Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2022, 11258 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | Staatscourant 2022, 11258 | advies Raad van State |
2022-0000076975
Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving
Aan de Koning
Nader rapport Verzamelbesluit Omgevingswet 2022
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 1 november 2021, nr. 2021002137, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 1 december 2021, nr. W04.21.0319/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 1 november 2021, no.2021002137, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet (Verzamelbesluit Omgevingswet 2022), met nota van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.
Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C de Graaf
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling adviseert U het besluit te nemen.
Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog enkele aanvullende verbeteringen in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit, het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit basisregistratie ondergrond mee te nemen in dit Verzamelbesluit. Dit betreffen merendeels wetstechnische correcties. Ook zijn nog enkele materiële verbeteringen doorgevoerd.
Ten eerste zijn nog enkele per abuis doorgevoerde veranderingen ten opzichte van de huidige regelgeving teruggedraaid. Het betreft regels voor het opslaan en toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewaterlichamen, het mengen van afvalstoffen, het wassen van motorvoertuigen, het gebruik van tarragrond (aanhangende grond aan landbouwgewassen), de zorgplicht voor de foerageerplaatsen van dieren, de verwijzing naar de leidraad hernieuwbare energie bij renovatie, de zorgplicht voor het beschermen van de omgeving tijdens bouw- en sloopwerkzaamheden, enkele taken die aan de omgevingsdiensten moeten worden opgedragen en inconsistenties op het gebied van lozen van water.
Ten tweede is aanvullend overgangsrecht toegevoegd. Het betreft regels voor het samen nemen van geluid van een lokale spoorweg en een gemeenteweg die grotendeels zijn verweven of gebundeld, de energiebesparingsplicht en doelgroepenverordeningen.
Tot slot is het Omgevingsbesluit gewijzigd in verband met de onjuiste implementatie van een onderdeel van de richtlijn industriële emissies en de Seveso-richtlijn.
Ik bied U het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerp-Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 en de gewijzigde nota van toelichting aan en verzoek U overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge.
No. W04.21.0319/I
’s-Gravenhage, 1 december 2021
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 1 november 2021, no.2021002137, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de algemene maatregelen van bestuur op het terrein van het wettelijke stelsel van de Omgevingswet (Verzamelbesluit Omgevingswet 2022), met nota van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen over het ontwerpbesluit en adviseert het besluit te nemen.
Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, adviseert de Afdeling dit advies openbaar te maken.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. [kenmerk];
Gelet op de kaderrichtlijn water, richtlijn industriële emissies en de richtlijn prioritaire stoffen en artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet, de artikelen 2.15, eerste lid, aanhef en onder b, 2.24, eerste lid, 2.28, 4.3, eerste en derde lid, 4.4, eerste lid, 4.5, 5.1, eerste en tweede lid, 5.18, eerste lid, 5.23, tweede lid, 5.24, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, 5.34, tweede lid, 12.1, vierde lid, 16.15, 16.16, 16.88, eerste lid, aanhef en onder a en b, 16.139, eerste lid, 18.3, 20.2, eerste lid, 20.6, eerste lid, en 22.18, vierde lid, van de Omgevingswet, de artikelen 8.40, 9.5.1 en 18, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 12a, eerste en vijfde lid, en 91 van de Wet bodembescherming, artikel 2, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en artikelen 1.1, derde lid, 8.40, 8.42, 9.5.2, 9.5.6, 10.22, tweede lid, 10.61 en 11a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van [datum], nr. [kenmerk]);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van [datum], nr. [kenmerk];
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit activiteiten leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:
A
In de artikelen 2.17, onder c, 2.18, onder d, 6.8, onder c, 6.9, onder c, 7.8, onder c, 7.9, onder c, 8.8, onder c, 8.9, onder c, 9.11, onder c, 9.12, onder c, 15.8, onder c, en 15.9, onder c, wordt ‘het adres’ vervangen door ‘het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie’.
B
In het opschrift van de artikelen 2.19, 6.10, 7.10, 8.10, 9.13, 11.11, 11.33, 11.122, 15.10 en 17.10 wordt ‘naam, adres of normadressaat’ vervangen door ‘algemene gegevens’.
C
In de artikelen 2.19, eerste lid, 6.10, eerste lid, 7.10, eerste lid, 8.10, eerste lid, 9.13, eerste lid, 11.11, eerste lid, 11.33, eerste lid, 11.122, eerste lid, en 15.10, eerste lid, wordt ‘het adres’ vervangen door ‘het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie’.
D
In artikel 3.25, derde lid, wordt ‘onder c tot en met f’ vervangen door ‘onder e tot en met h’.
E
Artikel 3.49 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is niet van toepassing als alleen de activiteit, bedoeld in artikel 3.50, in deze afdeling is aangewezen.
F
In de artikelen 3.113, aanhef, 3.124, eerste lid, 3.131 en 3.137, aanhef, wordt na ‘voor zover het gaat om’ ingevoegd ‘het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor’.
G
In artikel 3.128, eerste lid, onder d, wordt na ‘voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren’ ingevoegd ‘of dieren die worden gehouden voor hun pels’.
H
In artikel 3.131 wordt in het opschrift en in de tekst na ‘voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren’ toegevoegd ‘of dieren die worden gehouden voor hun pels’.
I
In artikel 3.137, onder a, vervalt ‘het exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor’.
J
In de artikelen 3.185, derde lid, onder w, en 4.365, tweede lid, onder b, wordt ‘aan gestrande automobilisten’ vervangen door ‘voor gemotoriseerde voertuigen’.
K
In artikel 3.185, derde lid, onder y, wordt ‘bij een activiteit als’ vervangen door ‘als dat opslaan gebeurt bij het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,’.
L
In artikel 3.200, tweede lid, onder d, vervalt ‘, met uitzondering van pelsdieren’.
M
Artikel 3.204a vervalt.
N
In artikel 3.209, eerste lid, wordt onder verlettering van de onderdelen r tot en met t tot onderdelen s tot en met u, een onderdeel ingevoegd, luidende:
r. het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin, bedoeld in paragraaf 4.86;.
O
Artikel 3.265 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt ‘aan gestrande automobilisten’ vervangen door ‘voor gemotoriseerde voertuigen’.
2. In het eerste lid, onder b, vervalt ‘of werktuigen’ en wordt na ‘gemotoriseerde’ ingevoegd ‘op een andere locatie dan de locatie van de pech of het ongeval’.
P
Artikel 3.270, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel a vervalt ‘en’.
2. Aan het slot van onderdeel b wordt de punt vervangen door ‘; en’.
3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. emissies in de lucht, bedoeld in paragraaf 5.4.4, voor zover de activiteiten als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.269.
Q
In artikel 4.4, tweede lid, wordt ‘peronen’ vervangen door ‘personen’.
R
In de opschriften van de artikelen 4.35, 4.37, 4.46, 4.56, 4.59 en 4.451 vervalt ‘lucht:’.
S
In artikel 4.63, tweede lid, onder c, wordt ‘stoomketels’ vervangen door ‘ketels’.
T
Artikel 4.65 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van de aanhef wordt de dubbele punt vervangen door ‘de artikelen 4.73 en 4.96.’.
2. Onderdelen a en b vervallen.
U
In artikel 4.70, eerste lid, onder c, wordt ‘en zink’ vervangen door ‘, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin’.
V
Na artikel 4.73 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.73 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld over de emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden, ammoniak, koolmonoxide, waterstoffluoride, zoutzuur en de som van dioxinen en furanen, bedoeld in tabel 4.73.
W
In tabel 4.75, tweede kolom, tweede en derde rij, wordt ‘mg/Nm3 voor grote stookinstallaties’ vervangen door ‘mg/Nm3 voor grote stookinstallaties’.
X
In artikel 4.77, tweede lid, wordt ‘opgenomen’ vervangen door ‘genoemd’.
Y
Artikel 4.81 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid vervalt ‘, in afwijking van artikel 4.80,’.
2. In het derde lid wordt ‘in afwijking van artikel 4.80’ vervangen door ‘in afwijking van artikel 4.79’.
Z
In artikel 4.88, eerste lid, wordt ‘uurgemiddelden’ vervangen door ‘halfuurgemiddelden’.
AA
Na artikel 4.96 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift waarmee artikel 4.96 wordt versoepeld, wordt alleen gesteld voor een ippc-installatie waarin alleen afvalstoffen thermisch worden behandeld die afkomstig zijn van die installatie.
AB
In artikel 4.98, tweede lid, onder a, wordt ‘, of’ vervangen door ‘; of’.
AC
Artikel 4.130, tweede en derde lid, komen te luiden:
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van polycyclische aromatische koolwaterstoffen als de maatregel, bedoeld in artikel 4.128, eerste lid wordt getroffen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op het meten van totaal stof als de maatregelen, bedoeld in artikel 4.128, tweede lid, worden getroffen.
AD
In artikel 4.147, tweede lid, wordt na ‘Het eerste lid’ ingevoegd ‘is’.
AE
In de artikelen 4.161, derde lid, onder b, 4.610, vierde lid, onder c, 4.798, derde lid, onder c, 4.1253, derde lid, onder b, 6.44, derde lid, onder b, 6.56d, derde lid, onder b, 6.56h, derde lid, onder c, 7.53, derde lid, onder b, 7.61d, derde lid, onder b en 7.61h, derde lid, onder c, vervalt ‘NEN 6633 of’.
AF
In de artikelen 4.185, eerste lid, 4.197, eerste lid, 4.200, vierde lid, en 4.257, derde lid, onder b, vervalt ‘elektrolytisch of stroomloos’.
AG
In het opschrift van artikel 4.185 wordt ‘elektrolytisch of stroomloos aanbrengen’ vervangen door ‘aanbrengen van metaallagen’.
AH
In de opschriften van artikel 4.197 en tabel 4.197 vervalt ‘elektrolytisch of stroomloos’.
AI
Artikel 4.268 komt te luiden:
Aan artikel 4.267, eerste lid, wordt voor totaal stof in ieder geval voldaan als:
a. per jaar niet meer dan:
1°. 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III; en
2°. 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad; of
b. bij laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII:
1°. de afgezogen lucht wordt gerecirculeerd; of
2°. de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd.
AJ
In artikel 4.269, onder b, wordt aan het slot ‘en’ vervangen door ‘of’.
AK
In artikel 4.270, onder a, wordt aan het slot ‘en’ vervangen door ‘of’.
AL
Artikel 4.283 komt te luiden:
Aan artikel 4.280, eerste lid, wordt voor zwaveldioxide, stikstofoxide, waterstofchloride, waterstoffluoride, ammoniak, en de stofklassen gA en gO bij het solderen met vloeimiddelen die leidden tot gasvormige emissies in de lucht in ieder geval voldaan als per jaar ten hoogste 100 kg vloeimiddelen wordt gebruikt, of:
a. de afgezogen emissies bij het solderen met vloeimiddelen die vluchtige organische stoffen bevatten door een geschikt adsorptiefilter worden gevoerd; en
b. de afgezogen emissies bij het solderen met zure vloeimiddelen door een geschikte gaswasser, een geschikt aerosolfilter of een geschikt mistfilter worden gevoerd.
AM
In het opschrift van artikel 4.299 vervalt ‘bij het spaanloos of verspanend bewerken of het mechanisch afwerken van metalen’.
AN
In artikel 4.402, tweede lid, onder d, wordt na ‘voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren’ ingevoegd ‘of dieren die worden gehouden voor hun pels’.
AO
In artikel 4.440 wordt na ‘diffuse-emissiegrenswaarden voor de coating van voertuigen’ ingevoegd ‘, bedoeld’.
AP
In artikel 4.603, derde lid, wordt ‘pijlbuis’ vervangen door ‘peilbuis’.
AQ
In de artikelen 4.610, vierde lid, onder b, 4.798, derde lid, onder b, 6.44, derde lid, onder a, 6.56h, derde lid, onder b, 7.53, derde lid, onder a en 7.61h, derde lid, onder b, vervalt ‘of NEN-EN 1899-1/2’.
AR
Artikel 4.658 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onder a, wordt ‘S, sA1, sA2 en sA3’ vervangen door ‘S, sA.1, sA.2 en sA.3’.
2. In het tweede lid, onder b, wordt ‘gA1, gA2 en gA3’ vervangen door ‘gA.1, gA.2 en gA.3’.
3. In het tweede lid, onder c, wordt ‘gO1, gO2 en gO3’ vervangen door ‘gO.1, gO.2 en gO.3’.
AS
Artikel 4.993 komt te luiden:
1. Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt bij een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstoffen worden opgeslagen, ten minste eenmaal per jaar een controle plaats op de aanwezigheid van water en bezinksel.
2. De controle op de aanwezigheid van water en bezinksel vindt ten minste eenmaal per drie jaar plaats als:
a. de ondergrondse opslagtank een volledige inwendige coating heeft die voldoet aan BRL-K779; en
b. de inwendige coating is aangebracht door een onderneming met een certificaat voor BRL-K790, verstrekt door een certificatie-instantie met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065 voor die BRL.
3. De controle wordt verricht door een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 6800.
4. De resultaten van controles worden ten minste drie jaar bewaard.
AT
In artikel 4.999, derde lid, wordt ‘technisch’ vervangen door ‘redelijkerwijs’.
AU
Aan de artikelen 4.1014, eerste lid, 4.1020, derde lid, en 4.1063, eerste lid, wordt toegevoegd ‘Opslag boven een lekbak is ook toegestaan.’.
AV
In artikel 4.1031, tweede lid, wordt ‘omgevingsplanactiviteitzijn’ vervangen door ‘omgevingsplanactiviteit zijn’.
AW
In artikel 4.1039, vierde lid, wordt ‘pyrotechnische artikel voor theatergebruik bevindt’ vervangen door ‘pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden’.
AX
In artikel 4.1138, tweede lid, wordt ‘met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW in een gebouw met een woonfunctie’ vervangen door ‘dat alleen wordt gebruikt ten behoeve van een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving’.
AY
In het opschrift van artikel 4.1198 vervalt ‘bodem:’.
AZ
Artikel 4.1258 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en met h tot de onderdelen d tot en met g.
2. In het tweede lid wordt ‘onder b, d, e, f, g en h’ vervangen door ‘onder b, d, e, f en g’.
BA
Artikel 4.1267, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel f vervalt, onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel f.
2. In onderdeel f (nieuw) wordt ‘artikel 4.1274, vierde lid, onder b’ vervangen door ‘artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 1°’.
3. Aan het slot van onderdeel f (nieuw) vervalt ‘en’.
4. Na onderdeel f (nieuw) wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
g. als sprake is van het toepassen van grond of baggerspecie in een afdeklaag op grootschalig toegepaste grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 4.1274, vierde lid, onder b, onder 2°: de kwaliteitsklasse van de aangrenzende waterbodem; en.
BB
Artikel 4.1268, eerste lid, komt te luiden:
1. Tijdens het aanbrengen van grond of baggerspecie zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1266 en 4.1267; en
b. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.
BC
Artikel 4.1283, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel f wordt de puntkomma vervangen door ‘; en’.
2. Onderdeel g vervalt, onder verlettering van onderdeel h tot onderdeel g.
BD
Artikel 4.1284, eerste lid, komt als volgt te luiden:
1. Tijdens het aanbrengen van mijnsteen of vermengde mijnsteen zijn de volgende gegevens en bescheiden beschikbaar:
a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in de artikelen 4.1282 en 4.1283; en
b. als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van de milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon.
BE
In artikel 4.1326, derde lid, wordt ‘wordt verstrekt’ vervangen door ‘beschikbaar is’.
BF
In artikel 4.1327, tweede lid, onder c, wordt na ‘het adres’ ingevoegd ‘, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie’.
BG
In artikel 4.1343, eerste lid, wordt na ‘bedoeld in’ ingevoegd ‘de’.
BH
In artikel 5.7k wordt ‘4 weken’ vervangen door ‘vier weken’.
BI
Artikel 6.16, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. De onderdelen c en d komen te luiden:
c. een installatie voor het kweken van consumptievis, het kweken of houden van ongewervelde waterdieren, het telen van waterplanten of het invangen van mosselzaad als bedoeld in artikel 6.49;
d. een mijnbouwinstallatie; en.
2. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
BJ
In de artikelen 7.12 en 7.13, aanhef, wordt ‘bedoeld in artikel’ vervangen door ‘bedoeld in de artikelen’.
BK
Aan artikel 7.16, derde lid, wordt, onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel c door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door ‘; en’, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. een pijpleiding als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit.
BL
In artikel 7.67, onder b, onder 3°, wordt ‘respectievelijk artikel 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee’ vervangen door ‘respectievelijk 9, eerste lid, van de Wet windenergie op zee’.
BM
In artikel 9.21, vierde lid, onder b, aanhef, wordt na ‘beschermingszone’ ingevoegd ‘van een beperkingengebied met betrekking tot een hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg’.
BN
In het opschrift van paragraaf 9.2.4 wordt na ‘bij hoofdspoorwegen’ ingevoegd ‘of bijzondere spoorwegen’.
BO
Aan het slot van artikel 11.6, tweede lid, onder d, vervalt ‘en’.
BP
Onderdeel c van de artikelen 11.10, 11.32, 11.120 en 11.121 komt te luiden:
c. het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en.
BQ
In artikel 11.74 wordt ‘Benelux overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming (Trb. 1970, 155)’ vervangen door ‘benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming’.
BR
In artikel 11.82 wordt ‘artikel 11.80, zesde lid’ vervangen door ‘artikel 11.79, zesde lid’ en wordt ‘artikel 11.81’ vervangen door ‘artikel 11.80’.
BS
In artikel 11.84, eerste en tweede lid, wordt ‘omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit’ vervangen door ‘omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit’.
BT
In artikel 11.97, tweede lid, onder a, onder 1°, wordt ‘eisen’ vervangen door ‘regels’.
BU
In artikel 15.24, eerste lid, wordt ‘locatie’ vervangen door ‘een locatie’.
BV
In artikel 15.61, onder b, wordt ‘sulfierreducerende’ vervangen door ‘sulfietreducerende’.
BW
In artikel 16.8, eerste lid, onder b, vervalt ‘als bedoeld in artikel 3.14a van de Omgevingswet’.
BX
In artikel 17.1, derde lid, onder d, wordt ‘, en’ vervangen door ‘; en’.
BY
Bijlage I, onder A, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de begripsomschrijving van autowrak wordt onder 1°, 2° en 3° ‘artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ vervangen door ‘artikel 71, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’.
2. In de begripsomschrijving van diepe plas wordt na ‘oppervlaktewaterlichaam’ ingevoegd ‘of een deel daarvan,’.
3. In de begripsomschrijving van dierenverblijf vervalt ‘of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren’.
4. In de begripsomschrijving van landbouwhuisdier vervalt ‘, pels’.
5. In de begripsomschrijving van Seveso-inrichting wordt ‘volledig’ vervangen door ‘volledige’.
6. In de begripsomschrijving van warmtenet wordt ‘artikel 1, onder c, van de Warmtewet’ vervangen door ‘artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet’.
7. In de begripsomschrijving van wrak van een tweewielig motorvoertuig wordt ‘artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ vervangen door ‘artikel 71, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’.
BZ
Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:
1. Categorie 40A komt te luiden:
|
40A |
ga |
Asfalt met meer dan 75 mg/kg PAK10 VROM dat op basis van de Regeling Europese afvalstoffenlijst als gevaarlijke afvalstof moet worden aangemerkt |
2. Categorie 40B vervalt.
CA
In de tabel in bijlage VI wordt in de eerste rij ‘Naam van de verontreinigende stof’ vervangen door ‘Stofnaam’ en wordt ‘Afkorting van de verontreinigende stof’ vervangen door ‘Afkorting van de stofnaam’.
CB
In de tabel bij bijlage VII wordt in de eerste kolom (Stof), bij Stof natuurlijk ruw boorzuur met een gehalte aan H3BO3 van ten hoogste 85 gewichtsprocenten berekend op de droge stof, ‘gewichtspercenten’ vervangen door ‘gewichtsprocenten’.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2.10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de tekst wordt ‘op grond van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet’ vervangen door ‘bij of krachtens de Alcoholwet’.
2. Na ‘in dit besluit opgenomen regel’ wordt een komma ingevoegd.
B
In artikel 3.87, eerste lid, wordt ‘als bedoeld in het Besluit energieprestatie gebouwen’ vervangen door ‘als bedoeld in artikel 6.29’.
C
Artikel 3.98a komt te luiden:
Op een route vanaf de openbare weg naar een bouwwerk als bedoeld in artikel 3.98 zijn de artikelen 3.97 en 3.98 niet van toepassing, indien:
a. het een route naar een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, betreft die is aangelegd voor 1 januari 2022 of waarvoor voor 1 januari 2022 een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is aangevraagd; of
b. het een route naar een gebouw zonder toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.182, vijfde lid, betreft die is aangelegd voor 1 juli 2021 of waarvoor voor 1 juli 2021 een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is aangevraagd.
D
In de artikelen 3.143, tweede lid, aanhef, en 4.243, tweede lid, aanhef, wordt ‘Een kooldioxidemeter’ vervangen door ‘De kooldioxidemeter’.
E
In de artikelen 3.143, tweede lid, onder d en 4.243, tweede lid, onder d, wordt ‘een vertrek’ vervangen door ‘de ruimte’.
F
Artikel 4.5, derde lid, komt te luiden:
3. In afwijking van het tweede lid kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in de artikelen 4.103a, 4.149a, 4.227 en 4.230 of een vergunningvoorschrift op grond van artikel 4.103a alleen het bepaalde in die artikelen inhouden.
G
In de artikelen 4.5, vijfde lid, 4.6, tweede lid, 5.3a, tweede lid, 6.5, derde lid, en 7.5, vijfde lid, wordt na ‘bedoelde belangen zich’ ingevoegd ‘daartegen’.
H
In artikel 4.9 wordt na ‘Op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom zijn afdeling 4.6 en de paragrafen’ ingevoegd ‘4.5.4,’.
I
In artikel 4.10, tweede lid, wordt ‘de paragrafen 4.2.3 en 4.6.1’ vervangen door ‘paragraaf 4.2.3, de artikelen 4.30 tot en met 4.32 en paragraaf 4.6.1’.
J
In artikel 4.15, tweede lid, wordt ‘de artikelen 4.12 en 4.13’ vervangen door ‘de artikelen 4.12 tot en met 4.14’.
K
In artikel 4.15d vervalt in de aanhef van het eerste lid ‘1.’.
L
Tabel 4.101 komt te luiden:
|
gebruiksfunctie |
leden van toepassing |
||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
bescherming tegen geluid van buiten |
geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten |
afbakening maatwerkvoorschriften geluidwering |
niet-geluidgevoelige gevel |
overgangsrecht: Wet geluidhinder |
geluidwering bij luchtvaartlawaai |
tijdelijk bouwwerk |
|||||||||||
|
artikel |
4.102 |
4.103 |
4.103a |
4.103b |
4.103c |
4.104 |
4.105 |
||||||||||
|
lid |
* |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
1 – |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
|||
|
1 |
Woonfunctie |
||||||||||||||||
|
a |
woonwagen |
* |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
– |
– |
– |
– |
|||
|
b |
andere woonfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
||
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
||||||||||||||||
|
a |
voor kinderopvang |
* |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
||
|
b |
andere bijeenkomstfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
3 |
Celfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
||
|
5 |
Industriefunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
6 |
Kantoorfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
7 |
Logiesfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
||
|
9 |
Sportfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
10 |
Winkelfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
||
M
In artikel 4.103a wordt ‘eerste, lid’ vervangen door: ‘eerste lid,’.
N
Artikel 4.103c komt te luiden:
1. Als de regels voor het bouwwerk deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, of voorschriften voor het bouwwerk zijn gesteld in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de wet, is artikel 4.103b, tweede lid, onder a, van overeenkomstige toepassing op een uitwendige scheidingsconstructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd.
2. Als voor een bouwwerk in het geluidaandachtsgebied, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, van een weg, spoorweg of industrieterrein het gezamenlijke geluid, bedoeld in artikel 4.103, eerste lid, onder a, niet is bepaald in een van de in dat onderdeel genoemde besluiten, wordt het gezamenlijke geluid berekend volgens bij ministeriële regeling gestelde regels op basis van in ieder geval:
a. de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting die op grond van artikel IX van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de wet, waarbij voor wegen de gehanteerde aftrek op basis van artikel 110g van de Wet geluidhinder wordt opgeteld; of
b. in gevallen, bedoeld in het eerste lid, de geluidbelasting die ten grondslag ligt aan het omgevingsplan of de omgevingsvergunning, bedoeld in dat lid; en
c. het geluid van luchtvaart, als dat is opgenomen in het geluidregister, bedoeld in artikel 11.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
O
In artikel 4.148, tweede lid, wordt ‘tabel 4.148’ vervangen door ‘de tabellen 4.148A of 4.148B’.
P
In artikel 4.149, eerste, tweede en vierde lid, wordt ‘tabel 4.148’ vervangen door ‘tabel 4.148A’.
Q
In artikel 4.149a vervalt ‘van 7 juli 2020 zoals gepubliceerd op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/12/17/ kostenoptimaliteitsstudie-beng-eisen’.
R
In artikel 4.152, eerste, derde, vijfde, zesde en achtste lid, wordt ‘tabel 4.148’ vervangen door ‘tabel 4.148B’.
S
In artikel 4.156 wordt ‘is artikel 4.152’ vervangen door ‘zijn de artikelen 4.152 en 4.153’.
T
In artikel 4.241, tweede lid, vervallen ‘te bouwen’ en ‘2012’.
U
Tabel 5.8 komt te luiden:
|
gebruiksfunctie |
leden van toepassing |
|||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
constructieve veiligheid |
constructieve veiligheid bij brand |
hoogte afscheiding |
beperken van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie |
beperking van het ontwikkelen van brand en rook |
beperking van uitbreiding van brand |
verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van rook |
bescherming tegen geluid van gebouwinstallaties |
luchtverversing |
afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht |
verblijfsgebied en verblijfsruimte |
toiletruimte |
badruimte |
energiezuinigheid |
vluchten bij brand |
technische bouwsystemen |
|||||||||||||||
|
artikel |
5.9 |
5.10 |
5.10a |
5.11 |
5.12 |
5.13 |
5.13a |
5.14 |
5.15 |
5.16 |
5.17 |
5.18 |
5.19 |
5.20 |
5.20a |
5.21 |
||||||||||||||
|
lid |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
1 |
2 |
* |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
* |
1 |
2 |
||
|
1 |
Woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
* |
1 |
2 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
* |
1 |
2 |
|
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
a |
voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
b |
andere kinderopvang |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
c |
andere bijeenkomstfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
3 |
Celfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
5 |
Industriefunctie |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
a. |
lichte industriefunctie voor het houden van dieren |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
2 |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
b. |
andere industriefunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
7 |
Logiesfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
a |
basisonderwijs |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
b |
andere onderwijsfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
9 |
Sportfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
10 |
Winkelfunctie |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
4 |
5 |
– |
1 |
2 |
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
a. |
voor het personenvervoer |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
|
|
b. |
andere overige gebruiksfunctie |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
a. |
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
|
|
b |
voor langszaam verkeer |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
1 |
– |
* |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
|
|
c |
ander bouwwerk geen gebouw zijnde |
1 |
2 |
3 |
* |
– |
* |
1 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
|
V
Aan artikel 5.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Op het verbouwen van een drijvend bouwwerk zijn de artikelen 4.15a tot en met 4.15e van toepassing.
W
In artikel 5.23, tweede lid, onder b, wordt ‘geheel vernieuwd wordt’ vervangen door ‘geheel wordt vernieuwd’.
X
Artikel 6.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onder a, wordt ‘de melder’ vervangen door ‘degene die de activiteit, bedoeld in artikel 6.1, verricht,’ en wordt ‘de gemachtigde’ vervangen door ‘degene die is gemachtigd’.
2. In het eerste lid, onder c, wordt ‘ligging’ vervangen door ‘de ligging’.
2. In het tweede lid wordt ‘de melder’ vervangen door ‘degene die de activiteit, bedoeld in artikel 6.1, verricht,’.
Y
In artikel 6.14, eerste lid, onder d, wordt ‘bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.3’ vervangen door ‘bedoeld in de paragrafen 3.2.7 en 4.2.7’.
Z
Artikel 6.31 vervalt.
AA
In artikel 7.5, derde lid, wordt na ‘Een maatwerkvoorschrift’ ingevoegd ‘of vergunningvoorschrift’.
AB
Artikel 7.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onder b, wordt ‘zal verrichten’ vervangen door ‘gaat verrichten’.
2. In het eerste lid, onder e, wordt ‘zal plaatsvinden’ vervangen door ‘gaat plaatsvinden’.
3. In het eerste lid vervalt onderdeel f, onder vernummering van de onderdelen g, h en i tot de onderdelen f, g en h.
4. Het eerste lid, onder h (nieuw), komt te luiden:
h. als de melding is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke schatting meer dan 10 m3 bedraagt:
1°. een beschrijving van de maatregelen om te voldoen aan artikel 7.19a, eerste lid; en
2°. de risicomatrix en, voor zover van toepassing, het sloopveiligheidsplan en de naam en contactgegevens van de veiligheidscoördinator directe omgeving, en andere gegevens en bescheiden over de maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van de sloopwerkzaamheden.
AC
In artikel 7.15, tweede lid, wordt ‘Bij een bouw- en sloopplaats van een te bouwen of te slopen gebouw wordt’ vervangen door ‘Bij het bouwen of slopen van een gebouw wordt bij de bouw- en sloopplaats’.
AD
In artikel 7.22, tweede lid, wordt ‘51a, derde en vijfde lid’ vervangen door ‘artikel 4.51a, derde en vijfde lid’.
AE
In artikel 7.35 wordt ‘bedoeld in artikel 2.2’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 7.30’.
AF
In het opschrift van paragraaf 7.2.3 wordt ‘Materiële regels’ vervangen door ‘Inhoudelijke regels’.
AG
In het opschrift van artikel 7.38 wordt ‘materiële regels’ vervangen door ‘inhoudelijke regels’.
AH
In bijlage I, onder A, wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:
publicatie die door het Kennisinstituut voor de Installatiesector is uitgegeven;
rijstrook als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1a wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.
2. Na ‘20.16, eerste lid, van de wet’ volgt een punt en vervalt ‘artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, en 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet.’
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Dit artikel berust ook op:
a. artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet subsidies I en M; en
b. de artikelen 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, en 3.7 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet.
B
In de artikelen 2.0f, eerste lid, en 2.0k, eerste lid, wordt ‘het nationaal waterprogramma’ vervangen door ‘het nationale waterprogramma’.
C
In artikel 2.17, vijfde lid, wordt ‘Het eerste, tweede en vierde lid zijn’ vervangen door ‘Het eerste tot en met het vierde lid is’.
D
In de artikelen 3.38, derde lid, onder c en d, 5.74, eerste lid, 5.76, tweede en derde lid, onder b, onder 1° en 2°, 8.19, tweede lid, 8.41, aanhef, 8.42, eerste en tweede lid, 11.50, eerste lid, onder b, en onder c, onder 1°, 2° en 3° en 11.52, eerste lid, onder c en e, onder 1° en 2°, vervalt ‘dB’.
E
In artikel 3.69, eerste lid, onder b, wordt na ‘invasieve uitheemse soorten’ ingevoegd ‘als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving’.
F
In artikel 4.2a wordt ‘het nationaal nec-programma’ vervangen door ‘het nationale nec-programma’.
G
In artikel 4.20 wordt ‘vooor’ vervangen door ‘voor’.
H
In artikel 5.3, derde lid, wordt ‘een buitenplanse omgevingsplanactivieit’ vervangen door ‘een buitenplanse omgevingsplanactiviteit’.
I
In artikel 5.40, tweede lid, onder e, wordt ‘gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde,’ vervangen door ‘bouwwerken’.
J
Artikel 5.51, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te luiden:
a. de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen, niet zijnde een activiteit als bedoeld in artikel 5.50, eerste lid;.
2. Onder verlettering van onderdeel b tot onderdeel c wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of.
K
In artikel 5.53, derde lid, wordt ‘het gebruik van wegen’ vervangen door ‘een toename van de verkeersintensiteit’.
L
Artikel 5.76, derde lid, onder a, komt te luiden:
a. civiele schietbaan als bedoeld in het eerste lid, onder a, of combinatie van schietbanen, een lagere of hogere waarde bevatten, mits die waarde niet hoger is dan 55 Bs,dan; of.
M
In artikel 5.78ae, tweede lid, onder a en b, wordt ‘paragraaf 5.1.4.2.3’ vervangen door ‘paragraaf 5.1.4.2a.3’.
N
Artikel 5.89o wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onder a wordt ‘artikelen 4.1273’ vervangen door ‘artikel 4.1273’.
2. In het eerste lid, onder b wordt ‘artikelen 4.1289 en 4.1291’ door ‘artikel 4.1289 of 4.1291’.
O
Artikel 5.104 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de begripsomschrijving van houden van landbouwhuisdieren vervalt ‘, met uitzondering van het houden van pelsdieren’.
2. In de begripsomschrijving van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor vervalt ‘, met uitzondering van pelsdieren’.
P
In artikel 5.108, tweede lid, wordt ‘een een concentratiegebied’ vervangen door ‘een concentratiegebied’.
Q
In artikel 5.123, tweede lid, wordt ‘gezamelijke oppervlakte’ vervangen door ‘gezamenlijke oppervlakte’.
R
Aan artikel 6.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. De waterschapsverordening bepaalt dat het bevoegd gezag in afwijking van het vierde lid een omgevingsvergunning kan verlenen als:
a. de aanvraag betrekking heeft op:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;
b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
S
Artikel 6.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a, wordt ‘artikelen 4.1273’ vervangen door ‘artikel 4.1273’.
2. In onderdeel b, wordt ‘artikelen 4.1289 en 4.1291’ vervangen door ‘artikel 4.1289 of 4.1291’.
T
Aan artikel 7.12 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. De omgevingsverordening bepaalt dat in afwijking van wat overeenkomstig het vierde lid in de omgevingsverordening is bepaald, een omgevingsvergunning kan worden verleend als:
a. de aanvraag betrekking heeft op de gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten;
b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
U
In artikel 8.3d wordt ‘de artikelen 4.5, 4.6, 7.5 en 7.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving’ vervangen door ‘de artikelen 4.5, 4.6, 5.3a, 7.5 en 7.23 van het Besluit bouwwerken leefomgeving’.
V
In artikel 8.9, derde lid, wordt ‘ht’ vervangen door ‘het’.
W
In het opschrift van artikel 8.37 wordt ‘koolstofdioxide’ vervangen door ‘kooldioxide’.
X
In artikel 8.62 wordt ‘tot en met 8.75b’ vervangen door ‘tot en met 8.57b’.
Y
In artikel 8.70d, onder a, wordt na ‘weidegronden’ ingevoegd ‘als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving’.
Z
In het opschrift en het eerste lid, onder a, van artikel 8.72 wordt ‘CO2’ vervangen door ‘kooldioxide’.
AA
In artikel 8.74k, eerste lid, wordt ‘11.84, eerste lid,’ vervangen door ‘11.84’.
AB
Aan artikel 8.84 wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als:
a. de aanvraag betrekking heeft op de gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten;
b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
AC
In artikel 9.3a, tweede lid, wordt ‘vierde en vijfde lid’ vervangen door ‘vierde, vijfde en zesde lid’.
AD
In artikel 11.4, onder a, wordt na ‘als het gaat om’ ingevoegd ‘het’.
AE
In artikel 11.22, eerste lid, aanhef, wordt ‘het gebruik van wegen’ vervangen door ‘de verkeersintensiteit van wegen’.
AF
In artikel 11.65, vierde en vijfde lid, wordt ‘artikel 10.64’ vervangen door ‘artikel 11.64’.
AG
In artikel 11.66, eerste lid, wordt ‘verordening goverance’ vervangen door ‘verordening governance’.
AH
In artikel 12.2, derde lid, wordt ‘onder a of d’ vervangen door ‘onder a of c’.
AI
In artikel 12.5, eerste lid, vervalt ‘op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit’.
AJ
In de artikelen 12.12, eerste lid, onder a en b, 12.13, eerste lid, onder a en b en 12.13a, eerste lid, onder a, b, c en d, wordt ‘dB’ vervangen door ‘Lden’.
AK
Afdeling 12.2 komt te luiden:
AL
In artikel 12.26c wordt ‘artikel 15.15, eerste lid, van het Omgevingsbesluit’ vervangen door ‘artikel 15.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit’.
AM
Na artikel 12.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bij de toepassing van artikel 8.0a, tweede lid, is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
AN
Bijlage I, onder A, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:
bebouwingscontour geur als bedoeld in artikel 5.97, of de bebouwde kom, bedoeld in artikel 12.14;
NEN-EN die door de International Organization for Standardization en de International Electrotechnical Commission is vastgesteld;.
2. In de begripsomschrijving nationaal waterprogramma wordt ‘artikel 3.9, tweede lid, onder d’ vervangen door ‘artikel 3.9, tweede lid, onder e’.
AO
In bijlage Va wordt in de eerste en tweede kolom ‘dB’ vervangen door ‘Lden’.
AP
In de tabel bij bijlage Vc, worden onder het kopje ‘Water- en oeverplanten’ de regels
|
Grote waternavel |
Hydrocotyle ranunculoides |
|
Alligatorkruid |
Alternanthera philoxeroides |
|
Grote vlotvaren |
Salvinia molesta |
vervangen door de regels:
|
Alligatorkruid |
Alternanthera philoxeroides |
|
Grote vlotvaren |
Salvinia molesta |
|
Grote waternavel |
Hydrocotyle ranunculoides |
AQ
Bijlage VII, onder E, onder 4, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onder punt 4.1 wordt ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder c,’ vervangen door ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder e,’.
2. Onder punt 4.2 wordt ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder e,’ vervangen door ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder g,’.
3. Onder punt 4.3 wordt ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder f,’ vervangen door ‘artikel 3.25, eerste lid, aanhef en onder h,’.
Het Omgevingsbesluit wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1.1a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt ‘Dit artikel berust op’ vervangen door ‘Dit besluit berust op’.
2. In het eerste lid vervalt ‘5.40, tweede lid,’.
3. In het eerste lid wordt na ‘19.12, vierde lid,’ ingevoegd ‘20.2, zevende lid,’.
B
In artikel 4.11, eerste lid, onder d, wordt ‘of 4.12’ vervangen door ‘4.12’.
C
Artikel 4.14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onder b, wordt na ‘4.11’ een komma ingevoegd.
2. In het zevende lid, aanhef, wordt ‘Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beslist’ vervangen door ‘Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties’.
3. In het zevende lid, onder a, wordt ‘of 4.12’ vervangen door ‘4.12’.
D
In artikel 4.27, derde lid, vervalt ‘, als voor de bouwactiviteit geen omgevingsvergunning is vereist’.
E
Artikel 4.30 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt onder verlettering van de onderdelen d en e tot e en f een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. een activiteit anders dan bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder a tot en met c, of in de artikelen 4.10, eerste lid, 4.12 of 4.13, die geheel of in hoofdzaak plaatsvindt in:
1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied; of
2°. de exclusieve economische zone;.
2. In het derde lid wordt ‘onder a, b of c’ vervangen door ‘onder a, b, c of d’.
F
In artikel 6.2, derde lid, wordt na ‘populaties van exoten’ ingevoegd ‘als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving’.
G
In artikel 8.20, onder b, wordt ‘bouwwerk, geen gebouw zijnde,’ vervangen door ‘bouwwerk geen gebouw zijnde als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving’.
H
In artikel 10.21b, eerste lid, wordt ‘omgevingsvergunning’ vervangen door ‘aanvraag om een omgevingsvergunning’ en wordt ‘is ingediend’ vervangen door ‘ingediend’.
I
In artikel 10.22, tweede lid, onder a, wordt ‘artikel 16.63’ vervangen door ‘artikel 16.57’.
J
In artikel 10.24, eerste lid, onder b, wordt ‘ippcinstallatie’ vervangen door ‘ippc-installatie’.
K
Artikel 10.36dc, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt ‘artikel 11.69b, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’ vervangen door ‘artikel 11.69c, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’.
2. In onderdeel c wordt ‘artikel 11.69b, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’ vervangen door ‘artikel 11.69c, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’.
L
In artikel 10.42a, eerste lid, onder a, wordt ‘artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 1˚ en onder 3˚ tot en met 5˚, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’ vervangen door ‘artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 1˚, onder 3˚ tot en met 5˚ en onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’.
M
In artikel 11.16, eerste lid, onder i, wordt ‘op grond de van’ vervangen door ‘op grond van de’.
N
In artikel 12.6 wordt ‘artikel 15.1, eerste lid, onder j, van de wet’ vervangen door ‘artikel 15.1, eerste lid, onder k, van de wet’.
O
Artikel 13.1a vervalt.
P
Artikel 13.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift komt te luiden:
2. Het eerste lid, onder e, onder 1°, komt te luiden:
1°. bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, onder a, b, c, voor zover het bij die onderdelen gaat om een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg in beheer bij het Rijk of een hoofdspoorweg, of d; en.
Q
Aan afdeling 13.1 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
De bestuursrechtelijke handhavingstaak berust bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving bij het verrichten van de milieubelastende activiteiten, bedoeld in de artikelen 3.184, 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218 en 3.250 van dat besluit, ook bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
R
In artikel 14.2, tweede lid, onder a, vervalt ‘pararaaf’.
S
In artikel 15.2, derde lid, onder c, vervalt ‘of hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer’ en wordt na ‘lijst’ ingevoegd ‘, met uitzondering van gebouwen die zijn gesaneerd door een verkeersmaatregel waarmee een snelheid van 30 km/u is ingesteld en waarvoor geen rijksbijdrage voor geluidwerende maatregelen is ontvangen’.
T
Artikel 15.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na ‘Aanvullingswet geluid Omgevingswet’ ingevoegd ‘, met uitzondering van het gegeven, bedoeld in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 7°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving,’.
2. In het derde lid wordt ‘Aanvullingsbesluit geluid Omgevingsrecht’ vervangen door ‘Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet’.
U
In bijlage I, onder A, wordt in de alfabetische rangschikking een begripsbepaling ingevoegd:
rijstrook als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;.
V
Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:
1. In rij J7, derde kolom, wordt ‘geldende beperkingengebied ; of’ vervangen door ‘geldende beperkingengebied; of’.
2. Rij J9, vierde kolom, komt te luiden:
De vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit of, bij afwezigheid daarvan, het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit.
Het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 7.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift van hoofdstuk 1 wordt ‘ALGEMEEN’ vervangen door ‘ALGEMENE BEPALINGEN’.
2. In artikel 22.33, eerste lid, onder a, wordt na ‘een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet’ ingevoegd ‘, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet’.
3. Artikel 22.41, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. Aan het slot van onderdeel e, onder 3°, vervalt ‘en’.
b. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door ‘; en’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
4. In paragraaf 22.3.2 wordt na artikel 22.52 een artikel ingevoegd, luidende:
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede of tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 juli 2023 van toepassing.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 5 december 2023 van toepassing.
3. Op een activiteit waarop het eerste of tweede lid van toepassing is, is gedurende de periodes, bedoeld in die leden, artikel 22.52 niet van toepassing.
5. In artikelen 22.54, eerste lid en tweede lid, onder b, 22.55, eerste lid, artikel 22.83, eerste lid en tweede lid, onder b, 22.84, aanhef, wordt ‘die op een locatie is toegelaten’ vervangen door ‘dat is toegelaten’.
6. In artikelen 22.54, tweede lid, onder a, 22.83, tweede lid, onder b, wordt ‘die geheel of gedeeltelijk ligt’ vervangen door ‘dat geheel of gedeeltelijk ligt’.
7. In artikel 22.55, tweede lid, wordt ‘een geluidgevoelig gebouw die nog niet aanwezig is’ vervangen door ‘een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is’.
8. Artikel 22.60, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt na ‘uur per dag’ ingevoegd ‘gemiddeld’.
b. In onderdeel i, onder 1°, wordt ‘enig vertrek’ vervangen door ‘enige ruimte’.
c. In onderdeel i, onder 1°, onder i, wordt ‘dit vertrek’ vervangen door ‘die ruimte’.
d. In onderdeel i, onder 1°, onder ii, wordt na ‘in andere gevallen’ ingevoegd ‘dan bedoeld onder i’.
9. In paragraaf 22.3.4.1 wordt na artikel 22.61 een artikel ingevoegd, luidende:
1. Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:
a. tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
b. het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1°. 70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1°;
c. in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
d. in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
e. geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
f. geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
g. geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
h. geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
i. geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
3. Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegeven en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
4. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
b. gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
1°. de grenzen van het terrein; en
2°. de ligging van de gebouwen;
c. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
d. gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
5. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
10. In artikel 22.62, tweede lid, wordt ‘dat niet representatief is voor een activiteit’ vervangen door ‘waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit’.
11. In artikel 22.70, eerste lid, onder j, wordt ‘paragraaf 2.3.20’ vervangen door ‘22.3.21’.
12. In de artikelen 22.76 en 22.80 vervalt ‘dB’.
13. In artikel 22.78 wordt ‘Lden of Lnight’ vervangen door ‘Lden of Lnight’.
14. In artikel 22.88, tweede lid, en tabel 22.3.9 wordt ‘A2trillingssterkte’ vervangen door ‘A2 trillingssterkte’.
15. In de artikelen 22.90, tweede lid, 22.91, eerste lid, aanhef en tweede lid, aanhef, 22.92, aanhef, 22.93, 22.94, aanhef, en 22.95 vervalt ‘, 22.3.6.3’.
16. In artikel 22.90, tweede lid, wordt ‘een geurgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten’ vervangen door ‘een geurgevoelig object dat is toegelaten’.
17. Artikel 22.91 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘artikel 2.3.6.1.1, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 22.90, tweede lid’ en wordt ‘een geurgevoelig gebouw die voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten’ vervangen door ‘een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten’.
b. In het tweede lid wordt ‘In afwijking van het eerste lid’ vervangen door ‘In afwijking van artikel 22.90, eerste lid’.
18. In artikel 22.103, eerste lid, wordt ‘bedoeld in tabel 22.3.12’ vervangen door ‘bedoeld in tabel 22.3.13’.
19. In artikel 22.103 wordt in het opschrift van tabel 22.3.12 ‘22.3.12’ vervangen door ‘22.3.13’.
20. Paragraaf 22.3.6.3 vervalt.
21. In het opschrift van tabel 2.3.26 wordt ‘2.3.26’ vervangen door ‘22.3.26’.
22. Artikel 22.141, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel i wordt ‘NEN-EN-ISO 14403-1:2012’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 14403-1’ en wordt ‘NEN-EN-ISO 14403-2:2012’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 14403-2’.
b. In onderdeel j wordt ‘NEN-EN-ISO 15923-1’ vervangen door ‘NEN-ISO 15923-1’.
c. Aan het slot van onderdeel s vervalt ‘en’.
d. Aan het slot van onderdeel t wordt de punt vervangen door ‘; en’.
e. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
u. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
23. Artikel 22.150, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt ‘ISO 5815-1 of NEN-EN 1899-1’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 5815-1/2’;
b. In onderdeel b vervalt ‘NEN-6633 of’.
24. In het opschrift van paragraaf 22.3.8.5 wordt ‘Lozen bij reinigen van bouwwerken’ vervangen door ‘Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken’.
25. In artikel 22.154 wordt na ‘afkomstig van reinigingswerkzaamheden’ ingevoegd ‘, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden’.
26. Artikel 22.155 komt te luiden:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
27. Artikel 22.163 komt te luiden:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
28. In artikel 22.168, eerste lid, aanhef, wordt ‘artikel 22.162’ vervangen door ‘artikel 22.167’.
29. In artikel 22.179, tweede lid, wordt ‘artikel 22.3.28’ vervangen door ‘tabel 22.3.28’.
30. In artikel 22.180, derde lid, onder a, vervalt ‘NEN 6633 of’.
31. In artikel 22.215, tweede lid, aanhef, wordt ‘artikel 22.209, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 22.214, eerste lid’.
32. In artikel 22.217 wordt ‘Artikel 22.211’ vervangen door ‘Artikel 22.216’.
33. In artikel 22.239, tweede lid, onder b, wordt na ‘waarop de activiteit wordt verricht’ ingevoegd ‘, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar’.
34. In artikel 22.241, eerste lid, aanhef, wordt ‘artikel 22.241’ vervangen door ‘artikel 22.240’.
35. Artikel 22.262 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt na ‘opslagtanks’ ingevoegd ‘met een inhoud van meer dan 150 l’.
b. In het tweede lid, onder c, wordt onder vernummering van onderdelen 1° en 2° tot onderdelen 2° en 3° een onderdeel ingevoegd, luidende:
1°. de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;.
36. In artikel 22.267, eerste lid, onder b, wordt ‘m3vaste mest’ vervangen door ‘m3 vaste mest’
37. In artikel 22.278, eerste lid, onder a, wordt na ‘een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet’ ingevoegd ‘, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet’.
38. Onder vernummering van paragrafen 22.5.2.1, 22.5.2.2, 22.5.2.3 en 22.5.2.4 tot 22.5.2.2, 22.5.2.3, 22.5.2.4 en 22.5.2.5 wordt na paragraaf 22.5.2 een paragraaf ingevoegd, luidende:
39. Bijlage I bij artikel 1.1, tweede lid, van het omgevingsplan, wordt als volgt gewijzigd:
a. De begripsbepaling ‘ISO 5815-1’ vervalt.
b. In de alfabetische rangschikking worden twee begripsbepalingen ingevoegd, luidende:
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
c. In de begripsomschrijving van NEN 6600-1 wordt ‘NEN 6600-1:2009’ vervangen door ‘NEN 6600-1:2019’ en wordt ‘versie 2009’ vervangen door ‘versie 2019’.
d. De begripsbepalingen NEN 6633 en NEN-EN 1899-1 vervallen.
e. In de begripsomschrijving van NEN-EN-ISO 5667-3 wordt ‘NEN-EN-ISO 5667-3:2012’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 5667-3:2018’ en wordt ‘versie 2012’ vervangen door ‘versie 2018’.
B
Bijlage I behorend bij artikel 7.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. De tweede alinea van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.27 komt te luiden:
Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3°, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.
2. De tweede alinea van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.33 komt te luiden:
Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.
3. Na de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.41, tweede lid, onder f, wordt een nieuwe toelichting ingevoegd, luidende:
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
4. In paragraaf 22.3.2 wordt na de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.52 een nieuwe toelichting ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 juli 2023 respectievelijk 5 december 2023 (de einddata van het tijdvak voor de informatieplicht zoals voorzien in artikel 2.15, tweede en tiende lid, respectievelijk elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a, derde lid, is in dat licht gedurende de periodes, bedoeld in het eerste en tweede lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Onder het nieuwe stelsel van de Omgevingswet is de toepassing van artikel 22.52 en in samenhang daarmee artikel 22.52a vooral van belang voor milieubelastende activiteiten waarvoor niet langer door het Rijk regels worden gesteld in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar door gemeenten in het omgevingsplan. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met voornamelijk lokale effecten, zoals bijvoorbeeld horeca, supermarkten en onderwijsinstellingen. Voor zover voor deze bedrijven en instellingen regels van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden, gaat het om regels uit afdeling 3.2 van dat besluit, de zogenaamde bedrijfstakoverstijgende activiteiten. Op deze bedrijven en instellingen, voor zover deze zijn gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven in beginsel tot 1 juli 2023 respectievelijk 5 december 2023 nog steeds de energiebesparingsplicht en de informatieplicht zoals volgend uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Dit voorkomt onduidelijkheid voor die bedrijven en instellingen en verder wordt daarmee de effectiviteit van de informatieplicht geborgd tot het moment dat gemeenten keuzes hebben gemaakt over omgaan met energiebesparing bij deze bedrijven en naar aanleiding van die keuzes het omgevingsplan al dan niet hebben aangepast. De gemeenten zijn vrij in de keuze van het moment van eventuele aanpassing van het omgevingsplan. Als een gemeente niet tot aanpassing overgaat dan geldt na 1 juli 2023 respectievelijk 5 december 2023 voor alle milieubelastende activiteiten die onder paragraaf 22.3.2 vallen de informatieplicht niet meer voor procesgebonden maatregelen, maar wel voor gebouwgebonden maatregelen, zoals volgend uit artikel 3.84a van het Besluit bouwwerken leefomgeving. De energiebesparingsplicht zelf voor procesgebonden maatregelen blijft dan voor al deze milieubelastende activiteiten wel gelden op grond van artikel 22.52 van dit omgevingsplan tot het moment van eventuele omzetting of aanpassing van of het vervallen van het tijdelijk deel.
5. In paragraaf 22.3.4.1 wordt een nieuwe artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.61a ingevoegd, luidende:
Dit artikel heeft al doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
6. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.62, tweede lid, komt te luiden:
Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt
Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast Hiermee wordt grofweg de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.
Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.
7. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.91, eerste lid, wordt ‘geurgevoelige gebouwen’ vervangen door ‘geurgevoelige objecten’ en wordt ‘deze gebouwen’ vervangen door ‘deze objecten’.
8. In het schema van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.91 wordt in de vierde rij ‘geurgevoelig gebouw’ vervangen door ‘geurgevoelig object’.
9. In de artikelsgewijze toelichting bij paragraaf 22.3.6.2 vervalt ‘Deze paragraaf stelt geen regels voor fokteven van nertsen. Die regels staan in dit omgevingsplan in paragraaf 22.3.6.3.’.
10. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.96, eerste lid, vervalt ‘Regels voor het houden van fokteven voor nertsen worden staan niet in deze paragraaf, maar in de volgende paragraaf van dit omgevingsplan.’.
11. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.101 vervalt ‘In dit artikel gaat het dus om het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor behalve pelsdieren. De geur door het houden van fokteven van nertsen is geregeld in paragraaf 22.3.6.3.’.
12. De artikelsgewijze toelichting bij paragraaf 22.3.6.3 vervalt.
13. In het opschrift van paragraaf 22.3.8.5 wordt ‘Lozen bij reinigen van bouwwerken’ vervangen door ‘Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken’.
14. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.154 komt te luiden:
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.
15. De tweede alinea van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.155 komt te luiden:
Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.
16. In paragraaf 22.3.9 wordt in het opschrift van artikel 22.165 ‘artikel 22.165 Toepassingsbereik’ vervangen door ‘artikel 22.170 Toepassingsbereik’.
17. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.259, eerste en derde lid, wordt na ‘de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder’ ingevoegd ‘Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het ‘loslaten’ uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.’.
18. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.262 wordt als volgt gewijzigd:
a. In de artikelsgewijze toelichting bij het eerste lid wordt ‘in meer dan twee opslagtank’ vervangen door ‘in meer dan twee opslagtanks’.
b. In de artikelsgewijze toelichting bij het tweede lid wordt ‘komen overeen met de gegevens en bescheiden’ vervangen door ‘komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden’ en wordt ‘de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt’ vervangen door ‘geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt’.
19. Onder vernummering van paragrafen 22.5.2.1, 22.5.2.2, 22.5.2.3 en 22.5.2.4 tot 22.5.2.2, 22.5.2.3, 22.5.2.4 en 22.5.2.5 wordt na paragraaf 22.5.2 een paragraaf ingevoegd, luidende:
20. In het opschrift van paragraaf 22.3.4.3 wordt ‘22.3.4.3’ vervangen door ‘22.3.4.4’.
C
Artikel 7.3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan artikel 1.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:
a. de aanvraag betrekking heeft op:
1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;
b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
2. Artikel 2.19, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt ‘ISO 5815-1 of NEN-EN 1899-1’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 5815-1/2’.
b. In onderdeel b vervalt ‘NEN 6633 of’.
c. In onderdeel c wordt ‘NEN-ISO 15923’ vervangen door ‘NEN-ISO 15923-1’.
d. In onderdeel e wordt ‘NEN-EN-ISO 15923-1’ vervangen door ‘NEN-ISO 15923-1’.
3. Artikel 2.33, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel b, vervalt ‘NEN 6633 of’.
b. In onderdeel f wordt ‘NEN-ISO 15923’ vervangen door ‘NEN-ISO 15923-1’.
c. In onderdeel h wordt ‘NEN-EN-ISO 15923-1’ vervangen door ‘NEN-ISO 15923-1’.
4. In artikel 2.35, eerste lid, aanhef, wordt ‘de artikelen 2.32 en 22.34’ vervangen door ‘de artikelen 2.32 en 2.34’.
5. In artikel 2.36 vervallen onderdeel a alsmede de aanduiding ‘b.’ voor onderdeel b.
6. In artikelen 2.39, aanhef en 2.42, eerste lid, onder b, wordt ‘artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’ vervangen door ‘artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’.
7. Artikel 2.51, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel c wordt ‘ISO 5815-1/2 of NEN-EN 1899-1/2; en’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 5815-1/2;’.
b. In onderdeel d vervalt ‘NEN 6633 of’ en wordt aan het slot de punt vervangen door ‘; en’
c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
8. In artikel 3.1, tweede lid, onder b, wordt ‘in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen melding van de wateronttrekkingsactiviteit hoeft te worden gedaan’ vervangen door ‘het bepaalde in dat lid in strijd is met regels in het tijdelijke deel van deze waterschapverordening, bedoeld in artikel 4.7, onder a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet’.
9. Bijlage I bij artikel 1.1 van deze waterschapsverordening wordt als volgt gewijzigd:
a. De begripsbepaling ‘ISO 5815-1’ vervalt.
b. In de alfabetische rangschikking worden negen begripsbepalingen ingevoegd, luidende:
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN 6646/C1:2015: Water Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water Bepaling van fosfor Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004;
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water Bepaling van ammonium stikstof Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005;
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005;
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018;
NEN-ISO 5663:1993: Water Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993;
c. De begripsbepalingen ‘NEN 6633’ en ‘NEN-EN 1899-1’ vervallen.
d. In de begripsomschrijving van NEN 6600-1 wordt ‘NEN 6600-1:2009’ vervangen door ‘NEN 6600-1:2019’ en wordt ‘versie 2009’ vervangen door ‘versie 2019’.
e. In de begripsomschrijving van NEN-EN-ISO 5667-3 wordt ‘NEN-EN-ISO 5667-3:2012’ vervangen door ‘NEN-EN-ISO 5667-3:2018’ en wordt ‘versie 2012’ vervangen door ‘versie 2018’.
D
Bijlage II behorend bij artikel 7.25 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.51 vervalt ‘die voor het analyseren van het chemisch zuurstofverbruik niet alleen NEN 6633 van toepassing verklaren maar ook NEN-ISO 15705’.
2. De tweede alinea van de artikelsgewijze toelichting bij artikel 22.27 komt te luiden:
In het tijdelijke deel van deze waterschapsverordening kunnen bepalingen staan die strijdig zijn met het bepaalde het eerste lid. Zo kan een uitzondering zijn opgenomen voor de plicht om gegevens en bescheiden te verstrekken (in de terminologie van de Waterwet: een melding te doen). In dat geval hoeven de gegevens en bescheiden niet te worden verstrekt. Ook kan de waterschapverordening een andere termijn dan vier weken bevatten of een verbod om de activiteit te beginnen voordat een melding is gedaan.
De strijdigheid van dit artikel met de regels in het tijdelijke deel van de waterschapverordening ziet alleen op dit soort procedurele vereisten. Dit omdat artikel 6.11 Waterbesluit verder uitputtend is en daardoor in het tijdelijk deel van de waterschapsverordening, bedoeld in artikel 4.7, onderdeel a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet, geen (rechtsgeldige) inhoudelijke meldingsvereisten opgenomen kunnen zijn.
3. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.1 komt te luiden:
Als voor het onttrekken van grondwater op grond van de waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, moeten hierover gegevens en bescheiden worden verstrekt. Dit was voorheen geregeld in het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit. De gegevens en bescheiden die moeten worden verstrekt, zijn ontleend aan de aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen voor grondwateronttrekkingen in de Omgevingsregeling. Ook in de voormalige Waterregeling waren de te verstrekken gegevens en bescheiden gelijk aan de indieningsvereisten voor een watervergunning.
In het tijdelijke deel van deze waterschapsverordening kunnen bepalingen staan die strijdig zijn met het eerste lid. Zo kan een uitzondering zijn opgenomen voor de plicht om gegevens en bescheiden te verstrekken (in de terminologie van de Waterwet: een melding te doen). In dat geval hoeven de gegevens en bescheiden niet te worden verstrekt.
Ook kan de waterschapverordening een andere termijn dan vier weken bevatten of een verbod om de activiteit te beginnen voordat een melding is gedaan.
De strijdigheid van dit artikel met de regels in het tijdelijke deel van de waterschapverordening ziet alleen op dit soort procedurele vereisten. Dit omdat artikel 6.11 Waterbesluit uitputtend is en daardoor in het tijdelijk deel van de waterschapsverordening, bedoeld in artikel 4.7, onderdeel a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet, geen (rechtsgeldige) inhoudelijke meldingsvereisten opgenomen kunnen zijn.
E
Artikel 8.1.10 komt te luiden:
Aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege als bedoeld in artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.13, 3.106, eerste lid, onder a, b, c, d, e of f, 3.115, onder c, 3.125, eerste lid, onder c, 3.130, onder a, b, c, d, e, h of i, 3.137, 3.153, 3.164, 3.174, 3.202, 3.281 of 3.332, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is geen termijn verbonden.
F
Na artikel 8.2.21 wordt de volgende paragraaf ingevoerd:
Voor een aanwijzing als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moet beschikken, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geldt de begrenzing van die inrichting als de begrenzing van de locatie waarop de aanwijzing om te beschikken over een bedrijfsbrandweer van toepassing is, bedoeld in artikel 7.3, derde lid, van het Besluit veiligheidsregio’s.
Het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel II, onderdeel D, wordt ‘bijlage XIIIa’ vervangen door ‘bijlage XIIIb’.
B
Artikel II, onderdeel J, aanhef, komt te luiden:
J
Na bijlagen Va en Vc worden bijlagen Vb en Vd ingevoegd en na bijlage XIII worden onder vernummering van bijlage XIIIb tot bijlage XIIIc bijlagen XIIIa en XIIIb ingevoegd, luidende:
C
Artikel VII wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel A vervalt ‘Onze Ministers’ en de bijbehorende begripsomschrijving.
2. In onderdeel J vervalt ‘ 66,’.
3. Er wordt een onderdeel ingevoegd:
Ja
Artikel 66, eerste lid, alsmede de aanduiding ‘2.’ voor het tweede lid vervallen.
D
In artikel XVI, vijfde lid, wordt ‘artikel 32b’ vervangen door ‘artikel 33b’.
In de bijlage bij artikel 2, eerste lid, van het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken wordt de categorie Omgevingswet als volgt gewijzigd:
1. Na het opschrift worden in de opsomming twee onderdelen ingevoegd, luidende:
− (artikel 2.43, eerste lid, in samenhang met artikel 3.53, derde en vierde lid, onder a tot en met c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving) besluit van het bevoegd gezag om geen of minder geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw te treffen;
− (artikel 2.43, eerste lid, in samenhang met artikel 3.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) besluit van het bevoegd gezag om een besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw te wijzigen in een besluit om geen geluidwerende maatregelen aan dat gebouw te treffen;.
2. In de opsomming wordt na het onderdeel met de verwijzing naar artikel 4.5 in samenhang met artikel 3.7, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving een onderdeel ingevoegd, luidende:
− (artikel 4.5, eerste lid, in samenhang met artikel 5.23a, aanhef en onder b, van het Besluit bouwwerken leefomgeving) door het bevoegd gezag gesteld maatwerkvoorschrift bij wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan inhoudende dat de waarde, bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, wordt versoepeld tot ten hoogste 38 dB;.
3. In de numerieke volgorde van de opsomming worden vier onderdelen ingevoegd, luidende:
− (artikel 10.13, eerste lid) door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgelegde gedoogplicht voor het tot stand brengen of opruimen van een werk voor infrastructuur of water;
− (artikel 10.13, tweede lid) door het dagelijks bestuur van een waterschap opgelegde gedoogplicht voor het tot stand brengen of opruimen van een werk ter uitvoering van een projectbesluit waarop artikel 5.46, tweede lid, van de Omgevingswet van toepassing is;
− (artikel 10.14) door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgelegde gedoogplicht voor het tot stand brengen of opruimen van een werk voor energie of mijnbouw;
− (artikel 10.15) door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat opgelegde gedoogplicht voor het tot strand brengen of opruimen van werken voor grenswateren als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag;.
In artikel 21a, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer wordt ‘de artikelen 5.78m, tweede en derde lid, 5.78n en 5.78o van het Besluit kwaliteit leefomgeving’ vervangen door ‘de artikelen 5.78i, 5.78m, tweede en derde lid, 5.78n en 5.78o van het Besluit kwaliteit leefomgeving’.
Het Besluit bodemkwaliteit wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 vervalt ‘Onze Ministers’ en de bijbehorende begripsomschrijving.
B
In de artikelen 9, tweede lid, 10, eerste lid, 11, derde lid, 12, tweede lid, 17, eerste en tweede lid, 19 en 20, wordt ‘Onze Ministers’ vervangen door ‘Onze Minister’.
C
In de artikelen 9, eerste lid, 10, derde lid, 23, eerste, tweede en derde lid en 25, eerste lid, wordt ‘Onze Ministers kunnen’ vervangen door ‘Onze Minister kan’.
D
In artikel 9, vierde lid, wordt ‘Onze Ministers stellen’ vervangen door ‘Onze Minister stelt’ en wordt ‘door hen aangewezen website’ vervangen door ‘door Onze Minister aangewezen website’.
E
In artikel 11, eerste lid en artikel 12, derde lid, wordt ‘Onze Ministers beslissen’ vervangen door ‘Onze Minister beslist’.
F
In artikel 11, tweede lid, wordt ‘Onze Ministers verlenen’ vervangen door ‘Onze Minister verleent’.
G
In artikel 23, zesde lid, wordt ‘kunnen Onze Ministers’ vervangen door ‘kan Onze Minister’.
H
In artikel 24 wordt ‘Onze Ministers verwerken’ vervangen door ‘Onze Minister verwerkt’.
I
Artikel 55, eerste lid, komt te luiden:
1. De gemeenteraad legt ten behoeve van het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, niet zijnde de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, van het gebied binnen de gemeente op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, vast.
J
Na artikel 79 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Een kaart van de bodemfunctieklassen van het gebied binnen een gemeente die is vastgesteld op grond van artikel 55, eerste lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel 1, van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022, geldt als een bodemfunctieklassenkaart op grond van artikel 55, eerste lid, zoals dat luidt na de inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel 1, van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022.
Het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2020, 348) wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel III wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef wordt ‘afdeling 3.5’ vervangen door ‘afdeling 3.7’.
b. ‘Afdeling 3.6 (Gasverbrandingsinstallaties)’ wordt vervangen door ‘AFDELING 3.8 GASVERBRANDINGSINSTALLATIES’.
c. De artikelen 3.35 tot en met 3.37 worden vernummerd tot de artikelen 3.73 tot en met 3.75.
d. In artikel 3.73, onder a, (nieuw) wordt ‘Certificaat’ vervangen door ‘certificaat’.
e. In artikel 3.73, onder b, (nieuw) wordt ‘Certificaathouder’ vervangen door ‘certificaathouder’.
f. In artikel 3.74, eerste lid, (nieuw) wordt ‘artikel 3.37, eerste lid,’ vervangen door ‘artikel 3.75, eerste lid,’.
g. In artikel 3.74, tweede lid, aanhef, (nieuw) wordt ‘slechts’ vervangen door ‘alleen’.
h. In artikel 3.74, tweede lid, onder i, (nieuw) wordt ‘artikel 10.14b van het Omgevingsbesluit’ vervangen door ‘artikel 11.26’.
i. In artikel 3.74, vijfde lid, (nieuw) wordt ‘een aanwijzing kan worden verleend of’ vervangen door ‘een aanwijzing geldt of kan worden’.
j. In artikel 3.75, tweede lid, aanhef, (nieuw) wordt na ‘Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie’ ingevoegd ‘,’.
k. In artikel 3.75, tweede lid en derde lid, (nieuw) wordt ‘in elk geval’ vervangen door ‘in ieder geval’.
l. In artikel 3.75, derde lid onder e, (nieuw) wordt ‘het weigeren van een aanvraag om een certificaat’ vervangen door ‘het afwijzen van een aanvraag voor het verkrijgen van een certificaat’.
2. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanhef komt te luiden:
Paragraaf 11.2.2 komt te luiden:.
b. In het opschrift wordt ‘§ 10.2.2’ wordt vervangen door ‘§11.2.2’.
c. De artikelen 10.14a en 10.14b worden vernummerd tot 11.25 en 11.26.
d. In de artikelen 11.25, vierde lid (nieuw), en 11.26, eerste lid, (nieuw), wordt ‘artikel 3.35, onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving’ vervangen door ‘artikel 3.73, onder a,’.
e. In artikel 11.26, tweede lid, (nieuw) wordt ‘artikel 10.14a’ vervangen door ‘artikel 11.25’.
f. In artikel 11.26, vierde lid, (nieuw) wordt ‘met betrekking tot dit verslag’ vervangen door ‘over dit verslag’.
g. In artikel 11.26, vijfde lid, (nieuw) wordt na ‘Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie’ ingevoegd ‘,’.
B
Artikel IV wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 10.26a wordt ‘als bedoeld in artikel 3.36, eerste lid, en artikel 3.37, eerste lid’ vervangen door ‘als bedoeld in de artikelen 3.74, eerste lid, en 3.75, eerste lid’.
De volgende besluiten worden ingetrokken:
– het Besluit verpakkingen en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten; en
– het POP-besluit milieubeheer.
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel IX, onderdelen A tot en met I, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Het is bij de bouw van een nieuw stelsel van regelgeving niet te vermijden dat de regels op onderdelen onvolkomenheden bevatten. Met dit eerste verzamelbesluit worden technische onvolkomenheden opgelost in de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet en de bruidsschat die is opgenomen in het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook worden enkele aan de Omgevingswet gerelateerde technische wijzigingen doorgevoerd in andere AMvB’s.
De keuze om de inwerkingtreding van de Omgevingswet te verschuiven van 1 januari 2022 naar in beginsel 1 juli 2022 maakt het mogelijk een deel van de onvolkomenheden nog voor de inwerkingtreding op te lossen. In de kamerbrief over die keuze is al aangekondigd dat er in de periode tot de inwerkingtreding wordt voorzien in onderhoud om het nieuwe stelsel actueel te houden.1 Inwerkingtreding van dit eerste verzamelbesluit voorafgaand aan de Omgevingswet maakt het mogelijk enkele onvolkomenheden in de bruidsschat op te lossen, die anders door de individuele gemeenten en waterschappen opgelost zouden moeten worden.
Het stelsel van de Omgevingswet integreert met name de ‘gebiedsgerichte’ onderdelen van het omgevingsrecht in één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en uitvoering. De stelselherziening leidt daarmee tot betere mogelijkheden voor integraal beleid, tot betere bruikbaarheid en substantiële vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Dat is nu verdeeld over 26 wetten, circa 60 AMvB’s en circa 75 ministeriële regelingen. Het nieuwe juridische stelsel bestaat uit de Omgevingswet, vier AMvB’s en de Omgevingsregeling. Samen bieden ze het juridische kader voor maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Met dit nieuwe stelsel kan, beter dan voorheen, worden ingespeeld op de dynamiek in de fysieke leefomgeving en de opgaven waarvoor ons land gesteld staat.
De genoemde wettelijke regelingen zijn opgebouwd uit verschillende elementen:
• de basis: de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (verder: Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder: Bkl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling;
• het invoeringsspoor: de Invoeringswet Omgevingswet, het Invoeringsbesluit Omgevingswet en de Invoeringsregeling Omgevingswet;
• de aanvullingssporen: de aanvullingswetten bodem, geluid, grondeigendom en natuur en bijbehorende aanvullings-AMvB’s en -regelingen;
• wijzigingssporen: inmiddels zijn al 6 wijzigingswetten en 15 wijzigings-AMvB’s gepubliceerd die wijzigingen doorvoeren in de Omgevingswet en de vier basis-AMvB’s naar aanleiding van recente beleidsontwikkeling of de implementatie van internationaalrechtelijke verplichtingen. Voor inwerkingtreding zullen nog andere AMvB’s en regelingen gepubliceerd worden.
Dit besluit bevat technische wijzigingen van ondergeschikte betekenis in de vier AMvB’s onder de Omgevingswet. Het gaat om wijzigingen die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of slechts strekken tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen (zie artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet).
In het besluit zijn onvolkomenheden meegenomen die aan het licht zijn gekomen tot augustus 2021 (einde internetconsultatie) en die oplosbaar zijn door een technische wijziging. Verwacht wordt dat ook na de afronding van dit besluit en na inwerkingtreding van de Omgevingswet onvolkomenheden gesignaleerd zullen worden. Voorzien is daarom dat er meer verzamelbesluiten zullen volgen, die mogelijk ook andere dan technische wijzigingen zullen bevatten. Ook de geplande evaluaties van het stelsel kunnen leiden tot bijstelling van onderdelen van het stelsel.
Wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van de energietransitie, erfgoed, infrastructuur, milieu, natuur, ruimte, water of wonen, zijn niet opgenomen in dit besluit. Ook biedt dit besluit geen antwoord op recente rechterlijke uitspraken die mogelijk gevolgen hebben voor het stelsel.2 Dergelijke wijzigingen vergen een eigen voorbereidingstraject met consultatie van maatschappelijke partijen en in het algemeen ook een inhoudelijke politieke behandeling. Als dergelijke trajecten wijzigingen van de AMvB’s onder de Omgevingswet vergen, worden die niet opgenomen in een verzamelbesluit, maar in een apart wijzigingsbesluit dat door de verantwoordelijke bewindspersoon in consultatie wordt gebracht en vervolgens wordt voorgehangen bij het parlement, waarna advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State en vaststelling volgen.
Verder zijn geen wijzigingen opgenomen die een wetswijziging zouden vergen, ook als het slechts een wetswijziging van technische aard is. Een technische wetswijziging, die altijd een volledige parlementaire behandeling moet doorlopen, wordt pas voorzien na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
De wijzigingen opgenomen in dit besluit betreffen:
• het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel I);
• het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel II);
• het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel III);
• het Omgevingsbesluit (artikel IV);
• het Invoeringsbesluit Omgevingswet (artikel V);
• het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (artikel VI);
• het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (artikel VII);
• het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (artikel VIII);
• het Besluit bodemkwaliteit (artikel IX);
• het besluit tot wijziging van het Bouwbesluit 2012, Bbl, Bkl en Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (artikel X);
• intrekken van twee besluiten die niet meer van toepassing zijn (artikel XI).
Dit besluit bevat verbeteringen in de implementatie van de kaderrichtlijn water (de gewijzigde artikelen 6.2, 7.12 en 8.84 van het Bkl) en de richtlijn industriële emissies (de gewijzigde artikelen 4.65 en 4.96a van het Bal en het nieuwe artikel 4.73a van het Bal).3
Dit besluit bevat zoals beschreven in hoofdstuk 1 technische wijzigingen. Deze zijn te onderscheiden in een aantal typen, die in dit hoofdstuk worden toegelicht. Het grootste deel van de wijzigingen betreft puur technische punten zoals het oplossen van verschrijvingen en inconsistenties en actualisering in verband met wijzigingen in andere regelgeving. Een kleiner deel betreft het corrigeren van inhoudelijke omissies.
Het besluit corrigeert enkele verschrijvingen in artikelteksten, bijvoorbeeld een ontbrekend woord in een zin, een typefout, of een afwijking van de schrijfwijze van de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Spellingwet. Ook komt het voor dat de eisen in een opsomming per abuis als cumulatieve eisen zijn geformuleerd, terwijl alternatieve eisen bedoeld waren, of omgekeerd.
Dit besluit corrigeert ook foutieve artikelverwijzingen, die soms zijn ontstaan doordat parallel aan diverse wetgevingsproducten is gewerkt.
Ook worden enkele eerder beoogde wijzigingen alsnog doorgevoerd. Deze bleken niet aan te grijpen omdat de tekst die vervangen had moeten worden verkeerd was aangehaald.
Dit besluit neemt verder een aantal inconsistenties weg in de AMvB’s. Het gaat dan om gevallen waarbij in de regelgeving verschillende formuleringen of symbolen worden gebruikt terwijl hetzelfde is bedoeld. Dit omvat ook het aanpassen van formuleringen aan de vaste formuleringen die bij de bouw van het stelsel zijn gehanteerd. Een ander voorbeeld is inconsistent gebruik van begrippen. Sommige begrippen werden in een van de AMvB’s gedefinieerd, terwijl in een andere AMvB waarin die begrippen ook voorkwamen per abuis geen verwijzing naar de begripsomschrijving in eerstbedoelde AMvB was opgenomen.
De inhoudelijke wijzigingen in dit besluit betreffen vooral omissies waarbij geconstateerd is dat onderdelen van het voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht niet of niet goed zijn omgezet naar het nieuwe stelsel, het nieuwe stelsel op ondergeschikte punten onvolledig bleek, of het overgangsrecht niet als beoogd zou gaan functioneren. Deze omissies zijn deels via het Informatiepunt Leefomgeving en andere ambtelijke contacten naar voren gebracht door gemeenten, waterschappen, provincies, uitvoeringsdiensten van het Rijk, omgevingsdiensten en adviesbureaus die zich voorbereiden op de invoering van de Omgevingswet. Ook bij de internetconsultatie zijn enkele omissies naar voren gebracht.
Dit betreft:
• het niet laten vervallen van een artikellid in het Besluit bodemkwaliteit door het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, omdat aan dat lid nog wel behoefte blijft bestaan;
• toevoegen van het vereiste van inschrijving van enkele besluiten over geluid en gedoogplichtbesluiten in de openbare registers bij het kadaster;
• wijziging van enkele onderdelen van de regels over milieubelastende activiteiten in het Bal, waaronder:
○ een verbetering van de implementatie van de richtlijn industriële emissies voor afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties;
○ het schrappen van de per abuis ingevoerde verplichting om een afleverbon mee te leveren bij de melding voor het toepassing van bouwstoffen;
○ het aanscherpen van een te ruim geformuleerde uitzondering voor woningen in de de registratieplicht voor gesloten bodemenergiesystemen, waardoor deze blijft gelden voor woongebouwen;
○ het schrappen van een per abuis ingevoerde vergunningplicht voor pijpleidingen, omdat die doubleert met de bestaande vergunningplicht op grond van het Mijnbouwbesluit;
• een correctie van de omzetting uit het Bouwbesluit 2012 naar het Bbl van functionele eisen voor stabiliteit, drijfvermogen en sterkte bij verbouw van drijvende bouwwerken;
• een duidelijker vormgeving van het overgangsrecht voor de hogerewaardebesluiten van de Wet geluidhinder in het Bbl;
• een aanvulling van het Besluit bodemkwaliteit met overgangsrecht dat ervoor zorgt dat bodemfunctiekaarten die door het college van burgemeester en wethouders zijn vastgesteld onderdeel zullen uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, en niet alleen bodemfunctiekaarten die door de gemeenteraad zijn vastgesteld;
• herstel van de implementatie van twee onderdelen van de kaderrichtlijn water in het Bkl, waarbij de bruidsschat voor de waterschapsverordening in lijn is gebracht met de gewijzigde instructieregel in het Bkl;
• toevoegen van overgangsrecht aan het Bkl voor de bebouwingscontouren die onderdeel uitmaken van de geurregels;
• een aanvulling van het Bkl met overgangsrecht voor een op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan;
• verbeteringen in het overgangsrecht voor bestaande activiteiten in het Invoeringsbesluit Omgevingswet (energiebesparende maatregelen en de bijbehorende informatieplicht, de omgevingsvergunning beperkte milieutoets en bedrijfsbrandweeraanwijzingen);
• correcties in de bruidsschat voor het omgevingsplan waarmee het voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht beter wordt omgezet:
○ continuering van een uitzondering voor elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen;
○ toevoeging van een informatieplicht voor activiteiten op een gezoneerde industrieterrein;
○ een correctie op het gebied van niet-representatief geluid van activiteiten;
○ een verbetering in het overgangsrecht voor de geurregels;
○ correcties van de omzetting van het Besluit lozen buiten inrichtingen;
○ een ontbrekende ondergrens bij de regels over opslagtanks voor propaan of propeen.
• een correctie in het Omgevingsbesluit van de regeling voor advies en instemming bij een aanvraag om een omgevingsvergunning in de Noordzee; en
• correcties van administratieve bepalingen in het Omgevingsbesluit over het geluidregister en de saneringslijst.
De vier AMvB’s zijn gepubliceerd in 2018. Met het in 2020 gepubliceerde Invoeringsbesluit Omgevingswet en een in 2021 gepubliceerd verzamelbesluit (Stb. 2021, 200) is het stelsel waar nodig geactualiseerd in verband met wijzigingen in de regelgeving die in de tussentijd hebben plaatsgevonden. Ook zijn recente wijzigingen van regelgeving als ‘dubbelbesluit’ vormgegeven, waarbij beleidsrijke wijzigingen zowel in de bestaande regelgeving als in nieuwe stelsel zijn doorgevoerd. Toch blijken in verband met enkele van die tussentijdse wijzigingen nog aanpassingen nodig te zijn.
Dit betreft:
• vervallen van milieuregels over pelsdierhouderij in het Bal, het Bkl en de bruidsschat, omdat die regels overbodig zijn geworden als gevolg van de versnelde invoering van het verbod op pelsdierhouderij in verband met Covid-19;4
• aanpassen van een verwijzing in het Bbl in verband met de Alcoholwet, die per 1 juli 2021 de Drank- en Horecawet heeft vervangen;
• aanpassen van het Bal aan een recente wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer op het gebied van teerhoudend asfalt;5
• aanpassen van verwijzingen naar begrippen in de Regeling voertuigen in het Bal omdat die begrippen sinds 1 september 2020 een andere grondslag in de Wegenverkeerswet 1994 kennen;
• technisch aanpassen van de begripsbepaling ‘warmtenet’ in verband met een structuurwijziging in artikel 1 van de Warmtewet;6
• actualisering van verwijzingen naar NEN-normen in de bruidsschat en het Bal.
De bepaling in het Omgevingsbesluit die de mede-handhavingstaken voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit regelt bij bepaalde milieubelastende activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden gebruikt bleek bij nader inzien gebaseerd op de verkeerde grondslag en is in dat licht verplaatst.
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in het Bal enkele ondergeschikte verbeteringen in de regelgeving voor milieubelastende activiteiten aan te brengen.
De grondslag voor deze AMvB vormt de Omgevingswet, zoals aangevuld door de Invoeringswet Omgevingswet en de aanvullingswetten bodem, geluid, grondeigendom en natuur. Enkele bepalingen vinden hun grondslag in andere wetten, omdat zij eerdere wijzigingen in de op grond van die wetten vastgestelde AMvB’s corrigeren of omissies oplossen. Het gaat om de Wegenverkeerswet 1994, de Wet bodembescherming, de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en de Wet milieubeheer.
Dit besluit bevat vooral technische verbeteringen en verduidelijkingen. Die verbeteringen hebben slechts als gevolg dat gebruikers na inwerkingtreding minder tijd kwijt zullen zijn op het moment dat zij een artikel toepassen dan wanneer de onvolkomenheid niet zou zijn hersteld.
Het herstel van omissies leidt ertoe dat onbedoelde en onvoorziene gevolgen van die omissies niet optreden. Dit voorkomt ongewenste gevolgen van de overgang naar het nieuwe stelsel. Het voorkomt ook gedoogsituaties die anders waarschijnlijk zouden zijn ontstaan. Voorbeelden daarvan zijn dat de regels van het Bal voor autobergingsbedrijven en pechhulp per abuis ook zien op pechhulp langs de weg en dat de regels in het Bkl per abuis zouden leiden tot het laten vervallen van bestaande maatwerkvoorschriften voor traditioneel schieten.
Actualisering is vaak ook een technische kwestie. In een van de eerdergenoemde gevallen is actualisering nodig om de bedoelde gevolgen van een wijziging in een ministeriële regeling te laten voortbestaan, omdat de regel in het nieuwe stelsel op AMvB-niveau wordt gesteld.
De hier opgenomen technische verbeteringen en verduidelijkingen dragen bij aan de uitvoerbaarheid van het stelsel voor uitvoerende bestuursorganen, voor de normadressaat van regels over activiteiten en voor toezichthouders en handhavers. Dit besluit bevat op het gebied van toezicht of handhaving geen materiële wijzigingen.
Het behoeft geen uitleg dat de correctie van verschrijvingen en het verwijderen van inconsistenties geen directe financiële gevolgen heeft. Wel zullen besparingen optreden omdat gebruikers van de wetgeving na inwerkingtreding minder tijd kwijt zullen zijn op het moment dat zij een artikel toepassen waarin een onvolkomenheid zat. Bij de meer inhoudelijke wijzigingen wordt waar nodig in het artikelsgewijze deel van de toelichting ingegaan op de gevolgen. Er zijn geen wijzigingen met significante gevolgen. Wel worden in enkele gevallen onvoorziene aanscherpingen en onvoorziene versoepelingen ten opzichte van de voor de Omgevingswet geldende regelgeving teruggedraaid. Die zouden als besparingen respectievelijk lasten van dit besluit kunnen worden gezien, maar ten opzichte van de oude regelgeving is er geen lasteneffect. Die besparingen en lasten kunnen ook niet worden betrokken bij financiële berekeningen over de kosten en opbrengsten van de stelselherziening. Bij dergelijke berekeningen is immers uitgegaan van de beoogde werking van de regelgeving en is geen rekening gehouden met onvolkomenheden.
Kosten voor kennisneming van de wijzigingen zullen worden weggenomen doordat snel een geconsolideerde versie zal worden aangeboden via het Informatiepunt Leefomgeving. Ook nu al zijn geconsolideerde versies onmisbaar voor kennisneming van de AMvB’s.
Deze wijzigingen vergen geen aparte evaluatie. Evaluatie vindt plaats als onderdeel van de evaluatie van het stelsel van de Omgevingswet.
Op grond van artikel 23.4, eerste lid, van de Omgevingswet wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om gedurende een periode van ten minste vier weken langs elektronische weg opmerkingen te maken over het ontwerp van een AMvB. Deze internetconsultatie heeft plaatsgevonden in de periode van 16 juli tot 27 augustus 2021.
Voorhang van dit besluit bij beide Kamers van de Staten-Generaal is op grond van artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet niet vereist. Dit besluit bevat zoals beschreven in hoofdstuk 1 slechts wijzigingen van ondergeschikte betekenis die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of die strekken tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Voor enkele besluiten die in dit verzamelbesluit worden gewijzigd geldt dat zij niet zijn gebaseerd op de Omgevingswet, maar op de Wet bodembescherming. Hoewel de wet in beginsel voorpublicatie, voorhang en nahang verplicht stelt, gelden deze vereisten in dit geval niet. Dit volgt uit artikel 5.2 van de Invoeringswet Omgevingswet en artikel 4.1 van de Aanvullingswet bodem. Hierin is bepaald op de voorbereiding van een AMvB in verband met respectievelijk de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem, onder meer artikel 23.5 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing is en de wettelijke voorschriften omtrent voorpublicatie, voor- en nahang niet gelden.
Er zijn bij de internetconsultatie opmerkingen ontvangen van twee burgers, vier adviesbureaus, drie omgevingsdiensten, drie gemeenten, Brandweer Nederland-RCD, ProRail BV, Schiphol NV, de Stichting Natuur & Milieu in samenwerking met de Vereniging Natuurmonumenten, de Vewin en de Vereniging Afvalbedrijven. Ook zijn reacties ontvangen van de VNG, de UvW en het IPO. In totaal betrof het 21 inspraakreacties met circa 100 individuele opmerkingen. Het ontwerp van dit besluit is daarnaast voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (verder: ATR).
Veel van de opmerkingen die zijn gemaakt bij de internetconsultatie betroffen niet zozeer het in consultatie gebrachte ontwerpbesluit, maar onderdelen van het stelsel die naar het oordeel van de inbrenger verbetering zouden behoeven. Vaak gaat het dan om beleidsrijke en veelal nieuwe wensen, die soms ook nauw aansluiten bij lopende beleidsontwikkelingen. Wijzigingen naar aanleiding van dergelijke opmerkingen, die vanwege hun inhoudelijke karakter tot discussie met andere betrokken partijen aanleiding kunnen geven, passen niet in dit verzamelbesluit. Ze strekken namelijk niet tot herstel van omissies of wetstechnische fouten en zijn ook geen onderwerp van consultatie geweest wanneer ze alsnog zouden worden meegenomen. Enkele van deze opmerkingen betroffen bovendien de bruidsschat, waarvan de regels op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet gelijk of gelijkwaardig moeten zijn aan oude recht. Verder zijn enkele opmerkingen gemaakt over het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen dat zijn eigen procedure doorloopt. Dergelijke opmerkingen hebben dan ook geen aanleiding gegeven tot aanvulling van dit besluit. Deze inbreng wordt wel betrokken bij de verdere ontwikkeling van het stelsel. Dat biedt de mogelijkheid om goed te doordenken of aanpassing van regelgeving wenselijk is en eventuele wijzigingen zorgvuldig voor te bereiden in overleg met de betrokken partijen en het parlement. Dit betreft in het bijzonder de volgende punten:
• opmerkingen van Schiphol NV en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied over de regeling van grondgebonden activiteiten van luchthavens als milieubelastende activiteit;
• opmerkingen van ProRail over het overgangsrecht voor geluid van emplacementen;
• technische opmerkingen van Brandweer Nederland-NCD over brandveiligheid in het Bbl;
• de opmerking van de omgevingsdienst Achterhoek dat het elektrificeren van de warmtevoorziening van bepaalde bedrijven, zoals bierbrouwerijen, ertoe kan leiden dat deze bedrijven buiten de reikwijdte van het Bal komen te vallen;
• de opmerking van de VNG dat de afwegingsruimte die artikel 3.38 van het Bkl biedt om geluid van activiteiten, anders dan de activiteiten die het Bkl vereist, te betrekken bij het bepalen van het gecumuleerd en gezamenlijk geluid onduidelijkheden voor de praktijk zou oproepen;
• de suggestie van de VNG om het maken van geluidbelastingkaarten te ondersteunen via het geluidregister;
• een opmerking van de VNG over de omzetting van de regels over houtopstanden uit de Wet natuurbescherming.
Verder zijn enkele opmerkingen gemaakt die wel van technische aard zijn, maar betrekking hebben op de Omgevingsregeling. Dergelijke opmerkingen worden zo mogelijk nog betrokken bij lopende wijzigingsregelingen die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gepubliceerd worden, bijvoorbeeld een wijzigingsregeling die in voorbereiding is ter implementatie van een wijziging van de richtlijn omgevingslawaai. Opmerkingen die van belang zijn voor het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van de Invoeringswet Omgevingswet, de aanvullingswetten en de AMvB’s regelt, worden betrokken bij het opstellen daarvan.
Ook zijn door gemeenten en omgevingsdiensten enkele opmerkingen gemaakt die te lezen zijn als kennisvragen. Vooral over de systematiek van het aanvullingsspoor geluid blijken nog vragen te leven. Deze opmerkingen zullen worden betrokken bij de implementatiebegeleiding.
De Stichting Natuur & Milieu en de Vereniging Natuurmonumenten stellen in hun gezamenlijke reactie dat de grens tussen ‘technische’ wijzigingen en correcties en inhoudelijke wijzigingen vaag is, en is van mening dat enkele onderwerpen ten onrechte in dit besluit zijn opgenomen. Deze grens is bepaald in het eerdergenoemde artikel 23.5 van de Omgevingswet. De gevallen die de stichting noemt betreffen herstel van omissies, waarbij de bescherming van de fysieke leefomgeving niet slechter is dan onder het voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht. Inhoudelijk noemen deze inbrengers drie punten:
• Het uitgewerkte overgangsrecht voor hogerewaardebesluiten zou ertoe leiden dat in enkele gevallen geluid niet betrokken zal hoeven worden bij het bepalen van de vereiste geluidwering. De verduidelijking maakt de overgangsrechtelijke regeling die al is opgenomen in het Aanvullingsbesluit geluid praktisch beter toepasbaar en zal (mede daardoor) in de praktijk niet leiden tot minder geluidwering. In geen geval kan de vereiste geluidwering slechter zijn dan wat op grond van de oude regelgeving vereist is.
• Ook hadden zij vragen over het overgangsrecht voor omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit is een bestaande mogelijkheid die gedurende de overgangsperiode behouden blijft. Daarbij is van belang dat het artikel niet de gefaseerde vergunningverlening voor locatieontwikkelingen als zodanig mogelijk maakt, maar alleen voorkomt dat bij die vergunningverlening aspecten dubbel moeten worden beoordeeld. Het artikel is daarmee te kwalificeren als technische wijziging en is daarom gehandhaafd.
• Dat geldt ook voor de beoordelingsregel voor watervergunningen. Dit betreft herimplementatie van een mogelijkheid uit de kaderrichtlijn water, die per abuis niet was omgezet naar het Bkl, terwijl die onder de Waterwet en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 wel bestond.
Verschillende partijen signaleerden de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de betekenis van regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer bij windparken7. Deze insprekers gaven aan dat bepaalde regels in de AMvB’s onder de Omgevingswet ook geraakt kunnen worden door die uitspraken. Het is echter op dit moment niet duidelijk welke aanpassingen geboden zouden zijn. In paragraaf 1.3 van deze toelichting is verduidelijkt dat dit besluit geen antwoord geeft op deze uitspraken.
Het IPO, de DCMR en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied hebben zorgen dat toevoeging van het tweede lid aan artikel 3.49 van het Bal ertoe leidt dat een andere systematiek gehanteerd wordt bij Seveso-inrichtingen dan voor andere complexe milieubelastende activiteiten uit afdeling 3.3 van het Bal en een Seveso-inrichting die samenloopt met een andere complexe milieubelastende activiteit. Dit verschil is onder ogen gezien, maar de tweedeling is een bewuste keuze. De toelichting bij deze wijziging is verduidelijkt.
Een opmerking van Dijkhuizen Omgevingstraining heeft geleid tot een verbeterde redactie van artikelen over hulpverlening aan automobilisten. De eerder gehanteerde formulering ‘gestrande automobilisten’ past minder goed wanneer sprake is van pech op de oprit of in de eigen straat, terwijl deze bepalingen ook voor die situaties gelden. Daarom is verduidelijkt dat het gaat om hulpverlening voor gemotoriseerde voertuigen.
Adviesbureau M+P en de VNG wezen op een omissie in artikel 4.103c, tweede lid, van het Bbl dat met dit besluit wordt ingevoegd. Daar werd niet ingegaan op het benodigde overgangsrecht voor de aftrek bedoeld in artikel 110g van de Wet geluidhinder. Het artikel is in lijn met hun voorstel aangevuld. Beide partijen hadden ook opmerkingen over de verhouding tussen dit overgangsrecht en de in artikel 4.103a van het Bbl opgenomen mogelijkheid om het gezamenlijke geluid opnieuw te herberekenen. Daarom is in de artikelsgewijze toelichting op dit artikel ingegaan op die verhouding.
De suggestie van het IPO om de term ‘voorlopige lijst’ te schrappen in relatie tot enkele werelderfgoederen die recent zijn aangewezen door UNESCO leent zich beter voor verwerking op een later moment, omdat de aanwijzing ook beleidsrijke gevolgen heeft, namelijk het samenvoegen van de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot één site (De Hollandse Waterlinies) en aanpassingen in de geografische aanduidingen en de kernkwaliteiten.
De VNG stelde voor om de tijdelijke beoordelingsregel voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in artikel 12.27a van het Bkl te verbreden tot andere activiteiten en een permanent karakter te geven. Een dergelijke wijziging zou echter te verstrekkend zijn om in het kader van dit verzamelbesluit uit te werken. Dit vraagt om een uitgebreidere verkenning van oplossingsrichtingen. Het voornemen is om hierover, in samenspraak met onder meer de VNG en gemeenten, voorstellen uit te werken die mogelijk in de toekomst kunnen leiden tot een wettelijke oplossing.
De VNG, de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en een anonieme inzender merkten op dat de ingevoegde overgangsrechtelijke regeling voor de informatieplicht energiebesparing in artikel 22.52a van de bruidsschat voor het omgevingsplan een tijdelijk karakter heeft, tot 2023. Het tijdelijke karakter sluit aan bij de bedoeling dat deze informatieplicht, die nog impliciet het hanteren van het begrip ‘inrichting’ continueert, vervalt en dat gemeenten zelf kunnen afwegen of ze in plaats daarvan een nieuwe informatieplicht opnemen, die ze dan kunnen afstemmen op het omgaan met en categoriseren van activiteiten in het omgevingsplan. De keuze dat het Rijk voor bepaalde milieubelastende activiteiten geen rijksregels meer stelt die het gehele bedrijf omvatten brengt met zich dat gemeenten aan activiteiten van dergelijke bedrijven zelf regels kunnen stellen. Dat kan betekenen dat sommige gemeenten nieuwe regels over energiebesparing en een eventueel daarmee samenhangende informatieplicht zullen stellen, die soepeler, strenger of anders kunnen uitpakken. Het uitgangspunt van beleidsneutrale omzetting is gehanteerd in die zin dat tot het moment dat gemeenten een bewuste keuze maken over het omgaan met de informatieplicht, maar uiterlijk tot de genoemde data in 2023, de informatieplicht uit het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft gelden. Het langer laten voortbestaan van een informatieplicht zoals vormgegeven in het Activiteitenbesluit is niet mogelijk omdat het omgevingsplan het begrip inrichting niet meer faciliteert, wat tot onduidelijkheden over begrenzing en daarmee ook energieverbruik zou leiden.
De VNG en de DCMR merkten op dat zij de aanvullende meldplicht in artikel van 22.61a van de bruidsschat voor het omgevingsplan voor niet (langer) vergunningplichtige activiteiten op gezoneerde industrieterreinen onvoldoende achten. Zij lijken van mening dat op industrieterreinen standaard een rapport van een akoestisch onderzoek moet worden aangeleverd. De bruidsschat moet op dit punt echter een vertaling zijn van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van dat besluit is bij type A-inrichtingen geen melding vereist en is bij type B-inrichtingen een melding vereist, maar zonder dat akoestisch onderzoek daar deel van uitmaakt. De gemeente heeft de mogelijkheid om alsnog een akoestisch onderzoek te verlangen naar aanleiding van de melding. De opgenomen regeling is dus gelijkwaardig aan het oude recht voor wat betreft de niet-vergunningplichtige bedrijven.
De VNG merkte verder op dat in artikel 22.262 van de bruidsschat voor het omgevingsplan de ondergrens voor de inhoud van de opslagtank voor propaan en propeen, 150 liter, niet correct was overgenomen uit het voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht. Dit is gecorrigeerd.
Redactionele opmerkingen van de UvW over de verwijzingen naar normbladen in de bruidsschat voor de waterschapsverordening zijn verwerkt.
De VNG vreest tot slot dat de aanvulling van het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (verder: Aanwijzingsbesluit Wkpb) een extra kostenpost en onevenredig veel tijdsbeslag met zich brengt. Met de wijziging van het Aanwijzingsbesluit Wkpb wordt het besluit aangewezen om geen of minder geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw te treffen in de gevallen van artikel 3.53, derde lid en vierde lid, onder a t/m c, van het Bkl. Het betreft hier gevallen waarin geen maatregelen worden getroffen, of onvoldoende maatregelen om te voldoen aan artikel 3.53, tweede lid, van het Bkl wegens zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard (derde lid) of als de eigenaar niet meewerkt (vierde lid, onder a t/m c). In het geval van artikel 3.28, eerste lid, over de monitoring van de basisgeluidemissie en de afweging van maatregelen, kan de uitkomst zijn dat geen maatregelen worden getroffen. Dit is geen besluit in de zin van de Awb (het bevoegd gezag moet ‘bezien’). In dat geval wordt er ook geen besluit genomen op grond van artikel 3.53 van het Bkl. In het geval van artikel 3.28, tweede lid, van het Bkl (de situatie waarin de in dat lid genoemde grenswaarde wordt overschreden), is er wel een verplichting om een besluit te nemen op grond van artikel 3.53. Maar alleen als een geval zich voordoet als bedoeld in het derde lid of vierde lid onder a tot en met c, van dat artikel, moet het besluit bij het Kadaster ingeschreven worden op grond van de Wkpb. Dit is niet anders dan onder de Wet geluidhinder. Ook nu worden besluiten over het vervallen van de plicht tot geluidwerende maatregelen wegens niet-medewerking van de eigenaar ingeschreven bij het Kadaster.
Door de VNG is erop gewezen dat een aantal specifieke regels over het lozen vanuit een open bodemenergiesysteem uit het voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht niet is opgenomen in het Bal of de bruidsschat. Vergelijkbare opmerkingen zijn geplaatst door Bureau Stedelijk Water en Gemeente Utrecht. Het niet met algemene regels reguleren van deze lozingen is een bewuste keuze. Voor de open bodemenergiesystemen is een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit vereist. De vergunningprocedure biedt de mogelijkheid om in de specifieke situatie de beste lozingsroute te bepalen voor de vaak omvangrijke lozingen, en daar adequate regels aan te stellen.
De VNG merkte verder op dat ten opzichte van het voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht een aantal regels niet meer geldt bij activiteiten die alleen worden verricht voor educatieve doeleinden, en bepleitte hiervoor overgangsrecht. Dit voorstel is niet overgenomen, mede omdat onder het voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht ook niet altijd duidelijk was welke regels gelden. Mocht in specifieke gevallen bij deze activiteiten onvoldoende aandacht voor de bescherming van het milieu zijn, dan biedt de zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in de bruidsschat en de mogelijkheid deze zo nodig nader te concretiseren in maatwerkvoorschriften voldoende mogelijkheden voor adequate bescherming van de leefomgeving.
De Omgevingsdienst Achterhoek heeft voorgesteld om in artikel 3.209 van het Bal ook paragraaf 4.86 van Bal over het opslaan van drijfmest ‘aan te zetten’, zodat de regels ook gelden voor een mestsilo die niet bij een veehouderij of loonwerker staat. Dit voorstel is overgenomen omdat dit de handhaafbaarheid ten goede komt.
De Vereniging Afvalbedrijven merkte op dat in artikel 4.1258 van het Bal niet uitvoerbaar was. Dit artikel regelde dat al vier weken voor het toepassen van AVI-bodemassen of immobilisaten in het kader van de melding voor dat toepassen een afleverbon moet worden verstrekt die betrekking heeft op de toe te passen partij. De afleverbon beoogt de partij te individualiseren zodat in de achtereenvolgende fasen die liggen tussen de productie en de toepassing aantoonbaar is dat het nog steeds om dezelfde partij gaat. Ondertekening is pas mogelijk op het moment van de werkelijke afname of toepassing van de partij. In de voorheen geldende regelgeving was dan ook niet verplicht gesteld om de afleverbon bij de melding te verstrekken, maar alleen om hierover de beschikking te hebben op het moment van toepassing van de bouwstof. Het voorstel van beide partijen om de afleverbon te schrappen uit de melding is overgenomen en vergelijkbare bepalingen in het Bal zijn daarmee geharmoniseerd.
Adviesbureau KuiperCompagnons deed de suggestie om de redactie van enkele instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl over luchtkwaliteit te verduidelijken. Dit heeft geleid tot harmonisatie van de formulering van de artikelen 5.51 en 5.53 van het Bkl met artikelen over geluid.
De Omgevingsdienst Achterhoek constateerde verder een probleem bij de uitvoering van de instructieregels voor geur in geval van grensoverschrijdende geurcontouren, zowel bij gemeentegrensoverschrijdende situaties als bij landgrensoverschrijdende situaties. Tijdens de overgangsfase wordt de bebouwingscontour geur stapsgewijs opgebouwd, waarbij de contour soms ‘gaten’ vertoont, bijvoorbeeld in buurgemeenten. Hiertoe is een overgangsregeling voor de bebouwingscontour geur opgenomen in afdeling 12.2 van het Bkl. In de toelichting is verhelderd hoe de bebouwingscontour kan worden opgebouwd als het omgevingsplan gebiedsgericht tot stand komt. Het Bkl ziet niet op geurgevoelige gebouwen in Duitsland en België. In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zou het gemeentebestuur wel rekening moeten houden met de geurimmissie aldaar. Op dit punt kan implementatiebegeleiding volstaan.
De Omgevingsdienst Achterhoek constateerde ook dat de regeling in de bruidsschat voor niet-representatief geluid van activiteiten niet beleidsneutraal was ten opzichte van de gebruikelijke uitleg van de bestaande regeling in artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor dergelijk geluid. Deze regeling is aangepast.
De UvW merkte op dat de instructieregel over de waterschapsverordening die ter uitvoering van de kaderrichtlijn water wordt toegevoegd aan het Bkl (artikel 6.2, vijfde lid, van het Bkl) niet was vertaald naar de bruidsschat voor de waterschapsverordening. Die omissie is hersteld. Naar aanleiding van een opmerking van het IPO is verder een tweede omissie bij de omzetting van de kaderrichtlijn water opgelost. Dit heeft geleid tot een wijziging van artikel 2.17 van het Bkl.
Het ontwerp van dit besluit is voorgelegd aan het ATR. Hierop is op 29 september 2021 een reactie ontvangen. Het ATR onderschrijft de verwachting dat er bij de meeste wijzigingen geen noemenswaardige lasteneffecten zullen optreden. Om deze reden heeft is er geen formeel advies uitgebracht over het ontwerp. Het ATR adviseert echter wel om te verduidelijken wat de wijzigingen zijn als gevolg van de actualisatie van normen, nut en noodzaak te onderbouwen en een duiding van de lasten-effecten op te nemen.
Het ATR doelt hier op schrappen van de mogelijkheid om gebruik te maken van normen voor analyse van afvalwater die inmiddels zijn ingetrokken door NEN. Dat intrekken gebeurt omdat normen niet meer de huidige stand der techniek weergeven. De aanleiding tot het intrekken van de norm NEN 6633 was bijvoorbeeld dat deze analysemethode in het licht van de Europese REACH-Verordening, milieuaspecten en arbeidsomstandigheden onder druk staat vanwege het gebruik van bepaalde chemicaliën.
De opdrachtgevers voor de analyses zijn waterschappen als beheerder van zuiveringtechnische werken en overheden als toezichthoudende instantie. Het vervangen van de normen veroorzaakt dus geen directe lasten voor bedrijven, wel indirect gevolgen voor de laboratoria die functioneren als dienstverlener voor overheden. De bestuurslasten die met introductie en gebruik van nieuwe versies van de normen samenhangen worden in de laboratoriumtarieven doorberekend. In die laboratoriumtarieven zijn ook bureaukosten opgenomen zoals de kosten van accreditatie. De ervaring leert dat actualisatie van normen niet leidt tot waarneembare veranderingen in de tarieven. Ook in dit geval wordt verwacht dat de uiteindelijke kosten beperkt zijn en de toename in regeldruk ook als zodanig zeer beperkt zijn.
De normen waarnaar na wijziging wordt verwezen zijn al enkele jaren oud en vormen binnen bemonstering en analyse van watermonsters inmiddels de standaard. In regelgeving van andere overheden, bijvoorbeeld waterschappen, wordt al verwezen naar de nieuwe normen. Ze spelen ook een rol buiten regelgeving. De kosten die gepaard gaan met het omschakelen naar de nieuwe normen zijn daardoor bij veel laboratoria al gemaakt. Voor laboratoria die nu zowel de oude als de nieuwe analysemethoden aanbieden ontstaat een kostenbesparing omdat ze niet langer de benodigde apparatuur, kennis en accreditatie voor de oude normen hoeven aan te houden. Laboratoria die niet zouden overschakelen naar de nieuwe norm zullen omzet verliezen, maar dat betreft een bedrijfseconomische keuze en die mag geen belemmering zijn voor het actueel houden van de regelgeving.
Het overgangsrecht voor het stelsel is opgenomen in de Invoeringswet Omgevingswet, het bijbehorende Invoeringsbesluit Omgevingswet, en in de aanvullingswetten en ‑besluiten. Een niet onbelangrijk deel van de wijzigingen in voorliggend besluit corrigeert omissies in dat overgangsrecht, maar het besluit zelf bevat geen overgangsrecht.
De inwerkingtreding van dit besluit valt samen met die van de Omgevingswet. Op dat moment zijn eerst de vier basisbesluiten, vervolgens het Invoeringsbesluit Omgevingswet, de vier aanvullingsbesluiten en een aantal wijzigingsbesluiten in werking getreden. Direct volgend op de wijzigingen door dit verzamelbesluit zijn nog andere inhoudelijke wijzigingsbesluiten in werking getreden, die weer voortbouwen op de AMvB’s zoals die zijn gewijzigd door dit besluit. De wijzigingsbepalingen in dit besluit grijpen dus aan op een tussenversie van de AMvB’s die slechts bestond op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet en die sterk overeenkomt met de geconsolideerde versie die beschikbaar is via het Informatiepunt Leefomgeving.8
De wijzigingen in de bruidsschat zijn overigens in werking getreden voorafgaand aan het onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet dat regelt dat de bruidsschat opgenomen wordt in de omgevingsplannen van de gemeenten en de waterschapsverordeningen van de waterschappen. De Omgevingswet voorziet er niet in dat de bruidsschat nog kan worden gewijzigd nadat deze is gegeven.
Om de volgorde van inwerkingtreding correct te laten verlopen is voorzien in inwerkingtreding op een bij koninklijke besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen en onderdelen van artikelen verschillend kan worden bepaald. Dat koninklijke besluit is overigens hetzelfde koninklijke besluit dat de inwerkingtreding van de andere AMvB’s die onderdeel uitmaken van het stelsel regelt.
Het ontwerpbesluit is op PM ingevolge artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L241) voorgelegd aan de Europese Commissie (2019/0645/NL).
Met dit besluit zijn verschillende technische wijzigingen aangebracht het Bal, het Bbl, het Bkl, het Omgevingsbesluit, het Invoeringsbesluit Omgevingswet, het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, het Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties. Het gaat bijvoorbeeld om het oplossen van verschrijvingen en inconsistenties, zoals uniformering van begrippen, het gebruik van symbolen en meeteenheden en de volgorde van werkwoorden. Daarnaast zijn onder meer omissies gecorrigeerd in de gevallen dat het geldende recht niet goed was omgezet naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de wettelijke grondslag is.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de grondslag in de Omgevingswet is als dat een ander artikel is dan artikel 4.3.
In verschillende artikelen is ingevoegd dat voor de aanduiding van de locatie naast het adres ook de kadastrale aanduiding of de coördinaten doorgegeven kunnen worden. Bij activiteiten die bijvoorbeeld in activiteiten in de Noordzee en binnenwateren plaatsvinden en activiteiten langs spoor en weg zal immers veelal geen adres beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor artikelen die hierna afzonderlijk worden gewijzigd, zoals activiteiten in het buitengebied die niet aan bebouwing zijn gekoppeld, zoals activiteiten die de natuur betreffen (hoofdstuk 11 van het Bal). De formulering is zoveel mogelijk in lijn met artikel 7.3, onder c, van de Omgevingsregeling. Daarin worden de algemene aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning geregeld.
Met de invoeging van de optie om gewijzigde coördinaten door te geven is het opschrift van deze artikelen geharmoniseerd met de daar telkens aan voorafgaande artikelen.
De verlettering uit het Invoeringsbesluit Omgevingswet van artikel 3.25, eerste lid, was per abuis niet doorgevoerd in het derde lid van dit artikel. Deze omissie is hersteld.
Gebleken is dat artikel 3.49 van het Bal onbedoeld tot onlogische en ongewenste situaties leidt indien de enige milieubelastende activiteit die in afdeling 3.3 is aangewezen de Seveso-inrichting is, en deze in samenloop met een andere milieubelastende activiteit uit afdelingen 3.4 tot en met 3.11 wordt verricht. Voor de beide activiteiten tezamen gelden dan geen algemene regels naast de algemene regel aangewezen in artikel 3.52 (dat betreft algemene regels voor Seveso-inrichting en benzineterminal). Ook algemene regels die bij andere complexe bedrijven in paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.14 wel worden aangewezen gelden dus niet. Dat betreft onder andere algemene regels over PRTR, zeer zorgwekkende stoffen, emissies in de lucht en geluid op industrieterreinen.
In de meeste gevallen is er bij een Seveso-inrichting sprake van samenloop met een andere activiteit uit afdeling 3.3 en doet het hiervoor beschreven probleem zich niet voor. Bij de andere activiteiten uit afdeling 3.3 is namelijk per activiteit beschouwd welke algemene regels ook voor het complexe bedrijf moeten gelden, en zijn met name de algemene regels die een belangrijke rol spelen bij de implementatie van Europeesrechtelijke verplichtingen die van toepassing zijn verklaard. Bij de Seveso-inrichting kon een dergelijke beschouwing niet plaatsvinden, omdat niet op voorhand duidelijk was met welke andere milieubelastende activiteiten de Seveso-inrichting samen kan gaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om diverse activiteiten binnen afdeling 3.4 (3.4.2 behandelen, meten en regelen van aardgas, 3.4.4 metaalproductenindustrie, 3.4.5 minerale producten industrie, 3.4.6 chemische producten industrie, 3.4.8 voedingsmiddelenindustrie en 3.4.9 rubberindustrie en kunststofindustrie) en afdeling 3.8 (3.8.2 tankopslagbedrijven, 3.8.6 opslag- en transportbedrijven, 3.8.8 onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen). Dat betekent dat zonder voorafgaande inhoudelijke beschouwing alle algemene regels voor deze activiteiten zouden worden uitgezet, behalve de regels die volgen uit de Seveso-paragraaf zelf (artikel 3.52). Dit kan met een voorbeeld worden geïllustreerd:
Indien een Seveso-inrichting samen gaat met paragraaf 3.3.6 (Basismetaal), gelden naast de algemene regels voor de Seveso-inrichting ook de algemene regels aangewezen in artikel 3.68: de algemene regels over eindonderzoek bodem, PRTR, zeer zorgwekkende stoffen, emissies in de lucht en geluid op industrieterreinen.
Indien geen sprake is van basismetaal maar wel van een bedrijf in de metaalproductenindustrie uit paragraaf 3.4.4, gelden de algemene regels van artikel 3.109, waaronder de bovengenoemde algemene regels die een belangrijke rol spelen bij de implementatie van Europeesrechtelijke verplichtingen.
Als echter dit bedrijf uit de metaalproductenindustrie tevens een Seveso-inrichting zou zijn, dan zouden voor het bedrijf alleen de algemene regels voor de Seveso-inrichting gelden (artikel 3.52), maar niet de algemene regels over bijvoorbeeld eindonderzoek bodem, PRTR, zeer zorgwekkende stoffen, emissies in de lucht en geluid op industrieterreinen. Dat is onlogisch en vanuit het oogpunt van implementatie ook ongewenst.
Met de aanpassing van artikel 3.49 wordt deze onbedoelde situatie weggenomen.
De wijzigingen in de artikelen 3.113, 3.124, 3.131 en 3.137 van het Bal zijn bedoeld om een inconsequentie weg te halen in de aanwijzing van de vergunningplichten voor de industrie in afdeling 3.4 van het Bal.
Voornoemde bepalingen gaan over activiteiten die industriële hoofdprocessen karakteriseren. De vergunningplicht van artikel 3.113 gaat het maken van asfalt of asfaltproducten en het maken van kalkzandsteen of cellenbeton. De vergunningplicht van artikel 3.124 gaat over een activiteit uit bijlage I van de richtlijn industriële emissies die ook vergunningplichtig moet zijn onder de in die bijlage gehanteerde drempel. De vergunningplicht van artikel 3.131 gaat over het maken of bewerken van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren. De vergunningplicht van artikel 3.137 gaat over het maken of behandelen van producten op basis van elastomeren (rubber).
Door deze wijzigingen wordt voor dit soort aanwijzingen van vergunningplicht standaard de formulering ‘het exploiteren van een andere milieubelastende installatie’ gebruikt, zodat de afbakening wat wel en niet onder de vergunningplicht valt duidelijk is, en ook duidelijk is dat direct samenhangende activiteiten op de locatie die technisch en milieuhygiënisch gebonden zijn worden meegenomen. Daarnaast is hierdoor de formulering van de reikwijdte van de vergunningplicht onder de drempel van de richtlijn, genoemd in artikel 3.124 van het Bal, meer in lijn gebracht met de vergunningplicht boven de drempel van de richtlijn in artikel 3.123 van het Bal.
Op 25 december 2020 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. Als gevolg van die wet is ‘het houden, doden of doen doden van een pelsdier’ met ingang van 8 januari 2021 verboden. Dit vergt ook aanpassing in het Bal, waaronder de wijziging van het begrip landbouwhuisdier. In de begripsbepaling van het landbouwhuisdier komt dieren voor de productie van pels te vervallen.
Het maken van voer voor pelsdieren is met de Wet verbod pelsdierhouderij niet als zodanig verboden. Omdat in de begripsomschrijving van landbouwhuisdier ‘pels’ komt te vervallen, heeft dit tot gevolg dat het maken van voedingsmiddelen voor pelsdieren niet langer als milieubelastende activiteit wordt aangemerkt. Een rechtvaardiging daarvoor kan niet in de Wet verbod pelsdierhouderij worden gevonden. Met de invoeging van ‘en dieren die worden gehouden voor hun pels’ in artikel 3.128, eerste lid, onder d, wordt dit voorkomen.
Daarnaast komt in artikel 3.200, tweede lid, onder d, ‘met uitzondering van pelsdieren’ te vervallen. De in dat artikel opgenomen uitzondering is niet meer relevant gelet op de Wet verbod pelsdierhouderij. Hetzelfde geldt voor het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 3.204a, zodat die bepaling ook komt te vervallen.
In de artikelen 3.185, derde lid, onder w, 4.365, tweede lid onder b, en 3.265, aanhef van het Bal is het begrip ‘gestrande automobilisten’ vervangen door ‘gemotoriseerde voertuigen’. Het ‘stranden’ van automobilisten past minder goed wanneer sprake is van pech op de oprit of in de eigen straat, terwijl deze bepalingen ook voor die situaties gelden. Daarom is verduidelijkt dat het gaat om hulpverlening voor gemotoriseerde voertuigen.
Verder is in onderdeel b van artikel 3.265, eerste lid, van het Bal toegevoegd ‘op een andere locatie dan de locatie van de pech of het ongeval’. Dit is toegevoegd omdat de inhoudelijke voorschriften van paragraaf 4.22 in het geheel niet geschikt zijn voor reparatie langs de weg, waaronder de voorschriften over een bodembeschermende voorziening, eisen omtrent afvalwater, bodemonderzoeken, enzovoorts.
Daarnaast is dit toegevoegd ter verduidelijking van de informatieverplichting als bedoeld in artikel 3.267 van het Bal. In dat artikel is bepaald dat degene die de milieubelastende activiteit verricht, vier weken van tevoren gegevens en bescheiden moet verstrekken aan het bevoegd gezag. In geval van pechhulp langs de weg is het niet logisch dat dit vier weken van tevoren informatie moet worden verstrekt. Met deze toevoeging is verduidelijkt dat spoedeisende reparatie langs de weg niet onder deze aanwijzing valt, maar reparatiewerkzaamheden elders wel onder deze aanwijzing vallen.
In artikel 1.1, onderdeel EJ, onder i, van het Invoeringsbesluit is bepaald dat in artikel 3.185, derde lid, onder aa, van het Bal ‘bij een autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf als’ wordt vervangen door ‘als dat opslaan gebeurt bij het demonteren van ingezamelde of afgegeven autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen’. In artikel 3.185, derde lid, onder aa, van het Bal zoals gepubliceerd in het Staatsblad ontbreekt echter de zinsnede die vervangen dient te worden. In plaats daarvan wordt gesproken over ‘bij een activiteit’. Omdat sprake was van een onjuist aangrijppunt bij de wijzigingsopdracht, was deze niet uitvoerbaar. Bovendien is onderdeel aa inmiddels verletterd tot onderdeel y (artikel I, onderdeel H, onder 3, van het Aanvullingsbesluit bodem). Met deze wijziging wordt dit gebrek in het Bal hersteld.
In artikel 3.209, eerste lid, van het Bal ontbrak in de richtingaanwijzer een verwijzing naar paragraaf 4.86 van het Bal. Deze omissie is hersteld.
Met wijziging van artikel 3.270 wordt de module lucht aangezet voor paragraaf 3.8.2 (Brandstoffenhandel en tankopslagbedrijf). Dit is nodig omdat er relevante emissies naar de lucht kunnen voorkomen. Per abuis ontbrak de verwijzing naar de module lucht. Deze omissie is hersteld.
De wijziging in artikel 4.4, tweede lid, van het Bal herstelt een verschrijving van ondergeschikt belang dat per abuis in het Bal is ingevoegd met het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
Dit is een wetstechnische aanpassing ter harmonisering van alle artikelen waarin sprake is van afbakening van de mogelijkheid van maatwerk. Het oogmerk van de regel (waaronder ‘lucht’) is namelijk voor zover relevant al genoemd bij de artikelen waar bij de afbakening naar wordt verwezen.
In artikel 4.63, tweede lid, onder c, wordt ‘stoomketels’ vervangen door ‘ketels’, omdat hieronder niet alleen stoomketels, maar ook heetwaterketels moeten worden begrepen. Hiermee wordt bovendien de consistentie vergroot, omdat in de paragrafen over stookinstallaties (zoals paragraaf 4.126), onder het begrip ‘ketels’ zowel stoom- als heetwaterketels worden begrepen. Afvalverbrandingsinstallaties zijn in het algemeen uitgerust met een stoomketel, maar omdat er steeds meer warmte aan stadsverwarmingsinstallaties wordt geleverd, zullen er mogelijk in de toekomst ook installaties komen met uitsluitend een heetwaterketel. Door nu aan te sluiten bij de paragrafen over stookinstallaties wordt voorkomen dat er een leemte ontstaat.
Paragraaf 4.4 van het Bal (Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandingsinstallatie) implementeert de richtlijn industriële emissies. Een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift over deze paragraaf kan alleen aanvullende maatregelen bevatten. Hierop gelden voor specifieke artikelen uitzonderingen. De beperkingen op deze uitzonderingen worden nu geplaatst achter de artikelen waar ze betrekking op hebben. Dit zorgt voor een geharmoniseerde aanpak, in lijn met andere bepalingen, zoals in artikel 4.31 van het Bal.
De beperking van artikel 4.73a was toegevoegd in een wijziging van artikel 4.65 van het Bal in verband met de implementatie van de conclusies over de beste beschikbare technieken voor afvalverbranding.9 Voor de toelichting op dit artikel 4.73a wordt daarom verwezen naar de toelichting bij de wijziging van de artikelen 4.65 en 4.74 van het Bal in die besluiten. De beperking van artikel 4.96a was bovendien al opgenomen in artikel 4.65 van het oorspronkelijke, in 2018 gepubliceerde Bal.
In artikel 4.70, eerste lid, onder c, van het Bal wordt de bemonsteringsplicht gecompleteerd. Voor alle stoffen waaraan in tabel 4.68 emissiegrenswaarden worden gesteld, geldt nu ook een bemonsteringsplicht.
Dit zijn redactionele wijzigingen waarmee ontbrekende spaties worden ingevoegd.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen in het Bal.
In artikel 4.81 van het Bal worden periodieke metingen voorgeschreven. In het tweede en derde lid werd abusievelijk verwezen naar artikel 4.80 van het Bal, dat over continue metingen gaat, in plaats van naar artikel 4.79 van het Bal. Met deze wijziging wordt de foutieve wijziging hersteld.
In artikel 4.88, eerste lid, van het Bal was abusievelijk ‘uurgemiddelden’ opgenomen in plaats van ‘halfuurgemiddelden’. Omdat bij afvalverbranding halfuurgemiddelden getoetst moeten worden aan de emissiegrenswaarden (artikel 4.88, tweede lid), was hier sprake van een verschrijving.
Dit is een redactionele wijzing waarmee een komma wordt vervangen door een puntkomma.
In artikel 4.130, tweede en derde lid, van het Bal werd abusievelijk bepaald dat als er voor PAKs of totaal stof een erkende maatregel was toegepast, niet gemeten hoefde te worden voor stikstofoxiden (NOx), zwaveloxiden (SO2) en vluchtige organische stoffen (VOS). Deze omissie is hersteld.
Dit is een redactionele wijziging. In het tweede lid wordt ‘is’ toegevoegd. Dit was per abuis niet opgenomen.
De norm NEN 6633 is per oktober 2018 ingetrokken en vervangen door NEN-ISO 15705:2003. Dit is aangepast.
De artikelen 4.185, eerste lid, 4.197, eerste lid, 4.200, vierde lid, en 4.257, derde lid, onder b, en tabel 4.197 van het Bal gaan over het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van etsen en beitsen van metalen. Elektrolytisch en stroomloos zijn de processen die bij etsen en beitsen gebruikt worden. Om verwarring te voorkomen en de artikelen beter leesbaar te maken wordt de aanduiding ‘elektrolytisch en stroomloos’ weggelaten.
Artikel 4.268 van het Bal geeft aan wanneer in ieder geval wordt voldaan aan de emissiegrenswaarde. Eén van de manieren waarop kan worden voldaan aan de emissiegrenswaarde, is het toepassen van een filtrerende afscheider of elektrostatisch filter vanaf lasklasse III. De lasklassen V, VI en VII ontbraken. Deze omissie is nu hersteld. Bovendien zijn de opsommingen in de artikelen 4.268 tot en met 4.270 van het Bal verduidelijkt.
Er zijn drie manieren waarop in ieder geval aan artikel 4.267, eerste lid, van het Bal wordt voldaan voor totaal stof. In ieder geval wordt voldaan:
1. als ‘per jaar niet meer dan 6.500 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse III en niet meer dan 200 kg lastoevoegmateriaal en laselektroden wordt gebruikt bij laswerkzaamheden van klasse V, VI en VII, waarbij roestvast staal wordt gelast met beklede elektroden of met MAG gevulde draad, of andere materialen worden gelast met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad’;
2. als ‘de afgezogen lucht afkomstig van laswerkzaamheden van klasse III tot en met VII wordt gerecirculeerd’; of
3. als ‘de afgezogen emissies door een geschikte filtrerende afscheider of een geschikt elektrostatisch filter worden gevoerd bij laswerkzaamheden van klasse III, IV, V, VI en VII.’.
De opsommingen in de artikelen 4.269 en 4.270 waren abusievelijk vormgegeven als cumulatief. Verduidelijkt wordt dat een bedrijf op verschillende manieren kan voldoen aan de emissiegrenswaarde: door weinig lastoevoegmateriaal te gebruiken waardoor de emissie als niet relevant wordt beschouwd, door recirculatie toe te passen of door een nageschakelde techniek toe te passen.
Ingevolge artikel 4.283 van het Bal, zoals het luidde voor inwerkingtreding van dit besluit, diende aan alle drie de eisen te worden voldaan. Echter, indien aan de eis onder a (gebruik vloeimiddelen ≤100 kg/jaar) is voldaan, hoeft niet ook aan de eisen onder b en c te worden voldaan. Indien niet aan de eis onder a is voldaan, moet aan de eisen opgenomen onder b en c worden voldaan.
Daarnaast bevat dit onderdeel voor de activiteit ‘solderen van metalen’ een actualisatie van de indelingen van stoffen en stofklassen. De stoffen SO2, NOx, HCI, HF en NH3 behoren niet meer tot stofklasse gA. Daarom zijn deze stoffen ook vermeld in artikel 4.283, zodat de erkende maatregelen ook voor die stoffen blijven gelden.
Het opschrift van artikel 4.299 van het Bal is gewijzigd om het beter in lijn te brengen met de inhoud van het artikel zelf en om verwarring te voorkomen. Het opschrift luidde eerder ‘lucht: emissies bij het spaanloos of verspanend bewerken of het mechanisch afwerken van metalen’. Het vierde lid gaat echter ook over het thermisch bewerken van metalen. Dit ongewijzigd laten heeft het risico dat iemand die thermisch metalen bewerkt, dit artikel overslaat op grond van het opschrift. Dan kan ten onrechte worden gemist dat ook de emissies afkomstig van thermische bewerkingen door een geschikte gefilterde afscheider moeten worden afgevoerd.
Als gevolg van de op 25 december 2020 in werking getreden Wet verbod pelsdierhouderij, wordt het begrip landbouwhuisdier gewijzigd. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in artikel 4.402, tweede lid, onder d, van het Bal. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdelen G, H, L en M van artikel I van dit besluit.
Dit zijn redactionele wijzigingen waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen in het Bal. Hier zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.
Dit is een redactionele wijziging.
De norm NEN-EN 1899-1/2 inmiddels ingetrokken. Dit is aangepast.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van symbolen en meeteenheden in het stelsel van de Omgevingswet.
Dit is een redactionele wijziging. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet werd per abuis twee keer een derde lid aan artikel 4.993 van het Bal toegevoegd. Dit is hersteld.
Dit is een wetstechnische wijziging.
In overeenstemming met de bepalingen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, mogen vloeibare gevaarlijke stoffen ook boven een lekbak opgeslagen worden. Onbedoeld was een verzwaring doorgevoerd. Dit is aangepast.
Dit is een redactionele wijziging. In het tweede lid van artikel 4.1031 van het Bal ontbrak een spatie tussen de woorden ‘omgevingsplanactiviteit’ en ‘zijn’. Dit is aangepast.
In artikel 4.1138, tweede lid, van het Bal is bij de omzetting van regels voor gesloten bodemenergiesystemen uit de eerdere regelgeving naar het Bal onbedoeld een inhoudelijke wijziging opgetreden. In artikel 3a.6 van het Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld dat op een aantal verplichtingen die in dat artikel werden gesteld met betrekking tot het te behalen energierendement van een gesloten bodemenergiesysteem, een uitzondering gold voor ‘bodemenergiesystemen die uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van afzonderlijke woningen’. Onder een ‘afzonderlijke woning’ werd verstaan een woning die onderdak biedt aan één huishouden. In de formulering van artikel 4.1138, tweede lid, was de reikwijdte van de uitzondering voor kleine bodemenergiesystemen onbedoeld uitgebreid tot gesloten bodemenergiesystemen die aan verschillende woningen in een woongebouw ten dienste staan, voor zover hun vermogen niet groter is dan 70 kW. Omdat de eisen met betrekking tot het energierendement een belangrijk aspect van het goede functioneren van gesloten bodemenergiesystemen betreffen, was het niet de bedoeling om de reikwijdte van de eerdere uitzondering op te rekken. Dit zou het geval zijn omdat een gesloten bodemenergiesysteem voor een afzonderlijke woning doorgaans een vermogen van niet meer dan 10 kW heeft. Het is de bedoeling dat de uitzondering alleen voor dergelijke kleine bodemenergiesystemen blijft gelden. De wijziging maakt de onbedoeld opgetreden inhoudelijk wijziging weer ongedaan.
Dit is een wetstechnische wijziging ter harmonisering van alle artikelen waarin sprake is van afbakening van de mogelijkheid van maatwerk. Het oogmerk van de regel (waaronder ‘bodem’) is namelijk voor zover relevant al genoemd bij de artikelen waar bij de afbakening naar wordt verwezen.
Naar aanleiding van de inspraakreactie van de Vereniging afvalbedrijven en de VNG is in artikel 4.1258, eerste lid, van het Bal de verplichting om bij het doen van een melding van het voornemen om een partij AVI-bodemas toe te passen een afleverbon mee te sturen, geschrapt. Op het moment waarop de melding wordt gedaan is namelijk nog geen afleverbon beschikbaar omdat deze pas aan de toepasser wordt verstrekt wanneer de partij aan hem wordt geleverd. Volgens artikel 4.1259, eerste lid, moet tijdens het toepassen een afleverbon beschikbaar zijn.
In verband met deze wijziging is in het tweede lid de verwijzing naar een aantal onderdelen van het eerste lid aangepast.
In artikel 4.1267, eerste lid, van het Bal worden de gegevens en bescheiden opgesomd die moeten worden verstrekt voordat grond of baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam wordt toegepast.
Naar aanleiding van de inspraakreactie van de Vereniging afvalbedrijven en de VNG op artikel 4.1258, eerste lid, van het Bal, is in artikel 4.1267, eerste lid, van het Bal de verplichting om bij het doen van een melding van het voornemen om een partij grond of baggerspecie toe te passen een afleverbon mee te sturen, geschrapt. Op het moment waarop de melding wordt gedaan is namelijk nog geen afleverbon beschikbaar omdat deze pas aan de toepasser wordt verstrekt wanneer de partij aan hem wordt geleverd. In plaats daarvan is nu in artikel 4.1268, eerste lid, van het Bal bepaald dat een afleverbon beschikbaar moet zijn tijdens het toepassen van de partij.
Voorts is een omissie hersteld in onderdeel g. In geval van grootschalig toepassen moet er op de functionele toepassing waarin de grond of baggerspecie grootschalig is toegepast, na de aanleg een afdeklaag worden aangebracht. In artikel 4.1274, vierde lid, onder b, is bepaald dat deze afdeklaag dezelfde kwaliteit moet hebben als de aangrenzende landbodem of, als sprake is van een oppervlaktewaterlichaam dat na het grootschalig toepassen geen landbodem is geworden maar oppervlaktewater blijft, de aangrenzende waterbodem.
In artikel 4.1267, eerste lid, onder g, is over het hoofd gezien dat ook laatstbedoelde situatie zich kan voordoen en dat in dat geval geen gegevens over de aangrenzende landbodem, maar over de aangrenzende waterbodem, moeten worden verstrekt. Met de wijziging wordt deze omissie verholpen.
De wijziging leidt niet tot verandering van de bestaande praktijk en heeft geen gevolgen voor de uit het besluit voortvloeiende lasten omdat sprake is van een precisering van een verplichting om gegevens te verstrekken waarbij rekening wordt gehouden met alle situaties die zich kunnen voordoen.
Naar aanleiding van de wijzigingen heeft een verlettering van enkele onderdelen van het eerste lid plaatsgevonden.
Deze wijziging houdt verband met het schrappen van de verplichting die was opgenomen in artikel 4.1267, eerste lid, van het Bal om bij het doen van een melding van het voornemen om een partij grond of baggerspecie toe te passen een afleverbon mee te sturen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op onderdeel BA van artikel I van dit besluit. In plaats daarvan is nu in artikel 4.1268, eerste lid, van het Bal bepaald dat een afleverbon beschikbaar moet zijn tijdens het toepassen van de partij.
Naar aanleiding van de inspraakreactie van de Vereniging afvalbedrijven en de VNG op artikel 4.1258, eerste lid, van het Bal, is de verplichting om bij het doen van een melding van het voornemen om een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen toe te passen een afleverbon mee te sturen, geschrapt. Op het moment waarop de melding wordt gedaan is namelijk nog geen afleverbon beschikbaar omdat deze pas aan de toepasser wordt verstrekt wanneer de partij aan hem wordt geleverd. In plaats daarvan is nu in artikel 4.1284, eerste lid, van het Bal bepaald dat een afleverbon beschikbaar moet zijn tijdens het toepassen van de partij.
Deze wijziging houdt verband met het schrappen van de verplichting die was opgenomen in artikel 4.1283, eerste lid, van het Bal, om bij het doen van een melding van het voornemen om een partij mijnsteen of vermengde mijnsteen toe te passen een afleverbon mee te sturen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op onderdeel BC van artikel I van dit besluit. In plaats daarvan is nu in artikel 4.1284, eerste lid, van het Bal bepaald dat een afleverbon beschikbaar moet zijn tijdens het toepassen van de partij.
De toevoeging van de optie om naast het adres de kadastrale aanduiding of coördinaten door te geven is in lijn met de wijziging die in onderdeel A van artikel I van dit besluit is toegelicht (wijziging van o.a. artikel 2.17 van het Bal).
Hoofdstuk 6 van het Bal bevat regels over activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk anders dan de Noordzee. In artikel 6.16 van dat besluit is het toepassingsbereik van paragraaf 6.2.1 van dat besluit, die gaat over bouwwerken, werken en objecten, nader bepaald. In artikel 6.16, eerste en tweede lid, zijn beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam aangewezen waarvoor de regels van die paragraaf gelden. Het derde en het vierde lid bevatten daarop een aantal uitzonderingen.
Gebleken is dat in het derde lid pijpleidingen waarvoor een vergunningplicht geldt op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit abusievelijk niet waren uitgezonderd als object waarvoor de regels over beperkingengebiedactiviteiten in de hiervoor genoemde paragraaf gelden, zoals dit voor mijnbouwinstallaties wel al was gebeurd. Het gaat hier om de voortzetting van de afbakening tussen regels op grond van de waterwetgeving en de mijnbouwwetgeving zoals die onder het recht voor de Omgevingswet gold op grond van artikel 6.12, onder d, van de Waterwet.
Als gevolg van deze omissie overlapte voor bovengenoemde pijpleidingen het vergunningstelsel voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk op grond van hoofdstuk 6 van het Bal, waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag is, met het vergunningstelsel voor deze pijpleidingen op grond van het Mijnbouwbesluit, waarvoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat bevoegd gezag is. Met de wijziging in dit onderdeel, onder 2 (toevoeging onderdeel e), zijn deze pijpleidingen alsnog uitgezonderd van het vergunningstelsel voor de hiervoor genoemde beperkingengebiedactiviteiten. Een vergelijkbare wijziging is opgenomen voor artikel 7.16, derde lid, van het Bal. In samenhang met deze wijzigingen is bij onderdeel BK van artikel I van dit besluit de vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit als mer-(beoordelings)plichtig besluit aangewezen. Daarmee is ook bij die aanwijzing het recht zoals dat voor de Omgevingswet gold voortgezet. Voor de toelichting hierop wordt verder verwezen naar de toelichting op onderdeel BK.
De wijziging in dit onderdeel onder 1 (herformulering onderdelen c en d), is wetstechnisch van karakter en behelst feitelijk alleen de omkering van de bestaande onderdelen c en d. Door deze wijziging heeft artikel 6.16, derde lid, dezelfde opbouw gekregen als het vergelijkbare artikel 7.16, derde lid, van het Bal. Binnen de stelselsystematiek is de volgorde die in dat laatste artikellid is gehanteerd de juiste.
Dit zijn redactionele wijzigingen waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen in het Bal.
Hoofdstuk 7 van het Bal bevat regels over activiteiten in de Noordzee. In artikel 7.16 van dat besluit is het toepassingsbereik van paragraaf 7.2.1 van dat besluit, die gaat over bouwwerken, werken en objecten, nader bepaald. In artikel 7.16, eerste en tweede lid, zijn beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot de Noordzee en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam aangewezen waarvoor de regels van de paragraaf gelden. Het derde en het vierde lid bevatten daarop een aantal uitzonderingen.
Bij dit besluit is aan artikel 7.16, derde lid, een onderdeel e toegevoegd. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de vergelijkbare wijziging van artikel 6.16, derde lid, van het Bal in onderdeel BI van artikel I van dit besluit.
Dit is een wetstechnische wijziging.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formulering in artikel 9.31 van het Bal.
Het opschrift van paragraaf 9.2.4 luidt ‘Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen’. Het toepassingsbereik van deze paragraaf ziet echter ook op bijzondere spoorwegen. Dit volgt uit artikel 9.43 van het Bal. Dit wordt aangepast in het opschrift van deze paragraaf.
Dit is een wetstechnische aanpassing. Artikel 11.6, tweede lid, van het Bal geeft een limitatieve opsomming. Per abuis stond zowel in onderdeel d als onderdeel e het woord ‘en’. In onderdeel d vervalt dit, zodat alleen in het voorlaatste onderdeel (onderdeel e) het woord ‘en’ staat.
De concretisering van de optie om naast het adres de kadastrale aanduiding of coördinaten door te geven is in lijn met de wijziging die in onderdeel A van artikel I van dit besluit wordt toegelicht (wijziging van o.a. artikel 2.17 van het Bal).
Omwille van de consistentie wordt voor de verwijzing naar de benelux-overeenkomst over jacht en vogelbescherming gebruik gemaakt van de verkorte aanduiding uit onderdeel B van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
Artikel 11.82 van het Bal bevatte twee foute verwijzingen. Beoogd werd te verwijzen naar de regels die betrekking hebben op de te gebruiken munitie. Deze staan niet in het niet-bestaande zesde lid van artikel 11.80 van het Bal en evenmin in het op de bestrijding van muskusratten betrekking hebbende artikel 11.81 van het Bal, maar in respectievelijk artikel 11.79, zesde lid, en artikel 11.80 (eerste, tweede en derde lid) van het Bal.
In het eerste en het tweede lid van artikel 11.84 van het Bal werd abusievelijk gesproken over ‘de houder van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit’. De bepalingen beogen de gerechtigde tot het gebruik van een geweer om in het wild levende dieren te doden aan te duiden, dus ‘de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit’. Verwezen wordt naar de toelichting bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet en het met dit artikel beleidsneutraal omgezette artikel 3.27 van de voorheen geldende Wet natuurbescherming.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen in het Bal.
Dit zijn redactionele wijzigingen.
Omdat het begrip ‘inrichtingsprogramma’ is gedefinieerd in de Omgevingswet kan volstaan worden met de verkorte aanduiding uit onderdeel A van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet.
Dit is een redactionele wijzing waarmee een komma wordt vervangen door een puntkomma.
In bijlage I onder A van het Bal worden verschillende wijzigingen van ondergeschikt belang doorgevoerd.
In de begripsomschrijvingen ‘autowrak’ en ‘wrak van een tweewielig motorvoertuig’, verwezen naar de termen bedrijfsauto, personenauto en bromfiets als bedoeld in de regeling op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994). Met ingang van 1 september 2020 bevat artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet echter geen delegatiebepaling meer ten behoeve van de Regeling voertuigen en zijn de termen ‘bedrijfsauto’, ‘personenauto’ en ‘bromfiets’, alleen nog relevant voor de toepassing van het op artikel 71, eerste lid, van de Wvw 1994, gebaseerde hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen. Om die reden wordt de verwijzing naar artikel 21, eerste lid, Wvw 1994 vervangen door een verwijzing naar artikel 71, eerste lid, van de Wvw 1994.
In de begripsomschrijving van ‘diepe plas’ was niet geheel duidelijk of daarmee een zelfstandig oppervlaktewaterlichaam wordt bedoeld of daaronder ook een deel van een oppervlaktewaterlichaam kan vallen. Zogenaamde vrijliggende diepe plassen, die geen deel uitmaken van een groter oppervlaktewaterlichaam, kunnen een zelfstandig oppervlaktewaterlichaam zijn. Zogenaamde meestromende diepe plassen, die in open verbinding staan met een oppervlaktewaterlichaam, veelal een rivier, van welk oppervlaktewaterlichaam zij dan deel uitmaken, worden in het huidige beleid echter ook als een diepe plas beschouwd. Met de wijziging van de omschrijving van het begrip ‘diepe plas’ wordt verduidelijkt dat zowel vrijliggende als meestromende diepe plassen voor de toepassing van het Bal als een diepe plas worden aangemerkt. Dit is van belang voor de bepalingen van dat besluit over het toepassen van grond en baggerspecie.
De wijziging leidt niet tot verandering van de bestaande praktijk en heeft geen gevolgen voor de uit het besluit voortvloeiende lasten omdat slechts een verduidelijking is beoogd.
In de begripsomschrijving ‘dierenverblijf’ vervalt ‘of een ander bouwwerk voor het houden van pelsdieren’. In de begripsomschrijving ‘landbouwhuisdier’ vervalt daarnaast de term ‘pels’. Deze wijzigingen hebben betrekking op de Wet verbod pelsdierhouderij, die op 25 december 2020 in werking is getreden. Als gevolg van die wet is ‘het houden, doden of doen doden van een pelsdier’ met ingang van 8 januari 2021 verboden. De begripsomschrijving van landbouwhuisdier is conform deze wijziging aangepast.
Daarnaast wordt in de begripsomschrijving ‘Seveso-inrichting’ ‘volledig’ vervangen door ‘volledige’. Hiermee wordt verduidelijkt dat de Seveso-inrichting over de volledige locatie gaat en niet alleen over het volledig beheer.
Verder wordt de verwijzing naar de Warmtewet in de begripsomschrijving van ‘warmtenet’ gewijzigd. Bij de Wet van 4 juli 2018 tot wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet) (Stb. 2018, 311) is de structuur van artikel 1 van de Warmtewet gewijzigd, waarbij de begrippen niet langer zijn geletterd, maar zijn opgenomen in een alfabetische opsomming in het eerste lid. Met deze wijziging wordt de verwijzing in het Bal gecorrigeerd.
In bijlage II bij het Bal wordt categorie 40A gewijzigd en vervalt categorie 40B. Deze wijzigingen zijn beleidsneutraal op het tijdstip waarop het Bal in werking treedt. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wijziging van bijlage II van het Bal is de Activiteitenregeling milieubeheer gewijzigd. Het Bal wordt hier met die wijziging in overeenstemming gebracht.
Deze wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer is technisch genotificeerd bij de Europese Commissie. De wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer houdt verband met een bevoegdheid van artikel 7 van de kaderrichtlijn afvalstoffen (hierna: Kra) om verdergaande beschermingsmaatregelen te nemen (i.c. stoffen als gevaarlijke afvalstof aan te wijzen zoals geïmplementeerd in artikel 1.1, dertiende lid, van de Wet milieubeheer).
Voor asfalt is het gehalte aan koolteer in het algemeen bepalend voor het onderscheid tussen gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval. Echter, op grond van de Activiteitenregeling milieubeheer wordt sinds 2019 enkel onderscheid gemaakt op basis van het gehalte aan PAK, omdat dit in bijna alle relevante laboratoria onderzocht kan worden. Voor asfalt is in het algemeen het gehalte aan koolteer, kortweg ‘teer’ genoemd, bepalend voor het onderscheid tussen gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval, vanwege het kenmerk ‘kankerverwekkendheid’ op grond van bijlage III van de Kra. Dit komt met name op rekening van het hoge gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in teer. Voor het aanmerken van asfalt als ‘teerhoudend’ hanteert Nederland als grenswaarde 75 mg/kg aan PAK’s van de lijst in bijlage A, tabel 2, van de Regeling bodemkwaliteit, aangeduid als ‘PAK10’. De partijen betrokken bij wegonderhoud hanteren deze grenswaarde om teerhoudend asfalt te identificeren, te administreren en gescheiden af te voeren met het oog op de voorgeschreven thermische reiniging. Sinds 2021 is via de al genoemde bevoegdheid in artikel 1.1, dertiende lid, van de Wet milieubeheer het onderscheid tussen gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval bepaald op basis van de genoemde PAK-norm 75 mg PAK10 per kg. Deze norm is in 2021 ook opgenomen in bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer, als grenswaarde voor de verplichting om betreffend asfalt gescheiden te houden van asfalt met lagere gehalten PAK10. Het Bal wordt daarmee in overeenstemming gebracht.
Met het gebruik van het begrip ‘Stofnaam’ wordt de aanduiding geharmoniseerd met de formulering elders in het Bal en het Bkl.
Dit is een redactionele wijziging.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de grondslag in de Omgevingswet is als dat een ander artikel is dan artikel 4.3.
Via artikel 8.6 van het Besluit van 3 juni 2021, houdende regels ter uitvoering van de Alcoholwet (Stb. 2021, 268) wordt artikel 2.10 van het Bbl gewijzigd. Dit besluit is op 1 juli 2021 in werking getreden. Als gevolg van deze wijziging is de wijzigingsopdracht uit artikel 2.1, onderdeel F, van het Invoeringsbesluit Omgevingswet waarin artikel 2.10 van het Bbl ook wordt gewijzigd niet langer correct. Dit is gecorrigeerd, zodat de verwijzing naar ‘op grond van het Besluit inrichtingen Drank- en Horecawet’ wordt vervangen door ‘bij of krachtens de Alcoholwet’.
Door middel van artikel V, onderdeel A, van het Besluit van 4 november 2020 tot wijziging van diverse besluiten in verband met de aanpassing van de methodiek voor het bepalen van de energieprestatie van gebouwen en de inijking van energielabels (Stb. 2020, 454) is een foutieve verwijzing terecht gekomen in artikel 3.87, eerste lid, van het Bbl naar het Besluit energieprestatie gebouwen met betrekking tot het energielabel. Het Besluit energieprestatie gebouwen gaat immers met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op in het Bbl en bestaat dan niet meer. Met deze wijziging wordt de juiste verwijzing opgenomen naar het energielabel zoals opgenomen in artikel 6.29 van het Bbl.
Artikel 3.98a bevat overgangsrecht. Dit artikel is gewijzigd om rekening te houden met het feit dat de betreffende normen op verschillende tijdstippen in werking zijn getreden, in de periode dat het Bouwbesluit 2012 nog gold, in plaats van het Bbl. Om het onderscheid tussen de verschillende inwerkingtredingsmomenten te verduidelijken, is het artikel in het geheel opnieuw ingevoegd. Deze wijziging betreft geen beleidsinhoudelijke wijziging van het overgangsrecht.
De eis dat voortaan alle drempels van nieuwe woningen rolstoeltoegankelijk moeten zijn, is in werking getreden op 1 januari 2022. De eis dat alle drempels van bepaalde andere gebouwen zonder toegankelijkheidssector (de gebouwen bedoeld in artikel 4.182, vijfde lid) rolstoeltoegankelijk moeten zijn, is in werking getreden op 1 juli 2021. Met betrekking tot gebouwen met een toegankelijkheidssector gold overigens de eis dat alle drempels rolstoeltoegankelijk moesten zijn voordien ook al: hier ziet dit overgangsrecht dus niet op. De in artikel 3.98 opgenomen eis aan de bereikbaarheid van een gebouw heeft een relatie met de genoemde eisen aan de drempels.
Deze overgangsbepaling zorgt ervoor dat de overgangssituatie zoals deze geregeld was in artikel 9.2, negende en tiende lid, ook in stand blijft gehouden in het Bbl. Het zorgt ervoor dat de eis dat een toegangsroute rolstoeltoegankelijk moet zijn voor bepaalde gebouwen, niet met terugwerkende kracht is gaan gelden voor bestaande bouw, met betrekking tot routes naar gebouwen die gebouwd zijn of waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is aangevraagd in de periode dat de eis voor die gebouwen nog niet bestond.
De reden dat de eis toentertijd in het Bouwbesluit 2012 wel voor bestaande bouw is opgenomen en niet enkel voor nieuwbouw, is omdat anders de situatie dreigde te ontstaan dat de routes na oplevering zouden kunnen worden aangepast, waarna deze niet langer rolstoeltoegankelijk zouden hoeven te zijn. De toepasselijkheid van de bepalingen omtrent het rechtens verkregen niveau op deze toegangsroutes, die immers geen bouwwerken zijn, was namelijk onduidelijk. Door de eis voor bestaande bouw op te nemen is geborgd dat de toegangsroutes ook in de toekomst rolstoeltoegankelijk blijven.
Dit zijn redactionele wijzigingen waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet. In de artikelen 3.143, tweede lid, en 4.243, tweede lid, van het Bbl is aanduiding ‘Een kooldioxidemeter’ vervangen door ‘De kooldioxidemeter’. Het gaat immers om de in het eerste lid bedoelde kooldioxidemeter. Daarnaast werd in onderdeel d steeds de aanduiding ‘een vertrek’ gebruikt, terwijl binnen het stelsel van de Omgevingswet hiervoor altijd de term ‘de ruimte’ wordt gebruikt. Dit is in deze artikelen aangepast.
In dit onderdeel is artikel 4.5, derde lid, van het Bbl geherformuleerd. Achtergrond hiervan is dat in het Aanvullingsbesluit geluid, waarin dit artikel in het Bbl wordt gewijzigd, sprake was van een wijzigingsopdracht die niet uitvoerbaar was. Met deze wijziging werd beoogd een afbakening op te nemen voor de mogelijk tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Dit gebrek is hersteld. Daarmee wordt ook bereikt dat een wijziging van artikel 4.5, derde lid, van het Bbl in het Besluit van 2 maart 2021, houdende aanpassing van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving in verband met het regelen van de veiligheidscoördinator directe omgeving en enkele andere wijzigingen (Stb. 2021, 147, zie artikel I, onder M, van dat besluit), kan worden geëffectueerd. Bij dat besluit is er ten onrechte vanuit gegaan dat met de wijziging van artikel 4.5, derde lid, van het Bbl bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet het beoogde effect was bereikt en is daarop voortgebouwd.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet.
Bij een technische omzetting van artikel 1.12a van het Bouwbesluit 2012 in het Bbl is artikel 4.9 van het Bbl niet geheel correct opgezet. Per abuis ontbrak een verwijzing naar paragraaf 4.5.4. Met deze wijziging wordt deze verkeerde verwijzing hersteld.
Bij een technische omzetting van artikel 1.12b van het Bouwbesluit 2012 in het Bbl is artikel 4.10 van het Bbl niet geheel correct opgezet. Per abuis ontbrak een verwijzing naar de artikelen 4.30 tot en met 4.32. Met deze wijziging worden deze verkeerde verwijzingen hersteld.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld. In de artikelsgewijze toelichting bij het Bbl was de juiste verwijzing al wel vermeld.
Dit is een wetstechnische aanpassing. Per abuis is een lid opgenomen, terwijl artikel 4.15d van het Bbl niet uit meerdere leden bestaat. Met het verwijderen van ‘1.’ wordt deze omissie hersteld.
In onderdeel N is artikel 4.103c opnieuw vastgesteld. Het eerste lid is grotendeels gelijk aan het bestaande artikel 4.103c, dat is ingevoegd met het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet en dat aldaar is toegelicht (Stb. 2020, 557, p. 361). Aangevuld is dat dit ook ziet op een situaties waarin ‘dove gevels’ voorgeschreven zijn in een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, die onder nieuw recht geldt als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Per abuis was niet voorzien in overgangsrecht voor die gevallen. Dat wordt met deze aanvulling gecorrigeerd.
Het tweede lid is een verduidelijking van het overgangsrecht voor de vereiste geluidwering. Onder het nieuwe geluidstelsel onder de Omgevingswet wordt het gezamenlijke geluid van verschillende bronnen opgeteld door het bevoegd gezag en opgenomen in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. Dit gezamenlijke geluid vormt, zoals bepaald in artikel 4.103 van het Bbl, de basis voor het bepalen van de vereiste geluidwering. De berekening van het gezamenlijke geluid gebeurt echter alleen bij de nieuwe toelating van geluidgevoelige gebouwen, bij de aanleg van een weg, spoorweg of industrieterrein of bij de wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein die leidt tot meer geluid. Voor woningen of andere geluidgevoelige gebouwen die planologisch zijn of worden toegelaten onder oud recht, maar die gebouwd worden met toepassing van nieuw recht, zal het gezamenlijke geluid daardoor in de meeste gevallen niet zijn opgenomen in één van de genoemde besluiten. In dat geval moet gedurende de overgangsfase nog gebruik worden gemaakt van de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (verder: hogerewaardebesluiten).
Uit signalen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat verduidelijking gewenst is van het overgangsrecht hiervoor, dat is opgenomen in het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Artikel IX van dat besluit voorziet erin dat hogerewaardebesluiten onderdeel zijn van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en daardoor gedurende de overgangsfase hun betekenis houden voor het bepalen van de vereiste geluidwering. Het hogerewaardebesluit wordt daarmee onderdeel van het in het omgevingsplan bepaalde geluid, dat op grond van artikel 4.103, eerste lid, onder a, van het Bbl maatgevend is voor de vereiste gevelwering. Dat onderdeel verwijst via de begripsbepaling voor ‘gezamenlijk geluid’ naar artikel 3.39 van het Bkl. In dat artikel is bepaald dat het geluid van verschillende bronnen energetisch wordt opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Noch in het besluit, noch in de toelichting, werd echter beschreven dat het gezamenlijke geluid in dergelijke gevallen nog berekend moet worden. Het nieuw toegevoegde tweede lid van artikel 4.103c van het Bbl expliciteert dit. Het energetisch optellen is overigens een eenvoudige berekening die een bouwkundige zelf kan uitvoeren zonder een akoestisch adviseur in te schakelen.
De aanhef van het nieuwe tweede lid maakt duidelijk dat het alleen van toepassing is als het gebouw gebouwd zal worden in het geluidaandachtsgebied van een weg, een spoorweg of een industrieterreinen en er nog geen waarde voor het gezamenlijk geluid is opgenomen in een van de drie in artikel 4.103, eerste lid, onder a, van het Bbl genoemde besluiten: het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. Dit zal vaak het geval zijn als het geluidgevoelige gebouw is toegelaten onder oud recht, tenzij inmiddels onder nieuw recht besluitvorming heeft plaatsgevonden over geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen in de omgeving. De ligging van het geluidaandachtsgebied komt beschikbaar via het geluidregister. Voor provinciale wegen en industrieterreinen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld geldt de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzone als geluidaandachtsgebied (zoals geregeld in artikel 12.7 van het Bkl).
Aan het al genoemde artikel 3.39 van het Bkl is ontleend van welke bronnen het geluid in ieder geval betrokken moet worden. Uit onderdeel a van het nieuwe tweede lid blijkt dat in ieder geval het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen wordt betrokken als daarvoor hogerewaardebesluiten zijn vastgesteld. Het kan voorkomen dat voor één gevel meerdere hogere waarden gelden van één geluidbronsoort, bijvoorbeeld twee kruisende gemeentewegen. In dat geval moeten die waarden ook energetisch bij elkaar worden opgeteld. Onder de Wet geluidhinder werd een aftrek toegepast vanwege het stiller worden van wegverkeer. Die werd bijvoorbeeld toegepast bij het toetsen aan de voorkeurswaarden en maximale waarden. Voor het bepalen van de geluidwering werd echter op grond van artikel 3.4, eerste lid, onder e, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 een aftrek van 0 dB gehanteerd. De geluidbelasting in het hogerewaardebesluit moet dus worden vermeerderd met die aftrek.
Onderdeel b bevat een specifieke regeling voor ‘dove gevels’ in aansluiting op het eerste lid. Daarvoor werden onder de Wet geluidhinder wel geluidberekeningen uitgevoerd ter onderbouwing van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, maar geen hogere waarden vastgesteld. In dat geval kan de geluidbelasting dus niet worden ontleend aan het hogerewaardebesluit, maar aan het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning of onderliggende documenten zoals een akoestisch onderzoek. Dit onderdeel continueert een voorwaarde uit artikel 1b, vierde lid, onder a, van de Wet geluidhinder, dat bepaalde dat voor dove gevels de karakteristieke geluidwering moest worden gebaseerd op de geluidbelasting.
Onderdeel c bepaalt dat ook het geluid van luchtvaart betrokken moet worden. In artikel 11.52, eerste lid, onder c, van het Bkl, zoals ingevoegd met het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, is geregeld dat daarvoor geluidgegevens in de vorm van 1 Lden-contouren beschikbaar zullen zijn in het voor eenieder toegankelijke geluidregister. Op grond van artikel 15.4, tweede lid, van het Omgevingsbesluit zullen gedeputeerde staten, de Minister van Defensie en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, elk voor de luchthavens waarvoor zij bestuurlijk verantwoordelijk zijn, die gegevens binnen een bij koninklijk besluit te bepalen termijn verstrekken. Direct na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel zullen niet voor alle luchthavens dergelijke gegevens beschikbaar zijn. In die periode kan voor het bepalen van de vereiste geluidwering worden volstaan met hogerewaardebesluiten. Daarnaast blijft de verplichting in artikel 4.104 van het Bbl, dat extra geluidwering vereist in het beperkingengebied van een luchthaven, van toepassing.
Anders dan in artikel 3.39 van het Bkl is bepaald, hoeft bij toepassing van het in dit nieuwe lid opgenomen overgangsrecht het geluid door windturbines, windparken, buitenschietbanen en springterreinen niet berekend te worden. Het bepalen van dat geluid op een concrete gevel zou in de meeste gevallen akoestische berekeningen vergen en daardoor leiden tot hoge administratieve lasten, terwijl het slechts in incidentele gevallen zou kunnen leiden tot meer geluidwering. Meestal zal dit geluid bij de energetische optelling wegvallen tegen het geluid van de weg, de spoorweg of het industrieterrein.
De artikelen 4.103 en 4.103a van het Bbl blijven onverkort van toepassing. Alleen het gezamenlijke geluid wordt niet aan het omgevingsplan ontleend, maar berekend volgens dit lid. De initiatiefnemer kan het bevoegd gezag echter ook verzoeken om met toepassing van artikel 4.103a van het Bbl een maatwerkvoorschrift te stellen, inhoudend dat het gezamenlijk geluid wordt bepaald. Dat gebeurt dan aan de hand van actuele geluidgegevens van geluidbronsoorten en andere activiteiten.
Het tweede lid verliest net als het eerste lid zijn betekenis na de overgangsfase. Mogelijk zal het niet worden geschrapt, maar vervangen door een andere overgangsrechtelijke regeling voor de gevallen dat wordt gebouwd in een aandachtsgebied, maar het gezamenlijke geluid nog niet is bepaald. Gezien de verwachte duur van de overgangsfase tot 31 december 2029 kan die uitwerking op een later moment plaatsvinden. In onderdeel L is het tweede lid tevens verwerkt in tabel 4.101 van het Bbl.
Dit is een redactionele wijziging. Dit corrigeert een verkeerd geplaatste komma.
Bij een technische omzetting van wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 in het Bbl is tabel 4.148 vervangen door tabel 4.148A en 4.148B (Stb. 2019, 501). Per abuis ontbraken in de artikelen 4.148, 4.149 en 4.152 van het Bbl de juiste verwijzingen naar tabel 4.148A en/of tabel 4.148B. Met het wijzigen van deze verwijzingen worden deze omissies hersteld.
In artikel 4.149a van het Bbl wordt de verwijzing naar de Leidraad afwijking eis hernieuwbare energie woongebouwen (nieuwbouw) ingekort tot een dynamische verwijzing. Dit betekent dat nadere details, zoals datum van vaststelling en de actuele versie, niet meer zichtbaar zijn in de verwijzing. De volledige aanduiding van de norm zal in plaats daarvan worden opgenomen in bijlage II bij de Omgevingsregeling. Dit is de gebruikelijke manier van verwijzen naar externe normen in het stelsel van de Omgevingswet.
Artikel 4.156 van het Bbl verwijst per abuis alleen naar artikel 4.152 in plaats van ook naar artikel 4.153. Het artikel bevat immers een waarde voor zowel de warmteweerstand (artikel 4.152 van het Bbl) als de warmtedoorgangscoëfficiënt (artikel 4.152 van het Bbl). Deze omissie wordt hiermee hersteld.
Het vervallen van de term ‘te bouwen’ betreft een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het Bbl. Aangezien alle regels in hoofdstuk 4 gelden voor nieuw te bouwen bouwwerken, hoeft de term ‘te bouwen’ niet in het artikel gebruikt te worden, het gaat immers in het hele hoofdstuk over te bouwen bouwwerken. Zie ook artikel 4.1 van het Bbl voor deze systematiek.
Daarnaast wordt de verwijzing naar de Checklist Veilig onderhoud op een aan gebouwen ingekort tot een dynamische verwijzing. Dit betekent dat nadere details, zoals datum van vaststelling en de actuele versie, niet meer zichtbaar zijn in de verwijzing. De volledige aanduiding van de norm is bovendien opgenomen in bijlage II bij de Omgevingsregeling. Dit is de gebruikelijke manier van verwijzen naar externe normen in het stelsel van de Omgevingswet.
Aan artikel 5.9 van het Bbl is een derde lid toegevoegd. Bij een technische omzetting van het Bouwbesluit 2012 in het Bbl, was per abuis niet opgenomen dat de functionele eis dat een te bouwen drijvend bouwwerk en een tijdelijk drijvend bouwwerk voldoende stabiliteit, drijfvermogen en sterkte moeten hebben, ook geldt voor verbouw. Met het toevoegen van het derde lid wordt deze omissie hersteld.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen in het Bbl. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ‘degene die de activiteit verricht’ ook degene kan zijn die laat verrichten. Dit blijkt uit artikel 6.3 van het Bbl en de toelichting op de term normadressaat.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld. In de artikelsgewijze toelichting bij het Bbl was de juiste verwijzing al wel opgenomen.
Artikel 6.31 van het Bbl vervalt. In artikel 3.85 van het Bbl is een gelijkluidende bepaling opgenomen over de uitvoering van aanbevelingen bij een energielabel, zodat artikel 6.31 van het Bbl overbodig is.
In het derde lid van artikel 7.5 van het Bbl is ingevoegd ‘of vergunningvoorschrift’. Dit was per abuis niet opgenomen.
Voor de leesbaarheid van het eerste lid, onder f, van artikel 7.11 van het Bbl, is ervoor gekozen om de uitzondering op de informatieplicht op te nemen in een nieuw artikellid. Daarnaast zijn er redactionele wijzigingen aangebracht, waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het Bbl.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld. In artikel 7.22, tweede lid, van het Bbl werd verwezen naar ‘51a, derde en vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit’ terwijl hier verwezen moest worden naar ‘artikel 4.51a, derde en vijfde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit’. Dit is aangepast.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld. In artikel 7.35 van het Bbl wordt verwezen naar het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.2 van het Bbl. Dit moet artikel 7.30 van het Bbl zijn, omdat daar voor de toepassing van afdeling 7.2 (Mobiel breken van bouw- en sloopafval) apart is geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is. Materieel is er overigens geen wijziging, omdat het hetzelfde bevoegd gezag betreft als in artikel 2.2 van het Bbl voor bouwwerken is geregeld.
In de opschriften van paragraaf 7.2.3 en artikel 7.38 van het Bbl wordt ‘materiële regels’ vervangen door ‘inhoudelijke regels’. Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het Bbl.
In bijlage I, onder A, bij het Bbl worden twee begripsbepalingen ingevoegd. De afkorting ‘ISSO’ was al verklaard in de Omgevingsregeling, maar nog niet in het Bbl. Het begrip ‘rijstrook’ wordt gebruikt in de artikelen 3.137 en 4.235 van het Bbl. Uit het oogpunt van consistent begripsgebruik wordt verwezen naar de begripsbepaling in het Bkl.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de grondslag in de Omgevingswet is als dat een ander artikel is dan artikel 4.3.
Dit is een wetstechnische wijziging waarmee de formulering van de grondslagen van het Bkl in lijn wordt gebracht met de formuleringen in het Bal, Bbl en Omgevingsbesluit.
In de artikelen 2.0f, eerste lid, en 2.0k, eerste lid, is ‘het nationaal waterprogramma’ vervangen door ‘het nationale waterprogramma’. Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het Bkl.
Dit betreft een verbetering in de implementatie van de richtlijn prioritaire stoffen. In het derde lid van artikel 2.17 van het Bkl is de mogelijkheid opgenomen in een regionaal of nationaal waterprogramma een uitzondering te maken op het voldoen aan een omgevingswaarde mits dit het gevolg is van buitenlandse belasting (en aan alle voorwaarden in dat artikellid wordt voldaan). Deze mogelijkheid volgt uit artikel 6 van de richtlijn prioritaire stoffen. Dit artikellid is ook van overeenkomstige toepassing op het goede ecologisch potentieel dat voor een kunstmatig of sterk veranderd krw-oppervlaktewaterlichaam is vastgesteld. Daarbij is het de bedoeling eerst het goede ecologisch potentieel te bepalen conform artikel 2.12 (waarbij het goed ecologisch potentieel op zichzelf een uitzondering op de omgevingswaarde voor een goede ecologische toestand is). Via de ongewijzigde verwijzing in het vijfde naar het eerste artikellid is gewaarborgd dat ook een uitzondering als gevolg van buitenlandse belasting alleen kan worden gemaakt voor zover dat is toegestaan volgens de kaderrichtlijn water of de richtlijn prioritaire stoffen.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet. Zoals ook is toegelicht in van toelichting op het Aanvullingsbesluit geluid (Stb. 2020, 557, p. 92) wordt geluid hoofdzakelijk bepaald met toepassing van de dosismaat Lden (of Lnight). Hiermee wordt aangesloten bij richtlijn omgevingslawaai. Het niveau van geluid wordt uitgedrukt in de officiële eenheid ‘dB(A)’. Daarin staat de ‘A’ voor een bepaalde weging van het geluid die is gebaseerd op de gevoeligheid van het menselijke oor voor verschillende frequenties. Door de A-weging kan het geluid in één getal worden uitgedrukt.
Bij de introductie in 2012 van het systeem van geluidproductieplafonds is ervoor gekozen om de ‘(A)’ niet te noemen en daarom vervalt de vermelding van de eenheid ‘dB’. Alleen de getalswaarde en de dosismaat worden genoemd. De normen worden uitgedrukt in Lden, bijvoorbeeld 50 Lden. De vermelding van de eenheid ‘dB’ komt ook te vervallen in de gevallen waarin de dosismaat Bs,dan voldoet.
Uit het oogpunt van consistent begrippengebruik wordt verwezen naar de begripsbepaling in het Bal.
In de 4.2a ‘het nationaal nec-programma’ vervangen door ‘het nationale nec-programma’, zodat beter wordt aangesloten bij de formulering die elders in het Bkl gehanteerd wordt.
De wijzigingen in de artikelen 4.20 en 5.3, derde lid, van het Bkl herstellen verschrijvingen van ondergeschikt belang die per abuis in het Bkl zijn ingevoegd met het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
De formulering ‘gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde’ is afkomstig uit het Kustpact, maar is onnodig omslachtig en niet consistent met de (eenvoudige) aanduiding van bouwwerken in andere onderdelen van artikel 5.40 van het Bkl. Elk bouwwerk is immers een gebouw, een bouwwerk geen gebouw zijnde, of een combinatie daarvan.
Met deze aanpassingen wordt aangesloten bij de term verkeersintensiteit elders in het besluit in plaats van het begrip ‘het gebruik van wegen’. Het gaat om het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken (vgl. artikel 5.78af van het Bkl). Deze wijziging is toegevoegd naar aanleiding van een reactie op de versie voor internetconsultatie.
In artikel 5.76 van het Bkl was onbedoeld een aanpassing niet overgenomen, die in 2016 in het Activiteitenbesluit milieubeheer was aangebracht (Stb. 2016, 425, artikel I, onderdeel P). Daardoor zou verruimend maatwerk voor civiele schietbanen niet mogelijk zijn en zouden bestaande verruimende maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer hun gelding verliezen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (artikel 22.45, vierde lid, van de Omgevingswet, bruidsschat). Deze omissie is hersteld.
In artikel 5.78ae, tweede lid, onder a en onder b, van het Bkl was abusievelijk verwezen naar paragraaf 5.1.4.2.3 (over geluid door specifieke activiteiten) in plaats van naar paragraaf 5.1.4.2a.3 (over geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden). Deze omissie is hersteld.
De wijzigingen in de artikelen 5.89o, eerste lid, en 6.3, eerste lid, van het Bkl herstellen verschrijvingen van ondergeschikt belang.
In de begripsomschrijving van houden van landbouwhuisdieren vervalt ‘, met uitzondering van het houden van pelsdieren’. Ook vervalt in de begripsomschrijving van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor vervalt ‘, met uitzondering van pelsdieren’. Deze wijzigingen hebben betrekking op de Wet verbod pelsdierhouderij, die op 25 december 2020 in werking is getreden. Als gevolg van die wet is ‘het houden, doden of doen doden van een pelsdier’ met ingang van 8 januari 2021 verboden. De begripsomschrijvingen worden conform deze wijziging aangepast.
De wijzigingen in de artikelen 5.108, tweede lid, en 5.123, tweede lid, van het Bkl herstellen verschrijvingen van ondergeschikt belang die per abuis in het Bkl zijn ingevoegd met het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
Aan de artikelen 6.2, 7.12 en 8.84 van het Bkl wordt een nieuw lid toegevoegd. De bedoeling daarvan is een omissie te herstellen. Anders dan bij de vaststelling van waterprogramma’s, is voor de vergunningverlening vergeten een uitzonderingsmogelijkheid op te nemen op het vereiste van geen achteruitgang van de watertoestand van waterlichamen dat volgt uit de milieudoelstellingen van de kaderrichtlijn water die zijn weergegeven in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, en dat is opgenomen in artikel 4.15 van het Bkl. Die mogelijkheid wordt in artikel 4, zevende lid, van de kaderrichtlijn water geboden, teneinde ontwikkelingen mogelijk te maken die worden genoemd in onderdeel c van die bepaling. Het gaat dan, geparafraseerd weergegeven, om ontwikkelingen die van hoger openbaar belang zijn of voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling van groter belang zijn dan het nut voor milieu en samenleving van de milieudoelstellingen die zijn opgesomd in artikel 4, eerste lid, van de kaderrichtlijn water. Dit staat ter beoordeling van de waterbeheerder. Het gaat dus om een mogelijkheid om onder voorwaarden een uitzondering te maken en niet om een recht op uitzondering als aan de voorwaarden is voldaan. Met name de onderdelen b en c van het nieuwe lid bevestigen dat de waterbeheerder per geval moet beoordelen of sprake is van een situatie die een uitzondering op het achteruitgangsverbod rechtvaardigt. Voor waterprogramma’s is de uitzonderingsmogelijkheid op het vereiste van geen achteruitgang van de waterkwaliteit reeds geboden in artikel 4.16, eerste en derde lid, van het Bkl. Het vereiste van geen achteruitgang werkt echter niet alleen door naar de waterprogramma’s, maar ook naar de vergunningverlening, door middel van het vijfde lid van artikel 8.84 van het Bkl voor door het Rijk gereguleerde activiteiten, en door middel van het vierde lid van de artikelen 6.2 en 7.12 van het Bkl, voor door het waterschap respectievelijk de provincie gereguleerde activiteiten. Ook in deze gevallen moet daarom de uitzonderingsmogelijkheid op het vereiste worden geboden teneinde te voorkomen dat voor ontwikkelingen waarmee belangen zijn gemoeid die zwaarder wegen dan de milieudoelstellingen van de richtlijn, geen vergunning kan worden verleend.
Daarnaast wordt artikel 9.3a, tweede lid, van het Bkl gewijzigd. Dit is nodig omdat aan artikel 8.84 een nieuw zesde lid is toegevoegd, waarvan in het tweede lid ook melding moet worden gemaakt.
Artikel 8.3d is ingevoegd in het Bkl via het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Met de toevoeging van artikel 5.3a aan hoofdstuk 5 van het Bbl via het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is abusievelijk verzuimd ook een verwijzing naar dat artikel toe te voegen aan artikel 8.3d van het Bkl. Deze omissie is hersteld. Daarmee staat buiten twijfel dat voor het opnemen van maatwerk in een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit volledig dezelfde kaders gelden als voor maatwerk bij toepassing van het Bbl zelf.
De wijziging in artikel 8.9, derde lid, van het Bkl herstelt een verschrijving van ondergeschikt belang dat per abuis in het Bkl is ingevoegd met het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
De benaming van de chemische stof CO2 in het opschrift wordt in artikel 8.37 van het Bkl geharmoniseerd met de artikeltekst.
Daarnaast wordt in het opschrift en het eerste lid, onder a, van artikel 8.72 van het Bkl het gebruik van molecuulformule de vervangen door de stofnaam in lijn met het gebruik hiervan elders in het Bkl en het Bal.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld.
Uit het oogpunt van consistent begripsgebruik wordt in verband met ‘weidegronden’ verwezen naar de begripsbepaling in het Bal. Voor de verwante begrippen grasland en bouwland is dat niet nodig. Deze worden in het Bkl vaker gebruikt en via bijlage I bij het Bkl is al voorzien in verwijzing naar de begripsbepalingen in het Bal.
Artikel 11.48 van het Bal is niet onderverdeeld in leden, zodat de verwijzing in artikel 8.74k, eerste lid, aanhef, van het Bkl naar het ‘eerste lid’ van artikel 11.48 overbodig is. Dit is hersteld.
Dit is een redactionele wijziging.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld.
De wijziging in artikel 11.66, eerste lid, van het Bkl herstelt een verschrijving van ondergeschikt belang dat per abuis in het Bkl is ingevoegd met het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
In artikel 12.2, derde lid, van het Bkl zoals ingevoegd via het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet wordt per abuis verwezen naar het tweede lid, onder d, terwijl hier eigenlijk verwezen had moeten worden naar het tweede lid, onder c. Dit onderdeel herstelt deze verschrijving.
Overgangsartikel 12.5 van het Bkl voorziet in het toevoegen van het geluid door spoorvoertuigen op een spoorwegemplacement aan de geluidproductieplafonds voor hoofdspoorwegen. Daarbij gaat het om geluid dat al is toegestaan met een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). In veel situaties is dat een omgevingsvergunning die geldt op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar het kan ook voorkomen dat op dat moment nog een vergunningprocedure loopt, die onder het overgangsrecht wordt afgerond. De strikte formulering van artikel 12.5 van het Bkl staat ten onrechte in de weg aan toepassing van dit artikel in situaties waarin een vergunningprocedure onder het overgangsrecht wordt afgerond. Door het schrappen van ‘op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit’ geldt dit overgangsartikel ook in die situaties.
Bij de introductie in 2012 van het systeem van geluidproductieplafonds is ervoor gekozen om de (A) niet te noemen en daarom vervalt de vermelding van de eenheid ‘dB’. Alleen de getalswaarde en de dosismaat worden genoemd. De normen worden uitgedrukt in Lden, bijvoorbeeld 50 Lden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel D van artikel III van dit besluit.
Gebleken is dat de regeling voor de bebouwingscontour geur in artikel 5.97 van het Bkl nog enig overgangsrecht vergt. Uit artikel 5.90, dat het toepassingsbereik van de instructieregels over geur in het Bkl regelt, blijkt dat aanwijzing van een bebouwingscontour geur vereist is als een rioolwaterzuiveringsinstallatie of een agrarische activiteit geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw. Dat gebod ziet dus op de hele geurcontour van de activiteit en kan zich uitstrekken tot buiten het plangebied van een concreet wijzigingsbesluit. Soms zal een geurgevoelig gebouw zich echter bevinden op het grondgebied van een andere gemeente die nog niet toegekomen is aan het vaststellen van de bebouwingscontour. Redelijkerwijs kan niet worden gevergd dat een gemeente ad interim de bebouwingscontour op het grondgebied van een buurgemeente vaststelt in haar omgevingsplan. Ook is het denkbaar dat de gemeente de bebouwingscontour geur voor een deel van haar grondgebied materieel al wel heeft bepaald, maar dat het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan waarmee dat wordt vastgesteld, nog in procedure is.
De nieuwe bepaling en het nieuwe begrip ‘bebouwingscontour geur’ voorkomen de onduidelijkheid die dan zou ontstaan. Bij het toepassen van de instructieregels voor geur in paragraaf 5.1.4.6 hanteren gemeenten voor ‘bebouwingscontour geur’ het nieuwe begrip bij het uitvoeren van het Bkl. Het nieuwe begrip regelt samen met het nieuwe overgangsrechtelijke artikel 12.14 dat de bebouwde kom geldt als bebouwingscontour geur tot het moment dat de bebouwingscontour geur wordt vastgesteld. Het begrip ‘bebouwde kom’ wordt hier benut in de betekenis die het had in de Wet geurhinder en veehouderij en de geurregels in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De instructieregels vereisen dat gemeenten in hun omgevingsplan regels stellen over rioolwaterzuiveringsinstallaties of het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven als die activiteiten toegelaten zijn en binnen de geurcontour geurgevoelige gebouwen toegelaten zijn (voor andere agrarische activiteiten is die keuze vrij, zie Stb. 2020, 400, p. 1574–1575). De begripsbepaling ‘bebouwingscontour geur’ werkt door naar bedrijven als gemeenten het begrip expliciet hanteren in die regels. In zo’n geval moet de gemeente ook hebben geregeld dat het begrip uit het Bkl doorwerkt naar het omgevingsplan, bijvoorbeeld door aanpassing van artikel 1.1, eerste lid, van het omgevingsplan. Dit artikel, dat via de bruidsschat is ingevoegd, regelt dat de begrippen uit de rijksregelgeving gelden voor de bruidsschat. Door aanpassing hiervan kan de gelding van die begrippen worden doorgetrokken naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
De aanwijzing van de bebouwingscontour geur hoeft overigens niet te wachten tot het moment dat regels over activiteiten of geurgevoelige gebouwen worden gesteld die deze aanwijzing vereisen, maar kan ook vooruitlopend daarop al gebeuren. Deze nieuwe bepaling maakt het mogelijk dat een gemeente de bebouwingscontour geur in haar eigen tempo vaststelt, bijvoorbeeld in nauwe aansluiting op de gekozen werkwijze bij de opbouw van het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Deze afdeling 12.2 vervangt de bestaande afdeling 12.2, waaraan niet langer behoefte bestaat. Subparagraaf 5.1.4.6.3 (Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf) kent instructieregels die bij een omgevingsplan met betrekking tot geur door het houden van landbouwhuisdieren moeten worden betrokken. Ingevolge artikel 5.104 gelden deze instructieregels niet voor het houden van pelsdieren. In verband met de Wet verbod pelsdierhouderij zijn de instructieregels voor geur door het houden van fokteven van nertsen in dierenverblijven al vormgegeven als overgangsrecht en met het Invoeringsbesluit Omgevingswet van paragraaf 5.1.4.6.3 verplaatst naar afdeling 12.2 (overgangsrecht geur door het houden van pelsdieren in dierenverblijf). De instructieregels over geur van fokteven van nertsen waren immers alleen van belang als een gemeente tussen de inwerkingtreding van de Omgevingswet en 1 januari 2024 een omgevingsplan zou vaststellen of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zou verlenen of wijzigen voor een locatie waar nertsen worden gehouden. Het lag in de rede dat het dan zou gaan om een overgangsrechtelijke regeling in het omgevingsplan. Nu het (vervroegde) verbod inmiddels met ingang van 8 januari 2021 van kracht is (Stb. 2020, 555), zijn die tijdelijke instructieregels niet langer nodig.
Via dit onderdeel wordt de onjuiste verwijzing uit artikel 12.26c van het Bkl gecorrigeerd.
Het nieuwe artikel 12.27a van het Bkl ondervangt een tekortkoming in het overgangsrecht. De bepaling zorgt ervoor dat een onder oud recht verleende omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, die de planologische basis biedt voor een later nader uit te werken bouwplan, ook onder nieuw recht een grondslag blijft bieden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dat nader uitgewerkte bouwplan. Daarmee wordt met artikel 12.27a van het Bkl een vergelijkbaar resultaat bereikt als met artikel 2.10, eerste lid, onder c, laatste zinsdeel, van de Wabo. Ook die bepaling zorgt ervoor dat een eerder verleende omgevingsvergunning voor een (bouw)afwijking van het bestemmingsplan, de grondslag vormt om de later aangevraagde omgevingsvergunning voor het feitelijk verrichten van de nader uitgewerkte bouwactiviteit te kunnen verlenen.
Op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt een onder oud recht verleende vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet van toepassing is en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning voor die activiteit. Voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, betekent dit dat deze onder de Omgevingswet gelden als omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet) respectievelijk een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 5.1 eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van de bruidsschat voor het omgevingsplan).
Als voor een bouwontwikkeling onder oud recht alleen een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en nog geen vergunning is verleend (of aangevraagd10) voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, doet bovenstaande gelijkstelling zich niet volledig voor. De omgevingsvergunning voor het feitelijk verrichten van de bouwactiviteit is in dat geval immers niet verleend. Onder de werking van de Omgevingswet moet die omgevingsvergunning dus alsnog worden aangevraagd.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat het bovenstaande ook geldt voor de besluiten waarvoor onder oud recht was bepaald dat deze (al in hun reguliere werking) golden als een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het gaat hier om het tracébesluit, bedoeld in de Tracéwet, en het projectuitvoeringsbesluit, bedoeld in de Crisis- en herstelwet. Voor deze besluiten voorzien respectievelijk artikel 4.31 en artikel 4.47, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet in overgangsrecht met een vergelijkbare strekking als artikel 4.13 van die wet. Ook voor deze besluiten kan het van belang zijn dat deze een grondslag blijven bieden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een nader uitgewerkt bouwplan, voor zover de toestemming voor het verrichten van de bouwactiviteit geen onderdeel uitmaakt van de betrokken besluiten en hiervoor onder oud recht evenmin al een aanvraag is gedaan.
Artikel 12.27a bewerkstelligt in een situatie zoals hiervoor beschreven, dat als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk als bedoeld in artikel 22.26 van de bruidsschat, in strijd is met de beoordelingsregels, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder a, van de bruidsschat, de gevraagde vergunning op grondslag van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, toch wordt verleend, voor zover vanwege de strijd met die regels al eerder in het kader van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (dus het onder oud recht vastgestelde besluit dat daarmee is gelijkgesteld) is afgewogen dat de betrokken afwijking aanvaardbaar is. Die afweging hoeft dus niet opnieuw te worden gemaakt.
Voor zover de eerder verleende vergunning voor de omgevingsplanactiviteit niet voorziet in afwijking van de regels uit (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan, moet de aanvraag hierop onverminderd worden beoordeeld. Zo zal de aanvraag voor een nader uitgewerkt bouwplan, waarvoor onder oud recht al een vergunning is verleend voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, nog wel moeten worden getoetst aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder b, van de bruidsschat. Die toets heeft immers in het kader van de eerdere vergunning nog niet plaatsgevonden. Ook zal nog moeten worden beoordeeld of de bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, van de bruidsschat, vergunningverlening niet in de weg staat. Verder geldt dat (zo nodig opnieuw) een volledige beoordeling moet plaatsvinden van de regels over doorwerking van instructieregels, instructies, voorbereidingsbesluiten en projectbesluiten, bedoeld in de artikelen 8.0b tot en met 8.0d van het Bkl. Hoewel op grond van een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit de vergunning voor het bouwplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies kan worden verleend, moet dus nog wel worden beoordeeld of instructieregels en instructies van het Rijk en de provincie niet aan vergunningverlening in de weg staan. Vaak zullen instructieregels overigens voorzien in eerbiedigende werking van eerder verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en op die grond niet van toepassing zijn.
Overigens biedt artikel 12.27a niet alleen overgangsrecht voor onder oud recht tot stand gekomen besluiten die worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Ook een onder nieuw recht verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit valt onder de werking van dit nieuwe artikel. Hoewel sprake is van een overgangsrechtelijke regeling, biedt artikel 12.27a dus ook onder nieuw recht de mogelijkheid om vergunningverlening voor locatieontwikkelingen te faseren. Het voornemen is om artikel 12.27a gedurende de overgangsfase voor het tot stand brengen van een omgevingsplan dat volledig aan de Omgevingswet voldoet, van kracht te laten zijn. Daarmee is het artikel ook van belang voor onder nieuw recht in die overgangsfase vast te stellen projectbesluiten, nu daarvoor in artikel 22.16, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat voor zover een projectbesluit dat in die fase wordt genomen het omgevingsplan niet wijzigt, dat besluit geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Het blijft dus gedurende de overgangsfase voor het omgevingsplan mogelijk om eerst een appellabel ‘planologisch’ basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, op grondslag waarvan op een later moment een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het feitelijk verrichten van de (nader uitgewerkte) bouwactiviteit. De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand.
De mogelijkheid die artikel 12.27a biedt voor het gefaseerd verlenen van een omgevingsvergunning, kan vervallen op het moment waarop gemeenten beschikken over een samenhangend omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen die de Omgevingswet daaraan stelt. Vanaf dat moment is het immers relatief eenvoudig om locatiegericht en op onderdelen tot aanpassing te komen van een geheel geconsolideerd omgevingsplan, teneinde nieuwe ruimtelijke initiatieven mogelijk te maken.
In bijlage I, onder A, zijn drie wijzigingen aangebracht. Allereerst is het begrip ‘bebouwingscontour geur’ ingevoerd. De achtergrond daarvan is toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting op onderdeel AK van artikel III van dit besluit. Verder is de afkorting ‘NEN-EN-ISO/IEC’ verklaard. Deze afkorting was al verklaard in het Bbl, maar nog niet in het Bkl. Daarnaast is in de begripsomschrijving van het begrip ‘nationaal waterprogramma’ de verwijzing gecorrigeerd. Per abuis werd er namelijk verwezen naar artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet, terwijl naar artikel 3.9, tweede lid, onder e, van die wet verwezen had moeten worden.
Dit is een redactionele wijziging. Per abuis was de exotische soort ‘Grote waternevel’ niet op alfabetische wijze ingevoegd. Dit is hersteld.
De verletteringen houden verband met de invoeging via het Invoeringsbesluit Omgevingswet in artikel 3.25, eerste lid, van het Bal van twee nieuwe onderdelen b en c. Daarbij is verzuimd deze verwijzingen in bijlage VII, onder E, onder 4, bij het Bkl aan te passen.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de grondslag in de Omgevingswet is als dat een ander artikel is dan artikel 4.3.
In het eerste lid van artikel 1.1a van het Omgevingsbesluit is ‘Dit artikel’ vervangen door ‘Dit besluit’. Dit is een redactionele wijziging.
Daarnaast vervalt de verwijzing naar artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet. In het Aanvullingsbesluit natuur was dit artikel was per abuis ingevoegd als grondslagbepaling van het Omgevingsbesluit. Dit is hersteld.
In artikel 1.1a, eerste lid, van het Omgevingsbesluit is bovendien een ontbrekende grondslagbepaling ingevoegd. Dit betreft artikel 20.2, zevende lid, van de Omgevingswet. Dit is de grondslag voor artikel 10.29, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.
Dit is een redactionele wijziging. Per abuis was in de opsomming twee keer het woord ‘of’ opgenomen. Dit is hersteld.
Dit zijn redactionele wijzigingen. In het eerste lid, onder b, ontbrak een komma. Daarnaast was per abuis in het zevende lid, aanhef, twee keer het woord ‘beslist’ ingevoegd. Ook was per abuis in de opsomming twee keer het woord ‘of’ opgenomen. Dit is hersteld.
In artikel 4.27, eerste en tweede lid, van het Omgevingsbesluit is aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het recht van advies en het recht van instemming toegekend voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het voornemen bestaat om bij de beslissing op de aanvraag in een voorschrift van de omgevingsvergunning op grond van artikel 4.5 van het Bbl af te wijken van een regel uit hoofdstuk 4 van dat besluit. In artikel 4.27, derde lid, van het Omgevingsbesluit was bepaald dat het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn op een aanvraag om een maatwerkvoorschrift om af te wijken van een regel als bedoeld in het eerste lid, als voor de bouwactiviteit geen omgevingsvergunning is vereist. Bij dit besluit is deze laatste zinsnede vervallen.
Achtergrond van deze wijziging is dat aanvragen om een maatwerkvoorschrift als hier bedoeld niet alleen bij vergunningvrije bouwactiviteiten aan de orde kunnen zijn, maar ook bij vergunningplichtige bouwactiviteiten. In het Bbl is namelijk geen toepassing gegeven aan artikel 4.5, derde lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan bij algemene rijksregels kan worden bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als over een onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Situaties waarin bij een vergunningplichtige bouwactiviteit toestemming voor afwijking van een regel uit hoofdstuk 4 van het Bbl los van de vergunningaanvraag wordt gedaan, zijn zowel voorafgaand aan de vergunningaanvraag als daarna denkbaar, als de vergunning al is verleend en het bouwplan daarna nog wordt herzien. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat in laatstgenoemde situatie altijd moet worden bezien of een afwijking van de verleende vergunning niet op zichzelf tot een wijziging van de vergunning zou moeten leiden. Een eventueel maatwerkvoorschrift kan dan ook in die procedure meelopen.
Handhaving van de hiervoor genoemde zinsnede in artikel 4.27, derde lid, van het Omgevingsbesluit met de beperking tot vergunningvrije bouwactiviteiten zou tot gevolg hebben gehad dat als bij vergunningplichtige bouwactiviteiten in de situaties zoals hiervoor beschreven een afzonderlijk maatwerkvoorschrift wordt aangevraagd, op die aanvraag en de voorgenomen beslissing daarop de regeling voor advies en instemming op grond van artikel 4.27 van het Omgevingsbesluit niet van toepassing zou zijn. Dit is onwenselijk en wordt door het bij dit besluit vervallen van die zinsnede voorkomen.
Dit artikel regelt de gevallen waarin de Minister van Infrastructuur en Waterstaat het recht van advies en het recht van instemming heeft voor aanvragen om een omgevingsvergunning. De advies- en instemmingsrechten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor de in het eerste lid, onder a, b, onder 2°, en c genoemde activiteiten zijn te herleiden tot het bij de totstandkoming van het Omgevingsbesluit gehanteerde ontwerpprincipe dat bevoegde bestuursorganen voor enkelvoudige aanvragen in beginsel het recht van advies en het recht van instemming hebben bij een meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning, voor dat deel waarvoor zijzelf bevoegd gezag zouden zijn geweest bij een enkelvoudige aanvraag.11 Op basis van dit ontwerpprincipe had aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ook het recht van advies en het recht van instemming moeten worden toegekend voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor zover het gaat om aanvragen waarvan een activiteit als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d, van het Omgevingsbesluit onderdeel is, maar dat is per abuis niet gebeurd. Dit is met deze wijziging van artikel 4.30, eerste en derde lid, hersteld. Daarbij is in artikel 4.30, eerste lid, onder d (nieuw), voor de omschrijving van de activiteit die onder het nieuwe onderdeel valt dezelfde structuur gehanteerd als voor de activiteitenomschrijving in artikel 4.11, eerste lid, onder d, zelf, met inbegrip van de daarin opgenomen verwijzingsvolgorde van de artikelen over activiteiten die worden uitgezonderd.
Het gaat bij de activiteiten, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d, kort samengevat om activiteiten in de territoriale zee buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied of in de EEZ waarvoor een andere minister of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zelf niet al uit anderen hoofde is aangewezen als bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan milieubelastende activiteiten waarvoor als deze elders zouden plaatsvinden dan in de territoriale zee buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied of in de EEZ het college van burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten bevoegd gezag zouden zijn. Activiteiten als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d, zijn in het tweede lid van dat artikel niet aangewezen als zogeheten magneetactiviteit.12 Het onderhavige besluit wijzigt dat niet.
Toepassing van de rechten van advies en instemming die bij deze wijziging aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zijn toegekend is aan de orde als sprake is van een meervoudige aanvraag waarvan naast een activiteit als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d, ook een activiteit onderdeel is die maakt dat een andere minister bevoegd gezag is voor die aanvraag. Dit kan het geval zijn als die andere activiteit is aangewezen als magneetactiviteit, bijvoorbeeld als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 4.10, tweede lid, van het Omgevingsbesluit waardoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat bevoegd gezag is. Ook kan het gaan om een meervoudige aanvraag waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van de vangnetbepaling in artikel 4.14, zevende lid, van het Omgevingsbesluit bevoegd gezag is. Dit doet zich voor als geen van de activiteiten die onderdeel zijn van de aanvraag is aangewezen als magneetactiviteit.
In het verlengde van de wijziging van artikel 4.30, eerste en derde lid, is bij dit besluit ook artikel 13.3, eerste lid, onder e, onder 1°, van het Omgevingsbesluit gewijzigd. Op grond van deze wijziging is de Minister van Infrastructuur en Waterstaat als instemmingsorgaan naast het bevoegd gezag aangewezen als mede-handhaver van een omgevingsvergunning voor zover het gaat om de naleving van voorschriften voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d. Deze wijziging wordt in de toelichting bij artikel 13.3 van het Omgevingsbesluit nader toegelicht.
Uit het oogpunt van consistent begripsgebruik wordt verwezen naar de begripsbepaling in het Bal.
Uit het oogpunt van consistent begripsgebruik wordt verwezen naar de begripsbepaling voor ‘bouwwerk geen gebouw zijnde’ in het Bbl, die geen komma bevat.
Artikel 10.21b, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gaat over specifieke aanvraagvereisten die gelden voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. In het artikellid wordt ten onrechte gesproken over het indienen van een omgevingsvergunning, terwijl bedoeld wordt: de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dat wordt gecorrigeerd, evenals een redactionele fout.
Bij dit onderdeel is in artikel 10.22, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit de verwijzing naar artikel 16.63 van de Omgevingswet vervangen door een verwijzing naar artikel 16.57 van die wet. Bij de Wet elektronische publicaties is de inhoud van artikel 16.63 van de Omgevingswet gewijzigd en verplaatst naar artikel 16.57 van die wet. Artikel 16.63 van de Omgevingswet is in samenhang daarmee vervallen. Bij het Besluit elektronische publicaties is verzuimd om deze verschuiving van artikel 16.63 naar artikel 16.57 in artikel 10.22, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit tot uitdrukking te brengen. Dat gebeurt bij deze wijziging alsnog.
Dit is een redactionele wijziging. Met deze wijziging wordt een ontbrekend koppelteken ingevoegd.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld.
In artikel 10.42a van het Omgevingsbesluit is generiek geregeld welke gegevens door het verantwoordelijke bestuursorgaan worden aangeleverd ten behoeve van het geluidregister. Het overgangsartikel 15.4, eerste lid, van het Omgevingsbesluit bevat een vergelijkbare regeling die uitsluitend ziet op de overgangsfase rond de invoering van het stelsel van de Omgevingswet.
In artikel 10.42a ontbreekt abusievelijk een verwijzing naar artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 7°, van het Bkl. In die bepaling wordt geregeld dat in het geluidregister bij geluidproductieplafonds voor wegen en spoorwegen wordt vermeld op welk kalenderjaar de geluidbrongegevens betrekking hebben. Ook dit gegeven moet worden vermeld in het geluidregister, maar daarin voorzag artikel 10.42a nog niet. Met onderdeel L wordt deze omissie hersteld.
Bij invoering van het stelsel van de Omgevingswet worden de reeds geldende geluidproductieplafonds voor rijkswegen en hoofdspoorwegen eenmalig herberekend op grond van artikel 3.2 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet. Bij die herberekening speelt het kalenderjaar genoemd in artikel 11.52, eerste lid, onder a, onder 7°, van het Bkl geen rol. Dit gegeven is ook niet aanwezig in de al bestaande geluidregisters voor rijkswegen en hoofdspoorwegen, en het zou onevenredig veel werk zijn om dit bij de herberekening alsnog te moeten toevoegen. Met onderdeel R wordt deze bepaling uit het Bkl dan ook uitgezonderd van de verplichting beschreven in artikel 15.4, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. Daarnaast is ‘Aanvullingsbesluit geluid Omgevingsrecht’ vervangen door ‘Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet’. Dit is een redactionele verbetering.
Dit is een redactionele wijziging.
Met deze wijziging wordt een verkeerde verwijzing hersteld.
Bij dit besluit is artikel 13.1a van het Omgevingsbesluit vervallen. Dat artikel, dat bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet aan het Omgevingsbesluit is toegevoegd, kende aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een mede-handhavingstaak toe naast het reguliere bevoegd gezag voor handhaving op grond van de Omgevingswet, voor zover het ging om bepaalde milieubelastende activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen en biociden werden gebruikt.
Het vervallen van het artikel heeft een wetstechnische achtergrond: het artikel is in de betreffende afdeling van het Omgevingsbesluit naar achteren verplaatst en bij dit besluit, onder aanpassing van het opschrift, opnieuw vastgesteld als artikel 13.3a0. De reden hiervoor is dat is gebleken dat bij de totstandkoming van het artikel is gebruikgemaakt van artikel 18.2, zesde lid, van de Omgevingswet als wettelijke grondslag. Deze grondslag is echter bij nader inzien niet bedoeld voor gevallen als hier aan de orde. Het gaat hierbij immers niet om de aanwijzing van een bestuursorgaan als handhavingsbevoegd gezag in plaats van, maar naast het bestuursorgaan dat op grond van 18.2, eerste tot en met vijfde lid, van de Omgevingswet als handhavingsbevoegd gezag is aangewezen, dus een bestuursorgaan met een mede-handhavingstaak. Om die reden wekte ook het opschrift van artikel 13.1a ‘toedeling aanvullende handhavingstaak’ verwarring. Dit omdat de ‘aanvullende handhavingstaak’ binnen het stelsel van de Omgevingswet geen apart te onderscheiden figuur is. Dit geldt wel voor de mede-handhavingstaak. Daarop heeft artikel 18.3 van de Omgevingswet betrekking, zodat dat artikel en niet artikel 18.2, zesde lid, voor artikel 13.1a de geëigende grondslag biedt. Daarbij gaat het in het bijzonder om artikel 18.3, tweede lid, dat een nader geclausuleerde grondslag biedt om in andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.3, eerste lid, aan een bestuursorgaan een mede-handhavingstaak toe te delen. In de toelichting op artikel 18.3, tweede lid, van de Omgevingswet zijn de gevallen, bedoeld in artikel 13.1a, in dat verband ook al als voorbeeld van dergelijke ‘andere gevallen’ genoemd.13
De nieuwe plaats van artikel 13.1a is direct na artikel 13.3. In dat artikel is al in verband met regels op grond van de Omgevingswet over instemming aan bepaalde bestuursorganen een mede-handhavingstaak toegedeeld met gebruikmaking van de grondslag van zowel artikel 18.3, eerste lid, als artikel 18.3, tweede lid, van de Omgevingswet. Met deze nieuwe plaats en in samenhang daarmee de wijziging van het opschrift van het artikel, waarin nu ook uitdrukkelijk de ‘mede-handhavingstaak’ wordt genoemd, wordt de betekenis van artikel 13.1a (oud) binnen het stelsel verduidelijkt.
Bij dit onderdeel is het opschrift van artikel 13.3 van het Omgevingsbesluit, dat luidde ‘toedeling mede-handhavingstaak’, nader gespecificeerd tot ‘toedeling mede-handhavingstaak in verband met regels over instemming’. Deze toespitsing hangt samen met de nieuwe positionering van artikel 13.1a (oud) als nieuw artikel 13.3a0 direct achter artikel 13.3 (zie hiervoor de onderdelen O en Q van artikel IV van dit besluit), in welk artikel ook sprake is van toedeling van de mede-handhavingstaak. Met de toespitsing van het opschrift van artikel 13.3 wordt de inhoud van de gevallen van mede‑handhaving die daarin worden geregeld nader afgebakend ten opzichte van de gevallen die worden geregeld in het nieuwe artikel 13.3a0.
Daarnaast wordt het eerste lid, onder e, onder 1° gewijzigd. Deze wijziging hangt samen met de wijziging van artikel 4.30, eerste en derde lid, van het Omgevingsbesluit die onderdeel is van dit besluit. Voor een goed begrip van deze wijziging wordt daarom in de eerste plaats naar de toelichting op de wijzigingen van dat artikel verwezen. Er is aanleiding gezien om de mede-handhavingstaak die in artikel 13.3, eerste lid, onder e, onder 1°, voor de daarin genoemde gevallen aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is toegekend, uit te breiden tot de voorschriften van een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit in de territoriale zee buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied of in de EEZ als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onder d, van het Omgevingsbesluit waarnaar in artikel 4.30, eerste lid, onder d (nieuw), wordt verwezen. Dit is conform de ontwerpprincipes van het Omgevingsbesluit. Achtergrond hiervan is dat de minister in die gebieden zelf al het beherend bestuursorgaan is. Het zou in dat geval niet doelmatig zijn als de minister bij de constatering van een overtreding van de voorschriften van de vergunning niet zelf handhavend kan optreden maar een handhavingsverzoek moet doen aan het bevoegd gezag.14
Bij dit onderdeel is een nieuw artikel 13.3a0 aan afdeling 13.1 van het Omgevingsbesluit toegevoegd. Het gaat hier om artikel 13.1a (oud), dat bij in artikel IV, onderdeel O, van dit besluit is vervallen en opnieuw is vastgesteld als 13.3a0. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op onderdeel O.
Dit is een redactionele wijziging.
Deze wijziging houdt in dat op de lijst, bedoeld in artikel 15.2 van het Omgevingsbesluit, hierna ‘lijst gesaneerd’, gebouwen kunnen komen, die zijn gesaneerd onder de Wet milieubeheer wegens een hoge geluidbelasting van een rijksweg of hoofdspoorweg. Dit wijkt af van de hoofdregel dat een gebouw dat eenmaal is gesaneerd, niet opnieuw kan worden gesaneerd. Bij een sanering onder de Wet milieubeheer is niet beoordeeld of het gebouw ook een hoge geluidbelasting ondervindt van een provinciale weg, gemeente- of waterschapsweg of lokale spoorweg, en dus ook niet of er voor zo’n (spoor)weg geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden. Ook is bij een sanering onder de Wet milieubeheer niet beoordeeld of het binnenniveau van een gebouw dat boven de binnenwaarde ligt, mede wordt veroorzaakt door een weg of spoorweg die niet een rijksweg of hoofdspoorweg is. Doordat de verschillende (spoor)wegen verschillende gevels belasten, kunnen de geluidwerende maatregelen per geluidbron verschillen. Het is daarom niet wenselijk dat gebouwen die op grond van de Wet milieubeheer gesaneerd zijn, worden uitgesloten van de sanering van verkeerslawaai als gevolg van provinciale wegen en gemeente- en waterschapswegen op grond van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet.
Verder wordt een uitzondering toegevoegd ter verduidelijking. In de toelichting bij dit artikel in het Aanvullingsbesluit geluid15 was aangegeven dat een gebouw dat is gesaneerd met een verkeersmaatregel door het instellen van een maximumsnelheid van 30 km/u, wel op de ‘lijst gesaneerd’ zou kunnen komen. Dit bleek echter nog niet uit het artikellid zelf. De reden voor deze uitzondering is dat de rijksbijdrage in veel gevallen niet kon worden ingezet voor geluidwerende maatregelen.
Het begrip ‘rijstrook’ wordt gebruikt in artikel 5.4 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uit het oogpunt van consistent begripsgebruik wordt verwezen naar de begripsbepaling in het Bkl.
In rij J7 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit is een redactionele wijziging doorgevoerd. Hierbij is een overbodige spatie geschrapt.
Daarnaast is een wijziging doorgevoerd in rij J9. Deze rij wijst de aanleg, wijziging of uitbreiding van een aantal nader omschreven buisleidingen aan als project waarvoor een mileueffectrapportage(beoordelings)plicht geldt. Als besluiten waaraan die (beoordelings)plicht is gekoppeld waren in de vierde kolom van rij J9 alleen het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangewezen. De vergunning voor een pijpleiding op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit was niet aangewezen. Pijpleidingen als bedoeld in die artikelen, waarvoor artikel 92 van het Mijnbouwbesluit een begripsomschrijving bevat, zijn doorgaans buisleidingen voor transport van gas, olie of kooldioxide. De aanwijzing van de vergunning voor een pijpleiding op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit is bij de vaststelling van het Omgevingsbesluit achterwege gebleven omdat ervan is uitgegaan dat voor deze pijpleidingen, voor zover gelegen op een locatie op zee of het continentaal plat waarvoor geen omgevingsplan geldt, op grond van de Omgevingswet (ook) een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk (een wateractiviteit) was vereist. Separate aanwijzing van de vergunning op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit naast de ook in rij J9, vierde kolom, aangewezen omgevingsvergunning voor een wateractiviteit werd daarom niet nodig geacht. Hiermee was echter een niet beoogd verschil ontstaan met de regeling zoals die onder het recht voor de Omgevingswet gold op grond van het Besluit milieueffectrapportage. Dit is bij dit besluit hersteld door in de eerste plaats in de onderdelen BI en BK van artikel I van dit besluit, waarbij artikel 6.16, derde lid, respectievelijk artikel 7.16, derde lid, van het Bal zijn gewijzigd, het toepassingsbereik van de daar bedoelde bepalingen zo aan te passen dat de aanleg van pijpleidingen als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit niet langer ook kan worden aangemerkt als een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk. Vervolgens is in samenhang daarmee met de wijziging van rij J9, vierde kolom, de aanwijzing van de vergunning voor een pijpleiding op grond van artikel 94 of 95 van het Mijnbouwbesluit als mer-(beoordelings)plichtig besluit weer teruggebracht. Voor buisleidingen die geen pijpleiding zijn als bedoeld in de artikelen 94 en 95 van het Mijnbouwbesluit, blijft het omgevingsplan of, bij afwezigheid daarvan, de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangewezen als besluit waarvoor een milieueffectrapportage(beoordelings)plicht geldt. Voor buisleidingen voor stoom of warm water zal het daarbij vaak om het omgevingsplan gaan.
In het opschrift van de artikelen is tussen vierkante haken [...] aangegeven wat de grondslag in de Omgevingswet is.
Dit is een redactionele wijziging waarmee wordt aangesloten bij de gebruikelijke formuleringen van het stelsel van de Omgevingswet.
Bij artikel 4.80a van de Invoeringswet Omgevingswet respectievelijk de artikelen 22.33 en 22.278 van de bruidsschat is eerder een voorziening getroffen om voor gebieden waarvoor nog onder oud recht een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening is genomen of op grond van oud recht een (ander) besluit is genomen dat op grond van dat recht gold als een zodanig besluit, in een voortgezet beschermingsregime te voorzien in verband met het onder de Omgevingswet niet terugkomen van de aanhoudingsplicht voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouw- en aanlegactiviteiten (artikel 3.3 Wabo).
Bij het maken van deze artikelen is ervan uitgegaan dat het bij de categorie besluiten ‘geldend als voorbereidingsbesluit’ alleen zou gaan om besluiten krachtens de Wet luchtvaart (zie in dat verband artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet). Gebleken is echter dat het hier ook gaat om een onder het overgangsrecht vallend tracébesluit, waarvoor in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet is bepaald dat het geldt als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet. De gelijkstelling van een tracébesluit met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening was geregeld in artikel 13, eerste lid, van de Tracéwet. De wijziging van de artikelen 22.33, eerste lid, onder a, en 22.278, eerste lid, onder a, van de bruidsschat strekt ertoe het als voorbereidingsbesluit geldende tracébesluit aan de regeling in die artikelen toe te voegen.
Het voornemen is om in samenhang met deze wijzigingen bij de eerstkomende reparatiewet van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving het als voorbereidingsbesluit geldende tracébesluit ook onder de werking van artikel 4.80a van de Invoeringswet Omgevingswet te brengen. Zolang dit niet is gebeurd, geldt er in een gebied waar een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit van kracht is voor vergunningaanvragen krachtens het oude recht als bedoeld in artikel 4.80a die geen betrekking hebben op de uitvoering van het tracébesluit, een aanhoudingsplicht. Door het ontbreken van een verwijzing naar het tracébesluit in artikel 4.80a komen doel en strekking van het tracébesluit dus niet in gevaar. De voorgenomen aanpassing van artikel 4.80a is niettemin wenselijk om tegen te gaan dat er vergunningaanvragen krachtens het oude recht zullen blijven voortbestaan waarvoor een eeuwigdurende aanhoudingsplicht geldt. De toevoeging van het tracébesluit aan de artikelen 22.33 en 22.278 van de bruidsschat is noodzakelijk om te voorkomen dat de omgevingsvergunning voor ontwikkelingen die doel en strekking van het tracébesluit doorkruisen niet kan worden geweigerd. Zonder deze toevoeging zouden doel en strekking van het tracébesluit dus juist wel in gevaar kunnen komen.
Op grond van categorie 1, 1.2, onder c van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.
Onbedoeld zijn vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels wel onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van het omgevingsplan komen te vallen. Dit wordt door toevoeging van een nieuw onderdeel g aan artikel 22.41, tweede lid, van het omgevingsplan, gecorrigeerd.
Dit artikel bevat overgangsrecht voor het treffen van zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen bij het verrichten van milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van de bruidsschat vallen. Dit onderwerp werd in het voor de Omgevingswet geldende recht geregeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor het van toepassing zijn van het overgangsrecht geldt als criterium of voor het betrokken bedrijf of de betrokken instelling voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een informatieplicht op grond van het tweede of tiende lid, respectievelijk elfde lid, van dat artikel heeft gegolden. Het overgangsrecht bewerkstelligt dat tot aan de einddata van het tijdvak voor de informatieplicht, zoals voorzien in die artikelleden, op het betrokken bedrijf of de betrokken instelling niet de regels over het treffen van energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 22.52 van de bruidsschat, van toepassing zijn, maar de bij of krachtens artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde regels. Dit zijn zowel de regels over de energiebesparende maatregelen zelf, als de regels over de informatieplicht.
In de artikelen 22.54, eerste lid en tweede lid, onder b, 22.55, eerste lid, artikel 22.83, eerste lid en tweede lid, onder b, 22.84, 22.90, tweede lid, en 22.91, eerste lid, aanhef, van de bruidsschat stond op diverse plekken ‘(...) geluid/trillingen/geur door een activiteit op of in een geluid/trillinggevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten (...)’. In deze bepalingen moest ‘die’ op het geluid/trilling/geurgevoelig gebouw slaan, maar grammaticaal sloeg het op de activiteit. Dit is gecorrigeerd. De zinsnede ‘op een locatie’ is daarnaast een overbodige toevoeging binnen de context van deze regel. Dit zindeel is geschrapt.
Het tweede lid van artikel 22.60 van de bruidsschat gaat over het gemiddelde aantal transportbewegingen. Per abuis ontbrak in onderdeel a van het eerste lid de term ‘gemiddeld’. Dit is aangepast.
Daarnaast werd in onderdeel i, eerste lid, van artikel 22.60 de aanduiding ‘vertrek’ gebruikt. Binnen het stelsel van de Omgevingswet wordt hiervoor altijd de term ‘ruimte’ gebruikt. Dit is aangepast.
Het is voor gemeenten en omgevingsdiensten belangrijk om op de hoogte te zijn van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein. Dit ten behoeve van het zonebeheer. Voor diverse inrichtingen Type B, zoals bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer was geen informatieplicht opgenomen in de bruidsschat voor gemeenten. Met deze wijziging wordt een informatieplicht voor een belangrijk deel van deze activiteiten, gelegen op een gezoneerd industrieterrein in het omgevingsplan opgenomen.
Dit geldt ook voor grote transformatorstations met een vermogen van 200 MVA of meer, waarvoor de vergunningplicht is komen te vervallen, maar die geen milieubelastende activiteit zijn zoals aangewezen in het Bal.
Met het Invoeringsbesluit Omgevingswet is aan artikel 22.62 van de bruidsschat een lid toegevoegd waarin is bepaald dat paragraaf 22.3.4.2 niet van toepassing is op het geluid dat niet representatief is voor een activiteit. De regels in paragraaf 22.3.4.2 gelden alleen voor representatief geluid dat wordt veroorzaakt door activiteiten die onderdeel zijn van de representatieve bedrijfssituatie (hierna: RBS) als bedoeld in paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling. De regels gelden niet voor het geluid tijdens een uitzonderlijke bedrijfssituatie (hierna: UBS), voorheen aangeduid als incidentele bedrijfssituatie of regelmatige afwijking van de RBS, die meer geluid veroorzaakt dan de RBS. Het geluid tijdens een UBS moet worden gereguleerd met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.45 van de bruidsschat, of met een maatwerkregel in het omgevingsplan. Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh bij de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast.
Uit reacties op de consultatie van dit besluit is echter gebleken dat door het toevoegen van artikel 22.62, tweede lid, onduidelijk is geworden wat volgens de bruidsschat geldt voor het geluid tijdens een UBS, als voor die UBS geen maatwerk is vastgesteld. Hoewel in de Omgevingsregeling is bepaald welke activiteiten als representatief respectievelijk uitzonderlijk moet worden aangemerkt, kan met artikel 22.62, tweede lid, onbedoeld de indruk zijn gewekt dat de regels van de bruidsschat niet gelden voor de UBS. Een exploitant zou dan bij een geconstateerde overschrijding van de gestelde waarden kunnen aanvoeren dat de activiteit die de overschrijding veroorzaakt niet representatief is. Dat zou voor de gemeente een onwerkbare situatie opleveren. Om dat te voorkomen is artikel 22.62, tweede lid, zo aangepast de waarden uit de bruidsschat niet van toepassing zijn op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit. Het geluid van een activiteit wordt dus beoordeeld als representatief geluid, tenzij bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel anders is bepaald. Hiermee wordt de regeling en uitvoeringspraktijk van artikel 2.20, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer ongewijzigd voortgezet.
In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl is deze aanvullende bepaling niet nodig. In de toelichting op artikel 5.63, tweede lid, van het Bkl, zoals gewijzigd bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400, p. 1563–1564), is al uitgelegd dat het omgevingsplan er ook in moet voorzien dat het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is als bedoeld in artikel 5.59, tweede lid, van het Bkl. De gemeente kan daarin voorzien door artikel 22.62 van de bruidsschat of een artikel met gelijke werking over te nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarmee is het voor bedrijven ook direct duidelijk dat voor uitzonderlijke bedrijfssituaties contact moet worden opgenomen met de gemeente, die het geluid kan beoordelen op aanvaardbaarheid en een maatwerkvoorschrift kan stellen waarmee meer geluid wordt toegestaan. Een alternatief is dat de gemeente voor het niet-representatieve geluid (maatwerk)regels opneemt in haar omgevingsplan die zijn toegesneden op de activiteiten die op een bepaalde locatie zijn toegelaten.
In het eerste lid, onder j, van de bruidsschat is per abuis een onjuiste verwijzing opgenomen. De verwijzing naar paragraaf 2.3.20 moest zijn een verwijzing naar paragraaf 22.3.21. Dit is aangepast.
In onderdeel D van artikel III van dit besluit zijn in verschillende artikelen van het Bkl de term ‘dB’ vervallen. Deze wijziging wordt consequent doorgevoerd in de bruidsschat. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij voornoemd onderdeel.
In artikel 22.78 van de bruidsschat was per abuis de spatie weggevallen tussen ‘Lden’ en ‘of’. Via de wijzigingsopdracht is dit ongedaan gemaakt.
In artikel 22.88, tweede lid, en de bijbehorende tabel 22.3.9 van de bruidsschat was per abuis de spatie weggevallen tussen ‘A2’ en ‘trillingssterkte’. Dit is aangepast.
Het houden van pelsdieren is inmiddels verboden. Paragraaf 22.3.6.3 van de bruidsschat, dat gaat over geurnormen voor nertsen, komt daarom te vervallen. De verwijzingen naar paragraaf 22.3.6.3. vervalt daarom ook in de artikelen 22.90, tweede lid, 22.91, eerste lid, aanhef en tweede lid, aanhef, 22.92, aanhef, 22.93, 22.94, aanhef, en 22.95. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de wijziging van artikelen 3.128, eerste lid, onder d, en 3.200, tweede lid, onder d en 3.204a van het Bal.
Een kantoor (of ander object voor menselijk verblijf, anders dan een geurgevoelig gebouw) dat in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar, krijgt wel bescherming voor geur dat veroorzaakt wordt door een milieubelastende activiteit, aan de hand van de voorschriften met waarden en afstanden. Dit is conform de regels zoals die golden onder de Wet milieubeheer.
Een kantoor (of ander object voor menselijk verblijf, anders dan een geurgevoelig gebouw) dat in het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt toegelaten (voor een duur van niet meer dan tien jaar), kreeg volgens de formulering in artikelen 22.90 en 22.91 ook bescherming tegen geur veroorzaakt door een milieubelastende activiteit, aan de hand van de voorschriften met waarden en afstanden. Dit, terwijl deze gebouwen niet vallen onder het toepassingsbereik van de instructieregels met standaardwaarden in het Bkl voor geur.
Als de gemeente dat voor deze nieuw toe te laten objecten niet wilde, dan moest de gemeente bij het toelaten (via wijziging van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) van het kantoor dus ook regelen dat de artikelen met betrekking tot geur niet gelden voor dit object. Dit moest de gemeente dan doen door voor die betreffende locatie:
– aanpassen van de bruidsschatregel in een regel in het nieuwe deel van het omgevingsplan; of
– via een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 omgevingsplan.
Met deze wijziging is het zo geregeld dat voor een activiteit die geur veroorzaakt op een kantoor (of ander object voor menselijk verblijf, anders dan een geurgevoelig gebouw), dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan wordt toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar, de specifieke geurregels met waarden en afstanden niet gelden ten aanzien van dat gebouw.
In het eerste lid is per abuis een onjuiste verwijzing opgenomen. De verwijzing naar artikel 2.3.6.1 van de bruidsschat moest zijn een verwijzing naar artikel 22.90, tweede lid. Ook in het tweede lid is per abuis een onjuiste verwijzing opgenomen. De verwijzing naar artikel het eerste lid moest zijn een verwijzing naar artikel 22.90, eerste lid. Dit is aangepast.
Tabelnummer 22.3.12 was twee keer gebruikt. Zowel in artikel 22.101 als in 22.103. De tabel in artikel 22.103 is vernummerd.
Het houden van pelsdieren is inmiddels verboden. De hele paragraaf met geurnormen voor nertsen komt daarom te vervallen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de wijziging van artikelen 3.128, eerste lid, onder d, en 3.200, tweede lid, onder d en 3.204a van het Bal.
Deze tabel was verkeerd genummerd als 2.3.26. Dit is gewijzigd in 22.3.26.
In artikel 22.141 van de bruidsschat zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd. In onderdeel i werd per abuis verwezen naar NEN-EN-ISO 14403-1:2012 en NEN-EN-ISO 14403-2:2012. Dat is niet correct en moet NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2. Dit is nu in overeenstemming met de schrijfwijze in bijlage I bij de bruidsschat omgevingsplan.
In onderdeel j werd verwezen NEN-EN-ISO 15923-1. Dit moet NEN-ISO 15923-1 zijn. Dit is ook aangepast.
Verder ontbrak abusievelijk de norm voor de bepaling van ijzer. Deze is nodig omdat artikel 22.140 een emissiegrenswaarde voor ijzer bevat.
In overeenstemming met de bepalingen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is in onderdeel a aangegeven dat ook gebruik gemaakt mag worden van NEN-EN-ISO 5815-2. Dit is aangepast. De NEN-EN 1899-2 is ingetrokken.
De norm NEN 6633 is per oktober 2018 ingetrokken en vervangen door NEN-ISO 15705:2003. Dit is aangepast in onderdeel b.
De paragraaf lozen bij reinigen van bouwwerken liet anders dan het Besluit lozen buiten inrichtingen het lozen van afvalwater van onder andere gevelreiniging in het openbaar vuilwaterriool toe. Dit was niet beoogd, en wordt met de aanpassing van artikelen 22.154 en 22.155 hersteld en in overeenstemming gebracht met regels in voornoemd besluit.
Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen lozen vanuit huishoudens en andere lozingen. Bij reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd verschillen de regels van Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Besluit lozen buiten inrichtingen niet. Er mag langs alle lozingsroutes worden geloosd. Andere reinigingswerkzaamheden, zoals gevelreiniging waarbij hardnekkige aanslag wordt verwijderd, worden over het algemeen niet door het huishouden zelf uitgevoerd, waardoor in de praktijk de regels van het Besluit lozen buiten inrichtingen werden toegepast met als normadressaat degene die de werkzaamheden uitvoert. De regels gelden ook als onderhoudswerkzaamheden plaatsvinden aan bouwwerken die onderdeel zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in het Bal. Ook dit is in overeenstemming met hoe de regels in de praktijk worden toegepast. Voor zover lozen in een oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt zijn regels over onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken opgenomen in de bruidsschat van de waterschapsverordening.
Het voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende Besluit lozen buiten inrichtingen gaat ervan uit dat afvalwater vanuit openbare rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ alleen zonder voorafgaande individuele toestemming mag worden geloosd als die rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ voorkomen op het in het gemeentelijk rioleringsplan of het gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen, en overeenkomstig dat plan of programma worden beheerd. De artikelen 22.163 en 22.164 van de bruidsschat omgevingsplan zijn bedoeld om die regeling voort te zetten. Dat geldt in ieder geval voor lozingen die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet al plaatsvinden. Beoogd is echter dat het ook geldt voor lozingen die al in een vastgesteld plan of programma zijn voorzien, maar waarbij de voorzieningen op het moment van inwerkingtreding nog niet zijn gerealiseerd, en ook voor lozingen die plaatsvinden uit nieuwe voorzieningen uit een na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangepast plan of programma. Artikel 22.163 onder a zou ertoe leiden dat uit openbare hemelwaterstelsels en ontwateringsstelsels alleen zou mogen worden geloosd als die lozingen al gestart zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is niet beoogd, zoals ook blijkt uit de toelichting bij dat artikel. Daarom wordt onderdeel a geschrapt, waarmee het artikel ook in overeenstemming wordt gebracht met artikel 22.164.
In het omgevingsplan zijn alleen lozingen op of in de bodem geregeld, lozingen in een oppervlaktewaterlichaam zijn geregeld in de bruidsschat van de waterschapsverordening. In navolging van artikel 3.15 van het Besluit lozen buiten inrichtingen mag vanuit een vuilwaterriool niet worden geloosd op of in de bodem. In het artikel van de bruidsschat werd echter abusievelijk ook verwezen naar het openbaar vuilwaterriool. Deze verwijzing is geschrapt.
In artikel 22.168 van de bruidsschat, eerste lid, stond een foutieve verwijzing naar artikel 22.162. Artikel 22.162 is gewijzigd in artikel 22.167.
In dit artikel werd per abuis verwezen naar het artikel in plaats van de tabel. Dit is aangepast.
Deze norm NEN 6633 is per oktober 2018 ingetrokken en vervangen door NEN-ISO 15705:2003.
Er stond een onjuiste verwijzing naar artikel 22.209 van de bruidsschat. Dit is aangepast in artikel 22.214.
Er stond een onjuiste verwijzing naar artikel 22.211 van de bruidsschat. Dit is aangepast in artikel 22.216.
In artikel 22.239, tweede lid, onder b, van de bruidsschat ontbrak een zindeel. Dat zinsdeel stond wel in artikel 3.149, tweede lid, onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het ontbrekende zinsdeel is aangevuld.
Er stond een onjuiste verwijzing naar artikel 22.241 van de bruidsschat. Dit is aangepast in 22.240.
Onder het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden de regels voor de opslag van propaan en propeen pas voor opslagtanks met een inhoud van tenminste 150 liter. Deze ondergrens is opgenomen in de begripsbepaling van opslagtank in dat besluit. De begripsbepaling in bijlage 1 bij het Bal bevat deze ondergrens niet. Het is wel nodig dat deze ondergrens blijft gelden. Daarom is de ondergrens toegevoegd aan het eerste lid van artikel 22.262 van de bruidsschat.
Daarnaast is het tweede lid aangepast. De te verstrekken gegevens zoals bedoeld in het tweede lid, onder c, moeten aanvullend zijn op de te verstrekken gegevens genoemd in het tweede lid, onder b, en niet daarvoor in de plaats komen. Dit stond niet juist in dit artikel.
In artikel 22.267, eerste lid, onder b, van de bruidsschat was per abuis de spatie weggevallen tussen ‘m3’ en ‘vaste mest’. Dit is aangepast.
Direct onder paragraaf 22.5.2 (Aanvraagvereisten) van de bruidsschat zat zowel een artikel (22.283) als subparagrafen. Dat is niet toegestaan in de Standaard voor officiële publicaties (STOP). Daardoor kan de paragraaf niet goed weergegeven worden in het DSO. Daarom is een nieuwe subparagraaf 22.5.2.1 tussengevoegd.
Boven artikel 22.283 is daarnaast onder vernummering de subparagraaf 22.5.2.1 (Algemene bepalingen) toegevoegd.
In de begripsomschrijvingen van ISO 5815-1, NEN 6600-1 en NEN-EN-ISO 5667-3 zijn nu de geactualiseerde versies opgenomen.
In overeenstemming met artikel 22.150 is nu ook de begripsbepaling ISO 5815-2 ingevoegd.
Daarnaast komen de begripsbepalingen van NEN 6633 en NEN-EN 1899-1 te vervallen. NEN 6633 is per oktober 2018 ingetrokken en vervangen door NEN-ISO 15705:2003. NEN-EN 1899-1 is daarnaast inmiddels vervallen.
Voor de toelichting bij dit onderdeel wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op onderdeel B van artikel V.
Aan de artikelen 6.2, 7.12 en 8.84 van het Bkl wordt een nieuw lid toegevoegd ter verbetering van de implementatie van de kaderrichtlijn water. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van dit besluit bij deze artikelen. Artikel 1.2 van de bruidsschat waterschapverordening wordt in lijn gebracht met het gewijzigde artikelen in het Bkl.
In overeenstemming met de bepalingen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen, mag ook gebruik gemaakt worden van NEN-EN-ISO 5815-2. NEN-EN 1899-1 en NEN 6633 zijn inmiddels vervallen.
Daarnaast werd in onderdeel c verwezen naar NEN-ISO 15923 en in onderdeel e verwezen naar NEN-EN-ISO 15923-1. In beide gevallen moet dit NEN-ISO 15923-1 zijn. Dit zijn redactionele wijzigingen.
NEN 6633 is inmiddels komen te vervallen. Dit onderdeel is op dit punt geactualiseerd.
Daarnaast werd in onderdeel f verwezen naar NEN-ISO 15923 en in onderdeel h verwezen naar NEN-EN-ISO 15923-1. In beide gevallen moet dit NEN-ISO 15923-1 zijn. Dit zijn redactionele wijzigingen.
In dit artikel stond een verkeerde artikelverwijzing. Artikel 22.34 van de bruidsschat is gewijzigd in artikel 2.34.
Het voorafgaand aan het inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende Besluit lozen buiten inrichtingen gaat ervan uit dat afvalwater vanuit openbare rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ alleen zonder voorafgaande individuele toestemming mag worden geloosd als die rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ voorkomen op het in het gemeentelijk rioleringsplan of het gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen, en overeenkomstig dat plan of programma worden beheerd. De artikelen 2.36 en 2.37 van de bruidsschat waterschapsverordening zijn bedoeld om die regeling voort te zetten. Dat geldt in ieder geval voor lozingen die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet al plaatsvinden. Beoogd is echter dat het ook geldt voor lozingen die al in een vastgesteld plan of programma zijn voorzien, maar waarbij de voorzieningen op het moment van inwerkingtreding nog niet zijn gerealiseerd, en ook voor lozingen die plaatsvinden uit nieuwe voorzieningen uit een na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangepast plan of programma. Artikel 2.36, onder a, van de bruidsschat zou ertoe leiden dat uit openbare hemelwaterstelsels en ontwateringsstelsels alleen zou mogen worden geloosd als die lozingen al gestart zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is niet beoogd, zoals ook blijkt uit de toelichting bij dat artikel. Daarom wordt onderdeel a geschrapt, waarmee het artikel ook in overeenstemming wordt gebracht met artikel 2.37.
In dit artikel stond een verkeerde artikelverwijzing. Artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit is gewijzigd in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit.
In dit artikel stond een verkeerde artikelverwijzing. Artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit is gewijzigd in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit.
NEN-EN 1899 en NEN 6633 zijn inmiddels vervallen. De onderdelen c en d zijn op dit punt geactualiseerd. Daarnaast ontbrak in artikel 2.51 van de bruidsschat abusievelijk de norm voor de bepaling van ijzer. Deze is nodig omdat artikelen 2.49 en 2.50 een emissiegrenswaarde voor ijzer bevatten.
Het tijdelijke deel van de waterschapverordening kan regels bevatten die strijdig zijn met het bepaalde in het eerste lid van artikel 3.1 van de bruidsschat waterschapverordening. In dat geval moet de regel in het tijdelijke deel van de waterschapverordening voorrang hebben op de bruidsschatregel. Dit was in artikel 3.1, tweede lid, onder b, al goed geregeld voor een bepaling in het tijdelijke deel dat bepaald dat er geen melding gedaan hoeft te worden. Maar deze voorrang moet ook gelden voor andere procedurele vereisten in het tijdelijke deel, zoals een andere termijn dan de in het eerste lig genoemde vier weken of een verbod om de activiteit te beginnen voordat een melding is gedaan.
In de begripsomschrijvingen van NEN-EN-ISO 5815-1, NEN 6600-1 en NEN-EN-ISO 5667-3 zijn nu de geactualiseerde versies opgenomen.
In overeenstemming met artikel 2.19 is nu ook de begripsbepaling NEN-EN-ISO 5815-2 ingevoegd. In een inspraakreactie van de Unie van Waterschappen is aangegeven dat in bijlage I nog enkele begripsbepalingen ontbraken. Dit is gecorrigeerd.
Daarnaast zijn NEN 6633 en NEN-EN 1899-1 komen te vervallen. Bijlage I is op dit punt geactualiseerd.
Voor de toelichting bij dit onderdeel wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel D van artikel V.
Artikel 8.1.10 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet voorziet in overgangsrecht voor een bijzondere situatie die zich voordoet bij de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Een deel van deze vergunningen is in het nieuwe stelsel omgezet naar een reguliere omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Daarbij komt het voor dat het aangrijpingspunt van de vergunning net anders wordt.
Het verandert in veel gevallen van een vergunningplicht die alleen geldt voor specifieke momenten, zoals ‘oprichten’ of ‘veranderen’, naar een continue vergunningplicht voor het uitvoeren van de activiteit. Hierdoor ontstaat er een nieuwe vergunningplicht en is het gewone overgangsrecht van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet niet van toepassing. Het zijn daarom gevallen waar artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet op van toepassing is. Dat artikel regelt dat er voor een periode van twee jaar een vergunning van rechtswege geldt als er door invoering van de Omgevingswet een nieuwe vergunningplicht ontstaat. Dit zou in het geval van de oude OBM's een vreemde situatie opleveren, omdat de bedrijven al een vergunning hadden. Daarom regelt artikel 8.1.10 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet dat er een vergunning voor onbepaalde tijd geldt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.1.10 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400, p. 401–402).
Er zijn per abuis een aantal zaken niet correct in de opsomming van de milieubelastende activiteiten in artikel 8.1.10 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Met deze wijzigingen worden een aantal verkeerde verwijzingen hersteld:
– Artikel 3.106, eerste lid, onder e, van het Bal is ingevoegd. Dit is de oude vergunningplicht van artikel 2.2a, eerste lid, onderdeel a, D32.7 Besluit mer (bouwen en repareren luchtvaartuigen);
– Artikel 3.130, eerste lid, onder f, van het Bal is vervallen. Dit is geen OBM-activiteit (slachten van dieren);
– Artikel 3.130, eerste lid, onder h, van het Bal is ingevoegd. Dit is de oude vergunningplicht van artikel 2.2a, eerste lid, onderdeel a, D35 Besluit mer (vervaardigen visolie en vismeel);
– Artikel 3.163 van het Bal is vervangen door artikel 3.164 van het Bal. Het eerstgenoemde artikel bevat de aanwijzing van de milieubelastende activiteit zelf en niet de aanwijzing van de vergunningplicht. De vergunningplicht is opgenomen in artikel 3.164 van het Bal. De verwijzing naar 3.163 van het Bal is daarnaast niet correct, omdat het alleen bij de kleinere verzameling activiteiten van artikel 3.164 van het Bal gaat om een oude OBM (opslaan van metaalschroot of autowrakken);
– Artikel 3.227 van het Bal is vervallen. Dit artikel is opgenomen in artikel 3.106, eerste lid, onder d, van het Bal (assembleren van auto’s).
Met de inwerkingtreding van het stelsel verandert het instrument van de zogenaamde bedrijfsbrandweeraanwijzing op zich niet van rechtskarakter. Wel wordt er een nadere eis aan gesteld. Volgens artikel 7.3, derde lid, van het Besluit veiligheidsregio’s zoals gewijzigd door het Invoeringsbesluit Omgevingswet stelt het bestuur van de veiligheidsregio de begrenzing van de locatie vast waarop de bedrijfsbrandweeraanwijzing betrekking heeft. Het Invoeringsbesluit wordt aangevuld met een overgangsrechtelijke bepaling. Het eerste lid maakt duidelijk dat de begrenzing van de inrichting waar de huidige aanwijzingen vanuit gaan, gezien moet worden als de begrenzing van de locatie voor de bedrijfsbrandweeraanwijzing. De locaties waarop een of meer milieubelastende activiteiten worden verricht zullen over het algemeen samen vallen met de inrichtingen, bedoeld in de Wet milieubeheer (Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, p. 433). Voor een inrichting als bedoeld in de Kernenergiewet blijft hoe dan ook dezelfde begrenzing van toepassing.
In artikel II, onderdelen D en J, aanhef, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet waren per abuis onjuiste verwijzingen opgenomen. Met het vervangen van ‘bijlage XIIIa’ door ‘bijlage XIIIb’ wordt deze omissie hersteld.
In dit onderdeel worden wijzigingen aangebracht in het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet. Onderdeel C, onder 1, is erop gericht het begrip ‘Onze Ministers’ met bijbehorende begripsomschrijving in het Besluit bodemkwaliteit te schrappen. In het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit opnieuw vastgesteld, alleen is daarbij per abuis in de begripsbepaling ‘Onze Ministers’ opgenomen in plaats van ‘Onze Minister’. Dit is hersteld.
Met de wijzigingen in onderdeel C, onder 2 en 3, wordt ervoor gezorgd dat artikel 66, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit niet komt te vervallen. Diens functie blijft behouden.
In artikel XVI, vijfde lid, van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen voor meldingen voor het toepassen van mijnsteen die zijn gedaan voor het in werking treden van de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Bal. Daarin wordt echter verwezen naar artikel 32b van het Besluit bodemkwaliteit, in plaats van artikel 33b van dat besluit. Met deze wijziging wordt de omissie gerepareerd.
In artikel 33b van het Besluit bodemkwaliteit staat dat voor het toepassen van de bouwstof mijnsteen in het algemeen, in afwijking van de algemene regels die voor andere bouwstoffen zijn opgenomen, de algemene regels voor het toepassen van grond en baggerspecie gelden. Die omvatten onder andere een meldingsplicht op grond van artikel 42, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit. Het overgangsrecht heeft dus betrekking op meldingen van het toepassen van mijnsteen die op grond van artikel 33b juncto 42, eerste lid, van voornoemd besluit zijn gedaan.
In dit artikel worden in de onderdelen 1 en 2 drie soorten besluiten uit de geluidregelgeving aangewezen als categorieën van beperkingenbesluiten waarop de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) van toepassing is:
1. het besluit van het bevoegd gezag om geen of minder geluidwerende maatregelen aan een geluidgevoelig gebouw te treffen (artikel 2.43, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.53, derde en vierde lid, onder a tot en met c, van het Bkl),
2. het besluit van het bevoegd gezag om een besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen aan een geluidwerend gebouw te wijzigen in een besluit om geen geluidwerende maatregelen aan dat gebouw te treffen (artikel 2.43, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 3.54 van het Bkl),
3. door het bevoegd gezag gesteld maatwerkvoorschrift bij wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk of een gedeelte daarvan inhoudende dat de waarde, bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van het Bbl, wordt versoepeld tot ten hoogste 38 dB (artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 5.23a, aanhef en onder b, van het Bbl).
Bij het besluit, bedoeld onder 1, beslist het bevoegd gezag om geen of minder geluidwerende maatregelen te treffen wegens zwaarwegende bezwaren van bouwkundige aard of als een eigenaar van een geluidgevoelig gebouw niet meewerkt aan het onderzoek naar de geluidbelasting of niet meewerkt aan het treffen van geluidwerende maatregelen (artikel 3.53 van het Bkl).
Bij het besluit, bedoeld onder 2, wordt een besluit om geluidwerende maatregelen te treffen, gewijzigd in een besluit om geen maatregelen te treffen, namelijk wanneer de eigenaar een door hem verleende toestemming tot het treffen van maatregelen intrekt, of de voor het treffen van de maatregelen noodzakelijke medewerking niet verleent (artikel 3.54 van het Bkl), geldt op grond van tabel 3.53 in artikel 3.53, eerste lid, van het Bkl.
Voor de besluiten, bedoeld onder 1 en 2, betekent dit dat de geluidbelasting in geluidgevoelige ruimten van het gebouw hoger kan zijn dan de binnenwaarde die geldt op grond van tabel 3.53 en artikel 3.53, eerste lid, van het Bkl. Deze besluiten worden genomen in situaties gedefinieerd in artikel 3.52 van het Bkl, bijvoorbeeld volgend op een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds voor een industrieterrein, provinciale weg, rijksweg of een besluit tot aanleg of wijziging van een (spoor)weg zonder geluidproductieplafonds en bij de sanering van verkeerslawaai (§ 12.1.6, Sanering geluid door infrastructuur gemeente, waterschap en provincie, van het Bkl). Onder de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer moest een vergelijkbaar type besluit als het besluit, bedoeld onder 1 en 2, de vervallenverklaring, worden ingeschreven in de openbare registers bij het Kadaster. Het recht op geluidwerende maatregelen vervalt met de besluiten, bedoeld onder 1 en 2, en dat geldt ook voor een nieuwe eigenaar van het gebouw. Alleen als zich een situatie voordoet waarin opnieuw een bevoegd gezag een besluit moet nemen over geluidwerende maatregelen, kan een eigenaar weer in aanmerking komen voor geluidwerende maatregelen. In het vervallen van de hier bedoelde bepalingen uit de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aanleiding om voor deze besluiten op grond van de artikelen 3.53 en 3.54 van het Bkl de plicht tot het aanbieden daarvan aan het Kadaster ter inschrijving in de openbare registers bij het Kadaster, bedoeld in artikel 15 van de Wkpb, van toepassing te verklaren door de aanwijzing van deze besluiten in de bijlage bij artikel 2 van het Aanwijzingsbesluit Wkpb.
Bij het besluit, bedoeld onder 3, gaat het om een maatwerkvoorschrift waarbij een hoger geluidniveau in een geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan dan de in artikel 5.23, eerste lid, van het Bbl opgenomen waarde van 33 dB. Deze mogelijkheid bestaat alleen bij wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk of een gedeelte daarvan. Gedacht is aan situaties waarbij panden zoals kantoorpanden of winkelpanden worden getransformeerd naar woningen. Onder het Bouwbesluit 2012 gold in deze situaties het ‘rechtens verkregen niveau’, maar dit was van rechtswege van toepassing zonder dat in een concreet geval voor de vastlegging van dat niveau een afzonderlijk besluit was vereist. Het werd dus ook niet ingeschreven in de openbare registers bij het Kadaster en was vaak moeilijk te achterhalen. Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 5.23a, aanhef en onder b, van het Bbl wordt nu wel in een afzonderlijke besluitfiguur voorzien. Daarmee kan in een geluidgevoelig gebouw meer geluid worden toegestaan dan in artikel 5.23, eerste lid, van het Bbl is voorgeschreven, tot een maximum van 38 dB. Een maatwerkvoorschrift is dus een besluit voor een specifieke woning, met rechtsgevolg voor nieuwe eigenaren en een beperking van het woongenot. Verder werkt de versoepelde binnenwaarde uit het maatwerkvoorschrift door bij latere besluiten over geluid van wegen, spoorwegen of industrieterreinen (artikel 3.52 van het Bkl). De geluidgevoelige gebouwen waarvoor zo’n maatwerkvoorschrift is afgegeven, worden dan aan de binnenwaarde van 41 dB (tabel 3.53 van het Bkl) getoetst om te zien of geluidwerende maatregelen nodig zijn. Daarom wordt het wenselijk gevonden om voor de kenbaarheid van een dergelijk besluit het besluit nu als beperkingenbesluit onder de werking van de Wkpb te brengen door het aan te wijzen als beperkingenbesluit in de bijlage bij artikel 2 van het Aanwijzingsbesluit Wkpb.
In onderdeel 3 van dit artikel is een viertal soorten gedoogplichten aangewezen als categorieën van beperkingenbesluiten waarop de Wkpb van toepassing is. Het gaat hier om gedoogplichten op grond van de artikelen 10.13, eerste en tweede lid, 10.14 en 10.15 van de Omgevingswet. De aanwijzing van deze categorieën beperkingenbesluiten voorziet (gedeeltelijk) in de vervanging van de aanwijzing van de categorieën van beperkingenbesluiten op grond van de artikelen 2, vijfde lid, 3, tweede lid, en 5 van de Belemmeringenwet Privaatrecht zoals die in het Aanwijzingsbesluit Wkpb was opgenomen. De Belemmeringenwet Privaatrecht is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingetrokken. Eerder is bij artikel 5.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet ter vervanging van deze categorieën beperkingenbesluiten al voorzien in de aanwijzing van gedoogplichten op grond van artikel 10.21 van de Omgevingswet als opvolgende categorie van aangewezen beperkingenbesluiten. Gebleken is echter dat die vervanging te beperkt is geweest, omdat in een aantal bijzondere wetten waarop onder het recht voor de Omgevingswet de gedoogplichten, bedoeld in de artikelen 10.13, 10.14 en 10.15, waren terug te voeren, de bepalingen van de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing werden verklaard. Deze gedoogplichten vielen via deze koppeling onder de aangewezen categorieën beperkingenbesluiten op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht en moeten met het oog op het continueren van de kenbaarheid daarvan onder de Omgevingswet ook als beperkingenbesluit worden aangewezen onder vermelding van hun nieuwe wettelijke grondslag. Onderdeel 3 van dit artikel voorziet hierin.
Met artikel VII van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet wordt een nieuw artikel 21a opgenomen in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. In dat artikel wordt een aantal artikelen uit het Bkl opgesomd. In die opsomming ontbrak abusievelijk artikel 5.78i van het Bkl.
Door het toevoegen van artikel 5.78i van het Bkl wordt bewerkstelligd dat de verplichtingen uit deze bepaling net zoals de overige regels voor geluid van wegen zonder geluidproductieplafonds die met het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet zijn toegevoegd aan het Bkl uitsluitend gelden voor wegen met een verkeersintensiteit vanaf 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde. Deze ondergrens wordt in het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet generiek gehanteerd voor zowel besluitvorming over aanleg of wijziging van infrastructuur zonder geluidproductieplafonds als besluitvorming voor ruimtelijke ontwikkelingen nabij die infrastructuur. Redenen hiervoor zijn dat wegen met een verkeersomvang onder deze grens weinig geluid veroorzaken, de kans op schade aan de gezondheid laag is en het hanteren van deze ondergrens een aanzienlijke vermindering van de uitvoeringslasten oplevert (zie Stb. 2020, 557, p. 156).
In het Besluit bodemkwaliteit wordt de begripsbepaling ‘Onze Ministers’ gewijzigd in ‘Onze Minister’. Omdat de grondslag van het Besluit bodemkwaliteit voortvloeit uit de Wet milieubeheer, zijn de begripsbepalingen uit artikel 1.1, eerste lid, van die wet van toepassing. ‘Onze Minister’ is in de Wet milieubeheer gedefinieerd als ‘Onze Minister van Infrastructuur en Milieu’.
De medeondertekening is destijds in het Besluit bodemkwaliteit terecht gekomen in verband met de vaststelling van toepassingseisen voor grond en baggerspecie op landbouw- en natuurgronden.
Het toepassen van grond en baggerspecie op de bodem of in oppervlaktewater zal na de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden geregeld in het Bal. Een groot deel van de bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit, dat op toepassen betrekking had, komt dan te vervallen. De resterende bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit hebben op andere onderwerpen dan het toepassen van grond en baggerspecie betrekking. Die andere onderwerpen vallen uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Er is dan geen aanleiding meer voor medeondertekening van wijzigingen van het Besluit bodemkwaliteit door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit voor uitvoeringsregelgeving op grond van de resterende bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit. Met deze wijziging wordt het Besluit bodemkwaliteit hierop aangepast.
Deze aanpassing sluit aan op de huidige praktijk. De wijzigingen van de Regeling bodemkwaliteit, die van tijd tot tijd plaatsvinden vanwege de noodzaak van actualisatie van de verwijzingen naar normdocumenten, worden al jaren niet meer medeondertekend door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit.
Artikel 55 van het Besluit bodemkwaliteit gaat over kaarten waarop de landbodem van de gemeente ten behoeve van het toepassen van grond of baggerspecie in bodemfunctieklassen wordt ingedeeld (hierna: de bodemfunctieklassenkaart).
In artikel 22.1 van de Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen voor de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet. Blijkens artikel 3.5, tweede lid, gaat het om kaarten die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12a, vijfde lid, van de Wet bodembescherming. Tot deze kaarten behoren onder meer de bodemfunctieklassenkaarten. Volgens artikel 12a, vijfde lid, worden de kaarten vastgesteld door het bestuursorgaan dat is aangewezen op grond van artikel 12a, tweede lid, van de Wet bodembescherming. Op grond van artikel 12a, tweede lid, is in artikel 44, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit, de gemeenteraad als bestuursorgaan aangewezen. Dat houdt in dat de gemeenteraad, die als bestuursorgaan op grond van artikel 12a, tweede lid, is aangewezen, ook de kaarten bedoeld in artikel 12a, vijfde lid, zou moeten vaststellen. In artikel 55, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit is echter bepaald dat bodemfunctiekaarten worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Dit is dus niet in overeenstemming met artikel 12a, vijfde lid, van de Wet bodembescherming.
Het onderhavige artikel herstelt deze omissie. Hierin is nu overeenkomstig artikel 12a, vijfde lid, juncto tweede lid, van de Wet bodembescherming, juncto artikel 44, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit bepaald dat een bodemfunctieklassenkaart moet worden vastgesteld door de gemeenteraad in plaats van het college van burgemeester en wethouders. In artikel IX, onderdeel J, is overgangsrecht opgenomen waarmee bodemfunctieklassenkaarten die ten waren vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, worden aangemerkt als kaarten die zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voorziet artikel 22.1 van die wet erin dat de bodemfunctieklassenkaarten onderdeel worden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Voor een wijziging van het Besluit bodemkwaliteit geldt normaal gesproken het vereiste van voorpublicatie in de Staatscourant waarbij een ieder gelegenheid tot het indienen van een zienswijze wordt geboden, en voor- en nahang bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. In dit geval is dat echter niet nodig. Dit volgt allereerst uit artikel 4.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, waarin op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur in verband met de invoering van die wet de artikelen 23.4 en 23.5 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. In artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat het vereiste van voorhang niet geldt als een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 4.1, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet is voorts bepaald dat de artikelen 23.4 en 23.5 van de Omgevingswet in de plaats treden van de wettelijke voorschriften, over onder meer de voor- en nahang. Eenzelfde regeling geldt volgens artikel 5.2 van de Invoeringswet Omgevingswet voor de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur in verband met de invoering van de Omgevingswet. Niet alleen het vereiste van voorhang geldt niet, maar evenmin het vereiste van voorpublicatie (Kamerstukken II 2018/19, 34 846, nr. 7, p. 4). De onderhavige wijziging heeft geen nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat om een wijziging die bedoeld is om te voorkomen dat bij de invoering van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet bodemfunctiekaarten die door burgemeester en wethouders zijn vastgesteld niet langer meer gelden omdat ten eerste het overgangsrecht in artikel 22.1 van de Omgevingswet alleen voorziet in overgangsrecht voor door de gemeenteraad vastgestelde bodemfunctiekaarten, zoals in het voorgaande is toegelicht, en ten tweede de bodemfunctiekaarten volgens artikel 5.89p van het Bkl door de gemeenteraad moeten zijn vastgesteld. Met deze verbetering in het Besluit bodemkwaliteit wordt ervoor gezorgd dat dit goed aansluit op de Omgevingswet.
Dit artikel bevat overgangsrecht voor bodemfunctieklassenkaarten die op grond van artikel 55, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit waren vastgesteld door burgemeester en wethouders in plaats van de gemeenteraad. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel IX, onderdeel I, van dit besluit. Deze kaarten moeten na inwerkingtreding van artikel IX, onderdeel I, van dit besluit worden aangemerkt als bodemfunctieklassenkaarten die zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Het is dus niet nodig dat de gemeenteraad bodemfunctieklassenkaarten die door burgemeester en wethouders waren vastgesteld, opnieuw vaststelt. Op grond van artikel 22.1 van de Omgevingswet worden de bodemfunctieklassenkaarten na de inwerkingtreding van die wet vervolgens opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Dit besluit bevat enkele technische wijzigingen van het Besluit van 14 september 2020 houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit in verband met de introductie van een stelsel van certificering voor werkzaamheden aan gasverbrandingsinstallaties (Stb. 2020, 348) waarmee omissies in de nummering en verwijzingen zijn hersteld.
In onderdeel B wordt paragraaf 10.2.2, alsmede de daarbij horende artikelen, vernummerd tot paragraaf 11.2.2. Per abuis was de onjuiste nummering opgenomen.
De intrekking van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen houdt verband met Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PbEU 2008, L 353). Die Verordening bevat de regels voor het indelen, etiketteren en verpakken van stoffen en mengsels, is op 1 juni 2015 in werking getreden en is de opvolger van de beide ingetrokken richtlijnen. Bij de aanpassing van regelgeving in verband met die Verordening, is op 1 juni 2015 artikel 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer ingetrokken, maar is verzuimd het op grond van die bepaling vastgestelde implementatiebesluit in te trekken. Dat gebeurt bij deze. De regelingen waarin naar dit besluit wordt verwezen en die onder de Wet milieubeheer tot stand zijn gekomen, vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Omgevingswet.
De intrekking van het POP-besluit milieubeheer houdt verband met de intrekking van Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (PbEU 2004, L 158, zoals gerectificeerd in PbEU 2004, L 229, hierna: ‘Verordening (EG) nr. 850/2004’). Het POP-besluit milieubeheer was de uitvoering van die Verordening.
Verordening (EG) nr. 850/2004 is ingetrokken in Verordening (EU) nr. 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PbEU 2019, L 169, hierna: ‘Verordening (EU) nr. 2019/1021’) die een herschikking is van de voorloper. Verordening (EU) nr. 2019/1021 is uitgevoerd in de Uitvoeringsregeling EU-verordening persistente organische verontreinigende stoffen (Stcrt. 2019, 65621) en op 14 december 2019 in werking getreden. Hiermee blijft het POP-besluit buiten toepassing. In de Uitvoeringsregeling is de intrekking aangekondigd van het POP-besluit milieubeheer.
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit besluit. Bij koninklijk besluit kan voor de verschillende artikelen een verschillende datum van inwerkingtreding worden vastgesteld. Dit artikel biedt de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding en treden in werking op het moment dat het stelsel van de Omgevingswet in werking treedt.
Onderdelen A tot en met I van artikel IX treden de dag na de bekendmaking van het onderhavige besluit in werking. Van belang is dat dit artikel onmiddellijk in werking treedt teneinde omissies in de huidige regelgeving te herstellen. Hiermee wordt onder meer bewerkstelligd dat de bepaling over bodemfunctieklassenkaarten aansluit bij de huidige praktijk en dat bij inwerkingtreding van het stelsel van de Omgevingswet uitgegaan wordt van de juiste situatie onder het overgangsrecht (artikel 22.1 van de Omgevingswet).
Op de inwerkingtreding van dit besluit is nader ingegaan in deel I, paragraaf 10, van deze nota van toelichting.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
In het bijzonder wordt gedoeld op ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1395 en ABRvS 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1679.
In deze nota van toelichting wordt gebruik gemaakt van de verkorte aanduiding van richtlijnen en verdragen zoals die is opgenomen in de bijlage, onder B, van de geconsolideerde versie van de Omgevingswet.
Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij (Stb. 2020, 555).
Wet van 4 juli 2018 tot wijziging van de Warmtewet (wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet) (Stb. 2018, 311).
https://iplo.nl/regelgeving/stelsel-omgevingswet/overzicht-geconsolideerde-teksten-omgevingswet/
Besluit van [...] tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving in verband met de implementatie van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2010 van de Commissie van 12 november 2019 tot vaststelling, op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, van conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) voor afvalverbranding (PbEU 2019, L 312) en het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2020/367 van de Commissie van 4 maart 2020 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de vaststelling van bepalingsmethoden voor de schadelijke effecten van omgevingslawaai betreft (PbEU 2020, L 67).
In dat geval blijft op de aanvraag op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing en vindt de gelijkstelling op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet plaats bij het onherroepelijk worden van de vergunning.
Voor een nadere toelichting op dit begrip wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290, p. 142).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-11258.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.