Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 38, pagina 1242-1248

Aan de orde is de voortzetting van de gezamenlijke behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enkele andere belastingwetten in verband met de introductie van een regeling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen en een aanpassing van de eisen voor beleggingsinstellingen met uitdelingsverplichting (30533);

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 teneinde beleggingsinstellingen de mogelijkheid te bieden om vastgoed te ontwikkelen ten behoeve van de eigen portefeuille (30689).

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. Hartelijk dank voor uw vriendelijke woorden, nu ik hier voor het eerst als bewindspersoon te gast ben in deze schitterende zaal.

Maakt de heffing van aanmerkelijk belang deelname in de VBI voor buitenlandse natuurlijke personen niet te onaantrekkelijk? Naar mijn mening is dat niet het geval. Deelname in de VBI is voor een buitenlands natuurlijke persoon even aantrekkelijk als voor een binnenlandse belastingplichtige. Ik zie dan ook geen goede redenen waarom deelname voor een buitenlandse belastingplichtige gunstiger zou moeten worden behandeld.

Er zijn twijfels over de houdbaarheid van de dividendbelasting. Er wordt gevraagd om een meer proactief beleid voor de EU. In Werken aan winst, zijn grote stappen gemaakt bij de EU-houdbaarheid van de dividendbelasting. Dat is belangrijk. Het Europese recht is echter constant in beweging, ook op het terrein van de dividendbelasting. Dat ben ik met de heer Biermans eens. Ter illustratie wijs ik op thans bij het Hof in Luxemburg aanhangige zaken zoals die van Amurta en Orange European Smallcap Fund. Die zaken worden door de Nederlandse regering bewust uitgeprocedeerd. Alleen hierdoor al kan niet met 100% zekerheid worden vastgesteld of onze dividendbelasting volledig in lijn is met het Europese recht. Het spreekt voor zich dat de ontwikkelingen op dit terrein nauw in de gaten worden gehouden door het kabinet. Indien nodig zullen passende maatregelen genomen worden.

Bij de waarderingsmaatregel is sprake van verplichte waardering op werkelijke waarde. Artikel V van het wetsvoorstel inzake de VBI leidt volgens de heer Biermans op het punt van de waarderingsregel materieel tot terugwerkende kracht. Die regel houdt in dat een onderneming in de ib of de vpb zijn belang in de VBI moet stellen op de waarde in het economische verkeer. Bij statusovergang van een FBI of een normale NV naar een VBI wordt de waarderingsregel ook van toepassing op oude winsten die vóór de statusovergang zijn ontstaan.

De eerder gegeven argumenten in de memorie van antwoord overtuigen de heer Biermans nog niet. In de memorie van antwoord staat dat de regeling waarin de winsten die voor de statusovergang zijn behaald buiten beschouwing mogen worden gelaten, leidt tot extra administratieve lasten en uitvoeringslasten. Het buiten beschouwing laten van oude winsten houdt namelijk in dat de aandeelhouder gedurende lange tijd per aandeel een splitsing moet maken tussen oude en nieuwe winsten. Het wordt nog ingewikkelder als hij aandelen slechts deels verkoopt en dezelfde aandelen een tijd later deels aankoopt.

Ik acht een waardering van aandelen in de VBI op werkelijke waarde, ook als daarin oude winsten zijn begrepen, niet onredelijk. Het gaat immers slechts om een timingverschil in de winstneming: direct winstneming of winstneming bij vervreemding van de aandelen. Gelet op het openeindkarakter van de VBI zijn de aandelen in de VBI eenvoudig verhandelbaar en dus te vergelijken met liquide middelen. Die worden fiscaal ook gewaardeerd op de werkelijke waarde.

De heer Biermans (VVD):

Ik begrijp de redenering van de staatssecretaris, maar zij overtuigt mij niet. De ondernemers accepteren dat er sprake is van administratieve of uitvoeringslasten. Wat is er dan op tegen om een dergelijke regeling in te voeren? Is de Belastingdienst niet in staat de regeling uit te voeren? Levert het te veel uitvoeringslasten op?

Staatssecretaris De Jager:

Het wordt ingewikkelder om het verschil tussen oude en nieuwe winsten tot stand te brengen. Ik ben het daarnaast met de heer Biermans eens dat het voor de Belastingdienst veel ingewikkelder wordt om te handhaven. Dat speelt absoluut een rol in mijn overwegingen. Ook vanuit het bedrijfsleven gezien wordt het ingewikkelder. Waar het ingewikkelder wordt voor de belastingplichtige, wordt het ook complexer voor de Belastingdienst.

De heer Biermans (VVD):

Dit is een principiële vraag. Als belastingplichtigen zeggen er geen moeite mee te hebben, waarom heeft de Belastingdienst of de staatssecretaris er dan moeite mee? De ondernemers vragen om een overgangsregeling en zij nemen alle administratieve en uitvoeringslasten op de koop toe. Het moet toch een weldaad voor de staatssecretaris zijn om zo te worden bejegend?

Staatssecretaris De Jager:

Ik sta sympathiek tegenover het algemene uitgangspunt van de heer Biermans. Hij weet mij echter niet te overtuigen, zoals ik hem niet weet te overtuigen. Ik vind onvoldoende duidelijk of het noodzakelijk is. Blijft het complexiteitsvraagstuk van het verschil tussen oude en nieuwe winsten en de ingewikkelde situaties bij tussentijdse verkoop en aankoop van aandelen. De markt vraagt er niet naar. In het wetsvoorstel zit al veel afstemming. De handhaving zou vrij complex zijn. Het is onwenselijk om dit wetsvoorstel daar op dit moment mee te bezwaren.

De heer Biermans (VVD):

De staatssecretaris is goed in het aanbieden van handvatten voor de praktijk. Dat doet hij nu weer en daar ben ik hem dankbaar voor. Hij zegt namelijk dat, als de praktijk vraagt om een dergelijke regeling, hij aan het werk zal gaan.

Staatssecretaris De Jager:

U trekt het nu iets te veel naar u toe, maar ik kom u een beetje tegemoet. Ik zal het dan inderdaad opnieuw bezien en daarbij vooral letten op de administratieve lasten.

Ik dank de heren Essers en Biermans voor hun steun aan het wetsvoorstel. Ik ben het met hen eens dat dit wetsvoorstel een stap verder is in de richting van een beter vestigingsklimaat voor de instellingen waar wij het vandaag over hebben. Wij zullen echter alert moeten blijven, want in deze wereld doen zich tal van ontwikkelingen voor. Het fiscale concurrentievermogen is inderdaad een belangrijk onderdeel van het wetsontwerp.

Na invoering van de huidige voorstellen beschikken wij over drie instrumenten waarmee wij op fiscaal gebied de vergelijking met het buitenland goed kunnen doorstaan. Dat zijn de aangepaste FBI, de VBI en het transparante fonds voor gemene rekening. Dankzij die diversiteit zijn de verschillende categorieën beleggers niet aangewezen op één vehikel. Zij kunnen zelf uitmaken wat in hun situatie het beste vehikel is. Dat maakt een vormkeuze bij de betreffende instelling mogelijk en vergroot dus de flexibiliteit. De heer Essers heeft een aantal voor- en nadelen van de verschillende vehikels genoemd in vergelijking met andere landen. Als je ze geïsoleerd bekijkt, zie je inderdaad voor- en nadelen. Wij hebben nu echter drie verschillende regimes die in uiteenlopende situaties heel gunstig uitpakken. Dat vergroot de flexibiliteit en verbetert dus het vestigingsklimaat. Als je een vergelijking maakt met het buitenland, moet je dus de drie vehikels tezamen nemen.

De heer Essers heeft enkele minpunten gesignaleerd bij de FBI, waar ik op mijn beurt enkele kanttekeningen bij wil plaatsen. Die ontleen ik voor een groot deel aan een vergelijking met de ons omringende landen, zoals vermeld op pagina 2 van de nota naar aanleiding van het verslag. De uitdelingsverplichting waarborgt belastingheffing bij de aandeelhouder van de FBI. Die verplichting is bij de FBI beperkter dan in de meeste van de ons omringende landen. Zij heeft namelijk bij ons alleen betrekking op de lopende inkomsten, zoals dividenden. In de meeste andere landen geldt die verplichting ook voor vermogenswinsten. De uitdelingsverplichting ontbreekt in het buitenland vaak alleen als de beleggingsinstellingen als fiscaal transparant worden beschouwd. Die transparantie heeft echter tot gevolg dat niet alleen de lopende inkomsten, maar ook de vermogenswinsten direct bij de aandeelhouder in de belastingheffing worden betrokken. Nederland springt er dus ook op dit punt goed uit. De dividendbelasting hangt samen met het feit dat de FBI niet transparant is en verdragsbescherming geniet. Wat de financieringseisen betreft, is het FBI-regime vergelijkbaar met de regimes in de meeste ons omringende landen. De aandeelhouderseisen hebben tot doel, te voorkomen dat directeuren-grootaan­deelhouders een FBI gebruiken om de terbeschikkingsregeling te ontgaan.

Al met al denk ik dat het FBI-regime zich goed kan meten met fiscale beleggingsregimes in andere landen. Ik geef toe dat het FBI-regime minder interessant is voor beleggers die niet uit zijn op een jaarlijkse dividenduitkering. Dat is ook de belangrijkste reden van het thans voorgestelde VBI-regime.

De heer Essers heeft ook bij het VBI-regime minpunten geplaatst. In het wetsvoorstel wordt slechts één eis gesteld aan het aandeelhouderschap. Die eis vloeit rechtstreeks voort uit het uitgangspunt dat collectief beleggen niet tot meer belastingheffing moet leiden dan individueel beleggen. Er moet sprake zijn van collectiviteit en van beleggen, dus niet van ondernemen in fiscale zin. Daarmee wordt voorkomen dat er op fiscaal gebied concurrentieverstoring optreedt tussen beleggen en ondernemingsactiviteiten die daar dicht tegenaan liggen. De toegestane investeringen omvatten alle gangbare financiële instrumenten. Het niet van toepassing zijn van de Nederlandse verdragsvoordelen op een VBI is een logisch gevolg van de vrijstelling voor de vennoot­schapsbelasting en de afwezigheid van de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. In de memorie van toelichting staan ook nog andere pluspunten. Alles overziende, denk ik dat Nederland ook wat betreft de VBI de vergelijking met het buitenland kan doorstaan. Mocht echter blijken dat er belangrijke knelpunten zijn, dan zal ik zo nodig actie ondernemen.

De heer Biermans heeft twee situaties geschetst ten aanzien van de VBI. Allereerst de normaal belaste naamloze vennootschap die buitenlands dividend ontvangt en met behulp van het Nederlandse belastingverdrag aanspraak maakt op bronbelastingvermindering. De VBI komt niet in aanmerking voor verdragsbescher­ming. In deze situatie heeft de naamloze vennootschap dus ten onrechte een beroep gedaan op de verdragsbescherming. Ik denk overigens niet dat deze situatie zich in de praktijk vaak zal voordoen. Een verzoek tot vermindering van bronbelasting op portfoliodividenden kan pas na afloop van een boek- c.q. kalenderjaar worden gedaan. Als het goed is, bestaat tegen die tijd al duidelijkheid over de nieuw verworven status. Bovendien zal tot de overgang van belaste nv-status naar die van de VBI waarschijnlijk door de betreffende instelling niet lichtzinnig worden besloten.

De heer Biermans heeft ook nog de situatie geschetst waarin een VBI dividend uitkeert zonder inhouding van dividendbelasting en in de loop van het jaar niet meer voldoet aan de VBI-eisen. Moet dan de dividendbelasting met terugwerkende kracht worden ingehouden? Als een lichaam niet meer voldoet aan de voorwaarden, dan vervalt de VBI-status met terugwerkende kracht tot het begin van het boekjaar. Het gevolg daarvan is dat over de dividenduitkering alsnog dividendbelasting moet worden afgedragen. Dat is geen plezierig gevolg, maar de desbetreffende lichamen hebben zelf in de hand of ze wel of niet willen voldoen aan de VBI-voorwaarden. Ook hiermee zullen zij, als het goed is, niet lichtzinnig omspringen.

De heer Biermans had ook nog een vraag over afspraken met de Belastingdienst over het VBI-regime. In de nadere memorie van antwoord heb ik aangegeven dat de Belastingdienst in een paar gevallen vooraf zekerheid heeft verschaft omtrent de kwalificering van de beleggingen. Ook heb ik daarin aangegeven dat de fiscale beleggingsinstellingen met een uitdelingsverplichting die zo spoedig mogelijk van het vrijgestelde regime willen gebruikmaken, desgewenst een kort boekjaar mogen inlassen. Zij kunnen dus in die zin een goede overgang tot stand brengen. Interpretaties van algemene aard zijn er nog niet. Mocht in de komende tijd blijken dat interpretaties door de Belastingdienst voor meerdere beleggingsinstellingen van belang kunnen zijn, dan zal dat door deze worden gecommuniceerd. Mocht sprake zijn van echt beleid, dan zal dat uiteraard door mij worden gepubliceerd.

De heer Essers vroeg naar de toekomst. Het pakket geeft volgens hem de goede richting aan, maar is het voldoende, is er niet meer nodig om de fiscale concurrentiestrijd in Europa aan te gaan? Mijn visie is dat met geen enkel voorstel het laatste woord is gezegd. Dat geef ik absoluut toe, want we leven in een zeer veranderende omgeving en we zullen de ontwikkelingen in de wereld continu moeten monitoren. Het is van belang om de gevolgen daarvan voor onze concurrentiepositie goed in de gaten te blijven houden. Ik zeg u toe dat ik dat zal doen. Ik vertrouw erop dat u dat ook zult doen en mij, mocht dit nodig zijn, zult aanspreken.

De toekomst van de dividendbelasting heeft natuurlijk al enige tijd aandacht. Het is een vrij lastig onderwerp en ik begrijp wat hierover vandaag is gezegd. Maar de netto-opbrengst van de dividendbelasting, dus de box 3-aftrek in mindering gebracht en verrekend, is 800 mln. per jaar; zonder dekkingsmaatregelen kunnen we hier dus niets aan veranderen. De mogelijke reacties van andere landen, bijvoorbeeld in verdragsonderhan­delingen, op maatregelen in onze dividendbelasting moeten we ook overwegen. De dividendbelasting is nog de enige bronheffing die we in het trio op dividenden, rente en royalty's en dergelijke hebben. Een nul op dit gebied doet dus de vraag rijzen hoe dit in verdragen kan worden uitonderhandeld.

Over de financieringseisen voor de FBI's heb ik al gezegd dat ons regime goed vergelijkbaar is met dat van omringende landen. Ik verwijs verder naar het overzicht in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer. Ook op het hanteren van het open fiscale beleggingsbegrip ben ik al ingegaan, maar ik wil daar wel het volgende aan toevoegen. Sommige knelpunten die lijken samen te hangen met het beleggingsbegrip, kunnen uitstekend worden aangepakt door een oplossing buiten het beleggingsbegrip. Een voorbeeld vormt het voorstel om projectontwikkeling voor de eigen portefeuille belast toe te staan in een aparte vennootschap. Een verdere invulling van het beleggingsbegrip kan ook tot verstarring leiden. Of de toezichtseisen uit de Wet op het financieel toezicht, de Wft, de fiscale belangen voldoende kunnen waarborgen, vraag ik me serieus af. De doelstellingen van deze twee wetsdomeinen zijn namelijk zeer verschillend: de Wft heeft tot doel, de belangen van de beleggers te beschermen; het fiscale beleggingsbegrip voorkomt dat op fiscaal gebied concurrentieverstoring optreedt tussen collectief beleggen en individueel beleggen en tussen beleggen en ondernemen.

De heer Essers vroeg ook nog of alle belemmeringen voor projectontwikkeling zijn weggenomen. De voorstellen in deze andere wet zijn in goed overleg met de sector opgesteld. De sector is er ook een groot voorstander van, het bedrijfsleven levert veel support. Ik heb er alle vertrouwen in dat men in de praktijk hiermee goed uit de voeten kan. De garantie dat alle belemmeringen zijn weggenomen, is natuurlijk wat te veel gevraagd. Er kunnen zich immers altijd onverwachte situaties of ontwikkelingen voordoen; zo'n garantie zou je eigenlijk alleen kunnen geven als je helemaal geen regelgeving hebt. Mijn conclusies is echter wel degelijk dat hiermee in grote mate wordt tegemoetgekomen aan wat de sector zelf wil.

Nu de vraag naar het verband met private equityfondsen. In beginsel is het niet onmogelijk dat ook private equityfondsen gebruikmaken van de VBI. Er wordt gekeken of een fonds voldoet aan de voorwaarden die in dit wetsvoorstel aan de VBI worden gesteld. Met betrekking tot de beleggingseis is in de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel aangegeven dat het onderscheid tussen beleggen en ondernemen cruciaal is voor de vraag of een marktpartij het VBI-regime kan toepassen. Dit onderscheid is in grensgevallen niet altijd gemakkelijk te maken. Of in een concreet geval sprake is van beleggen of ondernemen, zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, zoals die altijd in dit soort situaties moeten worden getoetst.

In de inbrengen van VVD en CDA kwam de vraag over de verdragstoegang van de VBI naar voren. Ik realiseer me het belang hiervan, maar het is ook belangrijk om te beseffen dat er relevante verschillen zijn tussen de VBI en de FBI, waardoor de FBI wel toegang heeft tot ons uitgebreide Nederlandse verdragennetwerk – Nederland behoort tot de top-vijf in de wereld op dit gebied – en de VBI niet. Weliswaar kan een FBI aanspraak maken op een nultarief voor de vennootschapsbelasting, maar alleen onder de voorwaarde dat jaarlijks de winst wordt uitgedeeld aan de aandeelhouders. Vanwege de uitdelingsverplichting en de inhouding van 15% dividendbelasting is de belastingheffing over de beleggingsinkomsten bij de Nederlandse en buitenlandse belegger gewaarborgd. Daardoor genieten wij bij de FBI ook een volledige verdragsbescherming.

De VBI is echter vrijgesteld van zowel de vennootschapsbelasting- als de dividendbelastingheffing. Weliswaar is de belastingheffing bij de Nederlandse aandeelhouders verzekerd, maar ten aanzien van de buitenlandse beleggers in de VBI is dat in beginsel niet het geval. Dat is het cruciale verschil dat voor onze verdragspartners van groot belang is. Wel zijn de OESO-lidstaten momenteel in overleg met vertegenwoordigers van beursgenoteerde beleggingsfondsen om te bezien op welke wijze de achterliggende participanten in aanmerking kunnen komen voor verdragsvoordelen. Bij andere OESO-lidstaten zal daarom geen animo bestaan om, vooruitlopend op de uitkomsten van dit overleg, afspraken te maken over verdragstoepassing ter zake van de VBI. Zodra er zicht bestaat op de uitkomsten van dit overleg, zal ik de betekenis ervan bezien voor de VBI en de mogelijke stappen bekijken om hiervoor invulling te geven ten behoeve van de VBI. In het algemeen kan ik deze Kamer wel toezeggen dat het ook voor mij als staatssecretaris belangrijk is om zo veel mogelijk verdragsbescherming voor onze fiscale vehikels tot stand te brengen. Of dat specifiek het geval is voor de VBI hangt af van de OESO-uitkomst.

De heren Essers en Biermans vroegen beiden naar de collectiviteitseis bij beleggen en het aantal aandeelhouders bij de VBI. Daarover is nogal wat onduidelijkheid; in de schriftelijke beantwoording ben ik daar kennelijk niet duidelijk over geweest, evenmin als in de Tweede Kamer. In de behandeling in de Tweede Kamer is aangegeven dat van de VBI gebruikgemaakt kan worden bij beleggingen met een collectief karakter. Hiervan is in het algemeen sprake wanneer de betrokken partijen het voor gezamenlijke rekening beleggen als bedoeling hebben, evenals het gezamenlijk delen van de kosten, risico's en opbrengsten; met andere woorden, zonder dat deze op geïndividualiseerde wijze worden toegerekend aan de betrokken individuele partijen. De vraag of in een concreet geval wordt voldaan aan de collectiviteitseis zal worden bepaald door de feitelijke omstandigheden van het geval.

Maar ik begrijp de vraag om meer duidelijkheid. Ten aanzien van de hoeveelheid aandeelhouders die de VBI minimaal moet hebben, merk ik op dat het collectieve karakter meebrengt dat meerdere partijen samen moeten beleggen. Dat zal nog steeds niet het gewenste antwoord zijn. Zij moeten ook het oogmerk hebben om gezamenlijk te beleggen. Hiervan kan in beginsel sprake zijn in een situatie van twee partijen. Het is zelfs niet onmogelijk dat in een tijdelijke situatie van één aandeelhouder er toch sprake is van beleggen met een collectief karakter. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er bij de oprichting van een VBI nog niet onmiddellijk sprake is van meer aandeelhouders of wanneer bij een reeds bestaande VBI een of meer aandeelhouders uittreden en de VBI er niet onmiddellijk in slaagt om nieuwe aandeelhouders aan te trekken. Bij dit laatste gaat het om tijdelijke situaties. De vraag of inderdaad sprake is van een collectief karakter, is daarbij afhankelijk van de feitelijke omstandigheden en het oogmerk. In zijn algemeenheid kan er sprake van zijn bij twee partijen die voldoen aan de verwoorde criteria.

De heer Biermans (VVD):

Ik dank de staatssecretaris uiteraard voor het geven van helderheid op dit punt. In de schriftelijke beantwoording heeft hij gesteld dat aandeelhoudersverhoudingen op zich niet relevant zijn: het zou een verhouding van 99% tegen 1% kunnen zijn. Houdt hij dat in dit licht overeind?

Staatssecretaris De Jager:

Theoretisch gezien is dat inderdaad mogelijk. Een verhouding van 99% en 1% is echter een bijzondere situatie die zou kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het lijkt dan alsof die 1% alleen maar is toegevoegd om te voldoen aan de collectiviteitseis. In zijn algemeenheid kan ik echter niet op voorhand stellen dat het in zo'n situatie is uitgesloten dat aan het collectiviteitsvereiste is voldaan. Op zijn zachtst gezegd, is het echter ook niet zeker.

De heer Biermans (VVD):

De staatssecretaris heeft nu de kans om die duidelijkheid wel te geven. Stel dat er twee aandeelhouders zijn met een verhouding van 99% en 1% en die voor het overige voldoen aan de criteria die de staatssecretaris heeft genoemd. Dit betekent onder andere dat het een collectiviteit moet zijn waarin de kosten worden verdeeld over de partijen. Dan is het dus gewoon mogelijk om een VBI op te richten?

Staatssecretaris De Jager:

Als voldaan is aan de materiële criteria, zoals ik die heb verwoord in een aantal eisen, kan het heel goed zijn dat bij een dergelijke verhouding ook voldaan is aan de collectiviteitsvereisten. Het percentage is namelijk niet het springende punt. Het gaat erom of er een materieel oogmerk is en of de feitelijke omstandigheden duiden op de collectiviteitseis.

De heer Essers (CDA):

Als wij zo ruimhartig zijn voor aandeelhouders in een VBI, waarom zijn wij dan zo terughoudend voor aandeelhouders in een FBI? Een aanmerkelijkbelanghouder mag daarin geen aandeelhouder zijn. Hij mag nog niet eens een pakket van 5% hebben. Wat is de reden daarvoor?

Staatssecretaris De Jager:

Die heb ik proberen aan te geven. Wij willen voorkomen dat de dga via het vehikel van een FBI alsnog de terbeschikkingstellingsregeling kan omzeilen.

De heer Essers (CDA):

Kan dat niet worden voorkomen door voor zo'n aanmerkelijkbelanghouder dezelfde waarderingsregel voor te schrijven als voor aandeelhouders in een VBI? In dat geval is er geen sprake van belastinguitstel. Elk jaar word je dan belast voor de waardeaanwas in die beleggingsinstelling.

Staatssecretaris De Jager:

Wat zou het voordeel zijn voor een dga om in zo'n situatie een FBI in het leven te roepen?

De heer Essers (CDA):

Het gaat er niet om of er een voordeel is, maar om de vraag waarom wij een dga die mogelijkheid zouden ontnemen.

De heer Biermans (VVD):

Ik deel dit argument van de heer Essers, maar wil er nog een aan toevoegen. De staatssecretaris maakt de vergelijking met box 1. Ik heb een vergelijking gemaakt met box 3. In box 2 geldt een tarief van 25% en in box 3 30%. Ik snap niet waarom de aandeelhouder dan tegen 52% aan zou moeten lopen.

Staatssecretaris De Jager:

Box 2 en box 3 hebben natuurlijk een heel andere grondslag. Box 3 leidt tot een daadwerkelijke heffing van 1,2% en box 2 komt neer op 25% over de daadwerkelijk gerealiseerde vermogensaanwas.

De heer Biermans (VVD):

Ik vergelijk 25% met 30%.

Staatssecretaris De Jager:

Die tarieven hebben een volstrekt andere grondslag. In box 3 gaat het om een fictieve rendementsgrondslag en in box 2 om een daadwerkelijk genoten uitkering.

De heer Biermans (VVD):

Er zijn veel beleggers die vinden dat de grondslag van box 3 met 4% veel te hoog is geweest en dat 30% een acceptabel tarief is. Vandaar dat ik een vergelijking maakt tussen box 3 en box 2. De heer Essers vraagt terecht waarom een aanmerkelijkbelanghouder geen aandeelhouder kan worden in een FBI.

De heer Essers (CDA):

De situatie is nu dat die aanmerkelijkbelanghouders in het buitenland gaan beleggen omdat die eisen daar niet gelden. Het past in de filosofie van het wetsvoorstel om die beleggingen naar Nederland terug te halen door een aanmerkelijkbelanghouder toe te staan deel te nemen in een FBI en tegelijkertijd een herwaarderingsregeling in te voeren.

Staatssecretaris De Jager:

Voor die dga, die aanmerke­lijkbelanghouder, is het veel lastiger om in het buitenland de terbeschikkingstellingsregeling te omzeilen via een buitenlandse beleggingsinstelling. Wij zijn bang dat bij Nederlandse beleggingsinstellingen de terbeschikkingstellingsregeling wordt omzeild. Onder de voorwaarde dat het neveneffect van het omzeilen van de terbeschikkingstellingsregeling kan worden voorkomen, ben ik absoluut bereid om nog eens goed te bekijken of de FBI opengesteld kan worden voor aanmerkelijkbelanghouders. Voor ons is dit de reden geweest om het niet te doen. Als er een manier is om dat ook in Nederland te voorkomen, wil ik het overwegen. De buitenlandse vergelijking gaat daarbij echter niet op, omdat het risico dan nagenoeg niet aanwezig is.

De heer Reuten van de SP-fractie heeft een heel filosofische vraag gesteld, zeker in vergelijking met de fiscale betogen die ik heb moeten houden. Is er een spanning in het beleid tussen het internationalistische neoliberalisme en nationalistisch regulering? Ik vind de tegenstelling interessant, maar zie haar niet. Met deze voorstellen bereiken wij dat Nederland zich weer kan meten met de regimes in andere landen. Dat noem ik in ieder geval geen nationalistische regulering. Ook is het niet het in gang zetten van een bepaalde neerwaartse spiraal. Ik denk dat het belangrijk is dat wij actief reageren op internationale ontwikkelingen. Wij hoeven onze belangen daarbij niet uit het oog te verliezen. De heer Reuten zal het met mij eens zijn. Dit is niet nationalistisch, maar verstandig fiscaal beleid voeren in een internationale setting.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ter voorkoming van een tweede termijn wil ik op dit punt aanhaken. Het is laat, dus ik zal het kort houden, maar ik vind het interessant tegen de achtergrond van het algemene beleid van de regering en van het ministerie van Financiën in het bijzonder. De staatssecretaris heeft een aantal malen de woorden "onze concurrentiepositie" gebezigd. Nu doet hij dat weer. Hij heeft ook gezegd dat het FBI-regime zich met regimes in andere landen meet. Hoe verhoudt zich dat tot het beleid van liberalisering en vrij internationaal kapitaalverkeer? Ik kan het ook anders zeggen. Ik heb dat vorige week in een ander verband namelijk ook al gedaan. De staatssecretaris heeft het over onze concurrentiepositie. Dan kan hij doelen op de Nederlandse Staat of op Nederland en de bedrijven die er gevestigd zijn. Als het laatste het geval is, lijkt er een soort achttiende-eeuwse, mercantilistische politiek achter te zitten. Ik wil van de staatssecretaris weten hoe het idee van liberalisering en vrij verkeer van kapitaal zich verhoudt tot "onze".

Staatssecretaris De Jager:

Ik heb eigenlijk nog nooit iemand van de SP zo'n vurig betoog horen houden over vrij internationaal kapitaalverkeer en liberalisering.

De heer Reuten (SP):

Ik wil weten wat uw standpunt is. Je kunt geen oppositie voeren als je niet weet wat een staatssecretaris bedoelt. Anderzijds kunnen anderen of ik ook geen medestand betuigen als zij of ik niet precies weten wat het standpunt van een staatssecretaris is.

Staatssecretaris De Jager:

Als ik het over "onze" heb, bedoel ik inderdaad Nederland. Ik denk dat het kunnen concurreren, dus het concurrerend zijn en het hebben van transparante regimes en een aantrekkelijk vestigingsklimaat zich heel wel tot de vrijemarktwerking verhoudt. Gelet op het feit dat er vrijemarktwerking is en wij daar in het algemeen wel enigszins regulerend in optreden, is het heel gezond en goed om ook op fiscaal vlak een afdoende concurrerend regime te hebben. Nederland moet natuurlijk op verschillende terreinen concurrerend zijn. Nederland wil graag werkgelegenheid bieden en een aantrekkelijk klimaat voor het bedrijfsleven, innovatie, kennis en ondernemerschap hebben, ook voor internationale bedrijven. Dat geldt evenzeer voor financiële instellingen en het soort instellingen waarover wij het vandaag hebben. Die passen heel goed in de internationale verhoudingen waarvoor dit kabinet staat.

De heer Reuten (SP):

Als ik het goed begrijp, hebben wij het dus economisch gezien over concurrerende staten?

Staatssecretaris De Jager:

Wij hebben het over concurrerende fiscale regimes.

De heer Reuten (SP):

U had het over Nederland. Bedoelt u daar de Staat mee?

Staatssecretaris De Jager:

Ik bedoel daar het fiscale regime mee.

De heer Reuten (SP):

Het fiscale regime van de Staat dus? Ondernemingen hebben als zodanig geen fiscaal regime.

Staatssecretaris De Jager:

Nee. Wij kunnen ze wel helpen, ondernemer te zijn. Wij kunnen het voor hen aantrekkelijk maken om zich hier te vestigen.

De heer Reuten (SP):

Onze ondernemingen?

Staatssecretaris De Jager:

Buitenlandse ondernemingen zijn ook zeer welkom in Nederland.

De heer Reuten (SP):

Ik laat het hierbij.

De heer Biermans (VVD):

Voorzitter. Ik kan aan uw verzoek om het kort te houden absoluut voldoen, want ik ga niet praten over internationalistisch neoliberalisme en ook niet over nationaal regulisme. Waar ik het wel over zal hebben, zij het niet meer vandaag, is de spiraal van neerwaartse belastingheffing. Dat thema spreekt mij aan.

Het was werkelijk een genoegen om op de valreep van hard werken en reces – vakantie vieren heet dat – deze staatssecretaris aan het werk te zien. Zoals u weet, ben ik nooit zo complimenteus, maar met de vakantie in het vooruitzicht ben ik dat wel, mede omdat de staatssecretaris in elk geval bij de behandeling van deze twee wetsvoorstellen – in de toekomst beoordeel ik dit opnieuw – heeft laten zien dat hij hart voor het Nederlandse vestigingsklimaat heeft. Dat blijkt uit het feit dat hij op een aantal momenten zeer heldere uitspraken voor de toekomst heeft gedaan. Hij gaat adequaat reageren als zich problemen op dit terrein voordoen, heeft hij gezegd. Hij heeft het over afspraken van algemene aard die hij bekend gaat maken of aan de Belastingdienst doorgeeft. Verder geeft hij een handvat voor een overgangsregeling waarom bedrijven eventueel kunnen verzoeken en regelt hij, zo nodig, verdragsbescherming. Bovendien is hij heel duidelijk over de collectiviteitseis. Het was voor mij een genoegen om voor de vakantie nog zo'n technische discussie te hebben met zo een goede afloop.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris hartelijk voor zijn beantwoording. Ik ben niet zo gelukkig als de heer Biermans, maar ik ben ook niet ontevreden. Ik ben in ieder geval tevreden met de teneur van de beantwoording. Overigens ben ik ook zeer ingenomen met het feit dat wij alsnog de antwoorden hebben gekregen op de vragen over de Wet werken aan winst. Die kwamen vlak na mijn betoog in eerste termijn binnen, dus nog ruimschoots voor de deadline van het begin van het reces. Hartelijk dank daarvoor.

Ik ga kort in op de door mij aan de orde gestelde punten en de antwoorden van de staatssecretaris daarop. Ik begin met de vergelijking met Luxemburg en Ierland. Ik volg de staatssecretaris daar een heel eind in. Hij zegt alleen dat wij drie soorten regimes hebben: de FBI, de VBI en het transparante fonds voor gemene rekening. Je kunt kiezen welk regime voor jou het beste is. Je hebt dus de keuze uit verschillende werelden. Al is dat zo, je kunt niet aan de gang blijven. Je moet dus eerst een schatting maken en daarna voor een bepaald regime kiezen. Daar zitten positieve en negatieve aspecten aan vast. Zo zal de belegger het ook ervaren. Wij zullen dus ook naar individuele negatieve punten moeten blijven kijken.

Mij spreekt de uitspraak van de staatssecretaris zeer aan dat hij zal blijven nagaan of zich knelpunten voordoen en zo ja, dat hij daar serieus mee zal omgaan. Wat mij betreft, is een punt heel duidelijk geworden: de stiefmoederlijke behandeling van de aandeelhouder in de FBI. Ik denk dat de staatssecretaris duidelijk is geweest over de eisen die aan aandeelhouders in de VBI worden gesteld, maar ik kan niet begrijpen waarom een aanmerkelijk belanghouder in een FBI veel zwaarder moet worden belast dan een aandeelhouder in een VBI. Ook de vergelijking met de terbeschikkingstellingsregeling spreekt mij daar helemaal niet bij aan. Ik heb wel heel goed begrepen dat de staatssecretaris hierover gaat nadenken. Wij hebben al aangekondigd, in het najaar een debat te houden over de positie van Nederland als centrum van financiële dienstverlening in het algemeen. Daar kunnen wij dit punt bij betrekken. Ik beveel dat van harte aan.

In het algemeen wil ik zeggen dat wij voor goede regelingen moeten zorgen. Als wij eenmaal deze weg opgaan, dan moeten ze ook ruimhartig worden toegepast, dus niet te benepen. De omgang van de staatssecretaris met de collectiviteitseis is een goed voorbeeld van ruimhartige toepassing. Dat moet mijns inziens de standaard zijn bij dit soort regelingen, anders werken die alleen maar averechts. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd en suggesties gedaan ter verdere verbetering. Een ervan betrof de financieringseisen, waarvan de staatssecretaris heeft gezegd dat wij hierbij in de pas lopen met andere landen. Ik zou zeggen: grijp dat aan om voorop te lopen. Die financieringseisen dienen wat mij betreft niet echt een fiscaal doel, omdat de krachtsverhoudingen die spelen tussen de directie, de aandeelhouders en de raad van commissarissen ervoor zorgen dat er niet overmatig met vreemd vermogen wordt gefinancierd. Hier zie ik naast de dividendbelasting een goed voorbeeld waarop Nederland zich kan onderscheiden.

Over de verdragsbescherming proef ik in het betoog van de staatssecretaris een iets andere teneur dan in de schriftelijke stukken, die toch tamelijk defensief was. Nu geeft hij aan dat hij niet afwijzend staat tegenover de verdragsbescherming en dat hij zal proberen in het kader van de OESO om hierin een doorbraak te bewerkstelligen. Wie gelooft in zijn eigen product, moet daarvoor echt kunnen uitkomen, ook ten opzichte van verdragspartners.

Staatssecretaris De Jager:

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de heer Biermans voor zijn complimenten en de heer Essers voor het feit dat hij tevreden is over de teneur van mijn beantwoording. Ik heb in eerste termijn een aantal toezeggingen gedaan, die ik ook gestand zal doen.

De heer Essers was binnen enkele minuten na zijn vraag bediend met een dik pakket aan antwoorden over werken aan winst. Dat is nog net op tijd om daarmee een mooi reces in te gaan met interessant leesvoer.

De heer Essers kan een heel eind meegaan in de vergelijking met Luxemburg en Ierland en in de keuze voor één vehikel. Toch vindt hij het van belang dat er aandacht blijft voor de negatieve punten van een van onze drie vehikels. Dat heb ik ook toegezegd. Ik zal daarmee serieus omgaan en dit ook steeds monitoren om te zien waar wij zaken zouden moeten verbeteren. Tegelijkertijd is het ook wel eens goed om onze zegeningen te tellen. Gelet op het totaalpakket meen ik dat wij heel concurrerend zijn. Dat heb ik ook aangegeven in het licht van het feit dat wij drie vehikels hebben en dat beleggers hierin zelf kunnen kiezen. Ik blijf oog houden voor eventuele negatieve punten per individueel vehikel.

Over de AB-houder in de FBI heb ik toegezegd dat ik hierover serieus zal nadenken. Op de vraag of dat leidt tot een ruimhartige toepassing kom ik later met de Kamer terug.

Dat geldt ook voor de financieringseisen. Ik heb aangegeven niet op voorhand afwijzend te staan tegenover verdragsbescherming. Ik voeg hier wel aan toe dat dit ook negatieve gevolgen kan hebben. Als wij de VBI verdragsbescherming geven, wat moeten wij dan met de Luxemburgse en Ierse vehikels? Dat zou ons veel geld kunnen kosten. Ik meen dat het goed is om eerst te wachten op de discussie in de OESO, waar wij met spanning naar uitzien. In het algemeen is het streven van dit kabinet om zo veel mogelijk verdragsbescherming te geven aan financiële vehikels.

De beraadslaging wordt gesloten.

De wetsvoorstellen worden zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

De aanwezige leden van de fractie van de SP wordt conform artikel 121 van het Reglement van Orde aantekening verleend dat zij geacht willen worden, zich niet met het wetsvoorstel op stuk nr. 30533 te hebben kunnen verenigen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.