Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 43782 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatscourant 2025, 43782 | algemeen verbindend voorschrift (ministeriële regeling) |
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Gelet op richtlijn (EU) 2018/2001, richtlijn (EU) 2019/943, richtlijn (EU) 2023/1791, richtlijn (EU) 2024/1788, verordening (EU) 2019/944, verordening (EU) 2024/1366 en verordening (EU) 2024/1789 en de artikelen 2.46, derde lid, 2.58, vierde lid, 2.61, eerste en tweede lid, 4.5, eerste, tweede en derde lid, 4.6, eerste, tweede en vierde lid, 4.7, eerste lid, 4.8 eerste lid, 4.9, derde lid, 4.16, vijfde lid, 4.17, vijfde lid, 5.15, vierde lid, 6.13, zesde lid, 7.52, zesde lid, en 7.53, vijfde lid, van de Energiewet, artikel 6a, zevende lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, de artikelen 4.19 en 5.7 van het Energiebesluit, artikel 11 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers, artikel 2, tweede lid, onderdeel e, subonderdeel 4°, van het Besluit handel in emissierechten, artikel 5.10, eerste lid, van de Wet luchtvaart, artikel 4a van het Besluit luchtverkeer 2014, artikel 3, eerste en tweede lid, van de Kaderwet EZ-, LVVN, en KGG-subsidies;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
faciliteit, bedoeld in artikel 4.16, derde lid, van de wet;
procedures en voorwaarden, bedoeld in artikel 4.17, tweede lid, van de wet;
Minister van Klimaat en Groene Groei;
Energiewet.
Bij de toepassing van de Begrippencode elektriciteit, de Begrippencode gas, de Meetcode elektriciteit, de Meetcode gas RNB, de Meetcode gas LNB, de Meetcode gas LNB meting door aangeslotene, de Invoedcode gas LNB en de Informatiecode elektriciteit en gas op grond van de artikelen 7.52, tweede, derde en vierde lid, en 7.53, tweede en derde lid, van de wet worden telkens voor de begrippen die genoemd zijn in de eerste kolom van bijlage I de in de tweede kolom van die bijlage genoemde begrippen gelezen.
Van de toepassing van de Meetcode elektriciteit op grond van artikel 7.52, tweede en vierde lid, van de wet worden de voorwaarden 1.1.1, 1.1.3, 1.1.5, 1.2.1.1 tot en met 1.2.3.3, 1.2.3.5, 1.2.3.6, 1.2.3.7, 1.2.4.1 tot en met 2.2.1, 2.3.1, 2.4.1, 2.4.2, 2.5.1 tot en met 2.6.5, 3.1.1 tot en met 3.4.17, 4.2.1.1, 4.2.1.2, 4.2.2.1, 5.1.1, 5.1.2 en 6.2.1 tot en met 6.3.5 uitgezonderd.
Van de toepassing van de Meetcode gas RNB op grond van artikel 7.52, derde en vierde lid, van de wet worden de voorwaarden 1.1.1, 1.1.2, 1.1.4 tot en met 2.2.1, 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3, hoofdstuk 3 en de voorwaarden 6.2.1 tot en met 6.3.2a uitgezonderd.
Bij de toepassing van de Invoedcode gas LNB op grond van artikel 7.52, derde en vierde lid, van de wet:
a. wordt voorwaarde 4.3 de zinsnede ‘tenzij de invoeder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet anders overeenkomen’ buiten beschouwing gelaten; en
b. wordt voorwaarde 4.9 de zinsnede ‘De partij die de meet- en regelinrichting beheert zal de andere partij in de gelegenheid stellen’ gelezen als ‘De invoeder stelt de netbeheerder in de gelegenheid’.
Van de toepassing van de Informatiecode elektriciteit en gas op grond van artikel 7.53, tweede en derde lid, van de wet worden uitgezonderd:
a. ten aanzien van het uitvoeren van meettaken:
1°. vanaf 1 mei 2026: de voorwaarden 1.1.7, 5.1.2.1a, 5.1.3.4a, 5.3.4.3 en 5.3.4.3b, onderdeel c;
2°. de voorwaarden 1.1.8, 1.1.9 en 2.1.10;
b. ten aanzien van het alloceren en reconciliëren van energievolumes vanaf 1 mei 2026 de voorwaarden 3.1.3.4, 3.2.3.4, 3.3.3.5 en 3.4.4.2, en de voorwaarden in paragraaf 3.15 en hoofdstuk 7;
c. ten aanzien van de gegevensuitwisseling in algemene zin:
1°. de voorwaarden 1.1.10 en 1.1.11;
2°. de voorwaarden in de paragrafen 2.2b, 2.5a, 2.14, 2.15, 10.1.4a en 10.1.4b en voorwaarde 10.1.5.2;
3°. vanaf 1 mei 2026: de voorwaarden in paragraaf 3.12;
4°. de voorwaarden in hoofdstuk 9;
d. ten aanzien van gegevensuitwisseling inzake het leveranciersmodel:
1°. de voorwaarden 8.1.1, onderdeel d, 8.1.2a, en 8.1.4 tot en met 8.3.6;
2°. vanaf 1 juli 2026: de voorwaarden 8.1.1, aanhef en onderdelen a, b en c, 8.1.2 en 8.1.3;
e. ten aanzien van de gedragscodes: de voorwaarden in paragraaf 10.2 en 10.3.
1. Bij de toepassing van de Informatiecode elektriciteit en gas op grond van artikel 7.53, tweede en derde lid, van de wet:
a. zijn vanaf 1 mei 2026 de voorwaarden 5.1.3.1, 5.1.3.2, 5.1.3.3, 5.1.3.4 en 5.1.4.1 alleen van toepassing op een leverancier indien sprake is van een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld;
b. zijn vanaf 1 mei 2026 de voorwaarden 3.1.4.1, 3.2.4.1, 3.3.4.1, 3.4.5.1, 3.14.1.8, 3.14.1.9, 3.14.2.5, 3.14.2.6, 3.14.3.8, 3.14.3.9, 3.14.4.5, 3.14.4.6, 5.1.2.2 en 5.3.4.3a alleen van toepassing op een leverancier indien sprake is van een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld en van overeenkomstige toepassing op een distributiesysteembeheerder indien sprake is van een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld;
c. wordt vanaf 1 mei 2026 in de voorwaarden 2.2.1, onderdeel b, subonderdeel iii, 2.2.2, onderdeel b, subonderdeel iii, en 2.2.3, onderdeel b, subonderdeel iii, ‘een verzoek tot wijziging van de allocatiemethode’ gelezen als ‘een wijziging van de allocatiemethode’;
d. wordt in de voorwaarden in paragraaf 2.6 ‘toegankelijk meetregister’ telkens gelezen als ‘meetregister, bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringsregeling Energiewet,'; en
e. wordt in bijlage 7 de verwijzing naar voorwaarde 2.2b.4 telkens buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk 3 is vanaf 1 mei 2026 van toepassing op het verzamelen, valideren en vaststellen van meetgegevens bij een meetinrichting voor elektriciteit of gas waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, bij een kleine aansluiting.
1. De distributiesysteembeheerder verzamelt de per kwartier geregistreerde meterstanden voor elektriciteit en de per uur geregistreerde meterstanden voor gas ten behoeve van het verkrijgen van inzage in of toegang tot en uitwisseling van gegevens aan een ander op basis van een verzoek, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, of de facturatie, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, onderdeel c, van de wet.
2. De distributiesysteembeheerder verzamelt de meterstanden zo spoedig mogelijk nadat de meetinrichting de meterstanden heeft geregistreerd, indien dit nodig is voor de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen.
1. Indien de distributiesysteembeheerder een meterstand die nodig is bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen niet heeft ontvangen, voert hij gedurende tenminste vijftien werkdagen na de dag waarop de meetinrichting de meterstand heeft geregistreerd, dagelijks pogingen uit tot het alsnog ontvangen van de meterstand.
2. Indien een meterstand ondanks de dagelijkse pogingen tot ontvangen ervan gedurende tenminste vijftien werkdagen blijft ontbreken en de distributiesysteembeheerder de meterstand nodig heeft bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen, berekent hij de meterstand met gebruikmaking van de algoritmen, bedoeld in voorwaarde 5.1.3.3, onderdelen a tot en met f, van de Informatiecode elektriciteit en gas.
1. De distributiesysteembeheerder valideert een verzamelde meterstand die ziet op het tijdstip 0.00 uur door te controleren:
a. of de te valideren meterstand gelijk is aan of hoger is dan de voorgaande ontvangen meterstand; en
b. of de waarde van het berekende verschil tussen de te valideren meterstand en de voorgaande vastgestelde meterstand niet groter is dan technisch mogelijk is gezien de fysieke capaciteit van de aansluiting.
2. Indien een meterstand niet valide is bevonden en de distributiesysteembeheerder deze meterstand nodig heeft voor de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen, berekent hij de meterstand met gebruikmaking van de algoritmen, bedoeld in voorwaarde 5.1.3.3, onderdelen a tot en met f, van de Informatiecode elektriciteit en gas.
De distributiesysteembeheerder stelt de valide bevonden meterstanden en de berekende meterstanden vast.
1. Een partij die op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas of de wet een register beheert, verstrekt ter uitvoering van artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b en c, van de wet zo spoedig mogelijk ten minste de gegevens die over de desbetreffende aansluiting zijn geregistreerd en die in bijlage II bij deze regeling zijn genoemd.
2. Het eerste lid is vanaf 1 mei 2026 van toepassing op geregistreerde gegevens die zien op kleine aansluitingen of allocatiepunten bij die aansluitingen.
1. Op een verstrekking die tot 1 januari 2026 plaatsvond op grond van artikel 26ab, derde en vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b, derde en vierde lid, van Gaswet, zoals die artikelen luidden voor 1 januari 2026, zijn de volgende leden van toepassing.
2. Een systeembeheerder verstrekt tot en met 31 december 2028 op verzoek meetgegevens van een kleine aansluiting aan:
a. een leverancier of marktdeelnemer die aggregeert, voor zover de meetgegevens zien op een allocatiepunt waarop die partij actief is dan wel over de periode waarin die partij actief is geweest en welke meetgegevens door de leverancier of marktdeelnemer die aggregeert op basis van een voor 1 januari 2028 afgegeven toestemming als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene verordening gegevensbescherming mogen worden verwerkt; of
b. een derde die de desbetreffende meetgegevens op basis van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene verordening gegevensbescherming mag verwerken, voor zover die meetgegevens mogen worden verwerkt op basis van een voor 1 januari 2028 afgegeven toestemming als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene verordening gegevensbescherming mogen worden verwerkt.
3. Een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt door een in dat lid genoemde partij slechts gedaan na identificatie en authenticatie van degene waarop het verzoek ziet.
4. De gegevensuitwisselingsentiteit stelt de identiteit van de aangeslotene, eindafnemer, actieve afnemer of invoeder, bedoeld in het tweede lid, vast op basis van de informatie over het allocatiepunt in het verzoek, bedoeld in dat lid.
1. Een partij die gegevens registreert op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas is een registerbeheerder als bedoeld in de wet.
2. Bij het aanleveren of verstrekken van gegevens op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas, de Meetcode gas RNB, de Meetcode gas LNB, de Invoedcode gas LNB of de Meetcode gas LNB meting door aangeslotene wordt de GUE-faciliteit gebruikt.
3. Voor een verzoek om het verstrekken van gegevens op grond van hoofdstuk 4 van de wet of de Informatiecode elektriciteit en gas wordt de GUE-faciliteit gebruikt.
1. Een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting waarvan de meetinrichting een conventionele meter is als bedoeld in voorwaarde 2.1.4, onderdeel h, van de Informatiecode elektriciteit en gas, levert bij de systeembeheerder van het systeem waarop de aansluiting zich bevindt in januari 2026 en in april 2026 de gegevens aan, bedoeld in:
a. voorwaarde 2.1.3, onder a en b, van de Informatiecode elektriciteit en gas;
b. artikel 5.3, onderdeel b, voor zover hij daarover beschikt.
2. Een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting levert in de eerste helft van mei 2026 de gegevens aan, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, aanhef, en, voor zover hij daarover beschikt, de gegevens, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, onder a tot en met d, bij de systeembeheerder van het systeem waarop de aansluiting zich bevindt.
1. Een leverancier die actief is of wordt op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting vraagt met ingang van 1 mei 2026, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in voorwaarde 2.1.3, onder a, van de Informatiecode elektriciteit en gas, de volgende gegevens op bij de aangeslotene met wie hij een leveringsovereenkomst afsluit:
a. een telefoonnummer;
b. een e-mailadres;
c. het type aangeslotene;
d. de gegevens, bedoeld in voorwaarde 3.3.1.1, onder g, j en k, van de Informatiecode elektriciteit en gas;
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanhef, onderdelen a, b en c, en, voor zover van toepassing, bedoeld in onderdeel d, worden uiterlijk een werkdag nadat deze zijn verkregen, doch uiterlijk een werkdag nadat de betreffende leverancier actief is geworden op een primair allocatiepunt, aangeleverd bij de systeembeheerder van het systeem waarop de aansluiting zich bevindt.
3. Een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting die bekend wordt met wijzigingen in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geeft deze uiterlijk de volgende werkdag door aan de betreffende systeembeheerder.
4. Bij toepassing van het tweede en het derde lid vermeldt een leverancier in ieder geval:
a. een uniek identificerend nummer van de aansluiting;
b. een aanduiding van de betreffende systeembeheerder;
c. een aanduiding van de betreffende leverancier.
De distributiesysteembeheerders en de beheerders van een gesloten systeem houden afzonderlijk een register bij en registreren daarin de volgende meetgegevens over kleine aansluitingen en bijbehorende additionele allocatiepunten waarvoor zij verantwoordelijk zijn voor het verzamelen van meetgegevens:
a. een uniek identificerend nummer van de aansluiting of het allocatiepunt;
b. de door hen verzamelde en aan hen aangeleverde meterstanden en de meterstanden die aan hen zijn verstrekt en die zijn verzameld op grond van artikel 2.54 van de wet;
c. informatie over het moment waarop de meterstand, bedoeld in onderdeel b, betrekking heeft;
d. een vermelding of de meting op gas of elektriciteit ziet;
e. de overige gegevens die op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas over meetgegevens worden geregistreerd.
De meetverantwoordelijke partijen en de transmissiesysteembeheerder voor gas houden afzonderlijk een register bij en registreren daarin de volgende meetgegevens over grote aansluitingen en bijbehorende additionele allocatiepunten waarvoor zij verantwoordelijk zijn voor het verzamelen van meetgegevens en over aansluitingen als bedoeld in artikel 2.47, vierde lid, van de wet:
a. een uniek identificerend nummer van de aansluiting of het allocatiepunt;
b. de aan hen aangeleverde gegevens en door hen gemeten of berekende meetgegevens;
c. informatie over het moment of de periode waarop de meetgegevens, bedoeld in onderdeel b, betrekking hebben;
d. de overige gegevens die op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas over meetgegevens worden geregistreerd.
1. Onverminderd de artikelen 4.6 en 4.7 registreert de distributiesysteembeheerder in het register, bedoeld in die artikelen, tevens de gegevens die voor een individueel allocatiepunt zijn berekend op grond van de artikelen 3.17 en 3.18 van de Energieregeling.
2. Bij een geregistreerd gegeven als bedoeld in het eerste lid wordt tevens telkens geregistreerd:
a. een uniek identificerend nummer van de aansluiting of het allocatiepunt;
b. de meetgegevens die aan het bewerkte gegeven ten grondslag liggen en de overige parameters die voor die berekening zijn gebruikt;
c. informatie over het moment waarop de meetgegevens, bedoeld in onderdeel b en c, zijn uitgelezen of opgevraagd;
d. de periode waarop de berekening ziet.
1. De gegevens, bedoeld in artikel 4.6, die zien op intervallen van een kwartier voor elektriciteit worden voor de uitvoering van de wet tien werkdagen bewaard, met uitzondering van een meterstand per dag die ziet op 0.00 uur.
2. In afwijking van het eerste lid worden de gegevens, bedoeld in dat lid, twee jaar bewaard indien de aangeslotene de registerbeheerder daarom via de gegevensuitwisselingsentiteit heeft verzocht, met uitzondering van een meterstand die langer wordt bewaard op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas of de Meetcode elektriciteit. De overige gegevens die voor kleine aansluitingen en daarbij behorende allocatiepunten worden geregistreerd op grond van de artikelen 4.6 en 4.8 worden voor de uitvoering van de wet twee jaar bewaard.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 4.6, die zien op gas worden voor de uitvoering van de wet twee jaar bewaard, met uitzondering van een meterstand die langer wordt bewaard op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas of de Meetcode gas RNB.
De gegevens, bedoeld in de artikelen 4.7 en 4.8, voor zover deze zien op grote aansluitingen worden voor de uitvoering van de wet drie jaar bewaard, met uitzondering van een meterstand die op grond van de Informatiecode elektriciteit en gas, de Meetcode elektriciteit, de Meetcode gas RNB, Meetcode gas LNB, de Invoedcode gas LNB of de Meetcode gas LNB meting door aangeslotene langer worden bewaard.
Bij een kleine aansluiting met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, verstrekt de distributiesysteembeheerder vanaf 1 mei 2026 op verzoek aan de leverancier of markdeelnemer die aggregeert voor invoeding de meterstanden en volumes van een bepaalde datum op het tijdstip 0.00 uur op een bepaald allocatiepunt ten behoeve van het verstrekken van facturen, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, onderdeel c, van de wet.
1. De GUE-procedures en -voorwaarden voorzien erin dat de gebruiker van de GUE-faciliteit tijdens het proces voor het verstrekken van gegevens als bedoeld in artikel 4.1 van de volgende informatie wordt voorzien:
a. de partij waaraan gegevens worden verstrekt;
b. een duiding van de gegevens die worden verstrekt.
2. Met de wijze waarop de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt getoond, wordt geborgd dat de getoonde informatie niet door een derde partij kan worden gemanipuleerd.
3. Het proces, bedoeld in het eerste lid, voorziet in de mogelijkheid voor een gebruiker om het verstrekken van gegevens af te breken tot het moment waarop dit is voltooid.
1. Een meetinrichting voor elektriciteit bij een kleine aansluiting geeft de actuele meterstand van de aan het systeem onttrokken elektrische energie en de actuele meterstand van de op het systeem ingevoede elektrische energie weer, afzonderlijk en in kWh.
2. Een Ferrarismeter met of zonder terugloopblokkering of een elektronische éénrichtingmeter wordt geacht te voldoen aan het eerste lid tot het moment dat de distributiesysteembeheerder aan de aangeslotene op grond van artikel 3.51, eerste lid, van de wet een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit beschikbaar heeft gesteld of, indien de aangeslotene deze heeft geweigerd, tot het moment dat de distributiesysteembeheerder aan de aangeslotene op grond van artikel 3.53, tweede lid, tweede volzin, van de wet, een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit beschikbaar heeft gesteld.
1. De gegevens, bedoeld in artikel 5.7, tweede lid, van het Energiebesluit, die een distributiesysteembeheerder bewaart, zijn:
a. de datum en het tijdstip waarop de distributiesysteembeheerder vaststelt dat de meetinrichting van een aangeslotene met een kleine aansluiting niet voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen;
b. de dagtekening van de brieven waarin de distributiesysteembeheerder aan een aangeslotene met een kleine aansluiting de meetinrichting ter beschikking heeft gesteld die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen, terwijl dit niet tot installatie van die meetinrichting heeft geleid;
c. de overeengekomen datum waarop een meetinrichting zal worden geïnstalleerd die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen;
d. de datum waarop een meetinrichting als bedoeld onder c is geïnstalleerd;
e. indien de aangeslotene, bedoeld onder a, niet of niet tijdig heeft gereageerd op de brieven, bedoeld onder b, de datum en het tijdstip waarop de distributiesysteembeheerder dit heeft geconstateerd;
2. De distributiesysteembeheerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tot drie maanden na de installatie van een meetinrichting die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.
De gegevens, bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van het Energiebesluit, die een distributiesysteembeheerder aan de minister verstrekt, zijn:
a. de gegevens, genoemd in voorwaarde 2.1.3, onder a, b, d, e, x en y, 2.1.4, onder d, van de Informatiecode elektriciteit en gas;
b. indien de distributiesysteembeheerder daarover beschikt, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aangeslotene en de gegevens, genoemd in voorwaarde 3.3.1.1, onder g, j en k, van de Informatiecode elektriciteit en gas;
c. de gegevens, genoemd in artikel 5.2, eerste lid.
1. De voorwaarden in de Informatiecode elektriciteit en gas die zien op een leverancier, zijn, voor zover sprake is van levering aan een eindafnemer, van overeenkomstige toepassing op:
a. een marktdeelnemer die faciliteert in peer-to-peer-handel;
b. een energiegemeenschap;
c. een actieve afnemer.
2. De voorwaarden in de Informatiecode elektriciteit en gas die zien op een leveringsovereenkomst, zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenkomst op grond waarvan ten behoeve van een eindafnemer:
a. peer-to-peer-handel kan plaatsvinden;
b. elektriciteit of gas wordt geleverd door een energiegemeenschap;
c. rechtstreeks elektriciteit wordt geleverd door een actieve afnemer.
1. De voorwaarden in de Informatiecode elektriciteit en gas die zien op levering van elektriciteit, met uitzondering van de voorwaarden opgenomen in de paragrafen 2.9, 2.10 en 3.12, zijn, indien sprake is van teruglevering door een actieve afnemer, van overeenkomstige toepassing op:
a. de marktdeelnemer die aggregeert met het oog op wederverkoop;
b. de marktdeelnemer die faciliteert in peer-to-peer-handel.
2. De voorwaarden in de Informatiecode elektriciteit en gas die zien op een overeenkomst met de leverancier zijn, voor zover sprake is van teruglevering van elektriciteit door een actieve afnemer, van overeenkomstige toepassing op een terugleveringsovereenkomst en een terugleveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.
De Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling gasnetbeheerder vervalt.
2. In de begripsomschrijving van meetbedrijf wordt ‘instantie die uitvoering geeft aan de taak van de netbeheerder als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel i van de Elektriciteitswet 1998 of in artikel 10, vijfde lid, onderdeel d, van de Gaswet’ vervangen door ‘meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
3. De begripsbepaling minister komt te luiden:
Minister van Klimaat en Groene Groei;
B
In artikel 13, eerste en tweede lid, wordt ‘artikel 74 van de Elektriciteitswet 1998, artikel 66j van de Gaswet’ vervangen door ‘artikel 2.58, vijfde lid, van de Energiewet’.
De Regeling doorberekening kosten ACM wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 2 van de Regeling doorberekening kosten ACM wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor de behandeling van een aanvraag voor:
a. een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van:
1°. € 1.705, indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor het leveren van elektriciteit;
2°. € 1.705, indien de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor het leveren van gas;
b. erkenning als bedoeld in artikel 2.50, vierde lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van:
1°. € 4.000, indien de aanvraag betrekking heeft op een erkenning als meetverantwoordelijke partij voor elektriciteit;
2°. € 4.000, indien de aanvraag betrekking heeft op een erkenning als meetverantwoordelijke partij voor gas;
c. wijziging van een erkenning van een meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.000;
d. toestemming voor overdracht van een erkenning van een meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 2.53, eerste lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.500;
e. certificering van een vergelijkingsinstrument als bedoeld in artikel 2.68, derde lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 16.000;
f. aanwijzing van een beheerder van een erkend gesloten systeem als bedoeld in artikel 3.6 van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van:
1°. € 15.000, indien de aanvrager eigenaar is van een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit;
2°. € 15.000, indien de aanvrager eigenaar is van een distributiesysteem voor gas;
g. erkenning van een systeem als gesloten systeem als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van:
1°. € 15.000, indien de aanvrager eigenaar is van een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit;
2°. € 15.000, indien de aanvrager eigenaar is van een distributiesysteem voor gas;
h. een besluit inzake geschilbeslechting als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van de Energiewet is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 19.000.
B
De tabel in bijlage 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de tweede rij wordt ‘Regionaal netbeheerder elektriciteit’ vervangen door ‘Distributiesysteembeheer voor elektriciteit’.
2. In de derde rij wordt ‘Regionaal netbeheer gas’ vervangen door ‘Distributiesysteembeheerder voor gas’.
3. In de vierde rij wordt ‘Landelijk netbeheer elektriciteit’ vervangen door ‘Transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit’.
4. In de vijfde rij wordt ‘Landelijk netbeheer gas’ vervangen door ‘Transmissiesysteembeheerder voor gas’.
De Energieregeling wordt als volgt gewijzigd:
A
Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 2.28, tweede lid, onderdeel h, door een puntkomma, wordt aan artikel 2.28, tweede lid, een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
i. of de overeenkomst is gesloten met een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming.
B
Artikel 4.2 komt te luiden:
De artikelen 15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 26, 27, 28, tweede en derde lid, 29, zesde lid, 30, eerste en tweede lid, 31, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste en tweede lid, 33, derde, vierde en vijfde lid, 38, eerste, derde, vierde en zesde tot en met negende lid, 39, eerste, tweede en derde lid, 40, vierde lid, 41, vijfde tot en met tiende en dertiende tot en met zestiende lid, 43, eerste tot en met vierde lid, 44, eerste lid, 45, eerste tot en met vierde lid, 46, 47, eerste, tweede, vierde, vijfde, zesde en achtste lid en 48, tiende lid, van gedelegeerde verordening 2024/1366 zijn aangewezen voorschriften als bedoeld in de artikelen 5.17, eerste lid, onderdeel b, en 5.18, eerste lid, onderdeel c, en 5.21, eerste lid, onderdeel e, van de wet.
De Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepalingen allocatiepunt, certificaat van oorsprong voor niet-netlevering, energie uit hernieuwbare energiebronnen, gashub, marktpartij, meetverantwoordelijke, net en richtlijn 2012/27/EU vervallen.
2. In de begripsomschrijving van EAN-code wordt ’ het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem of een net voor thermische energie’.
3. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, gas uit hernieuwbare bronnen, ander gas uit hernieuwbare bronnen of thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
meetbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong of meetbedrijf als bedoeld in artikel 24a van de Warmtewet;
meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
biomassa als bedoeld in artikel 1.1 Energiewet met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclische organische oorsprong van meer dan 3,00 massaprocent per partij;.
4. De begripsomschrijving van eindafnemer komt te luiden:
eindafnemer als bedoeld in artikel 1 van de Energiewet, eindafnemer als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong of afnemer aan wie uitsluitend voor eigen verbruik thermische energie uit hernieuwbare bronnen wordt geleverd;.
5. De begripsomschrijving van garantie van oorsprong komt te luiden:
a. garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2.57, eerste lid, van de Energiewet;
b. garantie van oorsprong voor elektriciteit geproduceerd in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2.57, tweede lid, van de Energiewet;
c. garantie van oorsprong gas uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2.57, derde lid, van de Energiewet;
d. garantie van oorsprong voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2.57, vierde lid, van de Energiewet;
e. garantie van oorsprong voor ander gas uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong;
f. garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet;.
6. In de begripsomschrijving van garantie van oorsprong voor niet-netlevering vervalt ‘uit niet-hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘een bemeterd leverpunt,’ vervangen door ‘een bemeterd overdrachtspunt’.
7. In de begripsomschrijvingen van naar haar aard zuiver biogas, nuttig aangewende warmte en productie-eenheid wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’.
8. In de begripsomschrijving van naar haar aard zuivere biomassa wordt ‘zuivere biomassa’ vervangen door ’biomassa als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
9. In de begripsomschrijvingen van naar haar aard zuiver biogas, nuttig aangewende warmte, producent en productie-eenheid wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’.
10. In de begripsomschrijving van producent wordt ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Elektriciteitswet 1998, artikel 1, eerste lid, onderdeel ag, van de Gaswet en’ vervangen door in ‘artikel 1.1 van de Energiewet,’ en wordt ‘niet-hernieuwbare elektriciteit’ vervangen door ‘elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen’.
11. De begripsomschrijving van zuivere biomassa komt te luiden:
biomassa als bedoeld in artikel 1.1 Energiewet met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van lang-cyclische organische oorsprong van ten hoogste 3,00 massaprocent per partij.
B
In artikel 1a wordt ‘en’ vervangen door een komma en wordt na ‘Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie’ ingevoegd ‘en de artikelen 2.58, vierde lid, 2.61, eerste en tweede lid, van de Energiewet’.
C
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De eerste en tweede zin van het eerste lid, aanhef, komen te luiden:
Indien een producent de transmissie- of distributiesysteembeheerder verzoekt om de vaststelling, bedoeld in artikel 3.63 van de Energiewet, te verrichten of het meetbedrijf verzoekt om de vaststelling, bedoeld in artikel 27 van de Warmtewet of artikel 4 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong, te verrichten, maakt hij daarbij gebruik van een formulier dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld. De producent verklaart via dat formulier energie uit hernieuwbare bronnen of elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen te produceren en verzoekt de transmissie- of distributiesysteembeheerder of het meetbedrijf de bijbehorende meetgegevens mede te delen aan de Minister.
2. In het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, wordt na ‘voorzien van’ ingevoegd ‘een meetinrichting die voldoet aan de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van de artikelen 7.52 en 7.53 van de Energiewet, of in geval van thermische energie uit hernieuwbare bronnen of ander gas uit hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘de netbeheerder of de meetverantwoordelijke’ vervangen ‘de distributiesysteembeheerder, de meetverantwoordelijke partij of het meetbedrijf’.
3. In het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, wordt ‘de netbeheerder of de meetverantwoordelijke’ vervangen ‘de distributiesysteembeheerder, de meetverantwoordelijke partij of het meetbedrijf’ en wordt na ‘bijbehorende’ ingevoegd ‘meetinrichting of’.
4. In het eerste lid, onderdeel b, subonderdelen 3° en 4°, wordt ‘niet zuivere biomassa’ vervangen door ‘niet-zuivere biomassa’.
5. In het vierde lid wordt ‘netbeheerder’ telkens vervangen door ‘transmissiesysteembeheerder’ en wordt ‘een meetverantwoordelijke vòòr’ vervangen door ‘een transmissiesysteembeheerder of meetbedrijf vóór’.
6. Het vijfde lid komt te luiden:
5. De producent die een productie-installatie met een kleine aansluiting in stand houdt en beschikt over een Ferrarismeter met of zonder terugloopblokkering of een elektronische éénrichtingmeter, maakt hiervan melding op het formulier, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 6°.
7. In het zesde lid wordt na ‘De producent’ ingevoegd ‘of de marktdeelnemer die aggregeert ten behoeve van een actieve afnemer’ en vervalt ‘of certificaten van oorsprong voor niet-netlevering’.
8. In het achtste, negende en tiende lid wordt ‘netbeheerder’ telkens vervangen door ‘transmissie- of distributiesysteembeheerder’ en wordt ‘de meetverantwoordelijke’ telkens vervangen door ‘het meetbedrijf’.
9. In het achtste lid wordt ‘het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem of het net voor thermische energie’.
D
In de artikelen 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 5°, 22, eerste lid, aanhef, 29, tweede lid, aanhef, en 35 vervalt ‘en certificaten van oorsprong’.
E
In de artikelen 2, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 4°, 4, derde lid, 5, eerste lid, onderdeel b, 6, tweede lid, 7, vierde lid, 9, eerste lid, 11, vierde lid, 12, eerste en tweede lid, 15, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 17, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, 22, eerste lid, onderdeel b, 23, derde lid (nieuw), vierde lid (nieuw), vijfde lid (nieuw), zesde lid (nieuw) en zevende lid (nieuw), 24, derde lid, 26, tweede lid, en 32, vierde en vijfde lid, wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ telkens vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’.
F
In artikel 3 wordt ‘een leverancier of een handelaar’ vervangen door ‘een leverancier, handelaar, marktdeelnemer die aggregeert ten behoeve van een actieve afnemer of handelaar in garanties van oorsprong’.
G
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘de voorwaarden op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet’.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt de voorwaarden op grond van artikel 12b, eerste lid, onderdeel b, van de Gaswet’ vervangen door ‘de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet’.
H
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘meet en stelt de netbeheerder’ vervangen door ‘stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder’, wordt ‘de meetverantwoordelijke’ vervangen door ‘het meetbedrijf’ en wordt ‘het net’ vervangen door ‘het transmissie- of distributiesysteem of het net voor thermische energie’.
2. In het eerste lid, onderdelen b en c, wordt na ‘producent’ ingevoegd ‘of marktdeelnemer die aggregeert ten behoeve van een actieve afnemer’.
3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘certificaten van oorsprong voor niet-netlevering’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘de energiebron, niet zijnde een hernieuwbare energiebron,’ vervangen door ‘niet-hernieuwbare bronnen’.
4. In het tweede lid wordt ‘de netbeheerder‘ telkens vervangen door ‘de distributiesysteembeheerder’, wordt ‘met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3 x 80 A’ vervangen door ‘met een kleine aansluiting’ en wordt na ‘elektriciteit en’ ingevoegd ‘stelt’.
5. In het vierde lid wordt ‘voor de opwekking van duurzame elektriciteit geen meetinrichting heeft die geschikt is voor de meting van de hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit die op een net wordt ingevoed’ vervangen ‘beschikt over een Ferrarismeter met of zonder terugloopblokkering of een elektronische éénrichtingmeter’, wordt ‘duurzaam opgewekte elektriciteit’ vervangen door ‘elektriciteit uit hernieuwbare bronnen’ en wordt ‘een net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem’.
I
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘die is afgenomen van een net’ telkens vervangen door ‘die is onttrokken van een transmissie- of distributiesysteem’, wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de transmissie- of distributiesysteembeheerder’ en vervalt ‘die hij op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998 meet’.
2. In het tweede lid wordt ‘dat is afgenomen van een net’ telkens vervangen door ‘dat is onttrokken van een transmissie- of distributiesysteem’, wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de meetverantwoordelijke partij’ en wordt ‘artikel 1, vijfde lid, onderdeel d, van de Gaswet’ vervangen door ‘de artikelen 2.47, tweede lid, en 2.48, eerste lid, van de Energiewet’.
J
In de artikelen 7, eerste lid, onderdelen a en b, tweede en vierde lid, 17, eerste lid, onderdelen a en b, en 19 wordt ‘duurzame elektriciteit’ telkens vervangen door ‘elektriciteit uit hernieuwbare bronnen’.
K
In de artikelen 7, zevende en achtste lid, 8, tweede lid, en 10, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, wordt ‘een meetverantwoordelijke’ vervangen door ‘een meetverantwoordelijke partij of meetbedrijf’.
L
In de artikelen 7, zevende lid, 8, tweede lid, en 10, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, wordt ‘de meetverantwoordelijke’ vervangen door ‘de meetverantwoordelijke partij of het meetbedrijf’.
M
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt ‘meerderde’ vervangen door ‘meerdere’.
2. In het derde lid wordt ‘aan het net wordt geleverd’ vervangen door ‘op een transmissie- of distributiesysteem of het net voor thermische energie wordt ingevoed’.
3. In het vierde lid wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de meetverantwoordelijke partij’ en wordt ‘het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem’.
N
Aan artikel 10 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Indien de producent een actieve afnemer is die elektriciteit of gas verkoopt aan een marktdeelnemer die ten behoeve van die producent aggregeert, overlegt de producent de meetrapporten aan de marktdeelnemer.
O
In de artikelen 11, eerste lid, aanhef, en tweede lid, en 12, eerste lid, wordt na ‘een producent’ ingevoegd ‘of marktdeelnemer die aggregeert ten behoeve van een producent’.
P
In de artikelen 11, vierde en vijfde lid, 15, eerste, tweede, derde en vierde lid. wordt na ‘de producent’ ingevoegd ‘of de marktdeelnemer die aggregeert ten behoeve van de producent’.
Q
In artikel 12 wordt ‘netbeheerder’ vervangen door ‘transmissie- of distributiesysteembeheerder’.
R
In artikel 15, eerste, derde en vierde lid, wordt ‘hij’ vervangen door ‘de producent’.
S
In artikel 16, derde lid, wordt ‘het International Accreditation Forum’ vervangen door ‘Global Accreditation Cooperation Incorporated’.
T
In artikel 17, zevende en elfde lid, wordt ‘niet-duurzaam’ vervangen door ‘energie uit niet-hernieuwbare bronnen’.
U
In artikel 19a wordt ‘2025’ vervangen door ‘2026’.
V
In artikel 20, tweede lid, onderdeel a, onderdeel 1°, wordt ‘het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem’.
W
In de aanhef van paragraaf 6 vervalt ‘en certificaten van oorsprong’.
X
In artikel 21 vervalt ‘of een certificaat van oorsprong’.
Y
Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt ‘of certificaten van oorsprong’ en ’, of certificaten van oorsprong, niet zijnde certificaten van oorsprong voor niet-netlevering,’.
2. In het tweede lid wordt ‘Wet Milieubeheer’ vervangen door ‘Wet milieubeheer’.
3. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. In afwijking van het eerste lid kan een rekeninghouder die over garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen of garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor gas uit hernieuwbare bronnen beschikt, deze garanties van oorsprong overboeken op de rekening van Nederlandse emissieautoriteit, indien hij deze garanties van oorsprong wil gebruiken of wil doen gebruiken om emissiereductie-eenheden als bedoeld in artikel 9.7.3.1 van de Wet milieubeheer te verwerven.
4. In het vierde lid (nieuw), zesde lid (nieuw) en zevende lid (nieuw) wordt ‘hernieuwbare brandstofeenheden’ vervangen door ‘emissiereductie-eenheden’.
5. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vierde lid’.
Z
Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
j. de informatie die is vereist op basis van paragraaf 4.5.2.2 van de NEN-EN 16325:2025: Garanties van oorsprong in relatie tot energie, nr. 16325 van 1 juli 2025, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie instituut.
2. In het derde lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. in geval sprake is van omzetting van energie in gas, de informatie vermeld op de voor de omzetting afgeboekte garantie van oorsprong over:
1°. de gebruikte energiebron;
2°. voor de productie-installatie ontvangen of genoten overheidssteun en het type overheidssteun;
3°. de afgegeven certificaten, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, in het geval van gebruik van biomassa.
3. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Op een garantie van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, anders dan een garantie van oorsprong voor HR-WKK-elektriciteit als bedoeld in het tweede lid, wordt in geval sprake is van omzetting van energie in elektriciteit tevens de informatie vermeld op de voor de omzetting afgeboekte garanties van oorsprong over:
a. de gebruikte energiebron;
b. voor de productie-installatie ontvangen of genoten overheidssteun en het type overheidssteun;
c. de afgegeven certificaten, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, in het geval van gebruik van biomassa.
AA
De artikelen 25 en 28a vervallen.
AB
In de artikelen 25a, aanhef, en 26, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 77a van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 2.59 van de Energiewet’, wordt de komma na ‘Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong’ vervangen door ‘en’ en vervalt ‘en artikel 25’.
AC
In artikel 25a, onderdeel c, wordt ‘certificaat van oorsprong voor niet-netlevering’ vervangen door ‘garantie van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen’.
AD
Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, vervalt ‘een certificaat van oorsprong en een’.
2. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘of het certificaat van oorsprong’.
AE
In de artikelen 27 en 28, eerste lid, aanhef, tweede en derde lid, vervalt telkens ‘of certificaten van oorsprong’.
AF
Artikel 28, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt ‘niet duurzaam’ vervangen door ‘energie uit niet-hernieuwbare bronnen’.
2. In onderdeel b wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de transmissie- of distributiesysteembeheerder.
AG
Artikel 29, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt ‘2025’ vervangen door ‘2026’.
2. In onderdeel b wordt na ‘afboeken’ ingevoegd ‘, met uitzondering van het afboeken door de Nederlandse Emissieautoriteit,’.
3. In onderdeel f wordt na ‘handelaren’ ingevoegd ‘of handelaren in garanties van oorsprong’ en wordt ‘€ 3.512,00’ vervangen door ‘€ 3.000,00’.
AH
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt ‘artikel 73, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 2.58, tweede lid, van de Energiewet’.
2. In het vierde lid wordt ‘artikel 66i van de Gaswet’ vervangen door ‘artikel 2.58, tweede lid, van de Energiewet’.
AI
In artikel 33a wordt na ‘certificaten van oorsprong’ ingevoegd ‘en vanaf 1 januari 2026 als garanties van oorsprong voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen’.
AJ
Bijlage 2A wordt als volgt gewijzigd:
1. In de titel vervalt ‘en certificaten van oorsprong’.
2. In 2.1, onderdeel l, en 2.5 vervalt ‘en certificaten van oorsprong’.
3. In 4.6 wordt ‘die de Meetcode Elektriciteit stelt’ vervangen door ‘zoals deze zijn vastgesteld in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet,’.
AK
In bijlage 2B, titel, bijlage 2C, titel, en bijlage 2F, titel, vervalt ‘en certificaten van oorsprong’.
AL
Bijlage 2d wordt als volgt gewijzigd:
1. De titel komt te luiden:
2. De kop komt te luiden:
3. In 1.2, 1.4, 1.5, 3.1 en 5.2 wordt ‘meetverantwoordelijke’ telkens vervangen door ‘meetverantwoordelijke partij’.
4. In 1.3, 1.5, 4.2, 5.1, 6.7 en 7.1, onderdeel c, wordt ‘hernieuwbare energiebronnen’ vervangen door ‘hernieuwbare bronnen’.
5. In 1.3 wordt ‘een regionaal gastransportnet’ telkens vervangen door ‘een distributiesysteem voor gas’, wordt ‘het landelijk of een regionaal gastransportnet’ vervangen door ‘het transmissiesysteem voor gas of een distributiesysteem voor gas’ en wordt ‘het landelijk gastransportnet’ vervangen door ‘het transmissiesysteem voor gas’.
6. In 1.5 wordt ‘afgenomen van een gastransportnet’ vervangen door ‘onttrokken van een transmissie- of distributiesysteem voor gas’.
7. In 2.1, 6.1 en 7.1, onderdeel b, wordt ‘een gastransportnet’ telkens vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem voor gas’.
8. In 2.5, 4.1 en 4.2 wordt ‘netbeheerder’ vervangen door ‘transmissie- of distributiesysteembeheerder’.
9. 3.1 komt te luiden:
3.1. Indien sprake is van meerdere productie-installaties met één aansluiting op een distributiesysteem voor gas zorgen de producenten voor de metingen op de productie-installaties tezamen dat één meetverantwoordelijke partij actief is.
10. In 4.1 wordt ‘De meetverantwoordelijk’ vervangen door ‘De meetverantwoordelijke partij’.
11. 5.1 komt te luiden:
5.1 Indien er sprake is van een of meerdere productie-installaties zonder een aansluiting op een distributie- of transmissiesysteem voor gas worden de metingen ten behoeve van de bepaling van de energiewaarde die in aanmerking komt voor garanties van oorsprong uitgevoerd door een door de producent ingeschakelde meetverantwoordelijke partij op de wijze als in methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet is opgenomen, met dien verstande dat de metingen plaats vinden op een punt zo dicht als praktisch mogelijk vóór dat het gas uit hernieuwbare bronnen naar een afnemer wordt getransporteerd.
AM
Bijlage 2e wordt als volgt gewijzigd:
1. De titel komt te luiden:
2. In 2.1, onderdeel l, en 3.3 komt ‘het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem’.
3. In 2.9a wordt ‘de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet’ vervangen door ‘de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit’.
4. In 3.3 wordt ‘het net’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem’.
5. In 4.6 wordt ‘die de Meetcode Elektriciteit stelt’ vervangen door ‘zoals deze zijn vastgesteld in de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet’.
De Regeling handel in emissierechten wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 vervalt de begripsbepaling meetverantwoordelijke gas en wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:
meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
B
In artikel 1b wordt ‘Een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Gaswet’ vervangen door ‘Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
C
In artikel 48, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, wordt ‘meetverantwoordelijke gas’ telkens vervangen door ‘meetverantwoordelijke partij’.
De Regeling nationale EZ, LVVN-- en KGG-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4.2.64 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepalingen meetbedrijf en net vervallen.
2. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
meetverantwoordelijke partij als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;.
3. In de begripsomschrijving van productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit wordt ‘het net’ vervangen door ‘het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit’.
B
In artikel 4.2.70a, eerste lid, onderdeel e, wordt ‘het net’ vervangen door ‘het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit’.
C
In artikel 4.2.70b, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘meetbedrijf’ vervangen door ‘meetverantwoordelijke partij’.
D
In artikel 4.12.1 komt de begripsbepaling aangeslotene te luiden:
aangeslotene als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
E
In artikel 4.12.2, tweede lid, onderdeel b, wordt ‘een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
F
In artikel 4.12.4, vierde lid, onderdeel c, wordt ‘het net bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
G
In artikel 4.12.8, derde lid, wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de transmissie- of distributiesysteembeheerder’.
H
In artikel 4.12.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, wordt ‘een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998’ telkens vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
I
In onderdeel B, subonderdeel 2.9.4, van bijlage 4.2.9 wordt ‘het net, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
De Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de begripsomschrijving van aansluiting wordt ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 1.1 van de Energiewet’.
2. In de begripsomschrijving van directe lijn wordt ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel ar, van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 1.1 van de Energiewet’.
3. De begripsbepalingen elektriciteitsnet en netbeheerder vervallen.
4. De begripsbepaling garantie van oorsprong voor duurzame elektriciteit vervalt.
5. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
garantie van oorsprong voor elektriciteit als bedoeld in artikel 2.57, eerste lid, van de Energiewet;
transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;.
transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
B
In artikel 2.2, eerste lid, onderdeel d, subonderdelen 2° en 3°, wordt ‘het elektriciteitsnet’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit’.
C
In artikel 2.3, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, en vierde lid wordt ‘garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit’ vervangen door ‘garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare bronnen’.
D
In artikel 3.8, eerste lid, wordt ‘netbeheerder’ vervangen door ‘transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit’.
E
In artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 74 van de Elektriciteitswet 1998’ vervangen door ‘artikel 2.58, vijfde lid, van de Energiewet’.
F
In artikel 5.4, tweede lid, onderdeel f, wordt ‘het elektriciteitsnet’ vervangen door ‘een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit’.
De Uitvoeringsregeling nadeelcompensatie verbod laagcalorisch gas grootste afnemers wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling afnemer vervalt.
2. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:
aangeslotene op het transmissie- of distributiesysteem van gas op wie het verbod van toepassing is;.
3. De begripsbepaling minister komt te luiden:
Minister van Klimaat en Groene Groei;.
4. In de begripsomschrijving van omschakelen wordt ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel bd, van de wet’ vervangen door ‘artikel 1.1 van de wet’.
5. In de begripsomschrijving van verbod wordt ‘artikel 10g, eerste lid, van de wet’ vervangen door ‘artikel 2.63, eerste lid, van de wet’.
6. De begripsbepaling wet komt te luiden:
Energiewet.
B
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en derde lid wordt ‘een afnemer’ telkens vervangen door ‘een aangeslotene’.
2. In het eerste lid wordt ‘artikel 10m van de wet’ vervangen door ‘artikel 5.15 van de wet’ en wordt ‘artikel 10g, tweede lid, van de wet’ vervangen door ‘artikel 2.63, tweede lid, van de wet’.
3. In het tweede lid wordt ‘artikel 10k respectievelijk artikel 10j van de wet’ vervangen door ‘artikel 2.64 van de wet’.
4. In het derde lid wordt ‘artikel 10m, eerste lid, van de wet’ vervangen door ‘artikel 5.15, eerste lid, van de wet’.
C
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 10g, tweede lid, van de wet’ vervangen door ‘artikel 2.63, tweede lid, van de wet’ en wordt ‘de netbeheerder’ vervangen door ‘de transmissiesysteembeheerder voor gas'.
2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘artikel 10j of artikel 10k van de wet’ vervangen door ‘artikel 2.64 van de wet’.
3. In het eerste lid, onderdelen d, j, k, subonderdeel ii, en l, wordt ‘de afnemer’ vervangen door ‘de aangeslotene’.
4. In het derde lid wordt ‘de afnemer’ vervangen door ‘de aangeslotene’.
D
In artikel 4, tweede lid, wordt ‘de afnemer’ vervangen door ‘de aangeslotene’.
E
Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In bijlage II bij de Regeling modelluchtvaartuigclubs of -verenigingen wordt ‘Het hoogspanningsnetwerk voor landelijk en regionaal transport en distributie van elektriciteit’ vervangen door ‘Het transmissiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
In artikel 8 van de Regeling onbemande luchtvaartuigen wordt ‘het hoogspanningsnetwerk voor landelijke en regionale transport en distributie van elektriciteit’ vervangen door ‘het transmissiesysteem voor elektriciteit, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet’.
Artikel 7, tweede lid, van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten komt te luiden:
2. Voordat een kilowattuurmeter op de bestemde plaats in gebruik wordt genomen, stelt degene die zorgdraagt voor de installatie hiervan vast of in de gegeven omstandigheden de kilowattuurmeter geschikt is voor een correcte meting van het te verwachten gebruik.
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet;
b. de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas;
c. de Regeling gaskwaliteit;
d. de Regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht;
e. de Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas;
f. de Regeling houdende nadere regels ten aanzien van de invoer en uitvoer van elektriciteit;
g. de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas;
h. de Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit;
i. de Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden gas;
j. de Regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998;
k. de Regeling kostenverhaal beschikkingen van de Minister van Economische Zaken op energiegebied;
l. de Regeling meettarieven;
m. de Regeling meettarieven elektriciteit 2008;
n. de Regeling meettarieven elektriciteit 2009;
o. de Regeling meettarieven elektriciteit 2010;
p. de Regeling melding wijziging zeggenschap Elektriciteitswet 1998 en Gaswet;
q. de Regeling nadere invulling technische of economische noodzaak derdentoegang gasopslaginstallaties;
r. de Regeling niet-bedrijfsmatige levering aan kleinverbruikers Elektriciteitswet 1998;
s. de Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding;
t. de Regeling splitsingsplannen;
u. de Regeling toegang tot LNG-installaties;
v. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 maart 2009, nr. WJZ / 9050477, tot wijziging van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit in verband met het vaststellen van de meetvoorwaarden voor de nuttige aanwending van warmte (Stcrt. 2009, 60);
w. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 18 augustus 2006, nr. WJZ 6053384, houdende wijziging van de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 in verband met het vaststellen van nadere eisen aan de afgifte van certificaten voor het opwekken van WKK-elektriciteit (Stcrt. 2006, 164);
x. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 30 april 2007, nr. WJZ 7054690, houdende wijziging van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 in verband met uitgifte van garanties van oorsprong en WKK-certificaten voor afzonderlijke productie-installaties achter een aansluiting (Stcrt. 2007, 87);
y. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 december 2005, nr. WJZ 5715050, tot wijziging van de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2005, de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (periode 1 januari tot 1 juli), de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2006 (periode 1 juli tot en met 31 december), de Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2007, de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit (Stcrt. 2005, 244);
z. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 8 februari 2013, nr. WJZ/ 12357329, tot wijziging van enkele regelingen in verband met uitvoering van het marktmodel (Stcrt. 2013, 3181) en houdende vaststelling van het moment van inwerkingtreding van artikel 9 van de Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas (Stcrt. 2013, 7424);
aa. de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 juni, nr. WJZ 6039878, houdende wijziging van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en van de Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie in verband met de invoering van een systeem van gestaffelde subsidiebedragen ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie voor afvalverbrandingsinstallaties (Stcrt. 2006, 115);
ab. de Regeling vergoeding derdenplaatsing op afstand uitleesbare meetinrichtingen;
ac. de Regeling vergoeding prioriteitsplaatsing op afstand uitleesbare meetinrichtingen 2015;
ad. de Regeling zekerheidsstelling voor de levering van gas aan vergunninghouders;
ae. de Uitvoeringsregeling Gaswet;
af. de Wijzigingsregeling Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (implementatie richtlijn 2009/28/EG en wijzigingen biomassaverklaringen) (Stcrt. 2010, 19956).
De Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding, zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking is getreden, blijft van toepassing op reeds verstrekte uitkeringen.
Indien artikel I van de Wet van 18 december 2024 tot wijziging van enkele wetten ter uitvoering van de beëindiging van de salderingsregeling voor elektriciteit en enkele technische wijzigingen (Stb. 2025, 17), in werking treedt, vervalt artikel 2.5, eerste lid, onderdeel m, van de Energieregeling onder vervanging van de puntkomma aan het slot van het eerste lid, onderdeel l, door een punt.
Indien de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie, Staatsblad 2024, nr. 406, tot wet is of wordt verheven en artikel III, onderdeel A, subonderdeel 1 onder b, in werking is getreden, wordt artikel 3.14 van de Energieregeling als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘artikel 3.42, tweede of derde lid’ vervangen door ‘artikel 3.42, derde of vierde lid’.
2. Aan het eerste lid wordt toegevoegd ‘of van gegevens over locaties waar het gebruik van gas als energiebron voor gebouwen wordt beëindigd en de termijn waarop dat gebeurt, bedoeld in artikel 10.49f van het Omgevingsbesluit’.
Indien artikel 4.9 en afdeling 4.3 van het Energiebesluit in werking treden, wordt de Energieregeling als volgt gewijzigd:
1. De titel van afdeling 2.5 komt te luiden:
2. Na artikel 2.49 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.14, vierde lid, van het besluit bevat ten minste de gegevens, bedoeld in artikel 2.48, onderdelen a tot en met c.
2. Een rapportage als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, van de wet van een submeetverantwoordelijke partij wordt jaarlijks gedaan en bevat ten minste een beschrijving van de door de submeetverantwoordelijke partij geïdentificeerde bestaande en toekomstige knelpunten in de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.48 van de wet.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 14 december 2025
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
|
Kolom 1 – gebruikt begrip codes: |
Kolom 2 – begrip wordt gelezen als: |
|---|---|
|
Aansluiting tussen een net en het landelijk hoogspanningsnet |
Systeemkoppeling |
|
Beheerder van het landelijk gastransportnet |
Transmissiesysteembeheerder voor gas |
|
BRP |
Balanceringsverantwoordelijke |
|
Gesloten distributiesysteem |
Gesloten systeem indien sprake is van een distributiesysteem |
|
Grootverbruikaansluiting |
Grote aansluiting |
|
Grootverbruikmeetinrichting |
Meetinrichting bij een grote aansluiting |
|
Klantsleutel |
Aanduiding van de aangeslotene waarop het bericht ziet |
|
Kleinverbruikaansluiting |
Kleine aansluiting |
|
Landelijk gastransportnet |
Transmissiesysteem voor gas |
|
Meetverantwoordelijke |
Meetverantwoordelijke partij |
|
Meterbeheerder |
Degene die op grond van de wet de meetinrichting installeert en beheert |
|
Net |
Systeem |
|
Netbeheerder |
Systeembeheerder |
|
Netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet |
Transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit |
|
Netbeheerder van het landelijk gastransportnet |
Transmissiesysteembeheerder voor gas |
|
Niet op afstand uitleesbare meetinrichting |
Meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld |
|
Op afstand uitleesbare meetinrichting |
Meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld |
|
Programmaverantwoordelijke |
Balanceringsverantwoordelijke |
|
Regionale gastransportnet |
Distributiesysteem voor gas |
|
Regionale netbeheerder |
Distributiesysteembeheerder |
|
Secundair allocatiepunt |
Additioneel allocatiepunt |
|
Telemetriegrootverbruikmeetinrichting |
Meetinrichting met communicatiefunctionaliteit bij een grote aansluiting |
|
Register |
Kleine aansluiting / grote aansluiting |
Elektriciteit (E) of gas (G) |
Omschrijving |
|
|---|---|---|---|---|
|
Aansluitingenregister |
2.1.3(b) (IC) |
KA/GA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Postcode overdrachtspunt |
|
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Huisnummer overdrachtspunt |
|
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Huisnummer toevoeging overdrachtspunt |
|
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Straatnaam overdrachtspunt |
|
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Woonplaats overdrachtspunt |
|
|
2.1.3(e) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Landcode overdrachtspunt |
|
|
2.1.5(a) (IC) |
GA |
E/G |
Meetverantwoordelijke partij |
|
|
2.1.3(d) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Systeembeheerder |
|
|
2.1.3(f) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Leverancier / Marktdeelnemer die invoeding aggregeert |
|
|
2.1.3(w) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Productsoort |
|
|
2.1.3(l) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Verbruikssegment |
|
|
2.1.3(z) (IC) |
KA/GA |
E |
SJA laag tarief |
|
|
2.1.3(z) / 2.1.5(d) (IC) |
KA/GA |
E/G |
SJI normaal tarief |
|
|
2.1.3(z) (IC) |
KA/GA |
E |
SJI laag tarief |
|
|
2.1.3(z) (IC) |
KA/GA |
E |
SJI normaal tarief |
|
|
2.1.3(j) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Leveringsrichting |
|
|
2.1.4(a) (IC) |
KA |
E/G |
Capaciteitstariefcode |
|
|
2.1.3(h) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Fysieke status |
|
|
2.1.4(b) (IC) |
KA |
E/G |
Administratieve status |
|
|
2.1.3(t) (IC) |
KA/GA |
E |
EAN-code additioneel allocatiepunt(en) |
|
|
2.1.3(a) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Naam aangeslotene |
|
|
2.1.3(a) (IC) |
KA |
E/G |
Initialen aangeslotene |
|
|
2.1.3(a) (IC) |
KA |
E/G |
Tussenvoegsel aangeslotene |
|
|
4.5, lid 2 (IR) |
KA/GA |
E/G |
Kvk-nummer aangeslotene |
|
|
2.1.3(g) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Programma-verantwoordelijke |
|
|
2.1.3(y) (IC) |
KA/GA |
E/G |
BAG-nummeridentificatie |
|
|
2.1.3(x) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Nadere duiding overdrachtspunt |
|
|
2.1.5(i) (IC) |
GA |
G |
Aansluitcapaciteit gas |
|
|
2.1.5(j) (IC) |
GA |
E |
Aansluitcapaciteit elektriciteit |
|
|
2.1.3(s) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Allocatiemethode |
|
|
2.1.3(q) (IC) |
KA/GA |
E/G |
Profielcategorie |
|
|
Meterregister |
2.1.3(b) (IC) |
KA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
2.1.4(d) (IC) |
KA |
E/G |
Meternummer |
|
|
2.1.4(h) (IC) |
KA |
E/G |
Type meter |
|
|
2.1.4(f) (IC) |
KA |
E/G |
Aantal telwerken |
|
|
2.1.4(g) (IC) |
KA |
E/G |
Uitleesbaarheid slimme meter |
|
|
2.1.4(f1) (IC) |
KA |
E/G |
Telwerk identificatie |
|
|
2.1.4(f2) (IC) |
KA |
E/G |
Tariefzone |
|
|
2.1.4(f3) (IC) |
KA |
E/G |
Energierichting |
|
|
2.1.4(f5) (IC) |
KA |
E/G |
Aantal telwielen |
|
|
Overeenkomstenregister |
2.5.3(a) (IC) |
KA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
2.5.3(b) (IC) |
KA |
E/G |
Einddatum(s) leverings- en/of terugleveringsovereenkomst(en) |
|
|
Metingenregister |
||||
|
2.6.2(c) (IC) |
KA |
E/G |
Volume attributen (t.b.v. reconciliatie) |
|
|
2.6.10(b) (IC) |
KA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Begindatum volumeperiode |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Einddatum volumeperiode |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Volume |
|
|
5.3.3.1(a) (IC) |
KA |
G |
Calorisch gecorrigeerd volume |
|
|
2.1.4(f, onderdeel 3) (IC) |
KA |
E/G |
Energierichting |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Tariefperiode |
|
|
2.6.2(b) (IC) |
E/G |
Vastgestelde meterstand -attributen (t.b.v. reconciliatie) |
||
|
2.6.10(b) (IC) |
KA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
|
2.6.10(c) (IC) |
KA |
E/G |
Meternummer |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Opnamedatum |
|
|
2.1.4 (f, onderdeel 3) (IC) |
KA |
E/G |
Energierichting |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Tariefzone |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Meterstand |
|
|
2.6.10(d) (IC) |
KA |
E/G |
Herkomstindicatie |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
EAN-code allocatiepunt |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
Meternummer |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
Datum meterstand |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
Tijd meterstand |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
Energierichting |
|
|
Nvt |
KA |
E/G |
Meterstand |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
EAN-code allocatiepunt |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
Productsoort |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
Startdatumtijd periode |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
Einddatumtijd periode |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
Energierichting |
|
|
6.2.2.6(a) (IC) |
GA |
E |
Volume |
|
|
6.4.2.1 (IC) |
GA |
G |
EAN-code allocatiepunt |
|
|
6.4.2.1 (IC) |
GA |
G |
Productsoort |
|
|
6.4.2.1 (IC) |
GA |
G |
Startdatumtijd periode |
|
|
6.4.2.1 (IC) |
GA |
G |
Einddatumtijd periode |
|
|
6.4.2.1 (IC) |
GA |
G |
Volume |
|
I. |
ALGEMEEN |
|
|
1. |
Context Invoeringsregeling Energiewet en toelichting proces |
|
|
1.1 |
Context Invoeringsregeling Energiewet |
|
|
1.2 |
Toelichting op het voorbereidingsproces voor de Invoeringsregeling |
|
|
2. |
Overzicht kernonderdelen Invoeringsregeling Energiewet |
|
|
2.1 |
Introductie |
|
|
2.2 |
Gebruik van begrippen binnen het regime van de Energiewet |
|
|
2.3 |
Meten: overgangsregime & invoeringsregels |
|
|
2.4 |
Gegevensuitwisseling: overgangsregime & invoeringsregels |
|
|
2.5 |
Overgangsrecht vervanging meetinrichtingen die niet aan eisen voldoen |
|
|
2.6 |
Markttoegang en -deelname nieuwe actoren |
|
|
2.7 |
Wijziging en intrekking andere regelingen |
|
|
2.8 |
Overgangs- en slotbepalingen |
|
|
3. |
Omgang met reacties betrokken sectorpartijen en uitgevoerde toetsen |
|
|
3.1 |
Autoriteit Consument en Markt: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid |
|
|
3.2 |
Rijksinspectie Digitale infrastructuur: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid |
|
|
3.3 |
Ontvangen zienswijzen vanuit sectorpartijen |
|
|
II. |
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING |
|
|
Bijlage A. Transponeringstabel wetsartikelen Tweede Kamer / Eerste Kamer |
||
|
Bijlage B. Transponeringstabellen ministeriële regelingen onder Gaswet en Elektriciteitswet 1998 |
||
De Invoeringsregeling Energiewet bevat de uitwerking op het niveau van de ministeriële regeling van met name de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet1, inzake het overgangsregime op het vlak van meetinrichtingen, metingen en gegevensuitwisseling. Daarnaast bevat deze regeling de intrekking en wijziging van ministeriële regelingen als gevolg van de invoering van de Energiewet en onderliggende regelgeving.
De Invoeringsregeling Energiewet (hierna ook: Invoeringsregeling) valt onder de Energiewet, maar staat in nauw verband met de overige gedelegeerde regelgeving onder de Energiewet, namelijk het Energiebesluit2 en de Energieregeling3.
Het Energiebesluit en de Energieregeling
De Energiewet bevat delegatiegrondslagen voor nadere regelgeving op het niveau van een algemene maatregel van bestuur (hierna ook: AMvB) ofwel het niveau van een ministeriële regeling (hierna ook: MR). De AMvB-grondslagen zijn opgenomen in het Energiebesluit. De uitwerking van een groot deel van de MR-delegatiegrondslagen in de Energiewet of het Energiebesluit is opgenomen in de Energieregeling. Hiernaast worden nog twee andere ministeriële regelingen voorzien, namelijk:
– Een regeling die ziet op de verschillende MR-grondslagen rondom meetinrichtingen en metingen. Het gaat dan met name om afdeling 2.5 en paragraaf 3.3.6 in de Energiewet, alsmede afdeling 4.2 van het Energiebesluit.
– Een regeling die de uitwerking van de MR-grondslagen bevat inzake gegevensbeheer en gegevensuitwisseling. Dit betreft met name de grondslagen in hoofdstuk 4 van de Energiewet.
Omdat in april 2024, tijdens de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer, reeds werd voorzien dat deze aparte regelingen niet gelijktijdig met de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling in werking konden treden, is bij nota van wijziging4 voorzien in overgangsrecht, namelijk de artikelen 7.52 (inzake meetinrichtingen en metingen) en 7.53 (inzake het beheer en de uitwisseling van gegevens). Onderhavige Invoeringsregeling vormt de concrete uitwerking van met name, maar niet uitsluitend, deze twee overgangsartikelen.
Overgangsregime via de Invoeringsregeling
Het doel van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet is het creëren van een tijdelijk overgangsregime, zodat de inwerkingtreding van de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling vanaf 1 januari 2026 soepel kan verlopen, waarna op een later moment de twee voorziene aparte ministeriële regelingen op het vlak van (i) meetinrichtingen en metingen en (ii) gegevensuitwisseling worden ingevoerd. Op deze wijze is het mogelijk dat alle huidige meet- en gegevensprocessen (tijdelijk) blijven functioneren, terwijl de overgang naar het nieuwe regime zorgvuldig wordt voorbereid en de noodzakelijke aanpassingen in IT- en bedrijfsprocessen kunnen worden uitgevoerd.
In essentie regelen de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet, zoals ook toegelicht in de genoemde nota van wijzing, dat tijdelijk geleund kan worden op de bestaande regels voor meten en gegevensuitwisseling in twee AMvB’s5 en in de zogeheten ‘codes’, vastgesteld door de Autoriteit Consument en Markt (hierna ook: de ACM) op grond van de Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Voor deze laatste categorie geldt dat vrijwel alle relevante voorwaarden zijn opgenomen in enkele specifieke meetcodes6 en de Informatiecode elektriciteit en gas (hierna ook: IcEG). Echter, omdat ook andere codes op onderdelen relevant zijn, is ervoor gekozen ook enkele andere codes onder het bereik van deze overgangsbepalingen te brengen voor zover het gaat om meetinrichtingen, metingen en gegevensuitwisseling (zie nadere toelichting in paragraaf 2.3). De artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet bepalen in feite dat de ‘oude’ voorwaarden uit de codes inzake meetinrichtingen, metingen en gegevensuitwisseling (onder het regime van de voormalige Gaswet en voormalige Elektriciteitswet 1998) de tijdelijke invulling vormen voor de nieuwe MR-delegatiegrondslagen onder de Energiewet, samen met de ‘oude’ artikelen uit de twee AMvB’s. Indien blijkt dat voorwaarden vanuit deze codes strijdig zijn met het nieuwe regime van de Energiewet, dan gaan deze voorwaarden in deze tijdelijke situatie voor; dit om de algehele coherentie en samenhang van deze voorwaarden te waarborgen. Echter, de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet bepalen ook dat bij ministeriële regeling (i) nadere regels kunnen worden gesteld over de toepassing van dit overgangsrecht en (ii) dat waar noodzakelijk ook voorwaarden kunnen worden uitgezonderd van toepassing. Deze Invoeringsregeling geeft daar voor verschillende onderdelen concrete invulling aan, dit is nader toegelicht in hoofdstuk 2 van deze toelichting.
Hoewel de Invoeringsregeling voor een groot deel een tijdelijk karakter heeft, vormt deze regeling wel een coherent geheel met de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling. Dit betekent ook dat deze Invoeringsregeling deels de concrete (her-)implementatie vormt van Europese regelgeving. Het gaat dan met name om:
– De (her)implementatie van een pakket aan richtlijnen en verordeningen voor elektriciteit7, waarbij met name Richtlijn 2019/944 (hierna: de Elektriciteitsrichtlijn8) en Verordening 2019/943 (hierna: de Elektriciteitsverordening9) van belang zijn. Zie de toelichting hierna over het EMD-pakket.
– De (her-)implementatie van Europese regelgeving op het gebied van gas. Het gaat dan met name om de Richtlijn 2024/178810, (hierna: de nieuwe Gasrichtlijn). Zie de toelichting hierna over het Decarbonisatiepakket.
Voor zowel de elektriciteit als gas geldt dat er ter implementatie van nieuwe Europese regelgeving inmiddels aparte wetgevingstrajecten zijn opgestart, die op termijn de Energiewet en de onderliggende regelgeving weer zullen wijzingen. Het gaat hierbij om (1) het EMD-pakket en (2) het Decarbonisatiepakket.
EMD-pakket (Electricity Market Design)
Het eerste wijzigingspakket betreft de herziening van de ‘Electricity Market Design’ (hierna: EMD-pakket). Hierin zijn wijzigingen opgenomen van onder andere de Elektriciteitsrichtlijn (wijziging via Richtlijn 2024/171111) en de Elektriciteitsverordening (wijziging via Verordening 2024/174712). Voor de implementatie van nieuwe voorschriften is in 2024 een apart implementatietraject opgestart, dit zal op termijn de Energiewet of het Energiebesluit gaan wijzigen.13 Waar noodzakelijk of passend, is bij de uitwerking van deze Invoeringsregeling reeds geanticipeerd op deze nieuwe voorschriften.
Decarbonisatiepakket (Hydrogen and gas market decarbonisation package)
In het ‘Hydrogen and gas market decarbonisation package’ (hierna: Decarbonisatiepakket) is een nieuwe Gasrichtlijn en Gasverordening opgenomen op het vlak van gas en waterstof. Om verwarring te voorkomen, wordt in deze toelichting telkens verwezen naar de oude of nieuwe versie van de Gasrichtlijn; immers: de voormalige Gaswet was nog primair gebaseerd op de oude Gasrichtlijn (en oude Gasverordening). Concreet gaat het om Richtlijn 2024/178814 (hierna: nieuwe Gasrichtlijn) die Richtlijn 2009/7315 (hierna: oude Gasrichtlijn) vervangt, alsmede om Verordening 2024/178916 (de nieuwe Gasverordening) die Verordening 715/200917 (de oude Gasverordening) vervangt. Ook voor de implementatie van dit nieuwe pakket geldt dat in 2024 een apart implementatietraject is gestart, die de Energiewet gaat wijzigen. In de uitwerking is op onderdelen reeds geanticipeerd op deze nieuwe voorschriften; indien van toepassing wordt hier expliciet naar verwezen.
Gelet op het doel van een soepel ‘overgangsregime’ rondom de inwerkingtreding van de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling, is deze Invoeringsregeling hoofdzakelijk opgesteld in de laatste maanden voor de inwerkingtreding per 1 januari 2026. Hierdoor kon geanticipeerd worden op de ontwikkelingen in de parallelle voorbereidingsprocessen die het Energiebesluit en de Energieregeling in de loop van 2025 doorlopen hebben.
Na de instemming van de Eerste Kamer met de Energiewet in december 2024, werd begin 2025 bij koninklijk besluit de datum van inwerkingtreding per 1 januari 2026 vastgelegd. In de periode eind 2024/begin 2025 is door verschillende brancheorganisaties en sectorpartijen ook benadrukt dat deze inwerkingtreding ook qua praktische uitvoering zorgvuldig diende te worden voorbereid. Zeker omdat de Energiewet veel nieuwe voorschriften en/of herzieningen bevat, zullen de betrokken sectorpartijen ook noodzakelijke aanpassingen in IT- en bedrijfsprocessen moeten doen. Dit kost tijd en kan, mede vanwege beschikbare capaciteit van experts en onderlinge afhankelijkheden tussen processen, niet allemaal tegelijkertijd.
Gelet op deze signalen is vanuit het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (hierna: Ministerie van KGG) vanaf februari 2025 nadere afstemming gezocht met betrokken brancheorganisaties en sectorpartijen. Naast meer generieke ‘dialoogsessies’ met verschillende brancheorganisaties over het proces richting inwerkingtreding,18 is met behulp van sectorexperts concreet in kaart gebracht waar risico’s en (IT)knelpunten verwacht werden bij de overgang naar het nieuwe regime van de Energiewet. In een gezamenlijk traject is aan het Ministerie van KGG intensieve ondersteuning geboden door experts vanuit met name (i) de energieleveranciers en balanceringsverantwoordelijken, (ii) de transmissiesysteembeheerders (hierna: de TSB’s) en distributiesysteembeheerders (hierna: de DSB’s), (iii) de meetverantwoordelijke partijen en (iv) de onder de Energiewet voorziene gegevensuitwisselingsentiteit (hierna: de GUE).19 Onderhavige Invoeringsregeling vormt voor het overgrote deel de uitkomst van dit traject met sectorexperts.
In het najaar van 2025 is de Invoeringsregeling geconsulteerd binnen een selecte groep van betrokken sectorpartijen; dit vanwege het zeer technische gehalte van deze regeling. Ook is aan betrokken toezichthouders gevraagd om een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid uit te voeren. Hoofdstuk 3 van deze toelichting bevat een samenvatting van de uitkomsten van dit traject.
Eerder zijn effectenanalyses uitgevoerd naar de te verwachten effecten als gevolg van de Energiewet20, het Energiebesluit21 en de Energieregeling22. Voor deze Invoeringsregeling is geen aparte effectenanalyse uitgevoerd. Ten eerste omdat veel van de relevante onderdelen in de Invoeringsregeling reeds vastgelegd zijn in de Energiewet, het Energiebesluit of de Energieregeling; eventuele effecten zijn in die analyses reeds in kaart gebracht. Dat speelt bijvoorbeeld bij het inbedden van de nieuwe manier van alloceren van energievolumes, waar in de context van de Energieregeling (artikel 3.17 en 3.18) reeds effecten zijn benoemd. Een ander voorbeeld betreft de meettaken in de IcEG in lijn brengen met de Energiewet; deze herschikking van de meetketen was reeds op het niveau van de Energiewet onderdeel van de analyse. Verder geldt dat de Invoeringsregeling voor een groot deel reeds bestaande voorwaarden en gegevensprocessen onder het regime van de Energiewet brengt, zonder dat daar effecten te verwachten zijn. Desalniettemin krijgen partijen te maken met effecten als gevolg van de inwerkingtreding van de Energiewet; zoals aangegeven is met behulp van sectorexperts concreet in kaart gebracht waar risico’s en (IT)knelpunten verwacht werden bij deze overgang. Waar mogelijk zijn alternatieve momenten opgenomen om deze overgangsperiode te faciliteren. Een duidelijk voorbeeld is artikel 4.2 Invoeringsregeling waar tot eind 2028 nog gebruik gemaakt kan worden van de systematiek zoals deze gold onder de voormalige Gaswet en voormalige Elektriciteitswet 1998.
Zoals toegelicht in paragraaf 1.1 van deze toelichting bevat de Invoeringsregeling de concrete uitwerking van met name, maar niet uitsluitend, de overgangsartikelen 7.52 en 7.53 Energiewet. Via deze artikelen wordt na de inwerkingtreding van de Energiewet nog tijdelijk geleund op twee AMvB’s en diverse ‘codes’ onder de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998. Deze ‘codes’ zijn eerder vastgesteld door de ACM op grond van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998 en bevatten aanvullende voorwaarden voor zowel de gas- en elektriciteitsmarkt. In de Energiewet wordt in deze context gesproken over ‘methoden’ en/of ‘voorwaarden’, zie bijvoorbeeld artikel 3.119 Energiewet. De ACM maakt bij deze codes onderscheid naar (1) de eerder genoemde Informatiecode elektriciteit en gas (IcEG) en (2) circa twintig ‘technische codes’ op het gebied van gas en elektriciteit, waaronder de eerder genoemde ‘meetcodes’. In deze toelichting zal neutraal verwezen worden naar ‘codes’ en waar relevant naar de IcEG of een van de meetcodes.
De Invoeringsregeling geeft nadere invulling aan de ruimte die de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet bieden ten aanzien van (i) de nadere regels die kunnen worden gesteld over de toepassing van dit overgangsrecht en (ii) het waar noodzakelijk uitzonderen van voorwaarden van verdere toepassing. Concreet zijn in deze Invoeringsregeling regels opgenomen voor de volgende zes onderwerpen.
1. De omgang met begrippen (hoofdstuk 1 Invoeringsregeling)
Voor veel begrippen in de codes geldt dat daarvoor onder het regime van de Energiewet andere begrippen worden gehanteerd, veelal met (vrijwel) dezelfde betekenis en reikwijdte. Deze Invoeringsregeling regelt hoe deze ‘oude’ begrippen moeten worden gelezen en toegepast. Daarnaast worden ook enkele nieuwe begrippen geïntroduceerd. Paragraaf 2.2 licht dit verder toe.
2. Toepassing codes uitzonderen en kaderen (hoofdstuk 2 en 3 Invoeringsregeling)
Voor elk van de codes is nagegaan of er qua meetinrichtingen/metingen en gegevensuitwisseling voorwaarden zijn die inherent strijdig of overbodig zijn met hetgeen is vastgelegd in de Energiewet en het Energiebesluit. Op basis hiervan is een deel van de voorwaarden buiten toepassing gesteld. In enkele gevallen zijn ook nadere regels over de toepassing gesteld. Een toelichting is te vinden in paragraaf 2.3.
Een gevolg van deze keuze is dat in sommige voorwaarden verwijzingen (blijven) staan naar voorwaarden die buiten toepassing zijn verklaard. Gelet op het tijdelijke karakter van het overgangsregime is ervoor gekozen deze verwijzingen niet te verwijderen of te actualiseren, daar dit het algehele begrip en leesbaarheid niet ten goede zou komen. Ook sommige verwijzingen naar de Gaswet of Elektriciteitswet 1998 zijn in dit licht behouden. Er zal vanuit de bredere context van deze Invoeringsregeling, de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling moeten worden nagegaan wat hier een passende toepassing betreft.
3. Invoeringsregels energiegegevens (incl. datadelen)
De voorwaarden in de IcEG (en soms ook een van de andere codes) over gegevensbeheer en -uitwisseling sluiten niet altijd goed aan op de herziene kaders van hoofdstuk 4 van de Energiewet. Onderhavige Invoeringsregeling bevat, in aanvulling op de scope van de artikelen 7.52 en 7.53, concrete nieuwe invoeringsregels. Dit betreft bijvoorbeeld het op verzoek van de aangeslotene verkrijgen van inzage of delen van zijn gegevens met een derde partij. Dit komt voort uit de Elektriciteitsrichtlijn en de nieuwe Gasrichtlijn en is geïmplementeerd via artikel 4.1 Energiewet. Daarnaast bevat de onderhavige Invoeringsregeling voorschriften aanzien van (i) de omgang met het aansluitingenregister, (ii) de registratie van meetgegevens, (iii) het verstrekken of gebruiken van gegevens, (iv) het bewerken van meetgegevens en (v) de taakuitvoering door de GUE. Paragraaf 2.4 licht dit toe.
4. Vervanging meetinrichtingen die niet aan eisen voldoen; toezicht RDI
De onderhavige Invoeringsregeling vult de geldende eisen voor meetinrichtingen voor elektriciteit aan, die bij kleine aansluitingen door de DSB ter beschikking worden gesteld. Daarnaast wordt geregeld dat de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (hierna ook: RDI) door de DSB’s van de juiste gegevens wordt voorzien, ten einde de RDI in staat te stellen haar toezichtstaak uit te voeren. Dit betreft grotendeels nieuwe regelgeving en valt buiten de scope van het overgangsregime in artikel 7.52 en 7.53. Paragraaf 2.5 licht dit nader toe.
5. Markttoegang nieuwe marktactoren
In lijn met de Elektriciteitsrichtlijn verruimt de Energiewet de mogelijkheden om op de markt actief te zijn, bijvoorbeeld door middel van (i) leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer handel en (ii) verschillende type aggregatie-overeenkomsten, zoals de terugleveringsovereenkomst en de vraagresponsovereenkomst. Ook introduceert de Energiewet nieuwe typen actoren, zoals de aanbieder van peer-to-peer handel, de energiegemeenschap en de actieve afnemer. Al deze partijen moeten toegang hebben tot de elektriciteitsmarkt, wat ook vraagt dat zij moeten kunnen deelnemen aan de gestandaardiseerde gegevensuitwisseling, bijvoorbeeld om actief te kunnen worden op een aansluiting of om meetgegevens te verkrijgen ten behoeve van facturatie. Aangezien de codes hier niet in voorzagen, bevat deze Invoeringsregeling nadere regels over de toepassing van de codes. Paragraaf 2.6 licht dit toe.
6. Wijziging en intrekking andere regelingen
De Invoeringsregeling regelt (i) de intrekking van verouderde ministeriële regelingen onder de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998, alsmede (ii) de aanpassing van diverse ministeriële regelingen, veelal om oude verwijzingen naar de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 te actualiseren. Paragraaf 2.7 bevat een nadere toelichting hierop.
Zoals toegelicht in paragraaf 1.1 bieden zowel artikel 7.52 als artikel 7.53 de ruimte om nadere regels te stellen aan de toepassing van de verschillende voorwaarden zoals opgenomen in de codes die onder het bereik van deze artikelen vallen. Omdat het regime onder de Energiewet in sommige gevallen afwijkende terminologie hanteert ten opzichte van het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998, bevatten artikel 1.2 en bijlage I bij onderhavige Invoeringsregeling nadere regels over hoe ‘oude’ begrippen in de nieuwe situatie moeten worden gelezen. Dit betreft bijvoorbeeld het begrip ‘transmissiesysteembeheerder voor gas’ (Energiewet) waar dit voorheen ‘netbeheerder van het landelijk gastransportnet’ (Gaswet) was. Een ander voorbeeld betreft de ‘grote en kleine aansluitingen’ (Energiewet), waar eerder sprake was van ‘klein- en grootverbruikaansluitingen’ (Gaswet en Elektriciteitswet 1998).
In situaties waar begrippen onder het regime van de Energiewet ook inhoudelijk gewijzigd zijn, wordt hier in deze Invoeringsregeling apart duidelijkheid over gecreëerd. Een duidelijk voorbeeld is het begrip ‘leverancier’, dat onder het regime van de Energiewet een veel bredere betekenis heeft dan onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998; voor dit specifieke voorbeeld regelt artikel 6.1 van deze Invoeringsregeling de bredere toepassing.
Context overgangsregime
De Energiewet en (in mindere mate ook) het Energiebesluit bevatten grondslagen op basis waarvan gestelde voorschriften rondom meetinrichtingen en metingen nader worden uitgewerkt op het niveau van een ministeriële regeling. Zoals toegelicht in subparagraaf 1.1.1 is met de artikelen 7.52 en 7.53 voorzien in een overgangsregime, totdat de definitieve ministeriële regeling gereed is.
Kort samengevat bepaalt dit overgangsregime dat bij de inwerkingtreding van de Energiewet tijdelijk geleund kan worden op regels voor meetinrichtingen en metingen, zoals deze zijn vastgesteld onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998. Het gaat om een AMvB, namelijk het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (hierna ook: BOAUM), meer specifiek de artikelen 4, 5, 6, eerste en tweede lid, en 9. En daarnaast om verschillende codes zoals vastgesteld door de ACM ten aanzien van ‘het meten van gegevens’ (formulering in 7.52 Energiewet). Concreet is bij het opstellen van onderhavige Invoeringsregeling gekeken naar voorwaarden uit de onderstaande codes:
– De Meetcode elektriciteit;
– De Meetcode gas RNB;
– De Meetcode gas LNB;
– De Meetcode gas LNB meting door aangeslotene;
– De Invoedcode Gas LNB;
– De Informatiecode elektriciteit en gas, voor zover de voorwaarden betrekking hebben op het meten van gegevens (zie artikel 7.53, derde lid).
In de subparagrafen 2.3.2 tot en met 2.3.7 is voor meetinrichtingen en meten per code toegelicht op welke wijze deze Invoeringsregeling voorwaarden uitzondert van toepassing of nadere regels stelt over de toepassing. Belangrijk is te melden dat de Invoeringsregeling hiermee vooral behoudt wat er, net voor de inwerkingtreding van de Energiewet, reeds gold onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998. De verschillende partijen met een meettaak beheren reeds miljoenen meetinrichtingen die geïnstalleerd zijn op aansluitingen voor elektriciteit en gas. Voor al deze meetinrichtingen geldt dat er reeds (meet)gegevens worden verzameld, gevalideerd en vastgesteld, voor een groot deel van deze miljoenen meetinrichtingen zelfs op dagelijkse basis. Dit verandert in essentie niet onder de Energiewet dan wel deze Invoeringsregeling.
Relatie met de implementatie van Europese richtlijnen
Verschillende Europese richtlijnen bevatten eisen op het vlak van metingen en meetinrichtingen die in de nationale wet- en regelgeving moeten worden geïmplementeerd. De combinatie van (i) de Energiewet, (ii) het Energiebesluit, (iii) de Energieregeling en (iv) de Invoeringsregeling vormt daar per 1 januari 2026 de concrete invulling van. Waar de Energiewet en het Energiebesluit de hoofdelementen van de normstelling bevatten, wordt voor de meer gedetailleerde details verwezen naar de tot 1 januari 2016 geldende (meet-)codes. Op grond van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet en de Invoeringsregeling blijven de (meet-)codes, deels in aangepaste vorm, van toepassing.
Voor de Elektriciteitsrichtlijn gaat het concreet om de implementatie van voorschriften in:23
– Artikel 19 over ‘slimme-metersystemen’, meer in het bijzonder het derde lid over minimale functionele en technische eisen, interoperabiliteit en output voor energie-beheersystemen;
– Artikel 20 over ‘functionaliteiten van slimme-metersystemen’, overeenkomstig bijlage II en de opgenomen eisen in onderdeel a (nauwkeurige metingen, informatie over werkelijk tijdstip verbruik, beschikbaarheid gevalideerde data, beschikbaarheid van bijna real-time gegevens), onderdeel b (beveiliging), onderdeel d (meting invoeding), onderdeel f (advies en informatie) en onderdeel g (meting per onbalansperiode);
– Artikel 22 over ‘conventionele meters’, zowel het eerste lid (nauwkeurige metingen verbruik) als het tweede lid (eenvoudig aflezen).
De nieuwe Gasrichtlijn kent veel overlap met de Elektriciteitsrichtlijn; concreet gaat het om de implementatie van voorschriften in:24
– Artikel 17 over ‘Slimme-metersystemen in het aardgassysteem’, meer in het bijzonder het derde lid over minimale functionele en technische eisen, interoperabiliteit en output voor energie-beheersystemen, alsmede lid 4 over informatie en advies;
– Artikel 19 over ‘functionaliteiten van slimme-metersystemen in het aardgassysteem’, overeenkomstig bijlage II en de opgenomen eisen in onderdeel a (nauwkeurige metingen, informatie over werkelijk tijdstip verbruik, beschikbaarheid gevalideerde data, beschikbaarheid van bijna real-time gegevens), onderdeel b (beveiliging), onderdeel e (advies en informatie) en onderdeel f (meting per onbalansperiode);
– Artikel 21 over ‘conventionele meters voor aardgas’, zowel het eerste lid (nauwkeurige metingen verbruik) als het tweede lid (eenvoudig aflezen).
De Richtlijn energie-efficiëntie25 overlapt met het bepaalde in de Elektriciteitsrichtlijn en nieuwe Gasrichtlijn. In deze context richt de implementatie zich op artikel 13, met name (i) lid 1 inzake de individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik, (ii) lid 2, onderdeel a, inzake de meetsystemen de eindafnemer informatie verschaffen over de werkelijke tijd van het verbruik, (iii) lid 2, onderdeel b, inzake beveiliging van slimme meters en dataverkeer en (iv) lid 2, onderdeel c, inzake advies aan afnemers bij installatie van de slimme meters.
Nadere regels over de uitzonderingen op en de toepassing van het overgangsrecht
Om de algehele coherentie en samenhang van deze voorwaarden te waarborgen, stelt artikel 7.52 Energiewet dat, wanneer blijkt dat voorwaarden vanuit het BOAUM en/of de codes strijdig zijn met het regime van de Energiewet, deze voorwaarden in deze (tijdelijke) situatie voorgaan. Op grond van het zesde lid kunnen ten aanzien van deze codes nadere regels gesteld worden over (i) de toepassing van deze regels en (ii) het van toepassing uitzonderen van bepaalde voorwaarden. Deze Invoeringsregeling geeft daar concrete invulling aan. Voor het BOAUM biedt artikel 7.52 geen ruimte voor nadere regels over uitzonderingen of toepassing.
Voor de verschillende (meet)codes is nagegaan of er voorwaarden zijn die inherent strijdig of overbodig zijn met hetgeen is vastgelegd in de Energiewet en/of het Energiebesluit. De worden besproken in de volgende subparagrafen.
De Meetcode elektriciteit is in april 2016 in de plaats gekomen van de toenmalige Meetcode elektriciteit uit 1999. Deze code is gebaseerd op artikel 36 van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en bevat een groot aantal voorwaarden ten aanzien van (i) welke partij meetinrichtingen moet installeren en beheren, (ii) waar moet worden gemeten, (iii) welke eisen gelden voor de verschillende meetinrichtingen en (iv) welke meetgegevens moeten worden verzameld. Bij het opstellen van de Energiewet is er voor gekozen om de voorwaarden grotendeels te ‘verschuiven’ vanuit de codes naar de Energiewet en de daarbij behorende onderliggende regelgeving. Dit leidt er toe dat onderdelen van de Meetcode elektriciteit reeds afgedekt worden door de Energiewet of het Energiebesluit en daarom kunnen worden uitgezonderd van dit overgangsregime. Veel van de gedetailleerde technische voorwaarden zijn wel van belang in dit overgangsregime en zullen op termijn worden opgenomen in de ministeriële regeling inzake meetinrichtingen en metingen.
Waar artikel 7.52 Energiewet bepaalt dat voorwaarden in beginsel blijven gelden, legt artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling vast welke voorwaarden uit de Meetcode elektriciteit toch zijn uitgezonderd van verdere toepassing. Deze voorwaarden zijn bij inwerkingtreding van onderhavige Invoeringsregeling dan niet meer van toepassing. Het betreft voorwaarden die overbodig zijn, omdat de Energiewet dit afdoende regelt, en/of die in strijd zijn met de Energiewet.
Voorwaarden die blijven gelden
De hoofdstukken met eisen aan de meetinrichtingen (hoofdstuk 4) en voorwaarden over de eigenlijke meetgegevensverzameling (hoofdstuk 5) blijven voor het overgrote deel behouden in het overgangsregime. Hetzelfde geldt voor de bijlagen met maximaal toelaatbare afwijkingen (bijlage 1), definities (bijlage 2), voorwaarden voor het ontwerpen, installeren en controleren van comptabele meetinrichtingen voor elektrische energie en blindenergie (bijlage 3) en de schatting van meetgegevens (bijlage 5). Slechts enkele onderdelen uit deze hoofdstukken zijn wel uitgezonderd, zie hierna.
Voorwaarden die worden uitgezonderd van toepassing
Hoofdstuk 1 van de Meetcode elektriciteit bevat algemene bepalingen. De meeste van deze voorwaarden hebben geen toegevoegde waarde ten opzichte van de Energiewet en worden daarom in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling buiten toepassing verklaard. Zie tabel 1 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
1.1.1 1.1.3 1.1.5 |
Deze algemene voorwaarden zijn overbodig, daar zij afdoende geregeld worden via de Energiewet en/of de Metrologiewet. De link met de Begrippencode elektriciteit is behouden (voorwaarde 1.1.4), net als de verduidelijking in voorwaarde 1.1.6. |
|
1.2.1.1 |
Een code onder de Elektriciteitswet 1998 kan zonder grondslag in de wet zelf, geen taak opleggen aan de toezichthouders onder de Metrologiewet. Het systeem van steekproefsgewijze controles (§1.2.1) is daarom nu opgenomen in de Energiewet (artikel 2.49, 3.61) en het Energiebesluit (artikel 4.14). Deze voorwaarde is daarom overbodig. |
|
1.2.2.1 1.2.2.2 |
Het concept van de ‘meterplaatser’ (§1.2.2) is geen onderdeel meer van de Energiewet. Deze voorwaarden zijn daarom overbodig. |
|
1.2.3.1 1.2.3.2 1.2.3.3 1.2.3.5 1.2.3.6 1.2.3.7 |
Deze paragraaf (§1.2.3) regelt de overdracht van meetverantwoordelijkheid. De Energiewet bepaalt nu waar de meetverantwoordelijkheid bij grote aansluitingen ligt, zie met name artikel 2.46, 2.47 en 3.55. De voorwaarden 1.2.3.1, 1.2.3.2 en 1.2.3.5 tot en met 1.2.3.7 worden daarom buiten toepassing verklaard omdat zij overbodig zijn. Voorwaarde 1.2.3.3 inzake het MEP-meetbedrijf houdt verband met de Regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 die materieel is uitgewerkt en via artikel 7.10 Invoeringsregeling ook wordt ingetrokken. De Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 waar voorwaarde 1.2.3.3 naar verwijst geldt sinds 2015 niet meer. De voorwaarden 1.2.3.4 (onbemeten aansluiting) en 1.2.3.8 (meten op een offshore-platform) blijven wel van toepassing. |
|
1.2.4.1 1.2.4.2 1.2.4.3 |
Deze paragraaf (§1.2.4) ziet op de beëindiging van de beheersovereenkomst. Hier is geen passende grondslag voor in de Energiewet. De wettelijke taak voor het installeren en beheren van de meetinrichting ligt bij de meetverantwoordelijke partij (zie met name artikel 2.46 en 2.48 Energiewet). Het verwijderen van de meetinrichting is gerelateerd aan de uitvoering van deze wettelijke taken en het als meetverantwoordelijke partij actief zijn op de aansluiting, niet aan de beheersovereenkomst/onderlinge afspraken. Voorwaarde 1.2.4.3 is overbodig, dat is geregeld in artikel 3.41 Energiewet en artikel 3.29 Energiebesluit. |
|
1.2.5.1 t/m 1.2.5.13 |
Deze paragraaf (§1.2.5) betreft de vangnetregeling meetverantwoordelijkheid. Deze voorwaarden zijn overbodig. De Energiewet (artikel 2.51) en meer in het bijzonder het Energiebesluit (artikel 4.4 en 4.5) voorziet in een regeling wanneer een meetverantwoordelijke partij wegvalt. |
|
Bijlage 4 |
Met het buiten toepassing stellen van de relevante voorwaarden wordt ook de erkenningsregeling in bijlage 4 in zijn geheel overbodig. De erkenning van meetverantwoordelijke partijen is afgedekt in de Energiewet (artikel 2.50 en 2.51) en het Energiebesluit (afdeling 4.1) en wordt uitgevoerd door de ACM. De erkenning van de ‘meterplaatser’ is overbodig, omdat deze rol geen onderdeel meer heeft in de Energiewet. Voorwaarde B4.2.4 sluit niet aan op het gegevensbeheermodel zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Energiewet. |
Hoofdstuk 2 van de Meetcode elektriciteit betreft de ‘keuze van meetinrichting en aanwijzing meetbeheerder’. Omdat de keuze qua meetinrichting en welke beheerder daarbij hoort nu geregeld is op het niveau van de Energiewet, is dit tweede hoofdstuk vrijwel geheel overbodig en daarom in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling uitgezonderd van toepassing. Enkele technische voorwaarden worden behouden. Zie tabel 2 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
2.1.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet bepaalt nu waar gemeten moet worden (zie artikel 2.46 en 3.55). |
|
2.2.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet bepaalt nu dat gemeten wordt op systeemkoppelingen (zie artikel 3.55). |
|
2.3.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet bepaalt nu voor kleine aansluitingen waar gemeten moet worden en met welk type meetinrichting (zie artikel 2.46). |
|
2.4.1 2.4.2 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bepaalt nu voor grote aansluitingen waar gemeten moet worden (zie artikel 2.46) en bevat ook overgangsrecht (artikel 7.20 tot en met 7.22). |
|
2.5.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; deze eis is nu opgenomen in artikel 4.11 Energiebesluit. |
|
2.6.1 t/m 2.6.3 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bepaalt nu bij welke partij de meettaak ligt en welke partij daartoe de meetinrichting installeert en beheert. Zie met name artikel 2.46, 2.48, 2.55, 3.54, 3.55 en 3.60 Energiewet. |
|
2.6.4 2.6.5 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; onder de Energiewet is het zogeheten ‘primaire deel van de meetinrichting’ deel van de aansluiting (zie definitie ‘aansluiting’ in artikel 1.1 Energiewet). De verantwoordelijkheid ligt dus bij de desbetreffende systeembeheerder. |
Hoofdstuk 3 van de Meetcode elektriciteit bevat voorwaarden ten aanzien van de vanaf 2015 ingezette grootschalige uitrol van op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij kleine aansluitingen. Inmiddels beschikt meer dan 90% van alle elektriciteitsaansluitingen over een dergelijke meetinrichting en dekken de artikelen 3.51 en 7.28 Energiewet dit afdoende af. Dit gehele hoofdstuk wordt daarom in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling buiten toepassing gesteld. Zie tabel 3 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
3.1.1 t/m 3.2.6 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bevat via het overgangsrecht (artikel 7.28) afdoende voorschriften inzake de uitrol. Verder gelden artikel 3.51 t/m 3.53 Energiewet. |
|
3.3.1 t/m 3.4.17 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de plaatsing van meetrichtingen door derden past niet in de reikwijdte van de Energiewet, anders dan dat dit een verantwoordelijkheid van de DSB zelf is (zie artikel 3.54 Energiewet). |
Hoofdstuk 4 en 5 van de Meetcode elektriciteit blijven vrijwel geheel van toepassing. Slechts enkele onderdelen uit deze hoofdstukken zijn in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling uitgezonderd van toepassing. Zie tabel 4 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
4.2.1.1 en 4.2.1.2 |
Artikel 5.1 van de Invoeringsregeling schrijft voor dat een meetinrichting voor elektriciteit bij een kleine aansluiting het volgende afzonderlijk in kWh weergeeft: (1) de actuele meterstand van de aan het systeem onttrokken elektrische energie en (2) de actuele meterstand van de op het systeem ingevoede elektrische energie. In dit licht worden voorwaarde 4.2.1.1 en 4.2.1.2 uitgezonderd van toepassing. Voorwaarde 4.2.1.1 regelt min of meer hetzelfde als het genoemde artikel 5.1, terwijl voorwaarde 4.2.1.2 in strijd is met artikel 5.1. Zie ook de toelichting op de Invoeringsregeling in paragraaf 2.5. |
|
4.2.2.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; conform artikel 7.52 Energiewet blijven de relevante voorschriften in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen gelden. |
|
5.1.1 en 5.1.2 |
Paragraaf 5.1 van de Meetcode elektriciteit bevat een verplichting voor de DSB’s om één keer per drie jaar de meetgegevens te verzamelen bij meetinrichtingen waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld of meetinrichtingen zonder communicatiefunctionaliteit, dit ter controle van de gegevens die een aangeslotene zelf doorgeeft. Omdat een dergelijke verplichting onder de Energiewet (artikel 3.58) anders wordt ingevuld, zijn voorwaarde 5.1.1 en 5.1.2 uitgezonderd van toepassing. |
Hoofdstuk 6 van de Meetcode elektriciteit bevat de ‘bijzondere bepalingen’. De voorwaarden bij de verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting blijven geldig (paragraaf 6.1), maar de voorwaarden inzake onvoorziene omstandigheden (paragraaf 6.2) en de overgangs- en slotbepalingen (paragraaf 6.3) zijn in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling grotendeels uitgezonderd van toepassing. Zie tabel 5 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
6.2.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet (artikel 3.24) dekt dit afdoende af. |
|
6.3.1 6.3.4 6.3.5 |
Deze voorwaarden zijn overbodig en/of niet in lijn met de Energiewet en worden daarom uitgezonderd van toepassing. Ten aanzien van voorwaarde 6.3.1 geldt dat een meetinrichting dient te voldoen aan de geldende eisen in de Energiewet, tenzij het overgangsrecht hier anders in voorziet (zie artikel 7.23 tot en met 7.27 Energiewet). De voorwaarden 6.3.4 en 6.3.5 zijn zeer ruim geformuleerd en passen niet als zodanig in de systematiek van de Energiewet. Artikel 3.24 Energiewet bepaalt ook dat de TSB of DSB bij de uitoefening van zijn wettelijke taken redelijk, transparant en niet-discriminerend handelt. |
De Meetcode gas RNB dateert uit april 2016 en verving de toenmalige Meetvoorwaarden Gas – RNB uit november 2006. In tegenstelling tot de Meetcode elektriciteit is de scope beperkt tot enkel het distributiesysteem (het ‘RNB-net’). Deze code komt qua opzet voor een zeer groot deel overeen met de Meetcode elektriciteit, waardoor ook hier geldt dat onderdelen reeds afgedekt worden door de Energiewet of het Energiebesluit en daarom kunnen worden uitgezonderd van dit overgangsregime.
Ook hier geldt dat artikel 7.52 Energiewet bepaalt dat voorwaarden in beginsel blijven gelden, tenzij deze worden uitgezonderd. Artikel 2.2 van deze Invoeringsregeling zondert specifiek voor de Meetcode gas RNB voorwaarden uit van toepassing. Ook hier betreffen het voorwaarden die overbodig zijn, omdat de Energiewet dit afdoende regelt, en/of die in strijd zijn met de Energiewet.
Voorwaarden die blijven gelden
De hoofdstukken met eisen aan de meetinrichtingen (hoofdstuk 4), voorwaarden over de eigenlijke meetgegevensverzameling (hoofdstuk 5), de gaskwaliteitsmeting bij invoedingsinstallaties (hoofdstuk 5a) en bijzondere bepalingen (paragraaf 6.1) blijven behouden in het overgangsregime. Hetzelfde geldt voor de bijlagen over verschillende metingen (bijlage 1) en compressibiliteitsberekening (bijlage 2).
Voorwaarden die worden uitgezonderd van toepassing
De voorwaarden in hoofdstuk 1 van de Meetcode gas RNB komen grotendeels woordelijk overeen met de Meetcode elektriciteit. Zoals toegelicht voor de Meetcode Elektriciteit hebben de meeste voorwaarden in dit hoofdstuk geen toegevoegde waarde meer ten opzichte van de Energiewet en/of het Energiebesluit en worden daarom in artikel 2.2 van deze Invoeringsregeling buiten toepassing verklaard. Zie tabel 6 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
1.1.1 1.1.2 1.1.4 |
Deze algemene voorwaarden zijn overbodig, daar zij afdoende geregeld worden via de Energiewet en/of de Metrologiewet. De link met de Begrippencode gas is behouden (voorwaarde 1.1.3), net als de verduidelijking in voorwaarde 1.1.6. |
|
1.2.1.1 |
Een code onder de Elektriciteitswet 1998 kan zonder grondslag in de wet zelf, geen taak opleggen aan de toezichthouders onder de Metrologiewet. Het systeem van steekproefsgewijze controles (§1.2.1) is daarom nu opgenomen in de Energiewet (artikel 2.49, 3.61) en het Energiebesluit (artikel 4.14). Deze voorwaarde is daarom overbodig. |
|
1.2.2.1 1.2.2.2 |
Het concept van de ‘meterplaatser’ (§1.2.2) is geen onderdeel meer van de Energiewet. Deze voorwaarden zijn daarom overbodig. |
|
1.2.3.1 t/m 1.2.3.5 |
Deze paragraaf (§1.2.3) regelt de overdracht van meetverantwoordelijkheid. De Energiewet bepaalt nu waar de meetverantwoordelijkheid bij grote aansluitingen ligt, zie met name artikel 2.46, 2.47, 2.55, 3.54, 3.55 en 3.60. De voorwaarden 1.2.3.1, tot en met 1.2.3.5 worden daarom buiten toepassing verklaard daar zij overbodig zijn. |
|
1.2.4.1 t/m 1.2.4.3 |
Deze paragraaf (§1.2.4) ziet op de beëindiging van de beheersovereenkomst. Hier is geen passende grondslag voor in de Energiewet. De wettelijke taak voor het installeren en beheren van de meetinrichting ligt bij de meetverantwoordelijke partij (zie met name artikel 2.46 en 2.48 Energiewet). Het verwijderen van de meetinrichting is gerelateerd aan de uitvoering van deze wettelijke taken en het als meetverantwoordelijke partij actief zijn op de aansluiting, niet aan de beheersovereenkomst/onderlinge afspraken. Voorwaarde 1.2.4.3 is overbodig, dat is geregeld in artikel 3.41 Energiewet en artikel 3.29 Energiebesluit. |
|
1.2.5.1 t/m 1.2.5.13 |
Deze paragraaf (§1.2.5) betreft de vangnetregeling meetverantwoordelijkheid. Deze voorwaarden zijn overbodig. De Energiewet (artikel 2.51) en meer in het bijzonder het Energiebesluit (artikel 4.4 en 4.5) voorziet in een regeling wanneer een meetverantwoordelijke partij wegvalt. |
|
Bijlage 3 |
Met het buiten toepassing stellen van de relevante voorwaarden wordt ook de erkenningsregeling in bijlage 3 in zijn geheel overbodig. De erkenning van meetverantwoordelijke partijen is afgedekt in de Energiewet (artikel 2.50 en 2.51) en het Energiebesluit (afdeling 4.1) en wordt uitgevoerd door de ACM. De erkenning van de ‘meterplaatser’ is overbodig, omdat deze rol geen onderdeel meer heeft in de Energiewet. Voorwaarde B3.2.4 sluit niet aan op het gegevensbeheermodel zoals opgenomen in hoofdstuk 4 Energiewet. |
Hoofdstuk 2 van de Meetcode gas RNB ziet op de keuze van de meetinrichting en de aanwijzing van de meetbeheerder. Omdat de keuze qua meetinrichting en welke beheerder daarbij hoort nu geregeld is op het niveau van de Energiewet, is dit tweede hoofdstuk vrijwel geheel overbodig en daarom in artikel 2.2 van deze Invoeringsregeling uitgezonderd van toepassing. De voorwaarden in paragraaf 2.3 blijven van toepassing. Zie tabel 7 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
2.1.1 2.1.2 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bepaalt nu waar gemeten moet worden (zie met name artikel 2.46, 2.47, 2.55, 3.55 en 3.60) |
|
2.2.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet bevat grondslag voor voorschriften aan de meetinrichtingen (zie artikel 2.46 en 3.55) |
|
2.4.1 2.4.2 2.4.3 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bepaalt nu door welke partij gemeten moet worden (zie artikel 2.47, 2.54, 3.57 en 3.60) |
Hoofdstuk 3 van de Meetcode gas RNB bevat voorwaarden ten aanzien van de vanaf 2015 ingezette grootschalige uitrol van op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij kleine aansluitingen. Invia beschikt meer dan 90% van alle gasaansluitingen over een dergelijke meetinrichting en dekken de artikelen 3.51 en 7.28 Energiewet dit afdoende af. Dit gehele hoofdstuk wordt daarom in artikel 2.2 van deze Invoeringsregeling buiten toepassing gesteld. Zie tabel 8 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
3.1.1 t/m 3.2.6 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de Energiewet bevat via het overgangsrecht (artikel 7.28) afdoende voorschriften inzake de uitrol. Verder gelden artikel 3.51 t/m 3.53 Energiewet. |
|
3.3.1 t/m 3.4.17 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de plaatsing van meetrichtingen door derden past niet in de reikwijdte van de Energiewet, anders dan dat dit een verantwoordelijkheid van de DSB zelf is (zie artikel 3.54 Energiewet). |
Hoofdstuk 6 van de Meetcode gas RNB bevat de ‘bijzondere bepalingen’. De voorwaarden bij de verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting blijven geldig (paragraaf 6.1), maar de voorwaarden inzake onvoorziene omstandigheden (paragraaf 6.2) en de overgangs- en slotbepalingen (paragraaf 6.3) zijn in artikel 2.2 van deze Invoeringsregeling grotendeels uitgezonderd van toepassing. Zie tabel 9 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
6.2.1 |
Deze voorwaarde is overbodig; de Energiewet (artikel 3.24) dekt dit afdoende af. |
|
6.3.1 6.3.2 6.3.2a |
Deze voorwaarden zijn overbodig en/of niet in lijn met de Energiewet en worden daarom uitgezonderd van toepassing. Ten aanzien van voorwaarde 6.3.1, 6.3.2, 6.3.2a geldt dat een meetinrichting dient te voldoen aan de geldende eisen op grond van de Energiewet, tenzij het overgangsrecht hier anders in voorziet (zie artikel 7.23 tot en met 7.27 Energiewet). |
De Meetcode gas LNB dateert ook uit april 2016 en verving de Meetvoorwaarden Gas LNB uit 2006. Deze code bevat enkel voorschriften die zien op het landelijke gasnetbeheer (LNB); onder de Energiewet is dit het transmissiesysteem voor gas. Deze voorwaarden sluiten aan op de wettelijke taak die de TSB voor gas in de Energiewet heeft, zie met name de voorschriften inzake installatie en beheer van de meetinrichtingen en de meetgegevensverzameling (respectievelijk artikel 3.54 en artikel 3.59 Energiewet). Nagegaan is of deze code ook voorwaarden bevat die, gelet op het overgangsregime in artikel 7.52 Energiewet, overbodig zijn en/of in strijd met de Energiewet. Geconcludeerd is alle inhoudelijk voorwaarden aansluiten bij het regime van de Energiewet en dat het, afgezien van de omgang met verouderde begrippen (zie paragraaf 2.2 van deze toelichting), niet noodzakelijk is om voorwaarden van toepassing uit te zonderen of aan te passen.
De Meetcode gas LNB meting door aangeslotene sluit qua opzet en inhoud nauw aan op de Meetcode gas LNB. Alleen is het in dit geval de aangeslotene op het transmissiesysteem voor gas die de gashoeveelheidsmetingen qua afname uitvoert; dit is een afwijking van de reguliere wettelijke taak die bij de TSB voor gas is gelegd (zie de artikelen 3.54 en 3.59 Energiewet). In de Energiewet (artikel 7.26) blijft dit toegestaan tot het moment dat de aangeslotene zelf verzoekt om beëindiging van deze situatie. Deze code bevat geen voorwaarden die, gelet op het overgangsregime in artikel 7.52 Energiewet, overbodig zijn en/of in strijd met de Energiewet. Derhalve hoeven geen voorwaarden te worden uitgezonderd.
De Invoedcode gas LNB dateert uit april 2016 en kwam destijds in de plaats van de Invoedvoorwaarden Gas LNB uit 2014. Het gaat hier om het invoeden van gas op het landelijk gastransportnet; in de termen van de Energiewet betreft dit het transmissiesysteem voor gas. Deze code bevat een breed scala aan voorwaarden rondom het invoeden, maar slechts enkele voorwaarden in hoofdstuk 4 zien op de meetinrichtingen en het uitvoeren van metingen. Artikel 2.3 van deze Invoeringsregeling past de toepassing van enkele voorwaarden van de Invoedcode gas LNB aan. Zie tabel 10 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
4.3 4.9 |
Artikel 2.55, eerste lid, Energiewet bepaalt dat ingeval van invoeding op het transmissiesysteem voor gas de meetinrichting wordt geïnstalleerd en beheerd door de aangeslotene (met een grote aansluiting) zelf. Het tweede deel van voorwaarde 4.3 komt hier niet mee overeen en deze voorwaarde wordt aangepast (de zinsnede ‘... tenzij de invoeder en de netbeheerder van het landelijk gastransportnet anders overeenkomen’ moet buiten toepassing blijven). Ook de laatste zin in voorwaarde 4.9 komt niet overeen met artikel 2.55 Energiewet en is daarom aangepast: het is in deze situatie de invoeder die de TSB voor gas in de gelegenheid stelt om de kalibratiewerkzaamheden bij te wonen. |
De IcEG is in april 2016 als nieuwe regeling door de ACM vastgesteld en gepubliceerd, maar dit betrof in feite een voortzetting van de eerdere Informatiecode elektriciteit en gas die reeds in 2013 voor het eerst werd vastgesteld en nadien aangepast. De grondslag voor de IcEG was gelegen in respectievelijk hoofdstuk 3 en 4 van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en voormalige Gaswet, alsmede de voormalige Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas. Gelet hierop richtte de IcEG zich op de ‘in het kader van administratieve processen te hanteren voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop de met die administratieve processen samenhangende gegevens worden vastgelegd, uitgewisseld of gebruikt of met betrekking tot de wijze waarop en de termijn waarbinnen die gegevens worden bewaard’. Als gevolg hiervan wordt de IcEG sterk gekarakteriseerd door het vastleggen van administratieve (keten-)processen en de processtappen die de verschillende betrokken sectorpartijen moeten zetten.
Onderdeel van de IcEG zijn ook processtappen rondom het verzamelen, valideren en vaststellen van (meet)gegevens, die fungeren als aanvulling op de reeds genoemde meetcodes. Omdat de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling op specifieke onderdelen afwijkende voorschriften bevatten, wordt een deel van de voorwaarden in de IcEG uitgezonderd van toepassing en wordt aan enkele voorwaarden een andere toepassing gegeven. Hier spelen twee onderwerpen een rol, namelijk (A) de meettaken in de IcEG in lijn brengen met de Energiewet en (B) het inbedden van de nieuwe manier van alloceren van energievolumes.
A. Meettaken IcEG in lijn brengen met de Energiewet (per 1 mei 2026)
In de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998 lag bij de kleine aansluitingen nog sterk de nadruk op de rol van de leveranciers bij het verzamelen van meetgegevens, wat te maken had met de originele analoge meetinrichtingen en de pas veel latere grootschalige introductie van de ‘slimme meters’ (vanaf 2015). Zo bepaalden artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b Gaswet bijvoorbeeld dat in geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting de DSB, afgezien van zijn eigen wettelijke taken, uitsluitend meetgegevens mocht verzamelen indien dit noodzakelijk was voor de taken van de leverancier, met betrekking tot (i) verbruiksinformatie, (ii) facturering, (iii) verhuizing en (iv) wisseling van leverancier. Deze rolverdeling is ook zichtbaar in de IcEG. Daarnaast schreven artikel 54 Elektriciteitswet 1998 en artikel 22 Gaswet ook voor dat de IcEG moest regelen dat het verzamelen van de meetgegevens ingeval van wisseling van leverancier of verhuizing bij de oude dan wel de nieuwe leverancier lag. Inmiddels beschikt ruim 90% van de kleine aansluitingen over een op afstand uitleesbare meetinrichting en legt de Energiewet de meettaak ingeval van een meetinrichting met een communicatiefunctionaliteit die ‘aan’ staat ook expliciet bij de DSB’s neer (artikel 3.57 Energiewet). In de gevallen dat een meetinrichting niet over een communicatiefunctionaliteit beschikt of deze administratief is uitgezet, blijft de leverancier de meettaak vervullen (artikel 2.54 Energiewet).
De herziening die de Energiewet doorvoert in de formele meettaken heeft tot gevolg dat ook de IcEG hierop moet worden aangepast. Echter, met deze ‘omkering van de meetketen’ is ook een grote en complexe IT-operatie gemoeid waarin tientallen betrokken partijen hun werk- en bedrijfsprocessen moeten aanpassen naar de nieuwe situatie. Deze overgang is voorbereid en staat gepland voor 1 mei 2026. Tot die tijd vervullen de leveranciers en DSB’s nog hun oude meetrol zoals deze ook uitgewerkt in de IcEG, vanaf 1 mei 2026 wordt dan gewerkt conform de nieuwe verdeling in de Energiewet. Deze Invoeringsregeling geeft daar via verschillende aanpassingen concreet invulling aan.
Ten eerste regelt artikel 2.5, eerste lid, onderdelen a en b, van deze Invoeringsregeling dat een groot aantal voorwaarden uit de IcEG vanaf 1 mei 2026 slechts in specifieke situaties op de leverancier van toepassing zijn, terwijl andere voorwaarden juist vanaf 1 mei 2026 op de DSB van toepassing worden. Zie tabel 11 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
3.1.4.1 3.2.4.1 3.3.4.1 3.4.5.1 |
De voorwaarden in de IcEG regelen voor verschillende situaties dat het de leverancier is die de meterstand verzamelt en vaststelt, namelijk bij overstappen (3.1.4.1), uithuizen (3.2.4.1) inhuizen (3.3.4.1) en eindelevering (3.4.5.1). Daarnaast regelen de opgenomen voorwaarden in §3.14 (‘correctieprocessen op de kleinverbruikaansluiting’) dat meterstanden soms opnieuw door de leverancier worden vastgesteld bij bepaalde correctieprocessen. Voorwaarde 5.1.2.2 en 5.3.4.3a bepalen dat de DSB dit in sommige gevallen doet (ten behoeve van de meettaak van de leverancier). Dit sluit niet meer aan bij het herziene kader van de Energiewet. Waar de IcEG er nog vanuit gaat dat de leverancier dit uitvoert voor alle meetinrichtingen bij kleine aansluitingen, splitst de Energiewet deze meettaak voor de kleine aansluitingen: de DSB’s hebben een meettaak bij de op afstand uitleesbare meetinrichtingen (artikel 3.57 Energiewet) en de leveranciers bij de meetinrichtingen zonder communicatiefunctionaliteit of de meetinrichtingen waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld (artikel 2.54 Energiewet). Gelet hierop regelt artikel 2.5 eerste lid sub b Invoeringsregeling nu dat al deze IcEG-voorwaarden gesplist van toepassing zijn: (1) op een leverancier in zijn rol van artikel 2.54 Energiewet en (2) op de DSB in zijn rol van artikel 3.57 Energiewet. Dit geldt vanaf 1 mei 2026. |
|
3.14.1.8 3.14.1.9 3.14.2.5 3.14.2.6 3.14.3.8 3.14.3.9 3.14.4.6 3.14.4.5 5.1.2.2 5.3.4.3a |
|
|
5.1.3.1 5.1.3.2 5.1.3.3 5.1.3.4 5.1.4.1 |
Een soortgelijke redenering geldt voor §5.1.3 (‘De leverancier valideert meterstanden en stelt deze vast’), waar de IcEG regelt dat de leverancier de meterstanden valideert en vaststelt voor alle meetinrichtingen bij kleine aansluitingen voor gas en elektriciteit. Zoals gezegd splitst de Energiewet deze meettaak tussen de DSB’s en de leveranciers. Artikel 2.5 eerste lid, sub a Invoeringsregeling regelt nu dat deze genoemde IcEG-voorwaarden enkel van toepassing zijn op de leverancier in zijn rol van artikel 2.54 Energiewet. Dit geldt vanaf 1 mei 2026. Voor de validatie van meterstanden door de DSB in zijn rol van artikel 3.57 Energiewet, introduceert artikel 3.4 Invoeringsregeling aparte voorschriften; zie hierna. |
Ten tweede vult deze Invoeringsregeling in hoofdstuk 3 de rol van DSB’s vanaf 1 mei 2026 nader aan. Belangrijk is dat het hierbij gaat om aanvullende voorschriften ten opzichte van de IcEG, daar artikel 2.5 reeds een groot aantal voorwaarden op de DSB van toepassing heeft verklaard.
Een van deze aanvullingen betreft artikel 3.2. Waar de IcEG reeds de verzameling van meetgegevens in een groot aantal situaties regelt, ontbrak de verzameling van kwartierwaarden (elektriciteit) of uurwaarden (gas) indien de aangeslotene daar zelf inzage in wil hebben en dit eventueel wil delen met een derde partij.26 Ook indien de aangeslotene/eindafnemer er voor kiest om elektriciteit of gas af te rekenen op basis van kwartierwaarden of uurwaarden, dan zullen deze gegevens te behoeve van de uiteindelijke facturering door de leverancier (artikel 4.9 eerste lid, onderdeel c, Energieregeling) verzameld dienen te worden. Verder bepaalt artikel 3.2 dat de DSB de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen zo spoedig mogelijk verzamelt nadat de meetinrichting de meterstanden heeft geregistreerd, indien dit nodig is voor de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen. Dit houdt ermee verband dat de DSB’s vanwege de benodigde elektronische communicatiemiddelen niet elke dag al hun meetinrichtingen uitlezen, maar dit groepsgewijs en met enige tussenpozen doen.
Een andere aanvulling op de IcEG betreft de omgang met tijdelijke storingen. Het kan namelijk voorkomen dat een meetinrichting niet direct op afstand kan worden uitgelezen, bijvoorbeeld omdat er een storing in de elektronische communicatienetwerken is. Daarom bepaalt artikel 3.3, eerste lid, Invoeringsregeling dat de DSB gedurende tenminste 15 werkdagen dagelijks moet proberen deze meetinrichting alsnog uit te lezen. Uit de praktijk blijkt dat meetgegevens dan vaak alsnog verzameld kunnen worden. Op deze manier worden de negatieve effecten van ontbrekende meetgegevens voor de aangeslotene en andere partijen in de meetketen beperkt. Voorheen was dit niet vastgelegd in de IcEG. Indien een meterstand blijft ontbreken, dan dient de DSB deze meterstand te berekenen. De DSB mag alleen de meterstand berekenen na tenminste 15 werkdagen pogingen tot uitlezen te hebben gedaan. Langer dan 15 werkdagen deze pogingen doen, bijvoorbeeld 20 dagen, en dan pas overgaan tot berekenen, is ook toegestaan als de DSB dit beter acht bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen. Het tweede lid van artikel 3.3 schrijft voor dat deze berekening uitgevoerd moet worden conform de algoritmen in voorwaarde 5.1.3.3 IcEG, zoals dat voorheen voor de leverancier gold.
In dit kader kan worden opgemerkt dat de Meetcode elektriciteit en de Meetcode gas RNB voorschrijven dat (i) een storing in het meetgedeelte van de meetinrichting zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen tien werkdagen na signalering wordt opgelost en (ii) een storing in de gegevensoverdracht zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee maanden na signalering wordt opgelost. Ook voorziet de IcEG reeds in een procedure als de communicatiefunctionaliteit langdurig in storing blijft. Op grond van voorwaarden 3.13a.1.1 en 2.1.4, onderdeel g, markeert de DSB dit in zijn register dan met ‘een kenmerk dat weergeeft of de kleinverbruikmeetinrichting gelet op externe factoren van technische aard al dan niet op afstand uitleesbaar is’. In het register voert de DSB dan een mutatie uit waarin de meetinrichting de waarde ‘profielallocatie’ krijgt. Op grond van voorwaarde 5.1.2.1 IcEG valt deze aansluiting vanaf dat moment onder de meettaak van de leverancier, die de gegevens verzamelt, valideert en vaststelt. In de Invoeringsregeling zijn deze voorwaarden behouden, waarbij bij een langdurige storing dus sprake is van een verschuiving van de meettaak van de DSB (artikel 3.57 Energiewet) naar de leverancier (artikel 2.54 Energiewet). Deze werkwijze komt overeen met de huidige praktijk onder de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en verandert met de omkering van de meetketen per 1 mei 2026 dus niet.
Nog een aanvulling betreft de validatie van meetgegevens in de situatie van een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit (artikel 3.57 Energiewet). In voorwaarde 5.1.3.1 IcEG zijn algoritmen opgenomen ten behoeve van het valideren, berekenen en vaststellen van meterstanden. Echter, deze voorwaarde heeft van oudsher primair betrekking op de meetinrichtingen waar meterstanden door de aangeslotene zelf werden opgenomen (artikel 2.54 Energiewet). Daar was het nodig met algoritmen te werken. Bij meetinrichtingen waarvan de communicatiefunctionaliteit is ingeschakeld, kan worden volstaan met eenvoudige validatieregels zoals opgenomen het eerste lid van artikel 3.4. Als meterstanden niet valide zijn bevonden, berekent de DSB conform de algoritmen in voorwaarde 5.1.3.3 IcEG. Artikel 3.5 bepaalt ten slotte dat de DSB de valide bevonden meterstanden en de berekende meterstanden vast moet stellen; dit was een taak die in de IcEG altijd bij de leverancier lag. Het gaat hier met name om de validatie van dag- en maandstanden, niet om de validatie van kwartier- of uurwaarden; dit is in het artikel aangegeven middels de aanduiding ‘het tijdstip 0.00 uur’.
Ten derde worden er per 1 mei 2026 in artikel 2.4, onderdeel a, onder 1°, van deze Invoeringsregeling bepaalde voorwaarden van de IcEG ten aanzien van meten vanaf 1 mei 2026 uitgezonderd van verdere toepassing. Zie tabel 12 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
1.1.7 |
Vanaf 1 mei 2026 is deze voorwaarde overbodig. Op dat moment treedt de beschreven ‘omkering van de meetketen’ in en is de leverancier niet meer ‘verantwoordelijk voor de distributie van meterstanden voor alle kleinverbruikaansluitingen waarvoor hij in het aansluitingenregister als leverancier staat geregistreerd’. Op grond van artikel 4.8 Energiewet dient de leverancier dan verzamelde meetgegevens door te geven aan de betreffende registerbeheerder. Op grond van artikel 2.7 Energieregeling kan de leverancier de door hem zelf verzamelde meetgegevens gebruiken voor de facturatie naar zijn eigen eindafnemers. |
|
5.1.2.1a 5.1.3.4a 5.3.4.3 5.3.4.3b, sub c |
Deze voorwaarden worden per 1 mei 2026 overbodig, daar de DSB vanaf dat moment de meettaak invult die de IcEG nog bij de leverancier legt. Zo spreekt voorwaarde 5.1.2.1a over het collecteren van een op afstand uitleesbare meterstanden door de leverancier (i.c. via de DSB) en voorwaarde 5.3.4.3 over het namens de leverancier collecteren van op afstand uitleesbare meterstanden door de DSB. Vanaf 1 mei 2026 worden deze voorwaarden dan ook van verdere toepassing uitgezonderd. |
Tot slot is er rondom de meettaken in de IcEG ook sprake van voorwaarden die verouderd zijn en/of niet meer in lijn met het regime van de Energiewet. Dit is niet gekoppeld aan de datum van 1 mei 2026. Artikel 2.4, onderdeel a, onder 2°, van deze Invoeringsregeling legt vast welke voorwaarden ten aanzien van meten vanaf 1 januari 2026 worden uitgezonderd van verdere toepassing. Zie tabel 13 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
1.1.8 1.1.9 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. De Energiewet kent het concept van het ‘meetbedrijf’ niet meer. Bij kleine aansluitingen ligt de meettaak bij de DSB (artikel 3.57 Energiewet) of de leverancier (artikel 2.43 Energiewet). |
|
2.1.10 |
Deze voorwaarde is overbodig. Deze voorwaarde betreft een verwijzing naar het zogeheten ‘meetverantwoordelijkenregister’ van TenneT in de Meetcode elektriciteit en Meetcode gas RNB. De Energiewet legt de erkenning van meetverantwoordelijke partijen echter bij de ACM (artikel 2.50 Energiewet), dus deze voorwaarde kan buiten toepassing worden gesteld. |
B. Nieuwe manier van alloceren van energievolumes
De Energiewet legt in de artikelen 3.49 en 3.50 een verplichting op aan respectievelijk de TSB voor elektriciteit en de TSB voor gas om (i) voorzieningen te treffen voor de balancering van het door hen beheerde transmissiesysteem en (ii) de balanceringsverantwoordelijken balancing responsible party) (hierna ook: BRP) te faciliteren in de uitvoering van hun verantwoordelijkheden. Deze wettelijke taken sluiten aan op Europese regelgeving waarin de balanceringstaken voor de TSB’s voor elektriciteit en gas in vergaande mate zijn gereguleerd; het gaat daarbij met name om gedelegeerde Verordeningen 312/2014 (gas, ‘NC BAL’)27 en 2017/2195 (elektriciteit, ‘EBGL’)28. De TSB bepaalt in welke mate de feitelijke realisatie per BRP afweek van zijn ingediende inschatting en rekent de gemaakte kosten voor de real-time correcties door aan de BRP. Per BRP-portfolio wordt dan het energievolumes (elektriciteit) of de energiehoeveelheid (gas) bepaald, dit betreft in feite de invoeding minus onttrekking. Dit proces van toerekening wordt ‘allocatie’ genoemd en vindt plaats binnen een dag (gas) of binnen enkele dagen (elektriciteit) op basis van de dan bekende meetgegevens. Nadien volgt nog de ‘reconciliatie’, waarbij op basis van nadien verzamelde of gerepareerde meetgegevens een correctie wordt uitgevoerd op de allocatie. In de Energieregeling (de artikelen 3.17 en 3.18) is nader invulling gegeven aan de faciliterende rol van de DSB’s bij de administratieve afhandeling van de balanceringstaak van de TSB’s.
Deze uitwerking in de Energiewet en Energieregeling biedt de basis voor een fundamentele wijziging in de manier waarop de TSB voor elektriciteit de kosten van het corrigeren van de optredende onbalans toerekent aan de balanceringsverantwoordelijken. Waar de allocatie in het geval van kleine elektriciteitsaansluitingen tot nu toe vrijwel geheel werd gebaseerd op ‘profielen’ zal vanaf 1 mei 2026 de allocatie plaatsvinden op basis van de daadwerkelijk gemeten onttrekking van en invoeding op het systeem per individuele aansluiting. Deze datum van 1 mei 2026 vormt de afronding van een complex (IT-) traject dat betrokken systeembeheerders, leveranciers, BRP’s en meetverantwoordelijke partijen jarenlang hebben voorbereid en gefaseerd ingevoerd onder de naam ‘Allocatie 2.0’ of ‘collectieve slimmemeter allocatie’. Daar de IcEG nog uitgaat van de oude manier van allocatie dienen verschillende voorwaarden per 1 mei 2026 te worden uitgezonderd van toepassing. Artikel 2.4, onderdeel b, van deze Invoeringsregeling legt vast welke voorwaarden ten aanzien van alloceren van energievolumes worden uitgezonderd van verdere toepassing. Zie tabel 14 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
3.1.3.4 3.2.3.4 3.3.3.5 3.4.4.2 3.15.1.1 t/m 3.15.4.2 |
Per 1 mei 2026 zijn deze voorwaarden overbodig vanwege de beschreven stelselwijziging. Op grond van artikel 3.17 en 3.18 Energieregeling bepalen de DSB’s per 1 mei 2026 voor elk toegekend allocatiepunt de allocatiemethode en regelt verder de administratieve afhandeling richting de TSB’s. De IcEG gaat er in de genoemde voorwaarden echter nog vanuit dat de allocatiemethode in de registers (op verzoek) gemuteerd kan worden door ofwel de DSB ofwel de leverancier en regelt in detail de wijze waarop deze mutaties worden uitgevoerd en welke communicatie hierover plaatsvindt (zie met name §3.15). Gelet op de nieuwe rol van de DSB hierin kunnen deze voorwaarden per 1 mei 2026 van toepassing worden uitgezonderd. |
|
7.1 7.2 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. De Netcode elektriciteit en Allocatiecode gas gelden onverkort voor zover het ziet op de uitvoering van de wettelijke taken van de TSB’s en DSB’s inzake de balancering op grond van Europese verordeningen, de Energiewet (artikel 3.49 en 3.50) en de Energieregeling (3.17 en 3.18). Dat hoeft niet als voorwaarden opgenomen te zijn in de IcEG. |
Verder zijn er per 1 mei 2026 ook enkele voorwaarden die in het kader van de herziene systematiek voor allocatie een andere toepassing moeten krijgen. Artikel 2.5, onderdeel c, van deze Invoeringsregeling, stelt regels over de toepassing van de voorwaarden ten aanzien van alloceren van energievolumes. Zie tabel 15 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
2.2.1, onderdeel b, subonderdeel iii, 2.2.2, onderdeel b, subonderdeel iii en 2.2.3, onderdeel b, subonderdeel iii, ‘een verzoek tot wijziging van de allocatiemethode’ gelezen als ‘een wijziging van de allocatiemethode’; |
Deze voorwaarden dienen per 1 mei 2026 een andere toepassing te krijgen. In deze voorwaarden wordt namelijk nog uitgegaan van het kunnen indienen van een verzoek tot wijziging van de allocatiemethode. Daar artikel 3.17 en 3.18 Energieregeling bepalen dat vanaf 1 mei 2026 de DSB bevoegd is tot het bepalen van de allocatiemethode, wordt in deze voorwaarden vanaf die datum niet meer gesproken over het vermelden van ‘een verzoek tot wijziging van de allocatiemethode’, maar enkel over het melden van ‘een wijziging van de allocatiemethode’. |
Context overgangsregime
Ten aanzien van het beheer en de uitwisseling van gegevens bevat hoofdstuk 4 van de Energiewet (en in veel mindere mate ook het Energiebesluit) grondslagen voor nadere uitwerking van voorschriften op het niveau van een ministeriële regeling. Via de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet is voorzien in een tijdelijk overgangsregime totdat de definitieve ministeriële regeling gereed is. Dit is toegelicht in paragraaf 1.1 van deze toelichting: bij de inwerkingtreding van de Energiewet blijven de regels voor de uitwisseling van gegevens, zoals deze zijn vastgesteld onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998, tijdelijk van toepassing ter invulling van de Energiewet, meer in het bijzonder hoofdstuk 4 Energiewet. Het gaat dan met name om de IcEG, maar ook relevante voorwaarden in de eerder besproken (meet)codes blijven van toepassing (zie artikel 7.52, vierde lid Energiewet) alsmede artikel 13 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie (zie artikel 7.53, eerste lid Energiewet). De overige onderdelen uit dit besluit zijn, voor zover het gas en elektriciteit betreft, overgezet naar het Energiebesluit en de Energieregeling.
Belangrijk is te melden dat de Invoeringsregeling vooral voortzet wat reeds (technisch) functioneerde onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998 en dan met name de IcEG. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 was de grondslag voor de IcEG gelegen in respectievelijk hoofdstuk 3 en 4 van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet, alsmede de voormalige Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas. Hierin werd bepaald dat de IcEG voorwaarden diende te bevatten over (i) de wijze waarop de met die administratieve processen samenhangende gegevens worden vastgelegd, uitgewisseld of gebruikt of (ii) de wijze waarop en de termijn waarbinnen die gegevens worden bewaard. De vrij complexe gegevensuitwisseling functioneert al vele jaren en bedient reeds miljoenen aangeslotenen/eindafnemers, bijvoorbeeld ten behoeve van het wisselen van leverancier, het verstrekken van dagelijkse of maandelijkse verbruiksinformatie, alsmede de facturering van de levering van elektriciteit en gas. Dit alles verandert in essentie niet onder de Energiewet dan wel de Invoeringsregeling. In de subparagrafen 2.4.2 tot en met 2.4.6 is toegelicht op welke wijze de Invoeringsregeling voorwaarden uitzondert van toepassing en nadere regels stelt over de toepassing van voorwaarden.
Relatie met de implementatie van Europese richtlijnen
Met name de Elektriciteitsrichtlijn en nieuwe Gasrichtlijn bevatten eisen op het vlak van gegevensbeheer en de verstrekking van bepaalde gegevens die in de nationale wet- en regelgeving moeten worden geïmplementeerd. De combinatie van (i) de Energiewet, (iii) het Energiebesluit, (iii) de Energieregeling en (iv) de Invoeringsregeling vormt daar per 1 januari 2026 de concrete invulling van. Waar de Energiewet en het Energiebesluit de hoofdelementen van de normstelling bevatten, wordt voor de meer gedetailleerde details verwezen naar de tot 1 januari 2016 geldende IcEG. Op grond van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet en de Invoeringsregeling blijft de IcEG, deels in aangepaste vorm, van toepassing.
Voor wat betreft de Elektriciteitsrichtlijn bevat met name artikel 23 generieke voorschriften op het vlak van ‘gegevensbeheer’. Artikel 23 verplicht lidstaten om het beheer van gegevens te organiseren (tweede lid), maar ook om ‘bij het opzetten van de regels betreffende het beheer en de uitwisseling van gegevens, de regels over de toegang tot gegevens van de eindafnemer voor in aanmerking komende partijen te specificeren’ (eerste lid). In dit licht bepaalt het vijfde lid dat eindafnemers toegang tot hun gegevens moeten hebben en kunnen verzoeken hun gegevens beschikbaar te stellen, dit alles zonder extra kosten. In aanvulling hierop bevat artikel 23 Elektriciteitsrichtlijn meer generieke voorschriften, zoals de organisatie van efficiënte en beveiligde toegang tot en uitwisseling van gegevens (tweede lid), organisatie van gegevensbescherming en gegevensbeveiliging (tweede lid), verstrekking aan derde partijen op niet-discriminerende wijze en op hetzelfde moment (tweede lid), makkelijke toegang tot gegevens (tweede lid), openbaarmaking van de procedures om toegang tot gegevens te verkrijgen (tweede lid), bescherming van persoonsgegevens (derde lid) en toezicht op de partijen die verantwoordelijk zijn voor het gegevensbeheer (vierde lid). Artikel 24 Elektriciteitsrichtlijn bevat voorschriften over de toepassing van interoperabiliteitsvoorschriften en procedures voor toegang tot gegevens.
Ter implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn bevat hoofdstuk 4 van de Energiewet reeds de generieke kaders voor dit gegevensbeheer, waaronder het recht op inzage en het recht om gegevens te delen met derden (artikel 4.1 i.c.m. met bijvoorbeeld artikel 4.9), de verstrekking van gegevens aan verschillende sectorpartijen voor bepaalde doeleinden (de artikelen 4.9 tot en met 4.11), eisen aan de te hanteren processen voor toegang en uitwisseling (de artikelen 4.16 tot en met 4.19), voorschriften ter identificatie, authenticatie en autorisatie van partijen (de artikelen 4.14 en 4.20) en voorschriften inzake gegevensbescherming en gegevensbeveiliging (de artikelen 4.2 tot en met 4.4, 4.21 en 4.22). Artikel 4.19 regelt ook dat de GUE voor de toegang en uitwisseling geen kosten in rekening brengt; de bekostiging van de GUE wordt gedaan door de TSB’s en DSB’s. Hoe de toegang tot en uitwisseling van gegevens dan concreet in de (IT)praktijk functioneert is vervolgens, met in acht neming van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet, geregeld in met name de IcEG.29 Deze gegevensprocessen vormen dan weer de feitelijke uitvoering van andere verplichtingen uit de Elektriciteitsrichtlijn. Zo bevatten bijvoorbeeld de paragrafen 3.1 en 4.1 IcEG voorwaarden voor het kunnen overstappen (switchen) van leverancier. Dit sluit aan op artikel 2.14 Energiewet, wat de implementatie vormt van artikel 12 Elektriciteitsrichtlijn.
De nieuwe Gasrichtlijn bevat in de artikelen 22 en 23 vrijwel letterlijk dezelfde verplichtingen als de Elektriciteitsrichtlijn, maar dan voor aardgas en waterstof. De Energiewet implementeert per 1 januari 2026 de verplichtingen rondom (aard)gas; de implementatie van de voorschriften over waterstof verloopt via een apart wetgevingstraject. Net als voor elektriciteit regelt hoofdstuk 4 Energiewet de toegang tot en uitwisseling van gegevens inzake gas. Met in acht neming van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet regelt met name de IcEG dan ook hoe dit concreet in de (IT)praktijk functioneert voor gas. Zo vereist artikel 12 nieuwe Gasrichtlijn dat een afnemer kan overstappen naar een andere leverancier wat, zoals gezegd, geïmplementeerd is in artikel 2.14 Energiewet en nader (technisch) uitgewerkt in de paragrafen 3.1 en 4.1 IcEG.
Om de algehele coherentie en samenhang van deze voorwaarden te waarborgen, stelt artikel 7.53 Energiewet dat, wanneer blijkt dat voorwaarden vanuit de codes (en dan in het bijzonder de IcEG) strijdig zijn met het regime van de Energiewet, deze voorwaarden in deze (tijdelijke) situatie voorgaan. Op grond van het vijfde lid van artikel 7.53 kunnen ten aanzien van deze codes nadere regels gesteld worden over (i) de toepassing van deze voorwaarden en (ii) het van toepassing uitzonderen van bepaalde voorwaarden. Ten aanzien van deze tweede situatie legt artikel 2.4 van deze Invoeringsregeling vast welke voorwaarden uit de IcEG toch zijn uitgezonderd van toepassing. Deze voorwaarden zijn bij inwerkingtreding van onderhavige Invoeringsregeling dan niet meer van toepassing. Het betreft voorwaarden die overbodig zijn, omdat de Energiewet dit afdoende regelt, en/of die in strijd zijn met de Energiewet.
Identificatie; gebruik klantsleutel en opvragen gegevens
Ten behoeve van het kunnen opvragen van gegevens vanuit de verschillende registers, hanteerde de IcEG een systeem van ‘klantsleutels’. Door middel van deze klantsleutels kon de identiteit van de eindafnemer worden nagegaan, zodat op verzoek ook gegevens konden worden opgevraagd. De Energiewet (artikel 4.20) bevat voorschriften over het uitvoeren van dergelijke identificatiestappen en het Energiebesluit (artikel 4.19) legt vast dat hiervoor in beginsel identificatiemiddelen voor worden gebruikt die voldoen aan de eIDAS-verordening. Gelet hierop zijn in de IcEG alle voorwaarden die verband houden met de ‘klantsleutels’ uitgezonderd van verdere toepassing. Dit is opgenomen in artikel 2.4, onderdeel c, onder 2°, van deze Invoeringsregeling. Zie tabel 16 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
§2.2b §2.5a |
Deze voorwaarden betreffen (1) de opvraag van gegevens van de aansluiting ten behoeve van een aanbod voor levering op basis van toestemming van de aangeslotene/eindafnemer (§2.2b) en de opvraag van contracteindegegevens ten behoeve van een aanbod voor levering (§2.5a). Het op verzoek kunnen delen van gegevens is geregeld in de Energiewet (zie met name artikel 4.1) en artikel 4.1 Invoeringsregeling geeft daar nadere invulling in. Bij deze gegevensprocessen dienen de voorschriften, procedures en maatregelen die de GUE stelt, in acht te worden genomen. Deze IcEG-voorwaarden zijn derhalve overbodig. |
|
§2.14 §2.15 §10.1.4a §10.1.4b 10.1.5.5.2 |
Ten behoeve van de beschreven opvraag van gegevens bevatte de IcEG een administratie voor de klantsleutels (§2.14) en een administratie voor de toestemmingen (§2.15). Ook §10.1.4a en §10.1.4b bevatten verdere voorwaarden over de klantsleuteladministratie en toestemmingenadministratie. Gelet op de nieuwe rol voor de GUE en de bijbehorende wettelijke taken kunnen deze voorwaarden worden uitgezonderd van verdere toepassing. |
Daarnaast bevat artikel 2.5, onderdeel e, van deze Invoeringsregeling, regels over toepassing van de IcEG, door bijlage 7 IcEG in lijn te brengen met een rechterlijke uitspraak.30
Wijzigen van naam aangeslotene kleine aansluiting
In de IcEG bevat paragraaf 3.12 voorwaarden over het wijzigen van de naam van de aangeslotene/eindafnemer bij een kleine aansluiting. Deze voorwaarden worden per 1 mei 2026 van verdere toepassing uitgezonderd via artikel 2.4, onderdeel c, onder 3°, van deze Invoeringsregeling. De reden hiervoor is dat de Invoeringsregeling daar met de artikelen 4.4 en 4.5 andere voorschriften voor in de plaats heeft gezet. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.4.6 van deze toelichting.
Verantwoordelijkheid gegevensuitwisseling en berichtenverkeer
Hoofdstuk 9 van de IcEG bevat voorwaarden over de verantwoordelijkheid voor de ‘centrale communicatiesystemen’ en de wijze waarop overleg wordt gevoerd om te komen tot regels met betrekking tot de elektronische uitwisseling van gegevens (i.c. de IcEG). Omdat de Energiewet deze wettelijke taken nu bij de GUE legt (zie met name de artikelen 4.15 tot en met 4.25) wordt hoofdstuk 9 van de IcEG uitgezonderd van toepassing (zie artikel 2.4, onderdeel c, onder 4°). Zie tabel 17 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
9.1.1 9.1.2 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; de grondslag voor het door sectorpartijen opstellen van de IcEG in de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet is vervallen en geen onderdeel meer van de Energiewet. |
|
9.1.3 9.1.4 |
Deze voorwaarden zijn overbodig; op grond van met name artikel 4.16 en 4.17 Energiewet is dit vanaf 1 januari 2026 de exclusieve wettelijke taak van de GUE. Artikel 4.1 vierde lid Energiewet zondert daar wel de gegevensuitwisseling op grond van verordeningen genoemd in artikel 3.23 Energiewet in beginsel van uit. |
|
9.1.5 9.1.6 9.1.7 9.1.11 9.1.12 9.1.13 9.2.1 9.2.2 9.3.1.1 9.3.1.2 9.3.1.3 9.3.1.4 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. De Energiewet legt de vanaf 1 januari 2026 de verantwoordelijkheid voor de toegang tot en uitwisseling van gegevens bij de GUE, zie met name artikel 4.16 tot en met 4.22 Energiewet. Onderdeel van de wettelijke taak betreft ook toepassen van technische en organisatorische maatregelen zodat partijen kunnen deelnemen aan de gestandaardiseerde elektronische uitwisseling van gegevens en het nemen van maatregelen ter bescherming en beveiliging van de gegevensuitwisseling. Sectorpartijen die hier gebruik van willen maken, zullen zich dan ook dienen te verhouden naar de voorschriften, procedures en maatregelen die de GUE hieromtrent stelt. Op grond van artikel 4.17 Energiewet moeten gehanteerde procedures en voorwaarden ook openbaar gemaakt worden. |
|
9.1.8 9.1.9 9.1.10 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. De wettelijke taken van de GUE maken in beginsel geen onderscheid naar afzonderlijke partijen, zoals in deze IcEG-voorwaarden is gedaan ten aanzien van beheerders van gesloten systemen. |
|
9.1a.1 t/m 9.1a.4 |
Deze voorwaarden zien op het autorisatiebeleid en derdentoegang (§9.1a) en zijn overbodig. Op grond van de Energiewet dient de GUE daar reeds in te voorzien, bijvoorbeeld identificatie van de partij die toegang tot gegevens krijgt (artikel 4.20 Energiewet) en het nemen van maatregelen ter bescherming en beveiliging van gegevens (artikel 4.21). Betrokken sectorpartijen zullen zich dienen te verhouden naar de voorschriften, procedures en maatregelen die de GUE hieromtrent stelt. |
Verder kan gemeld worden dat voorwaarde 1.1.11 IcEG van verdere toepassing wordt uitgezonderd. Artikel 2.4, onderdeel, c, onder 1°, van deze Invoeringsregeling ziet hierop. Artikel 1.2 en bijlage I bepalen dat voor ‘programmaverantwoordelijke’ de balanceringsverantwoordelijke gelezen moet worden. Ook voorwaarde 1.1.10 wordt van toepassing uitgezonderd; deze voorwaarde sluit niet aan bij de systematiek van de Energiewet.
Hoofdstuk 8 van de IcEG bevat voorwaarden over de gegevensuitwisseling ten behoeve van het leveranciersmodel bij kleine aansluitingen. Omdat dit nu geregeld is in afdeling 2.3 van de Energieregeling kan dit gehele hoofdstuk worden uitgezonderd van toepassing. Omdat echter de artikelen 2.36, 2.40 en 2.41 van afdeling 2.3 Energieregeling pas op 1 juli 2026 in werking treden, blijven enkele voorwaarden in hoofdstuk 8 IcEG van toepassing tot 1 juli 2026. Dit alles is opgenomen in artikel 2.4, onderdeel d, van deze Invoeringsregeling. Zie tabel 18 voor een toelichting.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
8.1.1 8.1.2 8.1.2a |
Voorwaarde 8.1.2 en 8.1.2 zijn overbodig; dit is geregeld in artikel 2.40 Energieregeling. In de Energieregeling is ervoor gekozen om de beperking van voorwaarde 8.1.2a niet meer terug te laten komen. |
|
8.1.3 8.1.4 8.1.5 8.1.7 8.1.8 8.1.9 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. Dit is met name geregeld in artikel 2.37 Energieregeling (informatie DSB aan leverancier) en artikel 2.40 (facilitering door leverancier) |
|
8.1.6 8.2.1 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. Dit is geregeld in artikel 2.35 Energieregeling inzake het tarievenregister en artikel 2.39 Energieregeling inzake de specificatie van te factureren en te innen tarieven. |
|
8.3.1 t/m 8.3.6 |
Deze voorwaarden zijn overbodig. Dit is geregeld in artikel 2.42 Energieregeling inzake de administratie ten behoeve van facturering namens en afdracht aan de DSB. |
Hoofdstuk 10 van de IcEG bevat voorwaarden aangaande gedragscodes die DSB’s en leveranciers moeten opstellen ten aanzien van de omgang met meetgegevens uit op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij kleine aansluitingen. Deze voorwaarden worden van verdere toepassing uitgezonderd in artikel 2.4, onderdeel e, van deze Invoeringsregeling. Tabel 19 licht dit toe.
|
Voorwaarden |
Toelichting |
|---|---|
|
§10.2 §10.3 |
De voorwaarden in §10.2 en §10.3 zijn beoordeeld als overbodig gelet op de eerder beschreven veranderingen in de meettaak tussen DSB’s en leveranciers, alsmede de rechtstreekse werking van de Algemene verordening gegevensbescherming. De IcEG-voorwaarden verplichten de DSB’s en leveranciers om een gedragscode op te stellen ten aanzien van gebruik, vastleggen, uitwisselen en bewaren van gegevens afkomstig van op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij kleine aansluitingen. Deze gedragscodes dienen, in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming, te worden aangemeld bij het Autoriteit persoonsgegevens. Nu de Energiewet de meettaak voor de op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij de DSB’s legt (artikel 3.57) wordt de betrokkenheid van de leveranciers hierbij nihil; de plicht tot het opstellen van een gedragscode heeft daarmee geen toegevoegde waarde meer. Ook voor de DSB’s wordt de meerwaarde van een dergelijke verplichting als beperkt gezien. De door de DSB’s opgestelde ‘Gedragscode Slim Netbeheer’1 is namelijk direct gebaseerd op artikel 40 van de Algemene verordening gegevensbescherming en niet (meer) op de IcEG. |
Netbeheer Nederland, ‘Gedragscode Slim Netbeheer’, d.d. 3 januari 2022. Deze gedragscode is in april 2022 goedgekeurd door de Autoriteit Persoonsgegevens, zie Staatscourant 2022, nr. 11739.
Zoals genoemd is een belangrijk uitgangspunt in de Elektriciteitsrichtlijn (artikel 23) en de nieuwe Gasrichtlijn (artikel 22) dat eindafnemers toegang hebben tot hun eigen gegevens en deze desgewenst ook naar eigen keuze kunnen delen met een derde partij (‘elke in aanmerking komende partij’). Deze uitgangspunten zijn ook geïmplementeerd in de Energiewet, meer in het bijzonder via artikel 4.1, tweede lid, onderdeel b (inzage in eigen gegevens) en onderdeel c (delen op verzoek). In de artikelen 4.9 (derde lid), 4.10 (derde lid) en 4.11 (tweede lid) worden de verschillende registerbeheerders vervolgens verplicht de gegevens voor deze doelen te verstrekken. De Europese richtlijnen bevatten verschillende voorschriften om welke gegevens het hier dan tenminste gaat.
Op grond van de Elektriciteitsrichtlijn zijn er verschillende verplichtingen:
– Aan eindafnemers moet op verzoek en zonder extra kosten ‘gevalideerde gegevens over eerder verbruik’ ter beschikking worden gesteld (artikel 20, onderdeel a). Hetzelfde geldt voor niet-gevalideerde gegevens over ‘het verbruik in bijna-realtime’ (ook onderdeel a); in Nederland zijn dit gegevens per kwartier of korter.
– Aan eindafnemers moet op verzoek ‘gegevens betreffende de elektriciteit die in het net wordt ingevoed en de gegevens omtrent hun elektriciteitsverbruik’ ter beschikking worden gesteld (artikel 20, onderdeel e). Zij moeten in de gelegenheid worden gesteld deze ‘meetgegevens’ op te zoeken of zonder extra kosten door te sturen naar derden (artikel 20, laatste alinea).
– Artikel 23 spreekt in generieke zin over ‘meter- en verbruiksgegevens’ die onderdeel moeten zijn van het stelsel van toegang tot en uitwissing van gegevens. De onder artikel 24 Elektriciteitsrichtlijn opgestelde uitvoeringsverordening (EU) 2023/1162 heeft dit nader gedefinieerd als ‘de meterstanden van het elektriciteitsverbruik van het net, van elektriciteit die aan het net wordt geleverd, of van het verbruik van installaties voor opwekking ter plaatse die op het net zijn aangesloten, met inbegrip van gevalideerde historische gegevens en niet-gevalideerde bijna-realtimegegevens’.
De nieuwe Gasrichtlijn bevat min of meer dezelfde verplichtingen:
– Aan eindafnemers moet op verzoek en zonder extra kosten ‘gevalideerde historische verbruiksgegevens’, alsmede ‘niet-gevalideerde meest recent beschikbare verbruiksgegevens’. ter beschikking worden gesteld (artikel 19, onderdeel a).
– Aan eindafnemers moet op verzoek ‘gegevens omtrent hun aardgasverbruik’ ter beschikking worden gesteld (artikel 19, onderdeel d). Zij moeten in de gelegenheid worden gesteld deze ‘meetgegevens’ op te zoeken of zonder extra kosten door te sturen naar derden (artikel 19, laatste alinea).
– Artikel 22 spreekt in generieke zin over ‘meter- en verbruiksgegevens’, maar er is onder artikel 23 nog geen uitvoeringsverordening opgesteld die hier nader invulling aan geeft.
Onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet was de inzage in en het kunnen delen van de bovenstaande gegevens grotendeels reeds praktijk of een mogelijkheid, al was dit anders en minder gestandaardiseerd geregeld dan onder de Energiewet.
– Via de leverancier kregen eindafnemers informatie over hun verbruik van zowel elektriciteit als gas. Ingeval een aangeslotene/eindafnemer over een op afstand uitleesbare meetinrichting beschikte, werd deze informatie tenminste maandelijks verstrekt. Dit was geregeld in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht (de artikelen 6, 7 en 11).
– Via de leverancier ontvingen aangeslotenen/eindafnemers die over een op afstand uitleesbare meetinrichting beschikten, ook gegevens over het verbruik per dag, week, maand en jaar voor een periode van ten minste de voorgaande 24 maanden (of de periode dat het leveringscontract liep). Dit liep via het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie (artikel 12a).
– Door middel van het geven van een toestemming aan hun leverancier of een gekozen derde partij konden eindafnemers met een kleine aansluiting meetgegevens ontvangen die betrekking hadden op een kleiner tijdsbestek dan een dag, voor elektriciteit was dit een kwartier, voor gas een uur. Dit was geregeld in zowel de voormalige Elektriciteitswet 1998 (artikel 26ab, derde en vierde lid) als in de voormalige Gaswet (artikel 13b, derde en vierde lid).
– Voor eindafnemers met een grote aansluiting regelde het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht (artikel 13) dat de TSB of DSB (‘de netbeheerder’) meetgegevens verstrekte aan een door een eindafnemer aangewezen aanbieder van energiediensten.
– Voor aangeslotenen met een kleine aansluiting was via de technische eisen aan de op afstand uitleesbare meetinrichting ook geregeld dat zij ‘lokaal’ gegevens uit de meetinrichting konden uitlezen en desgewenst delen met een derde partij. In feite gaat het hierbij om niet-gevalideerde real-time meetgegevens. Dit was geregeld in de Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (artikel 4 voor elektriciteit en artikel 5 voor gas).
Het regime van de Energiewet behoudt al hetgeen reeds onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet gold en hierboven beschreven is, maar legt dit wel op een andere manier vast. De belangrijkste reden hiervoor is dat de Energiewet een andere, grotere rol voorziet voor de TSB’s, DSB’s en meetverantwoordelijke partijen vanuit hun wettelijke meettaken. Nu meer dan 90% van alle gas en elektriciteitsaansluitingen beschikt over een op afstand uitleesbare meetinrichting (die zij beheren), gaan zij ook een grotere rol spelen in de toegang tot en verstrekking van meetgegevens.
Delen van gegevens (artikel 4.1)
Artikel 4.1 legt vast dat gegevens die door een registerbeheerder worden geregistreerd, zo spoedig mogelijk beschikbaar moeten worden gesteld ter uitvoering van artikel 4.1, tweede lid, onderdelen b en c. Energiewet. In de Energiewet is hier geregeld dat een aangeslotene (of eindafnemer, actieve afnemer of invoeder) inzage kan krijgen in zijn eigen gegevens (onderdeel b) of deze gegevens desgewenst kan delen met een derde partij (onderdeel c). Dit geldt voor grote en kleine aansluitingen, zowel voor gas als elektriciteit. Op deze manier wordt concreet invulling gegeven aan de verplichtingen onder de nieuwe Gasrichtlijn (artikel 22) en Elektriciteitsrichtlijn (artikel 23, alsmede de uitvoeringsverordening (EU) 2023/116231 onder artikel 24).
Op grond van artikel 4.1 van deze Invoeringsregeling gaat het om gegevens waarvoor een registratieverplichting geldt op grond van de IcEG of op grond van deze Invoeringsregeling (‘de wet’). Vanuit de IcEG moet dan vooral gedacht worden aan gegevens vanuit het ‘aansluitingenregister’ (paragraaf 2.1 IcEG) en het ‘toegankelijk meetregister’ (paragraaf 2.6 IcEG). Voor gegevens waarvoor vanaf het moment van het inwerkingtreden van deze Invoeringsregeling een registratieverplichting geldt is de verplichting om gegevens te delen dus enkel van toepassing op gegevens die vanaf het moment van inwerkingtreding zijn geregistreerd. Dit is met name geval voor meetgegevens die de meetverantwoordelijke partijen registeren; onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet was dit nog niet expliciet vastgelegd. Zowel voor grote als voor kleine aansluitingen is in bijlage II bij deze Invoeringsregeling vastgelegd om welke gegevens het hier gaat. Naast meetgegevens zijn ook meer technische gegevens over de aansluiting en de meetinrichting te delen.
Hoewel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Energiewet veel voorbereidingen zijn gedaan, is na 1 januari 2026 voor de kleine aansluitingen nog sprake van een overgangsperiode. Het tweede lid van artikel 4.1 bepaalt daarom dat de verplichting om gegevens die op grond van de IcEG of de Energiewet worden geregistreerd beschikbaar te stellen, voor meetgegevens van kleine aansluitingen of allocatiepunten bij kleine aansluitingen geldt vanaf 1 mei 2026. Dit heeft met name te maken met de technische implementatie van het identificatieproces, zoals vereist in artikel 4.20 Energiewet en artikel 4.19 Energiebesluit. Voor deze identificatie zijn gegevens over de aangeslotene benodigd die pas vanaf 1 mei 2026 op structurele basis kunnen worden opgenomen in de betreffende registers. Zie de artikelen in paragraaf 4.2 van deze Invoeringsregeling.
De verstrekking van deze gegevens vanuit de registers vindt plaats op basis van de wettelijke verplichting in de Energiewet, namelijk de artikelen 4.9, derde lid (TSB’s en DSB’s), 4.10, derde lid (beheerders gesloten systemen) en 4.11, tweede lid (meetverantwoordelijke partijen). Deze verstrekkingen worden gedaan via de faciliteit van de GUE (zie bijvoorbeeld het vierde lid van 4.9 Energiewet) en met in achtneming van de procedures en voorwaarden zoals de GUE deze toepast (zie met name de artikelen 4.16 en 4.17 Energiewet). Het verstrekken vindt plaats op verzoek van de aangeslotene/eindafnemer en na identificatie, authenticatie en autorisatie door de GUE (zowel van de aangeslotene als de dienstverlenende partij); dit is geregeld in de artikelen 4.20 Energiewet en 4.19 Energiebesluit.
Overgangsregeling voor ‘oude’ identificaties (P4- en ODA-mandaten; artikel 4.2)
Artikel 26ab van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b van de voormalige Gaswet regelden de verzameling van meetgegevens door de DSB’s bij kleine aansluitingen, dus via de op afstand uitleesbare meetinrichtingen. Deze meetgegevensverzameling zag dan op specifieke wettelijke taken van de leverancier. Specifiek voor de toegang tot meetgegevens die betrekking hebben op een kleiner tijdsbestek dan een dag (in de praktijk kwartier- en uurwaarden) was voorgeschreven dat de leverancier (derde lid) of ‘een derde’ (vierde lid) enkel toegang tot deze gegevens kreeg indien deze de meetgegevens op basis van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) mocht verwerken. In de AVG gaat het hier om toestemming van de betrokkene voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden. Onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet wordt hier door miljoenen aangeslotenen/eindafnemers met een kleine aansluiting gebruik van gemaakt, met name om gegevens over het verbruik of invoeding (per kwartier, uur, dag, week, etc.) op de eigen smartphone of computer te kunnen inzien. Deze diensten worden zowel aangeboden door leveranciers, als door de genoemde derde partijen; deze derde partijen staan bekend als ‘onafhankelijke dienstaanbieders’ (hierna: ODA’s). Verder worden de meetgegevens (op basis van toestemming zoals bedoeld in het voormalige artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en het voormalige artikel 13b Gaswet) ook gebruikt voor het afrekenen van geleverde diensten op basis van flexibele prijscontracten. Onder de Energiewet wordt het voor grotere leveranciers van elektriciteit ook verplicht om deze diensten aan te bieden (zie artikel 2.9 Energiewet).
De genoemde artikelen van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet vervallen met de inwerkingtreding van de Energiewet. De Energiewet regelt een dergelijke vorm van gegevens delen ook, maar (i) koppelt dit niet meer aan een toestemming in de zin van de AVG en (ii) legt meer nadruk op de zorgvuldige identificatie van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die, bijvoorbeeld in zijn rol als aangeslotene, toegang tot zijn gegevens wil. Dit is ook in lijn met de nieuwe Gasrichtlijn (artikel 22) en Elektriciteitsrichtlijn (artikel 23, alsmede de uitvoeringsverordening (EU) 2023/116232 onder artikel 24). Los hiervan kan een betrokkene in de zin van de AVG ook op grond van artikel 15 AVG inzage verkrijgen, daar doet de Energiewet niets aan af. Op grond van artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel b, Energiewet moet bij het delen van gegevens de identiteit van de aangeslotene worden vastgesteld. In beginsel geschiedt die vaststelling op grond van artikel 4.19, eerste lid, Energiebesluit met een daarin genoemd (eIDAS) identificatiemiddel. Op grond van het tweede lid kan bij ministeriële regeling echter een uitzondering worden gemaakt op die regel.
Van die uitzondering is in artikel 4.2 van deze Invoeringsregeling gebruik gemaakt door dienstverleners tijdelijk de gelegenheid te bieden nog gebruik te maken van de oude manier van gegevensdelen (onder artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b Gaswet); dit geeft hen de kans om zo hun huidige klanten in de overgangsperiode te gaan identificeren overeenkomstig de manier die de Energiewet nu voorschrijft. De Invoeringsregeling regelt hiervoor twee zaken.
Ten eerste linkt de Invoeringsregeling in het eerste lid van artikel 4.2 expliciet naar de gegevensprocedure zoals deze voor 1 januari 2026 bestond op basis van het voormalige artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en het voormalige artikel 13b Gaswet. Vervolgens is in artikel 4.2, tweede lid bepaald dat verstrekking door de DSB nog tot 31 december 2028 plaats kan vinden op basis van de genoemde toestemming in de zin van de AVG. Deze toestemming moet dan wel verstrekt zijn voor 1 januari 2028, zodat partijen nadien nog een jaar hebben voor de definitieve uitfasering. Dat geldt zowel voor de leverancier of marktdeelnemer die aggregeert (artikel 4.2, tweede lid. onderdeel a) als voor de derde partij/ODA (artikel 4.2, tweede lid, onderdeel b). Het gaat hier om meetgegevens per allocatiepunt, daar een meetinrichting geplaatst is op of nabij het overdrachtspunt (dit is het primaire allocatiepunt) en eventueel ook op een additioneel allocatiepunt. Op deze manier kunnen zowel leveranciers als ODA’s nog enige tijd kwartier- en uurwaarden van hun klanten verstrekt krijgen op de manier zoals dit onder de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet mogelijk was, zodat hun klanten in deze periode ook verzekerd kunnen blijven van de continuering van de eerder afgesproken dienstverlening (met name voor inzichtdiensten en flexibele prijscontracten).
Ten tweede regelt artikel 4.2, derde en vierde lid, dat de identiteit door de GUE, overeenkomstig het vereiste op grond van artikel 4.20 Energiewet en artikel 4.19 Energiebesluit, wordt vastgesteld op basis van de informatie die de leverancier of ODA bij het verzoek om meetgegevens aanlevert. Een dergelijk verzoek mag slechts gedaan worden nadat de leverancier of ODA de eigenlijke verzoeker heeft geïdentificeerd en geauthentiseerd. Op deze manier wordt de systematiek onder het voormalige artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en het voormalige artikel 13b Gaswet (gebaseerd op een toestemming in de zin van de AVG) gekoppeld aan de nieuwe systematiek zoals de Energiewet die voorschrijft. Het zwaartepunt in dit identificatieproces ligt in deze overgangsfase dan wel tijdelijk bij de leverancier en de ODA in plaats van bij de GUE. Immers, om op rechtmatige wijze meetgegevens te verwerken op basis van een toestemming in de zin van de AVG zal een leverancier of ODA zijn klant op enige manier geïdentificeerd moeten hebben als betrokkene bij de desbetreffende persoonsgegevens.
Gelijksoortige verstrekkingen voor grote aansluitingen vinden plaats op grond van artikel 13 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Dat artikel blijft van kracht op grond van artikel 7.53, eerste lid, van de wet. Daarom is voor grote aansluitingen, anders dan hetgeen bepaald is in artikel 4.2 van deze Invoeringsregeling, geen aparte bepaling opgenomen in deze regeling.
Inzet GUE-faciliteit (artikel 4.3)
Artikel 4.3 bevat enkele voorschriften om de relatie tussen enerzijds de IcEG en de meetcodes en anderzijds de Energiewet te verduidelijken.
Op grond van de IcEG worden reeds verschillende registers beheerd, waaronder de aansluitingenregisters (§2.1 en §2.13 IcEG), het contracteindegegevensregister (§2.5 IcEG), het toegankelijk meetregister (§2.6 IcEG). Het eerste lid van artikel 4.3 verduidelijkt dat de beheerders van deze registers beschouwd dienden te worden als een registerbeheerder als bedoeld in de Energiewet. Daarmee is bijvoorbeeld duidelijk dat op grond van artikel 4.5 regels kunnen worden gesteld over het aanleveren van gegevens door leveranciers aan partijen die op grond van de IcEG gegevens registreren.
Op grond van de Energiewet vindt het aanleveren en verstrekken van gegevens plaats via de faciliteit van de GUE. Dat regelt de Energiewet voor het aanleveren van gegevens in artikel 4.8, achtste lid, en voor het verstrekken van gegevens in de artikelen 4.9, vierde lid (TSB’s en DSB’s), 4.10, vierde lid (beheerders gesloten systemen) en 4.11, derde lid (meetverantwoordelijke partijen). Met het tweede lid van artikel 4.3 van deze Invoeringsregeling wordt verduidelijkt en geborgd dat die verplichting ook geldt voor gegevens die tijdens de overgangsperiode worden verstrekt op grond van de IcEG en de gegevens die op grond van de verschillende meetcodes worden aangeleverd of verstrekt. Ook verzoeken om het verstrekken van gegevens dienen via de GUE-faciliteit te verlopen (derde lid).
In deze context geldt op grond van artikel 4.16 Energiewet dat de GUE de wettelijke taak heeft een of meerdere faciliteiten aan te bieden voor de toegang tot en de uitwisseling van gegevens, met toepassing van een elektronisch communicatiesysteem of een op basis van de afspraken, bedoeld in artikel 4.25 Energiewet, gekozen systeem. In de memorie van toelichting33 bij het wetsvoorstel van de Energiewet is hieromtrent aangegeven dat voor de elektronische communicatie gedacht is aan de verschillende systemen die reeds bestaan, zoals het ‘elektronische berichtenverkeer’ in de IcEG. Daarnaast kan de uitwisseling van gegevens ook plaatsvinden via een set aan afspraken, vastgesteld door de GUE. De memorie zegt hierover het volgende: ‘Omdat het niet altijd noodzakelijk zal zijn dat de gegevensuitwisseling via de eigen technische faciliteiten van de GUE lopen, kan ook volstaan worden met een set aan afspraken. Deze afspraken kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de directe (elektronische) uitwisseling tussen betrokken partijen. Gestandaardiseerde ontsluiting kan in sommige situaties ook onlogisch zijn, bijvoorbeeld bij individuele en/of eenmalige verzoeken aan de partij die de gegevens verzamelt of de registerbeheerder. De set aan afspraken kan dan bepalen op welke wijze hieraan tegemoet wordt gekomen, bijvoorbeeld door directe, eventueel niet-elektronische, afhandeling door de verzamelde partij of registerbeheerder’.
Artikel 4.8 Energiewet bepaalt dat verschillende partijen gegevens moeten doorgeven aan een registerbeheerder, in de meeste gevallen de TSB of DSB. Het gaat hier met name om meldingen van marktpartijen dat zij vanaf een bepaalde datum ‘actief’ worden op een allocatiepunt, waarna zij voor de desbetreffende contractperiode vanuit de registers ook (meet)gegevens verstrekt krijgen die bij de uitvoering van hun wettelijke taken horen. Specifiek voor de leverancier bepaalt artikel 4.8 Energiewet dat gegevens over de eindafnemer alsmede de aangeslotene (in het licht van het leveranciersmodel, zie artikel 2.28 Energiewet) moeten worden aangeleverd.
Onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet was het ook de leverancier die over deze gegevens over de aangeslotene/eindafnemer beschikte, maar nieuw in de Energiewet is dat de leverancier meer gegevens structureel aan de DSB moet aanleveren in plaats van op verzoek. Omdat de IcEG hier nog niet goed in voorziet bevat deze onderhavige regeling een aantal aanvullingen op voorwaarden 2.1.3 e.v. in de IcEG, die gaan over het aansluitingenregister.
Vaste momenten aanlevering gegevens aangeslotenen met kleine aansluiting (artikel 4.4)
Artikel 4.4 van deze Invoeringsregeling schrijft voor dat een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting op drie vaste momenten gegevens over de aangeslotene moet verstrekken aan de systeembeheerder van het systeem waarop de aansluiting zich bevindt.
Het eerste lid is beperkt tot de leveranciers die actief zijn op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting waarop nog een conventionele meetinrichting zit. Deze gegevens zijn nodig met het oog op het toezicht dat de RDI houdt op de uitfasering van de Ferrarismeter (zie toelichting op artikel 5.1 van deze Invoeringsregeling). Het gaat om bulkdata, waarbij de leverancier een moment in januari en een moment in april 2026 moet kiezen waarop deze worden verstrekt. Het tweede lid ziet vervolgens op alle leveranciers die actief zijn op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting. Met de plicht om alle gegevens aan te leveren waar hij over beschikt, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van deze Invoeringsregeling wordt aangesloten bij de plicht die gaat gelden vanaf 1 mei 2026 om bepaalde gegevens structureel op te vragen bij de aangeslotene.
Structureel aanleveren gegevens voor aansluitingenregister (artikel 4.5)
Artikel 4.5 van deze Invoeringsregeling regelt vervolgens de structurele aanlevering van gegevens over de aangeslotene door de leverancier aan de systeembeheerder van het systeem waarop de aansluiting zich bevindt (hierna: DSB). De gegevens in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, moeten door de leverancier onder de Energiewet standaard worden opgevraagd bij de aangeslotene en (indien verkregen) worden aangeleverd aan de DSB. Het telefoonnummer, het e-mailadres en het type aansluiting (onderdelen a, b en c van het eerste lid) van de aangeslotene zijn nieuwe gegevens die voortaan verplicht moeten worden opgevraagd en aangeleverd. Voor de gegevens, bedoeld in onderdeel d, geldt dat zij onder de IcEG al moesten worden aangeleverd, voor zover de leverancier daarover beschikte. Nieuw is de plicht dat deze gegevens in ieder geval door de leverancier moeten worden opgevraagd bij de aangeslotene. Vervolgens is het enkel verplicht om deze gegevens aan de DSB aan te leveren voor zover van dat van toepassing is. Zo noemt het eerste lid het correspondentieadres, maar daar zal niet altijd sprake van zijn omdat het adres van de aansluiting in de meeste gevallen ook het adres is waarmee gecorrespondeerd wordt. Verder geldt dat de geboortedatum of een KvK-nummer niet altijd (kunnen) worden verstrekt door een aangeslotene. Bijvoorbeeld omdat noch sprake is van een geboortedatum, noch van een KvK-nummer. Hier is rekening mee gehouden door het opnemen van de zinssnede ‘voor zover van toepassing’ in het tweede lid. Het ‘type aangeslotene’ hoefde onder de IcEG nog niet te worden aangeleverd aan de DSB en komt voort uit nieuwe verplichtingen onder de Energiewet (artikel 2.6 Energiewet).
Met dit artikel wordt beoogd stapsgewijs het register van de DSB aan te vullen, zodat deze gegevens ook gebruikt kunnen worden voor andere toepassingen die van belang zijn voor een goede werking van het energiesysteem. Deze gegevens zullen na de inwerkingtreding van de Energiewet met name worden gebruikt (i) voor de gegevensverstrekking aan de RDI en (ii) de identificatieprocedure voor toegang tot gegevens.
De Energiewet verplicht verschillende partijen om gegevens ook op te nemen in hun register; zie de artikelen 4.5 tot en met 4.7 Energiewet. Hoewel de meetcodes en de IcEG voor een groot deel reeds voorzien in voorwaarden hieromtrent, legt paragraaf 4.3 toch nadere regels vast omtrent het registeren van verzamelde meetgegevens, de registratie van bewerkte meetgegevens en bewaartermijnen.
Het registeren van verzamelde meetgegevens (de artikelen 4.6 en 4.7)
De artikelen 4.6 en 4.7 van deze Invoeringsregeling regelen in meer detail om welke gegevens het gaat. Het gaat telkens om de partijen die op grond van de wet verantwoordelijk zijn voor het verzamelen en valideren van meetgegevens en het opnemen van gegevens in een register:
– De DSB’s zijn op grond van artikel 3.57 Energiewet verantwoordelijk voor het verzamelen van meetgegevens bij kleine aansluitingen;
– De TSB voor gas is op grond van artikel 3.59 Energiewet verantwoordelijk voor het verzamelen van meetgegevens van aansluitingen op zijn systeem voor zover het gaat om onttrekkingen.
– De beheerders van een gesloten systeem zijn op grond van artikel 3.104 Energiewet verantwoordelijk voor de gegevensverzameling bij (eventuele) kleine aansluitingen op hun systeem;
– Meetverantwoordelijke partijen zijn op grond van artikel 2.46, eerste lid, onderdeel d, Energiewet verantwoordelijk voor het verzamelen van meetgegevens bij grote aansluitingen, met uitzondering van aansluitingen op het transmissiesysteem voor gas.
Andere partijen hebben weliswaar een meettaak, maar hoeven geen eigen register bij te houden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor aangeslotenen die zelf meten (artikel 2.55 Energiewet). Ook leveranciers zijn op grond van artikel 2.54 Energiewet verantwoordelijk voor het verzamelen van meetgegevens bij kleine aansluitingen indien deze aansluiting beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld. Zij leveren de verzamelde gegevens op grond van artikel 4.8 Energiewet aan bij de registerbeheerder (i.c. de DSB) en die partij registreert de gegevens.
Hoewel deze taken in essentie niet veel afwijken van hetgeen reeds voorgeschreven was onder het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet, is er voor gekozen dit in artikel 4.6 en 4.7 van de onderhavige regeling toch expliciet vast te leggen, dit mede gelet op de ‘omkering van de meetketen’ zoals besproken in paragraaf 2.3 van deze toelichting. De verplichting om gegevens te registreren, en om deze vervolgens op grond van artikel 4.1 van deze regeling op verzoek via de GUE te verstrekken, geldt slechts voor zover op grond van de wet, deze regeling of op grond van de IcEG een verplichting geldt om de gegevens te verzamelen. De meetfrequenties en de intervallen van de beschikbare gegevens worden dus niet met deze regeling bepaald. In dit artikel is verder bepaald welke set met gegevens over een meterstand worden geregistreerd. De gegevens voor grote aansluitingen is vergelijkbaar met die voor kleine aansluitingen, met dien verstande dat voor grote aansluitingen geen meterstanden maar volumes worden gemeten. Om verwarring te voorkomen is in artikel 2.5 eerste lid onderdeel d ook vastgelegd dat de voorwaarden in paragraaf 2.6 ‘toegankelijk meetregister’ van de IcEG gelezen moet worden in de context van dit artikel 4.6 Invoeringsregeling.
De registratie van bewerkte meetgegevens (artikel 4.8)
Meterstanden die op grond van artikel 4.6 en 4.7 van deze regeling worden geregistreerd, worden in veel gevallen bewerkt tot volumes. De verplichting om die berekeningen uit te voeren is geregeld in artikelen 3.17 en 3.18 van de Energieregeling. Een deel van de gegevens die op basis van die bewerking tot stand komen, wordt separaat geregistreerd omdat die gegevens op meerdere momenten opnieuw moeten worden gebruikt. Op grond van artikel 4.8 van deze Invoeringsregeling registreert de DSB deze bewerkte gegevens in een register. De dataset bevat tevens de parameters die zijn gebruikt om de berekening te maken.
Bewaartermijnen meterstanden en bewerkingen daarvan (artikel 4.9 en 4.10)
Hoewel de (meet-) codes en de IcEG voorzien in allerlei bewaartermijnen, is gebleken dat deze niet altijd geheel voldoen, nu via deze regeling aanvullende regels worden gesteld. Daarom bevat de Invoeringsregeling nadere regels over deze bewaartermijnen, dit in aanvulling op hetgeen reeds is opgenomen in de (meet-) codes en de IcEG. Indien de reeds bestaande bewaartermijnen langer zijn dan de aanvullende regels, dan gelden de langere bewaartermijnen (zie derde lid in artikel 4.9 en 4.10).
Artikel 4.9 van de regeling legt (extra) bewaartermijn vast voor de meterstanden die op grond van artikel 4.6 voor kleine aansluitingen worden geregistreerd. Voor kleine aansluitingen voor elektriciteit worden nu ook meterstanden per kwartier gemeten en aangeleverd; daarom bevat het register die gegevens. Op grond van het eerste lid geldt voor deze meetgegevens over kleine aansluitingen voor elektriciteit de hoofdregel dat deze geregistreerde meterstanden met een frequentie van een kwartier worden bewaard voor tien dagen. Deze tien dagen zijn nodig voor het bepalen van de energievolumes ten behoeve van het allocatieproces (zie ook artikel 3.49 Energiewet en artikel 3.17 Energieregeling). Na tien dagen worden deze gegevens verwijderd, tenzij de uitzondering van het twee lid geldt. Na tien dagen worden dan nog slechts dagwaarden bewaard, die op grond van artikel 2.14 nog voor een periode van twee jaar beschikbaar moeten zijn voor de eindafnemer; na twee jaar kunnen ook deze gegevens worden verwijderd.
Het tweede lid bevat een uitzondering op deze beschreven hoofdregel. Wanneer de aangeslotene namelijk heeft verzocht om gegevens langer te bewaren, mag van deze termijnen worden afgeweken. Voorwaarde is dat dat verzoek door de is aangeslotene via de GUE is gedaan. Vanaf het moment van dit verzoek worden de desbetreffende meterstanden dus langer bewaard. Dit vormt dan op termijn ook het alternatief voor de bij artikel 4.2 beschreven toestemmingen op grond van artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en 13b Gaswet.
Voor gas worden niet standaard meetgegevens geregistreerd. Deze gegevens worden slechts gemeten en aangeleverd (en daarmee ook geregistreerd op grond van artikel 4.6 van deze regeling) voor zover de aangeslotene daarom heeft verzocht. Voor deze gegevens geldt dat deze twee jaar worden bewaard (lid 3).
Deze bewaartermijnen gelden voor de verplichtingen op grond van de Energiewet. Wanneer op grond van bijvoorbeeld fiscale wetgeving langere bewaartermijnen van toepassing zijn staat deze regeling daaraan niet in de weg. Dat komt tot uitdrukking doordat in de tekst is bepaald dat de bewaartermijn geldt ‘voor de uitvoering van de wet’, waarbij de wet de Energiewet is.
Op grond van artikel 4.10 Invoeringsregeling worden geregistreerde meetgegevens die zien op grote aansluitingen en verdere bewerkingen van die gegevens bewaard voor een termijn van ten hoogste drie jaar. Ook voor deze gegevens geldt dat slechts uitgelezen meetgegevens worden geregistreerd. De regels met betrekking tot meten bepalen dus de frequentie van de in het register beschikbare gegevens.
In paragraaf 2.3 van deze toelichting is uitgebreid gesproken over de ‘omkering van de meetketen’. Daar de rol van de DSB in dit kader is gewijzigd, bevat artikel 4.11 van de regeling een verplichting aan de DSB om meterstanden en volumes te verstrekken ten behoeve van de facturering. De IcEG voorzag hier niet voldoende in. Het gaat hier om de verstrekking van meterstanden die betrekking hebben op hele dagen; dat is tot uitdrukking gebracht met de formulering ‘... op het tijdstip 0.00 uur’. Voor meterstanden die zien op een kortere periode zoals een kwartier of uur geldt dit artikel niet. Dit heeft er met name mee te maken dat in de huidige onderliggende processen voor meetgegevensverzameling voor kwartieren (elektriciteit) of uren (gas) zoals beschreven bij artikel 4.2 Invoeringsregeling, nog geen onderscheid gemaakt kan worden naar het doel hiervan. Dit wordt op termijn structureel opgelost in de aparte ministeriële regelingen voor metingen en/of gegevensbeheer.
Paragraaf 4.5 bevat ten slotte enkele nadere regels over de taakuitvoering van de GUE, een partij die met de inwerkingtreding van de Energiewet voor het eerst specifieke wettelijke taken gaat uitvoeren conform artikel 4.15 tot en met 4.25 Energiewet. Deze artikelen verplichten de GUE onder meer om het uitwisselen van gegevens te faciliteren en daarvoor een of meerdere faciliteiten aan voor de toegang tot en de uitwisseling van gegevens aan te bieden. Daarbij hanteert de GUE op grond van artikel 4.17 van de wet procedures en voorwaarden die tot stand komen met inachtneming van afspraken die daarover door de GUE worden gemaakt met de betrokken partijen. De GUE is dus verantwoordelijk voor de procedures en voorwaarden, ook als belanghebbende partijen niet tot afspraken kunnen komen of wanneer het uitvoeren van de afspraken volgens de GUE onwenselijk is gelet op haar wettelijke verantwoordelijkheid.
Op grond van artikel 4.17, tweede lid van de wet, zijn partijen al gehouden om deze procedures in te richten met inachtneming van de Europese interoperabiliteitsvoorschriften die worden vastgesteld op grond van artikel 24 van de Elektriciteitsrichtlijn.
In aanvulling op deze artikelen bepaalt artikel 4.12 Invoeringsregeling van welke informatie een gebruiker van de GUE-faciliteit moet worden voorzien bij het delen van gegevens. Dit artikel schrijft onder meer voor dat aan de gebruiker moet worden getoond welke gegevens worden verstrekt en aan welke partij. Hierbij is gedacht aan phising-berichten waarin een malafide partij zich bijvoorbeeld voordoet als leverancier, ODA of prijsvergelijker en dan de (onbedoelde) ontvanger van de gegevens zou worden. De getoonde informatie maakt het voor gebruikers mogelijk om een oordeel te vormen over de verstrekking en om de handeling eventueel af te breken.
De Energiewet schrijft voor dat, behoudens enkele uitzonderingen, elke aangeslotene op of nabij het overdrachtspunt beschikt over een geïnstalleerde meetinrichting die voldoet aan de gestelde eisen en functionaliteiten (zie artikel 2.46 Energiewet, met name het eerste en derde lid). Op grond van artikel 7.52 en 7.53 Energiewet geldt hiervoor bij de inwerkingtreding van de Energiewet een overgangsregime waarbij tijdelijk geleund kan worden op regels voor meetinrichtingen en metingen, zoals deze zijn vastgesteld onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998. In paragraaf 2.3 van deze toelichting is uitgebreid toegelicht dat het hier gaat om artikelen en voorwaarden uit het BOAUM en de verschillende meetcodes.34
De aan de meetinrichtingen gestelde eisen vormen voor een belangrijk deel de (her)implementatie van Europese richtlijnen. Dat waren vanaf 2009 eerst de oude Elektriciteitsrichtlijn (2009/72) en de oude Gasrichtlijn (2009/73), maar deze voorschriften zijn nadien ook in herziene vorm overgenomen in de nieuwe richtlijnen, namelijk de Elektriciteitsrichtlijn en de nieuwe Gasrichtlijn. Omdat niet alle meetinrichtingen onder regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 voldoen aan de Elektriciteitsrichtlijn, regelt de onderhavige regeling dat enkele voorwaarden uit de Meetcode elektriciteit van verdere toepassing worden uitgezonderd en er nadere regels gelden voor meetinrichtingen op kleine elektriciteitsaansluitingen. Zie verder paragraaf 2.5.2 van deze toelichting.
Daarnaast bevat deze Invoeringsregeling nadere regels voor de DSB’s over het bewaren en verstrekken van specifieke gegevens aan toezichthouder RDI op grond van artikel 3.53 Energiewet en artikel 5.7 Energiebesluit. Dit ziet op situaties waarin de DSB, in het geval van de kleine aansluitingen, de verplichting heeft om geschikte meetinrichtingen aan aangeslotenen ter beschikking te stellen, deze te installeren en te beheren (artikel 3.51 en 3.53 Energiewet). Een aangeslotene is op grond van artikel 2.47 Energiewet verplicht zijn medewerking te verlenen aan de DSB voor de uitvoering van deze taken in artikel 3.51 en 3.53. Indien een aangeslotene deze voorschriften overtreedt dan kan de RDI als toezichthouder handhavend optreden, bijvoorbeeld via een last onder dwangsom (zie artikel 5.19 lid 2 Energiewet). De DSB dient daarvoor op grond van artikel 3.53 Energiewet en artikel 5.7 Energiebesluit ook gegevens aan de RDI te zenden. Zie verder paragraaf 2.5.3 van deze toelichting.
(Her)implementatie Elektriciteitsrichtlijn; meten van onttrekking en invoeding
Vanaf 2009 hebben de oude Elektriciteitsrichtlijn (2009/72) en oude Gasrichtlijn (2009/73) ingezet op de brede beschikbaarheid en inzet van zogeheten ‘slimme-metersystemen’. Dit ten behoeve van de ondersteuning van de actieve participatie van de consumenten aan de markt voor levering van elektriciteit dan wel voor de levering van gas. Afhankelijk van de uitkomsten van een kosten-batenanalyse vereiste de oude Elektriciteitsrichtlijn (2009/72) bijvoorbeeld dat in 2020 minstens 80% van de aansluitingen (‘consumenten’) voorzien was van een dergelijk meetinrichting. Na enkele jaren voorbereiding is in Nederland vanaf 2015 voor de kleine aansluitingen gestart met de grootschalige uitrol door de DSB’s van deze ‘slimme-metersystemen’, zowel voor gas als elektriciteit. Parallel hieraan werd ook voor de grote gas- en elektriciteitsaansluitingen de op afstand uitleesbare meetinrichting35 meer en meer de standaard. De Elektriciteitsrichtlijn en de nieuwe Gasrichtlijn hebben de lijn naar deze brede beschikbaarheid en inzet van de ‘slimme-metersystemen’ voortgezet. Voor Nederland geldt op grond van de Elektriciteitsrichtlijn (bijlage II) dat uiterlijk in 2024 minstens 80% van alle eindafnemers voorzien diende te zijn van een ‘slimme meter’ voor elektriciteit. En ook de nieuwe Gasrichtlijn vereist de uitrusting met ‘slimme meters’ van minstens 80% van alle eindafnemers.36
De Elektriciteitsrichtlijn en nieuwe Gasrichtlijn bevatten, net als de oude Elektriciteitsrichtlijn (2009/72) en oude Gasrichtlijn (2009/73), allerlei voorschriften waar meetinrichtingen en metingen aan dienen te voldoen. In de context van deze Invoeringsregeling zijn met name de voorschriften in de Elektriciteitsrichtlijn van belang. Tabel 20 zet deze vereisten op een rij, waarbij relevant is dat de Elektriciteitsrichtlijn zowel eisen stelt aan de ‘slimme-metersystemen’ (artikel 19 en 20) en ‘conventionele meters’ (artikel 22) zelf, als meer randvoorwaardelijke eisen bevat die moeten waarborgen dat aangeslotenen/eindafnemers actief op de elektriciteitsmarkt kunnen participeren.
|
Artikel |
Toelichting |
|---|---|
|
Eisen aan meetinrichtingen |
|
|
19 en 20 |
Artikel 19 ziet op de inzet van ‘slimme-metersystemen’ en vereist van lidstaten dat slimme-metersystemen worden ingevoerd die de actieve deelname van de afnemers aan de elektriciteitsmarkt ondersteunen (lid 2). Deze meetinrichtingen dienen te voldoen aan de minimale functionele en technische eisen, zoals met name opgenomen in artikel 20. Zo dienen de meetinrichtingen bijvoorbeeld het feitelijke elektriciteitsverbruik nauwkeurig te meten en in staat te zijn de eindafnemers informatie over het werkelijke tijdstip van het verbruik te verschaffen; voor niet-gevalideerde verbruiksgegevens gaat het om bijna-realtime gegevens (in Nederland is dat overeenkomstig de onbalansverrekenperiode maximaal per 15 minuten). Verder dient de meetinrichting rekening te kunnen houden met de elektriciteit die aan het net wordt geleverd vanaf het terrein van de actieve afnemer (sub d). In aanvulling hierop dienen ook gegevens betreffende de elektriciteit die in het net werd ingevoed en de gegevens omtrent het elektriciteitsverbruik ter beschikking te worden gesteld aan de eindafnemer (sub e) en moeten de meetinrichtingen het mogelijk maken dat eindafnemers kunnen afrekenen per onbalansperiode (sub g; in Nederland is dat 15 minuten). |
|
22 |
Artikel 22 ziet op de ‘conventionele meter’, wat in de Elektriciteitsrichtlijn gedefinieerd is als een analoge meter of een elektronische meter zonder capaciteit om gegevens zowel te verzenden als te ontvangen. Artikel 22 vereist dat deze meetinrichtingen het feitelijk verbruik nauwkeurig meten en dat eindafnemers hun conventionele meter gemakkelijk kunnen aflezen, ofwel rechtstreeks op de meter ofwel indirect via een (online) interface. |
|
Overige randvoorwaardelijke eisen |
|
|
18 |
Artikel 18 eist van lidstaten dat facturen en factureringsinformatie aan de vastgestelde minimumvereisten voldoen zoals opgenomen in bijlage I. Deze bijlage vereist onder andere dat: de eindafnemer op zijn factuur geattendeerd wordt op zijn elektriciteitsverbruik in de factureringsperiode (onderdeel 1.2); facturering minimaal eenmaal per jaar plaats vindt op basis van daadwerkelijk verbruik (onderdeel 2 sub a); indien de meter niet op afstand uitgelezen kan worden, wordt eenmaal per zes maanden nauwkeurige factureringsinformatie beschikbaar gesteld op basis van het daadwerkelijke verbruik (onderdeel 2 sub b). |
|
3, 4, 13 en 15 |
De Elektriciteitsrichtlijn benadrukt het belang dat eindafnemers zonder allerlei belemmeringen actief kunnen worden op de elektriciteitsmarkt. Zo vereist artikel 15 onder andere van lidstaten dat ervoor gezorgd wordt dat eindafnemers het recht hebben om op te treden als actieve afnemers zonder te worden onderworpen aan bijvoorbeeld onevenredige of discriminerende technische vereisten, administratieve voorschriften, procedures en vergoedingen (lid 1). Deze actieve afnemers moeten ook het recht hebben door henzelf opgewekte elektriciteit te verkopen of te kunnen aggregeren (lid 2). Deze aggregatie is geregeld in artikel 13, wat onder andere vereist dat de afnemer moet kunnen vragen om gegevens over geleverde en verkochte elektriciteit. Artikel 3 vereist ook dat lidstaten ervoor zorgen dat onder andere hun nationale recht geen onnodige belemmering vormt voor deelname van de consument (lid 1) en er geen onnodige belemmeringen bestaan voor de toetreding tot, de werking van en het verlaten van de markt (lid 3). Verder vereist artikel 4 dat de lidstaten zien erop toezien dat, onder voorwaarde dat de vereiste aansluit- en meetpunten zijn aangelegd, (1) de afnemers vrij zijn om elektriciteit te kopen bij de leverancier van hun keuze en (2) dat alle afnemers vrij zijn om op hetzelfde moment over meer dan één elektriciteitsleveringscontract te beschikken. |
Vanuit de bovenstaande vereisten (met name de artikelen 20 en 22) komt duidelijk naar voren dat meetinrichtingen minimaal in staat moeten zijn om het feitelijke verbruik (i.c. onttrekking van het systeem) nauwkeuring te kunnen meten. Op basis van deze metingen kan de aangeslotene dan zijn facturen en factureringsinformatie over zijn elektriciteitsverbruik ontvangen (artikel 18). Daarnaast komt duidelijk naar voren dat lidstaten moeten zorgen dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn voor aangeslotenen om actief te worden op de elektriciteitsmarkt, bijvoorbeeld voor de verkoop van zelf opgewekte elektriciteit of de keuze om twee of meer dienstverleners te contracteren (bijvoorbeeld levering en invoeding apart gecontracteerd). Gelet hierop kan geconstateerd worden dat verreweg het grootste deel van de meetinrichtingen bij de grote en kleine elektriciteitsaansluitingen hieraan voldoet, maar niet allemaal.
Voor de grote aansluitingen geldt op basis van de Meetcode elektriciteit dat de ‘telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen’ zowel de onttrekking aan als de invoeding op het systeem apart registreren per meetperiode van een kwartier.37 Ook de ‘profielgrootverbruikmeetinrichtingen’ registeren zowel de onttrekking aan als de invoeding op het systeem apart, maar met een langere meetperiode.38 Deze profielmetingen worden komende jaren uitgefaseerd, die eerste groep per 31 december 2025 (zie artikel 7.23 en 7.24 Energiewet).
Voor de kleine aansluiting geldt reeds sinds 2012 op grond van het BOAUM dat alle op afstand uitleesbare meetinrichtingen zowel de onttrekking aan als de invoeding op het systeem apart registreren per meetperiode van een kwartier.39 Deze eisen blijven op grond van het overgangsrecht in artikel 7.52 Energiewet geldig. Voor wat betreft de meetinrichtingen bij kleine aansluitingen die niet op afstand uitleesbaar zijn, geldt dat de Meetcode elektriciteit hiervoor voorwaarden bevat. Reeds sinds 2016 is vereist dat bij deze meetinrichtingen zowel de onttrekking aan als de invoeding op het systeem apart worden geregistreerd.40 De Meetcode elektriciteit stond bij inwerkingtreding per 12 mei 2016 als uitzondering op deze hoofdregel toe dat bepaalde type meetinrichtingen die op dat moment niet aan deze eisen voldeden, nog gebruikt mochten worden tot het moment van vervanging door de DSB. Het gaat dan om Ferrarismeters (met of zonder terugloopblokkering) en om elektronische éénrichtingmeters.41
Verplicht apart registreren onttrekking en invoeding
In de Invoeringsregeling is er nu voor gekozen om de hoofdregel die sinds 2012 (voor op afstand uitleesbare meetinrichtingen) en sinds 2016 (voor niet op afstand uitleesbare meetinrichtingen) geldt toe te passen op alle meetinrichtingen bij elektriciteitsaansluitingen. Hiermee wordt de groep die reeds sinds mei 2016 als uitzondering op de Meetcode elektriciteit bestaat, definitief uitgefaseerd.
Het niet apart registreren van onttrekking en invoeding is niet alleen in het licht van het bredere Energiewet en functioneren van het elektriciteitssysteem onwenselijk (o.a. gelet op de onbalansverrekening, facturering, inning van belastingen, etc.), ook de hiervoor genoemde voorwaarden in de Elektriciteitsrichtlijn laten geen ruimte deze meters nog langer te handhaven. Zo verplicht artikel 22 Elektriciteitsrichtlijn dat ‘conventionele meters’ het feitelijk verbruik nauwkeurig meten, wat bij een Ferrarismeter zonder terugloopblokkering of een elektronische éénrichtingmeter niet mogelijk is. Immers, ingeval van invoeding draait bij deze meters de telschijf terug en is het feitelijk verbruik niet meer nauwkeurig af te lezen. Deze omissie werkt door bij de voorschriften in artikel 18 Elektriciteitsrichtlijn, daar de facturering aan de eindafnemer niet gedaan kan worden op basis van daadwerkelijk verbruik. In meer brede zin hinderen de genoemde meters de aangeslotene/eindafnemer ook in het actief kunnen worden op de elektriciteitsmarkt, een belang wat de Elektriciteitsrichtlijn juist sterk benadrukt. Enkel op het moment dat een aangeslotene beschikt over een meetinrichting die zowel onttrekking als invoeding apart registreert, is hij bijvoorbeeld in staat om zelf opgewekte elektriciteit te verkopen of te aggregeren (artikel 13 en 15 Elektriciteitsrichtlijn), kan hij vragen om gegevens over geleverde en verkochte elektriciteit (artikel 13 Elektriciteitsrichtlijn), kan hij op hetzelfde moment over meer dan één elektriciteitsleveringscontract beschikken (artikel 4 Elektriciteitsrichtlijn), etc.
Ten behoeve van deze uitfasering worden in de Invoeringsregeling via artikel 2.1 de voorwaarden 4.2.1.1 en 4.2.1.2 Meetcode elektriciteit van verdere toepassing uitgezonderd en komt artikel 5.1 hiervoor in de plaats. Dit artikel bepaalt voor (alle) kleine aansluitingen dat een meetinrichting voor elektriciteit per 1 januari 2026 ten minste de actuele meterstanden van de op het systeem ingevoede en van het systeem onttrokken elektriciteit, afzonderlijk, in kWh, registreert. De genoemde Ferrarismeters (met of zonder terugloopblokkering) en elektronische éénrichtingmeters voldoen hier niet aan en moeten derhalve door de DSB’s worden vervangen. Medio 2025 ging het nog om ongeveer 510.000 van dergelijke meters.
Overgangsfase naar installatie nieuwe geschikte meetinrichting
Het materiële effect van artikel 5.1 is dat het gebruik van de Ferrarismeters met of zonder terugloopblokkering dan wel een elektronische éénrichtingmeters niet meer zijn toegestaan en dat betrokken aangeslotenen met deze meters vanaf 1 januari 2026 (de inwerkingtreding van onderhavige Invoeringsregeling) niet meer voldoen aan de gestelde eisen op grond van artikel 2.46 Energiewet. Gelet op de wettelijke verplichtingen in artikel 3.51 en 3.53 Energiewet dienen de DSB’s deze groep aangeslotenen een nieuwe, geschikte meetinrichting ter beschikking te stellen. Omdat het bij de inwerkingtreding van de Energiewet voor de kleine aansluitingen gaat om een grote groep van ongeveer 510.000 meetinrichtingen die vervangen moeten worden en dit tijd kost, voorziet artikel 5.1 ook in een overgangsfase.
Het tweede lid bepaalt kort samengevat dat een oude (ongeschikte) meter nog wordt geacht te voldoen aan de nieuwe gestelde eisen tot het moment dat de DSB een geschikte meetinrichting, al dan niet met een communicatiefunctionaliteit, ter beschikking heeft gesteld aan de aangeslotene. Hierna volgt dan de installatie en het verder in beheer nemen van de meetinrichting door de DSB. De aangeslotene is op grond van artikel 2.47, eerste lid, Energiewet verder verplicht om mee te werken aan de uitvoering van deze wettelijke taken. In dit licht is er in artikel 5.1 dan ook expliciet voor gekozen om aan sluiten bij de handeling van het ‘beschikbaar stellen van de meetinrichting’ door de DSB. Tot dat specifieke moment is het de aangeslotene nog toegestaan om over een oude (ongeschikte) meter te beschikken; mocht de aangeslotene niet op het aanbod van de DSB om een geschikte meetinrichting te laten installeren ingaan, dan overtreedt hij de Energiewet en kan in beginsel handhavend worden opgetreden. Opgemerkt moet worden dat er in de artikeltekst bewust voor is gekozen om niet aan te sluiten op ‘het moment van installatie’. Immers: dan zou een aangeslotene een reden kunnen hebben om de installatie verder te traineren, daar hij dan tot dat moment geacht te voldoen aan de nieuwe gestelde eisen. Dit is ongewenst.
Tot slot kan gemeld worden dat vanaf 1 januari 2027 de mogelijkheid voor eindafnemers met een kleine aansluiting vervalt om de van het systeem onttrokken elektriciteit te ‘salderen’ met de op het systeem onttrokken elektriciteit (artikel 2.31 Energiewet); hiervoor vervalt een belastingvoordeel inzake de energiebelasting. Ook het ‘intern salderen’ via een oude (ongeschikte) meter is dan niet meer toegestaan.
Bewaren procesgegevens door de DSB’s
Hoewel er sprake is van een overgangsfase, zal uiteindelijk elke aangeslotene dienen te beschikken over een geschikte meetinrichting die zowel onttrekking als invoeding apart registreert. Echter, na de inwerkingtreding van de Energiewet is er een gerede kans dat een gedeelte van de aangeslotenen geen medewerking verleent aan de installatie van een nieuwe meetinrichting door de DSB. Daarbij kan het gaan om desinteresse, onkunde of onbegrip, maar ook om financieel gewin. Immers: zolang een aangeslotene nog beschikt over een Ferrarismeter zonder terugloopblokkering blijft het mogelijk om via de meter zelf de invoeding en onttrekking te ‘salderen’ en op die manier de afdracht van energiebelasting (over de onttrokken elektriciteit) te ontduiken.
Teneinde de RDI in staat te stellen om desgewenst handhavend op te treden tegen deze groep, dient de DSB zorgvuldig de verschillende processtappen bij te houden die richting de aangeslotene zijn doorlopen rondom het ter beschikking stellen van de meetinrichting, alsmede de installatie en het in beheer nemen van de meetinrichting. Immers, er is pas sprake van een eventuele overtreding van de Energiewet vanaf het moment dat de DSB de meetinrichting ter beschikking heeft gesteld en de aangeslotene hier niet op ingaat.
Daarom legt de Invoeringsregeling in artikel 5.2 vast dat de DSB gegevens bewaart over (i) datum en tijdstip waarop de DSB vaststelt dat de oude meetinrichting niet voldoet, (ii) de dagtekening van verzonden brieven aan de aangeslotene, (iii) de overeengekomen datum van installatie, (iv) de daadwerkelijke datum van installatie en (v) het uitblijven van een eventuele reactie. Op het moment dat een nieuwe meetinrichting daadwerkelijk is geïnstalleerd, vervalt het verdere belang van deze gegevens. Immers op het moment dat een aangeslotene, bijvoorbeeld na een brief van de RDI, alsnog besluit de meetinrichting door de DSB te laten installeren vervalt de noodzaak tot handhavend optreden. Echter, juist voor die gevallen waarbij de installatie door de DSB uitblijft zijn dit belangrijke basisgegevens ten behoeve van het RDI-toezicht en eventueel handhavend optreden.
Verstrekking gegevens aan de RDI
Artikel 5.3 regelt welke gegevens de DSB aan de RDI moet zenden ten behoeve van het toezicht en eventueel handhavend optreden. Naast de gegevens over het door de DSB doorlopen proces (zie hiervoor) dient de RDI ook te beschikken over basisgegevens met betrekking tot de identificatie van de aansluiting en de aangeslotene. Deze gegevens maken standaard deel uit van de registers van een DSB, zoals bedoeld in artikel 4.5 Energiewet.
Ter ondersteuning van de RDI-toezichttaak bevat de gegevensset informatievelden die benodigd zijn voor correcte identificatie van de juiste tot de doelgroep behorende energiemeters die nog niet aan de gestelde wettelijk gestelde eisen voldoen. In feite gaat het om technische gegevens die noodzakelijk zijn voor de correcte identificatie en plaatsbepaling van de (oude) meetinrichting. Het gaat om de EAN-code van de aansluiting, de naam van de betrokken DSB, het meternummer, het adres van de aansluiting (straat, huisnummer, eventueel met toevoeging, postcode, plaats). Omdat er lokale situaties bestaan die afwijken van de standaardsituatie worden er nog aanvullende gegevens verstrekt, namelijk een (kwalitatieve) locatieomschrijving, het BAG-id (een nadere duiding aan de hand van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen) en GPS-coördinaten.
Ter ondersteuning van de RDI-toezichttaak bevat de gegevensset ook informatievelden die benodigd zijn voor de identificatie, verificatie en communicatie van/met de aangeslotene voor die situaties waar deze nog niet beschikt over een geschikte meetinrichting. Dit kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. Het gaat om de naam van de aangeslotene, de geboortedatum (ter identificatie), het correspondentieadres, telefoonnummer en het KvK-nummer (in geval van rechtspersonen).
Eén van de uitgangspunten van de Elektriciteitsrichtlijn is ‘dat alle consumenten volledig moeten kunnen deelnemen aan de energietransitie (...) waardoor zij geld besparen en bijdragen aan de algehele verlaging van het energiegebruik’ (zie overweging 5 Elektriciteitsrichtlijn). Daarvoor introduceert de Elektriciteitsrichtlijn verschillende nieuwe voorschriften ten opzichte van de oude Elektriciteitsrichtlijn (2009/72), waar de voormalige Elektriciteitswet 1998 op was gebaseerd.
De Elektriciteitsrichtlijn bevat voorschriften over het aggregatiecontract, waarbij een aangeslotene onafhankelijk van zijn reguliere leverancier andere diensten kan kopen en verkopen (artikel 13) of kan deelnemen aan vraagrespons (artikel 17). Ook kent de Elektriciteitsrichtlijn aangeslotenen het recht toe om als ‘actieve afnemer’ de markt te betreden, bijvoorbeeld voor de verkoop van zelf opgewekte elektriciteit (artikel 15). In dit geheel voorziet de Elektriciteitsrichtlijn ook een belangrijke rol voor de energiegemeenschappen, die ook vrij moeten kunnen deelnemen aan de markt (artikel 16).
Het regime van de voormalige Elektriciteitswet 1998 voorzag voor een deel al in deze verplichtingen uit de Elektriciteitsrichtlijn, maar in de Energiewet zijn deze verplichtingen nu op structurele wijze in de wet- en regelgeving opgenomen. Aan aangeslotenen die hernieuwbare energie opwekken wordt in de Energiewet nu op verschillende manieren de ruimte gegeven om direct of indirect, zelfstandig of in groepsverband op de markt actief te worden. Dat is gedaan door nieuwe contractvormen te introduceren, zoals de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer handel (artikel 2.1 Energiewet) en verschillende typen aggregatieovereenkomsten (artikel 2.34 Energiewet). Ook is er expliciet ruimte gecreëerd voor actoren als de ‘actieve afnemer’, de energiegemeenschap en de marktdeelnemer die aggregatiediensten aanbiedt, zoals peer-to-peer-handel, vraagrespons of invoedingsaggregatie. In de Energiewet is het wettelijke kader inzake deze nieuwe marktrollen primair opgenomen in afdeling 2.1, 2.2 en 2.3.
Een belangrijk onderdeel van de deelname aan de energiemarkt is de toegang tot en deelname aan het centrale stelsel van gestandaardiseerde gegevensuitwisseling; dit is geregeld in hoofdstuk 4 van de Energiewet. Deelname maakt het mogelijk dat een partij die actief wordt op een aansluiting of allocatiepunt ook gebruik kan maken van de meetgegevens en meer technische gegevens die bij een aansluiting horen, maar die door een andere partij (bijvoorbeeld de DSB) worden verzameld en beheerd. Deze gegevens kunnen vervolgens dienen voor de feitelijke uitvoering van de overeenkomst en/of de facturatie van de geleverde diensten. Gelet op de scope van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet, voorziet de IcEG nog niet optimaal in de nieuwe mogelijkheden die de Energiewet biedt. Via de Invoeringsregeling wordt geregeld dat, in aanvulling op het overgangsregime onder artikel 7.53 Energiewet, de genoemde nieuwe partijen ook daadwerkelijk kunnen gaan meedoen in het energiesysteem. Onderscheid wordt gemaakt naar (i) levering, (ii) invoeding en (iii) vraagrespons.
Leveren
Artikel 6.1 van de Invoeringsregeling regelt dat per 1 januari 2026 ook ‘nieuwe actoren’ die elektriciteit en/of gas leveren en daarmee in de uitoefening van hun rol niet verschillen van de leverancier, zich als zodanig kunnen laten registreren. Daarmee krijgen zij toegang tot de registers met gegevens via de faciliteit van de GUE (zoals geregeld in hoofdstuk 4 van de Energiewet). Dat is nodig omdat de Energiewet de rol van de energiegemeenschap, de actieve afnemer en de peer-to-peer-handelaar gelijkstelt met die van de ‘traditionele’ leverancier en daar in de voorwaarden van de IcEG nog niet in was voorzien.
Hiertoe worden de voorwaarden die zien op de leverancier, van overeenkomstige toepassing verklaard op de energiegemeenschap, de actieve afnemer die elektriciteit levert en de marktdeelnemer die faciliteert in peer-to-peer-handel. Over dezelfde band worden de voorwaarden die zien op de overeenkomst tussen een leverancier en een afnemer van overeenkomstige toepassing verklaard op de overeenkomst die de nieuwe marktpartijen sluiten met hun eindgebruikers. Dit betekent onder andere dat de nieuwe marktpartijen worden opgenomen in het aansluitingenregister, de door hun afgesloten overeenkomsten worden opgenomen in het contractenregister en dat zij gegevens uit deze registers ontvangen ten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van de levering. Ook ontvangen zij gegevens uit het metingenregister zodat ze hun facturatie daarop kunnen baseren.
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan de implementatieverplichting uit de Elektriciteitsrichtlijn, meer in het bijzonder aan artikel 13 (aggregatiecontract), artikel 15 (actieve afnemers), artikel 16 (energiegemeenschappen van burgers) en artikel 23 (gegevensbeheer).
Invoeden
Met de invoering van de Energiewet wordt het mogelijk dat op een aansluiting met meerdere allocatiepunten verschillende marktdeelnemers zich gelijktijdig bezig kunnen houden met de levering op of de invoeding vanaf de aansluiting. Een actieve afnemer kan dan ook kiezen of hij de levering en teruglevering van elektriciteit via een traditionele leverancier blijft regelen of dat hij de levering en de invoeding via verschillende partijen laat lopen. De invoeding van elektriciteit kan vanaf 1 januari 2026 ook geregeld worden door de marktdeelnemer die aggregeert met het oog op wederverkoop en de marktdeelnemer die faciliteert in peer-to-peer-handel. Kortgezegd, de invoedingsaggregator en de peer-to-peer-handelaar. Voordat op deze nieuwe marktdeelnemers wordt ingegaan, worden eerst twee belangrijke uitgangspunten toegelicht.
1. Op het primaire allocatiepunt is altijd sprake van een marktdeelnemer die elektriciteit levert;
2. Het additionele allocatiepunt waarop een andere marktpartij wordt gecontracteerd voor levering of invoeding dient te beschikken over een eigen meetinrichting die voldoet aan de eisen zoals gesteld krachtens artikel 2.46, derde lid, van de Energiewet.
Ad 1. Het is niet mogelijk om een invoedingsaggegrator te contracteren op het primaire allocatiepunt. Vanwege een goede werking van het energiesysteem is het namelijk noodzakelijk dat op het primaire allocatiepunt altijd sprake is van een leverancier die zich, eventueel naast teruglevering, ook bezig houdt met de levering van elektriciteit. De leverancier op het primaire allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting kan de traditionele leverancier zijn, maar het kan ook een andere marktdeelnemer zijn die zich bezighoudt met de levering van elektriciteit. Gedacht kan worden aan één van de hiervoor genoemde partijen, zoals de energiegemeenschap, de actieve afnemer of de leverancier die faciliteert in peer-to-peer-handel.
Ad 2. Als meerdere partijen zich gelijktijdig bezighouden met levering en invoeding op één kleine aansluiting, is het noodzakelijk dat de levering of de invoeding aan het betreffende allocatiepunt kan worden toegerekend. Om die reden volgt uit artikel 4.12, eerste lid, van het besluit, dat elk allocatiepunt waarop een marktdeelnemer actief is die zich bezighoudt met verbruik of invoeding, beschikt over een eigen meetinrichting, die voldoet aan de eisen van artikel 2.46, derde lid, van de wet. Dit komt erop neer dat de meetinrichting minimaal het verbruik en de invoeding op het betreffende allocatiepunt moet registreren.
In de Invoeringsregeling worden twee partijen onderscheiden die zich bezighouden met teruglevering als zelfstandige activiteit: de invoedingsaggregator en de peer-to-peer-handelaar. De invoedingsaggregator koopt de elektriciteit van de actieve afnemer en verkoopt de elektriciteit op de groothandelsmarkt of hij levert deze zelf door aan eindafnemers zonder dat de actieve afnemer daar nog een rol in speelt. De peer-to-peer-handelaar treedt op als een tussenpersoon en faciliteert hiermee bij de levering tussen actieve afnemers en eindgebruiker. In de praktijk zal de teruglevering plaatsvinden via het platform van de peer-to-peer-handelaar.
Ook voor de invoedingsaggregator en de peer-to-peer-handelaar is registratie en deelname aan de systeemprocessen noodzakelijk om hun marktrol te kunnen vervullen. Omdat de IcEG nog niet voorziet in deze nieuwe marktrollen, wordt net als in het artikel over levering aansluiting gezocht bij de voorwaarden die zien op de leverancier. Hoewel de IcEG geen expliciet onderscheid maakt tussen de leverings- en terugleveringstaak van de leverancier, zien de voorwaarden op beide rollen van de leverancier. Door de voorwaarden die zien op de leverancier van overeenkomstige toepassing te verklaren op de invoedingsaggregator en de peer-to-peer-handelaar, voor zover sprake is van teruglevering door de actieve afnemer, wordt voorzien in overgangsrecht totdat de ministeriële regeling over gegevensuitwisseling in werking treedt. Een uitzondering wordt gemaakt voor die voorwaarden in de IcEG die uitsluitend betrekking hebben op het primaire allocatiepunt. Op dat allocatiepunt kan immers alleen een partij actief zijn die zich (ook) bezighoudt met levering op de betreffende aansluiting. De uitgezonderde voorwaarden hebben betrekking op het opvragen van contactgegevens ten behoeve van compensatievergoedingen, de controle van de naam van de aangeslotene en het wijzigen van de naam van een aangeslotene op een kleine aansluiting. Het tweede lid van artikel 6.2, verklaart de voorwaarden die zien op de overeenkomst tussen de leverancier en de actieve afnemer van overeenkomstige toepassing op de terugleveringsovereenkomst met de invoedingsaggregator en de peer-to-peer-handelaar.
Vraagrespons
Vraagrespons is een andere vorm van aggregeren. Bij vraagrespons wordt het verbruik en/of invoeding bij eindafnemers ten opzichte van hun normale verbruikspatronen veranderd, in reactie op marktsignalen met als doel om de flexibiliteit die hiermee vrijkomt op de energiehandelsmarkt te verkopen. De vraagresponsaanbieder verandert het verbruik of de invoeding van de eindafnemer door een of meer apparaten (bijvoorbeeld een warmtepomp, elektrische auto of een koelhuis) tijdelijk aan of uit te zetten of op of terug te schakelen. De vraagresponsaanbieder beïnvloedt hiermee het verbruik of de invoeding op een allocatiepunt. Wanneer er een andere marktdeelnemer, meestal een leverancier, actief is op dit allocatiepunt is sprake van een onafhankelijke vraagresponsaanbieder.
Op dit moment worden er al vraagresponsdiensten aangeboden. Waar nodig wordt extra apparatuur geplaatst om de apparaten zoals de warmtepomp of het koelhuis aan te sturen en/of te meten wat er gebeurt met de verbruikspatronen. Waar relevant wordt hierbij gebruik gemaakt van gegevens vanuit de centrale registers, zoals de stamgegevens van de aansluiting en verbruiks- en/of opwekkingsgegevens. Meestal gaat het hierbij dan om partijen die vanuit een andere rol (zoals de rol van leverancier) reeds over deze gegevens beschikken.
Voor een goed functionerende markt van vraagresponsdiensten is het wenselijk dat de gegevens vanuit de centrale registers, zoals de stamgegevens van de aansluiting en verbruiks- en/of opwekkingsgegevens, ook ‘onafhankelijk’ van een andere marktrol ter beschikking komen voor partijen die hun dienstverlening hiermee willen versterken. Op dit moment is het nog niet mogelijk om deze onafhankelijke vraagresponsaanbieders ook deel te laten nemen aan het centrale stelsel van gestandaardiseerde gegevensuitwisseling. Wel kan een onafhankelijke vraagresponsaanbieder hierover separate afspraken maken met de marktdeelnemer op de allocatiepunt of gebruik maken van zelf geplaatste meetapparatuur. Ook kan een aangeslotene toestemming geven om zijn gegevens te delen met de door hem geselecteerde vraagresponsaanbieder, zodat de eventueel benodigde gegevens alsnog beschikbaar komen. In artikel 3.0.1 van deze Invoeringsregeling is hiertoe opgenomen dat een partij die op grond van de IcEG of de wet een register beheert aan een aangeslotene of aan een door de aangeslotene gekozen derde partij op verzoek onmiddellijk de gegevens verstrekt die over de desbetreffende aansluiting zijn geregistreerd op grond van de IcEG en deze Invoeringsregeling. Hiermee is de markttoegang ook voor de onafhankelijke vraagresponsaanbieders geborgd.
Het marktmodel van vraagresponsdiensten is nog sterk in ontwikkeling, wat ook geïllustreerd wordt door het feit dat de uitvoeringsverordening inzake interoperabiliteitsvoorschriften voor vraagrespons onder artikel 24 van de Elektriciteitsrichtlijn nog niet beschikbaar is. In de ministeriële regeling inzake gegevensbeheer en gegevensuitwisseling, welke thans nog in ontwikkeling is, zal voor de vraagresponsaanbieder de toegang tot en deelname aan het centrale stelsel van gestandaardiseerde gegevensuitwisseling ook nader worden ingebed.
Hoofdstuk 7 van de Invoeringsregeling regelt (i) de intrekking van verouderde ministeriële regelingen onder de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998, alsmede (ii) de aanpassing van diverse ministeriële regelingen, veelal om verwijzingen naar de voormalige Gaswet en voormalige Elektriciteitswet 1998 te actualiseren. De wijziging van vier regelingen wordt hier nader toegelicht.
Wijziging Regeling doorberekening kosten ACM
De hoogte van de vergoedingen voor beschikkingen van de ACM, bijvoorbeeld een vergunningaanvraag voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting, wordt vastgesteld in de Regeling doorberekening kosten ACM. Voorheen verleende de ACM deze vergunningen in mandaat namens de Minister. Onder de Energiewet is deze taak geattribueerd aan de ACM. Met de wijziging van de Regeling doorberekening kosten ACM blijft het na invoering van de Energiewet ook mogelijk hiervoor een retributie te heffen. Met deze wijziging wordt het voor de ACM tevens mogelijk om het bedrag reeds bij het in behandeling nemen van de aanvraag te innen, voorheen was voorgeschreven dat dit gelijktijdig met de bekendmaking van de beschikking werd gedaan. Bij invoering van de Energiewet wordt voor de hoogte van het bedrag aangesloten bij de reeds bestaande praktijk, waardoor het retributiebedrag van € 1.705 voor aanvragen voor leveringsvergunningen gehandhaafd wordt. Dit bedrag is per 1 juli 2025 geïndexeerd.
Tevens wordt het met de wijziging van de Regeling doorberekening kosten ACM voor de ACM mogelijk gemaakt om ook andere toelatingskosten door te belasten conform de systematiek van de Instellingswet ACM, ook hiervoor geldt dat dit ziet op het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit zijn toelatingskosten in de vorm van een erkenning, aanwijzing of certificering. Ook voor het wijzigen of overdragen van een vergunning of erkenning en beschikkingen in de vorm van een geschilbesluit voor balanceringsverantwoordelijken financiële compensatie bij vraagrespons wordt een retributiebedrag ingesteld.
Wijziging Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong
De Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong is voor zover deze gebaseerd op de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998, in lijn gebracht met de Energiewet.
Zo wordt het begrip certificaat van oorsprong niet meer gebruikt, in lijn met de nieuwe benaming ‘garantie van oorsprong voor elektriciteit uit niet-hernieuwbare bronnen’.
Verder wordt het begrip meetverantwoordelijke geschrapt, omdat dit te veel lijkt op de meetverantwoordelijke partij onder de Energiewet. In plaats daarvan is de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong zo aangepast, dat de betreffende partijen (meetbedrijf, meetverantwoordelijke partij, TSB of DSB) in de artikelen zelf worden aangeduid. Hierbij is de rolverdeling waar nodig aangepast aan de Energiewet. Voor het vaststellen van de geschiktheid van een productie-installatie en meetinrichting is en blijft de TSB of DSB aan zet. Voor het meten blijft dat de DSB voor kleine aansluitingen voor elektriciteit. Voor grote aansluitingen bij elektriciteit is het meten, in lijn met de Energiewet, niet meer belegd bij de TSB of DSB, maar bij de meetverantwoordelijke partij, bedoeld in de Energiewet, conform de huidige praktijk. Bij grote aansluitingen voor gas op het distributiesysteem is het de meetverantwoordelijke partij die meet. Bij grote aansluitingen voor gas op het transmissiesysteem is het de aangeslotene die uitsluitend gas invoedt, die meet. Het schrappen van het begrip meetverantwoordelijke heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de artikelen die delegatiegrondslagen van de Warmtewet of de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong uitwerken. Daar is en blijft het meetbedrijf verantwoordelijk voor de vaststelling en het meten. Voor alle duidelijkheid zijn in artikel 1 de begripsbepalingen meetbedrijf en meetverantwoordelijke partij opgenomen.
De wijzigingen die zien op biomassa volgen enerzijds uit de Energiewet vanwege de daarin opgenomen begripsbepaling van biomassa. Anderzijds wordt het onderscheid tussen de verschillende soorten biomassa (naar haar aard zuivere biomassa, niet-zuivere biomassa en zuivere biomassa) verduidelijkt, zonder daarbij een inhoudelijke wijziging aan te brengen.
In de regeling wordt de aangeslotene beschouwd als de producent die de productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit of gas uit hernieuwbare bronnen in stand houdt. In de Energiewet is bepaald dat de aangeslotene (producent) met een grote aansluiting er zorg voor draagt dat een meetverantwoordelijke partij actief is, met uitzondering van een aangeslotene die uitsluitend gas invoedt op het transmissiesysteem. Er is voor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande bewoordingen van de regeling, wat betekent dat in het ene geval de producent (aangeslotene) en in het andere geval de meetverantwoordelijke partij wordt genoemd, terwijl in beide gevallen bedoeld is: de producent (aangeslotene) of de meetverantwoordelijke partij die actief is voor de aangeslotene.
In een aantal bepalingen wordt verwezen naar de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die blijven gelden op grond van artikel 7.52 van de Energiewet. Daarmee worden de codes zoals vastgesteld door de ACM bedoeld. De betreffende bepalingen zullen op termijn worden aangepast in lijn met de nog vast te stellen ministeriële regeling inzake meetinrichtingen en metingen onder de Energiewet.
De Energiewet bevat in het vierde lid van artikel 2.58 een grondslag om regels te stellen inzake gevallen waarin garanties van oorsprong kunnen worden bijgeboekt op de rekening van marktdeelnemers die aggregeren ten behoeve van een actieve afnemer. Dit is ingevuld door de marktdeelnemers die aggregeren, dezelfde verplichtingen op te leggen als die gelden voor producenten bij het aanvragen van garanties van oorsprong, het openen van een rekening voor garanties van oorsprong en het overleggen van informatie over garanties van oorsprong.
De artikelen 25 en 28a (onderdeel AA) vervallen, omdat de artikelen 2.59 en 2.60 van de Energiewet hierin voorzien.
Tot slot wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele overige wijzigingen door te voeren.
Het begrip gashub in artikel 1 (onderdeel A) wordt geschrapt, omdat dit begrip niet wordt gebruikt en de betreffende Regelingen aanwijzing categorieën duurzame energieproductie een eigen definitie van groen gas hub hanteren.
De wijziging van artikel 16 (onderdeel S) vloeit voort uit de fusie van het International Accreditation Forum met een andere accreditatie-organisatie tot Global Accreditation Cooperation Incorporated.
De wijziging in artikel 19a (onderdeel U) hangt samen met de jaarlijkse vaststelling van het percentage dat uitdrukt welk gedeelte van de totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door middel van verbranding van huishoudelijk afval of vergelijkbaar bedrijfsafval in een afvalverbrandingsinstallatie, elektriciteit uit hernieuwbare bronnen of thermische energie uit hernieuwbare bronnen, wordt voor 2026 vastgesteld op hetzelfde percentage als voor 2025.
Artikel 23 (onderdeel Y) wordt gewijzigd in verband met de wijziging van het systeem van hernieuwbare brandstofheden in de Wet milieubeheer; dit wordt per 1 januari 2026 een systeem met emissiereductie-eenheden. Daarnaast wordt geregeld dat als een rekeninghouder over garanties van oorsprong voor niet-netlevering voor elektriciteit of gas uit hernieuwbare bronnen uit hernieuwbare bronnen beschikt, hij deze garanties van oorsprong kan overboeken op de rekening van Nederlandse emissieautoriteit in verband met het systeem van emissiereductie-eenheden.
De tarieven ter dekking van de kosten die gepaard gaan met handelingen met betrekking tot garanties van oorsprong worden jaarlijks vastgesteld. Artikel 32 (onderdeel AH) is geactualiseerd.
Wijziging Energieregeling
Met artikel 7.3, onderdeel A van deze Invoeringsregeling, wordt artikel 2.28 van de Energieregeling aangevuld. In het tweede lid van dit artikel is geregeld welke gegevens een vergunningplichtige leverancier per eindafnemer met een kleine aansluiting op dient te nemen in zijn administratieve organisatie. Aan deze opsomming wordt toegevoegd of de overeenkomst is gesloten met een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming. Het gaat hierbij om de overeenkomstig artikel 2.6, vijfde lid, van de Energiewet bij het sluiten van de overeenkomst geregistreerde gegevens. Indien dit geregistreerd is, moet dit ook onderdeel zijn van de administratie.
Met artikel 7.3, onderdeel B van deze Invoeringsregeling, wordt artikel 4.2 van de Energieregeling opnieuw vastgesteld. In de Energieregeling was per abuis een versie van het artikel opgenomen die nog niet was bijgewerkt naar aanleiding van een opmerking in de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets van de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur bij de Energieregeling.
Wijziging Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten
Met artikel 7.11 van deze Invoeringsregeling is artikel 7, tweede lid, van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten opnieuw vastgesteld. De formulering van artikel 7, tweede lid, moest worden aangepast, omdat werd verwezen naar een ministeriële regeling die met de inwerkingtreding van de Energiewet is vervallen. In samenwerking met de Minister van Economische Zaken is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de formulering van de bepaling te vereenvoudigen en in overeenstemming te brengen met vergelijkbare bepalingen in de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten. Degene die zorgdraagt voor de installatie van een kilowattuurmeter is volgens de MID-richtlijn42 (bijlage V, onderdeel 7, subonderdeel c) een nutsbedrijf of van rechtswege aangewezen persoon. In Nederland worden in de praktijk meters niet geplaatst door nutsbedrijven (de energieleveranciers). Op basis van de voormalige Elektriciteitswet 1998 werd de plaatsing door of namens meetverantwoordelijke partijen en netbeheerders gedaan. Onder de Energiewet vindt installatie van de meters plaats door onder andere de DSB’s, meetverantwoordelijke partijen of de TSB voor gas.
In dit hoofdstuk is overgangsrecht opgenomen op grond waarvan de Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbindingen van toepassing blijft op reeds verstrekte uitkeringen. Verder zijn enkele bepalingen opgenomen die verband houden met toekomstige wijzigingen in regelgeving. Zo is geregeld dat een in de Energieregeling verplicht element op de factuur van leveranciers kan vervallen op het moment dat de Wet beëindiging salderingsregeling in werking treedt. Ook is voorzien in een technische aanpassing aan de invoering van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Tot slot zal in de Energieregeling een artikel worden ingevoegd met regels over de aanvraag voor een erkenning als submeetverantwoordelijke partij, indien de artikelen over de submeetverantwoordelijke partij in het Energiebesluit in werking treden (1 juli 2027, als opgenomen in het koninklijk besluit voor de inwerkingtreding van het Energiebesluit).43
De Invoeringsregeling is op 31 oktober 2025 aan de ACM aangeboden voor een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets, hierna ook: UHT). Op 4 december 2025 heeft de ACM de resultaten van deze toets toegezonden aan de Minister. De ACM acht de concept-Invoeringsregeling uitvoerbaar en handhaafbaar. Wel vraagt de ACM aandacht voor de navolgende punten.
Achtergrond Invoeringsregeling
De ACM geeft aan begrip te hebben voor de keuze van de Minister voor een overgangsfase vanaf 1 januari 2026, middels de bestendiging van de bestaande situatie onder de verschillende meetcodes en de IcEG. Echter, de ACM benadrukt wel het grote belang van de spoedige totstandkoming van de door de Minister aangekondigde ministeriële regelingen inzake (1) meetinrichtingen en metingen en (2) gegevensuitwisseling.
Complexiteit van regelgeving
De ACM constateert dat met de Invoeringsregeling voor de genoemde overgangsfase een complexe samenstelling van regels is gecreëerd. Voor de ACM is het, ondanks de opgenomen toelichting, niet mogelijk geheel te beoordelen of de complexe samenstelling van regels compleet is en alle noodzakelijke onderwerpen voldoende geadresseerd worden. De ACM geeft aan dat niet uit te sluiten valt dat er, in de periode dat de Invoeringsregeling van toepassing is, in de praktijk toch uitvoerbaarheids- of handhaafbaarheidskwesties ontstaan. In dat geval is het mogelijk dat de Minister wordt verzocht om de Invoeringsregeling aan te passen, zo geeft de ACM aan. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat naar aanleiding van de ACM-reactie de toelichting nog aanzienlijk is uitgebreid, waarbij aan de hand van tabellen ook in detail is uitgelegd waarom bepaalde voorwaarden zijn geschrapt of aangepast en hoe dit past in het bredere kader van de Energiewet, Energiebesluit of Energieregeling. De verwachting is dat dit de ACM reeds beter inzage geeft in de rationale achter bepaalde keuzes in de Invoeringsregeling. Mocht de ACM uitvoerbaarheids- of handhaafbaarheidskwesties identificeren, dan zal nader worden bezien op welke manier deze kwesties worden geadresseerd en of bijvoorbeeld de Invoeringsregeling of de Energieregeling snelle aanpassing behoeft.
Retributies
De ACM constateert dat de retributies in de Invoeringsregeling worden vastgesteld conform de door de ACM gehanteerde kostengebaseerde methode, op drie na. Dat zijn de verstrekking van een leveranciersvergunning, het wijzigen ervan en de overdracht daarvan aan een nieuwe eigenaar. De ACM geeft aan dat de keuze om voor deze retributies de tarieven niet kostendekkend vast te stellen een beleidsmatige keuze is, waarvan de consequentie is dat de financiering van de werkzaamheden van de ACM bij het verlenen, wijzigen en overdracht van een leveranciersvergunning grotendeels via de begroting van het Ministerie van KGG zal moeten blijven verlopen. De ACM had voor de werkzaamheden die hiermee gemoeid zijn gemiddelde kostendekkende tarieven berekend van respectievelijk 27.000 euro, 5.000 euro en 10.000 euro. De ACM verzoekt om deze beleidsmatige keuze expliciet onder de aandacht te brengen bij de Minister van Economische Zaken. Ten aanzien hiervan kan worden opgemerkt dat deze beleidsmatige keuze onderdeel is van het vaststellen van de regeling door de Minister van KGG. De Minister van KGG is op grond van het Besluit instelling Ministerie Klimaat en Groene Groei belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van Klimaat en Groene Groei voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Tevens kan worden opgemerkt dat de financiële consequenties beperkt worden ingeschat aangezien het alleen om eenmalige toelatingskosten gaat en op basis van de cijfers van de laatste jaren gemiddeld om een tweetal vergunningaanvragen per jaar gaat.
Claim (bekostiging)
De ACM wijst er op dat de Invoeringsregeling onderdeel is van het bredere regelgevingspakket van de Energiewet. De ACM geeft aan in de benodigde middelen te kunnen voorzien vanuit de reeds ingediende claim voor de Energiewet. Mocht deze claim voor de Energiewet niet structureel worden toegekend, dan zal een aparte claim voor de taken op grond van de Invoeringsregeling worden ingediend, zo geeft de ACM aan.
Detailopmerkingen over de Invoeringsregeling Energiewet
Naast de bovenstaande hoofdpunten heeft de ACM een set meer gedetailleerde opmerkingen en suggesties gestuurd. Deze opmerkingen en suggesties zijn bekeken en waar nodig zijn teksten aangepast. Het gaat onder meer om:
– De ACM vraagt aandacht voor consistentie in de regeling en in de toelichting, daar soms wordt gesproken over ‘voorwaarde’ en soms over ‘artikel’ als het gaat om bijvoorbeeld de IcEG. Naar aanleiding van deze opmerking wordt nu overal gesproken over ‘voorwaarde’ om te verwijzen naar de voorwaarden in de IcEG of één van de meetcodes.
– De ACM vraagt wat het verschil is tussen conventionele meetinrichtingen als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, en Ferrarismeters als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, en vraagt toe te lichten welke meetinrichtingen precies verboden worden. In reactie kan worden opgemerkt dat alle meetinrichtingen die niet voldoen aan het eerste lid van artikel 5.1 vervangen dienen te worden; in de terminologie van de IcEG betreffen dit (i) Ferrarismeters met of zonder terugloopblokkering of (ii) elektronische éénrichtingmeters. Navraag leert dat deze meters binnen de groep van ‘conventionele meters’ vallen zoals bedoeld de IcEG (voorwaarde 2.1.4, onderdeel h), maar dat hier ook meetinrichtingen onder vallen die weliswaar niet op afstand uitleesbaar zijn, maar wel onttrekking en invoeding apart registeren. Het is dus niet zo dat de hele groep van ‘conventionele meters’ een probleem vormt.
– Ten aanzien van de verschillende hoofdstukken zijn diverse suggesties van de ACM voor aanpassing in de artikelen overgenomen en is waar relevant ook de toelichting verder uitgebreid. Zo vroeg de ACM hoe de bewaartermijnen die in artikel 4.9 bepaald worden samengaan met de termijnen zoals deze bepaald zijn in de IcEG. Het artikel is verduidelijkt om te laten zien dat beide termijnen gelden. In 4.9 is nu bepaald dat de bewaartermijn minimaal 3 jaar is, maar als een artikel in de IcEG een langere bewaartermijn stelt, dan blijft de IcEG termijn gelden. Naar aanleiding van een suggestie van de ACM is ook de titel van artikel 6.1 aangepast. Het voorstel van de ACM om artikel 6.2 tekstueel aan te passen, is niet overgenomen omdat dit niet in lijn is met de begrippen zoals opgenomen in de Energiewet.
De Invoeringsregeling is op 31 oktober 2025 aan de RDI aangeboden voor een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (de uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets, hierna ook: UHT). Op 5 december 2025 heeft de RDI de resultaten van deze toets toegezonden aan de Minister. De RDI acht het conceptvoorstel voor de Invoeringsregeling uitvoerbaar en handhaafbaar, mits een tweetal punten nog herzien worden.
De RDI doet de suggestie om in artikel 4.5, tweede lid, ook ‘naam contractanthouder’ toe te voegen aan de gegevens die een leverancier vanaf 1 mei 2026 aanvullend op de gegevens bedoeld in het eerste lid opvraagt bij de aangeslotene. In het eerste lid van het artikel is echter al een verwijzing opgenomen naar voorwaarde 2.1.3, onderdeel a, IcEG (‘de naam van de aangeslotene met wie de aansluit- en transportovereenkomst is gesloten’) en daarmee is deze toevoeging (ook na aanpassing van het artikel op basis van de UHT en consultaties) overbodig. Verder merkt de RDI op dat er in artikel 5.2, eerste lid, onderdelen c en d, een verkeerde verwijzing naar de meetinrichting staat. Dit is opgelost door te verwijzen naar een meetinrichting ‘die voldoet aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen’.
Zoals toegelicht in paragraaf 1.2 van deze toelichting is vanaf februari 2025 met behulp van brancheorganisaties en sectorexperts concreet in kaart gebracht waar risico’s en (IT-)knelpunten verwacht werden bij de overgang naar het nieuwe regime van de Energiewet. Het overgangsregime op grond van de Invoeringsregeling speelt daar een belangrijke rol in en is met ondersteuning vanuit deze brancheorganisaties en sectorexperts opgesteld.
Na eerdere afstemming is de conceptregeling op 31 oktober 2025 naar de verschillende betrokken partijen verzonden voor het geven van hun zienswijze op de uitwerking. Het gaat dan met name om Energie-Nederland (vertegenwoordiging van energieleveranciers en balanceringsverantwoordelijken), Netbeheer Nederland (vertegenwoordiging van de TSB’s en DSB’s), VMNed (vertegenwoordiging van de meetverantwoordelijke partijen) en het Normo in de rol van GUE per 1 januari 2026. Daarnaast is contact geweest met enkele individuele sectorpartijen, met name de ODA’s. De reacties zijn hieronder weergegeven.
Hoofdstuk 1 van onderhavige Invoeringsregeling bevat enkele begripsbepalingen, alsmede een toepassingsbepaling hoe bepaalde begrippen in de (meet)codes en de IcEG gelezen moeten worden. Op deze artikelen zijn enkele reacties gekomen.
VMNed reageert op de term ‘meetverantwoordelijke’ in de bijlage bij artikel 1.2 en geeft aan dat de voorgestelde toepassing nu te breed is omdat ook de DSB’s hier onder vallen. Energie-Nederland was hetzelfde opgevallen en wees er op dat het voorstel ook DSB’s en leveranciers hieronder schaart, terwijl dit niet klopt. Dit is aangepast naar ‘meetverantwoordelijke partij’, zoals ook opgenomen in de Energiewet.
VMNed vroeg ook naar de term ‘meetbedrijf’ in de bijlage bij artikel 1.2 en de betekenis daarvan. De term ‘meetbedrijf’ is relevant in de context van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong, die per 1 januari 2026 blijft gelden, bijvoorbeeld als het gaat om het meten van thermische energie op basis van de Warmtewet. Om het onderscheid met de Energiewet te verduidelijken is in artikel 7.4 nu toegevoegd dat het hier gaat om ‘een meetbedrijf als bedoeld in artikel 24a van de Warmtewet of meetbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong’. De term is verder verwijderd uit de bijlage bij artikel 1.2.
Hoofdstuk 2 van de Invoeringsregeling regelt dat bepaalde voorwaarden in de (meet)codes van toepassing worden uitgezonderd omdat ze overbodig zijn en/of strijdig met de Energiewet of het Energiebesluit. Verschillende respondenten hebben een reactie gegeven.
Netbeheer Nederland merkt op dat de gehanteerde methodiek (i.c. een aantal voorwaarden in de bestaande codes worden uitgezonderd van toepassing), er toe leidt dat in andere voorwaarden verwijzingen blijven bestaan naar deze uitgezonderde voorwaarden. Ook blijven er nog regelmatig verwijzingen in bepalingen naar de voormalige Elektriciteitswet 1998 of de voormalige Gaswet behouden. Netbeheer Nederland geeft aan deze gekozen methodiek uit pragmatisme te begrijpen, maar beveelt aan dit nog in de toelichting te benoemen. In reactie hierop is in paragraaf 2.3 de toelichting aangevuld.
De Meetcode elektriciteit
Netbeheer Nederland wijst op voorwaarde 4.2.2.1 Meetcode elektriciteit, die bepaalt dat meetinrichtingen bij kleine aansluitingen aan het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM) moeten voldoen. Netbeheer Nederland merkt op dat via artikel 2.1 van de Invoeringsregeling deze voorwaarde 4.2.2.1 buiten toepassing wordt verklaard, wat men als ongewenst ziet. In reactie kan worden opgemerkt dat de eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen onder het overgangsregime inderdaad van toepassing moeten blijven. Dit is echter reeds vastgelegd in artikel 7.52, eerste lid, Energiewet. Voorwaarde 4.2.2.1 Meetcode elektriciteit is daarmee overbodig en kan buiten toepassing worden verklaard.
Netbeheer Nederland stelt voor om enkele voorwaarden in hoofdstuk 6 Meetcode elektriciteit uit te zonderen in artikel 2.1 van deze Invoeringsregeling. Het gaat dan om de voorwaarden 6.2.1 en 6.3.1 over onvoorziene situaties. Netbeheer Nederland wijst er op dat het hier gaat om ‘de mogelijkheid voor uitzonderingen voor aansluitingen die om historische redenen niet direct konden voldoen aan de Meetcode elektriciteit’. Dit voorstel is niet overgenomen omdat dit een te generieke bevoegdheid voor de TSB of DSB’s betreft om te kunnen afwijken van het publieke recht in de Energiewet. Artikel 3.24 Energiewet geeft de TSB’s en DSB’s wel enige ruimte, met name door de verplichting zich redelijk op te stellen bij de uitvoering van de wettelijke taken. Dat neemt overigens niet weg dat in de ministeriële regeling inzake meetinrichtingen en metingen voorzien kan worden in meer specifiek overgangsrecht.
De Meetcode gas RNB
Energie-Nederland en een individuele respondent hebben aangegeven dat paragraaf 2.3 van de Meetcode gas RNB niet buiten toepassing moet worden gesteld. Deze paragraaf bevat voorwaarden die invulling geven aan de frequentie van de meetgegevensverzameling voor specifieke type meetinrichtingen en dienen te worden behouden. Beide respondenten hebben gelijk; dit is aangepast in artikel 2.2 Invoeringsregeling.
Netbeheer Nederland heeft gewezen op een toekomstig knelpunt rondom het uitvoeren van de meettaak bij de invoeding van groen gas op kleine aansluitingen en hier oplossingsrichtingen voor aangedragen. Deze voorstellen zijn overwogen, maar zijn niet overgenomen. Dit vraagt nader overleg en mogelijk aanpassing van de Energiewet zelf; dat valt buiten de reikwijdte van deze Invoeringsregeling.
De Meetcode gas LNB & Meetcode gas LNB meting door aangeslotene
Hier zijn door respondenten geen opmerkingen over gemaakt.
De Invoedcode gas LNB
Netbeheer Nederland en Gasunie Transport Services (hierna: GTS) in de rol als TSB voor gas, hebben gereageerd op artikel 2.3 van de Invoeringsregeling waarin een aanpassing van de voorwaarden 4.3, 4.4. 4.5 en 4.9 Invoedcode gas LNB werd voorgesteld.
Ten aanzien van voorwaarde 4.3 stelt Netbeheer Nederland voor om te spreken over ‘onderhouden door of namens de invoeder’. Dit is niet overgenomen. Artikel 2.55 Energiewet legt deze taak direct bij de aangeslotene neer. Het staat deze aangeslotene vervolgens vrij om een derde partij in te huren, maar dat hoeft hier niet opgeschreven te worden.
Netbeheer Nederland en GTS hebben ook gereageerd op de aanpassing van voorwaarde 4.4 en 4.5. Voorwaarde 4.4 ziet op het door de TSB voor gas en invoeder gezamenlijk opstellen van een meethandhandboek, waarbij wordt vereist dat de gebruikte methodes en procedures in overeenstemming zijn met relevante (internationale) standaarden. Voorgesteld was om de laatste zin buiten toepassing te verklaren, omdat hierin ruimte wordt geboden om gezamenlijk af te spreken of nieuwe versies van standaarden wel worden toegepast. In de systematiek van de Energiewet is dat namelijk niet iets waar de TSB voor gas en invoeder over beslissen. Voorwaarde 4.5 bevat een opsomming van vier specificaties waar een comptabel meetsysteem bij de invoeding op het transmissiesysteem voor gas aan moet voldoen. Deze specificaties zien op de meetonzekerheid in hoeveelheid energie (per maand en per uur), de beschikbaarheid van gegevens per uur (op jaarbasis) en de maximale storingsduur meting en/of data acquisitie. Voorgesteld werd om de laatste zin van voorwaarde 4.5 buiten toepassing te verklaren, namelijk de zin dat ‘de netbeheerder van het landelijk gastransportnet en de invoeder afwijkende specificaties overeen kunnen komen’. Dat de TSB voor gas en invoeders gezamenlijk overeen kunnen komen dat van algemeen publiekrechtelijke voorschriften kan worden afgeweken past echter niet in de systematiek in de Energiewet (in dit geval voorschriften op grond van artikel 2.55 Energiewet).
Netbeheer Nederland en GTS hebben ten aanzien van voorwaarde 4.5 aangegeven dat in de praktijk wel overeenkomsten met invoeders bestaan waarin op structurele basis wordt afgeweken van de gestelde specificaties. Dit betreft (1) een gasopslagsysteem en (2) de invoeders van groen gas op het transmissiesysteem voor gas. Bij het gasopslagsysteem is een hogere meetonzekerheid afgesproken en bij de invoeders van groen gas is overeengekomen dat voor hen de nauwkeurigheidseisen gelden die zijn opgenomen in de voorwaarden 4.1.3.2 en 4.1.3.3 Meetcode gas RNB. GTS heeft aangegeven dat deze partijen, indien de geciteerde zin in artikel 4.5 buiten toepassing wordt gesteld, niet langer voldoen aan voorwaarden in de Invoedcode gas LNB en de invoeding dan moeten stoppen. In het geval van het gasopslagsysteem raakt dit direct aan de (gas)leveringszekerheid van Nederland en Duitsland, aldus GTS. GTS stelt voor (1) de laatste zin van voorwaarde 4.5 niet buiten toepassing te verklaren, dan wel (2) alsnog te voorzien in een passende overgangstermijn. In reactie op deze inbreng van GTS kan worden opgemerkt dat niet verwacht was dat de voorgestelde aanpassing in voorwaarde 4.5 dergelijke grote negatieve effecten had in de praktijk en dat voor nu wordt afgezien van deze aanpassing. In de voorbereiding van de Invoeringsregeling was onbekend dat GTS en invoeders op structurele basis zijn overeengekomen om af te wijken van de Invoedcode gas LNB. In de reeds lopende voorbereiding voor de ministeriële regeling op het vlak van meetinrichtingen en metingen zal in 2026 verder worden bezien of deze eisen voor invoeding nadere aanpassing behoeven. De aanbeveling van GTS om voldoende implementatietijd te hanteren indien strengere eisen aan betrokken partijen worden gesteld, zal hierin ook worden meegenomen. GTS geeft ten aanzien van voorwaarde 4.4 min of meer hetzelfde aan: er vindt op beperkte schaal afstemming plaats tussen GTS en invoeders over het al dan niet toepassen van nieuwe versies van standaarden in het meethandboek. GTS verwacht dat de voorgestelde aanpassing in voorwaarde 4.4 negatieve impact heeft in de praktijk en stelt onder andere voor deze wijziging nu niet door te voeren. Dit is overgenomen. In de reeds lopende voorbereiding voor de ministeriële regeling op het vlak van meetinrichtingen en metingen zal dit in 2026 verder worden bezien.
Tot slot brengt GTS op dat de toelichting op de voorgestelde aanpassing in artikel 2.3 Invoeringsregeling niet klopt: ‘De NvT zegt op p.12 dat dergelijke afwijkende meetmethoden, meetprocedures en meetspecificaties in strijd zijn met de in de Energiewet opgelegde wettelijke taken en normen. De Energiewet bevat echter geen normen, maar geeft alleen een grondslag om deze normen in lagere regelgeving (zoals MR Meten, Besluit Meetinstrumenten) nader in te vullen. Deze lagere regelgeving is er echter nog niet en de overgangsbepalingen van de Energiewet bepalen dat zolang deze lagere regelgeving er nog niet is, dat de huidige codebepalingen van kracht blijven (dus incl. de in de codes opgenomen, en door ACM vastgestelde, uitzonderingsmogelijkheden).’ Deze interpretatie is niet geheel juist. Er is per 1 januari 2026 in feite geen regelgeving die ontbreekt: de Energiewet, het Energiebesluit, de Energieregeling en de Invoeringsregeling vormen vanaf 1 januari 2026 één afgerond geheel. Dat is ook noodzakelijk omdat bijvoorbeeld artikel 2.55 Energiewet vereist dat regels ‘worden’ gesteld inzake het meten van de invoeding op het gastransmissiesysteem. Artikel 7.52 Energiewet regelt dat de Invoedcode gas LNB (naast andere codes) hierbij de concrete nadere uitwerking van de Energiewet vormt. Correct is dat nog gewerkt wordt aan een ministeriële regeling op het vlak van meetinrichtingen en metingen, die hier op termijn voor in de plaats komt.
De Informatiecode elektriciteit en gas (artikel 2.4 Invoeringsregeling Energiewet)
Enkele partijen hebben gereageerd op artikel 2.4.
Energie-Nederland wijst erop dat vanuit het Ministerie van KGG eerder is aangegeven dat verplichtingen zouden gaan vervallen inzake de gedragscode voor regionale netbeheerders en leveranciers (respectievelijk §10.2 en §10.3 IcEG), maar dat artikel 2.4 nu enkel §10.2 uitzondert van toepassing. Energie-Nederland heeft hierin gelijk, dit is aangevuld in artikel 2.4.
Netbeheer Nederland wijst er op dat voorwaarde 5.1.4 na 1 mei 2026 niet moet vervallen, maar een andere toepassing moet krijgen. Het voorstel deze voorwaarde daarom op te nemen in artikel 2.5, is overgenomen.
Energie-Nederland vraagt aandacht voor het buiten toepassing stellen van hoofdstuk 9 IcEG, wat ziet op het elektronische berichtenverkeer en of hier geen ongewenste neveneffecten optreden. Naar aanleiding van deze reactie is hier nogmaals naar gekeken, maar hier zijn geen knelpunten uit naar voren gekomen. Wel is de toelichting in paragraaf 2.4.2 uitgebreid (zie tabel 17).
De Informatiecode elektriciteit en gas (artikel 2.5 Invoeringsregeling Energiewet)
Netbeheer Nederland stelt voor om in artikel 2.5 op te nemen dat ‘meetinrichtingen waarbij ondanks toepassing van de bepalingen in Meetcode elektriciteit 4.2.3.1 of Meetcode gas RNB 4.2.4.1 nog steeds sprake is van een verstoring van de gegevensoverdracht en ook als zodanig is geregistreerd conform IcEG artikel 2.1.4., onderdeel g, voor de uitvoering van deze regeling mogen worden beschouwd als een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of dit in de toelichting van de regeling te verduidelijken’. Dit voorstel raakt aan de wisselwerking tussen de meettaak van de DSB (artikel 3.57 Energiewet) en van de leverancier (artikel 2.54 Energiewet). Er is voor gekozen om dit in de toelichting (zie paragraaf 2.3.7) te verduidelijken. Kort samengevat kan worden opgemerkt dat voorwaarden 3.13a.1.1 en 5.1.2.1 IcEG blijven gelden, waarmee die betreffende aansluiting in bepaalde situaties onder de meettaak van de leverancier valt.
Netbeheer Nederland heeft nog verschillende voorwaarden aangedragen die ook dienen te worden opgenomen in artikel 2.5. Dit voorstel is overgenomen.
Hoofdstuk 3 Invoeringsregelingbevat enkele artikelen die zien op de meettaak van de DSB vanaf 1 mei 2026. Zoals toegelicht in paragraaf 2.3 ligt deze taak voor die tijd nog veelal bij de leverancier, zoals geregeld onder het regime van de voormalige Gaswet en de voormalige Elektriciteitswet 1998.
Netbeheer Nederland stelt voor om artikel 3.1 zodanig aan te passen dat hoofdstuk 3 niet ziet op de invoeding van gas bij kleine aansluitingen. De reden hiervoor is dat er mogelijk sprake gaat zijn van de invoeding van groen gas via kleine aansluitingen, waar eerder de (huidige) voorschriften voor grote aansluiting passend zijn. Dit voorstel is niet overgenomen omdat een dergelijke (ordenings)keuze niet past in het karakter van deze regeling. Dit zal in 2026 nader bezien worden in de voorbereiding van de regeling inzake meetinrichtingen en metingen.
Zowel Energie-Nederland als Netbeheer Nederland wijzen er op dat het conceptartikel enkel ziet op de uurwaarden voor gas, terwijl de meettaak van de DSB’s juist ook betrekking heeft op het verzamelen van kwartierwaarden voor elektriciteit. Zij stellen voor dit artikel te verbreden. Dit voorstel is overgenomen.
Netbeheer Nederland wijst er ten aanzien van de DSB-meettaak in het tweede lid op dat ‘de tijdigheid van het verzamelen afhankelijk is van de tijdigheid ten behoeve van het proces waarvoor de meterstand nodig is’. Met andere woorden: voor sommige gegevensprocessen is het niet nodig dat alle gegevens direct worden verzameld. Het voorstel van Netbeheer Nederland is overgenomen, het twee lid linkt de verzameling van meetgegevens nu aan de noodzakelijkheid voor de uitvoering van de wettelijke taken van de DSB. Dit kan betekenen dat een meterstand pas enkele dagen of weken na de eigenlijke meetdag wordt verzameld.
Energie-Nederland vraagt (in het kader van de artikelen 3.2 en 3.3) of het klopt dat de DSB iedere dag een poging doet om de meterstand uit te lezen tot en met de 15e werkdag. Dat klopt inderdaad, voor zover het noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken. Zoals hiervoor beschreven is dat niet voor alle gegevensprocessen het geval.
Energie-Nederland benoemt dat de meettaak voor op afstand uitleesbare meetinrichtingen nu bij de DSB ligt en verwijst naar de IcEG-procedures dat een meetinrichting door de DSB als ‘technisch niet uitleesbaar’ wordt geregistreerd, waarna de leverancier de meterstand uitvroeg. Energie-Nederland vraagt hoe de DSB’s dit nu onder de Energiewet gaan invullen en of de leverancier dan ook (handmatig opgenomen) meterstanden kan aanleveren. Energie-Nederland stelt voor dat de DSB in deze situatie na twee weken contact opneemt met de aangeslotene om de meterstand te verzamelen en een fysieke controle van de meetinrichting uit te voeren. Dit zou bijvoorbeeld via een additioneel lid aan artikel 3.3 toegevoegd kunnen worden, aldus Energie-Nederland. Tot slot wijst Energie-Nederland erop dat ook artikel 3.17 Energieregeling aanpassing behoeft, daar de ‘meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert’ daar gekoppeld is aan de leverancier, terwijl dit bij de meettaak van de DSB hoort. In reactie kan worden opgemerkt dat dit raakt aan de vraag van Netbeheer Nederland over de omgang met meetinrichtingen die technisch niet uitleesbaar zijn (zie voorgaande opmerking bij artikel 2.5). Er is nu voor gekozen dat voorwaarden 3.13a.1.1 en 5.1.2.1 IcEG blijven gelden, waarmee de betreffende aansluiting in die situatie onder de meettaak van de leverancier valt. Artikel 3.17 Energieregeling behoeft dan nu ook geen aanpassing. Onder de aparte ministeriële regeling inzake meetinrichtingen en metingen zal bezien worden of dit proces nog aangepast of geoptimaliseerd moet worden en of dan ook artikel 3.17 Energieregeling aanpassing behoeft.
Netbeheer Nederland wijst er op dat in sommige situaties meterstanden weliswaar ontbreken, maar dat het binnen de sectorprocessen onder de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 niet altijd zo is dat deze achteraf alsnog worden berekend; dat is bijvoorbeeld het geval voor dagstanden en intervalstanden (een kwartier voor elektriciteit en een uur voor gas). Het voorstel van Netbeheer Nederland is voor nu overgenomen via de aanvulling dat het berekenen enkel wordt gedaan indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken. Onder de aparte ministeriële regeling inzake meetinrichtingen en metingen zal bezien worden of dit, gelet op het toenemende belang van detailgegevens, niet een standaard proces dient te worden.
Voor de berekening van meterstanden stelt Energie-Nederland ten aanzien van het eerste lid voor ook te verwijzen naar de validatiemethode in de IcEG. Dit is niet overgenomen, omdat deze validatiemethode primair is gebaseerd op de door de aangeslotene zelf afgelezen en doorgegeven meterstanden; de stappen zoals nu opgenomen in het eerste lid dekken de validatie afdoende af.
Energie-Nederland vraagt of het onderscheid tussen valide bevonden meterstanden en de berekende meterstanden wel klopt en of dit niet overlapt. Het onderscheid klopt en er is geen sprake van overlap: een meterstand is ofwel valide, ofwel berekend.
Hoofdstuk 4 van de Invoeringsregeling bevat, in aanvulling op hetgeen is opgenomen in de IcEG en de verschillende meetcodes, regels over het beheer en de uitwisseling van gegevens.
Algemene opmerkingen
Energie-Nederland stelt voor dat de Invoeringsregeling ook invulling gaat geven aan artikel 4.2, derde lid, Energiewet. Dit artikel schrijft voor dat een partij die gegevens verzamelt of bewerkt zorg draagt voor de betrouwbaarheid en volledigheid van die gegevens en redelijke procedures voor correctie van gegevens toepast. Energie-Nederland stelt voor om in de Invoeringsregeling minimaal vast te leggen dat per 1 mei 2026 een aantal gevallen tot herziening van de (historische) meetreeks door de DSB dient te leiden, bijvoorbeeld de omgang van met de hand opgenomen meterstanden door de DSB als vervanging van berekende meterstanden in de situatie dat een op afstand uitleesbare meetinrichting in storing stond (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 van deze Invoeringsregeling). In reactie kan worden opgemerkt dat daar nu in deze Invoeringsregeling geen invulling aan gegeven wordt. Artikel 4.2 Energiewet legt deze verantwoordelijkheid als eerste bij de DSB, die daar dan vanaf 1 mei 2026 ook zelf invulling aan moet geven. Ook hoofdstuk 5 van de IcEG voorziet hier reeds in enige mate in. Bij de voorbereiding van de ministeriële regeling inzake gegevensuitwisseling kan bezien worden of dit een onderwerp is dat daarin ook aandacht behoeft.
Netbeheer Nederland wijst er op dat de GUE voor het wettelijke verplichte identificatie, authenticatie en autorisatieproces (zie artikel 4.20 Energiewet en artikel 4.19 Energiebesluit) logischerwijze ook gebruik zal moeten maken van bepaalde gegevens die geregistreerd worden door de TSB of DSB, zoals de naam van de aangeslotene. Netbeheer Nederland vraagt zich af of dit nu afdoende geregeld is binnen het bredere kader van de Energiewet. In reactie kan worden opgemerkt dat artikel 4.9 Energiewet in combinatie met artikel 4.16 Energiewet en de navolgende artikelen dit afdoende regelt. Voor de verstrekking van de gegevens dient de DSB op grond van artikel 4.9 Energiewet de GUE toegang tot zijn register te geven, dit ter uitvoering van artikel 4.16 Energiewet. Artikel 4.16 bevat de kerntaken van de GUE, namelijk dat deze de toegang tot en uitwisseling van de gegevens bedoeld in de artikelen 4.8 tot en met 4.12 Energiewet faciliteert. In de artikelen 4.17 tot en met 4.21 Energiewet zijn vervolgens allerlei extra voorschriften ten behoeve van de uitvoering van deze kerntaak opgenomen, waaronder de identificatie (artikel 4.20). Dit blijkt ook uit de verwijzing in artikel 4.20 naar de kerntaak in 4.16 (‘De gegevensuitwisselingsentiteit neemt bij het verlenen van toegang tot gegevens passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen ter identificatie, authenticatie en autorisatie’). Bezien zal worden of dit punt op wetsniveau verder verduidelijkt kan worden bij een toekomstige wijziging van de Energiewet, maar voor nu wordt de combinatie van de verschillende artikelen als afdoende gezien voor zowel de GUE als de DSB’s bij de praktische uitvoering van het identificatieproces.
Verder verzocht het Normo (in de rol van GUE) om verduidelijking of registerbeheerders per 1 januari 2026 ook aangewezen worden. Dat is niet het geval. De artikelen 4.5 tot en met 4.7 Energiewet bepalen direct welke partijen een register dienen bij te houden; er is dus geen aparte aanwijzing noodzakelijk. De artikelen 4.6 en 4.7 van deze Invoeringsregeling benoemen deze partijen ook en dit is ook in de toelichting nog opgenomen (zie paragraaf 2.4.6).
Energie-Nederland geeft aan dat per 1 mei 2026 de registers niet volledig gevuld zullen zijn en stelt dat hiervoor de gehele keten onstabiel wordt. Energie-Nederland stelt voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 uit te stellen tot het moment dat 98%-dekking is gerealiseerd. Dit voorstel is overwogen, maar niet overgenomen. Er is in de voorbereiding van de Invoeringsregeling veel overleg gevoerd met allerlei betrokken partijen; aan overgangsmomenten die daaruit gekomen zijn wordt vastgehouden.
Netbeheer Nederland geeft ten aanzien van de artikelen 4.1 tot en met 4.3 van de onderhavige Invoeringsregeling aan het uitgangspunt van het ter beschikking stellen van gegevens uit bijvoorbeeld de IcEG te ondersteunen, maar geeft ook aan dat de realisatie hiervan tijd vraagt, onder meer vanwege de afhankelijkheid met het in te regelen identificatieproces. Netbeheer Nederland stelt, in samenspraak met de GUE, voor om als bijlage bij deze regeling een lijst op te nemen met alle gegevens die gedeeld kunnen gaan worden. Dit voorstel is overgenomen en deze bijlage maakt nu onderdeel uit van de onderhavige Invoeringsregeling (zie bijlage II). Deze bijlage geeft duidelijkheid welke gegevens gedeeld kunnen worden en voorziet met bijvoorbeeld het delen van meetgegevens, in de belangrijkste behoeften. Bij de voorbereiding van de aparte ministeriële regeling inzake gegevensuitwisseling kan bezien worden of deze bijlage nog aanpassing behoeft.
Netbeheer Nederland gaf verder aan dat in artikel 4.1 de formulering ‘onmiddellijk’ niet uitvoerbaar is en stelt voor dit te vervangen met ‘zo spoedig mogelijk’. Dit voorstel is overgenomen.
GTS vroeg, mede in het licht van de formulering van artikel 4.2 van de (concept)regeling, of het klopt dat artikel 4.1 enkel zag op kleine aansluitingen en niet op grote (gas-)aansluitingen. Dat is niet het geval en de mogelijk verwarrende formulering in artikel 4.2 is aangepast. Vanuit zowel de Elektriciteitsrichtlijn als de nieuwe Gasrichtlijn is duidelijk dat alle aangeslotenen/eindafnemers het recht hebben om hun gegevens te delen. De Energiewet maakt hier dan ook geen onderscheid tussen (zie artikel 4.1, tweede lid, onderdelen b en c).
Artikel 4.2 van deze Invoeringsregeling regelt de overgang van de systematiek van gegevensdelen onder artikel 26ab van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b van de voormalige Gaswet naar de nieuwe situatie onder de Energiewet. Diverse partijen hebben opmerkingen en suggesties gedaan bij de voorgestelde formulering van artikel 4.2. Naar aanleiding daarvan is artikel 4.2 herzien en de toelichting uitgebreid (zie paragraaf 2.4.5 van deze toelichting). Vermeldenswaard is dat bij de herziening zoveel als mogelijk is aangesloten bij de formulering in de genoemde artikelen 26ab en 13b, ook om te voorkomen dat er onbedoeld barrières optreden bij de uitvoering van deze overgangsbepaling. Het is immers de bedoeling dat de oude systematiek nog enige tijd blijft functioneren en alle betrokkenen de tijd hebben om hun (werk-)processen aan te passen naar de nieuwe situatie.
Daarnaast is de doorlooptermijn relevant te melden. Voor het doorlopen van de mandaten onder artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b Gaswet was in artikel 4.2 als einddatum 31 december 2027 opgenomen. Voor toestemmingen afgegeven voor 1 januari 2027 dienden de DSB’s dan nog tot 31 december 2027 meetgegevens te verstrekken. Energie-Nederland, het Normo (in de rol van GUE) en een groep van ODA’s hebben aangegeven dat de voorgestelde termijn te beperkt is. Energie-Nederland wijst er op dat de GUE de nieuwe identificatieprocessen nog niet gereed heeft en dat informatie hierover ook nog ontbreekt. Door de knip op 1 januari 2027 wordt de voorbereidingstijd bijzonder kort, terwijl een dergelijke overgang goed moet worden voorbereid qua communicatie, aanpassing van bestaande (IT-)processen etc. Vanuit de ODA’s is er op gewezen dat er nu breed gebruik gemaakt wordt van het proces onder artikel 26ab Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b Gaswet en dat naar hun optiek het huidige identificatieproces44 eenvoudig, vertrouwd en toegankelijk is. Er wordt op gewezen dat een nieuw identificatiemechanisme tot extra regeldruk kan leiden en afhakende gebruikers. De ODA’s wijzen er op dat er nog veel technische en operationele vragen zijn, bijvoorbeeld (1) mandaten voor meerdere aansluitingen in één keer, (2) mandaten voor toekomstige dataproducten, (3) validatiemechanismen voor aansluit- en transportovereenkomsten, (4) registratie van de mandaten en manier van beëindigen, (5) service levels van de GUE, (6) het fallback scenario als de GUE faalt in de realisatie en (7) omgang met afwijzingen van aanvragen. In dit licht is voorgesteld een overgangsperiode van vier jaar te hanteren, dus tot en met 31 december 2029. In deze periode wordt, nadat de GUE de voorbereidingen heeft afgerond, vanaf april 2027 de nieuwe identificatieprocedure vrijwillig gebruikt. Vanaf oktober 2027 wordt deze procedure dan verplicht, maar blijft de oorspronkelijke procedure als terugvalmogelijkheid bestaan. Vanaf oktober 2028 vervalt deze terugvalmogelijkheid en worden alle bestaande mandaten overgezet naar het nieuwe proces; dit moet dan in december 2029 afgerond zijn aldus de ODA’s.
Gelet op de bovenstaande reacties is de aanvankelijke einddatum van deze overgangsbepaling verlengd naar 31 december 2028, waarbij het afgeven van nieuwe toestemmingen vanaf 1 januari 2028 niet meer mogelijk is. Op deze manier is tegemoet gekomen aan de bezwaren vanuit betrokken sectorpartijen, maar is wel geborgd dat de overgang naar de nieuwe systematiek onder de Energiewet wordt ingezet.
Energie-Nederland vraagt wat in artikel 4.3 precies wordt bedoeld met ‘het verstrekken van gegevens via de GUE-faciliteit’; het is voor hen onduidelijk wat deze faciliteit precies inhoudt voor marktpartijen. Naar aanleiding van deze reactie is de toelichting in paragraaf 2.4.4 uitgebreid. Verwezen is naar de formulering in artikel 4.16 waarin staat dat het hier gaat om ‘een of meerdere faciliteiten voor de toegang tot en de uitwisseling van gegevens, met toepassing van een elektronisch communicatiesysteem of een op basis van de afspraken, bedoeld in artikel 4.25, gekozen systeem’. In paragraaf 2.4.3 is verwezen naar de uitleg in de memorie van toelichting bij de wet. Hieruit blijkt dat deze faciliteit vanuit de GUE bijvoorbeeld kan bestaan uit het gestandaardiseerde ‘elektronische berichtenverkeer’ zoals dat in de IcEG was opgenomen, maar ook uit een set aan maatwerkafspraken waarin slechts enkele partijen zijn betrokken. Een soortgelijke vraag wordt door het Normo (in de rol van GUE) gesteld, waarbij ook wordt aangegeven dat vanuit de GUE, naast de bekende gegevensprocessen vanuit de IcEG, gewerkt wordt aan het maken van aparte afspraken in een convenant met bijvoorbeeld de DSB’s. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat een dergelijke set aan afspraken goed past in de opzet van artikel 4.16 Energiewet.
Energie-Nederland verwijst ook naar onduidelijkheid in dit kader voor beheerders van gesloten systemen; van welke faciliteit moeten zij gebruik maken? In reactie kan worden opgemerkt dat dit, in lijn met artikel 4.16 Energiewet, een elektronisch communicatiesysteem kan zijn of een set aan afspraken opgesteld door de GUE. Navraag leert dat slechts een deel van de beheerders van gesloten systemen gebruik maakt van het ‘elektronisch berichtenverkeer’ zoals dat in hoofdstuk 9 van de IcEG was opgenomen. Voor de overige gesloten systemen geldt dat ze via andere methoden gegevens uitwisselen, bijvoorbeeld via e-mail. Deze praktijk kan in het licht van artikel 4.16 in beginsel gecontinueerd worden; wel zal bij de voorbereiding van de aparte ministeriële regeling inzake gegevensuitwisseling worden bezien of deze praktijk nog aandacht behoeft. Deze praktijk kan voor individuele aangeslotenen namelijk ook een belemmering vormen voor bepaalde rechten, zoals snel overstappen van leverancier, de mogelijkheid om gegevens te delen, etc.
Netbeheer Nederland vraagt of er geen bepaling mist waarbij de gegevensuitwisseling op basis van de IcEG (zoals deze van toepassing is per ingangsdatum van deze regeling) wordt geacht het resultaat te zijn van de invulling van de bedoelde afspraken in artikel 4.25, eerste lid, Energiewet. Dat is niet het geval. Op grond van de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet worden de voorwaarden in de IcEG geacht de invulling te zijn van de in die artikelen opgenomen in delegatiegrondslagen in de Energiewet. Het is niet nodig dat nogmaals vast te leggen.
Voor wat betreft artikel 4.4 vindt Netbeheer Nederland dat de aanhef een andere invulling suggereert van de aanlevering van gegevens en stelt voor ‘over conventionele meters’ uit de aanhef te verwijderen. De aanhef is gewijzigd en ‘conventionele meters’ is weggelaten.
Daarnaast geeft Netbeheer Nederland aan dat in het eerste lid van artikel 4.4 de verwijzing naar artikel 5.3, onderdelen a en b, moet worden vervangen door een opsomming van alle gegevens van de aangeslotene die een leverancier aan de DSB dient aan te leveren. Het artikel is gewijzigd en bevat een verwijzing naar voorwaarde 2.1.3, onder a, van de IcEG en een verwijzing naar artikel 5.3, onderdeel b, voor zover een leverancier over die gegevens beschikt. Ook moet volgens Netbeheer Nederland in het eerste lid ‘op een kleine aansluiting’ vervangen worden door ‘op een primair allocatiepunt bij een kleine aansluiting’. Dat is overgenomen.
Ten aanzien van artikel 4.4, tweede lid, geeft Netbeheer Nederland aan dat een verwijzing naar het eerste en tweede lid van artikel 4.5 opgenomen moeten worden en dat de gegevens per primair allocatiepunt verstrekt moeten worden. Het artikel is op basis van de opmerking over de gegevens aangepast. De opmerking over het primaire allocatiepunt behoeft geen nadere verduidelijking.
Over artikel 4.5, eerste lid, zegt Netbeheer Nederland dat in plaats van de gegevens genoemd in voorwaarde 2.1.3 (met uitzondering van de onderdelen f en g) van de IcEG het artikel de naam van de aangeslotene moet bevatten. Netbeheer Nederland stelt daarnaast voor om de zinsnede ‘onverminderd artikel 4.4’ te schrappen, omdat artikel 4.5, eerste lid, de structurele gegevensuitwisseling door de leverancier betreft en losstaat van de eenmalige verstrekkingen zoals beschreven in artikel 4.4. Deze opmerkingen zijn overgenomen in het gewijzigde artikel. Ook zou volgens Netbeheer Nederland de gegevensverstrekking net als in het tweede lid moeten gelden voor ‘een leverancier die actief is of wordt’ en niet alleen voor de actieve leverancier en dient volgens Netbeheer Nederland dezelfde termijn als in het tweede lid genoemd moeten worden. Het eerste en tweede lid zijn samengevoegd waardoor deze problemen zijn opgelost.
Netbeheer Nederland stelt voor wat betreft artikel 4.5, tweede lid, dat de termijn ‘uiterlijk de volgende dag’ dient te zijn en doet de suggestie dit op te nemen in de aanhef van het lid. In het tweede lid is de termijn verduidelijkt naar ‘uiterlijk een werkdag nadat deze zijn verkregen, doch uiterlijk binnen een werkdag nadat de betreffende leverancier actief is geworden op een primair allocatiepunt’. De opmerking van Netbeheer Nederland dat ‘indien deze zijn verkregen’ geldt voor alle gegevens in dit lid, is niet overgenomen. Wel is voldaan aan de suggestie van Netbeheer Nederland om aan onderdeel c ‘indien dit afwijkt van het adres van de aansluiting’ toe te voegen, door te verwijzen naar voorwaarde 3.3.1.1, onder g, van de IcEG.
Verder merkt Netbeheer Nederland op dat het derde lid van artikel 4.5 niet sluitend is voor wat betreft de aansluiting en doet de suggestie ‘een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt bij een kleine aansluiting’. Dit is overgenomen.
Tot slot geeft Netbeheer Nederland aan dat artikel 4.5, vierde lid, niet alleen van toepassing is op de gegevensverstrekking bedoeld in het derde lid, maar ook van toepassing op de gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, en verzoekt daarom ‘derde lid’ te vervangen door ‘eerste tot en met derde lid’. Met een aanpassing van het artikel is het tweede lid toegevoegd.
Energie-Nederland merkt ten aanzien van artikel 4.4, eerste lid, op dat de enige data die een leverancier kan verstrekken de naam van de aangeslotene en het telefoonnummer zijn en DSB’s de overige gegevens voor handen hebben. Energie-Nederland vraagt om gegevensverwerkingen in te perken of de verwijzing naar artikel 5.3, onderdelen a en b, vervangen kan worden door een verwijzing naar de gegevens in de IcEG die de leverancier aanvullend heeft op de gegevens van de DSB. In de incidentele, vaste momenten zoals benoemd in artikel 4.4 is ervoor gekozen om in één keer de benodigde gegevens voor de DSB’s te laten verstrekken door de leveranciers. Dit is de meest doelmatige en doeltreffende wijze van gegevensverstrekking.
Over artikel 4.5, tweede lid, onderdeel c, stelt Energie-Nederland voor dat de leverancier een inspanningsverplichting krijgt om het correspondentieadres uit te vragen als deze afwijkt van het leveringsadres en om toe te voegen ‘in voorkomend [geval]’. Dit wordt niet overgenomen; het correspondentieadres indien dit afwijkt van het adres van de aansluiting is noodzakelijk voor het versturen van brieven door DSB en het toezicht door RDI. Energie-Nederland stelt voor onderdeel e van het tweede lid te verwijderen, omdat het type aangeslotene voor de DSB niet relevant is (onderscheid tussen een aangeslotene met een kleine aansluiting respectievelijk grote aansluiting is voldoende). Daarmee zou de gegevensverstrekking niet stroken met het onder andere het noodzakelijkheidsvereiste vanuit de AVG. Deze suggestie is niet overgenomen, omdat het type aangeslotene nodig is voor goede datakwaliteit. Zo is het bijvoorbeeld voor een DSB relevant te weten of hij te maken heeft met een huishoudelijk eindafnemer, omdat daar doorgaans een geboortedatum bij past in plaats van een KvK-nummer.
Het Normo stelt voor om in artikel 4.4, tweede lid, ‘indien beschikbaar’ te verwijderen, omdat de GUE moet kunnen vertrouwen op juiste gegevens in de registers. Dit voorstel van het Normo wordt niet overgenomen. Leveranciers moeten vanaf de tweede helft van mei 2026 bepaalde aanvullende gegevens van de aangeslotene verzamelen en aanleveren ten behoeve van het aansluitingenregister. Omdat artikel 4.4, tweede lid, ziet op de eenmalige aanlevering van alle reeds verzamelde gegevens, staat hierin de disclaimer ‘voor zover hij daarover beschikt’ opgenomen. Tot aan de tweede helft van mei 2026 hoeven deze gegevens immers niet verplicht verzameld te worden. Om de uitvoeringslasten van leveranciers te beperken, is ervoor gekozen om deze nieuwe gegevens te verzamelen op momenten dat een nieuwe leveringsovereenkomst wordt afgesloten. Dit is opgenomen in artikel 4.5, eerste lid, van deze Invoeringsregeling. Hiervan zal sprake zijn bij een inhuizing, een overstap, maar ook bij verlenging van een bestaande leveringsovereenkomst. Hiermee wordt voorkomen dat leveranciers al hun klanten gelijktijdig moeten aanschrijven ter aanlevering van de hierin opgenomen gegevens.
Voor wat betreft artikel 4.5, tweede lid, onder d stelt het Normo dat de gegevens ‘geboortedatum’ en ‘KvK-nummer’ verplicht moeten worden geleverd. Het artikel wordt aangepast en er wordt verwezen naar voorwaarde 3.3.1.1, onder j en onder k van de IcEG. Het zinsdeel ‘indien de leverancier hierover beschikt’ is hierbij van belang voor uitzonderingen. Zo zijn er bijvoorbeeld organisaties zonder een KvK-nummer, bijvoorbeeld kerken.
Meerdere respondenten hebben gevraagd om ‘de transmissiesysteembeheerder’ uit dit artikel weg te laten omdat er geen kleine aansluitingen zijn op het systeem van deze systeembeheerders. Gelet op de meettaken zoals opgenomen in de Energiewet, hebben deze respondenten gelijk; het artikel is aangepast.
Netbeheer Nederland geeft bij dit artikel aan dat volume over een periode gaat terwijl er ook andersoortige metingen zijn die over een moment gaan. Ook wijst Netbeheer Nederland er op dat in deze situatie energiehoeveelheden (bijvoorbeeld kWh) worden aangeleverd en niet altijd gasvolumes. Dit is met een aangepaste formulering opgelost.
Verder vraagt het Normo (in de rol van GUE) op welke geregistreerde gegevens gedoeld wordt in onderdeel d van dit artikel. Omdat de IcEG en de registers, zoals bepaald in deze Invoeringsregeling, voor zolang als de Invoeringsregeling duurt, naast elkaar zullen bestaan, is het nodig om ook de juridische basis voor de bestaande geregistreerde gegevens in stand te houden. Het gaat dus om alle geregistreerde gegevens uit de artikelen uit de IcEG die geldig zijn na 1 januari 2026.
Op basis van opmerkingen van Netbeheer Nederland en het Normo is aangescherpt dat dit artikel alleen voor DSB’s geldt en is de opsomming in het tweede lid vereenvoudigd.
Op basis van opmerkingen van Energie-Nederland is de toelichting opgenomen dat de bewaartermijnen in het eerste lid aanvullend (ten opzichte van de IcEG) van toepassing zijn op de kwartierstanden elektriciteit/uurstanden gas. Verder had Energie-Nederland de zorg dat leveranciers niet meer konden voldoen aan artikel 2.14 van de Energieregeling, maar in deze bepaling blijven de dagstanden (om 0.00 uur) bewaard, mede voor het doel van artikel 2.14 van de Energieregeling.
Naar aanleiding van opmerkingen en suggesties van Netbeheer Nederland is de opsomming aan codes in het derde lid gecorrigeerd en is op basis van artikel 4.1 van deze Invoeringsregeling een bijlage opgenomen waarin gesteld wordt welke gegevens (op niveau van attributen) minimaal beschikbaar moeten zijn voor datadelen voor kleine en grote aansluitingen.
Energie-Nederland en het Normo vragen hoe de genoemde bewaartermijnen zich verhouden ten opzichte van andere verjarings- en bewaartermijnen (bijv. in de Meetcode elektriciteit). In reactie kan gemeld worden dat alle wettelijk gestelde termijnen gelden. Dus de bewaartermijn die in deze regeling gesteld wordt is van toepassing, tenzij een voorwaarde in de IcEG of een van de codes een langere bewaartermijn voorschrijft. In die situatie geldt de langere bewaartermijn.
Netbeheer Nederland wees er terecht op dat dit artikel pas moet gaan gelden vanaf 1 mei 2026. Dit was per abuis niet opgenomen. Het artikel is aangepast. Een individuele respondent en Energie-Nederland gaven aan dat het onduidelijk is of in dit artikel ook gedoeld wordt op de kwartierstanden bij elektriciteit en uurstanden voor gas. Om dit te verhelderen is, mede op advies van Netbeheer Nederland, opgenomen dat het gaat om meterstanden op het tijdstip 0.00 uur. Voor standen van een hogere granulariteit (kwartier- en uurstanden) blijft voorlopig het bestaande proces met (P4- en ODA)mandaten nog van kracht; dit is uitgewerkt in artikel 4.2 van deze Invoeringsregeling. Via dat proces kunnen, zoals dat reeds in praktijk werd gebracht onder artikel 26ab van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b van de voormalige Gaswet, meetgegevens worden opgevraagd op basis van toestemming en met een of meerdere doelen.
Het Normo (in de rol van GUE) vraagt om welke gebruiker het gaat in dit artikel. In reactie kan worden opgemerkt dat dit blijkt uit (i) de context van 4.1 van de onderhavige regeling, die (ii) weer verwijst naar 4.1, onderdelen b en c, Energiewet.
Netbeheer Nederland stelt de vraag waarom het specifieke voorbeeld van het referentienummer in het artikel opgenomen is. De reden hierachter is omdat de zorg om dit soort nummers met de nieuwe wetgeving niet meer te kunnen delen meermaals op is gekomen in de afstemming met de sector. Om die zorg expliciet weg te nemen staat het nu in dit artikel genoemd.
Er zijn geen opmerkingen ontvangen over artikel 4.14 van deze regeling.
Hoofdstuk 5 van de Invoeringsregeling bevat enkele artikelen ten behoeve van de uitfasering van specifieke meetinrichtingen en het eventueel daaropvolgende toezicht door de RDI.
Netbeheer Nederland wijst op een verkeerde verwijzing in artikel 5.2, eerste lid, onderdelen c en d. Deze onderdelen verwijzen naar de meetinrichting in onderdeel a van het artikel, terwijl de meetinrichtingen in onderdeel a niet voldoen. Netbeheer Nederland stelt voor dit aan te passen en dit advies is overgenomen. In de onderdelen c en d wordt nu conform de suggestie van Netbeheer Nederland verwezen naar meetinrichtingen die voldoen aan de krachtens artikel 2.46, derde lid, van de wet gestelde eisen.
Het Normo, een individuele sectorpartij, Netbeheer Nederland en Energie-Nederland geven aan dat artikel 5.3 niet volledig is voor wat betreft door de DSB te verstrekken gegevens ten behoeve van de toezichtstaak van de minister. Per abuis zijn e-mailadres, correspondentieadres, KvK-nummer en geboortedatum inderdaad niet meegenomen, zoals eerder afgestemd; deze zijn alsnog toegevoegd aan de gegevens die verstrekt dienen te worden.
Hoofdstuk 6 regelt via twee artikelen de markttoegang voor de zogeheten nieuwe actoren. Netbeheer Nederland heeft een aantal tekstuele suggesties gedaan voor de toelichting, welke zijn overgenomen.
Wijziging Mijnbouwregeling
Netbeheer Nederland en GTS hebben een opmerking gemaakt bij artikel 7.2, dat betrekking heeft op de Mijnbouwregeling. GTS merkt op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak45 heeft geoordeeld dat een retributie die GTS moest betalen voor het toezicht door het Staatstoezicht op de Mijnen niet in stand kon blijven. Deze retributie is opgenomen in bijlage 15, onderdeel C, aanhef en onderdeel b, bij de Mijnbouwregeling. Onderhavige Invoeringsregeling bevatte met artikel 7.2 een wetstechnische aanpassing van die retributiebepaling. GTS stelt dat het in de toekomst wenselijk is dat dit artikel wordt gewijzigd, gelet op de hiervoor aangehaalde uitspraak. Van deze wens is kennisgenomen. Besloten is in onderhavige Invoeringsregeling is geen aanpassing van de Mijnbouwregeling opgenomen. Het betreffende artikel 7.2 is geschrapt. De benodigde aanpassing is nu opgenomen in een regeling die specifiek is gericht op wijziging van de Mijnbouwregeling, en die eveneens in werking treedt met ingang van 1 januari 2026.
Wijziging Regeling doorberekening kosten ACM
VMNed heeft ten aanzien van artikel 7.2 (in consultatieversie artikel 7.3), dat wijziging van de Regeling doorberekening kosten ACM betreft, helderheid gevraagd over de verschuldigde retributie voor erkenning van een meetverantwoordelijke partij. VMNed vraagt of de verschuldigde retributie geldt ongeacht het aantal energiestromen waarvoor een meetverantwoordelijke de aanvraag doet. Dit is niet het geval, de retributie geldt per aanvraag voor een erkenning die ziet op elektriciteit of gas. De bepaling is hierop aangepast.
Wijziging Energieregeling
Artikel 8.4 regelt de wijziging van de Energieregeling via een nieuw artikel 2.50 indien artikel 4.9 en afdeling 4.3 van het Energiebesluit in werking treden. Energie-Nederland geeft aan de inbedding van deze submeetverantwoordelijke partij binnen het verdere ketenproces te missen en suggereert dat een erkenning pas kan worden afgegeven als het erkenningskader is gepubliceerd. In reactie kan worden opgemerkt dat het hier gaat om rechtstreeks werkende rechten en plichten vanuit de Elektriciteitsverordening, waarbij Nederland moet voorzien in een bijpassend kader. Er is nu tot 1 juli 2027 tijd gecreëerd deze inbedding technisch goed te regelen46, terwijl parallel hieraan ook de erkenningsverlening door de ACM kan worden voorbereid.
Ten aanzien van de Energieregeling heeft Energie-Nederland ook voorgesteld om artikel 2.28, tweede lid, uit te breiden met het type eindafnemer. Energie-Nederland merkt op dat dit relevant is voor het delen van gegevens in het kader van de procedure leveringszekerheid. Naar aanleiding hiervan is artikel 2.28 Energieregeling aangevuld.
Transponeringstabel (i) voorstel van wet ten opzichte van (ii) het gewijzigde voorstel van wet. De linkerkolom bevat de nummering van artikelen ten tijde van de behandeling in de Tweede Kamer, inclusief nota’s van wijziging en aangenomen amendementen. De rechterkolom bevat de nieuwe nummering, zoals gewijzigd door de regering en door de Tweede Kamer; dat is ook de nummering in Kamerstuk I 2023/24 36 378, nr. A.
|
Voorstel van wet (Tweede Kamer) |
Gewijzigd voorstel van wet (Eerste Kamer)1 |
|---|---|
|
Hoofdstuk 1 |
|
|
Artikelen 1.1 t/m 1.6 |
Ongewijzigd |
|
Artikel 1.7 |
Ongewijzigd |
|
Hoofdstuk 2 |
|
|
Artikelen 2.1 t/m 2.24 |
Ongewijzigd |
|
Artikel 2.24a |
Artikel 2.25 |
|
Artikelen 2.25 t/m 2.28 |
Artikelen 2.26 t/m 2.29 |
|
Artikel 2.28a |
Artikel 2.30 |
|
Artikel 2.29 t/m 2.66 |
Artikelen 2.31 t/m 2.68 |
|
Hoofdstuk 3 |
|
|
Artikelen 3.1 t/m 3.88 |
Ongewijzigd |
|
Artikel 3.88a |
Artikel 3.89 |
|
Artikelen 3.89 t/m 3.129 |
Artikelen 3.90 t/m 3.130 |
|
Hoofdstuk 4 |
|
|
Artikelen 4.1 t/m 4.25 |
Ongewijzigd |
|
Hoofdstuk 5 |
|
|
Artikelen 5.1 t/m 5.27 |
Ongewijzigd |
|
Hoofdstuk 6 |
|
|
Artikelen 6.1 t/m 6.3 |
Ongewijzigd |
|
Artikelen 6.3a en 6.3b |
Artikelen 6.4 en 6.5 |
|
Artikelen 6.3c en 6.3d |
Artikelen 6.6 en 6.7 |
|
Artikelen 6.4 t/m 6.10 |
Artikelen 6.8 t/m 6.14 |
|
Hoofdstuk 7 |
|
|
Artikelen 7.1 t/m 7.7 |
Ongewijzigd |
|
Artikel 7.7a (am. 85) |
Artikel 7.8 |
|
Artikel 7.8 t/m 7.18 |
Artikelen 7.9 t/m 7.19 |
|
Artikel 7.18a |
Artikel 7.20 |
|
Artikel 7.19 |
Artikel 7.21 |
|
Artikel 7.19a |
Artikel 7.22 |
|
Artikelen 7.20 t/m 7.32 |
Artikelen 7.23 t/m 7.35 |
|
Artikel 7.33 |
Vervallen |
|
Artikelen 7.34 t/m 7.49 |
Artikelen 7.36 t/m 7.51 |
|
Artikelen 7.49a en 7.49b |
Artikelen 7.52 en 7.53 |
|
Artikel 7.50 |
Vervallen |
|
Artikel 7.51 |
Artikel 7.54 |
|
Artikel 7.51a |
Artikel 7.55 |
|
Artikelen 7.52 en 7.53 |
Artikel 7.56 en 7.57 |
Onder de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet waren veel verschillende ministeriële regelingen opgenomen, welke soms ook gelinkt waren aan andere wet- en regelgeving (anders dan de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet). Deze bijlage bevat een overzicht van de omgang met deze regelingen.
Via de Invoeringsregeling zijn de onderstaande regelingen ingetrokken. Voor een deel van deze regelingen geldt dat de inhoudelijke voorschriften onderdeel zijn geworden van het regime van de Energiewet, bijvoorbeeld als onderdeel van de Energieregeling, het Energiebesluit of de Energiewet.
|
Vervallen regelingen |
Toelichting / (deels) overgezet in: |
|---|---|
|
Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet |
Energieregeling, afdelingen 2.1, 2.2 en 2.3 |
|
Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas |
Energieregeling, artikel 2.42, tweede lid (inzake afdracht); vervalt verder omdat grondslag voor de Informatiecode elektriciteit en gas is vervallen |
|
Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas |
Energieregeling, afdeling 2.4 |
|
Regeling gaskwaliteit |
Energieregeling, artikel 3.16 |
|
Regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht |
Energiewet, artikel 3.42 en Energieregeling, artikel 3.14 |
|
Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas |
Energieregeling, paragraaf 3.1.1 en afdeling 3.7 |
|
Regeling kostenverhaal beschikkingen van de Minister van Economische Zaken op energiegebied |
Energieregeling, artikel 4.6 en Regeling doorberekening kosten ACM (wijziging via artikel 7.2 Invoeringsregeling Energiewet) |
|
Regeling toegang tot LNG-installaties |
Energieregeling, artikel 3.43 |
|
Regeling melding wijziging zeggenschap Elektriciteitswet 1998 en Gaswet |
Energiewet, artikel 6.3 en Energieregeling, artikel 4.4 |
|
Regeling nadere invulling technische of economische noodzaak derdentoegang gasopslaginstallaties |
Energiebesluit, artikel 3.46a en Energieregeling, artikel 3.43 |
|
Uitvoeringsregeling Gaswet |
Energieregeling, artikel 3.22 en 3.23 |
Via de Invoeringsregeling zijn de onderstaande regelingen ingetrokken. Voor de meeste van deze regelingen geldt dat zij, soms 15–20 jaar na inwerkingtreding, hun functie hadden verloren.
|
Vervallen regelingen |
Toelichting |
|---|---|
|
Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit |
Geen grondslag meer voor in regime Energiewet; betreft exclusieve bevoegdheid van de ACM (zie afdeling 3.6 Energiewet). |
|
Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden gas |
|
|
Regeling houdende nadere regels ten aanzien van de invoer en uitvoer van elektriciteit |
Is verouderd. |
|
Regeling niet-bedrijfsmatige levering aan kleinverbruikers Elektriciteitswet 1998 |
Is verouderd. |
|
Regeling kooldioxide-index warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 |
Is verouderd; geen grondslag meer voor in regime Energiewet. |
|
Wijzigingsregeling Regeling subsidiebedragen milieukwaliteit elektriciteitsproductie 2005 |
Is verouderd. |
|
Wijzigingsregeling Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet, enz. (uitvoering marktmodel) |
Is verouderd. |
|
Regeling splitsingsplannen |
Materieel uitgewerkt. |
|
Regeling zekerheidsstelling voor de levering van gas aan vergunninghouders |
Is verouderd. |
|
Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding |
Is verouderd. |
|
Inzake meten/meetinrichtingen |
|
|
Regeling meettarieven elektriciteit 2008 |
Materieel uitgewerkt. |
|
Regeling meettarieven elektriciteit 2009; |
Materieel uitgewerkt. |
|
Regeling meettarieven elektriciteit 2010; |
Materieel uitgewerkt |
|
Regeling meettarieven |
Overgangsbepaling in artikel 7.41 Energiewet. |
|
Regeling vergoeding prioriteitsplaatsing op afstand uitleesbare meetinrichtingen 2015 |
Geen grondslag meer in Energiewet; overgangsbepaling in artikel 7.28, vijfde lid, Energiewet |
|
Regeling vergoeding derdenplaatsing op afstand uitleesbare meetinrichtingen |
Geen grondslag meer in Energiewet |
|
Garanties van oorsprong; certificaten |
|
|
Wijzigingsregeling Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 (vaststellen nadere eisen aan afgifte certificaten voor opwekken van WKK-elektriciteit) |
Materieel uitgewerkt |
|
Wijzigingsregeling Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit |
Bevat nog overgangsrecht, maar dat is overgenomen door Energiewet. |
|
Wijzigingsregeling Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (vaststellen meetvoorwaarden voor de nuttige aanwending van warmte) |
Materieel uitgewerkt |
|
Wijzigingsregeling Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (implementatie richtlijn 2009/28/EG en wijzigingen biomassaverklaringen) |
Materieel uitgewerkt |
Via de Invoeringsregeling zijn de volgende regelingen gewijzigd, maar zij blijven materieel wel bestaan. Vaak gaat het om het wijzigen en/of actualiseren van verwijzingen naar de voormalige Elektriciteitswet 1998 en de voormalige Gaswet. Het gaat om de volgende regelingen:
– Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
– Regeling doorberekening kosten ACM;
– Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong
– Regeling handel in emissierechten;
– Regeling nationale EZ, LVVN- en KGG-subsidies;
– Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse;
– Uitvoeringsregeling nadeelcompensatie verbod laagcalorisch gas grootste afnemers.
Voor de Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding is overgangsrecht opgenomen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Wet van 11 december 2024, houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiewet), Stb. 2025, 12.
Besluit van 3 november 2025, houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (Energiebesluit), Stb. 2025, 347.
Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 november 2025, nr. WJZ/102130805, houdende regels ter uitvoering van de Energiewet en het Energiebesluit (Energieregeling), Stcrt. 2025, 37730.
Kamerstukken II 2023/24, 36 378, nr. 13; zie onderdeel U en V. De twee genoemde artikelen werden toen nog aangeduid als de artikelen 7.49a en 7.49b.
Dit zijn (i) het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen en (ii) het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Dit zijn de Meetcode Elektriciteit, de Meetcode gas RNB, de Meetcode gas LNB, de Meetcodegas LNB meting door aangeslotene.
Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158).
Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking van verordening 714/2009) (PbEU 2019, L 158).
Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG (herschikking).
Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie.
Verordening (EU) 2024/1747 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943 wat betreft het Verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie.
Wetsvoorstel ter implementatie van het EU Electricity Market Design-pakket; de internetconsultatie is uitgevoerd in de periode van 8 november 2024 tot en met 5 december 2024.
Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG (herschikking).
Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG.
Verordening (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011, (EU) 2017/1938, (EU) 2019/942 en (EU) 2022/869 en Besluit (EU) 2017/684, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 715/2009 (herschikking).
Verordening (EU) 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening 1775/2005 (PbEU 2009, L 211).
Deze ‘brede dialoogsessies’ zijn gehouden in februari 2025 en juli 2025. Daarnaast is in september 2025 ook een specifieke dialoogsessie gehouden gericht op het ‘doenvermogen’ van met name huishoudelijke eindafnemers. Dit naar aanleiding van een eerdere toezegging aan lid Aerdts tijdens de wetsbehandeling in de Eerste Kamer (Kamerstukken 36378, toezeggingsnummer T03959).
De Energiewet (artikel 4.15) verplicht de gezamenlijke TSB’s en DSB’s per 1 januari 2026 tot de oprichting van een rechtspersoon ter uitvoering van de taken van de gegevensuitwisselingsentiteit. Deze rechtspersoon is reeds in 2021 opgericht en bereide zich sindsdien voor op de inwerkingtreding van de Energiewet; eerst onder de naam ‘Beheerder Afsprakenstelsel’ (BAS, alsmede MFFBAS) en in de loop van 2025 onder de naam ‘Het Normo’.
Artikel 21 inzake het ‘recht op een slimme meter’ is hier niet relevant. Nederland heeft eerder reeds besloten tot de invoering van slimme-metersystemen en de grootschalige uitrol is vanaf 2015 ingezet.
Artikel 20 inzake het ‘recht op een slimme meter voor aardgas’ is hier niet relevant. Nederland heeft eerder reeds besloten tot de invoering van slimme-metersystemen en de grootschalige uitrol is vanaf 2015 ingezet.
Richtlijn (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking).
Artikel 4.1 lid 2 Energiewet schrijft voor dat aangeslotene, eindafnemer, actieve afnemer of invoeder inzage in zijn eigen gegevens kan krijgen (sub b) en dit desgewenst met een derde partij kan delen indien hij dat wil (sub c).
Verordening (EU) nr. 312/2014 van de Commissie van 26 maart 2014 tot vaststelling van een netcode inzake gasbalancering van transmissienetten.
Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering.
Dit betreffen de processen zoals deze reeds bestonden onder de IcEG; het delen van gegevens met een derde partij was hierin niet expliciet geregeld.
Voorwaarde 2.2b.4 is in strijd met de AVG, zie uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-01-2020, ECLI:NL:CBB:2020:3.
Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1162 van de Commissie van 6 juni 2023 inzake interoperabiliteitsvoorschriften en niet-discriminerende en transparante procedures voor toegang tot meter- en verbruiksgegevens.
Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1162 van de Commissie van 6 juni 2023 inzake interoperabiliteitsvoorschriften en niet-discriminerende en transparante procedures voor toegang tot meter- en verbruiksgegevens.
Zoals toegelicht in paragraaf 2.3 gaat het hier concreet om voorwaarden uit de Meetcode elektriciteit, de Meetcode gas RNB, de Meetcode gas LNB, de Meetcode gas LNB meting door aangeslotene, de Invoedcode Gas LNB en de Informatiecode elektriciteit en gas (voor zover de voorwaarden betrekking hebben op het meten van gegevens).
In de meetcodes komen deze meetinrichtingen onder verschillende benamingen terug. Zo spreken de Meetcode elektriciteit en Meetcode gas RNB over ‘telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen’ die op afstand uitleesbaar zijn. De Meetcode gas LNB vereist ook dat meetinstallaties op afstand uitleesbaar zijn en dat meetgegevens minimaal eenmaal per dag worden verzameld en verwerkt.
Bijlage II bij de Gasrichtlijn spreekt over minstens 80% van de eindafnemers ‘binnen zeven jaar volgend op de datum van de positieve evaluatie’. In Nederland is in het begin van de jaren tien besloten over de start van de uitrol, waarna dit vanaf 2015 grootschalig werd uitgevoerd.
Meetcode elektriciteit, zie paragraaf 4.3.4 (profielgrootverbruikmeetinrichtingen). Op grond van voorwaarde 5.2.1 en 5.2.2 wordt maandelijks en jaarlijks gemeten.
Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen, zie artikel 4 eerste lid, met name sub b en c.
Richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (herschikking)
Besluit van 3 november 2025, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Energiebesluit en het tijdstip van de intrekking van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, Stb. 2025, 348.
In de zakelijke markt is dit vooral gebaseerd op schriftelijke verlening van toestemming aan de ODA, bijvoorbeeld ondertekend door de bevoegde directeur. In de particuliere markt wordt vooral gewerkt met het doorgeven van het meternummer (dan heeft de klant dus fysiek toegang tot de meetinrichting) en in mindere mate met brieven met een toegangscode naar het huisadres.
Besluit van 3 november 2025, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Energiebesluit en het tijdstip van de intrekking van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, Stb. 2025, 348.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-43782.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.