Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 9 november 2025, nr. WJZ/102130805, houdende regels ter uitvoering van de Energiewet en het Energiebesluit (Energieregeling)

De Minister van Klimaat en Groene Groei,

Gelet op de artikelen 1.3, tweede lid, 2.7, tweede lid, 2.8, tweede lid, 2.13, 2.14, tweede lid, 2.15, tweede lid, 2.17, tweede lid, 2.18, tweede lid, 2.26, tweede en derde lid, 2.27, vijfde lid, 2.28, tweede lid, 2.35, derde lid, 2.36, tweede lid, onderdeel a, 2.38, 2.39, tweede lid, 2.40, tweede lid, 2.45, tweede lid, 2.50, zesde lid, 2.52, tweede lid, 3.23, zesde lid, 3.41, derde lid, 3.42, vijfde lid, 3.48, eerste lid, 3.49, derde lid, 3.50, derde lid, 3.66, eerste en derde lid, 3.78, vijfde lid, 3.110, zesde lid, 3.115, vijfde lid, 3.120, vierde lid, 3.121, zesde lid, 3.123, vijfde lid, 3.126, 3.130, negende lid, 5.2, vierde lid, 5.7, tweede lid, 5.13, derde en vierde lid, 5.17, eerste lid, onderdeel b, 5.18, eerste lid, onderdeel c, en 6.3 van de Energiewet en de artikelen 2.1, tweede lid, 2.10, derde lid, 3.3, 3.19, derde lid, 3.20, derde lid, 3.24, vierde lid, 3.25, derde lid, 3.26, eerste en derde lid, 3.27, tweede lid, 3.31, vierde lid, 3.32, derde lid, 3.33, zesde lid, 3.36, zesde lid, 3.37, tweede lid, 3.41, derde lid en zesde lid, onderdeel b, 3.42, eerste en tweede lid, 3.47, derde lid, 3.51, negende lid, en 5.6, derde lid, van het Energiebesluit;

Besluit:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

acute systeemstoring:

ongewilde verandering in het functioneren van een onderdeel van een transmissie- of distributiesysteem die gevolgen heeft voor de uitvoering van de wettelijke taken en verplichtingen en waarvoor naar het oordeel van de transmissie- of distributiesysteembeheerder uiterlijk binnen een dag maatregelen moeten worden getroffen;

bedrijfsmiddelenregister:

register van het stelsel van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit of gas, aangeduid naar locatie, aard en type;

besluit:

Energiebesluit;

calorische bovenwaarde:

de hoeveelheid energie, uitgedrukt in megajoule (MJ), afgerond op drie cijfers achter de komma, die vrijkomt bij de volledige verbranding van 1 m3(n) gas in lucht, wanneer de na de verbranding aanwezige componenten tot de uitgangscondities van temperatuur en druk worden teruggebracht, zijnde 298,15 K en een absolute druk van 101,325 kPa (1,01325 bar) en waarbij de bij de verbranding gevormde waterdamp wordt gecondenseerd;

daggemiddeld:

waarde die gelijk is aan het voortschrijdende gemiddelde van alle meetwaarden in de voorgaande 24 uren;

dynamische referentieprijs:

de gemiddelde marginale kostprijs per dag voor elektriciteitsproductie met toepassing van de goedkoopste elektriciteitsproductie-eenheid op basis van kolen en gas;

etiket:

de weergave op of bij de rekening van een leverancier aan een eindafnemer van de opwekkingsgegevens van de geleverde elektriciteit, te weten:

  • a. het aandeel van elke energiebron in de totale brandstofmix die de leverancier in het voorafgaande jaar heeft geleverd aan zijn eindafnemers;

  • b. de milieugevolgen, in termen van uitstoot van koolstofdioxide en van radioactief afval, als gevolg van elektriciteitsproductie met verschillende energiebronnen veroorzaakt door de totale brandstofmix die de leverancier in het voorafgaande jaar heeft geleverd aan zijn eindafnemers, en

  • c. verwijzingen naar beschikbare referentiebronnen, waar voor eenieder toegankelijke informatie beschikbaar is over de milieugevolgen, in termen van uitstoot van koolstofdioxide en van radioactief afval, als gevolg van elektriciteitsproductie met verschillende energiebronnen veroorzaakt door de totale brandstofmix die de leverancier in het voorafgaande jaar heeft geleverd aan zijn eindafnemers;

G-gas:

gas van een kwaliteit als bedoeld in bijlage 1, onderdelen B en D;

gedelegeerde verordening 2024/1366:

Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 van de Commissie van 11 maart 2024 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad door middel van de vaststelling van een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen;

gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur:

gemiddelde luchttemperatuur te De Bilt (T) in een etmaal, gecorrigeerd voor de gemiddelde windsnelheid op hetzelfde station (V) in dezelfde periode uitgedrukt in meters per seconde, volgens de formule: Teff = T – (V/1,5);

gemiddelde effectieve temperatuur:

gemiddelde luchttemperatuur te De Bilt (T) over een periode, gecorrigeerd voor de gemiddelde windsnelheid op hetzelfde station (V) in dezelfde periode uitgedrukt in meters per seconde, volgens de formule: Teff = T – (V/1,5);

H-gas:

gas van een kwaliteit als bedoeld in bijlage 1, onderdelen A en C;

hogere koolwaterstoffen:

koolwaterstoffen met meer dan één koolstofatoom per molecuul;

HTL-systeem:

deel van het door de transmissiesysteembeheerder voor gas beheerde transmissiesysteem voor gas met een operationele absolute druk van circa 45 bar of hoger;

knelpunt:

knelpunt dat een aanzienlijk risico vormt of kan vormen voor het waarborgen van de kwaliteit van de uitvoering van de wettelijke taken of verplichtingen;

kritische prestatie-indicator:

meetbare waarde die het mogelijk maakt de beheersing van kwaliteitsaspecten te monitoren, evalueren en eventueel te verbeteren;

kwaliteitsaspect:

kwaliteitsaspect als bedoeld in artikel 3.31, eerste lid, van het besluit;

kwaliteitsplan:

kwaliteitsplan als bedoeld in artikel 3.32 van het besluit;

L-gas:

gas van een kwaliteit als bedoeld in bijlage 1, onderdeel E, bestemd voor export;

LiDAR-systeem:

een apparaat dat afstanden tot en snelheden van objecten bepaalt door middel van reflectie van door het apparaat uitgezonden lasersignalen en dat voldoet aan 3.51.9 Artikel 6

m3(n):

hoeveelheid gas die bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 kPa een volume inneemt van één m3;

minister:

Minister van Klimaat en Groene Groei;

NTA 8120:

NTA 8120 assetmanagement – eisen aan een veiligheids-, kwaliteits- en capaciteitsmanagementsysteem voor het elektriciteits- en gasnetbeheer;

propaanequivalent:

eenheid van het gehalte aan hogere koolwaterstoffen in gas, berekend als de som van de aandelen in mol% van de hogere koolwaterstoffen in gas, waarbij iedere hogere koolwaterstof een wegingsfactor krijgt van het aantal koolstofatomen in de betreffende hogere koolwaterstof minus één, gedeeld door twee;

relatieve dichtheid:

de dichtheid van een gas gedeeld door de dichtheid van droge lucht van de standaardsamenstelling bij normale condities, te weten een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 kPa;

referentieproductaanbod:

aanbod van een product waarvan de prijs door een leverancier wordt gehanteerd voor de berekening van de opzegvergoeding;

RTL-systeem:

deel van het door de transmissiesysteembeheerder voor gas beheerde transmissiesysteem voor gas met een operationele absolute druk van 40,5 bar of lager;

seizoensopslag:

gasopslagsysteem:

  • a. met een technische opslagcapaciteit van meer dan 5 TWh;

  • b. waarvan het gedurende een opslagjaar minstens 50 dagen duurt om dit, indien dit volledig leeg is, volledig te vullen;

  • c. dat wordt gebruikt om gas op te slaan ten behoeve van gasvraag in de winter.

schuldhulpverlening:

schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

streefwaarde:

doelstelling van een transmissie- of distributiesysteembeheerder die per kwaliteitsaspect weergeeft wanneer sprake is van een aanvaardbaar kwaliteitsniveau;

verordening 2016/1952:

Verordening (EU) 2016/1952 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende Europese statistieken over de prijzen van aardgas en elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 2008/92/EG;

verordening 2024/1789:

Verordening (EU) 2024/1789 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011, (EU) 2017/1938, (EU) 2019/942 en (EU) 2022/869 en Besluit (EU) 2017/684, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 715/2009 (herschikking);

Wobbe-index:

de calorische bovenwaarde gedeeld door de vierkantswortel van de relatieve dichtheid.

Artikel 1.2 aansluitingen

Als activiteiten als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van de wet, worden aangewezen:

  • a. openbaar vervoer per metro, tram of trolley;

  • b. mijnbouwkundige activiteiten;

  • c. beheer en exploitatie van telecommunicatie- en kabelnetwerken;

  • d. beheer en exploitatie van riolering, bemaling en waterzuivering;

  • e. transport en distributie van water;

  • f. beheer van openbare verlichting; of

  • g. beheer van verkeersregelinstallaties.

HOOFDSTUK 2 ENERGIEMARKTEN

AFDELING 2.1 CONTRACTUELE VERHOUDING TUSSEN EINDAFNEMER EN LEVERANCIER OF ACTIEVE AFNEMER EN MARKTDEELNEMER DIE AGGREGEERT

Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.1 maximale hoogte waarborgsom

De hoogte van de waarborgsom, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit, is redelijk en passend en bedraagt ten hoogste een derde deel van het totaalbedrag van de verwachte jaarafrekening.

Artikel 2.2 klachtenprocedure
  • 1. De klachtenprocedure, bedoeld in de artikelen 2.8 en 2.36 van de wet, voorziet erin dat:

    • a. de behandeling van een klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest;

    • b. de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis wordt gesteld van de bevindingen naar aanleiding van de klacht en van de conclusies die daaraan worden verbonden.

  • 2. De behandeling van een klacht van een eindafnemer wordt zo spoedig mogelijk afgerond.

  • 3. De behandeling van een klacht van een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming wordt binnen acht weken afgerond.

Paragraaf 2.1.2 Factureren
Artikel 2.3 frequentie factuur
  • 1. Een leverancier verstrekt ten minste eenmaal per jaar een factuur aan zijn eindafnemers voor de levering van elektriciteit of gas.

  • 2. Een marktdeelnemer die aggregeert verstrekt ten minste eenmaal per jaar een factuur aan zijn actieve afnemers voor het afnemen van teruggeleverde elektriciteit of voor het verlenen van een vraagresponsdienst.

Artikel 2.4 nadere uitleg factuur

Een leverancier of een marktdeelnemer die aggregeert, verstrekt op verzoek van een eindafnemer nadere uitleg over de totstandkoming van de factuur.

Artikel 2.5 inhoud factuur
  • 1. Een leverancier zorgt ervoor dat een factuur de volgende gegevens bevat:

    • a. de periode waarop de factuur betrekking heeft;

    • b. de totale hoeveelheid geleverde elektriciteit of gas in de betreffende periode;

    • c. de totale kosten voor de afgenomen elektriciteit of gas in de betreffende periode, met de tariefnaam en waar mogelijk met inbegrip van een uitsplitsing van de kosten;

    • d. de verbruiksafhankelijke kosten voor de afgenomen elektriciteit of gas in de betreffende periode;

    • e. de verbruiksonafhankelijke kosten voor de afname van elektriciteit of gas in de betreffende periode;

    • f. de naam en contactgegevens van de leverancier;

    • g. dag waarop de in de leveringsovereenkomst vastgelegde vaste prijsperiode afloopt;

    • h. informatie over de mogelijkheid en de voordelen van overstappen;

    • i. de unieke identificatiecode van het allocatiepunt dat is opgenomen in de leveringsovereenkomst of de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel;

    • j. informatie over de rechten van de eindafnemers inzake buitengerechtelijke geschillenbeslechting, met inbegrip van de contactgegevens van de instantie voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting;

    • k. de dag waarop betaling uiterlijk verschuldigd is of de terugbetaling zal plaatsvinden;

    • l. indien gedurende de periode waarop de factuur betrekking heeft is opgezegd, de hoogte van de opzegvergoeding en de wijze van berekening daarvan;

    • m. in voorkomend geval, de netto hoeveelheid van de door een eindafnemer verbruikte elektriciteit in de betreffende periode en de kosten daarvan.

  • 2. Een leverancier zorgt ervoor, onverminderd het eerste lid, dat een factuur van een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming de volgende gegevens bevat:

    • a. het telefoonnummer van de klantenservice;

    • b. informatie over het informatieloket, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;

    • c. een verwijzing naar de plaats waar een vergelijkingsinstrument als bedoeld in artikel 2.68 van de wet te vinden is.

  • 3. Een leverancier verstrekt een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming ten minste eenmaal per jaar bij de factuur een voorblad dat de volgende informatie bevat:

    • a. de totale hoeveelheid geleverde elektriciteit of gas in de betreffende periode;

    • b. in voorkomend geval, de totale hoeveelheid teruggeleverde elektriciteit in de betreffende periode;

    • c. de totale kosten in de betreffende periode;

    • d. de totale in rekening gebrachte kosten in de betreffende periode;

    • e. of betaling verschuldigd is aan de leverancier of de leverancier een terugbetaling verschuldigd is over de betreffende periode;

    • f. indien de leverancier een termijnbedrag hanteert, het overeengekomen of voorgestelde termijnbedrag voor de periode na de periode waarop de factuur betrekking heeft;

  • 4. De kosten voor levering aan de eindafnemer bestaan uit de volgende componenten, bedoeld in bijlagen I en II van verordening 2016/1952:

    • a. energie en levering;

    • b. netwerkcomponent, met inbegrip van transmissie en distributie;

    • c. belastingen, heffingen, vergoedingen en kosten.

  • 5. Indien op de factuur een nadere uitsplitsing van de kosten voor levering aan eindafnemers wordt opgenomen, worden de kosten uitgesplitst met gebruik van de begripsomschrijvingen in bijlagen I en II van verordening 2016/1952.

Artikel 2.6 inhoud factuur aggregatieovereenkomst
  • 1. Een marktdeelnemer die aggregeert zorgt ervoor dat een factuur de volgende gegevens bevat:

    • a. de periode waarop de factuur betrekking heeft;

    • b. de totale hoeveelheid teruggeleverde elektriciteit of de verandering van het verbruik of de invoeding van elektriciteit als onderdeel van een vraagresponsdienst in de betreffende periode;

    • c. de totale vergoeding voor de teruggeleverde elektriciteit of de verandering van het verbruik of de invoeding van elektriciteit als onderdeel van een vraagresponsdienst in de betreffende periode, en in voorkomend geval de daaraan verbonden kosten;

    • d. de dag waarop betaling uiterlijk zal plaatsvinden;

    • e. de naam en contactgegevens van de marktdeelnemer die aggregeert, met inbegrip van een telefonische klantenservice voor een actieve afnemer die tevens huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming is, en het e-mailadres;

    • f. de einddatum van de aggregatieovereenkomst;

    • g. de unieke identificatiecode van het allocatiepunt dat is opgenomen in de aggregatieovereenkomst;

  • 2. Een marktdeelnemer die aggregeert verstrekt een actieve afnemer die tevens een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming is ten minste eenmaal per jaar bij de factuur een voorblad in begrijpelijke taal dat de volgende informatie bevat:

    • a. de totale hoeveelheid teruggeleverde elektriciteit of de verandering van het verbruik of de invoeding van elektriciteit als onderdeel van een vraagresponsdienst in de betreffende periode;

    • b. de totale vergoeding, en in voorkomend geval de kosten, in de betreffende periode;

    • c. of de actieve afnemer een vergoeding ontvangt of aan de marktdeelnemer die aggregeert betaling verschuldigd is;

    • d. de overeengekomen of voorgestelde periodiek verschuldigde vergoeding voor de periode na de periode waarop de factuur betrekking heeft.

Artikel 2.7 meetgegevens factuur
  • 1. Een leverancier baseert de in rekening gebrachte kosten op een factuur op de op grond van de artikelen 4.9 tot en met 4.11 van de wet verstrekte gegevens, tenzij die gegevens niet beschikbaar of onbetrouwbaar zijn.

  • 2. Indien een leverancier actief is op een primair allocatiepunt van een aangeslotene met een kleine aansluiting die beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld, kan hij, in afwijking van het eerste lid, de factuur baseren op overeenkomstig artikel 2.54, derde lid, van de wet vastgestelde meetgegevens.

Paragraaf 2.1.3 Informeren verbruikskostenoverzicht
Artikel 2.8 frequentie verbruikskostenoverzicht
  • 1. Een leverancier verstrekt ten minste eenmaal per zes maanden een verbruikskostenoverzicht aan een eindafnemer.

  • 2. Op verzoek van een eindafnemer verhoogt een leverancier de frequentie van het verstrekken van een verbruikskostenoverzicht naar ten minste eenmaal per drie maanden.

  • 3. Een leverancier verstrekt ten minste iedere maand een verbruikskostenoverzicht aan een eindafnemer die beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld.

  • 4. Op verzoek van een eindafnemer verlaagt een leverancier de frequentie van het verstrekken van een verbruikskostenoverzicht.

Artikel 2.9 begrijpelijkheid verbruikskostenoverzicht
  • 1. Een leverancier stelt het verbruikskostenoverzicht op in duidelijke en begrijpelijke taal.

  • 2. Een leverancier verstrekt op verzoek van een eindafnemer nadere uitleg over de totstandkoming van een verbruikskostenoverzicht.

  • 3. Een verbruikskostenoverzicht heeft betrekking op de individuele situatie van een eindafnemer en bevat geen betalingsverzoek.

Artikel 2.10 inhoud verbruikskostenoverzicht
  • 1. Een leverancier zorgt ervoor dat, indien één keer per zes maanden een verbruikskostenoverzicht wordt verstrekt, het verbruikskostenoverzicht de volgende gegevens bevat:

    • a. de periode waarop het verbruikskostenoverzicht betrekking heeft;

    • b. de gegevens, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met e;

    • c. de standaard jaarafname en de standaard jaarinvoeding van elektriciteit of het standaard jaarverbruik van gas van de eindafnemer;

    • d. indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, een vergelijking van het energieverbruik met het energieverbruik van een gemiddelde eindafnemer uit een vergelijkbare verbruikerscategorie;

    • e. indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, een vergelijking in grafische vorm, van de in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gegevens, met dezelfde gegevens uit dezelfde periode van het voorgaande jaar;

    • f. de contactinformatie en de internetadressen van consumentenorganisaties of soortgelijke organisaties die informatie verstrekken over energiebesparende maatregelen, over vergelijkende verbruiksprofielen of over objectieve technische specificaties van energieverbruikende apparatuur.

  • 2. Een leverancier zorgt ervoor dat, indien meer dan twee keer per jaar een verbruikskostenoverzicht wordt verstrekt, het verbruikskostenoverzicht de volgende gegevens bevat:

    • a. de periode waarop het verbruikskostenoverzicht betrekking heeft;

    • b. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c tot en met f;

    • c. de gegevens, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdelen b, f en h;

    • d. de kosten, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onderdelen c, d, e en i, gebaseerd op de actuele hoogtes van de verbruiksafhankelijke en verbruiksonafhankelijke kosten voor de afgenomen elektriciteit of gas en de actuele kosten voor de netto hoeveelheid afgenomen elektriciteit of gas van de eindafnemer in de periode waarop het verbruikskostenoverzicht betrekking heeft.

  • 3. Een leverancier hoeft in een verbruikskostenoverzicht niet te voorzien in:

    • a. de standaard jaarafname, de standaard jaarinvoeding en het standaard jaarverbruik van een eindafnemer, indien het verbruikskostenoverzicht gelijktijdig met een factuur wordt verzonden;

    • b. de standaard jaarafname, de standaard jaarinvoeding en het standaard jaarverbruik van de eindafnemer, de periode waarop het verbruikskostenoverzicht betrekking heeft en de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen a, c en d, indien dit overzicht gelijktijdig met de factuur wordt verzonden en betrekking heeft op dezelfde periode als de factuur.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid, bevat een verbruikskostenoverzicht van een eindafnemer waarvan de factuur niet gebaseerd is op het werkelijke verbruik een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de factuur genoemde bedrag is berekend en de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel f.

Artikel 2.11 verstrekking verbruiksgegevens verbruikskostenoverzicht

Een leverancier vermeldt op het verbruikskostenoverzicht van een eindafnemer die beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, de hoeveelheid elektriciteit of gas die is afgenomen volgens ieder verbruikskostenoverzicht in de afgelopen 36 maanden of in de periode van de leveringsovereenkomst.

Artikel 2.12 advies energiebesparing verbruikskostenoverzicht

Indien een leverancier op het verbruikskostenoverzicht aan de eindafnemer een advies verstrekt over de energiebesparende maatregelen die de desbetreffende eindafnemer kan nemen om zijn energieverbruik te verminderen, is het advies gebaseerd op de verbruiksgegevens van de desbetreffende eindafnemer, waar de leverancier toegang tot heeft ter voldoening van zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 2.3 tot en met 2.11 en, indien nuttig, openbare gegevens.

Paragraaf 2.1.4 Informatie-uitwisseling factuur en verbruikskostenoverzicht
Artikel 2.13 verzending
  • 1. Een leverancier verzendt een factuur en een verbruikskostenoverzicht naar de desbetreffende eindafnemer langs elektronische weg, tenzij de eindafnemer verzoekt om verzending van een verbruikskostenoverzicht per post of indien verzending langs elektronische weg niet mogelijk is.

  • 2. Ingeval van elektronische facturering kan een leverancier ervoor kiezen de vergelijkingen bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d, online beschikbaar te stellen en daar in de factuur naar te verwijzen.

Artikel 2.14 verstrekking verbruiksgegevens

Een leverancier stelt gegevens over het verbruik per dag, week, maand en jaar digitaal beschikbaar en vermeldt tevens het verbruik per periode waarin de prijs vaststaat aan een eindafnemer die beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, over een periode van ten minste de voorgaande vierentwintig maanden, of over de periode sinds de aanvang van de leveringsovereenkomst, indien dit korter is.

Paragraaf 2.1.5 Stroometikettering
Artikel 2.15 stroometikettering
  • 1. Een leverancier meldt op begrijpelijke wijze en zodanig dat de gegevens van verschillende leveranciers kunnen worden vergeleken:

    • a. uiterlijk in de periode vanaf 1 mei van elk kalenderjaar tot 1 mei van het daaropvolgende jaar de opwekkingsgegevens van de door hem in het kalenderjaar voorafgaand aan die periode aan zijn eindafnemers geleverde elektriciteit op of bij de factuur of

    • b. op of bij de factuur, de opwekkingsgegevens van de door hem in de periode waarop die rekening betrekking heeft aan zijn eindafnemers geleverde elektriciteit en

    • c. elk kalenderjaar de opwekkingsgegevens van de door hem in het voorgaande kalenderjaar aan zijn eindafnemers geleverde elektriciteit op zijn website voor eindafnemers.

  • 2. Een leverancier draagt er zorg voor dat overeenkomstig:

    • a. het eerste lid, onderdeel a, op of bij de factuur een etiket wordt geplaatst of gevoegd;

    • b. het eerste lid, onderdeel b, op of bij de factuur een etiket wordt geplaatst of gevoegd, dat de totale hoeveelheid van de door hem in het voorafgaande kalenderjaar, respectievelijk in de periode waarop de factuur betrekking heeft, aan eindafnemers geleverde elektriciteit vermeldt, uitgedrukt in het aantal kilowatturen, uitgesplitst naar energiebronnen en onder vermelding van het procentuele aandeel van elke energiebron in zijn totale brandstofmix, met inachtneming van bijlage 2 bij deze regeling.

  • 3. Indien een energiebron, genoemd in het etiket, geen deel uitmaakt van de totale brandstofmix van de leverancier, wordt het procentuele aandeel van de desbetreffende bron op nul gesteld.

  • 4. Op het etiket worden de milieugevolgen, in termen van uitstoot van koolstofdioxide en van radioactief afval, vermeld, als gevolg van elektriciteitsproductie met verschillende energiebronnen, veroorzaakt door de totale brandstofmix die de leverancier in het voorafgaande jaar heeft gebruikt, met uitzondering van ‘onbekend’. De informatie, bedoeld in de vorige volzin, kan worden verstrekt door middel van verwijzingen op het etiket naar beschikbare referentiebronnen waar voor eenieder toegankelijke informatie beschikbaar is.

  • 5. Indien een leverancier onderdeel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden tevens de opwekkingsgegevens van de groep als geheel vermeld op of bij de factuur aan de eindafnemer.

Artikel 2.16 juistheid en volledigheid stroometikettering
  • 1. Een leverancier is verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van het etiket.

  • 2. Een leverancier overlegt uiterlijk vier maanden na 1 januari van elk kalenderjaar aan de Autoriteit Consument en Markt:

    • a. het etiket dat hij in dat kalenderjaar op of bij de factuur heeft geplaatst of gevoegd;

    • b. een overzicht van de totale hoeveelheid in het voorafgaande kalenderjaar aan eindafnemers geleverde elektriciteit, onderverdeeld naar energiebronnen en het procentuele aandeel van elke energiebron in de totale brandstofmix, overeenkomstig bijlage 2 behorende bij deze regeling;

    • c. een overzicht van de hoeveelheid elektriciteit ten behoeve van de levering aan eindafnemers waarvoor garanties van oorsprong zijn afgeboekt, onderverdeeld naar energiebronnen, overeenkomstig bijlage 2 bij deze regeling, en het land van herkomst van die elektriciteit.

Paragraaf 2.1.6 Overstappen
Artikel 2.17 termijn eindafrekening

De termijn voor het versturen van een eindafrekening als bedoeld in de artikelen 2.13 en 2.38 van de wet bedraagt zes weken.

Artikel 2.18 overstappen
  • 1. Een eindafnemer stapt over naar een andere leverancier door een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel te sluiten met een nieuwe leverancier.

  • 2. Een actieve afnemer stapt over naar een andere marktdeelnemer die aggregeert, door een aggregatieovereenkomst te sluiten met een nieuwe marktdeelnemer.

  • 3. De nieuwe leverancier, marktdeelnemer die aggregeert of balanceringsverantwoordelijke doet, wanneer een eindafnemer naar hem overstapt, daarvan onverwijld mededeling aan de registerbeheerder en informeert de eindafnemer zo spoedig mogelijk wanneer de overstap is gerealiseerd. Hij neemt daarbij de interoperabiliteitsvoorschriften en procedures die zijn vastgesteld bij of krachtens artikel 24, tweede lid, van richtlijn 2019/944 in acht.

Paragraaf 2.1.7 Hoogte opzegvergoeding
Artikel 2.19 hoogte opzegvergoeding
  • 1. De hoogte van de opzegvergoeding, bedoeld in artikel 2.15 van de wet, die een leverancier een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming voor de opzegging van een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel door de eindafnemer in rekening kan brengen, is voor elektriciteit of gas niet hoger dan de rekenkundige uitkomst van de volgende formule:

    opzegvergoeding = (de overeengekomen prijs – de prijs van het referentieproductaanbod) × de resterende hoeveelheid,

    waarbij:

    • de opzegvergoeding bestaat uit het bedrag van de opzegvergoeding, exclusief overheidsheffingen en belastingen, uitgedrukt in euro’s;

    • de overeengekomen prijs bestaat uit de in euro’s uitgedrukte prijs per kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas, exclusief overheidsheffingen en belastingen, die is bepaald in de op te zeggen overeenkomst of op basis van deze overeenkomst is vastgezet;

    • de prijs van het referentieproductaanbod bestaat uit de in euro’s uitgedrukte prijs per kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas, exclusief overheidsheffingen en belastingen, van het referentieproductaanbod, en die actueel is;

    • de resterende hoeveelheid bestaat uit de in kilowattuur uitgedrukte hoeveelheid elektriciteit of het in kubieke meter uitgedrukte volume gas dat de eindafnemer gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst van de leverancier geleverd zou krijgen indien geen opzegging zou plaatsvinden.

  • 2. Indien de prijs van het referentieproductaanbod gelijk is aan of hoger is dan de overeengekomen prijs, is de hoogte van de opzegvergoeding nihil.

  • 3. Indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, gebruikt een leverancier bij de berekening van de resterende hoeveelheid het standaard jaarverbruik, de standaard jaarafname en de standaard jaarinvoeding.

  • 4. Een leverancier neemt in de overeenkomst ten behoeve van de berekening van de resterende hoeveelheid een objectieve en transparante berekeningswijze op die rekening houdt met een spreiding van de afname en invoeding van elektriciteit of het verbruik van gas gedurende de resterende looptijd van de leveringsovereenkomst.

Artikel 2.20 hoogte opzegvergoeding aggregatieovereenkomst
  • 1. De opzegvergoeding, bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de wet, bedraagt niet meer dan het rechtstreekse economisch verlies dat de marktdeelnemer die aggregeert lijdt als gevolg van de opzegging van de aggregatieovereenkomst.

  • 2. Een marktdeelnemer die aggregeert verstrekt op verzoek van een actieve afnemer een indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding.

Artikel 2.21 referentieproductaanbod
  • 1. Een leverancier vermeldt in de leveringsovereenkomst de vindplaats van een openbaar bekendgemaakt referentieproductaanbod als bedoeld in artikel 2.19, dat geschikt is om de hoogte van de opzegvergoeding, bedoeld in artikel 2.15 van de wet, te berekenen.

  • 2. Een leverancier hanteert een geschikt referentieproductaanbod indien het, afgezien van de prijs, gelijk is aan het aanbod dat door de huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming is aanvaard bij het aangaan van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wat betreft het type product en de herkomst van de elektriciteit of gas, met dien verstande dat het gehanteerde referentieproductaanbod een looptijd heeft die gelijk is aan de resterende looptijd van de overeenkomst.

  • 3. Indien een leverancier niet meer over hetzelfde aanbod beschikt, dan hanteert de leverancier in afwijking van het tweede lid een referentieproductaanbod waarvan de vaste looptijd gelijk is aan de resterende looptijd van de overeenkomst en de kenmerken van het referentieproductaanbod, met inbegrip van het type product en de herkomst van de elektriciteit of gas, vergelijkbaar zijn met de kenmerken van de overeenkomst.

  • 4. Indien een leverancier niet over een referentieproductaanbod als bedoeld in het derde lid beschikt, dan hanteert de leverancier als referentieproductaanbod zijn aanbod aan een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming met de hoogste prijs per kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas.

Artikel 2.22 actuele prijs referentieproductaanbod
  • 1. De prijs van het referentieproductaanbod, bedoeld in artikel 2.19 is actueel en geldt:

    • a. op de dag dat de huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming een indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding opvraagt, indien de prijs van het referentieproductaanbod wordt gehanteerd voor de berekening van deze indicatie; of

    • b. op de dag waarop de leverancier de mededeling ontvangt over de opzegging of van de overstap, indien de prijs van het referentieproductaanbod wordt gehanteerd voor het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding.

  • 2. Een leverancier hanteert de prijs die geldt voor dezelfde hoeveelheid elektriciteit of gas waarvoor de prijs op basis van de overeenkomst daadwerkelijk is vastgezet in het geval van een referentieproductaanbod met een in een of meer perioden door de huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming vast te zetten prijs.

Paragraaf 2.1.8 Voorwaarden opzegvergoeding
Artikel 2.23 transparantie opzegvergoeding
  • 1. Een leverancier draagt er zorg voor dat het voor de huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming kenbaar en navolgbaar is hoe de hoogte van de opzegvergoeding, bedoeld in artikel 2.15 van de wet, wordt berekend en welk referentieproductaanbod wordt gehanteerd.

  • 2. Een leverancier verstrekt op verzoek van de eindafnemer een indicatie van de hoogte en wijze van berekening van de opzegvergoeding op een door de eindafnemer aan te geven laatste dag waarop de levering plaatsvindt.

  • 3. Een leverancier verstrekt de eindafnemer onverwijld de hoogte en wijze van berekening van de opzegvergoeding nadat de leverancier de mededeling van de opzegging of overstap ontvangt. De hoogte van de opzegvergoeding staat twee maanden vast, gerekend vanaf de dag dat de hoogte van de opzegvergoeding verstrekt is.

Artikel 2.24 uitzonderingstermijn

Een marktdeelnemer brengt geen opzegvergoeding als bedoeld in de artikelen 2.15 en 2.39 van de wet in rekening indien de huishoudelijk eindafnemer, micro-onderneming of actieve afnemer die tevens huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming is, de overeenkomst opzegt binnen de termijn, bedoeld in artikel 230o, eerste of tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, of, indien deze termijn niet van toepassing is, een bedenktermijn krachtens de leveringsovereenkomst.

Artikel 2.25 bijzondere omstandigheden

Een marktdeelnemer draagt er zorg voor dat een voorwaarde over de opzegvergoeding, bedoeld in de artikelen 2.15 en 2.39 van de wet, voorziet in het mogelijk lager vaststellen van de opzegvergoeding indien er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat het in rekening brengen van de vastgestelde opzegvergoeding onevenredige nadelige gevolgen zou hebben.

Artikel 2.26 welkomstcadeau of loyaliteitsbonus

Een marktdeelnemer kan uitsluitend een krachtens een bij het sluiten van een leveringsovereenkomst, leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel of aggregatieovereenkomst te verstrekken voordeel aan een huishoudelijk eindafnemer, micro-onderneming of actieve afnemer die tevens een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming is terugvorderen indien:

  • a. in de overeenkomst is aangegeven dat het een bij het sluiten van de overeenkomst te verstrekken voordeel betreft en dat dit duidelijk is onderscheiden van andere vergoedingen;

  • b. het geldbedrag uiterlijk bij de tweede inning van het termijnbedrag voor de levering, de teruglevering of de geleverde flexibiliteit is verrekend of uitbetaald aan de eindafnemer of actieve afnemer;

  • c. is opgezegd door de eindafnemer of actieve afnemer binnen een termijn van zes maanden gerekend vanaf de start van de levering, de teruglevering of het verlenen van een vraagresponsdienst; en

  • d. niet meer dan het uitbetaalde geldbedrag wordt teruggevorderd.

AFDELING 2.2 VERGUNNING LEVERANCIERS

Paragraaf 2.2.1 Vergunningplicht
Artikel 2.27 uitzondering vergunningsplicht energiegemeenschappen

Het maximaal aantal leden van een energiegemeenschap of het maximaal aantal afzonderlijke aandeelhouders van een energiegemeenschap, bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de wet, bedraagt 500 leden of afzonderlijke aandeelhouders.

Paragraaf 2.2.2 Eisen vergunning: organisatorische, financiële en technische kwaliteiten en deskundigheid
Artikel 2.28 administratieve organisatie
  • 1. Een leverancier die krachtens artikel 2.17 van de wet vergunningplichtig is, beschikt over een goede administratieve organisatie met interne en externe controle hierop als bedoeld in artikel 2.10 van het besluit, indien hij in ieder geval beschikt over:

    • a. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van ten minste de processen voor inkoop, verkoop, risicomanagement, betaling en administratie;

    • b. een beschrijving van de belangrijkste bedrijfsprocessen, de aanwezige risico’s binnen deze processen en de wijze waarop hij deze risico’s beheerst;

    • c. een adequate controletechnische primaire en secundaire functiescheiding tussen in ieder geval de processen inkoop, verkoop, risicomanagement, betaling en administratie;

    • d. een compliancefunctie, niet zijnde de hoogste leidinggevende;

    • e. een beschrijving hoe de leverancier in staat is om periodiek een sluitend verband te leggen tussen ingekochte hoeveelheden elektriciteit of gas en de daaruit voortvloeiende inkoopbedragen enerzijds en verkochte hoeveelheden elektriciteit of gas en de daaruit voortvloeiende verkoopbedragen anderzijds, waarbij ook rekening wordt gehouden met de balanceringskosten;

    • f. een beschrijving van het contractenregister verkoop, het contractenregister inkoop en het klantenregister;

    • g. een beschrijving van de wijze waarop de leverancier de continuïteit van gegevensverwerking waarborgt tegen brand, diefstal, cybercrime en fraude;

    • h. een beschrijving van de interne beheersmaatregelen die de leverancier treft om te waarborgen dat de relevante wettelijke voorschriften worden nageleefd;

    • i. een assurance-rapport opgesteld door een onafhankelijke accountant waarin in ieder geval de vereisten in onderdelen a tot en met h zijn opgenomen.

  • 2. De leverancier heeft in ieder geval op ordentelijke wijze per eindafnemer met een kleine aansluiting waarmee een leveringsovereenkomst is gesloten de volgende gegevens in zijn administratie opgenomen:

    • a. naam, adres, woonplaats en indien beschikbaar, telefoonnummer en e-mailadres van de eindafnemer met een kleine aansluiting;

    • b. factuuradres en bankrekeningnummer en indien beschikbaar het mandaat voor automatische afschrijving van de eindafnemer met kleine aansluiting;

    • c. hoogte en betalingsfrequentie van het termijnbedrag;

    • d. of met de eindafnemer tevens een terugleveringsovereenkomst is aangegaan;

    • e. de unieke identificatiecode die is toegekend aan het allocatiepunt waarvoor de leveringsovereenkomst is gesloten;

    • f. de betreffende transmissie- of distributiesysteembeheerder;

    • g. indien de eindafnemer is ingeschreven in het handelsregister, het nummer van inschrijving in het handelsregister;

    • h. indien de eindafnemer een huishoudelijk eindafnemer is, diens geboortedatum.

  • 3. De gegevens, bedoeld in het tweede lid, zijn op ordentelijke wijze in de administratie opgenomen indien deze gegevens in het kader van de toepassing van afdeling 2.3 van het besluit, in een machineleesbaar en interoperabel formaat uitwisselbaar zijn met andere vergunninghouders.

  • 4. Processen van de leverancier die zijn uitbesteed zijn in de beschrijving van de opzet van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vastgelegd.

Artikel 2.29 financiële positie
  • 1. Een leverancier die krachtens artikel 2.17 van de wet vergunningplichtig is, beschikt over een solide financiële positie als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, indien hij in ieder geval beschikt over een solvabiliteitsprognose, een liquiditeitsprognose, een risicomanagementplan en een beschrijving van de procedures die de leverancier intern heeft ingericht om blijvend te voldoen aan de vergunningseisen en voor het treffen van herstelmaatregelen als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid.

  • 2. Uit de solvabiliteitsprognose blijkt in ieder geval dat gedurende een periode van drie jaar:

    • a. het eigen vermogen positief is; en

    • b. de vermogensstructuur, gelet op de risicobereidheid, voldoende financieel weerbaar is voor het opvangen van de volgende risico’s:

      • 1°. marktrisico’s;

      • 2°. debiteurenrisico’s;

      • 3°. tegenpartijrisico’s;

      • 4°. liquiditeitsrisico’s;

      • 5°. operationele risico’s;

      • 6°. risico’s als gevolg van andere activiteiten dan de levering van elektriciteit of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting;

      • 7°. andere risico’s voor de financiële positie;

  • 3. Uit de liquiditeitsprognose blijkt dat de stand van de liquide middelen gedurende de volgende twaalf maanden positief is.

  • 4. De liquiditeitsprognose:

    • a. maakt onderscheid tussen de operationele kasstroom, de investeringskasstroom en de financieringskasstroom;

    • b. geeft inzicht in een maandelijkse stand van de liquide middelen bij een voortdurend en tijdig voldoen aan de leveringsverplichtingen en betalingsverplichtingen van de leverancier, waarin alle openstaande verplichtingen worden meegenomen;

    • c. indien er financiering wordt ontvangen, voorziet in onderbouwing hiervoor met gegevens of bescheiden;

    • d. blijft gedurende de in de aanhef bedoelde periode van twaalf maanden positief in verschillende scenario’s met inbegrip van volatiele marktomstandigheden.

  • 5. Het risicomanagementplan betreft een periode van ten minste drie jaar, en bevat in ieder geval:

    • a. de doelgroep van de leverancier en hoe hij aan de vraag naar de levering van elektriciteit en gas verwacht te voldoen;

    • b. een beschrijving van de risico’s voor de leverancier, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en welke maatregelen de vergunninghouder neemt om deze risico’s en andere risico’s die de soliditeit van de leverancier kunnen aantasten te beheersen;

    • c. de risicobereidheid van de leverancier met inbegrip van de mate waarin de leverancier bereid is de risico’s, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, te nemen.

Artikel 2.30 inkoopstrategie

Een leverancier die krachtens artikel 2.17 van de wet vergunningplichtig is, beschikt over een gedegen inkoopstrategie als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, indien hij zijn afgesloten leveringsovereenkomsten afdekt wat betreft de verwachte verplichtingen voor de levering van elektriciteit of gas in de leveringsperiode waarin de prijs vaststaat.

Artikel 2.31 onafhankelijke risicomanager
  • 1. Een risicomanager als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d, van het besluit, is verantwoordelijk voor de beheersing van de risico’s bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, onderdeel b.

  • 2. Een risicomanager oefent niet tevens een functie uit voor de inkoop of de verkoop van elektriciteit of gas en rapporteert onafhankelijk en rechtstreeks aan de personen die het dagelijks beleid van een leverancier die krachtens artikel 2.17 van de wet vergunningplichtig is, bepalen.

  • 3. Een leverancier die krachtens artikel 2.17 van de wet vergunningplichtig is, zorgt ervoor dat een risicomanager beschikt over aantoonbare meerjarige en relevante werkervaring, waaronder ervaring met het uitvoeren van scenarioanalyses, en een relevante opleiding voor risicomanagement.

Paragraaf 2.2.3 Aanvraag vergunning
Artikel 2.32 aanvraag vergunning
  • 1. Een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.18, derde lid, van de wet, wordt bij de Autoriteit Consument en Markt ingediend.

  • 2. De aanvraag voor een vergunning bevat naast de gegevens, bedoeld in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht:

    • a. informatie met betrekking tot de financiële positie en de financiering van de aanvrager in verband met de vereisten in artikel 2.29;

    • b. de unieke identificatiecode van de aanvrager;

    • c. een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister;

    • d. een schatting van de verwachte afzet aan eindafnemers met een kleine aansluiting gedurende tenminste de eerste 12 maanden na het verlenen van de vergunning;

    • e. de toelating door de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas als balanceringsverantwoordelijke voor elektriciteit of gas overeenkomstig de methoden of voorwaarden voor elektriciteit of gas, bedoeld in artikel 3.119 van de wet of een overeenkomst van de aanvrager met een balanceringsverantwoordelijke voor het overdragen van de balanceringsverantwoordelijkheid;

    • f. één of meer overeenkomsten ten behoeve van de inkoop van elektriciteit of gas en voor het daarvoor benodigde transport, met inbegrip van een toelichting op de wijze waarop de aanvrager daarmee uitvoering geeft aan de vereisten met betrekking tot de inkoopstrategie, bedoeld in artikel 2.30;

    • g. een recente jaarrekening of een openingsbalans, welke is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • h. een recente verklaring van de rechtbank op basis van de registers, bedoeld in de artikelen 19 en 222a van de Faillissementswet, waaruit blijkt dat de aanvrager niet in staat van faillissement verkeert en dat de aanvrager geen surseance van betaling is verleend, die op het tijdstip van indienen van de aanvraag niet ouder is dan twee weken;

    • i. voorbeelden van alle door de aanvrager gehanteerde offertes, overeenkomsten en facturen voor eindafnemers met een kleine aansluiting met de hierbij behorende algemene voorwaarden;

    • j. een bewijs van registratie bij een instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting;

    • k. de door de aanvrager gehanteerde klachten- en geschillenregeling voor eindafnemers met een kleine aansluiting;

    • l. een verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot het gedrag van de betrokken rechtspersoon, bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of een met die verklaring overeenkomend document, afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst die op het tijdstip van indienen van de aanvraag niet ouder is dan twee maanden;

    • m. het formulier, bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, dat op het tijdstip van indienen van de aanvraag niet ouder is dan twee maanden;

    • n. een beschrijving van de administratieve organisatie van de aanvrager waarmee wordt aangetoond dat aan de vereisten in artikel 2.28, eerste lid, wordt voldaan;

    • o. informatie waaruit de structuur van de onderneming van de aanvrager blijkt en de natuurlijke personen, personenvennootschappen of rechtspersonen die in de onderneming van de aanvrager feitelijke zeggenschap of een belang in het geplaatste kapitaal hebben;

    • p. het risicomanagementplan, bedoeld in artikel 2.29, vijfde lid; en

    • q. ingeval van een aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 403 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de in artikel 403, eerste lid, onderdelen b en f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verklaringen.

Paragraaf 2.2.4 Verplichtingen vergunninghouder
Artikel 2.33 verstrekking gegevens na verlenen vergunning
  • 1. Een vergunninghouder verstrekt op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt:

    • a. een rapportage over de wijze waarop in het vorige boekjaar uitvoering is gegeven aan de onderdelen van het risicomanagementplan, bedoeld in artikel 2.29, vijfde lid, en op welke wijze daaraan uitvoering wordt gegeven in het lopende boekjaar;

    • b. de definitieve jaarrekening over het voorgaande boekjaar.

    • c. een balans per 31 december van het voorgaande kalenderjaar en een tussentijdse balans van het huidige kalenderjaar;

    • d. informatie over hoe de vergunninghouder voldoet aan de vereisten ten aanzien van de solvabiliteit en liquiditeit, bedoeld in artikel 2.29, tweede en derde lid, en de inkoopstrategie, bedoeld in artikel 2.30.

    • e. een beschrijving van de administratieve organisatie van de vergunninghouder waarmee wordt aangetoond dat aan de vereisten in artikel 2.28, eerste lid, wordt voldaan;

    • f. het formulier, bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, dat op het tijdstip van aanleveren niet ouder is dan twee maanden;

    • g. een verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of een met die verklaring overeenkomend document, afgegeven door het bevoegd gezag van de betrokken staat van oorsprong of herkomst die op het tijdstip van indienen van de aanvraag niet ouder is dan twee maanden, voor een bestuurder die na de vergunningverlening aantreedt.

  • 2. Indien de vergunninghouder beschikt over een rechtsgeldige verklaring als bedoeld in artikel 403, eerste lid, onderdeel f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van een rechtspersoon of vennootschap door wie de financiële gegevens van de vergunning zijn geconsolideerd, verstrekt de vergunninghouder de verklaring aan de Autoriteit Consument en Markt en kan voor de solvabiliteitsprognose en liquiditeitsprognose bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, gebruik worden gemaakt van de geconsolideerde financiële gegevens van die rechtspersoon of vennootschap.

Artikel 2.34 herstelplan
  • 1. Indien een vergunninghouder niet langer voldoet aan een van de vereisten gesteld bij of krachtens artikel 2.18, eerste en tweede lid, van de wet, doet hij daarvan onverwijld mededeling aan de Autoriteit Consument en Markt en stelt hij eigener beweging een herstelplan op.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, stelt een vergunninghouder op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt een herstelplan op indien hij niet langer voldoet aan het vereiste inzake het afdekken van afgesloten leveringsovereenkomsten, gesteld in artikel 2.30.

  • 3. Het herstelplan bevat een overzicht van de benodigde herstelmaatregelen, de effecten daarvan en de termijn waarbinnen de herstelmaatregelen worden getroffen om aan de vereisten te voldoen.

  • 4. Een vergunninghouder verstrekt het herstelplan uiterlijk veertien dagen na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan de Autoriteit Consument en Markt.

AFDELING 2.3 LEVERANCIERSMODEL

Artikel 2.35 tarievenregister elektriciteit en gas
  • 1. De distributiesysteembeheerders bepalen overeenkomstig het tarievenbesluit, bedoeld in artikel 3.110 van de wet, per categorie van eindafnemers met een kleine aansluiting wat het tarief per dag is tot vier decimalen achter de komma en stellen gezamenlijk ten behoeve van de leveranciers een systematiek vast ter onderscheiding van de verschillende categorieën van eindafnemers met een kleine aansluiting.

  • 2. Een distributiesysteembeheerder registreert de tarieven, bedoeld in het eerste lid en verstrekt die tarieven ter uitvoering van artikel 4.9, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de wet aan een leverancier middels een faciliteit van de gegevensuitwisselingsentiteit en geeft de gegevensuitwisselingsentiteit ter uitvoering van artikel 4.16 van de wet toegang tot zijn register.

Artikel 2.36 minimuminformatie aansluit- en transportovereenkomst kleine aansluiting

Een distributiesysteembeheerder stelt een aansluit- en transportovereenkomst met een aangeslotene met een kleine aansluiting op schrift en zorgt ervoor dat de overeenkomst in ieder geval de volgende gegevens bevat:

  • a. de naam, het postadres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de distributiesysteembeheerder;

  • b. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en de overeengekomen kwaliteitsniveaus van de diensten;

  • c. een verwijzing naar de geldende tarieven, bedoeld in artikel 2.35;

  • d. de looptijd en de voorwaarden voor verlenging, wijziging en beëindiging van de overeenkomst;

  • e. de interne en externe klachtprocedure.

Artikel 2.37 informatie distributiesysteembeheerder ten behoeve van leveranciersmodel
  • 1. Een distributiesysteembeheerder zorgt ervoor dat een leverancier die actief is of wordt op een primair allocatiepunt behorend bij een kleine aansluiting op het door hem beheerde systeem, minimaal beschikt over:

    • a. een actueel model van de aansluit- en transportovereenkomst voor aangeslotenen met een kleine aansluiting;

    • b. de algemene voorwaarden die op een overeenkomst als bedoeld in onderdeel a, van toepassing zijn;

    • c. de bij de aansluiting behorende tarieven, bedoeld in artikel 2.35.

  • 2. In geval van wijzigingen in de aansluit- en transportovereenkomst, de algemene voorwaarden en de tarieven, bedoeld in artikel 2.35, zorgt de distributiesysteembeheerder dat de leveranciers hier tenminste een maand voor de ingangsdatum ervan over beschikken.

Artikel 2.38 informeren aangeslotene over wijzigingen aansluit- en transportovereenkomst

De distributiesysteembeheerder informeert een aangeslotene met een kleine aansluiting over wijzigingen in de aansluit- en transportovereenkomst, de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn en de tarieven, bedoeld in artikel 2.35.

Artikel 2.39 specificatie van te factureren en te innen tarieven
  • 1. Een distributiesysteembeheerder stuurt namens elk van zijn fiscale entiteiten, iedere maand, uiterlijk op de derde werkdag van de daaropvolgende maand, een specificatie van de namens hem te factureren bedragen aan een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorend bij een kleine aansluiting.

  • 2. De specificatie bevat in ieder geval:

    • a. een vermelding van de maand waarop de specificatie betrekking heeft;

    • b. de fiscale entiteit van de distributiesysteembeheerder waarop de specificatie van de verplichting betrekking heeft;

    • c. de leverancier op wie de verplichting tot facturering betrekking heeft;

    • d. het totale bedrag exclusief btw dat de leverancier namens de distributiesysteembeheerder moet factureren en innen over de periode, bedoeld in onderdeel a;

    • e. per aansluiting waarvoor op de betreffende leverancier de plicht tot facturatie en inning ligt:

      • 1°. de unieke identificatiecode van de aansluiting;

      • 2°. de aanduiding van het tarief volgens de systematiek, bedoeld in artikel 2.35;

      • 3°. het aantal dagen dat de verplichting, bedoeld in het eerste lid, op de leverancier rust op de betreffende aansluiting met de bijbehorende aanduiding, bedoeld in subonderdeel 2°;

      • 4°. het bij de betreffende aansluiting behorende tarief per dag, exclusief BTW;

      • 5°. het totale bedrag van de maand, bedoeld in onderdeel a, exclusief BTW.

Artikel 2.40 facilitering leverancier bij totstandkoming aansluit- en transportovereenkomst
  • 1. Een leverancier die actief wordt op een primair allocatiepunt behorend bij een kleine aansluiting faciliteert bij de totstandkoming van een aansluit- en transportovereenkomst tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene, door in ieder geval:

    • a. een aangeslotene voorafgaand aan het afsluiten van een leveringsovereenkomst te informeren:

      • 1°. dat een geldige aansluit- en transportovereenkomst een voorwaarde vormt voor het kunnen aangaan van een leveringsovereenkomst;

      • 2°. over de op de aansluit- en transportovereenkomst van toepassing zijnde voorwaarden en tarieven;

    • b. voorafgaand of gelijktijdig met het doen van een aanbod tot het aangaan van een leveringsovereenkomst, een aanbod te doen namens de distributiesysteembeheerder tot het aangaan van een aansluit- en transportovereenkomst met inbegrip van de van toepassing zijnde voorwaarden en tarieven;

    • c. zorg te dragen voor een proces waarin de aansluit- en transportovereenkomst tot stand kan komen:

      • 1°. middels een uitdrukkelijke en controleerbare aanvaarding door de aangeslotene;

      • 2°. voorafgaand aan of gelijktijdig met de leveringsovereenkomst; en

      • 3°. op basis van betrouwbare en volledige gegevens van de aangeslotene.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gevallen waarbij een bestaande leveringsovereenkomst met een eindafnemer als bedoeld in het eerste lid overgaat op een andere aansluiting.

  • 3. Een leverancier dient tot vijf jaar na beëindiging van de leveringsovereenkomst op verzoek van een distributiesysteembeheerder binnen tien werkdagen te kunnen aantonen dat voor de betreffende aangeslotene is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid.

  • 4. Een leverancier als bedoeld in het eerste lid faciliteert bij de informatieverstrekking tussen een distributiesysteembeheerder en een aangeslotene door het aan een aangeslotene, al dan niet via elektronische weg, verstrekken van:

    • a. de naam, het postadres, het telefoonnummer, het e-mailadres en, indien van toepassing, het webadres van het contactformulier van de distributiesysteembeheerder;

    • b. de op de aansluit- en transportovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden en een vindplaats van de geldende tarieven;

    • c. een afschrift van de tot stand gekomen aansluit- en transportovereenkomst, niet later dan tien werkdagen nadat het aanbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is aanvaard.

Artikel 2.41 controleren gegevens aansluit- en transportovereenkomst door leverancier
  • 1. Een leverancier die faciliteert bij de totstandkoming van een aansluit- en transportovereenkomst als bedoeld in artikel 2.40 controleert de betrouwbaarheid en de volledigheid van de gegevens met betrekking tot de naam van de aangeslotene uiterlijk 90 dagen na aanvang van de levering op basis van de bankgegevens van de aangeslotene, of, indien mogelijk, op basis van een elektronisch identificatiemiddel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de eIDAS-verordening met tenminste het betrouwbaarheidsniveau substantieel.

  • 2. Indien de leverancier vaststelt dat de gegevens met betrekking tot de naam van degene die de aansluit- en transportovereenkomst is aangegaan niet overeenkomen met de gegevens die bekend zijn op basis van de controle, bedoeld in het eerste lid, past de leverancier een redelijke procedure toe voor controle en indien nodig correctie van die gegevens.

  • 3. Van een redelijke procedure is in ieder geval sprake als de leverancier zo spoedig mogelijk na constatering hiervan:

    • a. kennelijke schrijffouten zelf corrigeert op basis van de uitkomst van de controle, bedoeld in het eerste en tweede lid;

    • b. de aangeslotene minstens tweemaal in de gelegenheid stelt om onjuistheden of afwijkingen te corrigeren dan wel te verklaren; en

    • c. indien van toepassing, de correcties op basis van onderdeel a en b aanlevert aan de distributiesysteembeheerder ten behoeve van de aanpassing van die gegevens in het daartoe bestemde register; of

    • d. na het doorlopen van de procedure, bedoeld in de onderdelen a en b geen zekerheid heeft gekregen over de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens en hij dit heeft gemeld aan de distributiesysteembeheerder.

  • 4. De leverancier informeert de distributiesysteembeheerder zes weken na afloop van ieder kwartaal op geaggregeerd niveau over de toepassing van procedures als bedoeld in het derde lid en de uitkomst daarvan.

Artikel 2.42 administratie ten behoeve van facturering namens en afdracht aan distributiesysteembeheerder
  • 1. Een leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorend bij een kleine aansluiting houdt een administratie bij van de namens de distributiesysteembeheerder gefactureerde of te factureren bedragen inclusief btw en draagt die administratie op verzoek over aan de distributiesysteembeheerder.

  • 2. Een leverancier draagt de bedragen zoals opgenomen op de specificatie, bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, binnen 28 kalenderdagen na afloop van de maand waarop deze betrekking hebben, inclusief btw af aan de distributiesysteembeheerder.

  • 3. Indien op de aangeslotene een bijzonder btw-tarief van toepassing is, kan de leverancier de distributiesysteembeheerder verzoeken om verrekening van het verschil in afdracht.

  • 4. De leverancier doet een verzoek als bedoeld in het derde lid uiterlijk in de maand februari volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft en verstrekt daarbij de gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn.

AFDELING 2.4 VOORKOMEN BEËINDIGING LEVERING EN MAATREGELEN LEVERINGSZEKERHEID

Artikel 2.43 beëindigen levering

Een vergunninghouder beëindigt een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met een eindafnemer met een kleine aansluiting niet, tenzij:

  • a. de eindafnemer hierom verzoekt;

  • b. er sprake is van fraude of misbruik;

  • c. er sprake is van een betalingsachterstand, mits de maatregelen, bedoeld in de artikelen 2.44 en 2.45, zijn toegepast en artikel 2.46 beëindiging van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet verbiedt.

Artikel 2.44 maatregelen bij betalingsachterstand

Een vergunninghouder neemt, indien een eindafnemer met een kleine aansluiting een factuur niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, de volgende maatregelen:

  • a. de vergunninghouder verstrekt de eindafnemer ten minste driemaal een schriftelijke betalingsherinnering van de factuur met een nakomingstermijn van ten minste veertien dagen met daarbij:

    • 1°. het aanbod om met de vergunninghouder in contact te treden om een betalingsregeling te treffen;

    • 2°. informatie over mogelijkheden voor schuldhulpverlening voor natuurlijk personen en de daartoe te benaderen instantie;

    • 3°. het aanbod om, indien de eindafnemer een natuurlijk persoon is, zijn contactgegevens, geboortedatum, klantnummer en informatie over de hoogte van de betalingsachterstand te verstrekken aan een instantie voor schuldhulpverlening;

    • 4°. vermelding van de uitzonderingssituaties waarin de levering niet zal worden beëindigd, bedoeld in artikel 2.46;

  • b. de vergunninghouder spant zich maximaal in om in persoonlijk contact te treden met de eindafnemer, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen of te beëindigen;

  • c. de vergunninghouder biedt de eindafnemer op diens verzoek of in het kader van het persoonlijk contact, bedoeld in onderdeel b, een redelijke en passende betalingsregeling aan die in ieder geval afspraken omvat over de betaling en de afwikkeling van de openstaande vorderingen.

Artikel 2.45 gegevensuitwisseling schuldhulpverlening
  • 1. Een vergunninghouder verstrekt bij een betalingsachterstand aan een instantie voor schuldhulpverlening de gegevens en informatie, bedoeld in het derde lid, indien een eindafnemer met een kleine aansluiting die een natuurlijk persoon is:

    • a. heeft ingestemd met deze verstrekking; of

    • b. niet heeft gereageerd op het aanbod tot gegevensverstrekking aan een instantie voor schuldhulpverlening, bedoeld in artikel 2.44, onderdeel a, subonderdeel 3°, en twee of meer facturen niet zijn voldaan nadat de vergunninghouder voor de betalingsachterstand ten minste tweemaal een schriftelijke betalingsherinnering heeft gestuurd en de vergunninghouder heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 2.44, onderdelen b en c, maar er geen betalingsregeling is overeengekomen.

  • 2. De vergunninghouder verstrekt de instantie voor schuldhulpverlening een actualisatie van de verstrekte gegevens en informatie:

    • a. indien de betalingsachterstand van de eindafnemer aanmerkelijk groter is geworden;

    • b. ten minste vier weken voorafgaand aan de datum waarop hij voornemens is de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met de eindafnemer vanwege de betalingsachterstand te beëindigen en niet eerder dan twee weken na de informatieverstrekking, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De vergunninghouder verstrekt aan de instantie voor schuldhulpverlening:

    • a. de contactgegevens van de eindafnemer, diens geboortedatum, diens klantnummer en informatie over de hoogte van diens betalingsachterstand;

    • b. informatie over de hoogte en ontwikkeling van de betalingsachterstand;

    • c. indien van toepassing, het voornemen om de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel te beëindigen.

Artikel 2.46 geen beëindiging in uitzonderingssituaties

Een vergunninghouder beëindigt een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met een eindafnemer met een kleine aansluiting niet wegens een betalingsachterstand indien:

  • a. een betalingsregeling met de eindafnemer is overeengekomen en wordt nagekomen;

  • b. een conform de klachtenprocedure van de vergunninghouder ingediende klacht van de eindafnemer over de facturen of betaling van facturen waar de betalingsachterstand op ziet in behandeling is bij de vergunninghouder of een geschil over een dergelijke klacht van de eindafnemer aanhangig is bij een buitengerechtelijke geschilinstantie waar de vergunninghouder bij is aangesloten;

  • c. de vordering van de vergunninghouder wegens de betalingsachterstand van de eindafnemer binnen een redelijke termijn, in ieder geval vier weken na een herinnering als bedoeld in artikel 2.44, onderdeel a, wordt betrokken bij een traject van schuldhulpverlening aan de eindafnemer en zo lang dit traject loopt, of:

    • 1°. nog geen vier weken zijn verstreken na de verstrekking van gegevens aan een instantie voor schuldhulpverlening, bedoeld in artikel 2.45, eerste lid;

    • 2°. de eindafnemer binnen een redelijke termijn, in ieder geval vier weken na een herinnering als bedoeld in artikel 2.44, onderdeel a, aan de vergunninghouder een bewijs verstrekt dat hij zich heeft gewend tot een instantie voor schuldhulpverlening en in afwachting is van een beschikking als bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

  • d. de eindafnemer aan de vergunninghouder een verklaring verstrekt van een arts, die geen behandelend arts van de betrokkene is, waaruit volgt dat beëindiging van de levering van elektriciteit of gas zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben voor de eindafnemer of voor een huisgenoot van de eindafnemer, en zo lang als deze situatie bestaat.

Artikel 2.47 hervatten levering

Een vergunninghouder biedt, indien hij een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met een eindafnemer met een kleine aansluiting die een natuurlijk persoon is wegens betalingsachterstanden heeft beëindigd, aan de eindafnemer een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel onder dezelfde of vergelijkbare voorwaarden aan indien de eindafnemer binnen een redelijke termijn een bewijs overlegt dat:

  • a. hij zich heeft gewend tot een instantie voor schuldhulpverlening en in afwachting is van een beschikking als bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • b. de vordering van de vergunninghouder wegens de betalingsachterstand van de eindafnemer wordt betrokken bij een traject van schuldhulpverlening aan de eindafnemer;

  • c. beëindiging van de levering van elektriciteit of gas zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft voor de eindafnemer of voor een huisgenoot van de eindafnemer met een verklaring van een arts, die geen behandelend arts van de betrokkene is.

AFDELING 2.5 ERKENNING MEETVERANTWOORDELIJKE PARTIJ

Artikel 2.48 aanvraag erkenning meetverantwoordelijke partij

Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.50, vierde lid, van de wet bevat ten minste:

  • a. het nummer waaronder de aanvrager in het handelsregister is ingeschreven;

  • b. bescheiden waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, van het besluit;

  • c. een verklaring van de aanvrager dat deze niet in staat van faillissement verkeert en geen surseance van betaling is verleend;

  • d. een inschatting van de kosten, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.

Artikel 2.49 frequentie en eisen rapportageverplichting

Een rapportage als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, van de wet wordt jaarlijks gedaan en bevat ten minste:

  • a. een beschrijving van de door de meetverantwoordelijke partij geïdentificeerde bestaande en toekomstige knelpunten in de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.48 van de wet;

  • b. een actuele inschatting van de kosten, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.

HOOFDSTUK 3 BEHEER VAN ELEKTRICITEITS- EN GASSYSTEMEN

AFDELING 3.1 TAKEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDER EN TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDER VOOR ELEKTRICITEIT OP ZEE INZAKE BEHEER EN ONTWIKKELING

Paragraaf 3.1.1 Investeringsplan
Artikel 3.1 aggregatieniveau in het investeringsplan
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee kan knelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van zijn systeem, investeringen en inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten ter voorkoming van verzwaring van het systeem op een geaggregeerd niveau in het investeringsplan opnemen, met uitzondering van:

    • a. investeringen als bedoeld in artikel 3.67, tweede lid, van de wet;

    • b. investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen.

  • 2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee licht in het investeringsplan het toegepaste aggregatieniveau toe.

Artikel 3.2 terugblik op vorig investeringsplan

De aanduiding van en verklaring voor de wijzigingen ten opzichte van het voorgaande investeringsplan, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van het besluit, omvat op het voor die investeringen gehanteerde aggregatieniveau:

  • a. de afwijkingen van de planning in tijd en kostenraming per jaar;

  • b. nadelige gevolgen van de afwijkingen, bedoeld in onderdeel a, voor de uitvoering van de taken van de transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, en

  • c. de maatregelen om afwijkingen als bedoeld in onderdeel a in de toekomst te minimaliseren.

Artikel 3.3 inhoud scenario’s en totstandkoming
  • 1. De scenario’s, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het besluit, bevatten in ieder geval:

    • a. voor elk scenario een raming ten aanzien van de verwachte volumes van productie, import, export en levering van elektriciteit of gas;

    • b. een toelichting op de wijze waarop de scenario’s tot stand zijn gekomen en de uitgangspunten en kenmerken die per scenario zijn gehanteerd, waaronder in ieder geval:

      • 1°. een toelichting op de wijze waarop de ramingen binnen elk scenario tot stand zijn gekomen;

      • 2°. een beschrijving van de omstandigheden waaronder een scenario zich naar verwachting voordoet;

      • 3°. een toelichting op de wijze waarop in de scenario’s rekening is gehouden met vastgesteld overheidsbeleid dat van invloed is op de inrichting van het transmissie- of distributiesysteem;

      • 4°. een onderbouwing van de keuze voor de betreffende scenario’s;

      • 5°. een beschrijving van de procedure van de totstandkoming van de scenario’s.

  • 2. Bij de totstandkoming van de scenario's, bedoeld in artikel 3.24, derde lid, van het besluit, worden, op verschillende momenten in de procedure van totstandkoming, tenminste relevante overheidsinstanties en organisaties van betrokken marktdeelnemers, netgebruikers, balanceringsverantwoordelijken en aangeslotenen betrokken in een transparant en participatief proces.

  • 3. De scenario’s, bedoeld in artikel 3.24, derde lid van het besluit, worden na afronding van het totstandkomingsproces, bedoeld in het tweede lid, en voorafgaand aan de consultatie van het ontwerpinvesteringsplan openbaar gemaakt, inclusief de belangrijkste bronnen en aannames waarop de scenario’s zijn gebaseerd.

Artikel 3.4 knelpuntenanalyse
  • 1. Een investeringsplan van een transmissie- of distributiesysteembeheerder bevat een analyse van de knelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van zijn systeem, die mede aan de hand van het kwaliteitsplan, bedoeld in artikel 3.32 van het besluit, en de scenario’s wordt opgesteld.

  • 2. De knelpuntenanalyse bevat voor de eerstvolgende vijftien jaren:

    • a. een overzicht van de kwaliteitsknelpunten en capaciteitsknelpunten met vermelding van de benaming en locatieaanduiding van de niet geaggregeerde knelpunten en het kenmerk van de geaggregeerde knelpunten;

    • b. per capaciteitsknelpunt een raming van de benodigde transportcapaciteit;

    • c. een toelichting op de toegepaste methodiek en uitgangspunten van de analyse van kwaliteitsknelpunten en capaciteitsknelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van het systeem, waaronder in ieder geval:

      • 1°. een beschrijving van de wijze waarop de belangrijkste risico’s van de knelpunten op hun relevantie zijn beoordeeld en zijn geprioriteerd;

      • 2°. per capaciteitsknelpunt een toelichting op de wijze waarop een verband is gelegd tussen het knelpunt en een scenario;

      • 3°. per kwaliteitsknelpunt een toelichting op de wijze waarop een verband is gelegd tussen het knelpunt en het kwaliteitsborgingssysteem;

      • 4°. per knelpunt de termijn waarbinnen en de omstandigheden waaronder het knelpunt zich naar verwachting voordoet en de termijn waarbinnen het knelpunt naar verwachting is opgelost.

Artikel 3.5 voorgenomen investeringen en voorgenomen inkoop congestie- en systeembeheersdiensten ter voorkoming of overbrugging van investeringen
  • 1. Een investeringsplan bevat een onderbouwing van de noodzaak en een raming van de kosten per jaar ten aanzien van de voor de eerstkomende vijf jaren voorgenomen:

    • a. investeringen in uitbreiding en verzwaring van het systeem, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel b, van het besluit; en

    • b. inkoop van congestie- en systeembeheersdiensten, bedoeld in artikel 3.24, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

  • 2. Een onderbouwing van de noodzaak van de voor de eerstkomende vijf jaren voorgenomen investeringen in uitbreiding en verzwaring van het systeem bevat, tenzij dit al in een voorgaand investeringsplan is opgenomen, in ieder geval een alternatievenanalyse voor:

    • a. een investering van een transmissiesysteembeheerder voor gas waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen;

    • b. een investering van een transmissiesysteembeheerder voor gas met een investeringsbedrag van € 5 miljoen of meer, met uitzondering van aansluitingen en verleggingen;

    • c. een investering van een distributiesysteembeheerder voor gas van meer dan 8 bar per gasstation inclusief verbinding;

    • d. een investering van een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit waarvoor op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is genomen.

  • 3. Een alternatievenanalyse bevat in ieder geval:

    • a. een onderbouwde beschrijving van de verschillende alternatieven, waaronder een nul-alternatief;

    • b. een schatting van de effecten van de verschillende alternatieven;

    • c. een onderbouwing van het gekozen alternatief.

Artikel 3.6 investeringen gepland in de eerstkomende vijf jaren

De beschrijving en onderbouwing van de in het investeringsplan opgenomen uitbreidings- of vervangingsinvesteringen die voor de eerstkomende vijf jaren zijn gepland en in uitvoering zijn of worden gerealiseerd, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, omvat ten minste:

  • a. de duiding van een investering als vervangingsinvestering of uitbreidingsinvestering;

  • b. de wijze waarop de volgorde van de uitvoering van de investeringen is bepaald overeenkomstig artikel 3.25 van het besluit en artikel 3.8;

  • c. voor de investeringen van een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, de verwachte capaciteit die na de investering beschikbaar komt voor grensoverschrijdende handel door middel van interconnectoren;

  • d. per investering naar het aggregatieniveau van die investering een onderbouwde planning in tijd en, tenzij de investering nog moet worden aanbesteed, een kostenraming per jaar voor de voorbereiding en de realisatie.

Artikel 3.7 inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten ter voorkoming van verzwaring eerstkomende vijf jaren

De beschrijving en onderbouwing van de in het investeringsplan opgenomen congestie- of systeembeheersdiensten die voor de eerstkomende vijf jaren worden ingekocht ter voorkoming of ter overbrugging van de periode tot gereedheid van uitbreidingsinvesteringen omvat ten minste per in te kopen congestie- of systeembeheersdienst:

  • a. het soort dienst dat moet worden ingekocht;

  • b. de hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die per relevant onderdeel van het transmissie- of distributiesysteem moet worden ingekocht;

  • c. een raming van de totale kosten van de inkoop;

  • d. de uitbreidingsinvestering die worden voorkomen of waarvoor de periode tot gereedheid wordt overbrugd, en een inschatting van de bijbehorende kosten.

Artikel 3.8 volgorde van uitvoering uitbreidingsinvesteringen

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder kent bij het bepalen van de volgorde van de uitvoering van noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen en rekening houdend met het maatschappelijk belang van de investering conform artikel 3.25, eerste lid, van het besluit een hogere prioriteit toe aan achtereenvolgens:

  • a. de investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel c, van de wet;

  • b. de investeringen, bedoeld in artikel 3.34, derde lid, onderdeel d, van de wet.

Artikel 3.9 periode consultatie en termijn toets ACM
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder consulteert een ontwerpinvesteringsplan, overeenkomstig artikel 3.26, eerste lid, van het besluit, voor een periode van ten minste vier weken.

  • 2. De Autoriteit Consument en Markt toetst het ontwerpinvesteringsplan binnen een periode van twaalf weken nadat het ontwerpinvesteringsplan overeenkomstig artikel 3.35 van de wet aan haar is voorgelegd.

Paragraaf 3.1.2 Verplaatsen en verkabelen delen elektriciteitssysteem
Artikel 3.10 hoogte van de bijdrage
  • 1. De inwonertallen, bedoeld in 3.19, eerste lid, van het besluit worden bepaald aan de hand van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekendgemaakte gegevens betreffende de bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin het verzoek tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet, is ingediend.

  • 2. Het in het tweede lid van 3.19 van het besluit genoemde bedrag is uitgedrukt in het prijspeil van 2018 en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde inputprijsindex voor Grond-, weg- en waterbouw. Voor de berekening van het verschuldigde bedrag vindt de bijstelling van het bedrag plaats tot en met het jaar waarin het verzoek tot verplaatsing of vervanging, bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet is gedaan.

Artikel 3.11 kosten voor onderzoek, verplaatsing of vervanging
  • 1. De bestanddelen van de kosten, bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van het besluit, zijn de kosten:

    • a. voortvloeiend uit overeenkomsten van opdracht;

    • b. voor personele inzet;

    • c. voor andere zaken of werkzaamheden die zijn toe te rekenen aan de uitvoering van het verzoek tot het doen van onderzoek.

  • 2. De bestanddelen van de kosten, bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van het besluit, zijn de kosten:

    • a. voor het opstellen van een ontwerp voor vervanging of verplaatsing van het betreffende deel van het transmissie- of distributiesysteem;

    • b. voor materiële en personele inzet;

    • c. voortvloeiend uit een voor de realisatie gesloten overeenkomst van aanneming van werk of de levering van diensten en materialen;

    • d. voor de verwerving van een onroerende zaak of de vestiging van een beperkt recht op een onroerende zaak;

    • e. voor het verwijderen van resterende onderdelen van het te vervangen of te verplaatsen deel van het transmissie- of distributiesysteem;

    • f. voor herstel van de terreinen waar verplaatsing of vervanging heeft plaatsgevonden;

    • g. voor communicatie over de uit te voeren werkzaamheden;

    • h. voor andere zaken of werkzaamheden die zijn toe te rekenen aan de uitvoering van de verplaatsing of vervanging.

  • 3. Op de kosten voor de uitvoering van een verzoek tot verplaatsing of vervanging als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet worden in mindering gebracht:

    • a. kosten voor voorgenomen investeringen in het te verplaatsen of te vervangen deel van het transmissie- of distributiesysteem, indien de investering was voorzien in een ten tijde van het verzoek laatst vastgestelde investeringsplan als bedoeld in artikel 3.31 van de wet;

    • b. eventuele aan de transmissie- of distributiesysteembeheerder toekomende opbrengsten vanwege het vrijkomen van een onroerende zaak door de verplaatsing of vervanging.

  • 4. Als kosten voor de uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, van de wet, of voor de uitvoering van een verzoek tot het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de wet worden niet aangemerkt de kosten die door een college van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten worden gemaakt, waaronder kosten voor de voorbereiding van voor de verplaatsing of vervanging benodigde besluiten.

AFDELING 3.2 TAKEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDER INZAKE AANSLUITEN EN TRANSPORTEREN

Artikel 3.12 procedure afsluiten kleine aansluiting bij beëindiging leveringsovereenkomst wegens betalingsachterstand
  • 1. Een distributiesysteembeheerder neemt, indien hij op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet een melding ontvangt dat de levering op een aan een kleine aansluiting toegekend allocatiepunt zal worden beëindigd, de volgende maatregelen:

    • a. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene zo spoedig mogelijk dat de aansluiting of een aan zijn aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt buiten werking wordt gesteld na de datum waarop de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel eindigt en vermeldt daarbij de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt;

    • b. de distributiesysteembeheerder informeert de aangeslotene dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt niet buiten werking zal worden gesteld in de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 2.46, dan wel indien de aangeslotene weer een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel heeft gesloten voor het verbruik op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.

  • 2. Een distributiesysteembeheerder stelt de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt niet eerder buiten werking dan nadat de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn genomen en de leveringsovereenkomst of de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel is geëindigd en voorts geen melding is ontvangen van hervatting van de levering of van een nieuwe leverancier voor levering op de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt. De distributiesysteembeheerder spant zich maximaal in om de aangeslotene in een persoonlijk contact voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt te wijzen op mogelijkheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, om het buiten werking stellen en de daaraan verbonden kosten alsnog te voorkomen.

  • 3. De distributiesysteembeheerder biedt de aangeslotene aan om met hem in contact te treden om een betalingsregeling te treffen voor de kosten van het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt en, indien van toepassing, de kosten voor het weer in werking stellen daarvan, en biedt een redelijke en passende betalingsregeling aan indien de aangeslotene op dit aanbod in gaat. Indien betaling uitblijft en de aangeslotene niet zelf in contact treedt met de distributiesysteembeheerder spant de distributiesysteembeheerder zich maximaal in om in persoonlijk contact te treden met de aangeslotene, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, teneinde deze te wijzen op mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen of zich te wenden tot een instantie voor schuldhulpverlening.

  • 4. De distributiesysteembeheerder draagt er zorg voor dat de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt zo spoedig mogelijk weer in werking wordt gesteld indien hij een melding ontvangt dat de vergunninghouder de levering hervat op grond van het bepaalde in artikel 2.47 en, tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 2.47, onderdeel c, zijn vordering voor de kosten van het buiten werking stellen en weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt wordt betrokken bij het traject van schuldhulpverlening.

Artikel 3.13 procedure afsluiten buiten beëindiging leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wegens betalingsachterstand

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder informeert een aangeslotene zo spoedig mogelijk na ontvangst van een melding op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.8 van de wet van een situatie als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van het besluit met betrekking tot diens aansluiting, met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 3.12, en vermeldt daarbij:

  • a. dat de aansluiting of een aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt buiten werking wordt gesteld nadat de betreffende situatie, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de wet intreedt;

  • b. hoe de aangeslotene het buiten werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt kan voorkomen;

  • c. de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekende additionele allocatiepunt.

Artikel 3.14 melding besluiten college van burgemeester en wethouders en register ACM
  • 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt een formulier vast voor de melding door een college van burgemeester en wethouders van een besluit als bedoeld in artikel 3.42, tweede of derde lid, van de wet.

  • 2. Een college van burgemeester en wethouders meldt een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, of artikel 3.42, eerste lid, van de wet aan de Autoriteit Consument en Markt binnen 10 werkdagen nadat het besluit is genomen.

  • 3. De Autoriteit Consument en Markt neemt het gemelde besluit binnen vijf werkdagen op in het register, bedoeld in artikel 3.42, vierde lid, van de wet.

  • 4. Een college van burgemeester en wethouders meldt elke wijziging, intrekking of vernietiging van een besluit als bedoeld in artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, of 3.42, eerste lid, van de wet, aan de Autoriteit Consument en Markt. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.15 details gebiedsindelingscode gas
  • 1. Een distributiesysteembeheerder voor gas corrigeert bij de toepassing van artikel 3.27, eerste lid, van het besluit de equivalente uitbreiding van zijn systeem voor het te doorkruisen gebied door de betreffende leidinglengte te vermenigvuldigen met:

    • a. 1, indien het door open terrein gaat;

    • b. 2,5, indien het door gesloten terrein met tegels gaat;

    • c. 7, indien het door gesloten terrein met asfalt gaat;

    • d. 3, indien het een watergang kruist;

    • e. 10, indien het een spoor- of snelweg kruist.

  • 2. Een distributiesysteembeheerder voor gas corrigeert bij de toepassing van artikel 3.27, eerste lid, van het besluit de equivalente uitbreiding van zijn systeem voor gas indien een reduceerstation benodigd is door:

    • a. 130 meter bij de uitbreiding van het distributiesysteem voor gas op te tellen, indien het benodigde reduceerstation een capaciteit moet hebben van 40 m3 per uur ten behoeve van een klein aantal aangeslotenen met een kleine aansluiting;

    • b. 600 meter bij de uitbreiding van het distributiesysteem voor gas op te tellen, indien het benodigde reduceerstation een capaciteit moet hebben van 2.500 m3 per uur ten behoeve van meer dan een klein aantal aangeslotenen met een kleine aansluiting.

Artikel 3.16 invoed- en afleverspecificaties gas
  • 1. Gas dat wordt ingevoed of afgeleverd op een aansluiting of systeemkoppeling, dan wel ingevoerd of uitgevoerd op een grenspunt, voldoet aan de in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen waarden, waarbij:

    • a. H-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel A opgenomen waarden;

    • b. G-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel B opgenomen waarden;

    • c. H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel C opgenomen waarden;

    • d. G-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling voldoet aan de in onderdeel D opgenomen waarden;

    • e. H-gas en L-gas dat op een grenspunt via het transmissiesysteem voor gas wordt ingevoerd of uitgevoerd, op dat grenspunt voldoet aan de in onderdeel E opgenomen waarden.

  • 2. Gas dat op het transmissie- of distributiesysteem voor gas wordt ingevoed of het transmissie- of distributiesysteem voor gas verlaat, is H-gas, G-gas of L-gas.

AFDELING 3.3 TAKEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDER INZAKE BALANCEREN

Artikel 3.17 faciliteren van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bij de administratieve afhandeling van de balancering
  • 1. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt voor elk door hem toegekend allocatiepunt de allocatiemethode.

  • 2. Afhankelijk van de methode, bepaald op grond van het eerste lid, wijst de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit per balanceringsverantwoordelijke voor elektriciteit energievolumes per onbalansverrekeningsperiode toe, door:

    • a. bij kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld meetgegevens te verzamelen en energievolumes te berekenen per allocatiepunt en deze gegevens te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke; of

    • b. bij kleine aansluitingen energievolumes te berekenen per allocatiepunt en te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke, ingeval:

      • 1°. de meetgegevens niet betrouwbaar of volledig zijn;

      • 2°. een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of administratief is uitgeschakeld; of

      • 3°. van een onbemeten aansluiting.

    • c. bij grote aansluitingen en systeemkoppelingen de meetgegevens en de energievolumes per allocatiepunt te ontvangen; of

    • d. bij grote aansluitingen de energievolumes te berekenen en te aggregeren per balanceringsverantwoordelijke, indien de verstrekte meetgegevens en energievolumes voor een allocatiepunt niet betrouwbaar of volledig zijn.

  • 3. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit verstrekt de energievolumes, bedoeld in het tweede lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit.

  • 4. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bepaalt de energievolumes voor de definitieve verrekening van de balancering:

    • a. voor allocatiepunten behorend bij kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld door meetgegevens te verzamelen dan wel te berekenen, valideren en vast te stellen en de energievolumes te bepalen bij:

      • de overgang van een maand;

      • een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier, een andere marktdeelnemer die invoeding aggregeert of een andere balanceringsverantwoordelijke;

      • installatie of vervanging van de meetinrichting;

      • een wijziging van de allocatiemethode, bedoeld in het eerste lid;

    • b. voor allocatiepunten behorende bij kleine aansluitingen met een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld op basis van energievolumes die zijn berekend op basis van door een leverancier aangeleverde meetgegevens:

      • tenminste eenmaal per 12 maanden; of

      • bij een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke;

    • c. Voor grote aansluitingen en systeemkoppelingen door de energievolumes per balanceringsverantwoordelijke partij te aggregeren op basis van de door de meetverantwoordelijke partij per allocatiepunt verstrekte meetgegevens en energievolumes.

  • 5. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit verstrekt de per balanceringsverantwoordelijke geaggregeerde energievolumes aan de transmissiesysteembeheerder elektriciteit.

  • 6. Een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent profielfracties voor elektriciteit met gebruikmaking van de meetgegevens, bedoeld in het tweede lid onderdeel a, en past de verkregen profielfracties toe voor het bepalen van berekende energievolumes als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 3.18 faciliteren van de distributiesysteembeheerder voor gas bij de administratieve afhandeling van de balancering
  • 1. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt voor elk door hem toegekend allocatiepunt de aansluitingcategorie.

  • 2. Afhankelijk van de aansluitingcategorie, bepaald op grond van het eerste lid, verstrekt de distributiesysteembeheerder voor gas de transmissiesysteembeheerder voor gas dagelijks gegevens uit zijn register ten behoeve van het stuursignaal voor gas.

  • 3. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt de calorische waarden per systeemgebied, zoals vastgesteld op grond van de methoden en voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de wet, op basis van de ontvangen meetgegevens en gebruikt de calorische waarden voor de omzetting van meetgegevens naar energetische hoeveelheden. De distributiesysteembeheerder bepaalt na afloop van een maand de calorische omrekenfactor per systeemgebied.

  • 4. Een distributiesysteembeheerder voor gas stelt de calorische waarden en calorische omrekenfactor per systeemgebied, bedoeld in het derde lid, voor eenieder op toegankelijke wijze beschikbaar.

  • 5. Een distributiesysteembeheerder voor gas wijst energetische hoeveelheden per onbalansverrekeningsperiode toe aan de balanceringsverantwoordelijken, afhankelijk van de aansluitingcategorie, zoals bepaald op grond van het eerste lid, door:

    • a. voor allocatiepunten van kleine aansluitingen en grote aansluitingen als bedoeld in artikel 7.25 van de wet de energetische hoeveelheden te berekenen per balanceringsverantwoordelijke; of

    • b. voor allocatiepunten van andere grote aansluitingen de meetgegevens en energievolumes te ontvangen en de energetische hoeveelheden te berekenen.

  • 6. Een distributiesysteembeheerder voor gas verstrekt de energetische hoeveelheden, bedoeld in het vijfde lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor gas.

  • 7. Een distributiesysteembeheerder voor gas bepaalt de energetische hoeveelheden voor de definitieve verrekening van de balancering:

    • a. voor allocatiepunten van kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld door meetgegevens te verzamelen, valideren en vast te stellen en energetische hoeveelheden te bepalen bij:

      • 1°. de overgang van een maand;

      • 2°. een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke; of

      • installatie of vervanging van de meetinrichting.

    • b. voor kleine aansluitingen met een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit, een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet functioneert of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld door energetische volumes te berekenen op basis van door een leverancier aangeleverde meetgegevens voor allocatiepunten:

      • 1°. tenminste eenmaal per twaalf maanden; of

      • 2°. bij een overstap van de aangeslotene naar een andere leverancier of een andere balanceringsverantwoordelijke;

    • c. voor grote aansluitingen door de energetische hoeveelheden per allocatiepunt per maand te berekenen op basis van de meetgegevens.

  • 8. Een distributiesysteembeheerder voor gas verstrekt de per combinatie van balanceringsverantwoordelijke en leverancier geaggregeerde energetische hoeveelheden, bedoeld in het zevende lid, aan de transmissiesysteembeheerder voor gas.

AFDELING 3.4 BESCHERMING VITALE PROCESSEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDER

[gereserveerd]

AFDELING 3.5 BIJZONDERE TAKEN TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDER VOOR GAS

Artikel 3.22 datum overzicht leveringszekerheid van gas

De datum, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, van de wet is 15 september.

Artikel 3.23 inhoud overzicht leveringszekerheid van gas
  • 1. Het overzicht, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, brengt zowel de vraagzijde als de aanbodzijde van de gasbalans in kaart. Daarbij worden tevens de verwachte import- en exportstromen betrokken.

  • 2. Bij de raming van de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a, c en d, en tweede lid, onderdeel b, van de wet, wordt gebruikgemaakt van de temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, van de wet.

  • 3. De benodigde capaciteit, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt geraamd op basis van de omstandigheden beschreven in artikel 5, eerste lid, van verordening 2017/1938. Daarbij wordt de benodigde capaciteit bepaald op grond van de laagste gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  • 4. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een zeven dagen durende koude periode die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  • 5. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een koude periode van dertig dagen die voorkomt met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de twintig jaar.

  • 6. Het benodigde volume, bedoeld in artikel 3.66, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de wet, wordt bepaald op grond van de gemiddelde effectieve temperatuur gedurende een periode van dertig dagen die representatief is voor gemiddelde winterse omstandigheden.

  • 7. In het overzicht van de vraag en vraagontwikkeling van hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdelen a en d, tweede lid, onderdeel f en derde lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt de vraag naar gas nader onderverdeeld in:

    • a. de verwachte binnenlandse gasvraag en de export per land;

    • b. ten aanzien van de binnenlandse vraag: onderscheid tussen de gasvraag van eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas, op een distributiesysteem voor gas en op een gesloten systeem;

    • c. ten aanzien van de eindafnemers die zijn aangesloten op het transmissiesysteem voor gas: onderscheid tussen de vraag van gascentrales en overige eindafnemers van gas.

  • 8. De benodigde hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas, bedoeld in artikel 3.66, eerste lid, onderdeel c, van de wet, zien in ieder geval op de hoeveelheden hoog- en laagcalorisch gas uitgedrukt in TWh die op 1 november van het volgende kalenderjaar dienen te zijn opgeslagen.

  • 9. De temperatuurscenario's, bedoeld in artikel 3.66, derde lid, onderdeel b, van de wet, omvatten ten minste een koudste, een gemiddelde en een warmste scenario op basis van temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar. De transmissiesysteembeheerder voor gas geeft aan welk gasjaar als referentie dient voor deze specifieke temperatuurscenario's.

  • 10. Bij de berekening van de vraag naar gas gaat de transmissiesysteembeheerder voor gas ten minste uit van:

    • a. een systematiek van graaddagen, gebaseerd op het verschil tussen de gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur en 14 °C, volgens de formule: D = Σ max[(14 – Teff),0]; en

    • b. temperatuurprofielen van de afgelopen 20 jaar op basis waarvan hij een verband legt tussen het aantal graaddagen en de vraag naar gas.

AFDELING 3.6 VERPLICHTINGEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDER INZAKE KWALITEITSBORGING, CALAMITEITEN EN VOORVALLEN

Artikel 3.24 kwaliteitsborgingssysteem
  • 1. Het door een transmissie- of distributiesysteembeheerder gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem bestaat ten minste uit:

    • a. de voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen, plannen en procedures om het nagestreefde kwaliteitsniveau te bereiken en de beheersing te verbeteren;

    • b. de procedure voor het identificeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem en het ontwikkelen, prioriteren en implementeren van verbetermaatregelen met betrekking tot het kwaliteitsborgingssysteem;

    • c. processen voor:

      • 1°. het beheer van de bedrijfsmiddelen;

      • 2°. de identificatie en beheersing van risico’s die een bedreiging vormen voor de kwaliteitsniveaus, waarbij tevens de prioritering van maatregelen voor het adresseren van deze risico’s betrokken wordt;

      • 3°. de beoordeling van de toestand van bedrijfsmiddelen;

    • d. het proces en de doelstellingen van beoordelingen door de directie en beoordelingen door de leiding van het meest betrokken bedrijfsonderdeel.

  • 2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder monitort doorlopend de werking van het kwaliteitsborgingssysteem en past de plannen, processen en procedures waar noodzakelijk aan.

  • 3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder evalueert de doeltreffendheid van het kwaliteitsborgingssysteem ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteitsaspecten ten minste eenmaal per zes jaren. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wijzigt de transmissie- of distributiesysteembeheerder de plannen, processen en procedures.

Artikel 3.25 voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen

De voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, onderdeel a, zijn ten minste:

  • a. het vaststellen en registreren van de benodigde gegevens voor het monitoren van de kwaliteitsniveaus;

  • b. het opstellen en toepassen van procedures voor het ontvangen en verwerken van meldingen van onderbrekingen en storingen;

  • c. het opstellen en toepassen van procedures voor het registreren van de gegevens die nodig zijn voor de kritische prestatie-indicatoren, waaronder:

    • 1°. de toedeling van verantwoordelijkheden binnen dat proces;

    • 2°. het waarborgen van de vakbekwaamheid van de bij de registratie betrokken personen;

    • 3°. het voorkomen van verlies of wijziging van de geregistreerde gegevens;

  • d. het bijhouden van een actueel en volledig bedrijfsmiddelenregister, alsmede het bijhouden van wijzigingen van het register, waarbij wijzigingen binnen twee maanden worden geregistreerd en de verwerkingstijd van deze wijzigingen wordt bijgehouden;

  • e. het bijhouden van wijzigingen in de toestand van de bedrijfsmiddelen ten opzichte van het vorige kwaliteitsplan;

  • f. het bijhouden van een register van actuele en toekomstige risico’s die een bedreiging vormen voor het realiseren van de nagestreefde kwaliteitsniveaus en het vaststellen van maatregelen om die risico’s te adresseren;

  • g. het opstellen en toepassen van maatregelen voor het veiligstellen en beëindigen van storingen en onderbrekingen;

  • h. het opstellen en toepassen van een plan voor het uit te voeren onderhoud en de daarvoor benodigde werkzaamheden.

Artikel 3.26 inhoud bedrijfsmiddelenregister
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas vermeldt in het bedrijfsmiddelenregister:

    • a. de materiaalsoort, de functie, de diameter en de lengte van een leiding;

    • b. het aanlegjaar van de leiding of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin de leiding is gelegd;

    • c. de druk, gemeten in bar, waaronder een leiding gebruikt wordt;

    • d. in geval van een stalen leiding, de bekleding van de leiding en de vermelding of sprake is van kathodische bescherming van de leiding;

    • e. de stations en appendages, alsmede de datum van ingebruikneming of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode van ingebruikneming.

  • 2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit vermeldt in het bedrijfsmiddelenregister:

    • a. het materiaal van de kern, het isolatiemateriaal en de diameter van de leiding;

    • b. het aanlegjaar van de leiding of, indien dat niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode waarin de leiding is aangelegd;

    • c. de vermelding van het spanningsniveau waarop een leiding functioneert;

    • d. de lengte van een leiding tussen twee schakelstations en de lengte van elk leidingsdeel van die leiding;

    • e. de transformatoren, spanningsruimtes, stationsvelden en schakel- en regelstations, alsmede de datum van ingebruikneming of, indien die niet bekend is, een gemotiveerde aanduiding van de periode van ingebruikneming.

Artikel 3.27 inhoud van het kwaliteitsplan
  • 1. Bij het beschrijven van de onderdelen, bedoeld in artikel 3.32, tweede lid, van het besluit, neemt de transmissie- of distributiesysteembeheerder in het kwaliteitsplan ten minste volgordelijk op:

    • a. de missie, visie en strategie met betrekking tot het beheersen van de kwaliteitsaspecten;

    • b. de kritische prestatie-indicatoren en streefwaardes, weergegeven per kwaliteitsaspect;

    • c. de realisatie per kalenderjaar ten aanzien van de kritische prestatie-indicatoren en streefwaardes ten opzichte van de vijf voorgaande jaren, waarbij de kritische prestatie-indicatoren, genoemd in de artikelen 3.28 en 3.29, apart worden weergegeven;

    • d. een weergave van de toestand van alle leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve van het transport van elektriciteit of gas, waarbij:

      • 1°. de toestand wordt weergegeven ten opzichte van het vorige kwaliteitsplan;

      • 2°. onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfsmiddelen en, indien van toepassing, druk- of spanningsniveaus;

    • e. een vermelding van de actualiteit en volledigheid van het bedrijfsmiddelenregister, zoals voorgeschreven in artikel 3.25, onderdeel d;

    • f. de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s voor de kwaliteitsniveaus op de verschillende kwaliteitsaspecten die worden nagestreefd;

    • g. de bestaande en toekomstige organisatorische knelpunten voor de realisatie van de streefwaardes bij de verschillende kwaliteitsniveaus en kritische prestatie-indicatoren, waarbij de organisatorische knelpunten worden gerapporteerd op basis van de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s;

    • h. de bestaande en toekomstige fysieke knelpunten, beschreven op generieke wijze aan de hand van de belangrijkste bestaande en toekomstige risico’s waar vergelijkbare gebeurtenissen en situaties optreden en vergelijkbare objecten of onderdelen daarvan getroffen worden;

    • i. een beschrijving van de maatregelen voor het adresseren van de knelpunten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen organisatorische en fysieke knelpunten;

    • j. een beschrijving van de systematiek waarmee knelpunten worden geanalyseerd, waarbij wordt aangegeven hoe de systematiek zich verhoudt tot de gehanteerde systematiek voor de analyse van knelpunten, bedoeld in artikel 3.4;

    • k. de uitkomsten van de jaarlijkse beoordeling door de directie die vermeldt:

      • 1°. de voortgang ten aanzien van de realisatie van de gestelde streefwaarden, weergegeven per kritische prestatie-indicator;

      • 2°. welke factoren en knelpunten de voortgang belemmeren;

      • 3°. welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de voortgang te bespoedigen en welke strategische afwegingen hierbij zijn gemaakt;

      • 4°. de eventuele bijgestelde streefwaarden en kritische prestatie-indicatoren en de reden waarom deze zijn bijgesteld;

      • 5°. hoe het kwaliteitsmanagement functioneert;

    • l. de resultaten van de periodieke evaluatie van het kwaliteitsborgingssysteem, waarbij wordt beschreven op welke wijze de resultaten leiden tot eventuele aanpassingen van het kwaliteitsborgingssysteem.

  • 2. Indien een transmissiesysteembeheerder zowel beheerder is van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee als van een ander systeem, wordt in het kwaliteitsplan informatie over het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee zelfstandig weergegeven.

  • 3. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder kritische prestatie-indicatoren hanteert in aanvulling op kritische prestatie-indicatoren die in de artikelen 3.28 en 3.29 zijn genoemd, beschrijft de transmissie- of distributiesysteembeheerder in het kwaliteitsplan op welke wijze de uitkomst van de belangrijkste indicatoren wordt berekend.

Artikel 3.28 kritische prestatie-indicatoren elektriciteit
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit beschrijft ten minste de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan:

    • a. bij het kwaliteitsaspect veiligheid: het aantal voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, onderscheidend naar de ernst;

    • b. bij het kwaliteitsaspect betrouwbaarheid van het systeem: de jaarlijkse duur, gemiddelde duur en frequentie van onderbrekingen van het transport van elektriciteit van ten minste vijf seconden;

    • c. bij het kwaliteitsaspect productkwaliteit: het aantal door de transmissie- of distributiesysteembeheerder vastgestelde overschrijdingen van op grond van artikel 3.121 van de wet goedgekeurde methoden of voorwaarden voor spanningskwaliteit;

    • d. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van de dienstverlening: de gemiddelde jaarlijkse duur van de periode tussen het aanvragen en het in gebruik geven van een aansluiting, onderscheidend naar systeemvlak waarop de aansluitingen zijn gerealiseerd;

    • e. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan: de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata.

  • 2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit maakt bij de beschrijving van de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, steeds onderscheid tussen:

    • a. onderbrekingen die de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste drie werkdagen van tevoren heeft aangekondigd; en

    • b. overige onderbrekingen.

  • 3. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de jaarlijkse duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / TA, waarbij:

    • a. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    • b. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking;

    • c. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    • d. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  • 4. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de gemiddelde duur van onderbrekingen als volgt: Σ (GA × T) / Σ GA, waarbij:

    • a. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    • b. T de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang en beëindiging van de onderbreking; en

    • c. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  • 5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit berekent de frequentie van onderbrekingen als volgt: Σ GA / TA, waarbij:

    • a. GA het aantal getroffen aansluitingen betreft;

    • b. TA het totale aantal aansluitingen betreft; en

    • c. Σ de sommatie betreft over alle onderbrekingen in het desbetreffende jaar.

  • 6. De transmissie- of distributiesysteembeheerder bepaalt:

    • a. het aantal getroffen aansluitingen en het totale aantal aansluitingen op basis van het totale aantal aansluitingen op 1 januari van het jaar waarin de onderbreking plaatsvond op het transmissie- of distributiesysteem waar de onderbreking heeft plaatsgevonden en, indien van toepassing, een verbonden transmissie- of distributiesysteem met een gelijk of lager spanningsniveau;

    • b. de aanvang van een onderbreking als het moment van ontvangst van de eerste melding van de onderbreking, of, indien dat eerder is, het moment van vaststelling van de onderbreking door de transmissie- of distributiesysteembeheerder.

Artikel 3.29 kritische prestatie-indicatoren gas
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas beschrijft ten minste de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan:

    • a. bij het kwaliteitsaspect betrouwbaarheid: de jaarlijkse duur, gemiddelde duur en frequentie van onderbrekingen van het transport van gas waarbij de druk in het transmissie- of distributiesysteem dermate laag is dat een aangesloten installatie niet werkt;

    • b. bij het kwaliteitsaspect veiligheid:

      • 1°. het aantal door de transmissie- of distributiesysteembeheerder vastgestelde lekken in het transmissie- of distributiesysteem, bestaande uit:

        • i. lekken waardoor nadelige gevolgen ontstaan voor mens of milieu; en

        • ii. overige lekken;

      • 2°. de gemiddelde jaarlijkse aanrijdtijd voor een acute systeemstoring;

      • 3°. het aantal voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan;

      • 4°. het aantal voorvallen dat een grootschalige ontruiming of een grootschalige onderbreking van het transport van gas veroorzaakt;

    • c. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van de dienstverlening: de gemiddelde jaarlijkse duur van de periode tussen het aanvragen en het in gebruik geven van een aansluiting;

    • d. bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan: de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid beschrijft een transmissiesysteembeheerder voor gas de volgende kritische prestatie-indicatoren in het kwaliteitsplan bij het kwaliteitsaspect veiligheid:

    • a. het aantal lekken in de aansluitingen;

    • b. het aantal onderbrekingen van het transport van gas waarbij de druk in het transmissie- of distributiesysteem zo laag is dat een aangesloten installatie niet werkt, met uitzondering van onderbrekingen die aan de afnemer kunnen worden toegerekend;

    • c. de gemiddelde duur van het veiligstellen van een acute systeemstoring.

  • 3. Artikel 3.28, tweede tot en met zesde lid, is van toepassing op de beschrijving van de kritische prestatie-indicatoren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 4. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas berekent de gemiddelde jaarlijkse aanrijdtijd als volgt: Σ (TR) / S, waarbij:

    • a. TR de aanrijdtijd bij een acute systeemstoring betreft, in minuten vanaf het tijdstip van ontvangst van de melding van een acute systeemstoring tot het tijdstip van aankomst op de locatie van de acute systeemstoring;

    • b. S het totale aantal acute systeemstoringen betreft; en

    • c. Σ de sommatie betreft over alle acute systeemstoringen in het desbetreffende jaar.

  • 5. De transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas berekent de gemiddelde duur van het veiligstellen van een acute systeemstoring als volgt: Σ (TV) / S, waarbij:

    • a. TV de tijdsduur betreft, in minuten tussen de aanvang van de acute systeemstoring en het moment waarop geen onmiddellijk gevaar meer bestaat voor personen of objecten;

    • b. S het totale aantal acute systeemstoringen betreft; en

    • c. Σ de sommatie betreft over alle acute systeemstoringen in het desbetreffende jaar.

Artikel 3.30 moment voorleggen ontwerpkwaliteitsplan

Een ontwerpkwaliteitsplan als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, van het besluit wordt voorgelegd uiterlijk op de eerste dag na 1 januari van een oneven kalenderjaar die niet een zaterdag of een zondag is.

Artikel 3.31 meldingen van voorvallen bij gassystemen

Bij een melding als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, van het besluit vermeldt de transmissie- of distributiesysteembeheerder:

  • a. de oorzaken van het voorval en de omstandigheden waaronder het voorval zich heeft voorgedaan;

  • b. de ten gevolge van het voorval vrijgekomen gassen, alsmede hun eigenschappen en de hoeveelheden die zijn vrijgekomen;

  • c. de aard en de ernst van de gevolgen voor de mens of het milieu van het voorval;

  • d. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om de gevolgen van het voorval te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;

  • e. de maatregelen die zijn genomen of worden overwogen om te voorkomen dat het voorval zich nogmaals kan voordoen.

Artikel 3.32 registratie en openbaarmaking van onderbrekingen en voorvallen
  • 1. Bij een registratie als bedoeld in artikel 3.36, vijfde lid, van het besluit registreert de transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee of beheerder van een gesloten systeem:

    • a. een uniek nummer per registratie;

    • b. de datum en het tijdstip van de melding;

    • c. de locatie, de aard, de oorzaak en het aantal getroffen aansluitingen;

    • d. de datum en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    • e. het spannings- of drukniveau van het deel van het systeem waar de onderbreking of het voorval zich heeft voorgedaan;

    • f. of de veiligheid van personen of objecten door het voorval of de onderbreking onmiddellijk in gevaar is geweest.

  • 2. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder voor gas of beheerder van een gesloten systeem voor gas registreert in geval van een waarneming de wijze waarop die waarneming is gedaan.

  • 3. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee maakt onderbrekingen bekend via het internet.

  • 4. Bij de toepassing van het eerste, lid, onderdelen a tot en met e, en het derde lid, maakt de betreffende systeembeheerder steeds onderscheid tussen:

    • a. onderbrekingen die de transmissie- of distributiesysteembeheerder ten minste drie werkdagen van tevoren heeft aangekondigd; en

    • b. overige onderbrekingen.

Artikel 3.33 calamiteitenplan
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder beschikt over een calamiteitenplan waarin de volgende onderdelen in ieder geval aan bod komen:

    • a. de visie, uitgangspunten en strategie met betrekking tot crisismanagement;

    • b. de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van crisismanagers;

    • c. de crisisorganisatie;

    • d. de besluitvormingsstructuur;

    • e. de wijze van alarmering en opschaling van activiteiten;

    • f. interne en externe communicatieafspraken.

  • 2. De transmissie- of distributiesysteembeheerder stemt het calamiteitenplan af met de hulpverlenende diensten die bij calamiteiten over het algemeen worden ingeschakeld.

AFDELING 3.7 PROCEDURES TARIEVEN EN METHODEN OF VOORWAARDEN TRANSMISSIE- EN DISTRIBUTIESYSTEEMBEHEERDERS

Artikel 3.34 voorstel voor tarieven
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder zendt jaarlijks voor 1 oktober aan de Autoriteit Consument en Markt een voorstel voor zijn tarieven als bedoeld in artikel 3.110, eerste lid, van de wet.

  • 2. Indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een voorstel voor zijn tarieven aan de Autoriteit Consument en Markt zendt, stelt de Autoriteit Consument en Markt de tarieven voor deze systeembeheerder uit eigen beweging vast met inachtneming van artikel 3.110 van de wet.

Artikel 3.35 voorstel aan gezamenlijke transmissie- en distributiesysteembeheerders voor methoden of voorwaarden
  • 1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit of gas, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of tenminste een derde van de distributiesysteembeheerders voor elektriciteit of gas kan de overige transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, onderscheidenlijk voor gas, verzoeken om een gezamenlijk voorstel te doen tot wijziging van de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de wet, onder opgave van de redenen voor een dergelijke wijziging.

  • 2. De transmissie- en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, indien relevant met de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, of de transmissie- en distributiesysteembeheerders voor gas zenden een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de Autoriteit Consument en Markt binnen twaalf weken na de dag waarop een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan.

Artikel 3.36 termijn zienswijzen op voorstel ACM voor methoden of voorwaarden

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 3.120, derde lid, onderdeel b, van de wet een ontwerp voor wijziging van de methoden en voorwaarden opstelt, stelt zij de transmissie- of distributiesysteembeheerders voor elektriciteit of gas, indien relevant de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, en de relevante representatieve organisaties van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken binnen twaalf weken na de dag waarop dat ontwerp aan hen is toegezonden.

Artikel 3.37 opschorting beslistermijn bij eis ACM tot wijziging voorstel voor methoden of voorwaarden

Indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 3.121, derde lid, van de wet eist dat de aan haar voorgelegde methoden of voorwaarden worden gewijzigd, is artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, onverminderd de toepassing van beslistermijnen bij of krachtens verordening 2024/1789, verordening 2019/943 of andere bindende Europese rechtshandelingen.

AFDELING 3.8 PROCEDURES TARIEVEN EN METHODEN OF VOORWAARDEN BIJZONDERE SYSTEEMBEHEERDERS

Artikel 3.38 voorstel berekeningsmethode tarieven LNG-beheerder
  • 1. Een LNG-beheerder zendt een door hem opgesteld voorstel voor de berekeningsmethode voor de tarieven als bedoeld in artikel 3.115, eerste lid, van de wet, of voor methoden en voorwaarden als bedoeld in artikel 3.123, eerste lid, van de wet, onverwijld ter goedkeuring aan de Autoriteit Consument en Markt.

  • 2. Indien de Autoriteit Consument en Markt goedkeuring onthoudt aan de berekeningsmethode voor de tarieven of de methoden of voorwaarden, stelt de LNG-beheerder zo spoedig mogelijk een aangepast voorstel daarvoor op met inachtneming van de aanwijzingen in de beslissing van de Autoriteit Consument en Markt en zendt dit aangepaste voorstel wederom onverwijld ter goedkeuring aan de Autoriteit Consument en Markt.

  • 3. De LNG-beheerder stelt de berekeningsmethode voor de tarieven of de methoden en voorwaarden vast en deze treden niet eerder in werking dan nadat het besluit tot goedkeuring van de Autoriteit Consument en Markt in werking is getreden.

AFDELING 3.9 KREDIETWAARDIGHEID EN BOEKHOUDVERPLICHTING SYSTEEMBEHEERDERS

Artikel 3.39 aantonen kredietwaardigheid kleinere distributiesysteembeheerders
  • 1. Een distributiesysteembeheerder met een jaaromzet van ten hoogste € 500 miljoen voldoet aan de financiële ratio’s voor het aantonen van zijn kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 3.41, derde lid, van het besluit, indien:

    • a. het quotiënt van enerzijds het bedrijfsresultaat voor rente en belasting en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 1,7 bedraagt;

    • b. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is, en anderzijds de bruto rentelasten ten minste 2,5 bedraagt;

    • c. het quotiënt van enerzijds de som van de netto winst uit gewone bedrijfsuitoefening, afschrijvingen, amortisatie, latente belastingen, overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is en anderzijds de totale schuld ten minste 0,11 bedraagt; en

    • d. het quotiënt van enerzijds de totale schuld en anderzijds de som van de totale schuld en het eigen vermogen inclusief minderheidsbelangen en preferente aandelen ten hoogste 0,7 bedraagt.

  • 2. Indien de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek neemt deze in de berekening, bedoeld in het eerste lid, tevens de financiële verplichtingen op van tot de groep behorende rechtspersonen en vennootschappen die ten laste kunnen komen van de distributiesysteembeheerder.

  • 3. De jaaromzet, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks geïndexeerd met de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP).

  • 4. De distributiesysteembeheerder verstrekt jaarlijks aan de Autoriteit Consument en Markt een toelichting met betrekking tot de in de komende vijf jaren voorziene ontwikkeling van de quotiënten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.40 afzonderlijke boekhouding systeembeheerders
  • 1. Een transmissie- of distributiesysteembeheerder, transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, interconnectorsysteembeheerder, LNG-beheerder of gasopslagbeheerder publiceert uiterlijk op 1 oktober na afloop van het boekjaar:

    • a. een volledig jaarverslag, inclusief jaarrekening, op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; of

    • b. een financieel verslag, vergezeld van een controleverklaring van een onafhankelijke accountant, met ten minste de volgende informatie:

      • 1°. een winst-en-verliesrekening;

      • 2°. een overzicht van het totaalresultaat;

      • 3°. een balans;

      • 4°. een kasstroomoverzicht;

      • 5°. een mutatieoverzicht van het eigen vermogen;

      • 6°. een toelichting op de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling, bijzondere of omvangrijke transacties en gebeurtenissen, de financiering, waaronder rentedragende leningen, gebeurtenissen na balansdatum en de winstbestemming.

  • 2. In aanvulling op het jaarverslag of financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, publiceert een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, uiterlijk op 1 oktober na afloop van het boekjaar de volgende informatie:

    • a. de winst- en verliesrekening, waaronder het bedrijfsresultaat, exclusief financiële baten en lasten, belastingen en resultaten van niet-geconsolideerde deelnemingen, voor:

      • 1°. het totaal van de activiteiten, en

      • 2°. de activiteiten onderverdeeld naar de verschillende onderdelen van de taakuitoefening op het gebied van elektriciteit of gas, met een toelichting daarop;

    • b. voor een transmissie- of distributiesysteembeheerder of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, een verklaring dat de financiële verhouding ten opzichte van de infrastructuurbedrijven waarmee hij een groep vormt voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3.22 van de wet; en

    • c. indien dit niet in het jaarverslag of het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, is opgenomen:

      • 1°. een verslag van de ontwikkelingen van de investeringen in zijn systemen;

      • 2°. een verslag van de ontwikkelingen van de betrouwbaarheid van zijn systemen;

      • 3°. een analyse van de financiële toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten.

AFDELING 3.10 OVERIGE TAKEN EN VERPLICHTINGEN SYSTEEMBEHEERDERS

Artikel 3.41 actieve openbaarmaking gegevens door transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder
  • 1. De transmissiesysteembeheerder en, indien zij over deze gegevens beschikken, de distributiesysteembeheerders dragen gezamenlijk zorg voor het dagelijks zo nauwkeurig mogelijk beschikbaar stellen van gegevens over het aandeel hernieuwbare elektriciteit en het gehalte aan broeikasgasemissies van de op het Nederlandse grondgebied geleverde elektriciteit in tijdsintervallen die ten minste overeenkomen met de onbalansverrekeningsperiode, waar mogelijk inclusief prognoses.

  • 2. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit draagt zorg voor het dagelijks publiceren van de dynamische referentieprijs.

  • 3. De bewerking en verrijking van de gegevens door de transmissie- of distributiesysteembeheerder, genoemd in het eerste en het tweede lid, dienen gericht te zijn op het voor gebruikers op een toegankelijke wijze beschikbaar stellen waarbij de gebruiker de mogelijkheid van hergebruik en machine-uitleesbaarheid heeft.

Artikel 3.42 opstellen verslag over de geraamde flexibiliteitsbehoeften

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit stelt het verslag op over de geraamde flexibiliteitsbehoeften, bedoeld in artikel 19 sexies, eerste lid, van verordening 2019/943 en verzendt dit aan de Autoriteit Consument en Markt.

Artikel 3.43 toegang gasopslagsystemen
  • 1. Toegang tot een gasopslagsysteem is noodzakelijk voor de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit, bedoeld in artikel 3.47, derde lid, van het besluit, indien:

    • a. het gasopslagsysteem een seizoensopslag is;

    • b. het geheel of gedeeltelijk vullen van het gasopslagsysteem noodzakelijk is voor het realiseren van de op grond van artikel 6bis van verordening 2017/1938 vastgestelde verplichte vuldoelen of het door de minister vastgestelde vuldoel, bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, van het besluit; en

    • c. de niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit van het opslagsysteem niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen wordt aangeboden, of redelijkerwijs voorzien is dat deze opslagcapaciteit in het volgende opslagjaar niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden aan marktpartijen zal worden aangeboden.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het gedeelte van een gasopslagsysteem dat gebruikt wordt als strategische opslag als bedoeld in artikel 2, onderdeel 29, van verordening 2017/1938.

AFDELING 3.11 ONTHEFFINGEN NIEUWE SYSTEMEN

Artikel 3.44 ontheffingen nieuwe systemen
  • 1. Dit artikel is van toepassing op de procedure voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.128, eerste lid, of artikel 3.129, eerste lid, van de wet.

  • 2. De minister motiveert een besluit tot verlening of weigering van een ontheffing ten minste aan de hand van de aspecten, genoemd in artikel 78, eerste lid, derde alinea, en negende lid, onderdelen a tot en met e, van verordening 2024/1789.

  • 3. De minister kan aan een ontheffing voorwaarden verbinden ter uitvoering van artikel 78, eerste lid, derde alinea, en zesde lid, derde alinea, van verordening 2024/1789.

  • 4. Een ontheffing treedt in werking de dag nadat:

    • a. de goedkeuring van de Europese Commissie, bedoeld in artikel 78, tiende lid, van verordening 2024/1789, is bekendgemaakt; of

    • b. het besluit tot aanpassing aan een wijzigingsverzoek van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 78, tiende lid, van verordening 2024/1789 is bekendgemaakt.

  • 5. De minister doet in de Staatscourant mededeling van een verleende ontheffing en van een besluit tot aanpassing aan een wijzigingsverzoek van de Europese Commissie.

AFDELING 3.12 SCHADEVERGOEDING TRANSMISSIESYSTEEM VOOR ELEKTRICITEIT OP ZEE

Artikel 3.45 windsnelheid
  • 1. Voor het bepalen van de windsnelheid, bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van metingen van de volgende meetstations:

    Windenergiegebied

    Meetstation zee

    Meetstation land

    Borssele

    Europlatform, Goeree, Vlakte

    Vlissingen

    Hollandse Kust Zuid

    Europlatform, Goeree, IJmuiden Ver, OWEZ

    Hoek van Holland, IJmuiden

    Hollandse Kust Noord

    IJmuiden Ver, K-13

    IJmuiden, De Kooy

  • 2. Indien de op grond van artikel 3.48 bepaalde windrichting tussen 0 en 180 graden is, wordt alleen gebruik gemaakt van de gegevens van meetstations op zee.

  • 3. Indien met betrekking tot de windsnelheid sprake is van onvoldoende beschikbaarheid van gegevens als bedoeld in artikel 3.51, wordt de windsnelheid bepaald op basis van metingen van de windsnelheid door één of meerdere LiDAR-systemen binnen of nabij het desbetreffende windenergiegebied.

Artikel 3.46 nadere regels windsnelheid
  • 1. Voor het bepalen van de windsnelheid worden de windsnelheidsmetingen op basis van artikel 3.45 verticaal geëxtrapoleerd tot de ashoogte van een windpark door middel van de volgende formule:

    , waarin

    VAH = de berekende windsnelheid op de ashoogte van een windpark [m/s];

    Vref = de 10 minuten gemiddelde gemeten windsnelheid [m/s];

    hHH = de ashoogte van een windpark boven gemiddeld zeeniveau [m];

    href = de hoogte boven gemiddeld zeeniveau waarop de windsnelheid is gemeten [m];

    α = 0,10 voor meetstations op zee en 0,16 voor meetstations op land.

  • 2. De verticaal geëxtrapoleerde windsnelheden worden horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het desbetreffende windpark. Daarbij worden de geëxtrapoleerde windsnelheden gewogen naar de afstanden tussen de meetstations en de locatie van het platform van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee op zee waarop het desbetreffende windpark is aangesloten, volgens de onderstaande formule:

    , waarin

    VHWP = de windsnelheid op ashoogte van een windpark;

    nws = het aantal gebruikte meetstations;

    VAHi = de naar ashoogte van een windpark geëxtrapoleerde windsnelheid gemeten op meetstation i;

    Di = de afstand tussen meetstation i en het centrum van het windpark.

Artikel 3.47 productieprofiel

Het productieprofiel van een windpark, bedoeld in artikel 3.51, tweede en vierde lid, van het besluit, wordt bepaald door het geleverde vermogen van het windpark per windsnelheidsklasse van 0,5 meter per seconde tussen:

  • a. de windsnelheid waarboven een windturbine of windpark elektriciteit begint te genereren en

  • b. de windsnelheid waarboven een windturbine of windpark uitschakelt om schade door een te hoge snelheid van de rotor te voorkomen, per windrichtingssector van 30 graden.

Artikel 3.48 windrichting
  • 1. De windrichting wordt bepaald op basis van metingen van de windrichting door één of meerdere LiDAR-systemen die zijn gesitueerd binnen of nabij het desbetreffende windenergiegebied.

  • 2. Indien op basis van het eerste lid onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, wordt de windrichting bepaald op basis van metingen van de windrichting van de meetstations, genoemd in artikel 3.45, eerste lid.

Artikel 3.49 nadere regels windrichting

Voor het bepalen van de windrichting worden de op basis van artikel 3.48 gemeten windrichtingen horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het centrum van het desbetreffende windpark. Daarbij worden de gemeten windrichtingen gewogen naar de afstanden tussen de meetstations en de locatie van het platform van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee waarop het desbetreffende windpark is aangesloten, volgens de onderstaande formule:

, waarin

ΦWPL = de windrichting voor de windparklocatie;

nws = het aantal gebruikte meetstations;

Φi = de windrichting gemeten op meetstation i;

Di = de afstand tussen meetstation i en het centrum van het windpark.

Artikel 3.50 LiDAR-systeem
  • 1. Het LiDAR-systeem wordt bediend door en is in beheer van een ter zake kundige partij die geen belangen heeft ten aanzien van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee of de daarop aangesloten windparken.

  • 2. De ruwe meetgegevens, de daarop uitgevoerde correcties en bewerkingen en de uiteindelijk verkregen meetwaarden van de windsnelheid en windrichting van het LiDAR-systeem zijn openbaar toegankelijk.

Artikel 3.51 onvoldoende gegevens

Er is sprake van onvoldoende gegevens om de gemiste elektriciteitsproductie vast te stellen als bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit indien:

  • a. van minder dan twee meetstations meetgegevens van de windsnelheid of windrichting beschikbaar zijn gedurende de periode waarin het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was, waarbij er per meetstation voor ten minste 95% van de tijd dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was meetgegevens van de windsnelheid dan wel windrichting beschikbaar zijn;

  • b. voor minder dan 95% van de tijd dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet beschikbaar was meetgegevens van de windsnelheid of de windrichting door een LiDAR-systeem beschikbaar zijn.

Artikel 3.52 gemiste elektriciteitsproductie bij onvoldoende gegevens

Indien sprake is van onvoldoende gegevens als bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het besluit wordt de gemiste elektriciteitsproductie bepaald volgens de onderstaande formule:

, waarin

Everlies = de gemiste elektriciteitsproductie [MWh];

Ejaar = de gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsproductie, dit is het product van het aantal vollasturen, waarbij de verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie voor een gegeven combinatie van locatie en installatie voor de opwekking van elektriciteit voor de productie van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50% en het geïnstalleerde vermogen van het windpark [MWh];

Hruai = het aantal uren in maand i dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet of verminderd beschikbaar was [uur];

Hrmaand i = het totale aantal uren in maand i [uur];

Eim = de elektriciteitsproductie in maand i, als percentage van de totale jaarlijkse elektriciteitsproductie [MWh], volgens de onderstaande tabel:

kalendermaand

Percentage van de jaarlijkse elektriciteitsproductie

Januari

10,40%

Februari

8,83%

Maart

8,86%

April

7,48%

Mei

8,12%

Juni

6,63%

Juli

6,11%

Augustus

6,97%

September

6,76%

Oktober

9,81%

November

8,71%

December

11,33%

Artikel 3.53 bepaling hoeveelheid elektriciteit windparken op interconnector

De hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee getransporteerd kan worden voor windparken die tevens zijn ontsloten door middel van een interconnector, wordt bepaald door de beschikbare transportcapaciteit op die interconnector in mindering te brengen op de hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan worden getransporteerd, bedoeld in artikel 3.51, vierde lid van het besluit.

HOOFDSTUK 4 UITVOERING, TOEZICHT EN HANDHAVING

AFDELING 4.1 UITVOERING EN TOEZICHT

Artikel 4.1 aanwijzen minister als bevoegde instantie
  • 1. De minister is de bevoegde instantie, bedoeld in:

    • a. artikel 4, eerste lid, van gedelegeerde verordening 2024/1366.

    • b. artikel 3, tweede lid, van verordening 2017/1938;

    • c. artikel 3, eerste lid, van verordening 2019/941.

  • 2. De minister is belast met de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening 2017/1938.

  • 3. De minister is bevoegd, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens verordening 2019/943, een besluit te nemen inzake de aanpassing van de voor Nederland geldende biedzone, bedoeld in de artikelen 14 en 15 van verordening 2019/943.

Artikel 4.2 toezicht op de naleving en bestuurlijke boetes gedelegeerde verordening 2024/1366 (cyberbeveiliging)

De artikelen 15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 26, 27, 28, 29, zesde lid, 30, 31, eerste en tweede lid, 32, 33, derde, vierde en vijfde lid, 38, 39, eerste, tweede en derde lid, 43, eerste lid, 46 en 47 van gedelegeerde verordening 2024/1366 zijn aangewezen voorschriften als bedoeld in de artikelen 5.17, eerste lid, onderdeel b, en 5.18, eerste lid, onderdeel c, en 5.21, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

Artikel 4.3 analyse leveringszekerheid en voorzieningszekerheid
  • 1. De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit heeft de taak een nationale beoordeling van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van verordening 2019/943 te verrichten en hiervan een verslag op te stellen.

  • 2. Het verslag wordt jaarlijks opgesteld overeenkomstig artikel 24, eerste en derde lid, van verordening 2019/943 en wordt gepubliceerd op een website van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit.

Artikel 4.4 melding wijziging zeggenschap LNG en productie elektriciteit
  • 1. Een melding tot wijziging van zeggenschap als bedoeld in artikel 6.3, eerste of tweede lid, van de wet geschiedt uiterlijk vier maanden voor de datum van de voorgenomen wijziging.

  • 2. Een melding als bedoeld in artikel 6.3, eerste of tweede lid, van de wet wordt ingediend door middel van het formulier dat is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.

  • 3. De termijn voor het nemen van een beschikking, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van de wet is vier maanden na de melding.

  • 4. Indien na een melding blijkt dat er sprake is van een buitenlandse directe investering die valt binnen de reikwijdte van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79), kan de termijn, bedoeld in het derde lid, met ten hoogste drie maanden verlengd worden.

  • 5. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de minister op grond van artikel 5.22 van de wet verzoekt om aanvullende informatie, tot de dag waarop de verzochte informatie is verstrekt.

  • 6. Een melding gaat vergezeld van de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 6 van het meldingsformulier.

  • 7. Een melding wordt gedaan:

    • a. per post op het volgende adres:

      Ministerie van Klimaat en Groene Groei

      t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen

      Postbus 20401

      2500 EK Den Haag, of

    • b. door persoonlijke overhandiging op werkdagen tussen 8.00 uur en 17.00 uur op het volgende adres:

      Ministerie van Klimaat en Groene Groei

      t.a.v. Bureau Toetsing Investeringen

      Bezuidenhoutseweg 73

      2594 AC Den Haag.

AFDELING 4.2 VERSTREKKEN GEGEVENS MARKTTOEZICHT LEVERING

Artikel 4.5 verstrekken gegevens aan de ACM voor markttoezicht levering
  • 1. Een vergunninghouder verstrekt per type leveringsovereenkomst die hij aanbiedt aan huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen de volgende gegevens aan de Autoriteit Consument en Markt:

    • a. de handelsnaam waaronder de leveringsovereenkomst wordt aangeboden;

    • b. de naam en kenmerken van de aangeboden leveringsovereenkomst;

    • c. indien van toepassing, de categorie van huishoudelijk eindafnemers of micro-ondernemingen aan wie de leveringsovereenkomst wordt aangeboden;

    • d. de voor de aangeboden leveringsovereenkomst geldende leveringsprijs;

    • e. de voor de aangeboden leveringsovereenkomst geldende voorwaarden, waaronder, indien van toepassing, overige voor de levering in rekening te brengen kosten;

    • f. de periode waarvoor de aangeboden leveringsprijs en voorwaarden gelden;

    • g. indien van toepassing, de voor teruggeleverde elektriciteit geldende vergoedingen en, indien van toepassing, de voor teruglevering in rekening te brengen kosten;

    • h. gegevens over bij de aangeboden leveringsovereenkomst geldende kortingen of beloningen;

    • i. de verkoopkanalen die worden gebruikt voor het aanbieden van de leveringsoverkomst.

  • 2. Een vergunninghouder stelt de Autoriteit Consument en Markt onverwijld op de hoogte van iedere wijziging ten aanzien van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en ieder nieuw type leveringsovereenkomst die hij aanbiedt aan huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen.

  • 3. Een vergunninghouder verstrekt aan de Autoriteit Consument en Markt iedere aan huishoudelijke eindafnemers en micro-ondernemingen met een doorlopende leveringsovereenkomst voorgestelde wijziging van of nieuw aanbod voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d tot en met h.

AFDELING 4.3 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 4.6 retributies minister
  • 1. Voor de behandeling van een aanvraag voor een aanwijzing als:

    • a. transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.782;

    • b. transmissiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.782;

    • c. distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.782;

    • e. distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de wet, is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 1.782.

  • 2. Voor de behandeling van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 3.127 van de wet is de aanvrager een retributie verschuldigd van € 31.590.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 5.1 inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met uitzondering van:

  • a. de artikelen 3.17, vierde lid, onderdeel a, en zesde lid, en 3.18, zevende lid, onderdeel a, die in werking treden op 1 mei 2026;

  • b. de artikelen 2.36, 2.40 en 2.41 die in werking treden op 1 juli 2026.

Artikel 5.2 citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Energieregeling.

's-Gravenhage, 9 november 2025

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

BIJLAGE 1, BEDOELD IN ARTIKEL 3.16, EERSTE LID

Onderdeel A. H-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index

   

Standaardbandbreedte

49,9–55,7

MJ/m3(n)

Afwijkende bovengrens (Wobbe-index)

   

LNG-systeem bedoeld in figuur 3

57,2

MJ/m3(n)

Waterdauwpunt

≤ –8

°C (bij 70 bar(a))

Gascondensaat

≤ 5

mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk

Temperatuur

LNG-systeem, bedoeld in figuur 3

0–40

°C

Rest Nederland

5–30

°C

Zuurstofgehalte

in RTL en distributiesysteem voor gas

≤ 0,5

mol%

HTL in LNG-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ 0,001

mol% daggemiddeld

 

HTL in rest van Nederland

≤ 0,0005

mol%

Koolstofdioxidegehalte

≤ 2,5

mol%

Koolstofmonoxide (CO)

≤ 2900

mg/m3(n)

Chloor op basis van organochloorverbindingen

≤ 5

mg Cl/m3(n)

Fluor op basis van organofluorverbindingen

≤ 5

mg F/m3(n)

Waterstofgehalte

Maasvlaktesysteem, bedoeld in figuur 7

≤ 0,5

mol%

 

Rest Nederland

≤ 0,02

mol%

Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm

≤ 100

mg/m3(n)

Pathogene microben

≤ 500

aantal /m3(n)

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte voor odorisatie

≤ 30

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte na odorisatie

≤ 41

mg S/m3(n)

THT-gehalte (odorant)

in HTL: reukloos gas

0

mg THT/m3(n)

in RTL: reukloos / ruikbaar1 gas

0 / 10–40

mg THT/m3(n)

in distributiesysteem voor gas: ruikbaar1 gas

10–40

mg THT/m3(n)

Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen

≤ 0,1

mg Si /m3 (n)

X Noot
1

De alarmerende werking van geodoriseerd gas dient te allen tijde adequaat te zijn.

Onderdeel B. G-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index

43,46–44,411, 2

MJ/m3(n)

Gehalte hogere koolwaterstoffen

≤ 5

mol% propaanequivalent

Gascondensaat

≤ 80

mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk

Waterdauwpunt

in RTL en HTL

≤ –8

°C (bij 70 bar(a))

 

in distributiesysteem voor gas

≤ –10

°C (bij 8 bar(a))

Temperatuur

in RTL en HTL

5–30

°C

 

in distributiesysteem voor gas3

5–20

°C

Zuurstofgehalte

in RTL en distributiesysteem voor gas

≤ 0,5

mol%

 

in HTL

≤ 0,0005

mol%

Koolstofdioxidegehalte

in RTL en distributiesysteem voor gas

≤10,34

mol%

in HTL

≤ 3

mol%

Waterstofgehalte

in HTL

≤ 0,02

mol%

in RTL en distributiesysteem voor gas

≤ 0,5

mol%

Chloor op basis van organochloorverbindingen

≤ 5

mg Cl/m3(n)

Fluor op basis van organofluorverbindingen

≤ 5

mg F /m3(n)

Koolstofmonoxide (CO)

≤ 2.900

mg/m3(n)

Pathogene microben

≤ 500

aantal /m3(n)

Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm

≤ 100

mg/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte

voor odorisatie

 

Piekwaarde

≤ 20

mg S/m3(n)

Jaargemiddelde

≤ 5,5

mg S/m3(n)

na odorisatie

 

Piekwaarde

≤ 31

mg S/m3(n)

Jaargemiddelde

≤ 16,5

mg S/m3(n)

THT-gehalte5 (odorant)

In HTL Flevoland, bedoeld in Figuur 5, ruikbaar6 gas

10–40

mg THT/m3(n)

in HTL: reukloos6 gas

0

 

in RTL: ruikbaar6 gas

10–40

mg THT/m3(n)

in distributiesysteem voor gas: ruikbaar6 gas

10–40

mg THT/m3(n)

Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen

≤ 0,1

mg Si/m3 (n)

X Noot
1

De Wobbe-index van het in te voeden gas dient gedurende ten minste 50% van de tijd boven de ondergrens te liggen. Er mag maximaal 200 keer per voortschrijdend jaar een uur zijn waarin een onderschrijding (een waarde onder de ondergrens) tussen de 0,2 en 0,3 MJ/m3 voorkomt, terwijl zo’n uur niet vaker dan 1 keer per 12 uren mag voorkomen. Er mag maximaal 10 keer per voortschrijdend jaar een uur zijn waarin een onderschrijding van meer dan 0,3 MJ/m3 voorkomt, terwijl zo’n uur niet vaker dan 1 keer per 60 uren mag voorkomen. De waarden voor de Wobbe-index zijn uurgemiddelden. De waarden voor de Wobbe-index dienen altijd boven de absolute ondergrens van 42,96 MJ/m3 (n) en onder de absolute bovengrens van 44,91 MJ/m3 (n) te zijn onafhankelijk van de meetfrequentie. Deze absolute grenzen gelden voor gassen die voor ten minste 99 mol% bestaan uit methaan, CO2, stikstof (N2) en zuurstof (O2).

X Noot
2

Overschrijdingen (een waarde boven de bovengrens) zijn toegestaan als zij binnen een verdeling rond de grenswaarde liggen met een standaarddeviatie van maximaal 0,1 MJ/m3(n).

X Noot
3

Een andere invoedtemperatuur wordt geaccepteerd indien de invoeder aantoont dat de gebruikte materialen in de leidingen tegen de afwijkende temperatuur bestand is en het gas in de aansluitleiding van de invoeder zal opwarmen of afkoelen zodat het gas bij de afsluiter van het aansluitpunt met het distributiesysteem voor gas een temperatuur tussen de 5 en 20 °C heeft bereikt. Dit kan berekend worden met de methode uit het KIWA-rapport ‘Eisen aan Groen Gas invoedtemperatuur’ van 2 augustus 2012.

X Noot
4

De volgende restrictie geldt voor het gehalte koolstofdioxide (CO2) voor gassen die voor ten minste 99 mol% bestaan uit methaan, CO2, stikstof (N2) en zuurstof (O2) en voor meer dan 6 mol% uit CO2 bestaan.

CO2-gehalte is maximaal het minimum van 10,32 – 0,72 × N2-gehalte – 0,87 × O2-gehalte, en 10,56 – 0,746 × N2-gehalte – 1,01 × O2-gehalte,

Waarin de gehalten zijn uitgedrukt in mol%

In RTL-leidingen die op grenspunten uitkomen mag gas maximaal 3% koolstofdioxide bevatten. Bij invoeding op aansluitingen waarvan het gas wordt gedistribueerd via gedeelten van het distributiesysteem voor gas waar grondwater in het gas terechtkomt, mag gas maximaal 3% koolstofdioxide bevatten.

X Noot
5

THT mag worden vervangen door een stof met een vergelijkbare alarmerende werking.

X Noot
6

Gas mag geen stoffen bevatten waardoor de ruikbaarheid van het odorant na odorisatie niet meer goed waarneembaar is of niet het juiste geurkenmerk waargenomen wordt.

Gas wordt in afwijking van deze bijlage op een distributiesysteem voor gas ingevoed indien dit zonder aanvullende inspanning van de distributiesysteembeheerder voor gas leidt tot aflevering van G-gas dat voldoet aan de voorgeschreven kwaliteit op een aansluiting als bedoeld in bijlage 1, onderdeel D.

Onderdeel C. H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index

   

Standaardbandbreedte

47–55,7

MJ/m3(n)

Afwijkende ondergrens (Wobbe-index)

 

Gassysteem Delfzijl, bedoeld in figuur 1

48,6

MJ/m3(n)

Gassysteem Eemshaven, bedoeld in figuur 1

47,2

MJ/m3(n)

Gassysteem ZO Drenthe, bedoeld in figuur 2

49

MJ/m3(n)

Gassysteem IJmond, bedoeld in figuur 4

49,3

MJ/m3(n)

De provincie Limburg

49

MJ/m3(n)

De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Groningen

48,3

MJ/m3(n)

Afwijkende bovengrens (Wobbe-index)

 

Gassysteem Westgas/Waalhaven, bedoeld in figuur 3

57,5

MJ/m3(n)

Gassysteem Maasmond, bedoeld in figuur 3

56

MJ/m3(n)

LNG-systeem, bedoeld in figuur 3

57,2

MJ/m3(n)

     

Waterdauwpunt1

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ –8

°C (bij 25 bar(a))

Rest Nederland

≤ –8

°C (bij 70 bar(a))

Gascondensaat1

≤ 5

mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk

Temperatuur

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

0–40

°C

Rest Nederland

0–35

°C

Zuurstofgehalte

Bij gasopslagsysteem

≤ 0,0010

mol% daggemiddeld

 

Rest Nederland

≤ 0, 5

mol% daggemiddeld

Koolstofmonoxide

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ 1,5

mol%

Rest Nederland

≤ 2.900

mg/m3(n)

Koolstofdioxidegehalte

Subsysteem Oude Pekela, bedoeld in figuur 6

≤ 3,2

mol%

Rest Nederland

≤ 2,5

mol%

Waterstofgehalte

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ 40

mol%

Maasvlaktesysteem, bedoeld in figuur 7

≤ 0,5

mol%

Rest Nederland

≤ 0,02

mol%

Chloor op basis van organochloorverbindingen

≤ 5

mg Cl/m3(n)

Fluor op basis van organofluorverbindingen

≤ 5

mg F/m3(n)

Pathogene microben1

≤ 500

aantal/m3(n)

Stofdeeltjes1 met een grootte boven de 5 μm in RTL en HTL

≤ 100

mg/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ 10

mg S/m3(n)

Rest Nederland

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in figuur 3

≤ 10

mg S/m3(n)

Rest Nederland

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte vóór odorisatie

≤ 30

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte na odorisatie

≤ 41

mg S/m3(n)

THT-gehalte (odorant)

in HTL: reukloos gas

0

mg THT/m3(n)

in RTL: reukloos / ruikbaar gas

0 / 10–40

mg THT/m3(n)

in distributiesysteem voor gas: ruikbaar gas

10–40

mg THT/m3(n)

Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen

≤ 0,1

mg Si/m3(n)

X Noot
1

Indien de systeembeheerder de aansluiting beheert.

Onderdeel D. G-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index1

43,46–44,41

MJ/m3 (n)

Gehalte hogere koolwaterstoffen

≤ 5

mol% propaanequivalent

Waterdauwpunt3

In RTL en HTL

≤ –8

°C (bij 70 bar(a))

 

In distributiesysteem voor gas

≤ –104

°C (bij 8 bar(a))

Gascondensaat3

≤ 80

mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk

Temperatuur

0–35

°C

Zuurstofgehalte

Bij een gasopslagsysteem in Norg in de gemeente Noordenveld en bij een gasopslagsysteem in Grijpskerk in de gemeente Zuidhorn

≤ 0,0005

mol% daggemiddeld

 

Bij andere gasopslagsysteem

≤ 0,0010

mol% daggemiddeld

 

Andere punten

≤ 0, 5

mol% daggemiddeld

Koolstofdioxidegehalte

RTL en distributiesysteem voor gas

≤ 10,35

mol%

HTL in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland

≤ 8

mol%

HTL in de rest van Nederland

≤ 3

mol%

Waterstofgehalte

in HTL

≤ 0,02

mol%

in RTL en distributiesysteem voor gas

≤ 0,5

mol%

Chloor op basis van organochloorverbindingen

≤ 5

mg Cl/m3(n)

Fluor op basis van organofluorverbindingen

≤ 5

mg F /m3(n)

Koolstofmonoxide (CO)

≤ 2.900

mg/m3(n)

Pathogene microben

≤ 500

aantal /m3(n)

Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm in RTL en HTL3

≤ 100

mg/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte

voor odorisatie

 

Piekwaarde

≤ 20

mg S/m3(n)

Jaargemiddelde

≤ 5,5

mg S/m3(n)

na odorisatie

 

Piekwaarde

≤ 31

mg S/m3(n)

Jaargemiddelde

≤ 16,5

mg S/m3(n)

THT-gehalte (odorant)6

In HTL Flevoland, bedoeld in figuur 5: ruikbaar gas

10–40

mg THT/m3(n)

in HTL: reukloos gas

≤ 2

mg/m3

in RTL: ruikbaar gas

10–40

mg THT/m3(n)

in distributiesysteem voor gas: ruikbaar gas

10–40

mg THT/m3(n)

Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen

≤ 0,1

mg Si /m3(n)

Leveringsdruk bij 25-mbar-aansluitingen (RNB-net)

23,4–327

mbar (o)

X Noot
1

De Wobbe-index mag afwijken op basis van de toegestane variaties in de invoeding als opgenomen in voetnoten 1 en 2 bij bijlage 1, onderdeel B.

X Noot
3

Indien de systeembeheerder voor gas de aansluiting beheert.

X Noot
4

Met uitzondering van netten met een druk lager dan of gelijk aan 200 mbar(o).

X Noot
5

De volgende restrictie geldt voor het gehalte koolstofdioxide (CO2) als het gas voor ten minste 99 mol% bestaat uit methaan, koolstofdioxide, stikstof (N2) en zuurstof (O2) en voor meer dan 6 mol% uit CO2bestaan.

CO2-gehalte is maximaal het minimum van

10,32 – 0,72 × N2-gehalte – 0,87 × O2-gehalte, en

10,56 – 0,746 × N2-gehalte – 1,01 × O2-gehalte,

waarin de gehalten zijn uitgedrukt in mol%

X Noot
6

THT mag worden vervangen door een stof met een vergelijkbare alarmerende werking.

X Noot
7

Een leveringsdruk van 40 mbar (o) wordt toegestaan als de maximale incidentele druk (MIP) gemeten aan de uitgang van de gasmeterbeugel. De maximale werkdruk (MOP) is daarbij 32 mbar (o) van een 30 mbar (o) lage-druk-gasdistributienet.

Onderdeel E. Grenspunten L-gas en H-gas

Grenspunten L-gas: Uitvoer

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index

België via grenspunt Hilvarenbeek

44,9–46,9

MJ/m3(n)

België overig

42,7–46,9

MJ/m3(n)

Duitsland via grenspunt Zevenaar en Winterswijk

43,6–46,8

MJ/m3(n)

Duitsland overig

42,7–46,8

MJ/m3(n)

Zuurstofgehalte

≤ 0,5

mol%

Koolstofdioxide

≤ 3

mol%

Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm

≤ 100

mg/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte (exclusief odorant)

≤ 20

mg S/m3(n)

Odorant THT (indien geodoriseerd)

10–40

mg/m3(n)

Temperatuur

0–40

°C

Waterdauwpunt

≤ –8

°C (bij 70 bar(a)

Gascondensaat

≤ 80

mg/m3(n) bij –3°C bij elke druk

Grenspunten H-gas: Invoer en Uitvoer

Gaskwaliteit

Waarde

Eenheid

Wobbe-index

Zie onder tabel grensstations

MJ/m3(n)

Zuurstofgehalte

in RTL

≤ 0,5

mol%

 

in HTL

≤ 0,0010

mol% daggemiddeld

Koolstofdioxide

≤ 2,5

mol%

Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel

≤ 5

mg S/m3(n)

Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen

≤ 6

mg S/m3(n)

Totaal zwavelgehalte (exclusief odorant)

≤ 20

mg S/m3(n)

Aflevertemperatuur

5–40

°C

Waterdauwpunt

≤ –8

°C (bij 70 bar(a)

Gascondensaat

≤ 5

mg/m3(n) bij –3°C bij elke druk

Wobbe-index H-gas grensstations en naastgelegen gasopslagsystemen: Invoer en Uitvoer

Land

Grensstation

Invoer/Uitvoer

Wobbe-index [MJ/m3 (n)]

België

’s Gravenvoeren

Uitvoer

49,3

55,7

België

Obbicht

Uitvoer

49,3

55,7

België

Zelzate

Invoer en Uitvoer

49,2

55,7

België

Zandvliet

Uitvoer

49,2

55,7

Duitsland

Oude Statenzijl

Invoer en Uitvoer

49

55,7

Duitsland

Vlieghuis

Uitvoer

49

55,7

Duitsland

Bocholtz

Uitvoer

49,3

55,7

Verenigd Koninkrijk

Julianadorp (BBL)

Invoer en Uitvoer

49,3

54,23

Figuur 1, bedoeld in onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling

Gassysteem Delfzijl

Gassysteem Delfzijl

Figuur 2, bedoeld onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling

Gassysteem ZO Drenthe

Gassysteem ZO Drenthe

Figuur 3, bedoeld in onderdeel A – H-gas bij invoeding op een aansluiting of systeemkoppeling en onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting of systeemkoppeling

Gassysteem Maasmond, LNG-systeem, of HTL in LNG-systeem, gassysteem Westgas/Waalhaven en Raffinaderijgas-systeem

Gassysteem Maasmond, LNG-systeem, of HTL in LNG-systeem, gassysteem Westgas/Waalhaven en Raffinaderijgas-systeem

Figuur 4, bedoeld in onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting

Gassysteem IJmond

Gassysteem IJmond

Figuur 5, bedoeld in onderdeel B – G-gas bij invoeding op een aansluiting en onderdeel D – G-gas bij aflevering op een aansluiting

HTL Flevoland

HTL Flevoland

Figuur 6, bedoeld in onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting

Subsysteem Oude Pekela

Subsysteem Oude Pekela

Figuur 7, bedoeld in onderdeel A – gas bij invoeding op een aansluiting en onderdeel C – H-gas bij aflevering op een aansluiting

Waterstofgehalte en Maasvlaktesysteem

Waterstofgehalte en Maasvlaktesysteem

BIJLAGE 2, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 2.15, TWEEDE LID, ONDERDEEL B, EN 2.16, TWEEDE LID, ONDERDELEN B EN C

Etiket stroometikettering

Energiebronnen

Percentage van elke energiebron in de totale brandstofmix van de leverancier

Kolen

 

Overige vast fossiel

 

Ruwe olie

 

Petroleumproducten

 

Overig olie

 

Aardgas

 

Kolen afgeleid gas

 

Industriële restgassen

 

Procesgas

 

Overig gas fossiel

 

Hernieuwbare energiebronnen

 

Wind

 

Zonne-energie

 

Waterkracht

 

Biomassa

 

BIJLAGE 3, BEDOELD IN ARTIKEL 4.4, TWEEDE LID

MELDINGSFORMULIER ENERGIEWET

*Indien u de afgelopen 5 (vijf) jaar informatie heeft verstrekt op grond van de Energiewet artikel 6.3, kunt u volstaan met enkel de beantwoording van onderstaande vragen voor zover de gevraagde informatie is gewijzigd ten opzichte van de eerdere verstrekte informatie.

1. Begripsbepaling

In dit formulier wordt verstaan onder:

doelonderneming:

doelonderneming als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames;

meldingsplichtige:
  • a) verwerver;

  • b) doelonderneming;

nationale veiligheid:

nationale veiligheid als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames;

verwerver:

verwerver als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames;

verwervingsactiviteit:

verwervingsactiviteit als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames.

2. Beschrijving van de verwervingsactiviteit

2.1 Samenvatting

Geef een beknopte samenvatting van de verwervingsactiviteit, waarin u in ieder geval vermeldt:

  • a) de verwerver die voornemens is zeggenschap te verkrijgen of te vergroten in een onderneming als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet (de doelonderneming);

  • b) de betreffende doelonderneming;

  • c) de sector waarin deze onderneming acteert: LNG of elektriciteitsproductie;

  • d) de aard van de transactie ingevolge welke zeggenschap (bv. fusie, overname, uitgifte of gemeenschappelijke onderneming) wordt verkregen; en

  • e) de vorm waarin zeggenschap wordt verkregen (bv. aandelen of stemovereenkomst).

3. Informatie over de verwerver, de groep, de doelonderneming en hun vertegenwoordigers

3.1 Informatie over de verwerver

Vermeld voor de partij die het voornemen heeft zeggenschap in een doelonderneming te verkrijgen of te vergroten (de verwerver):

  • 3.1.1 Naam en adres van de verwerver;

  • 3.1.2 De EU-lidstaten waar de verwerver (al dan niet via groepsmaatschappijen) actief is;

  • 3.1.3 Naam, adres, telefoon- en faxnummer, e-mailadres en functie van een bevoegd contactpersoon;

  • 3.1.4 Adres van de aanmeldende verwerver waar documenten en met name besluiten van de Minister van Economische Zaken, met vermelding van naam, telefoonnummer en e-mailadres van een persoon op dit adres die gemachtigd is de te betekenen stukken in ontvangst te nemen.

3.2 Informatie over de groep waar de verwerver deel van uitmaakt
  • 3.2.1 Geef een overzicht van alle productie-installaties voor elektriciteit, ondernemingen die de productie-installatie beheren, LNG-installaties of LNG-bedrijven in Nederland waarin de verwerver en/of andere leden van de groep waar de verwerver deel van uitmaakt, reeds zeggenschap hebben.

  • 3.2.2 Geef voor elk van de groepsleden aan op welke wijze en op welke grond zeggenschap wordt uitgeoefend in de betreffende productie-installatie voor elektriciteit, onderneming die de productie-installatie beheert, LNG-installatie of LNG-bedrijf.

  • 3.2.3 Geef de naam en geboortedatum van de uiteindelijk belanghebbende bij de verwerver in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: WWFT). Beschrijf de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de uiteindelijk belanghebbenden met betrekking tot de verwerver.

3.3 Benoeming van vertegenwoordiger

Wanneer een vertegenwoordiger namens de verwerver een melding ondertekent, moet deze de bevoegdheid tot vertegenwoordiging schriftelijk aantonen. Deze schriftelijke machtiging vermeldt de naam en functie van de persoon of personen die een dergelijke bevoegdheid verlenen en het bewijs van hun bevoegdheid om deze machtiging te verlenen.

Vermeld voor de vertegenwoordiger die bevoegd is om namens de verwerver te handelen (zie hierna vraag 5 – mee te zenden documenten), de volgende contactgegevens en vermeld ook wie hij vertegenwoordigt:

  • 3.3.1 Naam van de vertegenwoordiger;

  • 3.3.2 Adres van de vertegenwoordiger;

  • 3.3.3 Naam, adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres van de persoon met wie contact dient te worden opgenomen, en

  • 3.3.4 Adres van de vertegenwoordiger (zo mogelijk in Nederland) waaraan alle correspondentie kan worden gezonden en waar alle stukken kunnen worden bezorgd.

3.4 Informatie over de doelonderneming waarin de zeggenschap wijzigt

Vermeld voor de doelonderneming waarin de verwerver de zeggenschap wijzigt of waarover de verwerver significantie invloed verkrijgt of vergroot:

  • 3.3.5 Naam, adres, contactpersoon, telefoon- en faxnummer, e-mailadres van de doelonderneming;

  • 3.3.6 Rechtsvorm van deze partij;

  • 3.3.7 Statutaire (hoofd)zetel;

  • 3.3.8 Registratie bij Kamer van Koophandel;

  • 3.3.9 De EU-lidstaten waar deze partij actief is;

  • 3.3.10 Geef voor een doelonderneming, aan of het gaat om:

    • a) Een LNG-systeem of een onderneming die eigenaar is van een LNG-systeem; of

    • b) Een productie-installatie met een nominaal elektrisch vermogen van in totaal meer dan 100 MW of een onderneming die een of meer productie-installaties met een nominaal elektrisch vermogen van in totaal meer dan 100 MW beheert.

  • 3.3.11 Geef aan op welke productie-installatie voor elektriciteit, onderneming die de productie-installatie beheert, LNG-installatie of LNG-bedrijf de wijziging betrekking heeft.

4. Informatie over de voorgenomen verwerving of wijziging van zeggenschap

4.1 Beschrijf de aard van de wijziging van zeggenschap
  • 4.1.1 Beantwoord of de aard van de verwervingsactiviteit betrekking heeft op:

    • a) een investering in een doelonderneming die leidt tot wijziging van zeggenschap in die onderneming;

    • b) het fuseren van twee of meer voorheen van elkaar onafhankelijke ondernemingen tot een doelonderneming;

    • c) het tot stand brengen van een gemeenschappelijke onderneming die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische eenheid vervult, indien deze onderneming een doelonderneming zal zijn;

    • d) de splitsing van een doelonderneming;

    • e) het verwerven van een deel van de vermogensbestanddelen van een doelonderneming, indien deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren als productie-installatie voor elektriciteit, onderneming die de productie-installatie beheert, LNG-installatie of LNG-bedrijf;

    • f) andere rechtshandelingen dan die als bedoeld onder a tot en met e, die tot gevolg hebben dat een of meer personen, of een of meer ondernemingen, zeggenschap verwerven in een doelonderneming; en

    • g) de verkrijging van goederen, bedoeld in artikel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek onder algemene titel als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van Boek 3 van dat Wetboek, met uitzondering van een fusie of splitsing, van een doelonderneming.

  • 4.1.2 Indien de verwerver ter zake de voorgenomen transactie, dan wel het beheer van de doelonderneming in onderling overleg met een of meer derden handelt, welke derde(n) geen functionarissen of professioneel adviseurs van de verwerver zijn of van de groep waarvan de doelonderneming na de voorgenomen transactie deel van uitmaakt: omschrijf met welke personen in onderling overleg wordt gehandeld, waar dit uit bestaat en verstrek de documenten waarin de afspraken met betrekking tot het onderling overleg zijn vastgelegd en geef de naam, adres en contactgegevens van de personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld.

4.2 Informatie over de eigendomsstructuur en -verhoudingen van de meldingsplichtigen
  • 4.2.1 Omschrijf de wervingsactiviteit en wijziging van zeggenschap. Ga hierbij in op:

    • a) de verwerver die voornemens is zeggenschap te verkrijgen over het betreffende LNG-systeem of productie-installatie, bedoeld in 3.4.6 van dit formulier;

    • b) het betreffende LNG-systeem of de productie-installatie, bedoeld in 3.4.6 van dit formulier;

    • c) de aard van de transactie ingevolge welke zeggenschap (bv. fusie, overname, uitgifte of gemeenschappelijke onderneming) wordt verkregen; en

    • d) de vorm waarin zeggenschap of significantie invloed wordt verkregen (bv. aandelen of stemovereenkomst).

  • 4.2.2 Beschrijf de huidige en beoogde eigendoms- en zeggenschapsstructuur na de totstandbrenging van de wijziging van zeggenschap. Geef dit tevens weer in een organogram.

  • 4.2.3 Vermeld de datum of de geplande datum van voltooiing van de wijziging van zeggenschap. Vermeld daarbij op welke data naar verwachting de belangrijke gebeurtenissen zullen plaatsvinden die gericht zijn op het tot stand brengen van de wijziging van zeggenschap.

5. Overige informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van risico’s voor de nationale veiligheid

5.1 Vragen over de verwerver en iedere partij die middels de verwerver de zeggenschap verkrijgt in de doelonderneming

Verstrek voor (i) de verwerver die het voornemen heeft om zeggenschap te verkrijgen in de doelonderneming, (ii) iedere partij die middels de voorgenomen transactie zeggenschap verkrijgt in de doelonderneming, en (iii) de feitelijk leidinggevenden van deze partijen, de volgende informatie:

  • 5.1.1 Is de betreffende (rechts-)persoon onderworpen aan beperkende maatregelen krachtens:

    • 1. hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties,

    • 2. artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en/of

    • 3. de Sanctiewet 1977

  • 5.1.2 Heeft de betreffende (rechts-)persoon ooit een strafbaar feit begaan dat voorkomt in bijlage 3 van de Regeling veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames?

  • 5.1.3 In welke landen is de betreffende (rechts-)persoon gevestigd?

  • 5.1.4 Is de betreffende (rechts-)persoon verplicht samen te werken met de overheid van een land waarin die (rechts-)persoon gevestigd is, welke samenwerking verder gaat dan de medewerking aan een regelgeving handhavende overheid die in een vrijemarkteconomie gebruikelijk is? Zo ja, geef een toelichting.

  • 5.1.5 Heeft een staat, of een onderdeel daarvan, een direct of indirect eigendomsbelang en/of zeggenschap in de verwerver? Zo ja, vermeld dan de betreffende staat en beschrijf de aard en omvang van zijn belang en/of zeggenschap in de verwerver.

  • 5.1.6 Heeft een niet-Nederlandse staat, of een onderdeel daarvan, op grond van de wet of anderszins in een situatie van normale bedrijfsvoering (dus niet in insolventie of bewind) instrumenten waarmee zij de besluitvorming van de verwerver kan beïnvloeden, welke instrumenten niet van fiscale aard zijn? Zo ja, gelieve deze te specificeren.

  • 5.1.7 Is een van de uiteindelijk belanghebbenden van de verwerver een politiek prominente persoon, dan wel familielid of persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon, in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme?

  • 5.1.8 Geef een overzicht van de acquisities van ondernemingen wereldwijd gedurende de afgelopen vijf jaar.

  • 5.1.9 Is in de afgelopen vijf jaar met betrekking tot een van de ondernemingen in de groep van de verwerver of faillissement of uitstel van betaling aangevraagd? Zo ja, geef een korte toelichting.

  • 5.1.10 Vermeld van de ondernemingen in de groep van de verwerver elke grootschalige schending van de privacyregels die zich in de afgelopen vijf jaar heeft voorgedaan.

  • 5.1.11 Vermeld van de ondernemingen in de groep van de verwerver elke verstoring van de continuïteit van dienstverlening die zich in de afgelopen vijf jaar heeft voorgedaan.

  • 5.1.12 Heeft de verwerver de afgelopen vijf jaar een boete of een waarschuwing van de daarvoor bevoegde autoriteiten gekregen ten aanzien van de exploitatie of het beheer van het bedrijfs- of continuïteitsproces in de betreffende productie-installatie voor elektriciteit, onderneming die de productie-installatie beheert, LNG-installatie of LNG-bedrijf?

  • 5.1.13 Hoe is de financiële solvabiliteit of anderszins de financiële stabiliteit van de verwerver in relatie tot de noodzakelijke financiële slagkracht voor het verrichten van de noodzakelijke investeringen ten bate van continuïteit en weerbaarheid van de doelonderneming? Geef u daarbij aan ter zake de verwerver en de groep waarin deze in het afgelopen boekjaar verbonden is geweest, wat de betreffende geconsolideerde en enkelvoudige financiële ratio’s of verhoudingsgetallen zijn geweest? Verstrek in ieder geval de liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit ratio’s en gegevens omtrent gebudgetteerde, geplande of noodzakelijke investeringen en de herkomst van de middelen voor die investeringen.

5.2 Vragen over de voorgenomen wijziging van zeggenschap
  • 5.2.1 Beschrijf de economische motieven voor de wijziging van zeggenschap.

  • 5.2.2 In het geval de wijziging van zeggenschap wordt verkregen door middel van een openbaar bod: heeft dit bod de steun van de bestuurs- of toezichthoudende organen van de doelonderneming?

  • 5.2.3 Vermeld de waarde van de transactie waarbij de zeggenschap wordt verkregen (de aankoopprijs of de waarde van alle betrokken activa, naargelang het geval).

  • 5.2.4 Beschrijf de financiering van de transactie en de bron(nen) ervan.

  • 5.2.5 Deze beschrijving moet tevens de namen van alle financiële instellingen omvatten die bij de transactie betrokken zijn, ook in hun eventuele rol als adviseurs of een financierder of financieringsagent voor de transactie.

  • 5.2.6 Verstrek een overzicht van financieringsafspraken met financiële instellingen, inclusief de afspraken met betrekking tot zekerheidsrechten opgenomen in de betreffende zekerheidsdocumenten, voor zover deze zekerheidsrechten een wijziging van zeggenschap kunnen behelzen.

5.3 Bijzondere informatie
  • 5.3.1 Zijn er nog andere feiten of omstandigheden die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de risico’s voor de nationale veiligheid? Zo ja, vermeld om welke feiten en omstandigheden het gaat.

  • 5.3.2 Geef aan of de verwerver beschikt over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95 van de Wet financieel toezicht en/of artikel 5:32d Wet financieel toezicht? Zo ja, dan wordt u verzocht deze mee te zenden met de melding.

6. Mee te zenden documenten

Verstrek de volgende documenten bij de melding:

  • 6.1 Een exemplaar van de definitieve of meest recente versie van alle stukken op grond waarvan de wijziging van zeggenschap tot stand komt, hetzij bij overeenkomst tussen de partijen bij de wijziging van zeggenschap, hetzij door verwerving van een belang dat zeggenschap verleent, tenzij de wijziging tot stand komt door middel van gestanddoening van een openbaar overnamebod.

  • 6.2 In het geval van een openbaar overnamebod, een exemplaar van het biedingsbericht waarmee het bod wordt uitgebracht en een eventueel zogenaamd merger protocol; indien een van deze stukken op het tijdstip van de aanmelding niet beschikbaar is, moet het zo spoedig mogelijk worden overgelegd en uiterlijk op het tijdstip waarop het biedingsbericht aan de aandeelhouders beschikbaar wordt gesteld.

  • 6.3 Een exemplaar van het meest recente jaarverslag en jaarrekening van de verwerver die het voornemen heeft om zeggenschap te verkrijgen of te vergroten in de doelonderneming en van iedere partij die middels de verwerver zeggenschap in de doelonderneming verkrijgt (voor zover niet in dezelfde groep als de verwerver verbonden), voor zover niet al ingevolge de melding van de concentratie bij de ACM verstrekt.

  • 6.4 Een schriftelijk bewijsstuk, waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de aangewezen contactpersoon of -personen blijkt. Deze vraag heeft zowel betrekking op functionarissen van de betrokken partijen als op externe adviseurs, zoals advocaten.

  • 6.5 In het geval er een verkrijging onder algemene titel bij een erfenis is waarbij een overgang van zeggenschap optreedt: een verklaring van erfrecht. Indien er geen verklaring beschikbaar is, geef aan de naam en contactgegevens van de notaris waar deze kan worden opgevraagd.

  • 6.6 Eventueel: verklaring van geen bezwaar (zie hiervoor bij 5.3.2).

7. Ondertekening

Ondergetekende verklaart namens de verwerver dat dit formulier naar waarheid is ingevuld.

Plaats en datum:

Naam:

Handtekening:

TOELICHTING

Inhoudsopgave

Leeswijzer

 

I.

ALGEMEEN

54

1.

Context, opbouw concept Energieregeling en toelichting proces

54

 

1.1

Context en opbouw: gedelegeerde regelgeving bij de Energiewet en het Energiebesluit

54

 

1.2

Toelichting op het voorbereidingsproces

57

2.

Overzicht kernonderdelen Energieregeling

58

 

2.1

Introductie

58

 

2.2

Algemene bepalingen (hoofdstuk 1 Energieregeling)

58

 

2.3

Energiemarkten (hoofdstuk 2 Energieregeling)

59

 

2.4

Beheer van systemen (hoofdstuk 3 Energieregeling)

66

 

2.5

Uitvoering, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4 Energieregeling)

79

 

2.6

Slotbepalingen en intrekking en wijziging van ministeriële regelingen

82

3.

Gevolgen van de Energieregeling

82

 

3.1

Introductie

82

 

3.2

Gevolgen voor bedrijven en instellingen (inclusief regeldruk)

83

 

3.3

Gevolgen voor burgers (inclusief regeldruk en doenvermogen)

85

 

3.4

Gevolgen voor de overheid

85

 

3.5

Gevolgen voor het milieu

87

 

3.6

Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens

87

4.

Uitkomsten publieke consultatie

90

 

4.1

Proces publieke consultatie

90

 

4.2

Generieke uitkomsten publieke consultatie

90

 

4.3

Energiemarkten (hoofdstuk 2 Energieregeling)

93

 

4.4

Beheer van systemen (hoofdstuk 3 Energieregeling)

108

 

4.5

Uitvoering, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4 Energieregeling)

112

5.

Omgang met uitgevoerde toetsen en ontvangen adviezen

112

 

5.1

Autoriteit Consument en Markt: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

112

 

5.2

Rijksinspectie Digitale Infrastructuur: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

117

 

5.3

Staatstoezicht op de Mijnen: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

118

 

5.4

Raad voor de Rechtspraak: wetgevingsadvies

119

 

5.5

Autoriteit Persoonsgegevens: wetgevingsadvies

119

 

5.6

Adviescollege Toetsing Regeldruk: wetgevingsadvies

119

Bijlage A – gegevensbeschermingseffectbeoordeling inzake ‘balanceren’

122

Bijlage B – gewijzigde artikelnummering Energiewet

124

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

125

I. ALGEMEEN

1. Context, opbouw concept Energieregeling en toelichting proces

1.1 Context en opbouw: gedelegeerde regelgeving bij de Energiewet en het Energiebesluit

Dit document bevat de toelichting op de voorschriften die zijn opgenomen in de regeling houdende regels over energiemarkten en energiesystemen (hierna ook: de regeling of de Energieregeling). Dit betreft de uitwerking op het niveau van de ministeriële regeling van de verschillende grondslagen in zowel de Energiewet als het Energiebesluit.

De Energiewet en het Energiebesluit

Toelichting op de wetsbehandeling

In juni 2023 heeft de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie namens het kabinet het wetsvoorstel voor de Energiewet toegezonden aan de Tweede Kamer voor verdere behandeling.1 , 2 Na twee technische briefings (september 2023 en maart 2024) en de schriftelijke beantwoording van de vragen in het verslag3 , 4 volgden twee wetgevingsoverleggen (8 en 15 april 2024) en de plenaire behandeling (23 mei 2024). In deze periode is ook viermaal een nota van wijziging ingediend.5 Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer op 4 juni 2024 gestemd over de ingediende amendementen, moties en het wetsvoorstel zelf; het wetsvoorstel is met 141 van de 150 stemmen aangenomen. De Eerste Kamer is het behandelingstraject gestart met een technische briefing op 25 juni 2024. Na twee schriftelijke vragenrondes6 en een plenair debat (3 december 2024), heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel op 10 december 2024 met 70 van de 75 stemmen aangenomen. Nadien is de Energiewet gepubliceerd in het Staatsblad7, terwijl tevens bij Koninklijk Besluit de datum van inwerkingtreding is bepaald op 1 januari 20268.

Vanaf de beëdiging van het kabinet Schoof op 2 juli 2024, ligt de verantwoordelijkheid voor de Energiewet bij de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna ook: de minister). Deze minister is belast met de behartiging van aangelegenheden op het terrein van klimaat en groene groei voor zover deze voor 2 juli 2024 waren opgedragen aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (wat het geval was voor de Energiewet).9

Doel van de Energiewet en samenhang met andere wetstrajecten

Het doel van de Energiewet is om een toegankelijk, geactualiseerd en toekomstgericht ordeningskader te bieden voor het transport en de levering van zowel elektriciteit als gas. Daarmee is de Energiewet een van de belangrijkste regelgevende instrumenten voor de minister om invulling te geven aan enkele van zijn beleidsverantwoordelijkheden, namelijk het stimuleren van (1) goed werkende nationale en Europese energiemarkten met een adequate infrastructuur en bijbehorende wetgeving en (2) de transitie naar een schone, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening.10 De voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 vormden eerder belangrijke onderdelen van het regulerend kader, maar deze zijn nu geïntegreerd in de Energiewet en vervallen.

Met de vervanging van de Gaswet en Elektriciteitswet 1998 in de Energiewet zijn ook een aantal andere ontwikkelingen meegenomen. Concreet gaat het om het volgende:

  • Ten eerste de implementatie van een pakket aan richtlijnen en verordeningen voor elektriciteit11, waarbij met name Richtlijn 2019/944 (hierna ook: de Elektriciteitsrichtlijn12) en Verordening 2019/943 (hierna ook: de Elektriciteitsverordening13) van belang zijn.

  • Ten tweede vormt de Energiewet ook de (her-) implementatie van andere Europese regelgeving op het gebied van elektriciteit en gas. Het gaat dan met name om de Gasrichtlijn en Gasverordening, zie toelichting hierna. Verder herimplementeert de Energiewet onderdelen van bijvoorbeeld Richtlijn 2018/2001 (hierna ook: de Richtlijn hernieuwbare energie).14

  • Tot slot omvat de Energiewet de uitvoering van enkele onderdelen van het in juni 2019 gesloten Klimaatakkoord, alsmede verschillende moties en toezeggingen aan de Tweede Kamer.15

In december 2023 is er op Europees niveau een politiek akkoord bereikt over twee belangrijke wetgevingspakketten die relevant zijn voor de Energiewet en het Energiebesluit. Publicatie vond eind juni 2024 (EMD-pakket) en half juli 2024 (Decarbonisatiepakket) plaats, dus kort na instemming van de Tweede Kamer met het wetsvoorstel voor de Energiewet. Voor de implementatie van deze pakketten zijn aparte wetgevingstrajecten opgestart, die op termijn de Energiewet en de onderliggende regelgeving weer zullen wijzingen.

Het EMD-pakket – Het eerste wijzigingspakket betreft de herziening van de ‘Electricity Market Design’ (hierna ook: het EMD-pakket). Hierin zijn wijzigingen opgenomen van onder andere de Elektriciteitsrichtlijn (wijziging via Richtlijn 2024/171116) en de Elektriciteitsverordening (wijziging via Richtlijn 2024/174717). Voor de implementatie van nieuwe voorschriften is in 2024 een apart implementatietraject opgestart, deze zal op termijn de Energiewet of het Energiebesluit weer gaan wijzigen.18 Waar noodzakelijk of passend, is bij de uitwerking van deze Energieregeling reeds geanticipeerd op deze nieuwe voorschriften.

Het Decarbonisatiepakket – In het ‘Hydrogen and gas market decarbonisation package’ (hierna: Decarbonisatiepakket) is een nieuwe Gasrichtlijn en Gasverordening opgenomen op het vlak van gas en waterstof. Om verwarring te voorkomen, wordt in deze toelichting telkens verwezen naar de oude of nieuwe versie; immers: de voormalige Gaswet was nog primair gebaseerd op de oude Gasrichtlijn en Gasverordening. Concreet gaat het om Richtlijn 2024/178819 (hierna ook: nieuwe Gasrichtlijn) die Richtlijn 2009/7320 (hierna ook: oude Gasrichtlijn) vervangt, alsmede om Verordening 2024/178921 (hierna ook: nieuwe Gasverordening) die Verordening 715/200922 (hierna ook: oude Gasverordening) vervangt. Ook voor de implementatie van dit nieuwe pakket geldt dat in 2024 een apart implementatietraject is gestart, die de Energiewet weer gaat wijzigen. In de uitwerking van deze Energieregeling is op onderdelen reeds geanticipeerd op deze nieuwe voorschriften; indien van toepassing wordt hier expliciet naar verwezen.

Het Energiebesluit: de algemene maatregel van bestuur onder de Energiewet

De Energiewet bevat enkele tientallen delegatiegrondslagen voor de uitwerking van nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (hierna ook: AMvB). Onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 was sprake van 23 individuele AMvB’s, die in 11 gevallen voorschriften bevatten voor zowel gas als elektriciteit. In de voorbereiding voor de uitwerking van de AMvB-grondslagen onder de Energiewet is besloten om alle voorschriften op te nemen in één AMvB, namelijk het Besluit houdende regels over energiemarkten en energiesystemen oftewel het Energiebesluit. Het ontwerp voor het Energiebesluit is in maart 2025 voor voorhang naar de Eerste en Tweede Kamer gezonden.23 Op 17 september heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State ook geadviseerd over het Energiebesluit; de Afdeling had geen op- of aanmerkingen.24 Ook het Energiebesluit treedt op 1 januari 2026 in werking.

De Energieregeling

Zowel de Energiewet als het Energiebesluit bevatten een groot aantal delegatiegrondslagen voor het uitwerken van nadere voorschriften op het niveau van een ministeriële regeling. Waar onder het regime van de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 nog sprake was van een veelvoud aan besluiten en regelingen, is in de context van de Energiewet gestreefd naar het zoveel mogelijk bundelen hiervan. Dit heeft geleid tot één AMvB (het genoemde Energiebesluit) en ook voor de Energieregeling is de wens zo veel mogelijk te bundelen. Belangrijke voordelen van deze keuze zijn dat alle relevante AMvB-voorschriften straks op één plek terug te vinden zijn en dat gewerkt wordt met één uniform en duidelijk begrippenkader. Dit alles draagt bij aan de toegankelijkheid en kwaliteit van de wetgeving.

De Energieregeling zal echter niet de enige regeling onder de Energiewet zijn. Voor zover het in de Energiewet en het Energiebesluit gaat om grondslagen die zien op de onderwerpen ‘meetinrichtingen en metingen’ of ‘gegevensbeheer en -uitwisseling’ worden na 1 januari 2026 nog aparte ministeriële regelingen voorzien, dit vanwege de hoge mate aan (technische) details.

De opbouw van de Energieregeling volgt, uitzonderingen daargelaten, op hoofdlijnen de hoofdstukindeling van de Energiewet en het Energiebesluit en de chronologische volgorde waarin delegatiegrondslagen daarin zijn opgenomen. De Energieregeling kent de volgende opbouw:

  • Algemene bepalingen (hoofdstuk 1) – Naast de begrippen die reeds zijn opgenomen in de Energiewet en het Energiebesluit, bevat de Energieregeling een aantal additionele begripsbepalingen. In sommige gevallen komen deze voort uit de gedelegeerde regelgeving onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, maar zijn ze waar nodig geactualiseerd.

  • Energiemarkten (hoofdstuk 2) – Dit hoofdstuk bevat de nadere regels die samenhangen met het functioneren van de energiemarkt. De belangrijkste onderwerpen betreffen de voorschriften inzake contractuele verhoudingen en de leveringsvergunning, waarbij wordt voortgebouwd op bestaande voorschriften onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998.

  • Beheer van elektriciteits- en gassystemen (hoofdstuk 3) – Verreweg de meeste delegatiegrondslagen in de Energieregeling hangen samen met het beheer van de energiesystemen voor elektriciteit en gas. De nadere regels beslaan een breed pakket aan onderwerpen, variërend van voorschriften op het vlak van de investeringsplannen en bescherming van vitale processen tot voorschriften rondom de enkelvoudige storingsreserves en boekhoudkundige verplichtingen van systeembeheerders. Veel bestond reeds onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, maar de Energieregeling bevat ook diverse nieuwe of in sterke mate herziene voorschriften (zie hoofdstuk 2 van deze toelichting).

  • Uitvoering, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4) – Dit hoofdstuk bevat de nadere regels die met name samenhangen met het toezicht in de Energiewet en het Energiebesluit. Verreweg de meeste van deze regels bestonden reeds onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en zijn op onderdelen geactualiseerd of aangevuld.

Er moet hierbij op gewezen worden dat het in april 2024 aangenomen wetsvoorstel ‘Wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld’25 artikel 3.66 in de Energiewet aanpast. Dit heeft ook relevantie voor de Energieregeling; zie verder de toelichting hierover onder punt 14 in hoofdstuk 2 van deze toelichting.

Voortbouwen op voorschriften uit regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Voor de Energieregeling geldt, net als voor de Energiewet en het Energiebesluit, dat voor een zeer groot deel wordt voortgebouwd op de voorschriften uit de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Als onderdeel van het gehele voorbereidingsproces voor zowel de Energiewet, het Energiebesluit en ook de Energieregeling is kritisch gekeken naar zowel (i) de inhoud van deze voormalige voorschriften (zijn deze nog actueel en noodzakelijk?) als (ii) het niveau waarop deze voorschriften zijn vastgelegd (hoort dit op het niveau van wet, AMvB of ministeriële regeling?). Vanuit het perspectief van de Energieregeling zijn grofweg drie categorieën zichtbaar:

  • Ten eerste in verreweg de meeste gevallen zijn voorschriften opgenomen die reeds bestonden onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en die in (licht) geactualiseerde vorm terugkeren in de Energieregeling. In sommige gevallen gaat het om voorschriften die opgenomen waren in de technische ACM-codes onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998.

  • Ten tweede zijn voorschriften opgenomen die ofwel nog niet als zodanig bestonden onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, ofwel die (sterk) zijn aangepast ten opzichte van de huidige situatie. Zo zijn de voorschriften inzake de bescherming van de vitale infrastructuur nieuw, terwijl bijvoorbeeld de eisen aan de vergunning voor leveren op kleine aansluitingen nieuwe elementen bevat.

  • Tot slot zijn er voorschriften die vervallen, met name omdat ze niet meer actueel en noodzakelijk zijn. In vrijwel elke regeling onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 zijn hiervan wel enkele voorschriften te vinden.

Hoofdstuk 2 van deze toelichting omschrijft in meer detail welke voorschriften neutraal of licht geactualiseerd zijn overgenomen, alsmede welke voorschriften nieuw of sterk gewijzigd zijn.

1.2 Toelichting op het voorbereidingsproces

Het voorbereidingsproces voor de Energieregeling kan onderverdeeld worden in verschillende fases. Deze worden hierna kort toegelicht.

Initiële voorbereidende fase

De Energieregeling is grotendeels voorbereid in de periode nadat de Eerste Kamer instemde met de Energiewet, dus grofweg de periode januari tot en met mei 2025. Deze periode viel deels samen met de herziening van het Energiebesluit naar aanleiding van de verschillende ontvangen wetgevingsadviezen en resultaten van de toetsing op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Uitgegaan is van de versie van het Energiebesluit die in maart 2025 voor voorhang naar de Eerste en Tweede Kamer is gezonden.26

In deze eerste voorbereidende fase is ook gesproken met verschillende betrokken partijen, zoals de transmissiesysteembeheerders (hierna ook: TSB’s), de distributiesysteembeheerders (hierna ook: DSB’s), energieleveranciers, meetverantwoordelijke partijen en diverse vertegenwoordigende partijen uit de sector (Netbeheer Nederland, Energie-Nederland, MFFBAS, etc.). Tevens is gesproken met toezichthouders zoals de Autoriteit Consument en Markt (hierna ook: de ACM), de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (hierna ook: de RDI) en het Staatstoezicht op de Mijnen (hierna ook: het SodM), teneinde hun kennis en expertise reeds in een vroeg stadium te betrekken.

Internetconsultatie en toetsing door toezichthouders en adviesinstanties

Een ontwerpversie van de Energieregeling is in de periode van 4 juni tot en met 16 juli 2025 gepubliceerd voor een openbare consultatieronde. In totaal hebben elf partijen een consultatiereactie ingediend, waarvan acht reacties door de respondenten zelf als ‘openbaar’ zijn aangemerkt en drie als ‘niet-openbaar.27 De reacties en de omgang daarmee worden in hoofdstuk 4 besproken.

Bij brief d.d. 5 juni 2025 is aan de betrokken toezichthouders (ACM, SodM en RDI) gevraagd om een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid uit te voeren en aan de AP en Raad voor de Rechtspraak gevraagd advies te geven. Nadat de conceptresultaten van het ex-ante effectenonderzoek (zie hierna) gereed waren, is op 17 september 2025 ook de ATR gevraagd om een advies te geven inzake de regeldruk. Hoofdstuk 5 bevat de resultaten van en omgang met deze toetsen en adviezen.

Onderzoek naar de te verwachten gevolgen van de Energieregeling

In lijn met de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’28 (zie met name aanwijzing 4.43) is aandacht gegeven aan de mogelijke gevolgen van de voorgenomen regelgeving. Dit sluit ook aan op het Beleidskompas29 van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving (KCBR) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Voor het in kaart brengen van de gevolgen is gestart met een kwalitatieve ex-ante inschatting van de mogelijke gevolgen door het projectteam binnen KGG dat betrokken is bij de voorbereiding van de Energieregeling. Vanaf begin juni 2025 is vervolgens gestart met een extern onderzoek naar de gevolgen van de Energieregeling door Sira Consulting, waarin ook is aangesloten op soortgelijke effectenonderzoeken op het niveau van de Energiewet30 en het Energiebesluit31 die in eerdere fases zijn uitgevoerd. Het doel van dit derde onderzoek was het projectteam binnen het Ministerie van KGG inzage te geven in de (mogelijk) te verwachten effecten van de Energieregeling, specifiek inzake regeldruk, markteffecten en effecten voor innovatie en het doenvermogen van burgers. Hoofdstuk 3 gaat in op de resultaten van dit onderzoek.32

2. Overzicht kernonderdelen Energieregeling

2.1 Introductie

Dit hoofdstuk geeft, aan de hand van de verschillende hoofdstukken of paragrafen in de Energieregeling, een overzicht van de kernonderdelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar 27 kernonderdelen, die hierna worden besproken. In de toelichting wordt telkens aangegeven in welke mate de voorschriften de overzetting vormen vanuit het regime onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 of dat dit nieuw beleid is. Daarnaast gaat de toelichting in op de vraag of voorschriften hun oorsprong vinden in (nieuwe) Europese wet- en regelgeving of dat het vooral gaat om nationaal beleid; een combinatie van deze twee is ook mogelijk.

2.2 Algemene bepalingen (hoofdstuk 1 Energieregeling)

In het eerste hoofdstuk van de Energieregeling zijn de begripsbepalingen, alsmede enkele bepalingen met een meer generieke strekking hebben. Het gaat concreet om:

  • 1. Nadere aanduiding van bijzondere typen grote aansluitingen

1. Nadere aanduiding van bijzondere typen grote aansluitingen

Artikel 1.3 van de Energiewet is een beleidsneutrale omzetting van artikel 1, tweede en derde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Dit artikel regelt de classificatie van bepaalde bijzondere aansluitingen als (eindafnemers met een) grote aansluiting. Het tweede lid bepaalt dat aansluitingen van organisaties met veel verspreide kleine aansluitingen worden beschouwd als één grote aansluiting, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Gelet op het tweede lid in artikel 1.3 Energiewet is (opnieuw) vastgelegd welke activiteiten hier onder vallen, zoals het beheren van de openbare verlichting of verkeersregelinstallaties, dan wel activiteiten rondom riolering, bemaling, waterzuivering of transport en distributie van water.

Overzetting Gaswet en Elektriciteitswet 1998; ex-ante inschatting effecten Energieregeling

Dit betreft een beleidsneutrale omzetting van artikel 1, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998. Er is geen directe relatie met de Elektriciteitsrichtlijn of Gasrichtlijn, dit betreffen eerdere nationale keuzes.

2.3 Energiemarkten (hoofdstuk 2 Energieregeling)

Het tweede hoofdstuk van de Energieregeling bevat de nadere uitwerking van voorschriften zoals deze hoofdzakelijk zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de Energiewet en hoofdstuk 2 van het Energiebesluit. Deze beide hoofdstukken bevatten voorschriften die gelden voor de verschillende marktactiviteiten die worden uitgevoerd. Hierbij is voortgebouwd op het regime onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en zowel de Europese regelgeving (Gasrichtlijn en Elektriciteitsrichtlijn) als nationale beleid spelen hier een grote rol. In de Energieregeling komen de volgende kernonderdelen aan bod:

  • 2. De contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier of actieve afnemer en marktdeelnemer die aggregeert;

  • 3. De eisen aan de leveringsvergunning (bij kleine aansluitingen);

  • 4. Voorkomen van beëindiging levering en maatregelen leveringszekerheid;

  • 5. Leveranciersmodel: faciliteren aansluit- en transportovereenkomst en innen tarieven;

  • 6. Erkenning meetverantwoordelijke partij;

2. De contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier of actieve afnemer en marktdeelnemer die aggregeert

Afdeling 2.2 van de Energiewet bevat voorschriften over de contractuele verhouding tussen leveranciers en (verschillende typen) eindafnemers; zie met name artikel 2.5 tot en met 2.16 Energiewet. Hierbij gaat het om zowel reguliere leveringsovereenkomsten als leveringsovereenkomsten inzake peer-to-peer-handel. Soortgelijke voorschriften zijn opgenomen in afdeling 2.3 van de Energiewet, maar dan voor de verschillende typen aggregatieovereenkomsten (zie artikel 2.34 tot en met 2.41). Deze voorschriften worden sterk gedreven door de Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn. Een groot deel van deze Europese bepalingen waren reeds onderdeel van de oude Elektriciteitsrichtlijn en de oude Gasrichtlijn en zijn eerder geïmplementeerd onder het regime van voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. In de Energiewet is hierop voortgebouwd.

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998

De Energieregeling bouwt, net als de Energiewet en het Energiebesluit, voort op hetgeen reeds geregeld was onder het regime van voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Het gaat dan met name om de overzetting van grote delen van (i) het voormalige Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie en (ii) de voormalige Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet. Zoals gezegd betreft dit voor een groot deel de herimplementatie van de Elektriciteitsrichtlijn (artikel 18 en bijlage I) en de Gasrichtlijn (artikel 16 en bijlage I), waarbij een deel ook reeds is vastgelegd in het Energiebesluit (o.a. voorschriften over de inhoud van de leveringsovereenkomst). Voor de Energieregeling gaat het concreet om:

  • Factureren en informeren – Voortzetting van de voorschriften met betrekking tot het verstrekken van facturen, factureringsinformatie en informatie over energiebronnen door de leverancier aan zijn eindafnemers (artikel 2.7 Energiewet);

  • Klachtenprocedure – Voortzetting van de bestaande regels rondom de door de leverancier in te stellen (interne) klachtenprocedure; op grond van de Energiewet (artikel 2.8) is het bereik nu wel uitgebreid tot alle eindafnemers;

  • Afhandeling eindafrekening en overstap – Onder het regime van voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 bestonden hier reeds regels over, welke beleidsneutraal zijn overgenomen.

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

Ten opzichte van het regime van voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 bevat de Energieregeling (in navolging van de Energiewet en het Energiebesluit) diverse nieuwe elementen. Deze nieuwe elementen zijn vooral gedreven door de aanpassing en uitbreiding van de Elektriciteitsrichtlijn en de Gasrichtlijn ten opzichte van de voorgaande richtlijnen uit 2009. Concreet gaat het om:

  • Maximering van de hoogte van de waarborgsom;

  • Aanpassing en uitbreiding van factuurinformatie op de factuur;

  • Hoogte van de opzegvergoeding;

Daarnaast zijn de contractuele voorschriften verbreed naar de aggregatieovereenkomsten en zijn ook voorschriften opgenomen voor het overstappen naar een andere BRP; beide ter implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn.

Maximering van de waarborgsom - Daarnaast is er een toevoeging die primair gedreven wordt door het nationale beleid, namelijk de maximering van de hoogte van de waarborgsom die de leverancier voorafgaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst kan vragen aan een huishoudelijke eindafnemer of micro-onderneming wanneer eerder sprake is geweest van betalingsproblematiek. De aanleiding van deze aanvulling waren de faillissementen die tijdens de energiecrisis plaatsvonden, waarbij de waarborgsom onderdeel werd van de faillissementsboedel en klanten dit bedrag vaak kwijt waren. Over de hoogte van de waarborgsom staat in de Energieregeling dat deze redelijk en passend moet zijn en, in lijn met de memorie van toelichting bij de Energiewet, ten hoogste een derde van de hoogte van de verwachte jaarafrekening bedraagt. Door deze maximering wordt gestreefd naar een balans in enerzijds het afdekken van een bedrijfsrisico voor de leverancier (betalingsproblemen bij de afnemer) en anderzijds de proportionaliteit van de hoogte van het bedrag dat een afnemer tijdelijk ter beschikking moet stellen.

Aanpassing en uitbreiding van de factuurinformatie op de factuur – De factuurinformatie bestaat uit vele onderdelen die voor controleerbaarheid en inzicht op de energierekening moeten zorgen. Tegelijkertijd kan de energierekening voor consumenten ingewikkeld zijn. In gesprekken met maatschappelijke organisaties kwam naar voren dat consumenten behoefte hebben aan een duidelijk overzicht bij hun energierekening. Middels het verplicht stellen van een samenvattend voorblad wordt het voor consumenten eenvoudiger om in één overzicht duidelijk te hebben hoeveel energie ze hebben afgenomen en wat de kosten hiervan zijn. De begrijpelijkheid van de energierekening gaat niet alleen over welke informatie op welke plek in de factuur moet komen. De factuur moet in duidelijke en begrijpelijke taal opgesteld worden. Artikel 2.7, eerste lid, van de Energiewet waarborgt dat de factuur, de factureringsinformatie en informatie over energiebronnen op transparante en begrijpelijke wijze is weergegeven. Ten tijde van een complexe energietransitie is dit nog belangrijker. De factuur in duidelijke en begrijpelijk taal houdt in dat leveranciers als uitgangspunt gebruik maken van taal op een B1-niveau. Op deze manier is de factuur voor consumenten toegankelijk en beter te begrijpen. Het is ook belangrijk dat consumenten weten welke rechten zij hebben als consument. Om die reden wordt naast de verwijzing van naar de Geschillencommissie ook een verwijzing naar de Consuwijzer van de ACM onderdeel van de factuur. Verder wordt ‘verbruiks- en indicatief kostenoverzicht’ aangepast naar ‘verbruikskostenoverzicht’. Deze aanpassing van de naam sluit beter aan bij het doel, namelijk consumenten informeren over hun maandelijkse verbruik en de daaruit volgende kosten. Tot slot worden ter implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn een aantal kleine wijzigingen gedaan. Voor een uitgebreidere toelichting hierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.

Hoogte van de opzegvergoeding – Ten aanzien van de hoogte van de opzegvergoeding geldt dat de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 van de ACM in de basis beleidsneutraal is overgenomen met enkele aanpassingen, naar aanleiding van aanbevelingen van de ACM hierover, ten behoeve van betere begrijpelijkheid en transparantie voor huishoudelijke eindafnemers en micro-ondernemingen die voortijdig hun leveringsovereenkomst opzeggen met vaste tarieven. Deze betere begrijpelijkheid en transparantie is op drie manieren geborgd:

  • 1. Scherpere afbakening van hoe de leverancier de keuze maakt voor het referentieproduct naar looptijd, product en herkomst van de elektriciteit of gas;

  • 2. Scherpere afbakening van hoe het resterende verbruik berekend moet worden. Indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, gebruikt een leverancier bij de berekening van de resterende hoeveelheid het standaard jaarverbruik, de standaard jaarafname en de standaard jaarinvoeding;

  • 3. De ‘voorlopige opzegvergoeding’ is komen te vervallen en de eindafnemer ontvangt onverwijld, nadat de leverancier de mededeling ontvangt van opzeggen of overstappen, de definitieve hoogte van de opzegvergoeding die voor twee maanden vaststaat.

3. De eisen aan de leveringsvergunning (bij kleine aansluitingen)

Voor leveranciers die leveren aan, of faciliteren in peer-to-peer-handel ten behoeve van, eindafnemers met een kleine aansluiting geldt een specifiek vergunningenregime. Dit is geregeld in paragraaf 2.2.4 van de Energiewet, meer concreet artikel 2.17 tot en met 2.26 Energiewet. Het gaat dan om de voorwaarden die voor een (potentiële) vergunninghouder gelden, bijvoorbeeld qua organisatorische, financiële en technische kwaliteiten en deskundigheid (artikel 2.18 Energiewet, alsmede 2.10 Energiebesluit). Dit vergunningenregime bestond reeds onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en heeft een nationale oorsprong.

Overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 (nationaal beleid)

De Energieregeling bouwt voor een belangrijk deel voort op de voorschriften onder het regime van voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, meer concreet (i) het voormalige Besluit vergunning levering elektriciteit aan kleinverbruikers en (ii) het voormalige Besluit vergunning levering gas aan kleinverbruikers (hierna gezamenlijk aangeduid als de (voormalige) Besluiten leveringsvergunningen).

Onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 bestond reeds een vergunningregime33. Dit regime wordt in deze regeling gehandhaafd en op enkele punten aangescherpt. In artikel 2 van de Besluiten leveringsvergunningen werd uitwerking gegeven aan de criteria voor vergunningverlening, te weten het aantoonbaar beschikken over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Het wettelijke criterium van betrouwbare levering in de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet was niet verder uitgewerkt in lagere regelgeving. De ACM gaf in haar Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers34 inzicht in de manier waarop zij de werkwijze van de vergunninghoudende leveranciers beoordeelt en welke informatie zij in dat kader van de leveranciers verwacht (artikel 3 Besluiten leveringsvergunningen). Daarnaast gaf de minister in de Beleidsregel beoordeling financiële kwaliteiten van leveranciers van elektriciteit of gas aan kleinverbruikers35 aan, aan de hand waarvan de financiële kwaliteiten van de houder of aanvrager van een vergunning moesten worden beoordeeld.

Een vergunning als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, van de wet, wordt op aanvraag verleend door de ACM. De aanvrager dient hierbij aan te tonen dat hij voldoet en zal blijven voldoen aan de eisen die bij of krachtens de Energiewet worden gesteld aan een vergunning. Hiertoe dient de aanvrager verschillende documenten bij de ACM aan te leveren. De ACM beoordeelt vervolgens of de aanvrager voldoet aan de bij wet gestelde eisen. Indien dat het geval is, wordt een vergunning verleend (artikel 2.18, derde lid, van de wet). Wanneer dat niet het geval is, wordt een vergunning niet verleend. In artikel 2.32 van onderhavige ministeriële regeling worden nadere regels gesteld aan de aanvraag van een vergunning. Inhoudelijk komt dit artikel grotendeels overeen met de eisen in artikel 2 van de (voormalige) Besluiten leveringsvergunningen. Dit artikel schrijft voor welke volgende documenten en informatie moeten worden aangeleverd bij een aanvraag. Opgemerkt zij dat een leverancier ook dient te voldoen aan overige relevante wet- en regelgeving.

De vergunningseisen gelden niet alleen als voorwaarde om een vergunning te verkrijgen, maar ook nadat een vergunning is verleend. Een houder van een vergunning moet derhalve kunnen aantonen dat hij blijvend voldoet aan de vergunningsvereisten. Voor de continuïteit van levering van elektriciteit en gas is het tevens van belang dat wijzigingen en risico’s zo spoedig mogelijk aan de ACM worden doorgegeven. Ingevolge artikel 2.10, vierde lid van het Energiebesluit is de leverancier daarom verplicht om (binnen twee weken) melding te doen van alle wijzigingen die relevant zijn voor (het voldoen aan) de vergunningseisen. Voor enkele wijzigingen (zoals een bestuurswissel of een naamswijziging van een vergunninghouder, zie nota van toelichting bij het Energiebesluit artikel 2.10, vierde lid) geldt dat de leverancier dit een maand voorafgaand aan de wijziging bij de ACM moet melden. Dit geldt voor wijzigingen in gegevens en documenten die de leverancier bij aanvraag heeft verstrekt, maar ook voor overige (aanvullende) gegevens en documenten omtrent de huidige en verwachte organisatorische, financiële en technische kwaliteiten alsmede de deskundigheid van de leverancier. Tenslotte wordt opgemerkt dat op grond van artikel 6.3, eerste en twee lid, van de wet, de leverancier ook, voorafgaand aan de wijziging, iedere wijziging van zeggenschap in een LNG-systeem en productie-installatie moet melden aan de minister. Het ligt voor de hand dat de ACM hier ook van op de hoogte wordt gesteld. Hiermee wordt geborgd dat de ACM over de meest actuele informatie beschikt en daarmee kan beoordelen of een leverancier (blijvend) voldoet aan de vergunningseisen.

Nieuwe elementen (nationaal beleid)

Bij uitwerking van de Energiewet is besloten om de vergunningsvereisten onder het vergunningregime nader uit te werken in een ministeriële regeling. In beginsel is bij het omzetten van de huidige wet- en regelgeving naar de Energiewet en onderliggende regelgeving zo veel als mogelijk aangesloten bij de huidige praktijk van vergunningverlening en doorlopend toezicht. Inhoudelijk komen de in de artikelen van deze ministeriële regeling opgenomen eisen grotendeels overeen met de eisen in artikel 3 de Besluiten leveringsvergunningen en de artikelen 3 tot en met 5, 7 en 8 van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers ACM. Er worden ook enkele nieuwe elementen onder de Energiewet uitgewerkt in deze ministeriële regeling.

Onafhankelijke risicomanager – Zo is in de Energiewet toegevoegd dat een leverancier moet kunnen aantonen dat hij over voldoende deskundigheid bezit (artikel 2.18, eerste lid). Dit wordt in het Energiebesluit nader uitgewerkt (artikel 2.10, eerste lid, onderdeel d) in de verplichting voor een leverancier om te beschikken over een onafhankelijke risicomanager die verantwoordelijk is voor de beheersing van risico’s voor de financiële positie van de leverancier. In artikel 2.31 van deze ministeriële regeling wordt nader toegelicht welke eisen aan deze risicomanager worden gesteld. Bij uitwerking van deze eis is aangesloten op een reeds bestaande eis in de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers ACM.

Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) – Een ander nieuw element dat in de Energiewet toegevoegd wordt en in deze ministeriële regeling uitgewerkt wordt is de verplichting voor leveranciers om bij aanvraag voor een vergunning een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan te leveren. In deze regeling wordt uitgewerkt welke documenten een leverancier hiervoor moet overleggen bij aanvraag van een vergunning en, indien nodig, bij het doorlopend toezicht.

Toepassing Wet Bibob – Ook krijgt de ACM de bevoegdheid om de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) toe te passen bij de vergunningaanvraag en in het doorlopend toezicht van vergunninghouders. Met deze instrumenten krijgt de ACM meer informatie om te kunnen oordelen over de integriteit en betrouwbaarheid van een (toekomstige) energieleverancier.

Uitzondering voor energiegemeenschappen – Nieuw onder de Energiewet is ook dat er een uitzondering op deze vergunningplicht (artikel 2.17 van de wet) wordt gemaakt voor energiegemeenschappen met minder dan 500 leden. Zoals in de memorie van toelichting bij de Energiewet is te lezen, wordt de invloed en zeggenschap van de individuele leden kleiner en komt de energiegemeenschap op meer afstand van de leden of de aandeelhouders te staan wanneer dit aantal wordt overschreden. Na overleg met energieleveranciers en energiegemeenschappen is besloten om dit aantal op 500 eindafnemers met een kleine aansluiting te stellen. Dit sluit ook aan bij het aantal eindafnemers met een kleine aansluiting die gevestigd zijn in gebieden aan de Nederlandse landsgrens waaraan een buiten Nederland gevestigde leverancier zonder vergunning elektriciteit of gas mag leveren (artikel 2.17, tweede lid, onderdeel f, van de wet).

Een vergunninghouder kan gebruik maken van een tussenpersoon die namens hem handelt. Hieronder worden verstaan alle partijen die voor een vergunninghoudende energieleverancier klanten werven en waarmee de vergunninghoudende energieleverancier samenwerkt om energie te leveren. Artikel 2.18, zesde lid, van de wet biedt de optie om extra eisen aan deze tussenpersonen te stellen in een ministeriële regeling. Omdat de vergunninghouder verantwoordelijk is voor naleving van de vergunningsvereisten, ook wanneer deze gebruik maakt van intermediairs (ook wel wederverkopers genoemd) is er geen uitwerking gegeven aan artikel 2.18, zesde lid, van de wet.

4. Voorkomen van beëindiging levering en maatregelen leveringszekerheid

Artikel 2.26 van het de Energiewet bepaalt dat een vergunninghouder preventieve maatregelen neemt om het beëindigen van de leveringsovereenkomst aan een eindafnemer met een kleine aansluiting wegens betalingsachterstanden zoveel mogelijk te voorkomen. Ditzelfde geldt voor het beëindigen van de facilitering in peer-to-peer-handel ten behoeve van een eindafnemer met een kleine aansluiting wegens betalingsachterstanden. De Energieregeling bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden de leveringsovereenkomst ondanks deze preventieve maatregelen toch kan worden beëindigd en voorziet in waarborgen voor de bescherming van kwetsbare afnemers. Er worden regels gesteld over de maatregelen die een vergunninghouder neemt om betalingsachterstanden te voorkomen en, indien nodig, te verhelpen, waaronder de verstrekking van bepaalde gegevens over de eindafnemer aan te wijzen instanties, en over het beperken, opschorten, beëindigen of hervatten van de leveringsovereenkomst ten behoeve van eindafnemers met een kleine aansluiting. Zie voor het afsluitbeleid voor de DSB en TSB onderdeel 10 van dit hoofdstuk.

De eindafnemer is verantwoordelijk voor de betaling van de energierekening. In de praktijk is het echter zo dat het niet alle eindafnemers altijd lukt om (tijdig) de energierekening te betalen. Om te bepalen wanneer betalingsachterstanden kunnen leiden tot het beëindigen van de leveringsovereenkomst bestaan er regels voor het afsluiten van eindafnemers met een kleine aansluiting. Dit heeft als doel om ongewenste afsluiting van elektriciteit en/of gas bij eindafnemers zoveel mogelijk te voorkomen en is erop gericht om het oplopen van betalingsachterstanden te voorkomen. Deze regeling heeft tevens een signaalfunctie, omdat betalingsachterstanden op de energierekening een indicator kunnen zijn van een (dreigende) problematische schulden.

Het afsluitbeleid houdt in dat de leveringsovereenkomst van elektriciteit en/of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting enkel mag worden beëindigd in de voorgeschreven gevallen én nadat de voorgeschreven procedure doorlopen is. Deze procedure bevat minimumeisen voor de vergunninghouder. Zo mag de overeenkomst niet worden beëindigd indien dit zorgt voor gezondheidsrisico’s voor de eindafnemer of diens huisgenoot (kwetsbare afnemer), als de eindafnemer aan zijn betalingsachterstanden werkt met het treffen en nakomen van een betalingsregeling of als deze een verzoek doet dan wel de vordering betrekt bij een traject tot schuldhulpverlening. De voorgeschreven procedure bestaat uit het sturen van ten minste drie betalingsherinneringen met een nakomingstermijn van 14 dagen, een maximale inspanningsplicht voor de leverancier om persoonlijk contact te krijgen met de eindafnemer, het aanbieden van een redelijke en passende betalingsregeling en het sturen van signalen naar de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Dit wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Voor wat betreft het afsluitbeleid wordt voortgebouwd op de bestaande procedures zoals deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 (artikel 95b, zevende tot en met tiende lid) en Gaswet (artikel 44, zevende tot en met tiende lid) in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas geregeld was. Deze regels zijn in de periode tussen oktober 2022 en april 2023 nog aangepast om consumenten beter te beschermen tegen de hoge energieprijzen door onder meer de extra bescherming die al gold in de winterperiode gedurende het jaar te laten gelden en extra stappen in het proces voor afsluiting in te bouwen. Inmiddels zijn er weer aanpassingen wenselijk. Deze aanpassingen komen zowel voort uit Europese regelgeving als uit nationaal beleid. Er geldt al een brede bescherming tegen afsluiting voor alle eindafnemers met een kleine aansluiting en hiermee wordt ook al voldaan aan nieuwe verplichtingen uit de herziene Elektriciteitsrichtlijn (2024/1711) en Gasrichtlijn (2024/1788). Hierin zijn voorschriften opgenomen die lidstaten verplichten om kwetsbare afnemers en afnemers die worden getroffen door energiearmoede volledig te beschermen tegen afsluiting van elektriciteit of gas. Hiervoor dienen passende maatregelen genomen te worden zoals een verbod op afsluiting gedurende het hele jaar of een bepaalde periode, schuldpreventie en duurzame oplossingen ter ondersteuning van afnemers die moeilijkheden ondervinden bij het betalen van hun energierekening (zie artikel 28 bis, eerste lid, van de herziene Elektriciteitsrichtlijn en artikel 28, eerste lid, van de Gasrichtlijn).

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

Naast de verplichting om kwetsbare afnemers en afnemers die worden getroffen door energiearmoede te beschermen tegen afsluiting, zijn in de Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn ook voorschriften opgenomen waardoor lidstaat ervoor dienen te zorgen dat leveranciers de leveringsovereenkomsten met afnemers niet beëindigen wanneer er sprake is van een nog lopende klachtenprocedure over de reden van het beëindigen van de leveringsovereenkomst. Een dergelijke klacht doet overigens geen afbreuk aan de contractuele rechten en plichten van de partijen (artikel 28 bis, tweede lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en artikel 28, tweede lid, van de Gasrichtlijn). Deze nieuwe verplichting uit de herziene Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn wordt hiermee overgenomen.

In de praktijk blijkt dat de regeling op een aantal onderdelen verbeterd kan worden. De grondslag voor gegevensuitwisseling tussen leverancier en gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening is uitgebreid zodat er in meer situaties van betalingsachterstanden een signaal naar de gemeente kan worden verstuurd. Ook is de regeling eenvoudiger opgeschreven en wordt voor de regels met betrekking tot schuldhulpverlening beter aangesloten op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Het gaat daarbij om de volgende nieuwe elementen, dit betreft nationaal beleid:

  • De bepaling dat er een vroegsignaal gestuurd moet worden na ten minste twee gemiste termijnbedragen wordt verruimd naar ten minste twee gemiste facturen. Onder een factuur wordt naast het termijnbedrag ook de jaarnota verstaan. Met deze verruiming worden alle facturen op dezelfde manier behandeld en worden gemiste jaarnota’s ook onderdeel van de grondslag om een vroegsignaal te kunnen versturen.

  • Geregeld wordt dat leveranciers in het vroegsignaal aan de gemeente ook de geboortedatum van de klant met een betalingsachterstand op moeten nemen. Dit biedt gemeenten de mogelijkheid om een goede persoonsverificatie uit te voeren op de ontvangen signalen.

  • In de definitie van schuldhulpverlening wordt aangesloten bij de definitie uit de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in plaats van een verwijzing naar de Faillisementswet en de Wet op het consumentenkrediet.

  • In artikel 2,45, tweede lid, onderdeel b, wordt geborgd dat een actualisatiesignaal van eindelevering niet eerder dan twee weken na het informatiesignaal, zoals bedoeld in eerste lid, wordt verstuurd.

  • In artikel 4a, eerste lid, onderdeel c, van de huidige regeling wordt gesproken over een termijn van ten minste twintig werkdagen. In artikel 4b, eerste lid, wordt dezelfde termijn bedoeld maar wordt gesproken over een termijn van in ieder geval vier weken. Dit wordt gelijkgetrokken op vier weken.

5. Leveranciersmodel: faciliteren aansluit- en transportovereenkomst en innen tarieven

De Energiewet bevat in artikel 2.27 en 2.28 een uitwerking van het zogeheten ‘leveranciersmodel’ dat in 2013 onder de voormalige Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 is ingevoerd, zodat eindafnemers/aangeslotenen met een kleine aansluiting één aanspreekpunt zouden hebben voor de leveringsovereenkomst, aansluit- en transportovereenkomst, betaling van facturen, informatie of klachten. Kort samengevat regelt de Energiewet voor kleine aansluitingen dat de leverancier op het primaire allocatiepunt verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van een aantal processen gerelateerd aan het systeembeheer. Het leveranciersmodel is primair een nationale beleidsinvulling, zonder directe link naar de Gasrichtlijn of de Elektriciteitsrichtlijn. Wel is het zo dat het algemene belang van transparante en duidelijke informatie en contractvoorwaarden wordt benadrukt, zowel in de Gasrichtlijn (artikel 11 en 26) als de Elektriciteitsrichtlijn (Bijlage I).

Overzetting voormalige regime Gaswet en Elektriciteitswet 1998; met enkele nieuwe elementen

Binnen het leveranciersmodel gaat het hier concreet om het faciliteren in de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst en de inning van tarieven door de leveranciers (respectievelijk artikel 2.28, tweede lid, en 2.27, vijfde lid, van de Energiewet), alsmede hetgeen de DSB aan informatie moet verstrekken (3.126, tweede lid Energiewet). Waar de Energiewet een grotendeels beleidsneutrale overzetting van de voorschriften onder de voormalige Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 vormt, sluit ook de Energieregeling voor een groot deel aan op dit voormalige regime. Het gaat dan met name om onderdelen uit de voormalige Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en de voormalige Informatiecode Elektriciteit en Gas (hierna ook: ICEG).

Echter, de Energiewet legt, ten opzichte van het voormalige regime, wel meer nadruk op de aansluit- en transportovereenkomst als noodzakelijke basis voor het contracteren van andere diensten op de aansluiting, zoals een leveringsovereenkomst of aggregatieovereenkomst (deze worden aangegaan met een eindafnemer of actieve afnemer die, conform de definitie in de wet, een aangeslotene is; zie ook artikel 2.1 van de wet). In de voorbereidingen op de Energiewet is gebleken dat de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst in de praktijk niet altijd goed ging, wat dan later tot juridische knelpunten leidde. Immers, als een aangeslotene niet van een transmissie- of distributiesysteembeheerder de beschikking heeft gekregen over een aansluiting dan ontstaan problemen met de rechtsgeldigheid en uitvoerbaarheid van navolgende dienstverleningsovereenkomsten. Dit speelt bijvoorbeeld bij het gebruik van gegevens uit de meetinrichting die aan een specifieke aansluiting en de aangeslotene (degene die van een systeembeheerder de beschikking heet gekregen over een aansluiting) gekoppeld zijn. Ook kan onduidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor het afdragen van tarieven en belastingen, alsmede voor eventueel frauduleus gebruik van een aansluiting. De extra nadruk op de aansluit- en transportovereenkomst is ook zichtbaar in de uitwerking van de Energieregeling. Hierbij is ervoor gekozen om explicieter aan te sluiten bij het proces en de terminologie van de totstandkoming van een overeenkomst (via ‘aanbod en aanvaarding’), zoals dat op grond van het privaatrecht geldt.

Minimuminformatie in de aansluit- en transportovereenkomst – De Energieregeling schrijft voor welke informatie een aansluit- en transportovereenkomst minimaal moet bevatten, zoals contactgegevens van de DSB, een omschrijving van de te leveren diensten, de looptijd van de overeenkomst, de klachtenprocedure, etc. Op enkele aanpassingen na is dit gebaseerd op de voormalige ICEG.

De DSB zorgt voor tijdige beschikbaarheid documenten en informatie – Logischerwijze dient de DSB te zorgen dat de leverancier kan beschikken over de juiste informatie en documenten die hij nodig heeft om te kunnen faciliteren in het proces voor totstandkoming van een aansluit- en transportovereenkomst richting de (potentiële) aangeslotene. Concreet gaat het dan om (i) de aansluit- en transportovereenkomsten, (ii) de daarbij geldende voorwaarden en (iii) een verwijzing naar de geldende tarieven voor de verschillende type aansluitingen. Hierbij is aangesloten op processen en voorschriften onder de voormalige ICEG, maar waar nodig zijn aanpassingen gedaan:36

  • Tarieven – Voor de leverancier dient voor elke (type) aansluiting en per dag kenbaar te zijn welke tarieven namens de DSB bij de aangeslotene in rekening moeten worden gebracht. De voormalige ICEG bevatte hiervoor gedetailleerde voorschriften over het opstellen en hanteren van zogeheten ‘capaciteitstariefcodes’ die ter beschikking werden gesteld ten behoeve van de geautomatiseerde gegevensverwerking. Deze voorschriften zijn in meer geaggregeerde vorm overgenomen, de technische vormgeving wordt aan de DSB’s gelaten. De feitelijke gegevensuitwisseling dient, gelet op artikel 4.9 Energiewet, te verlopen via het elektronische berichtenverkeer zoals dat door de gegevensuitwisselingsentiteit wordt beheerd.

  • Tijdig kenbaar maken van wijzigingen – De DSB dient eventuele wijzigingen in zijn aansluit- en transportovereenkomsten of de algemene voorwaarden ten minste één maand vóór inwerkingtreding aan de leverancier te sturen, zodat deze wijzigingen ook door de leverancier kunnen worden verwerkt in hun klantprocessen. Voor de wijzigingen in de tarieven geldt dezelfde eis: ten minste één maand vóór inwerkingtreding aan de leverancier doorgeven. De Energieregeling komt hierin vrijwel geheel overeen met de voormalige ICEG. In het geval van wijzigingen in de algemene voorwaarden of de tarieven nadat een aansluit- en transportovereenkomst is afgesloten met een aangeslotene op een kleine aansluiting, zorgen de distributiesysteembeheerders in beginsel zelf voor de informatievoorziening richting de aangeslotene, tenzij hier andere afspraken over worden gemaakt met de leveranciers.

  • Specificaties t.b.v. inning tarieven – De DSB dient de leverancier maandelijks de specificaties van de te factureren bedragen te verstrekken. Op het niveau van een individuele aansluiting gaat het dan met name om het aantal dagen dat gebruik is gemaakt van de aansluiting en het bijbehorende tarief per dag.

Facilitering in de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst – Zoals gezegd bestond het leveranciersmodel reeds onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 en faciliteert de leverancier reeds jaren in de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst. De Energieregeling sluit hier direct op aan, maar wijzigt enkele elementen en regelt het proces van faciliteren bij de totstandkoming van de overeenkomst explicieter.

  • Vooraf informeren en doen van aanbod – De leverancier is verplicht om de (potentiële) aangeslotene te informeren (i) dat een geldige aansluit- en transportovereenkomst een noodzakelijke voorwaarde is voor het afsluiten van een leveringsovereenkomst en (ii) welke voorwaarden en tarieven bij de desbetreffende DSB gelden. Dit moet logischerwijze gedaan worden voordat op de betreffende aansluiting een overeenkomst tot levering wordt afgesloten. Daarna krijgt de (potentiële) aangeslotene een concreet aanbod voor het aangaan van een aansluit- en transportovereenkomst met de distributiesysteembeheerder. Het is inherent aan het leveranciersmodel dat de leverancier bij de totstandkoming van deze overeenkomst fungeert als een tussenpersoon. De aansluit- en transportovereenkomst wordt afgesloten tussen de (potentiële) aangeslotene en de distributiesysteembeheerder en de leverancier faciliteert bij de totstandkoming daarvan. In de praktijk komt dit erop neer dat hij een proces inricht waarbij het aanbod en de aanvaarding elkaar kunnen vinden. Aangezien uit de systematiek van de Energiewet volgt dat een leveringsovereenkomst wordt gesloten door een aangeslotene (zie de definitie van eindafnemer en artikel 2.1 van de wet), wordt de aansluit- en transportovereenkomst geacht te zijn afgesloten voorafgaand aan of gelijktijdig met het afsluiten van de leveringsovereenkomst. Deze combinatie van (vrijwel) gelijktijdig afsluiten is thans gangbaar in de sector, zodat extra regeldrukkosten worden voorkomen.

  • Vastleggen van de aanvaarding – Normaal gesproken zal het aanbod gevolgd worden door aanvaarding, waarmee de aansluit- en transportovereenkomst rechtsgeldig wordt. De Energieregeling schrijft voor dat de leverancier zorgt voor een proces waar de aanvaarding van het aanbod uitdrukkelijk gebeurt, zodat dit navolgbaar is voor de DSB. Dit is een expliciete verduidelijking ten opzichte van de voormalige ICEG.37 , 38 De aanvaarding moet uitdrukkelijk zijn, zodat dit achteraf ook te verifiëren is voor de DSB.

  • Controle op betrouwbare en volledige gegevens – Gelet op de rechtsgeldigheid is het belangrijk dat de aanvaarding van de aansluit- en transportovereenkomst gebeurt op basis van betrouwbare en volledige gegevens, zoals de naam van contractant, ingangsdatum, etc. Deze gegevens dienen namelijk als belangrijke basis in het verdere stelsel voor beheer en uitwisseling van gegevens zoals hoofdstuk 4 van de Energiewet dat voorschrift. Artikel 4.2 Energiewet schrijft al voor dat een ‘gegevens verzamelende partij’ (in dit geval de leverancier) zorg draagt voor de betrouwbaarheid en volledigheid daarvan. De Energieregeling herhaalt deze eis expliciet in het kader van het faciliteren bij de totstandkoming van een aansluit- en transportovereenkomst. Logisch is dat de leverancier de (potentiële) aangeslotene eenvoudigweg vraagt om betrouwbare en volledige gegevens te verstrekken.

  • Controle van de gegevens – De praktijk onder de voormalige ICEG wees uit dat (potentiële) aangeslotenen bewust of onbewust toch foutieve gegevens verstrekken die een cascade-effect hebben in de hele keten van beheer en uitwisseling van gegevens. Vanwege het grote ketenbelang van betrouwbare en volledige gegevens verplicht de Energieregeling nu tot aanvullende processtappen om de betrouwbaarheid en volledigheid te vergroten.39 De Energieregeling schrijft, in aanvulling op artikel 4.2 Energiewet, nu voor dat de leveranciers tenminste een controle uitvoeren op de naam op basis van de hen bekende bankgegevens van de aangeslotene in zijn rol als eindafnemer (hij betaalt immers voor de afgenomen elektriciteit en gas); dit moet uiterlijk 90 dagen na de start van de levering gedaan worden. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de bij banken (en andere financiële ondernemingen) reeds bestaande identificatiesystematiek voor hun klanten: het gaat om bestaande natuurlijke personen of rechtspersonen. Als alternatief is bepaald dat leveranciers ook gebruik kunnen maken van een identificatiemiddel in het kader van de Europese eIDAS-verordening; hiermee kan bijvoorbeeld eHerkenning worden ingezet of op termijn de thans nog in ontwikkeling zijnde EDI-wallets (Europese Digitale Identiteit).

  • Eventuele correctie en melding bij de DSB – Deze controles kunnen ertoe leiden dat geconstateerd wordt dat de opgegeven naam op de aansluit- en transportovereenkomst afwijkt. In dat geval dient de leverancier te controleren of hier een logische reden achter zit (bijvoorbeeld: een ouder betaalt de rekening van een uitwonend kind) of dat er toch sprake is van onjuistheden of afwijkingen die moeten worden gecorrigeerd. Gelet op het genoemde artikel 4.2 Energiewet wordt van de leverancier verwacht dat hij hier redelijke procedures voor controle en correctie hanteert. De Energieregeling geeft aan dat van een redelijke procedure in ieder geval sprake is als de leverancier (i) kennelijke schrijffouten zelf corrigeert, (ii) de aangeslotene in de gelegenheid stelt onjuistheden of afwijkingen te corrigeren of te verklaren, (iii) eventuele correcties doorgeeft aan de DSB en (iv) van de overblijvende gevallen waar geen zekerheid over is, melding doet bij de desbetreffende DSB. Na deze laatste stap is het aan de DSB zelf om de gegevens te controleren of op andere wijze tot actie over te gaan.

  • Inzicht in controles en correcties – Nieuw in de Energieregeling is de verplichting aan leveranciers om de DSB na elk kwartaal te informeren over de controle en correctieprocedures. Dit moet helpen om structureel inzichtelijk te krijgen in welke mate deze methodes van controle doeltreffend zijn.

Innen van tarieven – Ten aanzien van de uiteindelijke inning van de tarieven schrijft de Energieregeling voor dat de leverancier een administratie dient bij te houden van de namens de DSB gefactureerde of te factureren bedragen. De leverancier doet maandelijks de afdracht aan de verschillende DSB’s. Dit alles komt overeen met hetgeen hierover was vastgelegd in de voormalige Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en de voormalige ICEG.

6. Erkenning meetverantwoordelijke partij

Meetverantwoordelijke partijen dienen op grond van de Energiewet over een erkenning te beschikken alvorens zij bij aangeslotenen meetinrichtingen mogen installeren en beheren en metingen mogen uitvoeren (artikel 2.54 Energiewet). Het Energiebesluit (zie artikel 4.9 en afdeling 4.3) voorziet in een soortgelijke erkenningsprocedure voor de submeetverantwoordelijke partij, een nieuwe rol ten opzichte van het regime van de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998.

Overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998; nieuwe elementen

In artikel 2.50 van de Energiewet is een grondslag opgenomen om bij ministeriële regeling nadere eisen op te nemen over de procedure en voorwaarden waaraan een erkenningsaanvraag van de meetverantwoordelijke partij moet voldoen. Deze regels zijn in artikel 2.48 neutraal overgenomen vanuit de voormalige situatie onder de Gaswet en Elektriciteitswet 1998, meer in het bijzonder de technische ACM-codes (o.a. Meetcode Elektriciteit). Verder is er in artikel 2.52 van de Energiewet een grondslag opgenomen om nadere regels te stellen over de rapportageverplichting van de meetverantwoordelijke partij. De enige toevoeging ten opzichte van de voormalige situatie is dat de meetverantwoordelijke partij verplicht is om de inschatting van de kosten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel f, van het Energiebesluit te actualiseren.

2.4 Beheer van systemen (hoofdstuk 3 Energieregeling)

Het derde hoofdstuk van de Energieregeling bevat de nadere regels omtrent het beheer van de verschillende systemen, zoals de transmissie- en distributiesystemen voor gas en elektriciteit, de interconnectorsystemen, LNG-systemen en gasopslagsystemen. De grondslagen voor deze regels zijn hoofdzakelijk terug te vinden in hoofdstuk 3 van zowel de Energiewet als het Energiebesluit en worden sterk gedreven voor de Europese regelgeving, met name de Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn. In de Energieregeling komen de volgende kernonderdelen aan bod:

  • 7. Taken TSB’s en DSB’s inzake beheer en ontwikkeling – investeringsplannen;

  • 8. Taken TSB’s en DSB’s inzake beheer en ontwikkeling – verplaatsen en verkabelen;

  • 9. Taken TSB’s en DSB’s inzake aansluiten en transporteren – voorschriften inzake de aansluiting;

  • 10. Voorschriften inzake het aansluiten van gas;

  • 11. Voorschriften inzake invoed- en afleverspecificatie van gas;

  • 12. Taken TSB’s en DSB’s inzake balanceren;

  • 13. Bijzondere taken TSB voor gas: ramingen;

  • 14. Verplichtingen TSB’s en DSB’s inzake kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen;

  • 15. Tarieven en voorwaarden TSB’s en DSB’s;

  • 16. Tarieven en voorwaarden bijzondere systeembeheerders (LNG);

  • 17. Verplichtingen TSB’s en DSB’s t.a.v. overeenkomsten;

  • 18. Kredietwaardigheid en boekhoudverplichtingen systeembeheerders;

  • 19. Overige verplichtingen: openbaar maken geaggregeerde gegevens door TSB’s/DSB’s;

  • 20. Ontheffingen nieuwe systemen;

  • 21. Schadevergoeding transmissiesysteem voor elektriciteit op zee.

7. Taken TSB’s en DSB’s inzake beheer en ontwikkeling – investeringsplannen

Uit de artikelen 3.34, 3,35 en 3.36 van de wet volgt dat een TSB of DSB om de twee jaar een investeringsplan op moet stellen waarin deze beschrijft en onderbouwt welke investeringen voor de komende 15 jaren op de planning staan om te realiseren. De wet stelt hier ook eisen aan. In de artikelen 3.23, 3.24, 3.25 en 3.6 van het besluit zijn deze eisen verder uitgewerkt. In deze Energieregeling worden nadere regels gesteld aan de inhoud en inrichting van een investeringsplan. Het gaat daarbij om de in het investeringsplan op te nemen scenario’s en procedure van totstandkoming daarvan (artikel 3.24 Energiebesluit), de prioritering van investeringen (artikel 3.25 Energiebesluit) en de consultatie- en toetsingstermijn (artikel 3.26 Energiebesluit).

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting Gaswet en Elektriciteitswet 1998

In de Energieregeling worden de artikelen uit paragraaf 2 van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas onder de Gaswet en Elektriciteitswet 1988 grotendeels beleidsneutraal overgezet.

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

Nieuw is een uitwerking van de beschrijving en onderbouwing die een DSB of TSB in het investeringsplan moet op nemen voor de inkoop van congestie- een systeembeheersdiensten ter voorkoming van of ter overbrugging tot een uitbreiding van het systeem. Dit betreft een nieuwe verplichting uit de Elektriciteitsrichtlijn die in de wet is geïmplementeerd en waarover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld (zie artikel 3.34, tweede lid, onderdeel b, en artikel 3.36, eerste lid, onderdeel b, van de wet).

Daarnaast is nieuw dat in de Energieregeling specifiek gemaakt wordt welke voorgenomen investeringen een TSB in het investeringsplan moet onderbouwen aan de hand van een alternatievenanalyse. Deze artikelen dienen ter vervangen van artikel 2.5, tweede lid, van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998), die zowel TSB’s en DSB’s verplicht de onderzochte oplossingsvarianten voor knelpunten in het transmissie- of distributiesysteem op te nemen en noodzaak voor investeringen te onderbouwen aan de hand van een maatschappelijke kosten-batenanalyse. Gezien de verwachte afname van de vraag naar aardgas in het systeem is ervoor gekozen om een relatief lage grens op te nemen voor de TSB voor gas voor de investeringen waarvoor alternatieven moeten worden geanalyseerd. Voor de TSB voor elektriciteit is bepaald dat een alternatievenanalyse alleen hoeft te worden opgenomen voor investeringen waarvoor onze minister op grond van artikel 6.1 van de wet een projectbesluit heeft genomen.

8. Taken TSB’s en DSB’s inzake beheer en ontwikkeling – verplaatsen en verkabelen

Artikel 3.27 Energiewet verplicht een TSB of DSB voor elektriciteit onder bepaalde voorwaarden een bovengronds gedeelte van een transmissiesysteem of distributiesysteem voor elektriciteit te verplaatsen of te vervangen door een ondergronds deel. Het Energiebesluit, in het bijzonder artikel 3.17 tot en met 3.22, bevat vervolgens nadere voorschriften hiervoor. Ten aanzien van de hoogte van de bijdrage (artikel 3.19 Energiebesluit) en de uitvoeringskosten (artikel 3.20 Energiebesluit) is in deze Energieregeling een nadere uitwerking opgenomen.

Overzetting regime voormalige Elektriciteitswet 1998

Hetgeen nu is opgenomen in de Energiewet en het Energiebesluit betreft een grotendeels beleidsneutrale omzetting van artikel 22a van de voormalige Elektriciteitswet 1998 en het voormalige Besluit verplaatsen en verkabelen hoogspanningsverbindingen. Deze lijn van beleidsneutrale overzetting is doorgezet in deze Energieregeling. De voorschriften voor zowel de hoogte van de bijdrage als de uitvoeringskosten waren reeds onderdeel van het voormalige Besluit verplaatsen en verkabelen hoogspanning, respectievelijk artikel 2 en 4.

9. Taken TSB’s en DSB’s inzake aansluiten en transporteren – voorschriften inzake de aansluiting

Artikel 3.41, derde lid, van de Energiewet bepaalt dat er nadere regels worden gesteld over de procedure die een transmissie- of distributiesysteembeheerder doorloopt voordat hij overgaat tot buiten werking stellen of verwijderen van een aansluiting en de informatie die voorafgaand hieraan door de systeembeheerder aan de aangeslotene wordt verstrekt. Er zijn meerdere redenen waardoor een distributiesysteembeheerder over zal gaan tot het buiten werking stellen en eventueel verwijderen van de aansluiting. Zo kan dit als de aangeslotene de aansluitovereenkomst opzegt en geen gebruik meer wil maken van de aansluiting. De aansluiting zal ook buiten werking worden gesteld indien er sprake is van fraude, misbruik of een onveilige situatie op de aansluiting of indien er bij de transmissie- of distributiesysteembeheerder geen leverancier of balanceringsverantwoordelijke meer bekend is op de aansluiting en er daardoor geen rekening wordt gestuurd door een leverancier, marktdeelnemer of balanceringsverantwoordelijke voor het verbruik of balancering op de aansluiting.

De laatste situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een leverancier de leveringsovereenkomst met de aangeslotene heeft beëindigd vanwege betalingsachterstanden op de energierekening. Een vergunning houdende leverancier mag de leveringsovereenkomst met een eindafnemer beëindigen wegens betalingsachterstanden indien de op grond van artikel 2.26 van het besluit voorgeschreven procedure is gevolgd. Nadat de leveringsovereenkomst is beëindigd, is er geen vergunninghouder meer bekend op de aansluiting van een aangeslotene en is de distributiesysteembeheerder verplicht om de aansluiting buiten werking te stellen. De Energieregeling bevat de procedure die de distributiesysteembeheerder in dat geval moet doorlopen. Ook in deze procedure stuurt de distributiesysteembeheerder de nodige waarschuwingen aan de aangeslotene en wijst deze nogmaals gewezen op de mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen met zijn leverancier of de betalingsachterstanden in te lopen, bijvoorbeeld met schuldhulpverlening. Daarnaast wordt de aangeslotene erop gewezen dat de aansluiting niet buiten werking zal worden gesteld als hij kan aantonen dat dit ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengt voor de aangeslotene of diens huisgenoot. Op deze manier kan de aangeslotene ongewenste afsluiting nog voorkomen. De Energieregeling bevat ook de procedure die de transmissie- of distributiesysteembeheerder moet doorlopen in de overige gevallen die leiden tot het buiten werking stellen en eventueel verwijderen van de aansluiting. In deze gevallen zal de transmissie- of distributiesysteembeheerder zo spoedig mogelijk de nodige waarschuwingen en vereiste informatie verstrekken aan de aangeslotene.

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Voor wat betreft het afsluitbeleid wordt voortgebouwd op de bestaande procedures zoals deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 (artikel 95b, zevende tot en met tiende lid) en Gaswet (artikel 44, zevende tot en met tiende lid) in de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas geregeld was. Volgens het leveranciersmodel factureert en int de vergunninghouder de periodieke kosten van de distributiesysteembeheerder bij de eindafnemer. Hierom is het overgrote deel van de bescherming tegen afsluiten van energie belegd bij de vergunninghouder in de uitwerking van artikel 2.26 van het besluit in deze regeling.

De DSB dient echter zelf kosten met een eenmalig karakter te innen bij de aangeslotene. Dit zijn kosten die verband houden met het in- of buitenwerkingstellen of verwijderen van een aansluiting. De distributiesysteembeheerder is verplicht om bij het contact met de aangeslotene in verband met de werkzaamheden voor het buiten werking stellen van de aansluiting nogmaals te wijzen op de mogelijkheden om het buitenwerkingstellen van de aansluiting te voorkomen. Voorts is de distributiesysteembeheerder verplicht om een redelijke en passende betalingsregeling aan te bieden om de eenmalige kosten voor het buitenwerkingstellen, verwijderen of het weer inwerkingstellen van de aansluiting te kunnen voldoen. Ook de bepalingen met betrekking tot het opnieuw in werking stellen van de aansluiting indien er sprake is van schuldhulpverlening of een kwetsbare afnemer zijn overgenomen uit de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas.

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

De procedure waaraan de systeembeheerder moet voldoen alvorens deze de aansluiting buitenwerking kan stellen of kan verwijderen, is aangevuld met een verplichting tot het verstrekken van informatie aan de aangeslotene die de aansluiting dreigt te verliezen. In de volledige procedure wordt onderscheid gemaakt tussen aangeslotenen van wie de leveringsovereenkomst is beëindigd door de vergunninghouder en de overige aangeslotenen. In beide gevallen informeert de systeembeheerder de aangeslotene echter over:

  • dat de aansluiting buiten werken zal worden gesteld;

  • hoe de aangeslotene het buitenwerkingstellen van de aansluiting kan voorkomen;

  • de kosten voor het buitenwerkingstellen en voor het weer inwerkingstellen van de aansluiting.

De systeembeheerder dient de procedure eerst te hebben voltooid voordat deze kan overgaan tot het buitenwerkingstellen of verwijderen van de aansluiting.

10. Voorschriften inzake het aansluiten van gas

De Energiewet en het Energiebesluit bevatten ten aanzien van het aansluiten van gas enkele artikelen waar bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Concreet gaat het dan om artikel 3.42 Energiewet voor het aan de ACM melden van besluiten door een college van burgemeester en wethouders over gebieden met een beperking voor gasaansluitingen en artikel 3.27 Energiebesluit over gebieden waar de DSB geen kleine aansluitingen hoeft te realiseren. De ACM dient deze besluiten op te nemen in een openbaar register. Op het moment dat de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie in werking treedt zal artikel 3.42 van de Energiewet worden uitgebreid en nog een categorie van besluiten van een college van burgemeester en wethouders aan de ACM moeten worden gemeld. Dit betreft besluiten waarbij in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet het gebruik van gas wordt uitgesloten als warmtevoorziening van gebouwen en, voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteiten worden verricht, de energievoorziening voor die milieubelastende activiteiten.

Overzetting regime voormalige Gaswet

In het artikel 3.14 is de regeling onder artikel 10, achtste en negende lid, van de Gaswet en artikel 3 van de daarop gebaseerde Regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht, beleidsneutraal overgenomen.

11. Voorschriften inzake invoed- en afleverspecificatie van gas

Op grond van artikel 3.48, eerste lid, van de Energiewet accepteert en levert een transmissie- of distributiesysteembeheerder – behoudens de uitzonderingen genoemd in artikel 3.48, derde en vierde leden van de Energiewet – alleen gas af dat voldoet aan de bij ministeriële regeling opgestelde invoed- en afleverspecificaties. De invoedspecificaties en de afleverspecificaties kunnen in ieder geval verschillen per invoed- en afleverpunt en naar energie-inhoud, drukniveau en regio.

Naast invoeding op aansluitingen kan gas ook worden ingevoed op de systeemkoppelingen tussen de transmissie- en distributiesystemen voor gas. Het is hierbij belangrijk te benoemen dat (i) gas dat middels ‘reverse flow’ wordt ingevoed door de DSB op het transmissiesysteem dient te voldoen aan de invoedspecificaties in bijlagen A en B en (ii) gas dat wordt afgeleverd door de TSB op het distributiesysteem dient te voldoen aan de bijlagen C en D. Het is aan betreffende TSB of DSB om ervoor te zorgen dat aan deze invoed- of afleverspecificaties wordt voldaan.

Overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Op grond van artikel 3.16 van deze regeling moet de gaskwaliteit voldoen aan in de als bijlage opgenomen waarden. Hierbij is beoogd om op beleidsneutrale wijze aan te sluiten bij de kwaliteitsregels onder de voormalige Regeling Gaskwaliteit, zoals deze onder de voormalige Gaswet gold. Er is geen directe relatie met de Gasrichtlijn, anders dan dat TSB en DSB’s voor gas in generieke zin verantwoordelijk zijn voor de toegang tot hun systeem en het transport van gas; logischerwijze dient daarbij ook de kwaliteit gewaarborgd te worden.

12. Taken TSB’s en DSB’s inzake balanceren

De Energiewet legt in artikel 3.49 en artikel 3.50 een verplichting op aan respectievelijk de TSB voor elektriciteit en de TSB voor gas om (i) voorzieningen te treffen voor de balancering van het door hen beheerde transmissiesysteem en (ii) de balanceringsverantwoordelijken te faciliteren in de uitvoering van hun verantwoordelijkheden. In de Energieregeling wordt nader invulling gegeven aan de faciliterende rol van de DSB’s bij de administratieve afhandeling van de balanceringstaak van de TSB’s.

Balanceren als uitvoering van Europese verordeningen; methoden en voorwaarden ACM

Het elektriciteitssysteem functioneert uitsluitend als vraag en aanbod voortdurend (op seconde basis) in balans worden gehouden. Elke keuze van een individuele gebruiker van het systeem om elektriciteit te onttrekken of in te voeden verstoort in beginsel deze balans, ofwel op zeer kleine schaal (huishoudens) ofwel op zeer grote schaal (industrie, wind- en zonneparken, etc.). Voor gas speelt dit in zekere zin ook, maar het op druk houden van het gassysteem is eenvoudiger en minder tijd kritisch. Vanwege het zeer grote maatschappelijke belang van de balanshandhaving, legt de Europese regelgeving deze expliciet op aan de TSB’s voor elektriciteit en gas. Hun taken voor het balanceren zijn in vergaande mate Europees gereguleerd. Het gaat daarbij met name om gedelegeerde Verordeningen 312/2014 (gas, ‘NC BAL’)40 en 2017/2195 (elektriciteit, ‘EBGL’)41. De desbetreffende gedelegeerde verordeningen en de daarin opgenomen voorschriften zijn direct werkend. Onder de term ‘balanceren’ zijn grofweg drie fases te onderscheiden, hier uitgewerkt voor elektriciteit.

  • 1. De balanceringsverantwoordelijken (BRP’s) dienen vooraf een inschatting (een ‘programma’ of ‘portfolio’) in van de vraag en het aanbod die hun klanten in een bepaald kwartier zullen hebben. Deze inschatting wordt steeds verfijnder: van enkele dagen vooruit tot één dag vooruit;

  • 2. De TSB voor elektriciteit corrigeert real-time de optredende onbalans, namelijk het optredende verschil tussen vraag en aanbod;

  • 3. De TSB bepaalt in welke mate de feitelijke realisatie per BRP afweek van zijn ingediende inschatting en rekent de gemaakte kosten voor de realtime correcties door aan de BRP. Het gaat hier dan om de energievolumes (invoeding minus onttrekking) per portfolio. Dit proces van toerekening wordt ‘allocatie’ genoemd en vindt plaats binnen enkele dagen op basis van de dan bekende meetgegevens. Nadien volgt nog de ‘reconciliatie’, waarbij op basis van nadien verzamelde of gerepareerde meetgegevens een correctie wordt uitgevoerd op de allocatie.

Bij gas geldt een soortgelijke systematiek, maar omdat het daar om druk in het transportsysteem gaat is dit is minder tijd-kritisch. Bij gas gaat het om energetische hoeveelheden (niet om energievolumes) en de afrekening van de onbalans is bij gas per uur.

Naast de direct werkende Europese verplichtingen zijn ook op nationaal niveau methoden en voorwaarden opgesteld die hier een nadere invulling geven aan. Dit zijn met name de Netcode Elektriciteit (zie hoofdstuk 10) en de Allocatiecode gas, welke vallen onder het wettelijke kader van artikel 3.119 e.v. Energiewet en worden goedgekeurd door de ACM. Om deze reden zijn, afgezien van artikel 3.49 en 3.50, ook geen uitgebreide bepalingen over de balanceringstaak opgenomen in de Energiewet; de formele wetgever dient zich hier zeer terughoudend op te stellen.

Nieuwe elementen: inzet van werkelijke meetgegevens i.p.v. profielen (nationaal beleid)

Zoals toegelicht schatten BRP’s vooraf per kwartier (elektriciteit) of per uur (gas) vraag en aanbod in van hun klantenportfolio. De BRP’s nemen dan (vooraf) posities in op de groothandelsmarkt om zo aan de vraag en aanbod van hun klantenbestanden te voldoen en rekenen logischerwijs alle ontstane onbalanskosten toe aan hun klantenbestand. Voor een groot deel van de aansluitingen (met name huishoudens) wordt voor deze toerekening nu nog gewerkt met profielen, namelijk de veronderstelde energievolumes op basis van bepaalde kenmerken. Met de voortgang van de energietransitie gaat het gebruik van deze profielen met name voor elektriciteit steeds meer knellen. Door de opkomst van bijvoorbeeld elektrische auto’s en invoeding vanuit zonnepanelen wijken de voorheen gehanteerde profielen meer en meer af van de werkelijkheid. Dit leidt ertoe dat de onbalans steeds groter en onvoorspelbaarder wordt, wat leidt tot verschillende maatschappelijke problemen: (1) de financiële onzekerheid voor BRP’s neemt toe, met risico’s op faillissementen en daarmee gevolgen voor de leveringszekerheid, (2) de kosten voor de onbalans kunnen in steeds mindere mate bij de daadwerkelijke ‘veroorzaker’ worden gelegd en (3) de aangeslotenen met een kleine aansluiting onvoldoende geprikkeld worden om hun gebruik van het systeem aan te passen naar wat maatschappelijk gezien optimaal is.

Gelet op bovenstaande problematiek zet de Energiewet, binnen de grenzen die de Europese verordeningen en door de ACM vastgestelde methoden en voorwaarden bieden, in op het mogelijk maken van de verrekening van de onbalans op basis van werkelijke meetgegevens in plaats van profielen. Dit sluit aan op een groot sector breed project, waar onder de titel ‘Allocatie 2.0’ reeds jaren wordt toegewerkt naar een herziene aanpak van de toerekening van de onbalans. Allocatie 2.0 beoogt een toekomstbestendige toewijzingsmethodiek, waarin eerlijk wordt afgerekend op basis van werkelijk gemeten energiestromen en representatieve prijzen van hun portfolio. Specifiek voor de inzet van meetgegevens uit op afstand uitleesbare meetinrichtingen is het herziene regime van de Energiewet (inclusief de Energieregeling) noodzakelijk. De Energieregeling schrijft voor welke rol de DSB’s dan innemen in de administratieve afhandeling van de balancering, waarbij verschillen bestaan tussen gas/elektriciteit en grote/kleine aansluitingen.

Bepalen allocatiemethode en aansluitingcategorie – Vanwege de verschillen in de beschikbaarheid van meetgegevens, bepaalt de Energieregeling dat de DSB’s dagelijks voor elk van hun aansluitingen de allocatiemethode (elektriciteit) of de aansluitingcategorie (gas) moeten vaststellen. Bij gas moet dit ook dagelijks worden doorgegeven aan de TSB voor gas ten behoeve van het ‘stuursignaal’, een toepassing waarbij voor een deel van alle aansluitingen de allocatie near-real-time wordt uitgevoerd. Dit alles sluit beleidsneutraal aan op de huidige praktijk in de Netcode Elektriciteit en de Allocatiecode gas.

Bepalen calorische waarde gas – De samenstelling van het gas verschilt tussen systeemgebieden (voorheen: ‘netgebied’), wat van invloed is op de hoeveelheid energie in het gas. Daarom worden specifieke metingen uitgevoerd om deze samenstelling te bepalen. De Energieregeling bepaalt vervolgens dat de DSB voor gas voor elk van zijn systeemgebieden de calorische waarde bepaalt, alsmede aan het einde van de maand de calorische omrekenfactoren per systeemgebied. Samen met de overige meetgegevens worden deze gebruikt voor het bepalen van de uiteindelijke energetische hoeveelheden.

Gebruik meetgegevens grote aansluitingen – Voor de grote aansluitingen (en systeemkoppelingen) gold in beginsel onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 reeds dat meetinrichtingen dagelijks werden uitgelezen en dat de werkelijke kwartierwaarden (elektriciteit) en uurwaarden (gas) werden gebruikt voor het bepalen van de energievolumes de daaropvolgende allocatie en reconciliatie. Hier bestonden een paar uitzonderingen op, maar deze ‘profiel metingen’ worden komende jaren uitgefaseerd (zie overgangsrecht in artikel 7.23 tot en met 7.25 Energiewet), zodat ook hier gebruik gemaakt kan worden van werkelijke meetgegevens.

Bij de grote aansluitingen en systeemkoppelingen zijn het de meetverantwoordelijke partijen die de metingen uitvoeren (artikel 2.46 Energiewet), met enkele uitzonderingen waarbij de TSB voor gas zelf meet (artikel 3.59 en 3.60 Energiewet). De meetverantwoordelijke partijen leveren deze meetgegevens aan de DSB aan (artikel 4.8 Energiewet). De Energieregeling schrijft ten behoeve van de allocatie vervolgens voor dat de DSB voor elk van de allocatiepunten in zijn systeem het energievolume (elektriciteit) of de energetische hoeveelheid (gas) bepaalt en (geaggregeerd per balanceringsverantwoordelijke) doorgeeft aan de TSB’s. Dat proces herhaalt zich min of meer ten behoeve van het reconciliatieproces.

Gebruik meetgegevens kleine aansluitingen – Onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 werden bij kleine aansluitingen de onttrekking van en invoeding op het systeem enkel per kwartier (elektriciteit) of uur (gas) dagelijks uitgelezen als de aangeslotene daar toestemming voor had gegeven. Onder de Energiewet is nu de wettelijke taak opgenomen dat de DSB deze gegevens dagelijks moet verzamelen met het specifieke doel van de (financiële) afhandeling van de balancering. Artikel 3.49 van de Energiewet bepaalt voor elektriciteit hierbij in lid vijf dat ten hoogste kwartierwaarden mogen worden gebruikt en bij eerste gelegenheid moeten worden geaggregeerd (naar het niveau van de BRP portfolio).

De Energieregeling bepaalt dat de DSB ook voor de kleine aansluitingen per allocatiepunt het energievolume (elektriciteit) of de energetische hoeveelheid (gas) bepaalt. Hierbij dient hij de meetgegevens te gebruiken van de op afstand uitleesbare meetinrichtingen in zijn systeem. Daarnaast dient hij het energievolume of de energetische hoeveelheid te berekenen voor de overige situaties waarin deze meetgegevens ontbreken omdat (i) de meetgegevens niet betrouwbaar of onvolledig zijn, (ii) de meetinrichting administratief is uitgeschakeld of niet over een communicatiefunctionaliteit beschikt, of (iii) er sprake is van een onbemeten aansluiting. In die gevallen wordt gewerkt met profielen. Ten behoeve van de allocatie worden het energievolume (elektriciteit) en de energetische hoeveelheid (gas) door de DSB’s verstrekt aan de TSB’s. Voor de definitieve verrekening van de balancering (reconciliatie) voert de DSB wederom deze berekeningen uit, maar nu kan worden volstaan met een veel hoger agreatieniveau voor op afstand uitleesbare meetinrichtingen (maandstanden). Voor de groep allocatiepunten waar de meetinrichting niet op afstand uitgelezen kan worden, wordt bij de reconciliatie gebruikt gemaakt van de door de aangeslotene zelf opgegeven (jaarlijkse) meetstanden.

Bepalen profielfracties (kleine aansluitingen elektriciteit) – Zoals hiervoor toegelicht worden in die situaties waar geen meetgegevens beschikbaar zijn vanuit de op afstand uitleesbare meetinrichtingen, gebruik gemaakt van profielen. De Energieregeling verplicht de DSB’s om voor het bepalen van die profielen gebruik te maken van de meetgegevens die wel beschikbaar zijn. Op die manier kunnen de profielen worden geactualiseerd, wat weer bijdraagt aan een betere en eerlijkere afrekening van de onbalans.

13. Bijzondere taken TSB voor gas: overzicht leveringszekerheid

De wet waarmee de gaswinning uit het Groningenveld is beëindigd, wijzigt ook onderdelen van de Energiewet.42 Het gaat dan concreet om wijziging van artikel 3.66 van de Energiewet, zoals deze in het Staatsblad is gepubliceerd (Stb. 2025, 12). Het oorspronkelijke artikel 3.66 van de Energiewet zag nog op de ramingen ten behoeve van het vaststellingbesluit over de winning uit het Groningenveld en sloot aan bij het toenmalige artikel 10a van de Gaswet. De noodzaak voor deze raming is komen te vervallen met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld en de Gaswet vraagt inmiddels om een ‘overzicht leveringszekerheid’.

De transmissiesysteembeheerder voor gas is onder de Gaswet (en vanaf 1 januari 2026 onder de Energiewet) verplicht de minister elk jaar een overzicht leveringszekerheid aan te bieden. Onder de Gaswet is op 1 oktober 2025 een ministeriële regeling in werking getreden: de Regeling beëindiging gaswinning uit het Groningenveld, die gebaseerd is op artikel 10a, tiende lid van de Gaswet.43 Daarbij zijn enkele bepalingen in de Uitvoeringsregeling Gaswet gewijzigd. Deze wijzigingen zijn beleidsneutraal overgenomen in de Energieregeling, namelijk in de artikelen 3.22 en 3.23. In verband hiermee zijn ook begripsbepalingen voor ‘gemiddelde effectieve temperatuur’ en ‘gemiddelde effectieve etmaaltemperatuur’ opgenomen in artikel 1.1 van deze regeling.

14. Verplichtingen TSB’s en DSB’s inzake kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen

De Energiewet legt de TSB’s en DSB’s in afdeling 3.4 verschillende verplichtingen op ten aanzien van de wettelijke taken die zij dienen uit te voeren. Voor dit onderdeel in de Energieregeling gaat het concreet om het ontvangen en afhandelen van klachten en het melden van storingen en onregelmatigheden in het transmissie- en distributiesysteem en (artikel 3.79 Energiewet), alsmede de verplichting om bij de uitvoering van de wettelijke taken en verplichtingen de kwaliteit daarvan te waarborgen (artikel 3.74 Energiewet). In beide gevallen is er sprake van nadere uitwerking in het Energiebesluit, waarbij zowel voor (i) het melden, registreren en openbaar maken van onderbrekingen en storingen, (ii) de genoemde kwaliteitsborging en (iii) het calamiteitenplan sprake is van delegatie naar de Energieregeling.

14a. Regels over het melden, registreren en openbaar aken van onderbrekingen en storingen

Het Energiebesluit draagt de TSB’s en DSB’s voor zowel gas als elektriciteit in artikel 3.36 op dat aangeslotenen op eenvoudige wijze melding kunnen doen van onderbrekingen in het transport, afwijkingen in de kwaliteit of waarnemingen van gaslucht. De Energieregeling legt vervolgens in meer detail regels vast over de registratievorm van de meldingen en dat onderbrekingen via het internet bekend worden gemaakt. Dit betreft de beleidsneutrale overzetting van hetgeen was voorgeschreven onder het regime van de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, meer in het bijzonder artikel 4.2 en 4.3 van de voormalige Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas. Hier is geen directe relatie met de Gasrichtlijn of de Elektriciteitsrichtlijn.

14b. Regels over het kwaliteitsborgingssysteem en het kwaliteitsplan

Zoals gezegd verplicht de Energiewet de TSB’s en DSB’s bij de uitvoering van hun wettelijke taken en verplichtingen de kwaliteit daarvan te waarborgen. Het Energiebesluit bepaalt vervolgens dat:

  • De TSB’s en DSB’s een doeltreffend kwaliteitsborgingssysteem dienen te hanteren en dienen te handelen overeenkomstig de plannen, processen en procedures van het kwaliteitsborgingssysteem voor de uitvoering van zijn wettelijke taken en verplichtingen (artikel 3.31 Energiebesluit). Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

  • De TSB’s en DSB’s een kwaliteitsplan vaststellen en uit welke onderdelen dit kwaliteitsplan tenminste bestaat (artikel 3.32 Energiebesluit). Dit plan wordt tweejaarlijks getoetst door de ACM en de SodM (artikel 3.33 Energiebesluit). Dit plan is nieuw ten opzichte van het regime onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998; nieuwe elementen

Gelet op het bovenstaande bevat de Energieregeling nadere regels over (i) de uitvoering van het te hanteren doeltreffende kwaliteitsborgingssysteem, (ii) de inhoud van het kwaliteitsplan, waaronder de kritische prestatie-indicatoren en (iii) de procedure voor de toetsing van het kwaliteitsplan.

Bij de uitwerking is er voor gekozen om voort te bouwen op de voorschriften die reeds bestonden onder het regime van de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, met name (i) het voormalige Besluit investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (hierna ook: Bikeg) en (ii) de voormalige Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (hierna ook: Rikeg). Hoewel hier reeds enkele nieuwe accenten en elementen aan zijn toegevoegd, is bij de voorbereiding ook duidelijk geworden dat dit onderdeel in de nabije toekomst meer aandacht vraagt. Met name vanuit de betrokken toezichthouders (ACM, SodM) is aangegeven dat de huidige opzet beperkingen kent en dat daarom qua beleidsvorming nagedacht moet worden over verdere aanpassingen die de doeltreffendheid van het kabinetsbeleid, de Energieregeling en het bijbehorende toezicht versterken. Hierbij wordt met name gedacht aan verdere harmonisatie in het gebruik van definities ten aanzien van de kwaliteitsborging, nadere eisen ten behoeve van de doeltreffendheid van het kwaliteitsborgingssysteem, verdere concretisering van het kwaliteitsplan en verbreding van de huidige set aan kritische prestatie-indicatoren. Volgtijdelijk aan de Energieregeling die per 1 januari 2026 in werking treedt, zal de beleidsvoorbereiding in gang worden gezet ten behoeve van eventuele aanpassing van deze voorschriften.

Uitvoering kwaliteitsborgingssysteem – Het kwaliteitsborgingsysteem is in feite het geheel van samenhangende plannen, processen, procedures (en de data die daarmee samenhangt) die de TSB of DSB in staat stelt om navolgbaar, systematisch en proactief regie te voeren op de te behalen kwaliteitsniveaus van de verschillende kwaliteitsaspecten genoemd in artikel 3.31 Energiebesluit. De verplichting met betrekking tot kwaliteitsborging is niet vrijblijvend van aard. Het Energiebesluit vereist namelijk dat het te hanteren kwaliteitsborgingsysteem doeltreffend moet zijn, dat betekent dat de doelstellingen daadwerkelijk gerealiseerd moeten worden door de inzet van onderliggende plannen, processen, procedures, etc. Onderlinge consistentie in de plannen, processen, procedures, alsmede transparantie voor- en achteraf over (het bereiken van) de doelstellingen zijn belangrijke elementen in het realiseren van een doeltreffend systeem. Op deze wijze worden de verschillende publieke belangen die de TSB of DSB dient ook geborgd en legt de TSB of DSB in zekere zin ook verantwoording af over de keuzes die hij daarin maakt.

Voor wat betreft de uitvoering bepaalt de Energieregeling dat het kwaliteitsborgingsysteem uit verschillende processen, plannen en procedures dient te bestaan, die deels ook onderling van karakter verschillen (voorwaardenscheppend, ondersteunend, controlerend en evaluerend). Vanuit de voormalige Rikeg (artikel 3.6) zijn hierbij verschillende verplichtingen overgenomen, zoals (i) het registreren van de benodigde gegevens voor bijvoorbeeld het monitoren van de kwaliteitsniveaus en de vereiste kritische prestatie-indicatoren, (ii) het bijhouden van verschillende actuele registers, bijvoorbeeld voor de bedrijfsmiddelen en geïdentificeerde risico’s en (iii) het toepassen van procedures qua aan te pakken meldingen, storingen, onderhoud, etc. Ten aanzien van het bedrijfsmiddelenregister zijn de voorschriften vanuit het Rikeg (artikel 3.7) beleidsneutraal overgenomen, waarbij nu is voorgeschreven dat het bedrijfsmiddelenregister actueel en volledig moet zijn.

Nieuwe voorschriften zijn relatief beperkt, maar leggen wel duidelijke accenten. Dit is met name gedaan middels voorschriften die moeten bijdragen aan het meer systematisch en over de tijd navolgbaar maken van de kwaliteitsborging, bijvoorbeeld door te vereisen dat ook wijzigingen in de registers en de verwerkingstijd hiervan wordt vastgelegd. Meer aandacht wordt ook gegeven aan doorlopende monitoring, zodat plannen, processen en procedures ook tijdig kunnen worden aangepast. Met de term doorlopend is beoogd te benadrukken dat dit voortdurende aandacht behoeft.

Inhoud kwaliteitsplan – Het Energiebesluit bevat reeds een opsomming van elementen die onderdeel moeten zijn van het kwaliteitsplan, zoals (i) een beschrijving van het gehanteerde kwaliteitsborgingssysteem, (ii) de doelstelling van het kwaliteitsborgingssysteem, (iii) kwaliteitsniveaus die op de verschillende kwaliteitsaspecten worden nastreeft, (iv) de belangrijkste risico’s voor de kwaliteitsniveaus, (v) geïdentificeerde bestaande en toekomstige knelpunten, etc.

De Energieregeling geeft hieraan extra duiding en invulling, ten einde bij te dragen aan de transparantie, de navolgbaarheid van de realisatie en beheersing van de kwaliteitsniveaus. De Energieregeling doet dat door bijvoorbeeld voor te schrijven dat moet worden ingegaan op: (i) de missie, visie en strategie bij het beheersen van de kwaliteitsaspecten (ii) de voortgang van kritische prestatie-indicatoren en streefwaardes ten opzichte van het voorgaande jaar, (iii) de verschillende knelpunten, onderscheiden naar organisatorische knelpunten en fysieke knelpunten en (iv) de uitkomsten van de jaarlijkse directiebeoordeling. Hierbij is voortgebouwd op het voormalige Bikeg en voormalige Rikeg, maar zijn diverse voorschriften wel explicieter gemaakt. Voor de term streefwaarde is op verzoek van de toezichthouders een begripsbepaling opgenomen, waarbij tevens kan worden opgemerkt dat dit ten doel dient om er op toe te kunnen zien dat wanneer een streefwaarde overschreden wordt, aantoonbaar beheersmaatregelen genomen worden om weer binnen of zo dichtbij mogelijk een streefwaarde te komen of wordt verantwoord waarom er geen of in beperkte mate beheersmaatregelen genomen worden.

Nieuw is wel de eis om bovenstaande elementen volgordelijk te nemen in het kwaliteitsplan, teneinde de transparantie in de kwaliteitsplannen en de onderlinge vergelijkbaarheid tussen met name de DSB’s te versterken. De vereisten beogen enerzijds structuur en eenduidigheid qua inhoud van het kwaliteitsplan te bieden, maar anderzijds ook voldoende ruimte te laten voor de TSB’s en DSB’s om zelf invulling te geven in de manier waarop zij verantwoording over de kwaliteitsborging invullen. Ook nieuw is de manier waarop aandacht gegeven wordt aan de verschillende knelpunten. Hierbij is aansluiting gezocht met de voorschriften voor het investeringsplan, zodat het oplossen van de knelpunten in de kwaliteitsborging waar relevant ook ingebed wordt in de investeringsplannen.

Een specifiek onderdeel van het kwaliteitsplan zijn de kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) voor zowel elektriciteit als gas. De Energieregeling neemt hier de bestaande voorschriften uit het voormalige Rikeg (artikelen 3.1 tot en met 3.5) beleidsneutraal over, maar presenteert deze nu wel apart voor elektriciteit en gas. Middels dit onderscheid kunnen ook verschillen tussen gas en elektriciteit beter geaccentueerd worden. Hierbij is per kwaliteitsaspect (zie artikel 3.31 Energiebesluit) ook expliciet gemaakt welke KPI’s hierbij horen. Nieuw in het Energiebesluit was het kwaliteitsaspect ‘kwaliteit van meetdata en het beheer daarvan’, wat in de Energieregeling nader is geduid als de juistheid, tijdigheid en volledigheid van de verzamelde meetdata. Hierbij kan worden opgemerkt dat de wettelijke taken inzake het meten primair liggen bij de kleine aansluitingen (door de DSB, zie artikel 3.57 van de Energiewet) en bij de aansluitingen op het transmissiesysteem voor gas (door de TSB voor gas, zie artikel 3.59 van de Energiewet).44

Procedure voor de toetsing van het kwaliteitsplan – De Energieregeling legt vast dat het kwaliteitsplan begin januari in een oneven kalenderjaar aan de ACM en de SodM moet worden voorgelegd. Hiermee verschilt de cyclus van het kwaliteitsplan precies een jaar met de cyclus van het investeringsplan, zodat deze goed op elkaar kunnen aansluiten.

14c. Regels over het calamiteitenplan

In artikel 3.37 van het Energiebesluit wordt de TSB’s en DSB’s voor zowel gas als elektriciteit opgedragen ten minste iedere vijf jaar een calamiteitenplan vast te stellen en deze (plus eventuele tussentijdse aanpassingen) voor goedkeuring aan de minister toe te sturen. De Energieregeling stelt enkele nadere eisen aan het calamiteitenplan, bijvoorbeeld het opnemen van een (beschrijving van) de crisisorganisatie en de besluitvormingsstructuur. Dit betreft de beleidsneutrale overzetting van hetgeen was voorgeschreven onder het regime van de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, meer in het bijzonder artikel 4.1 Rikeg. Hier is geen directe relatie met de Gasrichtlijn of de Elektriciteitsrichtlijn.

15. Tarieven en voorwaarden TSB’s en DSB’s

De Energiewet geeft de Minister van Klimaat en Groene Groei de bevoegdheid om nadere regels te stellen over tarieven, methoden en voorwaarden en over overige verplichtingen ten aanzien van overeenkomsten met aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers, of balanceringsverantwoordelijken voor de toegang tot en het transport over de transmissie- en distributiesystemen voor elektriciteit en gas (zie de artikelen 3.110, 3.120 en 3.121 Energiewet).

Herimplementatie EU-voorschriften; aanpassing t.o.v. regime Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Die bevoegdheid is ten opzichte van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet beperkt in verband met de jurisprudentie van het Hof van Justitie die, onder andere, de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgever en de toezichthouder bij het stellen van regels voor de tariefregulering heeft verduidelijkt.45 De materiële invulling van veel elementen van de tariefregulering zal met name gebeuren via de besluiten van de ACM en de goedkeuring van methoden en voorwaarden door de ACM. De Energieregeling zal zich daarom niet, zoals onder de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, uitstrekken tot invulling van tariefstructuren en voorwaarden, maar tot slechts tot procedurele voorschriften die waren opgenomen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. In afdeling 3.7 is een aantal procedurele aspecten rondom de vaststelling van tariefstructuren en voorwaarden beleidsarm uit de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet overgenomen.

16. Tarieven en voorwaarden bijzondere systeembeheerders (LNG)

De Energiewet bevat verschillende (proces-)voorschriften ten aanzien van de tariefregulering. Dit onderdeel ziet specifiek op artikel 3.38 met voorschriften over tarieven van de LNG-beheerder.

Herimplementatie Gasrichtlijn en nationaal beleid; nieuwe elementen

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Gasrichtlijn dragen lidstaten zorg voor de invoering van een systeem voor derdentoegang tot LNG-installaties, gebaseerd op bekendgemaakte tarieven die gelden voor alle afnemers en die objectief worden toegepast. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand hun toepassing overeenkomstig artikel 78 van de Gasrichtlijn worden goedgekeurd door een regulerende instantie. Dit is geïmplementeerd in artikel 3.115 van de Energiewet. Op grond van artikel 3.115, vijfde lid, van de Energiewet worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld ten aanzien van de procedure en termijn voor het ter goedkeuring voorleggen van een voorstel voor een berekeningsmethode voor de tarieven van een LNG-systeembeheerder aan de ACM en goedkeuring door de ACM. Op grond van artikel 3.123, vijfde lid, van de Energiewet kunnen bij ministeriële regeling ten aanzien van de methoden of voorwaarden van de LNG-systeembeheerder nadere regels worden gesteld over de procedure tot goedkeuring van de publicatie en inwerkingtreding van de methoden of voorwaarden.

Er is besloten meer flexibiliteit toe te passen ten aanzien van de procedure voor het vaststellen van de berekeningsmethode van de tarieven of methoden en voorwaarden die gelden voor de LNG-systeembeheerder. Hier is voor gekozen omdat de regels onder artikel 13 van de Gaswet onvoldoende rekenschap gaven van de veranderde marktomstandigheden. Zo bleek de goedkeuring van tarieven die alleen konden gelden over één kalenderjaar de (toekomstige) praktijk in de weg te zitten en waren er zorgen of deze bepaling binnen de exclusieve bevoegdheid van de ACM zou treden. De Energieregeling laat daarom ruimte aan een LNG-systeembeheerder om een voorstel in te dienen voor de berekeningsmethode voor de tarieven of methoden en voorwaarden, die op een ander moment dan op 1 januari van een bepaald jaar in werking treden of een berekeningsmethodiek voor de tarieven of de methoden en voorwaarden voor een langere periode dan een (kalender)jaar.

LNG-systeembeheerders worden geacht zo snel mogelijk de berekeningsmethode voor de tarieven, alsmede de methode en voorwaarden, naar de ACM op te sturen en daarbij voldoende rekening te houden met de benodigde tijd voor besluitvorming door de ACM. De ACM heeft, anders dan onder de Gaswet, een beslistermijn van acht weken, die onder omstandigheden ook kan worden opgeschort (zie artikel 4:13, tweede lid van de Awb). Onder de Gaswet gold, in afwijking van de Awb, een beslistermijn van 3 maanden en werd de goedkeuring geacht te zijn verleend als niet binnen drie maanden werd beslist. Afwijken van de hoofdregel in de Awb wordt niet meer nodig geacht omdat de berekeningsmethode naar verwachting niet jaarlijks hoeft te worden aangepast en de verplichting dat deze per 1 januari in werking moet treden, is vervallen. Een LNG-beheerder is gehouden om de berekeningsmethode voor zijn tarieven of methoden en voorwaarden tijdig ter goedkeuring aan de ACM voor te leggen en het staat hem vrij, bij niet tijdig beslissen door de ACM, daar rechtsmiddelen tegen aan te wenden. Een voorstel zal daarom in ieder geval al ruim voor de beoogde datum van inwerkingtreding moeten worden ingediend bij de ACM. Voorts zal de LNG-systeembeheerder er rekening mee moeten houden dat indien de ACM het voorstel niet goedkeurt er een nieuw voorstel ingediend moet worden en er dan weer een nieuwe beslistermijn gaat lopen. Het is dus de verantwoordelijkheid van de LNG-systeembeheerder om tijdig goedkeuring te vragen aan de ACM. De berekeningsmethode voor de tarieven of de methoden en voorwaarden kunnen niet eerder in werking treden dan nadat de ACM goedkeuring heeft verleend.

17. Verplichtingen TSB’s en DSB’s t.a.v. overeenkomsten

In de Energiewet en de Energieregeling zijn enkele verplichtingen voor de TSB’s en (met name) de DSB’s opgenomen die nauw verband hebben met verplichtingen en werkzaamheden van andere marktpartijen.

Uitvoering leveranciersmodel – Binnen de Energieregeling gaat het dan bijvoorbeeld om de uitvoering van het leveranciersmodel, waarbij de DSB de verplichting heeft om bepaalde documenten en informatie aan de leveranciers te verstrekken zodat deze zijn faciliterende rol ten dienste van de DSB kan invullen (artikel 3.126 Energiewet). Vanwege de sterke interactie met de verplichtingen voor de leverancier op grond van artikel 2.27 en 2.28 is dit opgenomen als onderdeel van het leveranciersmodel (zie onderdeel 5 in dit hoofdstuk). Dit betreft primair nationaal beleid zonder een directe relatie met de Elektriciteitsrichtlijn of Gasrichtlijn.

Ondersteuning bij wisseling – Een tweede verplichting voor de TSB’s en DSB’s betreft het faciliteren in de overstap van aangeslotenen naar bijvoorbeeld een andere leveranciers of bij verhuizingen, in- en uithuizingen (artikel 3.79, onderdeel c, Energiewet). Het Energiebesluit (artikel 3.38) concretiseert dit verder en bepaalt dat op het niveau van de ministeriële regeling regels gesteld worden over deze wisseling, ten minste over de termijn van de wisseling en de bij een verzoek om wisseling te verstrekken gegevens. Dit sluit aan op hetgeen bepaald is ten aanzien van het overstappen tussen leveranciers en andere marktdeelnemers, zowel op het niveau van de Energiewet (artikel 2.14 en 2.40) als op de nadere uitwerking in deze Energieregeling. Zowel de Elektriciteitsrichtlijn als de Gasrichtlijn bepalen dat het mogelijk moet zijn om onder bepaalde voorwaarden over te stappen, maar laten veel ruimte voor de nationale (technische) uitvoering en vormgeving.

De concrete voorwaarden die gelden voor gegevensprocessen en uit te wisselen gegevens vallen onder het regime van hoofdstuk 4 van de Energiewet, meer in het bijzonder de artikelen 4.2, 4.5 en 4.9. De uitwerking hiervan is niet opgenomen in de Energieregeling, maar komt in een afzonderlijke regeling. Totdat deze regeling er is, geldt het overgangsrecht van artikel 7.53 Energiewet. Dit betekent dat de voorschriften uit de (voormalige) ICEG voorlopig blijven gelden, zie voor zowel kleine als grote aansluitingen bijvoorbeeld paragraaf 3.1 en 4.1 (switch van leverancier), paragraaf 3.2 en 4.2 (uithuizing op kleine aansluiting) en de paragrafen 3.5 en 4.5 (switch van balanceringsverantwoordelijke) van de ICEG.

18. Kredietwaardigheid en boekhoudverplichtingen systeembeheerders

De Energiewet bevat verschillende verplichtingen inzake het financieel beheer en/of de boekhouding voor verschillende typen systeembeheerders. Het betreft hier de TSB’s en DSB’s (artikel 3.75), de TSB voor elektriciteit op zee (artikel 3.85), de interconnectorsysteembeheerders (artikel 3.90), de LNG-beheerders (artikel 3.96) en de gasopslagbeheerders (artikel 3.102). Het Energiebesluit bevat de nadere uitwerking van deze verplichtingen, namelijk ten aanzien van de kredietwaardigheid van de DSB’s en de TSB’s op land en op zee (artikel 3.41) en de afzonderlijke boekhouding (artikel 3.42). Beide onderwerpen worden ook nog in meer detail uitgewerkt in deze Energieregeling.

18a. Financieel beheer; kredietwaardigheid kleinere DSB’s – Op grond van artikel 3.41 Energiebesluit dienen de DSB’s en TSB’s op land en op zee hun kredietwaardigheid via een erkend kredietbeoordelingsbureau aan te tonen, maar bij ministeriële regeling kan hier een uitzondering op worden gemaakt.

Overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998; nieuwe elementen

De regels inzake het aantonen van de kredietwaardigheid bestonden reeds onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998, meer in het bijzonder het toenmalige Besluit financieel beheer netbeheerder. De Energiewet en het Energiebesluit hebben hier op voortgebouwd, maar maakten de toetsing via een erkend kredietbeoordelingsbureau de standaard (waar dit eerst een keuze was). Nieuw in de Energieregeling is de drempelwaarde voor deze toetsing, waardoor de regeldruk voor de kleinere DSB’s wordt beperkt.

Gelet op de bij het Energiebesluit uitgevoerde uitvoerings- en handhavingstoets van de ACM en de beoordeling van de administratieve lasten door het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) wordt een toetsing door een erkend kredietbeoordelingsbureau voor DSB’s met een omzet onder een bepaald maximum niet proportioneel geacht en daarom niet verplicht gesteld. In deze regeling worden, om toch de kredietwaardigheid te kunnen toetsen, eisen gesteld aan het financieel beheer van een distributiesysteembeheerder met een omzet van ten hoogste € 500 miljoen. Het gaat hier om de distributiesysteembeheerders waarop wordt gedoeld in artikel 3.41, derde lid, van het Energiebesluit. Het doel is om hiermee te verzekeren dat een distributiesysteembeheerder geen onaanvaardbare financiële risico’s loopt en altijd zijn wettelijke taken kan uitvoeren. Hierbij gaat het met name om de investeringen die een distributiesysteembeheerder moet doen in zijn systeem om deze in werking te hebben, te onderhouden, te vernieuwen en uit te breiden. Een aantal van deze eisen was voorheen opgenomen in het Besluit financieel beheer netbeheerder.

Distributiesysteembeheerders met een omzet hoger dan € 500 miljoen kunnen aan de eisen van kredietwaardigheid voldoen door invulling te geven aan artikel 3.41, eerste lid van het Energiebesluit en de daarop verder van toepassing zijnde artikelen.

De financiële criteria die worden gesteld zien op verschillende aspecten van het financieel beheer van de distributiesysteembeheerder en bepalen – mede in relatie tot elkaar – op hoofdlijnen het financiële profiel van de distributiesysteembeheerder. In hoofdzaak gaat het bij deze criteria om vragen als: kan een distributiesysteembeheerder uit zijn resultaat zijn rentelasten betalen en hoe verhouden de schulden zich tot de waarde van het bedrijf? Belangrijk doel van deze regeling is tevens om te waarborgen dat de distributiesysteembeheerder die onderdeel uitmaakt van een groep, volledig zelfstandig kan functioneren en zich kan conformeren aan de eisen die de wet hem oplegt.

18b. Regels over afzonderlijke boekhouding – In deze regeling is uitgewerkt welke informatie verschillende typen systeembeheerders moeten opnemen in de afzonderlijke boekhouding die zij op grond van de Energiewet openbaar moeten maken en welke onderdelen door een accountant moeten zijn gecontroleerd.

Herimplementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn; overzetting regime voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998; nieuwe elementen

Het eerste lid van artikel 3.40 biedt systeembeheerders de keuze tussen publicatie van een volledig jaarverslag volgens titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (jaarrekeningenrecht) of een financieel verslag met specifieke onderdelen. Het bieden van deze keuze is een nieuw onderdeel in deze regeling. Het financieel verslag moet omvatten onder andere de winst- en verliesrekening, overzicht totaalresultaat, balans, kasstroomoverzicht en mutatieoverzicht eigen vermogen. Een toelichting op en controleverklaring van een onafhankelijke accountant op onderdelen van dit verslag wordt verplicht. De verschillende onderdelen van het financiële verslag zijn vergelijkbaar met de verplichte onderdelen voor de jaarrekening opgenomen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze manier is gegarandeerd dat alle transmissie- en distributiesysteembeheerders de nodige financiële informatie publiceren, maar wordt voorkomen dat zij dit dubbel moeten doen.

Het tweede lid van artikel 3.40 bevat een aanvullende publicatieplicht voor transmissie- en distributiesysteembeheerders en de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee. Hierbij gaat het om publicatie van winst- en verliesrekening en bedrijfsresultaat, zowel totaal als gesegmenteerd naar elektriciteit en gas. Per segment moet een toelichting worden gegeven, die met ACM kan worden afgestemd. Daarnaast geldt een verplichting om te verklaren dat infrastructuurbedrijven binnen dezelfde groep niet worden bevoordeeld. Indien niet al in de jaarrekening opgenomen, moet een verslag worden gepubliceerd over investeringen en betrouwbaarheid. Verder is een financiële analyse vereist zoals ook verplicht als onderdeel van bestuursverslagen onder artikel 2:391 BW.

19. Overige verplichtingen: openbaar maken geaggregeerde gegevens door TSB’s/DSB’s

De Energiewet onderscheidt in afdeling 3.4 verschillende verplichtingen voor TSB’s en DSB’s bij de uitoefening van hun wettelijke taken. Een van deze verplichtingen (artikel 3.78) is het openbaar maken van geaggregeerde gegevens die gebaseerd zijn op gegevens die een TSB of DSB bij de uitvoering van zijn wettelijke taken of verplichtingen verzamelt of ontvangt, ten behoeve van inzicht in (i) de structuur en het functioneren van het energiesysteem en (ii) de transitie naar een CO2-arme energievoorziening. Om deze taak nader in te kaderen, kunnen bij ministeriële regeling gegevens worden aangewezen die een TSB of DSB in ieder geval openbaar maakt en kunnen regels worden gesteld over de wijze van en voorwaarden voor openbaarmaking. Een soortgelijke verplichting bestond niet onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Artikel 3.78 Energiewet bepaalt expliciet dat de TSB’s en DSB’s hierbij kunnen samenwerken indien dit de efficiënte en effectieve openbaarmaking ten goede komt.

Nieuwe elementen: uitvoering EU-voorschriften

Hoewel er voor artikel 3.78 Energiewet geen directe relatie is met verplichtingen in de Elektriciteitsrichtlijn of Gasrichtlijn, wordt dit artikel in de Energieregeling wel ingezet voor de uitvoering van Europese voorschriften, namelijk voor twee verplichtingen uit de Richtlijn hernieuwbare energie.46

Publicatie gegevens hernieuwbare elektriciteit en gehalte aan broeikasgasemissies – Op grond van de Richtlijn hernieuwbare energie (artikel 20 bis, eerste en tweede lid) wordt lidstaten opgedragen de TSB voor elektriciteit en (indien zij over gegevens beschikken ook) de DSB’s voor elektriciteit te verplichten gegevens beschikbaar te stellen ‘over het aandeel hernieuwbare elektriciteit en het gehalte aan broeikasgasemissies van de in elke biedzone geleverde elektriciteit (..) in tijdsintervallen die ten minste overeenkomen met de marktvereffeningsperiode maar niet meer dan een uur bedragen, waar mogelijk inclusief prognoses.’ Ten einde te zorgen dat deze gegevens eenvoudig gebruikt kunnen worden door allerlei partijen, stelt de richtlijn tevens eisen over het digitaal beschikbaar stellen en de interoperabiliteit van de gegevens.

De Energieregeling legt deze verplichting nu bij de TSB’s en DSB’s voor zowel elektriciteit als gas neer. In lijn met de genoemde richtlijn is voor de DSB’s is aangegeven dat zij betrokken zijn voor zover zij over gegevens beschikken. Relevant is dat TenneT en GTS dergelijke gegevens reeds enige tijd online beschikbaar stellen via de website van het Nationaal Energie Dashboard. Hierop is, met circa een uur vertraging, onder andere te volgen wat de elektriciteitsproductie in Nederland is voor verschillende energiebronnen (zon, wind, zeewind, aardgas, biomassa, etc.). Daarnaast is de gasconsumptie en de CO2-uitstoot te volgen, ook met circa een uur vertraging. Tevens worden prognoses (‘voorspellingen’) aangeboden, bijvoorbeeld de zonproductie voor de komende zeven dagen. Alle gegevens (inclusief historische gegevens) zijn vrij beschikbaar en, in het kader van de interoperabiliteit, ook te benaderen en te gebruiken via een gestandaardiseerde interface (API; Application Programming Interface).

Publicatie Dynamische Referentieprijs – Op grond van een gedelegeerde verordening onder de Richtlijn hernieuwbare energie is het gewenst dat de TSB voor elektriciteit bepaalde gegevens publiceert die bijdragen aan het bepalen van broeikasgasemissiereducties door middel van enkele specifieke typen brandstoffen.47 De gedelegeerde verordening bevat specifieke methoden voor bedrijven om te bepalen of en hoeveel reductie van broeikasgasemissies is behaald. Dit speelt vervolgens weer een rol bij diverse certificeringsprocessen, bijvoorbeeld rondom waterstof of waterstofdragers. Bij één van deze methoden is het van belang dat de TSB voor elektriciteit gegevens publiceert over de marginale elektriciteitsproductie-eenheid in haar biedzone.48 Dit betreft in feite de marginale kostprijs van de goedkoopste fossiele productie-eenheid, namelijk kolen of gas. In de methodiek is het dan zo dat wordt aangenomen dat bij stroomprijzen onder deze marginale kostprijs een niet fossiele elektriciteitsbron in de marginale elektriciteitsproductie voorziet en de elektriciteit in deze tijdblokken als CO2-vrij wordt gezien.

De Energieregeling legt, in lijn met de gedelegeerde verordening, deze verplichting nu op aan de TSB voor elektriciteit. Hierbij geldt dat TenneT deze gegevens reeds enige tijd (sinds 2022) publiceert onder de term ‘dynamische referentieprijs’ (DRP) op een voor iedereen toegankelijke website. De onderliggende methode voor de DRP is in de afgelopen jaren ontwikkeld in een samenwerking tussen TenneT, energiebedrijven en verschillende ministeries en overheidsorganisaties.49 Aanleiding hiervoor was het belang van de DRP voor het bepalen van de energieprestatie van elektrische opwekkers binnen warmte of koude netten, welke nu ook opgenomen zijn in de NTA8800 (technische afspraken bouwregelgeving) in bijlage P onder de noemer ‘flexmodus’. De DRP en bijbehorende methodiek kent dus ook toepassingen buiten de traditionele elektriciteitssector.

20. Ontheffingen nieuwe systemen

Op grond van artikel 3.130, negende lid, van de Energiewet kunnen er regels gesteld worden over de inhoud, procedure, voorschriften, bekendmaking en inwerkingtreding van de ontheffing van nieuwe interconnectorsystemen, LNG-systemen of gasopslagsystemen.

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting Gaswet

Artikel 3.130 van de Energiewet betreft de vervanging van artikel 18h Gaswet en implementatie van Europese regelgeving. Ten tijde van het opstellen van de Energiewet gold nog de oude Gasrichtlijn (2009/73/EG), waar medio 2024 de (nieuwe) Gasrichtlijn voor in de plaats is gekomen. De voorschriften over de ontheffing van nieuwe systemen zijn voortaan opgenomen in artikel 78 van de Gasverordening en hebben daarmee rechtstreekse werking.

Ter uitvoering van het genoemde artikel van de Gasverordening zijn in artikel 3.44 een aantal aanvullende voorschriften opgenomen. Zo is voorgeschreven aan de hand van welke onderdelen de minister een ontheffingsbesluit moet motiveren. Verder is opgenomen dat de minister aan een ontheffing voorwaarden kan verbinden overeenkomstig artikel 78, eerste lid, derde alinea en zesde lid, derde alinea, van de Gasverordening. In artikel 78, eerste lid, derde alinea, van de Gasverordening zijn criteria opgenomen waaraan een ontheffingsaanvraag moet worden getoetst, maar deze criteria kunnen ook nog relevant zijn nadat een ontheffing is verleend. De minister kan bijvoorbeeld als voorwaarde bij een ontheffing opnemen dat de ontheffing moet bijdragen aan het koolstofvrij maken en de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Europese Unie. Dit zal per geval beoordeeld worden.

21. Schadevergoeding transmissiesysteem voor elektriciteit op zee

Het kan voorkomen dat het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee niet of slechts gedeeltelijk beschikbaar is voor het transport van elektriciteit, bijvoorbeeld vanwege onderhoud. In artikel 3.87 Energiewet is een compensatiemechanisme opgenomen voor de (windpark-) exploitanten die hiermee geconfronteerd worden; in het Energiebesluit (artikel 3.48 tot en met 3.51) is dit recht op schadevergoeding nader uitgewerkt. Bij het bepalen van de schadevergoeding zijn windsnelheid, productieprofiel en transportcapaciteit bepalende factoren. Deze onderwerpen worden in de onderhavige regeling nader uitgewerkt. Deze schadevergoedingsregeling heeft geen relatie met de implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn of enige andere Europese (implementatie-)voorschriften.

Overzetting regime Elektriciteitswet 1998; nieuwe elementen

De schadevergoedingsregeling maakte reeds onderdeel uit van het regime onder de voormalige Elektriciteitswet 1998 (artikel 16f, Besluit schadevergoeding net op zee), welke beleidsneutraal is overgenomen in de Energiewet en het Energiebesluit. Hetzelfde geldt voor de voorschriften over het berekenen van de schade op het niveau van de ministeriële regeling, deze zijn beleidsneutraal overgenomen uit de voormalige Regeling schadevergoeding net op zee.

Nieuw in de Energieregeling is wel de verbreding van de schadevergoedingsregeling naar situaties waarin de windparken ook ontsloten worden door een interconnector, in aanvulling op het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee. Dit is een mogelijkheid die niet bestond onder de voormalige Elektriciteitswet 1998, maar wel onder de Energiewet. Hierbij is er voor gekozen om bij het bepalen van de mogelijke beperking van de transportcapaciteit van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee rekening te houden met de transmissiecapaciteit op de interconnector.

2.5 Uitvoering, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4 Energieregeling)

Het vierde hoofdstuk van de Energieregeling bevat nadere regels omtrent uitvoering, toezicht en handhaving, waar zowel de ACM als de minister een rol in spelen. Dit sluit aan op hoofdstuk 5 en 6 in de Energiewet en hoofdstuk 5 in het Energiebesluit. Dit hoofdstuk gaat in op de volgende kernonderdelen:

  • 22. Uitvoering en toezicht (door de ACM en de minister);

  • 23. Verstrekken gegevens markttoezicht levering;

  • 24. Procedure investeringstoets bij wijziging zeggenschap (LNG en productie elektriciteit);

  • 25. Enkele overige bepalingen (retributies).

22. Uitvoering en toezicht (door de ACM en de minister)

De ACM is als nationale regulerende instantie voor de Elektriciteitsrichtlijn en de Gasrichtlijn de belangrijkste toezichthouder binnen de wet. Daarnaast belegd de Energiewet in artikel 5.18 ook toezichttaken bij de minister. Namens de minister wordt dit uitgevoerd door de RDI en het SodM, met beiden hun eigen specialisme(n). Het SodM richt zich primair op het aspect veiligheid binnen de kwaliteitsborging van de taakuitvoering van TSB’s en DSB’s voor gas. Dat was ook onder de voormalige Gaswet reeds het geval. De rol van de RDI verbreedt zich onder de Energiewet wel, met meer toezichtstaken op het vlak van metrologie, de installatie van geschikte meetinrichtingen, de bescherming van de vitale infrastructuur, cyberbeveiliging en identificatiediensten. Voor beide toezichthouders geldt dat de Energieregeling een nadere uitwerking bevat van voorschriften waar zij toezicht op moeten houden.

(Her-)implementatie EU-voorschriften; overzetting Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Voor wat betreft het aanwijzen van de minister als bevoegde instantie voor de Verordening Gasleveringszekerheid, wordt artikel 52ab, eerste lid, van de Gaswet, voortgezet, waarin de minister aangewezen is als bevoegde instantie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van verordening 2017/1938. Ook wordt artikel 52ab, tweede lid, van de Gaswet, voortgezet, op grond waarvan de minister belast is met de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening 2017/1938. Nieuw is de aanwijzing van de minister als bevoegde instantie om biedzones aan te wijzen; hiermee wordt artikel 14 van de Elektriciteitsverordening geïmplementeerd, dit was eerder geen onderdeel van de Elektriciteitsrichtlijn.

Uitvoering en toezicht door de minister – Artikel 5.7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, biedt een grondslag om bij ministeriële regeling de minister aan te wijzen als bevoegde instantie of bevoegde autoriteit, of te belasten met taken of bevoegdheden, ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen op het gebied van elektriciteit of gas. Tevens kunnen op grond van artikel 5.7, tweede lid, onderdeel b, van de wet, ook procedurevoorschriften worden gesteld ter uitvoering van de in onderdeel a bedoelde taken of bevoegdheden.

In deze regeling is de minister als bevoegde instantie aangewezen voor de volgende EU-verordeningen:

  • Verordening gasleveringszekerheid (2017/1938) – De minister is aangewezen als bevoegde instantie voor de gasleveringszekerheid. De gasleveringszekerheid is de gedeelde verantwoordelijkheid van de aardgasbedrijven, de lidstaten, met name via hun bevoegde instanties, en de Europese Commissie, elk binnen hun respectieve activiteitenterreinen en bevoegdheidsgebieden.

  • Netcode cyberbeveiliging (2024/1366) – De minister is aangewezen als bevoegde instantie voor de netcode cyberbeveiliging. Deze netcode omvat regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen.

  • Verordening risicoparaatheid in de elektriciteitssector (2019/941) – De minister is aangewezen als bevoegde instantie voor de verordening risicoparaatheid in de elektriciteitssector. Deze verordening bevat voorschriften over het treffen van voorbereidingen tegen elektriciteitscrises.

In deze regeling is de minister belast met de volgende taken of bevoegdheden:

  • Verordening gasleveringszekerheid (2017/1938), artikel 5, eerste lid – Ook wordt de minister belast met de taak om te waarborgen dat in het geval van verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, de technische capaciteit van de resterende infrastructuur, in staat is om te voldoen aan de totale gasvraag van het berekende gebied gedurende een dag van uitzonderlijk hoge gasvraag die met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar voorkomt. Hierbij wordt rekening gehouden met de gasverbruikontwikkelingen, de langetermijneffecten van de energie-efficiëntiemaatregelen en de benuttingsgraad van de bestaande infrastructuur.

  • Elektriciteitsverordening (2019/943), artikel 14 – Hiermee wordt de minister belast met de taak om biedzones aan te wijzen, als bedoeld in Verordening 2019/943, artikel 14.

In artikel 5.17 van de wet is bepaald dat de ACM belast is met het toezicht op het bepaalde in de wet. In het tweede lid is bepaald dat de ACM belast is met het toezicht op de naleving van de in dat lid genoemde verordeningen. Artikel 5.17, tweede lid, van de wet, biedt tevens de mogelijkheid om bij ministeriële regeling voorschriften aan te wijzen, gesteld krachtens de in dat lid genoemde verordeningen, voor zover deze handelen over of samenhangen met cyberbeveiliging. Het toezicht op de naleving van deze voorschriften wordt niet door de ACM uitgevoerd. Artikel 5.18, eerste lid, onderdeel c, van de wet, stelt dat de minister belast is met het toezicht op de naleving van de bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften. Gezien haar kennis op het gebied van cybersecurity is de RDI beoogd toezichthouder voor deze bepalingen en het wordt beoogd haar hiervoor te mandateren.

Analyse leveringszekerheid en voorzieningszekerheid – Artikel 20 van de Elektriciteitsverordening geeft lidstaten de mogelijkheid nationale beoordelingen van de toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening te verrichten. Artikel 24 van de Elektriciteitsverordening verplicht lidstaten vervolgens om een dergelijke beoordeling openbaar te maken. Artikel 3.23, zesde lid, van de wet, biedt een grondslag om bij ministeriële regeling taken op te dragen aan TSB’s en DSB’s ter uitvoering van EU-verordeningen. Artikel 5.13, derde lid, van de wet regelt dat de minister de werkzaamheden voor de analyse en het opstellen van het verslag kan opdragen aan een TSB. In deze regeling worden deze grondslagen toegepast en heeft de TSB voor elektriciteit de taak gekregen de werkzaamheden te verrichten en het verslag op te stellen.

Artikel 5.13, vierde lid, van de wet, biedt een mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over het verslag. Nadere regels kunnen worden gesteld over de gegevens die in het verslag moeten worden opgenomen (onderdeel a), de frequentie van publicatie (onderdeel b) en de wijze van publicatie (onderdeel c). In de Energieregeling is vastgelegd dat het verslag jaarlijks moet worden opgesteld en dat publicatie op een website van de TSB voor elektriciteit moet plaatsvinden. Deze taak is niet nieuw. Het jaarlijkse monitoringrapport van de leveringszekerheid wordt sinds enkele decennia reeds door TenneT opgesteld. Voor gas was een bevoegdheid voor het opstellen van een analyse leveringszekerheid en voorzieningszekerheid geregeld in artikel 52a van de Gaswet. In de Gasrichtlijn is deze verplichting komen te vervallen. In de Energiewet is op grond van artikel 3.66 de TSB voor gas verplicht om elk jaar een overzicht leveringszekerheid aan te leveren. Om die reden wordt er voor gas geen uitwerking gegeven aan artikel 5.13, vierde lid.

23. Verstrekken gegevens markttoezicht levering

In deze regeling is een verplichting voor leveranciers opgenomen om informatie aan te leveren die nodig is voor ACM om het functioneren van de leveringsmarkt te beoordelen. Het specificeert om wat voor gegevens het gaat per type leveringsovereenkomst dat wordt aangeboden aan huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen. Zo dient de leverancier onder andere te vermelden: de handelsnaam waaronder het product wordt aangeboden, de kenmerken van de leveringsovereenkomst, de leveringsprijs en overige voorwaarden of kosten, waaronder gegevens over kortingen of beloningen. Ook dient de leverancier, indien van toepassing, aan te geven aan welke groep of categorie van huishoudelijk afnemers of micro-ondernemingen de leveringsovereenkomst wordt aangeboden. De leverancier is verplicht om onverwijld de ACM op de hoogte te stellen van wijzigingen in het aanbod aan leveringsovereenkomsten. Dat betekent dat de leverancier de ACM informeert op het moment dat hij gewijzigde voorwaarden bij de aangeboden leveringsovereenkomsten of een nieuw type leveringsovereenkomst op de markt brengt.

Naast het aanbod van leveringsovereenkomsten aan nieuwe klanten zijn ook de aan bestaande klanten voorgestelde wijzigingen van of nieuw aangeboden prijzen of andere voorwaarden van belang voor een volledig beeld van de ontwikkeling van het prijsniveau in de markt, de mate van concurrentie of anderszins het functioneren van de leveringsmarkt. Ook daarover dienen leveranciers tijdig gegevens te verstrekken aan de ACM.

Het voorgaande laat onverlet dat indien een leverancier een wijziging in bestaande contracten wil doorvoeren, voor zover de contractvoorwaarden dat toelaten, hij zich daarbij moet houden aan de bepalingen in het Energiebesluit. Met name de verplichting om de eindafnemer tijdig te informeren over de voorgenomen wijziging van de prijzen en voorwaarden (voor huishoudelijk eindafnemers of micro-ondernemingen uiterlijk een maand voordat de wijziging in werking treedt).

Herimplementatie EU-voorschriften; overzetting Gaswet en Elektriciteitswet 1998

In het kader van de huidige vangnetregeling onder de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet wordt de leverancier gevraagd om via een formulier de gevraagde informatie aan te leveren ten behoeve van het toezicht op de redelijkheid van tarieven50.Deze regeling wordt in de Energiewet niet overgenomen. Artikel 5.2 van de Energiewet betreft een nieuwe taak van de ACM. In onderhavige regeling worden elementen uit de huidige praktijk van de ACM voor het opvragen van informatie in het kader van het toezicht op redelijke tarieven overgenomen, maar is de informatie beperkt tot en toegespitst op de nieuwe markttoezichttaak. Voor zover de ACM in het kader van haar algemene toezichttaak op grond van artikel 5.17 van de Energiewet informatie wenst op te vragen kan zij gebruikmaken van de bestaande toezichtbevoegdheden.

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

Naast het algemene toezicht op de naleving van de verplichting voor individuele leveranciers om redelijke tarieven en voorwaarden te hanteren uit artikel 2.5 Energiewet, krijgt de ACM in artikel 5.2 de taak om toe te zien op het goed functioneren van de markt voor levering van elektriciteit en gas zodat huishoudelijke eindafnemers en micro-ondernemingen verzekerd zijn van een aanbod voor levering van elektriciteit of gas tegen concurrerende, transparante, goed vergelijkbare en non-discriminatoire prijzen. De ACM ziet dus toe op het functioneren van en de mate van concurrentie op de leveringsmarkt. Zij dient te monitoren en erop toe te zien dat er voldoende aanbod is en dat de markt voldoende concurrerend is. Dit is een nieuwe taak die invulling geeft aan het recht op universele dienstverlening zoals bedoeld in artikel 27 van de Elektriciteitsrichtlijn.

24. Procedure investeringstoets bij wijziging zeggenschap (LNG en productie elektriciteit)

Deze regeling bevat uitwerking van artikel 6.3 van de Energiewet, waarin een meldingsplicht is opgenomen voor wijzigingen in de zeggenschap van elektriciteitsproductie-installaties of LNG-systemen, of in de eigenaren of beheerders van deze installaties of systemen. Op grond van dit artikel is de minister bevoegd om, in het kader van de nationale veiligheid, leveringszekerheid of voorzieningszekerheid, te beoordelen of een voorgenomen wijziging in zeggenschap kan plaatsvinden, dient te worden verboden, of dat passende maatregelen noodzakelijk zijn. De onderhavige regeling preciseert de invulling van deze meldingsplicht, in het bijzonder met betrekking tot de te hanteren termijnen en de te verstrekken informatie.

Overzetting vanuit regime Gaswet en Elektriciteitswet 1998

Artikel 6.3 van de Energiewet bouwt voort op artikel 86f van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 66e van de Gaswet. Met de Energiewet is voor de beoordeling van risico’s voor de nationale veiligheid aangesloten bij de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) en zijn de toetsingscriteria, zoals opgenomen in de artikelen 19 en 20 van die wet, van overeenkomstige toepassing verklaard. Ten opzichte van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is de grens voor toetsing van wijzigingen in zeggenschap elektriciteitsproducenten verlaagd naar 100 MW. Er is geen directe relatie met de Elektriciteitsrichtlijn of de Gasrichtlijn.

Nieuwe elementen: implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn en nationaal beleid

De in deze regeling opgenomen voorschriften ten aanzien van de melding, verschillen in een aantal opzichten van de regels onder de huidige wetten. De melding dient, net als onder de huidige wetten, uiterlijk vier maanden voor de datum van de voorgenomen wijziging met betrekking tot zeggenschap te geschieden. In deze regeling is echter een nieuwe termijn opgenomen voor het nemen van een beschikking, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van de wet, te weten vier maanden na de melding. Ook is er in deze regeling bepaald dat de termijn van vier maanden voor het nemen van een beschikking, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien er sprake is van een buitenlandse directe investering die valt binnen de reikwijdte van Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79). Op grond van deze regeling kan de minister de termijn van vier maanden voor het nemen van een beschikking opschorten, indien de minister op grond van artikel 5.22 van de wet verzoekt om aanvullende informatie, tot de dag waarop de verzochte informatie is verstrekt. Dit was onder de huidige wetten eerder niet mogelijk.

25. Overige bepalingen (retributies)

In artikel 5.27 van de wet is geregeld dat de minister een vergoeding kan vaststellen voor kosten die samenhangen met het behandelen van een aanvraag voor of het geven van een beschikking inzake een bij of krachtens deze wet door de minister te verlenen instemming, aanwijzing, ontheffing of vergunning. In artikel 5.6 van het Energiebesluit is bepaald dat de hoogte van deze vergoeding bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. De minister behandelt onder meer de aanvragen voor aanwijzing als systeembeheerder. De hoogte van de vergoedingen voor beschikkingen van de ACM, bijvoorbeeld een vergunningaanvraag voor het leveren van elektriciteit en/of gas aan eindafnemers met een kleine aansluiting, worden vastgesteld in de regeling doorberekening kosten ACM. Deze voorschriften hebben geen relatie met Europese regelgeving, dit betreft een nationale invulling.

2.6 Slotbepalingen en intrekking en wijziging van ministeriële regelingen

Hoofdstuk 5 van de Energieregeling regelt de citeertitel en inwerkingtredingsdatum van de regeling. De regeling treedt, behoudens enkele uitzonderingen, in werking met ingang van 1 januari 2026.

Er zullen nog verschillende ministeriële regelingen worden aangepast. Het gaat bijvoorbeeld om regelingen waarin termen worden gebruikt die onder de Energiewet zijn gewijzigd. Daarnaast worden nog verschillende ministeriële regelingen ingetrokken die op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet waren vastgesteld. Het intrekken en wijzigen van andere ministeriële regelingen gebeurt via de aparte Invoeringsregeling Energiewet.

3. Gevolgen van de Energieregeling

3.1 Introductie

In lijn met de Aanwijzingen voor de regelgeving en het Beleidskompas dient vooraf een inschatting gemaakt te worden van de te verwachten effecten van de Energieregeling. Logischerwijze passen deze effecten binnen de reikwijdte van de Energiewet en het Energiebesluit, waar eerder ook onderzoek naar is gedaan51 , 52 en waarvan de resultaten zijn opgenomen in respectievelijk de memorie van toelichting bij de Energiewet en de nota van toelichting bij het Energiebesluit. Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de belangrijkste verwachte effecten die samenhangen met de Energieregeling, waarbij het zowel gaat om beoogde gevolgen als (niet beoogde) neveneffecten.

Bij het in kaart brengen van deze effecten is zowel gebruik gemaakt van (i) het Beleidskompas van het Kenniscentrum voor beleid en regelgeving binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid53 en (ii) de Aanwijzingen voor de Regelgeving. Deze instrumenten bevatten verschillende opsommingen met mogelijk relevante effecten. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op drie hoofdcategorieën, namelijk (1) de gevolgen voor bedrijven en instellingen, (2) de gevolgen voor de burger en (3) de gevolgen voor verschillende onderdelen van de overheid. Daarnaast wordt er gewezen op nieuw beleid en regelgeving die ook gevolgen kunnen hebben voor bepaalde aspecten, zoals ICT, milieu, grenseffecten, ontwikkelingslanden en gendergelijkheid. Gelet op de waarschijnlijkheid van het optreden van dergelijke effecten is ervoor gekozen de analyse verder te beperken tot de gevolgen voor (4) de effecten op het milieu en (5) de verwerking van persoonsgegevens.

Referentiealternatief

Om de gevolgen van de Energieregeling in kaart te brengen, is gebruik gemaakt van een referentiealternatief (counterfactual), in dit geval de situatie onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Dit is ook het uitgangspunt geweest in de ex-ante effectentoetsen die zijn uitgevoerd door Sira Consulting op het niveau van de Energiewet54 en het Energiebesluit.55

Proces: eerste KGG-inschatting gevolgd door een externe ex-ante effectentoets

Voor het in kaart brengen van de gevolgen is gestart met een kwalitatieve ex-ante inschatting van de mogelijke gevolgen door het projectteam binnen het Ministerie van KGG dat betrokken is bij de voorbereiding van de Energieregeling. Deze eerste kwalitatieve analyse was per afzonderlijk onderdeel opgenomen in hoofdstuk 2 van de toelichting bij de ontwerpregeling die vanaf 4 juni 2025 is geconsulteerd in de sector; zie ook hoofdstuk 4 van deze toelichting.56

Voor veel van de in hoofdstuk 2 beschreven kernonderdelen werd verwacht dat de effecten zeer beperkt zouden zijn, vaak omdat de voorschriften een (grotendeels) beleidsneutrale overzetting vormden van reeds bestaande verplichtingen onder het regime van de voormalige Gaswet of Elektriciteitswet 1998. De inschatting was dat effecten vooral te verwachten waren op het vlak van (i) de contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier, zie onderdeel 2 in paragraaf 2.3, (ii) het leveranciersmodel, zie onderdeel 5 in paragraaf 2.3, en (iii) de bescherming van vitale TSB/DSB-processen, zie onderdeel 7 in paragraaf 2.4. In de openbare consultatie is ook gevraagd hoe eventuele respondenten aankijken tegen de gemaakte inschatting van te verwachten effecten.

Vanaf begin juni 2025 is vervolgens gestart met een extern onderzoek naar de gevolgen van de Energieregeling, opnieuw door Sira Consulting. Het doel van toets was inzage te geven in de (mogelijk) te verwachten effecten van de Energieregeling ten behoeve van de verdere voorbereiding en besluitvorming. Concreet is gevraagd het volgende in kaart te brengen:

  • 1. Effecten qua regeldruk57, met name voor bedrijven en instellingen, maar waar relevant ook voor burgers; en

  • 2. Waar relevant: overige effecten, bijvoorbeeld effecten voor de markt, effecten voor het doenvermogen van burgers, innovatie-effecten, et cetera.

Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de ontwerpregeling zoals gepubliceerd op 4 juni 2025 ten behoeve van de internetconsultatie. De fase van gegevensverzameling is begin september 2025 afgerond, waarna het eindrapport is opgesteld.58 Waar relevant is gebruik gemaakt van de genoemde eerdere onderzoeken van Sira Consulting op het niveau van de Energiewet en het Energiebesluit, waarin ook een actualisatie is uitgevoerd van de eerdere nulmeting.59

3.2 Gevolgen voor bedrijven en instellingen (inclusief regeldruk)

De Aanwijzingen voor de regelgeving vereisen het in kaart brengen van de lasten voor bedrijven en instellingen. In het Beleidskompas is dit vertaald naar een inventarisatie van de gevolgen via de Bedrijfseffectentoets, waarin meerdere onderdelen aan bod komen: (i) regeldruk voor bedrijven, (ii) markteffecten en (iii) effecten op innovatie. Naast de Bedrijfseffectentoets bestaat er ook nog een MKB-toets, waarin de nadruk specifiek ligt op de effecten voor het midden- en kleinbedrijf.

Zoals toegelicht in paragraaf 3.1 heeft Sira Consulting een effectentoets uitgevoerd, waarbij specifiek gevraagd is naar effecten op de regeldruk en waar relevant ook effecten voor de markt, effecten voor het doenvermogen van burgers, innovatie-effecten, etc. Er is geen aparte MKB-toets uitgevoerd, omdat eerder is gebleken dat de toegevoegde waarde van deze toets zeer beperkt was.60 Ook bleek uit de eerdere effectenonderzoeken reeds dat de effecten voor de MKB-ers als aparte groep zeer beperkt waren. Dat neemt niet weg dat ook voor de Energieregeling aan Sira Consulting is gevraagd de MKB-groep apart aandacht te geven in de eindrapportage.

Geraakte doelgroep

Net als voor de Energiewet en het Energiebesluit geldt voor de Energieregeling dat de effecten betrekking hebben op een zeer specifieke doelgroep, namelijk bedrijven die primair actief zijn binnen het energiedomein. Sira Consulting geeft aan dat dit allereerst vergunninghoudende leveranciers van elektriciteit en gas betreft. Het gaat hierbij om 50 leveranciers met een vergunning voor de levering van elektriciteit én gas, en twee leveranciers met enkel een vergunning voor de levering van elektriciteit. Behalve vergunninghoudende leveranciers introduceert de Energieregeling ook de mogelijkheid om energie te leveren aan huishoudelijke eindafnemers zonder vergunning. Hoeveel van dit soort leveranciers actief zal worden op de energiemarkt is niet bekend. De tweede groep bedrijven die gevolgen zal ondervinden van de Energieregeling zijn de systeembeheerders. Het gaat dan om 2 transmissiesysteembeheerders (1 voor elektriciteit, 1 voor gas), 6 regionale- of distributiesysteembeheerders (voor elektriciteit en gas), en een groep ‘overige systeembeheerders’ waarvan 142 voor elektriciteit en 86 voor gas.

Uitkomsten effectentoetsing Sira Consulting

Sira Consulting trekt verschillende conclusies ten aanzien van de regeldruk en overige effecten voor bedrijven en instellingen.

Regeldruk – Voor wat betreft de regeldruk voor bedrijven schat Sira Consulting dat bedrijven als gevolg van de Energieregeling te maken krijgen met eenmalige regeldrukkosten van minimaal € 16,9 miljoen en maximaal € 29,1 miljoen. Het merendeel van deze kosten betreft inhoudelijke nalevingskosten voor leveranciers. Zij verwachten veel tijdbesteding te moeten investeren in het inregelen van de nieuwe voorschriften omtrent de contractuele verhouding met afnemers (zie onderdeel 2 in paragraaf 2.3) en het leveranciersmodel (zie onderdeel 5 in paragraaf 2.3). Bij deze laatste verplichting valt op dat de minimale- en maximale schattingen van de kosten door leveranciers sterk uiteen lopen. Oorzaak hiervan is enerzijds de wisselende flexibiliteit van het (digitale) aanmeldproces, en anderzijds de mate waarin leveranciers in de huidige werkwijze reeds de persoonsgegevens van klanten controleren.

De structurele regeldruk voor bedrijven bedraagt naar verwachting minimaal € 14,3 miljoen en maximaal € 30,3 miljoen. Deze kosten zijn wederom voornamelijk inhoudelijke nalevingskosten voor leveranciers, en weer vormen de verplichtingen op het gebied van de contractuele verhouding en het leveranciersmodel de voornaamste oorzaken. Voor systeembeheerders is daarnaast sprake van structurele regeldrukeffecten ten gevolge van de verplichtingen op het gebied van de bescherming van de ‘vitale processen’ (zie onderdeel 7 in paragraaf 2.4 van de consultatieversie). De geschatte kosten van deze verplichting zijn gegeven als een bandbreedte. Hierbij is de eerdere inschatting van systeembeheerders ten tijde van het onderzoek ‘Ex-ante effectentoets Energiebesluit’ als maximale schatting gehanteerd, en de huidige inschatting als minimum.

Overige effecten – Sira Consulting geeft aan dat er gevolgen voor de innovatiecapaciteit van ondernemingen en voor de ordening van de energiemarkt zijn te verwachten. Hierbij moet de Energieregeling wel worden gezien in samenhang met het bredere wettelijke kader van de Energiewet, die erop gericht is om een toekomstbestendig wettelijk kader te creëren voor de nationale energievoorziening en de energietransitie beoogt te faciliteren. Sira Consulting schrijft:

  • Innovatie – Met betrekking tot innovatie stimuleert de regelgeving onder meer de toepassing van slimme meters en de invoering van nieuwe methoden voor het balanceren van vraag en aanbod, zoals het project Allocatie 2.0. Tevens wordt de ontwikkeling van energiegemeenschappen ondersteund door een vrijstelling van de leveranciersvergunning voor samenwerkingsverbanden met minder dan 500 leden, wat collectieve investeringen in decentrale energieopwekking en energiedeling bevordert. Daartegenover staat dat leveranciers verwachten dat de verplichting tot het frequenter verstrekken van verbruikskostenoverzichten aan eindafnemers zonder slimme meter de prikkel tot de overstap naar slimme meters zal verminderen, wat de innovatiecapaciteit kan beperken.

  • Markteffecten – Ten aanzien van de markteffecten kan de vrijstelling voor kleine energiegemeenschappen leiden tot nieuwe concurrentieverhoudingen, aangezien deze coöperaties niet de lasten van een leveranciersvergunning hoeven te dragen. De ACM acht het risico op marktverstoring echter beperkt acht. Ook introduceert de regelgeving aanvullende vereisten voor leveranciers, zoals het beschikken over een onafhankelijke risicomanager en het overleggen van een Verklaring Omtrent het Gedrag bij vergunningaanvraag. Deze verplichtingen brengen slechts geringe meerkosten met zich mee en worden niet geacht significante toetredingsdrempels te vormen.

Omgang met de uitkomsten van de effectentoetsing

Voor wat betreft de eenmalige en structurele regeldrukkosten wijst Sira Consulting vooral op (i) het inregelen van de nieuwe voorschriften omtrent de contractuele verhouding met afnemers en (ii) het leveranciersmodel. Voor wat betreft de voorschriften omtrent de contractuele verhouding geldt dat deze voor een zeer groot deel voortkomen uit verplichtingen in de Elektriciteitsrichtlijn en de Gasrichtlijn, welke dus verplicht geïmplementeerd moeten worden. In de consultatiereacties heeft met name Energie-Nederland ook verschillende punten aangekaart die hiermee in verbad staan. Hoe omgegaan is met specifiek aangedragen punten is toegelicht in paragraaf 4.3. Ook ten aanzien van het leveranciersmodel zijn naar aanleiding van de consultatiereacties verschillende aanpassingen gedaan, bijvoorbeeld de introductie van de optie om eIADS-identificatiemiddelen in te zetten en de mogelijkheid om in de ATO te verwijzen naar een centrale plek waar (gewijzigde) tarieven zijn te vinden. Paragraaf 4.3 gaat hier nader op in. Sira Consulting wijst verder op de structurele regeldrukkosten ten gevolge van de verplichtingen op het gebied van de bescherming van de ‘vitale processen’. Mede naar aanleiding van de consultatiereacties (zie paragraaf 4.3) en de toetsing door de RDI (zie paragraaf 5.2) is in oktober 2025 besloten dit onderdeel nog niet op te nemen in de Energieregeling die per 1 januari 2026 in werking treedt.

3.3 Gevolgen voor burgers (inclusief regeldruk en doenvermogen)

Het Beleidskompas vraagt aandacht voor de mogelijke gevolgen van nieuw beleid en nieuwe regelgeving voor burgers, met name voor de (ervaren) regeldruk en het doenvermogen. Het gaat hier om de gevolgen voor (i) burgers: personen die zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en 14 jaar of ouder zijn, en (ii) georganiseerde burgers: instellingen zonder winstoogmerk (zijnde stichtingen en verenigingen). De term burgers kent de Energiewet, het Energiebesluit of de Energieregeling zelf niet, maar dit zal (afhankelijk van de context) veelal samenvallen met de term aangeslotene met een kleine aansluiting of de eindafnemer met een kleine aansluiting óf huishoudelijk eindafnemer. Een energiegemeenschap wordt hier gezien als een groep van georganiseerde burgers.

In de memorie van toelichting bij de Energiewet is in paragraaf 11.2 uitgebreid stil gestaan bij de effecten die de wet heeft op burgers. Reeds geïdentificeerde effecten betreffen (i) de toegenomen bescherming van eindafnemers, bijvoorbeeld door de strengere vergunningseisen, (ii) de ruimte die geboden wordt om actief te kunnen worden op met name de elektriciteitsmarkt, bijvoorbeeld in het verband van een energiegemeenschap, (iii) beperking van de regeldruk door de introductie van professionele tussenpersonen zoals de aggregator en peer-to-peer-handelaar en (iv) de betere controle op en ruimere beschikbaarheid van digitale (meet-) gegevens uit meetinrichtingen, voor eigen inzicht en om naar wens om te kunnen delen met derde partijen.

Uitkomsten effectentoetsing Sira Consulting

De effecten van de Energieregeling hebben logischerwijze een sterke causale relatie met de reeds op het niveau van de Energiewet en Energiebesluit geïdentificeerde effecten. Voor burgers worden geen regeldrukeffecten verwacht ten gevolge van de Energieregeling. Wel heeft de regeling naar verwachting gevolgen voor het doenvermogen van burgers. Hierbij is sprake van zowel positieve, negatieve, en gemengde gevolgen. Positieve uitkomsten worden onder meer toegeschreven aan verbeterde transparantie, duidelijkheid en voorspelbaarheid van beleid, evenals aan wijzigingen in bepalingen over het afsluiten van klanten met betalingsproblemen. Mogelijke negatieve consequenties kunnen voortkomen uit de uniformering van factuurinformatie op het samenvattend voorblad, wat kan resulteren in een complexer document. Voor enkele andere bepalingen zijn zowel positieve als negatieve effecten mogelijk. Het uiteindelijke effect op het doenvermogen door veranderingen in schuldhulpverlening en het leveranciersmodel blijft daardoor onzeker, aldus Sira Consulting.

3.4 Gevolgen voor de overheid

Zowel de Aanwijzingen voor de regelgeving als het Beleidskompas vragen aandacht voor de gevolgen van het Energiebesluit voor de overheid. Deze gevolgen komen hierna per type actor aan bod: (i) uitvoerende en handhavende instanties, (ii) de Rijksoverheid, (iii) decentrale overheden en (iv) de rechtspraak.

Gevolgen voor uitvoerende en handhavende instanties

In de memorie van toelichting bij de Energiewet (paragraaf 11.4) is reeds uitgebreid ingegaan op de gevolgen voor de uitvoerende en handhavende instanties. In het algemeen kan wel worden opgemerkt dat de bekostiging van de (nieuwe) wettelijke taken voor de ACM, RDI en SodM onderdeel is van het reguliere traject voor het opstellen van de jaarlijkse begroting van voorheen het Ministerie van EZK en nu het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. Vanaf 2023 is reeds geanticipeerd op de toekomstige inwerkingtreding van de Energiewet.

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) – De ACM is als nationale regulerende instantie voor de Elektriciteitsrichtlijn en de Gasrichtlijn, de belangrijkste toezichthouder binnen de wet. Zowel de Energiewet, het Energiebesluit als de Energieregeling hebben significante impact op de werkzaamheden van de ACM. Zoals gezegd is via het reguliere begrotingstraject reeds geanticipeerd op de nieuwe wettelijke taken voor de ACM, zodat dit in de toekomst geen knelpunt gaat vormen.

De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) en Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) – De RDI en het SodM zijn naast de ACM de andere twee toezichthouders binnen de Energiewet, beiden met hun eigen specialismen. De SodM richt zich primair op het aspect veiligheid binnen de kwaliteitsborging van de taakuitvoering van TSB’s en DSB’s voor gas, dat was ook onder de voormalige Gaswet reeds het geval. De rol van de RDI verbreedt zich onder de Energiewet wel, met meer toezichtstaken op het vlak van metrologie, de installatie van geschikte meetinrichtingen, de bescherming van de vitale infrastructuur, cybersecurity en identificatiediensten. Voor beide toezichthouders geldt dat de Energieregeling de nadere uitwerking bevat van voorschriften waar zij toezicht op moeten houden. Voor SodM gaat het dan met name om het kwaliteitsborgingssysteem en het kwaliteitsplan (zie onderdeel 15 in hoofdstuk 2 van deze toelichting) en voor de RDI om de bescherming van vitale belangen (zie onderdeel 7 in hoofdstuk 2 van deze toelichting). De bekostiging van eventuele nieuwe taken verloopt via het reguliere begrotingstraject.

De Autoriteit Persoonsgegevens – De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna ook: de AP) is toezichthouder op de naleving van de wettelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens, en dan met name van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In zowel de Gaswet, Elektriciteitswet 1998 en de beoogde Energiewet is geen specifieke taak of rol voor de AP weggelegd. Dat geldt ook voor de Energieregeling. Wel is duidelijk dat binnen de bredere context van de Energiewet het belang van het verzamelen, beheren en uitwisselen van gegevens steeds belangrijker wordt. Dit omvat ook de verwerking van persoonsgegevens, waar de AP vanuit de AVG toezicht op houdt. De Energiewet legt in meer detail vast om welke gegevens en processen het gaat alsmede welke voorwaarden gelden en welke actoren hierbij betrokken zijn. Daarmee is de borging van veilige, doelmatige en doeltreffende uitwisseling van gegevens beoogd, ook als bijdrage aan de bescherming van persoonsgegevens. Waarschijnlijk is dat, als gevolg van de toenemende digitalisering en uitwisseling van gegevens, de rol van de AP groter zal worden; het effect hiervan is echter lastig te bepalen. Uitgaande van structureel twee voltijdmedewerkers extra, gaat het om een stijging in de toezichtslasten van EUR 266.000 per jaar voor de Energiewet als geheel.61

De Belastingdienst – Binnen het energiesysteem zijn verschillende belastingen en heffingen van toepassing, bijvoorbeeld de Energiebelasting. De Belastingdienst heeft op het niveau van de wet een toets uitgevoerd op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, met name vanwege alle nieuwe ‘actieve’ marktvormen (aggregatie, peer-to-peer-handel, et cetera). Binnen de Energieregeling zijn er niet direct nieuwe voorschriften opgenomen die impact hebben op deze eerdere analyse.

Gevolgen voor de Rijksoverheid

De Energiewet heeft primair betrekking op de ordening van de elektriciteits- en gasmarkt en als gevolg daarvan zijn de gevolgen voor de Rijksoverheid zeer beperkt. Dat geldt ook voor het Energiebesluit. De ‘Aanwijzing voor de regelgeving’ vereist dat een aantal gevolgen wordt vermeld:

  • Financiële gevolgen voor de Rijksoverheid – De Energieregeling zelf heeft geen directe gevolgen voor de financiën van de Rijksoverheid. Eventuele gevolgen voor de inning van belastingen en heffingen zijn eerder in kaart gebracht op het niveau van de wet en raken aan de bredere transitie naar een CO2-arme energievoorziening.

  • Gevolgen voor de informatievoorziening van de Rijksoverheid – De Energieregeling heeft geen directe gevolgen voor de informatievoorziening van de Rijksoverheid. In beginsel zijn alle verschillende actoren op de markt zelf verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie.

  • Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens door de Rijksoverheid – Binnen het energiesysteem is de rol van de Rijksoverheid in de uitwisseling van gegevens van zowel natuurlijke als niet-natuurlijke personen vrijwel nihil. De Energieregeling heeft hier verder geen impact op.

Gevolgen voor decentrale overheden

De Aanwijzingen voor de regelgeving vereisen het in kaart brengen van de gevolgen voor de decentrale overheden, namelijk voor provincies, gemeenten en waterschappen. Zowel de Energiewet, het Energiebesluit als de Energieregeling hebben geen directe invloed op deze decentrale overheden.

Meer indirect effecten zijn wel te verwachten rondom de investeringsplannen van de TSB’s en DSB’s, waar de Energieregeling (in navolging van de Energiewet en het Energiebesluit) invulling geeft aan de manier waarop rekening gehouden moet worden met bredere maatschappelijke belangen en ruimtelijke ontwikkelingen. De wijzigingen in de Energieregeling zijn bedoeld om het bestaande proces om te komen tot investeringsplannen, mede aan de hand van scenario’s en het kwaliteitsborgingsysteem, te verbeteren. Hiermee wordt beter navolgbaar welke investeringen TSB’s en DSB’s wanneer en waarom van plan zijn te realiseren.

Daarnaast zijn meer indirect effecten te verwachten rondom de voorschriften inzake het voorkomen van de beëindiging levering, zie onderdeel 4 in hoofdstuk 2 van de toelichting. De grondslag voor gegevensuitwisseling tussen leverancier en gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening is uitgebreid zodat er in meer situaties van betalingsachterstanden een signaal naar de gemeente kan worden verstuurd. De gemeente kan nu ook in deze gevallen tijdig met een passend hulpaanbod komen. Ook is de regeling eenvoudiger opgeschreven en wordt voor de regels met betrekking tot schuldhulpverlening beter aangesloten op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Er zal enige budgettaire impact zijn, maar deze wordt als beperkt ingeschat; hiertegenover staan de enige positieve effecten (vaker een signaal, betere aansluiting op de Wgs).

Gevolgen voor de belasting van de rechtspraak

Zowel de Energiewet, het Energiebesluit als de Energieregeling hebben in beginsel geen directe gevolgen voor de belasting van de rechtspraak, al kunnen er wel indirecte positieve en negatieve gevolgen zijn. Hoewel beoogd wordt op onderdelen de legaliteit te versterken en meer duidelijkheid en transparantie te bieden, is ook voorstelbaar dat deze herzieningen en wijzigingen leiden tot nieuwe juridische geschillen, waarbij ook een beroep op de rechtspraak gedaan zal worden.

De omvang van de combinatie van de positieve en negatieve gevolgen voor de belasting van de rechtspraak is lastig in te schatten. De Raad voor de Rechtspraak heeft eerder aangegeven dat onder de Energiewet in generieke zin het waarschijnlijk is dat de herzieningen en wijzigingen in de energieregelgeving zullen leiden tot nieuwe juridische geschillen. Naar hun inschatting betreft dit circa twintig extra zaken per jaar, die ook aanzienlijk zwaarder zullen zijn dan de gemiddelde zaak bij het CBb vanwege complexe materieelrechtelijke en procedurele vraagstukken; de financiële impact wordt door de Raad geschat op circa € 250.000 per jaar. De nadere detaillering van voorschriften in de Energieregeling is onderdeel van deze bredere inschatting; de Energieregeling zelf heeft daar geen bijzondere directe invloed op.

3.5 Gevolgen voor het milieu

De Aanwijzing voor de regelgeving vereist het uiteenzetten van de milieueffecten, waarbij het volgens het Beleidskompas kan gaan om de gevolgen voor het energiegebruik, de mobiliteit, emissies en beschikbare fysieke ruimte. Zoals reeds toegelicht in paragraaf 11.6 van de memorie van toelichting bij de Energiewet genereert de Energiewet geen directe, kwantificeerbare milieueffecten. De wet richt zich op de ordening van de markten voor elektriciteit en gas en ondersteunt daarin vooral de transitie naar een CO2-arme energievoorziening, zonder directe effecten te creëren. Er zijn wel enkele indirecte effecten te benoemen, zoals (i) het bieden van ruimte aan initiatieven (actieve afnemers, energiegemeenschappen, et cetera) die het gebruik van fossiele energiebronnen verminderen, (ii) ruimere beschikbaarheid van (meet)gegevens ten behoeve van het zelf monitoren van of sturen op vermindering van het energieverbruik, en (iii) via het ordeningskader meer sturen op de toekomstige CO2-arme energievoorziening, bijvoorbeeld via de investeringsplannen van de TSB’s en DSB’s. Voor de Energieregeling geldt in feite dezelfde rationale: geen directe, kwantificeerbare milieueffecten maar vooral ondersteunend aan de transitie naar een CO2-arme energievoorziening.

3.6 Gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens

Het Beleidskompas schrijft voor dat er aandacht dient te zijn of eventuele beperkingen op het grondrecht tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer gerechtvaardigd zijn. Het Beleidskompas verwijst hierbij naar het instrument van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (of ‘Privacy Impact Assessment’, PIA), meer in het bijzonder het ‘Model gegevensbeschermings-effectbeoordeling rijksdienst PIA’.

Eerdere toetsing en advisering AP op niveau Energiewet

Op het niveau van de Energiewet is in de periode oktober 2021 tot en met maart 2022 aan de hand van het genoemde model een PIA uitgevoerd, waarvan de belangrijkste resultaten ook zijn opgenomen in paragraaf 11.5 van de memorie van toelichting bij de Energiewet. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in dit kader in juni 2022 ook een advies uitgebracht, welke is samengevat in paragraaf 13.7 van de memorie van toelichting bij de Energiewet. Voor de Energieregeling zijn twee destijds ingebrachte punten relevant:

  • Rechtsgronden – Onder verwijzing naar de beschreven rechtsgronden in §11.5 van de toelichting, gaf de AP destijds aan in zijn algemeenheid te kunnen onderschrijven dat bij zo’n breed scala aan verwerkingen verschillende rechtsgronden aan de orde kunnen zijn. Echter, de AP wees er ook op dat ‘voor elke verwerking op zichzelf uiteindelijk een van toepassing zijnde rechtsgrond aanwijsbaar moet zijn’. De AP gaf destijds aan dat de wet en toelichting deze duidelijkheid niet gaven.

  • Intervalgegevens – De AP constateerde destijds dat het wetsvoorstel beoogde dat, met het oog op de balanceringstaak voor elektriciteit, kwartierwaarden dagelijks worden uitgelezen bij huishoudelijk eindafnemers met een kleine aansluiting. Mede gelet op de inbreuk op de bescherming van de persoonsgegevens adviseerde de AP om ‘de voorgenomen intervalfrequentie van een kwartier in de wetstekst op te nemen en daarbij te bepalen dat de deze gegevens, voor zover noodzakelijk voor de balanceringstaak, niet vaker dan dagelijks worden uitgelezen, bij eerste gelegenheid worden geaggregeerd en uitsluitend geaggregeerd worden verstrekt.’ Dit advies van de AP is destijds overgenomen door aanpassing van de artikelen die betrekking hebben op de balancering (artikel 3.49 en 3.50 Energiewet).

De concrete omgang met de intervalgegevens is, als uitwerking van het bepaalde onder artikel 3.49 en 3.50, onderdeel van de Energieregeling (zie ook hierna). Voor wat betreft de rechtsgronden is bij de uitwerking van de concrete voorschriften in de Energieregeling een nadere afweging gemaakt.

Persoonsgegevens binnen de Energieregeling en het bredere regime van de Energiewet. Verreweg de meeste grondslagen in de Energiewet voor nadere regels die te maken hebben met de verzameling en uitwisseling van gegevens, worden onderdeel van aparte regelingen die nog in voorbereiding zijn. Voor de Energieregeling geldt dat slechts enkele voorschriften een relatie hebben met de verwerking van gegevens, waaronder persoonsgegevens. Zie ook hierna.

In generieke zin is van belang dat slechts een deel van de gegevens die op grond van de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling classificeren als persoonsgegeven in de zin van de AVG. Met andere woorden: de reikwijdte van het hele Energiewet regime is veel breder dan enkel de AVG:

  • Verschillende type actoren in het wetsvoorstel (i.c. aangeslotene, eindafnemer, actieve afnemer, etc.) zijn geen natuurlijke personen, maar dit betreffen rechtspersonen. Bij deze rechtspersonen gaat het veelal om bedrijven, maar deze groep omvat ook overheden, verenigingen, stichtingen, kerken, etc. Gedetailleerde informatie is niet te geven vanwege de grote variatie binnen deze type actoren, maar de aansluitcapaciteit vormt hier wel een indicatie. In het algemeen geldt dat, zowel voor gas als elektriciteit, grote aansluitingen primair betrekking hebben op rechtspersonen (bedrijven); slechts in specifieke omstandigheden kunnen natuurlijke personen (i.c. huishoudelijke afnemers) er voor kiezen om gebruik te maken van een grote aansluiting. Voor de kleine aansluitingen is het beeld veel gevarieerder: verreweg het grootste deel van de kleine aansluitingen voor elektriciteit (8,2 miljoen) en gas (7,2 miljoen) heeft betrekking op huishoudelijke afnemers, maar in deze groep zitten ook bedrijven, overheden, verenigingen, stichtingen, kerken, etc.

  • In aanvulling hierop geldt dat gegevens niet altijd direct of indirect in relatie staan met een identificeerbare natuurlijk persoon. Zo kunnen metingen op een kleine aansluiting bij een ‘huishoudelijke afnemer’ betrekking hebben op één persoon, maar ook op vier of vijf gezinsleden, woongroepen, een groep van studenten die op kamers woont of een huishouden in combinatie met een inpandig (klein) bedrijf. De mate van identificeerbaarheid kent hierbij als het ware een glijdende schaal, afhankelijk van de specifieke omstandigheden. De samenstelling van de (eventuele) gebruikers op een aansluiting wordt niet geregistreerd, daar dit binnen de energiesystemen voor gas en elektriciteit irrelevant is. Wel regelt de Energiewet (artikel 2.7) dat leverancier vastleggen met welk type afnemer zij te maken hebben, teneinde te borgen dat deze afnemers het juiste niveau van consumentenbescherming krijgen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar huishoudelijke eindafnemers en ondernemingen (micro, klein en groot).

  • Tevens geldt voor sommige gegevensprocessen dat gegevens slechts tijdelijk als persoonsgegeven classificeren. Zo worden ten behoeve van het gegevensproces ‘allocatie en reconciliatie’ de verzamelde intervalgegevens (per allocatiepunt op een aansluiting) in het vervolgproces geaggregeerd naar het niveau van alle aansluitingen/allocatiepunten van een balanceringsverantwoordelijke in zijn gebied.

Verder is relevant dat er binnen het brede regime van de Energiewet een grote variatie bestaat tussen de verzamelde en uitgewisselde gegevens in het algemeen, maar ook tussen (eventuele) persoonsgegevens in het bijzonder. Het gaat in het wetsvoorstel primair om ‘gewone’ persoonsgegevens. Het wetsvoorstel bevat geen verplichtingen inzake bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens. De verwerking van wettelijk identificatienummers komt alleen terug in het kader van artikel 4.20 Energiewet inzake de identificatie van aangeslotenen en eindafnemers door de gegevensuitwisselingsentiteit. Gegevens kunnen grofweg geclassificeerd worden naar vier hoofdgroepen. In elk van deze hoofdgroepen gaat het in meer of mindere mate ook om persoonsgegevens. Het gaat hierbij om de volgende hoofdcategorieën:

  • 1. Technische, fysieke en administratieve kenmerken;

  • 2. Identificatie & betrokkenheid markt;

  • 3. Metingen (en bewerkingen);

  • 4. Identificatie van en communicatie met contractanten/rechthebbenden.

Binnen de Energieregeling zijn de volgende onderdelen relevant inzake de verwerking van persoonsgegevens en de rechtvaardiging daarvan:

  • Registratie identificatiegegevens aangeslotene/eindafnemer

  • Registratie gegevens t.b.v. voorkomen van beëindiging levering

  • Gebruik intervalgegevens t.b.v. balancering.

Registratie identificatiegegevens aangeslotene/eindafnemer – Binnen het bredere kader van de Energiewet kunnen verschillende typen overeenkomsten en diensten worden onderscheiden en hieraan zijn vaak ook verplichtingen gekoppeld inzake het verstrekken van informatie, facturatiegegevens, verbruiksgegevens, etc. Ook kent de Energiewet aan bepaalde type actoren (aangeslotenen, eindafnemers, actieve afnemers, etc.) verschillende rechten toe, bijvoorbeeld op het vlak van het delen van gegevens met derden en inzage. Daarom is het noodzakelijk om de betrokken rechthebbenden/contractanten goed te kunnen identificeren en met hen te kunnen communiceren en in contact te treden. De Energieregeling bevat enkele van deze voorschriften die zich concreet richten op de registratie van gegevens ten behoeve van de identificatie van en communicatie met deze contractanten/rechthebbenden:

  • Op grond van artikel 2.28, tweede lid, dient de leverancier specifieke gegevens over de eindafnemer in zijn administratie op te nemen, namelijk identificatiegegevens (naam, adresgegevens) en correspondentiegegevens (factuuradres, telefoonnummer, e-mail). Zie ook onderdeel 3 in hoofdstuk 2 van deze toelichting.

  • De leverancier dient op grond van de artikelen 2.40 en 2.41 te registeren dat een aangeslotene met een kleine aansluiting het aanbod voor een aansluit- en transportovereenkomst heeft aanvaard, alsmede te controleren of de identiteit van de aangeslotene overeenkomt met de bekende bankgegevens en omissies daaromtrent te melden aan de DSB. Zie ook onderdeel 5 in hoofdstuk 2 van deze toelichting.

Afgezien van het feit dat deze gegevens voor de leverancier benodigd zijn in het kader van de uitvoering van de leveringsovereenkomst en verplichtingen inzake de aansluit- en transportovereenkomst, dienen deze gegevens ook een breder doel. Deze gegevens dienen op grond van artikel 4.8 Energiewet te worden aangeleverd aan bijvoorbeeld de betrokken DSB, die deze in zijn rol als registerbeheer in zijn register opneemt (artikel 4.5 Energiewet). Vervolgens vormen deze gegevens de noodzakelijke basis voor diverse vervolgprocessen waarbij gegevens worden gebruikt of verstrekt. Een concreet voorbeeld is de uitvoering van de artikelen 2.14 en 2.15, tweede lid, van het Energiebesluit, waarin middels (automatische) gegevensuitwisseling wordt geregeld dat eindafnemers niet zonder leverancier komen te zitten op het moment dat hun leverancier failliet gaat. Immers: de levering van gas en elektriciteit is een essentiële levensbehoefte voor huishoudens die geen moment mag wegvallen. Om dit binnen enkele dagen te regelen zijn allerlei sectorpartijen intensief hierbij betrokken. Twee andere illustraties: (i) indien een meetinrichting vervangen dient te worden, dient de DSB de betrokken aangeslotene te kunnen benaderen voor het maken van een afspraak op het specifieke adres waar de desbetreffende meetinrichting staat en (ii) een leverancier moet zijn klant kunnen factureren op basis van de geleverde gas en elektriciteit op zijn adres (waar een meetinrichting staat die beheert en uitgelezen wordt door de DSB).

De noodzaak van de beschreven gegevensverwerkingen ligt dus primair in het kunnen uitvoeren van de taken van de verschillende systeembeheerders alsmede het uitvoeren van de verplichtingen en dienstovereenkomsten door commerciële partijen. Het dient bekend te zijn om welke contractanten/ rechthebbenden het gaat, zodat ook de koppeling gelegd kan worden met de uitvoering van deze taken en verplichtingen, alsmede het inroepen van bepaalde rechten. Correspondentiegegevens zijn hierbij essentieel, zodat ook daadwerkelijk gecommuniceerd kan worden met de contractanten/rechthebbenden. De verwerkingen worden gezien als proportioneel: voor het bredere systeembelang moet het mogelijk zijn om een koppeling te leggen tussen de natuurlijke persoon die gebruikt maakt van de energiesystemen voor gas en elektriciteit en de verschillende dienstverleners. Min of meer hetzelfde geldt voor de subsidiariteit: de identificatie- en communicatiegegevens zijn een basale randvoorwaarde voor de uitvoering van de taken en verplichtingen onder het wetsvoorstel.

Registratie gegevens t.b.v. voorkomen van beëindiging levering – Artikel 2.26 van het de Energiewet bepaalt dat een vergunninghouder preventieve maatregelen neemt om het beëindigen van de leveringsovereenkomst aan een eindafnemer met een kleine aansluiting wegens betalingsachterstanden zoveel mogelijk te voorkomen. De Energieregeling bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden de leveringsovereenkomst ondanks deze preventieve maatregelen toch kan worden beëindigd en voorziet in waarborgen voor de bescherming van kwetsbare afnemers (zie ook onderdeel 4 in hoofdstuk 2).

Vergunninghouders worden in de Energieregeling verplicht om onder bepaalde vastgelegde omstandigheden een beperkte lijst van persoonsgegevens te delen met gemeenten. Bij de laatste wijziging van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas is hier in de toelichting uitgebreid op ingegaan. Verstrekking van de gegevens van de eindafnemer aan de gemeente als onderdeel van het afsluitbeleid is in het belang van de bescherming van de gezondheid van deze eindafnemer. De inbreuk op de privacy van de eindafnemer wordt dan ook gerechtvaardigd door de dringende maatschappelijke behoefte om de gezondheid van mensen met oplopende schulden en hun eventuele huisgenoten te beschermen. Een gemeente kan alleen tijdig ingrijpen en ondersteuning bieden bij de betalingsproblemen als voldoende informatie beschikbaar is over (de ontwikkeling van) de betalingsachterstanden. Anderzijds moet informatie over eindafnemers niet onnodig aan schuldhulpverlening worden verstrekt. Hierom is limitatief vastgelegd in welke gevallen bepaalde persoonsgegevens gedeeld mogen worden. Dit is verbreed door het delen van persoonsgegevens mogelijk te maken na twee gemiste facturen in plaats van twee gemiste termijnbedragen. Hierdoor worden alle betalingsachterstanden op facturen eenduidig behandeld en geniet iedereen van eenzelfde bescherming die het afsluitbeleid biedt. In de regeling is ook limitatief aangegeven welke gegevensuitwisseling is toegestaan. De geboortedatum is op verzoek van de gemeenten toegevoegd aan de limitatieve lijst van contactgegevens die gedeeld mogen worden. Door dit toe te voegen kan er door de gemeente nauwkeuriger en efficiënter worden vastgesteld bij welke inwoner het signaal hoort om hier het hulpaanbod op af te kunnen stemmen.

Deze gegevensverwerkingen worden als noodzakelijk en proportioneel beoordeeld in het licht van het te behartigen belang, zeker omdat het gaat om een kwetsbare groep van burgers. Bij alternatieve methoden moet juist deze kwetsbare groep meer zelf ondernemen, waar ze in de praktijk niet of slecht toe in staat zijn. Qua subsidiariteit geldt dat deze gegevens het minimum vormen voor wat nodig is voor de uitvoering van de taken en verplichtingen.

Gebruik intervalgegevens t.b.v. balancering – Zoals hiervoor aangegeven heeft de AP op het niveau van de Energiewet reeds eerder geadviseerd over het gebruik van intervalgegevens. De Energieregeling werkt deze specifieke onderdelen van artikel 3.49 en 3.50 Energiewet in meer detail uit: de DSB’s gaan de verzamelde kwartier- en uurwaarden na aggregatie verstrekken aan de TSB’s ten behoeve van hun wettelijke taken inzake de balancering.

In de voorbereiding bij het opstellen van de Energiewet is in 2022 een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (PIA) uitgevoerd, waar ook dit specifieke onderdeel uitgebreid in terug kwam. Een samenvatting van de uitkomsten is opgenomen als bijlage bij deze algemene toelichting. Geconcludeerd is dat deze voorschriften weliswaar een aanzienlijke inbreuk op privacyrechten van betrokkenen betekenen, maar dat dit in het licht van de huidige energietransitie noodzakelijk en rechtmatig wordt geacht. In navolging van de geïdentificeerde risico’s is beoordeeld welke maatregelen in redelijkheid kunnen worden getroffen om de hiervoor beschreven risico’s te voorkomen of te verminderen. De analyse laat zien dat alle geïdentificeerde risico’s in meer of mindere mate worden ondervangen door mitigerende maatregelen in de Energiewet of de Energieregeling, met één type restrisico: gegevens kunnen in kwaadwillende handen vallen. In deze situaties is duidelijk sprake van overtreding van wet- en regelgeving, bijvoorbeeld van het wetsvoorstel of de AVG of zelfs van strafrechtelijke overtredingen. In dat geval moet teruggevallen worden op toezicht en handhaving.

4. Uitkomsten publieke consultatie

4.1 Proces publieke consultatie

Nadat de Energiewet in december 2024 was aangenomen door de Eerste Kamer en de ministerraad op 21 februari 2025 instemde met de start van de voorhangprocedure voor het Energiebesluit bij de Eerste en Kamer, is vanaf begin maart 2025 toegewerkt naar een ontwerpversie van de Energieregeling. Deze ontwerpversie is vervolgens in de periode van 4 juni tot en met 16 juli 2025 gepubliceerd voor een openbare consultatieronde, waarvan de resultaten in dit hoofdstuk besproken worden. Begin juni 2025 zijn ook verschillende toezichthouders en adviescolleges gevraagd om een reactie op dezelfde ontwerpversie van de Energieregeling. De resultaten hiervan zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van deze toelichting.

In totaal hebben elf partijen een consultatiereactie ingediend, waarvan vier een anonieme reactie betreffen. Acht reacties zijn door de respondenten zelf als ‘openbaar’ zijn aan gemerkt en drie als ‘niet-openbaar’.62 Gelet hierop bevat dit hoofdstuk de namen van respondenten die een openbare reactie hebben gegeven; ter bescherming van de privacy zijn namen van individuele personen geanonimiseerd, ook als zij hun reactie als openbaar hadden aangemerkt. Hierna wordt allereerst ingegaan op de meer generieke opmerkingen die door respondenten zijn geplaatst, waarna per hoofdstuk van de Energieregeling de meer specifieke reacties volgen. Telkens wordt aangegeven wat er met de reacties is gedaan, met name of dit tot aanpassing van de Energieregeling heeft geleid.

4.2 Generieke uitkomsten publieke consultatie

Tekstsuggesties en (veronderstelde) omissies – Diverse respondenten hebben concrete tekstsuggesties gedaan om formuleringen te verbeteren of hebben gewezen op spelfouten, ontbrekende woorden, dubbele woorden, etc. Van deze suggesties is gebruikgemaakt bij de herziening van de teksten, maar hier wordt in dit hoofdstuk niet verder op ingegaan. Enkele respondenten hebben ook opmerkingen gemaakt over het gebruik van bepaalde begripsbepalingen en suggesties gedaan voor aanpassingen. Energie-Nederland vraagt aandacht voor het gebruik van en onderscheid tussen het begrip ‘eindafnemer met een kleine aansluiting’ en ‘huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming', alsmede betere uitleg waar dit op gebaseerd is. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat dit het gevolg is van de overzetting van reeds bestaande regelgeving alsmede het implementeren van Europese regelgeving. De Europese regelgeving kent het onderscheid tussen grote en kleine aansluitingen niet, dus voor diverse Europese verplichtingen moet worden aangesloten op de termen ‘huishoudelijk eindafnemer’ en ‘micro-onderneming'. De artikelen zijn nogmaals nagelopen op het correct gebruik van deze begrippen. Energie-Nederland geeft verder aan dat verscheidene keren enkel het type afnemer is genoemd, maar niet een verdere duiding qua type aansluiting (klein/groot). De artikelen zijn nagelopen en waar nodig aangepast. Ook wijst Energie-Nederland erop dat het woord ‘consument’ niet in de Energiewet voorkomt en dat dit mogelijk tot verwarring kan leiden; dit is aangepast. Netbeheer Nederland heeft opgemerkt dat er soms naar ‘een leverancier’ wordt verwezen, waar op andere plekken wordt verwezen naar ‘een leverancier, als bedoeld in artikel 2.28 van de wet’. Dit is nagegaan en waar nodig is de artikeltekst aangepast. Netbeheer Nederland stelt ook voor om de term ‘EAN-code’ te vervangen door ‘unieke identificatiecode', daar deze term niet uitsluitend wordt gebruikt als conventie om een allocatiepunt aan te duiden. Dit punt is overgenomen.

Implementatie Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn – Energie-Nederland merkt op dat verschillende verplichtingen rechtstreeks zijn overgenomen uit de Richtlijn zonder rekenschap te geven van hetgeen in Nederland al geregeld en/of gebruikelijk en dat het (richting de Europese Commissie) goed te verdedigen is om regels uit de Richtlijn niet een op een over te nemen omdat we in Nederland het gewenste resultaat al op een andere manier hebben gerealiseerd. In reactie kan worden opgemerkt dat in de voorbereiding zeker veel aandacht is gegeven aan het zoeken van een balans tussen (i) hetgeen voorschreven wordt in de Elektriciteitsrichtlijn of Gasrichtlijn en (ii) de uitwerking in de praktijk zoals we deze in Nederland kennen. Hier is ook met brancheorganisaties zoals Energie-Nederland over gesproken. Hoeveel ruimte hierbij bestaat hangt af van de specifieke formuleringen in de Elektriciteitsrichtlijn of Gasrichtlijn.

Niet ingevulde delegatiegrondslagen – Door enkele respondenten is erop gewezen dat niet van alle MR-delegatiegrondslagen gebruik is gemaakt. Dit is correct. De Energiewet en het Energiebesluit kennen een onderscheid tussen MR-grondslagen die ‘moeten’ worden uitgewerkt en die ‘kunnen’ worden uitgewerkt. Bij deze tweede categorie bestaat dus de keuzemogelijkheid om hier wel of niet nadere regels te stellen. Hierna wordt kort ingegaan op verschillende reacties:

  • Leveringsvergunning – Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben gewezen op de veronderstelde ontbrekende uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 2.18, zesde lid, Energiewet over de leveringsvergunning. Gelet op de normering in het eerste deel van dit lid is het niet nodig geacht hier nu nadere invulling aan te geven. In de toelichting is wel nogmaals benadrukt dat de leverancier te allen tijde verantwoordelijk is voor het naleven van de vergunningseisen, ook voor de diensten zoals werving die hij uitbesteedt;

  • Restverdeling – Door Energie-Nederland, Netbeheer Nederland en een anonieme respondent is gewezen op de veronderstelde ontbrekende uitwerking van de MR-delegatiegrondslag in artikel 2.15, tweede lid, Energiebesluit over de restverdeling na intrekking van de leveringsvergunning. De reden voor het niet uitwerken van deze MR-delegatiegrondslag is gelegen in de toen reeds voorziene aanpassing van (de ontwerpversie van) het Energiebesluit. Nadien is de tekst van artikel 2.15 tweede lid aangepast, waardoor deze niet langer bepaalt dat de vergunninghouder of curator bij ministeriële regeling te bepalen gegevens overdraagt, maar de krachtens artikel 2.10, derde lid, te bepalen gegevens. De Energieregeling bevat nu in artikel 2.28 wel een gedetailleerde omschrijving van de over te dragen gegevens, maar deze is dus niet meer gebaseerd op artikel 2.15, tweede lid, van het Energiebesluit.

  • Overstap van balanceringsverantwoordelijke – Netbeheer Nederland wijst erop dat de uitwerking van de MR-grondslag in artikel 2.45 ontbreekt, dit ziet op de overstap van balanceringsverantwoordelijke. Deze uitwerking ontbrak inderdaad in de Energieregeling en is nu, op dezelfde wijze als de vergelijkbare MR-grondslagen in de artikelen 2.14 en 2.40 Energiewet, toegevoegd aan de Energieregeling.

  • Melding artikel 3.19 Energiewet – Energie-Nederland wijst op het veronderstelde gemis van de uitwerking van het zesde lid van artikel 3.19 Energiewet, wat ziet op de melding aan ACM van specifieke handelingen/activiteiten van het infrastructuurbedrijf. Opgemerkt kan worden dat hierover met de ACM is gesproken, maar dat er geen noodzaak werd gezien om vanuit de minister de meldingsprocedure aan de ACM nader in te vullen; de ACM zal dit zelf op afdoende wijze mogelijk maken.

  • Groepsverbod – Artikel 3.10 Energiewet regelt het zogeheten groepsverbod, waarbij het achtste lid een grondslag bevat voor nadere regels bij of krachtens AMvB. Energie-Nederland wijst op het veronderstelde ontbreken van deze uitwerking. Afgezien van het feit dat het hier niet gaat om de onderhavige Energieregeling maar het Energiebesluit, kan worden opgemerkt dat het hier gaat om een optionele AMvB-grondslag. In de voorbereiding op het Energiebesluit is besloten dat er, gelet op de reeds geldende normering in artikel 3.10 Energiewet, geen aanleiding is hier nu nadere invulling aan te geven.

Verhouding tot technische (ACM-)codes & Invoeringsregeling Energiewet – Onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 bestonden verschillende zogeheten technische codes die de ACM, in de meeste gevallen op voorstel van de TSB’s en DSB’s, heeft vastgesteld. Respondenten hebben enkele vragen gesteld over de verhouding van deze technische codes met de Energiewet en/of onderliggende regelgeving.

  • Energie-Nederland stelt dat de wettelijke grondslag van een aantal technische codes gaat vervallen en dat onduidelijk is of de vervangende codes tijdig gereed zijn. In reactie hierop kan worden gemeld dat voor vrijwel alle technische codes onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 ook onder de Energiewet ruimte blijft, zie artikel 3.119, eerste lid, Energiewet over ‘methoden en voorwaarden’. Via onder andere artikel 7.40 Energiewet is voorzien in overgangsrecht. Dit betekent dat bijvoorbeeld de Netcode Elektriciteit, de Allocatiecode gas, de Aansluit- en transportcode gas RNB, etc. ook onder de Energiewet van kracht kunnen blijven. Logischerwijze zullen deze methoden en voorwaarden op termijn wel moeten worden geactualiseerd in het licht van de Energiewet, maar dat ligt in beginsel bij de TSB’s en DSB’s, alsmede de ACM. Uitzondering hierop is de ICEG, daar is geen ruimte meer voor in artikel 3.119 Energiewet; de artikelen 7.52 en 7.53 Energiewet bevat nog overgangsrecht, maar dit wordt (uiteindelijk) door de wetgever zelf ingevuld.

  • Energie-Nederland wijst er ook op dat het opknippen van regelgeving in een beleidsinhoudelijk deel (Energieregeling) en een deel over data-uitwisseling (‘MR Data’) leidt tot grote verwarring over wat rond 1 januari 2026 nu wel of niet van kracht is. Energie-Nederland geeft aan dat onzekerheid bestaat doordat duidelijk overgangsrecht ontbreekt en vraagt zich ook af of dit afdoende kan worden ondervangen via de (tijdelijke) Invoeringsregeling Energiewet.

    In reactie kan worden opgemerkt dat enige vorm van splitsing op het niveau van de ministeriële regelingen onvermijdelijk was. Hierbij is ervoor gekozen om de voormalige ICEG ook nu als aparte regeling uit te werken, aangevuld met dataprocessen die voorheen elders waren geregeld, bijvoorbeeld in de meetcodes. Ten tijde van de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer werd al duidelijk dat onzeker was of deze aparte regeling tijdig klaar zou zijn. Daarom is toen bij nota van wijziging al voorzien in overgangsrecht (artikel 7.52 en 7.53). Belangrijk hierbij is dat artikel 7.52 en 7.53 voorschrijven dat, mochten voorschriften met elkaar in strijd zijn, de voorschriften uit de technische codes voorgaan op de Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling. Op deze manier is beoogd eventuele onzekerheid voortijdig weg te nemen.

    Daarnaast is gedurende 2025 met diverse sectorpartijen gesproken over de aanstaande inwerkingtreding en is waar mogelijk ook gezocht naar oplossingen die bijdragen aan een soepele overgang vanuit het regime onder de voormalige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 naar het nieuwe regime onder de Energiewet. De eerder genoemde Invoeringsregeling Energiewet speelt een belangrijke rol in de overgang tussen het oude en nieuwe regime; deze is voor een zeer belangrijk deel uitgewerkt nadat de internetconsultatie half juli 2025 sloot. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn diverse aanpassingen gedaan, maar dit heeft niet in alle gevallen geleidt tot de uitkomst die sectorpartijen hadden voorgesteld; in diverse gevallen heeft dit er mee te maken dat voorschriften uit de Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn worden geïmplementeerd en er geen ruimte is om van deze voorschriften af te wijken.

  • In relatie tot de technische codes merkt Netbeheer Nederland op dat een aantal bepalingen in de huidige technische codes aandacht behoeven. Het betreft enkele bepalingen gerelateerd aan leveringszekerheid, en bepalingen gerelateerd aan het machineleesbaar en interoperabel formaat van gegevens (zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de Takencode Gas LNB en als Bijlage 7 bij de Netcode Elektriciteit). Netbeheer Nederland stelt dat gelet op de scope van de methoden en voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 3.119, eerste lid, Energiewet, dergelijke bepalingen geen onderdeel kunnen blijven van de methoden en voorwaarden en vraagt om oplossing. In reactie kan worden opgemerkt dat de artikelen 7.44, 7.52 en 7.53 Energiewet voorzien in overgangsrecht voor dergelijke situaties.

4.3 Energiemarkten (hoofdstuk 2 Energieregeling)

Contractuele verhoudingen (levering en aggregatie) – Diverse respondenten hebben gereageerd op de voorschriften inzake de contractuele verhoudingen.

I. Hoogte en voorwaarden waarborgsom – Artikel 2.1 regelt de maximale hoogte van de waarborgsom. Diverse respondenten hebben hierop gereageerd.

  • De Consumentenbond heeft in haar reactie benoemd dat een waarborgsom ter hoogte van maximaal drie maandtermijnen, dat wil zeggen een vierde deel van de verwachte jaarafrekening, afdoende zou zijn om het risico van de leverancier af te dekken, gezien de termijnen die in afdeling 2.4 opgenomen zijn ten aanzien van afsluiten van de eindafnemer. Er is gekozen voor een waarborgsom ter hoogte van maximaal een derde van de verwachte jaarafrekening, wat een flinke vermindering is voor afnemers in vergelijking met een maximering van de waarborgsom op het bedrag dat een klant vermoedelijk betaalt voor zes maanden elektriciteit en/of gas, zoals momenteel geformuleerd door de sector in de Algemene Voorwaarden van Energie-Nederland. In aanvulling daarop moet de waarborgsom redelijk en passend zijn, gelet op de individuele omstandigheden. Het is wenselijk om de waarborgsom te maximeren op een derde van de verwachte jaarafrekening, omdat dit aansluit op de termijnen uit afdeling 2.4 ten aanzien van afsluiten, maar dit ook enigszins speling biedt in de praktijk ten aanzien van deze termijnen.

  • De Consumentenbond constateert daarnaast dat er geen maatregelen worden genomen in de vorm van een garantiefonds of een verplichte derdengeldenrekening om betaalde waarborgsommen veilig te stellen voor het geval een energieleverancier in faillissement zou komen te verkeren. Er is besloten om af te zien van dergelijke maatregelen, omdat zij een vergaande verplichting opleggen aan energieleveranciers waarmee de nodige kosten gemoeid zijn, die uiteindelijk doorberekend zullen worden aan alle afnemers zodat alle eindafnemers daaraan meebetalen. Om die reden is besloten dat er geen garantiefonds zal worden opgericht ter verzekering van de waarborgsommen. De oprichting van een beheerder ten behoeve van een derdengeldenrekening is overigens ongeschikt voor het beoogde doel, omdat deze werkwijze juist bedoeld is om gelden van derden apart te beheren, opdat de gelden niet aan de betrokken partij – in dit geval zou dat de energieleverancier zijn – gaan toebehoren. De vermogens van de beheerder van de derdengelden, vaak een stichting, en de betrokken partij, zijn volledig te scheiden. Het doel van de waarborgsom daarentegen is dat de energieleverancier deze gelden indien nodig mag verrekenen met zijn onbetaalde facturen. Een derdengeldenrekening zou dit bemoeilijken.

  • De NVVK heeft opgemerkt dat zij graag verduidelijkt willen zien dat bij het hervatten van de levering tegen dezelfde voorwaarden, als gevolg van een lopend schuldhulpverleningstraject, het niet toegestaan is om (opnieuw) een waarborgsom te vragen. Hierover staat in de grondslag in artikel 2.1 lid 2 Energiebesluit dat de waarborgsom bij het sluiten van de overeenkomst gevraagd wordt. In de toelichting bij dit artikel komt naar voren dat dit uitsluitend nieuwe klanten betreft.

  • Door Energie-Nederland is opgemerkt dat de voorbeelden die in de toelichting genoemd worden die voor de hand liggen om rekening mee te houden bij het bepalen van de hoogte van de waarborgsom, in het kader van de termen ‘redelijk en passend’, lastig zijn om te verifiëren door een leverancier. Hierover is eerder al in de toelichting opgenomen dat de hoogte van de waarborgsom zorgvuldig tot stand moet komen en toegesneden moet zijn op de situatie van de individuele huishoudelijke eindafnemer of micro-onderneming, voor zover deze redelijkerwijs bekend kan zijn bij de leverancier ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst met de afnemer.

  • Daarnaast is door Energie-Nederland opgemerkt dat niet voldoende duidelijk is hoe de verwachte jaarafrekening bepaald dient te worden. Het staat leveranciers vrij om te bepalen welke methode zij hiervoor gebruiken. Aan de toelichting is toegevoegd dat in de praktijk voor het bepalen van de verwachte jaarafrekening gebruik kan worden gemaakt van de verwachte jaarkosten.

II. Klachtenregeling – Artikel 2.2 van de Energieregeling regelt de klachtenpocedure. Door Energie-Nederland is opgemerkt dat de termijn van 8 weken voor afhandeling voor complexe klachten, die met name bij grotere afnemers voorvallen, te kort is. Om die reden is artikel 2.2 aangepast. De behandeling van een klacht van een eindafnemer wordt zo spoedig mogelijk afgerond en als het een huishoudelijk eindafnemer of een micro-onderneming betreft, wordt deze uiterlijk binnen acht weken afgerond.

III. Factureren – Paragraaf 2.1.2 van de Energieregeling bevat voorschriften over de facturatie. Verschillende respondent hebben hier op gereageerd. Eerst volgen enkele reacties over factureren in het algemeen.

Algemene opmerkingen factuurinformatie

  • Verschillende partijen hebben opmerkingen gemaakt over de begrijpelijkheid van de energierekening. Vereniging Eigen Huis (VEH) geeft aan dat ze graag een verdere standaardisatie van de energierekening zien en ook de Consumentenbond pleit voor uniformiteit van de energierekening. Met de verplichting van het voorblad waar alleen samenvattende informatie op komt te staan wordt het voor consumenten eenvoudiger om in één overzicht duidelijker te hebben hoeveel energie ze hebben afgenomen. Vereniging Eigen Huis pleit ook voor een standaard begrippenlijst. De regeling voorziet in wat er op de factuur moet staan, maar voorziet niet in een gestandaardiseerde begrippenlijst. Dit is de verantwoordelijkheid van de leverancier, een gestandaardiseerde lijst bij wet voorschrijven zou te ver ingrijpen in de eigen verantwoordelijkheid. Wel moet de factuur altijd in duidelijke en begrijpelijke taal opgesteld worden. Zo nodig kan de ACM daarop handhaven.

  • De Consumentenbond geeft aan dat de toelichting en de regeling niet overeen lijken te komen als het gaat om een begrijpelijke energierekening. Alleen voor het voorblad is expliciet opgenomen dat deze in duidelijke en begrijpelijke taal opgesteld moet worden. Artikel 2.7 van de Energiewet, eerste lid, stelt het volgende: Een leverancier verstrekt zijn eindafnemers periodiek en kosteloos een factuur, factureringsinformatie en informatie over energiebronnen (...) waarin dit op transparante en begrijpelijke wijze is weergegeven. De eis ten aanzien van de begrijpelijkheid van de factuur is dus op wetsniveau vastgelegd voor deze communicatie. Dit is voor artikel 2.5, derde lid, van het besluit gelijkgetrokken met artikel 2.5, eerste lid, van het besluit.

  • Energie-Nederland merkt op dat er meer onderdelen zijn toegevoegd aan de factuur, hetgeen de leesbaarheid mogelijk niet ten goede komt. Deze opmerking ziet op onderdelen die zijn toegevoegd door de implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn. Hier is dus geen sprake van nationale ruimte om af te wijken van de bepalingen uit bijlage 1 van de Elektriciteitsrichtlijn.

Factureren

  • Netbeheer Nederland merkt op dat bij artikel 2.3 een soortgelijke bepaling ten aanzien van teruglevering van de leverancier mist. In dit artikel is de frequentie van facturering genoemd, dit is minimaal een keer per jaar. Het eerste lid ziet op de leverancier. Op basis van artikel 2.5 verstrekt een leverancier (in voorkomend geval) ook tenminste eenmaal per jaar informatie over de teruggeleverde elektriciteit aan een huishoudelijke eindafnemer of micro-onderneming.

  • Meerdere respondenten hebben gereageerd op artikel 2.5. Waar mogelijk zijn hun opmerkingen overgenomen. Zo zijn verschillende bepalingen aangepast om duidelijker de praktijk weer te geven of is er extra context geplaatst in de toelichting. Voor verschillende bepalingen geldt dat het implementatie uit bijlage 1 van de Elektriciteitsrichtlijn uit 2019 betreft. Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben opgemerkt dat enkele bepalingen alleen noodzakelijk zijn onder de salderingsregeling. Er is toegevoegd welke bepalingen vervallen nadat op 1 januari 2027 salderen vervalt. Ook hebben meerdere respondenten gereageerd op de verplichting van een voorblad (artikel 3, derde lid). Naar aanleiding van deze reacties is er verduidelijkt dat een termijn op het voorblad alleen opgenomen dient te worden indien de leverancier werkt met een termijnbedrag.

  • Meerdere respondenten hebben gereageerd op artikel 3, vierde lid. Dit betreft een implementatie van bijlage 1 van de Elektriciteitsrichtlijn. Het vijfde lid is toegevoegd met een dynamische verwijzing naar de relevante bijlagen van verordening 2016/1952. Indien een leverancier een nadere uitsplitsing van de kosten voor levering opneemt op de factuur dan de Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn voorschrijft, dan doet hij dat overeenkomstig de begripsomschrijvingen in die richtlijn.

  • Netbeheer Nederland, Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben meerdere reacties gegeven over de uitvoerbaarheid van artikel 2.7. Naar aanleiding van deze reacties is het artikel aangepast en is de artikelsgewijze toelichting gewijzigd.

IV. Verbruikskostenoverzicht – Enkele respondenten hebben vragen gesteld over het onderdeel ‘Informeren verbruikskostenoverzicht’, zoals geregeld in paragraaf 2.1.3 van de Energieregeling.

  • Netbeheer Nederland geeft aan dat wat hen betreft de naam ‘verbruikskostenoverzicht’ de lading niet goed dekt en stelt voor om aan te sluiten bij de in bestaande regelgeving gehanteerde benaming ‘verbruiks- en indicatief kostenoverzicht’. Deze suggestie wordt niet overgenomen. Verbruikskostenoverzicht sluit beter aan bij de in praktijk gebruikte benaming.

  • Een anonieme respondent merkt op dat het beter lijkt om de frequentie van het verbruikskosten overzicht gelijk te houden aan twaalf maanden in plaats van zes maanden, zoals opgeschreven in artikel 2.8. Energie-Nederland merkt op dat de verhoging van de frequentie van het verbruikskosten van één naar twee keer per jaar een grote inspanning en impact op de processen en daarmee kosten met zich meebrengt als dit ook moet gebeuren bij eindafnemers met een niet op afstand uitleesbare meter. Daarbij merkt Energie-Nederland op dat een verbruikskosten overzicht voor deze groep eindafnemers alleen mogelijk is indien de meterstanden doorgegeven worden. De verhoging van de frequentie van het verbruikskosten overzicht betreft implementatie van bijlage 1, punt 2, onder b, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage 1, punt 2, onder b, van de Gasrichtlijn. In de artikelsgewijze toelichting is verduidelijkt dat in deze gevallen de leverancier alleen een verbruikskostenoverzicht kan verstrekken als de eindafnemer de meterstanden doorgeeft.

  • Netbeheer Nederland stelt voor de opbouw van artikel 2.8 te wijzigen. Deze wijziging wordt niet overgenomen, gezien de hoofdregeling uit de Richtlijn.

  • Een anonieme respondent en Energie-Nederland hebben verzocht om in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel e, ‘in grafische vorm’ achterwege te laten. Dit is niet overgenomen. ‘In grafische vorm’ is bedoeld om de begrijpelijkheid van het verbruikskostenoverzicht ten goede te komen. Voorts betreft dit een implementatie van bijlage 1, 1.3, onder a, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage 1, 1,3, onder a, van de Gasrichtlijn.

  • Energie-Nederland en een anonieme respondent merken op dat bij artikel 2.11 niet in alle gevallen de data van de afgelopen 36 maanden beschikbaar is, bijvoorbeeld als de eindafnemer de afgelopen 36 maanden met een onderbreking energie heeft afgenomen. Netbeheer Nederland stelt voor de zinsnede ‘indien dit korter is’ in te voegen tussen ‘de afgelopen 36 maanden of’ en ‘in de periode van de leveringsovereenkomst’. Dit is niet overgenomen. Het artikel geeft aan dat het gaat om een periode van 36 maanden of de periode van de leveringsovereenkomst. Als er geen data beschikbaar is van de gehele 36 maanden gaat het dus over de periode van de leveringsovereenkomst.

V. Informatie-uitwisseling factuur- en verbruikskostenoverzicht – Enkele respondenten hebben vragen gesteld over ‘Informatie uitwisseling factuur en verbruikskostenoverzicht’, zoals geregeld in paragraaf 2.1.3 van de Energieregeling.

  • Energie-Nederland en een anonieme respondent geven aan dat bij artikel 2.13 er sterker naar voren mag komen dat de verzending van een factuur of verbruikskostenoverzicht bij voorkeur via de elektronische weg gaat. Deze suggestie is niet overgenomen. Dit artikel gaat uit van de verzending middels elektronisch weg, tenzij de eindafnemer verzoekt om verzending per post of als verzending langs elektronische weg niet mogelijk is.

  • Netbeheer Nederland merkt op dat bij artikel 2.14 de bepaling gelezen kan worden als eis om een openbare internetpublicatie van persoonlijke gebruiksgegevens door de leverancier. Energie-Nederland vraagt dit aan te passen naar digitaal beschikbaar. Dit is ter verduidelijking van de bepaling overgenomen en verder verduidelijkt in de toelichting.

  • Een anonieme respondent verzoekt om de periode van 24 maanden te wijzigen naar 36 maanden, zodat deze bepaling gelijkgetrokken wordt met artikel 8. Deze wijziging is niet overgenomen omdat het een implementatie van de Richtlijn betreft.

  • Energie-Nederland vraagt om verduidelijking van de bepaling met betrekking tot de eis dat de verbruiken per periode waarvoor de prijs vaststaat vermeld moeten worden. De bepaling is in deze vorm opgenomen om voor eindafnemers met een dynamisch contract inzichtelijk te maken hoeveel het verbruik per prijsperiode is.

VI. Stroometikettering – Enkele respondenten hebben vragen gesteld over de stroometikettering, zoals geregeld in paragraaf 2.1.5 van de Energieregeling.

  • Een anonieme respondent heeft een opmerking gemaakt over de wijze van rapporteren over de hoeveelheden geleverde garanties en certificaten van oorsprong. Naar aanleiding van deze opmerking is in de toelichting verduidelijkt dat de ACM erop toeziet dat de afgeboekte hoeveelheden overeenkomen met de totale geleverde hoeveelheden.

  • Een anonieme respondent brengt de vraag naar voren of er een met het ‘stroometiket’ vergelijkbaar etiket komt voor gas (een ‘gasetiket’), zodat het bijvoorbeeld mogelijk is om te zien hoeveel procent van het gas groen of grijs is. In reactie kan worden opgemerkt dat de (nieuwe) Gasrichtlijn bepaalde vereisten bevat voor de factuur en de overeenkomst voor gas, die gelijkenissen vertonen met de vereisten die in het stroometiket zijn opgenomen. Zo bepalen artikel 11, derde lid, sub g, en bijlage I, artikel 5 van de Gasrichtlijn dat de energieleverancier gegevens verstrekt over het aandeel hernieuwbaar gas en het aandeel koolstofarm gas. In het geval van een mix verstrekt de leverancier dezelfde informatie afzonderlijk voor verschillende gascategorieën, met inbegrip van hernieuwbaar gas of koolstofarm gas. Dit vereiste wordt met de (lopende) implementatie van de Gasrichtlijn in de Energiewet en/of lagere regelgeving opgenomen en uitgewerkt.

VII. Overstappen – Paragraaf 2.1.6 bevat enkele voorschriften inzake het overstappen.

  • Energie-Nederland heeft diverse opmerkingen ten aanzien van artikel 2.18. Samenvattend kan gesteld worden dat met name het bepaalde in lid 3 van dit artikel, waarin stond dat een (nieuwe) leverancier of een marktdeelnemer die aggregeert zorgdraagt dat een overstap binnen een termijn van ten hoogste 24 uur op een werkdag gerekend van het moment dat het verzoek administratief verwerkt is, onvoldoende duidelijk was. Meer specifiek was onvoldoende duidelijk wat de verantwoordelijkheden van de leverancier hierbij zijn en kon gelezen worden dat enkel de leverancier verantwoordelijkheden heeft in het proces rondom de overstap.

    Naar aanleiding van deze reactie is het artikel aangepast. Geregeld wordt nu dat de nieuwe leverancier, marktdeelnemer die aggregeert of balanceringsverantwoordelijke, wanneer een eindafnemer naar hem overstapt, daarvan (i) onverwijld mededeling doet aan de relevante registerbeheerder en (ii) de eindafnemer zo spoedig mogelijk informeert. Hierbij moeten de interoperabiliteitsvoorschriften en procedures die zijn vastgesteld bij of krachtens artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitsrichtlijn in acht worden genomen. Dit betreffen zogeheten uitvoeringsverordeningen die de Europese Commissie ontwikkelt en die onder andere zien op de overstapprocedures.

  • Een anonieme respondent vraagt of het gegeven dat een nieuwe leverancier zorgdraagt voor het goed regelen van de overstap betekent dat dit in het geval van een overstap wegens een verhuizing betekent dat een afnemer de oude leverancier niet meer op de hoogte hoeft te brengen van een adreswijziging. Dit is niet het geval. Een overstap naar een nieuwe leverancier wordt in de huidige voorschriften (Informatiecode Elektriciteit en Gas) een ‘leveranciersswitch’ genoemd. Hierbij blijft het aansluitingsadres hetzelfde. Indien er sprake is van een verhuizing – met een nieuw aansluitingsadres – en een afnemer een nieuwe leveringsovereenkomst afsluit met een nieuwe leverancier, dan is dit formeel een ander proces dan de hiervoor genoemde overstap/ leveranciersswitch. Een afnemer dient een verhuizing altijd door te geven aan zijn huidige leverancier.

VIII. Hoogte en voorwaarden opzegvergoeding – Diverse respondenten hebben gereageerd op de uitwerking van de voorschriften in paragraaf 2.1.7 inzake de hoogte van de opzegvergoeding, zoals opgenomen in artikel 2.15 Energiewet.

  • Ten aanzien van artikel 2.19 geldt dat verschillende suggesties van Netbeheer Nederland, Energie-Nederland en een anonieme respondent zijn verwerkt. Zo is verduidelijkt dat indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld een leverancier bij de berekening van de resterende hoeveelheid het standaard jaarverbruik, de standaard jaarafname en de standaard jaar-invoeding wordt gebruikt. Ook dient de leverancier rekening te houden met de spreiding van de afname en invoeding van elektriciteit of het verbruik van gas gedurende de resterende looptijd van de leveringsovereenkomst. Wanneer er geen administratief ingeschakelde communicatiefunctionaliteit is, wat niet het uitgangspunt is, dan wordt teruggevallen op de eis dat een leverancier bij het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding een objectieve en transparante berekeningswijze moet hanteren. Daarbij kan de leverancier alsnog gebruik maken van de hiervoor genoemde datasets. In de toelichting is verduidelijkt dat bij het berekenen van het resterende verbruik gebruik moet worden gemaakt van het meest actuele standaard jaarverbruik, standaard jaarafname en de standaard jaar-invoeding.

  • Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben opgemerkt dat verduidelijkt moet worden dat ‘de overeengekomen prijs’ enkel over het deel van de prijs zou moeten gaan dat vast overeengekomen is. Naar aanleiding van deze opmerking is er geen wijziging aangebracht, omdat dit reeds voldoende uit de grondslagen in de Energiewet blijkt (de artikelen 2.15, eerste lid, en 2.39 Energiewet).

  • Ook is door Energie-Nederland en een anonieme respondent opgemerkt dat de formule voor het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding te beperkend is, omdat de vast overeengekomen kosten niet meegenomen zijn in de formule. Het klopt dat de vast overeengekomen kosten niet meegenomen zijn in de formule voor het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding, want deze formule ziet enkel op het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding voor de vast overeengekomen prijs. De berekening van de hoogte van de opzegvergoeding is bedoeld om het inkooprisico van de leverancier, voor energie die hij zou gaan leveren aan een klant die voortijdig opzegt, af te dekken.

  • Netbeheer Nederland heeft in haar consultatiereactie opgenomen dat de berekeningsmethode generiek zou moeten gelden en mogelijk ook vastgesteld dient te worden door de ACM. Dit in plaats van een individuele berekeningsmethode die per eindafnemer kan verschillen. Voornoemde reactie is niet overgenomen. Het is de bedoeling dat de berekeningsmethode tot zo weinig mogelijk verschillen leidt tussen eindafnemers bij het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding. Naar aanleiding van het sectoronderzoek van de ACM naar de ‘Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023’ zijn in de tekst een aantal aanpassingen doorgevoerd om dit te ondersteunen. Zo is nader afgebakend hoe het resterende verbruik berekend moet worden en welk referentieproduct gebruikt moet worden bij het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding.

  • Ten aanzien van artikel 2.20 is door Energie-Nederland en een anonieme respondent om verduidelijking gevraagd, omdat de opzegvergoeding voor een aggregatieovereenkomst minder sterk gereguleerd is dat de opzegvergoeding voor een leveringsovereenkomst. Ten aanzien van dit punt is de toelichting aangevuld.

  • Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben terecht opgemerkt dat het referentieproduct als bedoel in artikel 2.21 dezelfde looptijd zou moeten hebben als de resterende looptijd van de leveringsovereenkomst. Indien dit niet het geval is, wordt niet voldaan aan de eis vanuit Europese regelgeving dat de opzegvergoeding niet meer mag bedragen dan het rechtstreeks economische verlies van de leverancier. De regeling is op dit punt aangepast.

  • Door Energie-Nederland is ten aanzien van artikel 2.22 de vraag gesteld waarom geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen de voorlopige en definitieve hoogte van de opzegvergoeding. Ten opzichte van de ‘Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023’ is de voorlopige opzegvergoeding komen te vervallen en krijgt de eindafnemer direct de definitieve opzegvergoeding, zodat de eindafnemer meteen weet waar hij aan toe is. De hoogte van deze opzegvergoeding blijft, op grond van lid 2, onderdeel b van het derde lid, voor twee maanden vaststaan. Indien een eindafnemer meer dan twee maanden voor de datum van het opzeggen of de overstap dit aankondigt, dan moet de leverancier de hoogte opnieuw berekenen na twee maanden. Deze wijziging is overgenomen vanuit de aanbevelingen van de ACM naar aanleiding van onderzoek naar de werking van de ‘Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023’.

  • De Consumentenbond heeft over artikel 2.23 opgemerkt dat de berekening van de opzegvergoeding kenbaar en navolgbaar moet zijn en dat het daarom verplicht gesteld zou moeten worden om naast een vermelding van de hoogte van de opzegvergoeding ook de berekening met toelichting op de eindafrekening (factuur) te vermelden. Deze opmerking is overgenomen en verwerkt in het tweede lid van dit artikel alsook in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel l.

  • Energie-Nederland en een anonieme respondent hebben verzocht om artikel 2.24 te laten vervallen. Hierin staat dat bij een vroegtijdige opzegging die in de periode van zeven kalenderdagen voor de einddatum van de leveringsovereenkomst plaatsvindt, geen opzegvergoeding betaald dient te worden door de eindafnemer. Aan dit verzoek is gehoor gegeven door het artikel aan te passen, aangezien dit in de praktijk een rechtstreeks economisch verlies voor de leverancier kan opleveren. Bij eindafnemers met een grote aansluiting kan namelijk nog een behoorlijk resterend verbruik bestaan. Voor eindafnemers met een kleine aansluiting geldt dat de opzegvergoeding waarschijnlijk laag of nihil is, omdat het resterende verbruik laag is. Het ligt voor de hand dat een leverancier een afnemer informeert in de situatie dat een leveringsovereenkomst binnen zeven dagen afloopt op het moment van opzeggen door de afnemer, indien dit leidt tot het in rekening brengen van een opzegvergoeding. Zo wordt de afnemer tijdig op de mogelijkheid gewezen om de overstapdatum beter aan te laten sluiten bij de einddatum van de leveringsovereenkomst. Dit is toegevoegd aan de toelichting bij artikel 2.24.

  • Daarnaast heeft Energie-Nederland opgemerkt dat de bedenktijd voor een micro-onderneming volgens de Energieregeling onduidelijk en onjuist is en niet strookt met het Burgerlijk Wetboek. In het artikel is geregeld dat er geen opzegvergoeding in rekening mag worden gebracht indien de overeenkomst (1) wordt opgezegd binnen de wettelijke bedenktermijn of (2) indien deze termijn niet van toepassing is, een andere bedenktermijn die uit de overeenkomst blijkt. Het artikel voorziet dus reeds in de mogelijkheid dat de bedenktermijn uit het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is.

  • Energie-Nederland, de Consumentenbond en een anonieme respondent hebben ten aanzien van artikel 2.25 opgemerkt dat er een niet uitputtende lijst van omstandigheden opgesteld zou moeten worden waarbij de opzegvergoeding lager vastgesteld zou moeten worden. Hierover is besloten dat een lijst van dergelijke omstandigheden onwenselijk is, omdat een verlaging van de opzegvergoeding tegenover andere klanten te rechtvaardigen moet zijn en dit per geval getoetst moet worden. Deze kosten moeten immers uiteindelijk op andere klanten verhaald worden.

  • Ten aanzien van artikel 2.26 heeft Energie-Nederland opgemerkt dat duidelijk moet zijn dat een voordeel verrekend moet kunnen worden. In onderdeel b van dit artikel komt terug dat een voordeel dat teruggevorderd kan worden bij voortijdig opzeggen uiterlijk bij de tweede inning verrekend of uitbetaald moet zijn aan de eindafnemer of actieve afnemer. Dit is niet veranderd ten opzichte van de eerdere regels hierover. Daarnaast heeft Energie-Nederland verzocht om in dit artikel op te nemen dat het voordeel niet uitbetaald hoeft te worden als een klant voortijdig opzegt tijdens het eerste jaar van levering. Ten aanzien van dit verzoek geldt dat dit niet overgenomen is, omdat niet voorgeschreven wordt op welk moment het voordeel uitbetaald moet worden door de leverancier. De leverancier kan hier dus zelf afspraken over maken met de afnemer, zo lang hierover transparantie bestaat. Dit is verankerd in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel d, van het Energiebesluit.

  • De Consumentenbond heeft ten aanzien van artikel 2.26 opgemerkt dat betreurd wordt dat er niet meer beperkingen zijn opgelegd aan het bonussysteem. Meer specifiek pleit de Consumentenbond ervoor dat een voordeel enkel in geldelijke vorm uitgekeerd zou moeten worden en dat een voordeel meteen aan het begin van het contract, na afloop van de 14 dagen bedenktijd en binnen één maand na levering aan de consument uitgekeerd moeten worden. Hierdoor zijn zogenoemde loyaliteitsbonussen niet meer mogelijk. Daarnaast pleit de Consumentenbond ervoor dat de termijnen in het eerste lid, onderdelen b en c, ten aanzien van mogelijke terugvordering van voordelen ingeperkt moeten worden.

    In artikel 2.2 van het Energiebesluit is opgenomen dat voordelen, zoals kortingen, aanbiedingen, bonussen, welkomstaanbiedingen en loyaliteitsbonussen, enkel in geldelijke vorm uitgekeerd mogen worden aan afnemers. Dit betreft nieuw nationaal beleid en beoogt een hoog beschermingsniveau voor consumenten met als doel transparantie en betere vergelijkbaarheid van contractuele voorwaarden. Het is wenselijk dat het aanbieden van voordelen blijft bestaan in de energiemarkt, omdat dit zorgt voor concurrentie tussen leveranciers en daarmee bijdraagt aan een interessant en concurrerend aanbod voor afnemers. De door de Consumentenbond voorgestelde aanpassingen maken daarentegen het aanbieden van voordelen bijna onmogelijk, omdat het te gemakkelijk zou worden voor afnemers om een bonus te innen en vervolgens aan het begin van de leveringsovereenkomst, wanneer de opzegvergoeding laag is, voortijdig op te zeggen. Dat voordelen enkel nog in geldelijke vorm uitgekeerd mogen worden, is zoals benoemd nieuw beleid en veroorzaakt reeds een behoorlijke verandering ten aanzien van voordelen en de contractsvrijheid die leveranciers hierbij eerder hadden. Evaluatie is benodigd voordat tot verdere aanscherping wordt overgegaan.

  • Een anonieme respondent heeft ten aanzien van artikel 2.26 om verduidelijking gevraagd. In het tweede lid van dit artikel stond dat een marktdeelnemer de uitbetaling van een in een overeenkomst opgenomen geldelijk voordeel voor het gedurende een in de overeenkomst bepaalde periode niet opzeggen of overstappen voorafgaand aan de opzegging van de overeenkomst niet inhoudt en de uitbetaling niet terugvordert. Dit lid is inmiddels geschrapt vanwege overbodigheid, omdat wat hier geformuleerd staat al blijkt uit de onderlinge afspraken die gemaakt zijn in de leveringsovereenkomst ten aanzien van de loyaliteitsbonus. Deze afspraken moeten, vanzelfsprekend, nagekomen worden.

De eisen aan de leveringsvergunning (bij kleine aansluitingen)

Diverse respondenten hebben opmerkingen geplaatst bij de vergunningseisen. Deze opmerkingen zien op het (I) verstrekken van gegevens bij de aanvraag van een leveringsvergunning dan wel het doorlopend toezicht en (II) de invulling van de vergunningseisen. Daarnaast doen enkele respondenten voorstellen voor aanvullende vergunningseisen (III). De opmerkingen worden hieronder nader toegelicht.

I. Gegevensverstrekking bij vergunningaanvraag en doorlopend toezicht

  • Een anonieme respondent stelt dat de EAN-code (de unieke identificatiecode) die ingevolge onderdeel e van artikel 2.28, tweede lid, moet worden aangeleverd, moet worden verbreed naar teruglevering. Dit is niet overgenomen. Daar de vergunningplicht alleen geldt voor levering aan eindafnemers met een kleine aansluiting, worden geen eisen gesteld ten aanzien van teruglevering.

  • Een anonieme respondent en Energie-Nederland hebben aangegeven dat het niet direct duidelijk is wanneer de leverancier een assurance-rapport moet laten opstellen door een onafhankelijke accountant. Deze vergunningseis is opgenomen in artikel 2.28, eerste lid, onderdeel i. Het klopt dat het assurance-rapport (door een onafhankelijke accountant) bij de aanvraag wordt vereist (artikel 2.32). Het rapport wordt echter alleen opgevraagd bij de vergunninghouder (na vergunningverlening) wanneer de ACM daartoe aanleiding ziet (zie ook artikel 2.33). In de toelichting is verduidelijkt hoe hier in de toezichtspraktijk invulling aan wordt gegeven.

  • Een anonieme respondent stelt dat er voor enkele aan te leveren documenten (c. een gewaarmerkt uittreksel uit het handelsregister, h. een verklaring van de rechtbank dat de aanvrager niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert, l. een VOG en m. een Bibob-formulier) ook een buitenlands equivalent moet kunnen worden aangeleverd. Ook Energie-Nederland heeft hier in haar reactie een opmerking over geplaatst. De aanvrager van een leveringsvergunning aan eindafnemers met een kleine aansluiting dient haar Nederlandse vestiging te registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daarmee kan ook een verklaring van de rechtbank dat de aanvrager niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert worden opgevraagd. Om die reden is een buitenlands equivalent niet relevant voor de documenten beschreven in onderdeel c en h. Wel kan de aanvrager buitenlandse bestuurders hebben die geen ingezetenen zijn van Nederland (zij zijn niet ingeschreven in het Basis Register Personen, BRP). In dat geval is het aan de ACM om het buitenlandse equivalent van onderdeel l (VOG) en m (Bibob) te beoordelen. In de toelichting is verduidelijkt op welke manieren de aanvrager kan voldoen aan deze eis, waarbij wordt aangesloten op de gangbare praktijk in andere sectoren. De ACM zal beoordelen of het buitenlandse equivalent voldoende aantoont dat er geen strafbare feiten zijn begaan die van invloed kunnen zijn op de werkzaamheden of taak die uitgeoefend wordt.

  • Energie-Nederland vraagt naar de wijze van het verstrekken van gegevens wanneer de vergunninghouder een gebroken boekjaar hanteert. In de toelichting is verduidelijkt dat er met de ACM kan worden overeengekomen hoe om te gaan met het verstrekken van gegevens wanneer de vergunninghouder of aanvrager van een vergunning een gebroken boekjaar hanteert.

II. Invulling vergunningseisen

  • Energie-Nederland verzoekt om de bevoegdheid van de ACM ten aanzien van de toepassing van de Wet Bibob op bestaande vergunninghouders af te bakenen. Ook verzoekt Energie-Nederland om te verduidelijken welke informatie energieleveranciers bij een Bibob-toets dienen aan te leveren. In reactie daarop kan het volgende worden opgemerkt. Het is van belang dat eindafnemers (met een kleine aansluiting) beleverd worden door betrouwbare energieleveranciers. Onder de Energiewet wordt daarom zowel bij aanvraag van een vergunning als bij wijziging van een vergunning (bijv. bij aandelenoverdracht) een Bibob-onderzoek uitgevoerd. Daarnaast kan de ACM in het doorlopend toezicht deze bevoegdheid inzetten wanneer zij daar aanleiding toe ziet. De inzet van deze bevoegdheid dient door de ACM onderbouwd te worden en kan niet zonder meer worden ingeroepen. Wanneer de ACM haar bevoegdheid inzet zal zij tevens kenbaar maken welke gegevens nodig zijn.

  • Energie-Nederland heeft tevens opgemerkt dat bij het overzetten van de bepalingen in de huidige beleidsregel van de ACM63 naar een ministeriële regeling onder de Energiewet niet alle bepalingen een op een zijn overgenomen. In algemene reactie hierop kan worden opgemerkt dat een beleidsregel richting geeft aan de uitvoering van bevoegdheden door bestuursorganen. De Energieregeling legt echter directe verplichtingen op (in dit geval in de vorm van vergunningseisen). Het is daarom mogelijk dat er voor sommige bepalingen uit de beleidsregel van de ACM geen directe overzetting kan plaatsvinden. De ACM behoudt waar nodig ruimte om nadere uitwerking te geven aan hoe zij toezicht houdt op het bepaalde in de Energieregeling.

  • Energie-Nederland signaleert in dezen specifiek het ontbreken van de oninbaarheid van de omzet van 5% in artikel 2.29. In reactie daarop kan worden opgemerkt dat het hierbij gaat om een onderdeel van de vereiste solide financiële positie in artikel 2.10 van het Energiebesluit. De ACM beoordeelt daarbij of de stand van de liquide middelen gedurende de komende twaalf maanden ook positief blijft bij toepassing van door haar vast te stellen verschillende scenario’s, waar de oninbaarheid van de omzet van 5% onderdeel van kan zijn.

  • Energie-Nederland constateert ook dat artikel 2.30 met betrekking tot de inkoopstrategie niet een op een is overgenomen van de beleidsregel van de ACM. Daarbij kan worden opgemerkt dat in dit specifieke geval is geconcludeerd dat het toezien op de naleving van de verplichting in dit artikel aangaande het volledig afdekken van de inkoop van afgesloten leveringsovereenkomsten moet worden bezien in samenhang met artikel 2.34 met betrekking tot herstelmaatregelen. Het is aan de ACM om te beoordelen of de tijdspanne dat er geen volledige dekking is, zodanig kort is dat daaraan verbonden risico’s voor de financiële positie als bedoeld in artikel 2.29 door hem kan worden beheerst. Wanneer dit niet het geval is, kan de ACM verzoeken om herstelmaatregelen (zie artikel 2.34). Hiermee wordt de huidige praktijk voortgezet.

III. Suggesties voor aanvullende vergunningseisen

  • Meerdere respondenten (anoniem, Energie-Nederland en Netbeheer Nederland) geven daarnaast aan dat de lijst met gegevens in artikel 2.28, tweede lid, niet volledig is. In reactie daarop kan het volgende worden opgemerkt.

    De gegevens die in artikel 2.28, tweede lid, zijn opgenomen, zijn niet alleen relevant in het kader van de vergunningseisen, maar bepalen ook welke gegevens er ex artikel 2.15 van het Energiebesluit worden overgedragen aan de noodleverancier indien een leverancier wegvalt. Artikel 2.28, tweede lid, bepaalt dat de leverancier in elk geval de daar genoemde gegevens in zijn administratie heeft opgenomen. Voor zover wettelijk toegestaan, staat het de leverancier vrij om meer gegevens op te nemen in zijn administratie.

    Op grond van artikel 2.15 van het Energiebesluit, draagt de wegvallende leverancier de gegevens genoemd in artikel 2.28, tweede lid, over aan de noodleverancier. Uit een rondvraag bij de verschillende stakeholders kwam naar voren dat het (voor een soepele klantenoverdracht) wenselijk is om, indien de eindafnemer is ingeschreven in het handelsregister, ook het KvK-nummer van de desbetreffende eindafnemer in de administratie op te nemen. Ook wordt ten behoeve van de vroegsignalering door gemeenten de geboortedatum toegevoegd aan deze lijst met gegevens, indien het om een huishoudelijk eindafnemer gaat. Hierover heeft onder andere NVVK een opmerking geplaatst. Ofschoon een stakeholder naar voren bracht dat wenselijk zou zijn om in het kader van de restverdeling, als noodleverancier ook de gegevens van de contactpersoon van een rechtspersoon te ontvangen, is er niet voor gekozen om dit op te nemen in de lijst van artikel 2.28, tweede lid, omdat leveranciers daarmee verplicht worden om deze gegevens te administreren.

  • Een anonieme respondent geeft aan dat, gelet op de toenemende digitalisering van de samenleving, het aannemelijk zou zijn om (proportioneel) eisen op digitaal en securityvlak op te nemen bij het verstrekken van een leveringsvergunning. In reactie daarop kan het volgende worden opgemerkt.

    Ten eerste, bij de beoordeling van de aanvraag van een vergunning toetst de ACM onder andere of de energieleverancier voldoet aan de eisen met betrekking tot de organisatorische kwaliteit. Als onderdeel daarvan dient de leverancier aan te tonen dat hij beschikt over een goede administratieve organisatie met interne en externe controle daarop. Dit wordt ook wel een AO/IC (Administratieve Organisatie/Interne Controle) genoemd. Bij de vergunningaanvraag dient de leverancier daarnaast ook een assurance-rapport van een onafhankelijke accountant (externe controle) aan te leveren. In de huidige praktijk van vergunningverlening en het doorlopend toezicht is het beoordelen van leveranciers op basis van het bestaande Toetsingskader AO/IC (Administratieve Organisatie/Interne Controle) reeds jaren vaste praktijk. Als onderdeel van de AO/IC dient een aanvrager aan te tonen dat hij beschikt over een methodiek om de continuïteit van gegevensverwerking te waarborgen. Dit doet hij door in elk geval een beschrijving aan te leveren van de wijze waarop hij de continuïteit van gegevensverwerking waarborgt tegen brand, diefstal, cybercrime en fraude (zie artikel 2.28, eerste lid, onderdeel g). Daaronder vallen bijvoorbeeld maatregelen om verlies van originele contracten, klachten en elektronische data te voorkomen, het in staat zijn gegevens terug te halen en een functionele en technische scheiding in toegang tot de gegevens.

    Daarnaast dient een vergunninghouder een beschrijving van verschillende risico's op te nemen in zijn risicomanagementplan. Hieronder vallen ook de operationele en IT risico's (zie ook artikel 2.29, vijfde lid). Voor meer informatie over de toetsingscriteria van de ACM hierbij wordt verwezen naar haar website. De ACM houdt toezicht op het blijvend voldoen aan de vergunningseisen en kan indien nodig haar toezichts- en handhavingsbevoegdheden inzetten om (tussentijds) in te grijpen als een energieleverancier zich niet aan deze eisen houdt.

    Tot slot ziet hoofdstuk 4 van de Energiewet op het beheren en uitwisselen van gegevens. Hierin is onder andere uitgewerkt dat alle partijen (dus ook alle energieleveranciers) die gegevens verzamelen, aanleveren, ontvangen, bewerken of in een register hebben opgenomen, passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de beveiliging van die gegevens te beheersen (zie artikel 4.3 Energiewet). Ook moeten beveiligingsincidenten aan de minister worden gemeld (artikel 4.4 Energiewet en artikel 4.18 Energiebesluit).

Leveranciersmodel: faciliteren aansluit- en transportovereenkomst en innen tarieven

Afdeling 2.3 van de Energieregeling bevat de uitwerking van het zogeheten leveranciersmodel. De Energieregeling neemt op dit punt grote delen van de voormalige Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en de voormalige ICEG over, maar voegt daar ook nieuwe elementen aan toe om geconstateerde knelpunten rondom het faciliteren door leveranciers bij de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst (ATO) op te lossen. In onderdeel 5 van paragraaf 2.3 is dit nader toegelicht.

I. Algemeen: leveranciersmodel; verhouding ATO en de leveringsovereenkomst – Energie-Nederland is kritisch over de uitwerking in de Energieregeling met name omdat de ATO-verplichtingen voor de leveranciers te vergaand worden gevonden. Zij achten dit onwenselijk en onwerkbaar. Met name de uitwerking van de ‘faciliterende rol’ van de leveranciers bij de totstandkoming van de ATO (uitwerking artikel 2.28 Energiewet), vindt Energie-Nederland een te ingrijpende wijziging voor leveranciers ten opzichte van de huidige afspraken zoals vastgelegd in de voorwaarden van de ICEG.

  • Energie-Nederland geeft aan dat de (concept) toelichting op sommige plekken ten onrechte de indruk wekt dat in de Energieregeling voorschriften ‘beleidsneutraal’ zijn overgenomen uit de ICEG, terwijl de opgenomen voorschriften wel degelijk impact hebben. Dit is terecht; de toelichting is waar relevant herzien.

  • Energie-Nederland trekt in twijfel dat een geldige ATO een voorwaarde vormt voor het rechtsgeldig tot stand komen van de leveringsovereenkomst, zoals opgenomen in de ontwerpregeling. Men geeft aan: ‘Waarom zou de ATO een voorwaarde vormen voor het rechtsgeldig tot stand komen van een leveringsovereenkomst terwijl het twee verschillende overeenkomsten zijn die onafhankelijk van elkaar afgesloten kunnen worden; leveringsovereenkomst zonder actieve aansluiting heeft weinig zin, maar kan wel, namelijk met een verbruik van nul’.

In reactie hierop kan opgemerkt worden dat dit juist één van de kernuitgangspunten van de Energiewet is: het juridisch beschikken over een aansluiting is voorwaardelijk aan het kunnen contracteren van een of meerdere diensten op de aansluiting, zoals een leveringsovereenkomst. Dit is op verschillende manieren vastgelegd in de Energiewet:

  • Artikel 3.41 vereist dat een TSB of DSB een aanbod doet om een aansluiting in werking te stellen, in gebruik te geven, te beheren en te onderhouden. Na aanvaarding van dit aanbod kan gesproken worden over een ‘aangeslotene’, namelijk de persoon ‘die van een systeembeheerder de beschikking heeft gekregen over een aansluiting’ (zie artikel 1.1). De ATO vormt de privaatrechtelijke vastlegging van deze gesloten overeenkomst.

  • Artikel 2.1 spreekt over een aangeslotene die een leveringsovereenkomst afsluit, waarna deze persoon tevens ‘eindafnemer’ wordt. Dit komt overeen met het begrip ‘eindafnemer’, namelijk ‘een aangeslotene die elektriciteit of gas koopt of wil kopen voor eigen gebruik’.

  • Artikel 2.2 regelt dat er meerdere marktdeelnemers op de aansluiting actief kunnen worden. Hierbij is de eindafnemer het uitgangspunt, dus ‘de aangeslotene die elektriciteit of gas koopt of wil kopen voor eigen gebruik’.

  • Zonder aansluitovereenkomst dient de TSB of DSB de aansluiting (uiteindelijk) ook buiten werking te stellen; dit is geregeld in artikel 3.29 Energiebesluit (op basis van artikel 3.41, tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet).

Bovenstaande impliceert dus dat er inderdaad twee aparte overeenkomsten onafhankelijk van elkaar gesloten worden, echter de beschikking over de aansluiting (vastgelegd in de ATO) gaat wel vooraf aan het kunnen afsluiten van een leveringsovereenkomst. Daarom is dit ook zo opgenomen in de Energieregeling.

  • Energie-Nederland vraagt zich af waarom aan de aangeslotene ‘een aanbod’ gedaan moet worden, want een klant kan geen andere ATO kiezen. Het klopt dat een (potentiële) aangeslotene feitelijk geen keuze heeft voor een andere systeembeheerder, maar dat betekent niet deze geen aansluitovereenkomst zou hoeven sluiten met de betreffende systeembeheerder voor het gebruik van een aansluiting. De formulering in artikel 3.41 van de Energiewet is daarom dat de systeembeheerder op verzoek (van een (potentiële) aangeslotene) een aanbod doet voor een aansluitovereenkomst. Door de aanvaarding van dit aanbod komt er een privaatrechtelijke overeenkomst tot stand tussen de DSB en de aangeslotene inzake het gebruik van de aansluiting.

  • In aanvulling hierop vraagt Energie-Nederland zich af wat er gebeurt als een klant het aanbod voor de ATO niet aanvaardt, terwijl wel een leveringsovereenkomst wordt afgesloten. Hierbij is ook de vraag gesteld dit te verduidelijken in de Energieregeling. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat het uiteindelijk aan de leveranciers zelf is hoe hij zijn werk- en IT-processen inricht, maar vanuit het perspectief van de Energiewet is dit onlogisch. Conform artikel 2.1 Energiewet moet voor het verbruik op een aansluiting een leveringsovereenkomst worden afgesloten door de aangeslotene en een transmissie- of distributiesysteembeheerder moet een aansluiting buiten werking stellen als er geen leverancier bekend is voor het verbruik op een aansluiting (zie artikel 3.41, tweede lid, onderdeel a, van de wet en artikel 3.29 van het Energiebesluit). Als er geen ATO is kan er dus ook niet worden geleverd. Het is logisch dat een leverancier hier in de vormgeving van zijn werk- en IT-processen rekening mee houdt, zodat de door Energie-Nederland beschreven situatie voorkomen wordt. Artikel 3.29 Energiebesluit bepaalt reeds dat zonder aansluitovereenkomst de TSB of DSB de aansluiting (uiteindelijk) buiten werking dient te stellen; dat hoeft dus niet meer verduidelijkt te worden in de Energieregeling.

  • Door Energie-Nederland is gevraagd of de eventuele weigering van een persoon een ATO af te sluiten ook betekent dat de ‘leveringsplicht’ (zie artikel 2.3 eerste lid, sub c) vervalt. Hoewel enigszins aan elkaar gerelateerd, is dat niet het geval. Vanuit de TSB of DSB de beschikking krijgen over een aansluiting is weliswaar een voorwaarde voor het kunnen afnemen of invoeden van elektriciteit of gas, maar staat in feite los van de genoemde leveringsplicht. Artikel 2.3 Energiewet is gericht aan de leverancier ter bescherming van de rechten van de aangeslotene als genoemd in artikel 2.1 en 2.2 Energiewet. Of een (potentiële) aangeslotene over een aansluiting beschikt of een aansluit- en transportovereenkomst heeft doet daar niet aan af, maar kan wel betekenen dat feitelijk geen levering kan plaatsvinden. Daarom zal de leverancier de (potentiële) aangeslotene hier op moeten attenderen als hij een leveringsovereenkomst aanbiedt.

  • Energie-Nederland merkt op dat, vergeleken met de voormalige ICEG, de faciliterende rol van de leverancier wordt verbreed: ‘Nu zijn leveranciers alleen verplicht om bij een verhuizing van een klant een template ATO en de Aansluit en transportvoorwaarden mee te sturen bij afnemers met een kleine aansluiting. Daarnaast moet de klant geïnformeerd worden over de Captar (dus netbeheertarief). De uitwerking in de Energieregeling gaat verder dan het louter faciliteren. Leveranciers worden verplicht om namens de systeembeheerder de ATO overeen te komen en tevens tariefwijzigingen te communiceren. Dit brengt een behoorlijke complexiteit met zich mee (...)’

    Het klopt dat de Energieregeling de voorschriften breder toepast dan enkel verhuizen (zie volgende gedachtestreepje), maar dat de Energieregeling verder gaat dan ‘louter faciliteren’ wordt niet herkend. Het klopt wel dat de Energieregeling de faciliterende rol van de energieleverancier, ten opzichte van de voormalige ICEG, nu explicieter vastlegt. Echter, deze processtappen in de Energieregeling vallen voor een belangrijk deel samen met bestaande verplichtingen in de voormalige ICEG, namelijk: (i) het vooraf verstrekken van informatie over de ATO (artikel 8.1.1) en (ii) het bevestigen en verstrekken van de tot stand gekomen ATO, inclusief de algemene voorwaarden, het nettarief, et cetera. (artikel 8.1.2). Wat de Energieregeling dan vooral toevoegt is het expliciteren dat namens de DSB een aanbod voor de ATO wordt gedaan en dat de aanvaarding van het aanbod wordt vastgelegd door de leverancier. In de ICEG stond dit wat impliciet en verhuld (‘de leverancier bevestigt en verstrekt namens de regionale netbeheerder aan de aangeslotene de tot stand gekomen aansluit- en transportovereenkomst’).

    Energie-Nederland heeft een punt wat betreft de communicatie over wijzigingen in de ATO, de algemene voorwaarden en de (systeem)tarieven; dit was niet goed overgezet in de ontwerpregeling. De leverancier informeert de (potentiële) aangeslotene weliswaar rondom de totstandkoming van de ATO, maar het is in beginsel de verantwoordelijkheid van de DSB te communiceren over verdere wijzigingen. Dit is gecorrigeerd.

  • Energie-Nederland wijst er op dat in de voormalige ICEG de faciliterende rol van de leverancier enkel gold voor ‘inhuizingen’, dat wil zeggen als een eindafnemer gebruik ging maken van een nieuwe aansluiting (bijvoorbeeld bij verhuizing of nieuwbouw). Energie-Nederland geeft aan dat een klant bij een DSB jarenlang op basis van een ATO de beschikking kan hebben over dezelfde aansluiting. Het afsluiten van een nieuwe ATO bij het tussentijds overstappen (‘switch’) tussen leveranciers is dan helemaal niet nodig.

    Vanuit het perspectief van de Energiewet klopt deze redenering helemaal: een individuele ATO kan vele jaren de privaatrechtelijke basis vormen voor het gebruik van een aansluiting, waarbij bijvoorbeeld jaarlijks een nieuwe leverancier wordt gecontracteerd. Echter, in de voorbereiding is gebleken dat het voor veel leveranciers in de praktijk lastig is en/of extra werk is om onderscheid te maken tussen ‘inhuizingen’ en ‘switches’. Daarom wordt door deze leveranciers aan alle nieuwe eindafnemers (in hun rol van aangeslotene) de tot stand gekomen ATO verstrekt, overeenkomstig de eisen in 8.1.2 ICEG. In de Energieregeling is bij deze praktijk aangesloten om de regeldruk te verminderen: voorafgaand aan het afsluiten van een leveringsovereenkomst wordt telkens ook een ATO afgesloten, hoewel dit strikt genomen niet altijd nodig is. Indien de faciliterende rol enkel voor ‘inhuizingen’ zou gelden, dan dient elke leverancier zich voorafgaand aan het afsluiten van een nieuwe leveringsovereenkomst te vergewissen dat hij te maken heeft met de aangeslotene, dus de persoon die de ATO heeft getekend. Dat zou goed passen in de systematiek van de Energiewet, maar zal leiden tot meer kosten dan de nu gekozen oplossing. Dit voorkomt ook dat een leveringscontract wordt gesloten door een andere persoon dan degene die de ATO heeft afgesloten.

  • Door Energie-Nederland is gevraagd hoe de voorgeschreven faciliterende rol zich verhoudt tot de situatie waarin sprake is van een restverdeling na intrekking van de leveringsvergunning of een faillissement (zie afdeling 2.3 Energiebesluit); het lijkt Energie-Nederland dan onlogisch om dit ATO-proces te doorlopen. In reactie hierop kan worden opgemerkt dat de artikelen 2.40 en 2.41 niet zien op de situatie waarin de noodleverancier de levering overneemt op grond van artikel 2.15 van het besluit. De levering door de noodleverancier voor de duur van maximaal zes maanden vindt namelijk niet plaats op grond van een leveringsovereenkomst, maar op grond van een verbintenis bij wet. De noodleverancier dient op grond van artikel 2.18, eerste lid, van het besluit zo spoedig mogelijk, doch binnen drie maanden nadat hij begonnen is met de noodlevering alsnog een aanbod te doen tot het aangaan van een leveringsovereenkomst. Bij het doen van het aanbod van een leveringsovereenkomst zijn de artikelen 2.40 en 2.41 wel van toepassing, dat kan worden afgeleid uit de betreffende artikelen.

  • Er is door Energie-Nederland en Netbeheer Nederland gevraagd om rekening te houden met de noodzaak om nieuwe processen technisch te implementeren. Dit is een terecht punt en hier is rekening mee gehouden door enkele artikelen op een later moment in werking te laten treden (zie artikel 5.1 Energieregeling).

II. Tijdige beschikbaarheid documenten en informatie – De artikelen 2.35 tot en met 2.39 bevatten een aantal verplichtingen voor de DSB die regelen dat de leverancier tijdig kan beschikken over de juiste informatie en documenten die hij nodig heeft in de processen richting de (potentiële) aangeslotene.

  • Ten aanzien van het ‘tarievenregister’ merkt Netbeheer Nederland op dat het beschikbaar stellen van de tarievencodes door de DSB aan de leverancier zou moeten worden bepaald in de separate ministeriële regeling die ziet op de uitwisseling van energiegegevens. Ook Energie-Nederland reageert hierop: er mist dat uitwisseling verloopt via het elektronisch berichtenverkeer, maar dit zou ook via de separate ministeriële regeling (‘MR Data’) kunnen lopen. In reactie kan worden opgemerkt dat al eerder is overwogen in welke regeling dit geplaatst moet worden. Eerdere navraag (april 2025) leerde dat dit weliswaar via het elektronische berichtenverkeer verloopt, maar dat dit ook een portal betreft met een wat ander karakter dan de reguliere gegevensuitwisseling (dat draait in de kern om gegevensuitwisseling over individuele aansluitingen). Daarom is gekozen is om dit toch op te nemen in de Energieregeling als onderdeel van de uitwerking van de artikelen 2.27, 2.28 en 3.126 Energiewet. Wel is in de artikelen nu een link gelegd naar de verstrekking van gegevens in het kader van de ‘inning van tarieven’ onder artikel 4.9 Energiewet; hiermee verloopt verstrekking via een faciliteit van de gegevensuitwisselingsentiteit.

  • De Consumentenbond vraagt inzake de minimumformatie in de ATO om een nadere toelichting waarom er een keuze is tussen (i) het e-mailadres van de DSB en (ii) het webadres van het DSB-contactformulier. De Consumentenbond stelt voor in ieder geval verstrekking van het e-mailadres verplicht te stellen, met name omdat een contactformulier in de praktijk soms beperkingen kent.64 In reactie kan worden opgemerkt dat deze beperkingen worden herkend en dat dit in het nadeel van de aangeslotene werkt. Het artikel is daarom zodanig aangepast dat het e-mailadres van de DSB nu verplicht op de ATO wordt vermeld; het contactformulier blijft optioneel.

  • Ten aanzien van de minimumformatie die moet zijn opgenomen in een ATO stelde de conceptregeling dat dit tenminste ‘het geldende tarief’ moest bevatten. Energie-Nederland wijst erop dat dit niet doelmatig is in verband met het dan voortdurend aanpassen van de ATO’s. Ook Netbeheer Nederland vindt dit onwenselijk omdat dit impliceert dat dan voor miljoenen kleine aansluitingen de ATO elk jaar met de nieuwe tarieven moet worden aangepast. Men stelt voor aan te sluiten bij de huidige praktijk waarbij wordt verwezen naar een webadres van de DSB waarop de actuele tarieven te raadplegen zijn. In reactie kan worden opgemerkt dat het primair de bedoeling is dat voor aangeslotenen hun geldende tarief duidelijk is, ook als deze jaarlijks wordt aangepast als gevolg van de ACM-tariefbesluiten. Het artikel is nu aangepast en er wordt nu ruimte geboden om te verwijzen naar een plek waar de aangeslotene de actuele tarieven kan vinden.

    Een soortgelijk punt brengt Netbeheer Nederland op ten aanzien van het informeren van de aangeslotene over optredende wijzigingen in de algemene voorwaarden. Men ziet dit graag zo geformuleerd dat hiermee algemene publicatie van wijzigingen wordt bedoeld en niet het individueel informeren van aangeslotenen. Dit voorstel is niet overgenomen; dit artikel (2.38) betreft de beleidsneutrale overzetting van artikel 8.1.9 van de ICEG en geeft reeds ruimte voor een algemene publicatie van wijzigingen. Dit neemt niet weg dat de DSB’s op dit punt dienen te voldoen aan geldende voorschriften over het informeren van contractanten over wijzigingen, zoals deze met name zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.

  • De ontwerpregeling bevatte, grotendeels overeenkomstig artikel 8.1.5 ICEG, een bepaling dat de leverancier de ontvangst van wijzigingen in de ATO, algemene voorwaarden en tarieven binnen een werkdag moesten bevestigen aan de DSB. Zowel Netbeheer Nederland, Energie-Nederland als een anonieme respondent geven aan dat dit niet meer nodig is en geschrapt kan worden. Dit is overgenomen.

III. Facilitering leverancier bij totstandkoming ATO – Artikel 2.40 regelt in meer detail welke faciliterende rol de leverancier speelt, primair ter uitvoering van artikel 2.28 Energiewet.

  • Netbeheer Nederland stelt voor om de term ‘faciliteren’ te vervangen door een beschrijving van de uit te voeren taken. Dit is niet overgenomen. De term ‘faciliteren’ sluit aan op de formulering in artikel 2.28 Energiewet, de reeds opgenomen handelingen zijn voldoende duidelijk en dubbelingen in formuleringen zijn ongewenst.

  • Netbeheer Nederland stelt voor om de verplichtingen zodanig te herschrijven dat de leverancier ‘zorg moet dragen dat een aansluit- en transportovereenkomst tot stand komt waarop de algemene voorwaarden van de systeembeheerders van toepassing zijn’. Dit is niet overgenomen. Gelet op de vrije keuze van de aangeslotene/eindafnemer kan een leverancier daar niet toe verplicht worden. Het te doorlopen proces moet wel aan bepaalde eisen voldoen, zoals reeds opgenomen in de ontwerpregeling. Wel overgenomen is het voorstel om de ATO tien dagen na de aanvaarding aan de aangeslotene te verstrekken (en niet ‘na aanvang van de levering’ zoals was opgenomen).

  • Energie-Nederland geeft aan dat het niet mogelijk is om in het aanbod voor de ATO de (systeem) tarieven kenbaar te maken. Dat is afhankelijk van de technische kenmerken van de aansluiting en die gegevens worden vanuit de DSB-registers pas achteraf verstrekt. Dit is opgelost door een neutralere formulering, zodat ook verwezen kan worden naar een generiek overzicht van voorwaarden en tarieven die van toepassing zijn.

  • Netbeheer Nederland wijst er op dat een eindafnemer bij een verhuizing zijn leveringsovereenkomst kan meenemen naar zijn nieuwe woning. Echter, in dat geval gaat het wel om een andere fysieke aansluiting en zal een nieuwe ATO moeten worden afgesloten. Dit is overgenomen en het artikel is herzien. Het artikel spreekt nu over ‘actief worden’ op een primair allocatiepunt, wat ook de verhuizing naar een andere aansluiting omvat.

  • Netbeheer Nederland stelt voor om op te nemen dat de leverancier op verzoek van de DSB na uiterlijk tien werkdagen ‘het bewijs van de totstandkoming van de ATO en de acceptatie van de algemene voorwaarden verstrekt’. Energie-Nederland wijst er in dit kader op dat er reeds enige tijd verschil van inzicht bestaat tussen leveranciers en DSB’s over de manier waarop ‘de aanvaarding’ achteraf kan worden aangetoond. Energie-Nederland stelt voor op te nemen dat (i) het opnemen van de standaard ATO met de voorwaarden en (ii) acceptatie door de klant door bijvoorbeeld het zetten van een ‘vinkje voor akkoord’ voldoende is. Beide voorstellen zijn overwogen, maar uiteindelijk is ervoor gekozen de ontwerptekst toch grotendeels te behouden. Het betreffende derde lid schrijft nu voor dat de leverancier moet kunnen aantonen dat met de betreffende aangeslotene voldaan is aan het bepaalde in het eerste lid, namelijk de verschillende processtappen waarin de aansluit- en transportovereenkomst tot stand kan komen. De manier van ‘aantonen’ wordt aan de leverancier gelaten, maar gelet op de te volgen procesvoorschriften zal een leverancier dit in zijn IT- en werkprocessen zorgvuldig moeten vormgegeven om hier achteraf aan te kunnen voldoen.

  • Energie-Nederland vraagt zich af of de termijn voor het aantonen van de aanvaarding van de ATO niet twee jaar na het ‘weg switchen’ van de klant moet zijn (in plaats van twee jaar na het moment van aanvaarden). Dit is overgenomen. Netbeheer Nederland ziet deze termijn van twee jaar überhaupt als te kort en stelt zeven jaar voor (‘dit sluit goed aan bij de wettelijke bewaartermijn voor de administratie van bedrijven’). Bij de herziening van dit artikel is gekozen voor een periode van vijf jaar na beëindiging van de leveringsovereenkomst; deze periode van vijf jaar sluit ook aan op de bewaartermijn die geldt voor leveranciers op grond van artikel 2.32 Energiewet.

IV. Controleren gegevens ATO door leverancier – Artikel 2.41 regelt in meer detail welke controles een leverancier dient uit te voeren, primair ter uitvoering van de artikelen 2.28 en 4.2 Energiewet.

  • Energie-Nederland wijst erop dat dat bij de voorgestelde controle op basis van bankgegevens in feite een controle op de naam plaatsvindt en stelt voor dit te verduidelijken. Dit is overgenomen.

  • Netbeheer Nederland stelt de controle achteraf (na 90 dagen) op basis van bankgegevens ter discussie en gaat hier uitgebreid op in. Men ziet liever dat vooraf/ tijdens bij het afsluiten van de ATO een controle wordt gedaan, met name om de latere impact van eventuele fouten te beperken. Hierbij verwijst men ook naar Europese regelgeving (i.c. een uitvoeringsverordening) die in voorbereiding is voor overstapprocessen (switchen) als onderdeel van de Elektriciteitsrichtlijn en waar twee-factor authenticatie mogelijk een rol gaat spelen.65 Netbeheer Nederland wijst er ook op dat dat de controles achteraf (op basis van bankgegevens) nadelen kennen, daar deze in feite niet bedoeld zijn voor een controle op de identiteitsgegevens. Er zullen situaties gaan optreden waarbij achteraf blijkt dat de naam op de ATO afwijkt van de naam gekoppeld aan de bankgegevens, zonder dat direct duidelijk is wat hiervan de achterliggende reden is. Zo kan bijvoorbeeld de situatie bestaan dat een ouder de energierekening betaalt voor een uitwonend kind, waardoor er een onnodige ‘foutmelding’ ontstaat.

    In reactie hierop kan worden opgemerkt dat de optie van een controle vooraf of tijdens het afsluiten van de ATO uitgebreid is besproken in de voorbereiding van de Energieregeling, ook met Netbeheer Nederland. Vanuit deze gesprekken bleek inderdaad dat de controle achteraf nadelen heeft ten opzichte van identificatie vooraf. Tegelijkertijd kon in deze gesprekken ook niet scherp gemaakt worden hoe ernstig de problematiek rondom de identificatie in de praktijk is. In combinatie met de andere opgenomen maatregelen (o.a. nieuwe zorgplicht voor leveranciers in artikel 4.2 Energiewet voor betrouwbare en volledige gegevens) is ervoor gekozen om nu geen verplichte identificatie vooraf te doen, ook om de reeds optredende extra regeldrukkosten bij de leveranciers enigszins te beperken. De controle achteraf op basis van de bankgegevens past beter in de geautomatiseerde werkprocessen van leveranciers dan andere denkbare varianten. Wel is voor leveranciers de mogelijkheid toegevoegd om, als alternatief voor de controle op basis van de bankgegevens, gebruik te maken van identificatiemiddelen die voldoen aan de Europese eIDAS-verordening. Dat maakt het mogelijk om eHerkenning of op termijn de EDI-wallet (zie hierna) te gaan gebruiken, ook op een eerder moment in de werkprocessen van leveranciers. In de Energieregeling zijn daarnaast voorschriften opgenomen voor het (eventueel) corrigeren van geconstateerde afwijkingen, zoals typfouten en afwijkende betalingssituaties. Als ondanks de correctieprocedure door de leverancier afwijkingen blijven bestaan, dan heeft de leverancier voldaan aan zijn taak en meldt hij dit aan de DSB.

    Mocht dit alles onvoldoende effect sorteren in de kwaliteit van de gegevens in de keten en de registers, dan kan dit op een later moment alsnog worden herzien. Hierbij is ook overwogen dat de Europese uitvoeringsverordening waarnaar wordt verwezen, nog niet gereed is. In de meest recente conceptstukken (medio september 2025) was twee-factor authenticatie geen verplichting meer, maar een optie waar een lidstaat voor kan kiezen. Hierbij worden de European Digital Identity Wallets als belangrijk instrument genoemd. De ontwikkelingen rondom de uitvoeringsverordening zullen worden gevolgd, net als de (technische) ontwikkeling van de European Digital Identity Wallets. Voor Nederland is deze EDI-wallet nog in ontwikkeling en komt naar verwachting vanaf eind 2026 (gefaseerd) beschikbaar.66 Met het bieden van de mogelijkheid om ter controle een identificatiemiddel te gebruik die voldoet aan de Europese eIDAS-verordening, biedt de Energieregeling hier nu wel reeds een kader voor.

  • Netbeheer Nederland geeft aan niet te begrijpen waarom de controle uitsluitend via bankgegevens mag plaatsvinden, waarmee identiteitscontroles via onder andere DigiD of iDIN worden uitgesloten van gebruik door de leverancier (en via de gegevensuitwisselingsentiteit). In reactie kan worden opgemerkt dat de controle via de bankgegevens het minimale is wat vereist wordt; het staat een leverancier vrij om extra stappen te ondernemen, bijvoorbeeld om de kosten voor eventuele correctieprocessen te minimaliseren. Ook is in het artikel nu het alternatief opgenomen voor het gebruik van een identificatiemiddel dat voldoet aan de Europese eIDAS-verordening.

  • Gelet op de keuze voor de (naams-) controle achteraf stelt Netbeheer Nederland voor een bepaling op te nemen die het mogelijk maakt de uitkomsten in de praktijk goed te monitoren, bijvoorbeeld door een kwartaalrapportage vanuit de leveranciers aan de DSB’s. Netbeheer Nederland draagt graag bij aan de nadere vormgeving en geeft ook al een eerste aanzet: ‘in de rapportage is het niet noodzakelijk om op het niveau van de EAN-code te rapporteren, maar bijvoorbeeld per nader te bepalen categorie van mismatch.’). Dit voorstel voor kwartaalrapportage is overgenomen in de Energieregeling. In de voorbereidede fase op de Energieregeling bleek dat sectorpartijen niet goed in staat bleken om de omvang van het (veronderstelde) probleem te duiden; een meer structurele monitoring helpt om dit wel duidelijk te krijgen.

  • Een anonieme respondent stelt dat de controle op basis van de bankgegevens niet zinvol is indien het gaat om ondernemingen. Deze respondent geeft aan dat er allerlei praktische redenen en omstandigheden kunnen zijn waarom de naam op de bankrekening afwijkt van de naam die opgegeven is in het proces rondom de totstandkoming van de ATO. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om constructies met holdings en dochterbedrijven. Het voorstel is om bij de controle (meer) aan te sluiten op gegevens die bekend zijn bij de Kamer van Koophandel. Dit voorstel is niet overgenomen. Het is op voorhand niet duidelijk of deze controles bij ondernemingen inderdaad een probleem vormen, in de gesprekken met betrokken partijen zoals Energie-Nederland en Netbeheer Nederland is dit eerder niet als risico naar vormen gekomen. Voor veel kleine en middelgrote ondernemingen zal gelden dat men onder de naam van één en dezelfde rechtspersoon opereert, zowel voor banktransacties als contracten in het economische verkeer. Daarnaast is nu in artikel 2.41 Energieregeling opgenomen dat een verklaring gegeven kan worden voor een afwijkende situatie. Mocht dit alles in de praktijk toch een probleem vormen, dan zal dat uit de structurele monitoring (zie hiervoor) gaan blijken.

V. Innen van tarieven – Er zijn door Energie-Nederland en Netbeheer Nederland enkele kleine opmerkingen gemaakt over de voorschriften rondom het innen van de tarieven en de administratie daarvan. Deze suggesties zijn waar relevant verwerkt.

VI. Overige algemene opmerkingen – Netbeheer Nederland wijst erop dat in de artikelen op verschillende plekken, maar niet consequent, de verwijzing naar een leverancier ‘als bedoeld in artikel 2.28 (of 3.126) van de wet’ is opgenomen, maar dat dit niet consequent is toegepast. Hier is naar gekeken en de verwijzingen zijn nu op andere wijze vormgegeven. Netbeheer Nederland heeft tevens voorgesteld om in de artikelen toch meer aan te sluiten bij de term ‘aangeslotene’ (met een kleine aansluiting) in plaats van ‘eindafnemer’ (met een kleine aansluiting). Deze suggestie is overgenomen. In de voormalige ICEG werd gesproken over ‘afnemerscategorie voor kleinverbruikers’, maar inderdaad past de term ‘aangeslotene’ hier beter.

Voorkomen beëindiging levering en maatregelen leveringszekerheid

Afdeling 2.4 van de Energieregeling bevat, ter uitwerking van artikel 2.26 Energiewet voorschriften over in welke gevallen en onder welke voorwaarden de leveringsovereenkomst, ondanks preventieve maatregelen, toch kan worden beëindigd en voorziet in waarborgen voor de bescherming van kwetsbare afnemers. Verschillende respondenten hebben een reactie ingediend.

I. Maatregelen bij betalingsachterstanden

  • Energie-Nederland heeft aangegeven dat voor de definitie van schuldhulpverlening niet langer wordt aangesloten bij de Faillissementswet en de Wet op het consumentenkrediet, maar bij de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wat maakt dat het een verruiming is van schuldhulptrajecten (artikel 2.43). Dit wordt niet overgenomen. Het is van belang dat een eindafnemer schuldhulpverlening kan krijgen, ook in de meerdere vormen die onder de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening vallen. Het signaal dat de gemeente ontvangt kan ook niet los gezien worden van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

  • De NVVK merkt op dat een redelijke en passende betalingsregeling rekening dient te houden met eventuele andere schulden of overeengekomen regelingen en verzoekt op extra explicitering in de toelichting. Dit is niet overgenomen. De toelichting voorziet reeds in uitleg wat er bedoeld wordt met een redelijke en passende betalingsregeling en geeft daarbij aan dat deze rekening dient te houden met de financiële draagkracht van de betreffende eindafnemer.

  • De Consumentenbond verzoekt om explicitering van artikel 2.47, een redelijke termijn. Deze bepaling komt overeen met een soortgelijke bepaling in de eerdere termijn is overgenomen uit de voormalige Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas. Daarbij wordt in de formulering aangesloten bij de overige artikelen.

II. Signalering

  • Er zijn door de NVVK en Energie-Nederland opmerkingen gemaakt over de frequentie van de vroegsignalering. Zij geven aan de het mogelijk is dat een vroegsignaal en een eindeleveringssignaal gedeeltelijk parallel kunnen lopen en verzoeken dit aan te passen in de regeling. De frequentie van het doorgeven van vroegsignalen tussen energieleverancier en gemeenten valt buiten de scope van de energieregeling en betreft een onderlinge afspraak. De regeling borgt dat de leverancier ten minste vier weken voorafgaand aan de datum waarop hij voornemens is de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met de eindafnemer vanwege de betalingsachterstand te beëindigen, een actualisatie aan de gemeente verstuurt in de vorm van een melding van dit voornemen. Daaraan is toegevoegd dat dit zogenaamde eindeleveringssignaal niet eerder wordt verstuurd dan twee weken nadat het eerdere signaal (vroegsignaal) is verstuurd.

  • Energie-Nederland merkt voorts op dat bij artikel 2.45, eerste lid, onderdeel b, waarin verwezen wordt naar artikel 2.44, vierde lid, onderdelen b en c, het in geval vroegsignalering moeilijk is voor de leverancier om aan deze verplichting volledig voldaan te hebben. Energie-Nederland draagt aan dat pas het doorlopen van het gehele proces duidelijk is of een leverancier aan deze verplichting kan voldoen en het is dus niet eens is met deze verplichting. Deze verwijzing komt niet te vervallen. Persoonlijk contact is een essentieel onderdeel in het voorkomen van het afsluiten van eindafnemers, óók voorafgaand aan het versturen van een vroegsignaal.

  • Netbeheer Nederland merkt op dat er bij de artikelen 2.44 en 3.12 geen verplichting is opgenomen voor het versturen van een vooraankondiging bij de DSB tien werkdagen voor beëindiging levering door een leverancier en verzoekt dit alsnog op te nemen. Dit wordt niet opgenomen. De plicht van de leverancier tot vooraankondiging tot afsluiten ligt geborgen in de Informatiecode en zal later overgenomen worden in de Dataregeling.

  • De NVVK merkt op dat de maatregelen die zien op vroegsignalering en het voorkomen van afsluiting bij betalingsachterstanden alleen gelden voor vergunninghoudende leveranciers en vraagt om deze regels te laten gelden voor alle leveranciers. Het klopt dat de Energiewet in navolging van Europese regelgeving actieve afnemers met een kleine aansluiting en kleinere energiegemeenschappen de ruimte biedt om zonder leveringsvergunning elektriciteit dan wel elektriciteit en gas te leveren aan eindafnemers met een kleine aansluiting. Hiervoor is gekozen omdat de eisen voor het aanvragen van een leveringsvergunning als te zwaar dan wel beperkend worden gezien voor actieve afnemers met een kleine aansluitingen en kleinere energiegemeenschappen. Deze keuze is bij het opstellen van de wet gemaakt en hier kan bij het invullen van de Energieregeling niet van worden afgeweken.

III. Beëindiging levering

  • Energie-Nederland heeft opgemerkt dat het risico bestaat dat de bescherming tegen afsluiten in het geval er een klacht is ingediend, mogelijk misbruikt zou worden. In de artikelsgewijze toelichting is opgemerkt dat deze bepaling de implementatie van Europese wetgeving betreft. Hierbij wordt uitgegaan van een normale gang naar geschilbeslechting.

  • Naar aanleiding van door Energie-Nederland ingebrachte uitzonderingsgronden is in de toelichting extra aandacht gegeven aan wettelijke gronden voor afsluiten, anders dan zaken waarvoor de afsluitregeling bedoeld is. Daarnaast vroeg Energie-Nederland verduidelijking of voor niet-vergunninghouders die leveren aan een blokaansluiting deze regels ook van toepassing zijn. Het afsluitbeleid is alleen van toepassing op vergunninghouders.

  • Naar aanleiding van de reactie van Energie-Nederland is in artikel 2.47 geëxpliciteerd dat bij het hervatten van de levering het een leveringsovereenkomst betreft onder dezelfde of vergelijkbare voorwaarden.

IV. Afsluiten door de DSB/TSB

  • Netbeheer Nederland heeft enkele opmerkingen en voorstellen bij de artikelen 3.12 en 3.13. Zo wordt voorgesteld verbruikskosten toe te voegen aan de betalingsregeling die voorgesteld moet worden. Dit wordt niet overgenomen. Als er mogelijke schade is als gevolg van het niet naleven van aansluitvoorwaarden door de klant kan deze schadeplichtig zijn. Er is echter geen sprake van een leveringsrelatie tussen een aangeslotene en de DSB.

  • Daarnaast verzoekt Netbeheer Nederland het begrip persoonlijk contact verder te expliciteren. In het tweede lid wordt gesproken van een persoonlijk contact. Dit kan plaatsvinden op het moment dat de DSB aanwezig is om de aansluiting buiten werking te stellen en voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden. Naar aanleiding van de consultatiereactie is verduidelijkt dat de netbeheerder zich maximaal inspant om de aangeslotene in een persoonlijk contact te wijzen op de mogelijkheden om het buiten werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt én de hieraan verbonden kosten alsnog te voorkomen.

    Verder merkt Netbeheer Nederland op dat de voorwaarde in artikel 3.29, eerste lid, onderdeel e, Energiebesluit, niet omvat dat op verzoek van de aangeslotene de aansluiting buiten werking wordt gesteld, maar dat artikel 3.13, onderdeel c, van de Energieregeling daar wel van uit lijkt te gaan.

    In artikel 3.29, eerste lid, onderdeel e, van het Energiebesluit is echter niet van belang of de aansluitovereenkomst al dan niet op verzoek is beëindigd. Alleen bij onvrijwillige afsluiting door de leverancier kan de aansluitovereenkomst ook beëindigd worden door de DSB. Artikel 3.13, onderdeel c, gaat vooral om de onvrijwillige situaties van het buiten werking stellen van de aansluiting of het voorkomen daarvan.

  • Netbeheer Nederland verzoekt om extra gronden voor afsluiten op te nemen. Het betreft afsluiten in geval van fraude, om veiligheidsredenen en op verzoek van de afnemer. Dit verzoek is niet overgenomen. Gelet op artikel 3.41, tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet regelt het Energiebesluit alleen situaties waarin de DSB/TSB moet afsluiten. Dit laat onverlet dat er ook andere situaties bestaan de DSB/TSB mag afsluiten. Dit is echter niet van toepassing voor het afsluitbeleid in de Energieregeling in geval van betalingsachterstanden.

  • Verder verzoekt Netbeheer Nederland duidelijkheid over de kosten voor uitgebruikname. Dit is niet overgenomen. De Energieregeling bepaalt niet welke kosten de DSB/TSB in rekening mag brengen voor buiten werkstelling van de aansluiting. Dit wordt vastgesteld door de ACM (artikel 3.105 e.v. van de wet). Wel is van belang om de eindafnemer vooraf te informeren over de kosten.

V. Overige opmerkingen

  • Naar aanleiding van meerdere opmerkingen is het beëindigen van een leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel toegevoegd aan de relevante artikelen in deze afdeling van de Energieregeling.

  • Energie-Nederland heeft opgemerkt dat door het gebruik van de term ‘facturen’ in artikel 2.44 incassokosten niet meegenomen kunnen worden in een passende en redelijke betalingsregeling. Door de term ‘facturen’ te vervangen door ‘vorderingen’ kunnen deze kosten ook meegenomen worden. Dit is overgenomen. Het is wenselijk dat ook incassokosten meegenomen kunnen worden in de aangeboden betalingsregeling.

  • Energie-Nederland merkt op dat het afsluitbeleid beperkt kan worden tot huishoudelijke afnemers en micro-ondernemingen. Dit is niet overgenomen. Het afsluitbeleid gold onder de voormalige regeling voor kleinverbruikers, dat wil zeggen eindafnemers met een kleine aansluiting, en dat is beleidsneutraal overgenomen. Het voorstel van Energie-Nederland zou deze reikwijdte inperken.

  • De NVVK merkt op dat enkele maatregelen onder de energieregeling nog niet worden doorgevoerd onder de warmteregeling en vraagt om de wijzigingen ook de warmteregeling per 1 januari 2026 door te voeren. Het klopt dat het afsluitbeleid in de warmteregeling per 1 januari 2026 afwijkt van het afsluitbeleid in de energiereling. Op dit moment ligt de Wet collectieve warmte in het parlement voor behandeling. Bij instemming en invoeren van deze wet zal de warmteregeling herzien worden.

Erkenning van meetverantwoordelijke partijen

In de consultatie werd door een anonieme respondent opgebracht dat de term ‘knelpunt’ in artikel 2.49 breed geïnterpreteerd kan worden en ervoor zou kunnen worden dat er een verplichting ontstaat voor de meetverantwoordelijke partij om alle moeilijkheden te beschrijven, waaronder ‘knelpunten’ die meteen worden gemitigeerd of opgelost. In artikel 1.1 van de regeling is nu een begripsbepaling ‘knelpunt’ opgenomen, waardoor enkel knelpunten beschreven hoeven te worden die een aanzienlijk risico vormen of kunnen vormen voor het waarborgen van de kwaliteit van de uitvoering van de wettelijke taken of verplichtingen. De artikelsgewijze toelichting is op dit punt aangevuld.

De rol van de terugleveringsovereenkomst in de Energieregeling

Netbeheer Nederland heeft in haar reactie op de consultatie naar voren gebracht dat het onduidelijk is of er volgens de Energieregeling altijd een terugleveringsovereenkomst moet zijn wanneer een aangeslotene teruglevert en hoe dat precies gestalte krijgt in de praktijk. Netbeheer Nederland vraagt zich hierbij af of altijd een aparte terugleveringsovereenkomst nodig is wanneer een eindafnemer bij een leverancier een overeenkomst voor levering heeft afgesloten maar ook energie teruglevert aan dezelfde partij. Moet het mogelijk zijn om deze teruglevering te laten vallen onder de leveringsovereenkomst? Bovendien vraagt NBNL zich af hoe het vervolgens zit met de registratie van dit soort overeenkomsten in het contractenregister zoals nog uit te werken in de ‘MR Energiedata’.

In reactie kan worden opgemerkt dat op grond van artikel 2.34 van de Energiewet een marktdeelnemer elektriciteit dient af te nemen van een actieve afnemer op basis van een terugleveringsovereenkomst. Dit kan vastgelegd zijn in een separate terugleveringsovereenkomst, maar dat hoeft niet. Indien de teruglevering als een met de levering samenhangende afspraak is opgenomen in de leveringsovereenkomst, kan er, afhankelijk van de omstandigheden en voorwaarden, sprake zijn van een gemengde overeenkomst en/of met elkaar samenhangende overeenkomsten. Ook dan is er wel een terugleveringsovereenkomst. Voor de uitvoering van deze overeenkomsten (separaat en gemengd) is het inderdaad belangrijk dat gebruik gemaakt kan worden van het sectorbrede gestandaardiseerde elektronische berichtenverkeer, zoals dat reeds bestaat voor de reguliere leveringsovereenkomsten. Via de Invoeringsregeling Energiewet zullen hier voorschriften voor gelden, die inderdaad later een meer structurele plek krijgen in de voorziene ministeriële regeling inzake gegevensoverdracht.

4.4 Beheer van systemen (hoofdstuk 3 Energieregeling)

Taken TSB’s en DSB’s inzake beheer en ontwikkeling – investeringsplannen – Paragraaf 3.1.1 van de Energieregeling bevat voorschriften over de investeringsplannen van de TSB’s en DSB’s. Verschillende respondenten hebben hierop gereageerd.

  • Door VEMW is verzocht om, ten behoeve van de energie- en industrietransitie, aan artikel 3.8 Energieregeling toe te voegen dat ook elektrificatieprojecten die significante CO2-reductie, systeemintegratie én vraagcreatie voor hernieuwbare opwekking tot gevolg hebben, hogere prioriteit moeten krijgen bij het bepalen van de volgorde voor de uitvoering van noodzakelijk uitbreidingsinvesteringen. Dit in aanvulling op investeringen voor de aanlanding van elektriciteit uit wind op zee en investeringen zoals opgenomen in het meerjarenprogramma infrastructuur energie en klimaat (MIEK). Dit voorstel is niet overgenomen, omdat de elektrificatieprojecten die VEWM noemt buiten de reikwijdte van dit artikel vallen. Het artikel beoogt voorrang te geven aan uitbreidingsinvesteringen met het hoogste maatschappelijk belang en niet aan elektrificatie van specifieke projecten. Dit neemt niet weg dat het MIEK in ieder geval ten dele ook de door VEMW benoemde doelen nastreeft. Onderdeel van het MIEK-afwegingskader is namelijk ook CO2-reductie en systeemintegratie.

  • Netbeheer Nederland heeft gevraagd te verduidelijken wat wordt bedoeld met het betrekken van relevante partijen bij de totstandkoming van de scenario’s in artikel 3.3. Naar aanleiding hiervan is in het tweede lid van dit artikel toegevoegd dat het betrekken van partijen moet gebeuren via een transparant en participatief proces. Het doel van het artikel is dat TSB’s en DSB’s zich inzetten om een proces op te stellen waarvan genoemde partijen kennis kunnen nemen en laagdrempelig aan kunnen deelnemen. Daarnaast verzoekt Netbeheer Nederland om de zinsnede ‘het verwerken van de inbreng’ in het derde lid te schrappen omdat niet duidelijk is wat hiermee wordt beoogd. De genoemde zinsnede in het derde lid beoogt aan te geven wanneer in het proces de scenario’s openbaar worden gemaakt. Ter verduidelijking is de zinsnede vervangen door ‘na afronden van het totstandkomingsproces’.

  • Netbeheer Nederland heeft verzocht om in artikel 3.4, eerste lid te verwijzen naar het kwaliteitsplan in plaats van het kwaliteitsborgingssysteem. Dit is overgenomen. De knelpunten waarvoor investeringen in het investeringsplan worden opgenomen worden aan de hand van het ‘kwaliteitsplan’ geïdentificeerd, en niet aan de hand van het kwaliteitsborgingssysteem.

  • Tot slot heeft Netbeheer Nederland ten aanzien van de artikelen over de investeringsplannen verzocht om artikel 3.5, tweede lid, onderdeel c, alleen te laten gelden voor DSB’s voor gas. Dit is ook overgenomen, omdat de genoemde ondergrens voor de TSB voor gas zou betekenen dat voor bijna alle investeringen een alternatievenanalyse zou moet worden uitgevoerd. Dat is niet wenselijk. Onderdeel a en b van het artikel schrijven al voor bij welke investeringen de TSB voor gas een alternatievenanalyse moet uitvoeren.

Voorschriften inzake het aansluiten van gas

Netbeheer Nederland heeft gewezen op een inconsistentie in de toelichting op artikel 3.14. De toelichting is aangepast zodat deze weer consistent is met artikel 3.40 (aansluiten gas), derde lid, van de Energiewet.

Voorschriften inzake invoed- en afleverspecificaties van gas

In de Energieregeling worden de invoed- en afleverspecificaties die de transmissie- en distributiesysteembeheerder voor gas moeten hanteren nader gespecificeerd. Netbeheer Nederland heeft opgemerkt dat systeemkoppelingen geen aansluitingen meer zijn ingevolge de Energiewet en heeft een tekstvoorstel gedaan tot aanpassing van artikel 3.16, eerste lid. Deze is overgenomen. Voorts heeft Netbeheer Nederland een tekstvoorstel gedaan voor de nota van toelichting om nader te verduidelijken met welke invoedspecificatie het gas op het transmissiesysteem moet worden ingevoegd bij reverse flow. De toelichting is hierop aangepast.

Taken TSB’s en DSB’s inzake balanceren

In de Energieregeling wordt nader invulling gegeven aan de faciliterende rol van de DSB’s bij de administratieve afhandeling van de balanceringstaak van de TSB’s, zoals opgenomen in de artikelen 3.49 en artikel 3.50 Energiewet. Hier zijn verschillende reacties op gegeven.

  • Door Energie-Nederland en een anonieme respondent zijn een aantal opmerkingen gemaakt bij de artikelen die zien op de facilitering door de DSB’s bij de administratieve afhandeling van de balancering door de TSB. Deze opmerkingen zien vooral op het verstrekken van deze informatie aan anderen dan de TSB (i.c. de BRP’s en leveranciers). Deze opmerking zijn niet overgenomen in de Energieregeling. De grondslag in de wet voorziet alleen in de facilitering van de TSB. Het verstrekken van de betreffende gegevens aan BRP’s en of leveranciers is geregeld in de methoden en voorwaarden ex artikel 3.119 (specifiek de Netcode Elektriciteit en de Allocatiecode gas). Dit geldt ook voor de aanvullende opmerkingen die zien op het verrekeningsproces. Met betrekking tot de opmerking dat de artikelen in de Energieregeling ook zouden moeten zien op de beheerders van gesloten systemen moet worden opgemerkt dat de grondslag hiervoor ontbreekt in de Energiewet.

  • Door Netbeheer Nederland zijn een aantal tekstsuggesties gedaan om de artikelen 3.17 en 3.18 te verbeteren. Deze tekstvoorstellen en suggesties voor verduidelijking zijn overgenomen, voor zover ze passen binnen de terminologie zoals deze in het Energiebesluit en de Energieregeling wordt gehanteerd. Ook is een opmerking gemaakt over de inwerkingtreding van de artikelen 3.17, vierde lid, onderdeel a, en zesde lid, en artikel 3.18, zevende lid, onderdeel a. In de inwerkingtredingsbepaling (artikel 5.1 Energieregeling) is rekening gehouden met een invoeringstermijn voor deze leden, gekoppeld aan de start van allocatie 2.0 (‘slimme meter allocatie’). Dit heeft te maken met het omkeren van de meetketen voor eindafnemers met een kleine aansluiting met een meetinrichting waarbij de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld.

  • PVNED is van oordeel dat een DSB geen eigen of afgeleide allocatiemethode zou mogen hanteren. De allocatiemethoden zelf zijn vastgelegd in de methoden en voorwaarden ex artikel 3.119 van de Energiewet (i.c. de Netcode). In reactie op de zorg van PVNED is in het eerste lid een verwijzing naar deze methoden en voorwaarden opgenomen.

  • De Consumentenbond staat er positief tegenover dat onbalanskosten meer gebaseerd worden op daadwerkelijke metingen in plaats van algemene profielen. Zij zou graag zien dat de data waarop de onbalanskosten worden gebaseerd ook standaard met de ACM wordt gedeeld, zodat deze beter toezicht kan houden op de redelijkheid van de onbalanskosten. Dit is niet overgenomen. De gegevens die de DSB’s verstrekken aan de TSB ten behoeve van administratieve afhandeling van de balancering, zoals opgenomen in de Energieregeling, betreffen alleen (energie)volumes en gaan niet over de onbalanskosten. Verder worden deze volumes geaggregeerd per onbalansverantwoordelijke, waardoor het niet te herleiden is of individuele klanten meer of minder hebben bijgedragen aan de onbalans in de portefeuille van de BRP. Onbalanskosten worden berekend over de hele portefeuille van de BRP en zijn afhankelijk van de kosten die TenneT maakt op de onbalansmarkt om de totale balans op het systeem te herstellen. Om de kosten voor inkoop en onbalans inzichtelijk te krijgen moeten de meetgegevens per individueel allocatiepunt gedeeld worden met de BRP en de leverancier. Hiermee zou het mogelijk zijn om de kosten per contractvorm of klant(segment) inzichtelijk te maken. Dit inzicht kan niet worden afgeleid uit de geaggregeerde volumes die ten behoeve van de balancering worden verstrekt aan de TSB.

Bescherming vitale processen TSB’s en DSB’s

Netbeheer Nederland heeft gereageerd op de artikelen 3.19 tot en met 3.21 in de ontwerpregeling die zien op de bescherming van vitale processen bij de TSB’s en DSB’s. Netbeheer Nederland maakte de zorg kenbaar dat, gelet op de ontwerpregeling, binnen meerdere kritieke processen geen gebruik gemaakt zou kunnen worden van het instrumentarium van artikel 3.18 van de Energiewet en artikelen 3.3 en 3.4 van het Energiebesluit. De drempelwaarden die in de ontwerpregeling waren opgenomen zouden zo hoog zijn dat slechts een klein deel van de bedrijfsmiddelen deze drempels zou halen, aldus Netbeheer Nederland. Deze zorg is naderhand door Netbeheer Nederland concreet onderbouwd. Ook merkte Netbeheer Nederland op dat bepaalde drempelwaarden moeilijk zijn vast te stellen. Verder heeft Netbeheer Nederland heeft ook aangegeven dat nu nog niet duidelijk is op welke bedrijfsmiddelen artikel 3.18 van de Energiewet van toepassing is. Daartoe moeten nog risicobeoordelingen worden uitgevoerd. Netbeheer Nederland wijst op het belang van nader overleg om de uitvoerbaarheid van de regeling te borgen.

In reactie hierop kan worden gemeld dat in de periode juli tot en met oktober 2025 het overleg met de TSB’s en DSB’s op dit onderwerp is geïntensiveerd. Echter, in oktober 2025 is besloten meer tijd te nemen voor de nadere uitwerking van deze voorschriften en niet per 1 januari 2026 in werking te laten treden.

Verplichtingen TSB’s en DSB’s inzake kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen

Afdeling 3.6 van de Energieregeling bevat voorschriften voor de TSB’s en DSB’s ten aanzien van de kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen. Netbeheer Nederland heeft op verschillende onderdelen in de ontwerpregeling gereageerd.

  • Netbeheer Nederland heeft ten aanzien van de begripsbepalingen voorgesteld deze op te nemen in hoofdstuk 1 van de regeling en daarnaast een tekstvoorstel gedaan ten aanzien van de begripsbepaling ‘acute systeemstoring’, deze voorstellen zijn beide overgenomen. Daarnaast is in het algemeen het verzoek gevolgd om in de bepalingen consistentie in de terminologie te brengen, door de term ‘bedrijfsmiddelen’ te gebruiken waar eerder ook de term ‘systeemonderdelen’ werd gebruikt. Ten aanzien van het artikel 3.24 over het kwaliteitsborgingsysteem is de tekstuele suggestie voor het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, overgenomen. Met betrekking tot de vraag over de prioritering van maatregelen kan worden aangegeven dat hiermee niet een op een de prioritering in het investeringsplan wordt bedoeld, aangezien maatregelen in het kwaliteitsplan een bredere scope en daarmee afweging kennen. Met betrekking tot de term ‘het meest betrokken bedrijfsonderdeel’ is ervoor gekozen deze passage niet te laten vervallen, zodat erop toegezien kan worden dat direct betrokkenen binnen de organisatie van de systeembeheerder bij het relevante onderwerp worden betrokken. De verzoeken voor de overige subonderdelen zijn opgevolgd door de toelichting op deze punten aan te vullen of te verduidelijken.

  • Met betrekking tot het artikel 3.25 is in onderdeel e een aanpassing doorgevoerd die dezelfde strekking heeft als het voorstel van Netbeheer Nederland, door ‘het voorgaande jaar’ aan te passen naar ‘het vorige kwaliteitsplan’. Met deze wijziging wordt, conform het voorstel van Netbeheer Nederland om de tekst aan te passen naar ‘twee jaar terug’, de termijn gelijkgesteld aan de periodiciteit van het kwaliteitsplan. Dit geldt ook voor het verzoek om dit aan te passen in artikel 3.27, eerste lid, onderdeel d.

  • Het voorstel van Netbeheer Nederland om in onderdeel f van artikel 3.25, evenals in de toelichting, een wijziging door te voeren waardoor het register van risico’s dat moet worden bijgehouden ziet op risico’s die een bedreiging vormen voor de ‘bedrijfsmiddelen’ in plaats van ‘het realiseren van de nagestreefde kwaliteitsniveaus’ is niet overgenomen, daar artikel 3.32 in het Energiebesluit ook al spreekt van risico’s voor de kwaliteitsniveaus.

  • Verder verzoekt Netbeheer Nederland een aantal wijzigingen door te voeren in artikel 3.27 over de inhoud van het kwaliteitsplan. Daarover kan worden opgemerkt dat de tekstuele aanpassingen allemaal zijn doorgevoerd. Het verzoek om een aantal risico’s en knelpunten die de security kunnen ondermijnen buiten scope te verklaren of de mogelijkheid toe te voegen om bepaalde informatie uit het kwaliteitsplan vertrouwelijk te kunnen delen met de toezichthouders, het verzoek om de volgorde van een aantal onderdelen ten behoeve van de leesbaarheid aan te passen alsmede het verzoek om het onderdeel ‘kwaliteitsmanagement’ nader te duiden zijn onderwerpen die in het vervolgtraject van doorontwikkeling van de regeling aan bod zullen komen, nu dit om zorgvuldige afstemming met alle betrokken partijen vraagt.

  • Ten slotte heeft Netbeheer Nederland een aantal voorstellen gedaan tot aanpassing van de artikelen over de kritische prestatie-indicatoren elektriciteit en gas. Deze aanpassingen zijn grotendeels overgenomen, waarbij ter vervanging van de term eindafnemer in overleg met partijen is gekozen voor de meer logische term ‘aansluitingen’. Voor wat betreft het verzoek om de dubbele verstrekkingslast die zich mogelijk voordoet in het geval van de transmissiesysteembeheerder voor gas kan worden opgemerkt dat de relevante bepalingen verschillende insteek vanuit toezichtsperspectief kennen, namelijk vanuit betrouwbaarheid en veiligheid. Bovendien wordt in het tweede lid onderdeel b gesproken over ‘aantallen’ onderbrekingen, waarbij in het eerste lid wordt gesproken van de frequentie. De artikelsgewijze toelichting is op deze onderdelen aangevuld.

Met betrekking tot de voorstellen van Netbeheer Nederland kan in aanvulling op bovenstaande worden opgemerkt dat de kwaliteitsaspecten in het licht van de borging van alle wettelijke taken moeten worden beschouwd. Dit is herleidbaar uit de reikwijdte van het artikel 3.74 Energiewet, wat ziet op het borgen van de kwaliteit bij de uitvoering van alle wettelijke taken en verplichtingen. Met betrekking tot het kwaliteitsaspect ‘meetdata en het beheer daarvan’ is op verzoek van Netbeheer Nederland de afbakening daarvan in de toelichting verduidelijkt.

Naast Netbeheer Nederland hebben ook Energie-Nederland en VEMW gereageerd.

  • Energie-Nederland geeft aan dat een tweetal elementen ontbreekt. Daarover kan worden opgemerkt dat het voorgestelde lid over het bedrijfsmiddelenregister overbodig is, aangezien de term bedrijfsmiddelenregister is opgenomen in de begripsbepalingen. Ten tweede is de melding bij de minister overeenkomstig het artikel 4.2 van de Regeling investeringsplan elektriciteit en gas (Rikeg) opgenomen in artikel 3.36 van het besluit en in de regeling in artikel 3.30.

  • VEMW geeft in haar reactie aan dat zij van mening is dat het ontwerpkwaliteitsplan niet alleen aan de minister en de ACM moet worden voorgelegd, maar ook aan de markt en marktpartijen. VEMW geeft daarbij aan dat ‘de netten immers worden aangelegd voor netgebruikers’ en deze gebruikers dan ook betrokken dienen te worden bij dit proces. In dit kader is het van belang om op te merken dat voor het aanleggen van de systemen waar VEMW op doelt, het investeringsplan van de transmissie- en distributiesysteembeheerders voorziet in deze behoefte. In het investeringsplan worden de uitbreidingsinvesteringen opgenomen die voor de genoemde gebruikers relevant zijn. Het investeringsplan wordt openbaar geconsulteerd en de procedure van totstandkoming voorziet in het betrekken van marktpartijen.

Procedures tarieven en methoden of voorwaarden TSB’s en DSB’s

De Energiewet geeft de Minister van Klimaat en Groene Groei de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de procedures voor (totstandkoming of aan de ACM voorleggen van) voorstellen voor tarieven en methoden of voorwaarden (zie met name de artikelen 3.110, 3.120 en 3.121 Energiewet). De Energieregeling bevat een nadere uitwerking. Verschillende respondenten hebben hierop gereageerd.

  • VEMW stelt voor om in artikel 3.35 van de Energieregeling het doen van een verzoek voor het opstellen van een voorstel voor methoden of voorwaarden niet exclusief voor te behouden aan de TSB’s en DSB’s en vertegenwoordigers van belanghebbende partijen ook deze mogelijkheid te geven. Dit voorstel is niet overgenomen. De delegatiegrondslag in artikel 3.120, vierde lid, van de Energiewet biedt niet de ruimte om de reikwijdte van artikel 3.120, eerste of derde lid, van de Energiewet uit te breiden naar voorstellen voor methoden of voorwaarden van andere partijen dan de TSB's en DSB's of de ACM. Bovendien verplicht artikel 3.120, tweede lid, van de Energiewet TSB’s, DSB's, en in voorkomend geval de ACM, om vertegenwoordigers van belanghebbende partijen te betrekken bij de totstandkoming van een voorstel voor methoden of voorwaarden. Er staat vertegenwoordigers van belanghebbende partijen voorts niets in de weg om zich met voorstellen tot de TSB's en DSB's of de ACM te richten. Het past echter niet binnen de wettelijke kaders dat TSB's en DSB's dergelijke voorstellen zouden moeten overnemen en ter goedkeuring aan de ACM moeten voorleggen.

  • Netbeheer Nederland heeft verzocht om in artikel 3.35, tweede lid, de termijn van 12 weken te schrappen omdat dit in de praktijk onwerkbaar zou zijn en om te volstaan met het toezenden van het gezamenlijk voorstel aan de ACM. Opgemerkt wordt dat het in deze bepaling enkel gaat om de mogelijkheid dat een verzoek van een TSB of tenminste een derde van de DSB's aan de gezamenlijke TSB's en DSB's een verzoek doet om een voorstel voor methoden of voorwaarden op te stellen. Voor de totstandkoming van een voorstel van de gezamenlijke TSB's en DSB's zijn geen nadere regels gesteld. Het tweede lid regelt dat een verzoek aan de gezamenlijke TSB's en DSB's altijd aan de ACM moet worden gezonden, ongeacht of de gezamenlijke TSB's en DSB's naar aanleiding van het verzoek besluiten om een gezamenlijk voorstel op te stellen. De termijn van 12 weken geldt dan ook alleen voor het toezenden van het verzoek aan de gezamenlijke TSB's en DSB's en hoeft dus niet een uitgewerkt gezamenlijk voorstel te bevatten. Dit is verduidelijkt in het tweede lid. De termijn van 12 weken is niet aangepast.

  • Energie-Nederland vraagt waarom in artikel 3.35 van de Energieregeling alleen nadere invulling is gegeven aan de procedure voor totstandkoming van een voorstel voor methoden of voorwaarden (artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Energiewet) en niet aan de inhoud en onderbouwing van een voorstel (artikel 3.120, vierde lid, onderdeel b, van de Energiewet). De wet bevat geen verplichting maar enkel een mogelijkheid om nadere regels te stellen over de inhoud en onderbouwing van een voorstel. Het wordt vooralsnog niet nodig geacht om hier invulling aan te geven en dit is onder de huidige en Elektriciteitswet 1998 en Gaswet evenmin het geval. Voor wat betreft de totstandkoming van een voorstel wordt opgemerkt dat, zoals ook onder de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, enkel is opgenomen dat een TSB of tenminste een derde van de DSB's aan de gezamenlijke TSB's en DSB's kan verzoeken om een voorstel voor methoden of voorwaarden op te stellen. Voor de totstandkoming van een voorstel van de gezamenlijke TSB's en DSB's zijn geen nadere regels gesteld.

Kredietwaardigheid DSB’s en boekhoudverplichtingen systeembeheerders

Netbeheer Nederland heeft diverse suggesties gedaan ter verduidelijking van de reikwijdte van de afzonderlijke boekhoudplicht. Ook werd gewezen op onderdelen die onduidelijk of onjuist waren omschreven. Hier is de regeling op aangepast.

Overige verplichtingen: openbaar maken geaggregeerde gegevens door TSB’s/DSB’s

De Energieregeling verplicht de TSB’s en DSB’s op specifieke gegevens openbaar te maken in het kader van artikel 3.78 Energiewet. Netbeheer Nederland vraagt om nadere specificatie wat wordt bedoeld met ‘hergebruik en machine-uitleesbaarheid’: ‘Het is onduidelijk of dit enkel en alleen CSV (Comma-Separated Values) of ook API (Application Programming Interface) betreft’. Overwogen is om dit op niveau van de Energieregeling voor te schrijven, maar hier is vanaf gezien. Gelet op de zeer specifieke (IT-)technische context worden de TSB’s en DSB’s goed in staat geacht om hier zelf keuzes in te maken die aansluiten bij het gebruik van deze gegevens in de praktijk.

Schadevergoeding transmissiesysteem voor elektriciteit op zee

Er zijn enkele opmerkingen gemaakt over de voorschriften rondom de schadevergoeding bij het niet kunnen gebruiken van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee.

  • Netbeheer Nederland heeft aangegeven dat de te gebruiken meetstations ter bepaling van de windsnelheid niet meer actueel is. En dat er onduidelijkheden zijn in de toepassing van de schadevergoedingsregeling, bijvoorbeeld hoe om moet worden gegaan met ontbrekende data, verschillende ashoogtes van windturbines, de representativiteit van de powercurve en aantoonbaarheid ervan, en de onduidelijkheid omtrent windsnelheid- en richting bij vaststelling van het productieprofiel. De schadevergoedingsregeling in afdeling 3.14 van de Energieregeling is beleidsneutraal omgezet uit de Regeling schadevergoeding net op zee die vanaf 2016 ongewijzigd van kracht is. Door de sterke groei van windenergie op zee is ervaring opgedaan met de toepassing van de schadevergoedingsregeling. Hieruit is gebleken dat de schadevergoedingsregeling op enkele punten verduidelijkt en geactualiseerd moet worden om beter aan te sluiten bij de huidige praktijk. Hier wordt apart onderzoek naar gedaan en de ontvangen consultatiereacties worden hierin betrokken. Waar noodzakelijk kan de Energieregeling op een later moment (dan bij de inwerkintreding per 1 januari 2026) gewijzigd worden.

  • Netbeheer Nederland stelt ook voor om de te hanteren correctiebedragen die het Planbureau voor de Leefomgeving jaarlijks berekent voor windenergiegebied Borssele en die ook wordt gehanteerd voor het jaarlijks vaststellen van de SDEK-elektriciteitsprijs en SDEK-subsidiebedrag voor andere (subsidieloze) windparken op zee expliciet op te nemen in de Energieregeling. Hieraan wordt geen uitvoering gegeven, omdat de door PBL jaarlijks gepubliceerde correctiebedragen openbaar en eenvoudig te raadplegen zijn waardoor dit voorstel met name leidt tot een hoge administratieve last.

4.5 Uitvoering, toezicht en handhaving (hoofdstuk 4 Energieregeling)

Verstrekken gegevens markttoezicht levering

Er zijn enkele opmerkingen gemaakt over de uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 5.2 Energiewet in de Energieregeling.

  • Een anonieme respondent stelt dat artikel 4.5 impliceert dat alle individuele afgesloten overeenkomsten moeten worden aangeleverd bij de ACM. Dat is niet correct. Het gaat hierbij om alle aangeboden tarieven per type leveringsovereenkomst, zie ook de aanhef van het eerste lid van het artikel. Het uitgangspunt is dus dat alle aangeboden tarieven (en niet tarieven in individueel afgesloten overeenkomsten) moeten worden aangeleverd. Hierop kan de ACM, gelijk de huidige praktijk, wel uitzonderingen toestaan. In de toelichting is dit verduidelijkt.

  • Daarnaast informeert een anonieme respondent naar de verschillende elementen die op basis van artikel 4.5 dienen te worden aangeleverd. De respondent stelt dat dit artikel geen grondslag biedt voor het opvragen van enkele elementen die de ACM in de huidige praktijk opvraagt. In reactie daarop kan het volgende worden opgemerkt. Het markttoezicht in artikel 4.5 heeft als doel te waarborgen dat huishoudelijke eindafnemers en micro-ondernemingen verzekerd zijn van een aanbod voor levering van elektriciteit of gas tegen concurrerende, transparante, goed vergelijkbare en non-discriminatoire prijzen en ziet op de aangeboden leveringsprijs en voorwaarden voor levering, waaronder eventueel voor levering in rekening te brengen kosten (voor zover dus niet in de leveringsprijs verdisconteerd). De ACM kan, indien daar aanleiding toe is, in het kader van toezicht op de naleving van artikel 2.5 (redelijkheid leveringstarieven) met gebruikmaking van haar toezichtbevoegdheden nadere gegevens bij een leverancier opvragen, zoals de inkoopprijs, risicopremies of brutomargeopslag (zie artikel 5.17 Energiewet en de toezichtsbevoegdheden genoemd in de Awb en de Instellingswet ACM).

5. Omgang met uitgevoerde toetsen en ontvangen adviezen

5.1 Autoriteit Consument en Markt: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De Energieregeling is op 4 juni 2025 aan de ACM aangeboden een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (hierna ook: UHT). Op 17 juli 2025 heeft de ACM de resultaten van deze toets toegezonden aan de minister.

Bevindingen van de toets

De ACM acht de conceptregeling uitvoerbaar en handhaafbaar. Hierbij spreekt ACM haar waardering uit voor de samenwerking bij de voorbereiding van de regeling en constateert dat de regeling op veel punten in lijn is met wat de ACM nodig heeft om eindafnemers te beschermen en de continuïteit van energielevering te waarborgen. De ACM heeft nog enkele voorstellen en/of verzoeken om de uitvoerbaarheid en effectiviteit van de Energieregeling te verbeteren; deze worden hierna besproken.

De ACM wijst erop dat er in het voorbereidingsproces voor gekozen is om met de start van de internetconsultatie de ACM gelijktijdig (in plaats van sequentieel) om een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te vragen. Hierdoor kan de ACM niet nagaan of wijzigingen als gevolg van de internetconsultatie die gevolgen kunnen hebben voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Hetgeen de ACM hier opbrengt is terecht. Daarom is ervoor gekozen om eind september 2025 de ACM gelegenheid te geven kennis te nemen van alle voorgenomen aanpassingen en eventueel bezwaren op deze aanpassingen nog kenbaar te maken.

De ACM heeft geconstateerd dat een transponeringstabel ontbrak bij het ontvangen ontwerpbesluit (en eerder ook bij de toets op het Energiebesluit) en geeft aan dat nu moeilijk te bepalen was welke bepalingen uit de oude regelgeving werden overgenomen in het stelsel onder de Energiewet. De ACM verzoekt dan ook bij volgende toetsen steeds een transponeringstabel toe te voegen.

Net als bij de toetsen op de Energiewet en het Energiebesluit wijst de ACM erop dat er voldoende financiering noodzakelijk is voor de uitvoering van het toezicht. De ACM geeft aan dat in de situatie van de Energieregeling een extra taak voor de ACM wordt geïntroduceerd, boven op het regelgevingspakket van de Energiewet. De ACM geeft aan ‘Dit betreft de beoordeling van het hierboven genoemde, door TenneT op te stellen verslag inzake de geraamde flexibilteitsbehoeften. Deze taakuitbreiding brengt voor de ACM totaal jaarlijks € 66.352,– aan extra kosten mee, waarvoor structurele financiering nodig is.’ De ACM geeft aan te zoeken naar mogelijkheden voor de structurele financiering van dit soort kleinere taakuitbreidingen zonder dat er iedere keer per UHT een claim moet worden neergelegd met een geringe financiële omvang, en hierover maakt de ACM graag passende financiële afspraken met de minister.

Omgang met de toetsresultaten in de Energieregeling

Hierna worden de onderwerpen die de ACM heeft genoemd in de toets, een voor een besproken.

A. Toetsing op oneerlijke handelspraktijken bij vergunningaanvraag leveranciers

De ACM verzoekt om een expliciete grondslag op te nemen in de Energieregeling om bij aanvraag van een leveringsvergunning te kunnen toetsen op naleving van oneerlijke handelspraktijken (artikelen 193b tot en met 193j van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek). Zij stelt dat de eisen voor de aanvraag van een vergunning minstens gelijk dienen te zijn aan die van het doorlopend toezicht en dat eventuele consumentenrechtschendingen door (beoogd) vergunninghouders op voorhand zoveel als mogelijk moet worden voorkomen.

In reactie hierop kan het volgende worden opgemerkt. Het is van groot belang dat de consument voldoende beschermd is tegen deze praktijken. Daarom krijgt de ACM de mogelijkheid om te toetsen of de organisatie van een aanvrager zo is ingericht dat de naleving van de OHP-artikelen intern voldoende is geborgd. Met andere woorden, of en op welke wijze wordt voorkomen dat er wordt gehandeld in strijd met de OHP-artikelen. Deze verplichting is verder uitgewerkt en toegevoegd aan artikel 2.28, eerste lid, onderdeel h. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ten aanzien van het gedrag van leveranciers er op wetsniveau in artikel 2.19 en 2.20 regels worden gesteld. Artikel 2.19 van de wet voorziet in bescherming van afnemers tegen leveranciers die (stelselmatig) de voorschriften van oneerlijke handelspraktijken overtreden door dit als grond op te nemen voor de ACM om een vergunning in te trekken of te wijzigen. Ingevolge artikel 2.20 van de wet kan een vergunning worden geweigerd of ingetrokken aan de hand van een integriteitsbeoordeling op basis van de Wet Bibob. In de artikelsgewijze toelichting daarbij wordt benadrukt dat de verwijzing naar de Wet Bibob het mogelijk maakt om de integriteit van de aanvrager te toetsen. Het optreden tegen bepaalde gedragen van vergunninghouders geschiedt dus op een andere grondslag dan de vereisten gesteld bij of krachtens artikel 2.18 van de wet.

B. Accountantscontrole vergunninghoudende leveranciers

De ACM verzoekt om in de Energieregeling een bevoegdheid op te nemen om een leverancier te verplichten om een accountantscontrole uit te laten voeren op de jaarcijfers, wanneer zij daar aanleiding toe ziet. In reactie daarop kan worden opgemerkt dat (op grond van artikel 6b van de Instellingswet ACM) de leverancier de gegevens en inlichtingen dient te verschaffen die de ACM nodig acht voor de uitvoering van de aan haar opdragen taken. Dit geldt ook voor de accountantscontrole op de jaarcijfers, wanneer dit niet reeds wettelijk verplicht is en de ACM daar wel aanleiding toe ziet om de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen.

C. Voorkomen van afsluiting kwetsbare afnemers

De ACM verzoekt om in de Energieregeling te regelen dat leveranciers afnemers met een kleine aansluiting niet mogen afsluiten als hun restschuld zo gering is, dat afsluiting niet proportioneel is gelet op de impact en de kosten die dit voor de afnemer meebrengt.

In reactie hierop is in de toelichting opgenomen dat onderdeel van een redelijke en passende betalingsregeling is dat beëindiging van de leveringsovereenkomst bij niet nakoming van de betalingsregeling proportioneel moet zijn. Daarbij kan de hoogte van de restschuld ook meespelen. Bij het aanbieden van een betalingsregeling zal voorts moeten worden gekeken naar het verbruik en de termijnbedragen van de klant (als onderdeel van de individuele omstandigheden waarop de betalingsregeling moet zijn afgestemd).

De Energieregeling is zo ingericht dat een eindafnemer alleen afgesloten mag worden nadat de leverancier heeft voldaan aan alle daarvoor gestelde voorwaarden. Dit houdt in dat er drie schriftelijke herinneringen gestuurd moeten worden. Daarnaast moet een leverancier zich inspannen, langs meerdere kanalen, om in persoonlijk contact treden met de eindafnemer en een redelijke en passende betalingsregeling aanbieden, waarbij rekening gehouden wordt met de persoonlijke situatie van de eindafnemer. Dit geldt voor de financiële draagkracht, maar moet ook rekening houden met de proportionaliteit van de totale restschuld in geval van beëindiging van de leveringsovereenkomst. Daarnaast mag een energieleverancier alleen de levering beëindigen als het niet gelukt is om een betalingsregeling te treffen, er geen klachtenprocedure loopt en er geen sprake is van een schuldhulpverlening of een ernstige gezondheidssituatie (onderbouwd met een verklaring).

Als een eindafnemer na het missen van betaling van de eerste factuur een daaropvolgende factuur mist, moet er een (vroeg)signaal naar de gemeente worden verzonden. Zij kunnen dan extra hulp inzetten en in contact treden met de eindafnemer.

D. Supplier of Last Resort (SLR) en teruglevering

De ACM verzoekt om in de Energieregeling ook actieve afnemers die op een secundair allocatiepunt enkel terugleveren, onder het bereik te brengen van de Supplier of Last Resort (hierna: SLR) regeling, zodat onbalans kan worden voorkomen.

In reactie hierop verdient het allereerst opmerking dat de SLR-procedure alleen geldt voor eindafnemers met een kleine aansluiting. Op dit moment hebben slechts enkele honderden actieve afnemers met een kleine aansluiting een secundair allocatiepunt voor zuiver teruglevering. Reden hiervoor is dat het voor de meeste kleine afnemers het voordeligst is om te salderen, waarbij levering en teruglevering bij dezelfde leverancier plaatsvindt. Hoewel de salderingsregeling per 2027 zal worden afgeschaft, is de verwachting dat afnemers met een kleine afsluiting vanwege de overgangsregeling in elk geval tot en met 2030 in de meeste gevallen het voordeligst uit zijn wanneer zij voor levering en teruglevering met dezelfde leverancier contracteren. Voor die situatie regelt het energiebesluit dat de noodleverancier een aanbod tot het sluiten van een terugleveringsovereenkomst doet, zodat de afnemer met een kleine aansluiting (tevens actieve afnemer) niet onverwachts zonder terugleveringsovereenkomst komt te zitten.

Voorts wordt opgemerkt dat de SLR-procedure voorziet in een regeling ten behoeve van de leveringszekerheid van afnemers met een kleine aansluiting. De regeling voorkomt dat deze afnemers – indien zij niet direct na het faillissement overstappen naar een andere leverancier – plotseling zonder een leverancier van elektriciteit en/of gas komen te zitten na het faillissement. Deze situatie verschilt wezenlijk van de situatie waarin een actieve afnemer uitsluitend teruglevert aan een marktpartij, en die marktpartij gaat failliet; de levering van energie aan deze actieve afnemer is in deze situatie niet in het geding. Aldus bestaat er vanuit het oogpunt van leveringszekerheid geen reden om actieve afnemers die op een secundair allocatiepunt slechts terugleveren onder het bereik van de SLR-procedure te brengen.

Actieve afnemers die op een secundair allocatiepunt enkel terugleveren, vallen dus niet onder het bereik van de SLR regeling. Indien deze actieve afnemers zich geconfronteerd zien met een failliete marktpartij op dat allocatiepunt, dienen zij zo snel mogelijk een terugleverovereenkomst te sluiten met een andere marktpartij. Laat een actieve afnemer dat na, dan zal hij niet langer een terugleververgoeding ontvangen voor de door hem teruggeleverde energie. Mocht hij dus hebben gemist dat zijn marktpartij voor de teruglevering failliet is gegaan, dan zou hij dat alsnog kunnen bemerken door het uitblijven van enige betaling van de terugleververgoeding. Indien de actieve desondanks blijft terugleveren (zonder grondslag), ontstaat inderdaad een risico op onbalans en de ongewenste gevolgen van dien. Om die reden zal de systeembeheerder, indien er geen marktpartij meer actief is op het additionele allocatiepunt, het allocatiepunt buiten werking stellen. Voorafgaand daaraan zal de systeembeheerder de eindafnemer daarover informeren en ook over dat hij dat kan voorkomen door een nieuwe marktpartij te contracteren voor de teruglevering. Zie hierover artikel 3.13.

E. Kwaliteitsplan

De ACM heeft in het kader van de kwaliteitsborging van transmissie- en distributiesysteembeheerders een drietal verzoeken voor aanpassing van de Energieregeling (zie hierna). Daarnaast geeft de ACM aan graag mee te werken aan doorontwikkeling van de regeling, zoals ook in deze toelichting (zie hoofdstuk 2, onderdeel 5) al is aangekondigd.

Ten eerste verzoekt de ACM om het begrip ‘streefwaarde’ te definiëren. Dit verzoek is overgenomen door een begripsbepaling van de term ‘streefwaarde’ op te nemen, waarbij het normstellende deel uit de voorgestelde definitie van de ACM niet in de begripsbepaling is overgenomen maar is verduidelijkt in de toelichting.

Ten tweede verzoekt de ACM om in de regeling op te nemen dat een systeembeheerder voor de beschrijving van kwaliteitsknelpunten dezelfde systematiek voor de aggregatie daarvan hanteert – en dus hetzelfde aggregatieniveau – als voor de beschrijving van de kwaliteitsknelpunten in het investeringsplan. Na nadere bespreking met partijen is hiervoor een aanpassing doorgevoerd waardoor de systeembeheerder in het kwaliteitsplan moet omschrijven hoe de analyse van knelpunten zich verhoudt tot de analyse van knelpunten in het investeringsplan. Beoogd is om hiermee de toezichthouders in staat te stellen de consistentie van de gehanteerde systematiek door de systeembeheerder en de samenhang in de analyse te kunnen beoordelen.

Ten derde verzoekt de ACM om in de Energieregeling op te nemen dat een systeembeheerder in het kwaliteitsplan de actualiteit en (mate van) volledigheid van het bedrijfsmiddelenregister beschrijft. Daarmee wordt beoogd ook duidelijkheid te geven over de risico's die voortvloeien uit mogelijke onvolledigheid of onjuistheid van het bedrijfsmiddelenregister. Dit verzoek is overgenomen door de bepaling hierop aan te passen. Ten slotte heeft de ACM in de bijlage meer gedetailleerde voorstellen gedaan, welke grotendeels zijn overgenomen of waarvan is besloten deze mee te nemen in de doorontwikkeling van de regeling, zoals ook in de toelichting al is aangekondigd.

F. Procedure goedkeuring verslag flexibiliteitsbehoeften

De ACM verzoekt om procedurele regels op te nemen in de Energieregeling. In reactie hierop kan het volgende worden opgemerkt. In artikel 19 sexies van de Elektriciteitsverordening is reeds een procedure opgenomen voor het opstellen van het verslag over de flexibiliteitsbehoefte. Artikel 19 sexies regelt in detail de bevoegdheden en verplichtingen van de regulerende instantie en andere entiteiten en bepaalt waar lidstaten nog de ruimte hebben voor het stellen van aanvullende regels. Het artikel biedt geen grondslag voor het stellen van nationale procedurele regels over het verslag. Het voorstel van de ACM is daarom niet overgenomen. Wel is aan de regeling toegevoegd dat de TSB voor elektriciteit het verslag moet verzenden aan de ACM, aangezien deze verplichting noodzakelijk is voor een goede uitvoering van artikel 19 sexies, eerste lid, laatste alinea, van de Elektriciteitsverordening.

G. Overige opmerkingen

Naast de bovenstaande hoofdpunten heeft de ACM een set meer gedetailleerde opmerkingen en suggesties gestuurd. In de herziening van de Energieregeling is hier naar gekeken en waar relevant zijn deze opmerkingen en suggesties verwerkt. Hieronder volgt een beknopte weergave van de belangrijkste punten.

Waarborgsom

De ACM heeft opgemerkt dat het maximeren van de waarborgsom op een derde van het totaalbedrag van de verwachte jaarrekening veel ruimte voor interpretatie geeft aan leveranciers. Daarom zou beter gekozen kunnen worden voor een maximum van vier termijnbedragen. Gekozen is om het maximum van de waarborgsom op een derde van het totaalbedrag van de verwachte jaarrekening te baseren, omdat dit op deze manier ook voor dynamische energieleveranciers toepasbaar is en er zo uniformiteit bestaat tussen leveranciers bij de maximering van de waarborgsom. Bij dynamische energieleveranciers kunnen de termijnbedragen namelijk maandelijks verschillen.

Daarnaast heeft de ACM opgemerkt dat niet is uitgewerkt hoe kan worden voorkomen dat de waarborgsom in een faillissementsboedel belandt in geval van faillissement en doet daarbij de suggestie om de waarborgsom op een derdenrekening te storten. Ook heeft de ACM opgemerkt dat er regels ontbreken over diverse voorwaarden bij het vragen van een waarborgsom, zoals bijvoorbeeld het moment van terugstorten van de waarborgsom. Voor deze twee punten geldt dat de grondslag voor de maximering van de waarborgsom (artikel 2.1, tweede lid, van het Energiebesluit) geen grondslag biedt om deze punten nader uit te werken. Ten aanzien van de suggestie om de waarborgsom op een derdenrekening te storten geldt dat een derdenrekening ongeschikt is voor het beoogde doel, omdat daarmee gelden van derden apart kunnen worden beheerd, opdat de gelden niet aan de betrokken partij – in dit geval zou dat de energieleverancier zijn – gaan toebehoren. Het doel van de waarborgsom daarentegen is dat de energieleverancier deze gelden indien nodig mag verrekenen met zijn onbetaalde facturen. Een derdengeldenrekening zou dit bemoeilijken. Ten aanzien van de voorwaarden bij het vragen van een waarborgsom geldt dat er diverse voorwaarden rondom het vragen van een waarborgsom nader uitgewerkt zijn in de Algemene Voorwaarden van Energie-Nederland.

Hoogte van de opzegvergoeding

Naar aanleiding van de UHT-reactie van de ACM zijn de regels over het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding op verschillende punten aangepast en verduidelijkt, al dan niet in de toelichting. Zo is in de toelichting verduidelijkt of een leverancier bij een eenzijdige rechtswijziging een opzegvergoeding mag opleggen aan de klant. Indien een leveringsovereenkomst wordt opgezegd door een leverancier, bijvoorbeeld bij wanbetaling, kan het ook voorkomen dat er een opzegvergoeding in rekening wordt gebracht (mits het gaat om een overeenkomst voor bepaalde tijd en vaste prijs of vergoeding), uiteraard nadat de leverancier alle stappen conform het afsluitbeleid heeft gevolgd. Het ligt in de rede dat een vergoeding in rekening wordt gebracht indien een overeenkomst wordt beëindigd buiten de verantwoordelijkheid van een leverancier, maar dit is mede afhankelijk van wat partijen hebben geregeld in de leveringsovereenkomst en Algemene Voorwaarden. Ook is verduidelijkt dat een leverancier bij het berekenen van het resterende verbruik in eerste instantie altijd gebruik moet maken van het (meest actuele) standaard jaarverbruik, de standaard jaarafname, de standaard jaar-invoeding en de spreiding hiervan. Wanneer de leverancier niet over deze gegevens beschikt, kan teruggevallen worden op het hanteren van een objectieve en transparante berekeningswijze voor het resterende verbruik (artikel 2.19, derde en vierde lid). Daarnaast is ten behoeve van de transparantie rondom de hoogte van de opzegvergoeding verduidelijkt dat bij de factuur ook de berekeningswijze van de opzegvergoeding moet worden verstrekt (artikel 2.23, tweede lid).

De ACM heeft in haar UHT ook opgemerkt dat onvoldoende duidelijk is wat de consequenties zijn van een voorval waarbij de oude leverancier niet in staat is om een opzegvergoeding (tijdig) aan de klant te communiceren, doordat de nieuwe leverancier zijn verplichtingen rondom het correct uitvoeren van een switch niet nakomt. Indien de nieuwe leverancier zijn verplichtingen rondom het correct uitvoeren van een switch niet nakomt, is het aan de ACM om hierop te handhaven. Hierbij wordt opgemerkt dat de verplichting van de nieuwe leverancier ten aanzien van de ‘vooraankondiging switch’ zoals opgenomen in de voormalige ICEG vanaf 1 januari 2026 nog enige tijd blijft gelden (op grond van het overgangsrecht in artikel 7.52 en 7.53 Energiewet) totdat de finale ministeriële regeling hiervoor in de plaats komt.

Tot slot heeft de ACM naar aanleiding van haar sectoronderzoek naar de werking van de regels rondom het berekenen van de hoogte van de opzegvergoeding en nu ook via haar UHT-reactie het belang benoemd van het uitwerken van de bijzondere omstandigheden waaronder de opzegvergoeding lager of nihil zou moeten zijn. Hierover is besloten dat een lijst van dergelijke omstandigheden onwenselijk is, omdat een verlaging van de opzegvergoeding tegenover andere klanten te rechtvaardigen moet zijn en dit per geval getoetst moet worden. Deze kosten moeten immers uiteindelijk op andere klanten verhaald worden.

Het begrip ‘knelpunt’

De ACM heeft de suggestie gedaan om het begrip ‘knelpunt’ op te nemen in de begripsbepaling. Hier is invulling aan gegeven omdat het begrip niet alleen terugkomt in de regeling in relatie tot het investeringsplan, maar bijvoorbeeld ook tot het kwaliteitsplan.

Investeringsplannen

De ACM heeft verschillende opmerkingen en suggesties gedaan rondom de investeringsplannen.

Ten aanzien van de scenario’s (artikel 3.3) vraagt de ACM om toevoeging van de eenheid voor de verwachte productie, import, export en levering van gas en elektriciteit. In artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, is toegevoegd dat het gaat om volumes. Ook vroeg de ACM om verduidelijking van met welke niveau van vastgesteld overheidsbeleid moet worden gehouden bij het opstellen van de scenario’s. De scenario’s moet rekening houden met zowel gemeentelijk, provinciaal als nationaal overheidsbeleid, omdat alle drie invloed kan hebben op de inrichting van het transmissie- of distributiesysteem. Omdat in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, overheidsbeleid niet verder is ingeperkt is in het artikel niks gewijzigd. In de toelichting is nog wel expliciet toegevoegd dat het om beleid van de eerdergenoemde niveaus gaat.

Daarnaast vroeg de ACM of het artikel 3.4 dat eisen stelt aan de knelpuntenanalyse voor het investeringsplan niet onderdeel moet zijn van het kwaliteitsplan. Hierover kan worden opgemerkt dat er inderdaad samenhang moet zijn in de analyse die ten grondslag ligt aan het kwaliteitsplan en het investeringsplan. In het investeringsplan dient echter een specifieke en gedetailleerde analyse te worden opgenomen voor de kwaliteitsknelpunten en capaciteitsknelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van het systeem. Voorts vroeg de ACM om nadere uitwerking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°, waarin de systeembeheerder wordt verplicht om toelichting te geven op hoe een verband is gelegd tussen een capaciteitsknelpunt en een scenario. De ACM vraagt om extra uitwerking in de regeling voor de regionalisatie van volumes uit scenario’s naar piekbelasting per onderdeel in het systeem. Dit is niet overgenomen in het artikel, omdat dit te veel detail toevoegt aan het artikel. Daarnaast sluit het artikel het op dit moment ook niet uit dat de systeembeheerder deze stap opneemt in de analyse van het knelpunt. Sterker nog, dit zou zeer goed een belangrijk onderdeel kunnen zijn van de toelichting op hoe verband is gelegd tussen het capaciteitsknelpunt en een scenario. Bij de artikelsgewijze toelichting van dit artikel is nog wel het belang van navolgbaarheid toegevoegd van de manier waarop verband is gelegd tussen een scenario en een capaciteitsknelpunt.

Naar aanleiding van twee opmerkingen van de ACM ten aanzien van het artikel over de investeringen die in de eerstkomende vijf jaren zijn gepland (artikel 3.6), zijn nog twee wijzigingen doorgevoerd in de regeling. De eerste is dat onderdeel c ook geldt voor de TSB voor elektriciteit op zee. Ook voor interconnectie op zee is inzicht in de verwachte capaciteit die beschikbaar komt namelijk relevant. De tweede is dat in sub d is verduidelijkt dat de uitzondering voor investeringen die nog moet worden aanbesteed alleen geldt voor het opnemen van een kostenraming per jaar en niet voor de onderbouwde planning in tijd.

Tarieven en voorwaarden

De ACM heeft de suggestie gedaan om in artikel 3.35, eerste lid, nader te specificeren welke aspecten de motivering bevatten van een verzoek van een TSB of tenminste een derde van de DSB’s aan de gezamenlijke TSB’s en DSB’s om een voorstel voor methoden of voorwaarden op te stellen. Deze suggestie is niet overgenomen. Voorts heeft de ACM gewezen op een vermeende onverenigbaarheid van artikel 3.37 met (beslis)termijnen in enkele Europese verordeningen. Het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht geeft de ACM mede de bevoegdheid om de termijn voor het nemen van een beschikking op te schorten totdat de gestelde termijn voor het aanvullen van de aanvraag is verstreken. Voorts kan bij het stellen van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag rekening worden gehouden met de door de verordeningen gestelde termijnen. Het is echter terecht dat hiermee niet is uitgesloten dat toepassing van artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht tot een afwijkende beslistermijn leidt. Daarom is aan het artikel toegevoegd dat beslistermijnen bij of krachtens Europese verordeningen onverminderd van toepassing zijn.

Boekhouding systeembeheerders

De ACM heeft een reactie gegeven op de conceptartikelen rond de afzonderlijke boekhouding. Zo heeft de ACM verzocht om DSB’s en TSB’s te verplichten tot publicatie van een integrale jaarrekening, zonder gebruik te maken van vrijstellingen, conform titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze suggestie is om drie redenen niet opgevolgd. Ten eerste, omdat dit zou leiden tot een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten voor DSB’s en TSB’s, zonder dat duidelijk is welke toegevoegde waarde dit heeft. Ten tweede, omdat dit zou neerkomen op een nationale kop boven op de Europese regelgeving, die een dergelijke verplichting niet kent. Ten derde, omdat sinds het begin van de Energiewet juist het uitgangspunt is geweest om DSB’s en TSB’s de keuze te laten tussen publicatie van een integrale jaarrekening of een alternatief, zoals uitgewerkt in de voorschriften van deze regeling. Publicatie van een integrale jaarrekening is dus mogelijk, maar niet verplicht. Verder heeft de ACM heeft daarnaast gevraagd om meer duidelijkheid over de wijze waarop DSB’s en TSB’s gesegmenteerde informatie rapporteren op grond van de afzonderlijke boekhouding. Naar aanleiding van dit verzoek is dit nader toegelicht in de toelichting bij dit voorschrift.

5.2 Rijksinspectie Digitale Infrastructuur: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De Energieregeling is op 4 juni 2025 aan de RDI aangeboden een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Op 15 juli 2025 heeft de RDI de resultaten van deze toets toegezonden aan de minister.

Bevindingen van de toets

De RDI acht het conceptvoorstel van de Energieregeling in de huidige versie niet uitvoerbaar en handhaafbaar.

Omgang met de toetsresultaten in de Energieregeling

Hierna worden de onderwerpen die de RDI heeft genoemd in de toets, een voor een besproken.

A. Aanwijzing van gegevens, hulpmiddelen, materialen, etc. & B. Mate van geheimhouding

De RDI stelt vast dat onvoldoende duidelijk is welke gegevens, hulpmiddelen, materialen, werkmethoden en processen onder het bereik van artikel 3.18 van de Energiewet vallen en waarop artikel 3.4 van het Energiebesluit van toepassing is. De RDI merkt daarover op dat de in deze regeling genoemde inventaris uitputtend zou moeten zijn. De verantwoordelijkheid en taken voor de totstandkoming van deze inventaris zou duidelijker belegd moeten worden. Deze inventaris zou zelf ook geheim gehouden moeten worden, gelet op het gevoelige karakter van de inhoud ervan. De RDI heeft ook opmerkingen gemaakt over de voorgestelde classificatie als ‘vertrouwelijk’, dan wel ‘geheim’ en de voorgestelde markering op grond van het Traffic light protocol. De RDI vroeg verder naar de beperkingen die gelden voor het delen van deze informatie.

In reactie hierop kan worden gemeld dat in de periode juli tot en met oktober 2025 het overleg op dit onderwerp is geïntensiveerd. Echter, in oktober 2025 is besloten meer tijd te nemen voor de nadere uitwerking van deze voorschriften en niet per 1 januari 2026 in werking te laten treden.

C. Toezicht op naleving NCCS

De RDI heeft aangegeven dat een aantal bepalingen in artikel 4.2 niet, of niet juist is opgenomen. Het voorstel voor aanpassing van dit artikel is overgenomen.

5.3 Staatstoezicht op de Mijnen: toets op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De Energieregeling is op 4 juni 2025 aan het SodM aangeboden voor een toets op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Op 15 juli 2025 heeft het SodM de resultaten van deze toets toegezonden aan de minister.

Bevindingen van de toets

Het SodM concludeert dat de Energieregeling uitvoerbaar en handhaafbaar is, mits de voorstellen voor wijzigingen (zie hierna) doorgevoerd worden.

Het SodM merkt tevens op dat voorafgaand aan de totstandkoming van de Energiewet aangegeven is dat een aantal zaken moest worden aangepakt, met name (i) de doorontwikkeling van de artikelen over kwaliteitsborging, (ii) het kwaliteitsplan en (iii) het verbeteren van de ordening van de artikelen die vanuit RIKEG zouden worden overgezet. Het SodM constateert dat de huidige Energieregeling hier nog niet in voldoende mate in voorziet: ‘In het uitgebreide wetgevingsproces voor de Energiewet bleek geen ruimte voor het oplossen van deze problematiek. Deze zou in het Energiebesluit worden geadresseerd. Daarentegen is besloten deze problematiek niet in het Besluit maar in de Regeling zou worden geadresseerd. Echter, ook in de totstandkoming van de voorliggende eerste versie van Regeling bleek hier geen ruimte voor.’ Het SodM onderstreept daarom het belang van de verdere doorontwikkeling van de Energieregeling op dit punt, wat ook door het ministerie wordt onderschreven (zie hoofdstuk 2, onderdeel 15).

Het SodM merkt op dat in 2024 in het reguliere begrotingsproces drie fte is toegekend voor het versterken van het toezicht door SodM op de Energiewet. De uitvoeringsproblematiek van het KBS-

toezicht, die bij de claim is geschetst, is nog onverminderd actueel in deze versie van de Energieregeling, aldus het SodM. Het SodM merkt op dat ‘pas bij de tweede versie van de Energieregeling duidelijk wordt in hoeverre de uitvoeringsproblematiek opgelost is en de toegekende capaciteit toereikend is voor SodM’.

Omgang met de toetsresultaten in de Energieregeling

Het SodM heeft de regeling grondig bestudeerd en er is intensief overleg geweest over de toets en de doorontwikkeling van de regeling. Deels overlappen de suggesties van het SodM met de suggesties in de toets van de ACM. Hierna worden de onderwerpen die het SodM heeft genoemd in de toets, een voor een besproken.

A. Toevoegen begripsbepalingen – Het SodM stelt voor begripsbepalingen voor de begrippen ‘Kritische Prestatie Indicator’ (KPI) en ‘streefwaarde’ op te nemen. Ook de ACM had een gelijkluidend voorstel met betrekking tot het begrip ‘streefwaarde’. Hieraan is invulling gegeven en is een begripsbepaling toegevoegd, waarbij het voorgestelde normstellende deel van de tekst is opgenomen in de toelichting bij deze regeling.

Bovendien stelt het SodM voor om in relatie tot het bedrijfsmiddelenregister enkele wijzigingen door te voeren. Deze wijzigingen zijn overgenomen, met uitzondering van het voorstel om deze in een zelfstandig artikel op te nemen, omdat onderscheid kan worden gemaakt tussen inhoudelijke eisen die worden gesteld aan het bedrijfsmiddelenregister, het proces dat hiermee samenhangt en hetgeen hierover moet worden opgenomen in het kwaliteitsplan. Dit onderscheid is beoogd te behouden in de bepalingen. Daarnaast is de toevoeging ‘en indien afwijkend, de druk waarvoor de leiding ontworpen is’, vooralsnog niet overgenomen, omdat na navraag bij Netbeheer Nederland blijkt dat deze informatie op dit moment niet uniform voorhanden is. Dit zal worden betrokken in het vervolgtraject van doorontwikkeling van de regeling.

B. Output kwaliteitsborgingsysteem – Hiertoe heeft het SodM een aantal suggesties voor aanpassingen in de toelichting gedaan. Een aantal suggesties is overgenomen; andere suggesties bleken ten overvloede te zijn. Daarnaast betrof het enkele aanpassingen naar aanleiding van voorgestelde aanpassingen in de bepalingen die niet zijn overgenomen of samenhangen met gewenste aanpassingen die worden meegenomen in de doorontwikkeling van de regeling.

C. Doorontwikkeling kwaliteitsplan – Hiertoe stelt het SodM voor om het artikel met betrekking tot het kwaliteitsplan niet limitatief te formuleren. Dit is overgenomen door de toevoeging ‘ten minste’ op te nemen in het eerste lid van artikel 3.27.

Ten slotte geeft het SodM in zijn reactie een groot aantal randvoorwaarden mee voor succesvolle doorontwikkeling van de regeling. Met het SodM is besproken deze te betrekken in een vervolgtraject van de regeling.

5.4 Raad voor de Rechtspraak: wetgevingsadvies

De Energieregeling is op 5 juni 2025 aan de Raad voor de Rechtspraak (hierna ook: de Raad) aangeboden voor het uitbrengen van een advies op de conceptregeling. Op 7 juli 2025 heeft de Raad een reactie verzonden aan de minister.

De Raad constateert ten eerste dat er geen aanleiding is tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Daarnaast gaat de Raad kort in op werklast, waarbij wordt geconstateerd dat voor de Energieregeling afzonderlijk geen significante werklastgevolgen worden voorzien. De Raad kan zich vinden in hetgeen is opgenomen in de toelichting bij de Energieregeling, namelijk dat de werklastgevolgen in deze situatie kunnen worden beschouwd als onderdeel van de eerder gedane inschatting bij de voorbereiding van de Energiewet in den brede, welke ook is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Energiewet. Toen zijn de werklastgevolgen ingeschat op circa € 250.000, gelet op de ‘naar schatting 20 extra zaken bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven die aanzienlijk grotere complexiteit kennen en daarom een grotere behandeltijd’.

5.5 Autoriteit Persoonsgegevens: wetgevingsadvies

De Energieregeling is op 5 juni 2025 aan de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna ook: de AP) aangeboden voor het uitbrengen van een advies op de conceptregeling. Op 23 juli 2025 heeft de AP een reactie verzonden aan de minister en daarbij opgemerkt dat zij geen aanmerkingen heeft op de conceptregeling.

5.6 Adviescollege Toetsing Regeldruk: wetgevingsadvies

De Energieregeling is op 17 september 2025 aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna ook: de ATR) aangeboden voor het uitbrengen van een advies op de conceptregeling; hierbij heeft de ATR ook het door Sira Consulting uitgevoerde effectenonderzoek (zie paragraaf 3.1) ontvangen. Op 16 oktober 2025 heeft de ATR een reactie verzonden aan de minister.

Inhoud van en omgang met het advies

De ATR adviseert de minister de regeling niet vast te stellen tenzij met de adviespunten rekening wordt gehouden. De ATR geeft hierbij vier adviespunten en raadt een punt aan; deze worden hierna een voor een besproken.

Invulling leveranciersmodel – De ATR geeft ten aanzien van het toetsingscriterium ‘minder belastende alternatieven’ drie adviezen inzake de voorschriften rondom het leveranciersmodel; dit is geregeld in afdeling 2.3 van de Energieregeling.

De ATR verwijst naar mogelijke risico’s en kosten als gevolg van het achteraf controleren van de naam en adviseert te kiezen ‘voor controle op de juistheid van gegevens in overeenkomsten vooraf in plaats van achteraf als dat minder belastend is, tenzij inhoudelijk onderbouwd is waarom dat niet mogelijk is’ (advies 2.1).In reactie kan het volgende worden opgemerkt. Ten eerste is het moment van deze controle in de voorbereiding uitgebreid besproken met de betrokken partijen, namelijk de DSB’s en de leveranciers. De DSB’s waren voorstander van een controle op het moment dat de ATO werd afgesloten, de leveranciers wilden de huidige ICEG-processen (zonder expliciete controle) handhaven. Voor de leveranciers was een belangrijk argument dat een controle vooraf (i) veel kosten met zich mee zou brengen en (ii) een negatieve impact zou hebben op het wervingsproces van de (potentiële) klant, met als risico dat de klant afhaakt. De sterk afwijkende standpunten van beide partijen zijn ook na te lezen in paragraaf 4.3 (zie onderdeel ‘leveranciersmodel’). Uiteindelijk is een keuze gemaakt voor de controle achteraf omdat dit (i) reeds een aanzienlijke verbetering [van de controle op de juistheid van gegevens] betrof ten opzichte van de situatie onder de voormalige ICEG en (ii) de minst belastende variant voor de leveranciers betrof, de partij die de faciliterende werkzaamheden uitvoert en dus kosten maakt. Belangrijke overweging hierbij was dat de DSB’s niet in staat waren om aan te tonen hoe groot het probleem met foutieve namen daadwerkelijk was, wat ingrijpende verplichtingen minder passend maakte. Ten tweede geldt dat de voorgeschreven controle een minimum eis is; gelet op de eventuele kosten achteraf kan het voor leveranciers aantrekkelijk zijn om de controle wel direct rondom het afsluiten van de ATO uit te voeren. Ten derde kan worden opgemerkt dat, ten opzichte van de door de ATR beoordeelde ontwerpregeling, de mogelijkheid is gecreëerd om een eIDAS-identificatiemiddel als alternatief te hanteren; ook dit kan de drempel voor leveranciers verlagen om vroegtijdige controles uit te voeren. Tot slot is ook relevant dat in de herziene regeling ook een rapportageverplichting over de correctieprocessen is opgenomen, zodat ook de omvang van het probleem beter gemonitord kan worden.

Verder gaat ATR in op de verplichting voor leveranciers om de geldende tarieven op te nemen in de ATO en ook tariefwijziging doorn te geven. ATR suggereert dat verwijzen naar een centrale vindplaats (online) minder belastend kan zijn en adviseert ‘in de toelichting te beschrijven welke alternatieven voor het opnemen van de nettarieven in de aansluit- en transportovereenkomst zijn overwogen en de regeldrukgevolgen van deze alternatieven te schetsen’ (advies 2.2) en ‘te kiezen voor een minder belastend alternatief, tenzij inhoudelijk onderbouwd wordt waarom dit niet mogelijk is’ (advies 2.3). In reactie kan worden opgemerkt dat in de ontwerpregeling is uitgegaan van het generieke principe dat het te betalen tarief ook is opgenomen in de overeenkomst; de (potentiële) aangeslotene weet dan waar hij aan toe is. Zo is dit ook geregeld voor de leveringsovereenkomst (zie artikel 2.1 Energiebesluit). Mede gelet op dit advies van de ATR is artikel 2.36 Energieregeling wel aangepast: de overeenkomst dient ten minste een verwijzing te bevatten naar de geldende tarieven, dus dat kan ook een breed toegankelijke website zijn.

Totstandkoming van de ATO – Ten aanzien van het toetsingscriterium ‘werkbaarheid’ geeft de ATR aan dat op een aantal punten onduidelijk is of de gewijzigde verplichtingen in de praktijk werkbaar zijn. De ATR geeft hierbij het proces rondom de totstandkoming van de ATO als voorbeeld: ‘Tot op heden hoefden zij (de leveranciers, red) dit proces alleen te faciliteren. Het voorstel biedt geen inzicht in wat er gebeurt als er onduidelijkheden zijn over de overeenkomsten of als niet alle overeenkomsten geaccepteerd worden. Het zou in ieder geval duidelijk moeten zijn welke partij het eerste aanspreekpunt is bij dergelijke onduidelijkheden en welke partij waarvoor verantwoordelijk is. Ook moet duidelijk zijn wat de consequentie is als niet aan bepaalde voorwaarden is voldaan’. In dit licht adviseert de ATR om ‘in de toelichting duidelijkheid te verschaffen over de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst. In het bijzonder moet duidelijk zijn welke partij het eerste aanspreekpunt voor die overeenkomst is en welke partij verantwoordelijk is voor het oplossen van problemen ten aanzien van die overeenkomst’.

In reactie op dit advies van de ATR kan vermeld worden dat deze duidelijkheid gegeven is op het niveau van de Energiewet, meer specifiek in artikel 2.29. Dit artikel volgt direct na artikel 2.27 en 2.28, welke artikelen samen de wettelijke basis vormen voor het leveranciersmodel en de faciliterende rol van de leverancier. Artikel 2.29 schrift voor dat een leverancier eventuele klachten of vragen van de aangeslotene over het systeembeheer onverwijld doorstuurt naar de betrokken systeembeheerder. Hiermee maakt de Energiewet duidelijk dat het de systeembeheerder zelf is die verantwoordelijk is voor het oplossen van problemen ten aanzien van die overeenkomst.

Voor wat betreft het niet accepteren van de ATO legt artikel 3.29 lid 1 sub e van het Energiebesluit vast dat de uiteindelijke consequentie hiervan is dat de aansluiting buiten werking moet worden gesteld. Dit is echter een voorschrift aan de systeembeheerder, terwijl een leverancier in zijn wervingsproces direct te maken kan krijgen met een eventuele weigering. In de reactie op de internetconsultatie is ook uitgebreid ingegaan op deze situatie (zie paragraaf 4.3). Toegelicht is dat één van de kernuitgangspunten van de Energiewet is dat de TSB of DSB aan de aangeslotene een aanbod doet om een aansluiting in gebruik te nemen. Na aanvaarding van dit aanbod kan gesproken worden over een ‘aangeslotene’, namelijk de persoon ‘die van een systeembeheerder de beschikking heeft gekregen over een aansluiting’ (zie artikel 1.1 Energiewet). De ATO vormt dan de expliciete vastlegging van deze overeenkomst die na aanbod en aanvaarding tot stand is gekomen. Conform artikel 2.1 Energiewet is het ook deze aangeslotene die een of meerdere leveringsovereenkomsten op zijn aansluiting kan afsluiten. In die zin is het zijn van ‘aangeslotene’ dus voorwaardelijk aan het kunnen afsluiten van een leveringsovereenkomst. In paragraaf 4.3 is toegelicht dat het uiteindelijk aan de leverancier zelf is hoe hij zijn werk- en IT-processen inricht, maar dat het vanuit het perspectief van de Energiewet onlogisch is om toe te staan dat een klant geen ATO afsluit, maar wel een leveringsovereenkomst. Aangegeven is dat een leverancier in de vormgeving van zijn werk- en IT-processen rekening mee kan houden, zodat dergelijke situaties voorkomen worden en een TSB of DSB niet uiteindelijk de aansluiting buiten werking moeten stellen.

Waarborgsom – In de context van de ‘werkbaarheid’ constateert de ATR dat vanuit de leveranciers aandacht gevraagd is voor het moment waarop zij de waarborgsom innen: het vooraf innen van een waarborgsom zou technisch onmogelijk zijn. De ATR geeft aan van mening te zijn dat dit knelpunt moet worden opgelost, ook al valt het strikt genomen buiten de reikwijdte van de ontwerpregeling (het moment van innen van de waarborgsom is in het Energiebesluitis geregeld). In reactie kan worden opgemerkt dat het Energiebesluit (artikel 2.1) inderdaad ruimte biedt voor het in rekening brengen van een waarborgsom. Onduidelijk is of de ATR doelt op de feitelijke inning van de waarborgsom of het bekend maken van de waarborgsom die men hanteert. Waar de Energieregeling de maximale hoogte van de waarborgsom vastlegt, bepaalt het Energiebesluit dat een waarborgsom gevraagd kan worden ‘bij’ het sluiten van een leveringsovereenkomst. Uitgangspunt hierbij is dat de (potentiële) eindafnemer voorafgaand aan het afsluiten van de leveringsovereenkomst op de hoogte moet zijn de geldende voorwaarden, waaronder de waarborgsom. Na de bekendmaking van de hoogte van de waarborgsom moet de (potentiële) eindafnemer nog kunnen afzien van de overeenkomst. De hoogte van de waarborgsom pas bekendmaken na het afsluiten van de leveringsovereenkomst is strijdig met dit uitgangspunt en daarom onwenselijk. Daar de waarborgsom gevraagd kan worden ‘bij’ het sluiten van de overeenkomst, kan de leverancier dus vanaf dat moment overgaan tot de daadwerkelijke inning. Er is dus geen inning ‘vooraf’ en ook geen knelpunt dat opgelost moet worden.

Generieke opmerkingen – Verder maakt de ATR twee meer generieke opmerkingen. Ten eerste constateert de ATR dat de Energieregeling is geconsulteerd voordat de (externe) effectenanalyse was afgerond en de ATR wijst er op dat dit eerder bij het Energiebesluit ook het geval was. De ATR benadrukt dat een effectenanalyse deel moeten uitmaken van de internetconsultatie en geeft aan dat: ‘Door deze werkwijze is het voor geïnteresseerde partijen niet mogelijk om tijdens de consultatie te reageren op de effectenanalyse. Zij hebben de omvang van de effecten daardoor niet kunnen meewegen in hun reactie’. Deze conclusie is correct voor zover het betrekking heeft op eventuele kwantitatieve (regeldruk-) effecten ten tijde van de uitgevoerde consultaties, dus de eerste. Immers, zowel bij het Energiebesluit als bij de Energieregeling in de (nota van) toelichting een kwalitatieve effectenanalyse was opgenomen ten tijde van de internetconsultatie. Bij elk van de 22 kernonderdelen in het Energiebesluit en bij elk van de 27 kernonderdelen in de Energieregeling is toen apart aandacht gegeven aan de te verwachte effecten, waaronder regeldruk, doenvermogen, markteffecten, etc. Partijen hadden de gelegenheid hier op te reageren, wat zij in de praktijk ook gedaan hebben. Vervolgens is, met in achtneming van deze kwalitatieve analyse, voor het Energiebesluit als voor de Energieregeling nader extern effectenonderzoek uitgezet. Hierbij zijn de betrokken sectorpartijen in meer detail is gevraagd naar hun inschatting van de optredende (regeldruk-) effecten, waarbij de reacties op de internetconsultatie waar mogelijk ook gebruikt zijn als inbreng voor het verdere onderzoek. De ATR lijkt te veronderstellen dat stakeholders enkel in de fase van de internetconsultatie betrokken waren, maar dat was niet het geval bij het Energiebesluit en de Energieregeling. Met de sectorpartijen die direct te maken hebben met het Energiebesluit en de Energieregeling, zoals de leveranciers, TSB’s, DSB’s, meetverantwoordelijke partijen, heeft ook nadien veelvuldig overleg plaatsgevonden. Toen behoeve van dit overlegproces is bijvoorbeeld ook de herziene versie van het Energiebesluit, inclusief de resultaten van het externe effectenonderzoek, openbaar gemaakt op het moment dat de toezichthouders het ontwerpbesluit vanaf juli 2024 gingen toetsen.67

Ten tweede merkt de ATR op dat zij, in maart 2021, ten aanzien van de toetsvraag ‘nut en noodzaak’ fundamentele vraagtekens heeft gezet bij de Energiewet vanwege het gebrek aan uitwerking van de delegatiebepalingen. De ATR constateert dat nu in 2025 pas duidelijk is geworden dat deze stelselherziening forse gevolgen heeft en concludeert dat de besluitvorming over de Energiewet en het Energiebesluit heeft plaatsgevonden zonder dat alle relevante informatie beschikbaar was. Deze conclusie is deels correct. De Energiewet betrof een zeer grote stelselwijziging waar ruim zes jaar aan gewerkt is. Hierbij is veel aandacht is gegeven aan het moderniseren van de wet- en regelgeving, alsmede het herschikken van het niveau waarop voorschriften in de wet- en regelgeving zijn opgenomen. Hiermee fungeert de Energiewet als generiek wettelijk kader, waarbij veel details zijn uitgewerkt in lagere regelgeving. In 2019/2020 was het op het niveau van de Energiewet niet mogelijk reeds een gedetailleerde inschatting van alle mogelijke effecten te geven, daar de nadere uitwerking op het niveau van het Energiebesluit en de Energieregeling in 2019/2020 simpelweg nog ontbrak. Deze nadere uitwerking is nadien stap voor stap voorbereid, waarbij ook het parlementaire proces in de periode 2023/2024 invloed heeft gehad op de uiteindelijke reikwijdte en inhoud van zowel het Energiebesluit als de Energieregeling. Gelet op het doel van de ex-ante effectenanalyses is het veel doelmatiger en doeltreffender gebleken deze analyses uit te voeren op het niveau van het Energiebesluit en de Energieregeling zelf, dus met de concrete conceptartikelen in uitgewerkte vorm beschikbaar. Overigens geldt dat de ‘nut en noodzaak’ van de Energiewet sterk gedreven is door de (her)implementatie van de Elektriciteitsrichtlijn en de Gasrichtlijn; dit betrof een verplichting, geen keuze.

Bijlage A – gegevensbeschermingseffectbeoordeling inzake ‘balanceren’

In hoofdstuk 2 is in onderdeel 13 uitgewerkt welke rol de DSB’s moeten gaan spelen bij de balancering. Omdat het hier gaat om de verzameling van kwartier- en uurwaarden bij kleine aansluitingen is ook de verwerking van persoonsgegevens relevant. In de voorbereiding bij het opstellen van de Energiewet is in 2022 een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (PIA) uitgevoerd, waar ook dit specifieke onderdeel uitgebreid in terug kwam. De onderstaande tabel vat de resultaten van de toets samen.

Tabel: Gegevensbeschermingseffectbeoordeling inzake ‘balanceren’

Onderdelen

Toelichting

Kenmerken gegevensverwerkingen

Persoonsgegevens, gegevensverwerkingen, verwerkingsdoelen

• Het gaat om detailgegevens over de onttrekking van en invoeding op het elektriciteitssysteem op het niveau van individuele allocatiepunten. Voor gas gaat het primair om onttrekking. Van directe herleidbaarheid naar individuele natuurlijke personen is in veel gevallen geen sprake, daar deze gegevens in vrijwel alle gevallen zien op grotere onbekende groep natuurlijke personen (een gezin, huisgenoten, etc.). Desondanks is verondersteld dat het hier toch gaat om ‘gewone’ persoonsgegevens binnen de reikwijdte van de AVG.

• Ten behoeve van de afrekening van de onbalans bepaalt de DSB het energievolume (elektriciteit) of de energetische hoeveelheid (gas). Hiervoor gebruikt hij meetgegevens die hij dagelijks verzamelt middels het uitlezen van op afstand uitleesbare meetinrichtingen. Deze gegevens worden in geaggregeerde vorm verstrekt aan de TSB’s (op het niveau van de portfolio van de BRP).

Betrokken partijen en belangen bij de gegevensverwerkingen

• In beginsel gaat het hier enkel om de DSB’s die persoonsgegevens verwerken. Na aggregatie is er geen sprake meer van persoonsgegevens, maar deze gegevens dienen voor de financiële afrekening van de onbalans.

Praktische uitvoering: techniek, locaties, bewaartermijnen

Beschrijving voor elektriciteit; voor gas is dit minder tijd kritisch:

• De meetgegevens zijn opgeslagen in het interne geheugen van elke meetinrichting; op die manier kan een aangeslotene ook zelf via het ‘display’ bij zijn gegevens. Het geheugen van alle meetinrichtingen omvat: (1) maandstanden, voor 13 maanden, (2) dagstanden, voor 40 dagen, en (3) intervalstanden voor 10 dagen (15 minuten elektriciteit, uur voor gas).

• De DSB verzamelt de intervalstanden éénmaal per dag, meestal ’s nachts. Uit de kwartierstanden worden de energiehoeveelheden per kwartier bepaald en er is een validatie op de juistheid en volledigheid. Eventuele gaten in de reeks worden gerepareerd vòòr de feitelijke allocatie (= toerekening);

• De energiehoeveelheden per kwartier worden vervolgens per leverancier/BRP combinatie, per netgebied geaggregeerd tot 1 PTE-waarde (=programmatijdseenheid) voor die combinatie. De geaggregeerde waarde is vrijwel nooit meer herleidbaar tot een specifieke aansluiting (NB: in een klein netgebied met een leverancier/BRP combinatie met zeer weinig klanten is dit niet helemaal uitgesloten);

• In de allocatie worden de reeksen van geaggregeerde PTE-waarden gebruikt: er zijn dus evenveel waardenreeksen als combinaties LV/PV/netgebied. In het allocatieproces worden dus geen kwartierwaarden van individuele aansluitingen gedistribueerd, gepseudonimiseerde gegevens. Ook in het geval een leverancier/BRP-combinatie slechts één aansluiting heeft in een netgebied, zal die in de allocatie gekenmerkt worden met de identificatie van die combinatie (en dus niet de unieke identificatiecode van de aansluiting.

• Na de afloop van de kalendermaand worden de gealloceerde totaalwaarden vergeleken met de maandstanden. Eventuele verschillen (bijv als gevolg van missende PTE data of reparaties) worden in kaart gebracht en verrekend (reconciliatie of settlement).

Na aggregatie zouden de verbruiken per kwartier direct kunnen worden vernietigd. Echter, het kan voorkomen dat niet alle meetinrichtingen in de aggregatie bereikt konden worden. De aggregatie kan dus mogelijk groeien en voor die situatie is het verstandig de brondata per aansluiting nog enkele dagen beschikbaar te hebben. De allocatie voor elektriciteit wordt na 10 dagen definitief. Los hiervan staat dat er nog andere doelen kunnen zijn voor de inzet van kwartierwaarden, met name als de klant (i) inzicht wenst in zijn eigen verbruik en invoeding of (ii) een ‘dynamische‘ leveringsovereenkomst afsluit waarbij op basis van kwartierwaarden wordt afgerekend.

Beoordeling rechtmatigheid gegevensverwerkingen

Rechtsgrond en doelbinding

Het gaat hier om een wettelijke verplichting (AVG art. 6 sub c), namelijk de combinatie van de wettelijke verplichting deze gegevens te verzamelen (o.a. 3.57 Energiewet) en deze te gebruiken inzake de balancering (3.49/3.50 Energiewet). Dit alles ter uitvoering van Europese verplichtingen inzake de balancering. De Energiewet/Energieregeling regelt expliciet waar deze gegevens voor gebruikt moeten worden. Dat vormt de doelbinding.

Noodzaak

In beginsel gaat het hier om een kostenverdelingsvraagstuk: (i) moeten, zoals nu het geval is, de met deze profielen samenhangende toenemende onbalanskosten (via hun BRP) worden verdeeld over alle aangeslotenen, of (ii) dienen de veroorzakers van de onbalanskosten (via hun BRP) ook zelf zoveel mogelijk de financiële consequenties te dragen van keuzes die samenhangen met het gebruik van het publieke elektriciteitssysteem. In de Energiewet is gekozen voor deze tweede optie. Dit leidt tot een eerlijke(re) toerekening van kosten, beperkt de financiële risico’s van zowel de eigen BRP als andere BRP’s en biedt vervolgens ook de juiste (financiële) prikkels om andere keuzes te maken die het elektriciteitssysteem minder belasten, bijvoorbeeld het gebruik van thuisbatterijen. Daar de onbalansverrekening voor elektriciteit per 15 minuten geschiedt, wordt het noodzakelijk geacht dat de DSB’s deze meetgegevens ook bij kleine aansluitingen (achteraf) verzamelen. Vervolgens kunnen de ontstane onbalanskosten door de TSB’s/DSB’s (als publieke en gereguleerde spelers) op geaggregeerd niveau worden toegerekend aan de desbetreffende BRP waar een eindafnemer een overeenkomst mee heeft (veelal via de leverancier).

Evenredigheid

Het verplicht verzamelen, bewerken en gebruiken van de intervaldata moet gezien worden als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen. Hierbij is duidelijk dat verschillende publieke doelen elkaar raken: (1) het belang dat het eenieder vrij staat zelf te bepalen op welke manier en op welke tijd hij gebruik maakt van het energiesysteem voor elektriciteit, waardoor kosten ontstaan en onbalanskosten onvermijdelijk zijn, (2) het publieke belang dat het gebruik van energiesysteem voor elektriciteit bekostigd wordt en dat alle betrokken marktpartijen daarvoor eerlijk vergoed worden door de aangesloten en gebruikers van hun diensten en (3) het belang dat natuurlijke personen recht hebben om de bescherming van hun persoonsgegevens. Desalniettemin wordt deze keuze als proportioneel beschouwd om op deze manier te komen tot een eerlijkere afrekening van het gebruik van het elektriciteitssysteem: de veroorzakers van de onbalanskosten dienen ook zelf de financiële consequenties te dragen van hun keuze; dit geldt zeker nu de energietransitie naar een CO2-arme energievoorziening nog maar aan het begin staat en deze problematiek de komende jaren sterker zal worden. Dit oordeel moet mede in het licht beschouwd worden van alle mitigerende maatregelen (zie hierna).

Subsidiariteit

De veroorzaakte onbalans raakt aan de keuze die een individuele betrokkene op een specifiek tijdstip maakt, bijvoorbeeld het opladen van de elektrische auto. Dit betekent dat, uitgaande van het uitgelegde kostenveroorzakingsprincipe, er intervalgegevens per individuele aansluiting/allocatiepunt benodigd zijn om deze veroorzaakte onbalans vast te stellen. Deze gegevens zijn enkel beschikbaar in de (op afstand uitleesbare) meetinrichtingen zoals deze thans reeds geïnstalleerd zijn onder de Elektriciteitswet 1998. Er zijn een aantal denkbare alternatieven ten aanzien van het uitlezen van de meetinrichting en allocatiemethodiek, namelijk:

• Variant A. Gebruik maken van dagstanden

• Variant B. Gebruik maken van kwartierstanden op basis van de ‘toestemming’ van de aangeslotene

• Variant C. Steekproef onder deel van de aangeslotenen met kleine aansluiting

• Variant D. Uitbreiden van de profielenmethodiek

• Variant E. Alternatieve technologie (encryptie, blockchain, etc.)

De overwogen alternatieven bieden in zekere zin meer bescherming van de privacy van aangeslotenen met aan kleine aansluiting, al zijn voor een betrouwbare en doeltreffende steekproef of profilering om sommige vlakken juist meer persoonsgegevens vereist. Tegelijkertijd is duidelijk dat deze alternatieven slechts in beperkte mate bereiken wat het wetsvoorstel beoogt, namelijk: eerlijke(re) toerekening van kosten, beperking van de financiële risico’s van BRP’s en het bieden van de juiste (financiële) prikkels om keuzes te maken die het elektriciteitssysteem minder belasten. De subsidiariteit van het voorkeursalternatief wordt daarom als positief beoordeeld. Ook hier geldt dat deze positieve proportionaliteitsbeoordeling sterk samenhangt met mitigerende maatregelen die gelden (zie hierna).

Rechten van betrokkenen

Het blijft voor aangeslotenen met een kleine aansluiting mogelijk om hun meetinrichting ‘administratief uit’ te laten zetten of een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit te laten installeren (artikel 3.53 Energiewet).

Beoordeling risico’s betrokkenen; maatregelen

Risico’s voor de betrokkenen

De gegevensverwerkingen kunnen een risico vormen voor de rechten en vrijheden van betrokkenen. In de risicoanalyse is onderscheid gemaakt naar:

• Risico I: onbevoegde externe partijen verkrijgen (illegaal) toegang tot de op afstand uitleesbare meetinrichtingen of dataregisters of gegevensprocessen

• Risico II: gebruik van gegevens door onbevoegden

• Risico III: DSB’s verzamelen en/of registreren verkeerde gegevens, wat leidt tot cascade-effecten in de dataketen

• Risico VI: DSB’s verzamelen/gebruiken meer gegevens dan noodzakelijk voor uitvoering van taak of verplichting

Voorgenomen maatregelen

In navolging van de identificatie van de risico’s is beoordeeld welke maatregelen in redelijkheid kunnen worden getroffen om de hiervoor beschreven risico’s te voorkomen of te verminderen. De analyse laat zien dat alle geïdentificeerde risico’s in meer of mindere mate worden ondervangen door mitigerende maatregelen, met één type restrisico, namelijk gegevens kunnen in kwaadwillende handen vallen. In deze situaties is duidelijk sprake van overtreding van wet- en regelgeving, bijvoorbeeld van het wetsvoorstel of de AVG of zelfs van strafrechtelijke overtredingen. In dat geval moet teruggevallen worden op toezicht en handhaving.

Generieke maatregelen:

• Energiewet: hier gaat het om de bestaande stringente sectorregulering (inclusief ingebed toezicht ACM en RDI), keuzes in de (markt-) ordening en uitvoering, alsmede aanpalende wet- en regelgeving (o.a. cyber, metrologie);

• Inzake balanceren: expliciete keuze om DSB meetinrichtingen te laten uitlezen en vervolgens de meetgegevens in geaggregeerde vorm te verstrekken.

Juridische maatregelen:

• Energiewet: dit draait primair om het vastleggen van gegevensprocessen op wetsniveau, in combinatie met het opnemen van voorschriften inzake de omgang met gegevens en welke actoren dit betreft.

• Inzake balanceren: vastleggen in 3.49 en 3.50 dat gegevens bij eerste gelegenheid moeten worden geaggregeerd; nadere uitvoeringsvoorschriften in de Energieregeling.

Organisatorische en technische maatregelen:

• Energiewet: generieke eisen aan meetinrichtingen en metingen, registerbeheer als gereguleerde taak (incl. eisen), de taakuitvoering GUE (incl. eisen) etc.

Bijlage B – gewijzigde artikelnummering Energiewet

De volgende tabel geeft inzicht in de gewijzigde nummering ten tijde van de parlementaire behandeling. De linkerkolom bevat de nummering van artikelen ten tijde van de behandeling in de Tweede Kamer, inclusief nota’s van wijziging en aangenomen amendementen. De rechterkolom bevat de nieuwe nummering, zoals gewijzigd door de regering en door de Tweede Kamer; dat is ook de nummering in Kamerstuk I 2023/24 36 378, nr. A.

Tabel 5: Transponeringstabel wetsartikelen

Voorstel van wet (Tweede Kamer)

Gewijzigd voorstel van wet (Eerste Kamer)1

Hoofdstuk 1

Artikelen 1.1 t/m 1.6

Ongewijzigd

Artikel 1.7

Ongewijzigd

Hoofdstuk 2

Artikelen 2.1 t/m 2.24

Ongewijzigd

Artikel 2.24a

Artikel 2.25

Artikelen 2.25 t/m 2.28

Artikelen 2.26 t/m 2.29

Artikel 2.28a

Artikel 2.30

Artikel 2.29 t/m 2.66

Artikelen 2.31 t/m 2.68

Hoofdstuk 3

Artikelen 3.1 t/m 3.88

Ongewijzigd

Artikel 3.88a

Artikel 3.89

Artikelen 3.89 t/m 3.129

Artikelen 3.90 t/m 3.130

Hoofdstuk 4 en 5

Artikelen 4.1 t/m 4.25

Ongewijzigd

Artikelen 5.1 t/m 5.27

Ongewijzigd

Hoofdstuk 6

Artikelen 6.1 t/m 6.3

Ongewijzigd

Artikelen 6.3a en 6.3b

Artikelen 6.4 en 6.5

Artikelen 6.3c en 6.3d

Artikelen 6.6 en 6.7

Artikelen 6.4 t/m 6.10

Artikelen 6.8 t/m 6.14

Hoofdstuk 7

Artikelen 7.1 t/m 7.7

Ongewijzigd

Artikel 7.7a (am. 85)

Artikel 7.8

Artikel 7.8 t/m 7.18

Artikelen 7.9 t/m 7.19

Artikel 7.18a

Artikel 7.20

Artikel 7.19

Artikel 7.21

Artikel 7.19a

Artikel 7.22

Artikelen 7.20 t/m 7.32

Artikelen 7.23 t/m 7.35

Artikel 7.33

Vervallen

Artikelen 7.34 t/m 7.49

Artikelen 7.36 t/m 7.51

Artikelen 7.49a en 7.49b

Artikelen 7.52 en 7.53

Artikel 7.50

Vervallen

Artikel 7.51

Artikel 7.54

Artikel 7.51a

Artikel 7.55

Artikelen 7.52 en 7.53

Artikel 7.56 en 7.57

X Noot
1

Kamerstukken I 2023/24 36 378, nr. A.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

De Energieregeling bevat circa 30 begripsbepalingen, ter nadere duiding van termen die een te weinig bepaalde of een van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben. De meeste van deze begripsbepalingen zijn gerelateerd aan de invoed- en afleverspecificaties van gas en aan de kwaliteitsborging door transmissie- en distributiesysteembeheerders.

Artikel 1.2 aansluitingen

Dit artikel betreft de beleidsneutrale omzetting van artikel 1, tweede en derde lid, van de Elektriciteitswet 1998. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het algemene deel van de toelichting, specifiek onderdeel 1 in hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 2: Energiemarkt

Afdeling 2.1 Contractuele verhouding tussen eindafnemer en leverancier of actieve afnemer en marktdeelnemer die aggregeert
Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.1 maximale hoogte waarborgsom

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan de delegatiegrondslag in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit. Ten eerste regelt het artikel dat indien een leverancier aan het sluiten van een leveringsoverkomst met een huishoudelijke eindafnemer of micro-onderneming een waarborgsom vraagt wanneer eerder sprake is geweest van betalingsproblematiek, deze redelijk en passend moet zijn. Dat betekent dat de hoogte van de waarborgsom zorgvuldig tot stand komt en is toegesneden op de situatie van de individuele huishoudelijke eindafnemer of micro-onderneming voor zover deze redelijkerwijs bekend kan zijn bij de leverancier ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst met de afnemer. Wanneer sprake is van bewind, mag een waarborgsom gevraagd worden door de energieleverancier indien het bewind onvoldoende garantie biedt voor de energieleverancier dat de energiefactuur wordt betaald door de klant. Wel is een leverancier hierbij verantwoordelijk voor het nagaan van de reden van bewind. In geval van bewind vanwege medische indicaties is het bijvoorbeeld niet noodzakelijkerwijs zo dat er een financieel risico bestaat voor een leverancier. Per geval zal daarom gekeken moeten worden of het in rekening brengen van een waarborgsom gerechtvaardigd is (Oordeel College voor de Rechten van de Mens, oordeelnummer 2024-69, d.d. 13/8/24).

Leveranciers kunnen onderling verschillen in de manier waarop zij invulling geven aan de termen redelijk en passend en hiervoor is dus geen uitputtende lijst, gezien rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van de eindafnemer. In ieder geval ligt het voor de hand dat bij het vaststellen van de hoogte van de waarborgsom door de leverancier getoetst wordt of er eerder sprake is geweest van betalingsproblematiek door middel van het opvragen van een BKR-registratie, door te controleren of de eindafnemer reeds een betalingsachterstand heeft bij de huidige leverancier of dat het een betalingsachterstand bij een vorige partij betreft. Verder ligt het voor de hand dat de leverancier rekening houdt met de financiële draagkrachtsituatie van de eindafnemer, welke een verlagend effect kan hebben op de hoogte bij het vaststellen van de hoogte van de waarborgsom. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er sprake is van schuldhulpverlening.

Ten tweede bepaalt het artikel dat de hoogte van de waarborgsom ten hoogste een derde van de hoogte van de verwachte jaarafrekening bedraagt. De ACM houdt hierop toezicht. In de praktijk kunnen leveranciers voor het bepalen van de verwachte jaarafrekening gebruikmaken van de verwachte jaarkosten. De reikwijdte van het artikel is reeds in het besluit beperkt tot huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen. De maximering van de hoogte van de waarborgsom via dit artikel betreft een vermindering ten aanzien van de maximering van de waarborgsom, zoals deze momenteel geformuleerd is in de Algemene Voorwaarden van Energie-Nederland. Momenteel is voornoemde maximering van de waarborgsom gemaximeerd op zesmaal het voorschotbedrag, wat ongeveer gelijk staat aan ten hoogste de helft van de hoogte van de verwachte jaarafrekening. Door deze vermindering komt de maximale hoogte van de waarborgsom beter overeen met de periode die over het algemeen benodigd is voor de leverancier om vast te stellen dat een klant definitief niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen – en geen betalingsregeling kan of wil afspreken – en de leverancier het energiecontract kan beëindigen op grond van een betalingsachterstand. Voor leveranciers blijft deze risicovolle periode dus gedekt, maar wordt de ruimte om een hogere waarborgsom te vragen dan daarvoor nodig is ingeperkt door deze maximering in combinatie met dat de hoogte van de waarborgsom redelijk en passend moet zijn. Hiermee wordt gestreefd naar een balans in enerzijds het afdekken van een bedrijfsrisico voor de leverancier (betalingsproblemen bij de afnemer) en de proportionaliteit van de hoogte van het bedrag dat een afnemer tijdelijk ter beschikking moet stellen.

Artikel 2.2 klachtenprocedure

Op grond van de artikelen 2.8 en 2.36 van de wet is een leverancier die levert of die aan aggregatie doet verplicht een (interne) klachtenprocedure in te stellen. Uit de wet volgt reeds dat een klachtenprocedure transparant, kosteloos en eenvoudig moet zijn. In het tweede lid is geregeld dat de behandeling van een klacht zo spoedig mogelijk wordt afgerond. De behandeling van de klacht vangt in principe aan op het moment dat alle benodigde informatie ten behoeve van de behandeling van de klacht is verstrekt. Het derde lid is voor wat betreft huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen een voortzetting van artikel 95o, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 52d, tweede lid, van de Gaswet.

Indien een leverancier wordt geconfronteerd met vragen of klachten over systeembeheer, moeten leveranciers op basis van artikel 2.29 van de Energiewet deze vragen of klachten doorsturen naar de desbetreffende systeembeheerder. Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 10, negende lid, van de Elektriciteitsrichtlijn en artikel 11, negende lid, van de Gasrichtlijn.

Paragraaf 2.1.2 Factureren

Met de artikelen in deze paragraaf worden regels gesteld over factureren en informeren. Hiermee wordt uitwerking gegeven aan artikel 2.7 van de Energiewet, over de facturen en informatie die een leverancier verstrekt aan zijn eindafnemers, en aan artikel 2.35 van de Energiewet, over de facturen en informatie die een marktdeelnemer die aggregeert verstrekt aan een actieve afnemer waarmee hij een aggregatieovereenkomst heeft gesloten. Grotendeels betreft dit een beleidsneutrale overzetting van de artikelen uit het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Daarbij wordt opgemerkt dat dit besluit blijft bestaan voor zover het brandstof, warmte en koude betreft.

Artikel 2.3 frequentie factuur

Met dit artikel wordt uitwerking gegeven aan de artikelen 2.7, tweede lid, onderdeel b, en 2.35, derde lid, onderdeel c, van de Energiewet en wordt de minimale frequentie van het verstrekken van een factuur geregeld. Dit artikel is zowel van toepassing op het verstrekken van facturen voor leveringsovereenkomsten als voor aggregatieovereenkomsten. Dit artikel regelt dat een leverancier (eerste lid) of een marktdeelnemer die aggregeert (tweede lid) tenminste één keer per jaar een factuur verstrekt voor de betreffende producten of diensten.

Deze bepaling strekt ter implementatie van bijlage I, punt 2, onder a, van de Gasrichtlijn en bijlage I, punt 2, onder a, van de Elektriciteitsrichtlijn. Het betreft een neutrale overzetting van artikel 2 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie, met uitzondering van de toevoeging van de marktdeelnemer die aggregeert (tweede lid).

Artikel 2.4 nadere uitleg factuur

Dit artikel regelt dat een leverancier of een marktdeelnemer die aggregeert op verzoek meer informatie over een factuur verstrekt. Dit voorschrift vloeit voort uit artikel 18, eerste lid, van de Elektriciteitsrichtlijn en artikel 16, eerste lid, van de Gasrichtlijn en is beleidsneutraal overgezet vanuit artikel 3 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.

Artikel 2.5 inhoud factuur

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 4 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Een factuur bevat alleen de informatie die een eindafnemer nodig heeft om de factuur goed te begrijpen. De informatie komt overeen met bijlage I, punt 1.2, van de Elektriciteitsrichtlijn.

In het artikel inhoud factuur aggregatieovereenkomst zijn de elementen opgenomen die op een factuur voor een aggregatieovereenkomst (bijvoorbeeld een terugleveringsovereenkomst) moeten worden opgenomen. Indien een eindafnemer zowel een leveringsovereenkomst heeft als een terugleveringsovereenkomst bij een leverancier moet de factuur (of de facturen) dus aan beide artikelen voldoen.

In de artikelen 35 en 35a van de Wet op de omzetbelasting 1968 is al omschreven wanneer een factuur aan ondernemers moet worden verstrekt, en welke informatie daarop moet staan. Dit artikel bevat enkele aanvullende voorschriften op die bepalingen en dit artikel is ook van toepassing op facturering van particulieren. In het eerste lid zijn daarom voorschriften opgenomen voor een factuur van een eindafnemer. In het tweede lid zijn specifieke voorschriften opgenomen voor een factuur van een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming, deze gelden in aanvulling op de voorschriften in het eerste lid.

Voor de gehele factuur, met inbegrip van het voorblad, geldt op basis van artikel 2.7 van de Energiewet dat de gegevens daarop op transparante en begrijpelijke wijze moeten zijn weergegeven.

Op grond van het eerste lid, onderdeel a, wordt de periode vermeld waarop de factuur betrekking heeft. Het is aan de leverancier om de omvang van deze periode te bepalen. Deze periode moet echter dusdanig gekozen worden dat de factuur begrijpelijk blijft. Een leverancier kan dus niet te veel facturen verstrekken, of facturen verstrekken over onsamenhangende tijdsintervallen.

Op grond van het eerste lid, onderdeel b, wordt de totale hoeveelheid afgenomen elektriciteit of gas vermeld die is afgenomen in de betreffende periode.

Op grond van het eerste lid, onderdeel c, vermeldt een factuur de totale kosten voor de afgenomen elektriciteit of gas in de betreffende periode. Dit is het gehele bedrag dat een eindafnemer betaalt aan een leverancier. Dit bedrag bestaat uit de verbruiksafhankelijke energiekosten en de verbruiksonafhankelijke kosten, indien van toepassing verminderd met de waarde van de op het systeem ingevoede elektriciteit. De toevoeging over de tariefnaam (de naam van het product), een uitsplitsing van de kosten waar mogelijk en de dag waarop de betaling verschuldigd is vloeien voort uit bijlage I, punt 1.1, en punt 1.2, onderdeel c, van de Elektriciteitsrichtlijn.

Ingevolge het eerste lid, onderdeel d, bevat de factuur de verbruiksafhankelijke kosten die herleidbaar zijn tot de in het aanbod gepresenteerde tarieven welke zijn overeengekomen en vastgelegd in de leveringsovereenkomst.

Ook vermeldt de factuur op grond van onderdeel e de verbruiksonafhankelijke energiekosten die door een leverancier in rekening worden gebracht bij een eindafnemer. Deze verbruiksonafhankelijke kosten bestaan uit bijvoorbeeld de vaste leveringskosten.

Ter implementatie van bijlage I, punt 1.2, onderdeel f, van de Elektriciteitsrichtlijn is in het eerste lid, onderdeel f opgenomen dat een leverancier contactgegevens verstrekt via de factuur.

Het eerste lid, onderdeel g, regelt dat op factuur d de dag waarop de in de overeenkomst vastgelegde vaste prijsperiode afloopt staat. Dit strekt ter implementatie van bijlage I, punt 1.2, onderdeel d, van de Elektriciteitsrichtlijn, waarin wordt bepaald dat de einddatum van de overeenkomst in de factuur moet worden opgenomen. Er is gekozen voor deze formulering in verband met de praktijk waarin variabele overeenkomsten geen einddatum vermelden en vaste overeenkomsten na afloop van de vastgelegde vaste prijsperiode worden overgezet naar een variabele overeenkomst.

Voorts bevat de factuur informatie over de mogelijkheid en voordelen van overstappen (eerste lid, onderdeel h), dit vloeit voort uit bijlage I, punt 1.2, onderdeel e, van de Elektriciteitsrichtlijn.

Op grond van het eerste lid, onderdeel i, bevat de factuur de unieke identificatiecode(s) (de EAN-code(s)) die behoren bij de aansluiting. Dit strekt ter implementatie van bijlage I, punt 1.2, onderdeel f, van de Elektriciteitsrichtlijn.

Het eerste lid, onderdeel j, bepaalt dat de factuur informatie over buitengerechtelijke geschilbeslechting moet bevatten. Onderdeel k ziet op de dag van betaling.

Het eerste lid, onderdeel l, regelt dat indien tussentijds is opgezegd ook de hoogte van de opzegvergoeding en wijze van berekening daarvan op de factuur wordt opgenomen.

Tot slot bepaalt het eerste lid, onderdeel m, dat een leverancier op een factuur het netto verbruik vermeldt. Dit is de hoeveelheid afgenomen elektriciteit (als bedoeld in onderdeel b), verminderd met de teruggeleverde elektriciteit (als bedoeld in onderdeel c). Hierdoor krijgt een eindafnemer inzicht in zijn huidige kosten. Het voornemen is om in de invoeringsregeling te regelen dat dit onderdeel komt te vervallen met ingang van 1 januari 2027, in verband met de beëindiging van de salderingsregeling voor elektriciteit.

In het tweede lid is geregeld wat op de factuur van een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming de factuur moet worden opgenomen. Dit lid strekt ter implementatie van onderdelen van bijlage I bij de Elektriciteitsrichtlijn. Het betreft het vermelden van het telefoonnummer van de klantenservice (bijlage I, punt 1.2, onderdeel b), een verwijzing naar Consuwijzer (bijlage I, punt 1.2, onderdeel h) en een verwijzing naar (de vindplaats van) een vergelijkingsinstrument als bedoeld in artikel 2.68 van de Energiewet (bijlage I, punt 1.2, onderdeel i).

In het derde lid is geregeld dat een leverancier ten minste eenmaal per jaar bij de factuur een samenvattend voorblad verstrekt, met daarin de totale hoeveelheid verbruikte gas en elektriciteit (onderdeel a), de totale hoeveelheid teruggeleverde elektriciteit (onderdeel b) de totale kosten (onderdeel c), het totaal aan betaalde termijnbedragen (onderdeel d), of een klant moet bijbetalen of geld terugkrijgt (onderdeel e) en het nieuwe termijnbedrag (onderdeel f). De reikwijdte van dit lid is beperkt tot huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen. Dit betreft nieuw nationaal beleid.

Het vierde lid betreft implementatie van bijlage I, onder 1.3, onder 3, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage I, onder 3, van de Gasrichtlijn, en bepaalt de uitsplitsing van de kosten voor de eindafnemers. Het vijfde lid bepaalt dat indien er een nadere uitsplitsing van kosten worden opgenomen, de leverancier dit doet aan de hand van de begripsomschrijvingen in verordening 2016/1952.

Artikel 2.6 inhoud factuur aggregatieovereenkomst

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 2.5, wat ziet op de inhoud van de factuur bij een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel. Voor toelichting wordt daarom deels verwezen naar de toelichting bij dat artikel.

Dit artikel ziet op de inhoud van de factuur ingeval van een aggregatieovereenkomst. Het eerste lid regelt de informatie die een marktdeelnemer die aggregeert opneemt in de factuur. Het tweede lid voorziet, evenals artikel 2.5, in een verplichting om bij de factuur een samenvattend voorblad op te nemen.

Artikel 2.7 meetgegevens factuur

Het is belangrijk dat de eindafnemer een factuur ontvangt die een zo nauwkeurig mogelijke weerspiegeling betreft van zijn daadwerkelijke verbruik of invoeding. Daarom is in het eerste lid geregeld dat een leverancier zijn facturen baseert op gegevens die worden verstrekt op basis van de artikelen 4.9 tot en met 4.11 van de Energiewet. In de systematiek van de Energiewet vormen deze registers de primaire bron voor deze gegevens.68 Er wordt een uitzondering gemaakt voor situaties waarin de gegevens niet beschikbaar of onbetrouwbaar zijn. Gedacht is bijvoorbeeld aan een situatie waarin blijkt dat een meetinrichting evident foutieve metingen bevat en het dus niet passend is deze gegevens alsnog te gebruiken. Verreweg het grootste deel van de vastgestelde gegevens is gebaseerd op daadwerkelijke meetgegevens; slechts in specifieke situaties is het toegestaan om deze gegevens te baseren op schattingen.69 Dat speelt bijvoorbeeld bij situaties waarin de eindafnemer beschikt over een meetinrichting die niet op afstand kan worden uitgelezen, maar deze gegevens niet doorgeeft aan zijn leverancier.70 Dit sluit aan op bijlage I, onder 2, onder c, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage I, onder 2, onder c, van de Gasrichtlijn.

Het overgrote deel van de aangeslotenen met een kleine aansluiting beschikt over een meetinrichting met communicatiefunctionaliteit en gebruikt deze functionaliteit ook. De meetinrichting wordt in dat geval op afstand uitgelezen door de DSB. Echter komt het ook voor dat aangeslotenen met een kleine aansluiting over een meetinrichting beschikken zonder communicatiefunctionaliteit of die de communicatiefunctionaliteit administratief hebben laten uitschakelen, in dat geval worden de meetgegevens verzameld, gevalideerd en vastgesteld door de leverancier. Daarom wordt in het tweede lid voorzien in de mogelijkheid dat leveranciers de facturering baseren op overeenkomstig artikel 2.54, derde lid, vastgestelde meetgegevens. Het is niet doelmatig en doeltreffend dat zij deze gegevens eerst aanleveren aan de DSB voor opname in de registers en dezelfde gegevens nadien weer verstrekt krijgen.

Paragraaf 2.1.3 Informeren verbruikskostenoverzicht
Artikel 2.8 frequentie verbruikskostenoverzicht

Dit artikel strekt ter implementatie van bijlage I, punt 2, onder b, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage I, punt 2, onder b, van de gasrichtlijn.

Naast een factuur, is een verbruikskostenoverzicht een belangrijk middel om een eindafnemer te informeren over het verbruik en om energiebesparing te stimuleren. Daarom regelt dit artikel dat een leverancier tenminste één keer per zes maanden een verbruikskostenoverzicht verstrekt aan een eindafnemer. Op verzoek van een eindafnemer kan de frequentie worden verhoogd naar ten minste eenmaal per drie maanden. Indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld verstrekt een leverancier ten minste iedere maand een verbruikskostenoverzicht (derde lid). Op basis van het vierde lid kan deze frequentie op verzoek van de eindafnemer worden verlaagd.

Indien er sprake is van een aangeslotene met een kleine aansluiting die beschikt over een meetinrichting zonder communicatiefunctionaliteit of een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is uitgeschakeld, worden de meetgegevens verzameld, gevalideerd en vastgesteld door de leverancier. De aangeslotene moet daartoe medewerking verlenen bij het verzamelen van meetgegevens. Zonder de meetgegevens kan de leverancier niet vaker een verbruikskostenoverzicht verstrekken.

Artikel 2.9 begrijpelijkheid verbruikskostenoverzicht

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 9 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Het artikel regelt dat het verbruikskostenoverzicht in duidelijke en begrijpelijke taal moet worden opgesteld (eerste lid), dat een leverancier op verzoek nadere informatie verstrekt (tweede lid) en dat een verbruikskostenoverzicht betrekking heeft op de individuele situatie van de eindafnemer en geen betalingsverzoek bevat (derde lid).

Artikel 2.10 inhoud verbruikskostenoverzicht

Dit artikel komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 10 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie en beschrijft de informatie die een verbruikskostenoverzicht moet bevatten. De informatie is niet noodzakelijk om een factuur goed te begrijpen, maar is noodzakelijk om een eindafnemer meer inzicht te geven in het verbruik en te prikkelen tot besparing. Daarom moet een leverancier deze informatie op het verbruikskostenoverzicht vermelden.

Op grond van het eerste lid, onderdeel a, vermeldt het verbruikskostenoverzicht de periode waarop het overzicht betrekking heeft.

Op grond van het eerste lid, onderdeel b, vermeldt een verbruikskostenoverzicht de gegevens die ook op een factuur zouden worden vermeld. Deze gegevens zijn al toegelicht bij artikel 2.5 over de inhoud van de factuur.

Ingevolge het eerste lid, onderdeel c, vermeldt een verbruikskostenoverzicht de standaard jaarafname en standaard jaarinvoeding van elektriciteit en het standaard jaarverbruik van gas van een eindafnemer. Een leverancier gebruikt deze inschatting eveneens bij het berekenen van de eventuele voorschotten op de factuur die een eindafnemer moet betalen. Die informatie stelt een eindafnemer in staat om op basis van zijn verbruik de aanbiedingen van verschillende leveranciers met elkaar te vergelijken.

Het eerste lid, onderdeel d bepaalt dat een leverancier, indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, een vergelijking opstelt van het verbruik van een eindafnemer met het verbruik van een gemiddelde eindafnemer uit een vergelijkbare verbruikerscategorie. Hierbij wordt rekening gehouden met bijvoorbeeld de gezinssamenstelling (aantal personen in het huishouden), het woningtype, de bouwperiode of het verwarmingstype. In de vergelijking met de gemiddelde genormaliseerde of benchmark eindafnemer zijn geen gegevens van het voorgaande jaar nodig. Het is daarom niet relevant of een eindafnemer in het vorige jaar gebruik maakte van dezelfde aansluiting of van dezelfde leverancier.

Op grond van het eerste lid, onderdeel e, bevat een verbruiks- en kostenoverzicht indien dit mogelijk is een vergelijking van het energieverbruik van de eindafnemer in de periode waarop het verbruiks- en kostenoverzicht betrekking heeft, met het energieverbruik in dezelfde periode van het voorgaande jaar. Deze vergelijking geschiedt op grafische wijze. Als het niet mogelijk is om een grafische vergelijking te maken, vermeldt een leverancier een numerieke vergelijking. De vergelijking kan alleen worden opgesteld als een eindafnemer in dezelfde periode van het voorgaande jaar gebruik maakte van dezelfde aansluiting en zijn energie in die periode afnam van dezelfde leverancier. In andere gevallen, wanneer een eindafnemer is verhuisd of van leverancier is gewisseld, is het niet mogelijk dat een leverancier een dergelijke vergelijking weergeeft in het verbruiks- en kostenoverzicht. Een leverancier gebruikt voor deze vergelijking het energieverbruik in de betreffende periode als bedoeld artikel 2.5, eerste lid, onderdeel b.

Een leverancier informeert een eindafnemer op grond van het eerste lid, onderdeel f over de contactgegevens, waaronder de internetpagina, van organisaties die informatie verstrekken over energiebesparing. Deze contactinformatie kan worden verstrekt in het verbruikskostenoverzicht.

Het tweede lid beschrijft hoe een verbruikskostenoverzicht eruit moet zien dat meerdere keren per jaar wordt verstuurd, zoals wanneer een eindafnemer van gas en elektriciteit beschikt over een slimme meter. Wanneer een verbruikskostenoverzicht meerdere keren per jaar verstrekt wordt, is het gebaseerd op het daadwerkelijke verbruik in de betreffende periode en een reële indicatie van de energiekosten, zoals die voor de factuur daadwerkelijk worden berekend.

Op grond van het derde lid kan een leverancier besluiten om bepaalde informatie niet op een verbruikskostenoverzicht te verstrekken als die informatie al is opgenomen op een factuur die gelijktijdig met het overzicht wordt verstrekt. Dit is het geval wanneer de periode waarop de factuur betrekking heeft dezelfde periode is als waar het verbruikskostenoverzicht op heeft. Dit komt bijvoorbeeld voor bij eindafnemers die niet beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, bij eindafnemers die wel over zo’n meter beschikken maar die hebben verzocht om de communicatiefunctionaliteit uit te schakelen of die een leverancier hebben gevraagd om maar één keer per jaar een verbruikskostenoverzicht te verstrekken. In dergelijke gevallen kunnen de gegevens op het verbruikskostenoverzicht worden beperkt tot nog niet op de factuur vermelde gegevens voor zover deze gegevens beschikbaar zijn. Wanneer de periode waarop de factuur en het verbruikskostenoverzicht betrekking hebben verschillen, hoeft de standaard jaarafname, de standaard jaarinvoeding en het standaard jaarverbruik niet te worden vermeld op het verbruikskostenoverzicht. Omdat jaarlijks een factuur wordt verstuurd en het totale verbruik van het afgelopen jaar al op de factuur staat, is hiermee voldoende informatie verschaft.

Artikel 2.11 verstrekking verbruiksgegevens verbruikskostenoverzicht

Indien een eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld heeft een leverancier periodiek de beschikking over het energieverbruik van een eindafnemer. Dit artikel bepaalt dat deze informatie beschikbaar wordt gesteld aan een eindafnemer. Daartoe vermeldt een leverancier de hoeveelheid energie die een eindafnemer volgens ieder verbruikskostenoverzicht heeft afgenomen in de afgelopen 36 maanden of, indien dit korter is, in de periode van de leveringsovereenkomst (bijlage I, onder 1.3, onder 4, onder a, van de Elektriciteitsrichtlijn en bijlage I, punt 4, onder a, van de Gasrichtlijn).

Artikel 2.12 advies energiebesparing verbruikskostenoverzicht

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 11a van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Op basis van dit artikel krijgen eindafnemers besparingsadviezen op hun verbruikskostenoverzichten over het aanpassen van gedrag, het nemen van maatregelen of een combinatie daarvan.

Voor het geven van deze besparingsadviezen op of bij het verbruikskostenoverzicht baseren de leveranciers zich op de verbruiksgegevens van de desbetreffende eindafnemer. Deze verbruiksgegevens worden gegenereerd uit de meetgegevens waar de leverancier toegang tot heeft gegeven zodat hij de factuur en het verbruikskostenoverzicht kan opstellen. Leveranciers zullen hiervoor geen toegang krijgen tot andere gegevens dan de gegevens die ze verkrijgen voor het opstellen van de factuur en het verbruikskostenoverzicht. Daarnaast kan de leverancier indien nuttig openbare gegevens gebruiken voor het advies. Hierbij valt te denken aan informatie over energiebesparing van bijvoorbeeld Milieu Centraal. Voor het verkrijgen van andere niet-openbare gegevens is toestemming van de eindafnemer nodig.

Paragraaf 2.1.4 Informatie-uitwisseling factuur en verbruikskostenoverzicht
Artikel 2.13 verzending

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 12 van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. Een eindafnemer moet kunnen kiezen of hij de factuur of verbruikskostenoverzichten elektronisch wil ontvangen. Hij kan zijn verzoek bijvoorbeeld indienen bij het aangaan van een leveringsovereenkomst, of gedurende de looptijd van zijn contract. Wel moet de leverancier een verbruikskostenoverzicht actief aanbieden aan de eindafnemer. Het is dus niet voldoende dat de leverancier het verbruikskostenoverzicht op een (persoonlijke) webpagina zet zonder de eindafnemer hierop te wijzen, door bijvoorbeeld het verzenden van een emailbericht aan de eindafnemer.

Artikel 2.14 verstrekking verbruiksgegevens

Dit artikel betreft een neutrale overzetting van artikel 12a van het Besluit factuur verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie en borgt dat een leverancier gedetailleerde verbruiksgegevens digitaal beschikbaar stelt (bijvoorbeeld in een online omgeving of dossier) aan eindafnemers die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld. Nieuw is dat het verbruik ook wordt uitgesplitst naar de tariefperiode.

Paragraaf 2.1.5 Stroometikettering
Artikel 2.15 stroometikettering

Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 95k, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, en artikel 13 van de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet.

Het eerste lid is de kern van het systeem van stroometikettering. Het bevat de verplichting voor de leverancier ten minste eenmaal per jaar op de nota aan zijn eindafnemers de opwekkingsgegevens van de door hem in het voorgaande kalenderjaar geleverde elektriciteit te vermelden. De formulering «aan zijn eindafnemers geleverde» impliceert een ex-post portfoliobenadering. Om tot zo volledig en betrouwbaar mogelijke informatieverstrekking aan de afnemers te komen is het noodzakelijk om de voorgaande schakels in de keten te verplichten om de informatie door te geven aan de leverancier.

Het tweede lid verplicht de leverancier een etiket op of bij de factuur te plaatsen als het etiket betrekking heeft op het voorafgaande kalenderjaar respectievelijk op of bij de factuur te plaatsen of te voegen als het etiket betrekking heeft op de periode waarop de rekening betrekking heeft, dat betrekking heeft op de totale hoeveelheid elektriciteit die de leverancier in het desbetreffende kalenderjaar respectievelijk de desbetreffende periode aan eindafnemers heeft geleverd, uitgedrukt in kilowatturen, uitgesplitst naar de energiebronnen opgenomen in de bijlage bij de regeling en onder vermelding van het procentuele aandeel van die energiebronnen in de totale brandstofmix.

De tabel in de bijlage bepaalt in grote lijnen hoe het etiket er uit moet zien. Er is gekozen voor een model waarin een aantal belangrijke energiebronnen (kolen, gas, duurzaam) worden onderscheiden, waarbij de leverancier voor elke bron het procentuele aandeel in zijn totale brandstofmix dient aan te gegeven. Indien een leverancier duurzaam opgewekte elektriciteit levert, dient hij nog een nadere uitsplitsing naar opwekkingswijze te maken (wind, zon, waterkracht, biomassa). Met betrekking tot ‘biomassa’ wordt nog opgemerkt dat is aangesloten bij de definitie in artikel 1.1 van de Energiewet, met het oog op de overzichtelijkheid en begrijpelijkheid van het etiket is ervan af gezien te differentiëren tussen zuivere en niet-zuivere biomassa.

Het model noemt geen energiebron ‘stookolie’. Reden hiervoor is dat deze energiebron in Nederland slechts op kleine schaal wordt gebruikt. De restcategorie ‘onbekend’ is bedoeld voor elektriciteit waarvan de opwekkingswijze niet kan worden achterhaald. Het is wenselijk dat het percentage ‘onbekend’ zo beperkt mogelijk blijft. In voornoemde aanbevelingen van de Europese Commissie wordt een maximumpercentage van vijf procent genoemd. Een aparte categorie ‘import’ is niet opgenomen. Het is de bedoeling dat geïmporteerde elektriciteit zoveel mogelijk wordt getraceerd en gerubriceerd onder de desbetreffende energiebron in het etiket. Bij duurzaam opgewekte elektriciteit kan dit door middel van het systeem van garanties van oorsprong. Indien de opwekkingswijze van de geïmporteerde elektriciteit redelijkerwijze niet te achterhalen is, maar wel bekend is dat het om import gaat, wordt zij vermeld in de subcategorie ‘onbekend – import’; indien de herkomst noch de opwekkingswijze bekend is, komt zij in de subcategorie ‘onbekend – overige’ terecht.

Het derde lid bepaalt dat, als de leverancier een in het etiket opgenomen energiebron niet in zijn portfolio heeft, die bron wel op het etiket wordt vermeld, maar op nul wordt gesteld. De achtergrond hiervan is de vergelijking van de etiketten te vergemakkelijken.

Het vierde lid heeft betrekking op de informatie die het etiket moet bevatten over de door de elektriciteitsproductie veroorzaakte milieugevolgen, in termen van uitstoot van koolstofdioxide en radioactief afval, veroorzaakt door de totale brandstofmix van de leverancier in het voorgaande jaar. Een uitzondering is gemaakt voor de categorie ‘onbekend’. Immers, de milieugevolgen van de opwekkingswijze van deze elektriciteit zijn naar hun aard onbekend. De leverancier heeft de keuze de informatie op of bij de factuur te verstrekken dan wel te volstaan met duidelijke verwijzingen naar publiek toegankelijke bronnen, zoals websites. Deze websites moeten onafhankelijk en betrouwbaar zijn. Hierbij kan gedacht worden aan websites die worden beheerd door overheidsinstanties of onafhankelijke wetenschappelijke instituten, die internationaal geaccepteerde gemiddelden hanteren voor milieueffecten per opwekkingsbron. Een voorbeeld is de website van ECN. De eigen websites van de leverancier of een site van een belangenorganisatie zal in de regel niet voldoende onafhankelijk zijn om te kunnen fungeren als referentiebron.

Als alleen de gegevens van een leverancier zelf moeten worden verstrekt en niet die van ondernemingen waarmee hij in een groep verbonden is, bestaat de kans dat eindafnemers een vertekend beeld krijgen. Met het oog hierop is in het vijfde lid bepaald dat, als een leverancier deel uitmaakt van een groep, de opwekkingsgegevens van alle tot die groep behorende ondernemingen op de factuur moeten worden vermeld.

Ten slotte wordt opgemerkt dat het in dit artikel voorgeschreven etiket een minimum is. Het staat een leverancier vrij om, in aanvulling op dit etiket, zijn eindafnemers nadere informatie of informatie in een andere vorm (bijvoorbeeld met een cirkeldiagram) over de door hem geleverde elektriciteit, te verstrekken.

Artikel 2.16 juistheid en volledigheid stroometikettering

Het toezicht op en de handhaving van de juistheid en volledigheid van het etiket is een belangrijke schakel bij het slagen van stroometikettering.

Dit artikel heeft betrekking op de leverancier. Het eerste lid bepaalt dat de leverancier verantwoordelijk is voor de volledigheid en de juistheid van het etiket. Hierdoor wordt buiten twijfel gesteld wie de normadressant is. Om een effectieve controle op de naleving van deze verplichting mogelijk te maken, bepaalt het tweede lid dat de leverancier de ACM tijdig van bepaalde gegevens voorziet die van belang zijn voor de bepaling van de juistheid en volledigheid van het etiket.

De ACM ontvangt jaarlijks via een informatieverzoek het totaal geleverde volume elektriciteit opgesplitst naar energiebron in percentages van alle energieleveranciers, voor zowel klein- als grootverbruik. Om de aangeleverde data te kunnen verifiëren ontvangt de ACM van VertiCer een overzicht van de totaal afgeboekte certificaten.

Dit artikel komt inhoudelijk overeen met artikel 15 van de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet.

Paragraaf 2.1.6 Overstappen
Artikel 2.17 termijn eindafrekening

Een eindafnemer heeft binnen zes weken nadat de leverancier in kennis is gesteld over de leverancierswissel recht op een eindafrekening van zijn oorspronkelijke leverancier. Dit artikel betreft een beleidsneutrale overzetting van artikel 10a van de Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en betreft implementatie van artikel 10, twaalfde lid, van de Elektriciteitsrichtlijn en artikel 11, elfde lid, van de Gasrichtlijn. De termijn is van toepassing op het verstrekken van een eindafrekening bij het eindigen van een leveringsovereenkomst, een leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel en een aggregatieovereenkomst.

Artikel 2.18 overstappen

Met dit artikel wordt uitwerking gegeven aan de artikelen 2.14 en 2.40 van de Energiewet. In het eerste en tweede lid wordt de wijze van overstappen geregeld. Een eindafnemer (of actieve afnemer) stapt over door een nieuwe overeenkomst te sluiten. De nieuwe leverancier of marktdeelnemer die aggregeert zorgt er vervolgens voor dat de handelingen die noodzakelijk zijn voor deze overstap worden verricht.

In het derde lid wordt, ter implementatie van artikel 12, eerste lid, van de Elektriciteitsrichtlijn en artikel 12, eerste lid, van de Gasrichtlijn, geregeld dat onverwijld mededeling wordt gedaan door de nieuwe partij aan de registerbeheerder. Ook stelt hij de eindafnemer er zo spoedig mogelijk van op de hoogte wanneer de overstap is gerealiseerd. Hij neemt daarbij de interoperabiliteitsvoorschriften en procedures die zijn vastgesteld bij of krachtens artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitsrichtlijn in acht.

Paragraaf 2.1.7 Hoogte opzegvergoeding
Artikel 2.19 hoogte opzegvergoeding

Dit artikel is beleidsneutraal overgenomen uit artikel 4 van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 en regelt dat een opzegvergoeding voor elektriciteit of gas (dus per product) niet hoger mag zijn dan de rekenkundige uitkomst van de in het artikel opgenomen formule. Ten opzichte van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 is in dit onderdeel verduidelijkt is hoe de leverancier het resterende verbruik dient te berekenen. Het betreft een uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 2.15, tweede lid, van de Energiewet. In lijn met de delegatiegrondslag in de Energiewet is voorts opgenomen dat dit artikel niet alleen ziet op de leveringsovereenkomst, maar ook op de leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel.

De maximale opzegvergoeding wordt berekend aan de hand van het positieve prijsverschil tussen de prijs in de op te zeggen overeenkomst minus de prijs in een soortgelijke of vergelijkbare overeenkomst op het moment van opzeggen (referentieproductaanbod), vermenigvuldigd met de resterende hoeveelheid elektriciteit of gas die niet meer voor de overeengekomen vaste prijs kan worden geleverd (eerste lid). Bij gelijke of gestegen prijs is een redelijke opzegvergoeding in elk geval nihil (tweede lid).

Voor de berekening van de maximale opzegvergoeding worden in de formule de volgende elementen meegenomen:

  • het prijsverschil tussen de overeengekomen prijs van de op te zeggen overeenkomst en de prijs van het referentieproductaanbod; en

  • de resterende hoeveelheid elektriciteit of gas die op basis van de overeenkomst zou worden geleverd gedurende de looptijd van deze overeenkomst als geen tussentijdse opzegging zou plaatsvinden. Voor de berekening van de resterende hoeveelheid elektriciteit of gas wordt door de leverancier een objectieve en transparante berekeningswijze gebruikt, waarbij, indien de eindafnemer beschikt over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld, gebruik wordt gemaakt van het meest actuele standaard jaarverbruik, de standaard jaarafname en de standaard jaarinvoeding.

Het prijsverschil in de formule wordt berekend aan de hand van prijzen in de overeenkomst en het referentieproduct, exclusief overheidsheffingen, per kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas. In artikel 2.21 is uitgewerkt wat een geschikt referentieproductaanbod is voor de berekening van de opzegvergoeding.

De prijs in de overeenkomst en van het referentieproductaanbod zal in de regel het (op kilowattuur elektriciteit of kubieke meter gas gewogen) gemiddelde zijn van het enkeltarief, daltarief en dubbeltarief, inclusief eventuele verminderingen als gevolg van een loyaliteitsbonus op het verbruiksafhankelijke tarief. Hierbij zijn loyaliteitsbonussen waar de kleinverbruiker pas in de toekomst aanspraak op zou maken (dat wil zeggen op een tijdstip waarop de vergunninghouder geen elektriciteit of gas meer levert wegens opzegging van de leveringsovereenkomst) geen onderdeel van de prijs in de overeenkomst. In het geval van een overeenkomst met een vaste klikprijs, geldt de prijs die is vastgezet voor de resterende te leveren hoeveelheid elektriciteit of gas. De variabele prijzen voor de andere hoeveelheden waarvoor geen vaste prijs geldt en eventuele vergoedingen voor terugleveren van elektriciteit, worden buiten beschouwing gelaten.

Dit artikel strekt ter implementatie van artikel 12, derde lid, van de Elektriciteitsrichtlijn, waarin is bepaald dat een opzegvergoeding evenredig moet zijn en niet meer mag bedragen dat het rechtstreeks economisch verlies dat een leverancier lijdt als gevolg van de opzegging.

Artikel 2.20 hoogte opzegvergoeding aggregatieovereenkomst

Dit artikel stelt regels over de maximale hoogte van de opzegvergoeding ingeval van opzegging van een aggregatieovereenkomst, en strekt ter implementatie van artikel 12, derde lid, van de Elektriciteitsrichtlijn. In het eerste lid is geregeld dat de opzegvergoeding niet meer mag bedragen dan het rechtstreekse economisch verlies dat de marktdeelnemer die aggregeert lijdt als gevolg van de opzegging van de aggregatieovereenkomst. Dit vloeit voort uit de Elektriciteitsrichtlijn. In het tweede lid is geregeld dat een actieve afnemer op elk moment een indicatie van de hoogte van de opzegvergoeding op kan vragen bij de marktdeelnemer die aggregeert met wie hij een aggregatieovereenkomst heeft gesloten.

De opzegvergoeding voor een aggregatieovereenkomst is minder sterk gereguleerd dan de opzegvergoeding voor een leveringsovereenkomst. De belangrijkste reden hiervoor is dat de levering van elektriciteit en gas als een essentiële dienst wordt beschouwd, waar de teruglevering van elektriciteit of de levering van flexibiliteit als een economische dienst wordt gezien. Voor de opzegvergoeding van de leveringsovereenkomst bestond op grond van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders al een uitgewerkte methode. Hier is in deze regeling op voortgebouwd. In de beleidsregel was geen methode voor van een vergoeding voor het voortijdig opzeggen van een aggregatieovereenkomst opgenomen. Om deze reden wordt volststaan met het uitgangspunt dat de opzegvergoeding voor een aggregatieovereenkomst niet meer mag bedragen dan het rechtstreekse economisch verlies dat de marktdeelnemer die aggregeert lijdt als gevolg van de opzegging van de aggregatieovereenkomst.

Artikel 2.21 referentieproductaanbod

In dit artikel worden regels gesteld over het referentieproductaanbod. Het betreft een beleidsneutrale overzetting van artikel 5 van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023. Ten opzichte van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 geldt dat in dit onderdeel verduidelijkt is hoe het referentieproduct gekozen wordt, ten behoeve van transparantie en begrijpelijkheid voor de eindafnemer.

Een voorbeeld van een referentieproductaanbod is de levering van elektriciteit voor de vaste looptijd van één jaar en voor een vaste leveringsprijs per kilowattuur, met als kenmerk dat de levering groene energie betreft. Met het openbaar bekendmaken van het referentieproductaanbod is er een actueel productaanbod dat transparant aan iedereen (die hiervoor in aanmerking komt) wordt aangeboden, bijvoorbeeld op de website van de leverancier. In principe is het referentieproductaanbod geschikt als dit hetzelfde aanbod betreft dat met de overeenkomst is aanvaard wat betreft type product en herkomst van de elektriciteit of gas, waarbij de prijs uiteraard inmiddels kan verschillen. Voor de looptijd wordt gekeken naar de resterende looptijd van de overeenkomst. Als de leverancier niet meer over hetzelfde aanbod beschikt, dan dienen de kenmerken van het referentieproductaanbod zo veel mogelijk vergelijkbaar te zijn met de kenmerken van de overeenkomst. Dan moet in ieder geval in de eerste plaats de vaste looptijd ervan gelijk zijn aan de resterende looptijd van de overeenkomst en de kenmerken van het referentieproductaanbod, met inbegrip van type product (elektriciteit of gas) en in de tweede plaats herkomst van de elektriciteit of gas (bijvoorbeeld de energiebron zoals groene energie of grijze energie). Indien de leverancier geen referentieproduct aanbiedt met een looptijd die exact overeenkomt met de resterende looptijd, dan wordt aangesloten bij een referentieproduct dat qua looptijd het meest overeen komt. Als de resterende looptijd bijvoorbeeld 1,3 jaar is, wordt een referentieproductaanbod met een looptijd van 1 jaar gebruikt.

Als de leverancier niet een vergelijkbaar productaanbod voor dezelfde looptijd als de resterende looptijd van de op te zeggen leveringsovereenkomst aanbiedt, bijvoorbeeld omdat dit productaanbod niet meer bestaat of als er sprake is van een individuele maatwerkovereenkomst, dan is het actuele productaanbod aan huishoudelijk eindafnemers of micro-ondernemingen met de hoogste prijs per kilowattuur of kubieke meter het geschikte referentieproductaanbod. De reeds ingekocht energie kan de leverancier tegen die prijs verkopen. Hiermee wordt voorkomen dat de opzegvergoeding onevenredig is of meer bedraagt dan het rechtstreeks economisch verlies.

Artikel 2.22 actuele prijs referentieproductaanbod

Dit artikel stelt regels over het referentieproductaanbod. Ten eerste moet het referentieproductaanbod actueel zijn. Ten tweede maakt het artikel onderscheid tussen verschillende momenten die relevant zijn voor het hanteren van een actuele prijs van het referentieproductaanbod.

Onderdeel a ziet op het moment dat een huishoudelijk eindafnemer of micro-onderneming een indicatie opvraagt van de hoogte van de opzegvergoeding. Een eindafnemer kan deze indicatie op ieder moment opvragen. De actuele prijs van het referentieproductaanbod is in dit geval de prijs die geldt op de dag waarop de indicatie is opgevraagd.

Onderdeel b heeft betrekking op het moment dat de leveringsovereenkomst tussentijds wordt beëindigd. De actuele prijs van het referentieproductaanbod is de prijs die geldt op de datum van mededeling van de overstap of opzegging.

In het tweede lid is ter verduidelijking opgenomen dat ten aanzien van leveringsovereenkomsten met een vaste klikprijs de vaste klikprijs van het referentieproductaanbod geldt voor dezelfde periode en hoeveelheden van elektriciteit of gas als in de leveringsovereenkomst is overeengekomen.

Paragraaf 2.1.8 Voorwaarden opzegvergoeding
Artikel 2.23 transparantie opzegvergoeding

In het eerste lid is geregeld dat een leverancier verantwoordelijk is voor de kenbaarheid en navolgbaarheid van de berekening van de hoogte van de opzegvergoeding en welk referentieproductaanbod wordt gehanteerd.

De voorwaarde in de leveringsovereenkomst stelt daarmee de kleinverbruiker in staat om geïnformeerd te worden over hoe de vergunninghouder de opzegvergoeding berekent en aan de hand van welk referentieproductaanbod dit gebeurt.

Het tweede en derde lid bepalen welke informatie een leverancier met betrekking tot de opzegvergoeding moet verstrekken. Het gaat om een indicatie van de hoogte op verzoek van de eindafnemer (tweede lid) en de definitieve hoogte van de opzegvergoeding (derde lid) bij opzegging of een overstap. Ten opzichte van de Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023 is de ‘voorlopige opzegvergoeding’ komen te vervallen en krijgt de eindafnemer direct de definitieve opzegvergoeding, zodat de eindafnemer beter weet waar hij aan toe is. De hoogte van deze opzegvergoeding blijft, op grond van het derde lid, voor twee maanden vaststaan. Indien een eindafnemer eerder dan twee maanden voor de opzegging of overstap dit aankondigt, dan moet de leverancier de hoogte opnieuw berekenen na twee maanden.

Artikel 2.24 uitzonderingstermijn

In dit artikel wordt een situatie omschreven waarin geen opzegvergoeding in rekening mag worden gebracht. Dit betreft een beëindiging van de overeenkomst binnen de bedenktermijn waarin een herroepingsrecht geldt. De bedenktermijn van veertien dagen na de dag waarop de overeenkomst is gesloten, is opgenomen in artikel 230o, eerste lid, onderdeel a, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In het geval deze wettelijke bedenktermijn niet van toepassing is, kan er ook geen opzegvergoeding in rekening worden gebracht indien de opzegvergoeding is verschuldigd binnen een overeengekomen bedenktermijn. Een opzegvergoeding vormt immers een barrière om daadwerkelijk gebruik te maken van de bedenktermijn.

Naast voornoemde situatie ligt het voor de hand dat een leverancier een afnemer informeert in de situatie dat een leveringsovereenkomst binnen zeven dagen afloopt op het moment van opzeggen door de afnemer indien dit een opzegvergoeding oplevert. Zo wordt de afnemer erop gewezen om de overstapdatum beter aan te laten sluiten bij de einddatum van de leveringsovereenkomst.

Artikel 2.25 bijzondere omstandigheden

Dit artikel strekt ertoe dat in de overeenkomst ruimte moet zijn voor een lagere of geen opzegvergoeding als sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat het in rekening brengen van de vastgestelde hoogte van de opzegvergoeding onevenredig zou zijn. Dat kan bijvoorbeeld gaan over situaties waarin de eindafnemer geen of een beperkt voordeel behaalt uit de opzegging, maar de overeenkomst uit dringende noodzaak moet beëindigen. Ook kan het gaan om een opzegvergoeding die volgens de eindafnemer te hoog is berekend vanwege structureel genomen maatregelen die leiden tot een significant lagere afname van elektriciteit of verbruik van gas dan door de vergunninghouder is berekend.

Artikel 2.26 welkomstcadeau of loyaliteitsbonus

Dit artikel regelt aan welke voorwaarden moet worden voldaan indien een bij het sluiten van de overeenkomst verstrekt voordeel (een zogeheten welkomstcadeau) wordt teruggevorderd. Zo moet in de overeenkomst duidelijk worden aangegeven dat dit een welkomstcadeau betreft en dit duidelijk worden onderscheiden van andere vergoedingen (onderdeel a). Het geldbedrag moet uiterlijk bij de tweede inning van het termijnbedrag zijn verrekkend of uitbetaald (onderdeel b). De opzegging moet hebben plaatsgevonden binnen een termijn van zes maanden vanaf de start van de levering en er mag niet meer dan het uitbetaalde geldbedrag worden teruggevorderd.

Afdeling 2.2 Vergunning leveranciers
Paragraaf 2.2.1 Vergunningplicht
Artikel 2.27 uitzondering vergunningplicht energiegemeenschappen

Met dit artikel wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslag in artikel 2.17, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de Energiewet, en wordt een uitzondering gemaakt op de vergunningsplicht zoals vastgelegd in het eerste lid van artikel 2.17. Dit betekent dat een energiegemeenschap niet vergunningplichtig is indien de energiegemeenschap niet meer dan 500 leden of afzonderlijke aandeelhouders heeft. De keuze voor het aantal van 500 wordt nader toegelicht in het algemeen deel van de toelichting.

Paragraaf 2.2.2 Eisen vergunning: organisatorische, financiële en technische kwaliteiten en deskundigheid

In paragraaf 2.2.2 tot en met 2.2.4 wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslag in artikel 2.18 van de Energiewet. Er worden nadere regels gesteld voor de vereisten waaraan een vergunningplichtige leverancier moet voldoen op basis van artikel 2.18, tweede lid, van de Energiewet. Daarnaast worden er op grond van artikel 2.18, vijfde lid, van de Energiewet, regels gesteld over de voorwaarden waaraan een aanvraag voor een vergunning moet voldoen en de informatie die een vergunninghouder na het verlenen van de vergunning moet verstrekken aan de ACM.

Het Besluit vergunning levering elektriciteit aan kleinverbruikers, het Besluit vergunning levering gas aan kleinverbruikers en de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers hebben als uitgangspunt gediend bij het opstellen van de artikelen. Voor een uitgebreidere toelichting en achtergrond wordt verwezen naar onderdeel 3 in hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 2.28 administratieve organisatie

Het eerste lid bepaalt aan welke eisen een vergunningplichtige leverancier moet voldoen voor wat betreft de administratieve organisatie en de interne en externe controle hierop. De vereisten sluiten aan bij de huidige toezichtspraktijk van de ACM. In de onderdelen a tot en met g worden vereisten gesteld aan de interne controle die een leverancier voert. Hiermee kan hij aantonen dat hij de verantwoording en controle van zijn administratieve processen inzichtelijk en onder controle heeft (interne controle). Zo vereist onderdeel h dat een leverancier moet beschikken over een beschrijving van de interne beheersmaatregelen die hij treft om ervoor te zorgen dat aan de relevante wettelijke voorschriften wordt voldaan. Onder de relevante wettelijke voorschriften wordt verstaan relevant ten aanzien van het verrichten van de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of is verleend. De ACM toetst daarbij of de organisatie van een leverancier zo is ingericht dat de naleving van relevante wet- en regelgeving, waaronder voorschriften over oneerlijke handelspraktijken (afdeling 3a, titel 3, van Boek 6 van het BW), intern voldoende is geborgd. In onderdeel i is geregeld dat een leverancier over het voldoen aan de administratieve vereisten in het eerste lid een assurance-rapport op laat stellen door een onafhankelijke accountant (externe controle). In de huidige toezichtspraktijk hanteert ACM een invulformulier voor de administratieve organisatie van leveranciers. Het formulier is bedoeld voor de accountant om een assurance-rapport op te kunnen stellen over de AO/IC. Deze is gebaseerd op het Toetsingskader AO/IC dat de ACM hanteert om te beoordelen of de aanvrager van een vergunning kan voldoen aan de wettelijke vereisten ten aanzien van organisatorische kwaliteiten.

Het tweede en derde lid komen grotendeels overeen met artikel 3 van het Besluit vergunning levering elektriciteit aan kleinverbruikers en artikel 3 van het Besluit vergunning levering gas aan kleinverbruikers. De energieleverancier dient ervoor te zorgen dat de klantgegevens aansluiten bij het format en de procedures voor het uitwisselen zoals deze in de sector tussen leveranciers en transmissie- en distributiesysteembeheerders zijn vastgesteld. Ook moet de leverancier ervoor zorgdragen dat deze gegevens in groten getale kunnen worden geëxtraheerd en geïmporteerd. Ingeval van bijvoorbeeld een faillissement van een vergunninghouder borgen deze voorschriften een ordentelijke overdracht van eindafnemers met een kleine aansluiting naar een andere vergunninghouder.

In het vierde lid is geregeld dat indien een leverancier processen heeft uitbesteed, dit in de beschrijving van de opzet van de administratieve organisatie en interne beheersing is meegenomen.

Artikel 2.29 financiële positie

In dit artikel worden eisen gesteld aan de financiële positie van een vergunningplichtige leverancier. De vereisten in de artikelen 3 en 5 van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers hebben hierbij als uitgangspunt gediend.

Een leverancier dient te beschikken over een solvabiliteitsprognose, een liquiditeitsprognose, een risicomanagementplan (in de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers het ‘ondernemingsplan’) en een beschrijving van de procedures die een leverancier heeft ingericht om blijvend te voldoen aan de vergunningseisen.

Het tweede lid bepaalt welke elementen er opgenomen moeten worden in de solvabiliteitsprognose, die ziet op de komende drie jaar. Deze vereisten zijn niet nieuw, maar zijn beleidsneutraal overgenomen uit de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers. Door te voldoen aan deze vereisten kan een leverancier aantonen dat hij voldoende financieel weerbaar is voor het opvangen van risico’s voor zijn financiële positie. Bij de beoordeling hiervan wordt de risicobereidheid van de leverancier meegenomen.

In het derde en vierde lid worden regels gesteld over de liquiditeitsprognose waarover een leverancier moet beschikken. Uit de liquiditeitsprognose moet blijken dat de stand van de liquide middelen gedurende de volgende twaalf maanden positief is. Er worden in het vierde lid eisen gesteld aan het onderscheiden van de kasstromen (onderdeel a), het inzichtelijk maken van de maandelijkse stand van de liquide middelen (onderdeel b) en een onderbouwing ingeval van financiering (onderdeel c). Onderdeel d bepaalt dat de liquiditeitsprognose in verschillende (door de ACM) vastgestelde scenario’s, waaronder volatiele marktomstandigheden, positief blijft. Dit sluit aan bij de huidige toezichtspraktijk waarin de ACM (‘stress’)scenario’s vaststelt waarmee wordt getoetst of leveranciers over een voldoende solide en stabiele financiële positie beschikken.

Het risicomanagementplan (vijfde lid) strekt ertoe inzicht te geven in het beleid dat een leverancier voert op het gebied van bedrijfs- en financiële risico’s. In het risicomanagementplan worden risico’s geïdentificeerd en wordt omschreven op welke wijze deze risico’s worden beheerst.

Artikel 2.30 inkoopstrategie

Leveranciers kopen dagelijks energie in om te kunnen voldoen aan hun dagelijkse leveringsverplichtingen jegens afnemers. Daarnaast dekken zij het prijsrisico van toekomstige leveringen af op de termijnmarkt. Door het aangaan van termijncontracten wordt de prijs voor levering op een later moment vastgelegd, waarmee het risico van prijsschommelingen op de energiemarkt wordt afgedekt. Het onderscheid tussen inkopen en afdekken is hierbij van belang: inkopen ziet op de feitelijke verwerving van energie voor dagelijkse levering, terwijl afdekken betrekking heeft op het beperken van financiële risico’s die samenhangen met toekomstige prijsontwikkelingen.

Dit artikel bepaalt wat onder een gedegen inkoopstrategie wordt verstaan en beoogt risicovolle inkoopstrategieën te voorkomen die leveranciers kwetsbaar maken voor marktprijsfluctuaties. Hier is sprake van wanneer een leverancier verkoopverplichtingen niet voldoende afdekt. Ook kan het zijn dat een leverancier juist meer energie inkoopt dan hij verwacht te moeten leveren in een specifieke periode. Er wordt dan te veel energie ingekocht, dat later weer verkocht moet worden. Bij marktprijsdalingen in de tussentijd kunnen daar dan grote verliezen op worden gemaakt. Artikel 4 van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers heeft hierbij als uitgangspunt gediend.

Een vergunningplichtige leverancier dekt op basis van dit artikel als onderdeel van zijn inkoopstrategie zijn afgesloten leveringsovereenkomsten af wat betreft de verwachte verplichtingen voor de levering van elektriciteit of gas in de leveringsperiode waarin de prijs vaststaat. De norm is dat een leverancier zijn afgesloten leveringsovereenkomsten volledig afdekt. Indien hiervan wordt afgeweken kan de ACM verzoeken om een herstelmaatregel (artikel 2.34). De ACM kan desgewenst een beleidsregel vaststellen met daarin nadere regels hoe de ACM hierop toeziet.

Dit artikel strekt ertoe te voorkomen dat leveranciers onvoldoende hun leveringsverplichtingen hebben afgedekt. Indien leveranciers niet beschikken over een gedegen inkoopstrategie, kan dit tot problemen leiden wanneer de inkoopprijzen stijgen. Mogelijk kan een leverancier dan niet aan zijn verplichtingen tot levering op basis van de afgesloten leveringsovereenkomsten voldoen. In het uiterste geval kan dit leiden tot een faillissement. Vanwege het publieke belang van de continuïteit van de levering van elektriciteit en gas is het van belang dat een leverancier kan aantonen dat de gehanteerde termijn voor het sluiten van posities en de wijze waarop hij de bijbehorende risico’s beheerst geen gevaar opleveren voor de financiële positie. De ACM houdt in de huidige praktijk toezicht op naleving van dit vereiste en kan nadere duiding geven aan de invulling van.

Artikel 2.31 onafhankelijke risicomanager

In dit artikel worden eisen gesteld aan de onafhankelijke risicomanager waarover een leverancier moet beschikken. Zo dient er een (interne of externe) risicomanager te zijn die verantwoordelijk is voor het risicomanagement en die onafhankelijk opereert en binnen de onderneming een onafhankelijke rol vervult. Ook moet de leverancier kunnen aantonen dat de risicomanager beschikt over aantoonbare meerjarige en relevante werkervaring. Hiermee wordt invulling gegeven aan het wettelijk vereiste van voldoende deskundigheid in artikel 2.18 van de Energiewet.

Daarbij wordt opgemerkt dat de risicomanagementfunctie door een of meerdere personen vervuld kan worden, en dat diegene die een risicomanagementfunctie heeft niet uitsluitend verantwoordelijk voor het risicomanagement hoeft te zijn. Hierbij is het wel van belang dat er één persoon het aanspreekpunt is voor de ACM. Ook moet de risicomanager voldoende onafhankelijk opereren conform de eisen gesteld in dit artikel.

Deze bepaling is beleidsneutraal overgenomen uit artikel 8 van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers.

Paragraaf 2.2.3 Aanvraag vergunning
Artikel 2.32 aanvraag vergunning

Dit artikel betreft een uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 2.18, vijfde lid, van de Energiewet, om regels te stellen over de voorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen. De bepaling komt grotendeels overeen met artikel 2 van het Besluit vergunning levering elektriciteit aan kleinverbruikers en artikel 2 van het Besluit vergunning levering gas aan kleinverbruikers en is aangevuld op basis van gegevens die de ACM in de praktijk opvraagt om een aanvraag te kunnen beoordelen. Nieuwe elementen zijn het overleggen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (eerste lid, onderdeel l) en een ingevuld formulier op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (eerste lid, onderdeel m).

Het tweede lid bevat een opsomming van de informatie die een aanvraag moet bevatten. Het doel hiervan is dat een aanvrager aantoont dat hij voldoet en zal voldoen aan de vergunningsvereisten gesteld bij of krachtens de Energiewet.

Ingevolge onderdeel a dient de aanvrager de leverancier informatie aan te leveren over zijn financiële positie en de financiering van de aanvrager, met als doel aan te tonen dat hij voldoet aan de gestelde eisen over de financiële kwaliteiten in artikel 2.29.

Onderdeel b bepaalt dat de aanvrager zijn unieke identificatiecode (EAN-code) aanlevert, dit is noodzakelijk voor het adequaat inrichten van zijn processen.

Op basis van onderdeel c dient de aanvrager een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel aan te leveren. Het gaat hier om een uittreksel uit het Kamer van Koophandel register, dat een overzicht van geregistreerde gegevens van een bedrijf zoals naam, adres, oprichtingsdatum en functionarissen geeft, alsmede informatie over de rechtspersoon, onderneming en vestiging(en) bevat. Opgemerkt zij dat hetgeen in de uittreksel(s) Kamer van Koophandel is opgenomen, moet overeenkomen met de verstrekte organisatiestructuur (zie ook de toelichting bij onderdeel o).

Ingevolge onderdeel d wordt om een opgave van de te verwachten afzet voor tenminste de eerste 12 maanden na vergunningverlening gevraagd. De te verwachten afzet zal een combinatie zijn van een opgave van het verwachte aantal eindafnemers met een kleine aansluiting, in combinatie met het gemiddeld gebruik per afnemer. Onderdeel e en f vragen de leverancier om de overeenkomsten ten behoeve van de inkoop en de balanceringsverantwoordelijkheid te overhandigen. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onderdeel c van het Energiebesluit dienen deze overeenkomsten een voldoende lange looptijd te hebben, van minimaal één jaar. Daarmee wordt het risico voor de leveringszekerheid geminimaliseerd.

Op basis van onderdeel g wordt een recente jaarrekening of een recente openingsbalans gevraagd. Met behulp van deze documenten kan een algemeen beeld van het bedrijf en de financiële kwaliteiten van de aanvrager worden gevormd. Indien de jaarrekening of openingsbalans hiervoor onvoldoende houvast biedt, kan de ACM nadere informatie vragen. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, kan bij de vergunningaanvraag aanvullende informatie worden gevoegd of kan hierom worden gevraagd indien het niet mogelijk is zonder deze informatie te beoordelen of de aanvrager over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten alsmede over voldoende deskundigheid voor een goede uitvoering van zijn taak beschikt.

Ingevolge onderdeel h wordt van de aanvrager een verklaring verlangd waarmee wordt aangetoond dat geen faillissement is uitgesproken en dat geen surseance van betaling is verleend. Deze verklaring wordt afgegeven door de rechtbank in het arrondissement waar de aanvrager (statutair) gevestigd is.

Artikel 2.18, eerste lid, van de wet vereist dat een vergunningplichtige leverancier is aangesloten bij een instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting, hiervoor is een jaarlijkse registratie nodig. Ingevolge onderdeel j verstrekt een aanvrager een bewijs van registratie bij een instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting. Ingevolge onderdeel k levert de aanvrager de gehanteerde klachten- en geschillenregeling voor eindafnemers met een kleine aansluiting aan.

Op basis van onderdeel l verstrekt de aanvrager een Verklaring Omtrent het Gedrag voor de rechtspersoon, een zogenaamde VOG RP. De VOG RP screent alleen bestuurders met de Nederlandse nationaliteit die woonachtig zijn (geweest) in Nederland. Voor een VOG RP wordt een bestuurder/vennoot met een niet-Nederlandse nationaliteit niet gescreend. Ook wanneer een bestuurder met de Nederlandse nationaliteit (een periode van) de afgelopen 5 jaar buiten Nederland woonachtig is geweest, vindt er geen screening voor die periode plaats. De aanvrager dient derhalve voor alle bestuurders die niet aan deze voorwaarden voldoen en niet worden gescreend via een VOG RP aan te geven waar de betreffende functionaris in de afgelopen 5 jaar woonachtig is geweest en een vergelijkbare verklaring hiervoor aan te leveren:

Wanneer een functionaris met niet-Nederlandse nationaliteit in Nederland woonachtig is geweest (ingeschreven heeft gestaan in de Basisregistratie Personen, BRP), dient voor hem of haar voor die periode een Verklaring Omtrent het Gedrag voor natuurlijke personen (VOG NP) te worden aangevraagd en ingediend.

Wanneer een functionaris met niet-Nederlandse nationaliteit buiten Nederland woonachtig is geweest, dient de betreffende functionaris een zogenaamd criminal records extract of vergelijkbare verklaring aan te leveren: een verklaring waarin een bevoegde autoriteit verklaart dat de te toetsen persoon geen strafbare feiten heeft gepleegd die relevant zijn voor de betreffende functie.

Wanneer een functionaris met de Nederlandse nationaliteit (een periode in de afgelopen 5 jaar) buiten de Europese Unie woonachtig is geweest, dient deze voor die periode ook een criminal records extract of een vergelijkbare verklaring van een daartoe bevoegde autoriteit aan te leveren.

Als de te toetsen persoon in de afgelopen 5 jaar in verschillende landen woonachtig was, moeten mogelijk dus meerdere criminal records extracts of equivalente verklaringen worden aangeleverd.

Als de criminal records extract of vergelijkbare verklaring niet is opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal, dan dient deze te worden aangeleverd samen met een vertaling in een van deze twee talen, opgesteld door een in Nederland wettelijk beëdigd vertaler. Daarnaast mag de verklaring niet ouder zijn dan twee maanden op het moment van indienen van de aanvraag. Het is aan de ACM om te beoordelen of een verklaring in afdoende mate vergelijkbaar is met een VOG NP en in ieder geval aantoont dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd die een risico kunnen vormen voor het werk of de taak die zal worden uitgevoerd.

Onderdeel m bepaalt dat de aanvrager een ingevuld formulier op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur dient aan te leveren. De ACM toetst bij aanvraag van een vergunning op de integriteit en betrouwbaarheid van bestuurders. Indien zij dit nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan zij hierbij tevens een advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Op het tijdstip van indienen van de aanvraag mag dit formulier niet ouder zijn dan twee maanden.

Onderdeel n bepaalt dat de aanvrager een AO/IC met interne en externe controle dient aan te leveren. AO/IC staat voor Administratieve Organisatie en Interne Controle. De administratieve organisatie bestaat uit de processen, procedures, werkinstructies en taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden binnen de organisatie van de aanvrager. Tevens ziet de AO/IC op de contracten die worden afgesloten. Met een interne controle wordt aangetoond dat de aanvrager heeft gecontroleerd dat alle onderdelen van de administratieve organisatie kloppen. Met het voeren van een AO/IC worden risico's gedefinieerd en wordt vooraf bepaald hoe deze risico's afgevangen kunnen en zullen worden. Hiermee toont de aanvrager aan dat hij de verantwoording en controle van zijn administratieve processen inzichtelijk en onder controle heeft. Ook dient er bij aanvraag een externe controle op de AO/IC plaats te vinden. Deze moet gedaan worden door een onafhankelijke accountant. Op het tijdstip van indienen van de aanvraag mag deze verklaring niet ouder zijn dan twee maanden.

Op basis van onderdeel o verstrekt een aanvrager informatie over de structuur van de onderneming. Deze informatie is van belang om inzicht te geven in de structuur van de onderneming en de natuurlijke personen, personenvennootschappen of rechtspersonen die in de onderneming van de aanvrager feitelijke zeggenschap of een belang in het geplaatste kapitaal hebben. De beoordeling van de juridische en eigendomsstructuur is erop gericht om na te gaan welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden in welke juridische entiteiten belegd zijn en wat de eigendomsverhoudingen zijn. De organisatiestructuur beschrijft welke verantwoordelijkheden en welke taken (activiteiten) waar belegd zijn binnen de organisatie. Dit is de (juridische) entiteit waar de leveringsverplichtingen belegd zullen gaan worden door de aanvrager. Een aanvrager kan ervoor kiezen om bepaalde werkzaamheden (bijvoorbeeld balanceringsverantwoordelijkheid) onder een andere juridische entiteit te beleggen. Afhankelijk van de complexiteit van de structuur van de aanvrager zal het hierbij dus gaan om een of meerdere documenten. Aan de hand van deze gegevens wordt vastgesteld of de juiste juridische entiteit en bevoegde bestuurders de aanvraag hebben ingediend. Daarnaast is de juridische en eigendomsstructuur van belang voor de beoordeling of er bedrijfsmatige, organisatorische of financiële risico’s zijn die de betrouwbaarheid of het nakomen van de leveringsverplichtingen van de aanvrager kunnen beïnvloeden. De beschrijving van de organisatiestructuur geeft tevens inzicht in de administratieve organisatie en interne controle.

Onderdeel p bepaalt dat de aanvrager het risicomanagementplan, bedoeld in artikel 2.29, vierde lid dient aan te leveren. Dit risicomanagementplan geeft de ACM inzicht in het risicobeheer van de aanvrager en de mate waarin de aanvrager de risico's inzichtelijk en onder controle heeft. Het risicomanagementplan dient een adequate weergave te zijn van het daadwerkelijk gevoerde beleid.

Om in aanmerking te komen voor een 403-vrijstelling dient aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan. Zo dient de moedermaatschappij dient zich schriftelijk hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit de rechtshandelingen van de dochtermaatschappij voortvloeiende schulden (artikel 403, eerste lid, onderdeel b, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), en dienen alle aandeelhouders van de dochtermaatschappij dienen met de afwijking van de voorschriften te hebben ingestemd (artikel 403, eerste lid, onderdeel f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek). Ingevolge onderdeel q dient de aanvrager, wanneer van toepassing, de verklaring als bedoeld in artikel 403, eerste lid, onderdelen b en f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan.

Omdat de ACM als bestuursorgaan bevoegd is op de aanvraag te beslissen, is de ACM gelet op artikel 4:4 van de Awb ook bevoegd om voor de beoordeling van de aanvraag gebruik van een aanvraagformulier verplicht te stellen. De aanlevering van gegevens door middel van een formulier kan een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag vergemakkelijken en kan voorkomen dat bij de aanvraag gegevens ontbreken. In de huidige praktijk hanteert de ACM reeds een aanvraagformulier. De bevoegdheid tot het vaststellen van een formulier biedt niet de mogelijkheid om meer of andere gegevens te vragen dan die voor een verantwoorde voorbereiding van een besluit op de aanvraag van belang zijn (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).

Paragraaf 2.2.4 Verplichtingen vergunninghouder
Artikel 2.33 verstrekking gegevens na verlenen vergunning

Dit artikel strekt ter uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 2.18, vijfde lid, onderdeel c, van de Energiewet, en betreft gegevens die een vergunninghouder op verzoek aan de ACM verstrekt (eerste lid). Hierbij is aangesloten bij de huidige praktijk, waarin de ACM verschillende informatieverzoeken doet, bijvoorbeeld met betrekking tot de financiële positie.

In het eerste lid, onderdeel c, wordt geregeld dat een vergunninghouder op verzoek van de ACM een (tussentijdse) balans verstrekt. Wanneer de vergunninghouder een gebroken boekjaar hanteert, kan met de ACM overeengekomen worden op welke wijze aan dit vereiste kan worden voldaan.

Op basis van het eerste lid, onderdeel e, kan de ACM ook na vergunningverlening een vergunninghouder verzoeken om een AO/IC aan te leveren.

Ingevolge het eerste lid, onderdeel f, kan de ACM in het doorlopend toezicht, wanneer zij daar aanleiding toe ziet, een vergunninghouder verzoeken een Bibob-formulier te verstrekken. Het toetsen van integriteit op basis van de Wet Bibob betreft een bevoegdheid die in de Energiewet is toegekend aan de ACM (artikel 2.20 van de Energiewet) om ervoor dat zij kunnen toezien op de integriteit en betrouwbaarheid van energieleveranciers (voor een nadere toelichting zie ook de algemene toelichting).

Op grond van het eerste lid, onderdeel g, kan de ACM in geval van een bestuurswissel de vergunninghouder verzoeken een VOG NP te verstrekken met betrekking tot de nieuw aan te treden bestuurder.

Het tweede lid houdt rekening met de mogelijkheid dat de financiële positie van een vergunninghouder wordt ondersteund door te beschikken over een rechtsgeldige verklaring van een andere rechtspersoon of vennootschap binnen de groep waarvan de vergunninghouder deel uitmaakt, waarin deze schriftelijke heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de vergunninghouder voortvloeiende schulden (een 403-verklaring, genoemd naar artikel 403, eerste lid, onderdeel f, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek). Een dergelijke verklaring, met de benodigde geconsolideerde financiële gegevens waaruit duidelijk blijkt dat deze andere rechtspersoon of vennootschap een voldoende weerbare financiële positie heeft, speelt een rol in het onderbouwen dat een vergunninghouder aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. De vergunninghouder blijft immers verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van de wijze van levering. De liquiditeitsprognose heeft dan dus mede betrekking op deze andere rechtspersoon of vennootschap. Daarbij wordt opgemerkt dat de ACM op basis van artikel 6b van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt reeds over het recht beschikt om van eenieder te informatie te vragen én te ontvangen die de ACM redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van haar wettelijke taken.

Artikel 2.34 herstelplan

Deze bepaling is grotendeels beleidsneutraal overgenomen uit artikel 6 van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers. De reikwijdte van het artikel is uitgebreid, zodat een vergunninghouder (al dan niet op verzoek van de ACM) een herstelplan indient indien hij niet langer voldoet aan een van de vergunningsvereisten gesteld bij of krachtens artikel 2.18, eerste en tweede lid, van de wet. In afwijking van deze verplichting om een herstelplan uit eigen beweging op te stellen, is een vergunninghouder bij afwijking van norm voor de inkoopstrategie (artikel 2.30) slechts verplicht dit te doen indien de vergunninghouder hierom verzoekt. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een situatie dat een leverancier operationeel gezien geen mogelijkheid heeft om blokken energie in te kopen op de groothandelsmarkt die een-op-een aansluiten op de verwachte leveringsverplichtingen richting eindafnemers met een kleine aansluiting. Daarom is het bij de inkoopstrategie passend dat de ACM eerst een inschatting maakt van de ernst van de afwijking van de regel dat sprake moet zijn van volledige afdekking.

Afdeling 2.3 Leveranciersmodel
Artikelen 2.35 tot en met 2.42 bepalingen ten behoeve van het leveranciersmodel

Zoals staat opgenomen in onderdeel 5 van paragraaf 2.3 Energiemarkten van de algemene toelichting, draagt de leverancier, die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting, verantwoordelijkheid voor een aantal processen tussen de distributiesysteembeheerder en de aangeslotene op dat allocatiepunt. Zo regelt artikel 2.28 Energiewet dat de betreffende leverancier faciliteert bij de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst tussen een distributiesysteembeheerder en de aangeslotene met een kleine aansluiting en bij een deel van de informatieverstrekking tussen beide partijen. In deze ministeriële regeling wordt gebruik gemaakt van de delegatiegrondslag die in artikel 2.28 is opgenomen en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de leverancier invulling moet geven aan de op hem rustende plicht tot facilitering en informatieverstrekking. De plicht tot informatieverstrekking ziet met name op de fase rondom de totstandkoming van de aansluit- en transportovereenkomst. Nadat de aansluit- en transportovereenkomst tot stand is gekomen, beschikt de distributiesysteembeheerder immers over de contactgegevens van de aangeslotene en zal hij in voorkomend geval zelf met de aangeslotene in contact kunnen treden. In de ministeriële regeling over gegevensuitwisseling zal daartoe worden opgenomen dat leveranciers contactgegevens van de aangeslotene, zoals het e-mailadres en het telefoonnummer, opvragen en aanleveren voor het register van de distributiesysteembeheerder.

In artikel 2.27 Energiewet is voorts geregeld dat de leverancier die actief is op een primair allocatiepunt behorende bij een kleine aansluiting, de tarieven factureert en int namens de distributiesysteembeheerder. Hiervoor mag de leverancier geen kosten in rekening brengen aan de distributiesysteembeheerder. Ook bevat deze ministeriële regeling regels over de administratie die de leverancier dient bij te houden ten behoeve van deze taak en de omvang en het moment van afdracht van de geïnde tarieven aan de distributiesysteembeheerder.

Artikel 3.126 van de Energiewet bevat tenslotte de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen over de informatie die ten minste in de aansluit- en transportovereenkomst moet zijn opgenomen en de documenten en informatie die een distributiesysteembeheerder aan een leverancier verstrekt ten behoeve van de naleving van artikel 2.28 en 2.27 van de Energiewet.

Zoals in het hiervoor aangehaalde onderdeel 5 van paragraaf 2.3 van de algemene toelichting, staat vermeld, zijn de bepalingen die vorm geven aan het leveranciersmodel voor een groot deel beleidsneutraal overgenomen uit bestaande regelgeving. Dit gaat in hoofdzaak om bepalingen uit de Informatiecode Elektriciteit en Gas (ICEG), maar ook om de voormalige Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en voormalige Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas. Omdat in de algemene toelichting al is ingegaan op de nut en de noodzaak van de artikelen en het bovendien gaat om een beleidsneutrale omzetting van reeds bestaande artikelen, wordt in de artikelsgewijze toelichting volstaan met een overzicht van de nieuwe artikelen met daarnaast de delegatiegrondslagen en de voormalige artikelen die zijn omgezet.

Energieregeling

Toelichting op de omzetting

Artikel 2.35 tarievenregister elektriciteit en gas

Uitwerking van artikel 3.126, aanhef en onder b, en artikel 2.28 van de Energiewet; omzetting van artikel 8.1.6 van de ICEG. De zeer gedetailleerde voorschriften uit de ICEG over coderingen zijn nu meer geabstraheerd opgenomen; het artikel spreekt nu over ‘een systematiek’. Dit laat onverlet dat de bestaande systematiek met coderingen voortgezet kan worden ten behoeve van de geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen DSB’s en leveranciers.

Artikel 2.36 minimum informatie aansluit- en transportovereenkomst kleine aansluiting

Uitwerking van artikel 3.126, aanhef en onder a, en artikel 2.28 van de Energiewet; omzetting van artikel 3 van Regeling afnemers en monitoring Elektriciteitswet 1998 en Gaswet. Waar relevant is aangesloten op de formuleringen in artikel 2.1 Energiebesluit inzake de inhoud van de leveringsovereenkomst.

Artikel 2.37 informatie distributiesysteembeheerder ten behoeve van leveranciersmodel

Uitwerking van artikel 3.126, aanhef en onder b, en de artikelen 2.28 en 2.27 van de Energiewet; omzetting van de artikelen 8.1.4, 8.1.5, 8.1.7 en 8.1.8 van de ICEG.

Artikel 2.38 informeren aangeslotene over wijzigingen aansluit- en transportovereenkomst

Uitwerking van artikel 3.126, aanhef en onder a van de Energiewet; omzetting van artikel 8.1.9 van de ICEG.

Artikel 2.39 specificatie van te factureren en te innen tarieven

Uitwerking van artikel 3.126, aanhef en onder b, en artikel 2.27 van de Energiewet; omzetting van artikel 8.2.1 van de ICEG.

Artikel 2.40 facilitering leverancier bij totstandkoming aansluit- en transportovereenkomst

Uitwerking van artikel 2.28, tweede lid, en artikel 3.126, aanhef en onder b, van de Energiewet, waarbij is geput uit artikel 8.1.1 en 8.2.1. van de ICEG. In dit artikel is tevens nadere uitwerking gegeven aan artikel 4.2, eerste lid, van de Energiewet dat aan partijen die gegevens verzamelen of bewerken de plicht oplegt om zorg te dragen voor de betrouwbaarheid en de volledigheid daarvan en om redelijke procedures voor correctie van gegevens toe te passen. Ter aanvulling hierop: (i) in het eerste lid is duidelijk gemaakt dat het gaat om situaties waarin een leverancier actief ‘wordt’ op een primair allocatiepunt, dus niet om situaties waarin de leveringsovereenkomst wordt verlengd en dezelfde leverancier actief ‘blijft’ en (ii) in het derde lid is dezelfde bewaartermijn gekozen als opgenomen in artikel 2.32 Energiewet, namelijk vijf jaar.

Artikel 2.41 controleren gegevens aansluit- en transportovereenkomst door leverancier

Idem als artikel 2.40 met het verschil dat dit artikel geen uitwerking bevat van artikel 8.1.1. van de ICEG, maar nieuwe voorschriften worden geïntroduceerd teneinde duidelijkheid te verschaffen over wat onder een redelijke procedure voor correctie van gegevens door de leverancier wordt verstaan. Ter aanvulling hierop: (i) net als in artikel 2.40 wordt in het eerste lid gedoeld op situaties waarin de leverancier actief ‘wordt’ op grond van een leveringsovereenkomst, (ii) met ‘geaggregeerd niveau’ in het vierde lid wordt bedoeld dat het niet nodig is dat de DSB op het niveau van individuele situaties en/of aansluitingen wordt geïnformeerd; het gaat immers om het kunnen monitoren van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de procedures genoemd in het derde lid.

Artikel 2.42 administratie ten behoeve van facturering namens en afdracht aan DSB

Uitwerking van artikel 2.27, vijfde lid, van de Energiewet; omzetting van artikel 8.3.1 tot en met 8.3.6 van de ICEG en artikel 9 van de Regeling gegevensbeheer en afdracht elektriciteit en gas.

Afdeling 2.4 Voorkomen beëindiging levering en maatregelen leveringszekerheid
Artikel 2.43 beëindigen levering

Het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel door de vergunninghouder heeft tot gevolg dat de eindafnemer de toegang tot elektriciteit en/of gas verliest. Eindafnemers met een kleine aansluiting worden hiertegen beschermd. De afsluitbescherming houdt in dat de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met eindafnemers met een kleine aansluiting, buiten beëindiging op eigen verzoek of in situaties van fraude of misbruik, enkel wegens betalingsachterstanden mag worden beëindigd en pas nadat een voorgeschreven procedure (minimumeisen) doorlopen is en voorts geen sprake is van een van de uitzonderingssituaties waarin beëindiging niet mogelijk is (betalingsregeling, in behandeling zijnde klacht, (aanvraag) schuldhulpverlening of ernstige gezondheidsrisico's). Deze procedure is erop ingesteld om eindafnemers in de gelegenheid te stellen om hun betalingsachterstanden te verhelpen en zo het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel door de vergunninghouder en daarmee afsluiting te voorkomen. Zo mag de vergunninghouder de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet beëindigen wegens betalingsachterstanden als er een betalingsregeling is overeengekomen die wordt nagekomen, er een traject van schuldhulpverlening is aangevraagd of gestart, of er ernstige gezondheidsrisico’s dreigen bij afsluiting. Ook mag er geen sprake zijn van een conform de klachtenprocedure van de vergunninghouder in behandeling zijnde klacht van de eindafnemer over de facturering of betaling waar de betalingsachterstand op ziet. Deze uitzonderingssituaties, waarin geen beëindiging kan plaatsvinden, staan in artikel 2.46. De bescherming geldt direct voor iedere eindafnemer met een kleine aansluiting die zelf een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel sluit met een vergunninghouder. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze bepaling niet ziet op situaties waarin de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet (tussentijds of vroegtijdig) door de vergunninghouder wordt beëindigd of conform de contractvoorwaarden niet (stilzwijgend) wordt verlengd, maar deze overeenkomst op andere wijze rechtsgeldig eindigt, zoals bijvoorbeeld door het verlopen van de overeengekomen contractduur.

Gelet op het leveranciersmodel factureert en int de vergunninghouder ook de aan de distributiesysteembeheerder verschuldigde periodieke bedragen bij de eindafnemer en draagt deze aan de distributiesysteembeheerder af. Dit betekent dat bij betalingsachterstanden op de factuur de vergunninghouder ook degene is die daarop moet handelen, mede ten aanzien van de voor de distributiesysteembeheerder te innen en aan hem af te dragen bedragen.

De Elektriciteitsrichtlijn en Gasrichtlijn stellen dat in het bijzonder kwetsbare afnemers en afnemers die door energiearmoede worden getroffen volledig beschermd moeten worden tegen afsluiting van elektriciteit en/of gas. Voor kwetsbare afnemers voor wie de beëindiging van de levering van elektriciteit en/of gas zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg zou hebben voor hemzelf of voor een huisgenoot, geldt dat deze altijd toegang moeten blijven houden tot elektriciteit en/of gas zo lang die risico’s bestaan. Dit houdt in dat de overeenkomst voor levering van elektriciteit en/of gas niet beëindigd mag worden door de vergunninghouder als de afnemer kan aantonen dat het afsluiten zeer ernstige gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft. Ook eindafnemers die door energiearmoede worden getroffen genieten een uitgebreide bescherming tegen het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wegens betalingsachterstanden. De geboden bescherming uit artikel 2.26 van de Energiewet geldt immers voor alle eindafnemers met een kleine aansluiting. Hiermee voldoet de reeds langer bestaande Nederlandse praktijk aan de vereiste Europese bescherming voor kwetsbare afnemers en afnemers in energiearmoede. De regeling beschermt alle afnemers tegen afsluiten wegens betalingsachterstanden en verbiedt specifiek het afsluiten in geval van een lopende betalingsregeling, schuldhulpverlening of medische noodzaak.

Artikel 2.44 maatregelen bij betalingsachterstand

Dit artikel regelt welke maatregelen de vergunninghouder moet nemen indien een eindafnemer met een kleine aansluiting een betalingsachterstand heeft.

Ten eerste moet de vergunninghouder indien een eindafnemer met een kleine aansluiting een factuur niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet ten minste driemaal een schriftelijke betalingsherinnering daarvan sturen met een nakomingstermijn van ten minste veertien dagen (onderdeel a). Dit staat er niet aan in de weg dat een betalingsherinnering van de factuur wordt gecombineerd met een betalingsherinnering van een volgende factuur die niet tijdig wordt betaald waarbij het totaal van de betalingsachterstand wordt vermeld. Wel geldt dat van de (een en dezelfde) factuur ten minste driemaal een schriftelijke betalingsherinnering wordt gestuurd met de voorgeschreven nakomingstermijn van veertien dagen. De vergunninghouder moet de eindafnemer bij de betalingsherinnering, naast de mogelijkheden tot schuldhulpverlening in het geval de eindafnemer een natuurlijk persoon betreft, eveneens wijzen op de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen en daarover met hem in contact te treden. Daarnaast moet de vergunninghouder wijzen op de uitzonderingssituaties waarin de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet kan worden beëindigd. Voorts moet de vergunninghouder als onderdeel van de betalingsherinnering aanbieden om informatie te verstrekken aan een instantie ten behoeve van schuldhulpverlening (hierna: de gemeente). Het gaat daarbij om schuldhulpverlening in de zin van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (zie de definitie in artikel 1.1 van deze regeling). Dit is geregeld in onderdeel a van dit artikel.

Ten tweede dient de vergunninghouder zich maximaal in te spannen om in persoonlijk contact te treden met de eindafnemer (onderdeel b). De vergunninghouder moet hiertoe zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen persoonlijk contact proberen te krijgen met de eindafnemer met als doel de betalingsachterstand in te lopen of gezamenlijk te zoeken naar een oplossing. Dit betekent dat niet kan worden volstaan met alleen schriftelijke communicatie, zoals bijvoorbeeld een brief, e-mail, of andere vorm van elektronische berichten, maar dat ook per telefoon of door middel van een huisbezoek moet worden geprobeerd persoonlijk contact te krijgen met de eindafnemer. Daarnaast kunnen vergunninghouders mogelijk ook meer informele netwerken benutten om met de eindafnemer in contact te komen, zoals teams van vrijwilligers die in diverse gemeenten actief zijn en hulp bieden bij het ondersteunen van mensen met betalingsproblemen. Van persoonlijk contact is sprake als er een tweezijdig gesprek tot stand komt dat erop is gericht om de eindafnemer te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te beëindigen, waaronder ook het aanbod om een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder kan gedacht worden aan informatie over publieke voorzieningen die strekken tot het bieden van financiële ondersteuning, verwijzing naar organisaties die ondersteuning bieden bij betalingsproblematiek, of tips voor energiebesparing en verwijzing naar instanties die daarbij behulpzaam kunnen zijn. Daarbij zal de eindafnemer dan ook in de gelegenheid moeten worden gesteld om dergelijke ondersteuningsmogelijkheden te verkennen en te organiseren.

Bij alle contactpogingen, zoals bedoeld in de onderdelen a en b van dit artikel, dient de vergunninghouder de eindafnemer te wijzen op de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen. Indien de eindafnemer hierop ingaat, is de vergunninghouder verplicht om tijdig een redelijke en passende betalingsregeling aan te bieden (onderdeel c). Dat betekent dat de vergunninghouder zorgdraagt voor een zorgvuldig proces van totstandkoming van een betalingsregeling, zoals het bieden van redelijke reactietermijnen en het opschorten van eventueel reeds ingezette incassomaatregelen. Het betekent ook dat de tussen de vergunninghouder en de eindafnemer overeen te komen betalingsregeling is toegesneden op de situatie van de individuele eindafnemer, waaronder diens verbruik ten opzichte van de termijnbedragen, en rekening houdt met diens persoonlijke omstandigheden, waaronder financiële draagkracht. De betalingsregeling omvat in ieder geval afspraken over de afwikkeling van de opgebouwde betalingsachterstand. Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over de betaling van aankomende facturen. De vergunninghouder moet voldoende tijd bieden om tot een redelijke en passende betalingsregeling te komen. Als een dergelijke betalingsregeling tot stand komt kan de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet worden beëindigd vanwege de vordering(en) waarvoor de betalingsregeling is getroffen zo lang de betalingsregeling loopt en wordt nagekomen. De nadruk wordt hiermee structureel gelegd op het gedeelde belang van zowel eindafnemer als vergunninghouder bij het treffen van een redelijke en passende betalingsregeling. Dit betekent dat uitsluitend wanneer een dergelijke betalingsregeling niet geaccepteerd wordt door de eindafnemer of als deze niet nagekomen wordt, de leveringsovereenkomst kan worden beëindigd wegens betalingsachterstanden, mits aan alle andere eisen van artikel 2.43 is voldaan. Zo nodig moet het doorlopen van de stappen van de artikelen 2.44 en 2.45 worden hervat of opnieuw worden aangevat. Daarbij wordt voorts opgemerkt dat bij niet nakoming van de betalingsregeling het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel proportioneel dient te zijn in de gegeven omstandigheden. Dat is ook onderdeel van een redelijke en passende betalingsregeling en het doel en de strekking daarvan. In het kader van het toezicht van de ACM zal de vergunninghouder zo nodig aan de ACM aan moeten kunnen aantonen dat aan de voorschriften uit de van toepassing zijnde regeling is voldaan. De vergunninghouder zal de ondernomen stappen dan ook zorgvuldig moeten documenteren.

Artikel 2.45 gegevensuitwisseling schuldhulpverlening

Eerste lid – Vroegsignaal

Het is mogelijk dat zich situaties voordoen waarin de vergunninghouder, ondanks diens uiterste inspanningen om met de eindafnemer persoonlijk in contact te treden, geen enkele reactie ontvangt van de eindafnemer of dat deze eindafnemer niet bereid blijkt om met de vergunninghouder, ondanks een redelijk en passend aanbod, een betalingsregeling overeen te komen. Ook is het mogelijk dat een dergelijke betalingsregeling wordt overeengekomen maar vervolgens niet wordt nagekomen. De vergunninghouder zal in zo’n situatie een zogenaamd vroegsignaal sturen aan de gemeente. Dit om tijdig een signaal te kunnen geven aan de gemeenten over de ontwikkelingen bij oplopende betalingsproblemen die problematische schulden en het verliezen van de toegang tot energie als gevolg kunnen hebben. Ten eerste wordt een signaal gestuurd als de eindafnemer instemt met het delen van de gegevens met de gemeente (onderdeel a). In dit geval wordt gesproken over een warme doorverwijzing en kunnen de gegevens al na één schriftelijke betalingsherinnering verstuurd worden. Een signaal moet verstuurd worden als er ten minste twee facturen niet zijn voldaan, de leverancier ten minste twee schriftelijke herinneringen aan de eindafnemer heeft verstuurd, waarbij de eindafnemer niet afwijzend heeft gereageerd op het aanbod om de gegevens met de gemeente te delen, en er geen betalingsregeling is overeengekomen (onderdeel b). Onder facturen worden zowel de facturen voor termijnbedragen als de jaarnota verstaan.

Tweede lid – Actualisatiesignaal

Om de gemeente op de hoogte te kunnen stellen van de ontwikkeling van de betalingsachterstand en het eventuele voornemen om de leveringsovereenkomst te beëindigen, bevat het artikel twee grondslagen om het eerder gestuurde signaal te actualiseren. Ten eerste dient het signaal geactualiseerd worden indien de betalingsachterstand van de eindafnemer aanmerkelijk hoger wordt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien er opnieuw een factuur niet voldaan wordt en er niet gewerkt wordt aan het verminderen van de achterstand op de al eerder openstaande facturen. Verder bevat het artikel een grondslag voor het actualiseren van het signaal naar de gemeente als de vergunninghouder voornemens is om over te gaan tot het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel: het zogeheten eindeleveringssignaal. De vergunninghouder is verplicht om dit signaal te sturen vier weken voordat de overeenkomst daadwerkelijk wordt beëindigd, en niet eerder dan twee weken na de informatieverstrekking (het vroegsignaal) op grond van het eerste lid. Deze twee weken sluiten aan op de in artikel 2.44, onderdeel a, voorgeschreven nakomingstermijn voor een betalingsherinnering. Indien het vroegsignaal aan de gemeente tegelijk met of direct na de tweede betalingsherinnering wordt gestuurd loopt dit in principe gelijk. Het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel heeft tot gevolg dat de distributiesysteembeheerder moet overgaan tot het buitenwerkingstellen van de aansluiting of het aan de aansluiting toegekend additionele allocatiepunt waarop de levering plaatsvindt. Door een eindeleveringssignaal naar de gemeente te sturen voordat de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel daadwerkelijk wordt beëindigd, kan de gemeente gericht ingrijpen en ondersteuning bieden bij de betalingsproblemen voordat deze eindafnemer de toegang tot elektriciteit en/of gas verliest. Als de eindafnemer niet afwijzend heeft gereageerd op het aanbod om de gegevens met de gemeente te delen, zal de vergunninghouder dus altijd zowel een vroegsignaal (eerste lid) als een eindeleveringssignaal (tweede lid, onderdeel b) naar de gemeente versturen. De situaties op basis waarvan deze signalen moeten worden verstuurd doen zich immers altijd voor in het proces tot eindelevering wegens betalingsachterstanden. Het actualiseren van het signaal wegens het aanmerkelijk oplopen van de betalingsachterstanden is alleen verplicht indien deze situatie zich voordoet. Het kan immers zo zijn dat de betalingsachterstand tussen het moment van het versturen van het vroegsignaal en het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet verder toeneemt. In dat geval zal de actualisatie van het signaal volgens het tweede lid, onderdeel a, achterwege blijven.

De mogelijkheden tot gegevensuitwisseling zijn uitgebreid door de grondslag die de regeling biedt van toepassing te laten zijn op twee gemiste facturen in plaats van alleen op twee gemiste termijnbedragen. De voorwaarden voor het sturen van een vroegsignaal blijven verder onveranderd. Er dienen dus ten minste twee schriftelijke herinneringen aan de afnemer te zijn verstuurd en er dient geen betalingsregeling te zijn overeengekomen. De reden voor het uitbreiden van de grondslag is de constatering dat er zich situaties voordeden waarin de gemeente een eindeleveringssignaal ontving zonder dat hier een vroegsignaal aan vooraf was gegaan. In deze gevallen was de gemeente pas op de hoogte van de betalingsachterstand op het moment dat de vergunninghouder al voornemens was de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel te beëindigen. De gemeente had hierdoor minder tijd om in contact te treden en eventueel tot een passend hulpaanbod te komen dan wanneer de gemeente al met een eerder vroegsignaal op de hoogte zou zijn gebracht. In deze gevallen ging het voornamelijk om een niet betaalde jaarnota. Waar de niet betaalde jaarnota reden kon zijn voor de vergunninghouder om over te gaan tot het beëindigen van de overeenkomst, was dit geen grond voor het versturen van een vroegsignaal. Door te specificeren dat bij twee gemiste facturen een vroegsignaal moet worden gestuurd, is duidelijk dat de jaarnota hier ook onder valt en zal de gemeente bij een niet betaalde jaarnota dus eerder ook een vroegsignaal ontvangen.

Om de privacy van de eindafnemer te borgen is limitatief vastgelegd welke signalen wanneer gestuurd kunnen worden. Met het verbreden van de mogelijkheid om een vroegsignaal te kunnen sturen bij twee gemiste facturen in plaats van bij twee gemiste termijnbedragen, worden alle betalingsachterstanden op facturen eenduidig behandeld. Hiermee geniet iedereen met betalingsachterstanden op de facturen eenzelfde bescherming die door de regeling wordt geboden.

Derde lid – Te verstrekken gegevens

In de regeling is ook limitatief aangegeven welke gegevensuitwisseling is toegestaan. De gegevens die met de signalen uitgewisseld worden omvatten de contactgegevens van de kleinverbruiker, diens geboortedatum, diens klantnummer en informatie over de hoogte van diens schuld. Onder contactgegevens worden de NAW-gegevens, een e-mailadres, een telefoonnummer en de geboortedatum van de eindafnemer verstaan. De geboortedatum is op verzoek van de gemeenten toegevoegd aan de limitatieve lijst van contactgegevens die gedeeld mogen worden. Door dit toe te voegen kan er nauwkeuriger en efficiënter worden vastgesteld bij welke inwoner het signaal hoort. Verder wordt de informatie over (de ontwikkeling van) de betalingsachterstand doorgegeven. Deze informatie kan duidelijk maken of de betalingsachterstand verder is opgelopen. Zo blijft de gemeente op de hoogte van de toename van, of nieuwe betalingsachterstanden en kan deze het hulpaanbod daarop aanpassen. Voor zover van toepassing wordt ook het voornemen om de leveringsovereenkomst te beëindigen opgenomen. De vergunninghouder is verwerkingsverantwoordelijke en daarmee te allen tijde verantwoordelijk voor een zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens die deze van eindafnemers heeft verkregen.

Artikel 2.46 geen beëindiging in uitzonderingssituaties

Een vergunninghouder kan een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel in een aantal situaties niet beëindigen. In artikel 2.43 wordt naar deze uitzonderingssituaties verwezen.

Het gaat ten eerste om de situatie dat er een betalingsregeling met de eindafnemer is overeengekomen voor de betreffende betalingsachterstand (onderdeel a). Zo lang deze betalingsregeling loopt en wordt nagekomen kan de leverancier de overeenkomst niet beëindigen

Ten tweede kan de overeenkomst niet worden beëindigd als er nog een klacht aanhangig is bij de leverancier over de facturen of betaling van facturen waar de betalingsachterstand op ziet (onderdeel b). Het moet daarbij gaan om een conform de klachtenprocedure van de vergunninghouder in behandeling zijnde klacht. Deze klacht kan zowel in behandeling zijn bij de vergunninghouder zelf als bij een buitengerechtelijke geschilleninstantie. De contractuele verplichtingen blijven voor beide partijen gelden tijdens de duur van de klachtenafhandeling. Hiermee wordt artikel 28 bis, tweede lid, van de Elektriciteitsrichtlijn en artikel 28, tweede lid, van de Gasrichtlijn geïmplementeerd. Als een eindafnemer een klacht heeft over de betaling of facturering, dan dient deze klacht eerst schriftelijk ingediend te worden bij de vergunninghouder zelf. Hoe dit kan staat aangegeven in de algemene voorwaarden van de vergunninghouder. Hierna kunnen de eindafnemer en vergunninghouder proberen gezamenlijk een oplossing te vinden voor de klacht. Als dit niet lukt, of als de eindafnemer binnen vier weken geen antwoord heeft gehad van de vergunninghouder, dan kan de eindafnemer de klacht indienen bij de Geschillencommissie Energie. Deze zal zich dan over de klacht buigen en een uitspraak doen. Deze uitspraak is bindend voor alle partijen. Op de website van de Rijksoverheid wordt de eindafnemer geïnformeerd over deze mogelijkheden tot het indienen van een klacht.

Ten derde kan de overeenkomst met de eindafnemers niet worden beëindigd indien de eindafnemer kan aantonen dat hij zich heeft gewend tot een instantie voor schuldhulpverlening en in afwachting is van een beschikking als bedoeld in artikel 4a van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of als de vordering van de vergunninghouder wordt betrokken bij een traject van schuldhulpverlening aan de eindafnemer (onderdeel c). De eindafnemer kan dit aantonen door overlegging van een afschrift van een ontvangstbevestiging of een schriftelijke verklaring van een schuldhulpverlener. Ook komt het voor dat de gemeente de vergunninghouder hierover informeert. Op het moment dat een gemeente een vroegsignaal ontvangt vanuit de vergunninghouder dient deze op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening binnen vier weken na ontvangst van dit signaal een eerste gesprek aan te bieden aan de inwoner zodat de hulpvraag kan worden vastgesteld. Ditzelfde geldt na het ontvangen van een eindeleveringssignaal. Voor de vergunninghouder geldt daarom als aanvullende verplichting dat ten minste deze termijn wordt afgewacht voordat over kan worden gegaan tot het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel. Een eindafnemer is overigens niet verplicht de aangeboden hulp in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar aanleiding van een signaal te aanvaarden. Indien het verzoek van de eindafnemer om schuldhulpverlening is afgewezen of de eindafnemer het aanbod voor schuldhulpverlening heeft afgewezen dan valt de eindafnemer – na het verstrijken van de termijn van 4 weken – niet meer onder de uitzonderingssituatie uit dit artikel. Ook als de schuldhulpverlening is geëindigd vervalt de uitzonderingssituatie.

Ten slotte mag een eindafnemer niet afgesloten worden van elektriciteit of gas als dit ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengt voor de eindafnemer of huisgenoten van de eindafnemer (onderdeel d). Hiertoe dient de eindafnemer een verklaring over te leggen van een arts, die geen behandelend arts van de betrokkene is. Ook voor deze groep geldt dat zij het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel kunnen voorkomen door aan de betalingsachterstanden te werken door het treffen van een betalingsregeling met de vergunninghouder of het aanvragen van schuldhulpverlening. Desalniettemin kan het verkrijgen van een verklaring van een arts om het beëindigen van de overeenkomst te voorkomen de nodige rust en ruimte bieden om aan een duurzame oplossing voor de betalingsachterstanden te werken. Gevallen waarin deze uitzonderingssituatie mogelijk geldt, zijn bijvoorbeeld wanneer de eindafnemer of diens huisgenoot gebruik maakt van chronische thuisbeademing, thuisdialyse of zuurstofapparatuur thuis. In deze gevallen ligt het voor de hand dat het afgesloten worden van elektriciteit ernstige gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Omdat deze apparaten veel elektriciteit verbruiken worden deze eindafnemers ook geconfronteerd met hogere elektriciteitskosten. Hiervoor bestaat er op grond van de Zorgverzekeringswet een vergoeding voor de elektriciteitskosten bij gebruik van deze medische hulpmiddelen. Indien de eindafnemer ondanks deze vergoeding een betalingsachterstand oploopt kan deze gebruikmaken van de beschermingsmogelijkheden die de regeling biedt.

Artikel 2.47 hervatten levering

Het afsluitbeleid heeft als doel om eindafnemers in bepaalde situaties te beschermen tegen het moeten leven zonder elektriciteit en/of gas. Ook als de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel al is beëindigd is dit nog relevant. Om die reden zijn de bepalingen met betrekking tot het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met kwetsbare afnemers en in het geval van (een verzoek tot) schuldhulpverlening gecompleteerd door voor dezelfde situaties een recht op het hervatten van de overeenkomst op te nemen. In het geval de eindafnemer na het beëindigen van de overeenkomst alsnog een verklaring van een arts kan overleggen of de vorderingen van de vergunninghouder alsnog betrokken worden bij een schuldhulpverleningstraject, is de vergunninghouder verplicht om de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel weer te hervatten. De vergunninghouder mag de hervatte overeenkomst weer beëindigen indien het verzoek tot schuldhulpverlening wordt afgewezen en de betalingsachterstanden, op basis waarvan de overeenkomst eerder was beëindigd, nog niet zijn opgelost. De regeling voorziet niet in een plicht voor vergunninghouders tot het hervatten van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel ingeval er sprake is van een overeengekomen betalingsregeling tussen de eindafnemer en vergunninghouder, omdat het in dat geval aan de partijen is om de voorwaarden van de betalingsregeling af te spreken. Het ligt voor de hand dat onderdeel van een betalingsregeling is dat er weer een overeenkomst wordt aangegaan.

Wanneer een leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wordt beëindigd omdat de eindafnemer overstapt naar een andere vergunninghouder, is het hervatten van de overeenkomst niet van toepassing. Deze vergunninghouder heeft immers de eerdere leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel niet beëindigd en zal zijn eigen contractvoorwaarden hanteren. Uit het overstappen van de eindafnemer naar een andere vergunninghouder kan ook worden opgemaakt dat deze de overeenkomst met de vorige vergunninghouder ook niet meer wenst te hervatten. De plicht tot hervatten van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel is in dat geval niet van toepassing. Deze plicht geldt alleen als de vereenkomst wegens betalingsachterstanden is beëindigd en vervalt als de eindafnemer na het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel een overeenkomst is aangegaan met een andere vergunninghouder.

Afdeling 2.5 Erkenning meetverantwoordelijke partij
Artikel 2.49 frequentie en eisen rapportageverplichting

Op grond van artikel 2.52, eerste lid, van de Energiewet moeten meetverantwoordelijke partijen aan de ACM rapporteren over de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.48 van de Energiewet. Artikel 2.49 regelt dat de rapportage jaarlijks moet worden gedaan en dat de rapportage minimaal knelpunten en een kosteninschatting moet bevatten. Artikel 1.1 regelt wat onder ‘knelpunt’ moet worden verstaan.

Hoofdstuk 3: Beheer van elektriciteits- en gassystemen

Afdeling 3.1 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake beheer en ontwikkeling
Paragraaf 3.1.1 Investeringsplan
Artikel 3.1 aggregatieniveau in het investeringsplan

Het eerste lid van dit artikel regelt welke investeringen een TSB of DSB of TSB voor elektriciteit op zee niet geaggregeerd in het investeringsplan mag opnemen. Dit zijn investeringen waarvoor een projectbesluit als bedoeld in afdeling 5.2 van de Omgevingswet is vastgesteld (eerste lid, onderdeel b). Voor de TSB voor gas geldt daarnaast dat ook investeringen ten behoeve van het transport van gas uit gasvoorkomens niet op een geaggregeerd mogen worden opgenomen (eerste lid, onderdeel a). Het tweede lid van dit artikel regelt dat, indien een transmissie- of distributiesysteembeheerder of TSB voor elektriciteit op zee knelpunten voor het beheer van zijn systeem, investeringen of inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten ter voorkoming van of overbrugging tot verzwaring van zijn systeem op een geaggregeerd niveau in zijn investeringsplan opneemt, de systeembeheerder het toegepaste aggregatieniveau moet toelichten.

Systeembeheerders doen duizenden kleine investeringen in het systeem. Zonder de mogelijkheid om investeringen te aggregeren wordt het investeringsplan te omvangrijk, kost het te veel capaciteit van de systeembeheerders en gaat de leesbaarheid van het investeringsplan achteruit. Hetzelfde geldt voor de inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten. Daarnaast zijn veel van de kleinschalige investeringen ook niet relevant voor de toets van de ACM. Daarom wordt de mogelijkheid geboden om investeringen op een geaggregeerde wijze in het investeringsplan op te nemen. De ACM kan erop toezien dat het aggregatieniveau niet te hoog wordt en het investeringsplan te weinig inzicht biedt in relevante investeringen.

Artikel 3.2 terugblik op vorige investeringsplan

Dit artikel gaat over de terugblik op het voorgaande investeringsplan en met name de wijzigingen ten opzichte van het voorgaande investeringsplan, die ingevolge artikel 3.24 van het besluit in het investeringsplan moet worden opgenomen. Het betreft wijzigingen ten aanzien van de noodzakelijke uitbreidings- en vervangingsinvesteringen en ten aanzien van de congestie- en systeembeheersdiensten die worden ingekocht ter voorkoming van of overbrugging tot verzwaring van het systeem. In de aanduiding van en verklaring voor deze wijzigingen moet nader worden gespecifieerd wat de afwijking is ten opzichte van planning in tijd en kostenraming per jaar (onderdeel a), nadelige gevolgen van deze afwijking voor de uitvoering van de taken (onderdeel b) en de maatregelen om dergelijke afwijkingen in de toekomst te minimaliseren (onderdeel c).

Het doel van dit artikel is dat systeembeheerders documenteren wat er ten opzichte van het vorige investeringsplan is gewijzigd en dit inzichtelijk maken voor zowel de lezer als de ACM. De terugblik kan bijvoorbeeld inzicht geven in de reden waarom er vertraging in de planning van investeringen wordt opgelopen. Hiervan kan worden geleerd bij het plannen van toekomstige investeringen.

Artikel 3.3 inhoud scenario’s en totstandkoming

Op grond van artikel 3.24, derde lid, van het besluit moet een investeringsplan een analyse bevatten van de ontwikkelingen in de energiemarkt en andere ontwikkelingen die van invloed zijn op de inrichting van het transmissie- of distributiesysteem. Dit gebeurt in de vorm van scenario’s voor de eerstkomende vijfentwintig jaar. Dit artikel bevat een nadere specificatie van de elementen die dergelijke scenario’s moeten bevatten. Deze elementen staan opgesomd in het eerste lid. Er moet onder andere rekening gehouden worden met vastgesteld overheidsbeleid bij het opstellen van scenario’s. Dit geldt zowel voor gemeentelijk- en provinciaal beleid, als nationaal beleid. Voorts bevat het tweede lid van dit artikel een verplichting om relevante betrokkenen bij de totstandkoming van de scenario’s betrekken op verschillende momenten in het proces van totstandkoming van de scenario’s. Ter afronding van dit proces moeten de scenario’s, nadat de inbreng van de diverse betrokkenen is verwerkt, ook openbaar worden gemaakt. Daarin dienen ook de belangrijkste gebruikte bronnen en aannames te zijn opgenomen. Dat is geregeld in het derde lid.

Ten opzichte van de regeling onder Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is expliciet gemaakt dat systeembeheerders ten minste relevante overheidsinstanties en organisaties van betrokken marktdeelnemers, netgebruikers, balanceringsverantwoordelijken en aangeslotenen betrekken bij de totstandkoming van de scenario’s. Dit moet ervoor zorgen dat de scenario’s niet alleen worden opgesteld vanuit het perspectief en de kennis van systeembeheerders, maar ook gebruik wordt gemaakt van het perspectief en de kennis van partijen die vaak specifieke kennis hebben over de verwachtte ontwikkelingen op het gebied van energie in hun sector of gemeente of provincie. In dit artikel is ook geregeld dat de scenario’s na afronding worden gepubliceerd zodat voor de lezer en de ACM transparant is wat hoe de inbreng is verwerkt en op basis van welke aannames en bronnen de scenario’s zijn opgesteld.

Artikel 3.4 knelpuntenanalyse

Dit artikel bevat in het eerste lid de verplichting voor een transmissie- of distributiesysteembeheerder om in het investeringsplan ook een analyse op te nemen van de knelpunten voor het beheer en de ontwikkeling van zijn systeem. Zo’n knelpuntenanalyse wordt mede aan de hand van het kwaliteitsplan en de scenario’s opgesteld. De knelpuntenanalyse heeft een zichttermijn van vijftien jaren en moet een aantal nader gespecificeerde elementen bevatten. Dat is opgenomen in het tweede lid.

Het doel van de knelpuntenanalyse is het inzichtelijk maken van waar, wanneer en waardoor in het systeem een knelpunt ontstaat. Dit kunnen knelpunten zijn die betrekking hebben op de capaciteit of de kwaliteit van het systeem. De scenario’s en het kwaliteitsplan zijn hierbij de belangrijkste bronnen. In het investeringsplan moet toegelicht worden wat het verband is tussen het knelpunt en de scenario’s en/of het kwaliteitsplan. Dit moet voldoende navolgbaar zijn. Het overzicht van knelpunten biedt de systeembeheerders inzicht in waar in het systeem risico’s ontstaan voor een goede invulling van hun beheer- en ontwikkeltaak. In de knelpuntenanalyse wordt ook onderbouwd hoe knelpunten ten opzichte van elkaar worden geprioriteerd. Samen met de scenario’s en het kwaliteitsplan vormt de knelpuntenanalyse de belangrijkste input voor de investeringen in het investeringsplan.

Artikel 3.5 voorgenomen investeringen en voorgenomen inkoop congestie- en systeembeheersdiensten ter voorkoming of overbrugging van investeringen

Dit artikel specificeert nader wat er in het investeringsplan moet worden opgenomen over de uitbreidings- en vervangingsinvesteringen en de inkoop en congestie- en systeembeheersdiensten ter voorkoming of overbrugging van verzwaring van het systeem, die de systeembeheerder voornemens is in de eerstkomende vijf jaren te plannen (zie artikel 3.24, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, van het besluit). Dit betreft ten eerste een onderbouwing van de noodzaak en een raming van de kosten per jaar. Het tweede lid bepaalt voorts dat de onderbouwing van de noodzaak voor bepaalde voorgenomen investeringen in ieder geval een alternatievenanalyse moet omvatten. Die investeringen zijn aangeduid in de onderdelen a tot en met d van het tweede lid. Indien ten aanzien van een voorgenomen investering in een voorgaand investeringsplan al een alternatievenanalyse is opgenomen hoeft dit niet opnieuw. Het derde lid bepaalt nader wat in een alternatievenanalyse moet omvatten. In ieder geval moeten de verschillende alternatieven, waaronder het alternatief zonder dat de investering niet wordt gedaan (nul-alternatief), worden beschreven en onderbouwd. Daarnaast moet een inschatting worden gegeven van de effecten van de verschillende alternatieven en moet een onderbouwing worden gegeven voor het gekozen alternatief. De alternatievenanalyse heeft als doel dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder inzicht geeft in de overwogen alternatieven en aan de hand van deze alternatieven de gekozen investering onderbouwt. Hierbij is expliciet het nul-alternatief opgenomen omdat dit duidelijk maakt wat de gevolgen zijn van niet investeren

Artikel 3.6 investeringen gepland in de eerstkomende vijf jaren

Dit artikel specificeert wat in het investeringsplan moet worden opgenomen ten aanzien van uitbreidings- of vervangingsinvesteringen die voor de eerstkomende vijf jaren zijn gepland en in uitvoering zijn of worden gerealiseerd. Van de investeringen die in de eerstkomende vijf jaren zijn gepland wordt verwacht dat hier meer gedetailleerde en kwantitatieve informatie over bekend is. Deze informatie is relevant voor de ACM om de investeringsplannen goed te kunnen toetsen en voor de lezer om inzicht te krijgen in de verwachte realisatie van investeringen. Indien investeringen nog moeten worden aanbesteed hoeft geen inzicht te worden gegeven in de kostenramingen voor de voorbereiding en realisatie aangezien dit verstorend kan zijn voor het aanbestedingsproces.

Artikel 3.7 inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten ter voorkoming van verzwaring eerstkomende vijf jaren

Dit artikel specificeert wat in het investeringsplan moet worden opgenomen ten aanzien van congestie- of systeembeheersdiensten die in de eerstkomende vijf jaren worden ingekocht ter voorkoming van of overbrugging tot verzwaring van het systeem. Het artikel specificeert dat per soort in te kopen dienst inzicht moet worden geboden in hoeveel elektriciteit er naar verwachting wordt ingekocht en wat de geraamde kosten hiervan zijn. Ook als inkoop van deze congestie- of systeembeheersdiensten niet tot doel heeft om een uitbreiding te voorkomen, maar alleen ter overbrugging dient, moet deze informatie worden opgenomen.

Artikel 3.8 volgorde van uitvoering uitbreidingsinvesteringen

Dit artikel bepaalt aan welke investeringen prioriteit moet worden toegekend bij het bepalen van de volgorde van uitvoering. Er dient prioriteit te worden toegekend aan achtereenvolgens investeringen voor de aanlanding van elektriciteit uit wind op zee en investeringen uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). Dit sluit aan bij de al geldende prioritering onder het regime van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, hetgeen beleidsneutraal is overgenomen.

Artikel 3.9 periode consultatie en termijn toets ACM

Dit artikel bepaalt de termijn van de consultatie van het ontwerpinvesteringsplan (ten minste vier weken) en de toetsingstermijn voor de ACM (twaalf weken). Deze zijn gelijk aan de termijnen onder het regime van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, die beleidsneutraal zijn overgenomen.

Paragraaf 3.1.2 Verplaatsen en verkabelen delen elektriciteitssysteem
Artikel 3.10 hoogte van de bijdrage

Artikel 3.19 van het besluit, bevat bepalingen over het deel van de kosten van een project tot verplaatsing of vervanging van hoogspanningsverbindingen dat wordt betaald door de verzoeker(s). Onder meer is opgenomen welk percentage van de projectkosten voor rekening van verzoekende decentrale overheid of overheden komt. De kostenverdeling in artikel 3.19 van het besluit, is afhankelijk van het aantal inwoners van de gemeente waarin het desbetreffende deel van het systeem ligt. Het inwonertal op 1 januari van het jaar waarin het verzoek tot het doen van de voorbereidende onderzoeken (artikel 3.27, derde lid, van de wet) is ingediend, is bepalend. Om te voorkomen dat de reële omvang van de maximale bijdrage door inflatie afneemt, worden voorts de bedragen gemoeid met onderzoekskosten en uitvoeringskosten geïndexeerd.

Artikel 3.11 kosten voor onderzoek, verplaatsing of vervanging

Het deel van de kosten voor een project tot verplaatsing of vervanging dat door de verzoeker(s) wordt betaald, wordt berekend over alle kosten die de systeembeheerder maakt voor de uitvoering van het verzoek en die zijn toe te rekenen aan het project. De totale kosten voor de uitvoering van het verzoek tot verplaatsing of verkabeling bestaan uit onderzoekskosten en kosten voor de uitvoering van de verplaatsing of verkabeling.

Deze kosten bestaan in hoofdlijnen uit: ontwerpkosten, kosten voor de aanneming van werk en de levering van materialen en diensten, organisatiekosten voor het desbetreffende project, zoals personeelskosten, kosten in verband met de vestiging van zakelijke rechten, het verwijderen van resterende onderdelen van het net en herstel van terreinen waar verplaatsing of vervanging heeft plaats gevonden.

In het tweede lid, onderdeel d, is opgenomen dat de kosten voor de verwerving van een onroerende zaak en de kosten die samenhangen met de vestiging van een beperkt recht op een onroerende zaak worden aangemerkt als projectkosten. Bij verkabeling of verplaatsing van een hoogspanningstracé is het uitgangspunt dat de systeembeheerder zijn huidige rechtspositie behoudt. Daartoe zal hij voor de aanleg van het nieuwe tracégedeelte in een beperkt aantal gevallen gronden willen verwerven, bijvoorbeeld voor stations en locaties waar een ondergrondse hoogspanningsverbinding overgaat in een bovengrondse verbinding (opstijgpunten). In de praktijk sluit de systeembeheerder voornamelijk zakelijk recht overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarin een kabel komt te liggen dan wel waarop een verplaatste hoogspanningslijn komt te staan. Onder kosten die samenhangen met de vestiging van een beperkt recht op een onroerende zaak vallen zowel zakelijk recht overeenkomsten als gedoogbeschikkingen.

In het derde lid is bepaald dat bepaalde opbrengsten of vermeden kosten in mindering worden gebracht op de projectkosten en daarmee op de decentrale overheidsbijdrage. In onderdeel a is opgenomen dat reeds geplande investeringen in het te vervangen of te verkabelen deel van de hoogspanningslijn van de projectkosten worden afgetrokken. Dit is het geval indien in het investeringsplan van de systeembeheerder als bedoeld in artikel 3.34 van de wet werkzaamheden aan het desbetreffende hoogspanningsdeel zijn aangekondigd. Het kan zowel gaan om vervangingsinvesteringen als om uitbreidingsinvesteringen. De systeembeheerder dient in dat geval een berekening te maken van de extra kosten die het verzoek van de indiener(s) met zich meebrengt, in vergelijking met de voorziene investering. De in artikel 3.20 van het besluit bedoelde bijdrage wordt dan berekend over de meerkosten voor de verplaatsing of verkabeling ten opzichte van het reeds geplande werk. Verder is het mogelijk dat er onroerende zaken, in eigendom bij de systeembeheerder, vrijkomen door de aanleg van het nieuwe tracégedeelte. Soms kunnen deze onroerende zaken worden verkocht of worden kosten vermeden. De opbrengsten of vermeden kosten die zijn toe te rekenen tot het project, worden ingevolge het derde lid, onderdeel b, in mindering gebracht op de projectkosten. Opbrengsten van onroerende zaken die niet zijn verkocht binnen de looptijd van het project, maar die wel worden verwacht, worden verrekend op basis van markttaxatie. Om de projectkosten goed af te bakenen is in het vierde lid ook aangegeven welke kosten hier niet onder vallen. Kosten die gemeenten of provincies zelf maken vallen niet onder de projectkosten die voortvloeien uit een verzoek tot het doen van onderzoek of tot verkabeling of verplaatsing van een tracédeel. Te denken valt aan kosten voor het opstellen van besluiten, het organiseren van bewonersbijeenkomsten en het voeren van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures.

Afdeling 3.2 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake aansluiten en transporteren
Artikel 3.12 procedure afsluiten kleine aansluiting bij beëindiging leveringsovereenkomst wegens betalingsachterstanden

Het is mogelijk dat een eindafnemer met een kleine aansluiting de energierekening niet meer kan betalen en dat de vergunninghouder zich genoodzaakt voelt de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel met de eindafnemer te beëindigen, ondanks het volgen van alle procedurele vereisten uit artikel 2.26 die als doel hebben om dit te voorkomen. Nadat de vergunninghouder de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel heeft beëindigd, dient de distributiesysteembeheerder over te gaan tot het buiten werking stellen van de aansluiting van deze aangeslotene of een aan zijn aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt waarop de levering plaatsvindt. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 3.29, eerste lid, van het Energiebesluit.

Dit artikel bevat de procedure die de distributiesysteembeheerder dient te doorlopen alvorens hij overgaat tot het buiten werking stellen van de aansluiting of een aan de aansluiting toegekend additioneel allocatiepunt. Deze procedure is erop ingericht om de aangeslotene te informeren over de situatie, de gevolgen hiervan en hoe hij dit kan voorkomen. Hiertoe moet de distributiesysteembeheerder de aangeslotene zo snel mogelijk na het ontvangen van een melding dat de levering op een kleine aansluiting of een daaraan toegekend additioneel allocatiepunt zal worden beëindigd informeren over:

  • a. dat de aansluiting of het additionele allocatiepunt op korte termijn buiten werking zal worden gesteld;

  • b. de kosten voor het buiten werking stellen en voor het weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt;

  • c. dat de aansluiting of het additionele allocatiepunt niet buiten werking zal worden gesteld indien de aangeslotene valt onder een van de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel 2.46, dat wil zeggen indien hij:

    • een betalingsregeling treft met de leverancier;

    • verzoekt om schuldhulpverlening of de vordering van de leverancier wordt betrokken bij een traject tot schuldhulpverlening; of

    • een verklaring van een arts kan overleggen dat er zeer ernstige gezondheidsrisico's dreigen bij afsluiten.

Naast het verstrekken van deze informatie dient de distributiesysteembeheerder zich voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor het buiten werking stellen van de aansluiting of een daaraan toegekend additioneel allocatiepunt ervan te vergewissen dat geen melding van hervatting van de levering of van een nieuwe leverancier op de aansluiting is ontvangen en zich maximaal inspannen om de aangeslotene in een persoonlijk contact te wijzen op de mogelijkheden om het buiten werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt én de hieraan verbonden kosten alsnog te voorkomen. Dit zal uiterlijk plaatsvinden als de distributiesysteembeheerder langsgaat bij de aangeslotene om de aansluiting of een daaraan toegekend additionele allocatiepunt buiten werking te stellen. Als de aansluiting of het additionele allocatiepunt buiten werking is gesteld biedt de distributiesysteembeheerder aan om met hem in contact te treden om een redelijke en passende betalingsregeling te treffen voor de eenmalige kosten die de distributiesysteembeheerder rekent voor het buiten werking of weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt. Indien de betaling uitblijft geldt dat de distributiesysteembeheerder zich maximaal inspant om in persoonlijk contact te treden met de aangeslotene om deze te wijzen op de mogelijkheden om een betalingsregeling te treffen of zich te wenden tot schuldhulpverlening. In het kader van het toezicht door de ACM zal de distributiesysteembeheerder zo nodig aan de ACM aan moeten kunnen aantonen dat aan de voorschriften uit de van toepassing zijnde regeling is voldaan.

Tot slot dient de distributiesysteembeheerder de aansluiting of het daaraan toegekende additionele allocatiepunt zo spoedig mogelijk weer te herstellen als de vergunninghouder de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel hervat op grond van het bepaalde in artikel 2.47 of indien er een nieuwe leverancier bekend is op de aansluiting of het daaraan toegekende additionele allocatiepunt. Indien de overeenkomst wordt hervat doordat de aangeslotene zich wendt tot een instantie voor schuldhulpverlening is voor het herstellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt ook benodigd dat de eenmalige vorderingen van de distributiesysteembeheerder betrokken worden bij het traject van schuldhulpverlening. Als de overeenkomst wordt hervat doordat er sprake is van ernstige gezondheidsrisico’s voor de eindafnemer of diens huisgenoten door het beëindigen van de leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wordt de aansluiting altijd weer hersteld.

Artikel 3.13 procedure afsluiten buiten beëindiging leveringsovereenkomst of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wegens betalingsachterstand

In de gevallen waarop artikel 3.12 niet van toepassing is, en dus de overige situaties als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van het Energiebesluit, volgt de transmissie- of distributiesysteembeheerder een kortere procedure. De procedure is erop ingericht om de aangeslotene te attenderen op de situatie die het buiten werking stellen van zijn aansluiting of een daaraan toegekend additioneel allocatiepunt tot gevolg zal hebben, op de kosten hiervan en van het weer in werking stellen van de aansluiting of het additionele allocatiepunt en hoe de aangeslotene dit kan voorkomen. Het is mogelijk dat de aansluiting of een daaraan toegekend additioneel allocatiepunt op verzoek van de aangeslotene buiten werking wordt gesteld. In dit geval zal het voor de aangeslotene alleen relevant zijn om te weten wat de kosten hiervan zijn. Het is echter ook mogelijk dat een situatie uit artikel 3.29, eerste lid, van het Energiebesluit, zich voordoet zonder dat de aangeslotene hier weet van heeft. Met name voor die situaties is de procedure van belang. In dit geval kan de aangeslotene door de berichtgeving van de transmissie- of distributiesysteembeheerder en op basis van de informatie die deze verstrekt ongewenste afsluiting van elektriciteit en/of gas voorkomen. De transmissie- of distributiesysteembeheerder verstuurt het bericht met de vereiste informatie hierom zo spoedig mogelijk.

Artikel 3.14 melding besluiten college van burgemeester en wethouders en register ACM

De ACM heeft op grond van de wet de verplichting om een register bij te houden, waarin de gebieden zijn opgenomen waar een bijzonder regime geldt ten aanzien van aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem voor gas. Mede als gevolg van de Wet voortgang energietransitie kunnen voor verschillende gebieden verschillende regimes gelden. Op de hoofdregel uit de wet dat nieuwbouw niet meer op het transmissie- of distributiesysteem voor gas wordt aangesloten (kleine aansluitingen), kan op lokaal niveau door een college van burgemeester wethouders (college van B&W) een uitzondering worden gemaakt. In dat geval wordt in die gebieden nieuwbouw toch aangesloten (kleine aansluitingen). Daarnaast kan een college van B&W gebieden aanwijzen waar een warmtenet of andere energie-infrastructuur aanwezig is of wordt gepland dat kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte. In deze gebieden realiseert de DSB of TSB voor gas ook geen kleine aansluitingen voor verbruik van gas. Tot slot zijn er gebieden waar een DSB of TSB voor gas niet op economische voorwaarden een distributie- of transmissiesysteem voor gas in werking kan hebben, onderhouden of ontwikkelen. In deze gebieden realiseert de DSB of TSB geen aansluitingen. In het register worden aldus de volgende gebieden opgenomen waar juist wel, of juist niet een aansluitplicht geldt voor een DSB of TSB voor gas:

  • 1. Gebieden die op grond van artikel 3.40, derde lid, onderdeel a, van de wet, door een college van B&W zijn aangewezen, waardoor nieuwbouw alsnog een kleine gasaansluiting krijgt vanwege zwaarwegende redenen van algemeen belang;

  • 2. Gebieden die op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de wet, door een college van B&W zijn aangewezen als gebied waar zich een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, of een andere energie-infrastructuur bevindt of gaat bevinden die kan voorzien in de verwachte warmtebehoefte en waar geen kleine gasaansluitingen voor verbruik worden gerealiseerd;

  • 3. Gebieden die voor 1 juli 2018 waren uitgezonderd omdat zich daar een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Warmtewet bevond of ging bevinden en waar geen kleine gasaansluitingen voor verbruik worden gerealiseerd.

Het register uit de wet is een belangrijk instrument om te kunnen controleren of er in een bepaald gebied een aansluitplicht geldt voor de DSB of TSB voor gas. Voor een juiste registratie is het nodig dat het college van B&W specifieke informatie aanlevert. Om ervoor te zorgen dat de informatie in het register uniform is, zal de ACM voor gemeenten een formulier vaststellen. Daarnaast is het van belang dat de gemeentelijke informatie tijdig aan de ACM wordt gestuurd. Daarom wordt in deze regeling de verplichting opgenomen voor een gemeente om de door hen genomen besluiten binnen 10 werkdagen aan de ACM toe te sturen. De ACM zal na ontvangst de gegevens binnen vijf werkdagen op haar website plaatsen. Indien een besluit van een college van B&W wordt gewijzigd, ingetrokken of vernietigd, dient het college dit ook aan de ACM te melden.

Om de grenzen van de verschillende typen gebieden aan te kunnen duiden is het noodzakelijk om postcode (indien noodzakelijk met huisnummer) of kadastrale gegevens te gebruiken voor opname in het register. De locatiegegevens in het register zijn persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, die betrekking hebben op de ingezetenen van de betreffende gemeente in het aangewezen gebied. Gemeenten verstrekken de gegevens aan de ACM ten behoeve van verwerking door de ACM in het register. Deze verwerkingen zijn noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het register.

In het register kan worden opgezocht welk aansluitregime geldt op een bepaalde locatie. Het inzichtelijk maken van het aansluitregime is in de eerste plaats een belangrijk instrument voor TSB’s en DSB’s voor gas om eenvoudig te achterhalen waar zij de wettelijke taak hebben om aansluitingen te verzorgen op het transmissie- of distributiesysteem voor gas en waar niet. Daarnaast is het voor partijen op de woningmarkt, zoals projectontwikkelaars, woningeigenaren, kopers en woningzoekenden zeer relevant om te weten of op een bepaalde locatie aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem voor gas mogelijk is of niet. Zij hebben deze informatie nodig om hun handelen op af te stemmen. Het register is om die reden in beginsel toegankelijk voor eenieder. Bij de vaststelling van het formulier door ACM en de operationalisering van het register kunnen echter nog keuzes worden gemaakt waarbij telkens de, vanuit het oogpunt van privacy, minst nadelige wijze van gegevensverwerking en openbaarmaking moet worden gekozen. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een zoekfunctie met invoering van een bepaalde postcode, in plaats van publicatie van alle postcodes.

Een college van B&W is verantwoordelijk voor de tijdige en correcte aanlevering van de gegevens aan de ACM. De TSB of DSB voor gas gaat voor de vraag of een specifiek adres moet worden voorzien van een aansluiting in beginsel uit van de juistheid van het register op het moment dat de aanvraag binnenkomt bij de TSB of DSB voor gas. Mocht er onverhoopt een besluit (nog) niet zijn verwerkt in het register, is het betreffende rechtsgeldige besluit bepalend bij de vraag of de TSB of DSB het gebouw dient te voorzien van een aansluiting of niet.

Artikel 3.15 details gebiedsindelingscode gas

Op grond van artikel 3.37, eerste lid van de wet, stelt de ACM voor iedere TSB en DSB een gebied vast waarbinnen de desbetreffende systeembeheerder zijn taak uitvoert om op verzoek aansluitingen op zijn systeem te realiseren. Dit besluit tot vaststelling komt in de plaats van de op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, door de ACM vastgestelde Codebesluiten Gebiedsindelingscode Elektriciteit, onderscheidenlijk Gebiedsindelingscode Gas. Gebieden waarin geen gasaansluitingen hoeven te worden gerealiseerd worden aangewezen op grond van artikel 3.40, derde lid, onderdeel c, van de Energiewet en artikel 3.27 van het Energiebesluit.

In artikel 3.27 van het Energiebesluit is de bestaande zogenaamde ‘gebiedsindeling’ voor het realiseren van kleine aansluitingen voor gas buiten de bebouwde kom opgenomen. De inhoud van de regeling is overgenomen uit het Codebesluit gebiedsindelingscode gas van de ACM. De gebiedsindeling heeft in de praktijk de vorm van een formule. De formule geeft DSB’s voor gas duidelijkheid over de vraag wanneer zij aansluitverzoeken voor kleine aansluitingen buiten de bebouwde kom moeten accommoderen. Hier is een DSB alleen toe verplicht wanneer de daarvoor noodzakelijke uitbreidingsinvesteringen (equivalente uitbreiding) niet groter is dan de maatstaf die volgt uit berekening van de ‘acceptabele uitbreiding’. Die ‘acceptabele uitbreiding’ wordt vastgesteld op basis van criteria die met name zijn vastgelegd artikel 3.27 van het Energiebesluit. Op enkele punten is invulling van deze criteria doorgedelegeerd naar deze ministeriële regeling. Specifiek betreft het de wijze waarop de correctie van de grootte van de ‘equivalente uitbreiding’ moet worden gecorrigeerd naar aanleiding van het type terrein dat doorkruist wordt met de leiding en wanneer er noodzaak is om extra reduceerstations te plaatsen.

Artikel 3.16 invoed- en afleverspecificaties gas

Op grond van dit artikel moet de gaskwaliteit voldoen aan in de als bijlage opgenomen waarden. Hierbij zijn de kwaliteitsregels onder de voormalige Regeling Gaskwaliteit, zoals deze onder de voormalige Gaswet gold, beleidsneutraal overgezet.

Afdeling 3.3 Taken transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake balanceren

Deze afdeling betreft de taken die de DSB’s voor elektriciteit en gas moeten uitvoeren ten behoeve van de balancering. In hoofdstuk 2 van de algemene toelichting (onderdeel 13) is reeds meer context hierover gegeven.

Artikel 3.17 faciliteren van de distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bij de administratieve afhandeling van de balancering

Artikel 3.17 gaat over de wijze waarop de DSB de energievolumes bepaalt voor de verschillende aangeslotenen en hoe hij deze volumes al dan niet geaggregeerd per balanceringsverantwoordelijke doorgeeft aan de TSB ten behoeve van de administratieve afhandeling van de balancering. Binnen de sector wordt dit aangeduid als allocatie en reconciliatie:

  • Bij de allocatie gaat het om de vaststelling door de DSB van de energievolumes die ten behoeve van de balancering van het systeem aan de verschillende balanceringsverantwoordelijken kan worden toegerekend.

  • Bij reconciliatie gaat het om de verrekening (over een bepaalde periode, meestal een maand) op basis van het verschil tussen het ten behoeve van balanceringsverantwoordelijkheid vastgestelde volume (de allocatie) en het (achteraf) vastgestelde werkelijke volume tegen een gewogen marktprijs per MWh. Reconciliatie is nodig omdat er sprake kan zijn van ontbrekende of foutieve meetgegevens in de allocatie, bijvoorbeeld omdat er meetinrichtingen zijn die niet op afstand uitleesbaar zijn en waarvan de toerekening in de allocatie is gebaseerd op schattingen en door de reconciliatie verrekend worden met uiteindelijk vastgestelde energievolumes.

In de Netcode Elektriciteit zijn de balanceringsvoorwaarden nader uitgewerkt. De bepalingen ten behoeve van de allocatie en reconciliatie van elektriciteit zijn (op dit moment) opgenomen in de artikelen 10.17 tot en met art. 10.31 van de Netcode.

Eerste lid

De wijze waarop meetgegevens ten behoeve van de allocatie voor ieder individueel allocatiepunt wordt bepaald, is afhankelijk van de allocatiemethode. De allocatiemethode kan ‘telemetrie’, ‘slimmemeterallocatie’ of ‘profielallocatie’ betreffen (zie Netcode Elektriciteit art 10.17). De allocatiemethode wordt vastgelegd in het aansluitingenregister.

Tweede en derde lid

De handelingen van de DSB voor het alloceren van elektriciteit zijn beschreven in het tweede lid. Onderdeel a gaat over het toewijzen van energievolumes bij kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit administratief is ingeschakeld. Onderdeel b ziet op het toewijzen van energievolumes wanneer dit niet het geval is. Wanneer profielallocatie van toepassing is, betreft dit een berekening die gebruik maakt van onder andere standaardjaarafname en -invoeding van een allocatiepunt en de bijbehorende profielfracties. Voor onbemeten aansluitingen geldt dat volumes worden bepaald op basis van technische informatie. Voor kleine aansluitingen worden de energievolumes geaggregeerd per balanceringsverantwoordelijke doorgegeven aan de TSB voor elektriciteit. Deze volumes zijn dus niet te herleiden tot individuele huishoudens of micro ondernemingen.

De onderdelen c en d beschrijven de toewijzing van volumes door de DSB voor grote aansluitingen waarbij meetgegevens en energievolumes worden verstrekt door de meetverantwoordelijke (art 4.11 Energiewet) en bij ontbrekende of niet plausibele meetgegevens zo nodig worden berekend door de DSB. Voor grote aansluitingen worden de energievolumes voor allocatiepunten met de allocatiemethode telemetrie met een opgesteld productievermogen van meer dan 10 MW niet geaggregeerd aan de transmissiesysteembeheerder verstrekt.

Vierde en vijfde lid

De handelingen van de DSB voor de reconciliatie van elektriciteit zijn beschreven in het vierde lid. Voor bemeten allocatiepunten wordt periodiek of bij de overgang naar een andere leverancier, een marktdeelnemer die invoeding aggregeert of een balanceringsverantwoordelijke, de energievolumes vastgesteld. De periodiciteit voor het vaststellen van meterstanden is in het geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting maandelijks en voor een niet op afstand uitleesbare meetinrichting minimaal één keer per jaar.

Zesde lid

Ten behoeve van het bepalen van dynamische profielfracties maakt de distributiesysteembeheerder gebruik van meetgegevens en energievolumes van allocatiepunten van kleine aansluitingen met een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt. De regels voor de methode en het bepalen van dynamische profielfracties zijn vastgelegd in het afsprakenstelsel (artikel 4.25 van de Energiewet). Het verstrekken van profielfracties is onderdeel van een aparte regeling onder de Energiewet. Profielfracties worden ook gebruikt in andere systeemprocessen zoals het berekenen van meterstanden.

Artikel 3.18 faciliteren van de distributiesysteembeheerder voor gas bij de administratieve afhandeling van de balancering

Ook bij gas geldt een systeem van allocatie en reconciliatie voor de toerekening en verrekening van de kosten van het in balans houden van het gassysteem. Een belangrijk verschil met elektriciteit is dat het gassysteem wordt gebalanceerd op basis van systeem van uurlijkse gegevens over afname van en invoeding op het systeem. Dit wordt het stuursignaal gas genoemd. Een ander verschil is dat energetische waarde van gas kan verschillen. Bij gas wordt daarom gekeken naar de calorische waarde van het gebruikte gas. De gecorrigeerde volumes worden de energetische hoeveelheden genoemd en deze berekende energetische hoeveelheden worden, in de meeste gevallen geaggregeerd per balanceringsverantwoordelijke, door de DSB’s doorgegeven aan de TSB voor gas. De balanceringsvoorwaarden voor gas zijn nader uitgewerkt in de door de ACM goedgekeurde Allocatiecode gas.

Eerste en tweede lid

Het stuursignaal (gas) is het systeem dat de TSB voor gas gebruikt om de balans in het landelijk gastransportnet te bewaken en de aangesloten en balanceringsverantwoordelijken hierover te informeren. Het wordt ook wel ‘near-real-time allocatie’ genoemd. De ‘near-real-time allocatie’ wordt gebruikt voor de directe balancering van het systeem.

De gegevens die worden verstrekt ten behoeve van het stuursignaal voor gas zijn afhankelijk van de aansluitingcategorie van de aangeslotene. In het verleden werd dit ook wel de afnamecategorie genoemd, maar omdat er ook sprake kan zijn van invoeding wordt nu de term aansluitingcategorie gebruikt. De aansluitingcategorie is bepalend voor hoe er bij gas wordt gealloceerd. Op dit moment worden de volgende aansluitingcategorieën onderscheiden. Voor profielafnemers: G1A, G2A en G2C, voor grootverbruikers met een dagelijks uitleesbare meter: GXX en GIN en voor grootverbruikers met een meter die elk uur uitgelezen kan worden: GGV en GIS. De aansluitingcategorie is vastgelegd in het aansluitingenregister.

Derde en vierde lid

Een belangrijk verschil met elektriciteit is dat de energetische waarde van gas kan verschillen. Bij gas wordt daarom gekeken naar de calorische waarde van het gebruikte gas. De calorische waarde is de hoeveelheid energie die uit een kubieke meter gas kan worden gehaald. Voor de bepaling van de calorische waarde wordt de gassamenstelling met behulp van een gaschromatograaf op representatieve punten in het transportsysteem van de TSB voor gas bepaald. De DSB gebruikt deze informatie samen met meetgegevens van aansluitingen die gas invoeden in het systeemgebied voor de bepaling van de calorische waarden. De calorische waarden worden bepaald per systeemgebied. Deze systeemgebieden zijn gebaseerd op de oude netgebieden van energiebedrijven die zijn opgegaan in de huidige systeembeheerders voor gas. Ten behoeve van de omzetting van volumes naar energetische hoeveelheden, bepaalt de distributiesysteembeheerder de calorische waarden en maakt de waarden openbaar. Na de afloop van een maand worden ook de maandgemiddelde calorische omrekenfactoren berekend en openbaar gemaakt.

Vijfde en zesde lid

De DSB verzamelt de meetgegevens en bepaalt de energetische hoeveelheden voor de toerekening aan de balanceringsverantwoordelijke partijen. Dit wordt ook wel de ‘offline allocatie’ genoemd, om deze toewijzing te onderscheiden van het stuursignaal dat gebruikt wordt voor de directe balancering van het gassysteem. De gegevens worden bepaald per onbalansverrekeningsperiode (voor gas is dit per uur). De energetische hoeveelheden worden berekend op basis van de meetgegevens en de geldende calorische waarden en worden in de meeste gevallen geaggregeerd per balanceringsverantwoordelijke verstrekt aan de TSB voor gas.

Zevende en achtste lid

De handelingen van de DSB voor de reconciliatie van gas zijn beschreven in het zevende en achtste lid. In de reconciliatie vindt de verrekening over een bepaalde periode plaats op basis van het verschil tussen de ten behoeve van allocatie doorgegeven hoeveelheid en de (achteraf)vastgestelde werkelijke hoeveelheid gas tegen een gewogen marktprijs. Voor bemeten allocatiepunten wordt periodiek of bij een verandering van leverancier of balanceringsverantwoordelijke, de meetgegevens en energetische hoeveelheden vastgesteld. De periodiciteit voor het vaststellen van meterstanden is in het geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting maandelijks en voor een niet op afstand uitleesbare meetinrichting minimaal één keer per jaar. De gegevens worden verstrekt aan de TSB voor gas.

Afdeling 3.4 Bescherming vitale processen transmissie- en distributiesysteembeheerder

Deze afdeling is gereserveerd.

Afdeling 3.5 Bijzondere taken transmissiesysteembeheerder voor gas
Artikel 3.22 datum overzicht leveringszekerheid van gas

Dit artikel regelt dat de transmissiesysteembeheerder voor gas het jaarlijkse overzicht van de leveringszekerheid van gas, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, uiterlijk 15 september aan de minister aanbiedt. Deze datum stelt de minister in staat om per 1 oktober te bepalen tot welk niveau de opslagen gevuld dienen te zijn per 1 november van het volgende jaar. Dit geeft marktpartijen afdoende tijd de daarvoor noodzakelijke acties te nemen en de minister om bij onverhoopt te beperkte actie van de marktpartijen, andere op het vullen gerichte maatregelen in overweging te nemen. Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Gaswet, die op 1 januari 2026 is komen te vervallen.

Artikel 3.23 inhoud overzicht leveringszekerheid van gas

In dit artikel worden nadere regels gesteld over het overzicht van de leveringszekerheid van gas, bedoeld in artikel 3.66 van de wet, dat de transmissiesysteembeheerder voor gas jaarlijks aan de minister aanbiedt. Dit artikel betreft een beleidsneutrale omzetting van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Gaswet, die op 1 januari 2026 is komen te vervallen.

Afdeling 3.6 Verplichtingen transmissie- en distributiesysteembeheerder inzake kwaliteitsborging, calamiteiten en voorvallen

Ten opzichte van artikel 1.1 van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas (Rikeg) zijn er verschillende wijzigingen in de gehanteerde begripsbepalingen. Een aantal begripsbepalingen van de Rikeg zijn niet overgenomen, omdat het mogelijk was om die begrippen te verwerken in de inhoudelijke artikelen. Het betreft hier bijvoorbeeld de begripsbepaling voorziene onderbreking, die inhoudelijk terugkomt in artikel 3.28, tweede lid, en artikel 3.32, vierde lid. Dit draagt bij aan de overzichtelijkheid van de regeling.

De Rikeg bevatte een begripsbepaling storing. In de onderhavige regeling is dit aangepast naar acute systeemstoring. Hiermee is voorkomen dat aan de term storing een van het normale spraakgebruik afwijkende betekenis wordt gegeven.

Het woord bedrijfsmiddelenregister werd reeds in de Rikeg gehanteerd, maar was daar niet als begripsbepaling opgenomen. Aangezien bedrijfsmiddelenregister geen term is die in het algemeen spraakgebruik wordt gehanteerd, is ervoor gekozen alsnog een begripsbepaling op te nemen. Voor deze begripsbepaling is aansluiting gezocht bij de begripsbepaling distributiesysteem en transmissiesysteem in de Energiewet. In deze begrippen wordt gesproken over ‘het stelsel van leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen’, waar het begrip bedrijfsmiddelenregister nu op aansluit. Waar artikel 3.7 van de voormalige Rikeg sprak over ‘een overzicht van alle verbindingen, leidingen en hulpmiddelen’ is daarom het woord ‘verbinding’ nu weggelaten, zonder dat hiermee enig bijzonder materieel effect is beoogd qua reikwijdte van het bedrijfsmiddelenregister.

Artikel 3.24 kwaliteitsborgingssysteem en artikel 3.25 voorwaardenscheppende, ondersteunende, controlerende en evaluerende processen

De artikelen 3.24 en 3.25 zijn gedeeltelijk een inhoudelijke voortzetting van artikel 3.1, eerste lid, onderdelen c tot en met e, van het Bikeg en de artikelen 3.6 en 3.9 van de Rikeg. Artikel 3.24 eerste lid, regelt uit welke processen, plannen en procedures het kwaliteitsborgingssysteem moet bestaan. Behalve voorwaardenscheppende, ondersteunende en controlerende processen, plannen en procedures zijn ook evaluerende processen onderdeel geworden om het nagestreefde kwaliteitsniveau te bereiken en de beheersing te verbeteren. Met dit geheel van samenhangende plannen, processen, procedures worden de TSB en DSB in staat gesteld om navolgbaar, systematisch en proactief regie te voeren op de kwaliteit en de doelstellingen voor ieder kwaliteitsaspect te realiseren.

Het tweede lid vereist van de TSB of DSB om de werking van het kwaliteitsborgingssysteem te monitoren en waar noodzakelijk aanpassingen te doen. Deze verplichting zorgt ervoor dat er sprake is van zelflerend vermogen van de TSB of DSB en dat regie op de te leveren kwaliteit gestimuleerd wordt. Deze monitoringsverplichting is nieuw.

Het derde lid bevat de verplichting voor de TSB of DSB om de doeltreffendheid van het kwaliteitsborgingssysteem ten minste iedere zes jaar te evalueren en te wijzigen, indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 3.25 regelt in meer detail welke processen een kwaliteitsborgingssysteem ten minste moet bevatten. Dit artikel is grotendeels beleidsneutraal overgezet en komt voort uit artikel 3.6 van de Rikeg.

Artikel 3.26 inhoud bedrijfsmiddelenregister

Voor een goede waarborging van de nagestreefde kwaliteit moet een systeembeheerder op de hoogte zijn van de toestand van zijn systeem, bijvoorbeeld om te kunnen vaststellen welk onderhoud er nodig is. Het bedrijfsmiddelenregister kan daar inzicht in geven. Artikel 3.26 is een beleidsneutrale voortzetting van artikel 3.7, tweede en derde lid, van de Rikeg. In artikel 3.26, eerste lid, is geregeld wat een TSB of DSB voor gas moet vermelden in het bedrijfsmiddelenregister; in het tweede lid is geregeld wat een TSB of DSB voor elektriciteit moet vermelden in het bedrijfsmiddelenregister.

In het eerste lid komt in verschillende onderdelen de term knelpunt terug. Via de begripsbepaling knelpunt is nader geregeld welke knelpunten de TSB of DSB moet vermelden.

Artikel 3.27 inhoud van het kwaliteitsplan

In artikel 3.32, tweede lid, van het Energiebesluit is op hoofdlijnen vastgelegd welke onderdelen een kwaliteitsplan ten minste moet bevatten. Artikel 3.27, eerste lid, specificeert welke zaken een TSB of DSB in het kwaliteitsplan dient op te nemen bij het beschrijven van die onderdelen. Hierbij geldt dat de volgorde van de onderdelen moet worden gevolgd in het kwaliteitsplan. Dit bevordert de onderlinge vergelijkbaarheid van de kwaliteitsplannen voor de toezichthouders. Het kwaliteitsplan biedt, in samenhang met het kwaliteitsborgingssysteem, transparantie over hoe een TSB of DSB de kwaliteit in de praktijk waarborgt. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de regels over het kwaliteitsplan en kan zo nodig handhavend optreden. Voor wat betreft de knelpunten is een onderscheid gemaakt in organisatorische knelpunten en fysieke knelpunten. Organisatorische knelpunten behelzen knelpunten die worden veroorzaakt door de handelwijze van de factor mens, het hebben en naleven van de procedures en het functioneren van de organisatie. Fysieke knelpunten zijn knelpunten met betrekking tot een bedrijfsmiddel of een groep van bedrijfsmiddelen die worden geïdentificeerd vanuit het kwaliteitsborgingssysteem van de TSB of DSB.

Artikel 3.27, tweede en derde lid, zijn grotendeels een voortzetting van artikel 3.1, vierde en vijfde lid, van de Rikeg. Ten opzichte van de Rikeg is niet langer vereist dat de TSB of DSB aangeeft op welk proces een ‘eigen’ kritische prestatie-indicator betrekking heeft en waarom de ‘eigen’ kritische prestatie-indicator een juist beeld geeft van het relevante kwaliteitsaspect.

Artikel 3.28 kritische prestatie-indicatoren elektriciteit en artikel 3.29 kritische prestatie-indicatoren gas

De artikelen 3.28 en 3.29 zijn grotendeels een beleidsneutrale voortzetting van de artikelen 3.3, 3.4, 3.5 en 3.8 van de Rikeg en vormen een nadere uitwerking van artikel 3.32, tweede lid, onderdeel h, van het Energiebesluit. De kritische prestatie-indicatoren geven inzicht in de beheersing van de belangrijkste beheersmaatregelen voor een kwaliteitsaspect. In deze regeling zijn de kritische prestatie-indicatoren voor elektriciteit en gas separaat weergegeven.

De kritische prestatie-indicator in artikel 3.29, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel b, komen gedeeltelijk overeen. Het tweede lid heeft echter betrekking op het kwaliteitsaspect veiligheid en het is wenselijk dat de TSB voor gas de kritische prestatie-indicator onder dat kwaliteitsaspect in het kwaliteitsplan vermeldt.

De kritische prestatie-indicator bij het kwaliteitsaspect kwaliteit van meetdata is nieuw. De reden dat kwaliteit van meetdata in brede zin onder de Energiewet – en specifiek in voorliggend artikel van de regeling – meer aandacht krijgt is dat uit de huidige praktijk blijkt dat foutieve gegevens een cascade-effect hebben, jarenlang kunnen doorwerken en de bedrijfsvoering van verschillende ketenpartijen negatief beïnvloedt. Nu de energiesector een transitie doormaakt, neemt de vraag naar hoogwaardige en hoogfrequente meetdata toe. Dit komt onder meer voort uit regels voor het activeren en beschermen van aangeslotenen en de brede ontsluiting van gegevens binnen het energiesysteem.

Waar in de Rikeg ‘afnemers’ werd geschreven, is nu steeds ‘aansluitingen’ gehanteerd. Hiermee wordt aangesloten bij de gewijzigde terminologie van de Energiewet.

Artikel 3.30 moment voorleggen ontwerpkwaliteitsplan

Artikel 3.30 regelt op welk moment een ontwerpkwaliteitsplan moet worden voorgelegd aan de minister en de ACM. De eerste maal dat het plan moet worden voorgelegd is, gelet op de formulering van het artikel, 4 januari 2027. De planning van het voorleggen van het ontwerpkwaliteitsplan aan de minister en de ACM loopt vooruit op het investeringsplan en is in samenhang met de planning van het investeringsplan bepaald.

Artikel 3.31 meldingen van voorvallen bij gassystemen en artikel 3.32 registratie en openbaarmaking van onderbrekingen en voorvallen

De artikelen 3.31 en 3.32 zijn beleidsneutrale voortzettingen van de artikelen 4.2 en 4.3 van de Rikeg. In artikel 3.31 is vastgelegd wat de TSB of DSB aan de minister meldt indien zich met betrekking tot een systeem voor gas dat bestemd is of gebruikt wordt voor het transport van gas bij een druk tot en met 16 bar een voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de mens of het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan.

In artikel 3.32 vastgelegd welke gegevens geregistreerd moeten worden op basis van de verplichting van het besluit voor TSB’s of DSB’s, TSB voor elektriciteit op zee of beheerder van een gesloten systeem om de bij hen gemelde onderbrekingen in het transport van elektriciteit of gas te registreren evenals afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit of gas en waarnemingen van gaslucht.

Artikel 3.33 calamiteitenplan

In artikel 3.37 van de Energiewet is opgenomen dat een transmissie-of distributiesysteembeheerder ten minste iedere vijf jaar een calamiteitenplan opstelt en aan de minister zendt. Dit artikel geeft aan welke informatie het calamiteitenplan in elk geval moet bevatten, ter uitwerking van de delegatiegrondslag in artikel 3.37, tweede lid, van de Energiewet. Dit artikel is beleidsneutraal overgenomen uit artikel 4.1 van de Regeling investeringsplan en kwaliteit elektriciteit en gas.

Afdeling 3.7 Procedures tarieven en methoden of voorwaarden transmissie- en distributiesysteembeheerders
Artikel 3.34 voorstel voor tarieven

Dit artikel regelt dat transmissie- en distributiesysteembeheerders jaarlijks vóór 1 oktober een voorstel voor hun tarieven indienen bij de ACM zodat de ACM vervolgens een tarievenbesluit kan nemen op grond van artikel 3.110 van de wet. Uiteraard kan de ACM daarbij, indien noodzakelijk, van het voorstel afwijken en aanpassingen doorvoeren. In het tweede lid is een voorziening opgenomen voor het geval dat een transmissie- of distributiesysteembeheerder niet binnen de daarvoor gestelde termijn een tarievenvoorstel indient. De ACM kan dan uit eigen beweging de tarieven voor de transmissie- of distributiesysteembeheerder vaststellen. Soortgelijke regels waren voorgeschreven onder de voormalige Elektriciteitswet 1998 (artikel 41b, eerste lid en artikel 41c, derde lid) en onder de voormalige Gaswet (artikel 81b, eerste lid en artikel 81c, derde lid).

Artikel 3.35 voorstel aan gezamenlijke transmissie- en distributiesysteembeheerders voor methoden of voorwaarden

Een transmissie- of distributiesysteembeheerder kan de overige transmissie- of distributiesysteembeheerders verzoeken een gezamenlijk voorstel te doen tot wijziging van de methoden of voorwaarden. Voor distributiesysteembeheerders geldt dat het verzoek van ten minste een derde van hen moet komen. De gezamenlijke transmissie- of distributiesysteembeheerders zijn gehouden, ook als zij het tot hen gerichte verzoek niet overnemen of zelfs niet behandelen, dat verzoek binnen 12 weken aan de ACM te zenden. Soortgelijke regels waren voorgeschreven onder de voormalige Elektriciteitswet 1998 (artikel 32, eerste lid) en onder de voormalige Gaswet (artikel 12c, eerste en tweede lid).

Artikel 3.36 termijn zienswijzen op voorstel ACM voor methoden of voorwaarden

Zoals dat ook gold onder de regeling in artikel 34, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12e, derde lid, van de Gaswet regelt dit artikel dat, indien de ACM op grond van artikel 3.120, derde lid, onderdeel b, van de wet een ontwerp voor wijziging van de methoden of voorwaarden opstelt, de relevante systeembeheerders en de relevante representatieve organisaties van aangeslotenen, netgebruikers, marktdeelnemers en balanceringsverantwoordelijken een termijn van twaalf weken krijgen om een zienswijze in te dienen op dat ontwerp.

Artikel 3.37 opschorten beslistermijn bij eis ACM tot wijziging voorstel voor methoden of voorwaarden

Dit artikel regelt dat indien de ACM wijziging verlangt van een voorstel voor methoden of voorwaarden alvorens deze goed te keuren, de beslistermijn voor de ACM wordt opgeschort. De regels in de Algemene wet bestuursrecht over het opschorten van de beslistermijn voor het bestuursorgaan worden daartoe van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit sluit aan op hetgeen was geregeld in artikel 36, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12f, derde lid, van de Gaswet. Voor situaties waarin het gaat om een voorstel voor methoden of voorwaarden op grond van een (gedelegeerde) Europese verordening waarvoor ook een dwingende beslistermijn geldt, is toegevoegd dat dergelijke beslistermijnen onverminderd van toepassing zijn.

Afdeling 3.8 Procedures tarieven en methoden of voorwaarden bijzondere systeembeheerders
Artikel 3.38 voorstel berekeningsmethode tarieven LNG-beheerder

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar hetgeen reeds beschreven is in hoofdstuk 2, meer in het bijzonder onderdeel 17.

Afdeling 3.9 Kredietwaardigheid en boekhoudverplichting systeembeheerders
Artikel 3.39 aantonen kredietwaardigheid kleinere distributiesysteembeheerders

Dit artikel geeft in aanvulling op artikel 3.41, derde en zesde lid, van het Energiebesluit een nadere specificatie van criteria voor het aantonen van kredietwaardigheid door kleinere distributiesysteembeheerder.

Het eerste lid geeft een viertal financiële criteria aan, waaraan de distributiesysteembeheerder moet voldoen. Het eerste criterium, opgenomen in het eerste lid, onder a, strekt ertoe dat het resultaat van het bedrijf voordat er belasting en rentelasten moeten worden betaald, ruim voldoende moet zijn om er de rente van te betalen. Het resultaat van het bedrijf voordat er belasting en rentelasten moeten worden betaald staat algemeen bekend als Earnings before Interest and Tax (EBIT). Het gaat hier om continue bedrijfsactiviteiten en daarom niet over in de toekomst af te stoten bedrijfsactiviteiten. Ook buitengewone posten worden buiten beschouwing gelaten, waarbij de kwalificatie buitengewoon afhankelijk is van de vigerende verslaggevingsrichtlijnen. Onder de in Nederland meest toegepaste systemen voor jaarverslaggeving is buitengewoon iets zeer uitzonderlijks (bijvoorbeeld de financiële gevolgen van natuurrampen). Deze categorie zal zich derhalve slechts sporadisch voordoen. Ook wordt door ondernemingen vaak de term EBITDA gebruikt. Dit is EBIT zonder afschrijving en amortisatie (Depreciation en Amortization). Dit is een wezenlijk andere term dan EBIT en mag dus niet in deze ratio gebruikt worden. De term EBIT is daarom het uit de winst- en verliesrekening afgeleide bedrijfsresultaat voor de toerekening van interestlasten en belastingen. Alle overige posten dienen in het bedrijfsresultaat opgenomen te zijn. De bruto rentelasten betreffen de rentelasten in de winst- en verliesrekening, exclusief rentebaten, koersverschillen en overige financiële baten en lasten zoals bijvoorbeeld beleggingsresultaten.

Het tweede criterium, onderdeel b, houdt in dat een distributiesysteembeheerder met zijn kasstroom minimaal 2,5 keer de jaarlijkse rentelasten moet kunnen betalen als buffer voor een rentestijging of voor het inzakken van het resultaat. De nettowinst uit gewone bedrijfsuitoefening en daarbij opgeteld alle kosten die geen uitgaven zijn, zoals afschrijvingen, latente belastingen (belastingen die in de toekomst moeten worden betaald) en overige kostenposten waarvoor geen kasgeld noodzakelijk is, en de bruto rentelasten worden bij deze ratio gedeeld door de bruto rentelasten.

Het derde criterium, onderdeel c, ziet op de vraag of er voldoende kasstroom is ten opzichte van de uitstaande schulden. Met de uitstaande schuld wordt hier bedoeld het totaal van de, al dan niet rentedragende, schulden. Omdat een netwerkbeheerder een stabiele kasstroom heeft en veel investeringen in vaste activa, die een lange afschrijvingsperiode kennen, wordt een aflosperiode van minimaal 9 jaar als grens gezien. In tegenstelling tot de tweede ratio worden alleen de bruto rentelasten hier niet meegenomen.

Het vierde criterium, onderdeel d, kijkt naar de verhouding tussen vreemd vermogen en het totaal vermogen, dat wil zeggen hoe de totale schulden zich verhouden tot de totale waarde van het bedrijf. Er dient voldoende buffer te zijn om incidentele verliezen op te vangen. Met totale schuld wordt bedoeld de schulden aan verschaffers van vreemd vermogen zoals die blijken uit de balans van de distributiesysteembeheerder. Dit in tegenstelling tot het eigen vermogen, dat komt van de verschaffers van eigen vermogen. Het onderscheid tussen vreemd en eigen vermogen is in het algemeen duidelijk, alhoewel er verschillende vreemd vermogensproducten zijn die karaktereigenschappen van eigen vermogen hebben, zoals converteerbare obligatieleningen. De accountant van de distributiesysteembeheerder toetst echter de karakteristieken van dit soort producten als onderdeel van zijn jaarlijkse accountantscontrole en waarborgt hierdoor de juiste categorisering van deze producten. De totale kapitalisatie is de optelling van eigen en vreemd vermogen, in totaliteit daarom al het vermogen. Dit is inclusief de kortlopende schulden, al dan niet rentedragend en de voorzieningen. Wat betreft het dividend geldt dat het voorgestelde dividend nog in mindering dient te worden gebracht op het eigen vermogen van de distributiesysteembeheerder. De distributiesysteembeheerder voegt jaarlijks bij zijn jaarrekening een overzicht waaruit blijkt dat hij voldoet aan de financiële ratio’s.

Het tweede lid van dit artikel schrijft voor dat verplichtingen die door andere groepsmaatschappijen zijn aangegaan – en die invloed hebben op de financiële verplichtingen van de distributiesysteembeheerder – tot uitdrukking komen in de financiële ratio’s van de distributiesysteembeheerder.

Het derde lid van het artikel bepaalt dat de omzetgrens uit het eerste lid wordt geïndiceerd. De Europese, geharmoniseerde prijsindex wordt hiervoor geschikt geacht.

Het vierde lid vereist dat de distributiesysteembeheerder onderbouwd aangeeft wat de verwachtingen zijn ten aanzien van de in het eerste lid genoemde financiële ratio’s in de eerstkomende vijf jaren.

Artikel 3.40 afzonderlijke boekhouding systeembeheerders

Dit artikel bevat, in aanvulling op artikel 3.42 van het Energiebesluit, een specificatie van de elementen die een TSB of DSB of TSB voor elektriciteit op zee en een LNG-beheerder of gasopslagbeheerder moet opnemen in de afzonderlijke boekhouding en welke onderdelen daarvan door een onafhankelijke accountant moeten worden gecontroleerd.

Het eerste lid van dit artikel legt vast dat een TSB of DSB, TSB voor elektriciteit op zee, interconnectorsysteembeheerder, LNG-beheerder of gasopslagbeheerder kan kiezen uit de publicatie op uiterlijk 1 oktober van ofwel een volledig jaarverslag, inclusief jaarrekening, op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of publicatie van een financieel verslag dat voldoet aan de vereisten opgesomd onderdeel b.

Deze opsomming bestaat uit een winst-en-verliesrekening, een overzicht van het totaalresultaat, een balans, een kasstroomoverzicht, een mutatieoverzicht van het eigen vermogen en een toelichting op (elementen van) deze opsomming. Hierbij wordt ook een toelichting op de financiering vereist. Het ligt voor de hand dat hier in ieder geval onderdeel van is de samenstelling en het verloop van de rentedragende leningen. Tot slot hoort bij dit financiële verslag ook een controleverklaring van een onafhankelijke accountant.

Het tweede lid bevat een aanvullende publicatieplicht die bestaat naast de plicht opgenomen in het eerste lid. Deze geldt alleen voor TSB’s, DSB’s, en de TSB voor elektriciteit op zee. Dit lid bepaalt dat onder andere de winst- en verliesrekening en het bedrijfsresultaat moeten worden gepubliceerd. Dit moet zowel voor het totaal van de activiteiten van de systeembeheerder als gesegmenteerd naar de activiteiten van de systeembeheerder ter uitvoering van de taken op het gebied van elektriciteit en gas, waaronder het meten van (verbruik en invoeding van) elektriciteit en gas. Bij die gesegmenteerde winst- en verliesrekening en het bedrijfsresultaat hoort ook een toelichting per segment. De ACM kan, in afstemming met de desbetreffende systeembeheerders, nader aangeven waar die toelichting uit dient te bestaan. Het ligt voor de hand om hierbij op te nemen een overzicht van het bedrijfsresultaat, de omzet, afschrijvingen en buitengebruikstellingen, overige bedrijfskosten en materiële vaste activa. Voor de segmenten elektriciteit en gas daarnaast ook de transportvolumes en volumes van periodieke aansluitvergoedingen en voor de voor segmentering gehanteerde verdeelsleutels. Zo wordt momenteel ook in de praktijk invulling gegeven aan deze verplichting.

Onderdeel b van het tweede lid bevat voorts de verplichting om een verklaring op te nemen dat de financiële verhouding tussen de TSB, DSB of TSB voor elektriciteit op zee en de infrastructuurbedrijven die in dezelfde groep zitten voldoet aan de verplichting om infrastructuurbedrijven niet te bevoordelen. Dit is overgenomen uit de huidige bepalingen onder de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Voor zover dit niet al in de jaarrekening is opgenomen dient de systeembeheerder tevens een verslag te publiceren van de ontwikkelingen van de investeringen in zijn systeem en van de ontwikkelingen van de betrouwbaarheid van zijn systeem. Dit is opgenomen in het onderdeel c van het tweede lid. Tot slot is, eveneens voor zover dit niet al in de jaarrekening opgenomen, een financiële analyse vereist. Hiermee is bedoeld een analyse, zoals ook onderdeel moet zijn van een bestuursverslag op grond van artikel 2:391, eerste lid, BW: ‘Het bestuursverslag bevat, in overeenstemming met de omvang en de complexiteit van de rechtspersoon en groepsmaatschappijen, een evenwichtige en volledige analyse van de toestand op de balansdatum, de ontwikkeling gedurende het boekjaar en de resultaten.’

Afdeling 3.10 Overige taken en verplichtingen systeembeheerders
Artikel 3.41 actieve openbaarmaking gegevens door transmissiesysteembeheerder en distributiesysteembeheerder

Dit artikel regelt op de verplichte openbaarmaking door de TSB’s en de DSB’s van enkele specifieke gegevens. Zoals reeds toegelicht in hoofdstuk 2 (onderdeel 20) van de algemene toelichting wordt middels dit artikel invulling gegeven aan twee verplichtingen onder de Richtlijn hernieuwbare energie.

Het eerste lid sluit aan op de verplichting uit artikel 20 bis, eerste lid, en eerste alinea van de Richtlijn hernieuwbare energie. De hier opgenomen verplichting is vrijwel letterlijk overgenomen in de Energieregeling, zij het dat gesproken wordt over ‘onbalansverrekeningsperiode’ in plaats van ‘marktvereffeningsperiode’. De TSB’s en DSB’s worden verplicht deze gegevens dagelijks te publiceren. In de huidige praktijk worden de gegevens met een à twee uur vertraging gepubliceerd. Er is bewust geen invulling gegeven aan de keuzeruimte die de richtlijn biedt in de tweede paragraaf. Dit zijn geen gegevens waar de TSB of DSB over beschikt binnen de uitvoering van zijn wettelijke taken.

Het tweede lid sluit aan op de gedelegeerde verordening 2023/1185 onder de Richtlijn hernieuwbare energie, meer in het bijzonder onderdeel A, onder punt 6c, in de bijlage bij deze gedelegeerde verordening. Er is voor gekozen een begrip op te nemen voor ‘dynamische referentieprijs’ en de TSB voor elektriciteit vervolgens te verplichten deze dagelijks te publiceren. Voor de formulering van het begrip ‘dynamische referentieprijs’ is aangesloten op de reeds bestaande methodiek hiervoor in de NTA8800 (technische afspraken bouwregelgeving); zie verder de algemene toelichting.

Het derde lid ziet met name op de manier waarop deze gegevens openbaar gemaakt worden, namelijk op toegankelijke wijze en waarbij de gebruiker de mogelijkheid heeft van hergebruik en machine-uitleesbaarheid. Dit sluit aan op de soortgelijke formulering in artikel 3.78, tweede lid, onderdeel c, van de Energiewet. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de verplichtingen in het tweede lid van artikel 20 bis Richtlijn hernieuwbare energie, namelijk dat gegevens ‘digitaal beschikbaar gesteld worden op een manier die zorgt voor interoperabiliteit op basis van geharmoniseerde gegevensindelingen en genormaliseerde gegevensreeksen zodat zij op niet-discriminerende wijze gebruikt kunnen worden door... etc.

Artikel 3.42 opstellen verslag over de geraamde flexibiliteitsbehoeften

De gewijzigde Elektriciteitsverordening bevat een aantal bepalingen gericht op bevordering van flexibiliteit in het elektriciteitssysteem (artikelen 19 sexies en septies). Flexibiliteit is het vermogen om de actuele vraag en aanbod van elektriciteit in het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit omhoog of omlaag aan te passen. Bronnen van flexibiliteit zijn bijvoorbeeld batterijen, regelbaar vermogen zoals centrales, vraagrespons en interconnectiecapaciteit. De nationale regulerende instantie, of een andere instantie die wordt aangewezen door de lidstaat, moet de behoefte aan flexibiliteit van het elektriciteitssysteem voor de aankomende vijf tot tien jaar in kaart te brengen. Eveneens moeten lidstaten een indicatief nationaal doel voor niet-fossiele flexibiliteit, met inbegrip van de respectieve specifieke bijdragen van vraagrespons en opslag aan die doelstelling, bepalen in hun nationale energie- en klimaatplannen. Artikel 19 sexies van de verordening vereist dat het verslag consistent is met de nationale voorzieningszekerheidsbeoordelingen welke door TenneT jaarlijks wordt opgesteld. Mede om deze reden is in deze regeling de TSB voor elektriciteit aangewezen om, in samenwerking met de distributiesysteembeheerders voor elektriciteit, het verslag op te stellen. Artikel 3.23, zesde lid, van de Energiewet bevat hiervoor de grondslag. De TSB voor elektriciteit kan dit verslag op grond van artikelen 19 sexies mede baseren op gegevens en analyses die de distributiesysteembeheerders verstrekken aan de hand van de gemeenschappelijke Europese methode. Het verslag dient op grond van artikel 19 sexies, eerste lid, tweejaarlijks te worden opgesteld. Ingevolge artikel 19 sexies, eerste lid, laatste zin, van de verordening en artikel 5.1, eerste lid, van de Energiewet, heeft de ACM de taak om het verslag goed te keuren of te wijzigen. Artikel 19 sexies van de verordening regelt de verdere procedure met betrekking tot het verslag en de bijbehorende betrokkenheid van de ACM en de TSB voor elektriciteit.

Artikel 3.43 toegang gasopslagsystemen

Dit artikel betreft, tezamen met artikel 3.47 van het Energiebesluit, een beleidsneutrale omzetting van de Regeling nadere invulling technische of economische noodzaak derdentoegang gasopslaginstallaties, een ministeriële regeling onder de Gaswet.

Het eerste lid bepaalt wanneer sprake is van de voor leveringszekerheid benodigde flexibiliteit, bedoeld in artikel 3.47, derde lid, van het Energiebesluit. Dat is het geval indien aan de drie cumulatieve voorwaarden in onderdelen a, b en c is voldaan. Ten eerste moet het gasopslagsysteem een seizoensopslag zoals gedefinieerd in artikel 1.1 betreffen. Ten tweede moet het gasopslagsysteem noodzakelijk zijn om Europese of nationale vuldoelen te behalen. Ten derde moet er sprake van zijn dat niet gecontracteerde of niet benutte opslagcapaciteit van het gasopslagsysteem niet tegen objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden wordt aangeboden.

Het tweede lid verzekert dat het gedeelte van een gasopslagsysteem dat ingezet wordt als strategische opslag als bedoeld in artikel 2, onderdeel 29, van verordening 2017/1938 niet onder de reikwijdte van het eerste lid valt. Dit gas moet immers te allen tijde beschikbaar zijn voor opslag en vervolgens kunnen worden ingezet ten tijde van een noodsituatie. De voornoemde strategische opslag valt aan te merken als ‘noodvoorraad’, omdat het gebruik van strategische opslag in bijlage VIII van verordening 2017/1938 is aangemerkt als niet-marktgebaseerde maatregel. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/1938 is het gebruik daarvan daarmee voorbehouden aan de bestrijding van een noodsituatie (het derde en hoogste niveau van een gascrisis).

Afdeling 3.11 Ontheffingen nieuwe systemen
Artikel 3.44 ontheffingen nieuwe systemen

Artikel 78 van verordening 2024/1789 bevat regels over het verlenen van ontheffingen voor nieuwe aardgas- en waterstofsystemen. Artikel 3.44 is gebaseerd op de grondslag in artikel 3.13, negende lid, van de wet. Met het tweede lid van artikel 3.44 is gewaarborgd dat de motivering van het ontheffingsbesluit voldoet aan de eisen van artikel 78, negende lid, van verordening 2024/1789. Het vierde en vijfde lid van artikel 3.44 zijn inhoudelijk grotendeels een voortzetting van artikel 18h, elfde, twaalfde en dertiende lid, van de Gaswet. Anders dan in artikel 18h, elfde lid, van de Gaswet, is niet geregeld dat het ontheffingsbesluit in werking treedt wanneer de reactietermijn van de Europese Commissie is verstreken en een besluit is uitgebleven. Een dergelijke regel zou afbreuk doen aan het vereiste van goedkeuring door de Europese Commissie. Daarbij bevat artikel 78, tiende lid, van verordening 2024/1789 dwingende regels over de termijn waarbinnen de Europese Commissie een beslissing moet nemen.

Afdeling 3.12 Schadevergoeding transmissiesysteem voor elektriciteit op zee
Artikel 3.45 windsnelheid en artikel 3.46 nadere regels windsnelheid

Voor de metingen van de windsnelheid wordt in eerste instantie gebruik gemaakt van 10 minuten gemiddelde metingen die verricht zijn op meetstations op zee en op land die representatief zijn voor de windsnelheid op de locatie van het windpark dat is aangesloten op het desbetreffende onderdeel van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee. Voor meetstations op zee betekent dit een maximale afstand van circa 100 kilometer en voor meetstations op land een maximale afstand van circa 40 kilometer. Indien de windrichting ligt tussen 0 en 180 graden (aflandige wind), dan worden de windsnelheidsmetingen van de meetstations op land niet meegenomen, omdat anders de kans bestaat dat de aldus bepaalde windsnelheid substantieel wordt onderschat. De gemeten windsnelheden door meetstations worden eerst vanaf de meethoogte verticaal geëxtrapoleerd tot de as-hoogte van het desbetreffende windpark, en vervolgens horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het desbetreffende windpark op basis van een naar de afstand tot de meetstations gewogen gemiddelde. Indien metingen van de windsnelheid niet of onvoldoende beschikbaar zijn (zie voor wanneer hiervan sprake is de toelichting op artikel 3.51), wordt gebruik gemaakt van de 10 minuten gemiddelde metingen van de windsnelheid door een of meerdere zogenaamde LiDAR-systemen ter plaatse van het windgebied. Met behulp van een dergelijk systeem kunnen afstanden tot en snelheden van objecten worden bepaald door middel van reflectie van door het apparaat uitgezonden lasersignalen. Doordat de metingen van een dergelijk systeem ter plaatse beïnvloed kunnen worden door de zog-effecten van de windturbines, heeft deze meetmethode voor het bepalen van de windsnelheid niet de eerste voorkeur.

Artikel 3.47 productieprofiel

Het productieprofiel van een windpark wordt bepaald door het geleverde vermogen van het windpark per windsnelheidsklasse van 0,5 m/s tussen de inschakelsnelheid en de uitschakelsnelheid van het windpark en per windrichtingssector van 30 graden. Dit betekent dat het voor het vaststellen van het productieprofiel van een windpark noodzakelijk is om de windrichting vast te stellen. Hoe de windrichting wordt vastgesteld, is beschreven in de artikelen 3.48 en 3.49.

Artikel 3.48 windrichting en artikel 3.49 nadere regels windrichting

Voor het bepalen van het productieprofiel is de windrichting van belang. Op basis van deze artikelen wordt de windrichting bepaald. Voor de metingen van de windrichting wordt in eerste instantie gebruik gemaakt van 10 minuten gemiddelde metingen door een of meerdere LiDAR-systemen ter plaatse van het desbetreffende onderdeel van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee. In tegenstelling tot bij de bepaling van de windsnelheid heeft voor de bepaling van de windrichting een LiDAR-systeem ter plaatste de voorkeur omdat metingen van de windrichting minder gevoelig zijn voor zog-effecten van de windturbines. Indien er van een LiDAR-systeem gedurende de periode dat het net op zee niet beschikbaar niet of onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, dan wordt gebruik gemaakt van metingen van de windrichting die verricht zijn op meetstations op zee en op land die representatief zijn voor de windrichting op de locatie van het desbetreffende windpark. De gemeten windrichtingen worden horizontaal geïnterpoleerd naar de locatie van het desbetreffende windpark op basis van een naar de afstand tot de meetstations gewogen gemiddelde.

Artikel 3.50 LiDAR-systeem

Als waarborg voor een zorgvuldig en correct gebruik van het LiDAR-systeem is bepaald dat het systeem wordt bediend en beheerd door een ter zake kundige en onafhankelijke partij. De meetgegevens van de LiDAR dienen daarnaast omwille van de transparantie openbaar toegankelijk te zijn voor eenieder.

Artikel 3.51 onvoldoende gegevens en artikel 3.52 gemiste elektriciteitsproductie bij onvoldoende gegevens

Indien meetgegevens van de windsnelheid en de windrichting niet of in onvoldoende mate beschikbaar zijn om de gemiste elektriciteitsproductie te bepalen, wordt de gemiste elektriciteitsproductie vastgesteld op basis van de verdeling van de historische jaarlijkse elektriciteitsproductie over de kalendermaanden in een jaar. Van een onvoldoende beschikbaarheid van meetgegevens is sprake indien er van een meetstation of LiDAR-systeem gedurende de periode dat het net op zee niet beschikbaar was minder dan 95% van de tijd meetgegevens beschikbaar zijn. Om gebruik te maken van de metingen van meetstations dienen voorts ten minste meetgegevens van 2 meetstations in voldoende mate beschikbaar te zijn. De historische verdeling van de gemiddelde jaarlijkse elektriciteitsproductie over de kalendermaanden van een jaar wordt vastgesteld op basis van meetreeksen van de meetstations OWEZ voor de kust van Egmond (juli 2005 tot oktober 2006) en IJmuiden Ver (november 2011 tot augustus 2015), zoals beschreven in het ECN-rapport ECN-E-15-058. Deze verdeling laat zien dat de elektriciteitsproductie groter is gedurende de wintermaanden dan in de zomerperiode. Het is denkbaar dat de gebruikte meetreeksen in de toekomst worden uitgebreid of vervangen door meer recente meetgegevens. De verwachting is echter dat dit de huidige vastgestelde verdeling niet wezenlijk zal veranderen.

Artikel 3.53 bepaling hoeveelheid elektriciteit windparken op interconnector

Nieuw ten opzichte van de onder de Elektriciteitswet 1998 ressorterende regeling is dat in onderhavige regeling tevens wordt vastgesteld hoe de hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan worden getransporteerd, wordt bepaald voor windparken op zee, die tevens zijn ontsloten via een interconnector. Dat gebeurt eenvoudig door de beschikbare transportcapaciteit op die interconnector in mindering te brengen op de hoeveelheid elektriciteit die niet via het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan worden getransporteerd.

Hoofdstuk 4: Uitvoering, toezicht en handhaving

Afdeling 4.1 Uitvoering en toezicht

Voor een toelichting op de artikelen in deze afdeling wordt ook verwezen naar de algemene toelichting, meer in het bijzonder onderdeel 23 in hoofdstuk 2.

Artikel 4.1 aanwijzen minister als bevoegde instantie

In het eerste lid van dit artikel is de minister aangewezen als bevoegde instantie voor gedelegeerde verordening 2024/1366, verordening 2017/1938 en verordening 2019/941. Gedelegeerde verordening 2024/1366 omvat een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen. Als bevoegde autoriteit bestaan de taken en bevoegdheden van de minister onder meer uit het aanwijzen van entiteiten met zeer belangrijke of kritieke impact, incidentmanagement, de coördinatie van samenwerking, het behandelen van aanvragen van TSB’s voor goedkeuring van voorwaarden, methoden of plannen en het houden van toezicht op de naleving. Een gedeelte van deze taken en bevoegdheden wordt in mandaat uitgevoerd door de RDI en het NCSC. Het gaat dan om taken als toezicht op cyberbeveiliging, die aansluiten bij de expertise en ervaring van de RDI, en taken als informatieverstrekking en incidentmanagement die aansluiten bij de dienstverlening die het NCSC biedt op grond van onder meer de Cyberbeveiligingswet. Gedelegeerde verordening 2024/1366 is in werking getreden in juni 2024 en de uitvoering van de taken van de nationale bevoegde instantie was al toebedeeld aan verschillende instanties. Bij de toedeling van deze taken is zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande taakverdeling en aanwezige kennis bij de instanties die zijn betrokken bij de uitvoering van gedelegeerde verordening 2024/1366.

Artikel 4.2 toezicht op de naleving en bestuurlijke boetes gedelegeerde verordening 2024/1366 (cyberbeveiliging)

Gedelegeerde verordening 2024/1366 omvat een netcode inzake sectorspecifieke regels voor met cyberbeveiliging samenhangende aspecten van grensoverschrijdende elektriciteitsstromen. Artikel 5.17, eerste lid, onderdeel b, van de Energiewet biedt een grondslag om bij ministeriële regeling cyberbeveiligingsvoorschriften aan te wijzen waarop de ACM geen toezicht houdt. In het verlengde hiervan moeten op grond van artikel 5.18, eerste lid, onderdeel c, van de Energiewet, bij ministeriële regeling cyberbeveiligingsvoorschriften worden aangewezen over cyberbeveiliging waarvoor de minister is belast met het toezicht op de naleving. Ook moeten bij ministeriële regeling voorschriften inzake cyberbeveiliging worden aangewezen waarvoor bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd (artikel 5.21, eerste lid, onderdeel e, van de Energiewet). Deze cyberbeveiligingsvoorschriften zijn aangewezen in artikel 4.2. Voor de genoemde voorschriften is de minister belast met het toezicht op de naleving. Het toezicht wordt namens de minister uitgevoerd door de RDI. De RDI heeft de vereiste specialistische en technische expertise over cyberbeveiliging en houdt reeds toezicht op wetgeving over cyberbeveiliging.

De aanwijzing van voorschriften waarvoor de minister toeziet op de naleving is beperkt tot voorschriften voor entiteiten met zeer belangrijke of kritieke impact. Hiermee is voorkomen dat de minister zou moeten toezien op de naleving van voorschriften waarop ACER reeds toeziet.

Artikel 4.4 melding wijziging zeggenschap LNG en productie elektriciteit

Dit artikel bevat regels ten aanzien van de meldingsplicht in artikel 6.3 van de Energiewet, in het bijzonder met betrekking tot de te hanteren termijnen en de te verstrekken informatie. Het artikel bevat regels over de wijze waarop de melding moet worden gedaan, de termijn waarbinnen het bevoegd gezag een beslissing neemt, en de omstandigheden waaronder deze termijn kan worden verlengd of opgeschort.

Om een tijdige en zorgvuldige beoordeling van potentiële risico's voor de nationale veiligheid, leveringszekerheid en voorzieningszekerheid mogelijk te maken, bepaalt dit artikel dat een melding van een voorgenomen wijziging in zeggenschap uiterlijk vier maanden voorafgaand aan de beoogde datum van de wijziging moet worden ingediend. Voor de indiening van de melding is een specifiek meldingsformulier voorgeschreven, dat als bijlage bij deze regeling is gevoegd. Het gebruik van dit formulier waarborgt de aanlevering van alle relevante informatie op een gestandaardiseerde wijze.

De reguliere beslistermijn voor het bevoegd gezag bedraagt vier maanden na ontvangst van de volledige melding. Echter, in gevallen waarin de gemelde wijziging kwalificeert als een buitenlandse directe investering die onder de Europese screeningverordening valt (Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie (PbEU 2019, L 79), kan deze termijn met maximaal drie maanden worden verlengd om een nadere beoordeling in lijn met de Europese regelgeving te faciliteren. Daarnaast wordt de beslistermijn opgeschort indien de Minister van Klimaat en Groene Groei op grond van artikel 5.22 van de Energiewet om aanvullende informatie verzoekt, en wel tot het moment dat deze informatie is verstrekt.

De melding dient vergezeld te gaan van specifieke gegevens en bescheiden, zoals nader omschreven in het voorgeschreven meldingsformulier. Ten slotte regelt dit artikel op welke wijze de melding rechtsgeldig kan worden ingediend, namelijk per post of door persoonlijke overhandiging op het ministerie. Door deze procedurele aspecten helder te definiëren, beoogt dit artikel een efficiënt en transparant proces te waarborgen voor de melding en beoordeling van wijzigingen in zeggenschap binnen de genoemde cruciale sectoren van de energievoorziening.

Bijlage 3 – meldingsformulier

Een melding als bedoeld in artikel 6.3, eerste of tweede lid, van de wet wordt ingediend door middel van het formulier dat is opgenomen in bijlage 3 van deze regeling. Het meldingsformulier voor wijzigingen in zeggenschap conform artikel 6.3 van de Energiewet vereist uitgebreide gegevens van alle betrokken partijen: de meldingsplichtigen, de verwerver (inclusief diens groep en uiteindelijk belanghebbenden), de doelonderneming, en eventuele vertegenwoordigers. Cruciaal is een gedetailleerde beschrijving van de voorgenomen verwervingsactiviteit, met inbegrip van de aard en vorm van de transactie, de sector van de doelonderneming (LNG of elektriciteitsproductie), en de huidige en beoogde eigendomsstructuren.

Een significant deel van het formulier is gericht op de beoordeling van potentiële risico's voor de nationale veiligheid. Hiertoe worden vragen gesteld over onder meer sancties, strafbare feiten, banden met buitenlandse overheden, staatsinvloed, financiële stabiliteit van de verwerver, en de economische motieven achter de transactie. Daarnaast dient de melder informatie te verschaffen over de financiering en de waarde van de transactie, en relevante documenten zoals contracten en jaarverslagen aan te leveren.

Afdeling 4.2 Verstrekken gegevens markttoezicht levering
Artikel 4.5 verstrekken gegevens aan de ACM voor markttoezicht levering

Op basis van artikel 5.2, eerste lid, van de wet, ziet de ACM erop toe dat huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen verzekerd zijn van de levering van elektriciteit of gas tegen concurrerende, eenvoudig en duidelijk vergelijkbare, transparante, redelijke en niet-discriminerende prijzen. In deze regeling wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslag in artikel 5.2, vierde lid, van de wet. Het vierde lid bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de gegevens die leveranciers aan de ACM dienen verstrekken ten behoeve van het toezicht op het functioneren van de leveringsmarkt. De ACM kan, zoals ook nu praktijk is, nadere instructies geven over de wijze waarop de benodigde gegevens kunnen worden aangeleverd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting, meer in het bijzonder onderdeel 24 in hoofdstuk 2.

Afdeling 4.3 Overige bepalingen
Artikel 4.6 Retributies minister

In dit artikel is de retributie vastgesteld die een systeembeheerder moet voldoen voor de behandeling van een aanvraag voor aanwijzing als systeembeheerder. Ook is een retributie opgenomen voor de behandeling van een aanvraag voor ontheffing voor nieuwe interconnectorsystemen voor elektriciteit. Voorheen waren deze retributies opgenomen in de Regeling kostenverhaal beschikkingen van de Minister van Economische Zaken op energiegebied. De retributies voor de behandeling van aanvragen door de ACM, bijvoorbeeld voor leveringsvergunningen, worden vastgesteld in de Regeling doorberekening kosten ACM.

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans


X Noot
1

De parlementaire stukken voor de Energiewet zijn te vinden onder Kamerstuknummer ‘36378’; dit betreft onder andere het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 2) en de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3).

X Noot
2

De indiening is vergezeld gegaan van een Kamerbrief d.d. 9 juni 2023, zie: Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 5.

X Noot
3

Kamerstukken II 2023/24, 36 378, nr. 7.

X Noot
4

Kamerstukken II 2023/24, 36 378, nr. 10.

X Noot
5

Kamerstukken II 2023/24, 36378, respectievelijk nr. 11, 13, 41 en 44.

X Noot
6

Kamerstukken I 2024/25, 36 378, E en G.

X Noot
9

Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001707, houdende instelling van een Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

X Noot
10

Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XIII, nr. 2; zie beleidsartikel 4 (‘Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering’). Deze beleidsdoelen zijn in de begroting van 2017 en daarna vrijwel gelijk geformuleerd. Zie ook hoofdstuk 1 van de memorie van toelichting (zie voetnoot 1).

X Noot
11

Europese Commissie, ‘Clean energy for all Europeans Package’, gepubliceerd op 29 juli 2019.

X Noot
12

Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158).

X Noot
13

Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (herschikking van verordening 714/2009) (PbEU 2019, L 158).

X Noot
14

Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

X Noot
15

Voor meer details zie ook de Kamerbrief d.d. 9 juni 2023 (zie voetnoot 2).

X Noot
16

Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en (EU) 2019/944 inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie.

X Noot
17

Verordening (EU) 2024/1747 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2019/942 en (EU) 2019/943 wat betreft het Verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie.

X Noot
18

Wetsvoorstel ter implementatie van het EU Electricity Market Design-pakket; de internetconsultatie is uitgevoerd in de periode van 8 november 2024 tot en met 5 december 2024.

X Noot
19

Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn 2009/73/EG (herschikking).

X Noot
20

Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG.

X Noot
21

Verordening (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011, (EU) 2017/1938, (EU) 2019/942 en (EU) 2022/869 en Besluit (EU) 2017/684, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 715/2009 (herschikking).

X Noot
22

Verordening (EU) 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening 1775/2005 (PbEU 2009, L 211).

X Noot
23

Brief Energiebesluit d.d. 5 maart 2025, weblink: www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/03/05/voorhangbrief-tk-energiebesluit.

X Noot
24

Raad van State, d.d. 17 september 2025: ‘De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen’; weblink: www.raadvanstate.nl/adviezen/@151761/w19-25-00151-iv.

X Noot
25

Wet van 17 april 2024, houdende wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2024, 95).

X Noot
27

Alle geconsulteerde documenten, alsmede de openbare reacties zijn te vinden via de volgende link: www.internetconsultatie.nl/energieregeling/b1.

X Noot
28

Circulaire van de minister-president, ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’, geldend vanaf 1 januari 2018.

X Noot
29

Ministerie van Justitie, het ‘Beleidskompas’. Dit betrof voorheen het ‘Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving’.

X Noot
30

Sira Consulting, ‘Bedrijfseffectentoets Energiewet’, 17 februari 2021.

X Noot
31

Sira Consulting ‘Ex-ante effectentoets Energiebesluit’, 11 juni 2024.

X Noot
32

Sira Consulting ‘Ex-ante effectentoets Energieregeling’, d.d. 29 september 2025.

X Noot
33

Artikel 95d, eerste lid, onder a, van de Elektriciteitswet 1998, en artikel 45, eerste lid onder a, van de Gaswet.

X Noot
34

ACM, 'Besluit van de ACM tot vaststelling van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers', d.d. 29 september 2022.

X Noot
35

ACM, ‘Beleidsregel beoordeling financiële kwaliteiten van leveranciers van elektriciteit of gas aan kleinverbruikers’.

X Noot
36

Informatiecode Elektriciteit en Gas, zie hoofdstuk 8 (‘Informatie-uitwisseling t.b.v. van het leveranciersmodel bij een kleinverbruiker’). Concreet gaat het hier om de artikelen 8.1.4, 8.1.5, 8.1.7, 8.1.9 en 8.2.1.

X Noot
37

Hierin werd wel gesproken over (i) de ‘tot stand gekomen aansluit- en transportovereenkomst’, en (ii) de verplichting om aan de DSB te kunnen aantonen dat aan ‘de informatieverplichting’ richting de aangeslotene was voldaan, maar het vastleggen van het aanvaarde aanbod was niet duidelijk.

X Noot
38

Artikel 8.1.3 van de Informatiecode spreekt over het aantonen van ‘de wijze waarop aan de informatieverplichting in 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.2a is voldaan’, waarbij artikel 8.1.2 ook voorschrijft dat ‘de leverancier namens de regionale netbeheerder aan de aangeslotene de tot stand gekomen aansluit- en transportovereenkomst met de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden verstrekt.’

X Noot
39

De voormalige Informatiecode Elektriciteit en Gas (paragraaf 2.10) gaf de DSB de gelegenheid om twee keer per jaar een controle van de naamsgegevens van de aangeslotene uit te voeren, waarna eventueel een wijziging van de tenaamstelling kon volgen.

X Noot
40

Verordening (EU) nr. 312/2014 van de Commissie van 26 maart 2014 tot vaststelling van een netcode inzake gasbalancering van transmissienetten.

X Noot
41

Verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering.

X Noot
42

Wet van 17 april 2024, houdende wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2024, 95).

X Noot
43

Regeling van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 23 september 2025, nr. WJZ/ 101254315, houdende wijziging van de Mijnbouwregeling en de Uitvoeringsregeling Gaswet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stc. 2025, 32913).

X Noot
44

De Energiewet bevat enkele uitzonderingen op deze hoofdregel.

X Noot
45

Hierbij gaat het met name om HvJ EU 2 december 2020, C-767/19, ECLI:EU:C:2020:984 (Commissie/België) en HvJ EU 2 september 2021, C-718/18, ECLI:EU:C:2021:662 (Commissie/Duitsland). Eerdere uitspraken betreffen: HvJ EU 29 oktober 2009, C-474/08, CLI:EU:C:2009:681 (Commissie/België) en HvJ EU 11 juni 2020, C-378/19, ECLI:EU:C:2020:462 (Prezident Slovenskej republiky).

X Noot
46

Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

X Noot
47

Volledige titel: Gedelegeerde verordening (EU) 2023/1185 van de Commissie van 10 februari 2023 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad door de vaststelling van een minimumdrempel voor broeikasgasemissiereducties door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof en door de methode te specificeren voor de beoordeling van broeikasgasemissiereducties door hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong en door brandstoffen op basis van hergebruikte koolstof.

X Noot
48

Dit is opgenomen in onderdeel A, onder punt 6c in de bijlage van de gedelegeerde verordening 2023/1185.

X Noot
49

TenneT en Energie-Nederland, ‘Dynamische Referentie Prijs’, weblink: staging.dynamischereferentieprijs.nl/.

X Noot
50

Artikel 95b, tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 44, tweede lid, van de Gaswet.

X Noot
51

Sira Consulting, ‘Bedrijfseffectentoets Energiewet’, 17 februari 2021.

X Noot
52

Sira Consulting ‘Ex-ante effectentoets Energiebesluit’, 11 juni 2024.

X Noot
53

Kenniscentrum voor beleid en regelgeving, ‘Beleidskompas’, link: www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas. Voorheen was dit het ‘Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving’ (IAK).

X Noot
54

Sira Consulting, ‘Bedrijfseffectentoets Energiewet’, 17 februari 2021.

X Noot
55

Sira Consulting ‘Ex-ante effectentoets Energiebesluit’, 11 juni 2024.

X Noot
56

De geconsulteerde documenten zijn te vinden via de volgende link: www.internetconsultatie.nl/energieregeling/b1.

X Noot
57

De regeldruk wordt in kaart gebracht aan de hand van het ‘Handboek Meting Regeldrukkosten’ van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. In de kern omvat dit ‘alle kosten die bedrijven en burgers maken om verplichtingen uit wet- en regelgeving correct na te leven en alle voorschriften op te volgen. (...) Het gaat hierbij om kosten die voortvloeien uit informatieverplichtingen en inhoudelijke verplichtingen, waaronder toezicht- gerelateerde verplichtingen’. Ook kosten die voortvloeien uit de implementatie van Europese regelgeving horen hierbij.

X Noot
58

Sira Consulting ‘Ex-ante effectentoets Energieregeling’, d.d. 29 september 2025.

X Noot
59

Ecorys en Van Zutphen Advies, ‘Nulmeting regeldrukkosten Elektriciteitswet 1998 en Gaswet’, onderzoek in opdracht van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa, thans: ACM), d.d. 13 februari 2012.

X Noot
60

Begin 2020 is ten behoeve van de toetsing op wetsniveau via MKB-Nederland en ONL getracht een MKB-toets op te zetten. Omdat hier slechts één reactie op kwam, is destijds besloten deze toets niet apart uit te voeren.

X Noot
61

Hierbij is uitgegaan van de gemiddelde totale kosten van een overheidsmedewerker in schaal 12 in 2024. De totale kosten zijn bepaald op € 133.000, bestaande uit directe loonkosten (€ 107.000) en overheadkosten (€ 26.000). Bron: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ‘Handleiding overheidstarieven 2024’, november 2023.

X Noot
62

Alle geconsulteerde documenten, alsmede de openbare reacties zijn te vinden via de volgende link: www.internetconsultatie.nl/energieregeling/b1.

X Noot
63

ACM, ‘Besluit van de ACM tot vaststelling van de Beleidsregel betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers’, d.d. 20 september 2022.

X Noot
64

Als voorbeelden worden genoemd: ‘Zo ontvangt de gebruiker niet altijd een bevestiging waardoor bewijs van het insturen van een vraag/klacht ontbreekt, kan de mogelijkheid tot het meesturen van bijlagen ontbreken en kan de grootte van de in te sturen tekst beperkt worden’.

X Noot
65

Het gaat hierbij om de ‘Implementing regulation on interoperability requirements and non-discriminatory and transparent procedures for access to data required for customer switching’ die door de Europese Commissie ontwikkeld wordt in het kader van artikel 24 van de Elektriciteitsrichtlijn.

X Noot
66

Rijksoverheid, link: www.digitaleoverheid.nl/overzicht-van-alle-onderwerpen/identiteit/id-wallet/ (datum: 10 september 2025).

X Noot
67

Opgenomen in het consultatieverslag d.d. 26 juli 2024, zie: www.internetconsultatie.nl/energiebesluit/document/13022.

X Noot
68

Verschillende partijen zijn op grond van de Energiewet verantwoordelijk voor de verzameling, validatie en vaststelling van meetgegevens (zie bijvoorbeeld artikel 2.48, 2.54, 2.55, 3.57, 3.59 en 3.60 Energiewet). Al deze partijen dienen de vastgestelde gegevens ofwel zelf in hun register op te nemen, dan wel aan een registerbeheerder aan te leveren (zie artikel 4.5 tot en met 4.8).

X Noot
69

Bij inwerkingtreding van deze regeling zijn deze voorschriften vooralsnog gebaseerd op artikel 7.52 en 7.53 Energiewet en de daarin genoemde onderliggende regelgeving en technische (meet-) codes.

X Noot
70

Zie artikel 5.1.3.3 Informatiecode elektriciteit en gas.

Naar boven