Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2000, 628Wet

Wet van 21 december 2000, houdende nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet ter zake;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Definities

Artikel 1. Definities

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. Verzekeringskamer: de Verzekeringskamer, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

c. pensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

d. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

e. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

f. bedrijfstakpensioenfonds: het bedrijfstakpensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

g. deelnemer: de deelnemer, bedoeld in artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

h. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;

i. verplichtstelling: de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2, eerste lid.

§ 2. Verplichtstelling

Artikel 2. De verplichtstelling

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van:

    a. een verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen;

    b. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het desbetreffende bedrijfstakpensioenfonds;

    c. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de reglementen;

    d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 9c van de Pensioen- en spaarfondsenwet;

    e. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de statuten indien er een wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden, en

    f. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de wijzigingen van de reglementen indien er een wijziging van de reglementen heeft plaatsgevonden.

  • 3. Van de verplichtstelling zijn arbitrale bedingen als bedoeld in artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitgesloten.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag alsmede met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld.

§ 3. Gevolgen verplichtstelling

Artikel 3. Gevolgen van de verplichtstelling

  • 1. Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 4 tot en met 26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing.

  • 2. Na beëindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 4 tot en met 26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing voorzover ze betrekking hebben op de periode waarover de verplichtstelling duurde.

Artikel 4. Naleven van statuten en reglementen

De deelnemers alsmede, voorzover het werknemers betreft, hun werkgevers leven de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na.

Artikel 5. Gebruik namen, handelsmerken of beeldmerken

Het bedrijfstakpensioenfonds maakt geen gebruik van namen, handelsmerken of beeldmerken die worden gebruikt door een rechtspersoon waarvan het bedrijfstakpensioenfonds direct of indirect aandelen of certificaten van aandelen houdt die meer dan dertig percent van het geplaatste kapitaal van die rechtspersoon vertegenwoordigen, of die daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat de deelnemers redelijkerwijs de indruk kunnen krijgen dat de naam, het handelsmerk of het beeldmerk van het bedrijfstakpensioenfonds mede de naam, het handelsmerk of het beeldmerk van een dergelijke rechtspersoon betreft.

Artikel 6. Gegevensverstrekking

  • 1. Het bedrijfstakpensioenfonds verstrekt gegevens betreffende een deelnemer, een gewezen deelnemer of een andere rechthebbende op pensioen slechts aan de desbetreffende deelnemer en zijn werkgever, de desbetreffende gewezen deelnemer of de desbetreffende andere rechthebbende op pensioen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    a. er sprake is van een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking,

    b. gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de pensioenregeling,

    c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met de toepassing van de artikelen 32a, 32b of 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwet,

    d. het gegevensverstrekking betreft aan de Verzekeringskamer voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling van haar krachtens deze wet en de Pensioen- en spaarfondsenwet opgelegde taken, of

    e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres-, en woonplaatsgegevens aan verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die als statutair doel of mede als statutair doel hebben het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een bedrijfstakpensioenfonds.

  • 3. Indien er gegevensverstrekking als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of onderdeel e heeft plaatsgevonden, zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan een deelnemer, gewezen deelnemer of een andere rechthebbende, het bedrijfstakpensioenfonds machtigen zijn gegevens te verstrekken aan een door hem aan te wijzen derde. Het bedrijfstakpensioenfonds onthoudt zich daarbij van suggesties met betrekking tot de aan te wijzen derde.

Artikel 7. Informatie aan deelnemers

  • 1. Behoudens het geven van algemene informatie, geeft het bedrijfstakpensioenfonds deelnemers, gewezen deelnemers en andere rechthebbenden op pensioen slechts informatie over regelingen die door het bedrijfstakpensioenfonds zelf worden uitgevoerd.

  • 2. Indien er in verband met de uitvoering van een pensioenregeling gegevensverstrekking, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de persoon of de rechtspersoon aan wie de gegevens zijn verstrekt.

Artikel 8. Bijdrage

  • 1. De door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk percentage van het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat er voor verschillende vormen van pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende bijdragen kunnen worden vastgesteld.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de door of voor deelnemers verschuldigde bijdragen ten behoeve van vrijwillige pensioenvoorzieningen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid worden voor verschillende pensioenregelingen die worden uitgevoerd door hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds geen verschillende bijdragen vastgesteld indien die pensioenregelingen dezelfde of nagenoeg dezelfde inhoud hebben.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing indien bij een bedrijfstakpensioenfonds sprake is van een regeling die voor alle deelnemers geldt en de actuariële waarde van de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen ten minste tweederde van de actuariële waarde van de uit het totaal van de pensioenregelingen van het fonds anders dan regelingen voor nabestaanden- of invaliditeitspensioen, voortvloeiende verplichtingen met uitzondering van de uit de vrijwillige pensioenvoorzieningen voortvloeiende verplichtingen, betreft.

Artikel 9. Wijziging van de statuten of reglementen

  • 1. Indien een wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden zendt het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de statuten, binnen twee weken nadat de notariële akte inzake die wijziging is verleden aan de Verzekeringskamer.

  • 2. Indien een wijziging van de reglementen heeft plaatsgevonden zendt het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar houdende wijziging van de reglementen, binnen twee weken na de totstandkoming daarvan aan de Verzekeringskamer.

  • 3. Indien de Verzekeringskamer van mening is dat de statuten of reglementen in strijd zijn met enig wettelijk voorschrift doet zij daarvan mededeling aan Onze Minister.

  • 4. Indien de gewijzigde statuten of reglementen op grond van het feit dat zij in strijd zijn met enig wettelijk voorschrift wederom gewijzigd worden, is het bedrijfstakpensioenfonds gehouden om de kosten te vergoeden die in verband met die wijziging van de statuten of reglementen zijn gemaakt door een werkgever of een pensioenuitvoerder om te kunnen blijven voldoen aan de voorschriften die zijn verbonden aan een vrijstelling op grond van artikel 13.

Artikel 10. Wijziging van de verplichtstelling

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, de verplichtstelling wijzigen. Artikel 2, tweede lid, onderdelen a, d, e en f, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 11. Intrekking van de verplichtstelling

  • 1. Onze Minister kan de verplichtstelling ambtshalve voor alle of voor een of meer bepaalde groepen van deelnemers intrekken.

  • 2. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, de verplichtstelling voor alle deelnemers intrekken.

  • 3. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een deel van de bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in dat deel van die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, de verplichtstelling intrekken voor deelnemers die in dat deel van de bedrijfstak werkzaam zijn.

  • 4. Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften worden gegeven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.

  • 5. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, gaat vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen.

  • 6. De aanvraag, bedoeld in het derde lid, gaat vergezeld van een verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen, een belangrijke meerderheid van de in dat deel van die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen.

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag alsmede met betrekking tot het vijfde en zesde lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 12. Representativiteitstoets

  • 1. Op verzoek van Onze Minister toont het georganiseerde bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak binnen acht weken na dat verzoek aan dat het georganiseerde bedrijfsleven dat voortzetting van de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.

  • 2. Onze Minister doet het verzoek, bedoeld in het eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum waarop voor het laatst is gebleken dat het georganiseerde bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.

  • 3. Als de datum waarop voor het laatst is gebleken dat het georganiseerde bedrijfsleven binnen de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, wordt aangemerkt:

    a. de datum waarop de verplichtstelling is opgelegd;

    b. de datum waarop de verplichtstelling is gewijzigd, of

    c. de datum waarop na het verzoek van Onze Minister, bedoeld in het eerste of vijfde lid, is aangetoond dat het georganiseerde bedrijfsleven binnen de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.

  • 4. Indien het georganiseerde bedrijfsleven binnen de betrokken bedrijfstak niet binnen acht weken na het verzoek, bedoeld in het eerste lid, heeft aangetoond dat het georganiseerde bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak dat de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, doet Onze Minister daarvan mededeling in de Staatscourant.

  • 5. Acht weken voordat er twee jaren zijn verstreken sinds de mededeling, bedoeld in het vierde lid, doet Onze Minister opnieuw een verzoek als bedoeld in het eerste lid. Indien het georganiseerde bedrijfsleven in de betrokken bedrijfstak, binnen acht weken na dat verzoek niet aantoont dat het georganiseerde bedrijfsleven dat de verplichtstelling wenst, naar het oordeel van Onze Minister, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, trekt Onze Minister de verplichtstelling in.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid trekt Onze Minister de verplichtstelling niet in zolang tegen die intrekking overwegende bezwaren bestaan in verband met de bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers.

  • 7. Bij de intrekking kunnen door Onze Minister ter bescherming van de rechten van de deelnemers of gewezen deelnemers voorschriften worden gegeven met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers of hun werkgevers.

Artikel 13. Vrijstelling

  • 1. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling.

  • 2. Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

Artikel 14. Gemoedsbezwaren

  • 1. Van de verplichtstelling, wordt op zijn aanvraag, door het bedrijfstakpensioenfonds vrijgesteld de persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige bezwaren hebben.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden met betrekking tot het eerste lid nadere regels gesteld. Bij ministeriële regeling worden tevens regels gesteld betreffende de gevolgen van de vrijstelling, alsmede betreffende de intrekking van de vrijstelling.

Artikel 15. Ontheffing

  • 1. Onze Minister kan een persoon die slechts tijdelijk in Nederland werkzaam is, op aanvraag in een bijzonder, individueel geval voorwaardelijk of onvoorwaardelijk en al of niet voor een bepaalde tijd ontheffing verlenen van de verplichtstelling.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels met betrekking tot de aanvraag worden gesteld.

Artikel 16. Publicatie in de Staatscourant

  • 1. Onze Minister doet mededeling in de Staatscourant van:

    a. een aanvraag tot verplichtstelling;

    b. een verplichtstelling;

    c. een aanvraag betreffende wijziging van de verplichtstelling;

    d. een wijziging van de verplichtstelling;

    e. een aanvraag tot intrekking van een verplichtstelling;

    f. een voornemen tot ambtshalve intrekking van een verplichtstelling, en

    g. een intrekking van een verplichtstelling.

  • 2. Bij de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, e en f, vermeldt Onze Minister de termijn waarbinnen zienswijzen tegen de inhoud van hetgeen is meegedeeld schriftelijk bij hem naar voren kunnen worden gebracht.

§ 4. Toezicht en sancties

Artikel 17. Toezicht

  • 1. Het toezicht op de uitvoering van de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid, berust bij de Verzekeringskamer.

  • 2. Onze Minister kan met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid, aan de Verzekeringskamer aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van de haar bij of krachtens deze wet opgelegde taak.

Artikel 18. Dwangsom

  • 1. De Verzekeringskamer kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid.

  • 2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

  • 3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Artikel 23k van de Pensioen- en spaarfondsenwet is van toepassing.

Artikel 19. Bestuurlijke boete

  • 1. De Verzekeringskamer kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij de artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, eerste en tweede lid.

  • 2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Verzekeringskamer.

  • 3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

  • 4. De artikelen 23d tot en met 23k van de Pensioen- en spaarfondsenwet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in artikel 23e, tweede lid, van die wet voor «de bijlage, bedoeld in artikel 23c» gelezen wordt «de bijlage, bedoeld in artikel 20» en dat in artikel 23i, tweede lid, van die wet voor «als bedoeld in artikel 23b» gelezen wordt «als bedoeld in artikel 19».

Artikel 20. Hoogte van de bestuurlijke boete

  • 1. Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 19, wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste twee miljoen gulden bedraagt.

  • 2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

  • 3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

  • 4. De Verzekeringskamer kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

§ 5. Rechtsvordering

Artikel 21. Dwangbevel

  • 1. Indien een bijdrage na aanmaning per aangetekende brief niet of niet geheel binnen dertig dagen wordt voldaan kan het bedrijfstakpensioenfonds, vertegenwoordigd door de personen die op grond van de statuten van het bedrijfstakpensioenfonds bevoegd zijn het fonds in rechte te vertegenwoordigen, de premie, wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boete en de aanmaningskosten invorderen bij dwangbevel.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde aanmaning vermeldt de inhoud van het eerste en vierde tot en met het achtste lid van dit artikel en van artikel 4.

  • 3. Het dwangbevel houdt in:

    a. de naam en de zetel van het bedrijfstakpensioenfonds;

    b. de namen van de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid;

    c. de naam, het beroep, de woonplaats en het adres van de schuldenaar;

    d. het bedrag van de achterstallige bijdragen, dat van de wettelijke of reglementaire renten of reglementaire boeten, voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt en de aanmaningskosten voorzover daarop aanspraak wordt gemaakt, alsmede de gronden waarop de vordering berust;

    e. de datum waarop de in het eerste lid bedoelde aanmaning is geschied.

  • 4. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.

  • 5. Het dwangbevel kan niet ten uitvoer worden gelegd voordat acht dagen na de betekening daarvan zijn verstreken. De persoon of rechtspersoon aan wie het dwangbevel is gericht kan gedurende dertig dagen na de betekening door middel van dagvaarding tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de kantonrechter van de plaats waar hij woont of is gevestigd. Indien de persoon of de rechtspersoon buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de kantonrechter van de plaats waar het kantoor is gevestigd van het bedrijfstakpensioenfonds.

  • 6. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden.

  • 7. Indien het verzet zich richt of mede richt tegen de hoogte van de gevorderde reglementaire rente of reglementaire boete, kan de rechter indien deze hem bovenmatig voorkomt, de bedongen reglementaire rente of reglementaire boete matigen, met dien verstande dat deze niet minder kan bedragen dan de wettelijke rente.

  • 8. Het recht tot invorderen bij dwangbevel strekt zich uit tot de kosten van vervolging.

Artikel 22. Hoofdelijke aansprakelijkheid

  • 1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen ter zake van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds:

    a. verschuldigd door een niet binnen Nederland wonende of gevestigde werkgever: de leider van zijn vaste inrichting binnen Nederland, zijn binnen Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger, dan wel de persoon, die de leiding heeft van de hier te lande verrichte werkzaamheden;

    b. verschuldigd door twee of meer werkgevers: ieder van die werkgevers;

    c. verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders.

  • 2. Indien een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, wordt onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.

  • 3. Artikel 21 is ten aanzien van de persoon, die krachtens dit artikel hoofdelijk aansprakelijk is, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Hoofdelijke aansprakelijkheid

  • 1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijdragen ter zake van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het tweede tot en met het twaalfde lid.

  • 2. Het lichaam, bedoeld in het eerste lid, doet onverwijld nadat gebleken is, dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling aan het bedrijfstakpensioenfonds en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt, verstrekt het nadere inlichtingen en legt het stukken over. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.

  • 3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

  • 4. Indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op voet van het derde lid aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

  • 5. De bestuurder kan slechts worden aangesproken indien het lichaam met de betaling van de bijdragen in gebreke is.

  • 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan:

    a. de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de bijdragenschuld is ontstaan;

    b. de persoon ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder;

    c. ieder van de met de vereffening belaste personen ingeval het lichaam is ontbonden, met uitzondering van de door de rechter benoemde vereffenaar;

    d. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is: ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.

  • 7. De tweede zin van het vierde lid is niet van toepassing op de gewezen bestuurder.

  • 8. Indien het bedrijfstakpensioenfonds een bestuurder hoofdelijk aansprakelijk stelt, doet het hem daarvan schriftelijk mededeling. De mededeling bevat de gronden waarop de aansprakelijkheid van de bestuurder berust.

  • 9. De persoon die hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, kan ter zake van de hoogte van de door het lichaam aan het bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde bijdragen geen vordering bij de rechter instellen, indien daaromtrent een onherroepelijk rechterlijk vonnis is gewezen in een door het lichaam of door een of meer andere aansprakelijk gestelde bestuurders ingestelde vordering.

  • 10. Na het overlijden van de bestuurder zijn de erfgenamen niet aansprakelijk als het bedrijfstakpensioenfonds niet vóór het overlijden de bestuurder bij schriftelijke mededeling aansprakelijk heeft gesteld.

  • 11. Indien de bestuurder van het lichaam op grond van dit artikel aansprakelijk is en niet in staat is tot betaling van zijn schuld ter zake, zijn de door die bestuurder onverplicht verrichte rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid tot verhaal op hem is verminderd, vernietigbaar en kan het bedrijfstakpensioenfonds deze vernietigingsgrond inroepen, indien aannemelijk is dat deze geheel of nagenoeg geheel met dat oogmerk zijn verricht. Artikel 45, vierde en vijfde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

  • 12. Artikel 21 is ten aanzien van de persoon die krachtens dit artikel hoofdelijk aansprakelijk is, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24. Verhaal

  • 1. Indien verhaal op het lichaam door de persoon die op grond van artikel 23 bijdragen heeft voldaan geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en twee of meer personen op grond van dat artikel hoofdelijk aansprakelijk zijn, dragen deze onderling voor gelijke delen in het onverhaald gebleven deel bij. De persoon die meer heeft voldaan dan zijn aandeel, heeft voor het meerdere verhaal op de persoon die minder dan zijn aandeel heeft voldaan. Een tekort veroorzaakt doordat een of meer van hen geen verhaal biedt onderscheidenlijk bieden, wordt voor gelijke delen onderscheidenlijk naar evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van hen aanging over de anderen verdeeld.

  • 2. Ieder die heeft bijgedragen, blijft gerechtigd het bijgedragene alsnog van het lichaam terug te vorderen.

  • 3. Van het eerste en het tweede lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Artikel 25. Burgerlijke rechtsvordering

Van burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds neemt de kantonrechter kennis.

Artikel 26. Algemene wet bestuursrecht

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

§ 6. Wijziging van wetten

Artikel 27. Algemene bijstandswet

In artikel 122, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene Bijstandswet1 wordt «de bedrijfspensioenfondsen» vervangen door: de bedrijfstakpensioenfondsen.

Artikel 28. Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

In artikel 95, onderdeel b, en artikel 101, eerste lid, onderdeel a, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 19972, wordt «bedrijfspensioenfondsen» telkens vervangen door: bedrijfstakpensioenfondsen.

Artikel 29. Pensioen- Spaarfondsenwet

De Pensioen- en Spaarfondsenwet3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid, onderdeel b, wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

b. in het zesde lid wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds en vervalt de zinsnede «en een deel van het land».

c. in het zevende lid wordt «met uitzondering van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds» vervangen door: met uitzondering van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

2. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a. in het eerste lid, onderdeel a, wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

b. in het tiende lid wordt «deelneming in een bedrijfspensioenfonds op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds» vervangen door: deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

3. In artikel 3a, eerste lid, wordt «bedrijfspensioenfonds» telkens vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

4. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a. het derde lid vervalt.

b. in het vierde lid, eerste volzin, vervalt: , met uitzondering van een bedrijfspensioenfonds als in het derde lid bedoeld,.

c. in het vierde lid, tweede volzin, wordt tussen «fonds» en «zendt» ingevoegd: , met uitzondering van een bedrijfstakpensioenfonds ten aanzien waarvan met toepassing van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 een verplichting tot deelneming geldt dan wel een aanvraag tot een dergelijke verplichting in behandeling is,.

5. In de artikelen 6 en 6a wordt «bedrijfspensioenfonds» telkens vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

6. In artikel 7, derde lid, vervalt de zinsnede «en eventueel het deel van het land», en wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

7. In artikel 22, eerste lid, wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

Artikel 30. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

In artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen4 wordt «de bedrijfspensioenfondsen» vervangen door: de bedrijfstakpensioenfondsen.

Artikel 31. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

In artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers5 wordt «de bedrijfspensioenfondsen» vervangen door: de bedrijfstakpensioenfondsen

Artikel 32. Wet NV SDU

In artikel 11, eerste lid, van de Wet NV SDU6 wordt «De Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Stb. 1949, J 121)» vervangen door: De Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Artikel 33. Wet op de inkomstenbelasting 1964

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 september 1999 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Kamerstukken II 1998/99, 26 727 ) nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden op het tijdstip dat dit artikel in werking treedt wordt in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de inkomstenbelasting 19647 «de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Stb. 1949, J121)» vervangen door: de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Artikel 33a. Wet inkomstenbelasting 2001

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 september 1999 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 20018 (Kamerstukken II 1998/99, 26 727) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt wordt in artikel 1.6a, tweede lid, onderdeel b van die wet «de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds» vervangen door: de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Artikel 34. Wet op de vennootschapsbelasting 1969

In artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 19699 wordt «de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds» vervangen door: de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Artikel 35. Wet privatisering ABP

De Wet privatisering ABP10 wordt als volgt gewijzigd:

a. in artikel 2, derde lid, wordt «1 januari 2001» vervangen door: het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid,;

b. in artikel 3, vijfde lid, wordt «uiterlijk 31 december 2000» vervangen door: uiterlijk voor het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid,;

c. in artikel 5, derde lid, wordt «1 januari 2001» vervangen door: het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid,;

d. in artikel 6, tweede lid, wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds;

e. artikel 21, tweede lid, vervalt;

f. in artikel 21, derde lid, wordt «Met ingang van 1 januari 2001 is de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds van toepassing» vervangen door: Op een bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nader te bepalen tijdstip is de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van toepassing;

g. aan artikel 21 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het derde lid zijn de artikelen 5, 6, 7, 8, 14 en de daarop berustende ministeriële regeling, 17, 18, 19, 20 en 39, zesde en zevende lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 van overeenkomstige toepassing met ingang van de datum waarop die wet in werking treedt tot het tijdstip bedoeld in het derde lid.

h. in artikel 22, eerste lid, en artikel 23, eerste lid, wordt «1 januari 2001» vervangen door: het tijdstip, bedoeld in artikel 21, derde lid,.

Artikel 36. Wet privatisering FVP

In artikel 1, onderdeel g, van de Wet privatisering FVP11 wordt «een bedrijfspensioenfonds» vervangen door: een bedrijfstakpensioenfonds.

Artikel 37. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993

Artikel 13 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 199312 wordt als volgt gewijzigd:

a. in het derde lid, onderdeel a, wordt «bedrijfspensioenfondsen» vervangen door: bedrijfstakpensioenfondsen.

b. in het vierde lid, onderdeel a, wordt «bedrijfspensioenfonds» vervangen door: bedrijfstakpensioenfonds.

c. in het vierde lid komt onderdeel a, onder 1o, te luiden: een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

Artikel 38. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding13 komt te luiden:

b. een pensioenregeling die van toepassing is op degenen, voor wie met toepassing van:

1. de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioen 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht was gesteld, voorzover de regeling niet onder onderdeel a viel, of

2. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de deelneming in dat bedrijfstakpensioenfonds verplicht is gesteld, voorzover de regeling niet onder onderdeel a valt.

§ 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 39. Overgangsrecht

  • 1. Op een aanvraag tot het verplichtstellen van deelneming in een bepaald bedrijfstakpensioenfonds ontvangen voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, beslist Onze Minister volgens het ten tijde van de ontvangst van de aanvraag geldende recht.

  • 2. Op bezwaar- en beroepschriften die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt beslist op grond van het ten tijde van de indiening geldende recht.

  • 3. Een verplichting tot het deelnemen in een fonds op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid, wordt aangemerkt als een verplichtstelling op grond van artikel 2, eerste lid.

  • 4. Een vrijstelling die is verleend op grond van artikel 16 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 15 wordt aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel 15.

  • 5. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Vrijstellingsregeling Wet Bpf, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 13 wordt aangemerkt als een vrijstelling als bedoeld in artikel 13.

  • 6. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de regeling van de Minister van Sociale Zaken van 17 december 1949, nr. 2602 tot vaststelling van richtlijnen met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, onder II, letter k, van artikel 5 der Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (Stcrt. 249), zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, wordt aangemerkt als een vrijstelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid.

  • 7. Artikel 5 is tot een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een bedrijfstakpensioenfonds dat op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5 gebruik maakt van een naam, handelsmerk of beeldmerk, dat wordt gebruikt door een rechtspersoon waarvan het bedrijfstakpensioenfonds aandelen houdt die meer dan dertig percent van het geplaatste kapitaal van die rechtspersoon vertegenwoordigen, of dat daarmee een zo sterke gelijkenis vertoont dat de deelnemers redelijkerwijs de indruk kunnen krijgen dat de naam, het handelsmerk, of het beeldmerk van het bedrijfstakpensioenfonds mede de naam, het handelsmerk of het beeldmerk van een dergelijke rechtspersoon betreft.

  • 8. Ten aanzien van bedrijfstakpensioenfondsen die voor de inwerkingtreding van artikel 12, eerste lid, zijn verplichtgesteld, doet Onze Minister de eerste keer het verzoek, bedoeld in artikel 12, eerste lid, ten minste acht weken voordat er vijf jaren zijn verstreken sinds de datum van inwerkingtreding van artikel 12, eerste lid, tenzij er na de inwerkingtreding van artikel 12, eerste lid, een wijziging van de verplichtstelling heeft plaatsgevonden.

Artikel 40. Intrekking van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds

De Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds wordt ingetrokken.

Artikel 41. Inwerkingtreding

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 42. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: «Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds», onder toevoeging van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 21 december 2000

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

Uitgegeven de achtentwintigste december 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Bijlage als bedoeld in artikel 20 van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Artikel 1

Voor de overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 5, 6, 7 en 8, bedraagt het basisbedrag van de boete f 192 000 (vast tarief). Voor de overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 9, eerste en tweede lid, bedraagt het basisbedrag van de boete f 12 000 (vast tarief)

Artikel 2

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in artikel 1 is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:

Categorie I: bedrijfstakpensioenfondsen met een balanstotaal minder dan f 20 miljoen: factor 1;

Categorie II: bedrijfstakpensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste f 20 miljoen maar minder dan 100 miljoen: factor 2;

Categorie III: bedrijfstakpensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste f 100 miljoen maar minder dan 500 miljoen: factor 3;

Categorie IV: bedrijfstakpensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste f 500 miljoen maar minder dan f 1 miljard : factor 4;

Categorie V: bedrijfstakpensioenfondsen met een balanstotaal van meer dan f 1 miljard: factor 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het basisbedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de Verzekeringskamer beschikbaar zijn gesteld, kan de Verzekeringskamer aan degene aan wie de boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.


XNoot
1

Stb. 1995, 199, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2000, Stb. 575.

XNoot
2

Stb. 1997, 95, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2000, Stb. 627.

XNoot
3

Stb. 1981, 18, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2000, Stb. 625.

XNoot
4

Stb. 1995, 206, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 571.

XNoot
5

Stb. 1995, 205, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 571.

XNoot
6

Stb. 1988, 421, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 1995, Stb. 276.

XNoot
7

Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 2000, Stb. 575.

XNoot
8

Stb. 2000, 215, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 570.

XNoot
9

Stb. 1969, 469, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 570.

XNoot
10

Stb. 1995, 639, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2000, Stb. 625.

XNoot
11

Stb. 1998, 457, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 december 2000, Stb. 571.

XNoot
12

Stb. 1994, 252, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 maart 2000, Stb. 168.

XNoot
13

Stb. 1994, 342, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2000, Stb. 625.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1999/2000, 2000/2001, 27 073.

Handelingen II 2000/2001, blz. 235–251; 373–374.

Kamerstukken I 2000/2001, 27 073 (24, 24a, 24b, 24c).

Handelingen I 2000/2001, zie vergadering d.d. 19 en 20 december 2000.