Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2003, 251 pagina 23Besluiten van algemene strekking

Verplichtstelling deelneming in bedrijfstakpensioenfonds

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten

Bij besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2003, nr. 98-24588, is op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten verplicht gesteld voor:

uitzendkrachten die:

1. (i) zowel tenminste in 26 weken werkzaam zijn geweest voor één uitzendonderneming, als

(ii) 21 jaar of ouder zijn (te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarop hun 21ste verjaardag valt).

2. Voor de toepassing van het in deze definitie genoemde onder punt 1 onder (i) behoeven uitzendkrachten die, na voldaan te hebben aan de referte-eis, bedoeld in punt 1 onder (i), veranderen van werkgever maar werkzaam blijven binnen het bereik van de verplichtstelling als bedoeld in punt 1, niet opnieuw te voldoen aan de referte-eis, maar blijven deelnemer, tenzij sprake is van een onderbreking tussen twee uitzendovereenkomsten van een jaar of langer.

3. Voor de toepassing van het in deze definitie genoemde in punt 1 onder (i), wordt de telling van de termijn waarin de uitzendkracht tenminste in 26 weken voor één uitzendonderneming uitzendarbeid verricht, geacht te zijn aangevangen 26 weken voor de inwerkingtreding van de verplichtstelling.

Hierbij wordt verstaan onder:

uitzendonderneming: de natuurlijke of rechtspersoon, die voor tenminste 50 procent van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uitzendkrachten ter beschikking stelt van (uitzendt naar) opdrachtgevers, zijnde de werkgever in de zin van artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek;

uitzendovereenkomst: de arbeidsovereenkomst, waarbij de ene partij als werknemer door de andere partij als werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan die werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

Alles met dien verstande, dat:

1. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die activiteiten ontplooien zoals omschreven in de werkingssfeerbepaling van Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek indien de uitzendonderneming met wie de desbetreffende uitzendkrachten een uitzendovereenkomst hebben, voldoet aan de volgende cumulatieve vereisten:

a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendondernemingen bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoel in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek, én

b. het aantal overeengekomen arbeidsuren van de bij deze uitzendonderneming in dienst zijnde uitzendkrachten die betrokken zijn de bij de in de Verplichtstellingsbeschikking van Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, onder 1 t/m 19 genoemde werkzaamheden - zoals gepubliceerd in de Staatscourant 1999, 226 - bedraagt minder dan 75% van het totaal aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde uitzendkrachten, d.w.z. dat ten minste 25% van het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde uitzendkrachten betrekking heeft op werkzaamheden uitgeoefend in enig andere tak van bedrijf, én

c. de uitzendonderneming zendt voor tenminste 15% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 Burgerlijk Wetboek, zoals nader gedefinieerd in artikel 1, lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling Uitzendbedrijven van het LISV d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd in de Staatscourant nummer 49 van 9 maart 2000. De uitzendonderneming heeft aan dit criterium voldaan, indien en voorzover dit door de uitvoeringsinstelling dan wel het LISV/UWV is vastgesteld, én

d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een concern dat rechtstreeks of door de onderhavige verplichtstelling gebonden is aan de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, én

e. de uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool.

Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing op de uitzendkrachten in dienst van een uitzendonderneming die op 1 januari 2001 verplicht dan wel vrijwillig was aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek.

2. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn van een onderneming die voldoet aan alle in dit lid genoemde criteria en derhalve niet verplicht zijn tot deelneming in Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg. Het betreft de onderneming die:

a. zich uitsluitend bezig houdt met het ter beschikking stellen van werknemers in de zin van artikel 7:690 BW; én

b. de CAO voor Uitzendkrachten 1999 - 2003 respectievelijk de eventueel daaropvolgende CAO toepast krachtens haar lidmaatschap van een partij bij die overeenkomst dan wel krachtens een besluit tot algemeen verbindend verklaring krachtens de Wet AVV; én

c. voor ten minste 25% uitzendt naar ondernemingen op wie het bepaalde van de verplichtstellingsbeschikking van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg - zoals gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 43 - niet van toepassing is; én

d. voor ten minste 15% van het tot een jaarbedrag herleide premieplichtige loon in de zin van de wettelijke werknemersverzekeringen werkt met uitzendbedingen in de zin van het indelingsbesluit betreffende indeling bij de sector Uitzendbedrijven van het LISV zoals dat geldt per 1 januari 2001, blijkend uit de gehele of gedeeltelijke (gesplitste) aansluiting bij de genoemde sector; én

e. géén onderdeel is van een concern van ondernemingen waarop de verplichtstellingsbeschikking van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg - zoals gepubliceerd in de Staatscourant 1998, 43 - van toepassing is; én

f. niet werkzaam is als arbeidspool overeenkomstig afspraken gemaakt door sociale partners in het wegvervoer-, binnenbeurtvaart- of kraanverhuurbedrijf.

3. de verplichtstelling van toepassing is op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn bij een uitzendonderneming die lid is van Algemene Bond van Uitzendondernemingen (ABU) en derhalve niet verplicht zijn tot deelneming in Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro (PME). Tevens is de verplichtstelling van toepassing op uitzendkrachten die krachtens een uitzendovereenkomst in dienst zijn bij een uitzendonderneming die voldoet aan de hierna onder a. tot en met e. genoemde cumulatieve vereisten en derhalve niet verplicht zijn tot deelneming in PME.

a. de bedrijfsactiviteiten van de uitzendonderneming bestaan uitsluitend uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek; én

b. de uitzendonderneming stelt voor ten minste 25 % van de arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers, werknemers ter beschikking van derden die niet behoren tot de Metalektro zoals bedoeld in de verplichtstellingsbeschikking van de PME zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2002, 248; én

c. de uitzendonderneming zendt voor tenminste 15% van het totale premieplichtig loon op jaarbasis uit op basis van uitzendovereenkomsten met uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid Burgerlijk Wetboek, zoals nader gedefinieerd in artikel 1, lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling Uitzendbedrijven van het LISV d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd in de Staatscourant 2000, 49. Zodra dit besluit in werking treedt, geldt alsdan dat de uitzendonderneming aan dit criterium heeft voldaan, indien en voorzover dit door de uitvoeringsinstelling dan wel het LISV is vastgesteld; én

d. de uitzendonderneming is geen onderdeel van een groep van ondernemingen die geacht wordt te behoren tot de Metalektro zoals bedoeld in bovenvermelde verplichtstelling; én

e. de uitzendonderneming is geen paritair afgesproken arbeidspool.

4. de verplichtstelling niet van toepassing is op de uitzendkrachten die ingevolge een besluit krachtens artikel 2 lid 1 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, zoals het besluit luidt op de datum waarop voor de uitzendkrachten de deelneming in Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor langdurige uitzendkrachten is verplichtgesteld, reeds verplicht zijn tot deelneming in Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;

Eerstgenoemd besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

's-Gravenhage, 19 december 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,namens deze,
de wnd. directeur Uitvoeringstaken, Juridische Zaken en Beleidsinformatie,
M.H.M. van der Goes.