgplicht sluiten, voor het successierecht een wachttijd hebben van zes maanden;

van mening dat een dergelijk onderscheid voor een wettelijke akte niet gerechtvaardigd is;

verzoekt de regering, een samenlevingscontract met zorgplicht voor het successierecht eenzelfde onmiddellijke werking te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tang. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73(31930).

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb niet zozeer een vraag over de moties van de heer Tang, maar over zijn opmerking naar aanleiding van mijn twee amendementen. Allereerst het amendement over samenwonenden zonder samenlevingscontract. Het is mij niet duidelijk of de heer Tang dit amendement steunt?

De heer Tang (PvdA):

Ik merk dat ik de amendementen door elkaar begin te halen. Kan mevrouw Koşer Kaya haar vraag herhalen?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb twee amendementen ingediend. Een amendement gaat over samenwonenden die geen samenlevingscontract hebben maar wel vijf jaar samenwonen. Die zouden gelijk moeten worden behandeld als mensen die wel een samenlevingscontract hebben of gehuwd zijn. Steunt de heer Tang mijn amendement?

De heer Tang (PvdA):

Ik wacht nog even op de reactie van de staatssecretaris. Ik ga er vanuit dat wij dit kunnen steunen omdat daaraan geen budgettaire gevolgen verbonden zijn. Dat verbaast ons zeer. Tot dusver leefden wij in de overtuiging dat het registreren van een partnerschap essentieel is om te komen tot een goede afbakening van het partnerschap. Nu blijkt dat dit niet het geval is. Wij kunnen alleen de gevolgen voor de uniformering nog niet geheel overzien.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

De staatssecretaris heeft schriftelijk op dat amendement gereageerd en heeft precies dat antwoord gegeven. De heer Tang kan dus duidelijkheid geven met een ja of een nee.

Mijn tweede vraag gaat over de alleenstaanden. Ik begrijp niet goed wat de heer Tang daarover zei.

De heer Tang (PvdA):

Wij steunen een aantal amendementen, waaronder het amendement van D66. Wij hebben daarvoor grote sympathie, zoals ik al eerder heb aangegeven. Het laat het wetsvoorstel beter aansluiten op veranderende tijden. Ja, ik zal mijn fractie adviseren om het eerste amendement te steunen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. In deze zaal spreken wij niet dikwijls over de liefde, maar vandaag hebben wij het daarover uitgebreid gehad. De uitkomst is helaas niet conform mijn vurige wens, om het zo te zeggen. De Nederlandse samenleving verandert en mensen leven op andere manieren samen dan in de vorige eeuw. Samenwoners dienen volgens de staatssecretaris een samenlevingscontract af te sluiten, maar langdurig samenwonen zou voldoende moeten zijn. Ik heb daarvoor een amendement ingediend. De staatssecretaris antwoordt schriftelijk dat hij het oordeel overlaat aan de Kamer. Hij geeft niet aan of hij principieel vindt dat de overheid leefvormneutraal beleid moet maken en dus niet samenwoners moet dwingen om een samenlevingscontract af te sluiten. Ik hoor graag zijn principiële oordeel hierover. Ik dank al mijn collega's die al steun hebben uitgesproken voor dit amendement. Ik zie al een meerderheid en daar ben ik heel erg blij mee. Daarmee is één vurige wens in ieder geval door de Kamer afgedwongen.

Mijn tweede amendement regelt dat alleenstaanden iemand mogen aanwijzen die erft tegen het partnertarief. De staatssecretaris maakt echter onderscheid tussen mensen met en zonder familie. Hij geeft daarmee een waardeoordeel over de manier waarop mensen zelf een geliefde zien. Met familie zou er van nature een innigere band bestaan, aldus de staatssecretaris. Mijn fractie is van mening dat dit waardeoordeel niet aan de regering is. Mensen moeten zelf kunnen bepalen wie het dichtste bij hen staat. Daarom heb ik ook een amendement ingediend. Ik ben blij dat de PvdA sympathiek tegenover dat amendement staat. Meerdere andere collega's hebben eveneens aangegeven dat dit amendement hun steun zal hebben. Omdat ik echter ook van mening ben dat met alleenstaanden en met andere moderne samenlevingsvormen onvoldoende rekening wordt gehouden, heb ik een motie voorbereid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de samenlevingsvormen in de samenleving veranderen en dat hiermee rekening dient te worden gehouden;Koşer Kaya

verzoekt de regering, de positie van de alleenstaanden en andere moderne samenlevingsvormen expliciet mee te nemen in het onderzoek van de belastingcommissie onder voorzitterschap van prof. Van Weeghel en te onderzoeken in hoeverre de successiewet aansluit bij deze moderne samenlevingsvormen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Koşer Kaya, Sap, Tang en Remkes. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74(31930).

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Voorzitter. Tot slot wil ik nog even ingaan op het derde amendement dat ik zonet heb ingediend. Het regelt dat bij de APV's in eerste instantie wordt gekeken naar de begunstigde, en pas in tweede instantie naar de erfgenaam. De beantwoording door de staatssecretaris op dit punt heeft mij niet overtuigd. Het idee om eerst te kijken naar de begunstigde sluit bovendien beter aan bij het uitgangspunt van de verkrijger, een uitgangspunt dat de staatssecretaris zelf in zijn wetsvoorstel hanteert. Vaak is de begunstigde hetzelfde als de erfgenaam. In dat geval maakt het inderdaad niet uit. In gevallen waarin de erfgenamen niet de begunstigde zijn, zijn zij geen verkrijger en is het logischer om de volgorde om te draaien. Graag hoor ik hierop een reactie van de staatssecretaris.

Afsluitend kan ik opmerken dat de fractie van D66 dit wetsvoorstel een stap in de goede richting vindt, maar dat er meer moet gebeuren. Er is toegezegd dat de commissie uitgebreid gaat kijken naar de verschillende samenlevingsvormen – ik hoop dat zij daarbij mijn motie zal meenemen – zodat we een nog grotere stap in de successiewetgeving kunnen maken.

De voorzitter:

Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Mij is gebleken dat de staatssecretaris een schorsing van tien minuten nodig heeft, alvorens rap en gedegen de vragen vanuit de Kamer te kunnen beantwoorden.

De vergadering wordt van 21.55 uur tot 22.10 uur geschorst.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Ik zal snel ingaan op alle aanvullende vragen die zijn gesteld die ik nog niet eerder had beantwoord en op de aanpassingen van en specifieke vragen over de amendementen. Ik zal, gelet op de tijd, verwijzen naar de antwoorden op vragen die ik al eerder heb gegeven.

Ik kom allereerst op het amendement inzake de verhoging van de eenmalige vrijstelling voor een studiefonds. De heer Omtzigt heeft aangegeven dat te willen wijzigen zodat dit alleen geldt voor studies met een collegegeld van meer dan € 20.000 per jaar. Daarmee is een belangrijk praktisch bezwaar dat wij hadden wat betreft dit amendement weggenomen, want er was vooral sprake van problematiek bij de controle van het studiefonds. Met deze wijziging gaat het naar verwachting om zo weinig gevallen dat de Belastingdienst dit handmatig kan oplossen. Dan moet die beperking er echter echt in zitten, want in een automatisch systeem is dat niet te doen. Bij een beperkt aantal gevallen, kan dit handmatig worden opgelost. Met deze aanpassing kan ik het oordeel over dit amendement aan de Kamer overlaten.

De voorzitter:

Vanwege de ordelijkheid van het debat, vraag ik de staatssecretaris of hij de nummers van de amendementen die hij bespreekt kan melden. Als dat mogelijk is, zou dat heel behulpzaam zijn voor de leden.

De heer Omtzigt (CDA):

Gelukkig heb ik maar twee amendementen ingediend.

De voorzitter:

En u kent de nummers uit uw hoofd?

De heer Omtzigt (CDA):

Nee, die ken ik niet uit mijn hoofd. In vergelijking met de collega's is het bij mij zeer overzichtelijk. Ik heb een amendement ingediend over gehandicapte kinderen en eentje over dit onderwerp.

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Even ter toelichting: het ging mij om een bedrag van € 20.000, ook als de cursus iets langer dan een jaar duurt. Het ging mij om het totale collegegeld.

Staatssecretaris De Jager:

Dan is het bij vijf jaar ineens € 4000. Wij zijn uitgegaan van € 20.000 kosten per jaar. Anders wordt het € 4000 per jaar.

De heer Omtzigt (CDA):

Bij een vijfjarige cursus mag het ook iets meer zijn. Ik vraag de staatssecretaris dit te regelen in een ministeriële regeling. Ook een cursus die vijf jaar duurt en € 12.000 per jaar kost, komt in onze optiek enigszins in aanmerking. Kijk even goed naar die ministeriële regelingen waarin dat wordt vastgelegd, stuur deze naar de Kamer en dan zien wij in februari verder.

Staatssecretaris De Jager:

Wij zijn uitgegaan van deze beperking vanwege de handmatige verwerking.

De motie van de heer Omtzigt op stuk nr. 69 betreft het creëren van een SBBI-register. Ik heb al eerder aangegeven, ook schriftelijk, waarom wij grote bezwaren hebben tegen een register van SBBI's, namelijk omdat je dan een ANBI-achtige procedure moet opzetten met beroep, bezwaar en heel veel uitvoeringslasten. Ik ben wel bereid om te laten onderzoeken hoe op een andere manier zo veel mogelijk transparantie kan worden bereikt wat betreft SBBI's. Je kunt zekerheid vooraf krijgen. Wellicht is het mogelijk dat wij iets opzetten waarmee een SBBI dat eenvoudig kan publiceren. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat zo'n instelling geen SBBI meer is. Dat is bij ANBI's ook het geval. Ik wil bekijken of er een praktisch uitvoerbaar systeem te bedenken is waarmee wat meer transparantie kan worden gerealiseerd om iets meer zekerheid te geven anders dan een register, zoals wij dat bij het ANBI kennen. Dat is namelijk wel heel ingewikkeld.

De heer Omtzigt (CDA):

Als beide opties worden betrokken bij het onderzoek en de staatssecretaris voor 1 maart aangeeft welke van die opties zijn voorkeur heeft, is dat een prima interpretatie van onze motie.

Staatssecretaris De Jager:

Dat zeg ik toe. Ik neem aan dat de heer Omtzigt dan zijn motie kan intrekken.

De heer Omtzigt (CDA):

Met de toezegging dat dit onderzoek voor 1 maart aan de Kamer wordt gezonden, trek ik deze motie in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Omtzigt c.s. (31930, nr. 69) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Staatssecretaris De Jager:

Het volgende punt betreft de overgangsregeling periodieke giftaftrek. Naar verwachting zal de aftrek van de periodieke giften in de meeste gevallen geen gevaar lopen, omdat de meeste ANBI's veruit hun status zullen behouden. Dat blijkt ook uit het onderzoek, de raming. Daarnaast geldt dat de aftrek van giften van toepassing blijft indien sprake is van periodieke giften aan verenigingen met ten minste 25 leden die niet meer als ANBI te kwalificeren zijn. Dat geldt dus ook voor de verenigingen die de ANBI-status verliezen, maar die wel meer dan 25 leden hebben. Die blijven de mogelijkheid van het aftrekken van giften behouden. De meeste instellingen die een maatschappelijk toegevoegde waarde hebben, kunnen van de aftrekmogelijkheid van periodieke giften gebruik blijven maken. Vaak wordt de mogelijkheid geboden om ontbindende voorwaarden in een dergelijke akte op te nemen. Ook is het mogelijk dat – wij hebben dat hier al eerder aangegeven – er in het geval van een wetswijziging sprake is van een civielrechtelijke situatie met gewijzigde omstandigheden. Wellicht zijn er dan mogelijkheden om op een andere wijze het contract te ontbinden. Dit is echter een civielrechtelijk punt waar ik niet graag in treed, omdat ik mij dan op het terrein van de minister van Justitie begeef.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik verzoek de staatssecretaris om samen met zijn collega van Justitie in een brief aan de Kamer te bevestigen dat deze mogelijkheid bestaat. In een klein aantal gevallen is immers sprake van een instelling die bijvoorbeeld uit cultureel oogpunt nuttig is, die daaraan 80% van haar fondsen besteedt en die periodieke giften ontvangt. Zij verliest dan haar ANBI-status. Dan verliest men de aftrek, terwijl men die redelijkerwijs kon verwachten. Misschien kan de staatssecretaris met de minister van Justitie in een brief aan de Kamer bevestigen dat dit het geval is en dat daarvoor een ontbindende voorwaarde geldt. Dat zou in een aantal gevallen namelijk een oplossing bieden.

Staatssecretaris De Jager:

Net als in de fiscaliteit, lijkt mij dat er altijd een weging van feiten en omstandigheden moet plaatsvinden. De minister van Justitie kan daarover een beter oordeel geven. Ik zal hem verzoeken om een brief aan de Kamer te sturen waarin staat in welke situaties in algemene zin dat civielrechtelijke aspect gewogen kan worden.

Mevrouw Sap sprak over inwonende kinderen die vaak ook mantelzorgers zijn. Het dekkingsprobleem heeft zij opgelost door voor een "me too-activiteit" te kiezen. Zij zag de wijnaccijns langs komen en dacht: dan verhogen we die nog maar wat extra in dit amendement. Dat is inderdaad geen probleem meer. Het is in ieder geval gedekt, laat ik het zo zeggen. Ik mag mijn mening over die dekking uiteraard nog niet geven, maar het is gedekt. Het bezwaar is dat kinderen lang niet altijd mantelzorgers zijn. Daarbij komt dat er ook mantelzorgers zijn die niet inwonend zijn. Met dat amendement zet je dus eigenlijk de deur open voor het creëren van een situatie die niet is bedoeld voor mantelzorgers. Vanwege dat bezwaar ontraad ik de Kamer nog steeds om dat amendement aan te nemen.

Ik kom op de motie-Cramer.

De voorzitter:

Excuus, ik zie dat mevrouw Sap wil interrumperen.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Is de staatssecretaris het met mij eens dat er op dit moment wel een groep kinderen is die mantelzorg verleent en die deze hoge vrijstelling krijgt? Is hij het met mij eens dat die kinderen vanwege het voorstel van de staatssecretaris die hoge vrijstelling niet meer zullen krijgen en dat zij er dus flink op achteruit gaan?

Staatssecretaris De Jager:

Kan mevrouw Sap haar vraag herhalen?

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Is de staatssecretaris het met mij eens dat er een groep kinderen is die inwoont en mantelzorg verleent en dat die nu nog onder de regeling van de hoge vrijstelling valt? Is hij het met mij eens dat die kinderen die hoge vrijstelling straks niet meer zullen krijgen?

Staatssecretaris De Jager:

Ongeacht het mantelzorgaspect moesten wij, in een poging om te komen tot een meer uniform partnerbegrip, gezamenlijk constateren dat een kind in de rechte lijn ook naar maatschappelijk gebruik niet als partner kan worden beschouwd, dus ongeacht het feit dat wij op moderne wijze naar het partnerschap kunnen kijken. Dat is de achtergrond waar mevrouw Sap naar vraagt. Dat heeft niet met het aspect van de mantelzorg te maken. Mantelzorgers wonen immers ook vaak in een andere woning dan de ouders. Je helpt mantelzorgers niet per se door kinderen die vrijstelling te gunnen.

Mevrouw Sap (GroenLinks):

Ik snap dat er ook een groep kinderen is die inwoont en die niet heel veel mantelzorg verleent. Waarschijnlijk is dat echter een kleine groep. Het overgrote deel van de groep is echter wel mantelzorger. Het punt is dat je die mensen alleen kunt bereiken als je de hele groep neemt. Daarom vraag ik de staatssecretaris nogmaals of hij het wel met mij eens is dat hij een groep een behoorlijk belastingnadeel gaat bezorgen die in de praktijk als schrijnend is aan te merken.

Staatssecretaris De Jager:

Dan zou je het hele wetsvoorstel met de nieuwe tariefstructuur die veel lager is die er deel van uitmaakt, moeten bekijken. In zijn algemeenheid ben ik het daarmee dus niet eens. Maar het is juist dat de vrijstelling als partner die onder bepaalde voorwaarden kon gelden voor een inwonend kind verdwijnt. Dat doen wij om dichter bij het maatschappelijk begrip "partner" te komen. Of je al dan niet mantelzorger bent, maakt daarbij dus niet uit. Heel veel mantelzorgers wonen juist buiten de ouderlijke woning en heel veel kinderen die bij hun ouders wonen, zijn geen mantelzorger. De koppeling tussen een inwonend kind en een mantelzorger die mevrouw Sap automatisch legt, is veel te makkelijk gemaakt. Dat kunnen wij niet zomaar doen. De achtergrond is, heel eenvoudig, het maatschappelijk begrip "partner". Daaraan hebben wij op deze manier vorm gegeven.

De voorzitter:

Neen, mevrouw Sap, het spijt mij. Het woord is aan de heer Omtzigt.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik wil een vraag stellen aan de staatssecretaris en indirect aan mevrouw Sap. Zou het mogelijk zijn om de komende 24 of 48 uur met een voorstel te komen om voor inwonende kinderen die mantelzorger zijn het mantelzorgforfait te definiëren? Dat is de groep die wordt geraakt. Het wordt naar mijn mening nu allemaal veel te breed uitgelegd.

Staatssecretaris De Jager:

Wij kunnen vanwege het gelijkheidsbeginsel fiscaal geen goed onderscheid maken of je al dan niet mantelzorger bent. Ik zou het de Belastingdienst ook niet willen aandoen om dat te moeten gaan controleren. Als de heer Omtzigt dat per se zou willen, zal hij een politieke afweging moeten maken om het amendement-Sap al dan niet te steunen. Maar alsjeblieft. Deze wet lijkt met amendementen al weer ingewikkelder te worden. Dit zou veel te ingewikkeld worden. Mantelzorg is fiscaal gewoon amper te definiëren. Dat zou het allemaal nog erger maken.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris De Jager:

Ik kan toezeggen om het gevraagde in de motie van het lid Cramer inzake de goedkope registratie van familiesamenwoners te zullen onderzoeken. Ik laat het oordeel over deze motie daarom over aan de Kamer.

De heer Van Dijck vraagt naar het aantal ANBI's. Ik ben al ingegaan op deze vraag. Wij kunnen dat niet precies zeggen. Wij hebben wel een raming gemaakt. Daarbij is uitgegaan van een heel redelijke schatting. In de stukken ben ik al op deze vraag ingegaan.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Hoe kan de staatssecretaris een raming maken tot een bedrag van 54 mln. als hij geen idee heeft hoeveel ANBI's de status zullen gaan verliezen? Waarop is deze raming dan gebaseerd?

Staatssecretaris De Jager:

Deze is gebaseerd is de schatting dat 10% van de belastingderving die is gemoeid met ANBI's zal worden opgehaald. Dat is dus een redelijke schatting. De heer Van Dijck vraagt hoe het daadwerkelijk ex-post zal zijn. Dat kunnen wij niet precies zeggen. Ex-ante hebben wij het geraamd. Hoe wij het hebben geraamd, is precies in de stukken te vinden. Het betreft 10% van de opbrengst. Die raming is ex-ante heel redelijk. Wij zullen moeten afwachten wat achteraf het precieze aantal zal blijken te zijn. Nu hebben wij een redelijke inschatting gemaakt.

De voorzitter:

De heer Van Dijck voor de laatste keer.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Het percentage van 10 heeft betrekking op de opbrengsten, niet op het aantal ANBI's. Mijn vraag luidt hoeveel ANBI's dankzij deze aanscherping de status zullen verliezen. Ik heb het niet over het geld maar over het aantal ANBI's. De staatssecretaris zegt dat hij daarvan geen idee heeft. Maar hij heeft wel een idee van de opbrengst. Dat is toch raar?

Staatssecretaris De Jager:

Bij deze uitval zal het voornamelijk gaan om wat je de foute ANBI's zou kunnen noemen. In ieder geval de onbedoelde ANBI's – laat ik het wat netter zeggen – dus de constructie-ANBI's. Daarvan kunnen wij iets beter een opbrengst ramen dan een aantal. Die 10% is een redelijke inschatting. Vandaar dat dit in de raming is gehouden. Overigens ben ik er, gelet op de achterliggende getallen, redelijk van overtuigd dat dit een heel goede raming is.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris De Jager:

Het amendement van de heer Van Dijck gaat over zielige gevallen, zou je kunnen zeggen, die bloot eigendom van de woning verkrijgen en vervolgens de belasting niet kunnen betalen. Ik moet de heer Van Dijck overigens nog mijn excuus aanbieden voor dat passagetje over onuitvoerbaarheid. Dat had niet daar moeten staan. Dat sloeg op een ander amendement. Het was daaruit gekopieerd, dus dat is niet aan de orde.

Maar ik kan een andere toezegging doen. In de brief die ik maandag aanstaande zal sturen, zal ik dit definitief aan de Kamer laten weten. Er is mij gevraagd om maandag per brief nog een aantal punten te behandelen. Ik zal daarin heel specifiek dit punt ook toezeggen, namelijk of het mogelijk is artikel 25, lid 3 van de Invorderingswet van toepassing te verklaren op dit soort situaties. Dit biedt de mogelijkheid om in situaties waarbij sociaaleconomisch belang in gevaar zou komen, renteloos tien jaar uitstel te bieden. Ik zal bezien of de situaties waarop de heer Van Dijck doelt, die heel beperkt zijn, die heel weinig zullen voorkomen, hieronder kunnen vallen. Daar heb ik nog een dag voor nodig. Als dit het geval is, kan ik dit in de brief op maandag aanstaande toezeggen.

De heer Van Dijck heeft nog gevraagd of de dekking van de APV's eenmalig is. Nee, die dekking is niet eenmalig, die is structureel per jaar. Uiteindelijk zullen die APV's inderdaad afbouwen en inkeren, dus die zullen hun trustpositie waarschijnlijk afwikkelen en alsnog binnen box 3 en box 2 komen, maar dan hebben wij dezelfde opbrengst niet bij de trust maar bij de natuurlijke persoon. Wij maken de trust transparant. Wij kijken door de trust heen en belasten de achterliggende erfgenamen. Als de insteller of de verkrijgers ervoor kiezen om die trust af te wikkelen, dan keren ze terug in hun box 3-vermogen en betalen zij per jaar diezelfde belasting. Die raming is dus gewoon per jaar.

Ik kom op de motie van het lid Cramer over de bedrijfsopvolgingsregeling als boedelfaciliteit. Ik kan het onderzoek waarnaar wordt gevraagd toezeggen. In de schriftelijke beantwoording ben ik er al eerder op teruggekomen dat wij dit om gemotiveerde redenen niet zien zitten, maar ik ben bereid daar nog eens goed naar te kijken en de Kamer daarover te zijner tijd te informeren. Ik laat die motie dus over aan het oordeel van de Kamer.

Waarom geen eerbiedigende werking van de resolutie uit 1964? Dit zijn zaken waarop ik al schriftelijk heb geantwoord. Vanwege de tijd verwijs ik daarnaar. Er is gevraagd of het wenselijk is dat een deel van de financiering van het wetsvoorstel zich verplaatst via verzwaring van de druk van de schenkbelasting. De heer Remkes geeft iedere keer één voorbeeld waarin de schenkbelasting zou worden verdubbeld, maar de vrijstelling gaat een beetje omhoog en er wordt natuurlijk op geconstrueerd. Laten wij geen verstoppertje spelen: op de successiebelasting kun je niet construeren. Daarbij kun je niet zeggen: doe dan maar een beetje dat en een beetje dat. Maar bij de schenkbelasting kun je dat wel, dus in de praktijk zullen natuurlijk die schenkingen per jaar zo worden gekozen dat men fiscaal het meest gunstig uit is. Dat is prima. Dat mag ook als je dat op die manier doet en het opgeeft als het boven de vrijstelling uitkomt, maar dat is de situatie. Je kunt dus niet zeggen dat de schenkbelasting even in het algemeen wordt verdubbeld want dat is gewoon niet waar. Dat is echt een karikatuur van de werkelijkheid in dit voorstel.

De heer Remkes (VVD):

Ik weet één ding; mensen gaan meer betalen in een bepaalde categorie van schenking. Daar gaat het mij om. Hierop wordt verdiend. Dit voorstel zorgt voor een deel van de dekking van het wetsvoorstel. De staatssecretaris moet dus niet doen alsof alle tarieven in dit wetsvoorstel even naar beneden gaan. Dat is namelijk gewoon niet waar en dat weet hij.

Staatssecretaris De Jager:

De heer Remkes zei in zijn eerste termijn dat de schenkingsbelasting wordt verdubbeld. Ik heb zojuist gesteld dat dat een karikatuur is. Die schenkingsbelasting wordt niet verdubbeld. Een heel klein deel en een minderheid van de totale opbrengst van dit wetsvoorstel komt uit de schenkingsbelasting. Deze opbrengst wordt overigens weer teruggegeven door lagere tarieven voor de successiebelasting, zodat per saldo uiteindelijk ook kinderen beter uit zijn.

De heer Remkes (VVD):

De kleinere schenkingsrechten worden verdubbeld.

Staatssecretaris De Jager:

Ik heb zojuist al gezegd dat de vrijstelling juist weer wat omhoog gaat. Dus ook wat de heer Remkes nu zegt, kan niet op deze manier worden gesteld.

Er is een vraag gesteld over het overgangsrecht voor artikel 9 in verband met het vooroverlijden van langstlevenden. De heer Van Dijck is hierop ook teruggekomen. Ik heb hierop al schriftelijk geantwoord naar aanleiding van vragen van de heer Omtzigt. In de brief van vandaag wordt over dit artikel geschreven. Ik ben echter bereid om in de brief van maandag hierop nogmaals in te gaan.

In de motie van de heer Tang en de heer Omtzigt wordt de regering gevraagd om in contact te treden met de VNG en om een voorstel uit te werken voor een laagdrempelige en goedkope manier om een partnerschap aan te gaan en er voldoende publiciteit aan te geven. Als deze motie wordt aangenomen, zal ik dit verzoek doorgeleiden naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Justitie. Ik laat deze motie over aan het oordeel van de Kamer. Ik vind het namelijk wat lastig om hierover een toezegging te doen omdat dit niet mijn onderwerp is.

De heer Tang heeft een motie ingediend over de wachttijd van zes maanden bij een samenlevingscontract. Het huwelijk en het geregistreerd partnerschap kennen ook voorperioden, bijvoorbeeld ondertrouw. Ik ben bereid te onderzoeken of het mogelijk is om een termijn, ten minste gelijk aan de termijn van ondertrouw maar lager dan zes maanden, van toepassing te verklaren op samenlevingscontracten. Een termijn hebben wij echter nodig, omdat anders op het ziektebed even iemand kan worden aangeschoten. Ik ben echter bereid om deze termijn gelijk te maken aan de termijn van ondertrouw als dat mogelijk is.

De heer Tang (PvdA):

Wanneer kan dat onderzoek afgerond zijn en wanneer kan de staatssecretaris dit de Kamer laten weten?

Staatssecretaris De Jager:

Ik zal dit meenemen in de brief van maandag.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Het is al enige tijd geleden dat ik getrouwd ben, maar zover ik weet is twee jaar de maximale periode die je in ondertrouw kan zijn. Dat is dus langer dan zes maanden.

Staatssecretaris De Jager:

Ik ben ervan uitgegaan dat de heer Tang doelde op de minimale periode bij ondertrouw.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Die is 24 uur.

Staatssecretaris De Jager:

Ik zie dat er op dit moment een discussie onder de woordvoerders in de zaal ontstaat over de lengte van deze periode. Ik hoor mensen twee weken roepen, maar ook vier weken en zes weken. Ik weet het ook niet.

De voorzitter:

Hierop hoeft de staatssecretaris geen antwoord te geven. In de brief van maandag kan dit punt worden meegenomen. De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris De Jager:

In ieder geval is duidelijk dat er een niet te korte periode moet zijn.

Ik kom op de budgettaire gevolgen van de uniformering van het partnerbegrip. Met het stellen van de eis van een notarieel samenlevingscontract is geen budgettaire opbrengst beoogd. Die is dus ook niet geraamd. Ik heb daarvoor ook geen opbrengst in het wetsvoorstel gekregen van het ministerie van Financiën. Als de Kamer dit onderdeel dus terugdraait, hoeft zij dit ook niet te dekken. Zo zijn de regels en dat is fair. De Kamer hoeft niet iets te dekken waarvoor ik in het wetsvoorstel niets heb geraamd. Wij verwachten namelijk dat de meeste samenwonenden die dit aangaat al zo'n samenlevingscontract hebben. Immers, je kunt alleen erfgenaam zijn met een testament. Als je gewoon samenleeft, kun je alleen erfgenaam zijn krachtens testament. Het is regel dat een notaris zo'n samenlevingscontract al gelijk bij een testament meeneemt. Daar zijn wij van uitgegaan.

De voorzitter:

Mijnheer Tang, ik zie u peinzend kijken.

De heer Tang (PvdA):

Dat betekent dus dat registratie niet nodig is om de groep van partners af te bakenen? Het heeft immers blijkbaar geen effect op het feitelijke gedrag.

Staatssecretaris De Jager:

Ik denk dat dan de regel is dat wij uitgaan van vijf jaar registratie in de GBA. Dat is natuurlijk ook een registratie.

De heer Tang (PvdA):

Dat betekent dat wij hiermee een goede optie hebben, waar de Kamer voor pleit?

Staatssecretaris De Jager:

Dat klopt.

Ik kom bij de inbreng van mevrouw Koşer Kaya. Ik ga het niet allemaal herhalen, want ik heb echt al aangegeven waarom je niet moet toerekenen aan begunstigden in plaats van erfgenamen. Dat is namelijk heel constructiegevoelig. Daarmee maakt mevrouw Koşer Kaya het wetsvoorstel op het gebied van het aanpakken van trusts eigenlijk voor een deel krachteloos. Dat willen wij niet, want de Kamer heeft juist aangegeven dat wel die opbreng moet worden gehaald. Een erfgenaam beschikt, doordat hij erfgenaam is, in het algemeen ook over alle papieren die hij moet hebben om eventueel aan te tonen dat hij geen begunstigde is. Dat kun je niet zeggen over een begunstigde die geen erfgenaam is. Dat ontraden wij dus nog steeds.

De motie-Koşer Kaya c.s. (31930, nr. 74) gaat over samenlevingsvormen. Ik ben bereid om dit te laten betrekken in het onderzoek van de belastingcommissie onder voorzitterschap van prof. Van Weeghel. Die bereidheid heb ik. Ik laat het oordeel over die motie dan ook aan de Kamer, tenzij – daar heeft de heer Tang gelijk in – het andere amendement wordt aangenomen, want dan is de motie wellicht overbodig geworden. Mocht dat niet zo zijn, dan ben ik bereid om dit toe te zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het eind van dit debat. O nee, nog niet helemaal. Ik zie nog twee woordmeldingen. Eerst de heer Omtzigt. Ik verzoek hem het kort te houden, graag.

De heer Omtzigt (CDA):

Ik heb een korte nabrander. Kan de staatssecretaris in zijn brief van maandag ook de beantwoording van de vragen over artikel 7 meenemen en ingaan op het tweede gedeelte van de motie over de SBBI's waarin het erover gaat dat in het overleg ook wordt gepraat over welke andere voordelen eraan kunnen worden gekoppeld?

Staatssecretaris De Jager:

De brief van maandag waar ik op wees, was oorspronkelijk uw brief. Daar heb ik later andere elementen aan toegevoegd. Daar zit de behandeling van artikel 7 in. Dat tweede element zal ik daar ook in meenemen.

De heer Bashir (SP):

Het is gebruikelijk dat de staatssecretaris ook ingaat op alle amendementen die zijn ingediend. Ik heb op het laatste moment nog drie amendementen van de coalitie ingediend in gewijzigde vorm. De dekking in die amendementen van de coalitiepartijen was de wijnaccijns. Die heb ik veranderd in een bedrijfsopvolgingsregeling. Het gaat om de stiefkinderen, de ouders, en de zieke en gehandicapte kinderen. U hebt de amendementen van de coalitiepartijen afgeraden. Vindt u mijn dekking beter?

Staatssecretaris De Jager:

Nee, zeker niet. Als ik tussen die twee dingen – "kwaden" klinkt zo zwaar – zou moeten kiezen, zou de wijnaccijns een betere dekking zijn dan de versobering van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Ik heb duidelijk aangegeven dat wij goede redenen hebben gehad om dit zo voor te stellen. Dat heb ik vandaag aangegeven en in de schriftelijke stukken beargumenteerd. Daar verwijs ik graag naar.

De heer Bashir (SP):

Maar dan is dit wetsvoorstel toch niet meer budgettair neutraal in die zin dat het binnen de successiesfeer blijft?

Staatssecretaris De Jager:

Dat was het al niet omdat in de inkomstenbelasting een groot deel van de opbrengst wordt gevonden. In box 2 en box 3 werd een belangrijk deel van de dekking gevonden. Per saldo wordt de opbrengst van de successiebelasting dus iets lager, maar daar staat de trustopbrengst met box 2 en box 3 in de inkomstenbelasting tegenover. De regels zijn dat lasten aan de lastenkant moeten worden gedekt. Wat de coalitie doet, is dus technisch correct. Zij mag daar een accijns voor inzetten. Dat hoeft niet. De dekking moet wel binnen ditzelfde wetsvoorstel plaatsvinden, zo zeg ik ook tegen de heer Remkes, die verwijst naar een ander wetsvoorstel. Het moet dus wel in dit wetsvoorstel gebeuren, maar je mag in dit fiscale wetsvoorstel ook een belasting van een andere wet verhogen om dekking te vinden.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zijn gekomen aan het eind van een wetgevingstraject dat gekenmerkt is door snelheid en grondigheid. Ik stel voor, aanstaande dinsdag te stemmen over het wetsvoorstel en de moties.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.