Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 38, pagina 1175-1195

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

het wetsvoorstel Algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer) (30312).

(Zie vergadering van 9 juli 2007.)

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Voorzitter. Om te beginnen feliciteer ik mevrouw Ten Horn hartelijk met haar maidenspeech. Ik had tot nu toe geen ervaring met maidenspeeches in de Eerste Kamer. Ik heb gezien dat het heel anders toegaat in de Eerste Kamer dan in de Tweede Kamer. Je hele doopceel wordt in deze Kamer gelicht bij het houden van de maidenspeech. Ik vind het een heel charmante manier om te beginnen in de Kamer. Misschien is dit ook wel iets voor de overkant en kan men daar nog iets leren van de Eerste Kamer.

Ik ben blij dat u zo uitgebreid bent ingegaan op het wetsvoorstel. Dat biedt de gelegenheid om een aantal relevante zaken door te spreken op het punt van de verbetering van de publieke dienstverlening versus de privacy. Op dat punt zijn alle woordvoerders ingegaan.

Veel woordvoerders hebben hun verontrusting uitgesproken over het feit dat talrijke instanties het doen voorkomen alsof het burgerservicenummer al is ingevoerd. Ik benadruk nogmaals dat het niet de bedoeling is om de Eerste Kamer te negeren. Daarom zei ik zojuist al dat de Tweede Kamer wellicht nog iets kan leren van de Eerste Kamer. Ik heb ook al schriftelijk laten weten dat ik het echt fout vind wat er is gebeurd. Ik verzeker de Kamer nogmaals dat, als het nodig is, de voorbereidingen voor het burgerservicenummer worden teruggedraaid. Dat kan ook, omdat er nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet.

Eigenlijk gaat het om het gebruik van de term burgerservicenummer. Dat deze term al wordt gebruikt, betekent niet dat het bsn al ingevoerd zou zijn. De verplichtingen en de mogelijkheden die het wetsvoorstel schept, worden pas van kracht als de Eerste Kamer het wetsvoorstel heeft aanvaard. Ik benadruk dat er op dit moment gewoon gewerkt wordt met het sofistelsel. Ik betreur het dus dat de term bsn wordt gehanteerd waar eigenlijk het sofinummer wordt bedoeld. Op drie situaties waarover verschillende woordvoerders vragen stelden, kom ik straks nog wat specifieker te spreken.

Ik kom om te beginnen op het belang van het bsn. In de discussies merk ik dat het belang ervan breed wordt onderkend. Als ik goed luister naar de Kamer, hoor ik niet dat het bsn zelf ter discussie staat. Ik ben blij dat alle woordvoerders dit op hun eigen manier zo hebben gezegd. Ook het College Bescherming Persoonsgegevens heeft, ondanks kritische kanttekeningen, herhaaldelijk steun voor het bsn uitgesproken. De Kamer heeft ook gewezen op het grondwettelijke recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ik zeg nadrukkelijk dat ik het daarmee eens ben. Ik hoop de Kamer ervan te overtuigen dat het bsn-stelsel geen afbreuk doet aan de bestaande wettelijke regelingen waarin dit recht is neergelegd. Mijns inziens zal een goed werkend stelsel van persoonsnummers de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens bevorderen.

Door een aantal sprekers is gewezen op het gevaar dat de techniek van automatisering centraal komt te staan, terwijl het nu juist om de mens moet gaan. Voor mij is de techniek een hulpmiddel om te komen tot een betere dienstverlening door de overheid. Ik zeg dit heel nadrukkelijk, omdat ik er zelf op die manier in sta. Deze verbetering kan inhouden dat de overheid niet steeds dezelfde gegevens van de burger vraagt. Dat is namelijk iets waar burgers heel nadrukkelijk tegenaan lopen. Het maakt de overheid bovendien begrijpelijker voor de burger en zorgt voor minder administratieve last bij de burger zelf. Om dit te bereiken hebben wij een aantal technische zaken nodig, waaronder het burgerservicenummer. De mens blijft echter steeds centraal staan.

Mevrouw Ten Horn en de heer Thissen wezen in dit verband op recente berichten over de werkwijze bij het vaststellen van indicaties door het Centrum Indicatiestelling Zorg. Iedereen zal het erover eens zijn dat het goed is dat deze zaak bespreekbaar is gemaakt. Ik ga niet specifiek op deze casus in, want die valt onder mijn collega die voor de zorg verantwoordelijk is. Ik stel echter wel vast dat het bsn hierin geen rol speelt.

De Kamer heeft indringend gevraagd om maatregelen die moeten voorkomen dat de burger niet in de knel komt te zitten door fouten. Daarbij zijn als kernpunten de ombudsfunctie en het toetsingskader genoemd. Om deze twee kernpunten goed te kunnen bespreken, moeten wij helder zijn over de reikwijdte van het bsn. Ik maak daarom graag van de gelegenheid gebruik om daarop in te gaan.

Allereerst ga ik daarbij in op de vraag wat het bsn is. Het burgerservicenummer is een hulpmiddel bij de uitwisseling van persoonsgegevens. Het bsn bepaalt niet of de uitwisseling is toegestaan. Dat doet andere wetgeving. Het bsn zorgt ervoor dat de uitwisseling betrouwbaarder verloopt dan nu het geval is. Het is ook de opvolger van het sofinummer en daaraan gelijk als cijfercombinatie. Er zijn echter grote verschillen met het sofinummer op het punt van de juridische inbedding en van de technische hulpmiddelen. Als overheidsorganen bij gegevensuitwisselingen een persoonsnummer gebruiken, moeten zij het bsn gebruiken. Met het voorliggende wetsvoorstel is het niet meer nodig om het gebruik van het bsn door de overheid steeds opnieuw te regelen, wat bij het sociaal-fiscaal nummer wel moet. Voor het gebruik van het bsn door organisaties die geen overheidsorgaan zijn, geldt hetzelfde als nu voor het gebruik van het sofinummer; er moet daarvoor een wettelijke grondslag zijn.

Wat is het bsn niet? Het bsn is een belangrijke bouwsteen, maar het moet niet worden overschat. Het maakt geen nieuwe uitwisselingen van gegevens mogelijk. Het is de bestaande wet- en regelgeving die bepaalt of een bepaalde uitwisseling van gegevens is toegestaan. Ik zeg dit zo nadrukkelijk omdat bestanden die ook nu al worden gekoppeld, worden gekoppeld op basis van bestaande wet- en regelgeving waarbij de Kamer steeds betrokken is geweest. Met de introductie van het bsn wordt ook niet veranderd wie welke gegevens mag inzien. Ook hierbij is het de bestaande regelgeving die dit bepaalt. Het bsn zorgt niet voor een nieuw bestand waarin alle gegevens van de burgers zijn opgeslagen en het laat bestaande verantwoordelijkheden intact. De belastingaanslag blijft dus de zaak van de belastinginspecteur. Het bsn is ook geen sleutel waarmee toegang wordt verleend tot gegevens, net zo min als de naam van een persoon een sleutel tot gegevens vormt.

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Tan vestig ik er de aandacht op dat het bsn ook de eenmalige gegevensverstrekking niet regelt. Die gebeurt stapsgewijs door invoering van een aantal basisregistraties. In het kader van dit wetsvoorstel is er dus ook geen visie gegeven over de eenmalige gegevensverstrekking. Het is de inzet van de regering om de eenmalige gegevensverstrekking met behulp van de basisregistraties te realiseren. Daarvoor zijn wetsvoorstellen gemaakt die per basisregistratie duidelijk maken hoe er met de gegevens in zo'n basisregistratie wordt omgegaan. Hierbij komt ook aan de orde welke organisaties de gegevens mogen inzien, hoe het staat met het corrigeren van fouten en welke voorwaarden aan het gebruik zijn verbonden. Ik wijs er dus op dat de eenmalige gegevensverstrekking langs een andere lijn loopt dan de realisatie van het bsn.

Het voorgaande ging over wat het bsn niet is. Ik kom nu op de vraag waarom een bsn nodig is. Het sociaal-fiscaal nummer is uit zijn voegen gegroeid. Het wordt nu door heel veel organisaties gebruikt zonder dat het daarop is berekend. De juridische inbedding moest worden verbeterd en de techniek moest worden vernieuwd. Dat was ook nodig omdat er in het verleden fouten zijn gemaakt doordat het sociaal-fiscaal nummer niet toereikend is. Er zijn nieuwe regels gemaakt voor de toekenning en het juiste gebruik. Ik zie dit wetsvoorstel dus echt als een verbetering van de oude wetgeving. Het is bovendien een noodzakelijke verbetering.

Het bsn levert dus niet alleen de broodnodige vernieuwing van het sofinummer, het is ook een belangrijke bouwsteen voor de elektronische overheid. De gegevensuitwisseling met de basisregistraties kan met het bsn betrouwbaarder plaatsvinden. Het is ook een hulpmiddel om het elektronisch verkeer tussen burger en overheid te ondersteunen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de verbeterde dienstverlening door de overheid aan de burger.

Ik kom op het bsn in de zorg. Er komt een dossier waarmee de waarnemend huisarts de gegevens van de eigen huisarts van de patiënt kan raadplegen.

Door het elektronisch medicatiedossier hoeft de patiënt niet meer tegen zijn specialist te herhalen welke medicijnen een andere arts heeft voorgeschreven. Het wetsvoorstel voor het gebruik van het bsn in de zorg maakt het mogelijk dat voor deze dossiers het bsn wordt gebruikt. Dat reduceert de kans op vergissingen en de daaruit voortvloeiende onnodige ziekenhuisopnames en andere complicaties. Om dat mogelijk te maken, moet het burgerservicenummer wel zijn geregeld, want anders kan dat niet. Minister Klink heeft mij daar ook al een aantal keren op gewezen. Daarom wordt dat bsn naar ik hoop vandaag geregeld.

Sinds 1986 heeft iedere belastingbetaler een fiscaal nummer. Het gebruik van dit nummer heeft zich snel uitgebreid naar de sociale zekerheid. Sinds 1988 heeft het nummer de naam sociaal-fiscaal nummer. Verdere uitbreiding naar andere sectoren volgde. Tegenwoordig wordt het nummer in praktisch de gehele overheid gebruikt. Buiten de overheid wordt het door uiteenlopende organisaties gebruikt, zoals pensioenfondsen en ziektekostenverzekeraars. Elke werkgever gebruikt het nummer bij het verstrekken van salarisgegevens aan de Belastingdienst. Het komt ook voor dat het sofinummer onder een andere naam wordt gebruikt, bijvoorbeeld in het onderwijs. Daar wordt het nummer aangeduid als het persoonsgebonden nummer voor het onderwijs. In 2002 is door de Tafel van Van Thijn een advies uitgebracht over de vernieuwing van het persoonsnummerbeleid. In dat advies wordt onderkend dat er behoefte is aan één persoonsnummer, met daarnaast de mogelijkheid tot sectorale nummers wanneer daarvoor een duidelijke noodzaak bestaat. Dit advies is in de daaropvolgende jaren verder uitgewerkt. De hoofdlijn van het advies is gevolgd, al komen er wel minder sectornummers dan in het advies werd verwacht. De toegevoegde waarde van een apart nummer voor de zorgverlening bleek niet helder. Daarvoor is een afzonderlijk wetsvoorstel voorbereid dat het gebruik van het bsn in de zorg mogelijk moet maken. Het sectorale nummer voor de strafrechtketen, dat Van Thijn voorzag, blijft wel bestaan. Ook hiervoor is een wettelijke regeling in voorbereiding.

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, verklaart zij de invoering van het burgerservicenummer uit het feit dat het sociaal-fiscaal nummer is vastgelopen, omdat dit te weinig ruimte biedt. In haar betoog daarna gaf zij aan dat het sociaal-fiscaal nummer inmiddels in alle sectoren is gaan functioneren als ware het een burgerservicenummer. Ik hoor de staatssecretaris dus eigenlijk zeggen dat het bsn gewoon een en andere naam is voor het sociaal-fiscaal nummer en dat al het andere nog een keer wordt verklaard in sectorale wetgeving.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het sociaal-fiscaal nummer heeft in de loop van de tijd een geweldige ontwikkeling doorgemaakt. Als je kijkt naar de vormgeving, moet je echter constateren dat de juridische en technische inbedding niet goed genoeg zijn om het nummer in andere sectoren te laten werken. Het is echter wel belangrijk om één nummer te hebben voor de dienstverlening door de overheid. Dat wordt nu mogelijk gemaakt. Ik kom straks terug op de toepassing van de sectorwetgeving, maar wij zorgen nu voor een verbeterd nummer als je kijkt naar de juridische en technische grondslag. In dit wetsvoorstel regelen wij eigenlijk: er zij een nummer!

De heer Thissen (GroenLinks):

Maar het sociaal-fiscaal nummer werkt al, ook in tal van andere sectoren.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Juridisch en technisch is dat nummer echter niet goed geregeld. In dit wetsvoorstel is dat wel het geval.

De heer Thissen (GroenLinks):

Iedereen die nu een sociaal-fiscaal nummer heeft, behoudt hetzelfde nummer, maar dat wordt dadelijk het burgerservicenummer.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja.

De heer Thissen (GroenLinks):

Dan vind ik dat ongelooflijk veel ophef voor zo iets simpels.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Daarom ben ik blij met de mondelinge bespreking vandaag van dit wetsvoorstel, want het heeft een heel lange geschiedenis. Gisteren kwam af en toe naar voren dat dit wetsvoorstel een geschiedenis van slechts enkele maanden heeft, de periode waarin ik ben aangetreden, maar het heeft een uitgebreide geschiedenis. Ik ben daar ook op ingegaan. Door dit gesprek hoop ik dat de ideeën eromheen niet groter worden dan ze zijn, want de heer Thissen heeft wat dat betreft een goede conclusie getrokken. Het gaat om de dienstverlening en de privacy. Die worden nu beter ingebed dan in het verleden het geval was.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter. Kan de staatssecretaris iets exacter aangeven wat de problemen met het sofinummer waren? In het advies van de Raad van State van juli 2005 staat dat een en ander juridisch heel simpel oogt, maar dat de maatschappelijke implicaties enorm kunnen zijn, met de navenante risico's. Wat wordt er aan problemen met het sofinummer opgelost door het introduceren van dit nieuwe burgerservicenummer? Overigens heeft het wetsvoorstel inderdaad al een langere voorgeschiedenis.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik kom daar straks uitgebreider op terug, want het gaat om een aantal juridische en technische problemen. Het technische stelsel rondom het sofinummer was in ieder geval niet dusdanig opgebouwd dat sprake zou kunnen zijn van de explosieve groei die zich toch heeft voorgedaan. Ook op de kwestie van de privacy kom ik terug.

Ik ga eerst in op wat er gebeurt als het bsn niet doorgaat. Dat heeft een aantal consequenties. De zo benodigde vernieuwingen op technisch en juridisch gebied blijven dan achterwege. Ook de verbetering van de dienstverlening door de overheid wordt dan complexer, moeizamer en duurder. Er moet een nieuwe oplossing worden gevonden voor het gebruik van de persoonsnummers in de gezondheidszorg. Zonder de verbeteringen van het bsn is het sociaal-fiscaal nummer hier niet goed voor in te zetten. Dat geeft een aanzienlijke terugslag als het gaat om de stroomlijning van de zorg door de inzet van ICT. Wat voor de zorg geldt, is verder ook van toepassing op andere gebieden waar rekening wordt gehouden met de komst van het bsn. Ik wijs op het digitaal klantendossier voor de sociale zekerheid en de verwijsindex voor risicojongeren. Men zal voor meer toepassingsgebieden op zoek moeten naar nieuwe oplossingen als dit niet wordt geregeld. Zonder het bsn ontstaat grote druk op het sofinummer, zonder de benodigde garanties en waarborgen voor een goed gebruik van het nummer. Dat regelen wij namelijk in deze wet. Zonder het bsn blijft het risico op fouten en andere complicaties aanwezig. Ik vind dat ook van groot belang voor de burger. Gistermiddag werd gesteld dat alleen sprake was van een ICT-belang, maar juist dat soort zaken is van groot belang voor de burger.

De zaak is in zoverre niet goed geregeld dat het nu voorkomt dat er dubbele nummers voor één persoon zijn en dat verschillende personen hetzelfde nummer hebben. De vergewisplicht is bij het sofinummer niet goed geregeld, het is ook niet bedoeld voor het gebruik dat wij er uiteindelijk van willen maken. Ook het beheer is niet goed genoeg geregeld en er zullen bij het bsn betere voorzieningen voor het vergewissen zijn. Daarnaast is de controle op het gebruik in het wetsvoorstel beter geregeld. Naar mijn vaste overtuiging zijn dit punten die ook mevrouw Tan goed geregeld zou willen zien; het sofinummer is daar niet geschikt voor.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter, ik hoorde de staatssecretaris al eerder zeggen dat dit wetsvoorstel onder andere bedoeld is om waarborgen voor goed gebruik van het nummer te geven. Het gaat dus niet alleen om het regelen van de manier waarop het bsn wordt aangemaakt en beheerd, maar ook om goed gebruik van dit nummer. De toezichtfunctie is een van de middelen om dit te waarborgen. Ik wilde dit even vastleggen omdat de discussie steeds gaat over het gebrek aan duidelijke normen voor een goed gebruik van het bsn.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik kom op het hele toetsingskader nog afzonderlijk terug, want dat is een van de hoofdonderwerpen in de bijdragen van de Kamer.

Er zijn nog een paar dingen beter geregeld dan bij het sofinummer. Door het bsn op te nemen in de GBA is ook de rechtsbescherming beter: een klacht indienen, beroep aantekenen en in hoger beroep gaan wordt in dit stelsel beter geregeld. Ik denk dat dit ook in het belang van de burger is. En door de gekozen opzet wordt het gebruik van het bsn transparanter.

Mevrouw Ten Horn (SP):

U zegt nu dat wij eigenlijk sluipenderwijze van het sofinummer naar het bsn zijn gegaan, door het sofinummer steeds verder uit te breiden. Ik wil wel geloven dat er nu betere garanties worden ingebouwd, maar u zegt steeds dat het bsn de situatie niet verandert, alleen verbetert. Nu heb ik vannacht in een hotel gelogeerd en ik weet dat ik dan als enige de sleutel van mijn kamer heb, behalve het kamermeisje. Bij instellingen werkt men met een opschaling van sleutels en men is zeer behoedzaam met het verstrekken van de sleutel die op alle deuren past; die wordt maar aan één of twee personen uitgegeven. Bent u er nog steeds van overtuigd dat wij bij de overgang van het sofinummer naar het bsn niets veranderen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het wordt één nummer, een uniek nummer. Ik heb zojuist aangegeven welke dingen wij veranderen, maar wij verbeteren nadrukkelijk ook een aantal dingen, ook voor de burger.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Maar denkt u nu dat er iets verandert bij de overgang?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja, er verandert wel degelijk iets, maar ik zoek eigenlijk nog naar een betere vergelijking dan die van de sleutel van een hotelkamer. Zowel technisch als juridisch wordt deze voorziening beter vormgegeven, het gaat om één nummer dat beter beveiligd is en waarbij meer toezicht mogelijk is.

De heer Engels (D66):

Ik wil u wel even tegemoetkomen. Een van de aspecten die ik in het dossier heb aangetroffen, is dat het burgerservicenummer vooral een aanknopingspunt is om te komen tot een meer doelmatig en doeltreffend werkende overheid. Als de overheid doelmatiger, doeltreffender en wellicht ook slagvaardiger kan werken, dan is dat een belang dat maatschappelijk ook hoog moet worden aangeslagen, nog afgezien van de voordelen voor de burger die u aangaf.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Daar ben ik het mee eens.

De heer Franken (CDA):

De sleutel die mevrouw Ten Horn noemde, is best een goed voorbeeld. Alleen zij krijgt die sleutel mee en het burgerservicenummer is ook maar voor één persoon bedoeld. Het gaat er alleen om hoe de sleutel verder gebruikt wordt, en daarvoor worden in dit wetsvoorstel echt materiële normen aangegeven. Deze zijn te vinden in de artikelen 8 tot en met 12, terwijl artikel 16 nog een delegatiemogelijkheid bevat; ik heb dit uitgebreid aangegeven. Dit vormt een grote verbetering en mevrouw Ten Horn hoeft hierdoor minder bang te zijn dat haar sleutel in andere handen komt. En het grote voordeel is dat zij bij binnenkomst na het noemen van haar naam meteen haar sleutel krijgt; zij hoeft verder geen gegevens meer te verstrekken. De dienstverlening gaat er dus wel degelijk op vooruit.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ook hiermee ben ik het eens, ik vroeg me alleen af of de vergelijking met die sleutel wel juist is. Ik denk dat het wel goed is om er nog even de nadruk op te leggen dat het bsn geen sleutel is waarmee toegang tot gegevens verkregen kan worden, evenmin als een naam of een huisnummer een sleutel tot gegevens is. De toegang tot gegevens wordt geregeld met autorisaties in sectorspecifieke wetsvoorstellen, met behulp van wachtwoorden etc. Wij regelen met het wetsvoorstel een betere vormgeving dan bij het sofinummer. Dit is toch wel een grote stap vooruit.

De heer Thissen (GroenLinks):

Wat is dan dat betere?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat heb ik zojuist opgesomd.

De heer Thissen (GroenLinks):

Dat is dan in ieder geval voor mij niet overtuigend.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het beheer wordt beter geregeld dan bij het sofinummer.

De heer Thissen (GroenLinks):

Maar kunt u dan een voorbeeld geven waaruit blijkt dat het fout zou gaan als wij bij uitbreiding van de toepassing van het sofinummer dat nummer niet omzetten naar het burgerservicenummer?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Er zijn voorbeelden van meer personen met hetzelfde nummer en in dit wetsvoorstel regelen wij een vergewisplicht. Dat is ook een belangrijk punt. Verder noem ik: een beter beheer en voorzieningen voor het vergewissen van gegevens. Dat laatste is noodzakelijk wil men kunnen spreken van een goede regeling. Deze punten vormen voor mij aansprekende voorbeelden en zij zorgen voor een betere service voor de burgers.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik wil u echt wel geloven, want wie ben ik om de woorden van een staatssecretaris in twijfel te trekken. Echter, hoogleraar Prins zegt nu juist dat het bsn, net als het fiscaal nummer, identiteitsfraude zou moeten uitsluiten, maar dat de paradox is dat het bsn identiteitsfraude kan bevorderen. Met andere woorden: identiteitsfraude sluit je nooit uit. Dat kon niet met de invoering van het sociaal-fiscaal nummer en dat kan ook niet met de invoering van het burgerservicenummer, ondanks de vergewisplicht.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Je kunt wel tot een verbetering komen.

De heer Franken (CDA):

Er zijn natuurlijk allerlei manieren om identiteitsfraude te plegen. Het aantal manieren om te frauderen neemt toe en in zekere zin is dat goed, want daaruit blijkt dat de mensen intelligent zijn. Zij bedenken steeds iets nieuws. Wij kunnen weer iets bedenken om nieuwe manieren van fraude te voorkomen. Zo houden wij elkaar bezig, en dat is goed. Men kan echter niet zeggen dat de identiteitsfraude erg zal toenemen door het gebruik van het burgerservicenummer. Integendeel.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Inderdaad. Het is juist de bedoeling dat de identiteitsfraude afneemt. Dat is ook het doel van de indiening van dit wetsvoorstel.

Voorzitter. Ik wil voorts iets zeggen over de positie van de burger. Alle woordvoerders hebben aangedrongen op een sterke voorziening, een voorziening die ervoor zorgt dat de burger niet het slachtoffer van fouten wordt. Mevrouw Swenker vroeg om de instelling van een onafhankelijk contactpunt dat namens de burger moet kunnen controleren of er juist is gehandeld en of fouten zijn hersteld. De heer Franken sprak over een instantie met een doorzettingsmacht om de integriteit van het systeem te herstellen. De heer Engels had het over de noodzaak van een sterke ombudsvoorziening en ook de andere sprekers hebben op de een of andere manier om een goede voorziening voor de burgers gevraagd.

Ik meen dat de term ombudsfunctie in dit verband niet zo gelukkig is gekozen. Een ombudsman heeft namelijk geen doorzettingsmacht. Ter illustratie noem ik het klachtrecht. Daarbij ontbreekt de functie van een doorzettingsmacht. Wel wil ik, zeg ik nadrukkelijk in de richting van mevrouw Swenker, een goede voorziening voor de burger. Zo'n voorziening versterkt het vertrouwen van de burger. Ik wil nagaan hoe wij zo'n voorziening op een verstandige manier kunnen inrichten en op een manier die past bij ons bestuurlijk stelsel. Ik ben wat dat betreft heel blij met de inbreng van de kant van de Kamer, omdat die mij de gelegenheid biedt om mijn stelling te verduidelijken.

Ik wijs er dan op dat als een burger meent dat een overheidsorgaan op basis van verkeerde gegevens een besluit neemt, die burger in eerste instantie contact moet opnemen met het desbetreffende overheidsorgaan. Ik neem aan dat de leden het met het aanhouden van deze volgorde eens zijn. Als wij tot een voorziening voor de burger komen, moet wel sprake zijn van een instantie die doorzettingsmacht heeft en die het overheidsorgaan op het rechte spoor kan zetten. Naar mijn idee is dat allereerst de rechter en meestal de bestuursrechter. Dat men allereerst naar de bestuursrechter gaat, past bij ons stelsel en ik meen dat wij dit moeten handhaven.

De woordvoerders zullen evenwel van mening zijn dat alleen de mogelijkheid van het inschakelen van de bestuursrechter niet voldoende is. Volgens mijn analyse ontbreken inderdaad nog twee elementen. De burger zal ook ondersteuning moeten krijgen bij het corrigeren van zijn gegevens. Die feitelijke ondersteuning kan ervoor zorgen dat hij niet de weg kwijtraakt in de overheidsbureaucratie. Hiervoor wil ik een contactpunt inrichten, zoals ik in de schriftelijke voorbereiding heb geschreven. De woordvoerders hadden het met hun inbreng over een servicepunt. Mevrouw Ten Horn noemde dat heel nadrukkelijk. Ik wil een burgerservicepunt inrichten bij het agentschap BPR. Dat agentschap werkt onder mijn verantwoordelijkheid en heeft kennis van zaken. Het burgerservicepunt is er echt voor de burger en mijn mensen van BPR zullen zich voor de burger inzetten.

Is dan voldoende verzekerd dat de gegevens daadwerkelijk gecorrigeerd worden? Hierover spraken onder anderen mevrouw Swenker en mevrouw Tan. Er is gevraagd om een onafhankelijk orgaan in te stellen. Ik zie dan een rol voor het College Bescherming Persoonsgegevens. De rol van dit college is gebaseerd op de Wet bescherming persoonsgegevens. Het college heeft de bevoegdheid om op verzoek te bemiddelen of te adviseren als een burger een geschil heeft over de gegevensverwerking. Het college is bovendien in staat om op te treden tegen onrechtmatige gegevensverwerking. Ik wijs met name op de bevoegdheden van het college om bestuursdwang toe te kunnen passen of om een last onder dwangsom op te leggen. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft dus in tegenstelling tot een ombudsman een doorzettingsmacht. Dat laatste werd het meest nadrukkelijk genoemd door de heer Franken.

De vraag is vervolgens: heeft het college al de mogelijkheid om dit werk te doen? Het spreekt vanzelf dat het college in staat gesteld moet worden om deze werkzaamheden naar behoren uit te voeren. Ik heb goed geluisterd naar wat de leden hebben gezegd. Ik stel daarom voor om hierover klaarheid te bieden. Ik zal overleg plegen met de minister van Justitie. Hij is namelijk de eerste ondertekenaar van de Wet bescherming persoonsgegevens. Verder zal ik overleg plegen met de voorzitter van het college. Ik zal mij er nadrukkelijk voor inzetten dat er voldoende capaciteit is om deze taak uit te voeren.

In dit verband wijs ik erop dat de Wet bescherming persoonsgegevens wordt geëvalueerd. Daarbij zou meer structureel aandacht besteed kunnen worden aan de werkzaamheden van het college voor het gebruik van persoonsgegevens.

Het is naar mijn mening niet zinnig om de werking van het burgerservicepunt reeds na een jaar te evalueren. Met name mevrouw Swenker sprak over de evaluatie, maar ook anderen hebben dat gedaan. Ik vind een evaluatie na een jaar dus te vroeg. Het is beter om na een aantal jaren een evaluatie uit te voeren, dus als de organisaties en de burgers voldoende ervaring met het burgerservicenummer hebben opgedaan. Ik meen dat de termijn van vier jaar is genoemd. Ik wil de Kamer toezeggen om na die termijn een evaluatie uit te voeren. Op die manier heeft het burgerservicepunt de kans om te functioneren en valt er niemand tussen wal en schip.

Mevrouw Swenker (VVD):

Ik hoop dat alle sectorwetten dan gereed zijn, maar ik wil nog een vraag stellen om na te gaan of ik u goed heb begrepen. U zegt dat bij BBR een contactpunt zal worden ingericht. Dat gaat de burger helpen en ondersteunen. Het BBR heeft echter geen doorzettingsmacht. Als de burger dus klachten blíjft houden, moet hij een proces beginnen bij de bestuursrechter.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik heb voor een geheel andere volgorde gekozen. Ik heb gezegd dat in eerste instantie de bestuursrechter in beeld komt. De gang naar de bestuursrechter is dus de eerste weg die bewandeld moet worden. De tweede weg is de weg waarlangs de burger geholpen wordt. Op die tweede weg bevindt zich het BPR.

Mevrouw Swenker (VVD):

Waaruit bestaat dat helpen dan?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ervoor zorgen dat de burgers niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Het burgerservicepunt is er voor de burgers. Daar kunnen zij melden waar zij tegenaan lopen, maar het is ook mijn bedoeling om hen te helpen, zodat zij niet met fouten geconfronteerd worden. Daar is in die zin geen doorzettingsmacht aan gekoppeld. Mensen worden bij de hand genomen. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft wel doorzettingsmacht, want dat kan bestuursdwang toepassen, lasten onder dwangsom opleggen et cetera. Het CBP heeft dus echt doorzettingsmacht. Zo is dat ook geregeld in de WBP.

Mevrouw Swenker (VVD):

Dan hebben wij dus nog twee kastjes aan de muur hangen. Het eerste kastje is: naar het contactpunt gaan dat mij helpt en dat kennelijk – als ik dat zelf niet kan vinden – voor mij opspoort waar de fout heeft plaatsgevonden en welke gebruiker een fout heeft gemaakt die al dan niet verder in de keten terecht is gekomen. Het tweede kastje is: als die gebruiker getraceerd is, moet ik tegen die gebruiker zeggen dat hij fout is en dat hij de fout moet corrigeren. Als hij dat na verloop van tijd niet doet, ren ik naar de heer Kohnstamm en de zijnen, die dan uitgerust zijn voor hun nieuwe taak. Zij zeggen dan tegen die gebruiker: foei, gij zult corrigeren. Heb ik dat goed begrepen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het is niet helemaal een nieuwe taak. Verder hebt u het goed begrepen. Het CBP kan dat volgens de wet ook nu al doen. Wij gaan wel bekijken of het CBP qua capaciteit voldoende is toegesneden op die taak, maar dat is een ander punt. Daar wil ik mij voor inzetten en in die zin heb ik u goed gehoord.

De heer Franken (CDA):

Het bewandelen van de ene weg moet natuurlijk geen voorwaarde zijn voor het kunnen bewandelen van de andere weg. De burger vindt het altijd lastig om naar de bestuursrechter te gaan. Hij moet dus naar het burgerservicepunt kunnen gaan. Daar wordt het een en ander in gang gezet. Ik neem aan dat het burgerservicepunt het CBP dan zelf kan inlichten, zodat die burger daar niet zelf naar toe hoeft. Pas als dat allemaal helemaal verkeerd loopt en als de burger ontevreden blijft, hoeft hij de moeilijkere stap te zetten om naar de bestuursrechter te gaan. De ene weg is dus niet een voorwaarde voor de andere weg. De burger mag kiezen; hij mag denken dat het puntengedoe hem niet aanspreekt en dat hij daarom meteen naar een echte bestuursrechter gaat. U biedt hem dus de volledige mogelijkheid om alles in orde te laten maken, zodat via dat burgerservicepunt ook de doorzettingskracht bestaat om het systeem qua integriteit te herstellen. Dat is voor mij het belangrijke punt in dit debat.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

U hebt gelijk: de burger mag de weg natuurlijk altijd kiezen. Ik maakte uit uw inbreng, ook in de schriftelijke voorbereiding, op dat het zo makkelijk mogelijk moet worden gemaakt voor de burger. Dat is het achterliggende idee en daarvoor is het burgerservicepunt heel nadrukkelijk bedoeld, want dat neemt de mensen aan de hand. De mensen kunnen, als zij dat willen, ook naar het CBP gaan. De burger blijft in dit geval immers altijd leidend en maakt de keuzes. Ik zeg nadrukkelijk dat het CBP doorzettingsmacht heeft. Dat is ook in de huidige wet zo geregeld. U kunt daar bij de evaluatie natuurlijk het uwe nog over zeggen. Mevrouw Tan zei dat er op dat punt onvoldoende mogelijkheden zijn, maar ik zou niet weten waarom, want het CBP heeft op dit punt doorzettingsmacht. De heer Franken en mevrouw Swenker hebben daar nadrukkelijk naar gevraagd. Een combinatie van die dingen lijkt mij de burgers de meeste zekerheid te bieden dat de doorzettingsmacht is geregeld. Enerzijds worden de burgers bij de hand genomen en begeleid en anderzijds heeft het CBP die doorzettingsmacht in de wetgeving, ook al in de huidige wetgeving.

Mevrouw Tan (PvdA):

Deze kwestie is cruciaal. Ik krijg dus graag nog even de puntjes op de i. Misschien is het deels een herhaling, maar ik wil in deze discussie volledige duidelijkheid. Wanneer een burger in problemen komt omdat hij fouten meent te constateren, kan hij – nog los van de juridische mogelijkheden – meteen naar het burgerservicepunt bij het agentschap BPR gaan. Dat valt uiteindelijk onder de verantwoordelijkheid van de regering. Dat burgerservicepunt verwijst de burger niet door, maar zoekt in het hele systeem uit waar die fout is gemaakt. Wanneer dat boven tafel is, heeft dat agentschap dan de mogelijkheid om te zeggen dat die fout moet worden hersteld?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat kan wel gezegd worden. Dat moet de burger eigenlijk samen met dat agentschap zeggen. Daar zit het punt: als de fout niet hersteld wordt, wie heeft dan de doorzettingsmacht? Dat was de vraag van mevrouw Swenker, die daar ook een paar beeldende voorbeelden bij gaf. Die doorzettings­macht ligt bij het CBP.

Mevrouw Tan (PvdA):

Als de burger eerst de praktische, feitelijke weg zoekt, is het burgerservicepunt dus behulpzaam bij het vinden van de plek in het hele oerwoud. Dan kan die fout echter nog niet worden hersteld.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat kan wel.

Mevrouw Tan (PvdA):

Jawel, als iedereen meewerkt, maar wij gaan nu natuurlijk even uit van het problematische geval. Als iedereen meewerkt, hoeven wij er verder niet moeilijk over te doen. Als er niet wordt meegewerkt om de fout te herstellen, houden de mogelijkheden van het burgerservicepunt op. Dan is de burger genoodzaakt om een semi-juridische procedure te starten door aan het CBP, dat doorzettingsmacht heeft, te vragen om te bewerkstelligen dat die fout alsnog wordt hersteld; daarbij ga ik ervan uit dat de burger gelijk heeft. Heb ik dat goed begrepen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja. Nou ja, "is genoodzaakt"... Het CBP heeft de doorzettingsmacht om lasten onder dwangsom op te leggen. Dat kan een heel hoog bedrag zijn, want dat is niet gereguleerd. Daarmee kan dat hersteld worden.

Mevrouw Tan (PvdA):

Dat betekent dat de burger, om de zaak echt opgelost te krijgen, twee instanties langs moet en dat de staatssecretaris ons toezegt dat beide instanties voldoende worden gefaciliteerd en geoutilleerd om dit soort taken naar behoren te kunnen vervullen, zodat er geen wachtlijsten komen of wat dies meer zij.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het hoeft niet via twee instanties te gaan. Men kan ook direct naar de bestuursrechter of naar het CBP. De burger blijft natuurlijk zelf zijn keuzes maken. Het hoeft op zich dus niet, maar de woordvoerders hadden op dit punt steeds twee delen in hun betogen. Enerzijds ging het om het bieden van een helpende hand.

De heer Thissen (GroenLinks):

Een loods!

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ja, een loods, een gids, die de mensen aan de hand neemt. Dat aspect onderken ik en daarvoor is het contactpunt voldoende geoutilleerd. In de schriftelijke voorbereiding werd gedacht dat dat alleen een telefoonnummer zou zijn, maar daar zijn fysiek mensen aanwezig die dit kunnen doen. Anderzijds: als dat niets oplost, kom je op het punt van de doorzettingsmacht. Daar is het CBP voor en dat is daar op dit moment ook al voor geoutilleerd. Ik heb al gezegd dat ik met de minister van Justitie en met de heer Kohnstamm zal bespreken of het CBP inderdaad voldoende capaciteit heeft voor die taak. Dat kan bij de evaluatie van de WBP worden betrokken. Ik kan nu niet toezeggen dat het CBP daar op dit moment helemaal voldoende voor geoutilleerd is, want ik ga niet over het CBP. Ik ga daar wel van uit, want dit is nu een normale taak van het CBP.

De heer Engels (D66):

Dat zijn heel belangrijke opmerkingen, maar er is een duister onderdeel in het betoog, namelijk de positie van de bestuursrechter. Die hebt u genoemd als derde element, dat zou waarborgen dat wij oplossingen verzinnen die passen in het geldende systeem of de geldende bestuurlijke systematiek. Mij is niet helemaal duidelijk hoe sterk de rol van de bestuursrechter kan zijn als de burger in problemen komt door een onjuiste verwerking van zijn gegevens. Ik begrijp het servicepunt bij het agentschap en ik begrijp de rol van het CBP. Ik vraag mij af wat de bestuursrechter, die toch alleen in actie komt als er echt een besluit is genomen door een overheidsorgaan, voor de burger zou kunnen betekenen. Heeft de bestuursrechter een significante rol of is hij uiteindelijk niet meer dan een vangnet voor het geval dat er besluiten zijn genomen door andere organen waarmee de burger niet uit de voeten kan?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Naar mijn opvatting heeft de bestuursrechter een significante rol. Het gaat hier steeds om het geval dat de burger meent dat een overheidsorgaan op basis van verkeerde gegevens tot een besluit is gekomen. Daarin heeft de bestuursrechter natuurlijk een heel nadrukkelijke rol te spelen. Dat is de eerste rol die de bestuursrechter heeft. Het gaat hier steeds over het gebruik van de gegevens dat leidt tot een besluit van een overheidsorgaan. De bestuursrechter is het geëigende orgaan om dat aan te kaarten.

De heer Thissen (GroenLinks):

En al die tijd wacht de burger op de overheidsdienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat de burger al die tijd wacht op toekenning van een uitkering, omdat er ergens een fout is geslopen in de gegevensadministratie als gevolg van zijn of haar burgerservicenummer dan wel dat er een fout zit in het burgerservicenummer zelf en de burger geen gegevens gekoppeld krijgt die voor hem of haar zijn. Ondertussen staat de woningbouwcorporatie op de stoep in de persoon van een deurwaarder of staat een nutsbedrijf op de stoep om gas, water of licht af te sluiten. Met andere woorden, het kan rampzalig zijn in de kleine wereld van het individu, ondanks het steunpunt bij het agentschap, ondanks het College Bescherming Persoonsgegevens en ondanks de bestuursrechter. Het kan maanden duren voordat zo'n fout is hersteld. Al die maanden heeft die burger in het ergste geval geen uitkering om de huur, energielasten en dergelijke van te betalen. Ik wil graag dat de staatssecretaris samen met de minister van Justitie met een voorstel komt voor de termijnen die eraan worden verbonden en aangeeft binnen welke termijn de burger eventueel wordt geacht fictief de dienstverlening te krijgen.

Als je als overheid zelf de fout hebt gemaakt en dit na maanden blijkt, kan het niet zo zijn dat de burger alvast in zijn of haar eigen kleine wereld de rekening heeft betaald. Met andere woorden, ik wil graag dat de staatssecretaris termijnen verbindt aan de regeling van dat coachingbureau of dat agentschap alsook aan wat het CBP kan bewerkstelligen voor de burger en ik wil dat er anders sprake is van fictieve toekenning van de overheidsdienstverlening.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Als u het goedvindt, denk ik over dit punt na en zal ik daarop in de tweede termijn terugkomen. Er zit ook een nadeel aan, namelijk als de burger niet de juiste gegevens heeft verstrekt. Dat is de andere kant. Ik ben in het algemeen niet zo voor fictieve dienstverlening, want stel dat de gegevens niet goed waren...

De heer Thissen (GroenLinks):

De overheid is altijd sterker dan die ene kwetsbare burger

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat ben ik met u eens. Daarom heb ik het in dit geval ook zo zorgvuldig mogelijk opgebouwd en heb ik gezegd dat ik in uw betoog twee kanten zag: het helpen en de doorzettings­macht. Op beide kanten ben ik ingegaan. In mijn vorige leven heb ik ervaring met burgers die niet zo goedwillend waren. Vandaar dat ik daar niet voor ben.

De heer Thissen (GroenLinks):

Wij moeten eens afleren om uit te gaan van het kleine percentage niet-goed­willende burgers bij het maken van regels voor alle 16 miljoen burgers.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

U weet helemaal niet of ik dat altijd doe.

De heer Thissen (GroenLinks):

Nee, maar ik krijg nu dit antwoord. Ik wil graag met u doorpraten over ervaringen uit uw vorige leven en dan wil ik ervaringen vertellen uit mijn huidige en vorige leven. Ik ga liever uit van vertrouwen, in ieder geval zodanig dat wordt voorkomen dat vele burgers straks in de problemen komen.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat ben ik over het algemeen met u eens. Ik ga ook uit van vertrouwen.

Mevrouw Swenker (VVD):

Ik heb even staan mijmeren. Soms moet iets even bezinken. U hebt gesproken over het servicepunt dat er komt. Dat had u al eerder toegezegd, dus dat is niets nieuws. U hebt gezegd dat de bestuursrechter kan worden ingeschakeld. Die bestaat ook al sinds jaar en dag. Dat is dus ook niets nieuws. U zegt voorts: problemen in het kader van de doorzettings­macht leggen wij bij het college. Dat is ook niets nieuws. In feite zijn er nog steeds drie kastjes. Wat is het nieuwe in wat u toezegt? Volgens mij hebt u allemaal dingen toegezegd die al bestaan of al zijn toegezegd.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dit is een mondelinge behandeling na de schriftelijke gedachtewisseling. Het is waar dat ik het servicepunt schriftelijk had toegezegd, maar ik kreeg gisteravond de indruk dat bij uw Kamer niet goed was overgekomen dat het werkelijk iets is wat aansluit bij wat hier naar voren is gekomen, dat wij daadwerkelijk mensen aan de hand nemen en dat het niet alleen maar een telefoonnummer is. Ik heb deze toezegging die ik schriftelijk heb gedaan nu uitgebreid met de toezegging om het in stand te houden en niet na een jaar te evalueren. Ik vind dat u gelijk hebt dat je dat niet na een jaar kunt evalueren. Daarnaast heb ik geschetst hoe die dingen in relatie tot elkaar staan. Ik zeg daarbij dat ik mij ervoor wil inzetten dat het CBP ook qua capaciteit in staat is om het goed te regelen.

Mevrouw Swenker (VVD):

Gisteravond was mijn punt dat mensen van het kastje naar de muur worden gestuurd. Ik heb gisteravond ook gezegd dat het bij de hand nemen van de burger via het servicepunt onvoldoende is. Ik wil een vloeiende lijn. Als het servicepunt heeft gerept van gebruiker X in ziekenhuis Y moet de burger zich afvragen of hij naar de rechter gaat of niet. Voor gewone burgers is de drempel voor de gang naar de rechter over het algemeen redelijk hoog. Ik heb gisteravond ook gezegd dat ik vind dat de rechter een taak heeft als partijen juridisch van mening verschillen en niet als er een fout is geconstateerd, want die moet gewoon worden hersteld in één rechte lijn. Daarvoor moet een vonnis van de rechter niet nodig zijn. Bovendien moet in uw voorstel die burger vervolgens nog naar een ander college om te vragen of de fout is gecorrigeerd. Dat is zo'n geval van de kastjes en de muur.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik vind dat in dat geval niet. U hebt nadrukkelijk naar twee zaken gevraagd. Dat is het lastige. Enerzijds hebt u gevraagd naar het helpen met de doorzettingsmacht. Ik ben het helemaal met u eens dat wij moeten proberen te voorkomen dat de burger van het kastje naar de muur wordt gestuurd, maar degenen die doorzettingsmacht hebben moeten wel hun werk doen. In dit geval gaat het daarbij om het CBP.

Mevrouw Tan (PvdA):

Wat ik ga zeggen, sluit niet helemaal maar wel enigszins aan bij wat collega Swenker zegt. Ik denk dat duidelijk is wat de bedoeling is bij de gang eerst naar het burgerservicepunt en vervolgens voor de doorzettingsmacht naar het college. Voor ons is niet duidelijk wat de functie is van de juridische procedure na het beroep op het college. Waarvoor moet de burger naar de rechter om alsnog gedaan te krijgen dat die fout wordt hersteld? Of is de gang naar de rechter bedoeld voor geschillen of problemen die zijn ontstaan naar aanleiding van fouten in dat nummer?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het kan zijn dat de gang naar de rechter helemaal niet nodig is. Ik heb gezegd dat men moet kijken naar de normale wettelijke procedures inzake besluiten van de overheid waarbij de bestuursrechter is betrokken. Als de andere lijn wordt gevolgd, is die lijn waarschijnlijk niet nodig. Het is een keuze die men kan maken.

Mevrouw Tan (PvdA):

Betekent dit, om de kastjes van mevrouw Swenker aan te halen, dat de burger kan kiezen tussen het ene kastje, de rechter, en dus de zware procedure met drempels en al, en het andere kastje, het burgerservicepunt, wel of niet wetend dat er, indien dit erin slaagt de fout op te sporen, nog een tweede stap nodig is naar het college?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

U doet allen of er automatisch een doorloop naar het college nodig is, maar dat hoeft niet. In de eerste fase van het helpen zou het ook wel opgelost kunnen worden. Wij doen nu net alsof er helemaal niets wordt opgelost, maar dat kan dus best en zal de tweede fase helemaal niet nodig zijn. Omdat u allen naar die doorzettingsmacht hebt gevraagd, heb ik u gezegd dat mijn mensen zich er in dat burgerservicepunt voor zullen inzetten dat die tweede stap ook niet nodig is. Zij zullen de burger dan ook zo veel mogelijk bij de hand nemen in de richting van het CBP zodat het een vloeiende lijn is. Het leek mij daarom redelijk aan te sluiten bij hetgeen mevrouw Swenker naar voren bracht. Het is dus daadwerkelijke hulp voor de gevallen die tussen de wal en het schip dreigen te vallen.

Mevrouw Tan (PvdA):

Dus het kan al door het burger­servicepunt zijn opgelost, maar als dat het niet kan, zal de burger door moeten gaan naar het CBP die dan die doorzettingsmacht kan toepassen, zodat de burger niet meer naar de rechter hoeft.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Het zijn twee aparte procedures, maar de burger hoeft dan in ieder geval niet meer naar de rechter.

De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Ik ga maar even door met de kastjes van mevrouw Swenker. In onze Grondwet staat dat men altijd naar de rechter kan. Men hoeft zich dus niet in een bepaald kastje te laten stoppen of te wurmen, maar een verstandige burger zal dat ook niet vaak doen, zeker niet als de staatssecretaris zorgt voor een "kastje" bestaande uit het burgerservicepunt met verstandige mensen. Ik heb heel scherp geluisterd en heb de staatssecretaris horen zeggen dat dit burger­servicepunt een contactpunt is, maar dat daar niet alleen iemand achter een loket zit die maar wat vragen stelt en zegt dat betrokkene nog maar eens terug moet komen, maar dat dit iemand is die dichtbij de beheervoorziening van het bsn zit. Als hij geconfronteerd wordt met een klacht, belt hij de beheervoorziening bsn op en vraagt hij om te bezien waar die eventuele fout zit en om ervoor te zorgen dat die hersteld wordt voordat de betrokken burger weer naar huis gaat. Er wordt dan inderdaad onmiddellijk aan gewerkt, dus helemaal niet over zes weken terugkomen. Het is het bewerken van het systeem om te proberen dat weer integer te maken. Dat kun je bij automatiseringssystemen nooit helemaal garanderen, want er kan weer een verschil over een ander gegeven ontstaan, Maar, er wordt in ieder geval een inspanning gepleegd om ervoor te zorgen dat het systeem werkelijk integer is.

De voorzitter:

De staatssecretaris knikt instemmend.

Mevrouw Swenker (VVD):

Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Als wij dat kastje en die muur ook willen voorkomen, plaats het servicepunt dan maar direct bij het college. Het kan wel gaan kijken, maar het is nog de vraag of het alle gegevens mag inzien, laat staat veranderen. Denk maar aan andere gebruikers, zoals de gezondheidszorg, de sociale zekerheid. Het stelt dus lang niet altijd iets voor.

Als er al een vloeiende lijn is, zou ik die het liefst dichtbij het college willen positioneren. Als het college een klacht ontvangt, is het op dit moment niet verplicht om er iets aan te doen. Het zou dan ook moeten worden verplicht om iedere klacht te behandelen.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat is inderdaad een punt. Men heeft die doorzettingsmacht, maar die moet je dan ook wel gebruiken. Ik ben het daar wel mee eens, want daarom proberen wij het ook zo te regelen. Iemand in dat burgerservicepunt zal niet alleen noteren, maar zal dat op zijn minst ook melden bij het CBP. Dat is mijn vloeiende lijn. Ik ben bereid om mij daar ook voor in te zetten. Ik ga daarom ook in gesprek met de minister van Justitie en de heer Kohnstamm. U kunt het ook nog bij de evaluatie betrekken. Wij zullen in ieder geval melden dat het bij de evaluatie wordt betrokken. Als er serieuze klachten zijn, moet die doorzettingsmacht in ieder geval volgen. Het heeft anders inderdaad geen zin.

Voorzitter. In alle bijdragen in eerste termijn is gesproken over het toetsingskader. Voor een zorgvuldig gebruik van het bsn is het nodig om te weten welke regels en criteria daarop van toepassing zijn en op welke manier de gegevensverwerking zodanig kan worden ingericht dat aan die regels wordt voldaan. Ik wil de gebruikers van het bsn daarbij helpen om tot een zorgvuldig gebruik van het bsn te komen. Dat is de meerwaarde van het toetsingskader en de stappenplannen die daarin zijn opgenomen. Mevrouw Tan vroeg daarnaar. Het is mij bekend dat sommige leden van uw Kamer er ook wat meer van weten.

Bij invoering van het bsn zal dat toetsingskader in ieder geval klaar zijn, zodat iedereen vanaf het begin kan weten welke criteria er gelden voor het gebruik van het bsn. Ook de burger, want dat toetsingskader is openbaar. De duidelijkheid waarnaar de heer Thissen vroeg, is er in dit geval dus ook.

Mevrouw Swenker constateerde dat het toetsingskader een handleiding is en geen normerende werking of juridische status heeft. Op zich is dat juist, maar deze handleiding verwijst onder andere naar documenten die wel een juridische status hebben, zoals de van toepassing zijnde wetgeving. De stappenplannen leiden je door die wetgeving heen. In zoverre is de handleiding zelf weliswaar niet verplichtend, maar een deel van de inhoud wel. De vraag of iedere gebruiker daarom een eigen handleiding of stappenplan kan maken, is daarom slechts ten dele met "ja" te beantwoorden. De gebruiker heeft immers voor een deel weinig of geen keuze. Hij kan natuurlijk wel mijn toetsingskader hanteren om een eigen handleiding of stappenplan in te vullen.

De heer Engels vroeg een heldere uitspraak over de betekenis en de plaats van het toetsingskader. De heer Franken heeft daarover al een uitstekende uiteenzetting gegeven. Ik heb eigenlijk weinig toe te voegen aan zijn omschrijving van het normenkader waarbinnen het gebruik van het bsn moet gaan plaatsvinden. Hij heeft nadrukkelijk de WBP aangehaald, met als duidelijke kaders doelbinding, beveiliging, proportionaliteit en autorisatie. Die wet geldt altijd. In deze wet regelen wij de identificatie, de notificatie, de binding aan de overheidstaak, de beperking van de koppeling, de vergewisplicht, nadere regels in een AMvB rond het verwijzen; de heer Franken heeft er zelfs nog de desbetreffende artikelen bij genoemd.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter. Excuses. Ik wil de staatssecretaris best laten uitpraten, maar zij gaat zo snel. Mijn vraagt betreft het voorgaande blokje. De handleiding is er al een tijdje en sinds de beantwoording van 29 juni gaat het ook over een stappenplan. Het ging om de vraag wat nu de juridische status van die documenten is. De staatssecretaris erkent dat de handleiding inderdaad op zich geen normstellende werking heeft, maar wel verwijst naar wetten, waardoor zij ten dele wel een normstellende werking heeft. Het is mij nog niet helemaal duidelijk. Kan de staatssecretaris nog iets duidelijker aangeven hoe het precies zit met de juridische status van de normen zoals die in het stappenplan zijn verwoord?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dat ligt eraan waar de normen op zijn gebaseerd. Als ze op wetgeving zijn gebaseerd, zijn ze juridisch gezien geldend.

Anders is het een soort handleiding voor het gebruik van het burgerservicenummer, mevrouw Swenker heeft het zo ook gezegd. Mijn ambtsvoorganger heeft dit in de Tweede Kamer ook nadrukkelijk als een handleiding gekwalificeerd. Ik heb zojuist een overstapje gemaakt naar de normering en de vraag wat er in het wetsvoorstel wordt geregeld.

Mevrouw Tan (PvdA):

De staatssecretaris heeft gezegd dat het stappenplan heel toegankelijk en openbaar is, want het is bedoeld voor iedereen. Door verschillende woordvoerders is al aangevoerd dat de zaken zo transparant mogelijk moeten zijn, maar het lijkt mij ingewikkeld om in het stuk te kunnen onderscheiden welke onderdelen nu wel of niet voorgeschreven zijn en op welke onderdelen gebruikers vrij zijn om het anders te doen.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

In het stuk, de handleiding voor de gebruiker, staat dit heel nadrukkelijk aangegeven. Die handleiding is bedoeld om het werken zo gemakkelijk mogelijk te maken. Het woord toetsingskader kan op twee manieren worden gebruikt. Het kan ook worden uitgelegd als een kader om normen te stellen voor het gebruik. Wellicht ware het beter geweest om een andere term te gebruiken. Als ik spreek over het toetsingskader, heb ik het over een handleiding voor de gebruiker die aan de hand van een aantal stappen te werk kan gaan en sommige van die stappen hebben een juridische basis.

De heer Franken (CDA):

Ik vrees dat zich hier een misverstand voordoet, want dit kan heel kort worden uitgelegd. Als je een handleiding of een stappenplan schrijft, staat daar bijvoorbeeld bij stap 2: uitvoering van de vergewisplicht, vervolg met stap 3. De aanwijzing: uitvoering van de vergewisplicht verwijst naar een norm die in de wet staat. Hier is dus geen sprake van een nieuwe norm, maar er wordt duidelijk gemaakt dat die norm in acht moet worden genomen. Dit doe je dan bij stap 2. Dit is dus niets nieuws.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Dit is inderdaad niets nieuws, maar ik voeg hieraan toe dat niet iedere stap verwijst naar een juridische norm. Dit is een handleiding om het werken te vergemakkelijken en een aantal stappen ervan is juridisch vormgegeven.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Aan de handleiding of het toetsingskader, hoe je dit stuk ook wilt noemen, liggen wetgeving en normen ten grondslag. De ambtsvoorganger van de staatssecretaris, de heer Nicolaï, heeft op 11 september 2006 aan de Tweede Kamer toegezegd dat het gebruik van het burgerservicenummer door het bedrijfsleven in een aparte kadernotitie zal worden geregeld. Hij zegde toe dat de Kamer die notitie in het voorjaar van 2007 tegemoet kon zien. Ik heb tevergeefs geprobeerd dit stuk te vinden, maar volgens mij is dit een van de essentiële normen die met een toetsings­kader geregeld worden. Als er geen toetsingskader komt, zou ik graag die kadernotitie ontvangen.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Die toezegging kon nog niet gestand worden gedaan, omdat eerst de toepassing van het burgerservicenummer door de overheid moest zijn geregeld. Pas daarna kunnen de kaders voor het gebruik door andere organen worden opgesteld. Ik kom die toezegging gewoon na.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Als ik het goed heb begrepen, was dit een van de kernpunten van de behandeling in de Tweede Kamer. De heer Nicolaï heeft toegezegd dat hij die notitie in het voorjaar van 2007 zou uitbrengen, naar mijn idee voor deze behandeling in de Eerste Kamer.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Nee, zeker niet voordat de wetgeving was afgerond. Dat kan niet anders. Pas nadat de wetgeving is afgedaan, kan die toezegging gestand worden gedaan. Vandaag wordt het beperkte deel van de overheid geregeld.

De heer Engels (D66):

Het is nu wel duidelijk wat de betekenis van de handleiding is. Die bevat verwijzingen naar juridische normen, maar kent zelf geen juridische normen. Nu hebben wij in het weekend een notitie van het College Bescherming Persoonsgegevens ontvangen waarin de vraag wordt gesteld of er sprake is van een lacune in de wetgeving, omdat hetgeen in de stappenplannen wordt opgemerkt over de mogelijkheid om eventueel misbruik van het nummer te voorkomen, geen zelfstandige juridische basis heeft. Wil de staatssecretaris hierop ingaan? Is er sprake van een lacune of ontbreekt er een stukje in de wettelijke puzzel? Heeft de burger wel voldoende garantie dat het nummer correct wordt gebruikt als dit alleen in een stappenplan is uitgewerkt?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Als de heer Engels mij die notitie aanreikt, zal ik hier in tweede termijn op ingaan.

In het toetsingskader staan geen zelfstandige normen, het is een handleiding. Op onderdelen worden er wel bindende normen aangehaald. Ik wil dan nu de overgang maken naar het gebruik.

De heer Franken (CDA):

Ik ben dit weekend ook verblijd met de notitie van het CBP en ik heb daarover contact opgenomen met het CBP. Ik verkeer meestal in een andere positie dan de heer Rosenthal, die vorige week zei dat hij het CBP doorgaans niet volgt. Hij gaf een voorbeeld van een uitzondering op die regel. Ik volg het CBP doorgaans wel en zal dit alleen bij een enkele uitzondering niet doen. Dit is nu het geval, omdat het CBP in die notitie schrijft dat er open normen in de wet staan die nog verder moeten worden uitgewerkt. Nu heeft het HEC, Het Expertise Centrum, hier een prachtig boekje over uitgebracht. Naar aanleiding daarvan is er een middag lang over dit onderwerp gediscussieerd en toen is vastgesteld dat de normen die nu in de WBP en het voorliggende wetsvoorstel zijn opgenomen, moeten worden uitgewerkt in sectorwetten. Verder is het situatie- en plaatsgebonden. Je kunt helaas niet alles vooruit zien. Daarom is er een correctiemogelijkheid ingebouwd. Die is van belang. Op mijn vraag aan het CBP welke normen er dan ontbreken, was het antwoord: dat weten wij ook niet. Ik vroeg "noem mij norm A, norm B of norm C die ontbreken in het wetsvoorstel", maar men kon mij daarop geen antwoord geven. Zo lang het CBP niet kan aangeven welke normen ontbreken, kan ik er niet in meegaan. De notitie geeft een interessante weergave van wat wij nu het burgerservicepunt noemen, maar ik denk dat wij aan het andere deel van de notitie voorbij kunnen gaan.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

De heer Franken heeft de normen in de WBP en dit wetsvoorstel al op een rijtje gezet. Hij heeft zelfs de artikelen genoemd. Ik zal niet herhalen wat hij heeft gezegd. Wel wil ik nog opmerken dat de nadere normering in de sectorwetgeving wordt opgenomen, omdat het specifieke eisen voor een bepaalde sector betreft. Een wetsvoorstel dat beoogt regels te stellen voor het gebruik van het bsn in de zorg, is op dit moment bij de Eerste Kamer aanhangig. Ik zeg toe dat ik, als het bsn ook in andere sectoren wordt ingevoerd, in de gaten zal houden of ook daar aandacht wordt besteed aan de normstelling voor die sector. Het is inderdaad een cruciaal punt dat het in de sectorspecifieke wetgeving wordt geregeld.

De heer Franken zei dat hij liever met de specialist praat, de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor de normstelling voor de gegevensuitwisseling ten behoeve van een bepaald dossier. Ik heb zelf ook liever dat met die specialist wordt gesproken over de gegevensuitwisseling en het gebruik van het bsn in de desbetreffende sector. Ik zal hieraan als coördinerende bewindspersoon overigens nadrukkelijk aandacht besteden.

Ik meen hiermee de vraag van mevrouw Ten Horn over de nadere normering gedeeltelijk te hebben beantwoord. Ter completering van dit antwoord wijs ik erop dat het gebruik van het bsn buiten de overheid telkens een wettelijke grondslag vereist. Dat geldt evenzeer voor het gebruik van het bsn bij de uitwisseling van gegevens tussen een overheidsorgaan en een niet-overheidsorgaan. Dan is iedere keer een wettelijke grondslag nodig. Deze zal worden getoetst op overeenstemming met artikel 10 van de Grondwet en andere sectoroverstijgende regels, zoals de WBP.

Mevrouw Tan (PvdA):

De staatssecretaris noemt haar coördinerende rol en het toezicht dat zij zal houden op de sectorwetgeving. Hoe zal zij deze rol bij de sectorale wetgeving en de regelgeving voor het gebruik van het bsn invullen?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik zal controleren of de normen goed zijn neergeslagen in de sectorspecifieke wetten. Daar vroegen mevrouw Tan en anderen nadrukkelijk naar. Ik neem de taak op mij om daarover met de sectorspecialisten te spreken. In die gesprekken zal ik mij ervoor inzetten dat de normstelling in die wetten aan de orde komt. Op dit moment kan ik hierover niet meer zeggen. Ik zal er verder voor zorgen dat de debatten met de verantwoordelijke bewindspersonen goed kunnen worden gevoerd.

Voorzitter. Mevrouw Swenker beveelt aan om het CBP te betrekken bij de invulling van het gebruik van het bsn per sector. Die aanvulling is in lijn met wat er al in de praktijk gebeurt. Bij de voorbereiding van de wetgeving voor het gebruik van persoonsgegevens heeft het CBP uiteraard een wettelijke adviesfunctie. Dat geldt ook voor de wetgeving voor het gebruik van het bsn. Ik heb al iets gezegd over het stappenplan. Naar mijn mening kan het CBP daar ook heel goed bij betrokken worden. Het CBP is overigens ook betrokken bij de toepassing van het bsn in de zorg.

Over het voortijdig gebruik van het bsn zijn door meerdere sprekers vragen gesteld. De vragen van de heer Holdijk zijn inmiddels schriftelijk beantwoord. Mevrouw Ten Horn en Swenker hebben hierover ook vragen gesteld. Ik wil bij hen het misverstand wegnemen dat er op dit moment al gebruik wordt gemaakt van het bsn. Dat is niet het geval. Wel wordt er gewerkt met het sofinummer.

In een aantal regio's worden op dit moment pilots gehouden met elementen van de uitwisseling van patiëntgegevens. Die pilots zijn bedoeld om in een afgeschermde omgeving te beproeven of de plannen voor de elektronische uitwisseling van patiëntgegevens in de praktijk werken. Die pilots worden gehouden op advies van onder meer het CBP. Het College wordt dus nadrukkelijk betrokken bij de pilots. Er zal dus niet worden gewerkt met het bsn, voordat hierover een besluit is genomen door de Eerste Kamer.

De heer Holdijk vroeg waarom het woord "service" wordt gebruikt. Het bsn is een hulpmiddel om te komen tot een betere dienstverlening door de overheid. Dat betekent meer service voor de burger.

De heer Koffeman vroeg of ik bereid ben om uitgebreid onderzoek te doen naar de veiligheids- en privacyrisico's van de invoering van het bsn. Omwille van de tijd ben ik hierover zo kort als mogelijk: het antwoord op die vraag is nee. Ik ben daar niet toe bereid, omdat ik vind dat hieraan in de voorbereiding voldoende aandacht is besteed.

De heer Franken vroeg mij toe te zeggen dat de beveiliging van de systemen mijn voortdurende aandacht heeft. Je besteedt eigenlijk nooit te veel aandacht aan de beveiliging van gegevensbestanden. Ik zeg toe dat ik hiervoor aandacht zal houden. Het behoort overigens ook tot mijn portefeuille elektronische overheid. De manier waarop de beheerorganisatie voor het bsn de beveili­gingsmaatregelen handhaaft, wordt gemonitord. In het wetsvoorstel is verder voorzien in een driejaarlijkse audit op de systemen.

Kan het bsn ook worden gebruikt als personeelsnummer? Op deze vraag van mevrouw Tan kan ik zeggen dat de overheid net als iedere andere werkgever het sofinummer moet gebruiken bij de registratie van personeel in de salarisadministratie. Na de invoering van het bsn-stelsel komt het bsn in plaats van het sofinummer. Mevrouw Tan bedoelt met haar vraag waarschijnlijk of de overheid het bsn ook in andere relaties met haar personeel mag gebruiken. Dat hangt ervan af. Zo moet de normstelling van de WBP worden gevolgd.

Is het verwerken van de gegevens van de werknemers wel nodig voor de uitvoering van de taak van dat overheidsorgaan? En is het gebruik van persoonsnummers daarbij nodig? Als deze vragen met ja kunnen worden beantwoord, dan kan het overheidsorgaan bij de uitvoering van haar taak het burgerservicenummer van zijn ambtenaren gebruiken. Hierbij is het onderscheid terug te zien dat in algemene zin in het bsn-stelsel aanwezig is: als de verwerking van persoonsgegevens in een bepaald geval is toegestaan, dan mag de overheid het bsn daarvoor gebruiken. Het bsn is immers eerst en vooral bedoeld om de dienstverlening door de overheid te verbeteren. Voor gebruik buiten de overheid is een specifieke wettelijke grondslag vereist. Ik benadruk dat ook de overheid schotten moeten plaatsen in het veld van overheidsinformatie. Die schotten belemmeren dat gegevens die de overheid in de ene rol heeft verzameld, door haar in een andere rol kunnen worden gebruikt. Dat is het beginsel van doelbinding, zoals dat is neergelegd in de WBP. Het onderhavige wetsvoorstel brengt dus geen verandering aan in dit uitgangspunt of in de wettelijke verankering daarvan.

Mevrouw Ten Horn en de heer Thissen hebben nadrukkelijk gevraagd wanneer en hoe burgers worden ingelicht. Onder de titel "Vanaf nu heet uw sofinummer burgerservicenummer" zullen burgers op verschillende manieren worden geïnformeerd. Daarbij wordt onder meer gebruikgemaakt van radiospotjes, folders en websites. De folders zullen bij de loketten van de gemeenten, postkantoren, bibliotheken en uitvoeringsinstanties komen te liggen. De website biedt burgers verder de mogelijkheid om inzicht te krijgen in situaties waarin het uitwisselen van persoonsgegevens plaatsvindt met behulp van het bsn.

Mevrouw Ten Horn vroeg mij aan te geven of de ICT en de ICT-beveiliging van de overheid voldoende voorbereid zijn op de deze ingrijpende technische operatie, de invoering van het bsn. De beheervoorziening bsn en de beveiliging daarvan zijn in de periode tot 2006 ontwikkeld. Vervolgens zijn er uitgebreide testen en audits mee uitgevoerd, om zeker te zijn van de correcte werking. Zo zie je maar dat een langer wetgevingstraject soms ook het voordeel heeft dat je beter in de praktijk kunt testen. Dat is gebeurd, samen met de organisatie die de voorzieningen beheert. Die voorzieningen zijn klaar en kunnen gebruikt worden. De testen zijn al gedaan. Er is een risicoanalyse uitgevoerd om de benodigde beveiligingsmaatregelen te identificeren. Deze maatregelen zijn vastgesteld in het beveiligingsplan van de beheersvoorziening bsn en zij worden door de beheersorganisatie uitgevoerd. Dat is ook klaar. De langere behandeling heeft dus in dit geval het voordeel gehad dat deze zaken nu geregeld zijn.

Voorzitter. Ik rond af. Ik denk dat ik op de meeste specifieke vragen ben ingegaan. Wat wij gaan regelen in dit wetsvoorstel is dat het bsn er komt. Ik hoop dat mijn mondelinge toelichting duidelijk heeft gemaakt hoe ik aankijk tegen de dienstverlening aan de burger en tegen de privacy en het "aan de hand nemen" van de burger. Ik kan daar helder over zijn: de dienstverlening aan de burger is het doel dat vooropstaat. Ik ben er vast van overtuigd dat de dienstverlening aan de burger met dit wetsvoorstel echt verbetert en dat wij het ook op het punt van de veiligheid goed geregeld hebben. Daar wil ik het bij laten.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter...

De voorzitter:

Mevrouw Tan, zou u uw vraag in uw tweede termijn willen stellen?

Mevrouw Tan (PvdA):

Nee, ik verzoek om een schorsing van maximaal tien minuten voor fractieoverleg.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Mevrouw Swenker (VVD):

Voorzitter. Allereerst dank ik de staatssecretaris voor de antwoorden op al onze vragen en voor het feit dat zij het op onderdelen zelfs eens is met de VVD-fractie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de evaluatietermijn. Ik beperk mij tot twee hoofdpunten en begin met het vangnet. De staatssecretaris zegt: wij brengen het contactpunt onder bij het BPR. Voor zover ik weet, heeft het BPR geen inzage in de gegevens van de totale keten, maar alleen in gegevens van de basisadministratie. Fouten kunnen zich in breder verband voordoen in de totale keten. Als het BPR geen toegang heeft tot bijvoorbeeld gegevens van particuliere gebruikers in de gezondheidszorg, dan is het dus voor een deel machteloos. Je zou dan moeten regelen dat het agentschap wel inzage krijgt in andere gegevens dan de basisadministratie. In dat geval plaats ik echter vraag­tekens bij de onafhankelijkheid. Het betreft hier immers een agentschap van Binnenlandse Zaken. Hoe komt de staatssecretaris uit deze spagaat?

Als de helpende hand – dus de BPR – met de burger meegaat en een fout ontdekt, kan die gecorrigeerd worden, niet gecorrigeerd worden, of men kan er nog steeds niet bij, omdat die gegevens in het kader van de doelbinding niet vrijstaan. Als men niet corrigeert, staat de burger weer op straat en moet besluiten om naar de rechter of naar het college te gaan. Het college moet dan wel de verplichting opgelegd krijgen om iedere klacht daadwerkelijk te gaan behandelen. Alleen daar zit immers de doorzettingsmacht. De staatssecretaris zegt zich in te willen zetten voor de wijzigingen van de WBP, maar die behoort tot de verantwoordelijkheden van de minister van Justitie. Op dit punt kan dus de staatssecretaris geen toezeggingen doen, behalve dat zij haar best zal doen.

Het andere punt is de normstelling in de andere sectorwetgeving en de coördinatie daarvan. Deze staatssecretaris zal zeker haar best doen, maar zal zij de baas zijn over wat andere ministers en andere sectoren gaan doen? Wat is die coördinatie waard, om het maar eens simpel te formuleren? Ook op dit punt neemt de staatssecretaris een inspanningsverplichting op zich, terwijl zij in feite niets kan toezeggen. Het was volgens de VVD-fractie beter geweest, als er een toezegging was gekomen van de andere bewindslieden die het aangaat. Eigenlijk zegt de VVD-fractie: hoezeer wij ook appreciëren dat de staatssecretaris zich inzet om dit gewijzigd te krijgen, zij kan ons ook op dit punt niets toezeggen, omdat het bevoegdheden betreft van andere bewindslieden.

Wij willen dan ook voorstellen om de behandeling van dit wetsvoorstel op te schorten totdat de staatssecretaris toezeggingen heeft gekregen van de andere betrokken bewindslieden over deze onderwerpen. Dat zou kunnen voorkomen dat wij anders wellicht negatief moeten oordelen over dit wetsvoorstel.

De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel gaat uit van een welwillende attitude ten opzichte van de burger. Wij kunnen er echter niet altijd vanuit gaan dat de overheid zo welwillend is als wij zouden willen. Het is een groot apparaat, er zijn vele loketten en daarbinnen moet een heleboel gebeuren. Wij leven bovendien in de tijd van de ICT, waarin de mogelijkheden voor identiteitsfraude legio zijn. Het voorliggende wetsvoorstel zal ertoe bijdragen dat de kansen op identiteitsfraude in het algemeen zullen verminderen. Er komt echter heel veel macht bij de overheid te liggen en die moet goed worden gereguleerd.

In het voortraject zijn mevrouw Tan en ik zij aan zij opgetreden. Wij hebben uiterst kritische vragen gesteld over de behandeling van dit wetsvoorstel. Er zijn ook veel vragen gesteld. Die zijn uitgemond in de beantwoording van de staatssecretaris en daar wil ik haar voor bedanken. Zij is uitgebreid ingegaan op alle zaken die nog aan de orde waren. Zij heeft ook een heel duidelijke en harde toezegging gedaan over hetgeen als vangnet is gekwalificeerd.

Deze staatssecretaris heeft echter niet de bevoegdheid om te besluiten dat het CBP op een andere manier moet werken. Zij heeft wel gezegd dat zij daar haar best voor zal doen. Ik denk dat dit al een hele stap is. Wij weten immers dat het CBP bereid is, mits het daartoe budgettair in staat wordt gesteld, om die taken te vervullen. Ik denk dat de staatssecretaris wel kan toezeggen, als zij dat niet al heeft gedaan, dat ook het CBP, in het geval die functie bij dit college wordt neergelegd, daadwerkelijk in staat wordt gesteld om die taak naar behoren te vervullen. Volgens mij is er niet zozeer sprake van een spagaat, zoals mevrouw Swenker zei, met betrekking tot de uitvoering van de taken door het agentschap. Dat agentschap zit immers naast de kamer waar de beheervoorziening is gehuisvest. Tegenwoordig hoeft fysieke aanwezigheid niet eens zo van belang te zijn. Men kan virtueel melden aan de mensen die verantwoordelijk zijn voor het beheersysteem dat er een fout is geconstateerd en hun vragen of zij daarnaar willen kijken. Vervolgens zal vanzelf blijken of zij toegang hebben tot bepaalde onderdelen van het systeem of niet. Zij moeten dan de taak op zich nemen om ervoor te zorgen dat de beheerder van het systeem in kwestie de waarschuwing krijgt dat er iets mis is.

Een ander punt betreft de normstelling in de wetten. De staatssecretaris heeft gezegd dat zij niets kan toezeggen over wat op het bord van minister Klink of minister Bos ligt. Dat is een juiste constatering. Daarom heb ik in mijn betoog gezegd dat ik verder wil discussiëren over de sectorwetten. Ik wil minister Bos hier aan de tafel hebben zitten, zodat ik hem kan vastpinnen op vereisten met betrekking tot de beschikbaarheid van systemen die in de financiële sector een specifieke rol spelen en op de vereisten van Boek 2, artikel 393, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek. Ik verzin dit artikel niet zomaar. Het is een artikel dat echt bestaat. Daar kan ik dan met die minister over discussiëren in plaats van met deze staatssecretaris.

De andere ministers komen hier zelf aan tafel. Het plezierige is dat wij als medewetgever die mensen kunnen zeggen hoe zij het moeten doen. Ik ben dus niet afhankelijk van een vriendelijk woordje dat de staatssecretaris in de ministerraad aan een minister toevoegt. Wij krijgen die ministers hier in dit huis en kunnen hen daarover ondervragen. Ik denk dat wij door de belangrijke toezegging van de staatssecretaris met de volgende stappen kunnen voortgaan en straks het burgerservicenummer in de zorg hier kunnen behandelen.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Ik heb zojuist in de schorsing begrepen van de vertegenwoordiger van de OSF-fractie dat, nadat hij kennis had genomen van mijn inbreng van gisterenavond, ik mede namens hem kan spreken. Ik hecht eraan om dat te benadrukken. Dat geeft toch weer extra gewicht aan de inbreng van mijn fractie.

Ik dank de staatssecretaris voor haar reactie op het betoog van de D66-fractie van gisterenavond. Ik heb gezegd dat voor mijn fractie drie punten heel wezenlijk waren in dit traject, namelijk de veiligheid, de transparantie en vooral ook de wederkerigheid in rechten en plichten tussen overheid en burger. Dat verhaal spitste zich toe op de discussie over de servicevoorziening en over de status van de gebruiksinstructie.

Ik ga niet herhalen wat ik over de servicevoorziening heb gezegd. Ik heb goed geluisterd en wij hebben er indringend over gediscussieerd. Er is gezegd dat bij het agentschap een inspanning wordt geleverd om de introductie en het gebruik goed te ondersteunen, maar vooral dat nu via het CBP afdwingbaar en vanuit een onafhankelijke positie kan worden gekeken naar mogelijk onrechtmatig gebruik van gegevensverwerking met middelen als dwangsommen en bestuursdwang. Dat is een belangrijke stap om tegemoet te komen aan breed levende wens in de Eerste Kamer om te komen tot de voor de burger zo belangrijke ondersteuning en vangnetfunctie. Het is vooral van belang om tegemoet te komen aan de beleving dat zij ergens in worden meegenomen en de vraag wat er van hun positie overblijft. Ik sluit mij aan bij het verlangen dat is uitgesproken dat er boter bij de vis moet komen. Het CBP moet wel in staat worden gesteld om deze taken uit te voeren. Dat vraagt van de staatssecretaris dat zij heel erg haar best moet doen, vrees ik.

Een volgend punt is dat vermaledijde toetsingskader of de gebruiksinstructie. De staatssecretaris heeft gezegd dat de gebruiksinstructie zelf geen juridische status heeft. Zij gebruikte de term "juridisch geldend", maar wij kennen wet- en regelgeving en gebruiksinstructies. Een gebruiksinstructie verwijst naar juridische regels, maar krijgt daardoor volgens mij geen juridische status. Dat vind ik overigens helemaal niet erg, want anders ontstaat wellicht het gevaar van overregulering.

Het CBP heeft gezegd dat er sprake is van een lacune in de regelgeving omdat er onvoldoende is geregeld en vastgelegd in bepaalde uitgangspunten en beginselen over wat verenigbaar gebruik is en wat niet. De heer Franken heeft terecht gevraagd over welke normen wij spreken in dat verband. Hij heeft gisteren nog met behulp van freischwebende intelligenz geprobeerd om erachter te komen welke dat zouden kunnen zijn. Ik kan goed begrijpen dat dit niet is gelukt. Ik denk dat wij daar in een later stadium met sectorwetgeving weer op een andere manier naar moeten kijken. Ik zie op dit moment niet waar nog lacunes in de regelgeving zitten. Daarom ben ik er niet voor om tot een vorm van overregulering te komen.

Dit alles leidt tot de vaststelling dat de beide fracties, namelijk die van D66 en die van de OSF, op deze punten voldoende zijn gerustgesteld en deze stap nu kunnen zetten. Vervolgens gaan wij met andere bewindslieden nadere stappen in de sectorwetgeving bediscussiëren.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor alle uitleg die zij heeft gegeven. Mijn fractie heeft nog drie vragen. Deze vragen sluiten aan bij het slot van mijn betoog in eerste termijn; in principe staat de SP-fractie achter een verantwoorde en zorgvuldige invoering en waarborging van het bsn. Ik gaf echter ook drie voorwaarden aan, namelijk betere garanties en maatregelen in een zogenaamd toetsingskader, de garantie van een bsn-loket en ten slotte de voorwaarde van goede voorlichting. Op deze drie punten kom ik nu terug.

Het eerste punt dat ik aanstip, is de goede voorlichting. De staatssecretaris verschilt kennelijk met mij van mening over de vraag hoe het aan de burger is uit te leggen dat het bsn geen sleutel tot zijn gegevens is. Het is erg belangrijk dat wij in Nederland met z'n allen weten waarover het gaat als wij het hebben over het burger­servicenummer. Wat is in de ogen van de staatssecretaris nu eigenlijk het bsn? Wat is het wel, als het geen sleutel is? Voorlichting op dit punt is mijns inziens essentieel. Het draagvlak voor de invoer van het bsn is op dit moment behoorlijk, maar elk moment kunnen wij dit draagvlak verliezen. Ik hoor graag een reactie.

Het tweede punt betreft het burgerservicepunt of -loket of hoe de naam ook mag luiden. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris van plan is om een permanent burger­servicepunt in te richten. Daar ben ik blij om. Zo'n punt moet in stand worden gehouden en worden toegerust. Heeft de staatssecretaris voor ogen wat deze toerusting vraagt? Toen ik directeur was, wist ik dat er veel fouten werden gemaakt. Er zijn niet voor niets meldingscommissies voor fouten en incidenten. De meeste fouten worden binnen enkele minuten hersteld. Over zulke fouten gaat het hierbij echter niet; ik wil het hebben over fouten waarbij echt iets aan de hand is. Op basis van zeven jaar analyse heb ik destijds geconstateerd dat het oplossen van een fout in de laatste categorie gemiddeld 15 uur menskracht kost. Ik ben absoluut niet iemand die graag rampscenario's schetst, maar wij mogen ook niet blind zijn voor het feit dat er fouten worden gemaakt. Er zijn 16 miljoen Nederlanders. Als er bij 1 op de 1000 dossiers fouten worden gemaakt, kost het oplossen daarvan 240.000 mensuren per jaar, oftewel 150 fte. Ik heb het daarbij niet over 1 op de 1000 maal dat het bsn wordt gebruikt, want dat zal veel vaker dan 16 miljoen keer worden gebruikt. Wellicht is deze inschatting van 150 fte ruim en is het werkelijk aantal maar de helft, maar wij hebben het sowieso hierbij over een behoorlijke groep medewerkers die moet gaan uitvoeren wat de staatssecretaris nu toezegt. Ik hoor graag hoe zij deze toezegging ook daadwerkelijk in materiële zin wil realiseren. Pas als dit goed geregeld is, zal het bsn een invulling kunnen krijgen.

Ik kom op het toetsingskader, mijn derde punt. Ik heb de staatssecretaris al gevraagd naar de kadernotitie die was toegezegd. Hoe wordt het gebruik van het bsn door het bedrijfsleven geregeld? De vorige staatssecretaris Nicolaï sprak over het voorjaar, maar de huidige staatssecretaris meldt dat deze notitie er komt nadat de wet is aangenomen. De SP-fractie wil in dit verband graag een datum horen. Wanneer komt deze kadernotitie werkelijk beschikbaar? Mijn fractie vindt namelijk in ieder geval twee soorten normen enorm belangrijk in het toetsingskader. De normering in verband met het bedrijfsleven is er een van. De tweede gaat over de normering die straks sectorgewijs moet worden aangepakt. Daarbij kan ik mij alles voorstellen. Gisteren noemde ik echter al voorbeelden waarbij de normering niet binnen één sector beperkt blijft, maar over verschillende sectoren heen gaat. In Israël is het bijvoorbeeld een ambtenaar die een rijbewijs moet uitreiken, toegestaan om het zorgdossier van de aanvrager in te zien. Moeten wij naar minister Klink én de staatssecretaris toe om dit soort wetgeving óver sectoren heen te regelen? De staatssecretaris heeft zojuist aangegeven dat zij hierbij de rol van coördinator op zich neemt. Kunnen wij een notitie ontvangen van de staatssecretaris, waarin zij aangeeft hoe zij die rol wil invullen en op basis van welke normering deze sectoroverstijgende zaken geregeld worden? Ik wil voorkomen dat wij dit punt aan moeten gaan roeren bij elke nieuwe wet waarin gebruik van het bsn sectorgewijs wordt geregeld. Daarom vraag ik de staatssecretaris om een notitie over dit punt van normering over sectoren heen, voorafgaand aan de behandeling van de eerstvolgende sectorwet. Ik vermoed dat dit de sectorwet over het bsn in de zorg zal zijn.

Al met al kan de SP-fractie zonder de antwoorden op deze essentiële punten moeilijk al een beslissing nemen. Als de antwoorden niet op tijd binnen zijn, voel ik er veel voor om de beslissing over dit wetsvoorstel op te schorten.

Mevrouw Tan (PvdA):

Voorzitter. De CDA-fractie en de fractie van de PvdA hebben in dit dossier geruime tijd gelijk opgetrokken. De CDA-woordvoerder, de heer Franken wees daar terecht op. Het is een avontuurlijke tocht geweest. Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording in eerste termijn. In het begin van haar betoog dacht ik weer het bekende te horen, maar met name toen zij sprak over de twee belangrijke punten in dit debat, ging zij een kant op waarmee wij veel beter kunnen leven. Daar ben ik blij om. Tegelijkertijd vind ik het jammer dat dit zo lang heeft geduurd. Als dit wat eerder was gebeurd, had ons dat energie bespaard en hadden wij onze aandacht meer op positieve bouwstenen kunnen richten.

Ik sprak over positieve onderdelen van de beantwoording. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan de ombudsfunctie, of wat nu het bsn-punt gaat heten. De fractie van de PvdA heeft, anders dan de VVD-fractie, minder bezwaar tegen de tweetrapsraket waarvoor de staatssecretaris kiest. Dit is mede ingegeven door de contacten die wij hebben onderhouden met het College Bescherming Persoonsgegevens. Daardoor is het idee ontstaan om een aantal taken bij het agentschap BPR te plaatsen. Ik begrijp dat men daar dicht bij het vuur zit. Het is goed om deze instantie in praktische zin te laten uitzoeken waar de fouten zitten. Ik heb tegelijkertijd begrip voor de kanttekening van mevrouw Swenker; wij moeten ook in de gaten houden dat wij niet alleen over de overheid spreken, maar ook over semi-overheids­instellingen, waar het agentschap waarschijnlijk minder goed toegang toe heeft. Daarvoor moet een aparte voorziening komen. Er is gevraagd wat er nu aan nieuws is geboden. Ik zie dit als de grote winst. De toezegging van de staatssecretaris dat het bsn-punt wordt opgetuigd, is volgens mij de belangrijkste. Ik vraag de staatssecretaris in haar tweede termijn nog eens nadrukkelijk toe te zeggen dat er ook begrotingstechnisch voorzieningen worden getroffen om dit agentschap toe te rusten voor deze belangrijke taken. Het gaat daarbij niet alleen om taken in kwantitatief, maar ook in kwalitatief opzicht. Een en ander zal het nodige van deze organisatie vragen. Kan de staatssecretaris verder toezeggen dat er bijvoorbeeld over een jaar een voortgangsrapportage komt, zodat wij desgewenst de verdere ontwikkeling op dit punt bij een behandeling van de begroting voor het ministerie van BZK kunnen meenemen?

De afbakening van taken met die van het College Bescherming Persoonsgegevens is helder. Het is goed voor het college dat dit zich concentreert op de eigenlijke functie. Ook daar zal men moeten bezien hoe de bestaande bezetting zich verhoudt tot wat er komt met de introductie van het bsn. Dat is nu nog niet helemaal te voorspellen, maar waarschijnlijk wordt die iets groter.

Op basis van de Grondwet kunnen burgers altijd naar de rechter. Stel dat er een besluit is genomen op basis van verkeerde persoonsgegevens en dat de rechter dit besluit daarom vernietigt. Kan de rechter dan ook opdragen dat die fout in het bsn moet worden verbeterd? De zaak gaat namelijk over iets anders, maar was wel gebaseerd op die fout. Hoe verhouden de bevoegdheden van de rechter zich ten opzichte van die van het college, ook met het oog op de doorzettingsmacht waarover een- en andermaal is gesproken? Wij zijn tevreden met de verdere toezegging van de staatssecretaris.

Dan nog iets over het toetsingskader. Dat ligt iets ingewikkelder. Er is veel onduidelijkheid over het gebruik ervan. Ook privaatrechtelijk is er nog geen duidelijkheid. De VVD en de SP pakken dit punt heel zwaar op. Wij zien dat ook wel, maar hechten er minder zwaar aan. Niettemin steunen wij het verzoek om zo snel mogelijk tot duidelijkheid op dit punt te komen. Wij zijn ook benieuwd naar de datum waarop de door de voorganger van deze staatssecretaris, de heer Nicolaï, toegezegde notitie naar de Kamer komt. Over het werkgeverschap van de overheid heeft de staatssecretaris een aantal hoofdlijnen aangegeven, maar dit roept nog wel vragen op over hoe er precies moet worden gehandeld met het gebruik. De staatssecretaris verwees voorts naar de handleiding en het stappenplan, maar ook dat blijft onduidelijk. Anders dan D66 stellen wij het wel op prijs als er een gedragscode komt, waarin helder op een rijtje wordt gezet wat de verplichtingen precies zijn, wat men moet doen en waar men optioneel voor kan kiezen.

De staatssecretaris heeft voorts een aantal opmerkingen gemaakt over haar coördinerende taak. Wij sluiten ons aan bij de vraag welke concrete producten wij van de staatssecretaris kunnen verwachten als de sectorwetten hier aan de orde komen. De eerstvolgende is de sectorwet bsn voor de zorg. Welke adviezen krijgen wij dan van de staatssecretaris, met het oog op haar coördinerende taak?

Dan nog iets over de communicatie, de voorlichting. Wij hechten aan goede voorlichting aan de burger. Met het oog op het burgerservicepunt stellen wij het op prijs als goed naar de burgers wordt gecommuniceerd dat het college het centrale meldpunt zal zijn en dat burgers daar terecht kunnen met allerlei vragen. Het college zal de gang van zaken bewaken en fungeert ook als uiterste instantie. Wij zien de antwoorden van de staatssecretaris in tweede termijn met belangstelling tegemoet.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. Dank dat ik namens onze fracties in tweede termijn nog het woord mag voeren. Ik dank de staatssecretaris voor haar reactie op onze schriftelijke inbreng in eerste termijn. Daarin stelden wij ons nogal kritisch op ten opzichte van het wetsvoorstel.

In eerste termijn hebben wij gesproken over het her en der breed levende wantrouwen bij burgers tegen deze operatie. Misschien heeft dat veel te maken met het gebrek aan kennis van zaken, maar dat geldt zelfs voor sommige Kamerleden hier, inclusief mijzelf. Aan dat wantrouwen heeft de staatssecretaris in haar reactie geen aandacht besteed. Ik begrijp best dat deze kwestie niet kan worden opgelost door daar even in een onderdeeltje van de reactie op in te gaan. Mevrouw Ten Horn vroeg aandacht voor de voorlichting. Dat lijkt mij in ieder geval een kanaal waarlangs kan worden gewerkt aan dat vertrouwen, want dat zal gaandeweg moeten ontstaan. Het gezegde is niet voor niets dat vertrouwen te voet komt en te paard gaat. De voorlichting moet overigens geen propaganda worden, want dat is weinig effectief.

Dan iets over het burgerservicenummer als zodanig. Daar heeft de staatssecretaris wel aandacht aan besteed. Ik leg nog een keer de vinger bij de benaming servicenummer, want over wat voor service gaat het? De staatssecretaris sprak meermalen over de dienstverlening van de overheid, ook in de stukken, maar mij lijkt dat een te enge en te roze benadering van de overheid. Het bsn is er niet slechts om als een soort winkel de klant te bedienen, want aan de hand van het bsn worden ook belastingaanslagen en dat soort zaken opgelegd, maar die worden niet direct als dienstverlening van de overheid ervaren. Daar komt bij dat het bsn ooit als fiscaal nummer is begonnen. Waar slaat dat onderdeel service dan eigenlijk op? Ik kan mij best voorstellen dat het nummer dienstig is voor de overheid en niet alleen voor de dienstverlening door de overheid, in de zin van het bevorderen van de doeltreffendheid en doelmatigheid. Het lijkt mij de moeite waard daar even bij stil te staan, met daarbij mijn slotvraag op dit punt waarom wij het niet gewoon burgernummer noemen. Waarom heet het dus burgerservicenummer?

Dan iets over het servicepunt ten behoeve van de burger. Misschien mogen wij dat wel het burgerservicepunt noemen, in die zin dat het een instantie is, vooral een agentschap, ten behoeve van de burger. Ik heb met voldoening geconstateerd uit de reactie van de staatssecretaris dat het niet, zoals wij aanvankelijk vermoedden, alleen maar een telefoonnummer wordt of een verwijsloket voor zegge en schrijve een jaar; daarvan was eerst sprake in de stukken. Ik begrijp nu dat het servicepunt een rol gaat spelen bij de introductie van het bsn, maar ik ben wel benieuwd of dit alleen geldt voor die introductie. Misschien is het woord "permanent" wat zwaar, maar ik neem aan dat het een voorziening voor geruime tijd zal zijn.

Ik zou het op prijs stellen als de staatssecretaris terugkomt op deze punten. Wij zullen ons vervolgens beraden op onze positie in dit debat.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. De staatssecretaris gebruikte veel geruststellende woorden. Het burger­servicenummer is eigenlijk business as usual en niets anders dan een verbeterd sofinummer. Verder blijft alles zoals het is. Je kunt nu al naar de bestuursrechter en je kunt nu al naar het CBP. De staatssecretaris doet geen of nauwelijks nieuwe toezeggingen, hooguit over het burgerservicepunt, en zij is bereid om haar best te doen als het gaat om sectorwetgeving van andere departementen. Er zijn volop goede voornemens die pas uitgevoerd kunnen worden na invoering van het burgerservicenummer. Er is geen vangnet gemaakt, de staatssecretaris verwijst naar bestaande vangnetten die goeddeels niet tot haar competentie behoren. Het is teleurstellend dat zij niet of nauwelijks bereid is tot andere toezeggingen dan die bij de ambtelijke briefing, en deze briefing werd door vele leden als onbevredigend ervaren. Als de veiligheid, de transparantie en het toetsingskader niet verbeterd worden en goede voornemens voldoende moeten zijn, is het vreemd om nu al in te stemmen met de introductie van het burgerservicenummer.

Ook heeft de staatssecretaris niet duidelijk gemaakt hoe dit nummer gegarandeerd veilig zal kunnen worden ingevoerd bij zorgverzekeringen, onderwijsinstellingen, pensioenfondsen, banken etc. De hiervoor toegezegde kadernotitie zou wat mij betreft gereed moeten zijn voor de invoering van het bsn, niet pas daarna. De inrichting en toerusting van het burgerservicepunt is nauwelijks duidelijk geworden en in die zin is het noodzakelijk dat de staatssecretaris haar toezegging op dit punt concreter maakt. Welke rol gaat het burgerservicepunt bijvoorbeeld spelen als de burger een dispuut met zijn bank of met zijn zorgverzekeraar over het gebruik van het burger­servicenummer heeft?

Kortom, wij zouden niet op de feiten vooruit moeten lopen en wij zouden de introductie van het burger­servicenummer over de zomer heen moeten tillen, tot er meer duidelijkheid zal zijn ontstaan over de brede invoering van dit nummer. De praktijk lijkt nu te ver op de wetgeving vooruit te lopen.

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel zou eigenlijk de volgende benaming moeten krijgen: "Wet algemene verbetering, vernieuwing en naamsverandering van het sociaal-fiscaal nummer in burger­servicenummer, ter bestendiging van de actuele praktijk dat het voormalige sociaal-fiscaal nummer al in alle sectoren van overheidsdienstverlening gebruikt wordt". Als dit met algemene stemmen aanvaard kan worden, hoef ik er geen amendement voor in te dienen. Dat is ook niet mogelijk, want de Eerste Kamer heeft het recht van amendement niet. Maar goed, zo heb ik het antwoord van de staatssecretaris wel begrepen. Als het sofinummer inderdaad veranderd wordt in het burgerservicenummer, gepaard gaand met verandering, vernieuwing en verbetering van de toepassing daarvan, dan wordt het veel spannender om af te wachten welk toetsingskader de staatssecretaris zal maken nadat wij dit wetsvoorstel aanvaard zullen hebben. De veranderingen worden niet met dit wetsvoorstel geregeld, want het is gebaseerd op de Wet bescherming persoonsgegevens, die hierbij onverkort geldt. En het wordt nog veel spannender, hoe dit wetsvoorstel in verschillende sectorwetten zal worden uitgewerkt en welke specifieke afspraken daarbij zullen worden gemaakt. Ik ben dan ook niet alleen benieuwd naar de doorzettingsmacht van het College Bescherming Persoonsgegevens en naar de voorstellen die de regering zal doen – de staatssecretaris kan geen voorstellen doen, dat zal haar collega van Justitie moeten doen – maar eigenlijk nog veel benieuwder naar haar doorzettingsmacht. Die is cruciaal, want zij beheert het burgerservicenummer, maar zij heeft niets te zeggen over de sectorwetgeving die in aantocht is. Is haar positie in het kabinet zodanig dat zij ervoor kan zorgen dat haar collega's die verantwoordelijk zijn voor de zorg, de financiën en de sociale zekerheid, doen wat wij vandaag met haar afspreken?

Met andere woorden, eigenlijk kunnen wij dit wetsvoorstel vandaag gewoon niet aanvaarden. Wij zullen moeten wachten op de nadere voorstellen over het toetsingskader, over de wijze waarop de staatssecretaris er als verantwoordelijk bewindspersoon op kan toezien dat haar collega's de sectorwetgeving zodanig inrichten dat wat wij hier besproken hebben, daadwerkelijk gerealiseerd zal worden, ter bescherming van de burger, maar ook ter bestendiging van transparante en fatsoenlijke overheidsdienstverlening. Het lijkt mij dan ook slim om in te gaan op het voorstel van mevrouw Swenker, die overigens altijd best verstandige voorstellen doet, om de stemming over dit wetsvoorstel uit te stellen.

Voor mijn fractie is het ook van ongelooflijk groot belang om ervoor te zorgen dat het risico van stagnatie van de dienstverlening bij de termijnen voor de afhandeling van kwesties die aan het bureau voor het burgerservicenummer, aan het College Bescherming Persoonsgegevens of aan de bestuursrechter worden voorgelegd, niet onevenredig zwaar op de burger wordt afgewenteld, maar dat de overheid het risico neemt. Daarbij kan het gaan om een nieuw paspoort of rijbewijs, een beslissing van het UWV over een uitkering, een zorgarrangement of de betaling van kosten van noodzakelijke zorg. Als termijnen voor het herstellen van mogelijke fouten overschreden worden, dient de overheid het risico te dragen, niet de individuele burger. Het kleine percentage burgers dat de hand licht met dienstverlening van de overheid, mag nooit een reden zijn om 16 miljoen burgers onevenredig zwaar te belasten. Ik vind dan ook dat er in het nadere voorstel over de doorzettingsmacht regels moeten worden opgenomen over termijnen, plus de mogelijkheid van fictieve dienstverlening waarbij achteraf, als de fouten hersteld zijn, dan wel blijkt of de burger daar recht op had. Een burger mag niet zijn huis uitgezet worden omdat zijn uitkering niet uitbetaald kan worden omdat zijn nummer of de combinatie van gegevens die bij dat nummer behoren, niet geverifieerd kan worden, terwijl de overheid dan zes maanden later tot de conclusie zou komen dat die burger helaas niet uit zijn huis gezet had behoeven te worden, dat het helaas niet nodig was geweest om gas, licht en water af te sluiten en dat er helaas geen maatschappelijke opvang mogelijk was. Ook voor dat laatste moet je je tegenwoordig immers identificeren. Zo kan het niet gaan, dan moet de overheid het risico nemen. Wat verstandige termijnen zijn, weet ik niet; daarvoor laat ik de staatssecretaris graag voorstellen doen.

Kortom, als wij al deze zaken de revue laten passeren, kunnen wij vandaag niet akkoord gaan met dit wetsvoorstel. Wellicht gaat deze gedachte wat te ver, zeker in het licht van de nieuwe naam van dit wetsvoorstel die ik heb voorgesteld, maar de staatssecretaris zal ons in een aantal opzichten toch nog tegemoet moeten komen om ons er definitief van te overtuigen dat deze wet burgers niet onevenredig zwaar zal belasten en dat de staatssecretaris haar positie tegenover haar collega's waar kan maken om te garanderen wat bijna deze hele Kamer van belang acht in de relatie tussen burger en overheid bij de dienstverlening van de overheid.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Voorzitter. Wij regelen met dit wetsvoorstel dat er een burgerservicenummer komt, met een verbetering ten opzichte van wat er rondom het sofinummer geregeld is, zowel in technische als in juridische zin. Hier gaat het om.

Mevrouw Swenker leek er enigszins verbaasd over dat ik het eens ben met een aantal onderdelen van haar inbreng. Ik kan haar geruststellen, ik let altijd op de inhoud van wat er naar voren wordt gebracht, ongeacht de partij waarvan de spreker lid is. Als ik vind dat zij op bepaalde punten gelijk heeft en als ik vind dat dit tot veranderingen moet leiden, dan handel ik daar ook naar. Mevrouw Swenker was blij met deze opstelling van mij, maar ik was zelf wat minder verheugd over wat zij verder nog zei. Inderdaad wil ik het vangnet bij het agentschap BPR onderbrengen, maar er is naar mijn mening geen sprake van een spagaat. Bij de burgerservicefunctie gaat het om de helpende hand en mevrouw Tan gaf eigenlijk wel goed weer waarom ik het belangrijk vind om deze functie bij dit agentschap onder te brengen. Zo blijft deze functie namelijk dicht bij de beheerorganisatie voor onderdelen van het systeem, het is mijn eigen organisatie. Daardoor kan ik ervoor zorgen dat voldoende mensen worden ingezet. Het is dan ook van groot belang dat het burgerservicepunt organisatorisch nauw bij mijn departement is betrokken. Het is verder goed om vast te stellen dat ik ook de politieke verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het burgerservicepunt draag. Deze Kamer kan invloed op mijn beleid uitoefenen en ik kan weer invloed uitoefenen op het beheer van het burgerservicepunt. Deze Kamer kan mij bijvoorbeeld dwingen tot het inzetten van extra personeel om het servicepunt goed te laten functioneren. Het CBP is daarentegen een onafhankelijke instelling. In het algemeen wijs ik erop dat het belangrijk is dat de burger bij dat servicepunt bij de hand wordt genomen.

Mevrouw Swenker (VVD):

Het burgerservicepunt is een agentschap. Dat wil zeggen dat de verantwoordelijkheid een hiërarchische lijn volgt en dat het uiteindelijk onder uw toezicht valt. Wij hebben daarentegen gevraagd om de instelling van een onafhankelijk contactpunt. Ik kan mij voorstellen dat een agentschap geen toegang heeft tot alle gegevens van andere gebruikers, zoals de die van de gezondheidszorg. In feite zijn dat ook particulieren. Zult u de bevoegdheden van dit agentschap met regelgeving uitbreiden, zodat het ook de gegevens van particulieren kan inzien bij het helpen van burgers? Of zegt u, nee, dit servicepunt blijft een agentschap, het wordt geen onafhankelijk kantoor en het moet zich beperken tot het huidige takenpakket en de huidige bevoegdheden?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Inderdaad, het agentschap moet werken met de bevoegdheden die het nu heeft. Echter, het servicepunt is niet zomaar een kantoor. Ook in de richting van mevrouw Ten Horn zeg ik dat ik zal zorgen voor voldoende middelen, zodat de burger, zoals ik zei, bij de hand kan worden genomen, ook in het contact met andere instanties. In eerste termijn heb ik gezegd hoe ik denk over de onafhankelijkheid van het servicepunt en over de doorzettingsmacht. Voor dat laatste is het CBP toegerust. Ik zal zorgen voor een vloeiende lijn en dat het burgerservicepunt automatisch van een bepaalde zaak melding maakt bij het CBP, zodat de burger niet tussen wal en schip geraakt.

In tweede termijn is erop gewezen dat een aantal aspecten met sectorwetten moet worden geregeld. Deze Kamer wil eigenlijk voordat het systeem verder gestalte krijgt weten welke aspecten dat zijn. Ik wijs er dan op dat eerst de wet voor het bsn ingevoerd moet worden wil je überhaupt sectorwetten kunnen opstellen. Hoe langer dus de discussie over deze wet duurt, hoe minder snel de leden met de betrokkenen over de sectorwetten kunnen spreken. De desbetreffende wetsvoorstellen kunnen namelijk niet afgemaakt worden als dit voorstel niet is afgehandeld. Ik heb alleen toezeggingen gedaan die ik zelf kan waarmaken. Ik heb ook gezegd waarvoor ik mij kan inzetten. Mevrouw Tan vroeg bijvoorbeeld hoe ik mijn coördinerende rol gestalte denk te geven. Ik wil dat deze Kamer wel met een notitie melden, maar het gaat er mij om dat dit wetsvoorstel als het ware randvoor­waardelijk is en dat later met de andere wetsvoorstellen een nadere regeling kan worden vastgelegd. De normen die nodig zijn worden met die andere wetsvoorstellen vastgesteld. Ik wijs er in dit verband op dat deze Kamer daar nadrukkelijk bij betrokken is. De Kamer kan over de normen met de mensen van de verschillende sectoren spreken. Daarom heeft het opschorten van de behandeling van dit wetsvoorstel geen zin, want uiteindelijk is het debat dat met de specifieke sectoren moet worden gevoerd bepalend voor de vraag wat nader moet worden geregeld.

Mevrouw Swenker (VVD):

Ik heb niet de indruk dat met deze samenvatting wordt weergegeven waar ik naar vroeg. Het is natuurlijk prachtig dat u deze Kamer een coördinerende functie toedicht en dat wij met de verschillende sectoren overleg kunnen plegen over de toetsingskaders. Los daarvan gaat het mij om iets anders, namelijk om het feit dat bijvoorbeeld de minister van Justitie het college een plicht gaat opleggen. Daarvoor is een wetswijziging nodig.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Inderdaad, dit is een ander aspect. Ik heb gezegd dat de klachten moeten worden behandeld en daarover zal ik overleg plegen met Justitie. De heer Franken zei dat het CBP niet alleen bereid moet zijn om deze taak uit te voeren, maar dat het ook budgettair in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn taak te vervullen. Ik wil heel nadrukkelijk toezeggen dat ik mij zal inspannen voor het toekennen van voldoende middelen. Ik zei reeds dat het CBP de doorzettingsmacht heeft.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Waaraan denkt u bij het toekennen van de omvang van de menskracht voor het burgerservicepunt?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Daarover kom ik nog te spreken. Ik houd met mijn betoog de volgorde van de sprekers aan.

Ik wijs er nog op dat men alles in de juiste proporties en de juiste verhoudingen moet zien. Er worden nu ook talloze fouten geconstateerd bij de gegevensuitwisseling. Voor een deel worden die ambtshalve verbeterd. Heel veel klachten worden dus meteen afgehandeld. Ik was het dan ook nadrukkelijk eens met wat de heer Thissen met het eerste deel van zijn betoog zei. Men zal begrijpen dat ik minder gelukkig was met het laatste onderdeel daarvan, maar ik vind dus ook dat men de juiste proporties en de juiste context in aanmerking moet nemen. Het gaat hier om het juridisch en technisch verbeteren van het sofinummer met het burgerservicenummer. De voorwaarden die daarbij in acht worden genomen, heb ik in eerste termijn genoemd. Men moet deze kwestie niet groter of ingewikkelder maken dan zij is. De regeling voor het burgerservicenummer kent veel meer waarborgen dan het sofinummer ooit heeft gekend. Ik ben blij dat mevrouw Ten Horn nu knikt. Hiermee geef ik ook de essentie aan van de noodzaak van het invoeren van het burgerservicenummer. Als wij dat niet invoeren, laten wij niet goed functionerende regelgeving bestaan en blijven wij achter bij de ontwikkelingen.

Ik meen dat de heer Franken goed heeft weergegeven wat wij doen. Ik heb een harde toezegging op het punt van het vangnet gedaan. Wij zullen ervoor zorgen dat het CBP daadwerkelijk in staat is om zijn taken uit te voeren. Wij weten niet of het nu voldoende is toegerust, maar voor zover dat niet het geval is, zullen wij ervoor moeten zorgen dat dit wel zo is.

Mevrouw Swenker en de heer Franken wezen erop dat overleg met de ministers Klink en Bos nodig is voor het hanteren van de normen voor de sectoren van de zorg en de belastingen. Zij moeten harde toezeggingen doen. Ik moet dus overleg plegen met de ministers die daarover uiteindelijk gaan. Deze Kamer kan deze ministers terecht vragen stellen en zeggen wat zij belangrijk vindt. Ik ben er zelf erg voor om met specifieke wetgeving sectorspecifieke normen vast te leggen. Tegelijk zeg ik dat wij met deze wet wel degelijk wat regelen. In de WBP zijn andere punten geregeld. Ik noem: transparantie, doelbinding, proportionaliteit en beveiliging. In dit wetsvoorstel over het burgerservicenummer worden wel degelijk een aantal normen gesteld. In een aantal betogen werd de indruk gewekt dat er geen normen worden gesteld, maar er worden wel degelijk algemene normen gesteld: de identificatieplicht voor de uitgevende instantie, de notificatieplicht door die instantie, de binding aan de overheidstaak, de beperking van de koppeling bij bijzondere omstandigheden die een individuele burger betreffen, de vergewisplicht en de nadere regels of de AMvB over de verwijsfunctie. Er wordt in dit wetsvoorstel dus veel meer geregeld dan ten tijde van het sofinummer. Daarom beschouw ik dit ook echt als een verbetering ten opzichte van datgene wat ten tijde van het sofinummer tot stand kwam. Ik vind het jammer dat de VVD-fractie dat blijkbaar niet ziet en is vergeten dat wij dit juist om die reden doen.

De heer Engels sprak mede namens de OSF. Ik ben het eens met een groot deel van de door hem ingebrachte punten en ben nadrukkelijk op die punten ingegaan. Hij heeft terecht naar voren gebracht dat het bij het vangnet deels om beleving gaat. Daarom was ik blij met deze mondelinge behandeling, want daarin kun je van gedachten wisselen over waar het om gaat en of je goed hebt gezien wat er in de schriftelijke gedachtewisseling en de andere stukken staat. De heer Engels noemde het toetsingskader "gebruiksinstructie". Als ik destijds verantwoordelijk was geweest voor het maken van dit wetsvoorstel, had ik dit geen "toetsingskader" genoemd, want die term heeft tot veel misverstanden aanleiding gegeven. Het werkt wel als een toetsingskader voor de mensen die ermee werken, want zij toetsen daarmee hun werk. Die term heeft echter ook tot veel misverstanden geleid.

Ik had het stuk van de heer Engels over de lacune in de wetgeving nog niet gekregen. Ik kon daar in tweede termijn, kijkend naar wat de heer Engels van het CBP had gekregen, dus niet op ingaan, maar hij sluit zich nu aan bij de heer Franken: laat het CBP eerst zelf maar zeggen welke normen beter geregeld kunnen zijn; pas daarna kun je bekijken of er lacunes zijn. Ik ben dus blij dat de heer Engels mij op dit punt niet om een extra antwoord heeft gevraagd. Ik ben ook blij met zijn steun voor dit wetsvoorstel, want ik denk echt dat het een stap vooruit is ten opzichte van de sofiregeling.

Mevrouw Ten Horn heeft aangegeven dat de SP achter het idee van het burgerservicenummer staat. Daar ben ik blij mee. Ik hoop dan ook dat zij het wetsvoorstel zal steunen, want ik heb uit haar betoog in eerste termijn begrepen dat zij veel belang hecht aan het burgerservicenummer in de zorg en de elektronische uitwisseling van de patiëntgegevens. De enige manier om dat te bereiken, is om het burgerservicenummer nu – uiteraard goed – te regelen. Anders kunnen de andere dingen waaraan zij belang hecht, gewoon niet geregeld worden. Al die dingen wachten op dit wetsvoorstel. Dat zeg ik nadrukkelijk, want dat is de werkelijkheid. In die zin vind ik het jammer dat de VVD-fractie voor opschorting van de behandeling heeft gepleit.

Het eerste punt waarop mevrouw Ten Horn terugkwam, was de goede voorlichting. Op dat punt ben ik het vanzelfsprekend met haar eens. Zij kwam daarbij weer met het punt van de sleutel. Het bsn is een persoons­nummer. In die zin heeft de heer Holdijk er gelijk in dat het beter een "burgernummer" had kunnen heten. Het is net zoiets als een huisnummer. Het is geen sleutel, want een sleutel zou toegang tot de gegevens geven. Daar zijn autorisaties en dat soort dingen voor nodig. Het is wel een persoonsnummer waarmee dingen mogelijk gemaakt kunnen worden, omgeven door beveiliging en alle andere dingen waaraan mevrouw Ten Horn zoveel waarde hecht. Een goede voorlichting is inderdaad van belang. Ik heb zojuist gezegd hoe wij daarnaar kijken: van sofi- tot burgerservicenummer. De heer Holdijk heeft er gelijk in dat er veel misverstanden bestaan over waar het nou precies om gaat. Die misverstanden moeten wij op een goede manier wegnemen.

Het tweede punt van mevrouw Ten Horn was het burgerservicepunt. Op dat punt ben ik het met mevrouw Swenker eens dat dat na een jaar niet ineens kan ophouden te bestaan. Ik heb dus toegezegd dat het permanent zal zijn, zij het wel met een evaluatie. "Permanent" klinkt immers als "voor de eeuwigheid", maar wij zullen een goede evaluatie uitvoeren. Wat mij betreft, kunnen wij over die evaluatie met elkaar van gedachten wisselen. Het burgerservicepunt moet ook voldoende capaciteit hebben. Mevrouw Ten Horn ging bij het aantal fouten uit van 1 op de 1000 en kwam daarmee uit op heel veel uren. Ik ben het ermee eens dat er voldoende capaciteit moet zijn. Daarom vind ik dat dit bij BPR moet zitten, omdat ik daar zelf invloed op kan uitoefenen. Wij zullen dat heel nadrukkelijk volgen. Bij het sofinummer waren niet heel veel fouten gemaakt, maar het moet zowel kwantitatief als kwalitatief gewoon om een goede club gaan. Men krijgt gewoon het aantal mensen dat nodig is, want anders kan het gewoon niet werken.

Mevrouw Ten Horn (SP):

En geen wachtlijst!

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Inderdaad, want anders heeft het geen enkele zin. Als er een wachtlijst is, werkt het hele systeem niet. Er moet dus gewoon voldoende capaciteit zijn. Ik hoop nu voldoende antwoord te hebben gegeven op de eerste twee punten van mevrouw Ten Horn.

Het derde punt betrof de toezegging van minister Nicolaï over de kadernotitie over het breder gebruik van het bsn. Bij die toezegging ging het om zes maanden na invoering van deze wet. Wanneer de wet is ingevoerd, zullen wij ervoor zorgen dat de Kamer die notitie zo snel mogelijk krijgt. Mevrouw Ten Horn vroeg naar een expliciete datum. Er moet natuurlijk even op gestudeerd worden, maar zij kan ervan op aan dat ik die toezegging gestand zal doen.

Tot slot vroeg mevrouw Ten Horn of ik de Kamer een notitie wil sturen over de normering in de sectoren. Daartoe ben ik bereid. In die notitie zal ik aangeven hoe ik aankijk tegen de normering in de verschillende sectoren en hoe ik mijn rol op dat punt zie. Volgens mij ben ik daarmee ingegaan op alle door mevrouw Ten Horn ingebrachte punten.

Net als mevrouw Tan ben ik blij met de mondelinge behandeling van dit wetsvoorstel. Daarin kun je immers makkelijker met elkaar spreken en wordt duidelijker wat er wordt gezegd en bedoeld. Zij vreesde dat de toonzetting zou worden bepaald door het al bekende uit de schriftelijke gedachtewisseling. Zij heeft in ieder geval geproefd hoe ik zelf aankijk tegen de invoering van het burgerservicenummer: daarbij moeten de mensen altijd centraal blijven staan. Het is niet de automatisering die centraal staat. Dat is een middel voor de dienstverlening. De mensen moeten centraal blijven staan. Ik ben blij dat zij dat heeft geproefd.

Mevrouw Tan heeft gezegd dat zij wat het burger­servicenummer betreft blij is met wat is aangedragen in de vorm van de tweetrapsraketten. Inderdaad is het agentschap BPR dicht bij het vuur. De heer Franken heeft het ook daarover gehad in zijn bijdrage. Het is ook praktisch om het daar neer te zetten. Wij kunnen er gemakkelijker invloed op uitoefenen, ook op het aantal en de kwaliteit van de mensen. Bovendien zit men dichter bij het vuur om gegevens te wijzigen. Daarin heeft mevrouw Tan gelijk. Ik denk dat het voldoende is opgetuigd om te voldoen aan de vraag. Ik heb al tegen mevrouw Ten Horn gezegd dat het niet de bedoeling is dat er wachtlijsten ontstaan.

Mevrouw Tan (PvdA):

Ik heb mij aangesloten bij de vraag van mevrouw Swenker, want bij al het positieve over de keuze van de BPR blijft wel de vraag welke positie dit onderdeel heeft ten opzichte van niet-overheidsonder­delen, zoals de gezondheidszorg. Mevrouw Swenker heeft er net ook naar gevraagd, maar ik heb daarop geen duidelijk antwoord gehoord.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Mevrouw Swenker heeft gelijk dat er een andere positie is als het gaat om gegevens van een ander orgaan dan een overheidsorgaan. Het gaat hier heel nadrukkelijk om het bij de hand nemen van mensen richting andere organen. Mevrouw Swenker heeft gelijk dat je als overheid daar niet gemakkelijk zelf de gegevens kunt veranderen, omdat je daarvoor niet verantwoordelijk bent. Je hebt dan altijd de procedure met de doorzettingsmacht nodig, hetzij via het CBP, hetzij via de rechter.

Mevrouw Tan vroeg of de rechter iets kan opdragen. Het antwoord is ja. De rechter kan de correctie van die gegevens afdwingen. Als een rechter een besluit vernietigt, moet het overheidsorgaan de gegevens corrigeren, want dat is de essentie van de uitspraak. In die zin is dat dus echt doorzettingsmacht die leidt tot aanpassing van de gegevens. Dat is de normale systematiek van de bestuursrechter.

Ik heb hier de datum van de notitie. Ik wijs mijn ambtenaren erop dat zij toch hebben opgeschreven: drie maanden. Daar houden wij ons in dit geval maar aan. Mijn ambtenaren zullen er misschien niet blij mee zijn, maar ik zeg mevrouw Ten Horn toe dat de notitie komt drie maanden na de inwerkingtreding van de wet. Misschien stemt het haar nog iets gunstiger over het wetsvoorstel zoals dat voorligt. Wellicht kan zij zich daarin nog iets beter vinden.

Mevrouw Tan heeft ook nog gesproken over een gedragscode voor het gebruik van het bsn. Een gedragscode past daarvoor niet. Daarvoor is dat kader, dat misschien niet toetsingskader had moeten heten. Het veld is veel te divers voor één gedragscode. Het moet echt per sector worden geregeld. Het bsn is echt een hulpmiddel bij de diverse gegevensverstrekkingen.

Mevrouw Tan (PvdA):

Als die gedragscode niet de toets van de staatssecretaris kan doorstaan, wijs ik op mijn concrete vraag wat wij in het kader van haar coördinerende taak kunnen verwachten bij het behandelen van sectorwetgeving. Welke concrete producten kunnen wij bijvoorbeeld bij de behandeling van de ontwerpwet gebruik burgerservicenummer in de zorg tegemoet zien van de staatssecretaris op basis van haar coördinerende taak?

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Mijn bedoeling is om die coördinerende taak zodanig in te vullen dat u in de verschillende soorten sectorspecifieke wetgeving kunt zien hoe met de normstelling is omgegaan. Het moet eigenlijk al in die wetsvoorstellen opgenomen zijn. Ik ben van plan om in de voorfase invloed uit te oefenen. Met de zorg is dat wat lastig, want in het wetsvoorstel dat u al hebt, staat al veel aan normstellingen. Ik ben dus van plan om in de voorfase ervoor te zorgen dat de sectorspecifieke normering goed in de wetsvoorstellen komt te staan. Als dat niet het geval is, is het voor uw Kamer ook lastig om de wetsvoorstellen goed te kunnen beoordelen. Wij zien dus als onze rol om te proberen in de voorfase van de wetsvoorstellen bij de verschillende ministeries invloed uit te oefenen.

Mevrouw Tan en mevrouw Swenker spraken specifiek over de relatie van het burgerservicepunt met de verschillende sectoren. Het burgerservicepunt kan namens de burger gegevens inzien. In die zin kan het dus een goede coördinerende rol vervullen richting andere organen.

Ik heb inderdaad gezien dat de heer Holdijk in zijn schriftelijke inbreng kritisch was op het punt van het burgerservicenummer. Hij heeft dat in tweede termijn geduid als een mogelijk gebrek aan kennis en daardoor gebrek aan vertrouwen. Ik denk dat het gebrek aan vertrouwen inderdaad voor een deel voortkomt uit een gebrek aan kennis. Ik zeg met nadruk tegen de Kamer als geheel dat er geen sprake is van wantrouwen in brede lagen van de bevolking. Er zijn op dit punt belevingsonderzoeken gehouden. Daaruit blijkt geen breed wantrouwen. Er is wel sprake van gebrek aan kennis in dezen.

Ik heb al gezegd dat burgernummer misschien beter was geweest dan burgerservicenummer, maar de laatste benaming was al gekozen en werd al gehanteerd. Ik kon daar niet veel meer aan veranderen. De heer Holdijk vindt het burgerservicepunt wel goed voor de dienstverlening aan de burger door deze aan de hand te nemen. In navolging van mevrouw Ten Horn die deze benaming in eerste termijn heeft ingebracht, heb ik daarom de benaming burgerservicepunt overgenomen voor wat wij in de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van dit wetsvoorstel contactpunt hadden genoemd. Ik heb al tegen andere leden gezegd dat het langer blijft bestaan en dat het niet de bedoeling is dat het alleen bij de introductie van het burgerservicenummer een rol speelt. Het is de bedoeling dat dit punt meer permanent een rol speelt om ervoor te zorgen dat de burger niet tussen de wal en het schip valt.

Ik vind het spijtig dat ik de heer Koffeman niet heb kunnen overtuigen van de rol van dit wetsvoorstel. Omdat ik de heer Koffeman niet zie, laat ik zijn andere vraag maar zitten. Ik zeg alleen nog aan zijn adres wat ik daarnet al tegen andere leden heb gezegd, namelijk dat wetgeving niet kan zonder dit wetsvoorstel.

Met het hele eerste deel van het betoog van de heer Thissen ben ik het eens, zoals hij zal hebben begrepen. Juist omdat het een verbetering is van het gebruik van het sofinummer dat al bestaat, heeft hij zich verbaasd over de ophef over dit wetsvoorstel. Het is mogelijk om beter beveiligd en dergelijke te werken met het burgerservicenummer dan met het sofinummer. Toen ik aanhaalde wat er in het wetsvoorstel staat, heb ik al gezegd dat er wel degelijke technische kwaliteitseisen in staan. Ik had uit zijn inbreng begrepen dat hij dacht dat het niet zo was, maar in dit wetsvoorstel zijn wel degelijk in algemene zin van die eisen geregeld. Die heb ik daarom nog eens opgesomd.

Met het tweede gedeelte van zijn betoog was ik minder gelukkig, zoals hij zal begrijpen. Ik denk namelijk dat dit wetsvoorstel een voorwaarde is om in andere sectoren het burgerservicenummer te regelen. De enige manier om met de betrokken bewindspersonen over dit onderwerp te spreken is als wij het bsn nu regelen. Daarna kan er een debat worden gevoerd over de normstelling en de gegevensuitwisseling in andere wetten. Het enige wat ik hier nu kan doen, is vaststellen: er zij een burgerservicenummer. Ik hoop dat er voldoende mensen in deze Kamer zijn die met mij van mening zijn dat er een burgerservicenummer zou moeten zijn.

De heer Thissen (GroenLinks):

De staatssecretaris gaat voorbij aan een cruciaal punt in mijn betoog, zowel in eerste als in tweede termijn. Ik heb gevraagd bij wie het risico ligt van de termijn die moet worden ingewacht voordat een fout kan worden hersteld die is gemaakt in de combinatie van gegevens en het burgerservicenummer. Ik ben blij met alle toezeggingen van de staatssecretaris over de doorzettingsmacht, maar als de burger maanden moet wachten op de overheidsdienstverlening waarvan later blijkt dat hij of zij er recht op had, kunnen er in de wereld van dit individu vreselijke dingen zijn gebeurd. Dit moet worden voorkomen. Daarom heb ik gevraagd naar de fictieve verlening van diensten.

Staatssecretaris Bijleveld-Schouten:

Ik ben het met de heer Thissen eens dat iedere burger even belangrijk is. Hij heeft gevraagd of ik kan toezeggen dat een burger niet tijdenlang in de kou staat. Ik zal me daar zo veel als maar mogelijk is voor inspannen via het burgerservicenummer. Meer kan ik echter niet doen, want ik kan bestaande procedures die zijn gebaseerd op andere wetgeving, niet met een pennenstreek wegnemen. Daarom zullen wij ons ervoor inspannen dat hiermee bij de inrichting van het burgerservicepunt terdege rekening zal worden gehouden. Wij moeten ervoor zorgen dat een burger niet langer in de kou hoeft te staan dan nodig is en liever nog, helemaal niet in de kou terecht komt. Ik kan de juridische procedures echter niet verder versnellen met een kleine toezegging van mijn kant.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor haar antwoord in tweede termijn.

Ik geef nu, desgevraagd, het woord aan mevrouw Swenker voor een ordevoorstel.

Mevrouw Swenker (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie stelt de Kamer voor om de behandeling van dit wetsvoorstel nu nog niet af te ronden, maar het aan te houden – laat ik zeggen voor een periode van drie maanden – tot er een toezegging is van de minister van Justitie dat hij een wetswijziging zal indienen om het college te verplichten om iedere klacht van een burger in behandeling te nemen. Verder kunnen wij dan beschikken over de notitie die de staatssecretaris heeft toegezegd.

Een van de problemen van de staatssecretaris is natuurlijk dat de behandeling van de servicenummers in andere sectoren gaande is. Wij zullen ten eerste in september een inbreng moeten leveren over het burgerservicenummer in de zorg. Uitstel tot die andere gegevens bekend zijn, hoeft dus niet te interfereren met de overige wetsvoorstellen.

De heer Franken (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie heeft geen behoefte aan uitstel, omdat de staatssecretaris een inspanningsverplichting op zich heeft genomen. Bovendien heeft het CBP laten weten dat het bereid is om deze taak te vervullen. Als er een dergelijke ambtelijke bereidwilligheid is, mogen wij op het resultaat vertrouwen.

De heer Engels (D66):

Mevrouw de voorzitter. Namens de fracties van D66 en de OSF sluit ik mij aan bij het betoog en de conclusie van de heer Franken.

Mevrouw Ten Horn (SP):

Voorzitter. Mijn fractie stelt zich achter het voorstel om de behandeling aan te houden.

De heer Thissen (GroenLinks):

Voorzitter. Ik sluit mij hier graag bij aan.

De heer Holdijk (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Namens de fracties voor wie ik in eerste instantie het woord heb gevoerd, steun ik het voorstel om de behandeling uiterlijk – ik onderstreep het woord uiterlijk – drie maanden op te schorten.

De heer Noten (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Wij hebben geen behoefte aan opschorting, maar wel aan het behoorlijk uitvoeren van de toezeggingen van de staatssecretaris in relatie tot de afspraken die andere bewindslieden raken. Ik ga ervan uit dat zij namens het kabinet spreekt en niet namens de minister van Binnenlandse Zaken.

De voorzitter:

Ik concludeer hieruit dat een meerderheid van 38 leden tegen het voorstel van de VVD-fractie is om de behandeling van dit wetsvoorstel aan te houden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel vast dat de VVD-fractie om stemming vraagt. Ik stel voor om vanavond, aan het einde van de vergadering, over dit wetsvoorstel te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

De vergadering van het Seniorenconvent begint om 13.45 uur.

De vergadering wordt van 13.25 uur tot 14.00 uur geschorst.

De voorzitter:

De ingekomen stukken staan op een lijst die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

(Deze lijst is, met de lijst van besluiten, opgenomen aan het einde van deze editie.)

De voorzitter:

Op verzoek van de CDA-fractie stel ik voor, het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de richtlijn nr. 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PbEU l 326) (30976) als hamerstuk van de agenda der Kamer af te voeren.

Daartoe wordt besloten.