Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2014, 37623Pensioenen

Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor Personeelsdiensten

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de op 30 januari, 12, 24 en 31 maart 2014 ontvangen aanvraag van Syntrus Achmea Pensioenbeheer N.V. namens de Algemene Bond Uitzendondernemingen, de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen, FNV Bondgenoten, CNV Dienstenbond, De Unie en LBV, daartoe strekkende, dat de verplichtstelling tot deelneming in de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstak voor Uitzendkrachten;

Overwegende,

dat tegen de aanvraag om wijziging van de verplichtstelling zienswijzen zijn ingebracht door het Verbond van Verzekeraars.

De zienswijzen van het Verbond van Verzekeraars hebben betrekking op de voorgestelde omschrijving van personeelsvennootschappen in de werkingssfeer alsmede op de representativiteit. Volgens de voorgestelde omschrijving wordt een rechtspersoon niet aangemerkt als een personeelsvennootschap indien er sprake is van het opnieuw ter beschikking stellen van de uitzendkracht aan een derde buiten de groep. Het Verbond stelt dat door de nieuwe omschrijving en werkwijze wat als een verduidelijking wordt verzocht in de praktijk een uitbreiding van de verplichtstelling zou zijn met vennootschappen die voorheen niet onder de verplichtstelling vielen. In de representativiteitscijfers is hiermee volgens het Verbond geen rekening gehouden, waardoor de cijfers niet adequaat zouden zijn onderbouwd.

Overwegende ten aanzien van de zienswijzen.

De omschrijving van de werkingssfeer behoort tot de verantwoordelijkheid van de partijen die de wijziging van de verplichtstelling hebben aangevraagd. Op voorhand kan niet gezegd worden dat sprake is van een onduidelijke werkingssfeer. Daarbij zij opgemerkt dat partijen in reactie op de zienswijzen hebben aangegeven dat de voorgestelde verduidelijking over de al dan niet verplichte deelname van personeelsvennootschappen aan het bedrijfstakpensioenfonds aansluit bij de al bestaande toepassingspraktijk en derhalve niet resulteert in een uitbreiding van de werkingsfeer van het bedrijfstakpensioenfonds.

Voor het wijzigen van een verplichtstelling tot deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is vereist dat het georganiseerde bedrijfsleven dat de aanvraag indient een, naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid belangrijke, meerderheid van de in de desbetreffende bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt (artikel 10, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000).

Deze belangrijke meerderheid moet blijken uit een opgave van het aantal werkgevers dat lid is van de bij de aanvraag tot wijziging betrokken werknemersorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling betrekking heeft, alsmede het aantal werknemers in dienst van werkgevers die lid zijn van de bij de aanvraag tot wijziging betrokken werkgeversorganisatie(s) onderscheidenlijk het aantal werknemers werkzaam bij werkgevers in de bedrijfstak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Deze opgave dient door partijen voorzien te zijn van een toelichting op de wijze van verzameling van de gegevens als bedoeld in artikel 3, sub f van de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Ingeval van beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit, of ingeval van een representativiteitspercentage van minder dan 60 procent, wordt van partijen een opgave verlangd aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens. Daarnaast bestaat voor meer specifieke situaties de mogelijkheid om een nadere rapportage van een accountant te verlangen. Dit gebeurt bijvoorbeeld indien, naar aanleiding van beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit, de gerede twijfel aan de deugdelijkheid van het onderliggende bronmateriaal niet door de toelichting van de om verplichtstelling verzoekende partijen is weggenomen. Wanneer sprake is van een meerderheid tussen de 55 en 60 procent wordt dit ook als een belangrijke meerderheid gekwalificeerd, tenzij het draagvlak voor de verplichtstelling gering is of als sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen de werkingssfeer.

Partijen hebben bij de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor Personeelsdiensten reeds een formulier representativiteitsgegevens overlegd en hebben naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen een nadere toelichting hierop gegeven.

Voor de berekening van het totale aantal werkgevers dat direct aan de verplichtstelling is gebonden is gebruik gemaakt van de ledenadministratie van de Algemene Bond Uitzendondernemingen en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (peilperiode 1 juli 2012 tot 1 juli 2013). Voor de berekening van het totale aantal werkgevers die onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen is gebruik gemaakt van het bestand met alle werkgevers met uniek KvK-nummer van het bedrijfspensioenfonds StiPP inclusief vrijgestelde werkgevers (peilperiode 1 juli 2012 tot 1 juli 2013). Vrijwillig aangesloten werkgevers bij StiPP zijn niet meegenomen in de tellingen.

De werkingssfeer van het bpf ziet op de werkgevers die in hoofdzaak (>50% van het premieplichtig loon op jaarbasis) uitzendkrachten onder leiding en toezicht er beschikking stellen aan derden, zijnde de werkgever in de zin van artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek. Uitzendondernemingen die niet in hoofdzaak uitzendkrachten ter beschikking stellen vallen niet onder de werkingssfeer van het bpf en zijn dus ook niet meegenomen in de berekening.

Voor de berekening van het totaal aantal werknemers in dienst bij de direct aan de verplichtstelling gebonden werkgevers en het totaal aantal werknemers dat onder de werkingssfeer van de verplichtstelling valt is gebruik gemaakt van bestanden uit de UWV-polisadministratie waarin alle dienstverbanden van uitzendkrachten worden geregistreerd (peilperiode 1 juli 2012 tot 1 juli 2013). In reactie op de zienswijzen hebben partijen aangegeven dat hierbij rekening is gehouden met uitzendkrachten die als zodanig bij het UWV geregistreerd zijn en waarvoor de werkgever premies specifiek voor de uitzendsector afdraagt. Zuivere personeelsvennootschappen vallen niet onder de verplichtstelling waardoor in de berekening van de representativiteit geen rekening behoeft te worden gehouden met personeelsvennootschappen waarvoor de werkgever geen premies voor de uitzendsector afdraagt.

De bronnen en methodieken die zijn gebruikt ter onderbouwing van de representativiteit (van 79,32 procent) zijn valide. De door het Verbond van Verzekeraars ingediende zienswijzen doen naar mijn oordeel geen afbreuk aan de door partijen overgelegde representativiteitsgegevens.

Naar aanleiding van het door partijen overlegde formulier representativiteitsgegevens en de door partijen gegeven nadere toelichting, kan worden vastgesteld dat door partijen in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat het verzoek tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in het Bedrijfstakpensioenfonds voor Personeelsdiensten is ingediend door partijen die een belangrijke meerderheid van de in bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen.

Gezien het bovenstaande treffen de zienswijzen geen doel.

Gelet op de artikelen 10, eerste lid en 16 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;

BESLUIT:

I.

Wijzigt het besluit van 19 december 2003, nr. 98-24588, Stcrt. 2003, nr. 251 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 januari 2009, Stcrt. 2009, nr. 22) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten.

De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:

"Het deelnemen in de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten is verplichtgesteld voor uitzendkrachten die op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam zijn voor een uitzendonderneming, vanaf de eerste dag van de maand waarin zij de leeftijd van 21 jaar bereiken tot de eerste dag van de maand waarin zij de leeftijd van 67 jaar bereiken.

Hierbij wordt verstaan onder:

uitzendonderneming:

de natuurlijke of rechtspersoon die voor ten minste 50 procent van het totale premieplichtig loon in de zin van artikel 8 en 11 Wfsv (Wet van 16 december 2004, Staatscourant 2005, 708) op jaarbasis uitzendkrachten ter beschikking stelt van (uitzendt naar) opdrachtgevers, zijnde de werkgever in de zin van artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (Wet van 14 mei 1998, Staatscourant 300), nietzijnde de personeelsvennootschap.

uitzendovereenkomst:

de arbeidsovereenkomst, waarbij de ene partij als werknemer door de andere partij als werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan die werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

personeelsvennootschap:

de rechtspersoon, die voor de totale omvang van het premieplichtig loon op jaarbasis uitzendkrachten ter beschikking stelt van opdrachtgevers met wie de rechtspersoon in de zin van artikel 2:24a of 2:24b Burgerlijk Wetboek is verbonden om uitsluitend onder leiding en toezicht van die opdrachtgevers arbeid te laten verrichten. Indien er sprake is van het opnieuw ter beschikking stellen van de uitzendkracht aan een derde buiten de groep, dan wordt deze rechtspersoon niet aangemerkt als een personeelsvennootschap’.

Alles met dien verstande, dat:

  • 1. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die activiteiten ontplooien zoals omschreven in de werkingssfeerbepaling van Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek indien de uitzendonderneming met wie de desbetreffende uitzendkrachten een uitzendovereenkomst hebben, voldoet aan de volgende cumulatieve vereisten:

    • a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendondernemingen bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoel in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek, én

    • b. het aantal overeengekomen arbeidsuren van de bij deze uitzendonderneming in dienst zijnde uitzendkrachten die betrokken zijn de bij de in de Verplichtstellingsbeschikking van Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, onder 1 t/m 19 genoemde werkzaamheden – zoals gepubliceerd in de Staatscourant 1999, 226 – bedraagt minder dan 75% van het totaal aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde uitzendkrachten, d.w.z. dat ten minste 25% van het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde uitzendkrachten betrekking heeft op werkzaamheden uitgeoefend in enig andere tak van bedrijf, én

    • c. de uitzendonderneming zendt voor tenminste 15% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 Burgerlijk Wetboek, zoals nader gedefinieerd in artikel 1, lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling Uitzendbedrijven van het LISV d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd in de Staatscourant nummer 49 van 9 maart 2000. De uitzendonderneming heeft aan dit criterium voldaan, indien en voorzover dit door de uitvoeringsinstelling dan wel het LISV/UWV is vastgesteld, én

    • d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een concern dat rechtstreeks of door de onderhavige verplichtstelling gebonden is aan de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, en

    • e. de uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool

    Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing op de uitzendkrachten in dienst van een uitzendonderneming die op 1 januari 2001 verplicht dan wel vrijwillig was aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek.

  • 2. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn van een onderneming die voldoet aan alle in dit lid genoemde criteria en derhalve niet verplicht zijn tot deelneming in Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg. Het betreft de onderneming die:

    • a. zich uitsluitend bezig houdt met het ter beschikking stellen van werknemers in de zin van artikel 7:690 BW; én

    • b. de CAO voor Uitzendkrachten respectievelijk de eventueel daarvoor in de plaats tredende CAO toepast krachtens haar lidmaatschap van een partij bij die overeenkomst dan wel krachtens een besluit tot algemeen verbindend verklaring krachtens de Wet AVV; én

    • c. voor ten minste 25% uitzendt naar ondernemingen op wie het bepaalde van de verplichtstellingsbeschikking van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg niet van toepassing is; én

    • d. voor ten minste 15% van het tot een jaarbedrag herleide premieplichtige loon in de zin van de wettelijke werknemersverzekeringen werkt met uitzendbedingen in de zin van het indelingsbesluit betreffende indeling bij de sector Uitzendbedrijven van het LISV zoals dat geldt per 1 januari 2001, blijkend uit de gehele of gedeeltelijke (gesplitste) aansluiting bij de genoemde sector; én

    • e. géén onderdeel is van een concern van ondernemingen waarop de verplichtstellingsbeschikking van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg van toepassing is; én

    • f. niet werkzaam is als arbeidspool overeenkomstig afspraken gemaakt door sociale partners in het wegvervoer-, binnenbeurtvaart- of kraanverhuurbedrijf.

  • 3. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn bij een uitzendonderneming die werknemers ter beschikking stelt aan ondernemingen die vallen onder de werkingssfeer van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro (PME), mits de onderneming:

    • voldoet aan de hierna onder a. tot en met e. genoemde cumulatieve vereisten en derhalve niet verplicht is tot deelneming in PME:

      • a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendonderneming bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek; én

      • b. de uitzendonderneming stelt voor ten minste 25% van de arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers, werknemers ter beschikking van derden die niet behoren tot de Metalektro zoals bedoeld in de verplichtstellingsbeschikking van de PME zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2002, 248; en

      • c. de uitzendonderneming zendt voor ten minste 15% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid Burgerlijk Wetboek, zoals nader gedefinieerd in artikel 1, lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling Uitzendbedrijven d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd in de Staatscourant 2000, 49. Zodra dit besluit in werking treedt, geldt alsdan dat de uitzendonderneming aan dit criterium heeft voldaan, indien en voorzover dit door de uitvoeringsinstelling dan wel de Belastingdienst, die sinds een januari tweeduizendzes voor de sociale verzekeringen is belast met het indelen van ondernemingen bij sectoren, is vastgesteld; én

      • d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een groep van ondernemingen die geacht wordt te behoren tot de Metalektro zoals bedoeld in de verplichtstelling van PME; én

    • op de dag voorafgaande aan het inwerkingtreden van deze verplichtstelling lid was van de Algemene Bond van Uitzendondernemingen (ABU) en/of de Nederlandse Bond voor Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU), op grond daarvan onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) valt en derhalve niet verplicht is tot deelneming in PME;

  • 4. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn van een onderneming die voldoet aan alle in dit lid genoemde criteria en derhalve niet verplicht zijn tot deelneming in Stichting bedrijfspensioenfonds voor de Vleeswarenindustrie en de Gemaksvoedingindustrie (Bpf VLEP). Het betreft de onderneming die voldoet aan de hierna onder a. tot en met e. genoemde cumulatieve vereisten.

    • a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendonderneming bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van een werknemer als bedoeld in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek, én

    • b. de uitzendonderneming stelt voor ten minste 25% van de arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers, werknemers ter beschikking van derden die niet behoren tot de Versvlees-, vleesbewerkende industrie zoals bedoeld in de verplichtstellingsbeschikking van het Bpf VLEP zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 december 2001, nr, 250, én

    • c. de uitzendonderneming zendt voor ten minste 15% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, én

    • d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een groep van ondernemingen die geacht wordt te behoren tot de Versvlees-, vleesbewerkende industrie zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde verplichtstellingbeschikking van het Bpf VLEP, én

    • e. de uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool.

  • 5. de verplichtstelling niet van toepassing is op de uitzendkrachten die ingevolge een besluit krachtens artikel 2 lid 1 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet van 21 december 2000, Stb. 628, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 7 december 2006, Stb. 706) zoals het besluit luidt op de datum waarop voor de uitzendkrachten de deelneming in Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (v/h Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten) is verplichtgesteld (Besluit van 19 december 2003, Staatscourant 30 december 2003, nr. 251), reeds verplicht zijn tot deelneming in Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij.

  • 6. de verplichtstelling van toepassing is op de uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn van een uitzendonderneming als bedoeld in artikel 7: 690 Burgerlijk Wetboek (Staatsblad 1998, 332) die:

    • a) voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan bouwondernemingen en lid is van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) of van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU), dan wel

    • b) voor 50% of minder van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan bouwondernemingen. De verplichtstelling is voor deze uitzendonderneming alleen van toepassing op de uitzendwerknemers die:

      • geen vakkracht zijn, of

      • wel vakkracht zijn, en niet voorafgaand aan de uitzendarbeid deelnemer in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid waren en tevens niet langer dan 12 maanden als vakkracht werkzaam zijn (geweest).

      In dit onderdeel b wordt onder vakkracht verstaan:

      • 1) de uitzendwerknemer, niet behorende tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:

        • ingevolge een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPVO) een opleiding volgt als bedoeld in artikel 28 lid 3 van de Cao voor de Bouwnijverheid (besluit van 6 september 2007 (Stcrt. 2007, nr. 174), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 maart 2008 (Stcrt. 2008, nr. 49)), of

        • in het bezit is van een diploma of praktijkcertificaat van een opleiding als bedoeld in artikel 28 lid 3 van de Cao voor de Bouwnijverheid, of

        • als vakvolwassene een beroepsopleiding in de bouw volgt, of

        • binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden bouwwerkzaamheden in de zin van de Cao voor de Bouwnijverheid heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een bouwonderneming);

      • 2) de uitzendwerknemer, behorend tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:

        • in het bezit is van een diploma op ten minste niveau 2 van de beroepsopleidende leerweg (BOL) in een bouwtechnische richting, of

        • binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden als uitvoerend, technisch en administratief werknemer in de zin van de Cao voor de Bouwnijverheid heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een bouwonderneming);

    tenzij het betreft:

    • uitzendondernemingen die onderdeel zijn van een concern dat bestaat uit bouwondernemingen, dan wel

    • uitzendkrachten door paritair afgesproken arbeidspools ter beschikking worden gesteld aan bouwondernemingen.

    In deze bepaling wordt onder ‘bouwonderneming’ verstaan:

    • a) de ondernemingen waarvan het bedrijf gericht is op productie voor derden op het gebied van:

      • 1. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren – met alle daartoe dienstige materialen en werkwijzen – van bouwwerken op het gebied van de Burgerlijke en Utiliteitsbouw, Grond-, Water-, Spoor-, en Wegenbouw, het Straatmakersbedrijf, het Heibedrijf, de Kust- en Oeverwerken en het Grondborings- en Buizenleggersbedrijf, alsmede werken die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend.

      • 2. Onder bouwwerken worden verstaan respectievelijk daarmee gelijkgesteld: woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard, ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover geen onderdeel van isolatiewerkzaamheden, alle dakbedekkingen niet zijnde bitumineuze of van aluminium, kunststof, zink, lood of koper, egalisatie van terreinen, bouwrijp maken, funderingen, steigerbouw, grondwerken anders dan van agrarische aard alsmede cultuurtechnische werkzaamheden die geen direct verband houden met de uitoefening van het agrarisch bedrijf danwel het hoveniersbedrijf, rioleringsnetten, grondborings-, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken, zinkers, doorpersingen en regeninstallaties, kust- en oeverwerken, hei- en funderingswerkzaamheden, spoorwerken, waterbouwkundige kunstwerken, bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer, sloopwerken, wegenbouw en bestratingswerkzaamheden en het leggen van kabels voor verschillende doeleinden (het leggen van kabels voorzover niet vallend onder de verplichtstellingsbeschikkingen van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek en de Stichting Pensioenfonds voor de Metalektro);

      • 3. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan bouwwerken en het herstellen, bekleden, conserveren en verfraaien van deuren;

      • 4. het uitvoeren op bouwplaatsen van onderdelen van bouwwerken (respectievelijk verbouwingen of onderhoudswerk); het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermee gelijkgesteld, indien de onderneming, die de onderdelen vervaardigt, tevens zorgdraagt voor de verwerking daarvan in het bouwwerk;

      • 5. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;

      • 6. het tot stand brengen van bedrijfsklare projecten indien de totstandkoming daarvan mede uitvoering van een of meer bouwwerken omvat;

      • 7. het slopen van bouwwerken;

      • 8. het verrichten van grondwerken in relatie tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden voor zover betrekking hebben op grondverzetwerkzaamheden ten behoeve van de bij 1 tot en met 6 en 8 genoemde werkzaamheden;

      • 9. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als hiervoor genoemd bij 1 tot en met 7;

      • 10. asfaltproductie;

      • 11. het aanbrengen van wegmarkeringen;

      • 12. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;

      • 13. het afgraven van verontreinigde grond;

      • 14. droge zandwinning;

      • 15. het ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden of ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van de openbare riolering vanaf het overnamepunt van het waterkwaliteitsbeheer tot aan de perceelgrens alsmede hierbij opgedragen werkzaamheden aan de buitenriolering vanaf de perceelgrens tot 0,5 meter buiten de gevel;

      • 16. het opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten (units bedoeld voor tijdelijke behuizing), voorzover het plaatsen gemeten naar de loonsom niet slechts een uitvloeisel is van de fabricage van deze verblijfsruimten;

      • 17. het verrichten van civieltechnische werkzaamheden;

      • 18. asbestverwijdering aan of op bouwwerken, met uitzondering van asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen;

      Onder productie voor derden wordt mede verstaan dienstverlening aan derden danwel het uitvoeren van bouwwerken voor eigen rekening met het doel het gebouwde aan derden te verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen.

    • b) de natuurlijke personen en rechtspersonen die bouwwerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking van personeelsleden te stellen;

    • c) de natuurlijke personen en rechtspersonen die verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen, die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.

  • 7. de verplichtstelling van toepassing is op de uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn van een uitzendonderneming als bedoeld in artikel 7: 690 Burgerlijk Wetboek (Staatsblad 1998, 332) die:

    • a) voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan afbouwondernemingen en lid is van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) of van de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU), dan wel

    • b) voor 50% of minder van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stelt aan afbouwondernemingen. De verplichtstelling is voor deze uitzendonderneming alleen van toepassing op de uitzendwerknemers die:

      • geen vakkracht zijn, of

      • wel vakkracht zijn, en niet voorafgaand aan de uitzendarbeid deelnemer in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid waren en tevens niet langer dan 12 maanden als vakkracht werkzaam zijn (geweest).

      In dit onderdeel b wordt onder vakkracht verstaan:

      • 1) de uitzendwerknemer, niet behorende tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:

        • ingevolge een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPVO) een opleiding volgt als bedoeld in artikel 45 van de Cao

        • Afbouw (besluit van 1 februari 2007 (Stcrt. 2007, nr. 25)), of

        • in het bezit is van een diploma op praktijkcertificaat van een opleiding als bedoeld in artikel 45 of 45a van de Cao Afbouw, of

        • als vakvolwassene een beroepsopleiding in de afbouw volgt, of

        • binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden in de zin van de Cao Afbouw heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een afbouwonderneming);

      • 2) de uitzendwerknemer, behorend tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:

        • in het bezit is van een diploma op ten minste niveau 2 van de beroepsopleidende leerweg (BOL) in een bouwtechnische richting, of

        • binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden als uitvoerend, technisch en administratief werknemer in de zin van de Cao Afbouw heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een afbouwonderneming);

    In deze bepaling wordt onder ‘afbouwonderneming’ verstaan:

    de ondernemingen op het gebied van het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.

    Onder Stukadoors- en Afbouwbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:

    • 1. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van raapwerk aan wanden, plafonds of gevels (met bijvoorbeeld kalk, zand, cement en alle soorten bindmiddelen);

    • 2. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van pleisterwerk aan wanden, plafonds of gevels (met bijvoorbeeld kalk, gips, cement, krijtwit, kunsthars, steenslag en soortgelijke toeslagen);

    • 3. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van schuurwerk aan wanden, plafonds of gevels (met bijvoorbeeld fijn-zand, kalk, gips, steenslag en soortgelijke toeslagen);

    • 4. het met de hand dan wel mechanisch plaatsen c.q. verwerken van gips- en gasbetonblokken en andere soorten bouwblokken, alle soorten gipskartonplaten, stucanet, riet of rietmatten, steengaas, ribbenstrekmateriaal, profielen, houtwol-cementplaten, kunststofschuimplaten, minerale en soortgelijke materialen tot een hechtgrond voor verdere afwerking;

    • 5. het met de hand dan wel mechanisch behandelen van plafonds, wanden, vloeren of gevels (met bijvoorbeeld kalk, natuurlijke of chemische handgips, zand en andere vulstoffen, gedolven en rauhfaser);

    • 6. het met de hand danwel mechanisch behandelen van buitengevels (met bijvoorbeeld kunststofschuimplaten, alle soorten lijm, zand en cement);

    • 7. het met de hand dan wel mechanisch behandelen c.q. herstellen van betonvlakken waarin al dan niet een wapening is opgenomen, met species bestaande uit cement of nadere bindmiddelen en zand of andere vulstoffen, daaronder mede begrepen een of meer componenten kunststof reparatiespecies al dan niet onder toevoeging van andere stoffen;

    • 8. het met de hand dan wel mechanisch vervaardigen of aanbrengen van ornamenten, lijstwerken of soortgelijke versieringen van bijvoorbeeld gips, zand, cement, kalk, kunststof of soortgelijke materialen;

    • 9. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van wit-, saus-, silicaat-, of soortgelijk werk;

    • 10. het met de hand dan wel mechanisch verwerken c.q. herstellen van ondergronden (met bijvoorbeeld cement of anderen bindmiddelen, zand of andere vulstoffen);

    • 11. het met de hand, mechanisch danwel op enigerlei andere wijze plaatsen c.q. aanbrengen c.q. monteren (ter vervaardiging) van al dan niet vrijhangende systeemplafonds, systeemwanden en/of (verhoogde)systeemvloeren, waarbij worden verwerkt metalen en/of minerale producten, kunststof of enigerlei ander materiaal, inclusief alle bijkomende werkzaamheden, zoals daar onder meer zijn het aanbrengen van een raamwerk c.q. bevestigingselementen, het aanbrengen van profielen/strips en het aanbrengen van armaturen;

    • 12. bij ieder van de hiervoor onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen dient te worden gelezen: dan wel elk ander materiaal, dat kan worden toegepast ook als dat een andere verwerkingsmethode tot gevolg heeft;

    • 13. het vervaardigen van vloeren van cement of andere bindmiddelen en zand of anderen vulstoffen al dan niet onder toevoeging van andere stoffen voorzover een en ander geschiedt in samenhang met het verrichten van de hiervoor onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen;

    • 14. het aanbrengen van: keramische, glazen, natuurstenen en/of kunststenen tegels; mineraal gebonden en/of kunststof gebonden producten, voorzover een en ander geschiedt in samenhang met het verrichten van de hiervoor onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen;

    • 15. het verrichten van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige aard, die rechtstreeks voortvloeien uit, althans op gronden van praktische aard moeten worden beschouwd als nauw samen te hangen met, de hiervoor onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen, indien de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige aard een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsuitvoering in een bepaalde onderneming;

    • 16. het ten behoeve van derden aanbrengen van betonémaille of ander materiaal ter afwerking van pleisterlagen zulks ongeacht de daarbij gebruikte methode, voorzover de werkzaamheden niet gericht zijn op de uitoefening van het schilders- of behangbedrijf en voorzover door een commissie welke haar bevoegdheden ontleent aan het Bedrijfschap, de betreffende onderneming heeft verklaard niet onder het stukadoorsbedrijf te ressorteren.

    • 17. het al dan niet systeemmatig verwerken van riet of rietmatten dan wel houtwol-. gips, gipskarton-, steenwol-, kunststofschuim- of soortgelijke platen tot een hechtgrond voor raap-, en pleister- of schuurwerk;

    • 18. het stellen van steengaas, metaalgaas, kunststofgaas of soortgelijke materialen tot een hechtgrond voor raap-, pleister- of schuurwerk;

    • 19. het aanbrengen van raaplagen op wanden, muren en gevels;

    • 20. het vertinnen van wanden, muren en gevels;

    • 21. het vervaardigen van sgrafitto’s;

    • 22. het vervaardigen van fresco’s.

    Onder Terrazzobedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:

    • 1. het vervaardigen van kunstgraniet, terrazzo, sierbeton en andere soortgelijke door menging van zand, grint, steenslag (grof en gemalen) al dan niet uitsluitend met cement of andere bindmiddelen verkregen producten;

    • 2. het bewerken en/of afwerken van terrazzoproducten en -vloeren met de bedoeling het oppervlak de beoogde structuur, samenstelling of gebruikseigenschappen te geven door middel van verdichten, slijpen, schuren, boucharderen, polijsten en/of soortgelijke werkzaamheden.

    Onder Vloerenbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:

    • 1. het vervaardigen of bewerken dan wel afwerken van vloeren door menging van grint, steenslag of zand of mengsels daarvan al dan niet met andere vulstoffen en/of vezels met cement of andere bindmiddelen en/of toeslagstoffen;

    • 2. het monolithisch afwerken van vloeren door middel van het aanbrengen van een dunne pleisterlaag;

    • 3. het vervaardigen of bewerken van vloeren door menging van korrels, poeder of vezelachtige vulstoffen hetzij van organische hetzij van anorganische aard met bindmiddelen dan wel componenten welke tezamen met bindmiddel vormen;

    • 4. het in het werk uit een pasteuze of vloeibare massa vervaardigen en aanbrengen, of het bewerken van kunststof vloeren, slijtlagen, beschermlagen of andere afwerklagen al dan niet naadloos;

    • 5. het prepareren, bewerken of afwerken van niet constructieve cementgeboden of kunststof vloeren door middel van vlinderen, frezen, stralen, schuren en/of andere soortgelijke werkzaamheden."

II.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en heeft geen terugwerkende kracht.

's-Gravenhage, 18 december 2014

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes