Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 46, pagina 3459-3462

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen van het lid Ortega-Martijn aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat verslaafde moeders zich niet laten opnemen in verslavingsklinieken vanwege de hoge kosten van de kinderopvang.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. In de verslavingszorg wordt verslaafde ouders de mogelijkheid geboden om tegen hun verslaving te vechten en terug te keren in de maatschappij. Om deze behandeling mogelijk te maken is het vaak noodzakelijk dat kinderen bij hun verslaafde ouders blijven wanneer die klinisch worden behandeld. Vanwege het ontbreken van contacten met familie of van een sociaal netwerk kunnen kinderen vaak niet elders worden ondergebracht. Deze mogelijkheid bestaat slechts bij enkele instellingen in Nederland, waaronder Stichting De Hoop in Dordrecht.

Stichting De Hoop heeft de noodklok geluid, omdat deze vorm van zorg niet langer toegankelijk is voor de meeste verslaafde moeders, doordat een vergoeding voor de opvang van de kinderen ontbreekt. Voor de invoering van de Wet kinderopvang betaalde in het geval van De Hoop de sociale dienst van Dordrecht de kosten van het kinderdagverblijf nog wel. Door de invoering van de Wet kinderopvang op 1 januari 2005 is de gemeentelijke vergoeding voor kinderopvang op het kinderdagverblijf in sommige gevallen weggevallen en in andere gevallen te laag geworden om kinderen te betrekken bij de klinische behandeling van hun verslaafde ouders.

De ouders die in De Hoop zijn opgenomen, vallen op dit moment tussen wal en schip, een positie die niet alleen risicovol is voor de ouders, maar des te meer voor hun kinderen. Dit is in de ogen van mijn fractie een onwenselijke situatie. Ik stel de minister en de staatssecretaris daarom de volgende vragen:

  • - Bent u bekend met deze problematiek?

  • - Hoe verklaart u het dat de opvang van kinderen bij de ene instelling wel en bij de andere niet wordt gefinancierd?

  • - Deelt u de mening dat het mogelijk moet zijn dat ouders in de verslavingszorg hun kinderen gedurende hun behandeling bij zich houden?

  • - Was deze situatie te voorzien bij de invoering van de Wet kinderopvang?

  • - Welke mogelijkheden zijn er binnen de verslavingszorg om de kinderopvang te bekostigen, ook wanneer de kinderen zelf geen behandeling ondergaan?

  • - Bent u bereid om te zoeken naar een oplossing en ervoor te zorgen dat kinderen van verslaafde ouders niet het slachtoffer worden van de ontstane situatie?

Minister Klink:

Voorzitter. De problematiek is mij bekend, al was het maar omdat ik er vanmorgen in de krant over heb gelezen.

Er zijn op dit moment twee instellingen die opvang bieden aan de kinderen van bij hen opgenomen verslaafden. In het verleden werd de financiering daarvan op een goede manier door de gemeenten geregeld. Op dit moment doen zich echter als gevolg van de Wet kinderopvang in sommige gevallen problemen voor. De achtergrond van de problemen bij de Stichting De Hoop in Dordrecht is dat zij vanwege haar christelijke signatuur een landelijke dekking biedt. De gemeente Dordrecht betaalde daardoor in feite ook voor de kinderopvang van kinderen uit andere gemeenten. In de krant is door De Hoop de suggestie gewekt dat er voor deze kinderen geen enkele voorziening meer zou zijn en er dus een probleem ontstaat rondom de verslavingszorg. Als dat zo is, moeten wij dat inderdaad serieus nemen, maar ik wijs er wel op dat, als er geen opvang voor de kinderen is, Bureau Jeugdzorg het tot zijn reguliere taak rekent om te zoeken naar inbedding van de kinderopvang. In eerste aanleg gebeurt dat natuurlijk door een opvangplek te zoeken bij bijvoorbeeld familie, verwanten of kennissen. Als dat niet lukt, is het altijd mogelijk om een crisisplaats voor de kinderen in kwestie te realiseren.

De opvangplaatsen en de crisisplaatsen zijn uitpandig. Daarom blijft uw vraag overeind in hoeverre een en ander rondom de verslavingszorg kan worden georganiseerd. Voor zover het om de Zorgverzekeringswet gaat – en daar spreken wij sinds 1 januari van dit jaar over – is het zo dat de zorg altijd gericht moet zijn op genezing. Op het moment dat er sprake is van een indicatie die ook het kind betreft, kan er sprake zijn van opvang in de desbetreffende instelling. Op het moment dat dit niet het geval is, is er geen dekking voor deze aanspraken op grond van de Zorgverzekeringswet en zal er wellicht iets geregeld moeten worden met de gemeente, zoals in het verleden. De gemeente betaalt dan niet de reguliere kinderopvang, maar wellicht kinderopvang in de instelling voor de verslavingszorg. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn, maar ik laat het graag aan de staatssecretaris over om daarover te spreken. Intergemeentelijk zou men tot arrangementen kunnen komen op dat gebied. Er is inderdaad sprake van een open einde. Als het binnen de aanspraken valt van de zorgverzekeringswet, kan het gerealiseerd worden. Sommige instellingen, met name in het noorden van het land, zorgen ook voor opvang van kinderen op grond van het feit dat men veronderstelt dat er hulp nodig is voor zowel de moeder als het kind.

Staatssecretaris Dijksma:

Voorzitter. Mevrouw Ortega vroeg of ik bekend was met het probleem. Het antwoord is: ja, ik ben bekend met het probleem, want ik heb de brief gelezen die de Stichting De Hoop aan de Kamer heeft gestuurd. Mevrouw Ortega vroeg vervolgens waarom er verschil is in de wijze waarop in verschillende instellingen de kinderopvang wordt gefinancierd en wat de relatie is met de invoering van de Wet kinderopvang. Mevrouw Ortega vroeg ook of ik bereid ben, te zoeken naar een oplossing. Ik denk dat er zowel in de brief van de Stichting De Hoop als in haar vragen één veronderstelling zit die ik graag zou willen weerspreken. De suggestie is, dat er door de invoering van de Wet kinderopvang een probleem is ontstaan. De suggestie is ook, dat het vóór de invoering van de wet altijd goed was geregeld. Het is waar dat in dergelijke gevallen de sociale dienst destijds betaalde, maar voordat de Wet kinderopvang door uw Kamer was aangenomen, was er op dit punt helemaal niets geregeld en was iedereen overgeleverd aan de afwegingen die er op lokaal niveau werden gemaakt. Dat leidde soms tot toekenning van middelen, maar heel vaak ook niet.

Hoe hebben wij een en ander in de Wet kinderopvang geregeld? Welnu, de Wet kinderopvang gaat uit van ouders die arbeid en zorg combineren. Daarvoor hebben wij een landelijk arrangement. Vervolgens is het zo dat ook andere doelgroepen aanspraak moeten kunnen maken op kinderopvang. Ten slotte zijn er mensen die als het ware heel snel buiten de boot vallen. Dan hebben wij het onder andere over deze groep. Die mensen kunnen op basis van een sociaalmedische indicatie in aanmerking komen voor een vergoeding. Dat is een lokale afweging. Als wij landelijk een definitie zouden vaststellen, zouden wij iedereen er onder moeten laten vallen. Dan is het einde zoek. Ook kunnen wij de definitie zo scherp maken, dat een heleboel mensen die nu lokaal wel de vergoeding krijgen, er dan niet meer onder vallen. Eigenlijk is het zo geregeld dat dit een voorziening is die wordt overgelaten aan de gemeenten. Het Rijk geeft de gemeenten er geld voor. Dat was 21 mln., maar anderhalf jaar geleden is dit bedrag opgehoogd tot 28 mln. De oplossing ligt daarin, dat de gemeente Dordrecht, samen met de andere gemeenten die hiermee te maken hebben, in het kader van het budget dat men krijgt afspraken hierover maakt. Ik kan mij voorstellen dat het verstandig is dat wij dit in het reguliere overleg dat ik toch met de VNG voer, aan de orde stellen. Het is niet zo dat dit een oplossing is die vanuit de rijksoverheid kan worden geboden.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik bedank de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording van mijn vragen. Ik blijf evenwel met een aantal vragen zitten. Ik vind het wel erg gemakkelijk om te zeggen dat De Hoop maar met alle gemeenten moet overleggen over de vergoeding. Ik denk namelijk dat deze instelling alles in het werk heeft gesteld om de financiering voor kinderopvang rond te krijgen. De Hoop heeft op dit moment tien opvangplaatsen voor verslaafde moeders. Slechts twee van deze plaatsen worden gebruikt, omdat een aantal van deze moeders aangeeft dat zij zonder hun kinderen niet opgevangen willen worden. Dit kabinet heeft wat betreft verslavingszorg een hoge ambitie. Wij kennen een arrangement voor arbeid en zorg. Binnen De Hoop is de gehele verslavingszorg erop gericht om verslaafde moeders dusdanig te behandelen dat zij ook gaan participeren op de arbeidsmarkt. In die zin vind ik het vreemd dat de bal weer wordt neergelegd bij De Hoop.

Overigens blijken de zorgverzekeraars op dit punt verschillend te handelen. De ene zorgverzekeraar is veel flexibeler dan de andere. Ik wil graag van de minister van VWS vernemen of hij kan toezeggen dat hij hierover gaat praten met de zorgverzekeraars.

Minister Klink:

De vraag in hoeverre De Hoop met deze problematiek wordt "opgezadeld" laat ik ter beantwoording graag over aan de staatssecretaris. Sinds de overgang naar de Zorgverzekeringswet staat zorg die gericht is op genezing, centraal. Als er sprake is van een indicatie die ook van toepassing is op het kind, zal zorg eveneens aan dit kind verstrekt moeten worden. Als deze indicatie er niet is, dient de vraag zich aan hoe voorzien kan worden in reguliere kinderopvang. De verantwoordelijkheid ligt in dit geval bij de gemeenten. Hierover heeft de staatssecretaris het nodige gezegd.

Staatssecretaris Dijksma:

Mijns inziens leggen wij in onze antwoorden deze problematiek niet neer bij De Hoop. Wij hebben gezegd dat het, gelet op hun verantwoordelijkheid, aan de gemeente Dordrecht en aan de VNG is om dit probleem in onderling overleg op te lossen. Dit betekent dus dat een individuele instelling niet moet worden opgezadeld met het voeren van overleg met allerlei gemeenten. Dit is immers niet de taak van een dergelijke instelling die bovendien wel iets anders te doen heeft. Wij hebben aangegeven dat de verantwoordelijkheid en de middelen bij de gemeenten liggen. Zij moeten in onderling overleg dit probleem oplossen. Ik ben bereid om tijdens het reguliere overleg met de VNG, de vertegenwoordiger van de gemeenten, dit onderwerp te agenderen om te bezien of wij de discussie met elkaar aan kunnen gaan.

Mevrouw Sterk (CDA):

Klopt het dat de staatssecretaris met inachtneming van alle verantwoordelijkheden die zij heeft, dit onderwerp tijdens het reguliere overleg aan de orde zal stellen? Dit probleem doet zich niet alleen binnen de verslavingszorg voor. Zo komt het ook voor binnen het gevangeniswezen, waar moeders worden opgesloten die jonge kinderen hebben. Binnen het gevangeniswezen is de opvang blijkbaar beter geregeld dan elders in het land. Stel dat iemand verplicht wordt opgenomen. Is het dan niet noodzakelijk dat tevens wordt voorzien in kinderopvang? Als dit wel geldt voor de justitiële omgeving, zou dit dan ook niet moeten gelden binnen de zorg?

Staatssecretaris Dijksma:

Het antwoord op de eerste vraag van mevrouw Sterk is een simpel "ja". Ik zal dit overleg aangaan. Ik denk dat de tweede vraag niet alleen op mijn competentiegebied ligt. Wij organiseren weliswaar landelijk het aanbod van de kinderopvang en kennen ook een arrangement voor mensen die zonder deze opvang snel buiten de boot dreigen te vallen. Hiervoor hebben wij voldoende middelen ter beschikking gesteld. De vraag in hoeverre er een relatie is met gedwongen opname, zou echter door het kabinet als geheel beantwoord dienen te worden.

Mevrouw Sterk (CDA):

Kan de staatssecretaris de Kamer een schriftelijk antwoord doen toekomen?

Staatssecretaris Dijksma:

Dat lijkt mij uitstekend.

Mevrouw Sterk (CDA):

Wellicht kan de staatssecretaris dan tevens aangeven wanneer het overleg heeft plaatsgevonden?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Er is terecht gesteld dat de problematiek van De Hoop wat specifiek is doordat deze organisatie een landelijke dekking heeft. Bij organisaties die regionaal of plaatselijk werken, komen dingen blijkbaar automatisch goed. Het lijkt mij niet meer dan logisch dat u in gesprek gaat met gemeenten. Daarnaast lijkt het mij goed om tot landelijke regels te komen voor organisaties die landelijk werken.

Staatssecretaris Dijksma:

Dat lijkt mij onverstandig. Ik heb net al geprobeerd om uit te leggen waarom. Wij spreken hier over een groep mensen die op basis van een sociaal-medische indicatie een recht krijgt. Als wij dat recht landelijk gaan definiëren, moeten wij ook vaststellen wie onder de doelgroep valt. Als wij dat in wettelijke regels vastleggen, moeten wij daar heel precies in zijn. Het grote risico daarvan is dat heel veel mensen die nu via de lokale route in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in dat geval buiten de definitie vallen. Dan zijn wij veel verder van huis. Het gesprek met de gemeenten ga ik graag aan om een praktisch probleem op te lossen. Er is echter indertijd door de wetgever bewust gekozen – dat was heel verstandig – om dit maatwerk over te laten aan de lokale overheid, die daar een behoorlijke hoeveelheid middelen voor krijgt. Gemeenten kunnen die verantwoordelijkheid dus ook op zich nemen.

Mevrouw Agema (PVV):

Wij moeten het er toch over eens zijn dat kinderen niet thuishoren in een instelling en niet moeten opgroeien tussen de verslaafden? Zij moeten toch opgroeien in een gewone gezinssituatie? Ik vraag de minister om een einde te maken aan dit soort instellingen.

Minister Klink:

Daar kan je ook anders tegenaan kijken. Een andere redenatie is dat een kind bij de moeder hoort, door haar opgevoed moet worden en wellicht mede behandeld moet worden. Ik heb al gezegd dat vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet mogelijk is bij op genezing gerichte zorg. Als er een indicatie is voor het kind, is het vanzelfsprekend dat er voor huisvesting wordt gezorgd. Als dat niet het geval is, kan er wellicht sprake zijn van een sociaal-medische indicatie. In dat geval betaalt de gemeente. Er kunnen in dergelijke gevallen wellicht arrangementen worden gemaakt tussen de gemeente en de betreffende instelling. Met de opmerking dat binnen instellingen voor verslavingszorg niet goed voor kinderen wordt gezorgd en dat zij niet thuishoren in een dergelijke omgeving, wordt volgens mij de plank misgeslagen.