Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 12, item 3

3 Belastingplan 2013

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013) (33402);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2013) (33403);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met de herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet herziening fiscale behandeling eigen woning) (33405);

  • - het wetsvoorstel Invoering van een verhuurderheffing (Wet verhuurderheffing) (33407).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Financiën en de minister voor Wonen en Rijksdienst van harte welkom in de Eerste Kamer. Voor de minister voor Wonen en Rijksdienst is dit de eerste keer dat hij hier als minister een wetsvoorstel verdedigt, de algemene politieke beschouwingen niet meegerekend. Wij wensen hem veel wijsheid toe.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Nog voor de aanvang van het zomerreces heeft deze Kamer al een aanzienlijk belastingpakket behandeld. Dit pakket was een uitvloeisel van het Lenteakkoord. Degenen die dachten dat dit zou betekenen dat we dit jaar snel klaar zouden zijn met de behandeling van het Belastingpakket 2013, komen bedrogen uit. Het nu voorliggende pakket is niet alleen erg complex maar raakt bovendien vele burgers; niet in het minst de huidige en toekomstige eigenwoningbezitters. Overigens hechten we er wel aan te onderstrepen dat we nog steeds spreken van een belastingpakket. Soms lijkt wel alsof het gebruik van de term "belasting" besmet is. De verhuurderheffing weigert het kabinet bijvoorbeeld aan te merken als een belasting, terwijl het dat toch wel degelijk is. Ook de inmiddels weer afgedankte inkomensafhankelijke zorgpremie zag het kabinet aanvankelijk niet als een belasting. Op dat standpunt kwam het razendsnel terug toen bleek dat de uitwerking van die inkomensafhankelijke zorgpremie zeer nivellerend werkte omdat het in feite een progressieve inkomstenbelasting was. In dit verband is het trekken van een vergelijking met de Verenigde Staten verleidelijk. President Obama zag zijn Obamacare door het US Supreme Court op het nippertje gered worden omdat er sprake was van een belasting, terwijl het kabinet-Rutte II bijna meteen na zijn aantreden al in grote problemen kwam toen bleek dat de inkomensafhankelijke zorgpremie een belasting was. Het kan verkeren!

Hoe dan ook, wij verwelkomen van harte de staatssecretaris van Financiën en kijken uit naar een voortzetting van de al onder het vorige kabinet bestaande prima samenwerking. Ook verwelkomen wij hartelijk de nieuwe minister voor Wonen en Rijksdienst, van wie wij evenzeer grote verwachtingen hebben. Het feit dat wij een minister voor Wonen en Rijksdienst hebben en een staatssecretaris van Financiën, primair verantwoordelijk voor de belastingen, brengt mij overigens wel op de vraag waarom wij eigenlijk geen minister van Belastingen hebben. Aan de zwaarte van de portefeuille kan het in ieder geval niet liggen.

Omdat de meeste technische details zijn toegelicht in de antwoorden van de regering op onze vragen – waarvoor onze dank – beperk ik mij in deze inbreng voornamelijk tot een weging van de politieke keuzes die het kabinet heeft gemaakt in dit belastingpakket. Onvermijdelijk zal ik daarbij ook vooruitblikken op enkele in het regeerakkoord aangekondigde toekomstige fiscale maatregelen van dit kabinet. Het centrale thema in mijn bijdrage zal "vertrouwen" zijn.

De voor de burgers meest ingrijpende maatregel die onderdeel uitmaakt van het belastingpakket is de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning. In deze wet is een aantal principiële keuzes gemaakt. De eerste is dat de eigenwoningschuld, dat wil zeggen de lening waarvan de rente fiscaal aftrekbaar is, per 1 januari 2013 binnen 30 jaar minimaal annuïtair moet worden afgelost. De tweede principiële keuze is dat er voor bestaande hypotheken na 1 januari 2013 grosso modo niets verandert, ook niet als de eigenwoningbezitter verhuist of zijn huidige hypotheek over sluit.

Wat de eerste keuze betreft, de verplichte annuïtaire aflossing, is mijn fractie altijd een sterke voorstander geweest van het stimuleren van de aflossing van hypotheekschulden. Uit een oogpunt van bevordering van het eigenwoningbezit, zijn wij altijd een voorstander geweest van de hypotheekrenteaftrek. Wel hebben wij steeds bezwaren geuit tegen de uitwassen van deze regeling. Daarbij doel ik in het bijzonder op de ingebouwde fiscale prikkels om de aanschaf van een eigen woning zo veel mogelijk met vreemd vermogen te financieren. Ook al had de aspirant-koper voldoende eigen vermogen om althans een gedeelte van de aankoop van de eigen woning daarmee te financieren, het fiscale regime verleidde hem om de gehele aankoopprijs – en liefst nog iets meer – met een hypotheek te financieren. Zo kon immers het fiscale voordeel als gevolg van de renteaftrek worden geoptimaliseerd. Dit leidde onder meer tot het fenomeen van de aflossingsvrije hypotheken. Meerdere malen hebben wij vanaf deze plaats voorstellen gedaan om aflossen fiscaal te stimuleren, bijvoorbeeld door het uitbreiden van de Hillenregeling, het uitsluiten van aflossingen van de bijleenregeling of het tijdelijk toestaan van renteaftrek over het vervroegd afgeloste gedeelte van de hypotheekschuld. Het kabinet kiest er nu voor om aflossen niet zozeer te stimuleren, maar om dat voor nieuwe gevallen verplicht op te leggen, wil de burger althans gebruik kunnen maken van de hypotheekrenteaftrek. Ofschoon wij de verbetering van de eigenvermogenspositie van de burgers toejuichen, vragen wij ons toch af of dit van bovenaf opgelegd aflossingsstramien niet te weinig flexibel is. Waarom moet bijvoorbeeld in 30 jaren de gehele schuld worden afgelost? Waarom zou, behalve het voor de hand liggende budgettaire argument, aflossen tot bijvoorbeeld minimaal de helft ook niet kunnen? Slaan we met deze maatregel niet door, in die zin dat het fiscale stelsel vóór 1 januari 2013 reële financiering met eigen vermogen belemmerde en dat het na 1 januari 2013 gezonde financiering met vreemd vermogen belemmert? Onze vraag aan de regering is dan ook hoe zij aankijkt tegen het mogelijk verstorende effect van dit wetsvoorstel op de keuze die de burgers hebben voor de financiering van hun eigen woning en daarmee op het goed functioneren van de geld- en kapitaalmarkt en de woningmarkt. Wij verzoeken het kabinet dan ook om in de komende maanden hierover nog eens goed na te denken en hierover ook in overleg te treden met de sectoren die hierbij direct van doen hebben. In het bijzonder vragen wij het kabinet de voors en tegens van de variant van aflossen tot 50% nog eens goed te bekijken en over pakweg drie maanden bij de Eerste en Tweede Kamer verslag uit te brengen van het resultaat van die heroverweging. Indien nodig, overwegen wij hierover in tweede termijn een motie in te dienen.

De tweede principiële keuze in dit wetsvoorstel, het sauveren van de bestaande gevallen, spreekt ons zeer aan vanuit een oogpunt van het bieden van rechtszekerheid aan de burgers, zeker als het gaat om verwachtingen gekoppeld aan het aangaan van langjarige financiële verbintenissen. Die rechtszekerheid en het vertrouwen van de burger in de overheid worden echter weer geschaad doordat het kabinet in het regeerakkoord heeft afgesproken dat per 1 januari 2014 het maximale percentage waartegen de hypotheekrente in aftrek kan worden gebracht in 28 jaar wordt verlaagd van 52 naar 38. Deze voorgenomen maatregel tast niet alleen de positie van veel bestaande eigenwoningbezitters aan, maar leidt ook tot een verdere beperking van de voordelen van de renteaftrek voor veel nieuwe gevallen, naast de beperkingen die al voortvloeien uit de verplichte annuïtaire aflossing. Hoe kijkt de regering aan tegen het cumulatieve effect van deze beide maatregelen voor de nieuwe gevallen?

Een andere vraag is of de regering voor de bestaande eigenwoningbezitters de invoering van de hiervoor genoemde aflossingstimulerende maatregelen wil overwegen. Ook voor deze categorie is een zekere afbouw van de hypotheekschulden immers gewenst. Een andere vraag is hoe de regering aankijkt tegen de mogelijk verstorende werking op de woningmarkt indien per 1 januari 2013 een zo groot onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe gevallen, oftewel tussen eigenaren met oude en met nieuwe hypotheken. Omdat een bestaande hypotheek zonder aflossingsverplichting kan worden meegenomen naar een nieuwe woning, zijn starters in het nadeel bij de aankoop van een nieuwe woning ten opzichte van potentiële kopers die al een woning hebben. Omdat starters vanwege de aflossingsverplichting netto minder te besteden hebben dan diegenen die al een eigen woning hebben, kunnen zij, ceteris paribus, immers minder voor de nieuwe woning bieden. Aan de andere kant zullen de bestaande eigenwoningbezitters die hun bestaande aflossingsvrije hypotheek niet op tijd hebben omgezet in een spaarhypotheek, zich mogelijk in de toekomst verplicht voelen om deze financieringsvorm te blijven aanhouden omdat ze anders tegen een verplichte annuïtaire aflossing oplopen. Zou voor deze categorie het overgangsrecht niet verder moeten worden opgerekt?

Velen hebben erop gewezen dat een van de belangrijkste oorzaken van de aanhoudende malaise in de woningmarkt de onzekerheid over de hypotheekrenteaftrek is. Wat dat betreft spant het afgelopen jaar wel de kroon. Het ene voorstel om iets te doen aan de hypotheekrenteaftrek was nog niet gelanceerd of het andere diende zich al weer aan. Zonder de pretentie van volledigheid, noem ik: het zesstappenplan van een aantal economen, het conceptakkoord uit het Catshuisoverleg, het Lenteakkoord, de verschillende verkiezingsprogramma's, het interim-rapport van de commissie-Van Dijkhuizen, het regeerakkoord en het na de commotie rond de inkomensafhankelijke zorgpremie weer aangepaste regeerakkoord.

Daarnaast moet ook niet worden onderschat hoeveel onrust en onzekerheid de recente aanpassingen van de invoeringsdatum van bepaalde onderdelen van het wetsvoorstel herziening fiscale behandeling eigen woning tijdens de parlementaire behandeling bij burgers veroorzaken, hoezeer deze aanpassingen ook voortvloeien uit goede bedoelingen. Keer op keer worden burgers geconfronteerd met nieuwe plannen rondom de eigen woning. Het lijkt dan ook een illusie te zijn dat per 1 januari 2013 rust en vertrouwen op de woningmarkt zullen terugkeren. Wie geeft, na alles wat er is gebeurd, eigenwoningbezitters de garantie dat er in de komende pakweg tien jaren niets meer met de hypotheekrenteaftrek zal gebeuren? Wie garandeert bestaande eigenwoningbezitters dat hun positie blijvend zal worden gerespecteerd? Alleen al de zeer grote mate van complexiteit van de nu voorgestelde regeling zal de twijfel blijven voeden dat dit niet de laatste regeling zal zijn.

De commotie rondom de inkomensafhankelijke zorgpremie bewees dat al heel snel na het sluiten van het regeerakkoord er weer een bijstelling nodig was van de hypotheekrenteaftrek. Wie geeft de burger bovendien de garantie dat een nieuwe regering met een andere politieke samenstelling niet toch weer gaat sleutelen aan de hypotheekrenteaftrek? Zeker op dit terrein is het van het grootste belang dat er een zeer brede politieke consensus wordt gezocht. Wat gaat het kabinet doen om dat te realiseren en het vertrouwen van de burger te winnen, opdat die rust op de woningmarkt eindelijk weer terugkomt?

De heer Reuten (SP):

Ik heb met belangstelling geluisterd naar senator Essers. In zijn woorden bespeurde ik wel behoorlijk wat scepsis. Kan hij mij misschien zeggen hoe de afweging van de CDA-fractie uitvalt? Ik begrijp dat hij ook nog wil horen wat de ministers te zeggen hebben, maar hij heeft hen niet duidelijk gezegd "als dat, dan dit". Mij dunkt dat het dan ook wel eens zo zou kunnen zijn dat de CDA-fractie haar afweging al heeft gemaakt.

De heer Essers (CDA):

Dat is niet het geval. Ik ben dit debat met open vizier ingegaan. Ik wacht ook echt de beantwoording door de regering af. Deed ik dat niet, dan had ik geen 25 minuten spreektijd aangevraagd. Ik was dan meteen klaar geweest met mijn eerste termijn.

De heer Reuten (SP):

U weet wel aan welke condities moet worden voldaan om u te bewegen voor het wetsvoorstel te stemmen?

De heer Essers (CDA):

Elke goede debater weet wat zijn randvoorwaarden zijn.

Voorzitter. Een ander in de woningmarkt veel onrust veroorzakend wetsvoorstel is de Wet verhuurderheffing. Naar onze mening gaat dit wetsvoorstel gebukt onder de tweeledige en deels tegenstrijdige rechtvaardigingen voor deze heffing: enerzijds het genereren van extra inkomsten voor de overheid, anderzijds het wegnemen bij de woningcorporaties van de extra voordelen die zij behalen als gevolg van de beoogde maatregelen tegen het scheefwonen. Wij hebben verschillende bezwaren tegen dit wetsvoorstel. In de eerste plaats zijn de maatregelen die huurverhogingen mogelijk maken voor huurders die scheefwonen, nog niet aangenomen door het parlement. Met de invoering van de verhuurderheffing wordt dus eigenlijk vooruitgelopen op deze wetgeving.

In de tweede plaats hebben verhuurders die onder de verhuurderheffing gaan vallen geen garantie dat de extra inkomsten uit de huurstijgingen voor scheefwoners voldoende zullen zijn om de verhuurderheffing te kunnen opbrengen. Wij maken ons dan ook ernstige zorgen of de beoogde budgettaire doelstelling van het kabinet met deze maatregel – dat is een nog redelijk overzichtelijke 50 miljoen in 2013 en maar liefst 800 miljoen vanaf 2014 – in samenhang met de in het regeerakkoord afgesproken verdere verhoging tot 2 miljard niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de solvabiliteit van de woningcorporaties en hun bereidheid om te investeren. Ik verwijs naar de alarmerende rapportage van het Centraal Fonds Volkshuisvesting en van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw.

Hiermee hangt nauw samen dat de koppeling van de belastinggrondslag van de verhuurderheffing aan de WOZ-waarde geen garantie biedt dat er voldoende ruimte zal zijn om de huurverhogingen te effectueren. De suggestie van de minister dat rijkere woningcorporaties eventueel maar moeten bijspringen om de armere corporaties te helpen, zien wij niet als een bijdrage aan een solide oplossing van de problemen in de woningsector. Het leidt alleen maar tot nog meer onzekerheid en voorzichtig gedrag. Het zal ook zeker niet bijdragen aan een stimulans voor de bereidheid tot meer investeringen in nieuwbouw, woningverbetering en energiebesparing. Ten slotte vinden wij het ook een bezwaar dat niet alleen woningcorporaties in deze heffing worden betrokken, maar ook niet gesubsidieerde particuliere verhuurders van woningen.

Voordat wij met de thans voorgestelde verhuurderheffing kunnen instemmen, zullen deze zorgen moeten worden weggenomen door het kabinet. Op korte termijn zal de onrust moeten worden weggenomen en de investeringsruimte van corporaties worden vergroot. Hoe kijkt de regering in dit verband aan tegen het op zo kort mogelijke termijn mogelijk maken van een huursombenadering voor de periode juli 2013 tot en met juni 2014 van een bepaald percentage boven de inflatie, een percentage dat afhankelijk is van de hoogte van het inkomen? Op deze wijze zouden woningcorporaties voor de nabije toekomst duidelijkheid hebben over het huurbeleid en over de ruimte voor investeringsbeslissingen.

Verder vragen wij het kabinet om een reactie op het voorstel om als alternatief voor de in het regeerakkoord voorgenomen maximering van de huurprijs op 4,5% van de WOZ-waarde over te gaan tot invoering van een huurprijsbeleid waarin de huurprijs is gebaseerd op 100% van de maximaal redelijke huur op grond van een vereenvoudigd puntensysteem, waarin de WOZ-waarde een belangrijke rol inneemt. De betaalbaarheid voor de huurders kan worden gegarandeerd door uitbreiding van de huurtoeslag via de Belastingdienst. Bijkomend voordeel van dit stelsel is dat dit niet op privacybezwaren stuit omdat er geen inkomensgegevens aan de corporaties hoeven te worden verstrekt.

Verder verzoeken wij de regering haar mening te geven over het voorstel om de verhuurderheffing alleen van toepassing te verklaren op partijen die kerntaken verrichten die DAEB-activiteiten zijn en niet op partijen die zich hoofdzakelijk met niet-DAEB-activiteiten bezighouden. DAEB zijn diensten van algemeen economische belang.

Ten slotte verzoeken wij de regering de onbeperkte belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van woningcorporaties te heroverwegen. Ik roep in dit verband in herinnering de zeer kritische behandeling in deze Kamer van de invoering van een onbeperkte belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van woningcorporaties in 2008. Mijn fractie is geenszins overtuigd door het in de memorie van antwoord door de regering gehanteerde argument dat omzetting van de onbeperkte belastingplicht in een beperkte belastingplicht – alleen belastingplicht indien en voor zover commerciële activiteiten worden verricht – zou leiden tot ongeoorloofde staatssteun. Daarvan zou naar onze mening alleen sprake zijn als ook de commerciële activiteiten zouden worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

Het heeft er alle schijn van dat het vooral budgettaire motieven zijn geweest die de regering er destijds toe hebben gebracht om de woningcorporaties in 2008 integraal belastingplichtig te maken. De invoering van de verhuurderheffing in combinatie met een versterkte rol van gemeenten bij de aansturing van woningcorporaties zijn extra argumenten om de onbeperkte vennootschapsbelastingplicht voor woningcorporaties te wijzigen in een beperkte belastingplicht. Daar waar we het hebben over een versterkte rol van de gemeenten, hecht de CDA-fractie eraan om het bestaande instrument van prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties een verplichtend karakter te geven. Vaak worden deze afspraken ofwel te vrijblijvend gehanteerd, of niet nageleefd. Indien nodig, overwegen wij in tweede termijn hierover een aantal moties in te dienen.

Behalve op de woningmarkt ervaart de burger ook veel onrust en onzekerheid op het pensioenfront. Ook op dit terrein buitelen de voorstellen over elkaar heen. Net als bij de woningmarkt speelt de fiscaliteit in dit verband een cruciale schakelfunctie door de toepassing van de omkeerregel. Hier komen we ongetwijfeld nog over te praten in de nabije toekomst. Als schot voor de boeg wil ik nu reeds de vraag aan de orde stellen waarom de regering in het regeerakkoord als bovengrens voor het toepassen van de omkeerregel voor pensioenen een inkomen van € 100.000 heeft gekozen en niet aansluiting heeft gezocht bij bijvoorbeeld de balkenendenorm.

In het Belastingplan is verder een regeling opgenomen voor het afstempelen van pensioenen van directeuren-grootaandeelhouders in eigen beheer. Hier speelt vooral parten dat de voorgeschreven fiscale waardering van de pensioenverplichtingen in sterke mate afwijkt van de commerciële waardering. In de memorie van antwoord schrijft de regering dat op korte termijn geen oplossingen voorhanden zijn voor de uit die verschillende waarderingen voortvloeiende problemen. Dat is voor de praktijk natuurlijk geen bevredigend antwoord. Kan de staatssecretaris aangeven welke stappen hij gaat zetten om dit thans zeer actuele probleem uit de weg te ruimen?

Van rust en vertrouwen is evenmin sprake op het terrein van de vennootschapsbelasting, met name als het gaat om de renteaftrekbeperkende maatregelen. Jaar in jaar uit praten we in het parlement over uitermate complexe nieuwe maatregelen die het overmatig financieren met vreemd vermogen in concernverband bestrijden, maar telkens moeten we tot de conclusie komen dat deze maatregelen tekortschieten. Tekenend is dat de regering in de memorie van antwoord schrijft dat zij "op dit moment" de soliditeit van de vennootschapsbelasting voldoende acht. In diezelfde memorie van antwoord schrijft de regering terecht dat het grote probleem in dezen is dat een belangrijk deel van de vennootschapsbelastingplichtigen multinationale ondernemingen zijn met omvangrijke, grensoverschrijdende concern- en financieringsstructuren. Enerzijds moet Nederland fiscaal aantrekkelijk blijven, anderzijds moet worden gewaakt tegen uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag als gevolg van onwenselijke fiscale constructies. Structurele oplossingen in deze sfeer kunnen niet eenzijdig op nationaal niveau worden gevonden, maar zullen internationaal moeten worden gezocht. Welke initiatieven gaat de regering ondernemen om tot deze oplossingen te komen?

Een veelgehoorde suggestie in dit verband is ook dat Nederland zou moeten streven naar een splitsing van de huidige vennootschapsbelasting in een vennootschapsbelasting voor het mkb, een "vbp light", en een vennootschapsbelasting voor grote multinationale ondernemingen. Wat is de mening van de regering over deze suggestie?

Naarmate regeringen steeds meer moeten bezuinigen, neemt de aandacht voor het aanpakken van belastingbesparende constructies toe. Burgers die worden getroffen in hun portemonnee door de bezuinigingen moeten erop kunnen vertrouwen dat misbruik en oneigenlijk gebruik van de fiscale regelgeving wordt aangepakt. Dit Belastingplan is daar een voorbeeld van door de voorstellen ter bestrijding van constructies met het bodemvoorrecht. In de schriftelijke voorbereiding in zowel de Tweede als Eerste Kamer is hieraan uitgebreid aandacht besteed. Daar kom ik nu niet op terug, maar ik wil wel onze zorg herhalen over de effecten van deze regeling voor de mate van kredietverlening aan bedrijven. Moeten met deze aanpak de goeden niet onder de kwaden lijden? Is de timing van dit voorstel niet buitengewoon ongelukkig gekozen?

Verder viel ons in de memorie van antwoord een passage op waar ik nader aandacht voor zou willen vragen. Op een vraag van de SP-fractie antwoordt de regering dat fiscale constructies naar haar mening legitiem zijn en dat ook niet alle constructies bestreden moeten of hoeven worden. Naar de mening van de regering brengt het hebben van staatssteun niet mee dat deze belastingplichtigen langs een andere fiscale meetlat gelegd zouden moeten worden. Dit standpunt is niet vanzelfsprekend. In het verleden heeft de minister van BZK, bijvoorbeeld naar aanleiding van het voorbeeld van de gemeente Tilburg die via de Verenigde Staten een leaseconstructie was aangegaan bij de aanschaf van een rioleringssysteem om daarmee fiscale voordelen te verkrijgen, gezegd dat het niet wenselijk was dat lagere overheidslichamen zich inlieten met dit soort constructies. Kennelijk vond het toenmalige kabinet dat dit op gespannen voet stond met de voorbeeldfunctie die dergelijke lichamen hebben. In hoeverre denkt het kabinet hier nog zo over? In welke mate verschillen naar het oordeel van de regering banken die door staatssteun overeind worden gehouden, van dergelijke overheidslichamen? En hoe verhoudt zich deze passage in de memorie van antwoord tot de onlangs door de minister van Financiën in een brief aan de Tweede Kamer gedane uitspraak dat staatsbedrijven zich niet alleen moeten houden aan de Belastingwet, maar dat ze ook niet actief op zoek mogen gaan naar, dan wel profiteren van lacunes in de internationale fiscale regelgeving? Verschillen de minister en de staatssecretaris van Financiën hierover van mening?

Verder wil ik aandacht vragen voor het fenomeen van het horizontaal toezicht, op grond waarvan de fiscus en de belastingplichtige meer vertrouwen in elkaar dienen te krijgen. Onlangs is dit in 2005 gestarte alternatief voor verticaal toezicht geëvalueerd door de commissie-Stevens. In deze evaluatie viel op dat het de commissie niet mogelijk was om de effectiviteit en efficiency van horizontaal toezicht te evalueren omdat de Belastingdienst de daartoe benodigde gegevens niet kon leveren. Van een nulmeting was opmerkelijk genoeg geen sprake geweest. Kennelijk is er ook geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid dat de commissie die gegevens dan maar zelf zou achterhalen door een steekproefsgewijs onderzoek naar de dossiers van de Belastingdienst, uiteraard onder waarborging van de geheimhoudingsplicht. In de memorie van antwoord wordt aangegeven dat de Belastingdienst nu bezig is met een samenhangende set van indicatoren waarmee de input, de output en het effect op de naleving inzichtelijk wordt gemaakt. Ook op OESO-gebied is Nederland actief. Kan de staatssecretaris hierover meer informatie geven? En in hoeverre is de Belastingdienst bereid om in de nabije toekomst inzage te geven in zijn bedrijfsprocessen teneinde objectief te kunnen toetsen of de beoogde doelstellingen ook worden bereikt? Bij een op vertrouwen gebaseerd proces als horizontaal toezicht hoort immers ook een Belastingdienst die zich kwetsbaar durft op te stellen.

Tot slot een meer technische vraag. In de memorie van antwoord verwijst de regering naar rechtsoverweging 3.3.3 van het arrest van 10 maart 2006, BNB 2007/15, voor het antwoord op de vraag wie van de in huwelijksgoederengemeenschap gehuwde echtgenoten bij een vervreemding van de woning bij echtscheiding als eigenaar van de eigen woning heeft te gelden. Volgens de regering is op grond van die rechtsoverweging van de Hoge Raad elke echtgenoot daartoe voor de helft economisch gerechtigd. Die rechtsoverweging gaat echter niet over de eigen woning, maar over het aanmerkelijk belang. Van belang voor de onderhavige kwestie is rechtsoverweging 3.3.2 van dat arrest, waar het ging om de rente op een schuldvordering. Daarvan oordeelde de Hoge Raad dat dan de civielrechtelijke bestuursregeling bepalend is. Aangezien onder de Wet IB 1964 rente op schuldvorderingen evenals de eigen woning onder de bron inkomsten uit eigen vermogen viel, kan hieruit worden afgeleid dat voor de Wet IB 2001 ook bij de eigen woning als hoofdregel heeft te gelden dat de civielrechtelijke bestuursregeling van artikel 1:97 BW bepalend is voor de fiscale vraag wie van de echtgenoten de genieter is van de inkomsten. Ik verzoek de regering dan ook het antwoord op onze vraag te heroverwegen.

Hetzelfde geldt voor onze vraag over de invloed van artikel 1:87 BW. Zou de regering in dit verband alsnog aandacht willen geven aan het door ons vermelde artikel van de heer Arends in NTFR Beschouwingen 2012/29? Wij krijgen ook veel berichten over problemen met het overgangsrecht voor ouders die in een echtscheidingsprocedure zitten die eind 2012 nog niet is afgerond. Zij dreigen in de problemen te komen. Ik ontvang hierop graag een antwoord. Overigens ben ik van mening dat de minimumdrempel voor aftrekbaarheid van giften moet worden afgeschaft, evenals het onderscheid tussen anbi's en sbbi's.

Wij kijken met vertrouwen uit naar het antwoord van de regering.

De heer Ruers (SP):

Het betoog van de heer Essers was heel interessant. Over één aspect ervan heb ik een vraag. Op een gegeven moment zei u: moeten wij met de waardering van de huurprijs van de WOZ-waarde af en moeten wij terug naar het puntensysteem? Toen zei u op een gegeven moment over de betaalbaarheid voor de huurders: als de huur van het pand toch omhoog gaat, zou dat gegarandeerd moet worden met een uitbreiding van de huurtoeslag. Heeft de heer Essers enig idee over welke bedragen wij dan praten, als wij het hebben over de uitbreiding van de huurtoeslag?

De heer Essers (CDA):

Daar heb ik wel een idee van, maar ik zou heel graag van de regering willen weten hoe zich dit precies verhoudt tot de budgettaire doelstelling die het kabinet zich heeft gesteld. Ik heb daar de instrumenten niet voor.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Het belastingpakket dat we vandaag en morgen behandelen beslaat 3,5 miljard in 2013, oplopend tot 9,5 miljard euro in later jaren. Dit laatste is voornamelijk het effect van de aan wonen gerelateerde voorstellen. Mijn fractiegenoot Ruers heeft het wetsvoorstel verhuurderheffing op zich genomen en ik de andere. Ik dank de bewindslieden en degenen die hen bijstonden voor de rappe beantwoording van de vragen van de Commissie Financiën in de afgelopen twee weken. Mede daardoor kan ik mij nu beperken tot hoofdlijnen.

De inkomensverdeling is altijd een economisch-politiek belangrijk punt, maar bij een kwijnende economische groei des te pregnanter. De belastingen vormen het belangrijkste instrument van de inkomensherverdeling, en in Nederland is deze gestoeld op het draagkrachtbeginsel. De wijziging van die herverdeling plegen we in Nederland te meten via de koopkrachtmutatie, dat wil zeggen de wijziging van het beschikbare inkomen. Ongeacht hoe het kabinet zijn taken onderling verdeeld heeft over bewindspersonen, is de hoofdzaak van die herverdeling een fiscale aangelegenheid en daarom hoort deze mijns inzien in hoofdzaak thuis bij de behandeling van belastingwetten zoals de voorliggende. Ik ga eerst in op de herverdelingsplannen van het kabinet voor de periode 2013–2017 en daarna op die voor 2013 in het bijzonder.

Voorafgaande daaraan kan ik niet nalaten bij de bewindslieden navraag te doen over hun nivelleringsverstandhouding. In verband met de relatie tussen hard werken en salarisverschillen vertrouwde de minister van Financiën ons bij de algemene financiële beschouwingen toe dat hij en de staatssecretaris besloten hadden tot nivellering omdat hun dat rechtvaardig leek. Nu lijkt de minister voor Wonen en Rijksdienst, weliswaar niet formeel doch ten dele wel inhoudelijk, inwoning te hebben gevonden bij de fiscale afdeling van Financiën. Hoe dan ook, ik ben benieuwd of VVD-bewindslieden onderling ook dit rechtvaardigheidsprincipe effectueren. Ik sluit mij overigens aan bij hetgeen senator Essers zojuist zei. Ook ik heb mij erover verbaasd dat de verantwoordelijkheid voor de staatsinkomsten en voor de hele fiscaliteit is toebedeeld aan een staatssecretaris. Bovendien is de persoon politiek verantwoordelijk voor de qua personeelsomvang op vier na grootste instelling c.q. bedrijf in Nederland. Ik laat het aan de staatssecretaris over om dit in een functioneringsgesprek met de minister-president aan de orde te stellen, maar wij steunen hem.

Ik maak eerst opmerkingen bij de koopkrachtwijziging 2013–2017 zoals neergelegd in het regeerakkoord. Ik begin met het kabinet te bedanken voor de informatie die mijn fractie vanaf 8 november herhaaldelijk vroeg en die wij afgelopen vrijdag eindelijk kregen, namelijk Tabel 1 uit de nota naar aanleiding van het verslag met informatie over niet slechts de mediane maar ook de gemiddelde koopkrachtmutatie voor een aantal hoofdgroepen. Pas in de combinatie van die twee maatstaven is onzes inziens een adequate beoordeling mogelijk. Laat ik eerst het kabinet daarover citeren: "Zoals de tabel laat zien zijn de verschillen tussen mediaan en gemiddelde verwaarloosbaar. Voor zover er verschillen bestaan, gaat het vaak om relatief geringe verschillen in de afronding." Het blijkt dan te gaan om een tweetal verwaarloosbare verschillen van 0,25% per jaar. Tegelijkertijd is het nivelleringsrelevante koopkrachtmutatieverschil tussen het eerste en het vierde kwartiel, dat wil zeggen de onderste en bovenste 25% van de inkomensverdeling, eveneens 0,25% dat we dan, neem ik aan, eveneens als verwaarloosbaar kunnen aanmerken. Het hoogste kwartiel als geheel levert in de voorziene kabinetsperiode tot en met 2017 niets in, doch de hoogste inkomens daarbinnen gaan er 0,5% op achteruit. Gerekend in de mediaan van de kwartielen, levert de gehele top 50% niet in. Bovendien is er een geringe herverdeling tussen het eerste en tweede kwartiel, de onderste 50% dus.

Als ik het goed begrijp wordt er over de voorziene kabinetsperiode dus nauwelijks genivelleerd. Ik vraag de staatssecretaris of dit ook het oordeel van het kabinet is. Het lijkt erop dat de fracties van VVD, D66 en CDA – en als ik het goed zie ook de PVV – content kunnen zijn. Maar ik zou graag willen weten of de PvdA-fractie ook content is dat er nauwelijks over verwaarloosbaar genivelleerd wordt. De PvdA-fractie in deze Kamer is niet gebonden aan het regeerakkoord, maar qua inkomenspolitiek lijkt het kabinet de PvdA-fractie in deze Kamer niet nodig te hebben. Dat geeft de PvdA uiteraard behoorlijk wat vrijheid. Tot zover mijn politieke duiding op dit punt.

De heer Bröcker (VVD):

Ik wil de geachte collega Reuten allereerst complimenteren met de vasthoudendheid waarmee hij in de Commissie Financiën vasthoudt aan het krijgen van inzicht in koopkrachtplaatjes. Wij hebben de discussie gevolgd rond medianen en gemiddelden. Mijn fractie heeft daarbij de vraag gesteld wat de context is en wat de oogmerken daarbij zijn. Tijdens de algemene financiële beschouwingen heeft mijn collega De Grave gesproken over Eurostat en de ginicoëfficiënt. Ik heb mij een beetje in het onderwerp verdiept. Daaruit blijkt toch weer dat Nederland in Europa na Luxemburg het hoogste gemiddelde inkomen heeft per hoofd van de bevolking. Wat nivellering betreft zitten wij aan de onderkant, als je kijkt naar de inkomensverhoudingen. Wij hebben in Nederland een redelijk genivelleerd stelsel. Ik kan mij herinneren dat de heer Reuten destijds de opmerking maakte dat hij niet geïnteresseerd is in gemiddeld inkomen, maar in gemiddeld beschikbaar inkomen.

Ik heb zelf de gegevens van het CBS over 2002 erbij gehaald over de welvaart in Nederland. Ik heb het nu over pagina 109 en 110. Daarin wordt gekeken naar draagkracht, heffing naar draagkracht, naar de vier schijven die wij in Nederland hebben en naar de inkomens in die schijven. Verder worden er vergelijkingen gemaakt tussen de bruto belastingdruk en de netto belastingdruk. Ook betreffen deze gegevens de aftrek van vrijstellingen, de kortingsheffingen en wat dies meer zij. Dit alles levert een buitengewoon genuanceerd plaatje op. In de debatten die wij soms in de commissie, maar ook hier voeren – vorig jaar, maar ook dit jaar hebben wij dat gedaan – kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat er af en toe wat selectief wordt gewinkeld door de heer Reuten. Ik stel hem de algemene vraag hoe hij de context van dit soort discussies in deze Kamer ziet.

De heer Reuten (SP):

Ik kan mij niet helemaal vinden in hetgeen de heer Bröcker zegt. Ik ben geïnteresseerd in zowel het bruto-inkomen als het beschikbare inkomen. Daartussen zit voornamelijk de belasting. Wat het bruto-inkomen betreft, staat de Nederlandse inkomensverdeling in progressiviteit vooraan, maar wat de verdeling van de beschikbare inkomens betreft, komt Nederland volgens de OECD op de veertiende plaats. Wij nivelleren dus relatief minder via de belastingen dan een aantal andere landen.

De mediaan en het gemiddelde komen overeen als wij een normale verdeling hebben. Zodra die echter afwijkend is, ligt dat anders. Als wij het verschil tussen de mediaan en het gemiddelde weten, dan weten wij ook dat de verdeling waarschijnlijk ongeveer normaal is. Daarom hebben wij beide cijfers nodig, ook voor het meten van de verdeling van de bruto-inkomens en het meten van de verdeling van de beschikbare inkomens. De koopkracht is de mutilatie van de zichtbare inkomensverdeling.

De heer Bröcker (VVD):

Als wij kijken naar de brutobelastingdruk en de nettobelastingdruk voor de gemiddelde inkomens in de verschillende schijven, dan zien wij wederom een plaatje ontstaan waarin de zaken redelijk genivelleerd zijn. Dat wordt ook onderbouwd door de berichten van de Eurostat. Nogmaals, ik wil hier geen uitvoerige discussie voeren. Ik wil vooral aangeven dat ik mij niet aan de indruk kan onttrekken dat wij soms appels met peren vergelijken – terecht zegt de heer Reuten dat de afweging over draagkracht politiek is – en dat daarin soms een stukje opportunisme zit.

De heer Reuten (SP):

Ik begrijp echt niet waar de heer Bröcker op doelt met zijn opmerking over opportunisme. Ik bedrijf politiek op basis van feiten. Ik wil eerst gewoon weten hoe het zit en vervolgens tot een politiek oordeel komen.

De heer Bröcker (VVD):

Daar heb ik altijd respect voor gehad. Ook in de commissie heb ik altijd respect gehad voor de inzet van de heer Reuten om de feiten boven tafel te krijgen. Alleen vraag ik mij soms af wat er met die feiten gebeurt en of alle feiten, ook de feiten die afkomstig zijn uit andere bronnen, evenredig meegenomen worden in de inbreng van de heer Reuten.

De voorzitter:

Ik stel voor dat de heer Reuten zijn betoog vervolgt.

De heer Reuten (SP):

Ik heb nog een paar vragen. Graag wil ik van de staatssecretaris weten of er in tabel 1 inkomensondergrenzen en inkomensbovengrenzen zijn gehanteerd en, zo ja, welke. Het CPB laat in zijn notitie van 10 december jongstleden over marginale druk weten dat het inkomens boven de € 150.000 niet meeneemt. Als ik het goed zie, gebruikt het CPB hetzelfde bestand als het ministerie van SZW, maar dat weet ik niet zeker. Welk toppercentage van de door het CBS gepubliceerde inkomensverdeling is in tabel 1 niet meegenomen? Ik realiseer mij dat dit een lastige vraag is, omdat in het bestand huishoudens een aantal categorieën, waaronder zelfstandigen, niet is meegenomen.

Voorts heb ik een wat meer technische vraag, die wat mij betreft ook schriftelijk beantwoord kan worden, morgen of anders in januari. Statistisch is zowel de mediaan als het gemiddelde relevant, ieder met zijn eigen beperkingen. Het kabinet stelt dat het gemiddelde behept is met uitschieters en dat daarom de presentatie van uitsluitend de mediaan te prefereren is. Dit volg ik niet. Ervan uitgaande dat de zuivere mediaan uit de steekproef getrokken wordt, kan juist die behept zijn met een uitschieter. Het gemiddelde daarentegen geeft, zoals de naam zegt, het gemiddelde, inclusief de middeling van de uitschieters naar boven en beneden. Graag ontvang ik daar morgen of een andere keer een toelichting op. Dat mag ook schriftelijk.

Ik vraag het kabinet om jaarlijks, ten tijde van de publicatie van de Miljoenennota, een brief aan de Eerste Kamer te sturen met daarin voor het desbetreffende begrotingsjaar de mediane en de gemiddelde koopkrachtcijfers voor de groepen uit de eerdergenoemde tabel 1. Mijn fractie zou dit bijzonder waarderen.

Ik maak nu een aantal opmerkingen over de plannen voor 2013. Afgezien van de twee woongerelateerde wetsvoorstellen, de verhoging assurantiebelasting en het niet-invoeren van vitaliteitssparen beslaat het Belastingplanpakket hoofdzakelijk wijzigingen van belastingtarieven, belastingschijfgrenzen en belastingkortingen. Deze wijzigingen zijn per saldo denivellerend, zoals ook blijkt uit de grafiek bij tabel 2 uit de memorie van antwoord. Het kabinet erkent deze denivellering uit hoofde van de fiscale wijzigingen. Grofweg gaan huishoudens van minimum tot modaal er doorgaans 0,5 tot 1,5% op achteruit. Die achteruitgang vermindert naarmate het inkomen oploopt. Bij inkomens boven € 100.000 is de achteruitgang doorgaans beperkt tot 0,5%. Uiteraard loopt dit effect structureel door naar volgende jaren. Dat vormt een reden om ons er druk over te maken. Een achteruitgang van 2% voor mensen aan de onderkant betekent gemiddeld een week per jaar vasten. Als ik ook de vaste lasten meeneem, betekent het twee weken vasten voor die mensen. Wij moeten ons dus toch druk maken om die kleine percentages, die voortdurend doorlopen. Dat hoeven wij niet te doen als het één keer gebeurt, maar wel als het een aantal achtereenvolgende jaren gebeurt.

De staatssecretaris stelt in de nota naar aanleiding van het verslag dat de verdeling, inclusief de overige maatregelen, redelijk gelijkmatig over de verschillende inkomensgroepen verspreid is. Ik vertrouw daarop, maar liever zie ik de precieze cijfers voor de categorieën uit tabel 1 van de nota. Dat maakt ook het optellen en aftrekken over de gehele kabinetsperiode mogelijk. Ik voeg daaraan toe dat in de nota ook verwezen wordt naar de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarin zie ik bijvoorbeeld dat de sociale minima er dit jaar als gevolg van de belastingmaatregelen, inclusief overige maatregelen, ongeveer 1,25% op achteruitgaan. Ook dat loopt structureel door.

Ik maak nu enkele opmerkingen over de belastingdruk. De relatie tussen belasting- en premiedruk en het aanbod van arbeid speelt een belangrijke rol in de fiscale politiek van het kabinet. Ik dank de staatssecretaris voor het feit dat hij naar aanleiding van onze vraag daaromtrent bij de algemene financiële beschouwingen het CPB inmiddels heeft gevraagd een notitie uit te brengen over de gedragseffecten van de marginale belastingdruk bij hogere inkomens. In de eerdergenoemde notitie van 10 december jongstleden van het CPB over marginale druk wordt gesteld dat verhoging van de marginale druk betekent dat werk minder lonend wordt, waardoor meer personen in deeltijd gaan werken en de werkgelegenheid in arbeidsjaren daalt. Het eerste gedeelte van deze zin, over geringer aanbod van arbeid, kan ik volgen. De te beantwoorden vraag is of en in welke mate zich dit empirisch voordoet. Wij zullen dit in de toegezegde notitie zien. Het laatste gedeelte van de zin, namelijk de gevolgtrekking dat door de eventuele daling van het arbeidsaanbod "de werkgelegenheid daalt", kan ik niet volgen. Of er zou een markante evenwichtstoestand achter moeten steken, maar empirisch doet die zich naar mijn weten niet voor. Deze connectie komt steeds weer terug in de langetermijnscenario's van het CPB. Ik vraag de staatssecretaris het CPB te verzoeken in de betreffende notitie ook opheldering te geven waarom het CPB het arbeidsaanbod vertaalt in werkgelegenheid.

Mijn laatste onderwerp betreft de fiscale behandeling van de eigen woning. Met deze staatssecretaris kan ik het aardig vinden. Wij hebben hoofdzakelijk twee meningsverschillen: de hoogte van het toptarief in de inkomstenbelasting en inkomstenbelastingen versus omzetbelastingen. Wij kunnen het aardig vinden omdat wij beiden niet gecharmeerd zijn van allerlei belastingsubsidies, of hoe we het ook noemen. Ja, nu deze minister nog!

De hypotheekrenteaftrek bevoordeelt eigenwoningbezitters ten opzichte van de 45% huurders. Dit is mijn hoofdkritiek. Doch binnen de groep eigenwoningbezitters bevoordeelt de hypotheekrenteaftrek ook nog eens de hogere inkomensgroepen ten opzichte van de lagere inkomensgroepen. Bij de koopwoningmarkt resulteert dit in het feit dat de overheid voor eenzelfde woning van bijvoorbeeld € 250.000, per saldo een subsidie legt op de aanschafprijs en dat die subsidie hoger is naarmate het inkomen hoger is. Mij dunkt dat dit toch ook voor een VVD-minister wat moet wringen. Ik vraag hem morgen zijn visie hierop te geven. Mensen met een hoog inkomen betalen ook geen lagere prijs voor een auto of voor een suikerspin!

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Het is opmerkelijk dat de heer Reuten de eigen woning vergelijkt met een auto en zelfs met een suikerspin. Hij zegt eigenlijk dat de eigen woning geen bron van inkomen is, maar een consumptiegoed. Dan begrijp ik niet waarom het bezit van een woning wel leidt tot een eigenwoningbijtelling. Naarmate het inkomen hoger is, betaalt men een hoger tarief over die eigenwoningbijtelling. Dan is het toch eerlijk en reëel dat je de kosten voor die woning kunt aftrekken?

De heer Reuten (SP):

Bedoelt de heer Essers het forfait?

De heer Essers (CDA):

Ja. Die is bij een suikerspin niet aan de orde.

De heer Reuten (SP):

Ik ken de geschiedenis niet precies, maar volgens mij is het forfait pas later binnen komen zwemmen. Eerst was er de hypotheekrenteaftrek en later pas het forfait. Klopt dat, mijnheer Essers? Voorzitter, mag ik via u tot de heer Essers spreken?

De voorzitter:

Dat moet u zelfs!

De heer Essers (CDA):

Die koppeling is er vanaf het begin geweest. Enerzijds zit in een woning een beleggingsaspect en dat moet je belasten, anderzijds moet je de kosten kunnen aftrekken. Het eigenlijke bezwaar van de heer Reuten is niet de hypotheekrenteaftrek maar het feit dat wij een te lage eigenwoningbijtelling hebben.

De heer Reuten (SP):

Dat kan ook. Ik constateer dat er netto sprake is van 9 miljard subsidie, hoe je dat ook herijkt. Sinds 2001 is het allemaal een beetje raarder geworden: box 1 versus box 3.

De heer Essers (CDA):

Mag ik dan nog een voorstel doen? Niet dat ik daar voor ben, maar als de heer Reuten consequent is, moet hij pleiten voor defiscalisering van de eigen woning; dus niet overhevelen naar box 3 maar geen eigenwoningbijtelling meer en ook geen aftrek van de hypotheekrente. Dat is consequent.

De heer Reuten (SP):

Dat vind ik geen slecht voorstel. Misschien kunnen wij daarover straks een motie maken?

In het onderhavige geval brengt de onderste 30% van de inkomensverdeling 7% van de totale hypotheekrenteaftrek in mindering. De top 30% brengt 60% van het totaal in mindering en bovendien tegen een hoger tarief. Ik leid deze cijfers af van de nota van de minister. Wij bepleiten om, met in achtneming van een redelijke overgangstermijn, een grens te leggen bij zowel de voor renteaftrek in aanmerking komende leninghoogte als bij het tarief.

Het wetsvoorstel fiscale behandeling eigen woning beperkt de hypotheekrenteaftrek en verdient voor dit aspect de steun van mijn fractie. Er zijn echter ook twee zwaarwegende negatieve zijden. Die betreffen de vorm van de beperking.

Ten eerste discrimineert dit nieuwkomers ten opzichte van bestaande gevallen. Globaal genomen wordt voor de nieuwkomers de hypotheekrenteaftrek in een periode van 30 jaar tot de helft beperkt. Het kabinet formuleert die onevenredigheid andersom, namelijk in termen van eerbiediging van bestaande gevallen. In de memorie van antwoord erkent de minister dat "als uitgangspunt bij het invoeren van belastingmaatregelen geldt dat deze onmiddellijke werking hebben". De overwegingen die hij vervolgens noemt tegen onmiddellijke werking in dit geval, staan volgens ons echter een geleidelijke werking voor bestaande gevallen niet in de weg. Dan zou voor nieuwkomers onder de huidige condities – die van 2012 – het belastingvoordeel eveneens geleidelijk afgebouwd kunnen worden. Graag hoor ik van de minister, of hij onderschrijft dat er in dit opzicht een andere redelijke keuze had kunnen worden gemaakt dan die hij tot nog toe heeft gemaakt.

De voorzitter:

Mag ik vragen hoeveel tijd u nog nodig hebt, mijnheer Reuten, want u zit aan uw tijd?

De heer Reuten (SP):

Nog anderhalve minuut, voorzitter.

Ons tweede bezwaar is dat zowel voor de oude als voor de nieuwe gevallen de belastingsubsidie in de vorm van een hypotheekrenteaftrek de hoge inkomens blijft bevoordelen. Wij stellen de minister voor bij zijn verdere plannen voor de hypotheekrenteaftrek de volgende drie zaken te betrekken.

Ten eerste de eigen woning overbrengen naar box 3 en daarop ook het aftrektarief te stoelen. Dat zou het systeem iets zuiverder maken.

Ten tweede een versnelde afbouw van de huidige topaftrektarieven naar het tarief van box 3, aanzienlijk sneller dan de 28 stappen die de minister in het verschiet stelt.

Ten derde een spoedige invoering van een compenserende huuraftrekregeling voor woninghuurders. De WRR bepleit ook iets in die zin.

Wanneer dit derde punt gerealiseerd is, zal waarschijnlijk iedereen inzien dat afbouw van het gehele stelsel redelijk is. Graag hoor ik op deze punten het commentaar van de minister.

Ten slotte een zijdelingse kwestie, namelijk de hoogte van de hypotheekrente in het algemeen. De hoogte van de hypotheekrente is van belang voor de woninghypotheekgever, maar uiteraard ook voor de staatsfinanciën omdat de rentehoogte mede de aftrek bepaalt. De Nederlandse hypotheekrente is hoger dan die in de ons omringende landen. Kan de minister dit bevestigen en kan hij aangeven wat de marges ongeveer zijn? In de memorie van antwoord stelt de minister dat de NMa heeft geconcludeerd – ik citeer – "dat de hypotheekmarkt kenmerken heeft waardoor deze gevoelig is voor prijsafspraken." Wij vragen de regering om hierover opnieuw een feitenonderzoek te doen uitvoeren en de Kamer daarover te rapporteren. Zo nodig overwegen wij om op dit punt samen met andere fracties een motie in te dienen.

Ik zie uit naar de antwoorden van de bewindslieden.

De heer Ruers (SP):

Voorzitter. De memorie van toelichting zegt het zo droog, namelijk dat de primaire doelstelling van de verhuurderheffing het realiseren van een budgettaire opbrengst is. We weten inmiddels wat dat betekent. De woningcorporaties, en indirect de huurders van deze corporaties, moeten op termijn een extra belasting ophoesten van 2 miljard euro per jaar. Zelden is een zo forse en diep ingrijpende belasting met zo weinig omhaal van woorden aangekondigd. Deze belasting wordt door de regering gemotiveerd met de stelling dat iedereen een bijdrage moet leveren aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Maar wat verstaat de regering daaronder? Welke criteria hanteert de regering daarbij? Dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten of is het het omgekeerde? En wat zijn de gevolgen van deze omvangrijke extra belasting voor de meer dan twee miljoen huurders en de woningcorporaties?

Laten we de plannen op een rij zetten. De verhuurdersbelasting van 800 miljoen euro, die oploopt naar 2 miljard euro per jaar, trekt een zware wissel op de corporaties. Zij kunnen en zullen die last voor een belangrijk deel doorschuiven naar hun huurders. Per huurder, zo is uitgerekend, betekent dit per saldo een extra huurverhoging van € 75 per maand, ofwel € 900 per jaar. De gevolgen voor de corporaties zijn enorm. De regering heeft niet kunnen weerleggen dat veel corporaties door deze belasting het loodje zullen leggen. Daarmee verergert de malaise voor de andere corporaties en hun huurders. De investeringen van de corporaties zullen met sprongen naar beneden gaan. Op dit moment, nog voordat de wet is ingevoerd, hebben de corporaties al 1,2 miljard euro aan investeringen geschrapt. Dit betekent dat er volgend jaar ruim 7.000 woningen minder gebouwd zullen worden, terwijl er in grote delen van ons land een enorme vraag bestaat naar fatsoenlijke en betaalbare woningen. Men hoeft daarvoor maar te kijken naar de jarenlange wachtlijsten in veel steden voor dergelijke woningen.

Maar er is meer. Een ander diep ingrijpend effect van de verhuurdersbelasting is de aanslag op de bouwsector. Deze branche heeft het al heel hard te verduren door de crisis en vooral door de crisisverlengende en -bevorderende opstelling van de vorige en de huidige regering. Het wordt van kwaad tot erger. Op dit moment kosten de bezuinigingsplannen van de corporaties al ruim 10.000 bouwvakkers hun baan. Dat aantal zal, als de regering haar zin krijgt, snel oplopen naar 50.000 en zelfs meer. Uit de bouwwereld hebben ons al veel alarmsignalen bereikt. Ik noem zomaar een voorbeeld, te weten de brief van Bouwend Nederland, afdeling Brabant Noord Oost van 21 november, namens de regionale corporaties. De brief spreekt over teleurstelling, zorg en boosheid. Men wijst op de schadelijke effecten van de verhuurdersbelasting voor corporaties, huurders, bouwondernemingen en bouwvakkers. "Wat er vanuit Den Haag staat te gebeuren, is desastreus voor onze regionale woningbouweconomie', aldus hun noodkreet.

De regering doet de zorgen van de corporaties heel gemakkelijk af. De verhuurders kunnen de belasting toch gewoon doorberekenen aan hun huurders. Daarbij maakt de regering echter een grote vergissing. De financiële positie van veel corporaties is nu al allesbehalve rooskleurig. Zij kunnen de belasting niet opbrengen en vallen dus om. Het verweer van de regering dat dan de andere corporaties maar moeten bijspringen, is kortzichtig. In dat geval wordt de crisis alleen maar verbreed en zullen de sterkere corporaties worden meegesleept door de zwakkere. Ook de opmerking van de regering dat de corporaties de extra belasting kunnen doorschuiven, slaat de plank mis. Veel huurders zitten immers al tegen de maximale huurgrens aan. De verhuurder kan hen geen extra huurverhoging meer opleggen. Zelfs als de regering de maximale huurgrens verhoogt of helemaal opheft, loopt de verhuurder de kans dat deze dure huurwoningen leeg blijven staan omdat de huur voor de huurders in kwestie niet meer op te brengen is. Kortom, er zit een grens aan. Hetzelfde effect heeft de door de regering beoogde "marktconforme" huur. Men praat dan al gauw over huurprijzen van € 1.000 per maand. De regeringspartijen zijn blijkbaar kort van memorie en schijnen te vergeten dat de noodzaak van sociale woningbouw nu juist voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt doordat het loon van veel mensen eenvoudigweg te laag is om marktconforme huren te kunnen betalen. Dat was 100 jaar geleden een van de belangrijkste redenen voor de start met sociale woningbouw.

Een andere opmerkelijke reactie van de regering is haar stelling dat de corporaties niet zo zielig moeten doen. Als ze geld nodig hebben, kunnen zij gewoon hun woningen verkopen. Ik denk dat we vanuit Engeland wel weten wat dat dan oplevert. Maar zelfs als corporaties nu, al dan niet gedwongen, hun huizen zouden willen verkopen, zullen ze tegen het probleem aanlopen dat de opbrengst in de huidige markt zwaar tegenvalt. Ze zullen hun prijzen moeten verlagen, waardoor de toch al beroerde koopmarkt nog verder onder druk komt te staan. Tel uit je winst, zou ik zeggen.

Al met al is het wetsvoorstel een ordinaire aanslag op de financiën en de investeringscapaciteit van de corporaties, en op de portemonnee van de huurders. Daarnaast betekent het een zware klap voor de bouwsector en werkloosheid voor tienduizenden bouwvakkers. Daarmee is het crisisversterkend voor de nationale economie.

Hoe zou het anders kunnen? Het beleid zou naar onze mening precies andersom moeten zijn: geen verhuurdersbelasting, maar per jaar 10 miljard euro investeren in de volkshuisvesting. Dat voorkomt grote sociale problemen en levert de broodnodige stimulans voor de volkshuisvesting en de bouwnijverheid, en zo ook aanzienlijke inverdieneffecten. Wij horen graag hoe de regering daar tegenaan kijkt.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Wij behandelen vandaag het Belastingplan 2013, te weten het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (het eigenlijke Belastingplan 2013), de overige fiscale maatregelen 2013 (33.403), de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning (33.405) en de Wet verhuurderheffing (33.407). De laatste is ook een belastingwet, maar die mag om onduidelijke redenen geen belastingwet heten. Een heffing klinkt kennelijk minder ernstig dan een belasting, maar evengoed behandelen wij deze wet vandaag als een belastingwet.

Eén wetsvoorstel uit het pakket, te weten de Wet elektronische registratie notariële akten (33406) behandelen wij niet. Althans, wij behandelen dat als hamerstuk, omdat daarover in de commissie voor Financiën al overeenstemming is bereikt. Ik zeg dat om aan te geven dat we het ook weleens, zelfs over belastingwetten, gemakkelijk eens kunnen worden. Wat overblijft, is echter nog steeds een bonte verzameling van lastenverzwaringen waaraan we vandaag en morgen een hele kluif zullen hebben. Dit pakket draagt ook het bonte van de regeringscombinatie in zich.

Ik wil evenwel graag beginnen met positief nieuws dat ik vorige maand las. Wij vonden dat nieuws ook terug in de brief van de staatssecretaris van 23 november. Mijn fractie las dat de staatssecretaris van Financiën met de bestuurders van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een akkoord heeft bereikt over te nemen maatregelen die de economie op de BES-eilanden een impuls moeten geven. Die impuls bestaat uit belastingverlagingen. Deze wijzigingen moeten ervoor zorgen dat de koopkracht van de burgers op de BES-eilanden erop vooruitgaat. Zo wordt het nultarief van de eerste levensbehoeften uitgebreid om de koopkracht te verhogen. De accijns op benzine gaat met tien cent omlaag. Daarnaast wordt geprobeerd een impuls aan de economie van de eilanden te geven door het tarief van de vastgoedbelasting te verlagen van 1% naar 0,8%. De AOW-leeftijd wordt daar 65 jaar.

Hoewel wij dit goed nieuws vinden, roept dit bij mijn fractie ook een aantal vragen op. Begrijpen wij goed dat belastingverlaging een probaat middel is om de economie te stimuleren? Zo ja, waarom gebeurt dit dan niet in Nederland? Heeft mijn fractie het misschien mis dat er ook op de BES-eilanden tekorten zijn die, zelfs gemeten per hoofd van de bevolking, onze staatsschuld doen verbleken? Of gelden in de Caraïben andere economische wetten? Ook de accijns op autobrandstof wordt in de Caraïben fors verlaagd. Is de staatssecretaris bang dat die auto's anders misschien op naburige eilanden gaan tanken? In ons land bestaat die angst voor grenseffecten kennelijk niet.

De heer Van Boxtel (D66):

De heer Van Strien heeft het steeds over de Caraïben en nu vraag ik mij af …

De heer Van Strien (PVV):

De BES-eilanden.

De heer Van Boxtel (D66):

De heer Van Strien spreekt over de BES-eilanden, oké.

De heer Van Strien (PVV):

Ja, een deel van de Caraïben.

In ons land bestaat die angst voor grenseffecten kennelijk niet. Recent heb ik gelezen dat de btw-verhoging per 1 oktober jl. in ons land voor de hoogste inflatie van de afgelopen vier jaar zorgt, althans daar in hoge mate aan bijdraagt. Voorts zien wij in het voorliggende pakket een drastische verhoging van de assurantiebelasting. Als ik die combineer met de verhoogde accijnzen op diesel, kan ik niet anders dan constateren dat de transportsector in Nederland het nog veel en veel zwaarder gaat krijgen dan hij het al heeft; dit terwijl de transportsector in Nederland economisch gezien tot de verbeelding spreekt, of misschien moet ik zeggen: sprak. Daarnaast zien wij dat de verhoging en de introductie van energiebelasting c.q. kolenbelasting de tuinbouwsector in het nauw gaat brengen, ook dit in combinatie met de drastische verhoging van de assurantiebelasting. Ook de tuinbouwsector spreekt of sprak in de Nederlandse economie tot de verbeelding. Wij zien verder dat de accijnzen op tabak en alcohol drastisch stijgen, wat de nodige grenseffecten heeft voor de detailhandel. Maar in de Caraïben – de BES-eilanden voor de heer Van Boxtel – zijn die grenseffecten kennelijk ernstiger, want daar wordt tot belastingverlagingen overgegaan.

Ik vervolg met de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning. Een van de redenen die tegenstanders van de hypotheekrenteaftrek op de eigen woning in het verleden vaak hebben aangevoerd, is het feit dat hypotheken de laatste jaren vaker niet meer werden afgelost: de aflossingsvrije hypotheek. De redenering van de huiseigenaar was hierbij dat na 30 jaar door inflatie de hypotheek in ieder geval veel minder waard zou zijn dan de waarde van de eigen woning. Ik denk dat deze redenering, ondanks de huidige impasse in de woningmarkt, op lange termijn nog steeds geldt. Het huidige kabinetsplan houdt in dat juist deze aflossingsvrije hypotheek voor starters op de woningmarkt de nek wordt omgedraaid. Hoewel mijn fractie hier een groot tegenstander van is, vermoed ik dat door de draai die de VVD in dit opzicht na de verkiezingen heeft gemaakt, dit voorstel het toch gaat halen.

Ik begrijp echter absoluut niet waarom woningbezitters die vrijwillig hun aflossingsvrije hypotheek zouden willen omzetten in een (bank)spaarhypotheek, het leven zo moeilijk gemaakt wordt. Vanzelfsprekend heb ik kennis genomen van het antwoord van de regering waarin nu een overgangstermijn tot 1 april 2013 genoemd wordt. Het gaat hier over grote bedragen en belangrijke beslissingen die de huiseigenaar moet nemen. Daarbij kost het de overheid geen geld. Ik wil daarom weten waarom de huiseigenaar niet een half jaar tot een jaar de tijd krijgt om dit probleem af te wegen en uit te werken.

Deze regering probeert extra geld binnen te halen door beperking van de hypotheekrenteaftrek. De gevolgen zijn de totale ineenstorting van de woningmarkt, hierdoor de ineenstorting van de bouw en mede daardoor van de gehele economie. Het gevolg zal minder belastinginkomsten zijn, om nog maar te zwijgen van de toename van de werkloosheid en de slechtere huisvesting van jongeren.

In dit verband is het buitengewoon merkwaardig dat geen acht wordt geslagen op het forse deel aan belastinginkomsten dat gemist wordt doordat de hypotheektarieven hoger zijn dan in de ons omringende landen. Dit feit is vandaag ook door de heer Reuten al genoemd. Hoge hypotheektarieven betekenen immers ook een hogere belastingaftrek en een lagere mobiliteit. In 2011 heeft de NMa de hypotheekmarkt onderzocht en niets kunnen vinden, daarmee is het probleem echter niet de wereld uit. De verklaring is gewoon niet gevonden, althans kon niet bewezen worden. Het renteverschil in combinatie met het geringe aantal aanbieders op de hypotheekmarkt blijft echter een verdachte situatie.

Is dit geen aanleiding voor een diepgravender onderzoek naar de hypotheekrentetarieven? Als het kabinet zijn zin krijgt kan die werknemer als hij de vijftig gepasseerd is een nieuwe baan met een grote mate van zekerheid vergeten. Hij komt na een jaar in de bijstand of in een vergelijkbare situatie, kan zijn hypotheek niet meer betalen, maar ook zijn huis niet verkopen wegens de gedaalde prijzen. Als hij nu 58 of jonger is dan moet hij ook nog tot zijn 67ste wachten voor hij AOW krijgt.

Om te zien wat de overheid de afgelopen jaren, onder andere op fiscaal gebied, nu precies gedaan heeft voor de oudere werknemer, en wat de overheid daar nu voor doet, is het interessant een blik te werpen in het Sociaal Cultureel Rapport 2012. Dit rapport draagt als ondertitel: Een beroep op de burger, minder verzorgingsstaat, meer eigen verantwoordelijkheid. Ik las daarin in hoofdstuk 6 over het nabestaandenpensioen en de vervroegde uittreding, dat in 1976 voor het eerst met een VUT-regeling werd geëxperimenteerd. Het experiment bleek in een behoefte te voorzien. Deze VUT-regelingen werden als een goed instrument gezien om de werkloosheid te bestrijden. Zo ging het CPB ervan uit dat de helft van de vutters zou worden vervangen door jongere werknemers.

Nadeel was dat de kosten geleidelijk aan de pan uit rezen. Om de kosten in de hand te houden, werden de VUT-regelingen daarom in de jaren negentig omgezet in prepensioenregelingen. Werknemers moesten nu zelf voor hun vervroegde pensionering gaan sparen. Deze regelingen waren dus kapitaalgedekt.

Een verschil met de VUT was dat ouderen zelf mochten kiezen of ze het extra opgebouwde kapitaal wilden gebruiken voor verhoging van hun pensioen of om vervroegd uit te treden. Via een actuariële berekening werd het opgebouwde kapitaal omgezet naar de ene of de andere keuze. De volgende stap kwam toen het kabinet-Balkenende II opperde om alle prepensioenregelingen af te schaffen. Dat plan bracht op 2 oktober 2004 300.000 mensen op de been om hiertegen te demonstreren. Desondanks werd met ingang van januari 2005 de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT en prepensioen en de introductie levensloopregeling van kracht.

De heer De Lange (OSF):

De heer Van Strien geeft aan dat de VUT destijds inderdaad geïntroduceerd is om ouderen op de arbeidsmarkt plaats te laten maken voor jongeren. Hij refereert aan voorspellingen van ik meen het Sociaal Cultureel Planbureau, dat voor elke twee ouderen die de markt zouden verlaten er één jongere zou terugkomen. Hij heeft niet vermeld hoe de werkelijkheid van die regeling eruitziet, dat voor de vier ouderen die eruit gingen maximaal een jongere is teruggekomen. De cijfers zijn dus buitengewoon nadelig ten aanzien van de ouderen en het hele perspectief van de VUT-regeling is eigenlijk een totale mislukking geweest. Ik vind het toch belangrijk dat even te vermelden.

De heer Van Strien (PVV):

Ik constateer dat de heer De Lange een andere lezing heeft van het effect van de VUT-regelingen. In mijn betoog ben ik al een stukje verder, want ik ben bij de overige prepensioenregelingen die op het kapitaalstelsel gebaseerd zijn.

De bestaande regelingen voor vervroegde uittreding werden toen in 2005 niet meer fiscaal toegestaan. Het kabinet deed evenwel twee concessies. Allereerst mochten werknemers meer ouderdomspensioen opbouwen en een deel daarvan kon men gebruiken om eerder te stoppen met werken. Ook de levensloopregeling mocht worden gebruikt voor vervroegd pensioen.

Dit was voor mij het moment om eens wat aan archiefonderzoek te doen. Ik vond precies wat ik zocht in een tijdschrift van ons grootste pensioenfonds, het ABP-magazine van oktober 2005. Daarin staat een interview met toenmalig verantwoordelijk minister De Geus, die zelf aan de levensloopregeling gaat meedoen en verklaart dat iedereen dat eigenlijk moet doen. Je kunt dan geheel naar eigen keuze eerder stoppen met werken of iets anders doen met het geld, zegt hij.

In datzelfde blad staat een interview met een medewerker van het ABP van 53 jaar oud. Hij is dus geboren in 1952. Hij werkt voltijds, is getrouwd en heeft twee kinderen. Uit het interview blijkt dat hij al heel vroeg met werken is begonnen. Daarnaast heeft hij zijn leven perfect gepland. Kortom, een man die het CDA in die tijd de hoeksteen van de samenleving zou noemen. Deze man verklaart: "Ik heb altijd gedacht op mijn 55ste te stoppen met werken. Daar heb ik zaken op afgestemd. Mijn hypotheek is dan afbetaald en ik heb wat gespaard om de periode tussen mijn 55ste en 65ste te overbruggen." De kurk waar dit plan op zou drijven is de FPU-regeling. Die is dan net afgeschaft. Deze man verklaart daarom te gaan sparen volgens de levensloopregeling. Hij kan dan toch nog voor zijn 60ste ophouden met werken, ten laste van het zelfgespaarde levensloopgeld. Op zijn 60ste kan hij met keuzepensioen. Het geld dat hij gespaard heeft, heeft hij daarbij hard nodig. Als hij op zijn 60ste met keuzepensioen gaat, betekent dit dat hij voor de rest van zijn leven minder dan de helft van zijn laatstverdiende salaris ontvangt. Hij heeft becijferd dat dit het minimum is om van te kunnen leven. Met die spaarcentjes gaat dat echter helemaal lukken.

Op zijn 65ste wordt zijn keuzepensioen verminderd met het bedrag van de AOW. Hij zou dan dus hetzelfde inkomen behouden, dacht hij toen. Deze man rekende op een betrouwbare overheid. Minister De Geus doet er ook alles aan om in hetzelfde blad die indruk van betrouwbaarheid te bevestigen. Deze man wordt op zijn 65ste echter gekort met het bedrag van de AOW, maar hij krijgt die AOW onder dit kabinet pas negen maanden later.

Ik ben niet nagegaan of deze man inderdaad gebruik heeft gemaakt van de levensloopregeling en vervolgens met keuzepensioen is gegaan. Gezien zijn geplande bestaan is er echter geen reden om daaraan te twijfelen. Dit betekent dat hij ergens in 2008 stopte met werken door gebruik te maken van de levensloopregeling. Er was toen nog geen vuiltje aan de lucht. Inmiddels is hij met keuzepensioen gegaan.

Deze man wordt door dit kabinet voor minimaal € 6.800 te grazen genomen. Het kabinet roept daarop dat er een overgangsregeling is. Tja, bij een voorschot van drie maanden moet je het geld daarbij binnen anderhalf jaar terugbetalen. Zou deze man de enige zijn? Het Sociaal en Cultureel Planbureau zegt dat er in 2008, op een totaal van 270.000 mensen die gebruikmaken van de levensloopregeling, meer dan 140.000 mensen zijn die de regeling gebruiken om eerder te kunnen stoppen met werken. Deze mensen vertrouwden ooit hun overheid.

Ik maak nu even een uitstapje naar de hypotheekrenteaftrek, die in de memorie van antwoord werd genoemd. Daarin staat, en ik citeer: "Ook is expliciet in het regeerakkoord opgenomen dat de hypotheekrenteaftrek blijft bestaan. Op die manier wil dit kabinet een einde maken aan de heersende onzekerheid." Ik zou graag van de regering willen horen hoe zij denkt het vertrouwen van de Nederlandse burger te kunnen winnen om daarmee een herstel van de huizenmarkt te kunnen bewerkstelligen. In dezelfde memorie van antwoord waarin zij daartoe oproept, stelt ze zich een paar bladzijden verder namelijk notoir onbetrouwbaar op.

Het hele eens beroemde Nederlandse pensioenstelsel wordt met dit Belastingplan gemarginaliseerd. Tijdens de algemene financiële beschouwingen heb ik al opgemerkt dat in de Miljoenennota op bladzijde 45 een belachelijke tabel staat. Daarin kunnen we zien hoe de Nederlandse pensioenen zich ontwikkelen: van 75% van het gemiddelde loon in 2007 naar 80% in 2060. Is de staatssecretaris het met mij eens dat die 80% niet eerder 40% van het laatstverdiende loon zal zijn? Vervolgens wil ik vragen of het niet de hoogste tijd is om de Nederlandse bevolking voor te lichten over de dreigende neergang die door dit kabinet is veroorzaakt.

Tot slot wil ik het kabinet oproepen om de dreigende afbraak van de prepensioen-, levensloop- en spaarregelingen in het komende halfjaar nog eens te herzien. Als het wil volharden in die afbraak – wat mijn fractie niet hoopt – wil ik het eveneens oproepen om ten minste fatsoenlijke overgangs- en afbouwregelingen te introduceren. Wij hebben in de laatste maanden al genoeg ongelukken gezien die een direct gevolg waren van overhaaste dadendrang van dit kabinet.

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Het Belastingplan 2013 bevat een mengelmoes aan fiscale maatregelen die uit drie wel zeer verschillende politieke kokers komen: het kabinet-Rutte I, het Lenteakkoord en het kabinet-Rutte ll. Deze complexe wordingsgeschiedenis vertroebelt het zicht op een eenduidige achterliggende visie. Het is van alles wat. Het Belastingplan zoals wij dat vandaag en morgen bespreken, maakt daardoor een verbrokkelde indruk. Visie is niet het sterkste punt van dit kabinet.

Dat wil niet zeggen dat het voorliggende plan politiek en maatschappelijk tandeloos is. Met name in het dossier over de hypotheekrente worden stevige stappen gezet. Dat doet mijn fractie deugd. Wij herinneren ons nog heel goed het intensieve debat dat wij vorig jaar rond de Miljoenennota 2012 hadden met de staatssecretaris en zijn voormalige minister over de motie-Kuiper. Daarin werd de regering gevraagd, een toekomstbestendig systeem voor de hypotheekrenteaftrek te ontwerpen. Deze motie werd toen nog zeer terughoudend door het kabinet ontvangen. Nu blijkt dat ze een belangrijke versnelling in het beleid heeft gemarkeerd. Er kan in een jaar veel veranderen.

Het bevorderen van een ook internationaal gunstig belastingklimaat is een belangrijke doelstelling van de Nederlandse fiscale politiek. We willen immers ook voor buitenlandse bedrijven een interessant vestigingsland zijn. Uit de laatste peiling van de gezaghebbende benchmarkstudie van PwC, de World Bank en IFC blijkt dat Nederland op de 29ste plaats staat. Graag hoort mijn fractie van de staatssecretaris hoe hij deze positie van Nederland beoordeelt en welke ambities hij hieraan verbindt.

In dit kader wil ik de staatssecretaris vragen hoe hij de enorme omvang van schaduwbanken in Nederland beoordeelt. Dit zijn financiële instellingen die bestaan bij de gratie van fiscale vriendelijkheid. De Financial Stability Board raamt het aandeel van Nederland op ruim 6% van het balanstotaal van schaduwbanken, hetgeen zou neerkomen op zo'n 4.000 miljard dollar. Nederland is een grotere speler dan Duitsland of Frankrijk. Nu kan men het eens zijn met de lagere schattingen die de Nederlandsche Bank hanteert, maar dan nog gaat het om enorme bedragen. Welke relatie ziet de staatssecretaris tussen schaduwbanken en ons fiscaal vriendelijke klimaat voor internationale financieringsmaatschappijen, hedgefondsen en geldmarktfondsen? Nu gaat het zeker niet in alle gevallen om onoorbare praktijken; laat mij dat onderstrepen. Niettemin bestaat het gevaar van besmetting van het formele financiële systeem. Is de regering voornemens het fiscale instrumentarium rond schaduwbanken aan te scherpen? Hoe beoordeelt het kabinet het actieplan van de Europese Commissie rond deze problematiek, dat eerder deze maand gepresenteerd werd?

De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd heeft de instemming van mijn fractie. Het Lenteakkoord heeft ook hier het fundament voor gelegd. Mijn fractie wil de staatssecretaris vragen of alle fiscale consequenties van de versnelde verhoging inderdaad per 1 januari aanstaande kunnen worden geïmplementeerd. Is de automatische doorrekening en verrekening over minder dan twee weken op orde?

Ik heb vervolgens een vraag over de versobering van het Witteveenkader. De beperking van de aftrekbaarheid van pensioenpremies leidt op korte termijn tot een stijging van de belastingopbrengsten. Op lange termijn gaan deze opbrengsten omlaag doordat de belastbare pensioenuitkeringen lager worden. Kan de staatssecretaris beide fiscale plussen en minnen nader kwantitatief duiden voor de komende jaren? Hoe beoordeelt hij de verhouding tussen de korte en de lange termijn vanuit fiscaal oogpunt?

We hebben kunnen lezen dat het vitaliteitssparen is komen te vervallen. In plaats daarvan kiest de regering voor een werkbonus voor werknemers tot het 65ste levensjaar. De verhoging van de AOW-leeftijd richt zich juist op langer doorwerken na de leeftijd van 65 jaar. De eerstgenoemde maatregel bevordert stoppen met werken; de tweede doorwerken. De arbeidsparticipatieagenda voor oudere werknemers krijgt hierdoor een verwarrend karakter. Mijn fractie begrijpt overigens de politieke achtergrond van de eerste keuze, maar zij vraagt de regering of de combinatie van beide maatregelen niet een ambigu signaal uitstraalt. Kan de staatssecretaris hierover zijn mening met ons delen?

De verhoging van de assurantiebelasting tot 21% per 1 januari aanstaande heeft ongetwijfeld tot anticipatie-effecten geleid. Het kabinet overwoog om bij een fors toenemend aantal oversluitingen een klein KB per 1 oktober jongstleden in te stellen. Betekent het feit dat dit niet is gebeurd dat anticipatie-effecten binnen een aanvaardbare bandbreedte zijn gebleven? Dat geldt ook voor de vraag van mijn fractie of de glastuinbouw in ons land niet disproportioneel wordt getroffen door de verhoging van de assurantiebelasting. Heeft de regering de effecten van de verhoging voor het mkb in brede zin doorgerekend?

Ik gaf al aan dat dit Belastingplan rond sommige dossiers een paar grote stappen zet. Dat geldt zeker voor de fiscale behandeling van de eigen woning. Sterker, het Belastingplan 2013 zal de geschiedenis ingaan als het document waarin de hypotheekrenteaftrek werd begrensd en een aflossingseis werd ingevoerd. Het Lenteakkoord heeft hiervoor politieke sisyfusarbeid verricht. Mijn fractie is zeer verheugd met deze fiscale doorbraak. Daar was ook alle reden toe met een collectieve hypotheekschuld van 670 miljard die de woningmarkt in een wurggreep hield. EU-commissaris Rehn heeft Nederland nog onlangs de rode kaart gegeven voor de torenhoge private schulden in ons land. Mijn fractie hoopt dat met de nieuwe aflossingsregeling het tij nog kan worden gekeerd. Maar het is laat, erg laat. Het toont nog eens hoe belangrijk tijdig hervormen is. In ieder geval is er nu duidelijkheid en hopelijk leidt dat tot herstel van vertrouwen in de woningmarkt.

Mijn fractie schaart zich achter het idee dat rente op hypothecaire leningen alleen aftrekbaar is indien de leningen in maximaal 360 maanden tenminste annuïtair worden afgelost. Daarbij is overgangsrecht voorzien. Collega Essers heeft overigens op een aantal problemen daarbij gewezen. Ook de geleidelijke neerwaartse bijstelling van de "loan-to-value ratio" heeft onze instemming. Wel moet het mijn fractie van het hart, dat de nieuwe regelingen erg complex zijn geworden. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de regelingen scoren op de uitvoeringstoetsen die tegenwoordig deel uit maken van het Integraal Afwegingskader bij de voorbereiding van wet- en regelgeving?

Tijdens de algemene politieke beschouwingen in dit Huis twee weken geleden heeft mijn fractie per motie aan het kabinet om coulance gevraagd voor woningbezitters die nog dit jaar hun aflossingsvrije hypotheek willen omzetten in een annuïtaire hypotheek maar die stuiten op een work overload bij hun bank. Kan de staatssecretaris ons op dit punt bijpraten? Wordt deze categorie woningbezitters soelaas geboden?

Ik wil nog twee kwesties in deze beschouwing over de woningmarkt aan de orde stellen. De eerste is welke inschattingen de regering heeft over de impact van de nieuwe regeling op het cohort starters dat nu de woningmarkt betreedt. Zijn koopwoningen überhaupt nog wel voor hen weggelegd? Zij hebben immers een moeilijker positie dan de groep bestaande huizenbezitters, ook wat betreft hun positie op de arbeidsmarkt.

De tweede kwestie betreft het stimuleren van bouwsparen. In de meeste landen is het vanzelfsprekend dat je eerst spaart voordat je een huis koopt. Dat is eigenlijk een heel gezond standpunt. In Nederland gold dat ook in het eerste driekwart van de vorige eeuw. Ouderen onder ons kennen nog wel de grote populariteit van de zilvervlootspaarrekening die jongeren spaarzin bijbracht. Heeft de regering ook overwogen om sparen onder jongeren als groep van potentiële huizenkopers fiscaal te stimuleren? Dat zou hun startpositie kunnen verbeteren.

Dan nu de invoering van een verhuurderheffing, ofwel de corporatietaks, maar zo mag die geloof ik niet heten. Deze heeft de gemoederen de afgelopen weken behoorlijk beziggehouden. En terecht. De heffing maakt een niet goed doordachte indruk en heeft te weinig oog voor de onbedoelde effecten ervan. De primaire doelstelling van de verhuurderheffing is, zoals de memorie van toelichting onomwonden stelt, het genereren van structurele inkomsten voor de Staat. De beoogde opbrengst is 800 miljoen euro per jaar, oplopend tot 2 miljard euro in 2017. De discussie rond deze verhuurderheffing speelt volop. Maar liefst vier onderzoeksrapportages wijzen op de negatieve effecten van deze belasting. Zo becijfert het Centraal Fonds Volkshuisvesting dat de verhuurderheffing de corporaties 22 miljard gaat kosten, terwijl het huurbeleid per saldo 5 miljard extra oplevert. We hebben het dus over een afname van zo'n 17 miljard euro van het volkshuisvestelijk vermogen. Meer dan een kwart van de corporaties krijgt een solvabiliteit die onder de 15% ligt; deze corporaties bezitten de helft van alle corporatiewoningen. Het kan niet anders dan dat dit hun maatschappelijke doelstelling in gevaar brengt om ook voor lagere inkomens een aantrekkelijk aanbod van huurwoningen te realiseren, vooral ook in zwakkere economische regio's. Woningcorporaties met een zwakke vermogenspositie zullen het loodje leggen. Het behoeft weinig fantasie dat de verhuurderheffing een remmend effect zal hebben op de investeringsbereidheid van corporaties en het onderhoud van hun woningaanbod. Het heeft een verlammende werking op de bouwsector. Het CPB komt met meer geruststellende cijfers, maar het CPB-model is slecht bruikbaar voor het schatten van kortetermijnontwikkelingen op de huurmarkt, het beschikt niet over recente WOZ-waarden en het model hanteert té optimistische schattingen van de gemiddelde prijsstijgingen van koopwoningen in de komende vier jaar. Hoe beoordeelt de minister, die mijn fractie overigens van harte welkom heet in dit huis, de effecten van de verhuurderheffing op huurders, de sociale woningbouw, het vermogen van woningcorporaties, de nieuwbouw van huurwoningen en het onderhoud van huurwoningen in ons land? Maken we hier Nederland sterker en socialer mee? Wat is de rol van de verhuurderheffing in het bredere woningmarktbeleid van het kabinet als zodanig? Graag een antwoord van de minister op deze voor mijn fractie wezenlijke vragen.

De vooronderstelling van de verhuurderheffing is dat woningcorporaties de heffing kunnen compenseren door het verhogen van de huren met een maximum van 4,5% van de WOZ-waarde van een woning. Het probleem van deze vooronderstelling zit in het generieke karakter ervan. De WOZ-waarde is een weerspiegeling van de marktwaarde en zeker in krimpregio's zitten de huren al op een maximum en kunnen derhalve in de logica van het wetsvoorstel niet verhoogd worden. Bovendien zitten we nu al meer dan twee jaar in een neerwaartse trend van de huizenprijzen. Ook dit blokkeert dat door de voorgestelde koppeling aan de WOZ-waarde de huren omhoog kunnen bij woningcorporaties. Hebben we met de verhuurderheffing wel de juiste balans tussen urgentie en zorgvuldigheid? Zijn de negatieve maatschappelijke effecten niet te groot? De empirische basis van de verhuurderheffing is zwak. Welke vrijheidsgraden heeft de minister nog om zijn beleid bij te stellen? Het is niet denkbeeldig dat zonder aanpassingen de verhuurderheffing eenzelfde lot beschoren zal zijn als de inkomensafhankelijke zorgpremie. Alleen komt de politieke reuring nu niet van rechts maar van links.

Voor 2013, het jaar waar we het nu over hebben in het kader van het Belastingplan, vallen de effecten nog wel mee, maar vanaf 2014 is dat geheel anders. Dan praten we over 800 miljoen euro per jaar. In de Tweede Kamer heeft de minister aangegeven in het komend voorjaar met een nadere analyse te komen rond de verdere verhoging van de verhuurderheffing vanaf 2014. Kan de minister aangeven door welke criteria hij zich bij deze analyse zal laten leiden? Essentiële criteria voor mijn fractie zijn in ieder geval de mate waarin de heffing de maatschappelijke doelstellingen en de solvabiliteit van woningcorporaties aantast, de effecten op het sociale huurbeleid in verschillende regio's en de effecten op onderhoud en nieuwbouw. Kan de minister toezeggen dat deze criteria een rol in zijn voorjaarsanalyse zullen spelen?

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik hoor de heer Ester een aantal criteria noemen voor de verdere verhoging van de verhuurderheffing vanaf 2014. Bedoelt hij dat dan inclusief de 800 miljoen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen of doelt hij op de verdere verhoging?

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik zei al dat het voor 2013 nog wel meevalt. Uit mijn hoofd gaat het dan om 50 miljoen. Dat kunnen we nog wel hebben. Daar zitten ook niet die drastische effecten in. Het gaat met name om 2014 en verder. Dan hebben we het over enorme bedragen. Daar gaat mijn interventie over.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voor zover ik weet heeft de minister dit alleen toegezegd voor het nog in te dienen wetsvoorstel voor de verdere verhoging, maar de heer Ester vraagt dus om eenzelfde analyse voor die 800 miljoen?

De heer Ester (ChristenUnie):

Ja, en ik ga ervan uit dat de minister hier morgen op zal ingaan.

Innovatie is van levensbelang voor een concurrerende en duurzame Nederlandse economie. Het fiscaal faciliteren van research and development via de S&O-afdrachtvermindering is daarvoor een goed middel. Het verlengen van de eerste schijf biedt betere mogelijkheden voor het mkb. Mijn fractie verneemt graag of er sprake is van selectiviteit naar bedrijfsgrootte en omzet en wat het trendmatig gebruik van de regeling door het mkb is. Heeft de regering daarbij streefcijfers voor ogen? Daarenboven vraag ik of versoepeling van de regeling geen verder opwaarts bestedingseffect zal hebben, terwijl er nu al sprake is van overbesteding.

Mijn fractie heeft kennisgenomen van het pakket fiscale maatregelen voor Caraïbisch Nederland. Het gaat daarbij om verbetering van zowel economische ontwikkelingen als de koopkracht op de eilanden. Daarvoor is, zo heb ik begrepen, overleg gevoerd met de bestuurders van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. De vastgoedbelasting wordt verlaagd, met name voor de hotelsector, de algemene bestedingsbelastingvrijstellingen (ABB) worden verruimd voor goederen die voorzien in primaire levensbehoeften, en de accijns op benzine wordt verlaagd. Welke garanties zijn er dat de verlaging van belasting op eerste levensbehoeften ook werkelijk door de detailhandel aan de burgers van de BES-eilanden wordt doorgegeven? Dat is niet per definitie vanzelfsprekend. Hoe ziet het sanctiebeleid er uit?

Mijn fractie vindt het van groot belang om ons fiscaal systeem ook in functie te zien van de broodnodige vergroening van onze economie. Door een juiste mix van positieve en negatieve financiële stimuli kan ons belastingsysteem bijdragen aan een meer duurzame samenleving. We zien echter dat in dit belastingplan verder vaart wordt gemaakt met het afschaffen van de verpakkingsbelasting en de belasting op leidingwater. Dit zijn vanuit milieuoptiek verwarrende signalen voor de consument. Die opmerking hebben wij vorig jaar bij de behandeling van het vorige belastingplan ook al gemaakt. Daarnaast constateren we dat door de opslag duurzame energie, gezien het degressieve karakter van de tariefstructuur, de besparingsprikkel vooral bij kleine verbruikers en minder bij grotere energieverbruikers wordt gelegd. Het duurzaamheidpakket uit het Lenteakkoord is goeddeels geschrapt. De heffingskorting op groene en sociaalethische beleggingen wordt afgebouwd. Zeker, daar komen ook zaken voor terug, maar al met al kan niet gesproken worden van een hoog ambitieniveau voor de fiscale bevordering van een duurzame economie. Wil de staatssecretaris met de senaat delen welke visie het kabinet heeft op de relatie tussen fiscaliteit en duurzaamheid? Waar liggen de prioriteiten en hoe hoog wordt de lat gelegd?

Vereenvoudiging is al sinds jaar en dag een basisdoelstelling van ons fiscaal systeem. Als ik goed tel, komt dit belastingplan met drie voorstellen: de vereenvoudiging van scholingsuitgaven, de afschaffing van de thincapregeling en de elektronische registratie van notariële akten. Is dit niet een wat schamele opbrengst? Heeft het kabinet hier niet wat meer in petto? Welke verdere vereenvoudigingvoorstellen kunnen we verwachten?

Ik sluit af. Het Belastingplan 2013 kan uiteraard niet los gezien worden van de financiële crisis in Europa. Een crisis die zijn vijfde jaar is ingegaan. De crisis heeft directe en indirecte invloed op de belastinginkomsten die de regering kan verwachten. Ook volgend jaar zit het economisch tij fors tegen. De Nederlandsche Bank verwacht zelfs negatieve economische groei. Inzicht in de bandbreedte van de belastinginkomsten is dan ook cruciaal. Mijn fractie verneemt daarom graag de verwachtingen van de regering over de hoogte van de belastinginkomsten voor 2013, maar ook voor de iets langere termijn. De startnota van het kabinet voorspelt een groei van de belastinginkomsten en sociale premies van 30 miljard tussen 2013 en 2018. Hoe reëel is deze verwachting? Waar liggen de grootste risico's en hoe anticipeert de regering hierop? Hoe beoordeelt de staatssecretaris in dit licht de soliditeit van ons nationale huishoudboekje en de houdbaarheid van onze overheidsfinanciën?

Mijn fractie ziet uit naar de beantwoording van onze vragen door de staatssecretaris en de minister.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Ik heet namens mijn fractie de minister welkom in de senaat, uiteraard na de algemene beschouwingen waarbij hij volgens mij ook aanwezig was.

Het voorliggende belastingplan bevat de laatste fiscale uitwerkingen van de vele akkoorden die er dit jaar gesloten zijn. Ik zal er niet om heen draaien, dit grote aantal akkoorden heeft de politiek voor burgers in dit land, maar ook voor politici, niet altijd even doorzichtig gemaakt. Andere woordvoerders hebben hier ook al op gewezen. Het resultaat is gelukkig wel een degelijke begroting voor 2013 en dat is D66 veel waard. Een goede begroting was ook mede onze inzet voor het Herfstakkoord. Op dit moment wil ik vooral de ambtenaren bedanken die zich al die maanden gewillig en gedurende vele nachtelijke uren hebben ingespannen om alle veranderingen om te zetten in wetgeving. Ook de beantwoording van de schriftelijke vragen verliep snel en helder. Ik spreek daar mijn oprechte waardering voor uit.

Voordat ik de algemene lijn van D66 over belastingheffing uiteenzet, wil ik met de staatssecretaris een zorg delen. Vorige week maakte de Nederlandsche Bank haar halfjaarlijkse ramingen bekend en daaruit blijkt dat de economie in 2013 niet zal groeien met 1,5% maar zal krimpen met 0,6%. Mijn fractie maakt zich in het algemeen zorgen over de stand van de Nederlandse economie. Veel hervormingen zijn veel te laat ingezet. Wij maken ons nu in het bijzonder echter ook zorgen over de geraamde belastingopbrengsten. Een economische krimp heeft onherroepelijk consequenties voor deze inkomstenramingen. Inkomsten uit een belasting op consumptie, zoals de btw, komen direct onder druk te staan en de geraamde opbrengst van 4 miljard voortvloeiend uit de btw-verhoging, wordt misschien niet gehaald. Kan de staatssecretaris aangeven welke belastinginkomsten nog meer onder druk staan en welke acties hij hieromtrent eventueel zal nemen?

Mijn fractie hecht bij het heffen van belastingen aan enkele principes: werken moet lonen, het belastingstelsel moet eenvoudiger, duurzaamheid moet fiscaal gestimuleerd worden en fiscale prikkels die het opbouwen van schulden stimuleren, moeten zo veel mogelijk verdwijnen. D66 is geen voorstander van enorme nivelleringen. De commissie-Dijkhuizen heeft onderzoek gedaan naar ons belastingstelsel en aanbevelingen gedaan om de inkomstenbelasting te verlagen. Wij zien echt uit naar de antwoorden hierop.

De lijn van D66 is dat prestatie moet worden beloond en dat welvaart moet worden gedeeld. Dat adagium staat hoog in het vaandel van mijn partij. Het CPB heeft uitgerekend dat volledige implementatie van de aanbevelingen van de commissie-Dijkhuizen slechts geringe koopkrachteffecten heeft en dat zij zullen leiden tot 140.000 extra banen. Het is belangrijk dat de belasting op inkomsten uit werk over de hele linie naar beneden wordt gebracht, maar ik vraag specifieke aandacht voor de belastingdruk bij de laagste inkomens. De marginale belastingdruk voor een alleenstaande die van uitkering naar werk gaat nadert de 100%. Het lijkt mij wenselijk dat iemand die vanuit een uitkering gaat werken er ook werkelijk op vooruitgaat. Welke acties zal de staatssecretaris ondernemen om werken echt te laten lonen en welke prioriteit heeft dit in zijn beleid?

Het belastingstelsel moet eenvoudiger en de commissie-Dijkhuizen heeft geconcludeerd dat dit kan. In het huidige belastingstelsel is met 54 inkomensafhankelijke regelingen geprobeerd fiscaal maatwerk te leveren, terwijl het economisch efficiënter is de belasting zo veel mogelijk voor iedereen gelijk te houden. Uiteraard ligt hier een politieke afweging aan ten grondslag en is de roep, ook vanuit D66, om bepaalde groepen te ontzien, soms krachtig en begrijpelijk. Mijn fractie hoopt toch dat bij de aangekondigde "nivelleringsoperatie" niet voor elk puntje in de wolk een nieuwe regeling in het leven wordt geroepen. Graag een reactie hierop van de staatssecretaris.

Over duurzaamheid en de circulaire economie ben ik vorig jaar bij de algemene politieke beschouwingen en het Belastingplan begonnen. Ik moet zeggen dat wij toch weer teleurgesteld zijn over de inzet van dit kabinet. Ik noem in dit kader de energiebelasting: hierbij betaalt de grootverbruiker het laagste tarief, terwijl door kleinschalige corporaties opgewekte energie belast wordt. Tot genoegen van mijn fractie gaat de regering dat laatste oplossen door voor de corporaties een verlaagd tarief aan de eerste schijf van de energiebelasting toe te voegen. Het regeerakkoord vermeldt tevens dat de regering streeft naar een circulaire economie door het stimuleren van duurzame grondstoffen en het hergebruik van schaarse materialen. Mijn fractie is echt benieuwd hoe dit op het terrein van de fiscaliteit wordt aangepakt. Is de staatssecretaris bijvoorbeeld voornemens om een heffing te introduceren op het storten of verbranden van stoffen die kunnen worden hergebruikt?

De algemene lijn van D66 met betrekking tot de belastingen is daarmee afgerond, maar ik wil nog wel mijn zorgen uiten over de uitbreiding van het bodemrecht, artikel 9. Het ontduiken of ontwijken van belastingen wordt door de staatssecretaris als onwenselijk ervaren, omdat dit de uitholling van het maatschappelijke draagvlak voor belastingheffing tot gevolg heeft. D66 plaatst vraagtekens bij de timing van dit doel en van de voorgenomen maatregelen. De economie hapert al enige tijd, en mijn fractie meent dat efficiënte kredietverlening aan de wieg staat van economisch herstel. Daar wringt de schoen, een credit crunch ligt op de loer. Het afgelopen jaar zijn er verschillende maatregelen met een effect op de kredietverlening ingevoerd. Mijn fractie heeft steeds met deze, op zichzelf te billijken, maatregelen ingestemd, maar ook steeds aangegeven dat deze de kredietverlening negatief beïnvloeden. Mijn fractie constateert nu dat het op dit moment onduidelijk is welke effecten de gestapelde maatregelen op de kredietverlening hebben gehad. Wij komen dit pas medio 2013 te weten; pas dan wordt de evaluatie naar aanleiding van de, mede door mijn fractie ondertekende, motie-Sent naar deze Kamer gestuurd. Ook de nu voorgestelde maatregelen zullen mogelijk negatieve gevolgen hebben voor de kredietverlening. De voorspellingen uit het veld daaromtrent baren mijn fractie zorgen. Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen om de voorgestelde uitbreiding van het bodemvoorrecht uit te stellen totdat voornoemde evaluatie is uitgevoerd. Ik roep de staatssecretaris op om hiervoor additionele dekking te zoeken.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Het gaat volgens mij niet om een uitbreiding van het bodemrecht.

De heer Van Boxtel (D66):

U hebt gelijk.

De heer Reuten (SP):

Afgezien daarvan, zou ik mijn collega graag de volgende principiële vraag willen stellen. Stelt D66 het ter discussie dat de ontvanger prioriteit heeft bij, bijvoorbeeld, de loonbelastingen, die eigenlijk zijn voorgeïnd door de werkgever? Betwist mijn collega de prioriteit van de fiscus in dezen?

De heer Van Boxtel (D66):

De fiscus heeft altijd prioriteit. Alleen zie je hier een nadere invulling van het bodemrecht waarmee die positie eigenlijk nog meer wordt versterkt. Dat komt vrij onverhoeds en kan een aantal bedrijven, bijvoorbeeld leasemaatschappijen, voor enorme problemen stellen.

De heer Reuten (SP):

Volgens mij is dat helemaal niet het geval. Volgens mij is het juist andersom: dit bodemrecht is er altijd geweest, maar door constructies is het uitgehold. De staatssecretaris moet dat morgen maar zeggen. Ik wilde even principieel aan de orde stellen dat u de prioriteit van de fiscus niet betwist.

De heer Van Boxtel (D66):

Nee, maar in dit belastingplan wordt nu wel heel snel één artikel aangepast, waardoor het instrumentarium van de Belastingdienst in feite enorm wordt versterkt. Dat is natuurlijk lastig voor degenen die bekijken waar zij hun gelijk kunnen halen, ook gezien vanuit de wetgever.

De heer Reuten (SP):

Volgens mij is dat de bedoeling van de wetgever op dit punt. Ik vind de gevonden oplossing fenomenaal en eenvoudig.

De heer Van Boxtel (D66):

Als het kabinet zo'n goedkeuring van u krijgt, durf ik al bijna geen twijfel meer te zaaien. Maar ik ben het met u eens; laten we het antwoord van de staatssecretaris van morgen afwachten.

Ik heb een ander punt van zorg. Ik kom daar vaak op terug, omdat het voor de afgelopen kabinetten een ondergeschoven kindje is geweest: de culturele sector. Vorig jaar hebben we het ook met staatssecretaris Weekers gehad over mogelijkheden om aan bepaalde groepen tegemoet te komen. De D66-fractie in de senaat blijft roepen dat er met zo ongelooflijk veel geweld is ingehakt op de culturele sector, dat wij heel veel ongelukken zien gebeuren. Ik zie talloze instellingen omvallen. Ik hoorde minister Bussemaker eergisteren in Buitenhof zeggen dat zij overal was geweest en dat het zal worden bijgesteld. De facto wordt er niks bijgesteld, er wordt gewoon mega bezuinigd. Eigenlijk is het tragisch dat het tempo waarin we deze metamorfose moeten doorvoeren, veel te hoog is. Ik vraag het kabinet om het instrument van de btw-heffing te hanteren om aan instellingen die nu over de rand vallen, tegemoet te komen.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Graag vraag ik aan de heer Van Boxtel of die bezuinigingen ernstiger zijn dan die onder het vorige gedoogkabinet.

De heer Van Boxtel (D66):

Nee, het gaat gewoon door op dat spoor. Ook uw fractie, die onderdeel uitmaakte van de gedoogconstructie ...

De heer Van Strien (PVV):

Onder het vorige kabinet, dat door de PVV werd gedoogd, is ongeveer 50 miljoen bezuinigd. Over welk bedrag praten we nu ongeveer?

De heer Van Boxtel (D66):

We praten over 200 miljoen van het vorige kabinet.

De heer Van Strien (PVV):

Dat wilde ik even vaststellen, dat we praten over 200 miljoen. Onder het vorige gedoogkabinet, met die 50 miljoen, kregen wij van alles naar ons hoofd geslingerd, terwijl onder dit kabinet over 200 miljoen wordt gepraat. Ik wilde dat even vastgesteld hebben.

De heer Van Boxtel (D66):

U mag dat vaststellen. In het Lenteakkoord heeft D66 met een paar andere fracties alles uit de kast gehaald om een deel van die bezuinigingen terug te draaien. Het moet mij van het hart dat er op dit moment meer kapot wordt gemaakt dan we in deze tijd kunnen opbouwen. Dat doet pijn. Daarom blijf ik vragen, zonder dat ik onmiddellijk een alternatieve dekking heb, of dit kabinet niet bereid is om te bekijken of de btw-vrijstelling kan worden gehanteerd om instellingen te redden van een faillissement.

Zoiets geldt ook voor de Nederlandse film. In de afgelopen weken hebben we weer volop kunnen horen dat deze in een bijna onmogelijke concurrentiepositie is terechtgekomen, omdat in talloze landen, ook binnen de Europese Unie, tax shelters worden geboden. Nederland kan daar niet tegenop, waardoor de Nederlandse film echt in de problemen komt. Ik vraag de staatssecretaris om nog eens te kijken naar alternatieven, mogelijk in overleg met de minister van Cultuur. Misschien kunnen zij samen optrekken. Zijn wij niet bezig om een heel kostbaar bezit – alles van waarde is immers weerloos – in een hoog tempo kapot te maken? Ik zeg dit nog een keer uitdrukkelijk, omdat de transitietijd die de culturele sector nodig heeft om middelen in de particuliere markt te vinden, te kort is. Ik ben daar helemaal niet afkerig van, maar dit kan niet in anderhalf à twee jaar tijd. De sector kan dat niet aan. Ik vind dit eigenlijk niet kunnen.

Over de btw-vrijstelling voor CAM-artsen wil ik ook nog iets zeggen. Ik begrijp de redenering van het kabinet om alternatieve geneeswijzen niet meer vrij te stellen, maar nu is voor een methode gekozen die niet werkt en waarvan dat niet valt aan te tonen. Wij zijn overspoeld met brieven daarover. Dit is een onuitvoerbare maatregel. Ik vraag de regering of het niet beter is om in plaats van de handelingen vrij te stellen van omzetbelasting, alle geneesheren met een inschrijving in het BIG-register een dergelijke vrijstelling te verlenen. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Ik ga nu naar de minister en de woningmarkt. Daarin spelen de herziening van de hypotheekrenteaftrek en de verhuurderheffing. Beide wetsontwerpen bevatten de uitwerking van de afspraken die in het Lenteakkoord zijn gemaakt over de woningmarkt. Het zal dan ook niet verbazen dat mijn fractie in beginsel positief tegenover deze voorstellen staat, daar de noodzaak om de woningmarkt te hervormen al enige jaren evident is. Op het herzien van de hypotheekrenteaftrek heeft jarenlang een taboe gerust. Het is fascinerend om te zien dat nu twee VVD-bewindslieden zich sterk gaan maken voor deze maatregel. De grootste winst van dit wetsvoorstel is dat dit taboe is geslecht. Aflossen gaat weer de norm worden en dat kan steun vinden bij mijn fractie. D66 meent dat fiscale prikkels die schulden stimuleren, moeten verdwijnen.

Niettemin heeft mijn fractie heeft wel enkele zorgen over de effecten van dit wetsvoorstel. Die zorgen betreffen de doorstroming op de huizenmarkt en de positie van starters; collega Ester had het daar al over. In antwoord op schriftelijke vragen van mijn fractie meldde de minister dat voor oude gevallen de doorstroming niet wordt belemmerd. Is dat wel zo? Veel bestaande gevallen staan immers onder water en ook de kredietverlening hapert. En als een huishouden dan besluit om groter te gaan wonen, moet het over het hypotheekbedrag groter dan de bestaande hypotheek minimaal annuïtair aflossen. Dat leidt tot hogere maandlasten en dus tot minder leencapaciteit. Het CBS meldde in oktober dat de huizenprijzen nu terug zijn op het niveau van 2004. Daarom wil mijn fractie van de minister weten hoeveel huishoudens er daadwerkelijk onder water staan en voor welk percentage van hun hypotheek. Ook wil mijn fractie graag weten hoe de minister tegen de doorstromingsproblematiek aankijkt en welke oplossingen hij voor dit probleem ziet.

De huizenmarkt is een treintje, wordt vaak terecht gezegd. Het oudere echtpaar verlaat de gezinswoning en gaat kleiner wonen; het gezin dat een tweede kind krijgt, verhuist van de starterswoning naar een gezinswoning en de starterswoning komt vrij. Niet alleen wordt zo een economie, een woningmarkt gecreëerd, maar het garandeert ook het woningaanbod voor starters. Mijn fractie vreest dat veel gezinnen die onder water staan, vastzitten in hun huis en dus niet plaats kunnen maken voor starters. Dat de minister zich hier zelf ook zorgen over maakt, blijkt uit de berichten dat er gezocht wordt naar mogelijkheden om de toegang tot de huizenmarkt voor starters te verbeteren.

De restschuldfaciliteit die de minister in het leven heeft geroepen, vinden ook wij een stap in de goede richting, zowel voor starters als voor huizenbezitters. Wel wil mijn fractie van de minister weten hoe genegen de banken zijn deze restschuld daadwerkelijk te financieren. Ook is de vraag gerechtvaardigd of mensen bereid zijn hun verlies te nemen. Of deze bereidheid er is, hangt nauw samen met het vertrouwen in de economie en dit vertrouwen is gebaat bij duidelijkheid en heldere regelgeving. In elk geval lijkt de schoen voor starters te wringen bij de financiering: de "loan to value"-ratio neemt af, terwijl de maandlasten toenemen. Beide hebben tot gevolg dat de leencapaciteit afneemt. Graag een reactie van de minister.

De aangekondigde maatregelen voor de hypotheekrenteaftrek hebben burgers doen inzien dat de volledig aflossingsvrije hypotheek de verkeerde weg is, blijkens de grote vraag om de bestaande hypotheek om te zetten naar een spaarhypotheek. D66 meent dan ook dat de minister er goed aan gedaan heeft het overgangsrecht op dit punt te verruimen. Mijn fractie wil van de minister weten of de aangekondigde herziening van de hypotheekrenteaftrek ertoe heeft geleid dat er dit jaar meer is afgelost en of dien ten gevolge de totale Nederlandse hypotheek schuld is afgenomen.

Mijn fractie ziet geen probleem in de verhuurderheffing zoals deze nu voorligt, maar zij kan dit voorstel tegelijkertijd niet los zien van de in het regeerakkoord aangekondigde uitbreiding van deze heffing. In dat licht vond mijn fractie het ook tamelijk flauw van de minister dat hij tijdens het schriftelijke overleg wees op de voorbarigheid van de vragen van de fractie van D66 waarin de verhoging van deze heffing in het regeerakkoord aan de orde werd gesteld, temeer daar hij zich vorige week genoodzaakt voelde een brief over dit onderwerp naar de Tweede Kamer te sturen.

De verhuurderheffing is in het leven geroepen om de extra inkomsten die voorvloeien uit de hervormingen op de huurmarkt, af te romen naar de schatkist. In principe staat D66 hierachter, maar de verhoogde heffing uit het regeerakkoord lijkt zijn doel voorbij te schieten. De grootste zorg van mijn fractie is dat de in het regeerakkoord ingeboekte opbrengst van 2 miljard, niet wordt opgebracht door de verhuurders. Als ik de brief van de minister aan de Tweede Kamer goed lees, lijkt de minister dat met ons eens te zijn. Hij schrijft namelijk dat de berekeningen van het CFV berusten op meer reële cijfers dan de CPB-berekeningen. Maar kan de minister dit bevestigen? Ook gaat het CFV-model uit van een daling van de WOZ-waardes in plaats van de in de CPB-berekeningen aangenomen stijging. Belangrijk is te weten welke aanname in de ogen van de minister het meest reëel is.

In de brief wordt vermeld dat de WOZ-waarde als grondslag voor een nieuw waarderingssysteem wellicht wordt aangepast, maar er wordt met geen woord gerept over het loslaten van de 2 miljard. De minister sluit de brief aan de Tweede Kamer af met te stellen dat de verhuurderheffing niet alleen hoeft te worden opgebracht uit de verhoogde huren, maar ook kan worden opgebracht door betere bedrijfsvoering, minder onderhoud en beheer en een uitbreiding van de verkoop van huurwoningen. Zodoende zouden de investeringen op peil kunnen blijven. Allereerst roept dit de vraag op of de verhuurderheffing haar doel, het afromen van extra huurinkomsten, op deze wijze niet voorbijschiet en of de heffing nu niet gewoon een extra belasting is geworden. Ik kijk hierbij ook naar de fractie van de PvdA die altijd in de bres is gesprongen voor de woningcorporaties. Tevens betwijfelt mijn fractie of het verkopen van huurwoningen in de huidige markt wel zo makkelijk is als de minister lijkt te denken. Mijn fractie voorziet dat de in het regeerakkoord opgenomen opbrengst niet gehaald wordt en dat het straks dus weer nodig kan blijken om het regeerakkoord opnieuw aan te passen. Ik hoor graag een reactie van de minister op dit toch wel heikele punt in de afspraken.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ziet de heer Van Boxtel de 800 miljoen waartegen hij geen bezwaar heeft, wel als het afromen van heffingen?

De heer Van Boxtel (D66):

Mevrouw De Boer legt de vinger op de zere plek, maar dat geldt ook voor GroenLinks. In het Lenteakkoord hebben wij immers beiden die 800 miljoen omarmd. Mevrouw De Boer stelt mij een moeilijke vraag, maar die vraag krijgt zij gewoon terug. Mijn partij heeft voor die 800 miljoen getekend, maar in het regeerakkoord is er nog eens een wijziging bijgekomen. Bij die wijziging is men uitgegaan van nog hogere opbrengsten en daar leg ik de vinger bij.

De voorzitter:

Mevrouw De Boer, ik stel voor dat u doorloopt en het vanaf het spreekgestoelte uitlegt!

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voorzitter, daarom had ik mijn papieren al meegenomen.

Vandaag en morgen bespreken we het Belastingplan 2013 en enkele aanverwante wetten. Laat ik beginnen met de opmerking dat mijn fractie er zeer over te spreken is dat een aantal onderdelen, bijvoorbeeld de fiscale behandeling eigen woning en de verhuurderheffing, in afzonderlijke wetsvoorstellen zijn opgenomen. Dat biedt de Eerste Kamer namelijk de mogelijkheid om deze voorstellen afzonderlijk op hun merites te beoordelen. Ook ik bedank verder de bewindslieden voor de snelle beantwoording van de schriftelijke vragen. Met de inhoud van de antwoorden zijn wij overigens niet helemaal tevreden, maar daarover straks meer.

In mijn bijdrage zal ik uitgebreid ingaan op de verhuurderheffing, een naar ons oordeel onvoldoende doordacht wetsvoorstel met desastreuze gevolgen. Enkele andere onderwerpen zal ik kort aanstippen. In mijn inbreng heb ik overigens geen volledigheid nagestreefd. Ik zal dus niet overal op ingaan.

Vorig jaar ben ik bij de behandeling van het Belastingplan uitgebreid ingegaan op het begrip "vestigingsklimaat" met als centraal thema "waar houdt een gunstig vestigingsklimaat op en waar begint het belastingparadijs?" Deze vraag is nog steeds actueel. Het is ook een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is. Er is geen objectieve grens. Het is naar mijn oordeel wel een vraag die constant gesteld moet worden. Vandaar dat ik er ook dit jaar, zij het kort, op terugkom. Mijn fractie is blij met de rol die de Tweede Kamer op dit punt heeft gepakt en met de toezegging die de staatssecretaris aan de overkant heeft gedaan. Naar wij hebben begrepen, zal de staatssecretaris in januari de Tweede Kamer informeren over mogelijke belastingontwijking met internationale structuren via Nederland naar aanleiding van de motie-Klaver en over de belastingdruk van bedrijven en werknemers naar aanleiding van vragen van Neppérus. De staatssecretaris heeft toegezegd, beide brieven ook naar de Eerste Kamer te sturen, waarvoor dank. Zou de staatssecretaris thans een korte beschouwing kunnen geven over de huidige verhouding tussen gunstig vestigingsklimaat en belastingparadijs in Nederland? Zo ja, zou hij dan ook kunnen aangeven welke initiatieven er zijn of komen, zowel in Nederland als in Europa, om belastingontwijking tegen te gaan en hoe de Nederlandse regering zich daarbij opstelt?

Voor ik overga tot de bespreking van de voorstellen waarover wij morgen zullen stemmen, maak ik een opmerking over een maatregel die het niet tot wetsvoorstel heeft geschopt, namelijk de afschaffing van de vrijstelling van de reiskostenvergoeding woon-werkverkeer. Mijn fractie betreurt het dat dit onderdeel van het begrotingsakkoord niet ten minste voor het autoverkeer is overgenomen. Naar ons oordeel is het op termijn onhoudbaar, zowel financieel als vanuit milieuoverwegingen, om woon-werkverkeer vanuit de overheid te blijven subsidiëren.

Op mijn schriftelijke vraag of de regering deze inschatting deelt, kwam slechts het antwoord dat het kabinet niet overweegt, deze maatregel alsnog in te voeren. Dat is duidelijk en wellicht verstandig gezien het ontbreken van maatschappelijk draagvlak. Mijn vraag ging echter niet over het voornemen om maatregelen in te voeren, maar over de overtuiging dat de aftrekbaarheid op termijn niet houdbaar is. Maatschappelijk draagvlak kan namelijk ook groeien. En naar ons oordeel zou het zeer verstandig zijn om ook, of misschien wel juist, zonder dat er concrete maatregelen op de rol staan het maatschappelijk debat over het beperken van het woon-werkverkeer aan te gaan.

Voor het overige wil ik mij voor wat betreft de fiscale duurzaamheidsagenda graag aansluiten bij de vragen en opmerkingen die gemaakt zijn door de collega's Ester en Van Boxtel.

In de schriftelijke voorbereiding van het Belastingplan zijn de mogelijke discriminatoire gevolgen van de wijze waarop de werkbonus is vormgegeven, aan de orde geweest. De werkbonus wordt uitgekeerd aan werknemers van 61 tot 65 jaar met een laag inkomen. De doorwerkbonus geldt voor werknemers met een inkomen vanaf 90% van het wettelijk minimumloon, is maximaal bij 100% tot 120% en stopt bij een inkomen van 175% van het minimumloon. De schriftelijke discussie hierover was tamelijk verwarrend, mag ik wel zeggen.

Waar de staatssecretaris in eerste instantie aangaf dat er van discriminatie in het geheel geen sprake kon zijn omdat de maatregel niet bedoeld was om vrouwen uit te sluiten maar integendeel juist om het stereotype te bestrijden dat vrouwen minder uren werken en minder verdienen, werd in tweede instantie erkend dat mogelijk sprake was van indirecte discriminatie, nu het minimumvereiste door vrouwen gezien hun gemiddelde lagere arbeidsuren en hun lagere uurloon waarschijnlijk minder makkelijk gehaald kan worden. De staatssecretaris vervolgt zijn betoog dat met voor deze indirecte discriminatie een rechtvaardigingsgrond bestaat, namelijk de verhoogde arbeidsparticipatie. Maar nog geen halve pagina verder betoogt hij dat het stimuleren van werkenden om meer te gaan werken geen doel is van de werkbonus. Mij duizelt het dan al enigszins.

Omdat er een rechtvaardigheidsgrond zou bestaan, is er volgens de staatssecretaris geen reden een emancipatie-effectrapportage te laten uitvoeren. Mij lijkt het juist des temeer reden om zo'n rapportage te laten uitvoeren. Immers, als het blijven participeren van ouderen op de arbeidsmarkt het doel van de maatregel is – maar dan zonder dat ze meer uren gaan werken, denk ik – dan is het toch ook noodzakelijk om te bezien of dat doel ook voor vrouwen gehaald wordt en gehaald kan worden? En als de maatregel beoogt om met name een regeling te bieden voor de lagere inkomensgroepen, is het toch relevant om te bezien of vanuit het oogpunt van de optimale arbeidsparticipatie van vrouwen en mannen de juiste ondergrens is gekozen? Was een grens van bijvoorbeeld 70% van het wettelijk minimumloon niet veel logischer geweest?

Als er een emancipatie-effectrapportage wordt uitgevoerd, kan en passant ook de stelling van de staatssecretaris meegenomen worden dat aan de bovenkant van de regeling vrouwen meer profiteren omdat ze door hun lagere uurloon en kortere werkweek minder snel 175% van het minimumloon halen. Ik heb zo mijn twijfels bij de juistheid van deze stelling die ervan lijkt uit te gaan dat er veel meer vrouwen dan mannen zijn met een inkomen net onder 175% van het wettelijk minimumloon.

Mijn concrete vraag is derhalve of de minister bereid is om met spoed alsnog een emancipatie-effectrapportage ten aanzien van de werkbonus te laten uitvoeren en/of een advies te vragen over het mogelijk discriminatoire karakter van de maatregel. Dat lijkt mij eerlijk gezegd een mooie vraag voor ons nieuwe College voor de Rechten van de Mens.

Binnen een aantal vrouwenorganisaties is het punt van de mogelijke discriminatoire effecten van de werkbonus gesignaleerd. Het zou mij niet verbazen als vrouwen die niet voor de bonus in aanmerking komen, bijvoorbeeld vanwege het feit dat zij in deeltijd werken, hierover gaan procederen en zich daarbij beroepen op EU-discriminatiewetgeving en het VN-Vrouwenverdrag. Gezien de argumentatie van de regering tot nu toe dicht ik ze daarbij een goede kans toe.

Ik kom op het punt van de verhuurderheffing, wat ons betreft het pièce de resistance van vandaag. Noemt het CDA de fiscale behandeling eigen woning de meest ingrijpende maatregel voor de burgers, voor ons is dat de verhuurderheffing. Blijkbaar hebben wij een wat andere groep burgers voor ogen. Mijn bijdrage hierover begin ik graag met een aantal citaten uit het debat dat wij enkele weken geleden hadden over de algemene politieke beschouwingen. Ik begin met een citaat van mevrouw Barth. Mijn excuses, ik heb de citaten van de website gebruikt, het ongecorrigeerde verslag dus. Eigenlijk mag dat niet, maar een beter verslag was nog niet voorhanden. Mevrouw Barth: "Wat dit pakket van bezuinigingen en lastenverzwaringen boven alles nodig heeft, is maatschappelijk draagvlak. Dat twee partijen dit akkoord steunen, volstaat niet. Als twee Kamers van de Staten-Generaal het beleid van het kabinet kunnen steunen, is dat heel mooi, maar niet genoeg. Politiek bestuur staat of valt met maatschappelijke steun." Ze zei ook: "Gelukkig zit er in de Nederlandse samenleving een enorme hoeveelheid slimheid, creativiteit, ondernemingslust en doorzettingsvermogen. Wij roepen het kabinet daarom op dit regeerakkoord niet te zien als een spoorboekje dat volgens dienstregeling moet worden uitgevoerd, maar als basis van dialoog met de samenleving." En: "Wij vinden dat het goede niet de vijand van het betere mag worden. Snelheid is belangrijk, maar zorgvuldigheid is ook heel erg belangrijk."

Minister-president Rutte zei onder meer: "Wij komen met plannen en een stelselwijziging waarvoor draagvlak nodig is in de samenleving en in de Tweede en Eerste Kamer. Het gaat om meer dan een simpele optelsom van zetels, om meer dan de helft plus één. Daarvoor zijn de problemen te groot en de gekozen oplossingen te ingrijpend." Verder: "Dat betekent dat dit kabinet de samenwerking en de dialoog heel bewust zal opzoeken. Dat zullen wij doen binnen en buiten de politieke arena. Dat zullen wij doen in de Tweede en Eerste Kamer, maar ook met de organisaties op alle terreinen waarop het kabinet voornemens is tot grote stelselwijzigingen te komen. De enige manier om de problemen van dit land aan te pakken, is om het samen te doen." Toen mijn collega Tineke Strik vervolgens vroeg of zij daaruit kon concluderen dat de plannen in het akkoord niet in beton gegoten zijn en dat het kabinet echt openstaat voor aanpassingen als die het draagvlak kunnen vergroten, antwoordde Rutte: "Ja, wij kijken naar de financiële opbrengst van de plannen. Wij hebben afspraken gemaakt over het op orde brengen van de overheidsfinanciën en daar horen de financiële opbrengsten bij. En daarnaast hebben wij afspraken gemaakt over de gewenste maatschappelijke effecten. Daar hebben wij ideeën over. Maar ja, de plannen zijn niet in beton gegoten."

Behartigenswaardige woorden, zowel van de premier als van de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid. Woorden die in dit debat en bij de beoordeling van dit wetsvoorstel handen en voeten zouden kunnen krijgen. Ik roep zowel het kabinet als de Partij van de Arbeid dan ook op om het niet bij mooie woorden alleen te laten. Draagvlak en maatschappelijke effecten, daar gaat het om. Op beide punten kan dit wetsvoorstel naar het oordeel van de GroenLinks-fractie de toets der kritiek niet doorstaan. Vriend en vijand lopen te hoop tegen dit voorstel voor een verhuurderheffing, van Woonbond tot huiseigenaren, van woningcorporaties tot bouwondernemingen. Ik heb het idee dat er buiten dit kabinet in heel Nederland niemand meer te vinden is die deze verhuurderheffing een goed idee vindt. Daarom vraag ik de staatssecretaris en de minister: waar in de samenleving ligt precies het draagvlak voor dit wetsvoorstel? Wat hebt u gedaan om draagvlak te zoeken? Met wie bent u de dialoog aangegaan? Hoe is uw opstelling daarin geweest? Bent u bereid geweest om, zoals premier Rutte aangaf, de maatregelen ter discussie te stellen binnen het kader van de beoogde maatschappelijke en budgettaire doelen? Welke opties zijn in dat verband met de betrokken partijen besproken? Welke rol heeft het wel breed gedragen akkoord Wonen 4.0 in deze discussie gespeeld?

Ik kom op het politieke draagvlak. In de nota naar aanleiding van het verslag maakt het kabinet er nogal wat werk van om duidelijk te maken dat er een breed politiek draagvlak voor de maatregel zou zijn. Eerst wordt gemeld dat het wetsvoorstel volgt uit het begrotingsakkoord voor 2013 en is herbevestigd in het regeerakkoord. Verderop wordt gemeld: voor het jaar 2014 en latere jaren gaat het daarbij evenwel niet om het voor het gehele regeerakkoord voorziene bedrag, maar om een heffing met een beoogde opbrengst van 800 miljoen, voortvloeiend uit het begrotingsakkoord 2013. Het begrotingsakkoord ging echter expliciet alleen over de 13 miljoen voor 2013. Het ging immers alleen over 2013. In het daarvoor afgesloten gedoog- en regeerakkoord was weliswaar die 800 miljoen opgenomen. Voor zover ik heb kunnen nagaan, ging het begrotingsakkoord echter expliciet alleen over die toen nog 13 miljoen voor 2013.

Niet alleen het maatschappelijke, ook het politieke draagvlak voor deze verhuurderheffing lijkt mij zeer dun, ook gehoord hebbende de bijdragen van de verschillende partijen in dit debat. Hoe dun, zal uiterlijk morgen bij de stemmingen moeten blijken. Tot zover het draagvlak voor de verhuurderheffing. Ik kom nu op de effecten ervan.

De minister-president gaf aan dat de dialoog met de samenleving plaatsvindt binnen de financiële kaders en met inachtneming van de gewenste maatschappelijke effecten. Kunnen de bewindslieden nog eens kort en bondig aangeven wat de gewenste maatschappelijke effecten van de verhuurderheffing precies zijn? Of zijn er alleen de financiële kaders bij dit wetsvoorstel? Over de werkelijke effecten van de verhuurderheffing zijn inmiddels stapels rapporten en brieven verschenen, van onafhankelijke instellingen, onderzoeksbureaus, belangenorganisaties en burgers. De conclusie is: de gevolgen zijn desastreus. Woningcorporaties en andere huiseigenaren kunnen niet meer investeren in woningbouw. Sommige corporaties zullen failliet gaan. Er zal bezuinigd moeten worden op onderhoud en beheer. Woningcorporaties en andere verhuurders zullen de maximaal toegestane huur gaan berekenen om de heffing te kunnen betalen en waar mogelijk woningen liberaliseren, om daarover geen heffing te hoeven te betalen, waardoor er minder woningen beschikbaar zijn voor degenen die zijn aangewezen op sociale huurwoningen. Dit zijn, neem ik aan, toch niet de maatschappelijke effecten die het kabinet wenst te bereiken? Alleen in het geval de nog te behandelen wetsvoorstellen met betrekking tot wijzigingen in het huurstelsel worden aangenomen en de economie en de woningmarkt zich op korte termijn op wonderbaarlijke wijze herstellen, is de verhuurderheffing door de verhuurders op te brengen. Dit is een knap staaltje wensdenken. Het is aardig voor aan de borreltafel of onder de kerstboom, maar naar het oordeel van mijn fractie een te zwakke basis om een belastingheffing op te baseren.

Ook indien de heffing door de verhuurders kan worden opgebracht, moet deze wel ergens vandaan komen. Linksom of rechtsom, het zijn de huurders die het geld moeten opbrengen. Dat geldt zeker niet alleen voor de scheefhuurders. Alleen de extra opbrengsten zijn bij lange na niet voldoende om de heffing te dekken. Waarom weigert het kabinet eigenlijk om te kijken naar de werkgelegenheids- en btw-effecten van de maatregelen? Dit acht de regering volgens de nota naar aanleiding van het verslag niet opportuun. Kijken naar dergelijke maatschappelijke effecten lijkt mijn fractie echter zeer opportuun, sterker, bijzonder relevant.

Dat het kabinet het niet opportuun vindt om naar deze effecten te kijken, kan eigenlijk alleen maar betekenen dat het verwacht dat ook deze effecten negatief zullen uitpakken. Met de inkomensafhankelijke zorgpremies heeft het kabinet laten zien, bereid te zijn om maatregelen te heroverwegen en deze te vervangen door andere maatregelen, wanneer het draagvlak ontbreekt en de maatschappelijke effecten ongewenst zijn. Mijn fractie is van oordeel dat er alle reden is om dat ook ten aanzien van de verhuurderheffing te doen. Dat kan ook. Budgettair gaat het voor 2013 om een bedrag van 50 miljoen. Dat is veel geld, maar het is geen bedrag dat onoverbrugbare gaten slaat. Ik roep daarbij in herinnering dat het kabinet onlangs verschillende toezeggingen heeft gedaan aan de koopmarkt om maatregelen te verzachten, zoals het verlengen van de mogelijkheid om dubbele hypotheekrente af te trekken naar drie jaar en het bieden van de mogelijkheid om tot 1 april aflossingsvrije hypotheken om te zetten naar spaarhypotheken. Als er blijkbaar financiële ruimte is voor de koopsector, dan zou die er ook moeten zijn voor de huursector.

Voor 2014, waarbij het om 800 miljoen gaat, kan er een gedegen plan worden gemaakt, in samenhang met de wijziging in het huurstelsel en in dialoog met het maatschappelijk veld. Een maatschappelijk veld dat, om met de woorden van mevrouw Barth te spreken, een enorme hoeveelheid slimheid, creativiteit, ondernemingslust en doorzettingsvermogen toont. Ik wijs op het akkoord Wonen 4.0 en op de recente brief van Aedes, waarin voorstellen worden gedaan om binnen de budgettaire kaders van het kabinet te komen tot een investeringsagenda. Ik roep het kabinet dan ook ertoe op, nu af te zien van de verhuurderheffing zoals die voorligt en om op de uitnodiging van onder meer Aedes in te gaan. Daarbij kan wellicht ook gekeken worden naar de mogelijkheid om de belasting niet te heffen bij de verhuurders, maar bij de scheefhuurders. De heer Essers noemde al de huursombenadering met een hoge huurtoeslag, wat ook in een dergelijke benadering zou passen.

Over de fiscale behandeling van de eigen woning zal ik kort zijn. Zoals bekend, is GroenLinks er voorstander van om uiteindelijk de gehele hypotheekrenteaftrek op termijn af te bouwen, op een verantwoorde manier. Wij zien het huidige wetsvoorstel als een eerste, belangrijke stap, waarmee eindelijk het taboe op het H-woord is doorbroken.

Ik maak graag nog even van de gelegenheid gebruik om een vraag te stellen over het vervallen van de btw-vrijstelling voor aanvullende patiëntenzorg, zoals in het fiscaal pakket van juni is geregeld. Naar ik heb begrepen, zijn er de nodige uitvoeringsproblemen ten aanzien van de BIG-geregistreerde artsen die ook niet-BIG-geregistreerde zorg verlenen. Soms combineren zij beide soorten zorg binnen één consult of behandeling. Is het juist dat hierover nog geen duidelijkheid bestaat in de uitvoering? Is de staatssecretaris bereid om de gecombineerde consulten of behandelingen die worden aangeboden door BIG-geregistreerde zorgverleners geheel onder de btw-vrijstelling te laten vallen? Heeft de minister van VWS inmiddels in samenspraak met de beroepsgroepen gekeken naar een mogelijke verruiming van de zorg die onder de Wet BIG valt? De staatssecretaris heeft mij in juni toegezegd, de minister van VWS hierop te zullen aanspreken.

Wij wachten de antwoorden van de regering met belangstelling af.

De heer Bröcker (VVD):

Voorzitter. Ook mijn fractie feliciteert minister Blok met zijn benoeming en de staatssecretaris met zijn herbenoeming. Los van de titels heeft mijn fractie er vertrouwen in dat dit een buitengewoon effectief koppel zal zijn.

Het afgelopen jaar hebben we een druk wetgevingstraject gehad en de verwachting van mijn fractie is dat het de komende periode niet anders zal zijn. Wij kijken uit naar een constructieve samenwerking met de regering.

Het is al genoemd: dit jaar hebben we voor de zomer de maatregelen behandeld in het kader van het zogenoemde Lenteakkoord. Vandaag behandelen we de overige maatregelen voor 2013, komende uit het regeerakkoord van eind oktober. Met de heer Van Boxtel zeg ik dat we dit jaar een groot beroep gedaan hebben op de ambtelijke capaciteit van het ministerie van Financiën en mijn fractie dankt de ambtenaren voor alle geleverde inspanningen.

Door de politieke omstandigheden van dit jaar hebben we ongepland een spreiding van wetsvoorstellen gehad en bovendien zijn de maatregelen in belangrijke mate aangeboden in afzonderlijke wetsvoorstellen. Het gebruik van verzamelwetten is dit jaar beperkt geweest. Dit maakt een goede behandeling en debat in deze Kamer mogelijk. We hopen dat het kabinet ook in de toekomst het belang van geplande spreiding van wetgeving en verzamelwetgeving niet uit het oog zal verliezen.

Vandaag wil ik beginnen met een korte terugblik op de Fiscale Agenda in relatie tot de wetsvoorstellen die we vandaag behandelen. Daarnaast wil ik ingaan op de effecten van fiscale maatregelen, de vennootschapsbelasting, de DGA-pensioenproblematiek en het bodemvoorrecht van de fiscus. Vervolgens zal ik uiteraard nog kort spreken over de twee belangrijke onderwerpen die onder verantwoordelijkheid van de minister vallen: de hypotheekrenteaftrek en de verhuurderheffing.

In mijn inbreng vorig jaar heb ik aangegeven dat Nederland behoefte heeft aan langjarig solide fiscaal beleid, waarbij de vereenvoudiging van het belastingstelsel centraal staat. Door de politieke omstandigheden van het afgelopen jaar en de grote budgettaire uitdagingen constateert mijn fractie dat het afgelopen jaar toch wel een beetje een verloren jaren is geweest als we kijken naar de uitgangspunten van de fiscale agenda: eenvoud, soliditeit en fraudebestendigheid. Dit zijn principes die we vorig jaar in deze Kamer bij de behandeling van het belastingplan hebben besproken.

Een aantal nieuwe belastingen zijn in beeld: de dit jaar geïntroduceerde bankenbelasting, de verhuurderheffing die wij vandaag en morgen behandelen, de opslag van duurzame energie die morgen zal worden behandeld en via de Belastingdienst zal lopen. Dit draagt in principe niet bij aan de eenvoud van het belastingstelsel. In ieder geval verhoogt het het aantal belastingen en heffingen.

De vorig jaar aangenomen vitaliteitsregeling wordt dit jaar weer ingetrokken, voordat deze de streep überhaupt haalt. De btw-verhoging op podiumkunsten is na één jaar teruggedraaid en de aangekondigde forensentaks is na nogal wat maatschappelijke commotie na een aantal maanden weer van tafel. Dit draagt in de ogen van mijn fractie niet bij aan een solide beeld van ons stelsel.

Ik benadruk dat mijn fractie begrip heeft voor de keuzes die, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit jaar, zijn gemaakt, maar ik wil nogmaals het belang van de fiscale agenda benadrukken, aangezien die ook van belang is voor het vestigingsklimaat in Nederland.

Nederland heeft de ambitie zich te blijven onderscheiden als een open internationale economie en een aantrekkelijk vestigingsland, een land waarin belastingplichtigen zich gesteund voelen door een overheid die zorgt voor een stabiel fiscaal klimaat en een belastingstelsel dat niet ingewikkelder is dan noodzakelijk.

Onlangs is het rapport van de Wereldbank "Paying Taxes 2013" gepubliceerd, een jaarlijks onderzoek naar de belastingdruk en -systemen in 185 landen. In dit onderzoek is niet alleen de totale belastingdruk of de hoogte van de tarieven onderzocht, maar in het bijzonder ook de administratieve lastendruk: het aantal belastingen, de tijd die besteed moet worden aan de naleving van fiscale regels en het aantal betalingen aan de fiscus. In de categorie Europese landen blijft Nederland dit jaar wederom steken op een achtste plaats, achter een aantal Scandinavische landen en het Verenigd Koningrijk. De ambitie van de regering – ik citeer nu de staatssecretaris – is om blijvend te streven naar een toppositie op het gebied van fiscaal vestigings- en ondernemingsklimaat in de voor Nederland relevante benchmarks. In de benchmarkstudie van de Wereldbank heeft Nederland haar positie niet verbeterd. Belangrijker nog dan de absolute positie is het feit dat het onderzoek constateert dat de verschillen tussen de Europese landen kleiner worden, doordat andere Europese landen, waaronder Duitsland, in hoog tempo grotere verbeteringen in hun belastingsystemen doorvoeren. Deze ontwikkeling onderstreept in de ogen van mijn fractie de noodzaak om te blijven werken aan de uitgangspunten van de fiscale agenda. Stilstand in Nederland zal onherroepelijk leiden tot een lagere positie in de jaarlijkse benchmarkstudies van de Wereldbank.

Over de fiscale agenda hebben wij een aantal opmerkingen en vragen. Het is goed om te constateren dat Nederland in internationaal verband vooruitloopt met horizontaal toezicht, waarbij bedrijven en overheid op basis van vertrouwen en transparantie op een constructieve manier met elkaar samenwerken. Dat is goed voor het vestigingsklimaat, omdat daarmee fiscale onzekerheden zo veel mogelijk worden weggenomen. Vorige week heeft de staatssecretaris aangekondigd dat hij in het bijzonder het verticale toezicht, de controles, opsporing en invordering, wil versterken. Mijn fractie verwelkomt dat, maar de vraag is hoe dit zich verhoudt tot de versterking van het horizontale toezicht. Hoe verhoudt zich dit, mede gelet op de capaciteit, tot de bevindingen van de commissie-Stevens, die al aangehaald zijn door de heer Esser. Hoe wil de staatssecretaris het horizontale toezicht verder verdiepen en borgen?

Bij de behandeling van het Belastingplan 2012 hebben wij gesproken over de invoering van een winstbox voor ondernemers in de inkomstenbelasting. In het regeerakkoord is aangekondigd dat de winstbox zal worden ingevoerd in 2015. Kan de staatssecretaris toelichten waarom is gekozen voor 2015, gelet op het feit dat wij dit al eind 2011 met de staatssecretaris hebben besproken?

Met de verhoging van het algemene btw-tarief is het verschil tussen het algemene en verlaagde tarief groter geworden. Eigenlijk is dit een beweging de verkeerde kant op. De staatssecretaris heeft eerder aangegeven dat een meer uniform btw-tarief op termijn wenselijk is. Wat zijn de beleidsintenties van de regering op dit onderdeel van de fiscale agenda?

Wat is de visie van de regering op een verdere vereenvoudiging van de loonheffingen door een versnelde uitvoering van de contouren die geschetst zijn in de eerder verschenen Verkenning loonsomheffing? Dit heb ik gemist bij de lezing van alle stukken. Graag ontvang ik op dit punt een reactie van de staatssecretaris.

De heer Reuten (SP):

Ik hoor graag hoe de heer Bröcker de Assurantiebelasting ziet. Die zou men kunnen zien als een imitatie-btw. In dat geval ziet het plaatje er anders uit.

De heer Bröcker (VVD):

Ik vind dat een heel bijzondere vergelijking. De Assurantiebelasting is een eindheffing. De btw is een belasting die geheven wordt op de toegevoegde waarde in transacties in het economisch verkeer. Ik denk dus dat wij de Assurantiebelasting redelijk los kunnen beschouwen van de problematiek – voor sommigen is het een problematiek, voor anderen niet – van een meer uniform btw-tarief. Het goede nieuws over de Assurantiebelasting is dat er één uniform tarief wordt gerekend, namelijk 21%.

Ik wil een aantal korte opmerkingen maken over de effecten van de fiscale wetgeving. Eerder dit jaar hebben wij in deze Kamer de bankenbelasting behandeld. Bij de behandeling van die wetgeving in de Tweede Kamer heeft die Kamer besloten het wetsvoorstel aan te nemen voordat het gevraagde advies van de Nederlandsche Bank over de gevolgen voor de kredietverlening was uitgebracht. Dit aspect heeft tijdens het debat in deze Kamer veel aandacht gekregen en geleid tot de motie-Sent, die met brede steun is aangenomen.

Ook bij de behandeling van verhuurdersheffing, waarop ik later nog terugkom, ontbrak eenduidige informatie over de effecten op de solvabiliteit van woningbouwcorporaties. Daarnaast heeft de regering 100 miljoen euro ingeboekt als structurele opbrengst van de voorgestelde aanpassingen van het bodem(voor)recht van de fiscus. Ook hierop kom ik aanstonds nog terug. Los van de merites van het voorstel kan deze maatregel vooral verdere gevolgen hebben voor de kredietverlening aan het mkb.

Bij de behandeling van fiscale wetten is er bijzonder veel aandacht voor koopkrachteffecten, al of niet onderbouwd met puntenwolken. Het Centraal Planbureau rekent macro-economische effecten door, maar mijn fractie constateert dat er soms onvoldoende aandacht is voor de bedrijfseconomische effecten op sectoren. Delen de bewindslieden deze observatie?

In de wetsvoorstellen die wij vandaag behandelen, zijn voor de vennootschapsbelasting alleen de intrekking van de renteaftrekbeperking met betrekking tot onderkapitalisatie – de zogenoemde thincap-regeling – en de aanpassingen in verband met de flexibilisering van het bv-recht opgenomen. Mijn fractie is content met de intrekking van de thincap-regeling.

In het regeerakkoord zijn enkele maatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelasting aangekondigd en daar wil ik graag wat opmerkingen over maken. Onder meer is aangekondigd dat de maatregelen met betrekking tot innovatie worden versoberd. Hierbij worden genoemd: de innovatiebox in de vennootschapsbelasting, de afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk in de loonbelasting, ook wel de WBSO-regeling genoemd, en de vorig jaar ingevoerde – en wederom niet van anglicismen verschoond gebleven – research and development-aftrek. De WBSO en de RDA zijn gebudgetteerde regelingen, maar de innovatiebox is in principe een openeinderegeling. Hoe denkt de staatssecretaris de bezuinigingen op deze openeinderegeling, zo die aan de orde zijn, vorm te geven? Wordt rekening gehouden met de investeringen die door bedrijven in het verleden zijn gedaan en de verwachting dat de winst op die investeringen in Nederland binnen het bereik van de innovatiebox zal vallen? Heeft de staatssecretaris inzicht in het actuele budgettaire beslag van de innovatiebox?

In het regeerakkoord wordt tevens aangekondigd dat de belastingrente, die volgend jaar in werking treedt als vervanger van de heffingsrente, voor de vennootschapsbelasting wordt verhoogd tot ten minste 8%. Het begrip "marktrente" wordt daarmee losgelaten. Waarom is gekozen voor een dergelijk hoog rentepercentage, dat geen verband houdt met de daadwerkelijk door de schatkist geleden schade als gevolg van het later ontvangen van de verschuldigde belasting?

Ik kom nu op enkele wat meer algemene punten, waarover wij in het nieuwe jaar ongetwijfeld zullen praten in deze Kamer. In de afgelopen tijd is er in OESO-verband, bij de Europese Commissie, maar ook in buurlanden als het Verenigd Koninkrijk, veel aandacht voor de vennootschapsbelasting bij multinationals. In internationaal verband zijn afspraken gemaakt met betrekking tot internationale verrekenprijzen voor multinationals die worden nageleefd door deze ondernemingen en belastingdiensten in de landen waar zij actief zijn. Recentelijk hebben bedrijven in de belangstelling gestaan van de media, waarbij de suggestie werd gewekt dat er sprake zou zijn van ontwijking of zelfs ontduiking van belastingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie twee weken geleden ambitieuze voorstellen aangekondigd om belastingontduiking en -ontwijking te bestrijden. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen over belastingontwijking via Nederland. Mevrouw De Boer memoreerde dit al. Zoals ik al zei, beide onderwerpen komen ongetwijfeld in de komende maanden in deze Kamer aan de orde. Laat ik daarover in dit stadium kort iets over zeggen.

Wij zijn van mening dat volstrekt kunstmatige constructies die geen verband houden met de werkelijkheid, moeten worden aangepakt. Ik meen dat dit ook het standpunt van de staatssecretaris is. Laat daarover ook wat mijn fractie betreft geen misverstand bestaan. Met de publicitaire hype die wij de afgelopen periode hebben gezien, moeten wij uitkijken dat wij de discussie in een evenwichtig perspectief houden en dat het niet ten koste gaat van internationale ondernemingen met economische activiteiten in Nederland. Daar zit mijn grote zorg want dat is een hele subtiele balans. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen deze internationale discussie? Het is misschien een beetje vroeg, maar ik wilde er op dit moment toch even aandacht voor vragen. Wij praten over herstel van vertrouwen in de woningmarkt, wij praten over herstel van vertrouwen in een bestendige vennootschapbelastingwet en uiteraard moeten wij ervoor zorgen dat het vertrouwen dat internationaal bestaat in het vestigingsklimaat in Nederland en in het fiscaal flankerend beleid dat wij voeren, niet onnodig in het gedrang komt.

Het volgende onderwerp is ook door college Essers aangehaald: de pensioenen van directeuren-grootaandeelhouders. Tot genoegen van mijn fractie bevat dit wetsvoorstel de mogelijkheid tot het onder omstandigheden afstempelen van eigenbeheerpensioenen. Dat zijn pensioenvoorzieningen die in vennootschappen zijn getroffen voor de directeuren-grootaandeelhouders. Toch zijn daarmee de fiscale problemen van het pensioen in eigen beheer nog niet van de baan, met name vanwege de stijgende levensverwachting en de dalende marktrente. Zo kan het gebeuren dat de dividendreserves van een vennootschap waarover vennootschapsbelasting is betaald, worden beklemd vanwege de verhoogde commerciële pensioenverplichting van de DGA, terwijl die pensioenverplichting slechts gedeeltelijk is opgebouwd door de fiscale waarderingsregels voor de vennootschapsbelasting. In een situatie waarbij een dividenduitkering wordt gedaan ten laste van de beclaimde eigen reserves van de vennootschap kan naar de mening van de fiscus deze dividenduitkering worden behandeld als een fictieve afkoop van pensioen, omdat de uitkering van pensioenen in de toekomst mogelijk ter discussie komt omdat de vennootschap onvoldoende middelen heeft. Een dergelijke fictieve afkoop leidt tot belastingheffing tegen het progressieve tarief van de inkomstenbelasting en daarbovenop een revisierente van 20%.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Ik hoorde de heer Bröcker de problemen schetsen van de pensioenen van directeuren-grootaandeelhouders. Die problemen zijn er zeker. Ik hoorde hem echter niet spreken over de pensioenen waarover ik heb gesproken, namelijk de pensioenen van de meeste werknemers. Komt hij daar nog op, of ziet hij daar geen enkel probleem?

De heer Bröcker (VVD):

Het toeval wil, mijnheer de voorzitter, dat wij vandaag een aantal belastingwetten behandelen. In een van die belastingwetten is een faciliteit opgenomen voor het afstempelen van pensioenen in eigen beheer. Daarop reageer ik nu.

De heer Van Strien (PVV):

De andere pensioenwetten zijn ook fiscale regelingen. Daarmee heeft de heer Bröcker geen problemen?

De heer Bröcker (VVD):

Dat is nu niet aan de orde. Ik beperk mij tot de belastingwetten die wij nu in deze Kamer behandelen. De regering komt ongetwijfeld binnenkort met voorstellen op het punt waarop de heer Van Strien doelt. Dan is er gelegenheid om daarover te praten.

Bij ingegane pensioenen waarbij in de vennootschap verminderde fiscale winstcapaciteit aanwezig is, kan de verplichte groei van de fiscale pensioenverplichting naar de commerciële waardering niet meer volledig in aanmerking worden genomen voor de vennootschapbelasting, terwijl de uitkering op termijn wel zal worden belast in de inkomstenbelasting. Onderkent de staatssecretaris deze problematiek? Zo ja, is hij bereid om te zoeken naar oplossingen hiervoor?

Bij het onderwerp bodemvoorrecht wil ik enkele vragen stellen die ook door de heer Van Boxtel zijn gesteld. Dat krijg je als in een beetje aan het einde van de rit van sprekers zit.

Wij vinden fraudebestendigheid een belangrijk thema in de fiscale agenda. Het belastingstelsel en het stelsel van toeslagen moeten bestand zijn tegen fraude en misbruik. Daarom is het goed om te constateren dat misbruik in de sfeer van de toeslagen steviger wordt aangepakt. Mijn fractie kan instemmen met de bestrijding van constructies die in strijd zijn met fiscale wet- en regelgeving. Daartoe is voorgesteld het bodemvoorrecht van de fiscus door middel van een meldplicht verder te versterken om misbruik te voorkomen. De vraag die ons bezighoudt en die ook in de schriftelijke behandeling aan de orde is geweest, is welk specifiek misbruik de staatssecretaris hier beoogt te bestrijden. Als een bank pandrecht verkrijgt bij het verstrekken van een lening en de bank vervolgens ter uitoefening van dat recht overgaat tot een zogenaamde bodemverhuurconstructie in plaats van tot het daadwerkelijk in bezit nemen van de goederen – productiemiddelen, machines, drukpersen et cetera – is er dan sprake van misbruik? In het wetsvoorstel moeten banken zich vooraf melden bij de fiscus als zij pandrechten willen uitoefenen. Welke betekenis heeft het pandrecht na de invoering van deze maatregel nog voor banken en financiers? Leidt deze maatregel niet tot een extra kredietrisico voor banken, waardoor de kredietverlening voor ondernemers, met name in het mkb, duurder wordt? Volgens de toelichting bij deze maatregel zou de budgettaire opbrengst van deze maatregel 100 miljoen euro zijn. Komt deze opbrengst uit de bestrijding van het vermeende misbruik, of ligt die breder? Worden de effecten die de bankenbelasting met een opbrengst van 600 miljoen hebben op de kredietverlening daardoor niet versterkt?

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ik heb twee vragen. De eerste vraag heb ik ook aan de heer Van Boxtel gesteld. Is de heer Bröcker principieel tegenstander van het voorrecht van de ontvanger, de fiscus?

De heer Bröcker (VVD):

Nee.

De heer Reuten (SP):

In het onderhavige geval was dit voorrecht van de fiscus er van oudsher.

Ik begrijp niet goed de link die door de fractie van de heer Bröcker maar ook door andere fracties in de schriftelijke voorbereiding is gelegd met de bankenbelasting. Als een vennootschap gebruikmaakt van een of andere constructie zegt die toch ook niet: ik moet ook al btw afdragen en dat brengt mij wel erg in de problemen?

De heer Bröcker (VVD):

Ik begrijp het punt van de heer Reuten. Nogmaals, over het bodemrecht van de fiscus is geen discussie. Naar de mening van mijn fractie is het al vrij lang zo dat een pandgever zijn pandrecht kan uitoefenen óf door het zogenaamde vuistpand toe te passen waarbij de goederen meegenomen worden óf door de onderbodem te huren. Kan de staatssecretaris nog een keer goed uitleggen wat nu de specifieke misbruikconstructie is die noopt tot deze maatregel?

Met betrekking tot de bankenbelasting hebben we gesproken over kredietverlening en een stapeling van maatregelen. Hoewel dit niet de omvang is die we kennen bij de bankenbelasting, is dit weer een element van stapeling van regelgeving en stapeling van heffingen in de sector waarvan je je moet afvragen of dat wel of niet de kredietverlening beïnvloedt. We horen daarover graag de mening van de staatssecretaris.

Ik kom nu bij de eigenwoningregeling en de verhuurderheffing als afsluiting van mijn bijdrage. Op een kleine opleving in de afgelopen maanden na, daalt de huizenverkoop al geruime tijd. Daarmee staan ook de huizenprijzen onder druk en slaat de balans tussen de eigenwoningschuld en het eigenwoningbezit uit naar de verkeerde kant. Daarover zijn we het allemaal wel eens. Dat is niet alleen het resultaat van een beperkte economische groei, maar ook van de fiscale onzekerheid die lange tijd boven die markt heeft gehangen. Eerlijk gezegd, is het ook een heel natuurlijke aanpassing van de prijzen in de markt van onroerend goed die de laatste jaren, zeker tot 2009, vrij hard zijn gestegen. Fiscale onzekerheid heeft hierin ongetwijfeld een grote rol gespeeld. Want is er wel of geen sprake van verlaagde overdrachtsbelasting, en wel of geen aanpassing van de hypotheekrenteaftrek? Deze vragen hebben bij vele potentiële kopers geleid tot uitstel of afstel van de koop of verkoop van een eigen woning. Mijn fractie hoopt van harte dat de maatregelen van dit kabinet in belangrijke mate bijdragen aan het herstel van het vertrouwen op de lange termijn van kopers en verkopers in de woningmarkt.

Toch maakt mijn fractie zich oprecht zorgen over de complexiteit van de aanpassingen in de eigenwoningregeling. Wij delen ook de zorg die de heer Essers op dat punt uitsprak. Met deze aanpassingen en de aangekondigde maatregelen in het regeerakkoord hebben we een ingewikkeld rentedossier in de inkomstenbelasting geopend. De 25 pagina's wetgeving die worden voorgesteld, roepen bij mijn fractie de vraag op of de balans tussen rekening houden met vele verschillende situaties, overgangsrecht en eenvoud niet een klein beetje uit het lood is. Deze bepalingen zullen voor veel eigenwoningbezitters lastig te doorgronden zijn.

De heer Van Strien (PVV):

Ik hoor twee tegenstrijdige dingen: of het vertrouwen moet weer worden teruggebracht, of het systeem moet worden vereenvoudigd. Volgens mij betekent het nu vereenvoudigen van de belastingheffing op de eigen woning onherroepelijk onrust en daarmee is het vertrouwen weg. Hoe zit het nu, wat is het belangrijkst? Vindt de heer Bröcker het vertrouwen het belangrijkst of gaan we nu weer discussiëren over het feit dat het systeem zo ingewikkeld in elkaar zit?

De heer Bröcker (VVD):

Uiteraard is vertrouwen, in antwoord op de vraag van de heer Van Strien, hetgeen waar het om draait. Daarvoor is solide en duurzaam beleid nodig. Dergelijk beleid hebben we de afgelopen jaren misschien wat gemist. Tegelijkertijd heeft de regering om heel valide redenen overgangsrecht gecreëerd voor bestaande gevallen en regels voor nieuwe gevallen. Het enige wat mijn fractie constateert is dat als je dat hele pakket aan maatregelen bekijkt, dat overigens om heel valide redenen zo is samengesteld, het in zekere zin toch wel ingewikkeld is. Mijn fractie roept de minister op om nog een keer te kijken of het mogelijk is om vereenvoudigingen in de 25 pagina's tekst aan te brengen. Ik weet niet of de heer Van Strien die pagina's allemaal heeft doorlopen, maar mijn fractie meent dat dat mogelijk moet zijn. Wij vragen de minister wat voor kansen hij daartoe ziet.

De heer Van Strien (PVV):

Begrijp ik goed dat het alleen over vereenvoudigingen in de teksten gaat? Eerst ging het om vereenvoudiging van het systeem. Dat betekent wederom onrust. Nu zegt de heer Bröcker dat het gaat om vereenvoudiging van de tekst en dat hij daarmee al tevreden is. Is de heer Bröcker daarmee tevreden of moet ook het systeem vereenvoudigd worden?

De heer Bröcker (VVD):

In mijn bijdrage spreek ik over de complexiteit van de aanpassing van de eigenwoningregeling en de 25 pagina's wetgeving. Bij mijn fractie roept dit vragen op. Ik vraag op dit moment geen grote wijzigingen in het systeem als zodanig, hoewel ik zo nog wel op een paar punten terugkom. Wij volgen de keuzes die gemaakt zijn, maar tegelijkertijd vragen wij aandacht voor dit punt.

De heer Van Boxtel (D66):

Mag ik de heer Bröcker een vraag stellen in het verlengde van zijn betoog? Hij legde natuurlijk de vinger op de gevoelige plek. Ook andere fracties hebben daarover gesproken. Ik meen dat minister Blok vandaag in een brief aan de Tweede Kamer heeft aangegeven om in het voorjaar meer helderheid te zullen bieden. Nu is het voorjaar in Nederland een heel rekbaar begrip. DNB reageerde meteen door te stellen dat die onzekerheid ook weer allerlei investeringsbeslissingen in de bouw, die heel hard nodig zijn, uitstelt. Vindt de heer Bröcker niet met mij dat de minister eigenlijk voor 1 februari helderheid zou moeten bieden?

De heer Bröcker (VVD):

Het is een buitengewoon levendig dossier. Ik was gisteravond bezig met mijn bijdrage over de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf en vandaag sla ik de krant open en zijn er door minister Kamp voorstellen gedaan voor een verruiming van de faciliteiten rond borgstelling tijdens de behandeling in de Tweede Kamer. De heer Van Boxtel verwijst nu naar een brief van minister Blok aan de Tweede Kamer die ik zelf nog niet heb gezien. Ik stel voor dat we morgen rustig naar het antwoord van de minister luisteren en daarover vervolgens in de tweede termijn verder praten.

Mijn fractie is, sprekend over het doorgronden van de regeling voor eigenwoningbezitters en potentiële eigenwoningbezitters, blij dat de minister heeft toegezegd dat er door de Belastingdienst hulpmiddelen beschikbaar worden gesteld die eigenwoningbezitters in staat stellen om inzicht te krijgen in hun fiscale positie. Mijn fractie verwelkomt dat. Ook verwelkomt mijn fractie de mogelijkheid om voor 1 april 2013 de bestaande (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheken om te zetten in (bank)spaarhypotheken. Dat doet recht aan de gerechtvaardigde verwachtingen van bestaande gevallen en stimuleert tegelijkertijd dat deze groep eigenwoningbezitters gaat sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld.

De starter op de woningmarkt zit in een lastige positie. De huizen zijn relatief goedkoop, al weet ik niet hoe goedkoop ze zijn op dit moment. Echter, de financieringsmogelijkheden zijn soms wat beperkt en de maandlasten worden als gevolg van de annuïtaire aflossingsverplichting hoger, waardoor de leencapaciteit logischerwijs wat wordt beperkt. Een net afgestudeerde werknemer of ondernemer heeft minimaal ruim 40 jaar te gaan tot zijn of haar pensioenleeftijd en in die tijd is het niet onwaarschijnlijk dat het inkomen groeit. Ik wil de minister een vraag stellen die ook bij de algemene politieke beschouwingen is gesteld. Ziet de minister mogelijkheden om de annuïtaire regels voor starters te versoepelen? Is bijvoorbeeld een beperkte restschuld aan het eind van de looptijd van de annuïtaire lening niet een alternatief dat het overwegen waard is en dat misschien een welkome verruiming kan zijn voor nieuwe eigenwoningbezitters en in het bijzonder starters?

Ik sluit af met de verhuurderheffing. Het wetsvoorstel waarin de verhuurderheffing wordt geïntroduceerd is op zichzelf vrij eenvoudig. Door deze eenvoud wordt een brede groep verhuurders belastingplichtig. Niet alleen woningbouwcorporaties, maar ook grote en kleine particuliere beleggers kunnen worden geraakt door deze heffing. Vandaag is al vaker gememoreerd dat de verhuurderheffing voor de grotere verhuurders van woningen in de gereguleerde sector, zoals woningbouwcorporaties, onwenselijke effecten lijkt te hebben. Investeringen in de woningmarkt zouden daardoor kunnen teruglopen, waardoor ook de bouwsector een extra klap te verduren krijgt. Bovendien blijkt uit het rapport van het Centraal Fonds Volkshuisvesting dat de solvabiliteit van woningbouwcorporaties door deze heffing onder druk kan komen te staan. Mijn fractie heeft de beantwoording van de minister op de vele vragen die door de fracties zijn gesteld over de bedrijfseconomische samenhang met de aangekondigde huurmaatregelen in de gereguleerde sector en de gevolgen voor de solvabiliteit in de sector met belangstelling gelezen. Mijn fractie acht het van groot belang dat de minister deze zorgen adresseert bij de uitwerking van de huurmaatregelen in het komend jaar. We kijken uit naar de discussie over dit onderwerp die we morgen ongetwijfeld zullen hebben.

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Volgens de econoom John Maynard Keynes is het vermijden van belastingen de enige intellectuele bezigheid waar een beloning aan vastzit.

Het verheugt mijn fractie dat het kabinet met het voorliggende Belastingplan 2013 maatregelen introduceert als gevolg van welke de beloning samenhangend met deze intellectuele bezigheid afneemt. In het plan wordt voorgesteld de onderkapitalisatieregeling (thincapregeling) af te schaffen. Deze regeling past bij nadere beschouwing niet goed bij de andere aftrekbeperkingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die alle ten doel hebben bepaalde onwenselijke situaties te treffen waarin belastingplichtigen de grenzen hebben opgezocht.

De heer Van Boxtel (D66):

Mag ik uit de opening van mevrouw Sent afleiden dat zij nu definitief te boek staat als een antikeynesiaan?

Mevrouw Sent (PvdA):

Absoluut niet. Het is ook heel lastig antikeynesiaan te zijn. Ik memoreer graag een uitspraak van Winston Churchill: als je in een kamer met twee economen bent, krijg je twee meningen. Tenzij een ervan John Maynard Keynes is, in dat geval krijg je er drie. Pick your Keynes in dit geval, zou ik zeggen.

Mijn fractie meent dan ook dat het goed is dat deze complexe thincapregeling wordt afgeschaft. In het plan wordt ook voorgesteld de buitenlandse vennootschapsbelastingplicht met betrekking tot bestuurdersbeloningen uit te breiden. Met die wijziging wordt de mogelijkheid gecreëerd om behalve de beloning voor het formele bestuurderschap, ook de beloning voor de door een in het buitenland gevestigd lichaam verrichte materiële bestuurswerkzaamheden of managementdiensten voor een in Nederland gevestigd lichaam in de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting te betrekken. Voorts wordt faillissementsfraude moeilijker als gevolg van het voorstel om in de bepalingen omtrent het bodem(voor)recht een mededelingsplicht voor zekerheidshouders van bodemzaken, zoals een pandhouder of een derde eigenaar op te nemen. Als laatste voorbeeld wil het kabinet het handhavingsbeleid ten aanzien van niet in Nederland belast inkomen (ninbi) aanscherpen. Daarom wordt voorgesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen ambtshalve de hoogte van de tegemoetkoming kan bepalen als de belanghebbende niet reageert op een informatieverzoek van de inspecteur dat tot doel heeft het ninbi vast te stellen.

De PvdA onderschrijft de rode draad van het pakket Belastingen 2013, welke in lijn is met de fiscale agenda: vereenvoudiging en fraude- en constructiebestrijding. Wij danken de staatssecretaris, de minister en hun ambtenaren voor hun uitvoerige antwoorden in de memorie van antwoord en nota naar aanleiding van het verslag, maar maken graag gebruik van de gelegenheid om plenair een vijftal punten aan de orde te stellen.

De heer Reuten (SP):

Ik hoor de senator zeggen dat zij instemt met de fiscale agenda. Van de heer Weekers neem ik aan? Of van het kabinet?

Mevrouw Sent (PvdA):

Van het kabinet.

De heer Reuten (SP):

Ik begrijp dat daar niet de substitutie van inkomstenbelastingen naar omzetbelastingen bij hoort?

Mevrouw Sent (PvdA):

Dit is nu niet aan de orde. Ik beperk me graag tot de bespreking van het Belastingplan 2013 en daarover heb ik een vijftal punten op te merken.

De heer Reuten (SP):

Maar mevrouw Sent had het over die agenda.

Mevrouw Sent (PvdA):

Het Belastingplan 2013 zoals het nu voorligt, past binnen die agenda. Wat wij daarin steunen is de vereenvoudiging en de fraude- en constructiebestrijding.

De heer Reuten (SP):

Dat heb ik mevrouw Sent inderdaad horen zeggen, maar ik wil vragen of zij ook de agenda in de breedte onderschrijft.

Mevrouw Sent (PvdA):

Die vraag is nu niet aan de orde.

Ik maak graag gebruik van de gelegenheid om een vijftal punten aan de orde te stellen. Het eerste punt betreft de overgangsregeling levensloop. Het amendement van het lid Dijkgraaf c.s. op stuk nr. 28 (33402) bepaalt dat werknemers die op 31 december 2011 een aanspraak ingevolge een levensloopregeling hadden waarvan de waarde in het economische verkeer op die datum € 3.000 of hoger was, tot en met 31 december 2021 bestedingsvrij over hun aanspraken ingevolge de levensloopregeling kunnen beschikken. Hiermee is de einddatum van de overgangsregeling gewijzigd van 2042 in 2021.

De levensloopregeling maakt belangrijk onderdeel uit van de afspraken die binnen de sector politie zijn gemaakt om eerder te stoppen met werken. Bij de beëindiging van de levensloopregeling voorzag de overgangsregeling levensloop in een oplossing voor de deelnemende politiemensen van dat moment. Niet alleen politiemensen hebben een groot bedrag gespaard zonder zich te hebben kunnen voorbereiden op de nieuwe spelregels. Voor alle deelnemers aan de levensloopregeling met een pensioendatum na 2021 betekent het amendement-Dijkgraaf c.s. dat het op 31 december 2021 aanwezige levenslooptegoed op die datum verplicht (belast) vrijvalt.

De heer Van Strien (PVV):

Volgens mij is dan niet de einddatum 2021. Laten wij aannemen dat iemand binnen de levensloopregeling tot het maximum van 210% van zijn salaris heeft gespaard. In 2021 kan hij dat geld niet aanwenden voor het doel waarvoor het was bedoeld, want dan moet hij in een keer afrekenen. Dan is het dus geen 2021, maar 2018 op zijn laatst dat hij daarvan gebruik kan maken.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik beperk me tot het amendement van het lid Dijkgraaf en de wijziging die heeft plaatsgevonden, specifiek dat eerst de overgangsregeling levensloop tot 2042 zou gelden en nu tot 2021.

Het kabinet schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag dat de voorgestelde maatregel mensen alle vrijheid en ruimte geeft om het tegoed te besteden naar eigen wens en behoefte. Dit tegoed kan bijvoorbeeld alsnog in een lijfrenteverzekering of een bankspaarproduct worden gestort. Echter, het op 31 december 2021 aanwezige levenslooptegoed valt op die datum verplicht (belast) vrij. Bovendien is geld storten in een lijfrenteverzekering of bankspaarproduct voor de meeste mensen maar heel beperkt mogelijk, voor zover zij geen pensioentekort hebben, en geeft het hen uiteindelijk dus niet dezelfde mogelijkheid om (eventueel parttime) met vervroegd pensioen te gaan zoals dat bij de huidige levensloopregeling kan. En juist deze mogelijkheid is voor veel mensen de aanleiding geweest om hierin de afgelopen jaren veel geld te steken en dus ditzelfde geld niet op een andere manier te besteden.

Met de kennis van nu hadden de politiemensen en andere deelnemers aan de levensloopregeling met een pensioendatum na 2021 de afgelopen jaren beter kunnen kiezen om extra geld in hun pensioenregeling te storten of om geld te storten in een lijfrenteverzekering of een bankspaarproduct. Kortom, mijn fractie is van mening dat het kabinet zich onbetrouwbaar toont door voor deze groep de einddatum van de regeling te vervroegen naar 2021. Deelt de staatssecretaris deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan?

Politiemensen en andere deelnemers aan de levensloopregeling zouden mogelijk een andere keus hebben gemaakt als ze dit hadden geweten. Om hen tegemoet te komen, stelt haar fractie voor het mogelijk te maken dat levenslooptegoeden in 2021 fiscaal geruisloos kunnen worden omgezet in een derdepijlerproduct zonder eerst loonbelasting af te dragen. Dit wordt bruto inleg genoemd. Mijn fractie ontvangt graag een reactie van de staatssecretaris op deze mogelijkheid.

Het tweede punt betreft de werkbonus voor werknemers die aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar, maar nog niet de leeftijd van 64 jaar hebben bereikt, en die een arbeidsinkomen hebben tussen 90 en 175% van het wettelijk minimumloon. Mevrouw De Boer heeft het daar ook al over gehad. Doel van deze werkbonus is in de eerste plaats om het voor de laagste inkomens vanaf een bepaald minimumniveau mogelijk te maken om het bedrag van de werkbonus te kunnen sparen, zodat zij eerder met pensioen kunnen dan op het moment dat zij de verhoogde AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Zo omschrijft het kabinet het doel van de werkbonus in de nota naar aanleiding van het verslag.

In de tweede plaats heeft de werkbonus als doel, een prikkel te geven om door te werken tot en met de leeftijd waarvoor het recht op de werkbonus uit het wetsvoorstel geldt. Het kabinet meent dat de gekozen vormgeving van de werkbonus voor de laagste inkomens in die leeftijdscategorie tevens een prikkel oplevert om meer uren te gaan werken. Dit komt de arbeidsparticipatie ten goede.

De huidige werkbonus, afgeschaft in het Begrotingsakkoord 2013, kent een veel lagere ondergrens. Deze is namelijk € 9300 per jaar. Opvallend is dat de nu voorgestelde minimuminkomensgrens ook diegenen uitsluit die wel voldoen aan het streven uit het emancipatiebeleid dat vrouwen economisch zelfstandig moeten zijn. Bij deze emancipatiedoelstelling wordt een grens aangehouden van 70% van het wettelijk minimumloon.

Mijn fractie vroeg zich in het verslag af waarom hier dan niet gekozen is voor een ondergrens van 70% van het wettelijk minimumloon. Het kabinet antwoordde in de nota naar aanleiding van het verslag dat de ondergrens van 90% van het wettelijk minimumloon in plaats van de 70% uit het emancipatiebeleid in de eerste plaats is ingegeven door de budgettaire gevolgen die het stellen van laatstgenoemde ondergrens zou hebben. Daarmee meent de PvdA dat er nog steeds een inconsistentie bestaat tussen het emancipatiebeleid en de voorliggende maatregel over de werkbonus. Deelt de staatssecretaris deze analyse? Zo nee, waarom niet? En zo ja, welke consequenties verbindt hij daaraan?

De heer Van Boxtel (D66):

Ik vond het punt dat de PvdA in de schriftelijke voorbereiding noemde wel interessant. Ik ga ervan uit dat het kabinet zal zeggen dat er sprake is van een budgettair gat. Los van het antwoord dat straks komt, vraag ik of de PvdA dat gat gaat dichten.

Mevrouw Sent (PvdA):

Daar wordt nog naarstig naar gezocht. Het is inderdaad een terecht punt. Als dit soort suggesties worden gedaan, moet ook worden nagedacht over de budgettaire dekking.

Waarom wordt het werknemers die voldoen aan de emancipatiedoelstelling niet mogelijk gemaakt om het bedrag van de werkbonus te sparen? Zo kunnen zij eerder met pensioen dan op het moment waarop zij de verhoogde AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Voor alle duidelijkheid: mijn fractie pleit niet voor een verlaging van de ondergrens naar 70% van het wettelijk minimumloon voor alleen vrouwen. Dat zou direct discriminerend zijn.

Voorts plaatst de PvdA kanttekeningen bij de effectiviteit van de door het kabinet bejubelde prikkels. De werkbonus prikkelt weliswaar werknemers om door te werken tot en met de leeftijd waarop het recht op de werkbonus uit het wetsvoorstel bestaat, maar wat doet het kabinet om werkgevers te prikkelen om werknemers te laten doorwerken tot deze leeftijd? De gekozen vormgeving van de werkbonus prikkelt weliswaar de laagste inkomens in de betreffende leeftijdscategorie om meer uren te gaan werken, maar wat doet het kabinet om werkgevers te prikkelen die uren ook daadwerkelijk af te nemen? Graag hoor ik hierop de reactie van de staatssecretaris.

Het derde punt betreft de verhouding tussen de belastingdruk voor burgers en bedrijven in het algemeen en de vennootschapsbelasting in het bijzonder. Daarbij meent het kabinet volgens de memorie van antwoord dat rekening moet worden gehouden met de premie volksverzekeringen, de werkgeverspremies voor werknemersverzekeringen voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Graag ontvangt mijn fractie van de staatssecretaris een berekening van de verhouding tussen de gemiddelde belastingdruk per burger en bedrijf langs de lijn die in de memorie van antwoord wordt geschetst.

De staatssecretaris zegt in de nota naar aanleiding van het verslag toe op papier een en ander over de belastingdruk van bedrijven en werknemers te zullen verduidelijken. Wij vragen hem evenwel om een berekening van de verhouding tussen de gemiddelde belastingdruk per burger en bedrijf. Ook vragen wij hem om toe te zeggen dat hij deze berekening in de beloofde brief zal aanleveren.

In dit kader merkt de PvdA op dat er een spanning bestaat in de vennootschapsbelasting. Daarop is eerder ook al door anderen gewezen. Enerzijds is het van belang dat Nederland fiscaal aantrekkelijk blijft voor multinationale ondernemingen. Anderzijds vindt het kabinet dat moet worden voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold als gevolg van onwenselijke belastingconstructies. Mijn fractie vraagt zich daarom in het verslag af hoe het kabinet het feit beoordeelt dat multinationals het tot een kunst hebben verheven om zo min mogelijk belasting te betalen. De staatssecretaris antwoordt in de nota naar aanleiding van het verslag dat hij voor 23 januari 2013 een brief aan de Tweede Kamer zal sturen waarin hij ingaat op mogelijke belastingontwijking door internationale structuren via Nederland. Wij kijken uit naar deze brief en vragen of het mogelijk is hierover met de staatssecretaris van gedachten te wisselen.

De heer Essers (CDA):

Vindt mevrouw Sent dat het daarnaast ook onwenselijk is als de belastinggrondslag in andere landen worden uitgehold door gebruikmaking van Nederland? Zij zegt nu dat moet worden voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold. Daarover zijn we het eens. Stel nou dat andere landen een stelsel hebben dat minder ontwikkeld is dan het onze. Er zijn bijvoorbeeld allerlei bronheffingen op rente en royalties. Nederland heeft principieel geen bronheffing op rente en royalty's. Is het dan gek dat men Nederland als land kiest om die rente en royalty's te ontvangen? Dat kan namelijk, mits er maar voldoende eigen vermogen en werknemers aanwezig zijn.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik beschouw dit als een zeer belangrijk aanvullend punt. We kunnen de Nederlandse constructies achter de dijk niet bekijken, maar het is belangrijk om ze vanuit internationaal perspectief te bezien. Vandaar ook dat ik het in mijn volgende alinea wilde hebben over de Europese Commissie en haar actieplan.

Ook de Europese Commissie heeft namelijk een actieplan tegen belastingontwijking gepresenteerd. Ze doet onder andere aanbevelingen voor het aanleggen van zogenoemde zwartlijsten van landen die niet voldoen aan de minimumeisen van goed bestuur in belastingzaken, het aanvullen van belastingverdragen, het aanpassen van eenzijdige regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en het opnemen in de nationale wet van een algemene antimisbruikmaatregel. Het kabinet schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag dat Nederland de aanbevelingen van de Europese Commissie voor een deel onderschrijft en daaraan al voldoet. Voor een ander deel is het de vraag of de voorgestelde aanbevelingen de problemen die de Europese Commissie omschrijft zouden kunnen oplossen. Mijn fractie kijkt uit naar de fiche van het kabinet ter beoordeling van dit Commissievoorstel begin januari. Wel verneemt ze graag nu al van de staatssecretaris in welke zin hij meent dat de problemen die door de Europese Commissie zijn vastgesteld niet met de aanbevelingen worden opgelost. En welke alternatieve aanbevelingen heeft hij dan voor ogen?

De heer Van Boxtel (D66):

Mijn collega's Bröcker en Essers hebben mijn volgende punt ook al aan de orde gesteld. Ik wil ook nog even een duit in het zakje doen. Waar ik een beetje mee zit, is dat we iedere keer naar voren brengen dat Nederland iets onrechtmatigs zou doen. Dat zou gebeuren doordat Nederland belastingvoordelen biedt aan buitenlandse vestigingen. Ik herinner mij ook nog wel debatten jaren geleden waarin de vraag opkwam of Nederland eigenlijk niet gekke Henkie was omdat landen zoals Ierland allerlei belastingvoordelen hadden bedacht. Hoezo Europees beleid? Iedereen is op zoek naar zijn eigen geluk. Vindt mevrouw Sent niet dat, waar we het voordeel hebben dat een aantal buitenlandse ondernemingen hun domicilie hier kiest en we er ook de revenuen van hebben, we nu niet net moeten doen alsof het nodig is om ze allemaal weer de deur uit te jagen? Zo vinden een heleboel mensen het geweldig dat The Rolling Stones hun vestiging in Nederland hebben, om maar eens wat te noemen. Ja, je kunt ze ook wegjagen. Waar staat de PvdA hierin nu eigenlijk? Moeten we nu voorop gaan lopen in Europa of wachten we een geharmoniseerd Europees beleid af?

Mevrouw Sent (PvdA):

In dat kader zou ik hetzelfde antwoord willen geven als ik zo-even aan de heer Essers heb gegeven, namelijk dat ik het initiatief van de Europese Commissie ondersteun om met een Europees actieplan tegen belastingontwijking te komen en dat het belangrijk is om dat niet alleen maar voor Nederland te gaan oplossen of te adresseren maar om het vooral in breder internationaal perspectief te zien.

Mijnheer de voorzitter. Het vierde punt betreft de herziening van de fiscale behandeling eigen woning. Met als doel om financiële risico's te reduceren en vertrouwen te kweken in de woningmarkt, regelt het kabinet drie zaken in het betreffende wetsvoorstel. Ten eerste de aanpassing van het begrip "eigenwoningschuld" waardoor voor leningen die op of na 1 januari 2013 zijn aangegaan geldt dat de rente alleen aftrekbaar is als die lening in maximaal 360 maanden ten minste volgens een annuïtair aflossingsschema volledig wordt afgelost. Ten tweede de afschaffing van de vrijstelling in box 1 en daarmee ook in box 3 voor op of na 1 januari 2013 afgesloten kapitaalverzekeringen eigen woning, beleggingsrechten eigen woning en spaarrekeningen eigen woning. En ten slotte het overgangsrecht op basis waarvan een lening wordt aangemerkt als een bestaande lening, waarvoor eerbiedigende werking geldt, of als een nieuwe lening, waarvoor de nieuwe regeling voor fiscale behandeling van de eigen woning geldt.

Het kabinet meent blijkens de nota naar aanleiding van het verslag dat hiermee een helder, houdbaar en geloofwaardig kader wordt geschapen en zo een einde wordt gemaakt aan de heersende onzekerheid. En in de memorie van antwoord geeft het kabinet aan dat het onzekerheid wegneemt door duidelijkheid te bieden over de fiscale behandeling van de eigen woning. Echter, in het voorliggende wetsvoorstel blijft de hypotheekrenteaftrek ongewijzigd voor bestaande hypotheken. Tegelijkertijd is het kabinet blijkens het regeerakkoord wel degelijk voornemens om de aftrekbaarheid van bestaande hypotheken te beperken. Kan de minister aangeven in welk opzicht met de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning een helder, houdbaar en geloofwaardig kader wordt geschapen? En, zo vraagt mijn fractie zich af, waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om de beperking van de aftrekbaarheid van bestaande hypotheken in het voorliggende wetsvoorstel op te nemen?

Wij zijn onze collega's aan de overkant dankbaar voor hun inspanningen een aantal scherpe kantjes van de voorliggende Wet herziening fiscale behandeling eigen woning af te halen. Mijn fractie is blij dat de termijn voor het fiscaal kunnen aftrekken van de rente op restschulden op eigen woningen verlengd is van vijf naar tien jaar. Dit geeft eigenwoningbezitters met een restschuld een duwtje in de rug waardoor zij ondanks die restschuld de eigen woning toch willen verkopen, hetgeen goed is voor de doorstroming. Ook ondersteunen wij de aanpassing dat het overgangsrecht van de voorliggende wet wordt uitgebreid tot belastingplichtigen die de voormalige eigen woning tijdelijk hebben verhuurd en die vóór 1 januari 2021 weer terugkeren naar de voormalige eigen woning.

Ook is de PvdA de minister dankbaar voor zijn voornemen om huizenbezitters meer tijd te geven om hun bestaande aflossingsvrije hypotheek om te zetten in een spaar- of beleggingshypotheek. De aanleiding ligt in het feit dat de toeloop bij de banken te groot was om alle aanvragen voor 31 december te kunnen afhandelen, een zorg die wij tijdens de algemene financiële en algemene politieke beschouwingen in deze Kamer hebben geuit. De termijn wordt verlengd tot 1 april volgend jaar.

Het laatste en zeker niet minste punt betreft de verhuurderheffing. In het pakket Belastingplan 2013 introduceert het kabinet een nieuwe heffing van verhuurders over de waarde van hun voor verhuur bestemde huurwoningen in de gereguleerde sector. De grondslag voor de heffing wordt gevormd door de totale WOZ-waarde van de huurwoningen in de gereguleerde sector van de verhuurder, verminderd met de waarde van tien woningen. Het tarief is, gegeven het aantal in de heffing te betrekken huurwoningen, een afgeleide van de beoogde opbrengst. Voor 2013 wordt, uitgaande van een opbrengst van 50 miljoen, een tarief voorgesteld van 0,014% en per 1 januari 2014, uitgaande van een opbrengst van 800 miljoen, een tarief van 0,231%. Het kabinet schrijft in de memorie van antwoord dat er geen een-op-eenrelatie is tussen de voorliggende verhuurderheffing en de wetsvoorstellen huurverhoging op grond van inkomen en huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens. Wel geeft het aan dat met de twee laatstgenoemde wetsvoorstellen gepaard gaande verruiming van de mogelijke verdiencapaciteit van woningcorporaties de heffing kan worden gefinancierd. Hier is, zoals het kabinet aangeeft, in de berekeningen van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) naar de heffing zoals in het voorliggende wetsvoorstel is opgenomen, ook rekening mee gehouden.

Mijn fractie constateert dat de minister de verhuurders wél confronteert met een verhuurderheffing, maar zonder huurwetsvoorstellen. Immers, het kabinet geeft in de memorie van antwoord aan dat de verhuurderheffing bezien moet worden in het licht van de grotere verdiencapaciteit van verhuurders door de voorgestelde mogelijkheden voor extra huurverhogingen. De PvdA hecht eraan vrijheid te behouden om tot een aparte afweging over de huurwetsvoorstellen te komen ook als de Eerste Kamer instemt met de voorgenomen verhuurderheffing. En wij vragen de minister of het niet mogelijk is in overleg te treden met het veld over een alternatieve vormgeving van de voorgenomen verhuurderheffing.

De heer Reuten (SP):

Ik zou graag zien dat senator Sent dit wat nader toelicht, want ik begrijp niet zo goed wat ze bedoelt. Begrijp ik het goed dat de PvdA tot een eigen afweging wil komen, ook al aanvaardt de Eerste Kamer het wetsvoorstel? Zou de PvdA mogelijk de partij kunnen zijn die er tegen stemt ook al stemt de rest van de Kamer ervoor? Bedoelt mevrouw Sent dat?

Mevrouw Sent (PvdA):

Nee, ik bedoel dat de PvdA tot een afzonderlijke beoordeling wil komen betreffende de wetsvoorstellen huurverhoging op grond van inkomen (33129) en huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens (33330). Met andere woorden: mocht de Eerste Kamer instemmen met het wetsvoorstel over de verhuurderheffing, zoals dat nu voor ons ligt, dan willen wij nog steeds onafhankelijk daarvan vrij zijn om die huurwetsvoorstellen te beoordelen. Dus de instemming met het wetsvoorstel over de verhuurderheffing betekent niet automatisch instemming met die andere huurwetsvoorstellen. Met excuses als ik daarover onduidelijk ben geweest. Dank aan de heer Reuten om mij de mogelijkheid te bieden dit punt te verduidelijken.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Dan heb ik wel een aanvullende vraag. Mag ik hieruit opmaken dat de PvdA instemt met het wetsvoorstel over de verhuurderheffing of is dat een te snelle conclusie? Ik begrijp namelijk ook dat u het kabinet vraagt naar alternatieven. Is dat in plaats van of in aanvulling op?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij hebben nog geen mening gevormd over de Wet verhuurderheffing. Wij wachten de antwoorden van de minister af alvorens wij tot een definitief oordeel komen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Kan mevrouw Sent misschien een tipje van de sluier oplichten over de criteria die zij daarbij zal hanteren?

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat tipje van de sluier is opgelicht in de vragen die wij aan het kabinet hebben gesteld in het voorlopig verslag en in het verslag. Ik duid dan op de vraag welke effecten het voorliggende wetsvoorstel heeft op de verhuurders en in hoeverre zij in staat zijn deze heffing te vragen.

De heer Van Boxtel (D66):

Eerst excuses dat ik zojuist moest lachen, maar dat was omdat ik de vraag heel goed vond. Mevrouw Sent beantwoordde die vraag van de heer Reuten ook heel goed, maar de omgekeerde variant blijft nog steeds overeind. Kan mevrouw Sent instemmen met eventueel huurverhogingen en niet met de verhuurderheffing? Een tweede vraag is of mevrouw Sent van mening is of er een termijn aan moet worden gesteld, bijvoorbeeld 1 februari. Er zitten allerlei uitvoeringsaspecten aan en dan wordt gezegd: in het voorjaar komt meer helderheid. Hoe lang zal dat duren? Wat is voor mevrouw Sent een aanvaardbare termijn?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij behandelen vandaag niet de huurwetsvoorstellen. Ik kan dus vandaag dus ook geen uitspraak doen over ons stemgedrag bij die twee wetsvoorstellen.

Verder hebben wij aan de minister gevraagd om met het veld in overleg te treden over een alternatieve vormgeving van de voorgenomen verhuurderheffing. Indien de minister daartoe bereid is, vertrouwen wij erop dat hij dit op de juiste termijnen zal doen. Wij voelen ons dan niet verplicht om nog een extra deadline op te leggen.

In de memorie van antwoord schrijft het kabinet dat de verhuurderheffing een structurele bijdrage levert aan het beter laten functioneren van de huurmarkt. In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft het kabinet dat de verhuurderheffing moet worden bezien in het licht van de grotere verdiencapaciteit waarover ik eerder heb gesproken. De beoogde verbeterde functionering is naar de mening van het kabinet dan ook niet het gevolg van enkel het voorliggende wetsvoorstel, maar van het samenstel van wijzigingen in de huurregelgeving. Vandaag behandelen wij evenwel niet de huurwetsvoorstellen, maar de voorgenomen verhuurderheffing. Derhalve vraag ik de minister in welk opzicht de verhuurderheffing, onafhankelijk van de huurwetsvoorstellen, bijdraagt aan het beter laten functioneren van de huurmarkt.

Als wordt teruggevallen op de in het regeerakkoord opgenomen generieke verruiming van de mogelijkheid tot huurverhoging, tot 1,5% boven inflatie, leidt dit tot een jaarlijkse extra ruimte bij verhuurders van ongeveer 200 miljoen, zo probeert het kabinet mijn fractie in de nota naar aanleiding van het verslag gerust te stellen. Dit cumuleert in vier jaar tot het bedrag van 800 miljoen. Hoe houden verhuurders die in 2014 al 800 miljoen moeten ophoesten, het hoofd boven water? Bovendien herinner ik de minister eraan dat de voorgenomen mogelijkheid tot huurverhoging tot 1,5% boven inflatie vooralsnog louter een voornemen uit het regeerakkoord is.

Voorts wordt in het regeerakkoord een jaarlijkse verhuurderheffing van 2 miljard aangekondigd. Waarom heeft de minister er niet voor gekozen om dit voornemen in het voorliggende wetsvoorstel verhuurderheffing op te nemen? Immers, blijkens de nota naar aanleiding van het verslag dient naar de mening van het kabinet een houdbaar, helder en geloofwaardig kader te worden geschapen. Meent de minister dat de voorliggende verhuurderheffing hieraan voldoet?

Ik leg graag de volgende optie aan de minister voor. Als verhuurders voor vijf jaar de 2 miljard als eigen vermogen beschikbaar hebben, dus 10 miljard, dan kan daarmee 40 miljard worden bij geleend, voor een totaal van 50 miljard euro voor vijf jaar. De 10 miljard bouwvolume per jaar levert renovatie, onderhoud en verduurzaming op, alsook een boost voor de bouwsector en de werkgelegenheid. Dat levert vervolgens jaarlijks ruim 2 miljard op aan btw, precies het ingeboekte bedrag van de minister. Ik krijg graag een reactie van hem op deze suggestie.

De heer Essers (CDA):

Ik herken hier toch weer Keynes. Belastingen leiden tot stimulering van de economie, maar mevrouw Sent moet zich niet te rijk rekenen. Haar voorbeeld heeft de charme van de eenvoud, maar sedert het kabinet-Den Uyl in de jaren zeventig van de vorige eeuw is het een dogma dat wij niet meer met inverdieneffecten rekenen. Mevrouw Sent doet dat in wezen wel. Zij gaat ervan uit dat de corporaties activiteiten gaan verrichten. Dat levert vennootschapsbelasting op en btw en dus heb je die verhuurderheffing niet nodig. Maar zo rekent men nooit, want dan reken je je rijk, is het adagium.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dit is een waardevolle aanvulling van de heer Essers. Als wij naar de geschiedenis van de woningmarkt kijken, dan blijkt die multiplier inderdaad niet zo optimistisch te zijn als ik hier in mijn inbreng schets. Ik had ook verwacht dat de minister daarbij kanttekeningen zou plaatsen, maar ik wilde het punt naar voren brengen om aandacht te vragen voor een ander frame. Er wordt nu zo veel in het frame van lastenverzwaring gezet. Een alternatief frame is uit de huidige begrotingsproblemen te groeien. Ik begrijp dat daarbij allerlei kanttekeningen kunnen worden gemaakt, maar ik wilde dit toch als alternatief frame aan de minister voorleggen, ook al zie ik wel in dat dit het meest optimistische scenario is. Ik ben benieuwd naar zijn reactie daarop.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik heb nog een vervolgvraag. Het is interessant om te zeggen: ik reframe. Als het echt geloofwaardig wil zijn, praat je dan in feite over een vorm van bestedingsdwang, want je moet dan tegen de corporaties zeggen dat zij geld moeten uitgeven. Is het dan niet interessant om eens te praten over een grootscheeps nationaal renovatieplan en het langs die lijn ook echt verplichtend te maken? Dan praat je echt over een alternatief.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat zou interessant zijn. Ik ben benieuwd wat de gesprekken van de minister met het veld opleveren, als hij daartoe bereid is.

De voorgenomen verhuurderheffing treft ook particuliere verhuurders van woningen, studentenkamers en zorgwoningen. Circa 20% van de gereguleerde huurwoningvoorraad is in het bezit van particuliere verhuurders. Deze verschillen fundamenteel van woningcorporaties in doelstellingen, maatschappelijke rol, fiscale behandeling en draagkracht om de nieuwe belasting te kunnen betalen. Zo is niet zelden voor particuliere verhuurders het inkomen uit de huurwoningen hun enige pensioenvoorziening. Woningcorporaties hebben kunnen profiteren van fiscale voordelen die niet beschikbaar waren voor de particuliere verhuurders van gereguleerde huurwoningen.

Voor deze particuliere verhuurders wordt als gevolg van de voorliggende verhuurderheffing de exploitatie negatief, worden investeringsbeslissingen afgeblazen en worden reeds gestarte projecten stilgelegd. Tegelijkertijd hebben zij hun woningportefeuille zonder publiek geld en na afdracht van de bijbehorende belastingen opgebouwd. Ook het kabinet geeft in de nota naar aanleiding van het verslag aan dat particuliere verhuurders in mindere mate dan woningcorporaties hebben kunnen profiteren van fiscale voordelen. Graag verneemt mijn fractie van de minister wat hij vindt van het voorstel de verhuurderheffing alleen van toepassing te verklaren op partijen wiens kerntaken diensten van algemeen economisch belang (DAEB)-activiteiten zijn, en niet op partijen die zich hoofdzakelijk met niet-DAEB-activiteiten bezig houden. Ik krijg graag een reactie van de minister op deze mogelijkheid.

Ik sluit af met John Maynard Keynes. De PvdA is verheugd dat het kabinet maatregelen neemt om de beloning die vast zit aan het vermijden van belastingen aan te pakken, maar dat neemt niet al onze zorgen weg. Wij kijken uit naar de antwoorden van de staatssecretaris en minister hierop.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. We spreken in het debat van vandaag en morgen over een viertal wetten. Ik zal kort iets zeggen over het belastingplan en de overige fiscale maatregelen voor 2013. Daarna zal ik uitgebreider ingaan op de voorgestelde belastingmaatregelen voor de eigen woning en over de verhuurdersheffing.

Allereerst het belastingplan, nr. 33402, en de overige fiscale maatregelen voor 2013, nr. 33403. Al bij de algemene financiële en algemene politieke beschouwingen is mijn fractie uitgebreid ingegaan op de vergaande bezuinigingsplannen van dit kabinet. Mijn fractie onderschrijft de noodzaak van bezuinigingen op velerlei gebied, maar meent dat de omvang, de timing en het tempo waarin dit kabinet wil gaan voldoen aan een arbitraire Europese 3%-norm, mede gezien de financiële rampspoed waarin diverse andere Europese landen zich bevinden, onrealistisch is en bovendien desastreus voor een snel economisch herstel in de eurozone. Met name het leggen van het merendeel van de lastenverzwaringen bij de burger draagt niet bij aan het vertrouwen van diezelfde burger en veroorzaakt macro-economisch grote schade. Door het kabinetsbeleid wordt de crisis slechts verdiept en herstel verder bemoeilijkt. De snel toenemende werkloosheid, aanvankelijk bij ouderen en jongeren maar nu bij vrijwel iedere leeftijdscategorie, zou een teken aan de wand moeten zijn. Maar genoeg daarover; de bijdragen van mijn fractie aan eerdere debatten laten weinig twijfel over onze zorgen en onze opstelling. Er rest mijn fractie weinig anders dan tegen deze begrotingsplannen te stemmen.

Toch nog een beschouwing van enig belang. In het programma van Zembla van 14 december 2012 werd fraude, waaronder de faillissementsfraude in Nederland, nadrukkelijk aan de orde gesteld. Een voormalig procureur-generaal, een voormalig landelijk fraudeofficier en een hoogleraar deden buitengewoon onomwonden uitspraken. Ons land geniet de twijfelachtige eer als fraudeparadijs te boek te staan. Eindelijk een lijstje waarop we hoog scoren, hoor ik het kabinet denken. Duidelijk is dat de aanpak van fraude, die ook de staat jaarlijks voor miljarden benadeelt en het vertrouwen van de machteloze burger ondermijnt, een speerpunt van beleid zou moeten zijn. Maar in Nederland gaat de fraudeur vrijuit en betaalt de burger het gelag. Graag hoor ik welk effectief fraudebestrijdingsbeleid de minister in petto heeft en welke ruimte hij daarvoor in de begroting heeft gecreëerd.

Snel naar de fiscale maatregelen ten aanzien van de eigen woning, het wetsvoorstel met nr. 33405. Over dit wetsvoorstel heeft mijn fractie zeer gemengde gevoelens. Enerzijds wordt eindelijk het systeem van hypotheekrenteaftrek op de schop genomen. Dit systeem beoogde aanvankelijk alleen om starters op de woningmarkt te helpen, maar heeft zich ontwikkeld tot een pervers systeem van legale belastingontwijking op kosten van de belastingbetaler, vooral voor mensen die er toch al warmpjes bij zitten. Dat er iets gebeuren moest, was al vele jaren duidelijk, maar een nieuwe aanpak is evenzoveel jaren gefrustreerd door een lange reeks van regeringspartijen die dan ook met elkaar een zware verantwoordelijkheid dragen voor de enorme problemen die hun beleid heeft opgeleverd. Anderzijds is de nu voorgestelde aanpak op zo veel punten totaal onbevredigend dat mijn fractie zich afvraagt of het middel niet erger is dan de kwaal. Een typisch geval van "much too little, much too late".

Het vandaag nog geldende systeem van hypotheekrenteaftrek waarbij ook aflossingsvrije hypotheken uitgebreid zijn toegestaan, is een schoolvoorbeeld van hoe goede bedoelingen volkomen uit de hand kunnen lopen. De aanvankelijke wens om starters op de woningmarkt te helpen en het eigenwoningbezit te bevorderen, is uitgegroeid tot een massaal circus van renteaftrek, met name ook voor categorieën burgers die een dergelijke fiscale tegemoetkoming helemaal niet nodig hadden. Het feit dat een dergelijk pervers systeem slechts kon bestaan bij de gratie van steeds stijgende huizenprijzen werd voor het gemak maar vergeten. Dansen op de vulkaan was decennialang een loterij zonder nieten, tot de crisis uitbrak. Niet onvermeld mag blijven dat de banken een cruciale rol hebben gespeeld in en een grote verantwoordelijkheid dragen voor dit piramidespel. Dat diezelfde banken ondanks hun risicovol gedrag opnieuw buiten schot blijven, ook in het voorliggende wetsvoorstel, lijkt in Nederland meer regel dan uitzondering. "Too big to fail", waarschijnlijk. Dit in schril contrast tot de eenvoudige burger op wie alle risico's nu afgewenteld worden en die met een dikwijls enorme restschuld blijft zitten. Klein genoeg om hem keihard te laten vallen.

De Raad van State wijst nadrukkelijk op de rechtsongelijkheid tussen oude en nieuwe gevallen, en op de mogelijke juridische onhoudbaarheid die ontstaat bij invoering van het huidige wetsvoorstel. Het is naar de mening van mijn fractie ook moeilijk uit te leggen hoe diegenen die heel lang heel uitvoerig hebben geprofiteerd van een regeling die in feite niet voor hen was bedoeld, nog 30 jaar kunnen doorgaan met profiteren. Het zou toch voor de hand hebben gelegen om regulering toe te passen en hypotheekverstrekkers voor te schrijven om bepaalde hypotheekvormen af te bouwen op een termijn die veel korter is dan 30 jaar. Effectief, eenvoudig uit te voeren, en allerlei fiscale constructies worden erdoor onmogelijk. Weliswaar verhoogt dit op korte termijn de maandlasten van groepen burgers, maar tegelijk gaat het bij aflossing wel om een vorm van sparen die op termijn de burger alleen maar ten goede kan komen. Mij dunkt dat ook de rijken van sparen niet armer worden.

De starter blijft intussen zitten met de zwartepiet. Met vooralsnog dalende huizenprijzen zijn banken terecht niet langer van zins om hypotheken te verstrekken waarvoor de tegenwaarde onzeker is. Dat dit in het verleden wel op grote schaal gedaan is, heeft in veel opzichten bijgedragen aan het ontstaan van de huidige crisis. Eigenlijk is de oplossing ook niet zo moeilijk te bedenken. Zoals in een langer verleden generatieslang het geval is geweest, moest er eerst gespaard worden voordat men kon kopen. Die oudvaderlandse deugd van sparen moet maar weer tot leven gebracht worden. Een starter die eerst enige jaren spaart en enig eigen kapitaal inbrengt, biedt voor hypotheekverstrekkers een geringer risico. Leven op te grote voet is de oorzaak van veel ellende. Leven op de pof moet dus ontmoedigd worden, om de financiële risico's voor individu en staat te beperken. Als dat de uitkomst is, hebben we met zijn allen toch iets geleerd.

Samenvattend: mijn fractie is van mening dat het goede nieuws is dat de hypotheekrenteaftrek ten langen leste wordt aangepakt en beperkt; het slechte nieuws is dat mensen die ten onterechte profiteren van de huidige regeling nog gedurende een extreem lange periode buiten schot blijven. Dat mag aantrekkelijk zijn voor de aanhangers van bepaalde politieke partijen, maar vanuit overwegingen van redelijkheid en het financieel landsbelang is dit natuurlijk een abominatie. Graag hoor ik van de minister waarom niet is gekozen voor een strikte regulering van de soorten hypotheken die in de toekomst nog verstrekt mogen worden. Is een dergelijke maatregel niet zowel effectief als ook eenvoudig uitvoerbaar en controleerbaar?

Het volgende onderwerp is de Wet verhuurderheffing, nr. 33407. Het gaat hier om een belasting, omdat de opbrengst uitsluitend dient als bijdrage aan de algemene middelen. Aan verhullend taalgebruik doet mijn fractie niet mee. Ook dit onderwerp wordt door mijn fractie bepaald niet met gejuich ontvangen. Gezien de grote aantallen reacties uit de samenleving die wij mochten ontvangen, staan wij daarin bepaald niet alleen.

Waar gaat het om? De voorgestelde verhuurdersbelasting kan niet los gezien worden van wetsvoorstel nr. 33129 dat huurverhogingen mogelijk maakt op grond van het inkomen, onder meer om scheefwonen tegen te gaan. Het debat in de Eerste Kamer hierover is op 19 juni 2012 van de kant van de regering geschorst. Het is onduidelijk wanneer en in welke vorm dit wetsvoorstel weer aan de orde zal komen. Vooruitlopend op dit wetsvoorstel spreken we vandaag over een voorstel om de extra opbrengsten die wetsvoorstel nr. 33129 voor met name grote verhuurders zou betekenen, via een verhuurdersbelasting af te romen. Dit doet toch wel erg denken aan het verkopen van de huid van de beer voordat het dier zelfs maar in zicht is. Bovendien vertoont naar de mening van mijn fractie het huidige wetsvoorstel zelf ernstige tekortkomingen.

Zelfs al zou wetsvoorstel nr. 33129 in een later stadium aangenomen worden, dan doet zich toch een merkwaardige situatie voor. We zouden de huren verhogen, dus lastenverhoging voor veel burgers. De extra huurinkomsten die dit meebrengt, gaan we vervolgens afromen bij de verhuurder. Bovendien is er geen garantie dat het aandraaien van de financiële duimschroeven bij de verhuurders niet in enigerlei vorm aan de huurder zal worden doorberekend. Aangezien de regering onbeschroomd toegeeft dat het bij het vandaag voorliggende wetsvoorstel om het spekken van de staatskas gaat, kan in elk geval worden geconstateerd dat de gekozen systematiek buitengewoon omslachtig is. Als dit de zo met de mond beleden vereenvoudiging van regelgeving betekent, valt dit toch moeilijk aan de burger uit te leggen? Graag de reactie van de minister.

Helaas zijn er meer tekortkomingen. Het zijn vooral de woningcorporaties die afgeroomd gaan worden. Nu zijn diverse woningcorporaties de afgelopen tijd helaas uitgebreid in het nieuws geweest door de vele miljarden die in de verkeerde zakken zijn beland. Men kan natuurlijk redeneren dat het ontnemen van een paar miljard meer of minder waarschijnlijk niet zal opvallen. Die redenering lijkt me toch wat te cynisch. Het komt mijn fractie voor dat de hele structuur van de woningcorporaties aan wat doorlichting toe is. Over de effecten van de huurbelasting voor verhuurders, huurders en woningmarkt bestaat grote onduidelijkheid. Wat wil de regering nu eigenlijk? Dienen woningcorporaties meer woningen te bouwen? Zo ja, is de voorgestelde belasting dan niet contraproductief? Ook wordt voorgesteld deze belasting te heffen op basis van de WOZ-waarde van de woningen. De waarde van een koopwoning volgt nu eenmaal een andere logica dan de redelijke prijs voor een huurwoning. Naar de mening van mijn fractie is de WOZ-waarde dus een dubieuze grondslag die bovendien in de krimpgebieden van ons land nog eens extra slecht uitpakt. Deze toch al zwaar getroffen krimpgebieden, die wat Den Haag betreft op een andere planeet liggen, kunnen zeker niet over een kam geschoren worden met de Randstad. Hoewel over de problemen van de krimpregio's veel meer te zeggen valt, en in de volksvertegenwoordiging ook veel meer gezegd zou moeten worden, zal ik me vandaag inhouden. Toch hoor ik graag de mening van de minister over wat het wetsvoorstel met name voor de krimpregio's in ons land betekent.

Voorzitter. Samenvattend. De vrees van mijn fractie, en niet alleen de mijne, is dat aannemen van dit wetsvoorstel zal leiden tot grote financiële problemen bij woningcorporaties, stagnerende investeringen in de sociale woningbouw en te grote huurstijgingen in sommige en te kleine in andere gebieden. Dit voorstel, in combinatie met het voorlopig teruggetrokken voorstel over scheefwonen, is helaas een illustratie van een schrijnend gebrek aan visie op de toekomst van de Nederlandse woningmarkt. In haast en met een beroep op wat men slagvaardigheid noemt, is er gekozen voor een aanpak van grote stappen gauw thuis. Naar de mening van mijn fractie is er met het invoeren van overhaaste lapmiddelen met als voornaamste doel geld voor de staatskas te genereren nog nooit iets zinvols tot stand gekomen. Graag vraag ik de minister om aan mijn fractie uit te leggen waarom dat met het huidige wetsvoorstel wel het geval zou zijn.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor een rustpauze in de hoop u morgenochtend stipt om 9.00 uur terug te zien.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 23.20 uur tot dinsdag 18 december 9.00 uur geschorst.

Voorzitter: Fred de Graaf

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering na onze rustpauze. Het blijft leuk om te zeggen dat je een rustpauze hebt als je op maandagavond begint.