Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 26, pagina 2186-2206

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2009 (31700 VII);

het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2009 (31700 B);

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 (31700 C).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van Raak (SP):

Paul Schaap schreef in 2001 een zwartboek over de onveiligheid van de kernreactor in Putten. Deze klokkenluider werd ontslagen en kwam in financiële problemen. Op 10 november vertelde de minister dat de problemen van deze klokkenluider waren opgelost. De dag erop al verklaarde Schaap zelf dat hiervan geen sprake was. Dit is symptomatisch. In de wereld van de ministeries zijn problemen opgelost, maar in de echte wereld blijven ze voortbestaan. Ad Bos bracht grootschalige fraude in de bouwwereld aan het licht. Fred Spijkers waarschuwde ons voor leugens over ondeugdelijke mijnen bij defensie. Deze en andere klokkenluiders zijn tragische iconen van een onfatsoenlijke overheid. In mei beloofde de minister de problemen op te lossen. Nu sta ik hier opnieuw. Hoe lang moet deze schande nog voortduren? Waarom heeft de regering niet het fatsoen om deze problemen op te lossen?

De SP wil mensen die maatschappelijke misstanden melden, helpen met een fonds dat klokkenluiders ondersteunt en een instituut dat klokkenluiders inhoudelijk bijstaat. De minister wil hier uitvoering aan geven door een onafhankelijk meldpunt, zo heb ik begrepen. Bedoelen wij hetzelfde? Wordt dit meldpunt de arm die de samenleving om de schouder van de klokkenluiders legt? Gaat het meldpunt van de minister beoordelen of iemand een klokkenluider is en deze persoon helpen in de vaak lange en eenzame strijd tegen de overheidsbureaucratie? De minister heeft mijn voorstel voor een klokkenluidersfonds deels uitgevoerd. Er komt een fonds van € 250.000 voor geleden financieel nadeel voor rijksambtenaren en politieagenten. Dit fonds moet voorkomen dat klokkenluiders om financiële redenen misstanden niet melden, bijvoorbeeld vanwege de juridische kosten. Maar dit fonds heeft daarnaast ook een symbolische functie. Wij laten mensen zien dat wij klaar staan om ze te helpen. Dit fonds moet enige substantie hebben en gaan gelden voor alle Nederlanders die misstanden melden. Daarom wil ik dit bedrag verhogen met 2 mln.

Klokkenluiders hebben geen arbeidsconflict. Het is wat ons betreft dan ook onbespreekbaar dat een klokkenluidersinstituut in handen komt van werkgevers- of werknemersorganisaties. Klokkenluiders dienen het algemeen belang. Ze melden milieuverontreiniging en onveiligheid, fraude en corruptie, of het bewust achterhouden van informatie. Het klokkenluidersinstituut moet worden ondergebracht bij een instituut dat het algemeen belang behartigt, bijvoorbeeld de Nationale Ombudsman of een vergelijkbare organisatie. Kan de minister toezeggen dat het klokkenluidersinstituut wordt ondergebracht bij een instituut dat het algemeen belang dient?

Bij haar aantreden hoopten wij op een daadkrachtige minister, een soort burgemeester van Nederland, die praktische problemen oplost. Wij zijn nu ongeveer halverwege. Kan de minister deze verwachtingen waarmaken? Laten wij eens wat zaken op een rij zetten. De regering slaagt er niet in om de samenwerking tussen overheden te verbeteren. In deze kredietcrisis blijken regering, provincies en gemeenten niet in staat om gezamenlijk de honderden miljoenen verdwenen euro's aan spaargeld terug te krijgen. Zie minister van Financiën Bos en commissaris van de koningin Borghouts. Zie hoe heel Nederland bij het tv-programma Pauw en Witteman kon meebeleven hoe dit komische duo Bo en Bo elkaar in de haren vloog. Hier zagen wij het stuitende onvermogen van bestuurders om de belangen van spaarders en belastingbetalers te behartigen. Hoe gaat de regering de samenwerking tussen de overheden fatsoeneren?

De minister wil discriminatie aanpakken, maar de registratie van racisme en discriminatie is naar onze opvatting onvoldoende. Bij het Landelijk ExpertiseCentrum Diversiteit is hiervoor welgeteld één persoon beschikbaar. De SP-fractie wil een speciale taakgroep oprichten die agenten kan leren hoe zij kunnen omgaan met discriminatie. Deze taakgroep kan ook discriminatie van specifieke bevolkingsgroepen uitlichten, van Roma en Sinti bijvoorbeeld. De SP-fractie wil voor deze taakgroep bij het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit € 500.000 beschikbaar stellen.

De minister van Justitie komt bij de behandeling van de Voorjaarsnota met aanvullend beleid tegen eergerelateerd geweld. Wij zullen dan met voorstellen komen om de aanpak van deze vorm van geweld een vaste plek te geven in de politieorganisatie.

Dat breng mij bij bezuinigingen op de politie. Bij de korpsen dreigen nu al reusachtige tekorten. De minister wil daar bovenop nog 100 mln. bezuinigen. Hoe zij dat gaat doen, weet zij niet. Dat moet de politie maar zelf zien op te lossen. Ondernemingsraden, vakbonden, korpsleiding, iedereen roept dat deze bezuinigingen duizenden agenten hun baan kunnen kosten. Deze bezuinigingen zullen ook ten koste gaan van de veiligheid op straat. Nu zien wij al dat vacatures niet worden ingevuld om tekorten te dekken. De Nederlandse Politiebond zegt dat de politie op crepeersterkte is, en ik hoor minister Klink zeggen dat de politie het rookverbod maar moet gaan handhaven. Er worden veel eisen gesteld én er moet worden bezuinigd. Dat gaat niet samen. De SP-fractie vindt dan ook dat nu bezuinigen onverantwoord is. Zij heeft eerder een motie ingediend om die bezuinigingen ongedaan te maken.

Vanuit de coulissen roept de minister nog wel dat de politie efficiënter en goedkoper moet gaan werken. Maar hoe de politie dit moet doen, horen wij opnieuw niet. Enkele jaren terug is de voorziening tot samenwerking Politie Nederland in het leven geroepen. Bijna 3000 mensen moeten de politie in Nederland efficiënter en goedkoper maken. Uit een intern rapport dat op verzoek van de SP-fractie openbaar is geworden, blijkt dat deze organisatie een puinhoop is. Er wordt 155 mln. per jaar weggegooid aan veel te dure externen. Daarbij worden massaal regels overtreden en lijkt er sprake van vriendjespolitiek. De minister zei dat zij "not amused" was. Dat ben ik ook niet, maar dan moet zij wel aanpakken en ingrijpen. Is de minister bereid om in te grijpen bij de voorziening tot samenwerking Politie Nederland, bijvoorbeeld door de organisatie onder curatele te stellen?

Alleen al bij de rijksoverheid wordt er voor 1,2 mld. aan externen ingehuurd. Bij provincies en gemeenten is het niet beter. Zelfs bij deelraden in Amsterdam zien wij al dat er mensen worden ingehuurd voor € 1200 per dag om een simpel rapportje te schrijven. Volgend jaar zullen de uitgaven hiervoor misschien nog stijgen. Het gaat daarbij om mensen die even financieel binnenlopen en daarna weer vertrekken en niet zelden een puinhoop achterlaten. Ik heb de minister gevraagd hoe het komt dat er zoveel dure externen bij de overheid werken. Waarom kunnen overheden niet zelf leren en waarom kunnen zij niet zelf mensen opleiden? Het antwoord op die vraag heb ik nog steeds niet gekregen. Ik wil cijfers over de inhuur van dure externen bij alle overheden en alle publieke en semipublieke diensten. Ik wil dat er maatregelen worden genomen om deze ziekte aan te pakken.

De minister wil de huidige situatie stabiliseren. Dat kan echter niet, want de inhuur van dure externen is geëxplodeerd met tientallen procenten per jaar. Het huis is geëxplodeerd. Je kunt dan niet zeggen: goh, het is hier fijn wonen. Nee, dan moet je puinruimen. Waarom steunt de minister het voorstel van de SP-fractie niet om de inhuur van externen bij de rijksdienst volgend jaar met 10% te verminderen? Wij nemen aan dat er ook bij Defensie, Justitie en VWS sprake zal zijn van een vermindering.

Deze minister komt ook met slechte compromissen, bijvoorbeeld bij de aanpak van topinkomens. Gaan wij die nu wel aanpakken of niet? De conclusie luidt: soms. Bij woningcorporaties, zorginstellingen, het openbaar vervoer en publieke diensten lopen managers weg met tonnen. De minister wil met deze graaiers een gedragscode afspreken. Deze "geldjunkies" moeten hun eigen afkickregime gaan samenstellen. Dat gaat natuurlijk niet lukken. Is de minister het met mij eens dat je niet kunt onderhandelen met verslaafden, maar dat je duidelijke normen voor hen moet stellen?

In de publieke sector wil de minister wel een maximum stellen: in deze sector mag niemand meer verdienen dan de minister-president, maar zelfs bij de waterschappen halen managers tonnen op. Hoe gaat de minister het graaien bij de waterschappen aanpakken?

De minister geeft soms een vreemde voorstelling van zaken. Het principe luidt dat niemand in de publieke sector meer mag verdienen dan de minister-president. Toch stelt de minister een Balkenendenorm voor die 30% hoger ligt dan het inkomen van Jan Peter Balkenende. Kan de minister uitleggen dat iemand 30% meer verdient dan de minister-president, en toch minder verdient dan Jan Peter Balkenende? Is hier sprake van volksverlakkerij? Sinds ik Kamerlid ben, ligt er al een voorstel om de inkomens van ministers met 10% te verhogen. De behandeling van dit wetsvoorstel wordt voortdurend uitgesteld. Dat kan ik begrijpen. Ook ik zou mij ervoor schamen dat ik hierover überhaupt zou moeten praten. De PvdA liet op 30 oktober bij RTL Nieuws weten dat het niet is uit te leggen als ministers er volgend jaar meer bij krijgen dan gewone mensen. Daarvoor dank ik de PvdA. Mooi zo! Is deze verhoging van het inkomen van ministers met 10% nu eindelijk definitief van de baan?

De informatietechnologie bij de overheid is een groot probleem. Er worden ICT-toepassingen ontwikkeld die nooit gebruikt worden omdat mensen er niet mee kunnen werken of omdat de juiste informatie er niet in kan of er niet meer uitkomt. De SP-fractie wil dat het budget en de einddatum van ICT-projecten worden vastgelegd. Aanbestedingen moeten beter worden afgestemd op het actieplan Nederland Open in Verbinding. Er moet niet meer toegeschreven worden naar een bepaald bedrijf of een bepaald softwareprogramma zodat er altijd Microsoft uitkomt. Hoeveel externen werken bij de ministeries aan ICT-gerelateerde projecten of aan onderhoud? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de overheid bij ICT-projecten zo open mogelijk aanbesteedt?

Uit de accessibilitymonitor blijkt dat de meeste websites van provincies en gemeenten niet verbeterd zijn. Slechts 5% voldoet aan de minimale eisen. Er wordt geadviseerd om de staatssecretaris één maal per jaar te laten rapporteren over de toegankelijkheid en de kwaliteit van alle overheidssites. Is de staatssecretaris bereid om dit te doen?

Deze minister koestert het beeld van een daadkrachtige burgemeester van Nederland die problemen praktisch aanpakt: de klokkenluiders, de samenwerking tussen overheden, de aanpak van discriminatie, de bezuinigingen op de politie, de inhuur van externen, de bestrijding van topinkomens en de informatievoorziening van de overheid. Als ik kijk naar twee jaar Ter Horst, zie ik geen daadkracht. Ik zie zo langzamerhand een politieke crisis.

Nu wij het over crisissen hebben: de minister heeft voor alle Nederlanders een crisispakketje samengesteld. Er zit een radiootje in, een zaklamp, waxinelichtjes, watervaste lucifers, een vlaggetje en een fluitje. Ambtenaren krijgen het pakketje gratis, maar de rest van Nederland moet er € 72 voor betalen. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat na een ramp in Nederland alleen de ambtenaren overblijven? Stel dat dit wonderpakketje van Ter Horst werkelijk helpt bij een crisis – laten wij dat niet van tevoren uitsluiten – waarom krijgen dan niet alle Nederlanders dit wonderpakketje thuisgestuurd?

Ik zag dat de minister een ferme mediacampagne is gestart. Voor overheidspropaganda lijkt geld nooit een probleem. Er zijn ongetwijfeld weer allerlei dure bureaus en externen ingehuurd voor advies, ontwikkeling van vlaggetjes en fluitjes en communicatie; ik heb de radiospotjes gehoord. Hoeveel heeft deze "denk vooruit"-campagne in totaal gekost? Ik heb een heel eenvoudig en goedkoop crisispakketje voor de minister: zij heeft een flinke bijl nodig. De komende twee jaar moet zij knopen doorhakken. Ik wil die bijl graag aan de minister ter beschikking stellen en ik zal hem bij het ministerie laten bezorgen. Zo kan zij de komende twee jaar eindelijk alle knopen doorhakken die ik heb genoemd. Nu zie ik alleen maar verschillende ministers aan uiteinden trekken en dan wordt de knoop alleen maar vaster; dat weet de minister ook.

Ik kijk uit naar de waardencatalogus van de minister. Ik wil haar het volgende meegeven: wij gaan over normen. Wij stellen normen, regels en wetten op. Waarden kun je niet stellen. Waarden moet je uitdragen. Ik zou willen dat de minister de komende twee jaar waarden gaat uitdragen. Niet afwachten, maar aanpakken; dat is een mooie waarde. Niet wegkijken, maar optreden; dat is een mooie waarde. Niet afschuiven, maar verantwoordelijkheid nemen; ook dat is een mooie waarde. Ik hoop dat die waarden de komende twee jaar in de waardencatalogus van deze minister komen.

De heer Bilder (CDA):

Voorzitter. Bijna 2000 jaar geleden schreef de apostel Paulus al in een brief dat de overheid "Gods dienaresse is, u ten goede". Hij doelde daarmee op het feit dat de overheid nodig is om ervoor te zorgen dat het land goed bestuurd wordt en alles er in goede orde aan toe gaat. Daarmee is de overheid in het enkele feit dat zij er is al van nut voor alle mensen. In de voorliggende begroting van BZK zetten de bewindspersonen in op een dienstbare overheid. Dat gaat verder dan het als overheid alleen nut hebben door te bestaan; het betekent dat de overheid een actieve, dienstbare houding moet hebben. De overheid moet zich ten doel stellen de samenleving te dienen. Dat kan alleen wanneer de mensen die bij de overheid werken, de ambtenaren, een dienstbare houding hebben. In de beleidsagenda van de begroting worden in dat kader zaken als de elektronische overheid, het elektronisch loket en de elektronische dienstverlening genoemd. Die zaken zouden kunnen toenemen.

Het is daarnaast van groot belang dat dienstbaarheid bij de overheidsmedewerkers een grondhouding is en blijft. Mijn vraag is op welke wijze aan dit aspect in de begroting van BZK vorm wordt gegeven.

Decentralisatie is een belangrijk thema in de begroting van BZK. Wij juichen dat toe. Het is goed om taken te laten uitvoeren door de bestuurslaag die het dichtst bij de mensen staat. De overheid is immers veel meer dan Den Haag en het Binnenhof alleen. Dat dit voor medeoverheden een taakverzwaring tot gevolg kan hebben, onderkennen wij. Sommige taken zijn voor gemeenten soms wat te zwaar. In dat geval moeten wij de desbetreffende gemeenten modellen aanreiken voor het organiseren of uitbesteden van taken die het schaalniveau van de gemeente te boven gaan. De voorzichtigheid waarmee de bewindspersonen in dit kader naar herindeling wijzen, is ons niet ontgaan. Wij willen duidelijk onderstrepen dat voor ons herindeling uitsluitend van onderop moet komen. Dat is wat mij betreft het eerste kader voor de nota inzake de herindeling.

Wat de CDA-fractie betreft, zouden de bewindspersonen meer perspectieven moeten bieden aan gemeenten die moeite hebben met de extra taken die in het kader van de decentralisatie op hun afkomen. Kleinere gemeenten, vaak met een grote sociale cohesie en een sterke betrokkenheid van burgers bij het gemeentebestuur, moeten ook in de toekomst kunnen blijven bestaan. Ervaringen, zowel in gemeenteland als in de sectoren onderwijs en zorg, leren ons dat schaalvergroting lang niet altijd de oplossing is.

De heer Pechtold (D66):

Ik proef iets tegenstrijdigs in het verhaal van de CDA-fractie. Aan de ene kant zegt de heer Bilder dat de gemeenten hun taken wel moeten kunnen uitvoeren, maar van de andere kant wijst hij erop dat zij zelfstandig moeten blijven en dat herindeling alleen van onderop kan komen. Ik wil de heer Bilder wijzen op een belangrijk item van het kabinet, te weten de schooluitval. De gemeente Andijk in West-Friesland heeft 0,01 fte beschikbaar voor een leerplichtambtenaar. Dat is een halfuur per week voor ongeveer 1200 leerlingen. De gemeente Koggenland heeft 0,06 fte beschikbaar voor bijna 4000 leerlingen. Dit betekent dat Hoorn alles moet doen en dat de rest niets kan doen. Hoe gaan wij daarmee om?

De heer Bilder (CDA):

De tegenvraag is of dit probleem automatisch wordt opgelost als al die gemeenten bij elkaar worden gevoegd. Ik denk het niet. Indien het voor een bepaald onderdeel nodig is om gemeentelijke taken samen te voegen, dan hoeft dit niet te leiden tot het totaal samenvoegen van die gemeenten. Wij bepleiten niet dat gemeenten niet samen dingen zouden kunnen oppakken. Wij zien graag dat zij samenwerken, als dat nodig is. De nu vaak eenduidige keuze voor schaalvergroting, waarbij alles wat die gemeenten voorstellen maar op één hoop wordt gegooid, is echter wat ons betreft op veel plaatsen te snel en te kort door de bocht en het zoeken van de oplossing in één enkele richting.

De heer Pechtold (D66):

Sluit de CDA-fractie – zoals wel vaker het geval is – niet gewoon de ogen voor de reële problematiek? Er is een minister voor Jeugd en Gezin in het leven geroepen die nog geen deuk in een pakje boter slaat. De wachtlijsten binnen de jeugdzorg lopen alleen maar op. Ik geef nu het voorbeeld van de schooluitval. Heel West-Friesland kent acht gemeenten, met 200.000 inwoners, waarvan ongeveer de helft in één gemeente woont. De CDA-fractie zegt dat Andijk op dit punt helemaal zelf moet beslissen. Het alternatief van de CDA-fractie is om het toezicht op de schooluitval te regionaliseren. Dit betekent dat er weer een regionale samenwerking komt. De beide bewindslieden, de heer Bilder en ik komen uit het lokale bestuur voort, dus wij weten dat de democratische legitimatie in dat geval nul komma niks is. Wij gaan die acht gemeenten dan een soort leerplichtregiosamenwerking opdringen. En wie gaat daar dan over? Andijk, Koggenland, Hoorn?

De voorzitter:

Mijnheer Pechtold, probeert u in het vervolg wat korter te zijn.

De heer Bilder (CDA):

Ik denk dat wij elkaar op één begrip vinden, te weten het begrip "opdringen". Wat ons betreft wordt er niets opgedrongen. De gemeenten moeten de ruimte hebben om zelf een oplossing te kiezen voor de problemen waar zij tegenaan lopen. Nu is de praktijk in dit land te vaak dat er een oplossing wordt opgedrongen. Daar leggen wij de vinger bij. En als wij daar de vinger bij leggen, spreekt het voor zich dat je dan niet moet zeggen dat vervolgens het samengaan van gemeenten moet worden uitgesloten. Dat moet een keuze zijn die gemeenten zelf maken. Naast de keuze om eventueel samen te gaan met andere gemeenten zijn er nog allerlei andere keuzes mogelijk. Ik doel daarbij niet alleen op het aangaan van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Ik begrijp wat u zegt en ik hoor het ook veel in het land dat je ook daar kanttekeningen bij kan plaatsen, zoals je overigens bij elke oplossing kanttekeningen kan plaatsen. Het gaat erom dat er meer mogelijkheden zijn. De CDA-fractie heeft de afgelopen maanden enkele oplossingen onderzocht die in het land gekozen zijn en met mensen gesproken die ermee te maken hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan het model Ten Boer in Groningen waar een gemeente haar taken op vrijwillige basis uitbesteedt aan een andere gemeenten. Op meer plaatsen in het land werkt dat goed. Ik denk aan de BEL-gemeenten, Blaricum, Laren en Eemnes, waar nogal wat van uw partijgenoten het burgemeesterschap bekleden. Is mijn antwoord te lang, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:

Ja!

De heer Bilder (CDA):

Ik wil in elk geval duidelijk maken dat er talrijke voorbeelden zijn die kunnen worden meegenomen. Ik vraag aandacht voor die voorbeelden, ook die moeten een kans krijgen, ook die moeten worden meegegeven aan gemeenten die tegen problemen aanlopen. Het gaat in dezen om lokale democratie in optima forma. Laat de mensen in gemeenten zelf kunnen nadenken, zelf keuzes maken over hun toekomst! Daar wil ik met u naar toe.

De voorzitter:

Dank u wel. Een korte slotopmerking van de heer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

Heel kort. Ik ben blij met het compliment dat lokale D66'ers inderdaad met verfrissende ideeën hieromtrent komen, maar ik ben bang dat de leerlingen op de wachtlijst in West-Friesland van het CDA nog weinig te verwachten hebben, want dat de gemeente Andijk daar wat aan gaan doen met haar 0,01 fte betwijfel ik toch ten zeerste!

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog, of wilt u nog even reageren?

De heer Bilder (CDA):

Mag ik nog een korte reactie geven? Ik blijf van mening dat de heer Pechtold met deze voorstelling van zaken voorbijgaat aan de inhoud van mijn betoog. Het gaat hier om de vraag hoe een gemeente met een beperkte inzet problemen kan oplossen. De beperkte inzet die zij in hun eigen formatie hebben, moeten ze dan koppelen aan die van andere gemeenten. Dat is een kwestie van organiseren en voor die organisatie willen wij de keuze bij de gemeenten laten. Gemeenten moeten de mogelijkheden hebben om zelf de weg te bepalen. Dat heb ik willen betogen en nu zal ik dat betoog maar gaan voortzetten.

De voorzitter:

Dan gaat uw tijd nu weer in.

De heer Bilder (CDA):

Voorzitter. Nogmaals, wij willen het kabinet graag oproepen om gemeenten die tegen problemen aanlopen die met schaalgrootte te maken kunnen hebben meer alternatieven voor herindeling te presenteren. De voorbeelden heb ik in mijn antwoord op de heer Pechtold al genoemd, waarbij ik nog het Finse model vergeten ben, de nabuurschapgemeente, gast in gemeente, dat ook onze warme aandacht heeft en wat wat ons betreft ook kan meespelen. Daarnaast kan er ook nog aan taakdifferentiatie worden gedacht. Tot zo ver de vraag die ik de minister wil meegeven en ik onderstreep dat nog eens door te zeggen dat wij hechten aan het behoud van de pluriformiteit en de veelkleurigheid in gemeenteland.

Voor het goed functioneren van het democratisch bestel zijn politieke partijen van groot belang. Zij moeten in staat zijn om mensen aan te spreken, te motiveren en te rekruteren voor politieke en vertegenwoordigende functies. De voorgestelde korting op subsidies voor politieke partijen kost ons moeite, maar wij gaan er evenwel morrend mee akkoord. Bij de behandeling van het wetsvoorstel financiering politieke partijen komen wij hierop terug, ook in relatie tot de externe financieringsmogelijkheden voor politieke partijen. Hoe ver is het met dat wetsvoorstel en wanneer zal de behandeling alhier plaatsvinden?

In 2010 zullen weer gemeenteraadsverkiezingen worden gehouden. Wij hopen dat voldoende mensen beschikbaar zijn voor een zetel in de gemeenteraad. Het is van belang dat deze mensen ook goed worden voorbereid op het werk in de gemeenteraad. Opleiding maakt deel uit van die voorbereiding en is wat ons betreft een partijpolitieke aangelegenheid, juist omdat elke politieke partij haar eigen kleur en daarbij behorende benaderingswijze heeft. Daarom zijn wij van mening dat politieke partijen over voldoende opleidingsbudget moeten kunnen beschikken en dat dit niet door neutrale opleidingen, zoals via de VNG, kan worden vervangen. De opleiding van politici moet niet worden verstatelijkt en wij zullen hierover ook een amendement indienen.

In het kader van de decentralisatie heeft de commissie-Lodders in het voorjaar haar rapport gepubliceerd. De inhoud is wat ons betreft een behandeling in het parlement waard. Dat kan in combinatie met de behandeling van de commissie-D'Hondt. In het wetgevingsoverleg zijn er ook al toezeggingen over gedaan. Wij zien ernaar uit om daar nader over te spreken. Ten slotte vraagt de CDA-fractie aandacht voor de koninklijke onderscheidingen. Thans moeten koninklijke onderscheidingen na het overlijden van de decorandus worden teruggegeven. De SP-fractie heeft daarover ook al eens vragen gesteld. De CDA-fractie is van mening dat de mogelijkheden voor nabestaanden om deze onderscheidingen te behouden, moeten worden verruimd. Wij vragen hierop een reactie van de minister.

De heer Çörüz (CDA):

Voorzitter. Overlast en verloedering, radicalisering en polarisatie, kleine en grote misdaad moeten niet alleen door politie en justitie worden bestreden, maar ook en vooral door gemeentebesturen. Dit kabinet zet terecht in op de verantwoordelijkheid van gemeentebesturen, college en gemeenteraad, voor een integraal lokaal veiligheidsbeleid. Veiligheid heeft voor deze regering een hoge prioriteit en dat deelt de CDA-fractie. Dat heeft ook als praktische consequentie dat twee ministers hiermee aan het werk gaan. Met de minister van Justitie hebben wij daarover twee weken geleden gesproken en vandaag spreken wij met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met de staatssecretaris.

De CDA-fractie steunt waar nodig de uitbreiding van het instrumentarium van gemeenten om effectief op te treden. Met het wetsvoorstel Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast worden belangrijke stappen gezet. Binnenkort treedt de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte in werking, waarmee gemeenten de mogelijkheid krijgen om veroorzakers van overlast onmiddellijk te beboeten.

Recentelijk kwam uit een onderzoek van de Raad van Hoofdcommissarissen naar voren dat er ongeveer 1800 jeugdgroepen zijn, waarvan er 350 op de rand van de criminaliteit belanden en er maar liefst 100 ronduit crimineel zijn. De CDA-fractie vindt dat een zorgelijke ontwikkeling, temeer omdat kort daarvoor uit een onderzoek onder 23 gemeenten naar voren was gekomen dat het met de overlast van die jongeren best wel meeviel. Nu is de vraag wat de juiste gegevens zijn, de gegevens van de gemeenten of de gegevens van de hoofdcommissarissen, en vooral wat wij eraan gaan doen om te voorkomen dat hangjongeren in de criminaliteit belanden.

Op veel plaatsen in dit land is onderhuids sprake van overlast, intimidatie, bedreiging en criminaliteit van groepen jongeren. Dat zijn overwegend Marokkaanse jongeren. Recentelijk hebben wij daarover nog gesproken in verband met Gouda. Juist om te voorkomen dat vooral de meelopers meegaan met die criminele jongeren, willen wij ervoor zorgen dat er een daadwerkelijke aanpak komt. Daar zit precies het probleem, met name in dat grijze gebied waarin de meelopers zich opstellen. De harde kern kunnen wij aanpakken, vooral strafrechtelijk. Mijn fractie wil erop inzetten om vooral met gebruikmaking van de juridische titel ondertoezichtstelling, ots, verplichte opvoedingsondersteuning te geven. Voor een ots is geen minimumleeftijd nodig. Ook de 12-minners kunnen wij daarmee aanpakken. Voor een ots is geen strafbaar feit nodig. Daarom stel ik voor om dit idee nader uit te werken. Als je thuis opgroeit voor galg en rad, dan hebben wij dat ots-systeem ter beschikking. Als je hetzelfde buiten doet, zeggen wij "nou ja". Met name als het 12-minners betreft en geen sprake is van strafbare feiten, zeggen wij "nou ja, wij kunnen eigenlijk niets".

Ik wil die lijn doortrekken. Ik heb gezegd dat wij lokale bestuurders juist in de strijd tegen overlast en verloedering juiste, ruime en effectieve juridische mogelijkheden willen bieden. Maar wat hebben wij de afgelopen maanden gezien? Dat een aantal gemeenten door een rechter is teruggefloten. Zij hebben ingezet op bijvoorbeeld een samenscholingsverbod, een ov-verbod, een gebiedsverbod en verstoring. Het is wel de bedoeling dat die wetten goed zijn als wij hier wetten maken en die mogelijkheden aan lokale bestuurders bieden. Hoe komt het dat die gemeenten nat zijn gegaan bij de rechter? Kan de minister aangeven wat de redenen zijn en – wat belangrijker is – wat de minister gaat doen opdat gemeenten in de toekomst niet nog eens nat gaan?

De weerbaarheid van onze democratische rechtsorde is ontzettend belangrijk. Wij hebben daarover verschillende keren gesproken. Het is dan ook van belang om alles wat kwaad is te benoemen en om hen die mee willen doen, aan ons te binden.

De heer Marcouch heeft niet zo lang geleden gezegd dat de aanpak van radicalisering in bijvoorbeeld het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart erg moeizaam verloopt. Het onderwerp zit volgens hem nog te veel in de taboesfeer en signalen worden te veel gebagatelliseerd. Wij hebben daarover met elkaar gesproken en ik heb de regering bij motie het meldpunt polarisatie en radicalisering aangegeven. Wij spreken nu, naar ik meen, over het kennis- en adviescentrum. Hoe staat het daarmee? Werkt het al? In het verlengde van dit debat ligt de motie-Çörüz/Kuiken om de radicalisering aan te pakken en tegelijkertijd de waarden van de Nederlandse democratie en rechtsstaat uit te dragen. Hoe staat het met de uitwerking van de motie-Çörüz?

Oud en nieuw nadert. Wij slagen er toch nog niet in om voetbalrellen, lampionoptochten en de intocht van Sinterklaas vroegtijdig in goede banen te leiden. Heel veel relschoppers zijn naar aanleiding van de rellen van vorig jaar rond oud en nieuw opgepakt. Het verbaast mij dat sommigen van hen pas medio juli dit jaar zijn berecht en sommigen zelfs nog later, namelijk in september. Hoe kan dat? Daar ontbreekt dan toch elke relatie tussen dader en daad? Nog belangrijker is wat wij eraan gaan doen om proactief te kunnen optreden.

Bij het wetgevingsoverleg over de politie hebben wij al gesproken over de mogelijkheid om een evenement als oud en nieuw te zien als een risicowedstrijd en op te schalen. Hoe staat het daarmee? De CDA-fractie vindt het een goed plan om oud en nieuw te zien als een risicowedstrijd en alles wat daarbij komt kijken, op te schalen in die richting.

Het gaat vaak om dezelfde relschoppers. De politie kent hen ook vaak. Ik stel daarom voor om deze jongeren bij dit soort evenementen zich middels een meldplicht te laten melden op het politiebureau of een andere plaats. Wij moeten niet iedere keer een discussie moeten voeren van "hadden wij maar". Het gaat vaak om bekende relschoppers die geen respect hebben voor bepaalde tradities. Ik vind dat wij die jongeren proactief moeten kunnen aanpakken door hen een meldplicht op te leggen.

Voorzitter. Wij hebben al over de politie gesproken. Eigenlijk werd mijn angst over geweld tegen politie nog eens ernstig bevestigd door een onderzoek van afgelopen vrijdag waaruit bleek dat geweld tegen politieagenten in de afgelopen zeven à acht jaar is verdrievoudigd. Wij komen daarover nog te spreken, maar ik zou de minister willen meegeven dat het het standpunt is van de CDA-fractie dat mensen die niet van onze agenten kunnen afblijven, keihard moeten worden aangepakt.

De overhead is mijn volgende punt. Het is niet acceptabel dat er overhead is tussen de 16% en 27%. De minister heeft aangegeven – ik heb het verslag erop nagelezen – dat zij een benchmark wil. Ik zou willen weten wat voor pakket aan gerichte maatregelen zij gaat inzetten, opdat wij de komende maanden veel geld kunnen besparen door niet alles dubbel te doen.

Dan kom ik op het tekort aan politieagenten. Ik zou de minister willen uitdagen om te reageren op de brief van de Nederlandse Politiebond. Ik heb het vorige keer al gezegd, maar ik stipuleer nog een keer dat het vreemd is dat de cijfers van de korpsen zo van elkaar verschillen. Zo lees ik bij het korps Amsterdam-Amstelland min 635 en bij Groningen plus 314. Hoe is dat mogelijk? Ik zou dat van de minister willen vernemen, juist om te voorkomen dat wij te weinig blauw op straat willen hebben. Hoe gaat zij verder het tekort aan rechercheurs oplossen?

De heer Van Raak (SP):

Iedereen die iets weet van de politie of betrokken is bij de politie, weet dat bezuinigingen op de politie ten koste gaan van politieagenten. Ook ik ben geschrokken van die tekorten. Ik neem aan dat het plan voor de bezuinigingen op het ministerie zijn ontstaan toen de cijfers nog niet bekend waren. Nu kennen wij de tekorten. Ik neem dan ook aan dat de CDA-fractie het met mij eens is dat wij nu niet moeten bezuinigen op de politie.

De heer Çörüz (CDA):

Ik was het twee weken geleden ook niet met u eens toen wij in het wetgevingsoverleg politie nadrukkelijk hierover hebben gesproken. In navolging van het kabinet zie ik dat bedrag van 100 mln., op een totaalbedrag van 4,7 mld. dat wij besteden aan de politie, als een prikkel tot efficiency. Die 100 mln. gaan wij niet zoeken in personeel maar in betere inkoop, minder overhead en minder bureaucratie. Daar moet die 100 mln. in gevonden worden, niet in het bezuinigen op agenten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

In uw waardencatalogus hoort natuurlijk ook "verantwoordelijkheid nemen". Ondernemingsraden, bonden, korpsleiders, kortom iedereen die de bezuiniging moet uitvoeren zegt dat dat wel ten koste gaat van agenten en veiligheid op straat. U kunt niet een groot verhaal houden over hoe erg het is dat er tekorten zijn bij de politie, tegelijkertijd zeggen dat er 100 mln. bezuinigd moet worden en vervolgens zeggen dat de politie zelf maar moet uitmaken op welke manier dat gebeurt. Dat kunnen wij de politie in Nederland niet aandoen.

De heer Çörüz (CDA):

Wij hebben de verantwoordelijkheid voor die 100 mln. gelegd waar die hoort te liggen. Als de korpsen vragen om dat aan hen over te laten, dan vind ik het ook tijd om te zeggen: stroop de mouwen maar op en vind die 100 mln. Ik heb aangegeven dat er veel voorbeelden te geven zijn van terreinen waarop door slagvaardig optreden en samenwerking 100 mln. kan worden inverdiend, bijvoorbeeld bij de werving en selectie, de inkoop van ICT en de inhuur van externen. Ik geloof daar heilig in.

De heer Brinkman (PVV):

Voorzitter. De heer Çörüz pleit voor keiharde actie tegen geweld en politie. Ik ben dat natuurlijk helemaal met hem eens. Twee weken geleden zei hij voorstander te zijn van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf indien iemand zoiets doet. Staat hij nog steeds op dat standpunt? Is hij nog steeds van mening dat dat alleen geldt voor geweld tegen politie of geldt het voor alle geweld tegen geüniformeerd personeel. Als dat niet het geval is, dan hoor ik graag waar volgens hem het verschil ligt.

De heer Çörüz (CDA):

Ik heb twee weken geleden gezegd, en ik herhaal dat, dat een klap in het gezicht van een agent een klap in het gezicht van de rechtsstaat is. De cijfers van afgelopen vrijdag zijn eigenlijk veel ernstiger dan twee weken geleden is besproken. Wij gaan in januari, wanneer die evaluatie naar buiten komt, met elkaar in discussie. Mijn stelling is dat met name de gezagsdragers, de politiemensen, eigenlijk op de meest optimale manier beschermd moeten worden. Ik praat de plaatsvervangend korpschef Haaglanden na als ik zeg dat mensen nog veel te vaak wegkomen met een geldboete of een taakstraf. Hij zegt ook: wellicht moet er veel meer worden toegegaan naar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ik neem al die zaken graag mee. De CDA-fractie wil in elk geval de hoogste en zwaarste straf voor mensen die niet van onze agenten kunnen afblijven. Wij gaan dat debat nog voeren en hoe ik daarin sta, is duidelijk: een keiharde aanpak van mensen die niet van onze agenten af kunnen blijven.

De heer Brinkman (PVV):

Ik constateer dat de CDA-fractie een beetje terugkrabbelt. Twee weken geleden sprak de heer Çörüz duidelijk over een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hij spreekt nu over een onvoorwaardelijke taakstraf.

De heer Çörüz (CDA):

Nee, nee, nee. Absoluut niet.

De heer Brinkman (PVV):

U zegt het net, maar goed. Prima. Dan begrijp ik dat die onbegrijpelijke gevangenisstraf blijft bestaan. Dat is mooi. U hebt echter gelijk. Een klap in het gezicht van een politieman is een klap in het gezicht van de rechtsstaat. Dat geldt ook voor een klap in het gezicht van een parkeerwachter. Dat geldt ook voor alle andere controleurs. Waarin ligt voor u het verschil? Die parkeerwachter is niet eens zo goed bewapend als die politieman en is ook wetten aan het handhaven. Waar ligt voor u het verschil in die rechtsstaat? Dat snap ik niet helemaal.

De heer Çörüz (CDA):

Wij hebben natuurlijk al in deze Kamer besproken en besloten dat de straffen verdubbeld zouden worden. Ik herhaal dat met name in de gevallen waarin agenten worden geslagen blijkt dat er nog te vaak een geldstraf dan wel een taakstraf wordt gevorderd door de officier van justitie. Wij zullen de discussie hierover zeker verder voeren in januari. Die brede discussie zal met name gaan over geweld tegen gezagsdragers. Ik vind dat wij niet mogen accepteren dat mensen daar kennelijk wegkomen met een geldboete.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Dit kabinet heeft de pretentie om de overheid te verkleinen en het aantal regels te verminderen. Hoe verhoudt zich dat tot de opstelling van dit kabinet? Een kabinet dat zich met van alles en nog wat bemoeit en u en mij voorschrijft hoe wij moeten leven. Denkt u eens aan het algehele rookverbod in de horeca, de verplichte maatschappelijke stage en het elektronisch kinddossier voor alle kinderen. Dat betekent toch meer taken, meer regels en meer ambtenaren om deze taken en regels uit te voeren? Dat snapt toch elk kind? En dat is toch strijdig met de doelstelling van de minister voor de rijksdienst? Kan de minister de VVD-fractie uitleggen hoe zij al die extra taken met minder mensen adequaat uitvoert?

De VVD-fractie wil niet alleen in woorden, maar ook in daden toe naar een krachtige en kleine staat. De VVD-fractie is van mening dat er op een fundamenteel andere manier moet worden gekeken naar de taken die de staat moet en kan uitvoeren. Het gaat hier om principiële keuzes. De staat is er om de randvoorwaarde te creëren voor een goed functionerende samenleving, en niet om steeds maar meer en meer in te grijpen in onze persoonlijke levenssfeer. Daarnaast is de VVD-fractie van mening dat vertrouwen het uitgangspunt tussen staat, burgers en bedrijven zou moeten zijn, en niet wantrouwen, zoals nu vaak het geval is. Zo drinkt en blowt de gehele jeugd, volgens dit kabinet. Scheer niet alle kinderen en alle jeugd over één kam, maar durf de problemen te benoemen en aan te pakken. De VVD-fractie pleit dan ook voor zo min mogelijk regels, maar als je ze stelt, doe dat dan gericht en streng.

Bovendien vinden wij dat de staat zijn publieke taken krachtig en adequaat moet uitvoeren. De bedrijfsvoering moet compacter en efficiënter. Dit pleit voor minder publieke taken, maar deze wel goed uitvoeren; voor minder bestuurders, voor minder bestuurslagen en dus voor minder ambtenaren, en niet andersom. De taakverdeling tussen de verschillende overheidslagen moet duidelijker en daarmee efficiënter. Er wordt nu te veel langs elkaar heen gewerkt en er worden te veel zaken dubbel gedaan. Ik kom daar straks op terug.

Tot slot is de VVD-fractie van mening dat de staat niet steeds weer moet proberen het gedrag van mensen te beïnvloeden via belastingen en subsidies. Stop met allerlei milieubelastingen als vliegtaks en stel eisen aan de producten. Stop met het in stand houden van een hele subsidie-industrie, te beginnen met veel subsidies voor het bedrijfsleven en voor milieuorganisaties. Dan kun je gelijk SenterNovem grotendeels inkrimpen.

Voorzitter. De VVD-fractie is dus voor een krachtige en kleine staat. Door kritisch na te gaan of de huidige overheidstaken wel allemaal publieke taken zijn, door scherpe keuzes te maken. Denk aan onze voorstellen om ontwikkelingssamenwerking en cultuur anders in te richten. Denk ook aan het aan de orde stellen van het aantal ambassades en consulaten en de taken die deze organisaties moeten doen.

Voorzitter. Kan deze minister de VVD-fractie uitleggen waarom er nog steeds circa 2 mld. wordt uitgegeven aan re-integratiesubsidies, terwijl uit onderzoek is gebleken dat het niet of nauwelijks werkt? Dat is ook weer zo'n voorbeeld. Waarom wordt deze taak dan niet gewoon aan uitzendbureaus gegeven en waarom worden de Centra voor Werk in Inkomen niet gewoon afgeschaft? Graag een reactie hierop van de minister. Hoe staat het met de diverse bestuurslagen die langs elkaar heen werken en op elkaars taakgebieden zitten? Kan de minister de VVD-fractie verklaren op basis van welke taak de provincie Utrecht aan elk van de probleemwijken in deze provincie 2 mln. schenkt, gewoon tijdens een bijeenkomst, en daarbovenop nog een budget voor de bewoners? Kan dat geld niet alsnog worden teruggegeven aan de belastingbetaler?

De VVD-fractie is ook van mening dat er in Nederland veel te veel adviesraden zijn en dat deze te verkokerd werken. Een evaluatie van deze adviesraden heeft bovendien uitgewezen dat er te veel adviezen worden gegeven, en dat zij van wisselende kwaliteit zijn. De VVD-fractie stelt voor om alle adviesraden, met uitzondering van de technische adviesraden, af te schaffen. Richt in plaats hiervan een kleine, hoogwaardige staf in, die adviesaanvragen kan opstellen en die weet waar de deskundigen zitten die kunnen bijdragen aan de strategische adviezen voor de middellange termijn. Deze staf kan de ministers en de Staten Generaal adviseren. Vervolgens wordt op ad-hocbasis een adviesgroep samengesteld van diverse deskundigen om het gevraagde advies op te stellen. Op deze manier kan volgens de VVD daadwerkelijk ontkokerd en multidisciplinair worden gewerkt. Je krijgt zo andere deskundigen aan boord. Ik hoor graag een reactie van de minister.

Mevrouw Griffith (VVD):

Voorzitter. De VVD wil een effectieve en efficiënte politiedienst. Samenwerking en de effectiviteit van die samenwerking is daarbij van belang. Wij hebben bij het wetgevingsoverleg over de politie al gesproken over de voorziening tot samenwerking. Het is echt een gedrocht geworden. Ik vraag de minister, daarnaar te kijken, want wij komen daar natuurlijk straks op terug bij de behandeling van het al dan niet doorgaan van het wetsvoorstel nationale politie. In het Financieele Dagblad las ik overigens over een vertrouwelijke notitie van de commissie Besturing Nederlandse Politie. Daarin werden al lijnen uitgezet over hoe de nationale politie er uit zou kunnen zien. Ik vraag de minister, die notitie naar de Kamer te sturen, ook al is ze vertrouwelijk. Misschien heeft zij daarover een mening. Wij hebben graag die notitie.

Het is van belang dat de politie geloofwaardig en gezaghebbend is. Om dat doel te bereiken, is het met name van belang om te komen tot een helder en uniform beleid, zeker als het gaat om de kerntaken van de politie. Het is ook van belang om te komen tot een betere functiewaardering en beloning. Respect voor het politievakmanschap is daarnaast van essentieel belang. Om die reden moet er hard worden opgetreden tegen het gebruik van geweld tegen agenten en anderen met een publieke taak. Meer agenten moeten zichtbaar in de wijken aanwezig zijn. Daarvoor dient de politiesterkte op peil te worden gehouden.

Geweld tegen agenten is en blijft voor de VVD-fractie onacceptabel. Het Openbaar Ministerie is inmiddels doordrongen van de ernst van deze strafbare feiten. Bij de rechters valt er nog missiewerk te verrichten. Zij kunnen zich nog onvoldoende verplaatsen in de belevingswereld van de agent, waardoor de strafmaat nog niet naar behoren is. Mijn fractie vraagt de minister, er werk van te maken dat rechters desnoods stage lopen bij deze publieke gezagsdragers en mensen met een andere publieke taak. Ik weet wel dat het niet haar verantwoordelijkheid is, maar zij kan natuurlijk stimuleren, zoals zij veel wil stimuleren, onder andere om mensen zo ver krijgen dat zij gaan stemmen.

Misschien wil de minister ook ingaan op de situatie van de verkeersregelaars. Een schrijnend geval was natuurlijk de dood van de man bij Ikea. De vraag is of de strafverhoging ook van toepassing is bij deze verkeersregelaars, omdat zij natuurlijk ook bezig zijn met een publieke taak. Ik weet wel op basis van de website dat de stimuleringsregeling ook van toepassing is op die verkeersregelaars, maar geldt dat ook voor de strafverhoging?

Mijn fractie vindt op één punt dat er onvoldoende betrokkenheid en voortgang zijn; dat is het ophelderingspercentage. In 2003 bedroeg dat 20%, in 2007 22%. De ambitie van het kabinet voor het ophelderingspercentage in 2010 is 26. Voor mijn fractie is nog steeds onduidelijk op welke manier dit percentage zal worden gehaald. Ook met meer agenten erbij is het aantal afgehandelde en opgehelderde zaken niet toegenomen. Het aantal zaken per politiemedewerker dat wordt aangeleverd bij het Openbaar Ministerie is ook niet gestegen, en de zwaarte in de opgehelderde zaken is zelfs afgenomen. De vooruitzichten stemmen mijn fractie somber. Wij zien graag meer betrokkenheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en meer urgentie voor het ophelderingspercentage. Wij krijgen daarin graag meer inzicht en daarover een plan van de minister.

Over de registratie van de criminaliteitscijfers het volgende. De landelijke criminaliteitskaart moet een betrouwbare weergave zijn van de geregistreerde gegevens en aangiften. Hoe kan het dat slechts negentien politiekorpsen hierbij betrokken zijn, terwijl alle politiekorpsen cijfers zouden moeten aanleveren. Hoe kan het dat twee van de vier grote steden, Amsterdam Amstelland en Rotterdam Rijnmond, geen cijfers aanleveren voor de nationale criminaliteitskaart? Dit kan natuurlijk niet. Wil de minister aangeven op welke wijze zij hier verandering in zou willen aanbrengen?

Dan heb ik een vraag aan de staatssecretaris over de administratievelastendruk. Zij heeft in april een website gelanceerd. Zij is gekomen tot vijf knelpunten. Hoe worden deze knelpunten opgelost? Zijn de politievakbonden hier ook bij betrokken? Het is voor mijn fractie onduidelijk op welke manier de diender op straat daadwerkelijk de knelpunten aanlevert.

Dan de integriteitsschendingen. Uit de landelijke integriteitsonderzoeken bij de politie blijkt ieder jaar weer dat met name agenten die net in dienst zijn getreden, vatbaar zijn voor verlokkingen, zeker als het gaat om het doorspelen van geheime informatie en het natrekken van gegevens voor de buren of een vriend. Eerder is in de Kamer gesproken over de schuldenproblematiek bij de politie. Ik begrijp dat er sinds kort op uniforme wijze wordt geregistreerd, maar daar blijft het natuurlijk niet bij. Hoe zit het met de screening en de selectie van deze jonge agenten en hoe waakt de politie over de kwetsbaarheid van deze jonge dienders, zeker in de eerste jaren van hun dienstverband?

Bij het wetgevingsoverleg over de politie hebben wij ook gesproken over de bezuiniging van 100 mln. die de politie is opgelegd. Ik heb daar het standpunt ingenomen dat de bezuiniging en de taakstelling op dit punt niet ten koste mogen gaan van meer blauw op straat. Wij hebben ons oordeel uitgesteld tot november, want de korpsbeheerders moeten nu aangeven hoe zij dit gaan invullen. Het blijft ons echter zorgen baren.

De heer Heijnen (PvdA):

Voorzitter. Deze bewindsvrouwen hebben gezegd dat zij in 2009 vooral de plannen willen uitvoeren. Dat spreekt de Partij van de Arbeid aan. Desalniettemin hebben wij wel een paar opmerkingen bij deze begroting.

Ik begin met het probleem van de woonfraude. Veel mensen staan op een verkeerd adres ingeschreven en soms staan er ergens mensen ingeschreven die daar helemaal niet behoren te wonen. Er is dan sprake van woonfraude. Ik heb mij eens verdiept in de situatie in Rotterdam. Dan blijkt bij fysiek controleren bij leegstand dat in meer dan de helft van de gevallen er toch mensen blijken te wonen. Ik verzoek de staatssecretaris, gemeenten ertoe te bewegen, geregistreerde leegstand fysiek te controleren en ook te controleren of de inschrijving adequaat heeft plaatsgevonden in geval van verhuizingen. Ik verzoek de staatssecretaris ook, de modernisering van de GBA met kracht door te zetten.

Ik wijs de staatssecretaris op een ander probleem. Een gemeente moet iemand inschrijven, ook wanneer het de derde, vierde, vijfde of zesde persoon in een huis is, en het strijdig is met de woonruimteverordening of met de verordening op de verblijfsinrichtingen. Is de staatssecretaris bereid de wetgeving en de gemeentelijke verordeningen op dit punt te synchroniseren? Dit kan namelijk niet. Rotterdam doet het niet. Die gemeente werkt niet mee als een derde, vierde of vijfde persoon zich in een woning wil laten inschrijven. Rotterdam zou daar bij de bestuursrechter nat op kunnen gaan, maar dat is onwenselijk. Is de staatssecretaris bereid de buitendienstambtenaren van Burgerzaken daadwerkelijk de boa-status te geven, zodat zij als bijzondere opsporingsambtenaar de bevoegdheid hebben om zelf mensen aan te spreken in plaats het te doen met de bevoegdheden die ze nu hebben? Voor mijn fractie, maar ook voor de andere fracties lijkt mij, is dit zo belangrijk, omdat wij het straks moeten doen met de basisadministratie, ook alle uitvoerende diensten. Ziet de staatssecretaris in voldoende mate toe op het terugmelden, dat nu verplicht wordt, zodat dit ook tijdig door alle diensten, landelijk en plaatselijk, gaat gebeuren?

Dan het terugdringen van de verantwoordingslast. Het is mij opgevallen dat als gevolg van de dualisering in de Gemeentewet een aantal wettelijke bepalingen is opgenomen dat ertoe leidt dat gemeenten de huidige verantwoordingsdruk als te zwaar ervaren. Is de staatssecretaris bereid een aantal van die artikelen, met name voortvloeiend uit de dualiseringswetgeving, te heroverwegen, bijvoorbeeld aan de hand van de resultaten van het COELO-onderzoek?

Wij hebben gisteren de kabinetsreactie gekregen op het rapport-D'Hondt. Dat viel mij niet in alle opzichten mee. Vooral wat betreft de taakdifferentiatie vond ik het zeer voorzichtig. Differentiatie is echter toch noodzakelijk. Als het kabinet terughoudend is met herindeling, zich met de PvdA-fractie verzet tegen bestuurlijke drukte en weerstand wil bieden tegen het tot stand komen van allerlei vage samenwerkingsverbanden, dan is er maar één andere oplossing, namelijk erkennen dat verschillende gemeenten verschillende takenpakketten kunnen hebben. Het is dus van drieën één; het kan niet allemaal een beetje. Ik geef dus alvast als waarschuwing mee om bij behandeling van het rapport van D'Hondt nog eens na te denken over een wat scherpere reactie dan tot heden het geval is.

Ik vraag de bewindspersonen of zij bereid zijn, een rol op zich te nemen in het conflict tussen gemeenten en het kabinet met betrekking tot de omgevingsdiensten in het kader van de Wabo. Onze fractie bevalt het niet dat er geweldige reorganisaties moeten plaatsvinden en dat er omgevingsdiensten moeten komen. Dit houdt niet voldoende rekening met het maatwerk dat wij moeten betrachten.

Mijn tweede hoofdpunt betreft het personeel bij de overheid, in engere zin bij de rijksdienst en de politie. Daar gaat de bewindslieden immers in het bijzonder over. Zij hebben echter ook een bepaalde verantwoordelijkheid jegens al het overheidspersoneel. Ik waardeer het project "Ambtenaar van de toekomst". Ambtenaren moeten meer waardering en meer ruimte krijgen. Ook moet hun verantwoordingslast worden teruggedrongen. Zijn de bewindslieden bereid om in dit project nog eens goed te kijken naar de rede van mevrouw Tonkens, uitgesproken bij de ROB-lezing in september, die naar mijn smaak een aantal geweldig goede punten had waarmee wij de positie van ambtenaren kunnen versterken? Vorige week heb ik voorgesteld om door een positieve dag van de ambtenaar weer wat waardering te krijgen. Het kabinet is hier goed op ingegaan. Ik lees net dat de ambtenaren van VROM in meerderheid hieraan geen behoefte hebben. En weet men waarom niet? Omdat zij bang zijn voor de reacties. Hoe diep zijn wij gezonken dat mensen niet meer trots kunnen zijn op hun baan of moeite hebben om hun trots te uiten? Hier is werk aan de winkel en ik wens het kabinet hier succes mee.

Wij maken ons zorgen over het personeelstekort bij de overheid. Wij hebben het kabinet gevraagd een samenhangende arbeidsmarktstrategie te ontwikkelen. Als de overheid mensen aanstelt als trainee, dan mag het niet zo zijn dat zij bij gebleken geschiktheid de deur uit moeten. Ons verzoek is dus of het kabinet kan garanderen dat bij gebleken geschiktheid ten minste alle mensen in het traineeproject voor de overheid behouden kunnen blijven.

Het belangrijkste punt in dit blokje betreft de positie van allochtonen. De Kamer praat zo vaak over de problemen van integratie en zo weinig over de successen ervan. Er staan honderden, duizenden jonge mensen te trappelen om aan het werk te gaan, ook bij de overheid. In dat licht is het echt een schande dat wij op dit punt de doelstelling van het kabinet niet lijken te halen. Het aandeel minderheden in alle overheden is in één jaar gestegen van 5,5% naar 5,6%: hoera, zou ik zeggen. Echter, de taakstelling voor 2011 is 50% meer dan in 2007. Dat gaan wij op deze manier nooit halen. Zijn de bewindspersonen bereid om een plan te maken en aanvullende maatregelen te nemen om hier iets aan te doen, waardoor de doelstelling wél gehaald wordt?

Ik zie dat ik bijna door mijn spreektijd heen ben, dus ik beperk mij tot een enkele opmerking over de burgers, voor wie wij het allemaal doen.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter...

De heer Heijnen (PvdA):

Kijk eens aan, dankzij mijnheer Pechtold heb ik wat meer tijd. Dank u wel, mijnheer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

Soms kan een interruptie iemand de kans geven om nog wat verder uit te weiden; ik weet dat op basis van de minuten die mij zelf zijn toegestaan. Mijnheer Heijnen, ik weet nooit helemaal op welke PvdA-lijn u zit. Ik dacht altijd dat u meer van de Vogelaar-lijn was, in de zin dat integratie een proces is dat je als overheid vooral moet faciliteren vanaf de randen. De Bos- en de Spekman-lijn is daarentegen meer een lijn van polariseren en vernederen. Ik dacht dat u meer op die eerste lijn zat. Wat wilt u bij de rijksoverheid: wilt u getallen afdwingen met betrekking tot mensen van niet-westerse afkomst? Welke vorm moet dit beleid precies hebben?

De heer Heijnen (PvdA):

Voorzitter, ik dacht dat u voorafgaand aan dit debat de woordvoerders bij elkaar riep teneinde te verzoeken om voorafgaand aan een vraag geen inleidingen te houden. Ik heb een inleiding gehoord...

De voorzitter:

Dit was voor de heer Pechtold kort.

De heer Heijnen (PvdA):

Oké, kijk eens aan.

De heer Pechtold (D66):

Ik dacht nog: ik vertel dit nog en ik vertel dat nog...

De voorzitter:

Ik tel mijn zegeningen.

De heer Heijnen (PvdA):

Ik zal de neiging onderdrukken om een exposé te geven over het integratiebeleid van de Partij van de Arbeid. Ik zal het toespitsen op het punt waarover ik gesproken heb, namelijk de dure plicht, in het bijzonder van de overheid, om het voorbeeld te stellen ten aanzien van het opnemen van migranten als volwaardige burgers in deze samenleving. Dat behoort dan ook in het personeelsbestand van de overheid tot uitdrukking te komen. Ik prijs het kabinet dat het erin lijkt te slagen de doelstelling met betrekking tot het aannemen van vrouwen, ook in topfuncties, te behalen. De doelstelling met betrekking tot de uitstroom van ouderen, ook heel belangrijk, lijkt ook te worden behaald. Ik maak mij namens mijn fractie geweldig druk om het feit dat wij er niet in lijken te slagen het aantal Nederlanders van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of welke afkomst dan ook, als onderdeel van de overheid in ons personeelsbestand op te nemen. Er staan mensen te wachten; zij willen en moeten dat ook, omdat de overheid het gezicht is van onze samenleving. De samenstelling dient per definitie divers en pluriform te zijn. Is dat het antwoord op de vraag van de heer Pechtold? Ik wil dat afdwingen met cijfers. Mijn verzoek aan de minister is om met maatregelen te komen. Daarbij behoren wat mij betreft afrekenbare cijfers voor het management van alle overheden, consulenten uit de doelgroepen en nog veel meer maatregelen die de ambtenaren van de minister nog veel beter kunnen verzinnen dan ik. Er zal een aanvalsplan moeten komen, anders redden wij het niet.

De heer Pechtold (D66):

Ik dank de heer Heijnen voor dit college over mijn vraag. Als hij zich druk maakt, is dat alleen slecht voor zijn hart. Niemand komt daarmee aan het werk. Ik vraag de heer Heijnen te reageren op het volgende: een arbeidsmarkt die outsiders tot outsiders maakt en een ambtenarenrecht dat volstrekt archaïsch is, zorgen ervoor dat iedereen die binnen zit, binnen blijft. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat mensen kansen krijgen om vacatures te vervullen bij de rijksoverheid of bij andere overheden, als wij daar niets aan willen doen? Zeker nu wij even neerwaarts gaan, zie je een vacature­stop. Hoe moet de minister dat gaan afdwingen? Moet zij op kwaliteit inboeten en mensen naar voren halen die straks het voorbeeld worden van mislukking?

De heer Heijnen (PvdA):

Het is de fractie van de PvdA bekend dat de D66-fractie niets liever wil dan mensen op een gemakkelijke manier op straat te zetten. Wij willen dat niet. Wij stellen vast dat er overal veel te veel vacatures zijn en dat heel veel mensen de komende tijd op een leeftijd komen dat zij van hun terechte pensioen willen gaan genieten. Het gaat hier om de vervangingsvraag. Ik meen dan ook dat het alleszins mogelijk is om een tandje hoger te gaan om de kabinetsdoelstelling van 50% meer allochtonen in 2011 dichterbij te brengen.

De heer Bilder (CDA):

Ik ben benieuwd of de heer Heijnen in dit kader naar quotering toe wil.

De heer Heijnen (PvdA):

Het gaat ons niet om de middelen, maar om het doel. Als het nodig is te quoteren om het doel te bereiken, dan valt er met ons te praten.

Ik kom op de burger. Ik ben blij met het Huis voor de Democratie, dat vandaag wordt geopend aan de Hofweg. Is de minister bereid de Kamer een voortgangsrapportage te doen toekomen?

De PvdA-fractie is zeer voor het Burgerhandvest. Dat regelt niet de relatie tussen burger en overheid, maar geeft een kader voor de relaties tussen burgers onderling. Daarom leggen wij het niet vast in wet- en regelgeving, maar wat mij betreft in een set regels, die burgers behulpzaam is om hun onderlinge relaties op een betere manier vorm te geven. Ik heb dan ook wat aarzeling over het woord "waardecatalogus", maar daar komen wij nog over te spreken.

De heer Van Raak (SP):

Op 30 oktober kreeg ik een prachtig verjaardagscadeau van de PvdA-fractie, toen ik op het RTL-nieuws van 19.30 uur hoorde dat de PvdA-fractie het weliswaar niet voor de camera wilde zeggen, maar vond dat het "niet is uit te leggen als ministers volgend jaar meer erbij krijgen dan gewone mensen". Ik neem nu aan dat de verhoging van de ministersalarissen van 10% van de baan is. Wij kunnen nu gewoon de andere wetten behandelen die hiermee samenhangen.

De heer Heijnen (PvdA):

Dit is een mededeling van de heer Van Raak.

De voorzitter:

Ik heb zo de indruk dat hij een reactie wil.

De heer Heijnen (PvdA):

In de eerste plaats ben ik mij niet bewust van enige mededeling namens de PvdA-fractie jegens welk medium dan ook. Wat RTL in de wandelgangen heeft opgesnoven en wat het daarvan heeft gemaakt, heeft geen status. In de tweede plaats gaan wij binnenkort het wetsvoorstel behandelen, dat niet alleen betrekking heeft op de hoogte van de salarissen van de politieke ambtsdragers, maar veel meer nog op het versoberen van hun rechtspositie als het gaat om wachtgeld en sollicitatieplicht. Dan zult u de opstelling van de PvdA daarbij ondervinden. Dan weet u dat de PvdA sterk hecht aan het heel snel afstand nemen van de te riante wachtgeldregelingen die wij kennen.

De heer Van Raak (SP):

Ik ben blij dat er in ieder geval één fractielid is van de PvdA die zich net als ik schaamt voor het voorstel om de ministerssalarissen met 10% te verhogen. Ik zou zeggen praat nog eens met uw fractieleden en dan komen wij er volgend jaar wel uit.

De heer Heijnen (PvdA):

Ik weet niet op wie de heer Van Raak doelt, maar hij schiet wel vaker mis, ondanks zijn naam.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Iedereen heeft de zekerheid nodig van een veilige buurt, ongeacht waar je woont of de dikte van je portemonnee. Rommel op straat, kapot straatmeubilair en overlast vormen de grootste bron van ergernis en onveiligheid. Daarom is de buurt ook zo belangrijk als het gaat om het verbeteren van de veiligheid. Dat vraagt ook om een zichtbare en aanspreekbare overheid, met als belangrijk persoon onder meer de wijkagent. Daarom baart de brief die wij afgelopen maandag hebben ontvangen van de Nederlandse Politiebond ons ook weer zorgen als het gaat om de capaciteit op straat. Zorgelijk vind ik ook dat de suggestie wordt gewekt dat de korpschefs ons bewust niet de juiste informatie geven. Ik wil graag van de minister weten wat nu waarheid is en hoe het nu echt is gesteld met de capaciteit op straat, want alleen met de juiste informatie kunnen wij tot de nodige oplossingen komen. Ik zou dan ook graag een integrale schriftelijke reactie op deze brief krijgen van de minister. Ik heb daar nog een aantal vragen bij, maar die geef ik in persoon aan de minister.

Een veilige buurt betekent ook veilig wonen. Regelmatig worden nu echter mensen het slachtoffer van treiteren, intimidatie en langdurige overlast. Zij voelen zich daardoor gedwongen om te verhuizen. Dat moet worden aangepakt.

Mevrouw Griffith (VVD):

Ik was een beetje verrast dat mevrouw Kuiken vragen in persoon aan de minister van BZK gaat stellen. Als zij vragen heeft, kunnen wij als Kamer een feitelijke vragenronde houden. Dan kunnen meerdere vragen aan de minister worden gesteld. Wij zijn natuurlijk ook nieuwsgierig welke vragen zij nog meer heeft. Misschien wil zij overwegen om in plaats van het rechtstreeks met de minister af te handelen, het via de commissie te doen, zodat wij een feitelijke vragenronde kunnen houden.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik had al schriftelijke vragen voorbereid, maar die werden tegengehouden omdat wij nu dit debat voeren. Daarom heb ik om een integrale reactie gevraagd. Het lijkt mij goed om dat om te zetten in feitelijke vragen, want ik heb heel specifieke vragen. Ik heb daar dus geen bezwaar tegen. Als dat gedeeld wordt door de rest van de commissie, kunnen wij het op die manier doen.

In veel steden is al sprake van goede initiatieven om de woonoverlast aan te pakken. Ik noem als voorbeeld het sleutelproject in Groningen, waarbij politie, huurder en wooneigenaar een overeenkomst tekenen, waarin staat wie zich wel of niet rond de woning mogen ophouden en wie dus ook kan worden verwijderd als hij of zij zich daar onterecht bevindt. Ik wil de minister vragen om dergelijke goede voorbeelden te verzamelen en vooral ook uit te dragen, want dat is een voorbeeld voor andere gemeenten.

Inmiddels is het voor woningcorporaties mogelijk om overlast gevende huurders als laatste redmiddel uit hun huis te zetten. Ik heb de minister gevraagd om ook overlast gevende particuliere huurders en huiseigenaren aan te kunnen pakken. De minister heeft toegezegd dat mee te nemen in de evaluatie van de huidige mogelijkheden. Ik wil graag weten wat de stand van zaken is op dit punt.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Het doet mij deugd dat de PvdA-fractie ook aandacht heeft voor lastige huurders en daar wat aan wil doen. Er is een nationaal meldpunt ongewenst huurdersgedrag, goedgekeurd door de "privacywaakhond".

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het CBP.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Inderdaad. Is mevrouw Kuiken bereid dat te ondersteunen? Het is een particulier initiatief, dat keurig binnen de regels valt. Bij WWI hebben wij het daar ook over gehad en hebben wij de minister gevraagd om daar in elk geval speechsteun aan te geven.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Alle goede voorbeelden en initiatieven die er zijn als het gaat om het terugdringen van woonoverlast, lijken mij onze steun meer dan waard. Dank u wel voor deze vraag.

Mensen kunnen zich gedwongen voelen om te verhuizen, omdat het heel lastig blijkt te zijn om treiteraars aan te pakken. Dat bleek laatst ook bij een lesbisch stel in Utrecht. In dit geval ging het niet om directe buren, maar om mensen die twee huizen verder woonden. Dat resulteert er dus in dat niet de daders, maar de slachtoffers moeten wijken. Ik vraag de minister, dit aspect van woonoverlast mee te nemen en de wetgeving die wij straks zullen behandelen ook op dit punt aan te passen, zodat wij dit beter kunnen aanpakken.

Een ander punt is dat het veroorzaken van overlast vaak eindeloos kan doorgaan voordat er echt kan worden opgetreden. Wij hebben de minister gevraagd om te komen tot een zogenoemde veelplegersaanpak van overlast gevenden, waarmee notoir overlast gevend gedrag kan worden aangepakt. De minister heeft hierop positief gereageerd. Hoe staat het met de uitvoering hiervan?

Ik wil nu ingaan op de brandweer. De gemeente Enschede heeft dit jaar de innovatieprijs gekregen voor preventie in de buurt. De brandweer gaat de wijken in om buurtbewoners te informeren over mogelijke risico's en veiligheidsmaatregelen. Ik vraag de minister hoe dit voorbeeld van rood in de buurt meer navolging kan krijgen.

Vroeger werd aan mensen die bij de gemeenten in dienst traden meteen gevraagd of zij vrijwilliger wilden worden in die gemeente. Ik vraag de minister om deze goede gewoonte in ere te herstellen. Tevens vraag ik de minister om te onderzoeken of het effectief is, kleine bedrijfjes financieel tegemoet te komen als zij hun medewerkers toestaan vrijwilliger te zijn. Deze bedrijfjes worden nu vaak onevenredig zwaar belast als een medewerker wordt weggeroepen voor een melding.

De PvdA-fractie vindt het logisch dat vrijwilligers niet alleen inzetbaar zijn in de gemeente waar zij wonen, maar ook in de gemeente waar zij werken. Ik vraag de minister om zich hiervoor in te spannen. Graag krijg ik een reactie op dit punt.

Ik ben trots op onze brandweermensen. Graag doe ik de minister de suggestie om tijdens het jaarlijkse brandweercongres niet alleen de innovatieprijs uit te reiken, maar ook de brandweervrijwilliger van het jaar te kiezen.

Ik ga nu in op het punt van de regelgeving voor de brandweer. Arboregels zijn een voorwaarde voor veiligheid. In de praktijk blijken het niet mogen oefenen op een hoogte die hoger is dan 2,5 meter, het niet dieper dan 9 meter mogen duiken en het verplichte veiligheidshek op boten, voorbeelden van arboregels te zijn die het realistisch oefenen belemmeren. Ik vraag de minister welke arboregels voor de brandweer kunnen worden uitgezonderd, waardoor het realistisch oefenen beter kan worden geregeld. Uiteraard wil ik dat hierbij ook rechtsbescherming wordt geboden.

Een laatste punt dat ik naar voren breng, betreft het onderwerp geweld. De PvdA-fractie zou graag zien dat de reikwijdte van de huidige dubbele strafmaat ook geldt voor categorieën als de verkeersregelaars en buschauffeurs. Ik zou ook de aandacht van de minister willen vragen voor het persbericht van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waaruit blijkt dat de overheidsorganisaties zelf de Arbowet niet goed naleven. Het gaat hierbij vooral om maatregelen tegen agressie en geweld. Graag krijg ik hierop een reactie.

Tot slot meld ik dat stadswachten en parkeerwachten dagelijks het slachtoffer zijn van uitermate gewelddadige reacties. Is het mogelijk dat zij nu ook boetes kunnen uitdelen voor beledigingen? De minister concludeerde gisteren al dat zij vaak het mikpunt zijn. Daartegen moeten wij toch kunnen optreden?

De voorzitter:

Dank u wel. Uw tijd is nu om.

De heer Van Raak (SP):

Eerst moesten wij allemaal petjes kopen om het imago van de politie te verbeteren. Moeten wij een dag van de ambtenaar krijgen en een brandweerman van het jaar? Is mevrouw Kuiken het niet met mij eens dat de PvdA wel erg in beelden en symboliek blijft steken? Zou het niet beter zijn om gewoon concrete voorstellen te doen om de positie van brandweerlieden, ambtenaren en politiemensen te verbeteren?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik heb niet alleen een voorstel gedaan om het imago te verbeteren. Ik heb ook voorstellen gedaan voor regelgeving en voor het aantrekkelijker maken van het vrijwilligerschap. Als wij de Wet op de veiligheidsregio's behandelen, zullen wij daar uiteraard uitgebreid bij stilstaan. Ik vind het heel erg vreemd dat wij in Nederland ontzettend trots zijn op de heer Obama, dat wij met met buttons en allerlei ander materiaal lopen omdat wij zo trots op hem zijn, maar dat wij in ons oude kikkerlandje altijd zo calvinistisch zijn als het gaat om mensen als de brandweer, de politie en de ambulancebroeder. Ik vind dat wij daar wel wat meer trots en respect voor mogen uitstralen. Ik schaam mij er niet voor dat ik een puntje noem om uiting te geven aan die trots. Ik vind dat juist een heel terecht en passend punt.

De heer Van Raak (SP):

Mevrouw Kuiken kan respect tonen door met een button van de politie te gaan lopen, maar tegelijkertijd geeft zij een klap in het gezicht van de politie door 100 mln. te willen bezuinigen. Dat is dubbel spel spelen, dat is voor de beeldvorming zeggen "ik ben fantastisch voor mensen in de publieke sector" maar als het om voornemens gaat, laat zij mensen in de kou staan. Daar kom je niet mee weg!

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. Ik constateer dat de politie de afgelopen jaren er 1,7 mld. bij heeft gekregen, dat de politie schijnbaar niet in staat is geweest om dat in te zetten waar het nodig is, namelijk bij blauw, de politieagent op straat, en de recherche. Ik ga de politie dan niet belonen door nu een taakstelling van 100 mln. kwijt te schelden zonder te weten of het ook daar echt terecht komt. Ik gooi het dan in een groot gapend gat, zonder dat ik weet of ik daar ook resultaat voor krijg. Ik pak het management, de overhead en de staffuncties graag aan, maar ik wil er wel voor zorgen dat het geld dat er nu al is en er in de toekomst misschien nog bij komt ook daar wordt ingezet. Daar doen wij nu niets aan door die taakstelling weg te halen, dat bevestigt alleen maar het beeld van men vraagt, wij draaien en ondertussen verandert er helemaal niets!

De voorzitter:

Voordat ik u het woord geef, mijnheer Van Raak, wil ik even onze gasten uit België welkom heten, mijn zeer geachte collega uit het Belgische parlement en de ambassadeur van België. Van harte welkom in onze Nederlandse plenaire zaal.

(geroffel op de bankjes)

De heer Van Raak (SP):

De regering heeft een taakstelling van 100 mln. voor de politie bedacht, 100 mln. bezuinigen. Dat gooi je dan van je af naar de politie en zeg je: ga dat maar oplossen zonder politieagenten te ontslaan. De mensen die dat moeten uitvoeren, de politieagenten zelf, de ondernemingsraden, de bonden, de korpsleiding, iedereen zegt dat dat onmogelijk is. Ik constateer hier dat mevrouw Kuiken met een petje en een button van de politie wil gaan lopen maar mensen in de steek laat als het gaat om bezuinigingen. Maak dan zelf een plan voor bezuinigingen, ga bijvoorbeeld de voorziening tot samenwerking politie Nederland aanpakken, ga dan de externen aanpakken, maar gooi niet een opdracht naar de politie die zij niet kan uitvoeren!

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Mijnheer Van Raak, uiteraard klaagt men steen en been, omdat men hoopt dat wij hier in de Kamer gaan buigen en die 100 mln. ongedaan gaan maken. Bezuinigingen zijn altijd pijnlijk, maar als ik alleen al constateer dat men een tekort extra op de begroting had van het korps in Leeuwarden door 22 nieuwbouwprojecten, als ik constateer men bij de voorziening tot samenwerking enorme tekorten heeft laten ontstaan, als ik constateer dat men nog steeds niet samenwerkt als het gaat om ICT, als ik constateer dat men nog steeds heel veel dure externen inhuurt, als ik constateer dat men te maken heeft met een overhead van 16 à 17%, dan denk ik dat er nog heel wat valt te winnen. Als de politie zegt dat dit ten koste en over de ruggen van de mensen op straat moet, moet zij maar heel hard bij zichzelf te rade gaan!

De voorzitter:

Nu echt tot slot, mijnheer Van Raak.

De heer Van Raak (SP):

U hebt geen plan, mevrouw Kuiken. Ik wil best met u een plan maken om 100 mln. te bezuinigen op de inhuur van externen en misschien nog wel veel meer, maar dan moeten wij ook met een plan naar de politie komen en niet zeggen "u moet bezuinigen" terwijl iedereen bij de politie zegt dat het niet kan. Wat u eigenlijk zegt, is dat de politiemensen zeuren en dat is het grote probleem van deze minister en van de PvdA-fractie. U neemt de politiemensen in Nederland niet serieus. Als politieagenten zeggen dat ze het niet kunnen en niet weten, dan moet je ze helpen, dan moet je een plan geven en, liever nog, geld en middelen. Maar zo kun je dat toch niet aanpakken?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik neem de politieagenten op straat zeer en zeer serieus en daarom spreek ik ook hun korpschefs aan op hun verantwoordelijkheid om die 100 mln. en nog meer zaken niet over de ruggen van die mensen te laten gaan. Dat gebeurt nu wel of ik die 100 mln. er nu wel of niet bij geef. Er moet een cultuurverandering komen, een andere manier van sturing. De minister gaat nu met de korpsen om de tafel om tot een plan te komen. Mocht dat niet afdoende zijn, dan zijn u en ik de eersten die samen om de tafel gaan zitten om tot een gedegen plan te komen, mijnheer Van Raak, want ik denk dat het kan zonder dat het ten koste hoeft te gaan van het blauw op straat en van de recherche. Zij moeten het werk doen om ervoor te zorgen dat de wijken en buurten veilig zijn.

De heer Çörüz (CDA):

Voorzitter. Ik laat het voorstel van collega Kuiken op mij inwerken om boa's voor beledigen ook bonnen te laten uitschrijven.

De voorzitter:

U moet mij even uitleggen wat boa's zijn.

De heer Çörüz (CDA):

Bijzondere opsporingsambtenaren. Met name bij het uitschrijven van bonnen worden "gewone" agenten al vaak geconfronteerd met geweld. Het geven van bevoegdheden is één, maar wat als die bijzondere opsporingsambtenaren bonnen uitschrijven en vervolgens klappen in hun gezicht krijgen, terwijl zij geen wapenstokken, geen handboeien, niks hebben?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Ik constateer dat de beledigingen nu vaak ontstaan omdat de boa's al wel de bevoegdheid hebben om bonnen uit te schrijven. Voor dit aspect kunnen zij niet bekeuren en dat vind ik raar. Als het uiteindelijk mis gaat, zullen zij de hulp van de politie in moeten roepen; dat geldt nu ook al. Het gaat mij om het signaal dat parkeerwachters en allerlei andere mensen die ter ondersteuning van de politie werken, niet zomaar alles hoeven te accepteren. Natuurlijk zal er een aantal waarborgen in zitten. Daarom stel ik ook niet dat het moet, maar vraag ik de minister om te onderzoeken of dit een instrument kan zijn om geweld tegen deze doelgroep te verminderen. Ik hoor verhalen van parkeerwachters die hun hele werkdag scheldwoorden naar hun hoofd geslingerd krijgen en dat vind ik niet wenselijk.

De heer Brinkman (PVV):

Ik wil even terugkomen op het debatje tussen de heer Van Raak en mevrouw Kuiken. Ik constateer dat er over twee soorten politie gesproken wordt. Mevrouw Kuiken heeft het over de politieleiding en de heer Van Raak heeft het terecht heel vaak over de politieman. Daartussen zit een groot verschil. Meneer Van Raak heeft gelijk als hij het oneens is met de beslissing van de minister dat er 100 mln. bezuinigd moet worden en dat de korpsen het maar moeten uitzoeken. Die korpsbazen gaan niet snijden in het aantal beleidsmedewerkers, maar gaan ervoor zorgen dat er minder mensen naar scholen gaan en dat de vacatures niet opgevuld worden. De politieman op straat moet dus de klappen opvangen. Dat is het hele stramien waarin wij zitten. Ziet mevrouw Kuiken dat niet? Vindt zij niet dat de minister daar meer op moet sturen? De minister moet ervoor zorgen dat die beleidsmedewerkers eruit geschopt worden en op straat gezet worden met een uniform aan.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Waarschijnlijk was ik nog steeds niet duidelijk genoeg. Uiteraard vind ik het belangrijk dat de minister de korpsleiding aanspreekt. Zij is momenteel met de korpsen in overleg om te bekijken hoe zij hun begrotingen sluitend krijgen en hoe zij omgaan met die taakstelling van 100 mln. Ik heb hier en in de media al meerdere malen herhaald dat het wat de PvdA-fractie betreft niet ten koste mag gaan van de mensen op straat, noch van de recherche. Daar gaat ons hart ook naar uit. Als blijkt dat de minister daar onvoldoende op kan sturen, moeten wij andere maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij dat wel kan, want de prioriteit ligt bij de mensen en het blauw op straat. Ik ga korpsleidingen niet belonen voor slecht management door te zeggen "laat die taakstelling maar zitten" of door een veroorzaakt tekort te repareren.

De heer Brinkman (PVV):

Het is zoals altijd met de PvdA in dit land. Het is aanspreken en pappen en nathouden. Daarmee komt zij er niet. Die problemen zijn al jaren aan de gang. De minister van de partij van mevrouw Kuiken moet beleid maken. Mevrouw Kuiken moet haar aanspreken op concrete resultaten en niet zeggen dat zij de korpsleiding moet aanspreken. Ik heb nog een andere vraag. Mevrouw Kuiken wil de boa's bekeuringen laten geven. Waarom zegt zij niet gewoon dat boa's die beledigd worden, moeten overgaan tot aanhouding?

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Wat betreft het eerste punt zal ik niet in herhaling vallen. Volgens mij ben ik heel helder geweest. De minister van BZK, onze partijgenoot, is aan zet om dit op een goede manier te regelen. Wat betreft het tweede punt: boa's hebben die bevoegdheid niet en het aanhouden is aan de politie voorbehouden.

De heer Brinkman (PVV):

In dit land mag iedere burger tot aanhouding overgaan indien er een misdrijf gepleegd wordt. Een boa mag dat dus ook. Mevrouw Kuiken weet dus niet waar zij het over heeft.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Dan gaan wij het over iets heel anders hebben, namelijk over hoe wij vinden dat opsporingsambtenaren hun werk dienen te doen. Uiteraard kan iedere burger een aanhouding doen, maar het geweldsmonopolie en zaken als arrestatie wil ik primair bij de politie houden. Ik zoek alleen naar mogelijkheden om paal en perk te stellen aan de grove beledigingen die boa's ten deel vallen. Als dit een middel is dat daar bij helpt, sta ik daarvoor open. Werkt het niet, dan moeten wij naar andere middelen zoeken.

De heer Brinkman (PVV):

Voorzitter. De politie gaat gebukt onder bezuinigingen. Politiebonden en politiebazen roepen om het hardst om geld. De bedoeling achter de bezuinigingen van de minister wordt door de PVV-fractie ondersteund. De politie moet een efficiëntieslag maken. Er moeten minder beleidsmedewerkers en minder hoge politiebazen komen, en er moet meer politie in blauw op straat komen. Het probleem is echter dat deze minister deze efficiëntieslag oplegt aan de korpsen, in de vorm van een bezuiniging van 100 mln., en de uitvoering vervolgens aan de politiebazen overlaat. Dit zal zeker ten koste zal gaan van de politieman op straat. De politiebazen zullen namelijk niet hun beleidsmedewerkers de laan uit sturen en zij zullen niet minder politiebazen aannemen.

Ik wil van de minister de belofte hebben dat zij het aantal beleidsmedewerkers en het aantal politiemensen in blauw inventariseert en vervolgens naar de Kamer komt met keiharde, cijfermatige afspraken met de korpschefs, zodat wij haar daarop kunnen afrekenen. Nogmaals: als dit niet gebeurt, zal dit ten koste gaan van de politieman op straat en zal dit indirect ten koste gaan van de veiligheid van de burger in het algemeen.

Beleidsmedewerkers moeten achter hun computers vandaan worden getrokken, in uniform worden gehesen en de straat op worden gestuurd. Ik doe de suggestie om maar meteen de stekker uit de vtsPN te trekken. Dat scheelt ruim 1500 mensen, waarmee wij snel een aantal miljoenen gevonden hebben. Graag ontvang ik op deze suggestie een reactie van de minister.

De rode draad in mijn betoog zal het respect voor de politie zijn. Dat respect is ver te zoeken. De wijze waarop de burger zich in het algemeen tegenover geüniformeerd personeel gedraagt, is een belangrijk punt geworden in het publieke domein. Schelden, bedreigingen en geweld zijn aan de orde van de dag en dat is absoluut ontoelaatbaar. Dit is al sinds tijden een zeer groot probleem. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat het erop lijkt dat het probleem met de slappe aanpak van het grotendeels Marokkaanse straatgeweld in sommige steden alleen maar groter is geworden. Hier moet iets aan gedaan worden. De vraag rijst natuurlijk hoe het zo ver is gekomen.

Als ik kijk naar de diverse incidenten in het afgelopen jaar, dan valt mij vooral op – buiten het feit dat het bijna allemaal incidenten betreft in steden met een PvdA-burgemeester – dat de politie een slappe houding aanneemt. De politie treedt meer dan eens niet op indien vooral Marokkaanse jongeren de openbare orde verstoren. Bussen worden kapotgegooid, maar de politie staat erbij te kijken. De Volksuniversiteit is het slachtoffer van vernieling en inbraak door veelal Marokkaanse jongeren. De politie doet echter niets. Autochtone ondernemers worden weggepest. Kinderen, vrouwen en homo's worden aangevallen. Hele buurten worden overgenomen door gajes en de overheid staat er apathisch bij te kijken. Ingegeven door angst voor escalatie, laat men een en ander vaak op zijn beloop. Aan de andere kant is de politie er wel snel bij als iemand een paar kilometer te hard heeft gereden of zijn gordel even niet draagt. Zulke dingen mogen natuurlijk niet, maar het gaat hier om de beleving van de burger en die heeft er geen goed woord voor over.

De belangrijkste reden voor het niet optreden door de politie, buiten het vermijden van escalatie en angst voor klachten, is dat de politie in een apathische laissez-faire-periode terecht is gekomen. Vaak durft men uit angst en door het gemis aan beleidssteun zelf niet meer het initiatief te nemen tot keihard optreden. Ik hoorde vanmiddag de minister van Justitie zeggen dat de recherche versterkt moet worden. Ik snap dat wel. Als zich een incident voordoet, wordt er immers niet meteen tot aanhouding overgegaan. Nee, men wacht tot het incident voorbij is en drie dagen later gaat men rechercheren naar de mogelijke daders. Op die manier hebben wij inderdaad meer recherche nodig. Men had echter beter meteen in blauw kunnen optreden. Laat die escalatie dan maar komen.

Als wij de minister op dit punt bevragen, verwijst zij altijd naar de lokale overheden. Ik wil graag dat zij ophoudt met theedrinken en pamperen en dat zij voortaan gewoon keihard optreedt. Kom met die politieman op straat en zorg dat de confrontatie met de overtreders aangegaan wordt. Desnoods kunnen wij altijd nog gebruikmaken van onze soldaten van de Koninklijke Marechaussee of onze mariniers. Die weten er wel raad mee.

De minister is goed in het voeren van symboolpolitiek. Ik noem onder meer het promoten van een noodpakket, het pronken met allerlei gekleurde cijfers in dito onderzoeken en het presenteren van een waardencatalogus van normen. Ook de PvdA-fractie doet vrolijk mee aan deze symboolpolitiek, door te pleiten voor een stoerder uniform en respect. Het Nederlandse volk heeft echter nagenoeg geen respect voor de politie, omdat die gewoonweg te slap optreedt. Dat heeft niets met dit soort symbolen te maken.

Ik lees dat de minister van plan is mijn aangenomen motie over het verbieden van hoofddoekjes voor politieagentes over te nemen. Ik vraag de minister expliciet of het ook de bedoeling is om een politieagente die zich in het politiebureau bevindt, te verbieden een hoofddoek te dragen, ook al draagt zij burgerkleding. Graag ontvang ik op dit punt een helder antwoord van de minister.

Mevrouw Griffith (VVD):

Ik meen te horen dat de heer Brinkman praat over slappe politie. Klopt dat?

De heer Brinkman (PVV):

Ja, de politie treedt niet op en dat vind ik slap.

Mevrouw Griffith (VVD):

De heer Brinkman is zelf twintig jaar politieman geweest. Wij spreken over geweld tegen de politie, zeker de afgelopen jaren. De heer Brinkman spreekt ook over respect voor de politie. Ik constateer in elk geval dat hij niet met respect spreekt over de politie. Hij moet zich volgens mij zelf gedragen zoals hij dat ook verwacht van anderen en vooral van burgers. Hij is twintig jaar zelf politieagent geweest en ik constateer dat hij in elk geval in die periode als politieman geen enkele oplossing heeft voorgedragen om hierin verandering aan te brengen.

De heer Brinkman (PVV):

Mevrouw Griffith weet niet waarover zij spreekt, want het is niet de bedoeling dat een politieman beleid maakt. Ik ben uitvoerend politieman geweest en het was niet de bedoeling dat ik op dat moment beleid ging maken. Voor de politieman op straat heb ik buitengewoon veel respect. Ik heb gelukkig nog steeds heel veel vrienden bij de politie en zij weten ook waarom ik dit op deze manier zeg. Het gaat erom dat de politie van de bazen niet mag optreden en dat dat haar frustreert. Ik kan mij de perioden nog herinneren dat de baas vroeg waar je mee bezig was, waarom je iemand aanhield en of je dit niet gewoon over je heen kon laten gaan als je iemand aanhield voor belediging of bedreiging. Ik heb mevrouw Griffith een e-mail laten zien aan de burgemeester van Amsterdam van een chef van een wijkteam die schreef: in dat gebied zijn Marokkanen bezig, wij gaan in dat gebied niet meer in uniform surveilleren. Die e-mail heeft zij gezien. Wat moet een gewone inspecteur daartegen doen? Daartegen kan hij niets doen. Als mevrouw Griffith op internet had gekeken, had zij overigens ook kunnen zien wat een van mijn bijnamen was. Ik zal die hier niet noemen, maar dat betekent wel dat ik geen slappe politieman was.

De voorzitter:

Wij houden onze nieuwsgierigheid in. U vervolgt uw betoog. Dit lijkt mij iets voor een ander moment.

De heer Brinkman (PVV):

Ik kom op een ander punt. De problemen rond de neergang van Icesave hebben ons alert gemaakt op de gigantische hoeveelheid spaarcentjes die die lokale overheden af en toe even willen wegzetten om extra rente te ontvangen. Buiten het feit dat het kennelijk nooit genoeg is voor deze overheden, viel ook op dat hierbij een waterschap nogal het een en ander aan geld overhad. Natuurlijk, het was allemaal tijdelijk en dat geld was al geoormerkt, maar toch. Ook de verschillen in betalingen aan waterschappen zijn uitzonderlijk. Er zijn waterschappen die soms een elf maal zo hoge bijdrage vragen als andere. Ik snap dat eerlijk gezegd niet. Ik ken een aantal gebouwen van diverse waterschappen en ik kan u vertellen: dit zijn vaak de allermooiste gebouwen. Dus het is: centen zat. Te veel zou ik bijna zeggen. Hele besturen van waterschappen zijn doodgewone geldkloppers met € 1000 per week voor een dagje vergaderen, grote kapitale gebouwen en veel geld in kas.

Ik ben van mening en de PVV-fractie is van mening dat die waterschappen een ondoorzichtig, ondemocratisch gedrocht vormen, waarbij het voor ons allang duidelijk is dat het tijd wordt dat deze instellingen worden opgeheven en onder de provincie gaan vallen. Ik denk dat hier vele miljoenen euro's te bezuinigen zijn. Kan de minister mij uitleggen waarom wij deze bestuurslaag van waterschappen nog in stand zouden houden en waarom wij niet zouden moeten besluiten deze besturen op te nemen in de provincie? Ik hoor hierop graag een reactie.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. Een veilige samenleving, slagvaardig bestuur en goede publieke dienstverlening zijn de edele doelen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit kabinet wil investeren in de kwaliteit en de kracht van de samenleving en dat komt in deze doelen naar voren. De commissie "Burger en politiek" van de ChristenUnie, onder leiding van Gert Schutte, stelt in haar rapport dat moet worden gewerkt aan een keten van vertrouwen tussen burgers, vertegenwoordigers en overheden. Wij zijn namelijk allemaal verantwoordelijk voor de toekomst van onze samenleving. Dat is een mooi beeld. Het geeft aan dat wij elkaar als burger, als overheid en als politiek nodig hebben om onze rol in de samenleving op ons te kunnen nemen. Daarom herkent de ChristenUnie-fractie zich ook sterk in de doelen van dit kabinet en in het bijzonder in die van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Wij zijn blij met de voortvarendheid waarmee ons initiatief van een vrijwilligersverzekering is opgepakt. De gemeenten zijn nu aan zet en daarom stel ik meteen de vraag hoe de minister hen aanspoort om daarmee aan de gang te gaan. Het is goed dat de minister de discussie start over een manifest "Verantwoord burgerschap", ook een oude wens van de ChristenUnie-fractie. Bijzonder was ook de steun uit de hoek van jongeren die zelf ook vinden dat er wat meer aandacht mag zijn voor burgerplicht in plaats van alleen maar te genieten van de rechten.

Wat veiligheid betreft is het goed om te zien dat Burgernet succesvol van start is gegaan. Het is een prachtvoorbeeld van de overheid die de burger in positie brengt om mee te bouwen aan een veilige samenleving.

In de nota Vernieuwing Rijksdienst staat dat er een paradigmawisseling moet plaatsvinden: meer werken uit vertrouwen in plaats van uit wantrouwen. Het betekent het afbouwen van de controletoren en het verminderen van de bestuurlijke drukte. Het zit mij daarbij wel dwars dat er nog niet heel veel klaar is. Er ligt een reactie op de commissie-Oosting en sinds een dag of twee op de commissie-D'Hondt. Verder zijn wij bezig met "single information, single audit". U weet hoe groot mijn weerstand tegen dit soort Engelse termen is. Ik heb echter nog niet echt het idee dat wij worden meegenomen in een stroom van deregulering en bij het afbreken van bureaucratie, laat staan dat er sprake is van een paradigmawisseling is. Hoe subjectief het misschien ook is: ik heb daar wel behoefte aan. Ik hoor dan ook graag wat het tijdpad van de bewindspersonen is voor het terugdringen van de bestuurlijke drukte en wat daarbij de belangrijke momenten zijn.

Bij bestuurlijke drukte denkt mijn fractie ook aan gemeenschappelijke regelingen. Ze zijn al eerder genoemd in dit debat. Wij gaan er volgend jaar met elkaar over praten. Mijn fractie is nooit enthousiast geweest over de zwaar opgetuigde stadsregio's en niet alleen vanwege de tussenlaag die daarmee is gecreëerd, maar ook omdat gemeenteraden er mee in hun maag zitten. Hoe leg je aan burgers uit dat ze voor een probleem bij de regioraad moeten zijn, een orgaan dat eens in de maand ergens anders in de provincie vergadert? De democratische controle op de regioraad is bovendien ook erg zwak.

Voor gemeenschappelijke regelingen geldt in het algemeen dat de aansturing en de controle op grote afstand van bijvoorbeeld de gemeenteraad is geplaatst. Voor echt regionale zaken is de provincie de aangewezen bestuurslaag. Daar moeten wij dan ook niets tussen schuiven.

De heer Pechtold (D66):

Dan zit u mooi knel! De herindeling moet van dit kabinet namelijk van onderop komen. Dan kunnen wij lang wachten. Regionaal mag ook niet. Ondertussen heeft Andijk nog steeds die 0,01 leerplichtambtenaar, ondanks haar 1400 leerlingen.

De heer Anker (ChristenUnie):

En wat is uw vraag?

De heer Pechtold (D66):

Het is waarschijnlijk vaker een probleem dat u tussen het CDA en de PvdA in zit. Maar waar staat u?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik ben niet gek op de regionale samenwerking als oplossing. Zeker als dat heel veel gebeurt, wordt die namelijk onzichtbaar. Ik heb daarmee zelf op lokaal niveau de nodige ervaring opgedaan. Bij de uitvoering van sommige taken raak je helemaal het zicht kwijt op wat er precies gebeurt. Het is dus geen goede oplossing. De CDA-fractie heeft nu een aantal suggesties gedaan over hoe het ook zou kunnen. Ik zeg in discussies met mensen in herindelingsgemeenten ook dat zij in de gaten moeten houden dat samenwerking heel lastig kan zijn. Ik zeg niet: "dus moeten jullie herindelen". Ik vraag mij echter soms wel af of duidelijk is hoe diffuus en onzichtbaar gemeenschappelijke regelingen kunnen zijn.

De heer Pechtold (D66):

Uw partij neemt inmiddels twee jaar deel aan de regering. Ik vind het dan ook moeilijk te accepteren dat u zegt dat u het allemaal bekijkt en beschouwt. U stelt vragen, maar u komt niet met een visie. U zegt dat de regio niet zal lukken. U noemt nadelen die ik zelf ook zie. U zit vast aan dat "van onderop" en mijn stelling dat het wel eens lang kan gaan duren. U pakt echter niet de rijksoverheid aan. De commissie-Kok heeft een prachtig rapport geschreven over de Randstad. Dit kabinet zegt dat het maar twee bestuurslagen wil.

De voorzitter:

Had u nog een vraag?

De heer Pechtold (D66):

Moeten wij wachten tot het einde van deze kabinetsperiode om vast te stellen dat ook u geen enkele bijdrage heeft geleverd en dat u zich hebt beperkt tot vragen en wikken en wegen, mijnheer Anker?

De heer Anker (ChristenUnie):

U maakt er nu een karikatuur van. Ik zeg dat wij hiermee moeten opschieten. Ik wacht dan ook op het moment dat wij het erover gaan hebben. Als één ding mij opvalt, dan is het wel dat er inmiddels stapels rapporten zijn geschreven over oplossingen voor de bestuurlijke drukte. Het is een fantastisch principe om uit te gaan van maximaal twee bestuurslagen, waarbij de tweede zich beperkt tot controle. Als er bepaalde zaken zijn die in de regio opgepakt moeten worden, waarom laat je dat dan niet over aan de provincie? Je ziet namelijk heel vaak dat er zaken worden weggehaald bij de provincie, omdat de stadsregio het moet gaan doen. De provincie wordt echter wel rechtstreeks gekozen en daarom houden wij die veel liever in stand.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Pechtold (D66):

Heel kort. De coalitie wil maximaal twee bestuurslagen. Wanneer wordt dat idee werkelijkheid?

De heer Anker (ChristenUnie):

Dat was mijn vraag ook.

De voorzitter:

Goed.

De heer Pechtold (D66):

Als het aan u ligt, mijnheer Anker, wanneer effectueert dan het principe van die twee bestuurslagen?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik zeg niet dat wij nu even in een motie kunnen regelen dat de wereld morgen anders is. Ik vind dat wij er snelheid mee moeten maken. Wat mij betreft is de tijd van studie voorbij. In de komende tijd zullen wij beslissingen moeten nemen. Daarom vraag ik het kabinet om een tijdpad. Wat zijn de belangrijke momenten? Wij willen hiermee verder.

De heer Pechtold (D66):

Kunnen wij volgend jaar samen vaststellen dat het er is?

De heer Anker (ChristenUnie):

Dat lijkt mij heel behapbaar. Over een jaar moet toch wat mogelijk zijn. Blij dat de heer Pechtold zaken heeft kunnen doen.

De heer Heijnen (PvdA):

De ChristenUnie regeert nog niet zolang, anders dan D66, maar daar zal ik niet over spreken.

De heer Anker (ChristenUnie):

Het lijkt wel heel lang.

De heer Heijnen (PvdA):

De heer Anker zegt interessante dingen. Hij voelt niet zo veel voor die gemeenschappelijke samenwerking van gemeenten en is terughoudend met herindeling. Begrijp ik goed dat ook de heer Anker, na de VVD, het CDA en de Partij van de Arbeid, tegen de bewindsdames zegt dat er meer mogelijk moet zijn op het punt van taakdifferentiatie tussen gemeenten?

De heer Anker (ChristenUnie):

Misschien wel. Ik wil maar zeggen dat wij niet alles in gemeenschappelijke regelingen moeten schuiven. Tijdens het wetgevingsoverleg hebben wij het hierover gehad en toen heb ik gezegd dat ik het heel ondemocratisch en onzichtbaar vind worden. De minister zei toen dat dat wel een beetje meeviel en dat met name de regiobesturen zeggen dat het enorm goed gaat. Mijn ervaring als raadslid was echter, net als bij veel burgers, dat je er helemaal gek van wordt en dat je niet begrijpt hoe het geld wordt verdeeld.

De heer Heijnen (PvdA):

Taakdifferentiatie kan wat mij betreft betekenen dat de centrumgemeente taken uitoefent voor buurgemeenten. Is de heer Anker het met mij eens dat ook die vorm van taakdifferentiatie denkbaar is en mogelijk moet zijn?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik wil daar wel over nadenken. Ik vind het echter wel belangrijk dat dat lokaal wordt bedacht. Sommige gemeenten doen dat en ik vind dat niet verkeerd.

De heer Bilder (CDA):

Ik heb er behoefte aan, te horen hoe de heer Anker aankijkt tegen een aantal andere opties. Hij heeft nogal wat bezwaren geuit tegen de gemeenschappelijke regelingen. In dit land zijn nog andere opties voor gemeentelijke samenwerking. Ik noem Ten Boer, maar ook de BEL-gemeenten. Zijn die opties door hem beoordeeld? Hoe staat hij daartegenover?

De heer Anker (ChristenUnie):

Dit wordt een heel uitgebreid exposé over de inrichting van Nederland. Ik vind dat daar goede aspecten aan zitten, maar ook dat daar lastige kanten aan zitten. Het is goed dat de BEL-gemeenten zijn gaan samenwerken. Eerlijk gezegd vraag ik mij wel af hoe lang dat goed gaat. Ik vind dat een spannend experiment. Volgens mij is dit ook de eerste keer dat daar op deze manier mee wordt omgegaan. Daarom heeft het mijn bijzondere interesse. Er zijn absoluut een heleboel dingen mogelijk. Volgens mij maakt de commissie voor BZK binnenkort een studiereis om te zien hoe dat in andere landen gaat. Het is echt een belangrijk onderwerp. Het gaat niet om alleen gemeenschappelijke regelingen of om alleen herindelingen. Alles wat daartussen zit, moeten wij ook gaan ontdekken.

De voorzitter:

Wat is een BEL-gemeente?

De heer Bilder (CDA):

Blaricum, Eemnes en Laren; dat zijn drie gemeenten in 't Gooi die een heel bijzondere manier van samenwerking zijn aangegaan.

De voorzitter:

Ik doe altijd een poging om te begrijpen wat u zegt. Vervolgt u uw betoog.

De heer Bilder (CDA):

Ik maak graag één opmerking in vragende zin. Op het moment dat je kijkt naar bestuurlijk Nederland moeten wij met elkaar goed voor ogen hebben dat een volmaakte situatie hier op aarde niet bereikt kan worden. Aan elk model zit een keerzijde, een schaduwzijde. Ik ga ervan uit dat als het erop aankomt, de wensen van burgers een belangrijke rol zullen spelen in de beoordeling van mogelijkheden, en de menselijke maat evenzeer.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ja, absoluut. Ik zou echt heel lang hierover willen praten, met iedereen hier.

De voorzitter:

Maar niet hier.

De heer Anker (ChristenUnie):

Het is absoluut waar. Ook wij vinden het belangrijk dat de lokale identiteit geëerbiedigd wordt en dat mensen zich blijven herkennen in het bestuur dat boven hen staat. Daarom vind ik ook dat de gemeente erachter moet kunnen staan. Het moet herkenbaar blijven. Een wetenschapper heeft eens gezegd dat een burger niet al te veel bestuurslagen aankan; ik geloof maximaal drie. Dat is een discussie op zich. Lokale eigenheid is absoluut heel belangrijk.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Ik ben blij met de woorden van de heer Anker over de bestuurslagen. Daar komen wij vast op terug. De heer Anker zegt dat hij minder overheid en minder ambtenaren wil. Tegelijkertijd komt zijn partij steeds met voorstellen. Minister Rouvoet heeft meer aandacht voor de moraliteit van de jeugd op het gebied van seks dan voor het aanpakken van wachtlijsten. Hoe bekijkt de heer Anker dat in relatie tot het ingrijpen van de overheid in het persoonlijk leven van mensen?

De heer Anker (ChristenUnie):

De verleiding is heel groot dat ik, als ik mevrouw Van der Burg ga antwoorden, de algemene politieke beschouwingen in het klein ga doen. Zij heeft immers behoorlijk wat aangekaart.

De voorzitter:

Dat sta ik niet toe.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik ga heel voorzichtig op het gladde ijs van mijn collega bij jeugd en gezin zitten en volgens mij was het geen kwestie van of het een, of het ander. Hij heeft heel erg duidelijk gezegd: wij hebben hier een probleem en dat willen wij aankaarten. Tegelijkertijd werkt hij zich in het zweet, zeg ik heel netjes, om die wachtlijsten korter te maken. Dat is geen kwestie van of het een, of het ander.

Mevrouw Van der Burg (VVD):

U onderschrijft hier dus dat wij niet alle jeugd over een kam moeten scheren zoals het beeld nu bestaat? Ik merk dat mensen er buitengewoon beledigd over zijn dat alle kinderen maar van dit soort gedrag beticht worden. Daar neemt u hier in elk geval een duidelijk standpunt over in?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ja, maar dat doet minister Rouvoet ook. Hij zegt ook telkens dat het met het grootste gedeelte van de jeugd heel erg goed gaat. Er is een groep jeugd waar hij zich zorgen over maakt. Daar gaat het bij Binnenlandse Zaken echt niet over.

De voorzitter:

Dat gaan wij hier ook niet doen vandaag. U vervolgt uw betoog.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik was bij veiligheid gebleven. Wij wachten nu alweer bijna een halfjaar op een nader verslag van de wet op de veiligheidsregio's. Wij doen dat bij nog een wet, maar daar heb ik inmiddels de toezegging gekregen dat die eraan komt. Het gaat om de Wet ernstige overlast. Het is behoorlijk druk op de plenaire agenda en de minister wil heel graag die wet implementeren volgend jaar, half 2009. Wij krijgen de indruk dat de Kamer in een positie komt dat wij juridisch moeten gaan afhechten wat er in de praktijk is ontstaan. Ondertussen gaat de minister verder met de voorbereidingen en soms met succes, maar wij krijgen ook heel veel kritiek te horen. Vorig jaar was ik al niet blij met de regionaliseringsbonus die regio's in het vooruitzicht wordt gesteld wanneer zij gaan regionaliseren. Zo'n stimuleringsregeling laat weinig ruimte voor alternatieven, wanneer gemeenten bijvoorbeeld meer zelfstandigheid willen behouden. Met het vooruitzicht op het debat ben ik daar destijds niet verder op doorgegaan, maar dat debat blijft maar uit. Ik voel mij nu echt genoodzaakt om wat concreter te worden.

Er zijn korpsen en er zijn gemeenten die heel veel doen aan samenwerking en die goede afspraken maken op veiligheidsgebied. Zij maken daarvoor kosten, maar regionaliseren niet volledig. Zij werken samen met behoud van zelfstandigheid. Zij realiseren ondertussen wel de kwaliteit waar de minister om vraagt. Vanuit de regio IJsselland bijvoorbeeld krijgen wij het bericht dat zij geen geld krijgen, terwijl zij wel hun zaken op orde maken. In Zuid-Holland Zuid wordt er heel erg hard gewerkt, maar haalt men net de deadline niet. Het al dan niet toekennen van geld wordt zo een drukmiddel, wat volgens ons niet goed is voor het draagvlak. Ook in de manier waarop wij dit soort processen doen, kunnen wij investeren in vertrouwen en dan moet niet de schijn worden gewekt dat wij maar dingen doordrukken. De fractie van de ChristenUnie vindt dat al die regio's, waarin wel degelijk wordt ingezet op kwaliteitsverbetering en samenwerking, ook gehonoreerd moeten worden. Dat is volgens ons ook de wet in concept, want daarin wordt die optie bewust opengehouden. Graag een reactie van de minister.

Mijn volgende punt betreft de politie.

De heer Van Raak (SP):

Ik ben erg blij met die opmerkingen. Deelt de heer Anker mijn zorg dat onder druk van dat geld op dit moment brandweer geregionaliseerd wordt? Bedoelt hij dat door de grootschaligheidssubsidies nu brandweerkorpsen worden geregionaliseerd terwijl de vrijwilligers dat helemaal niet willen?

De heer Anker (ChristenUnie):

Dat bedoelde ik niet óók, dat bedoelde ik bijna uitsluitend. Want dat is inderdaad echt het probleem. Dat is niet goed voor het draagvlak en voor het vertrouwen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Anker (ChristenUnie):

De politie staat meestal voor een veilige samenleving. Dat betekent dat mensen zich ook echt veilig moeten voelen. Veiligheid maken mensen met elkaar, maar als er dingen gebeuren, moet de overheid er zijn om de burgers een steun in de rug te zijn. Als wij willen dat mensen elkaar aanspreken op asociaal gedrag, dan moeten wij er ook op kunnen vertrouwen dat zij daarin gesteund worden. Het is dan schokkend om te lezen dat de politie voor velen een vijand is.

Vorige week verscheen het rapport "Agressie en geweld tegen politiemensen in de basispolitiezorg". Wij zullen niet de enigen zijn geweest die met stijgende verontwaardiging de conclusie hebben gelezen. De ChristenUnie is blij dat bedreiging en belediging wel heel veel worden vervolgd. Dat zijn wij aan de slachtoffers, maar ook zeker aan onze rechtsstaat verplicht.

De politie hoeft niet je beste vriend te zijn, maar agenten verdienen wel respect. Dat respect krijgen zij steeds minder. Een agent wordt steeds anoniemer. Daaraan moet meer gewerkt worden. Ik onderstreep nog maar eens het pleidooi voor een agent die de klas in komt en daar de leerlingen vertrouwd maakt met de politie.

Wij spraken onlangs in een AO ook over het programma "Veilige Publieke Taak". De eerste fase is gericht op de werkgevers, maar het wordt nu toch wel echt tijd dat wij fase twee beginnen, waarin er meer aandacht is voor het publiek en natuurlijk voor de dader.

Het is ook van groot belang dat extra agenten bij de politie worden ingezet. Het is voor ons onbegrijpelijk dat wij de politieke wil en het geld hebben voor extra agenten, rechercheurs en forensisch assistenten, maar dat wij hen niet ingezet krijgen bij de korpsen. Gisteren kregen wij de brandbrief van de NPB, die ook een beeld schetst van hoge werkdruk en te weinig mensen. In het wetgevingsoverleg zei de minister dat zij een ander beeld krijgt dan wij als Kamerleden. Ik begrijp niet hoe dat kan, want ik ken deze minister als iemand die de handen graag uit de mouwen steekt en dus in contact is met de realiteit. Maar er is dus grote onduidelijkheid. De vacaturedruk is hoog, maar wordt niet ingevuld. Wij krijgen geen inzicht in de redenen. Het gebeurt ons toch niet veel dat wij mensen in de aanbieding hebben maar dat zij niet aan het werk komen, zeker niet als de nood zo hoog is. Wij mogen niet het vertrouwen van agenten op straat verliezen. Daarom vragen wij de minister om uit te zoeken wat de kinken nu precies in de kabel zijn om de extra agenten aan het werk te krijgen.

Wij vragen nogmaals aandacht voor het onderwerp kinderporno. Gelukkig wordt dit steeds meer aangepakt door de politie, maar veel is nog in de opstartfase. Voor zover wij het kunnen beoordelen, is er geen beeld van hoe groot deze criminaliteit in Nederland is. Wij zetten inmiddels extra in op de bestrijding van kinderporno, maar dat is niet alleen een kwestie van meer mankracht. Wij moeten ook weten waar de meeste inzet naartoe moet. Ik vraag de minister daarom of zij in samenwerking met haar collega op Justitie een onderzoek wil instellen naar de aard en omvang van criminaliteit rond kinderporno in Nederland. Dat moet een onderzoek zijn dat dicht tegen de opsporingspraktijk aan zit. Het zou daarom heel goed door de Politieacademie kunnen worden gedaan, zoals die ook onderzoek heeft gedaan naar bijvoorbeeld de oud-en-nieuwrellen.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. "2009 wordt het jaar van de uitvoering", zo kondigde de minister haar plannen voor komend jaar aan. Dat is jammer, want juist de analyse schiet vaak nog tekort. Ik mis de visies van dit ministerie. Wij krijgen vooral plannetjes. De financiële crisis en toenemend cynisme over de politiek zouden moeten aanzetten tot reflectie op de rol van de overheid, een herbezinning op de rolverdeling tassen overheid, civil society en de markt, maar ook binnen en tussen de overheden. Ik zie in ieder geval een gebrek aan modernisering van onze democratie, een overwicht van uitvoerende macht, een afnemend dualisme, een overheid die meer belooft dan zij kan waarmaken.

Een overheid bovendien die zich richt en begeeft op terreinen waar zij niet hoort, en die niet duidelijk aangeeft waar zij wel hoort. Wetgevende en uitvoerende macht zijn te veel met elkaar vervlochten. De Kamer moet op meer afstand van de uitvoerende macht, maar komt steeds meer op achterstand. Beleid wordt veelvuldig in de media gepresenteerd voordat de Kamer wordt geïnformeerd. Bewindslieden leggen verklaringen af achter een katheder, voorzien van eigen logo, in plaats van in Vak K. Het afzetten van een minister gebeurt op de kamer van een collega-minister in plaats van daar in de Kamer over te spreken. Door de binding van een gedetailleerd regeerakkoord en het feit dat alle partijleiders van de coalitie in het kabinet zitten, voert de Tweede Kamer haar vertegenwoordigende functie minder goed uit, en worden belangrijke debatten, zoals die over de woningmarkt niet gevoerd.

Wij dreigen zo te vervalen in partijpolitiek monisme, waarbij het belang van machtspartijen dominant is in onze politieke cultuur. De coalitiepartijen lijken elkaar helaas in deze benadering te hebben gevonden, maar zij hebben elkaar wel toevallig gevonden. Geen van de drie had voor de verkiezingen haar voorkeur uitgesproken voor deze coalitie en maar 6% van de kiezers in 2006 wilde deze coalitie.

Op deze manier belanden wij in een partijendemocratie. Het kabinet wacht af en weigert macht af te staan, aan de rechter met de constitutionele toetsing, aan de burger met referenda of de gekozen burgemeester, alles wat bijdraagt aan een meer evenwichtig systeem, met meer checks and balances. Wie macht heeft, ziet niet graag dat er gemorreld wordt aan de basis van die macht. En de basis van de macht laat zich niet veranderen door wie zelf geen macht heeft.

Maar onze democratie behoeft modernisering. De wereld is immers gemoderniseerd terwijl onze democratie stagneert. Kiezers zijn mondiger, beter geïnformeerd en hebben meer eigen verantwoordelijkheid voor hun eigen leven. Maar wat er ook veranderde, niet de structuren van de macht. Terug naar "geachte afgevaardigde" betekent terug naar af, maar wij moeten juist vooruit. Wij moeten met onze tijd meegaan. Oude idealen, nieuwe vormen. Het Handvest voor verantwoord burgerschap of de geherframede waardencatalogus doen dat niet, en het opleuken van de Grondwet evenmin. De kwaliteit van de democratie vraagt om serieus onderhoud. Toch kan het kabinet ook binnen de door hemzelf gekozen, beperkte kaders al veel doen. De publieke sector zal de komende decennia te kampen krijgen met de negatieve gevolgen van dalende groei en een krimpende beroepsbevolking. De Raad van State schrijft hierover behartigenswaardige woorden in haar adviesnota over de Miljoenennota. Wij moeten nu al beginnen, op deze ontwikkelingen in te spelen. Het kabinet moet selectiever worden in wat de overheid behoort te doen en wij moeten de publieke sector effectiever, innovatiever en dynamischer maken. Deelt de minister deze visie? Welke invloed heeft het in stand houden van het speciale Ambtenarenrecht hierop? Hoe bevordert de minister innovatie in de publieke sector? Het tegengaan van de bestuurlijke drukte en de regeldruk kan Nederland ook vooruit helpen. Hoe staat de bestuurlijke kant van de het Randstadoffensief ervoor? Het coalitieakkoord belooft dat op een aantal beleidsterreinen maximaal twee bestuurlijke niveaus betrokken zijn. Wat is de vooruitgang van dit streven? Ik kijk uit naar de samenwerking met de ChristenUnie op dit punt.

Ik heb een aantal korte vragen. Het kabinet vindt de kwaliteit van de lokale democratie belangrijk. Hoe investeert zij in het trainen van toekomstige raadsleden? Het kabinet vindt deelname aan onze democratie belangrijk. Waarom sluit het de stembureaus dan eerder, in plaats van deze verder uit te breiden en bijvoorbeeld early voting in te voeren? Het kabinet vindt transparantie belangrijk. Waarom verlengt het dan de termijnen in de Wet openbaarheid bestuur ten nadele van de burgers, in plaats van een kabinetsreactie op het voorontwerp algemene wet over overheidsinformatie te sturen. Mevrouw de minister, in april 2007 schreef u: binnen enige maanden komt dit naar de Kamer.

Ten slotte, het kabinet vindt goede dienstverlening belangrijk. Per wanneer zal de DigiD voor Nederlanders in het buitenland beschikbaar zijn? Alleen al voor het invullen van hun belastingformulieren zullen zij dat binnenkort hard nodig hebben. Ik hoor graag een toezegging.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Veiligheid en een goed bestuur zijn voor de burgers van groot belang. De strijd tegen criminaliteit, overlast en verloedering moeten wij blijven strijden; dat is een kerntaak van de overheid. De wijkagent die er is als de burger hem nodig heeft en een gemeentebestuur dat snel en goed reageert op vragen of wensen van burgers worden zeer hoog gewaardeerd, en terecht. Daar staat tegenover dat het een grote bron van frustratie is, als het mis gaat.

Aanpakken van overlast en verloedering en bijdragen aan vreedzaam samenleven zijn niet alleen zaken van de overheid. Burgers hebben hierin ook een eigen rol. Tegenover burgerrechten staan ook burgerplichten. Wij zien uit naar de verdere invulling van het handvest burgerschap. Gelet op de discussie over de onzichtbaarheid van de Grondwet, zal het niet alleen een uitdaging zijn om tot een gezaghebbende tekst te komen, maar ook om die overtuigend te communiceren om een mentaliteitsverandering te krijgen, zodat burgers beantwoorden aan het Bijbelwoord: "Alle dingen, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo." Een gouden leefregel.

In het wetgevingsoverleg hebben wij vorige week uitgebreid stilgestaan bij de politie. De SGP-fractie maakt zich zorgen over de onderbezetting van de politie en de bezuiniging van 100 mln. die daaroverheen komt. De basispolitiezorg dreigt te worden uitgehold. Mijn vraag aan de minister is: hoe wordt voorkomen dat de problemen in belangrijke mate neerslaan op de operationele capaciteit en neerslaan in het landelijke gebied? Volgens de SGP zou in ieder dorp of iedere wijk een eigen wijkagent beschikbaar moeten zijn. Daar zijn wij nu nog ver vandaan.

Zelfs met de norm die het kabinet hanteert, 1 wijkagent op 5000 inwoners, zijn er 100 tot 150 agenten meer nodig dan nu aan extra wijkagenten voor deze kabinetsperiode zijn voorzien. Het risico is bovendien dat extra wijkagenten terecht komen op de plaatsen waar al de nodige agenten zijn en dat het landelijke gebied voortdurend het nakijken heeft als het aankomt op de verdeling van het regiobudget en van de capaciteit. Te vaak horen wij uit de praktijk dat plaatselijke teams er op papier mooi uitzien, maar men het met te weinig agenten moet doen, omdat vacatures niet vervuld worden. Wil de minister een evenwichtige spreiding bevorderen?

Bovendien, over welk invullen gaat het als je over wijkagenten spreekt? Soms gaat het als het de netto inzet betreft maar om een paar uur daadwerkelijk inzet in een bepaalde wijk. Aan papieren wijkagenten hebben wij niets. Hoe wordt bereikt dat wijkagenten er ook daadwerkelijk aan toe komen, actief te zijn in hun wijk?

Bij de vervulling van vacatures, niet alleen voor de politie, maar ook voor ander overheidspersoneel, willen de bewindslieden van BZK stevig inzetten op het aantrekken van meer vrouwen en allochtonen. Mijn fractie vindt dat dit beleid niet moet doorschieten. Wij zien niets in rigide quota; de kwaliteit moet vooropstaan. De minister laat in het midden of het bij de genoemde aantallen om een plicht of een streven gaat. Kan zij bevestigen dat de stellige cijfers niet als een dwingende uitkomst moeten worden opgevat?

De bestrijding van mensenhandel moet blijvend prioriteit krijgen. Het is treurig dat deze mensonterende praktijk verweven blijkt te zijn met legale bordelen. Een kaderwet prostitutie is aangekondigd. Laat daarin in ieder geval ook ondubbelzinnig een lokale nuloptie geregeld zijn voor alle vormen van prostitutie. Wanneer ontvangen wij dit wetsvoorstel? Worden de actuele ontwikkelingen daarin betrokken? Ik denk daarbij aan de regelgeving in Zweden, maar ook de heel recente ontwikkelingen in Groot-Brittannië.

Veel overlast gaat gepaard met alcohol. Het is een goede zaak dat ook gemeenten aandacht besteden aan de pilspubers. Het ministerie beziet of ondersteuning mogelijk is voor alle regio's die alcoholbeleid willen opzetten. Mijn fractie ziet graag dat deze stimulans er werkelijk komt en dat de "zuipketen en -hokken" daadkrachtig worden aangepakt. Is daarin nu sprake van een uniforme lijn?

De bestrijding van overlast rond oud en nieuw vraagt om extra aandacht. Er ligt een helder rapport van de commissie "Overlast jaarwisseling". Het beeld is gebruikt van "een risicowedstrijd". Dat vind ik iets te optimistisch. Het probleem is dat er rond oud en nieuw heel veel risicowedstrijden tegelijkertijd plaatsvinden. Hoe gaan wij daarmee om? Hoe zetten wij de schaarse capaciteit dan in? Wanneer verschijnt de kabinetsreactie op het rapport van de commissie "Overlast jaarwisseling"? Hoe wordt met het oog op de komende jaarwisseling al invulling gegeven aan de aanbevelingen van de commissie? Men spreekt bijvoorbeeld over een centraal aanspreekpunt waar ervaringen bekend zijn en gemeenten advies kunnen krijgen. Ook spreekt men over een krachtig lik-op-stukbeleid.

In het kader van de bestrijding van overlast is in de Kamer regelmatig gesproken over een voortvarende en daadkrachtige aanpak van groepen jongeren die regelmatig overlast veroorzaken, in het bijzonder Marokkaanse jongeren. Wij hebben daarover gesproken tijdens het Gouda-debat, maar ook tijdens andere debatten. Mijn fractie vindt dat hiervoor veel goede plannen in uitvoering zijn genomen en worden vormgegeven. Leiden al deze plannen er echter toe dat jongeren daadwerkelijk niet verder het criminele pad opgaan? Schrikken de maatregelen af? Dit missen wij in de praktijk. Deze indruk krijgen wij ook op grond van werkbezoeken. Te weinig leiden de maatregelen ertoe dat politiecontact de groep het inzicht geeft dat men die weg niet opmoet. Soms werkt politiecontact zelfs statusverhogend. Daarin zit volgens ons een zwakke plek in de huidige benadering. Hoe gaan wij daarmee om?

Veiligheid gaat ook over brandveiligheid. Vorig jaar hebben wij een uitgebreide discussie gevoerd over de brandweer. De minister heeft toen de toezegging gedaan dat ook de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers kan deelnemen aan het overleg over diverse besluiten over de rechtspositie en de inhoud van het werk op basis van de Brandweerwet. Hoe gaat dit in de praktijk?

Onze schriftelijke vragen over de afname van het aantal brandweerkazernes konden niet volledig worden beantwoord. Wellicht is het goed als het ministerie ook zelf meer zicht krijgt op de achtergrond van deze afname. Misschien moet hiernaar meer onderzoek worden gedaan, zeker nu wij ook zien dat het aantal ritten dat binnen de opkomsttijd plaatsvindt, fors is afgenomen. Het percentage was al laag en daalt nu nog verder. Wat wordt eraan gedaan om deze ontwikkeling om te buigen? In het regeerakkoord staat dat er geen wettelijke verplichting komt tot regionalisering voor lokale brandweerkorpsen. Dit uitgangspunt van vrijheid wordt echter in de praktijk onderuitgehaald doordat uitsluitend wordt ingezet op regiovorming. Dit wordt ook in financiële zin gestimuleerd. Hoe zit dat?

Ik heb nog wat slotopmerkingen over de inrichting van het binnenlands bestuur. Er wordt op dit moment driftig gediscussieerd over omgevingsregio's of omgevingsdiensten die naast politieregio's en veiligheidsregio's nodig zouden zijn. Mijn fractie is geen voorstander van een blauwdruk met verplichte omgevingsdiensten. Los daarvan rijst de vraag wat de ontwikkeling van al deze regio's uiteindelijk betekent voor de inrichting van het binnenlands bestuur. Ontstaat zo niet een extra bestuurslaag?

De SGP-fractie is tegenstander van opgelegde gemeentelijke herindelingen. Herindeling moet een proces van onderop zijn. Ook het kabinet kiest gelukkig niet voor Haagse blauwdrukken. De vraag blijft echter, hoe het gaat met initiatieven van provincies die niet worden gedragen door de betrokken gemeentebesturen? Hoe gaat het kabinet daarmee om? Het kabinet heeft besloten om de financiële herindelingsbijdrage aan het Gemeentefonds te verhogen. Wanneer krijgt dit zijn beslag? Herindelingen moeten volgens ons enerzijds niet met financiële impulsen worden opgedrongen, maar anderzijds moeten vrijwillige herindelingen niet financieel worden afgestraft. Zo wordt het in de praktijk nogal eens ervaren, omdat efficiencyvergrotingen als gevolg van schaalvergroting er flink kunnen inhakken. Ik maak dat in mijn eigen gemeente ook mee. Er wordt gesproken over de samenvoeging van Rijnwoude en Boskoop. Dan mis je echter al snel tonnen op jaarbasis als gevolg van de verwachte efficiencyslag, wat gemeenten kan afschrikken om een vrijwillige herindeling te doen. Kan daar niet iets tegen gedaan worden, opdat in ieder geval het financiële argument geen drempel is voor een herindeling van onderaf?

Het ging in dit kader ook over maatwerk, zoals de heer Heijnen een aantal keren naar voren heeft gebracht. Volgens mij is dat ook eerder in de debatten naar voren gebracht. Wij vinden dat allerlei opties, zoals die onder andere door de heer Bilder en de heer Heijnen naar voren zijn gebracht, zeker de aandacht moeten krijgen. Maatwerk is daarbij een zeer wenselijke richting.

De heer Van Raak (SP):

Binnenkort krijgen wij de Staat van de dualisering. Wij moeten er nog even op wachten, maar ik heb begrepen dat de inkt bijna droog is. Zullen wij samen aan de staatssecretaris vragen om in die Staat van de dualisering ook in te gaan op de verschillende modaliteiten en de verschillende taken die verschillende gemeenten kunnen krijgen?

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vind dit een uitstekend idee, maar misschien kan het nog wel breder dan alleen in de Staat van de dualisering. Die is meer een beschrijving, maar ik lees ook graag op welke wijze je daarmee concreet mee kunt omgaan en welke invulling je dit kunt geven. Misschien kun je bepaalde taken – juist die ene taak die misschien in die kleine gemeente niet per se erbij hoeft te komen of lastig is op te pakken – met een iets grotere schaal wel in de centrumgemeenten kunt uitvoeren. Ik vind dit zeker bespreekbare ideeën.

De heer Bilder (CDA):

Hoe beoordeelt de SGP-fractie de trend van schaalvergroting als zodanig? Zij vraagt in haar bijdrage nadrukkelijk om de financiële ondersteuning van herindelingsinitiatieven, en zij vraagt vooral ook om te voorkomen dat de uitkering uit het Gemeentefonds gekort wordt, nadat een gemeente is herverdeeld.

De heer Van der Staaij (SGP):

Wij hebben altijd vraagtekens geplaatst bij de trend van schaalvergroting als zodanig, omdat wij het risico zien dat het bestuur te ver van de burger af komt te staan. De gemeente heeft juist als gemeenschap grote voordelen. Bij ons is dit door de jaren heen een consequente lijn geweest, en het CDA heeft daarin een bekering meegemaakt die wij toejuichen. Nadat er eerst erg werd ingezet op herindelingen, desnoods van bovenaf, is uiteindelijk gezegd dat wij daar voorzichtig mee moeten zijn. Wij zijn daar dankbaar voor, want er is nu een breder draagvlak voor die benadering ontstaan.

De heer Bilder (CDA):

De heer Van der Staaij weet ongetwijfeld hoe het met bekeerlingen is. Dat zijn meestal de grootste fanatiekelingen, ook als het gaat om geloof en kerk.

In dat kader heb ik nog een vraag. De heer Van der Staaij sprak over zijn eigen gemeente. Hij woont in een gemeente die al een keer heringedeeld is, maar waar opnieuw herindelingsinitiatieven spelen. Hoe ziet de heer Van der Staaij dat in het totaal van zijn beschouwing? Daarbij gaat het dus om de opvolging van herindelingen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik zie dat als een ontwikkeling in een gemeente die al is geherindeeld en die vervolgens opnieuw een schaalvergrotingsslag moet meemaken. Ik vind het echter bepaald niet bevorderlijk en niet gezond voor het functioneren van zo'n gemeente als de ene herindeling door een andere wordt gevolgd. Het is ook niet goed voor de stabiliteit van het gemeentebestuur. Het heeft onze voorkeur als ook in dat opzicht maatwerk kan worden geleverd. Je moet niet te gemakkelijk vervallen in de schaalvergrotingsreflex als oplossing voor problemen. Je moet naar het knelpunt kijken en proberen om dat op de beste manier op te lossen. Dat hoeft niet op de meest vergaande manier door gelijk te schieten in de schaalvergroting van de gemeente als geheel.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Dit debat wordt morgen voortgezet met het antwoord van de regering in eerste termijn en de re- en dupliek van Kamer en regering.

Ik schors de vergadering tot 18.15 uur – dat is ook de dinerpauze – maar het is nog niet zeker of wij dan beginnen met de afronding in derde termijn van de behandeling van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Ik weet namelijk niet zeker of de staatssecretaris van VWS in staat is om dan aanwezig te zijn. In het andere geval beginnen wij met het Belastingplan. U moet dat zelf ook goed in de gaten houden. Het is dus een verrassingsmoment.

De vergadering wordt van 16.57 uur tot 18.15 uur geschorst.

Voorzitter: Van der Veen