Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2009, 20549Besluiten van algemene strekking

Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen

17 december 2009

Nr. DB 2009-735M

Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, Directie Directe Belastingen, Directie Douane en Verbruiksbelastingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Handelende wat artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Handelende wat de artikelen 15c en 17 van de Wet op de loonbelasting 1964 betreft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 2.14a, 3.13, eerste lid, onderdeel i, 3.34, 3.38, 3.55, 3.56, 3.57, 3.87, 4.17a, vijfde en negende lid, 4.17b, vierde lid, 4.17c, vierde lid, 4.41, 6.15, 6.17, 6.33, vijfde lid, en 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14 en 14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, de artikelen 11a, 13bis, zevende en zeventiende lid, 15c, 17, tweede lid, 19a, 19g, 28, aanhef en onderdeel c, en 33, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 6, derde lid, en 14, negende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen, de artikelen 9, eerste lid, onderdeel f, 13, twaalfde lid, onderdeel b, onder 1°, en onderdeel c, onder 1°, 14a, 14b en 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de artikelen 4, 4e, 4f, 10, 10a en 10b van de Wet op de dividendbelasting 1965, de artikelen 1a, 16, 17, 32 en 35b tot en met 35e van de Successiewet 1956, de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 6, 13, 21k, 31, 30f, zesde lid, 38, 39, 53, tweede lid, 56, 67 en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, 5, tweede lid, 25, 26, 29, 31, 63a en 67 van de Invorderingswet 1990, artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet, artikel 10 van de Registratiewet, artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, artikel 17, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, artikel 14 van de Wet openbaarheid van bestuur en de artikelen XXXIII en XXIVA van het Belastingplan 2010, de artikelen 28i, 28p, 32f, tweede lid, 32h en 32i van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 10, zesde lid en 14a, vierde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c, 2:1, 6:3, 9:5, 10:11 Algemene douanewet, artikel 2:2 van het Algemeen douanebesluit, de artikelen 27, zevende lid, 37, tweede lid, 38, 42a, vierde lid, 63, 64, tweede lid, 70, zesde lid, 71e, vierde lid, 71f, vierde lid, 71g, eerste lid, 75, derde lid, 78, van de Wet op de accijns, artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit accijns, artikel VIIIA van de Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten, de artikelen 10, derde lid, 15, tweede lid, en 35, tweede lid, van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten, de artikelen 71, tweede lid, artikel 80, van de Wet belastingen op milieugrondslag, artikel 28i van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘2.14, 3.10’ vervangen door ‘2.14, 2.14a, 3.10’ en wordt ‘3.27, 3.63’ vervangen door ‘3.27, 3.55, 3.56, 3.57, 3.63’. Voorts wordt ‘4.14, 4.51’ vervangen door ‘4.14, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.41, 4.51’ en wordt ‘9.2 en 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001’ vervangen door ‘9.2, 9.4 en 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 14 en 14a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 en artikel XXXIII van het Belastingplan 2010’.

B

Na artikel 4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4a Toerekening afgezonderd particulier vermogen

  • 1. Degene die als begunstigde een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een afgezonderd particulier vermogen, wordt in zoverre in de belastingheffing betrokken.

  • 2. Indien aan twee of meer personen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend, wordt bij deze toerekening aangesloten bij de waarde van hetgeen ten tijde van de afzondering door ieder van de bedoelde personen of hun rechtsvoorgangers is afgezonderd in de zin van artikel 2.14a, derde lid, van de wet. Met uitkeringen uit het vermogen van het afgezonderd particulier vermogen wordt op overeenkomstige wijze rekening gehouden.

  • 3. Ingeval bij een afzondering van vermogen in een afgezonderd particulier vermogen niet bekend is welk vermogen door iemand is afgezonderd, vindt toerekening van dit vermogen plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen daarin heeft afgezonderd.

  • 4. Onder het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de wet, wordt mede verstaan:

    • a. het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer;

    • b. het bedingen van voorwaarden bij het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn;

    • c. het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de wet.

  • 5. Bezittingen en schulden van een afgezonderd particulier vermogen worden in aanmerking genomen naar de waarde in het economisch verkeer die zou gelden als deze bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen worden toegerekend.

  • 6. De erfgenaam die gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling, bedoeld in artikel 2.14a, zesde lid, van de wet, dient ten minste de volgende gegevens aan de inspecteur over te leggen:

    • a. een beschrijving van het soort afgezonderd particulier vermogen en land van vestiging;

    • b. de oprichtingsakte van het afgezonderd particulier vermogen inclusief bijlagen (zoals instructies, reglementen, letter of wishes, statuten);

    • c. de meest actuele jaarstukken van het afgezonderd particulier vermogen over minimaal drie jaren;

    • d. naam- en adresgegevens van de inbrenger van het vermogen en van de overige erfgenamen;

    • e. alle overige stukken waaruit blijkt dat de bedoelde erfgenaam geen begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen en dit in de toekomst ook nooit kan worden.

C

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a Belastbare winst uit onderneming; overige vrijstellingen; vrijstelling mobiliteitsprojecten

Als mobiliteitsprojecten in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden aangewezen:

  • a. Spitsmijden A15 als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Spitsmijden A15 (Stcrt. 2009, 14);

  • b. Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’ als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject ‘Prijsprikkels door Bedrijven voor de Bereikbaarheid van Haaglanden’ (Stcrt. 2009, 10581);

  • c. Betaald Rijden Proef Stadsregio Amsterdam als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant mobiliteitsproject Proef Betaald Rijden (Amsterdam) (Stcrt. 2009, 11593);

  • d. Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject regio Eindhoven-’s-Hertogenbosch (Stcrt. 2009, 11790);

  • e. Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsprojecten SLIM Prijzen en SLIM Prijzen Waalbrug (Stcrt. 2009, 18102), en

  • f. Mobiliteitproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost als bedoeld in het Uitvoeringsconvenant Mobiliteitsproject Beloningsmaatregel Utrecht Oost (Stcrt. 2009, 18120).

D

Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11 Aangewezen staten bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Voor de toepassing van de artikelen 3.55, tweede en vijfde lid, 3.56, tweede lid, 3.57, tweede lid, en 4.41, tweede en derde lid, van de wet en de artikelen 14, derde lid, en 14a, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

E

In artikel 16, tweede lid, wordt ‘elfde lid’ vervangen door: negende lid.

F

Na artikel 26 worden vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 26a Verzoek om toepassing doorschuifregelingen bij vererving, bij verdeling van de nalatenschap binnen twee jaar of bij schenking

  • 1. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, artikel 4.17b, tweede lid, of artikel 4.17b, derde lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in artikel 4.17b, eerste lid, of artikel 4.17c, eerste lid, van de wet wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder.

Artikel 26b In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen

  • 1. Onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet.

  • 2. Aan het gestelde in artikel 4.17a, vierde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.

  • 3. Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, laatste volzin, van de wet indien:

    • a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet;

    • b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander;

    • c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en

    • d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.

    Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de wet, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de wet. Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

  • 4. Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 4.17a, derde de lid of vijfde lid, van de wet, dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, van die wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger.

  • 5. Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel d, van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d.

Artikel 26c Verkorting termijn 36 maanden uit de doorschuifregeling bij schenking

  • 1. Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde termijn van 36 maanden wordt geacht te zijn voldaan indien zich na het aangaan van de aldaar bedoelde dienstbetrekking een omstandigheid voordoet als bedoeld in het tweede lid.

  • 2. Het eerste lid is van toepassing indien de vervreemder:

    • a. door ziekte of gebreken gedurende ten minste één jaar niet in staat is, of vermoedelijk niet in staat zal zijn, om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen;

    • b. in staat van faillissement is verklaard;

    • c. surséance van betaling heeft aangevraagd, of

    • d. onder curatele is gesteld.

Artikel 26d Werknemer bij een werkmaatschappij in geval van schenking van aandelen in een holding

Aan de in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde voorwaarde wordt geacht ook te zijn voldaan indien:

  • a. de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een belang heeft in een ander lichaam;

  • b. dat andere lichaam een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt, een en ander als bedoeld in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel a, van de wet, en

  • c. de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking is van dat andere lichaam.

G

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 290’ vervangen door: € 295.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 350’ vervangen door: € 355.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 410’ vervangen door: € 415.

4. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 350’ vervangen door: € 355.

5. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 700’ telkens vervangen door: € 710.

6. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 1050’ telkens vervangen door: € 1065.

H

Artikel 37 komt te luiden:

Artikel 37 Uitgaven voor specifieke zorgkosten; dieetkosten

  • 1. De extra kosten van een op voorschrift van een arts of een diëtist gehouden dieet als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel f, en zevende lid, van de wet, worden bepaald aan de hand van de navolgende tabel:

    Voor het dieet bij het ziektebeeld en de aandoening

    Op welk dieet de in deze kolom genoemde typering van toepassing is

    Bedragen de extra uitgaven

    Algemene symptomen

    groeiachterstand bij kinderen

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    energieverrijkt

    € 650

    ondervoeding

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    energieverrijkt

    € 650

    decubitus

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    Hypertensie en hartziekten

    decompensatio cordis, hartfalen

    natriumbeperkt

    € 100

    Infectieziekten

    aids

    energieverbruik in combinatie met eitwitverrijkt

    € 950

    Luchtwegen

    chronische obstructieve longziekten (COPD)

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    energieverijkt

    € 650

    Maag-, darm- en leverziekten

    dumping syndroom

    lactosebeperkt

    € 100

    chronische pancreatitis

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 650

    cystic fibrosis

    energieverrijkt

    € 650

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    coeliakie en ziekte van Dühring

    glutenvrij

    € 1400

    glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt

    € 1500

    overige (inclusief short bowel, leverziekten)

    energieverrijkt

    € 650

      

    energieverrijkt in combinatie met MCT verrijkt (met en zonder vitaminepreparaat

    € 1350

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en

    € 1150

    Metabole ziekten

    hypercholesterolemie

    verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenvrrijkt

    € 100

    vetstofwisselingsstoor-nis

    vetbeperkt in combinatie met MCT-vet verrijkt

    € 800

    fructose intolerantie

    fructosebeperkt

    € 50

    galactosemie

    galactosevrij

    € 50

     

    sacharase isomaltase deficiëntie

    sterk sacharosebeperkt, in combinatie met (iso) maltosebeperkt

    € 3750

    eiwitstofwisselingsstoornis (zoals PKU en hyperlysinemie)

    sterk eiwitbeperkt

    € 2700

    Nierziekten

    nierziekten

    natriumbeperkt

    € 100

    chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse

    eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt

    € 250

    nefrotisch syndroom

    natriumbeperkt

    € 100

    Oncologie

    oncologie

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    energieverrijkt

    € 650

    Overige

    voedselovergevoeligheid

    koemelkeiwitvrij

    € 100

    soja-eiwitvrij

    € 50

    kippenei-eiwitvrij

    € 50

    lactosebeperkt

    € 100

    tarwevrij

    € 1000

    tarwevrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij

    € 1100

    koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij

    € 150

    koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrij

    € 250

    koemelkeiwitvrij in combinatie met kippenei-eiwitvrij en soja-eiwitvrij

    € 300

    koemelkeiwitvrij in combinatie met kippeneieiwitvrij, soja-eiwit en tarwe-vrij

    € 1250

    koemelkeiwitvrij in combinatie met glutenvrij

    € 1400

    brandwonden

    energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt

    € 950

    lymfe lekkage

    eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-) vetbeperkt en MCT-vet verrijkt

    € 1100

    epilepsie

    sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en MCT-vet verrijkt

    € 550

    Voor overige diëten worden de extra kosten gesteld op nihil.

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    a. referentievoeding:

    een gezonde voeding conform een Nederlands voedingspatroon, gebaseerd op de Richtlijnen Goede Voeding en Richtlijnen Voedselkeuze;

    b. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt:

    een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie;

    c. energieverrijkt:

    een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding;

    d. natriumbeperkt:

    een voorgeschreven beperking tot 2000 mg natrium per etmaal;

    e. lactosebeperkt:

    een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    f. glutenvrij in combinatie met lactosebeperkt:

    glutenvrij en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    g. energieverrijkt in combinatie met MCT-vet verrijkt:

    een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    h. energieverrijkt in combinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt:

    een voorgeschreven energiebehoefte van ten minste 125% ten opzichte van de referentievoeding, een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven lactosebeperking tot 5 gram per etmaal;

    i. verzadigd vetbeperkt in combinatie met fyto/plantensterolenverrijkt:

    een voorgeschreven hoeveelheid verzadigd vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid plantaardige stanolen of van plantaardige sterolen van ten minste 2 gram per etmaal;

    j. vetbeperkt in combinatie met MCT-vet verrijkt:

    een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    k. fructosebeperkt:

    een voorgeschreven fructosebeperking tot 2 gram per etmaal;

    l. sterk eiwitbeperkt:

    een voorgeschreven beperking tot 10 gram eiwit per etmaal;

    m. eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt:

    een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven beperking tot 2000 mg natrium per etmaal;

    n. eiwitverrijkt in combinatie met sterk (LCT-)vetbeperkt en MCT-vet verrijkt:

    een voorgeschreven hoeveelheid eiwit van ten minste 15% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid vet die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie en een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van ten minste 12% van de hoeveelheid energie per etmaal;

    o. sterk eiwitbeperkt en koolhydraatbeperkt in combinatie met vetverrijkt en MCT-vet verrijkt:

    een voorgeschreven hoeveelheid eiwit die voorziet in niet meer dan 10% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid koolhydraten die voorziet in niet meer dan 20% van de hoeveelheid energie, een voorgeschreven hoeveelheid vet van ten minste 70% van de hoeveelheid energie ten opzichte van de referentievoeding waarvan een voorgeschreven hoeveelheid MCT-vet van 25% van de hoeveelheid energie.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid geldt voor:

    • a. eenzelfde dieettypering die meerdere keren in aanmerking zou komen éénmaal het bedrag behorende bij die dieettypering;

    • b. verschillende dieettyperingen die in aanmerking zouden komen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening elk van de bij die dieettyperingen behorende bedragen;

    • c. deels overeenkomende dieettyperingen bij eenzelfde ziektebeeld en aandoening, alleen het hoogste van de voor het van toepassing zijnde ziektebeeld en aandoening geldende bedragen.

  • 4. Ingeval extra uitgaven voor een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet niet gedurende het gehele kalenderjaar worden gedaan, worden de met toepassing van het eerste lid bepaalde bedragen naar tijdsgelang herrekend.

  • 5. Een voorschrift als bedoeld in artikel 6.17, achtste lid, van de wet bevat ten minste:

    • a. gegevens waaruit blijkt dat degene die het voorschrift afgeeft medicus of diëtist is;

    • b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de medicus of diëtist die het voorschrift afgeeft;

    • c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het dieet is voorgeschreven;

    • d. het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel c, en de dieettypering van het voorgeschreven dieet;

    • e. de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te volgen dieet en indien van toepassing de einddatum van het te volgen dieet.

I

Artikel 41a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘Een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling’ vervangen door: Een uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogende instelling.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘dat de instelling het algemeen belang dient’ vervangen door: dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient.

J

Na artikel 45a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45aa Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen

De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld, tenzij:

  • a. zeven jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft;

  • b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  • c. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  • d. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment; of

  • e. sprake is van enig feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven en als gevolg van die heffing een andere belasting, al dan niet van dezelfde belastingplichtige, ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.

K

Na artikel 45c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45d Overgangsrecht eigenwoningregeling en leegstaande woning

Met betrekking tot gevallen waarin het genereren van inkomen uit sparen en beleggen uit de woning bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, tweede volzin, van de wet reeds is aangevangen vóór 1 januari 2010, blijft artikel 3.111, tweede lid, van de wet, zoals dit luidde op 31 december 2009, van toepassing, tenzij de belastingplichtige ermee instemt dat:

  • a. het gaan genereren van inkomsten uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 3.111, tweede lid, tweede volzin, van de wet niet wordt aangemerkt als een vervreemding als bedoeld in artikel 3.119a van de wet;

  • b. indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de wet een beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die beschikking wordt herzien;

  • c. indien de woning vanaf enig moment weer belastbare inkomsten uit eigen woning genereert, dit niet wordt aangemerkt als een verwerving als bedoeld in artikel 3.119a van de wet.

ARTIKEL II

De Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ‘in het kalenderjaar 2009, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012 door hem in gebruik wordt genomen’ vervangen door: in het kalenderjaar 2009 of 2010, en het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2012, onderscheidenlijk vóór 1 januari 2013, door hem in gebruik wordt genomen.

2. Aan het eerste lid worden twee volzinnen toegevoegd, luidende: Met betrekking tot een schip waarvoor verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt in het kalenderjaar 2010, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de winst met betrekking tot dit schip ten minste tot 1 januari 2020 niet wordt bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet. De inspecteur kan voor situaties van een zakelijke vervreemding ontheffing van de toepassing van de tweede volzin verlenen.

3. In het derde lid wordt ‘De in het eerste lid genoemde datum van 1 januari 2012’ vervangen door: De in het eerste lid genoemde datum van 1 januari 2012, onderscheidenlijk 1 januari 2013,.

B

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid, eerste volzin, wordt ‘eindigt de periode waarin het bedrijfsmiddel moet voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 13, op 31 december 2011’ vervangen door ‘eindigt de periode waarbinnen het bedrijfsmiddel in gebruik genomen moet zijn op 31 december 2011, onderscheidenlijk op 31 december 2012.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Ingeval met betrekking tot een in artikel 13, eerste lid, tweede volzin, bedoeld schip vanaf enig moment vóór 1 januari 2020 de winst wordt bepaald met toepassing van artikel 3.22 van de wet, vindt artikel 3.38 van de wet toepassing voordat artikel 3.23, tweede lid, van de wet toepassing vindt.

ARTIKEL III

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘11, 12’ vervangen door ‘11, 11a, 12’ en wordt ‘18, 19f’ vervangen door: 18, 19a, 19f.

B

Na artikel 11 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12 Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

  • 1. De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, van de wet wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

    Ingeval de gerechtigde tot de uitkeringen, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de wet bij ingang van de uitkeringen, een leeftijd heeft bereikt van

    Maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van

    Bedraagt de minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom vermelde aantal jaren

    I

    II

    III

    25

    17

    25

    30

    14

    30

    35

    11

    35

    40

    8

    40

    45

    5

    45

    50

    4

    50

    55

    3

    55

    60

    2

    60

    1

  • 2. Ingeval de uitkeringen toekomen aan kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste uitkering, in afwijking van het eerste lid, nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar.

C

In artikel 21c, derde lid, wordt ‘tiende lid’ vervangen door: elfde lid.

D

Artikel 21c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘tweede lid’ vervangen door: vierde lid.

2. In het tweede lid wordt ‘eerste lid’ vervangen door: eerste tot en met derde lid.

3. In het derde lid wordt ‘elfde lid’ vervangen door: dertiende lid.

E

Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 13,25’ vervangen door: € 13,50.

2. In onderdeel b worden ‘€ 56,25’, ‘€ 13,00’ en ‘€ 2,60’ vervangen door respectievelijk € 72,00, € 16,50 en € 3,30.

3. In onderdeel c worden ‘€ 31,00’, ‘€ 7,25’ en ‘€ 1,45’ vervangen door respectievelijk € 39,75, € 9,25 en € 1,85.

4. In onderdeel d wordt ‘€ 14,50’ vervangen door: € 14,00.

F

In artikel 35, eerste lid, worden ‘€ 154,50’, ‘€ 35,75’ en ‘€ 7,15’ vervangen door respectievelijk € 157,50, € 36,25 en € 7,25.

G

In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

Huisvesting:

Per maand

Per week

Per dag

a. aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont

   

– van een schip van meer dan 2000 ton:

€ 144,00

€ 33,00

€ 6,60

– van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:

€ 108,00

€ 24,75

€ 4,95

– van een ander schip of van baggermaterieel:

€ 72,00

€ 16,50

€ 3,30

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

€ 59,00

€ 13,50

€ 2,70

    

b. aan boord van zeeschepen – andere dan vissersschepen – en op boorplatforms:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

  

€ 10,05

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft

   

– voor een kapitein en voor een officier:

  

€ 4,70

– voor een andere werknemer:

  

€ 2,35

    

c. aan boord van vissersschepen:

   

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

  

€ 3,25

    

d. in pakwagens van kermisexploitanten:

   

voor de werknemer die in een pak wagen woont en geen gezin heeft:

€ 59,00

€ 13,50

€ 2,70

    

e. voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

H

In artikel 55 worden ‘€ 2,10’, ‘€ 2,10’ en ‘€ 4,00’ vervangen door respectievelijk € 2,20, € 2,20 en € 4,20.

I

In artikel 59, eerste lid, wordt ‘4,9%’ vervangen door: 2,5%.

J

Na artikel 60 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 60a

Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

K

In artikel 61k, tweede lid, tweede volzin wordt ‘een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde kredietinstelling’ vervangen door: een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde kredietinstelling.

L

In artikel 68, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘onderdelen l, m, o, p en q’ vervangen door: onderdelen m, o en q,.

M

Artikel 91, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de samenloop van:

    • a. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt;

    • b. een uitkering ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt.

ARTIKEL IV

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

Indien hij de leeftijd heeft bereikt van

Doch niet de leeftijd van

 

15 jaren

16 jaren

€ 5425

16 jaren

17 jaren

€ 6238

17 jaren

18 jaren

€ 7143

18 jaren

19 jaren

€ 8228

19 jaren

20 jaren

€ 9494

20 jaren

21 jaren

€ 11121

21 jaren

22 jaren

€ 13110

22 jaren

23 jaren

€ 15370

23 jaren

 

€ 18082

B

Na artikel 12bb wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 12cc

  • 1. Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel i, van de wet worden als opleidingen aangewezen opleidingen die zijn opgenomen in het register, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of in het register, bedoeld in artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, onderdeel i, van de wet wordt per werknemer in de loonadministratie vastgelegd:

    • a. een bewijs van het opleidingsniveau waarover de werknemer bij aanvang van de opleiding beschikt;

    • b. het bewijs van inschrijving dat ten minste bevat de naam van de instelling waar de werknemer de opleiding aanvangt, alsmede de naam van de opleiding en de duur hiervan.

  • 3. De inschrijving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, ziet op deelname aan ten minste een kwart van de gehele opleiding.

ARTIKEL V

De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 9, 10, 13, 21 en 25a’ vervangen door: de artikelen 9, 10, 13, 14a, 14b, 21, 23c en 25a.

B

In artikel 2 wordt ‘5 percent’ vervangen door: 4,5 percent.

C

Artikel 2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘Voor de toepassing van artikel 13, elfde lid, laatste volzin van de wet’ vervangen door: Voor de toepassing van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel b, onder 1°, van de wet.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘bedraagt ten minste 20% van de waarde in het economische verkeer’ vervangen door: bedraagt doorgaans ten minste 20% van de waarde in het economische verkeer.

3. In het tweede lid, tweede volzin, wordt ‘doen zich voor’ vervangen door: doen zich in ieder geval voor.

4. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Onder feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt mede begrepen vreemd vermogen dat verband houdt met door een ander tot het concern behorend lichaam feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen indien dat andere lichaam om zakelijke redenen het binnen het concern benodigde vreemd vermogen van derden aantrekt.

D

Na artikel 2a worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2b

  • 1. Voor de toepassing van artikel 13, twaalfde lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet worden de werkzaamheden van een lichaam als daar bedoeld aangemerkt als actieve terbeschikkingstellingswerkzaamheden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a. het lichaam houdt zich anders dan incidenteel bezig met het ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen ten behoeve van tot het concern behorende lichamen;

    • b. de aanschaffingskosten van de ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen zijn voor ten minste 20% gefinancierd met feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen;

    • c. het lichaam is in zijn bestuur en de dagelijkse bedrijfsvoering, waarbij de normale bemoeienis met de bedrijfsvoering door de aandeelhouder of de concernleiding buiten beschouwing blijft, zelfstandig in het nemen van beslissingen over:

      • 1°. de aanschaf, het onderhoud, de vervreemding en het beheer, waaronder begrepen beslissingen inzake de voorwaarden waaronder ter beschikking wordt gesteld, van materiële vaste activa;

      • 2°. de aanschaf, het onderhoud, de ontwikkeling en het beheer, waaronder begrepen beslissingen inzake de voorwaarden waaronder ter beschikking wordt gesteld, van immateriële vaste activa;

    • d. het lichaam heeft de economische eigendom van de ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen;

    • e. het aantal personen in dienstbetrekking tot het lichaam, hun bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn in overeenstemming met de aard en functie van het lichaam en het lichaam beschikt over een eigen kantoor dat is voorzien van de gebruikelijke faciliteiten, en

    • f. het lichaam verricht de voor deze regeling relevante transacties via eigen bankrekeningen.

  • 2. Indien het lichaam niet voldoet aan de in het eerste lid, onderdeel b, opgenomen voorwaarde wordt het lichaam geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het lichaam ten minste in dezelfde mate met feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen is gefinancierd als het concern waarvan het lichaam deel uitmaakt.

  • 3. Onder feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt mede begrepen vreemd vermogen dat verband houdt met door een ander tot het concern behorend lichaam feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen indien dat andere lichaam om zakelijke redenen het binnen het concern benodigde vreemd vermogen van derden aantrekt.

  • 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt als concern aangemerkt de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen, bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de wet.

Artikel 2c

Voor de toepassing van de artikelen 14a, elfde lid, 14b, achtste lid en 23c, derde en vierde lid, van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

ARTIKEL VI

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 4c, vierde lid, 9 en 10’ vervangen door: de artikelen 4, tweede lid, 4c, vierde lid, 4e, 4f, 9 en 10.

B

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1a

Voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 10, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

C

Na artikel 1aa worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 1ab

Op grond van artikel 4e van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat hij met betrekking tot dat dividend een verzoek zal doen om toepassing van artikel 4.12a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 1ac

Op grond van artikel 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat met betrekking tot dat dividend sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de Invorderingswet 1990.

ARTIKEL VII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘30f, vierde lid, 39, 47, tweede lid’ vervangen door: 30f, vierde lid, 38, tweede lid, 39, 47, tweede lid.

B

In artikel 2, tweede lid, wordt ‘het recht van successie en het recht van overgang’ vervangen door: de erfbelasting.

C

In artikel 21, eerste lid, wordt ‘het recht van successie, het recht van schenking en het recht van overgang’ vervangen door: de erfbelasting en de schenkbelasting.

D

Aan artikel 24 wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Deze mededeling wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 te zijn.

E

Artikel 30b wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel d wordt ‘, onderscheidenlijk vóór de inhouding’ vervangen door: of op een ander wettelijk voorgeschreven moment.

2. In onderdeel e wordt ‘voor zover de met de laatstgenoemde inkomensgegevens samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting niet kan worden nagevorderd, onderscheidenlijk nageheven doordat de termijn voor navordering, onderscheidenlijk naheffing is verstreken’ vervangen door: met dien verstande dat in dat geval wel ambtshalve vermindering plaatsvindt voor zover de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting is of kan worden geheven.

F

Na hoofdstuk 8 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 8A VOORKOMING VAN DUBBELE BELASTING; EENZIJDIGE REGELING

Artikel 31a

Voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de wet, worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

G

Artikel 43c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel b wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 6°. loonheffingennummers behorende bij de instellingen die zijn opgenomen in het overzicht van de Stichting Pensioenfonds ABP, ten behoeve van het koppelen van overheidswerkgevers aan de bestaande arbeidsvoorwaardelijke sectoren in het kader van beleidsonderzoek;.

2. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. de Minister van Economische Zaken:

    • 1°. gegevens die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997;

    • 2°. gegevens met betrekking tot bedrijven als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001 ten behoeve van de uitvoering van die wet;.

3. Onderdeel h komt te luiden:

  • h. de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer:

    • 1°. gegevens omtrent rechthebbenden van auto’s, welke rechthebbenden eerste kentekenhouder zijn van een nieuw motorrijtuig met een roetfilter, ten behoeve van de uitvoering en handhaving door SenterNovem van de Subsidieregeling voor motorrijtuigen met emissiearme dieselmotor en recht op teruggaaf BPM;

    • 2°. de resultaten van bestandsbevragingen ter verificatie van bij de VROM-inspectie aanwezige informatie, voor zover niet afkomstig uit opsporingsonderzoeken, ten behoeve van het toezicht op woningcorporaties;

    • 3°. specifieke branche- en productkennis, resultaten en bevindingen van ingestelde onderzoeken en acties alsmede gegevens van burgers en bedrijven die behoren tot de doelgroep vuurwerkimporteurs, groothandelaren en detailhandelaren, ten behoeve van het selecteren van door de VROM-inspectie te inspecteren vuurwerkbedrijven;.

4. Aan onderdeel j wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 6°. de naam, het adres en de woonplaats van erfgenamen, ten behoeve van het innen van openstaande gemeentelijke belastingschulden van de overledene;.

5. In onderdeel m vervalt de zinsnede ‘bij handhavingsknelpunten’.

6. Onderdeel u komt te luiden:

  • u. de participanten van het samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid Financieel Expertise Centrum (FEC), genoemd in artikel 1 van het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Stcrt. 2009, 71): de gegevens die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de in dat convenant opgenomen verplichtingen;.

7. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel x door een puntkomma, worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • y. de gemeenschappelijke regeling DCMR Milieudienst Rijnmond: gegevens die van belang kunnen zijn voor de vergunningverlening, en het toezicht en de handhaving van de gemeentelijke en provinciale taken in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder;

  • z. de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: gegevens over het inkomen van uitgetreden vissers, ten behoeve van het controleren van de juistheid van de aan die vissers toegekende financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies door de Dienst Regelingen;

  • aa. de Voedsel en Waren Autoriteit: gegevens met betrekking tot het doen van loonaangifte door horecaondernemers ten behoeve van het op grond van artikel 11a, eerste en vierde lid, van de Tabakswet te maken onderscheid tussen werkgevers met werknemers en werkgevers zonder werknemers.

ARTIKEL VIII

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 53, tweede lid, 56 en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’ vervangen door: de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, 3, tweede lid, 39, 53, tweede lid, 56 en 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid onderdeel b, komt te luiden:

  • b. Belastingdienst/Douane;.

2. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘Belastingdienst/Centrum voor informatie- en communicatietechnologie (B/CICT)’ vervangen door ‘Belastingdienst /Centrum voor applicatieontwikkeling en -onderhoud (B/CAO)’ en wordt ‘Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling (B/CPP)’ vervangen door: Belastingdienst/Centrum voor infrastructuur en exploitatie (B/CIE).

3. In het eerste lid, onderdeel d, wordt na het tweede onderdeel een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • Belastingdienst/Centrum voor ondersteuning IV (B/COI);.

4. In het eerste lid, onderdeel e, wordt ‘Laboratorium’ vervangen door: Douane Laboratorium.

5. In de aanhef van het derde lid wordt ‘De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdelen zijn’ vervangen door: Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel is.

6. Het derde lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. de kolenbelasting, voor zover deze wordt geheven ter zake van de invoer, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, onderdeel m, en 35 van de Wet belastingen op milieugrondslag;.

7. Het derde lid, onderdeel f, vervalt.

C

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

Het in het artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel is mede belast met de heffing en invordering van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, tenzij:

  • a. de belasting wordt voldaan door de vergunninghouder, bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, of

  • b. teruggaaf op verzoek wordt verleend.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘onderdelen a tot en met d en f’ vervangen door: ‘onderdelen a, c, d en f.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Het organisatieonderdeel, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, staat onder leiding van de algemeen directeur Douane.

E

In artikel 5, eerste lid, wordt ‘onderdelen a, b en c.1’ vervangen door ‘onderdelen a en c1’. Voorts wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door: genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

F

Artikel 5a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘onderdelen a, b en c.1’ vervangen door ‘onderdelen a en c1’. Voorts wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door: genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

2. In het tweede lid wordt ‘a, b, en c.1 en f, ‘ vervangen door ‘a, c1 en f,’. Voorts wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door: genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

G

Artikel 6, tweede lid, alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

H

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

De bevoegde functionaris, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen is:

  • a. voor de toepassing van de artikelen 4e en 4l van die wet: de inspecteur, bedoeld in artikel 5, eerste lid;

  • b. voor de toepassing van de artikelen 4j, 4k en 6a van die wet: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Centrale administratie (B/CA);

  • c. voor de toepassing van artikel 4o van die wet: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Oost.

I

In artikel 7 wordt ‘onderdelen a en b,’ vervangen door ‘onderdeel a’. Voorts wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door: genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

J

In artikel 8 wordt ‘onderdelen a, b, c.1 en c.2’ vervangen door ‘onderdelen a, c1 en c2’ en wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door ‘genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel’. Voorts wordt in de tweede volzin ‘De voorzitters’ vervangen door: De voorzitters en de algemeen directeur.

K

In artikel 9 wordt ‘onderdelen a, b en c.1’ vervangen door ‘onderdelen a en c1’. Voorts wordt ‘genoemde organisatieonderdelen’ vervangen door: genoemde organisatieonderdelen en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerst lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

L

In artikel 9a wordt ‘onderdelen a, c.1, c.2, en d’ vervangen door: onderdelen a, c1, c2.

M

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘onder welke inspecteur of ontvanger’ vervangen door: onder welk belastingkantoor of onder welke douaneregio.

2. In het tweede lid wordt ‘onderdelen a en b’ vervangen door ‘onderdeel a’. Voorts wordt ‘genoemd organisatieonderdeel’ vervangen door: onder genoemde organisatieonderdeel en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

3. In het derde lid wordt ‘de voorzitter van een managementteam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b’ vervangen door: de voorzitter van een managementteam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en de algemeen directeur van het in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, genoemde organisatieonderdeel.

N

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerstel lid wordt ‘het recht van successie en het recht van schenking’ vervangen door: de schenk- en de erfbelasting.

2. In het tweede lid wordt ‘het recht van schenking’ vervangen door: de schenkbelasting.

3. In het derde lid wordt ‘ het recht van schenking’ vervangen door: de schenkbelasting.

4. Het vierde lid vervalt.

O

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de kolenbelasting’ vervangen door: de kolenbelasting anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid onderdeel e.

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede ‘, voor zover deze niet wordt geheven van producten die worden aangemerkt als minerale oliën in de zin van artikel 25 van de Wet op de accijns’.

P

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De NAVO, met uitzondering van het NATO C3 Agency te Den Haag, ressorteert met betrekking tot de heffing en invordering van rijksbelastingen, andere dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden.

2. In het tweede lid wordt ‘echtgenoten of partners’ vervangen door: partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001,.

Q

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt ‘instelling’ vervangen door: instelling of personen die op grond van internationaal recht geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van belasting,.

2. Aan het eerste lid worden, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel y door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • z. het instituut voor Nieuwe Technologieën van de Universiteit van de Verenigde Naties (UNU/INTECH) te Maastricht;

  • aa. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol) te Beek.

3. In het vierde lid wordt ‘echtgenoten of partners’ vervangen door: partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Onder de in het eerste lid genoemde voorzitter ressorteren de Nederlandse leden van het Europees Parlement en hun partners als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

R

In artikel 21 wordt ‘de Landinrichtingswet’ vervangen door ‘de ingetrokken Landinrichtingwet’. Voorts wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Met betrekking tot de uitvoering van de Natuurschoonwet ressorteert de natuurlijke persoon, het lichaam of de entiteit, voor zover aangewezen door Onze Minister, onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Oost Brabant.

S

Artikel 23 vervalt.

T

Artikel 24 vervalt

U

De Bijlage bij de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt vervangen door de Bijlage Uitvoeringregeling Belastingdienst 2003 zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL IX

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘de hoofdstukken 1A en 1B’ vervangen door: de hoofdstukken 1B en 1C.

2. In het derde lid wordt ‘3, 4a, 5, 5a, 6, 6a’ vervangen door: 3, 3a, 4a, 5, 5a, 6a.

B

Artikel 1e, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993’ vervangen door: Wet op het financieel toezicht.

2. In onderdeel b wordt ‘in een andere lidstaat van de Europese Unie en die in die lidstaat’ vervangen door: in een andere lidstaat van de Europese Unie, in Noorwegen of in IJsland en die in die staat.

C

In artikel 1g, eerste lid, tweede volzin, wordt ‘naar een andere lidstaat van de Europese Unie’ vervangen door: naar een andere lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen of IJsland.

D

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

  • 1. De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als bedoeld in artikel 25, achtste lid, eerste volzin, van de wet, mits voldoende zekerheid is gesteld en is ingestemd met door de ontvanger gestelde voorwaarden. Het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling blijven achterwege:

    • a. in geval van emigratie van de belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie;

    • b. in geval van geconserveerd inkomen als bedoeld in artikel 2.8, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij de verkrijger van de aandelen of winstbewijzen een natuurlijk persoon is die woont in een andere lidstaat van de Europese Unie;

    • c. ingeval de belastingschuldige woont in een andere lidstaat van de Europese Unie en de inkomstenbelasting is verschuldigd door de toepassing van artikel 7.5, vierde, vijfde, onderscheidenlijk zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 waarbij de verwervende of verkrijgende vennootschap in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd, onderscheidenlijk de verplaatsing van de werkelijke leiding geschiedt naar een andere lidstaat van de Europese Unie.

  • 2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt voor belastingaanslagen opgelegd met toepassing van artikel 2.8, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitstel van betaling verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige en de verkrijger gezamenlijk.

  • 3. Het uitstel eindigt uiterlijk op de eerste dag van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

  • 4. Ingeval aandelen of winstbewijzen waarvan de waarde ten grondslag ligt aan de in het eerste lid bedoelde belasting worden vervreemd in de zin van artikel 4.12 of 4.16, eerste lid, onderdelen a tot en met g en i, en tweede tot en met vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, beëindigt de ontvanger het uitstel voor zover dit aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend. In geval van een teruggaaf van wat op aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in een fonds voor gemene rekening is gestort dan wel van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd, beëindigt de ontvanger het uitstel voor zover dit aan deze teruggaaf kan worden toegerekend. Het uitstel wordt voorts door de ontvanger beëindigd in een situatie als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdeel b, van de wet.

  • 5. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 het uitstel worden voortgezet, in welk geval de aandelen in of winstbewijzen van de verkrijgende vennootschap voortaan worden geacht aan het verleende uitstel ten grondslag te liggen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in geval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

  • 6. Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdelen e of f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of wegens een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap het uitstel worden voortgezet. Ingeval de belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zouden hebben gewoond ten tijde van de overgang.

  • 7. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige kan in geval van een vervreemding in de zin van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 het uitstel worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op de nog tot het vermogen van de belastingschuldige behorende aandelen of winstbewijzen.

  • 8. Ingeval aandelen of winstbewijzen die aan het uitstel ten grondslag liggen worden geschonken kan op gezamenlijk schriftelijk verzoek van de belastingschuldige en de verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, het uitstel van betaling worden voortgezet voor het gedeelte dat betrekking heeft op die aandelen of winstbewijzen, mits de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de schenking in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen direct of indirect betrekking hebben. Ingeval de belastingaanslag inkomstenbelasting betreft ter zake van geconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan het uitstel van betaling echter niet worden voortgezet voor zover het uitstel kan worden toegerekend aan het vervreemdingsvoordeel dat ingevolge artikel 4.17c van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer zowel de belastingschuldige als de verkrijger in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de schenking.

  • 9. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, achtste lid, onderdelen a, b of c, van de wet stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

  • 10. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een lidstaat van de Europese Unie mede verstaan: Noorwegen en IJsland.

E

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘twee maanden’ vervangen door: zes weken.

2. In het vierde lid, onderdeel a, wordt ‘schuldig gebleven overdrachtsprijs’ vervangen door: schuldig gebleven tegenprestatie.

3. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, wordt na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Voor zover een vervreemdingsvoordeel of een regulier voordeel binnen zes maanden wordt aangewend voor een aflossing op de schuldig gebleven tegenprestatie, wordt alleen de aflossing in aanmerking genomen voor de toepassing van het vierde lid.

4. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Voor de toepassing van artikel 25, negende lid, van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

F

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. De ontvanger verleent de belastingschuldige op diens schriftelijk verzoek uitstel van betaling van de door hem verschuldigde inkomstenbelasting in gevallen als bedoeld in artikel 25, elfde lid, van de wet en tot een omvang als bij dat artikel alsmede krachtens dat artikel in de navolgende leden is bepaald.

  • 2. Het uitstel wordt verleend voor het bedrag aan inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 25, elfde lid, eerste volzin, mits dat bedrag € 2269 te boven gaat.

  • 3. Het uitstel houdt in dat de verschuldigde belasting kan worden voldaan in tien gelijke jaarlijkse termijnen waarvan de eerste termijn zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet vervalt en elk van de volgende termijnen telkens een jaar later.

  • 4. De ontvanger vermindert het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend:

    • a. ingeval aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen worden vervreemd in de zin van artikel 25, tiende lid, van de wet: voor zover het uitstel aan deze aandelen of winstbewijzen kan worden toegerekend;

    • b. ingeval in een kalenderjaar uit de aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen reguliere voordelen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 worden genoten welke uitgaan boven het dubbele van de belasting die in dat jaar op de voet van het derde lid moet worden voldaan: voor de helft van hetgeen er boven uitgaat.

  • 5. Ingeval zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in het vierde lid stelt de belastingschuldige de ontvanger daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

G

Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. In geval van een vervreemding waarbij de koper de overdrachtsprijs schuldig is gebleven als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet en er een aflossing plaatsvindt, vermindert de ontvanger het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend met de helft van die aflossing.

2. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘artikel 25, veertiende lid, vierde volzin’ vervangen door: artikel 25, veertiende lid, tweede volzin.

H

In artikel 5, derde lid, wordt ‘artikel 25, zestiende lid, derde volzin’ vervangen door: artikel 25, zestiende lid, tweede volzin.

I

Artikel 6 vervalt.

J

In artikel 6a, eerste lid, wordt ‘de rechten van successie of schenking’ vervangen door: de schenk- of erfbelasting.

K

In artikel 6b, eerste lid, wordt ‘daarin zijn begrepen rechten van successie of schenking’ vervangen door: daarin is begrepen schenk- of erfbelasting.

L

In artikel 8, tweede lid, wordt ‘de Ruilverkavelingswet 1954, de Herverkavelingswet Walcheren 1947, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën of de Landinrichtingswet’ vervangen door: de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet Midden-Delfland of de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën.

M

In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, wordt ‘€ 9,10’ vervangen door: € 10,10.

N

Artikel 28b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘36 000’ vervangen door: 72 000.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In de formules wordt met A aangegeven het aantal dagen van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn, met B het aantal dagen van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering of de herziening tot een lager bedrag van de belastingaanslag, wordt bekendgemaakt en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn en met P het rentepercentage voor de te verlenen of de terug te nemen betalingskorting.

ARTIKEL X

In artikel 1 van de Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen wordt ‘voor het vierde kwartaal 2009: 2,50’ vervangen door: voor het eerste kwartaal 2010: 2,50.

ARTIKEL XI

Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de belanghebbende’ vervangen door: de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking in zoverre van het eerste lid kan van een wijziging als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, alsmede van wijzigingen die leiden tot een beëindiging van het voorschot op de tegemoetkoming ook telefonisch dan wel anderszins mondeling mededeling worden gedaan aan de Belastingdienst/Toeslagen.

ARTIKEL XII

De Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken wordt ingetrokken.

ARTIKEL XIII

De Uitvoeringsregeling Wob Financiën wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel o, wordt ‘de voorzitters van de managementteams’ vervangen door: de voorzitters van de managementteams en de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane.

B

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de voorzitters van de managementteams’ vervangen door: de voorzitters van de managementteams en de algemeen directeur.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

De in het eerste lid bedoelde algemeen directeur is bevoegd aan de overige directeuren bij Belastingdienst/Douane ondermandaat te verlenen voor het nemen van de in het eerste lid bedoelde beslissingen.

3. In het derde lid wordt ‘bedoelde voorzitters’ vervangen door: bedoelde voorzitters en de algemeen directeur.

4. In het vierde lid wordt ‘bedoelde voorzitters’ vervangen door: bedoelde voorzitters en de algemeen directeur.

ARTIKEL XIV

De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘31, 33, zesde lid’ vervangen door: 31, zevende lid, 32f, tweede lid, 32h, 32i. Voorts wordt ‘en 35a, vierde lid’ vervangen door: 35a, vierde lid, en 37d.

B

In artikel 4a, derde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 227’ vervangen door: € 500.

C

In artikel 9a, onderdeel g, wordt ‘artikel 14, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998’ vervangen door: artikel 13, zevende lid en artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

D

Na artikel 33 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33a

  • 1. De aanvrager van het teruggaafverzoek als bedoeld in artikel 32f van de wet neemt in het verzoek alle informatie op die is voorgeschreven in de artikelen 8 en 9, lid 1, van Richtlijn 2008/9/EG.

  • 2. De aanvrager van het verzoek bedoeld in het eerste lid omschrijft in het verzoek mede zijn beroepsactiviteit op de wijze als genoemd in artikel 32h van de wet.

  • 3. De aanvrager kan zowel voor het verstrekken van de gegevens in het in het eerste lid bedoelde verzoek als voor alle mogelijke andere op dit teruggaafverzoek betrekking hebbende te verstrekken aanvullende of verder aanvullende gegevens, gebruik maken van de Nederlandse, Engelse of Duitse taal.

E

Bijlage L wordt vervangen door de BIJLAGE L zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL XV

De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘9a, tweede lid, 9b, vierde lid, 9ba, derde lid, 10, zesde en achtste lid’ vervangen door: 9, elfde lid, 9a, tweede lid, 9b, vierde lid, 9c, vierde lid, 10, zesde en achtste lid, 10a, eerste lid.

B

In artikel 6a, eerste lid wordt in de aanhef ‘toepassing van artikel 9a, tweede lid, en artikel 9ba, derde lid’ vervangen door: toepassing van de artikelen 9, elfde lid, 9a, tweede lid en 9c, vierde lid.

C

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel a, wordt ‘koerslijst voor de verkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers aan particulieren in Nederland’ vervangen door: koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland.

2. In het vierde lid, onderdeel b, wordt ‘verkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper aan een particulier in Nederland’ vervangen door: inkoop van het motorrijtuig door een wederverkoper in Nederland.

3. In het vijfde lid, wordt ‘toepassing van artikel 10, zesde lid, van de wet’ vervangen door: toepassing van de artikelen 10, zesde lid en 10a, eerste lid, van de wet.

4. In het vijfde lid komt de tabel als volgt te luiden:

Indien sinds het tijdstip waarop het motorvoertuig voor het eerst in gebruik is genomen een periode is verstreken van ten minste

Maar minder dan

Is het percentage

En voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met

0 dagen

1 maand

0

5

1 maand

3 maanden

5

3

3 maanden

5 maanden

11

2,5

5 maanden

9 maanden

16

2,25

9 maanden

1 jaar en 6 maanden

25

1,444

1 jaar en 6 maanden

2 jaar en 6 maanden

38 

0,917

2 jaar en 6 maanden

3 jaar en 6 maanden

49

0,833

3 jaar en 6 maanden

4 jaar en 6 maanden

59

0,75

4 jaar en 6 maanden

5 jaar en 6 maanden

68

0,5

5 jaar en 6 maanden

6 jaar en 6 maanden

74

0,416

6 jaar en 6 maanden

7 jaar en 6 maanden

79

0,416

7 jaar en 6 maanden

8 jaar en 6 maanden

84

0,333

8 jaar en 6 maanden

9 jaar en 6 maanden

88

0,333

9 jaar en 6 maanden

 

92

0,083

D

In artikel 8d, eerste lid, komt de tabel als volgt te luiden:

ten minste

maar minder dan

is het percentage voor die maand

0 dagen

1 maand

5

1 maand

3 maanden

3

3 maanden

5 maanden

2,5

5 maanden

9 maanden

2,25

9 maanden

1 jaar en 6 maanden

1,444

1 jaar en 6 maanden

2 jaar en 6 maanden

0,917

2 jaar en 6 maanden

3 jaar en 6 maanden

0,833

3 jaar en 6 maanden

4 jaar en 6 maanden

0,75

4 jaar en 6 maanden

5 jaar en 6 maanden

0,5

5 jaar en 6 maanden

6 jaar en 6 maanden

0,416

6 jaar en 6 maanden

7 jaar en 6 maanden

0,416

7 jaar en 6 maanden

8 jaar en 6 maanden

0,333

8 jaar en 6 maanden

9 jaar en 6 maanden

0,333

9 jaar en 6 maanden

 

0,083

E

Artikel 10 wordt geschrapt.

ARTIKEL XVI

De Algemene douaneregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aanhef en onder g wordt vervangen door:

g. Verordening 1186/2009:

Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 324);.

2. In aanhef en onder k, wordt ‘artikel 2, eerste lid, onderdelen b en c’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b.

B

In artikel 1:4, eerste lid, wordt ‘De voorzitters van de managementteams’ vervangen door: De algemeen directeur en de voorzitters van de managementteams.

C

Artikel 1:5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘De voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003’ vervangen door: De algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 en de voorzitters van de managementteams, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.

2. In het tweede lid wordt ‘De voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, genoemde organisatieonderdelen zijn’ vervangen door: De algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is.

D

In artikel 1:10, eerste lid, wordt ‘De voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane Rotterdam’ vervangen door: De algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.

E

Aan artikel 1:14 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. aan de kamer, bedoeld in het eerste lid, bij een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong; of

    • b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong door de kamer, als bedoeld in het eerste lid.

F

Aan artikel 1:16 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

    • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of

    • b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

G

In artikel 1:17, eerste lid, wordt ‘de afgifte van oorsprongsverklaringen’ vervangen door: preferentiële en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.

H

In artikel 2:5, vijfde lid, wordt ‘summier’ vervangen door: summiere.

I

Artikel 5:6 vervalt.

J

In artikel 7:2, eerste lid, wordt ‘de artikelen 2, 11, eerste lid, 16, 19, 25, 32, 38, 51, 52, 53, 59 bis, 60, 63 bis, 63 quater, 65, 71, 72, 79 en 100 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 3, 12, eerste lid, 17, 20, 21, 28, 34, 43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van Verordening 1186/2009. Voorts wordt ‘de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009.

K

Artikel 7:3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 2, 11, 16, 19, 25, 32 en 38 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van Verordening 1186/2009.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 11 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 12 van Verordening 1186/2009.

3. In het derde lid wordt ‘de artikelen 16 en 19 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 17 en 20 van Verordening 1186/2009.

4. In het vierde lid wordt ‘artikel 37, eerste lid, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 33, eerste lid, van Verordening 1186/2009.

5. In het vijfde lid wordt ‘de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009.

L

Artikel 7:4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 51, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 43, aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009.

2. In het tweede lid wordt ‘artikel 52, tweede lid, tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 59 bis, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 51, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 1186/2009.

4. In het vierde lid wordt ‘artikel 60, tweede lid, tweede gedachtestreepje van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.

5. In het vijfde lid wordt ‘artikel 62, onderdeel a, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 55, aanhef en onder a, van Verordening 1186/2009.

6. In het zesde lid wordt ‘artikel 63 bis, eerste lid, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 57 van Verordening 1186/2009.

7. In het zevende lid wordt ‘artikel 63quater van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 59 van Verordening 1186/2009.

8. In het achtste lid wordt ‘artikel 65, eerste lid, onderdeel a, en artikel 79, eerste lid, van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste lid, van Verordening 1186/2009.

9. In het negende lid wordt ‘de artikelen 71 en 72, eerste lid, van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009.

10. In het tiende lid wordt ‘artikel 117 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 112 van Verordening 1186/2009.

M

In artikel 7:6 wordt ‘artikel 91 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 86 van Verordening 1186/2009.

N

In artikel 7:7 wordt ‘artikel 118 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 113 van Verordening 1186/2009.

O

In artikel 7:9, derde lid, wordt ‘twee personenvoertuigen’ vervangen door: maximaal twee personenvoertuigen.

P

In artikel 7:17, onderdeel b, wordt ‘50,0%’ vervangen door: 50,4%.

Q

Artikel 7:18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘de artikelen 29 tot en met 31 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 25 tot en met 27 van Verordening 1186/2009.

2. In aanhef en onder a wordt ‘artikel 31, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 27, onderdeel b, eerste en tweede gedachtestreepje, van Verordening 1186/2009.

R

In artikel 7:19 wordt ‘de artikelen 32 tot en met 38 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 28 tot en met 34 van Verordening 1186/2009.

S

In artikel 7:21 wordt ‘artikel 50 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 42 van Verordening 1186/2009. Voorts wordt ‘Verordening 918/83’ vervangen door: Verordening 1186/2009.

T

In artikel 7:22 wordt ‘artikel 51 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 43 van Verordening 1186/2009. Voorts wordt ‘Verordening 918/83’ vervangen door: Verordening 1186/2009.

U

In artikel 7:23 wordt ‘artikel 60 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 53 van Verordening 1186/2009.

V

Artikel 7:24 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding ‘1.’ voor de tekst vervalt.

2. In de aanhef wordt ‘de artikelen 71 en 72 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009.

W

In artikel 7:25 wordt ‘artikel 109 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 104 van Verordening 1186/2009. Voorts wordt ‘artikel 109, onderdeel q, van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 104, onderdeel q, van Verordening 1186/2009.

X

Artikel 7:27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de artikelen 2 tot en met 19, 27, 28, 63 quater, 79 tot en met 85, 90, 91, 100 tot en met 106 en 112 tot en met 117 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 95 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009.

2. In het tweede lid wordt ‘de artikelen 2 tot en met 19, 25, 28, 61 tot en met 63, 63 quater tot en met 69, 79, tot en met 108 en 110 tot en met 118 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 3 tot en met 20, 21, 24, 54 tot en met 56, 59 tot en met 65, 74 tot en met 103 en 105 tot en met 113 van Verordening 1186/2009.

3. In het derde lid wordt ‘artikel 27 van Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 23 van Verordening 1186/2009.

4. In het vierde lid wordt ‘de artikelen 2 tot en met 19, 27, 28, 63 quater, 79 tot en met 85, 90, 91, 95 tot en met 106 en 112 tot en met 117 van Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 3 tot en met 20, 23, 24, 59, 74 tot en met 80, 85, 86, 90 tot en met 101 en 107 tot en met 112 van Verordening 1186/2009.

Y

Artikel 10:1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Overtreding van het verbod:

    • a. bedoeld in artikel 1:14, vierde lid; of

    • b. bedoeld in artikel 1:16, vierde lid;

    vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 150.

Z

In artikel 10:2 wordt na ‘Het opstellen van’ ingevoegd: een leveranciersverklaring of.

AA

Na artikel 10:4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10:5

De in de artikelen 10:1, 10:2, 10:3, en 10:4 genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel 9:6a van de wet, bij ministeriële regeling gewijzigd.

BB

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘Douane Noord, douanekantoor Eemshaven’ wordt vervangen door: Eemshaven.

2. ‘Douane Zuid, douanekantoor Moerdijk’ wordt vervangen door: Moerdijk.

3. ‘Douane Zuid, douanekantoor Vlissingen’ wordt vervangen door: Vlissingen.

4. ‘Douane West, douanekantoor Schiphol, locatie Amsterdam’ wordt vervangen door: Amsterdam.

5. ‘Douane Rotterdam, douanekantoor Reeweg:

  • voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat, Hoek van Holland, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht.

  • voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Reeweg, bevinden tot en met het Beerkanaal.’

wordt vervangen door:

Rotterdam:

  • voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Heijplaat, Hoek van Holland, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht.

6. ‘Douane Rotterdam, douanekantoor Maasvlakte:

  • voor schepen die ligplaats kiezen in de havens van Rotterdam welke zich, gezien vanaf het douanekantoor Rotterdam Maasvlakte, bevinden tot aan het Beerkanaal.’ vervalt.

CC

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Noord, douanekantoor Duiven’ vervangen door: Duiven.

2. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Noord, douanekantoor De Lutte’ vervangen door: De Lutte.

3. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Noord, douanekantoor Eelde Airport’ vervangen door: Groningen Airport Eelde.

4. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Zuid, douanekantoor Maastricht-Aachen Airport’ vervangen door: Maastricht-Aachen Airport.

5. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Zuid, douanekantoor Moerdijk’ vervangen door: Moerdijk.

6. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Zuid, douanekantoor Vlissingen’ vervangen door: Vlissingen.

7. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Zuid, douanekantoor Eindhoven Airport’ vervangen door: Eindhoven Airport.

8. In onderdeel 1 wordt ‘Douane Zuid, douanekantoor Hazeldonk’ vervangen door: Hazeldonk

9. In onderdeel 1 wordt ‘Douane West, douanekantoor Rotterdam Airport’ vervangen door: Rotterdam Airport.

10. In onderdeel 1 wordt ‘Douane West, douanekantoor Schiphol’ vervangen door: Schiphol.

11. In onderdeel 1 wordt ‘Den Helder, Schiphol, Texel en Valkenburg’ vervangen door: Den Helder, Schiphol en Texel.

12. In onderdeel 3 wordt ‘Eindhoven Airport, Twente en Valkenburg’ vervangen door: Eindhoven Airport en Twente.

DD

In bijlage X wordt ‘artikel 51, tweede streepje van de Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 43, onder b, van Verordening 1186/2009.

EE

In bijlage XI wordt ‘artikel 52, tweede lid, tweede streepje van de Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.

FF

In bijlage XIII wordt ‘artikel 60, tweede lid, tweede streepje van de Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009.

GG

In bijlage XIV wordt ‘artikel 63quater van de Verordening 918/83’ vervangen door: artikel 59 van Verordening 1186/2009.

HH

In bijlage XV wordt ‘artikelen 71 en 72, eerste lid, van de Verordening 918/83’ vervangen door: de artikelen 67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009.

ARTIKEL XVII

De Uitvoeringsregeling accijns wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘42, derde lid’ vervangen door ‘42, tweede lid, 42a, vierde lid’. Voorts wordt ‘71d, vierde lid’ vervangen door: 71d, vierde lid, 71e, vierde lid, 71f, vierde lid, 71g, eerste lid’.

B

In artikel 2, onderdeel b, vervalt ‘(Stb. 1991, 754)’.

C

In artikel 14, vierde lid, wordt ‘artikel 28, van de wet’ vervangen door: artikel 28 van de wet.

D

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘tussenprodukten en van overige alcoholhoudende produkten’ telkens vervangen door: tussenproducten en van overige alcoholhoudende producten.

2. In het tweede lid vervalt ‘alsmede bij de verordening Akk etikettering van wijn 1986’.

E

In artikel 16 wordt ‘tussenprodukten, overige alcoholhoudende produkten en tabaksprodukten’ vervangen door ‘tussenproducten, overige alcoholhoudende producten en tabaksproducten’. Voorts vervalt aan het slot ‘(Stb. 1980, 223)’.

F

Na artikel 20c wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 20d

In een verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 42a van de wet wordt met betrekking tot hetgeen in artikel 42a van de wet is bepaald, in ieder geval vermeld:

  • a. een omschrijving van de aard van het bedrijf en het btw-identificatienummer van het bedrijf;

  • b. het adres waar het bedrijf van de vergunninghouder wordt gevestigd;

  • c. een omschrijving van de administratie, alsmede het adres waar deze administratie wordt gehouden.

G

In artikel 27 wordt ‘die in overeenstemming met de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane West is vastgesteld’ vervangen door: die in overeenstemming met de algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is vastgesteld.

H

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘de levering van vloeibaar gemaakt petroleumgas, bedoeld in artikel 70, eerste lid, onderdeel e, van de wet heeft plaatsgevonden’ vervangen door: de levering van minerale oliën, bedoeld in artikel 70, eerste lid, onderdeel e, van de wet heeft plaatsgevonden.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. In de verklaring, bedoeld in artikel 27a van het besluit, worden vermeld:

    • a. de naam en het adres van de gebruiker;

    • b. de naam en het adres van de leverancier;

    • c. de hoeveelheid van de minerale oliën; en

    • d. de datum en het nummer van de factuur.

3. Het zesde lid vervalt.

I

Artikel 35a komt te luiden:

Artikel 35a

  • 1. De teruggaaf, bedoeld in artikel 71e van de wet, geschiedt op verzoek van de tuinbouwer.

  • 2. Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na afloop van het kalenderkwartaal waarin de minerale oliën zijn ontvangen.

  • 3. In het verzoek om teruggaaf worden vermeld:

    • a. het kwartaal waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de tuinbouwer;

    • c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf wordt verzocht;

    • d. de datum van levering van de minerale oliën;

    • e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd, en

    • f. de verklaring dat de tuinbouwer de minerale oliën ter zake waarvan teruggaaf wordt gevraagd gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten.

  • 4. Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfacturen overgelegd van de in het verzoek om teruggaaf vermelde hoeveelheid minerale oliën waarvoor teruggaaf wordt verzocht.

J

Artikel 35b komt te luiden:

Artikel 35b

  • 1. In het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens vermeld:

    • a. het tijdvak waarover teruggaaf wordt verzocht;

    • b. naam en adres van de verbruiker;

    • c. de hoeveelheid en de soort minerale olie waarvoor teruggaaf wordt verzocht;

    • d. de datum van levering van de minerale oliën;

    • e. het bedrag aan belasting dat wordt teruggevraagd, en

    • f. de verklaring dat de minerale oliën ter zake waarvan teruggaaf wordt gevraagd, voor eigen verbruik zijn betrokken.

  • 2. De administratie van degene die het in het eerste lid bedoelde verzoek om teruggaaf indient, is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

K

Artikel 35c komt te luiden:

Artikel 35c

Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag is van overeenkomstige toepassing op de teruggaafregeling, bedoeld in artikel 71g van de wet, met dien verstande dat in artikel 26, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, voor 'eindfactuur' dient te worden gelezen: aankoopfactuur.

L

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt ‘tabaksprodukten’ telkens vervangen door: tabaksproducten.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘het hoofd van de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane West’ vervangen door: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.

M

In artikel 43, derde lid, worden ‘AZ01’, ‘BZ01’ en ‘CZ01’ vervangen door onderscheidenlijk: AY02, BY02 en CY02.

N

Bijlage A.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b, wordt ‘de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane West’ vervangen door: dealgemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.

2. In onderdeel c, wordt ‘de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane West is vastgesteld’ vervangen door: dealgemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is vastgesteld.

ARTIKEL XVIII

De Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt ‘(Stb. 1992, 683)’ en ‘(Stb. 1992, 685)’.

B

In artikel 8 vervalt ‘(Stb. 1980, 223)’.

C

In artikel 12, tweede lid, wordt ‘artikel 2, vijfde lid, van het besluit’ vervangen door: artikel 2, zesde lid, van het besluit.

D

In artikel 24, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/Douane West’ vervangen door: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003.

ARTIKEL XIX

De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, vierde lid, 11, vierde lid, 14, vierde lid, 20, vierde lid, 21, tweede lid, 25, tweede lid, 28, tweede lid, onderdeel d, 38, tweede lid, onderdeel b, 39, tweede lid, 44, vijfde lid, 45, vierde lid, 47, tweede, derde en vijfde lid, 50, zesde lid, 54, zesde lid, 59, zevende lid, 60, vierde lid, 63, zesde lid, 64, zesde lid, 67, vierde lid, 68, vierde lid, 69, negende lid, 70, zesde lid, 71, tweede en derde lid, 80, onderdeel a, onder 4°, 86, tweede lid, en 92, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag en de artikelen 18, vijfde lid, 19, tweede lid, onderdeel c, en 27, derde lid, 28i, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

B

Artikel 13 vervalt.

C

Artikel 18 vervalt.

D

Artikel 23 vervalt.

E

In artikel 28, tweede lid, wordt ‘bedoeld in artikel 53, vierde lid, van de wet’ vervangen door: bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de wet.

F

Aan artikel 32, derde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. toner- en inktcartridges.

G

Na artikel 32a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32b

De producentenorganisatie, bedoeld in artikel 28i van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, wordt aangewezen in de bij deze regeling behorende bijlage.

H

Na artikel 35 wordt een Bijlage bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag toegevoegd, zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL XX

Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, zoals dat artikel luidde op 31 december 2009, blijft van toepassing met betrekking tot belastingaanslagen ter zake van inkomstenbelasting wegens een schenking van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen die voor 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat het vijfde lid van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zoals dat artikel luidt met ingang van 1 januari 2010, eveneens van toepassing is.

ARTIKEL XXI

  • 1. Een functionaris die op grond van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 en de Algemene douaneregeling, zoals deze luiden na inwerkingtreding van deze regeling, is aangewezen als directeur, inspecteur of ontvanger treedt in de plaats van de functionaris die als zodanig vóór inwerkingtreding van deze regeling bevoegd was.

  • 2. Beslissingen die zijn of worden genomen door een directeur, inspecteur of ontvanger die als zodanig vóór inwerkingtreding van deze regeling bevoegd was, worden geacht te zijn genomen door de directeur, inspecteur of ontvanger die als zodanig op grond van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 en de Algemene douaneregeling, zoals deze luiden na inwerkingtreding van deze regeling, is aangewezen.

  • 3. Ingeval in een beschikking na inwerkingtreding van deze regeling wordt verwezen naar een (onderdeel van een) organisatieonderdeel dan wel een functionaris, genoemd in de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 of de Algemene douaneregeling, zoals deze luidden vóór inwerkingtreding van deze regeling, wordt dit geacht een verwijzing te zijn naar het daarvoor in de plaats gekomen (onderdeel van het) organisatieonderdeel dan wel de daarvoor in de plaats gekomen functionaris in de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003 of de Algemene douaneregeling, zoals deze luiden na inwerkingtreding van deze regeling.

ARTIKEL XXII

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met dien verstande dat:

  • a. de artikelen I, onderdeel J, en VII, onderdeel D, voor het eerst toepassing vinden met betrekking tot belastingaanslagen voor inkomstenbelasting ter zake van tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010;

  • b. artikel I, onderdeel D, terug werkt tot en met 1 januari 2009;

  • c. artikel III, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 2008;

  • d. artikel III, onderdeel D, terugwerkt tot en met 1 januari 2009;

  • e. artikel VII, onderdeel E, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot inkomensgegevens over het kalenderjaar 2010;

  • f. artikel VIII, onderdeel B, onder 6, terugwerkt tot en met 1 januari 2008;

  • g. artikel XVI, onderdeel H, in werking treedt met ingang van 31 januari 2010.

  • h. artikel XVI, onderdeel P, in werking treedt met ingang van 1 maart 2010;

  • i. artikel XVII, onderdeel M, in werking treedt met ingang van 1 maart 2010;

  • j. artikel XIX, onderdelen F, G en H terugwerkt tot en met 1 januari 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager.

BIJLAGE UITVOERINGSREGELING BELASTINGDIENST 2003

Gemeente

Belastingkantoor

Douaneregio

Aa en Hunze

Noord

Groningen

Aalburg

Zuidwest

Roosendaal

Aalsmeer

Holland Midden

Schiphol Cargo

Aalten

Oost

Nijmegen

Abcoude

Holland Midden

Nijmegen

Achtkarspelen

Noord

Groningen

Alblasserdam

Rijnmond

Roosendaal

Albrandswaard

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Alkmaar

Holland Noord

Amsterdam

Almelo

Oost

Nijmegen

Almere

Randmeren

Nijmegen

Alphen aan den Rijn

Haaglanden

Amsterdam/Nijmegen

Alphen-Chaam

Zuidwest

Roosendaal

Ameland

Noord

Groningen

Amersfoort

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Amstelveen

Holland Midden

Amsterdam

Amsterdam

Amsterdam

Amsterdam

Andijk

Holland Noord

Amsterdam

Anna Paulowna

Holland Noord

Amsterdam

Apeldoorn

Randmeren

Nijmegen

Appingedam

Noord

Groningen

Arnhem

Rivierenland

Nijmegen

Assen

Noord

Groningen

Asten

Oost-Brabant

Eindhoven

Baarle-Nassau

Zuidwest

Roosendaal

Baarn

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Barendrecht

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Barneveld

Randmeren

Nijmegen

Bedum

Noord

Groningen

Beek

Limburg

Eindhoven

Beemster

Holland Noord

Amsterdam

Beesel

Limburg

Eindhoven

Bellingwedde

Noord

Groningen

Bergambacht

Haaglanden

Nijmegen

Bergeijk

Oost-Brabant

Eindhoven

Bergen (L)

Limburg

Eindhoven

Bergen (N-H)

Holland Noord

Amsterdam

Bergen op Zoom

Zuidwest

Roosendaal

Berkelland

Oost

Nijmegen

Bernheze

Oost-Brabant

Eindhoven

Bernisse

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Best

Oost-Brabant

Eindhoven

Beuningen

Rivierenland

Nijmegen

Beverwijk

Holland Noord

Amsterdam

Binnenmaas

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Bladel

Oost-Brabant

Eindhoven

Blaricum

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Bloemendaal

Holland Midden

Amsterdam

Boarnsterhim

Noord

Groningen

Bodegraven

Haaglanden

Nijmegen

Boekel

Oost-Brabant

Eindhoven

Bolsward

Noord

Groningen

Borger-Odoorn

Noord

Groningen

Borne

Oost

Nijmegen

Borsele

Zuidwest

Roosendaal

Boskoop

Haaglanden

Nijmegen

Boxmeer

Oost-Brabant

Eindhoven

Boxtel

Oost-Brabant

Eindhoven

Breda

Zuidwest

Roosendaal

Breukelen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Brielle

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Bronckhorst

Oost

Nijmegen

Brummen

Rivierenland

Nijmegen

Brunssum

Limburg

Eindhoven

Bunnik

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Bunschoten

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Buren

Rivierenland

Nijmegen

Bussum

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Capelle aan de IJssel

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Castricum

Holland Noord

Amsterdam

Coevorden

Noord

Groningen

Cranendonck

Oost-Brabant

Eindhoven

Cromstrijen

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Cuijk

Oost-Brabant

Eindhoven

Culemborg

Rivierenland

Nijmegen

Dalfsen

Randmeren

Nijmegen

Dantumadeel

Noord

Groningen

De Bilt

Utrecht-Gooi

Nijmegen

De Marne

Noord

Groningen

De Ronde Venen

Holland Midden

Nijmegen

De Wolden

Noord

Groningen

Delft

Haaglanden

Amsterdam

Delfzijl

Noord

Groningen

Den Haag

Haaglanden

Amsterdam

Den Helder

Holland Noord

Amsterdam

Deurne

Oost-Brabant

Eindhoven

Deventer

Oost

Nijmegen

Diemen

Amsterdam

Amsterdam

Dinkelland

Oost

Nijmegen

Dirksland

Zuidwest

Roosendaal

Doesburg

Oost

Nijmegen

Doetinchem

Oost

Nijmegen

Dongen

Zuidwest

Roosendaal

Dongeradeel

Noord

Groningen

Dordrecht

Rijnmond

Roosendaal

Drechterland

Holland Noord

Amsterdam

Drimmelen

Zuidwest

Roosendaal

Dronten

Randmeren

Groningen

Druten

Rivierenland

Nijmegen

Duiven

Rivierenland

Nijmegen

Echt-Susteren

Limburg

Eindhoven

Edam-Volendam

Holland Noord

Amsterdam

Ede

Randmeren

Nijmegen

Eemnes

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Eemsmond

Noord

Groningen

Eersel

Oost-Brabant

Eindhoven

Eijsden

Limburg

Eindhoven

Eindhoven

Oost-Brabant

Eindhoven

Elburg

Randmeren

Groningen

Emmen

Noord

Groningen

Enkhuizen

Holland Noord

Amsterdam

Enschede

Oost

Nijmegen

Epe

Randmeren

Nijmegen

Ermelo

Randmeren

Nijmegen

Etten-Leur

Zuidwest

Roosendaal

Ferwerderadiel

Noord

Groningen

Franekeradeel

Noord

Groningen

Gaasterlân-Sleat

Noord

Groningen

Geertruidenberg

Zuidwest

Roosendaal

Geldermalsen

Rivierenland

Nijmegen

Geldrop-Mierlo

Oost-Brabant

Eindhoven

Gemert-Bakel

Oost-Brabant

Eindhoven

Gennep

Limburg

Eindhoven

Giessenlanden

Rivierenland

Roosendaal

Gilze en Rijen

Zuidwest

Roosendaal

Goedereede

Zuidwest

Roosendaal

Goes

Zuidwest

Roosendaal

Goirle

Oost-Brabant

Roosendaal

Gorinchem

Rivierenland

Nijmegen

Gouda

Haaglanden

Nijmegen

Graafstroom

Rijnmond

Roosendaal

Graft-de Rijp

Holland Noord

Amsterdam

Grave

Oost-Brabant

Eindhoven

Groesbeek

Rivierenland

Nijmegen

Groningen

Noord

Groningen

Grootegast

Noord

Groningen

Gulpen-Wittem

Limburg

Eindhoven

Haaksbergen

Oost

Nijmegen

Haaren

Oost-Brabant

Roosendaal/Eindhoven

Haarlem

Holland Midden

Amsterdam

Haarlemmerliede en Spaarnwoude

Holland Midden

Amsterdam

Haarlemmermeer

Holland Midden

Schiphol Passagiers/Schiphol Cargo

Halderberge

Zuidwest

Roosendaal

Hardenberg

Oost

Groningen

Harderwijk

Randmeren

Nijmegen

Hardinxveld-Giessendam

Rijnmond

Roosendaal

Haren

Noord

Groningen

Harenkarspel

Holland Noord

Amsterdam

Harlingen

Noord

Groningen

Hattem

Randmeren

Groningen

Heemskerk

Holland Noord

Amsterdam

Heemstede

Holland Midden

Amsterdam

Heerde

Randmeren

Groningen

Heerenveen

Noord

Groningen

Heerhugowaard

Holland Noord

Amsterdam

Heerlen

Limburg

Eindhoven

Heeze-Leende

Oost-Brabant

Eindhoven

Heiloo

Holland Noord

Amsterdam

Hellendoorn

Oost

Nijmegen

Hellevoetsluis

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Helmond

Oost-Brabant

Eindhoven

Hendrik Ido Ambacht

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Hengelo (O)

Oost

Nijmegen

’s-Hertogenbosch

Oost-Brabant

Eindhoven

Het Bildt

Noord

Groningen

Heumen

Rivierenland

Nijmegen

Heusden

Oost-Brabant

Roosendaal/Eindhoven

Hillegom

Holland Midden

Schiphol Cargo

Hilvarenbeek

Oost-Brabant

Roosendaal

Hilversum

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Hof van Twente

Oost

Nijmegen

Hoogeveen

Noord

Groningen

Hoogezand-Sappemeer

Noord

Groningen

Hoorn

Holland Noord

Amsterdam

Horst aan de Maas

Limburg

Eindhoven

Houten

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Huizen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Hulst

Zuidwest

Roosendaal

IJsselstein

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Kaag en Braassem

Holland Midden

Amsterdam

Kampen

Randmeren

Groningen

Kapelle

Zuidwest

Roosendaal

Katwijk

Holland Midden

Amsterdam

Kerkrade

Limburg

Eindhoven

Koggenland

Holland Noord

Amsterdam

Kollumerland en Nieuwkruisland

Noord

Groningen

Korendijk

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Krimpen aan de IJssel

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Laarbeek

Oost-Brabant

Eindhoven

Landerd

Oost-Brabant

Eindhoven

Landgraaf

Limburg

Eindhoven

Landsingerland

Haaglanden

Amsterdam

Landsmeer

Holland Noord

Amsterdam

Langedijk

Holland Noord

Amsterdam

Laren

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Leek

Noord

Groningen

Leerdam

Rivierenland

Nijmegen

Leeuwarden

Noord

Groningen

Leeuwarderadeel

Noord

Groningen

Leiden

Holland Midden

Amsterdam

Leiderdorp

Holland Midden

Amsterdam

Leidschendam-Voorburg

Haaglanden

Amsterdam

Lelystad

Randmeren

Nijmegen

Lemsterland

Noord

Groningen

Leudal

Limburg

Eindhoven

Leusden

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Liesveld

Rijnmond

Roosendaal

Lingewaal

Rivierenland

Nijmegen

Lingewaard

Rivierenland

Nijmegen

Lisse

Holland Midden

Schiphol Cargo

Lith

Oost-Brabant

Eindhoven

Littenseradiel

Noord

Groningen

Lochem

Oost

Nijmegen

Loenen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Loon op Zand

Oost-Brabant

Roosendaal

Lopik

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Loppersum

Noord

Groningen

Losser

Oost

Nijmegen

Maarssen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Maasbracht

Limburg

Eindhoven

Maasdonk

Oost-Brabant

Eindhoven

Maasdriel

Rivierenland

Nijmegen

Maasgouw

Limburg

Eindhoven

Maassluis

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Maastricht

Limburg

Eindhoven

Margraten

Limburg

Eindhoven

Marum

Noord

Groningen

Medemblik

Holland Noord

Amsterdam

Meerssen

Limburg

Eindhoven

Menaldumadeel

Noord

Groningen

Menterwolde

Noord

Groningen

Meppel

Noord

Groningen

Middelburg

Zuidwest

Roosendaal

Middelharnis

Zuidwest

Roosendaal

Midden-Delfland

Haaglanden

Amsterdam

Midden-Drenthe

Noord

Groningen

Mill en Sint Hubert

Oost-Brabant

Eindhoven

Millingen aan de Rijn

Rivierenland

Nijmegen

Moerdijk

Zuidwest

Roosendaal

Montferland

Oost

Nijmegen

Montfoort

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Mook en Middelaar

Limburg

Eindhoven

Muiden

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Naarden

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Neder-Betuwe

Rivierenland

Nijmegen

Nederlek

Haaglanden

Rotterdam Rijnmond/Haven

Nederweert

Limburg

Eindhoven

Neerijnen

Rivierenland

Nijmegen

Niedorp

Holland Noord

Amsterdam

Nieuw-Lekkerland

Rijnmond

Roosendaal

Nieuwegein

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Nieuwkoop

Holland Midden West

Nijmegen

Nijefurd

Noord

Groningen

Nijkerk

Randmeren

Nijmegen

Nijmegen

Rivierenland

Nijmegen

Noord-Beveland

Zuidwest

Roosendaal

Noordenveld

Noord

Groningen

Noordoostpolder

Randmeren

Groningen

Noordwijk

Holland Midden

Amsterdam

Noordwijkerhout

Holland Midden

Schiphol Cargo

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Oost-Brabant

Eindhoven

Nunspeet

Randmeren

Nijmegen

Nuth

Limburg

Eindhoven

Oegstgeest

Holland Midden

Amsterdam

Oirschot

Oost-Brabant

Roosendaal

Oisterwijk

Oost-Brabant

Roosendaal

Oldambt

Noord

Groningen

Oldebroek

Randmeren

Groningen

Oldenzaal

Oost

Nijmegen

Olst-Wijhe

Oost

Groningen

Ommen

Randmeren

Nijmegen

Onderbanken

Limburg

Eindhoven

Oost Gelre

Oost

Nijmegen

Oosterhout

Zuidwest

Roosendaal

Oostflakkee

Zuidwest

Roosendaal

Ooststellingwerf

Noord

Groningen

Oostzaan

Holland Noord

Amsterdam

Opmeer

Holland Noord

Amsterdam

Opsterland

Noord

Groningen

Oss

Oost-Brabant

Eindhoven

Oud-Beijerland

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Oude IJsselstreek

Oost

Nijmegen

Ouder-Amstel

Holland Midden

Amsterdam

Ouderkerk

Haaglanden

Rotterdam Rijnmond/Haven

Oudewater

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Overbetuwe

Rivierenland

Nijmegen

Papendrecht

Rijnmond

Roosendaal

Peel en Maas

Oost-Brabant

Eindhoven

Pekela

Noord

Groningen

Purmerend

Holland Noord

Amsterdam

Putten

Randmeren

Amsterdam

Pijnacker-Nootdorp

Haaglanden

Nijmegen

Raalte

Randmeren

Nijmegen

Reeuwijk

Haaglanden

Nijmegen

Reimerswaal

Zuidwest

Roosendaal

Renkum

Rivierenland

Nijmegen

Renswoude

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Reusel-de Mierden

Oost-Brabant

Roosendaal

Rheden

Rivierenland

Nijmegen

Rhenen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Ridderkerk

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Rijnwaarden

Rivierenland

Nijmegen

Rijnwoude

Haaglanden

Amsterdam

Rijssen-Holten

Oost

Nijmegen

Rijswijk

Haaglanden

Amsterdam

Roerdalen

Limburg

Eindhoven

Roermond

Limburg

Eindhoven

Roosendaal

Zuidwest

Roosendaal

Rotterdam (m.u.v. Rotterdam-airport)

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven (m.u.v. Rotterdam-airport)

Rotterdam (alleen Rotterdam-airport)

Rijnmond

Amsterdam (Rotterdam-airport)

Rozenburg

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Rozendaal

Rivierenland

Nijmegen

Rucphen

Zuidwest

Roosendaal

Schagen

Holland Noord

Amsterdam

Schermer

Holland Noord

Amsterdam

Scherpenzeel

Randmeren

Nijmegen

Schiedam

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Schiermonnikoog

Noord

Groningen

Schijndel

Oost-Brabant

Eindhoven

Schinnen

Limburg

Eindhoven

Schoonhoven

Haaglanden

Nijmegen

Schouwen-Duiveland

Zuidwest

Roosendaal

Simpelveld

Limburg

Eindhoven

Sint-Anthonis

Oost-Brabant

Eindhoven

Sint-Michielsgestel

Oost-Brabant

Eindhoven

Sint-Oedenrode

Oost-Brabant

Eindhoven

Sittard-Geleen

Limburg

Eindhoven

Skarsterlân

Noord

Groningen

Sliedrecht

Rijnmond

Roosendaal

Slochteren

Noord

Groningen

Sluis

Zuidwest

Roosendaal

Smallingerland

Noord

Groningen

Sneek

Noord

Groningen

Soest

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Someren

Oost-Brabant

Eindhoven

Son en Breugel

Oost-Brabant

Eindhoven

Spijkenisse

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Stadskanaal

Noord

Groningen

Staphorst

Randmeren

Groningen

Stede Broec

Holland Noord

Amsterdam

Steenbergen

Zuidwest

Roosendaal

Steenwijkerland

Randmeren

Groningen

Stein

Limburg

Eindhoven

Strijen

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Ten Boer

Noord

Groningen

Terneuzen

Zuidwest

Roosendaal

Terschelling

Noord

Groningen

Teylingen

Holland Midden

Groningen

Texel

Holland Noord

Amsterdam/Schiphol Cargo

Tholen

Zuidwest

Roosendaal

Tiel

Rivierenland

Nijmegen

Tilburg

Oost-Brabant

Roosendaal

Tubbergen

Oost

Nijmegen

Twenterand

Oost

Nijmegen

Tynaarlo

Noord

Groningen

Tytsjerksteradiel

Noord

Groningen

Ubbergen

Rivierenland

Nijmegen

Uden

Oost-Brabant

Eindhoven

Uitgeest

Holland Noord

Amsterdam

Uithoorn

Holland Midden

Amsterdam

Urk

Randmeren

Groningen

Utrecht

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Utrechtse Heuvelrug

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Vaals

Limburg

Eindhoven

Valkenburg aan de Geul

Limburg

Eindhoven

Valkenswaard

Oost-Brabant

Eindhoven

Veendam

Noord

Groningen

Veenendaal

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Veere

Zuidwest

Roosendaal

Veghel

Oost-Brabant

Eindhoven

Veldhoven

Oost-Brabant

Eindhoven

Velsen

Holland-Midden

Amsterdam

Venlo

Limburg

Eindhoven

Venray

Limburg

Eindhoven

Vianen

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Vlaardingen

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Vlagtwedde

Noord

Groningen

Vlieland

Noord

Groningen

Vlissingen

Zuidwest

Roosendaal

Vlist

Haaglanden

Nijmegen

Voerendaal

Limburg

Eindhoven

Voorschoten

Holland Midden

Amsterdam

Voorst

Randmeren

Nijmegen

Vught

Oost-Brabant

Eindhoven

Waalre

Oost-Brabant

Eindhoven

Waalwijk

Oost-Brabant

Roosendaal

Waddinxveen

Haaglanden

Nijmegen

Wageningen

Randmeren

Nijmegen

Wassenaar

Haaglanden

Amsterdam

Waterland

Holland Noord

Amsterdam

Weert

Limburg

Eindhoven

Weesp

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Werkendam

Zuidwest

Roosendaal

Wervershoof

Holland Noord

Amsterdam

West Maas en Waal

Rivierenland

Nijmegen

Westerveld

Noord

Groningen

Westervoort

Rivierenland

Nijmegen

Westland

Haaglanden

Amsterdam

Weststellingwerf

Noord

Groningen

Westvoorne

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Wierden

Oost

Nijmegen

Wieringen

Holland Noord

Amsterdam

Wieringermeer

Holland Noord

Amsterdam

Wijchen

Rivierenland

Nijmegen

Wijdemeren

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Wijk bij Duurstede

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Oldambt

Noord

Groningen

Winsum

Noord

Groningen

Winterswijk

Oost

Nijmegen

Woensdrecht

Zuidwest

Roosendaal

Woerden

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Wormerland

Holland Noord

Amsterdam

Woudenberg

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Woudrichem

Zuidwest

Roosendaal

Wûnseradiel

Noord

Groningen

Wymbritseradiel

Noord

Groningen

Zaanstad

Holland Noord

Amsterdam

Zaltbommel

Rivierenland

Nijmegen

Zandvoort

Holland Midden

Amsterdam

Zederik

Rivierenland

Nijmegen

Zeevang

Holland Noord

Amsterdam

Zeewolde

Randmeren

Nijmegen

Zeist

Utrecht-Gooi

Nijmegen

Zevenaar

Rivierenland

Nijmegen

Zijpe

Holland-Midden

Amsterdam

Zoetermeer

Haaglanden

Amsterdam

Zoeterwoude

Holland Midden

Amsterdam

Zuidhorn

Noord

Groningen

Zuidplas

Holland Midden

Nijmegen/Rotterdam Rijnmond/Rotterdam Haven/Amsterdam

Zundert

Zuidwest

Roosendaal

Zutphen

Oost

Nijmegen

Zwartewaterland

Randmeren

Groningen

Zwijndrecht

Rijnmond

Rotterdam Rijnmond/Haven

Zwolle

Randmeren

Groningen

BIJLAGE L

Lijst van gouden munten als bedoeld in artikel 28j, eerste lid, onderdeel c, van de wet (artikel 29a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

(Publicatieblad van de Europese Unie 2009/C 289/06)

Geldig voor het jaar 2010

LAND VAN UITGIFTE

MUNTEENHEID1

AFGHANISTAN

(20 AFGHANI)

10 000 AFGHANI

(1/2 AMANI)

(1 AMANI)

(2 AMANI)

(4 GRAMS)

(8 GRAMS)

1 TILLA

2 TILLAS

  

ALBANIË

20 LEKE

50 LEKE

100 LEKE

200 LEKE

500 LEKE

  

ALDERNEY

5 POUNDS

25 POUNDS

1 000 POUNDS

  

ANDORRA

50 DINERS

100 DINERS

250 DINERS

1 SOVEREIGN

  

ANGUILLA

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

100 DOLLARS

  

ARGENTINIË

1 ARGENTINO

  

ARUBA

10 FLORIN

25 FLORIN

  

AUSTRALIË

5 DOLLARS

15 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

1 000 DOLLARS

2 500 DOLLARS

3 000 DOLLARS

10 000 DOLLARS

1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND)

1 SOVEREIGN (= 1 POUND)

  

BAHAMA’S

10 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

BELGIË

10 ECU

20 ECU

25 ECU

50 ECU

100 ECU

50 EURO GOLD

100 EURO

20 FRANCS

5 000 FRANCS

  

BELIZE

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

BERMUDA

10 DOLLARS

25 DOLLARS

30 DOLLARS

50 DOLLARS

60 DOLLARS

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

BHUTAN

1 SERTUM

2 SERTUMS

5 SERTUMS

  

BOLIVIA

4 000 PESOS BOLIVIANOS

  

BOTSWANA

5 PULA

150 PULA

10 THEBE

  

BRAZILIË

300 CRUZEIROS

(4 000 REIS)

(5 000 REIS)

(6 400 REIS)

(10 000 REIS)

(20 000 REIS)

  

BRITSE MAAGDENEILANDEN

100 DOLLARS

  

BULGARIJE

(1 LEV)

(5 LEVA)

(10 LEVA)

(20 LEVA)

(100 LEVA)

(125 LEVA)

(1 000 LEVA)

(10 000 LEVA)

(20 000 LEVA)

  

BURUNDI

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

CANADA

1 DOLLAR

2 DOLLARS

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

175 DOLLARS

200 DOLLARS

350 DOLLARS

1 SOVEREIGN

  

CAYMANEILANDEN

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

CHILI

2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

100 PESOS

200 PESOS

  

CHINA

5/20 YUAN (1/20 oz)

10/50 YUAN (1/10 oz)

25/100 YUAN (1/4 oz)

50/200 YUAN (1/2 oz)

100/500 YUAN (1 oz)

5 (YUAN)

10 (YUAN)

20 (YUAN)

25 (YUAN)

50 (YUAN)

100 (YUAN)

150 (YUAN)

200 (YUAN)

250 (YUAN)

300 (YUAN)

400 (YUAN)

450 (YUAN)

500 (YUAN)

1 000 (YUAN)

  

COLOMBIA

1 PESO

2 PESOS

2 1/2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

100 PESOS

200 PESOS

300 PESOS

500 PESOS

1 000 PESOS

1 500 PESOS

2 000 PESOS

15 000 PESOS

  

CONGO

10 FRANCS

20 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

COOKEILANDEN

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

COSTA RICA

5 COLONES

10 COLONES

20 COLONES

50 COLONES

100 COLONES

200 COLONES

1 500 COLONES

5 000 COLONES

25 000 COLONES

  

CUBA

4 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

100 PESOS

  

CYPRUS

50 POUNDS

  

DENEMARKEN

10 KRONER

20 KRONER

  

DOMINICAANSE REPUBLIEK

30 PESOS

100 PESOS

200 PESOS

250 PESOS

  

DUITSLAND

1 DM

100 EURO

  

ECUADOR

1 CONDOR

10 SUCRES

  

EILAND MAN

1/20 ANGEL

1/10 ANGEL

1/4 ANGEL

1/2 ANGEL

1 ANGEL

5 ANGEL

10 ANGEL

15 ANGEL

20 ANGEL

1/25 CROWN

1/10 CROWN

1/5 CROWN

1/2 CROWN

1 CROWN

50 PENCE

1 POUND

2 POUNDS

5 POUNDS

50 POUNDS

(1/2 SOVEREIGN)

(1 SOVEREIGN)

(2 SOVEREIGNS)

(5 SOVEREIGNS)

  

EL SALVADOR

25 COLONES

50 COLONES

100 COLONES

200 COLONES

250 COLONES

  

EQUATORIAAL-GUINEA

250 PESETAS

500 PESETAS

750 PESETAS

1 000 PESETAS

5 000 PESETAS

  

ETHIOPIË

400 BIRR

600 BIRR

10 (DOLLARS)

20 (DOLLARS)

50 (DOLLARS)

100 (DOLLARS)

200 (DOLLARS)

  

FIJI

5 DOLLARS

10 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

  

FILIPIJNEN

1 000 PISO

1 500 PISO

5 000 PISO

  

FINLAND

100 EURO

1 000 MARKKAA

2 000 MARKKAA

  

FRANKRIJK

1/4 EURO

10 EURO

20 EURO

50 EURO

5 FRANCS

10 FRANCS

20 FRANCS

40 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

500 FRANCS

655,97 FRANCS

  

GABON

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

1 000 FRANCS

3 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

20 000 FRANCS

  

GAMBIA

200 DALASIS

500 DALASIS

1 000 DALASIS

  

GIBRALTAR

1/25 CROWN

1/10 CROWN

1/5 CROWN

1/2 CROWN

1 CROWN

2 CROWNS

50 PENCE

1 POUND

5 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

1/25 ROYAL

1/10 ROYAL

1/5 ROYAL

1/2 ROYAL

1 ROYAL

  

GUATEMALA

5 QUETZALES

10 QUETZALES

20 QUETZALES

  

GUERNSEY

1 POUND

5 POUNDS

10 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

  

GUINEE

1 000 FRANCS

2 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

  

HAÏTI

20 GOURDES

50 GOURDES

100 GOURDES

200 GOURDES

500 GOURDES

1 000 GOURDES

  

HONDURAS

200 LEMPIRAS

500 LEMPIRAS

  

HONGARIJE

1 DUKAT

4 FORINT = 10 FRANCS

8 FORINT = 20 FRANCS

50 FORINT

100 FORINT

200 FORINT

500 FORINT

1 000 FORINT

5 000 FORINT

10 000 FORINT

20 000 FORINT

50 000 FORINT

100 000 FORINT

10 KORONA

20 KORONA

100 KORONA

  

HONGKONG

1 000 DOLLARS

  

IJSLAND

500 KRONUR

10 000 KRONUR

  

INDIA

1 MOHUR

15 RUPEES

1 SOVEREIGN

  

INDONESIË

2 000 RUPIAH

5 000 RUPIAH

10 000 RUPIAH

20 000 RUPIAH

25 000 RUPIAH

100 000 RUPIAH

200 000 RUPIAH

  

IRAK

(5 DINARS)

(50 DINARS)

(100 DINARS)

  

IRAN

(1/2 AZADI)

(1 AZADI)

(1/4 PAHLAVI)

(1/2 PAHLAVI)

(1 PAHLAVI)

(2 1/2 PAHLAVI)

(5 PAHLAVI)

(10 PAHLAVI)

50 POUND

500 RIALS

750 RIALS

1 000 RIALS

2 000 RIALS

  

ISRAËL

20 LIROT

50 LIROT

100 LIROT

200 LIROT

500 LIROT

1 000 LIROT

5 000 LIROT

5 NEW SHEQALIM

10 NEW SHEQALIM

20 NEW SHEQALIM

5 SHEQALIM

10 SHEQALIM

500 SHEQEL

  

IVOORKUST

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

JAMAICA

100 DOLLARS

250 DOLLARS

  

JERSEY

1 POUND

2 POUNDS

5 POUNDS

10 POUNDS

20 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

1 SOVEREIGN

  

JOEGOSLAVIË

20 DINARA

100 DINARA

200 DINARA

500 DINARA

1 000 DINARA

1 500 DINARA

2 000 DINARA

2 500 DINARA

5 000 DINARA

1 DUCAT

4 DUCATS

  

JORDANIË

2 DINARS

5 DINARS

10 DINARS

25 DINARS

50 DINARS

60 DINARS

  

KATANGA

5 FRANCS

  

KENIA

100 SHILLINGS

250 SHILLINGS

500 SHILLINGS

  

KIRIBATI

150 DOLLARS

  

LESOTHO

1 LOTI

2 MALOTI

4 MALOTI

10 MALOTI

20 MALOTI

50 MALOTI

100 MALOTI

250 MALOTI

500 MALOTI

  

LETLAND

100 LATU

  

LIBERIA

12 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

30 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

200 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

LUXEMBURG

5 EURO

10 EURO

20 FRANCS

40 FRANCS

  

MACAU

250 PATACAS

500 PATACAS

1 000 PATACAS

10 000 PATACAS

  

MALAWI

250 KWACHA

  

MALEISIË

100 RINGGIT

200 RINGGIT

250 RINGGIT

500 RINGGIT

  

MALI

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

MALTA

50 EURO

5 (LIRI)

10 (LIRI)

20 (LIRI)

25 (LIRI)

50 (LIRI)

100 (LIRI)

LM 25

  

MARSHALLEILANDEN

20 DOLLARS

50 DOLLARS

200 DOLLARS

  

MAURITIUS

100 RUPEES

200 RUPEES

250 RUPEES

500 RUPEES

1 000 RUPEES

  

MEXICO

1/20 ONZA

1/10 ONZA

1/4 ONZA

1/2 ONZA

1 ONZA

2 PESOS

2 1/2 PESOS

5 PESOS

10 PESOS

20 PESOS

50 PESOS

250 PESOS

500 PESOS

1 000 PESOS

2 000 PESOS

  

MONACO

10 EURO

20 EURO

100 EURO

20 FRANCS

100 FRANCS

200 FRANCS

  

MONGOLIË

750 (TUGRIK)

1 000 (TUGRIK)

  

NEDERLAND

(1 DUKAAT)

(2 DUKAAT)

10 EURO

20 EURO

50 EURO

1 GULDEN

5 GULDEN

10 GULDEN

  

NEDERLANDSE ANTILLEN

5 GULDEN

10 GULDEN

50 GULDEN

100 GULDEN

300 GULDEN

  

NEPAL

1 ASARPHI

1 000 RUPEES

  

NICARAGUA

50 CORDOBAS

  

NIEUW-ZEELAND

5 DOLLARS

10 DOLLARS

150 DOLLARS

1,56 grammes/1/20 ounce

3,11 grammes/1/10 ounce

7,77 grammes/1/4 ounce

15,56 grammes/1/2 ounce

31,1 grammes/1 ounce

  

NIGER

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

NOORWEGEN

20 KRONER

1 500 KRONER

  

OMAN

25 BAISA

50 BAISA

100 BAISA

1/4 OMANI RIAL

1/2 OMANI RIAL

OMANI RIAL

5 OMANI RIALS

10 OMANI RIALS

15 OMANI RIALS

20 OMANI RIALS

25 OMANI RIALS

75 OMANI RIALS

  

OOSTENRIJK

10 CORONA (= 10 KRONEN)

20 CORONA (= 20 KRONEN)

100 CORONA (= 100 KRONEN)

1 DUCAT

(4 DUCATS)

10 EURO

25 EURO

50 EURO

100 EURO

4 FLORIN = 10 FRANCS (= 4 GULDEN)

8 FLORIN = 20 FRANCS (= 8 GULDEN)

25 SCHILLING

100 SCHILLING

200 SCHILLING

200 SCHILLING/10 EURO

500 SCHILLING

1 000 SCHILLING

2 000 SCHILLING

  

PAKISTAN

3 000 RUPEES

  

PANAMA

100 BALBOAS

500 BALBOAS

  

PAPOEA-NIEUW-GUINEA

100 KINA

  

PERU

1/5 LIBRA

1/2 LIBRA

1 LIBRA

5 SOLES

10 SOLES

20 SOLES

50 SOLES

100 SOLES

  

POLEN

50 ZŁOTYCH (orzeł bielik)

50 ZLOTYCH

100 ZŁOTYCH (orzeł bielik)

100 ZLOTYCH

200 ZŁOTYCH (orzeł bielik)

200 ZLOTYCH

500 ZŁOTYCH (orzeł bielik)

  

PORTUGAL

1 ESCUDO

100 ESCUDOS

200 ESCUDOS

500 ESCUDOS

5 EURO

8 EURO

10 000 REIS

  

RHODESIË

1 POUND

5 POUNDS

10 SHILLINGS

  

RUSLAND

25 (ROUBLES)

50 (ROUBLES)

100 (ROUBLES)

200 (ROUBLES)

1 000 (ROUBLES)

10 0000 (ROUBLES)

  

RWANDA

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

  

SALOMONSEILANDEN

10 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

  

SAN MARINO

20 EURO

50 EURO

1 SCUDO

2 SCUDI

5 SCUDI

10 SCUDI

  

SAUDI-ARABIË

1 GUINEA (= 1 SAUDI POUND)

  

SENEGAL

10 FRANCS

25 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

250 FRANCS

500 FRANCS

1 000 FRANCS

2 500 FRANCS

  

SERVIË

10 DINARA

20 DINARA

  

SEYCHELLEN

1 000 RUPEES

1 500 RUPEES

  

SIERRA LEONE

1/4 GOLDE

1/2 GOLDE

1 GOLDE

5 GOLDE

10 GOLDE

1 LEONE

20 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

2 500 DOLLARS

  

SINGAPORE

1 DOLLAR

2 DOLLARS

5 DOLLARS

10 DOLLARS

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

100 DOLLARS

150 DOLLARS

250 DOLLARS

500 DOLLARS

  

SLOVENIË

100 EURO

180 EURO

2 500 TOLARS

5 000 TOLARS

20 000 TOLARS

25 000 TOLARS

  

SOMALIË

20 SHILLINGS

50 SHILLINGS

100 SHILLINGS

200 SHILLINGS

500 SHILLINGS

1 500 SHILLINGS

  

SPANJE

2 (ESCUDOS)

10 (ESCUDOS)

200 EURO

400 EURO

10 PESETAS

20 PESETAS

25 PESETAS

5 000 PESETAS

10 000 PESETAS

20 000 PESETAS

40 000 PESETAS

80 000 PESETAS

100 (REALES)

  

SUDAN

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

  

SURINAME

20 DOLLARS

50 DOLLARS

100 GULDEN

  

SWAZILAND

2 EMALANGENI

5 EMALANGENI

10 EMALANGENI

20 EMALANGENI

25 EMALANGENI

50 EMALANGENI

100 EMALANGENI

250 EMALANGENI

1 LILANGENI

  

SYRIË

(1/2 POUND)

(1 POUND)

  

TANZANIA

1 500 SHILINGI

2 000 SHILINGI

  

THAILAND

(150 BAHT)

(300 BAHT)

(400 BAHT)

(600 BAHT)

(800 BAHT)

(1 500 BAHT)

(2 500 BAHT)

(3 000 BAHT)

(4 000 BAHT)

(5 000 BAHT)

(6 000 BAHT)

  

TONGA

1/2 HAU

1 HAU

5 HAU

1/4 KOULA

1/2 KOULA

1 KOULA

  

TSJAAD

3 000 FRANCS

5 000 FRANCS

10 000 FRANCS

20 000 FRANCS

  

TSJECHIË

1 000 KORUN (1 000 Kč)

2 000 KORUN (2 000 Kč)

2 500 KORUN (2 500 Kč)

5 000 KORUN (5 000 Kč)

10 000 KORUN (10 000 Kč)

  

TSJECHOSLOWAKIJE

1 DUKÁT

2 DUKÁT

5 DUKÁT

10 DUKÁT

  

TUNESIË

2 DINARS

5 DINARS

10 DINARS

20 DINARS

40 DINARS

75 DINARS

10 FRANCS

20 FRANCS

100 FRANCS

5 PIASTRES

  

TURKIJE

(25 KURUSH) (= 25 PIASTRES)

(50 KURUSH) (= 50 PIASTRES)

(100 KURUSH) (= 100 PIASTRES)

(250 KURUSH) (= 250 PIASTRES)

(500 KURUSH) (= 500 PIASTRES)

1/2 LIRA

1 LIRA

500 LIRA

1 000 LIRA

10 000 LIRA

50 000 LIRA

100 000 LIRA

200 000 LIRA

1 000 000 LIRA

60 000 000 LIRA

  

TURKS- & CAICOSEILANDEN

100 CROWNS

  

TUVALU

50 DOLLARS

  

UGANDA

50 SHILLINGS

100 SHILLINGS

500 SHILLINGS

1 000 SHILLINGS

  

URUGUAY

5 000 NUEVO PESOS

20 000 NUEVO PESOS

5 PESOS

  

VATICAANSTAD

20 EURO

50 EURO

10 LIRE GOLD

20 LIRE

100 LIRE GOLD

  

VENEZUELA

(10 BOLIVARES)

(20 BOLIVARES)

(100 BOLIVARES)

1 000 BOLIVARES

3 000 BOLIVARES

5 000 BOLIVARES

10 000 BOLIVARES

5 VENEZOLANOS

  

VERENIGD KONINKRIJK

(1/3 GUINEA)

(1/2 GUINEA)

50 PENCE

2 POUNDS

5 POUNDS

10 POUNDS

25 POUNDS

50 POUNDS

100 POUNDS

QUARTER SOVEREIGN

(1/2 SOVEREIGN) (= 1/2 POUND)

(1 SOVEREIGN) (=1 POUND)

(2 SOVEREIGNS)

(5 SOVEREIGNS)

  

VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN

(500 DIRHAMS)

(750 DIRHAMS)

(1 000 DIRHAMS)

  

VERENIGDE STATEN

1 DOLLAR

2,5 DOLLARS

5 DOLLARS

10 DOLLARS (AMERICAN EAGLE)

20 DOLLARS

25 DOLLARS

50 DOLLARS

  

WEST-SAMOA

50 TALA

100 TALA

  

ZAÏRE

100 ZAIRES

  

ZAMBIA

250 KWACHA

  

ZUID-AFRIKA

1/10 KRUGERRAND

1/4 KRUGERRAND

1/2 KRUGERRAND

1 KRUGERRAND

1/10 oz NATURA

1/4 oz NATURA

1/2 oz NATURA

1 oz NATURA

1/2 POND

1 POND

1/10 PROTEA

1 PROTEA

1 RAND

2 RAND

5 RAND

25 RAND

1/2 SOVEREIGN (= 1/2 POUND)

1 SOVEREIGN (= 1 POUND)

  

ZUID-KOREA

2 500 WON

20 000 WON

25 000 WON

30 000 WON

50 000 WON

  

ZWEDEN

10 KRONOR

20 KRONOR

1 000 KRONOR

2 000 KRONOR

  

ZWITSERLAND

10 FRANCS

20 FRANCS

50 FRANCS

100 FRANCS

XNoot
1

In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. Indien de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid voor zover mogelijk tussen haakjes vermeld.

BIJLAGE BIJ DE UITVOERINGSREGELING BELASTINGEN OP MILIEUGRONDSLAG

Coöperatieve Telersvereniging Batavia U.A.

Postbus 1150

2990 CA BARENDRECHT

Telerscoöperatie Best Growers Benelux U.A.

Postbus 204

2665 ZL BLEISWIJK

Coöperatie Koninklijke Fruitmasters Groep U.A.

Postbus 222

4190 CE GELDERMALSEN

Telerscoöperatie Fossa Eugeniana U.A.

Postbus 1056

5900 BB VENLO

Telerscoöperatie FresQ u.a.

Postbus 125

2670 AC NAALDWIJK

Coöperatie Funghi U.A

Postbus 28

6590 AA GENNEP

Coöperatie The Greenery U.A.

Postbus 79

2990 AB BARENDRECHT

Coöperatie Komosa U.A.

Postbus 3021

5902 RA VENLO

Coöperatie Nautilus U.A.

Havenweg 11-C

8251 KB DRONTEN

Coöperatie Unistar B.A.

Daalder 13

8305 BE EMMELOORD

Telerscoöperatie Versdirect.nl U.A.

Ebweg 12C

2991 LT BARENDRECHT

Coöperatie WestVeg U.A.

Postbus 11

2678 ZG DE LIER

Coöperatieve Tuinbouwveiling ‘Zaltbommel en Omstreken’ B.A.

Postbus 7

5300 AA ZALTBOMMEL

Coöperatieve Veiling Zuidoost Nederland U.A.

Postbus 3200

5902 RE VENLO

Coöperatieve Fruitveiling Zuid-Limburg B.A.

Aan de Fremme 33

6269 BK MARGRATEN

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2010, Overige fiscale maatregelen 2010, Fiscale vereenvoudigingswet 2010 en de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb 564). Daarnaast vloeit een aantal wijzigingen voort uit de nieuwe organisatiestructuur van de Douane. Per 1 januari 2010 gaan de vier douaneregio’s op in één landelijk werkend organisatieonderdeel: de Belastingdienst/Douane.

Voorts worden de bepalingen betreffende vrijstellingen van belastingen bij invoer aangepast aan de vervanging van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 105) door Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEG L 324). Hierdoor is het actualiseren van diverse artikelen in de Algemene douaneregeling nodig.

Verder bevat de onderhavige regeling enkele wijzigingen van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 die voortvloeien uit de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de invoering van een nieuwe regeling voor de plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting, alsmede een nieuwe regeling voor de teruggaaf van omzetbelasting aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers (implementatie richtlijnen BTW-pakket). Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen.

Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld. Aan de wijzigingen van de diverse regelingen zijn geen zelfstandige budgettaire, nalevings- of uitvoeringseffecten verbonden.

Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om mee te delen dat – net als in 2009 – ook in 2010 de uitzonderingsmogelijkheid op het vlagvereiste van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001, niet van toepassing is. Op basis van artikel 3.22, tiende lid, van de Wet IB 2001 is in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld dat op landelijk niveau de nettotonnage van voor de tonnageregeling kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2006 tot en met 2008 is afgenomen ten opzichte van de periode 2005 tot en met 2007. Het driejaarsgemiddelde is in de periode 2006 tot en met 2008 ten opzichte van de periode 2005 tot en met 2007 gemiddeld gedaald van 67,880% naar 63,787%. Voor schepen die in het kalenderjaar 2010 in gebruik worden genomen, houdt dit in dat de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten wel geldt, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel a of b, van de Wet IB 2001 van toepassing is. Er wordt op dit punt derhalve ook in 2010 geen bepaling in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 2.14a, 3.55, 3.56, 3.57, 3.63, 4.17a, 4.17b, 4.17c, 4.41 en 9.6 van de Wet IB 2001. Daarom wordt artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.

Artikel I, onderdeel B (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In het eerste lid van het ingevolge dit onderdeel per 1 januari 2010 in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 op te nemen artikel 4a is een begrenzing aangebracht van de reikwijdte van artikel 2.14a van de Wet IB 2001. Voor zover iemand een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een APV, is geen sprake van een toe te rekenen afgezonderd particulier vermogen. Degene die een juridisch afdwingbaar recht heeft ten laste van een APV wordt voor dit recht zelf en de inkomsten daaruit in de belastingheffing betrokken. Het ingevolge artikel 2.14a van de Wet IB 2001 toe te rekenen vermogen wordt in zoverre verlaagd. Als deze stap is genomen, resulteert het discretionaire deel van het APV. Artikel 2.14a van de Wet IB 2001 beschrijft de hoofdregel hoe wordt omgegaan met het discretionaire deel van het APV: toerekening vindt plaats naar rato van de inbreng aan de persoon die vermogen in het APV heeft ingebracht (of aan diens erfgenamen). Zolang een ander dan de inbrenger geen concreet recht krijgt ten laste van het APV, blijft tijdens zijn leven het vermogen toegerekend worden aan de inbrenger. Zodra een begunstigde evenwel jegens een APV een concreet juridisch afdwingbaar recht krijgt, wordt een schenking aan de begunstigde geconstateerd die daarvoor wordt belast. De begunstigde wordt vervolgens voor het recht zelf en de inkomsten daaruit betrokken in de heffing van inkomstenbelasting. De wijze waarop dit gebeurt is afhankelijk van de aard van het recht en de aard van de inkomsten. Bij de inbrenger wordt in zoverre niet meer geheven: het recht van de begunstigde is een schuld van de inbrenger. Bij overlijden van de inbrenger worden de vermogensbestanddelen van het APV, onder aftrek van de voormelde schuld aan de begunstigde, geacht tot de nalatenschap van de inbrenger te behoren. De erfgenamen worden pro rata belast voor de fictieve verkrijging krachtens erfrecht. Voor de toerekening per erfgenaam wordt de wettelijke of de testamentaire verdeling gevolgd. Uitgegaan wordt derhalve van de feitelijke verdeling.

Het tweede lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 ziet op de situatie dat meer dan één persoon vermogen in een APV heeft ingebracht. De regeling beoogt geen onderscheid te maken tussen de ingebrachte vermogensbestanddelen en de latere waardeontwikkelingen. Overlijden van een inbrenger heeft in de regel geen gevolgen voor de andere inbrenger, tenzij deze inbrenger ook erfgenaam is van de overleden inbrenger. De regeling geeft ook duidelijkheid voor uitkeringen uit het APV. De transparante behandeling van een APV beoogt te voorkomen dat belastingclaims (bijvoorbeeld op een aanmerkelijkbelangpakket) zonder belastingheffing worden doorgeschoven naar andere inbrengers. Bedacht dient te worden dat toerekeningskwesties alleen aan de orde zijn voor het discretionaire deel van het APV; voor zover er concrete rechten zijn of worden gecreëerd, vindt toerekening aan de gerechtigde plaats. Concrete rechten vereisen een goede en controleerbare administratieve vastlegging.

Heeft de inbreng in het APV op hetzelfde moment door meerdere inbrengers plaatsgevonden dan vindt vermenging van vermogen plaats en wordt toegerekend naar rato van de werkelijke waarden van de ingebrachte vermogensbestanddelen, ongeacht de aard van de vermogensbestanddelen.

Voorbeeld 1

A stort € 1 miljoen contanten en B stort een aanmerkelijkbelangpakket ter waarde van € 1 miljoen in SPF A-B. Aan iedere inbrenger wordt 50% van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van SPF A-B toegerekend. Dat betekent dat A aan B € 500 000 contant overdraagt en B een 50%-aanmerkelijkbelangpakket aan A vervreemdt. Voor B is sprake van een aanmerkelijkbelangtransactie en A verkrijgt een aanmerkelijkbelangpakket met een verkrijgingsprijs van € 500 000. Stijgen de ingebrachte contanten in waarde en daalt de waarde van het ingebrachte aanmerkelijkbelangpakket dan blijft de toerekening van het discretionaire deel 50:50. Ontvangt de SPF een regulier voordeel ter zake van het aanmerkelijkbelangpakket dan wordt dat voordeel in gelijke delen bij de twee inbrengers in de heffing van box 2 betrokken.

Heeft de inbreng in het APV op verschillende momenten door verschillende inbrengers plaatsgevonden dan wordt toegerekend naar rato van de werkelijke waarden van de ingebrachte vermogensbestanddelen ten tijde van de inbreng.

Voorbeeld 2

X stort € 1 miljoen contanten in 2010 en Y stort 4 jaar later een aanmerkelijkbelangpakket ter waarde van € 1 miljoen in discretionaire trust Z. De ingebrachte contanten waren belegd in obligaties die ten tijde van B’s inbreng € 1 500 000 waard zijn. Aan X wordt tot Y’s inbreng 100% van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van trust Z toegerekend. De inbreng van Y betekent dat X aan Y voor € 600.000 aan obligaties overdraagt en Y een 60%-aanmerkelijkbelangpakket aan X vervreemdt. Voor Y is sprake van een aanmerkelijkbelangtransactie en X verkrijgt een aanmerkelijkbelangpakket met een verkrijgingsprijs van € 600 000. Vanaf het moment van inbreng door Y wordt aan X 60% en aan Y 40% van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van trust Z toegerekend. Stijgt de waarde van de obligaties en daalt de waarde van het ingebrachte aanmerkelijkbelangpakket dan blijft de toerekening 60:40. Ontvangt de trust een regulier voordeel ter zake van het aanmerkelijkbelangpakket dan wordt dat voordeel in de verhouding 60:40 toegerekend aan de twee inbrengers en bij hen in de heffing van box 2 betrokken.

Met uitkeringen uit het APV wordt op overeenkomstige wijze rekening gehouden. Dit betekent dat uitkeringen geacht worden uitkeringen te zijn van de personen aan wie wordt toegerekend. Keert SPF A-B in voorbeeld 1 uit aan de twee kinderen van inbrenger B dan worden deze betalingen geacht te zijn gedaan door A en B in gelijke delen. Voor de schenkbelasting en het toepasselijke tarief kan dit gevolgen hebben. Voor de inkomstenbelasting blijft de toerekening van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van SPF A-B ongewijzigd: A en B nemen ieder 50% in aanmerking.

Overlijdt een inbrenger dan treden zijn erfgenamen in zijn rechten en verplichtingen. Overlijdt inbrenger A in voorbeeld 1 en heeft hij vier erfgenamen, dan wordt aan iedere erfgenaam ingevolge het eerste lid van artikel 2.14a van de Wet IB 2001, 12,5% van de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van SPF A-B toegerekend. Het 50%-deel van B blijft ongewijzigd.

Het derde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 ziet op een bijzondere situatie: niet is bekend welk vermogen op enig moment door iemand in een APV met een of meer inbrengers oorspronkelijk is afgezonderd. Als de inbreng lange tijd geleden heeft plaatsgevonden kan zich een dergelijke situatie voordoen. Voor zover geen discussie bestaat ten aanzien van de inbreng van bepaalde vermogensbestanddelen, vindt de toerekening in zoverre plaats overeenkomstig de waarde van de inbreng. Ter voorkoming van toerekeningsproblemen vindt de toerekening van vermogen waarvan de inbrenger niet is te bepalen plaats naar rato van het aantal personen dat vermogen heeft afgezonderd.

Het vierde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 geeft nadere inhoud aan het begrip ‘het onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect, afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen’, bedoeld in artikel 2.14a, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Vervreemding van vermogensbestanddelen aan een APV tegen een prijs die afwijkt van de waarde in het economische verkeer, leidt tot de constatering dat vermogen wordt afgezonderd in de zin van de regeling. Hetzelfde geldt voor het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een APV waarbij voorwaarden worden bedongen die niet overeenkomen met voorwaarden die in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zijn. Tevens wordt hier gezien op het inbrengen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen waarbij de inbreng en daarmee samenhangende rechtshandelingen gericht zijn op of direct of indirect verband houden met het ontgaan of uitstellen van de toerekening, bedoeld in artikel 2.14a, eerste lid, van de Wet IB 2001. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de volgende situaties:

  • Een belastingplichtige leent onder zakelijke voorwaarden gelden aan een SPF. Hij is niet de formele oprichter maar bezit wel de oprichtersrechten van de SPF. De SPF beoogt de belangen van de familie van de geldlener te dienen. De SPF richt met het geleende geld een Antilliaanse vennootschap op. De Antilliaanse vennootschap koopt tegen zakelijke voorwaarden aandelen van een vennootschap waarvan de geldlener de directeur is. Het vermogen van de SPF wordt in een dergelijke situatie toegerekend aan de geldlener.

  • Een belastingplichtige leent onder zakelijke voorwaarden gelden aan een trust. Hij is niet de formele insteller van de trust. De trust beoogt de belangen van de familie van de geldlener te dienen. De trust richt met het geleende geld een Jersey vennootschap op. De Jersey vennootschap koopt tegen zakelijke voorwaarden aandelen van een vennootschap waarvan de geldlener de directeur is. Het vermogen van de trust wordt in een dergelijke situatie toegerekend aan de geldlener.

  • Een Stiftung stort een deel van haar vermogensbestanddelen in een door de Stiftung ingestelde Anglo-Amerikaanse trust. De bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van de Stiftung alsmede die van de trust worden toegerekend aan de inbrenger van het vermogen in de Stiftung.

Het begrip afzonderen dient daar waar het gaat om het bestrijden van constructies ter zake van de bedoelde toerekening van vermogen in een APV derhalve ruim te worden opgevat. Ervaringen uit de praktijk met bijvoorbeeld de terbeschikkingstellingsregeling, waar in het derde lid van de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet IB 2001 een gelijkluidende terminologie voorkomt, kunnen richting geven aan de term afzonderen van vermogen.

Het vijfde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bepaalt dat bezittingen en schulden van een APV in aanmerking dienen te worden genomen naar de waarde in het economisch verkeer. Van het APV zelf gaat geen waardedrukkend effect uit. De toevoeging dat de vermogensbestanddelen worden gewaardeerd als maken zij rechtstreeks deel uit van het vermogen van degene aan wie de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van het APV worden toegerekend, ziet onder andere op het als een eenheid in aanmerking nemen in het vermogen van de persoon aan wie wordt toegerekend.

Het zesde lid van artikel 4a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 ziet op de situatie dat een erfgenaam tegenbewijs kan leveren dat hij geen begunstigde is van het APV. De tegenbewijsregeling, bedoeld in het zesde lid van artikel 2.14a van de Wet IB 2001, beoogt om in uitzonderlijke situaties de mogelijkheid te bieden dat aan personen geen vermogen van het APV wordt toegerekend omdat zij geen begunstigde zijn van het APV en dat ook nooit kunnen worden. De belastingplichtige overlegt daartoe de benodigde gegevens en inlichtingen. De ingevolge genoemd artikel 4a, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 te verstrekken stukken zijn cumulatief.

Artikel I, onderdeel C (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001 behoren niet tot de winst voordelen die worden genoten op grond van mobiliteitsprojecten die worden gehouden in het kader van het project Anders betalen voor mobiliteit. In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 zijn de mobiliteitsprojecten opgenomen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel i, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Ter zake van de genoemde projecten zijn er uitvoeringsconvenanten gesloten tussen het ministerie van Verkeer en Waterstaat en de betreffende regio’s. De in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgesomde projecten zijn aangewezen door de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel I, onderdeel D (artikel 11 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 zijn de artikelen 3.55, tweede en vijfde lid, 3.56, tweede lid, 3.57, tweede lid, en 4.41, tweede en derde lid van de Wet IB 2001 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepalingen kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van deze artikelen worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van deze artikelen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met de in bij deze wijzigingsregeling opgenomen wijzigingen wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.

Artikel I, onderdeel E (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In het tweede lid van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt verwezen naar de verklaring, bedoeld in artikel 3.87, elfde lid, van de Wet IB 2001 (de reisverklaring). Sinds 1 januari 2009 wordt de reisverklaring echter omschreven in het negende lid van artikel 3.87 van de Wet IB 2001. Daarom wordt in het tweede lid van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 de verwijzing naar het elfde lid van artikel 3.87 van de Wet IB 2001 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 gewijzigd in een verwijzing naar het negende lid van artikel 3.87 van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel F (artikelen 26a, 26b, 26c en 26d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Artikel 26a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Deze bepaling is gebaseerd op de delegatiebevoegdheden van de ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikelen 4.17a, negende lid, 4.17b, vierde lid, en 4.17c, vierde lid, van de Wet IB 2001.

In het eerste lid van artikel 26a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de in dat lid genoemde verzoeken door de gezamenlijk belanghebbenden dienen te worden ingediend bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de erflater. Het betreft het in artikel 4.17a, eerste lid van de Wet IB 2001 opgenomen verzoek om toepassing van de doorschuifregeling bij vererving van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (hierna: ab-aandelen), en de verzoeken om toepassing van de artikel 4.17b, tweede lid of derde lid, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 4.17b, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt onder voorwaarden bij de erflater geen conserverende aanslag opgelegd indien de overgang krachtens erfrecht op een niet in Nederland wonende verkrijger, binnen twee jaar na het overlijden wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen of winstbewijzen worden toebedeeld aan een in Nederland wonende verkrijger. De regeling van artikel 4.17b, derde lid, van de Wet IB 2001 maakt het mogelijk dat de doorschuifregeling van toepassing is op alle preferente aandelen of de gehele vordering, mits deze binnen twee jaar na het overlijden bij boedelscheiding zijn toebedeeld aan de bedrijfsopvolger. De gezamenlijk belanghebbenden zijn de rechtsgeldige vertegenwoordiger(s) van erflater en de verkrijger. In het tweede lid van artikel 26a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de in dat lid genoemde verzoeken door de gezamenlijk belanghebbenden dienen te worden ingediend bij de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de vervreemder. Het betreft het in artikel 4.17b, eerste lid, van de Wet IB 2001 opgenomen verzoek om toepassing van de doorschuifregeling bij verdeling van de nalatenschap binnen twee jaar, en het in artikel 4.17c, eerste lid, van die wet opgenomen verzoek om toepassing van de doorschuifregeling bij schenking van ab-aandelen. De gezamenlijk belanghebbenden zijn in dat geval de vervreemder en de verkrijger. Omdat de verzoeken door meerdere personen dienen te worden ondertekend, moet het verzoek schriftelijk worden gedaan.

Artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting

Dit artikel is gebaseerd op de delegatiebevoegdheid van artikel 4.17a, vijfde en negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat artikel is geregeld in welke mate de aanmerkelijkbelangclaim kan worden doorgeschoven bij vererving. Dit is het geval voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben. In dit artikel worden nadere regels gegeven met betrekking tot preferente aandelen.

De vervreemding van preferente aandelen door het overlijden van de aanmerkelijkbelanghouder kwalificeert alleen voor de doorschuifregeling indien deze preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging. In dat geval vormt de vererving van de preferente aandelen naar de beoogde bedrijfsopvolger het sluitstuk van de eerder ingezette bedrijfsopvolging.

In geval van direct gehouden preferente aandelen is de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing als de preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, van de wet. In dit lid is de grondvorm van een gefaseerde bedrijfsopvolging beschreven. Uiteraard kan de gefaseerde bedrijfsopvolging ook op een andere wijze gestalte worden gegeven. Zo is het ook mogelijk dat de gewone aandelen in het kader van een aandelenfusie worden ingebracht in een lichaam tegen uitreiking van preferente aandelen in dat lichaam, waarbij de gewone aandelen in dat lichaam worden gehouden door de bedrijfsopvolger of een vennootschap van de bedrijfsopvolger. Eveneens is het mogelijk dat de preferente aandelen ontstaan in het kader van een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de Wet IB 2001 of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van de Wet IB 2001. Voor deze andere vormen van een gefaseerde bedrijfsopvolging is in artikel 26b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 een voorziening opgenomen.

In het tweede lid van artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is een voorziening opgenomen voor situaties waarin als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of erfrecht ten aanzien van de houder van de preferente aandelen een wijziging optreedt, voordat de bedrijfsopvolging definitief gestalte heeft gekregen door de vervreemding van de preferente aandelen aan de beoogd bedrijfsopvolger. Ter illustratie zijn hierna twee voorbeelden opgenomen.

Voorbeeld 1

A is weduwnaar. Hij is enig aandeelhouder van BV-X. Hij zet deze aandelen om in preferente aandelen, terwijl de BV nieuwe gewone aandelen uitreikt aan A’s kind Z. Enige tijd daarna trouwt A in wettelijke gemeenschap van goederen met B. Hierdoor verkrijgt B de helft van de preferente aandelen krachtens huwelijksvermogensrecht (boedelmenging). Indien B vervolgens overlijdt en B’s preferente aandelen worden verkregen door Z is naar de letter van de wet niet verkregen van een erflater die de aandelen heeft omgezet. Door de werking van het tweede lid kan B in aanmerking komen voor de bedrijfsopvolgingsregeling.

Voorbeeld 2

G en H zijn met elkaar getrouwd op huwelijkse voorwaarden en hebben één kind, D. G is enig aandeelhouder van BV-Y. G zet deze aandelen om in preferente aandelen, terwijl de BV nieuwe gewone aandelen uitreikt aan D. Enige tijd daarna overlijdt G zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. G’s preferente aandelen in BV-Y worden nu geërfd door zijn vrouw H. Op grond van de wettelijke verdeling krijgt D een vordering op H. In deze situatie is de bedrijfsopvolgingsregeling niet van toepassing ter zake van het overlijden van G en de vervreemding van de aandelen aan H, omdat H niet de houder is van de gewone aandelen. Artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 brengt daarin geen verandering, omdat H niet de beoogde bedrijfsopvolger is. Als H overlijdt en D verkrijgt de preferente aandelen, dan zou die vervreemding door het overlijden van H naar de letter van de wet echter ook niet kwalificeren voor de bedrijfsopvolgingsregeling, omdat H de preferente aandelen niet hield als gevolg van een omzetting van door H eerder gehouden gewone aandelen. Dit gevolg is niet wenselijk omdat D de beoogde bedrijfsopvolger is en, via ‘tussenkomst’ van H, de preferente aandelen alsnog krachtens erfrecht verkrijgt. Het tweede lid voorziet ook in deze situatie.

Voor de situatie waarin aandelen in een werkmaatschappij indirect worden gehouden (dus via een holding) is in artikel 4.17a, vijfde lid, van de wet bepaald dat toerekening van het vermogen van de werkmaatschappij aan de holding kan plaatsvinden. Met betrekking tot preferente aandelen is daarbij bepaald dat toerekening alleen mag plaatsvinden indien de preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden worden gegeven in het derde lid van artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De eisen die worden gesteld aan de indirect gehouden preferente aandelen, komen overeen met de eisen die worden gesteld aan de direct gehouden preferente aandelen. Omdat indirect gehouden preferente aandelen ook kunnen ontstaan in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is deze omzettingsvorm in de derde volzin van het derde lid opgenomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een vader die in zijn BV een winkel in A heeft en een winkel in B. De zoon wil winkel B overnemen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bedrijfsfusie. Daartoe geeft de BV van de zoon preferente aandelen uit aan de BV van vader. Op min of meer dezelfde wijze kunnen preferente aandelen ontstaan in het kader van een aandelenfusie, een juridische splitsing en een juridische fusie. Daarom zijn ook deze vormen genoemd in de tweede volzin van het vierde lid.

Verder is in artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bepaald dat indien eenmaal sprake is van preferente aandelen die voldoen aan de omschrijving van artikel 4.17a, derde lid, van de wet de kwalificatie van de preferente aandelen als zijnde ‘ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging’ blijft bestaan zolang en voor zover de preferente aandelen aan de gewone aandelen gekoppeld blijven. Hierop ziet het vierde lid van artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Dit betekent dat indien de doorschuifregeling ter zake van de bedoelde preferente aandelen is toegepast bij de vervreemding aan de ‘eerste’ opvolger bij zijn overlijden de doorschuifregeling ook van toepassing is ter zake van de preferente aandelen voor zover zijn rechtsopvolger krachtens erfrecht ook de gewone aandelen verkrijgt die eerder bij de gefaseerde bedrijfsopvolging aan de eerste opvolger zijn uitgegeven. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de eerste opvolger in feite verplicht de preferente aandelen moet laten inkopen om te voorkomen dat de doorschuifregeling in de toekomst niet van toepassing zou zijn.

Voorbeeld 3

Vader bezit 100% van de aandelen in BV-X. Tijdens zijn leven worden zijn aandelen omgezet in preferente aandelen en gelijktijdig worden aan zijn zoon gewone aandelen toegekend. Ook overigens wordt voldaan aan de eisen van artikel 4.17a, derde lid, van de wet. Vader overlijdt en de zoon (enig erfgenaam) verkrijgt de preferente aandelen. Deze preferente aandelen kwalificeren voor de toepassing van artikel 4.17a, zodat de doorschuifregeling kan worden toegepast voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben. Indien de zoon na twintig jaar overlijdt, en zijn vermogen wordt verkregen door zijn dochter (ook enig erfgenaam), dan zou de zoon zonder nadere bepaling voor wat betreft de preferente aandelen niet voor de doorschuifregeling in aanmerking komen. Ten aanzien van hem zijn de preferente aandelen immers niet ontstaan in het kader van een bedrijfsoverdracht, zoals in de wet omschreven. Hij heeft tijdens zijn leven namelijk geen gewone aandelen omgezet in preferente aandelen. Artikel 26b, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 voorziet in deze situatie. Zolang de gewone aandelen en de preferente aandelen ‘tot eenzelfde vermogen blijven behoren’, anders gezegd ‘aan elkaar gekoppeld blijven’, behouden de preferente aandelen het etiket ‘ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging’.

Mocht de zoon 40% van zijn gewone aandelen tijdens zijn leven hebben verkocht, dan kwalificeert bij de vererving naar zijn dochter slechts 60% van de door haar geërfde preferente aandelen als aandelen bedoeld in artikel 4.17a, eerste lid, van de wet. Vanaf het moment dat de gewone aandelen en de preferente aandelen ontkoppeld worden, is ten aanzien van de preferente aandelen geen sprake meer van kwalificerende aandelen. De preferente aandelen en de gewone aandelen moeten dus steeds ‘bij elkaar blijven’.

Ten slotte is in het vijfde lid van artikel 26b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bepaald dat voor de bepaling of de houder van de gewone aandelen minimaal 5% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, geen rekening wordt gehouden met de omvang van het geplaatste kapitaal dat toerekenbaar is aan het preferente aandelenkapitaal. Als het totale geplaatste kapitaal 100 is en hiervan 90 toerekenbaar is aan de preferente aandelen, moet de verkrijger derhalve voor ten minste 5% van 10 aandeelhouder zijn.

Opgemerkt wordt dat artikel 26b ook van toepassing is voor de toepassing van artikel 4.17c van de Wet inkomstenbelasting 2001. In dat geval dient in het derde lid voor ‘erflater’ te worden gelezen: schenker.

Artikel 26c van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de delegatiebevoegdheid van het ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 4.17c, vierde lid, van de Wet IB 2001, op grond waarvan de driejaarstermijn voor de doorschuifregeling bij schenking van ab-aandelen kan worden verkort. Als na het aangaan van de dienstbetrekking door de beoogde bedrijfsopvolger zich één van de in het artikel 26c, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 genoemde situaties voordoet, kunnen de ab-aandelen direct met toepassing van de doorschuifregeling worden geschonken aan de beoogde bedrijfsopvolger. Bij de formulering van genoemd tweede lid is aangesloten bij de doorschuifregeling bij leven in de IB-winstsfeer, zoals opgenomen in artikel 13a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

Artikel 26d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Artikel 26d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bevat een tegemoetkoming voor de situaties waarin aandelen in een holdingmaatschappij worden geschonken en de verkrijger alleen in dienstbetrekking is bij een werkmaatschappij. Dit artikel is gebaseerd op de delegatiebevoegdheid van het ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 4.17c, vierde lid, van de Wet IB 2001. Voor de situatie dat in het kader van een bedrijfsopvolging een groep van vennootschappen (een holdingmaatschappij met een of meer werkmaatschappijen) wordt geschonken, en de verkrijger in dienstbetrekking is van een van de werkmaatschappij en niet van de holding, wordt ook geacht te zijn voldaan aan de bestuurderseis van artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001, mits deze dienstbetrekking voldoet aan het criterium van 36 maanden en de werkmaatschappij een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in artikel 4.17c, eerste lid, onderdeel a, van die wet.

Artikel I, onderdeel G (artikel 36 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen van de maximumaftrek voor levensonderhoud van kinderen zijn geactualiseerd op basis van de bedragen die zijn vastgesteld in de Regeling indexering AKW-bedragen juli 2009.

Artikel I, onderdeel H (artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is de zogenoemde dieetkostentabel opgenomen. De dieetkostentabel bevat een limitatieve opsomming van de meerkosten die horen bij de combinatie van type dieet, ziektebeeld en aandoening. Deze meerkosten zijn aftrekbaar als dieetkosten binnen de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten. Naast een prijsupdate is deze nieuwe dieetkostentabel ook inhoudelijk herzien. De tabel is opgesteld door het Nibud in samenwerking met het Voedingscentrum en in overleg met de Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD) en andere specialisten op het gebied van diëtetiek. Voor de vaststelling van de dieetkostentabel is een nieuwe benadering gekozen om te komen tot de vaststelling van de meerkosten. Nieuwe kennis en inzichten hebben geleid tot wijzigingen in de uitgangspunten voor dieetadvisering en productkeuzes. De meerkosten van dieetvoeding worden bepaald aan de hand van de methode voor het berekenen van meer- of minderkosten van dieetadviezen ten opzichte van een referentievoeding. Voorheen werd voor het samenstellen van de referentievoeding uitgegaan van het eetpatroon van de gemiddelde Nederlander, zowel wat betreft productkeuzes als wat betreft hoeveelheden. In het nieuwe systeem wordt uitgegaan van een nieuwe referentievoeding die is opgesteld door het Voedingscentrum met als basis de aanbevolen hoeveelheden voeding per dag voor een volwassen man in de leeftijd van 19 tot 50 jaar (de groep met de hoogste meerkosten). Het voedingscentrum baseert zich hierbij op de Richtlijnen Voedselkeuze (Voedingscentrum 2009) die zijn afgeleid van de Richtlijnen Goede Voeding (Gezondheidsraad 2006). De nieuwe referentievoeding is dus een gezonde voeding waarbij rekening is gehouden met het Nederlandse voedingspatroon. Aangezien een gezonde voeding in het algemeen het uitgangspunt is in de dieetadvisering ligt het voor de hand dat de referentievoeding eveneens een gezonde voeding representeert. De meerkosten die een persoon heeft als gevolg van een dieet is het verschil tussen de prijs van het referentie-dieetadvies en die van de standaardreferentievoeding, omgerekend naar een bedrag per jaar. De nieuwe methode van vaststelling kan ertoe leiden dat voor bepaalde diëten geen meerkosten meer gemaakt worden terwijl dat voorheen wel zo was. Deze diëten komen niet meer voor in de dieetkostentabel. Voor andere diëten gelden nu wel of hogere meerkosten dan voorheen. Lagere meerkosten kunnen ontstaan doordat zoals aangegeven de referentievoeding uitgaat van gezonde voeding in plaats van wat gemiddeld in Nederland wordt gegeten. Voorheen zorgde een gezond dieetadvies ten opzichte van een gemiddeld eetpatroon al voor meerkosten, wat nu niet meer het geval is. Daarnaast zijn dieetproducten veel beter verkrijgbaar dan voorheen, wat heeft gezorgd voor een lagere prijs van deze producten. In de tabel zijn limitatief de diëten opgenomen die op basis van de nieuwe systematiek leiden tot meerkosten en mits is voldaan aan de overige voorwaarden recht geven op aftrek van dieetkosten. Voorheen werden alleen bedragen van meer dan € 113 in de dieetkostentabel opgenomen, het drempelbedrag voor dieetkosten. Met de nieuwe benadering is ervoor gekozen om niet langer een afzonderlijke drempel te hanteren voor dieetkosten waardoor er ook lagere bedragen in de tabel voorkomen. Voor de aftrek van dieetkosten is daarmee alleen de algemene drempel voor de uitgaven voor specifieke zorgkosten van toepassing.

Artikel I, onderdeel I (artikel 41a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 41a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 houdt verband met de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564). Ingevolge die wet wordt de definitie van algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2010 gewijzigd. Als ANBI worden voortaan alleen instellingen aangemerkt, die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut dienen. Als gevolg daarvan wordt ook artikel 41a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 dienovereenkomstig aangepast.

Artikel I, onderdeel J (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In het ingevolge de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari 2010 in te voegen artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen waarin door de inspecteur een onjuiste belastingaanslag inkomstenbelasting ambtshalve wordt verminderd. De regels voor ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting zijn dezelfde als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen (vergelijk artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994). Ook sluiten deze regels aan bij de regels uit het Beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, nr. 19523). Dit is om de regels voor ambtshalve vermindering zoveel mogelijk met elkaar te stroomlijnen, ongeacht of het gaat om inkomensgegevens, te weten het verzamelinkomen of belastbare jaarloon (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994), de belastingaanslagen inkomstenbelasting (artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) of andere belastingen (artikel 65 van de AWR in samenhang met het voornoemde beleidsbesluit). Dit is ook van belang als in de toekomst de gewenste uitbreiding van de rechtsbescherming bij ambtshalve vermindering van de inkomstenbelasting naar de vennootschapsbelasting plaatsvindt. De bijzondere regeling voor de belastingaanslagen inkomstenbelasting, geregeld in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, houdt het volgende in. Als een belastingaanslag inkomstenbelasting op een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert de inspecteur in alle gevallen – op verzoek of uit eigen beweging – die belastingaanslag. Er zijn slechts vijf uitzonderingen. In de eerste plaats is om doelmatigheidsredenen de mogelijkheid tot vermindering in de tijd beperkt, te weten tot zeven jaren na het einde van het jaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Bij de andere uitzonderingen gaat het kort gezegd om de situaties dat na het onherroepelijk vast komen te staan van de belastingaanslag er nieuwe jurisprudentie is gewezen, nieuw beleid is uitgevaardigd, dan wel een beroep op een fiscale faciliteit wordt gedaan dat bijvoorbeeld bij de aangifte inkomstenbelasting had moeten worden gedaan. Als sprake is van een feit waardoor ten onrechte inkomstenbelasting is geheven – de belastingaanslag inkomstenbelasting op een te hoog bedrag is vastgesteld – en als gevolg van die heffing een andere belasting (uit een ander kalenderjaar of van een andere belastingplichtige) ter zake van datzelfde feit niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven, dan vindt wel ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting plaats voor zover het bedrag van de eerstgenoemde belasting het bedrag van de andere belasting te boven gaat.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat als de inspecteur kennis neemt van andere feiten dan die naar aanleiding waarvan hij voornemens is ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting te verlenen en die andere feiten grond opleveren voor het vermoeden dat die belastingaanslag onjuist is berekend, hij daarmee rekening houdt bij het verminderen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 45d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het per 1 januari 2010 in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 in te voegen artikel 45d regelt de uitwerking van het in artikel XXXIII van het Belastingplan 2010 opgenomen overgangsrecht ter zake van het eveneens in het Belastingplan 2010 aangepaste artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001.

In de memorie van toelichting op artikel XXXIII van het Belastingplan 2010 is al aangegeven dat in het geval de per 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 onverkort van toepassing zou worden op gevallen waarin de verhuur reeds vóór 1 januari 2010 is aangevangen, de maatregel tot onredelijke uitkomsten zou kunnen leiden. Om dergelijke uitkomsten te voorkomen is in artikel XXXIII van het Belastingplan 2010 geregeld dat de wijziging van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 niet van toepassing is op gevallen waarin verhuur van de woning reeds is aangevangen vóór 1 januari 2010, tenzij de belastingplichtige instemt met bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het hiervoor genoemde artikel 45d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Op grond van dat artikel is de per 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 3.111, tweede lid, van de Wet IB 2001 in deze situatie wel van toepassing als de belastingplichtige ermee instemt dat:

  • a. de in beginsel als vervreemding aan te merken overgang naar box 3, die vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden als gevolg van de verhuur, met terugwerkende kracht niet als vervreemding wordt aangemerkt;

  • b. indien op grond van artikel 3.119b, eerste lid, van de Wet IB 2001 ter zake van de in onderdeel a bedoelde overgang naar box 3 een beschikking eigenwoningreserve is of wordt afgegeven, die beschikking wordt herzien;

  • c. indien de woning vanaf enig moment (na het beëindigen van de verhuur) weer belastbare inkomsten uit eigen woning genereert, dit niet wordt aangemerkt als een verwerving als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet IB 2001.

Artikel II, onderdelen A en B (artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001)

Om de liquiditeits- en financieringspositie van bedrijven die voor vervanging- of uitbreidingsinvesteringen staan te verbeteren heeft het kabinet met ingang van 2009 een zogenoemde tijdelijke willekeurige afschrijving ingevoerd voor investeringen in het belang van de bevordering van de economische ontwikkeling. Gezien de economische situatie heeft het kabinet bij het Belastingplan 2010 besloten om deze maatregel ook te laten gelden voor investeringen die in 2010 worden verricht.2 Met de wijzigingen van de artikelen 13 en 15 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 wordt bewerkstelligd dat de tijdelijke willekeurige afschrijving met een jaar wordt verlengd en daarmee ook geldt voor investeringen die zijn gedaan in 2010. In samenhang daarmee wordt voor investeringen uit 2010 de uiterste termijn voor ingebruikname gesteld op 31 december 2012.

Tevens bewerkstelligen deze wijzigingen dat met betrekking tot investeringen in schepen in het kalenderjaar 2010 als aanvullende voorwaarde geldt dat de winst met betrekking tot het schip niet vóór 1 januari 2020 mag worden bepaald aan de hand van het tonnageregime van artikel 3.22 van de Wet IB 2001. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat het niet mogelijk is om een onbedoeld fiscaal voordeel bij investeringen in zeeschepen te creëren door de tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen een kort tijdsbestek te combineren. Wanneer op enig moment niet meer aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de boekwaarde van het zeeschip gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. Geregeld is dat in dat geval eerst deze ophoging van de boekwaarde moet plaats vinden en pas daarna de winstberekening die is voorgeschreven in artikel 3.23, tweede lid, van de Wet IB 2001.

De voorwaarde dat de winst niet vóór 1 januari 2020 op basis van het tonnageregime wordt bepaald, geldt niet meer vanaf het tijdstip dat het schip voor die datum is vervreemd aan een derde. Alsdan is namelijk het verschil tussen de waarde van het schip en de lage boekwaarde vanwege de toegepaste vervroegde afschrijving, reeds in de winst opgenomen en daarmee is in feite de toegepaste willekeurige afschrijving teruggenomen. Alleen vervreemdingen welke tot een fiscale afrekening leiden, zijn relevant. Bij geruisloze doorschuiving (zoals bijvoorbeeld bij een omzetting naar een NV of BV, het aangaan van een bedrijfsfusie of een juridische fusie) blijft de voorwaarde doorlopen en gaat de sanctie over op de nieuwe eigenaar van het schip. Aangezien de situaties van geruisloze doorschuiving in dit verband zeer divers zijn, is de tekst zodanig geredigeerd dat de sanctie altijd doorloopt, behoudens in situaties van een zakelijke vervreemding. In die situaties verleent de inspecteur een ontheffing, mits er feitelijk is afgerekend.

Artikel III, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 11a en 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Daarom is artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.

Artikel III, onderdeel B (artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Bij Belastingplan 2010 is een bancaire variant van de stamrechtvrijstelling geïntroduceerd (artikel 11a van de Wet LB 1964). Met deze wijzigingen wordt invulling gegeven aan de delegatiebepaling in artikel 11a, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet LB 1964, betreffende de minimale periode (in jaren) tussen de eerste en de laatste uitkering van een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht. In het nieuwe artikel 12 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat uitvoering geeft aan genoemd artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964, wordt bepaald dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering ten minste een in de derde kolom van de tabel vastgesteld aantal jaren bedraagt. Uitgangspunt bij het vastgestelde aantal jaren is dat het voor periodieke uitkeringen geldende onzekerheidsvereiste (in 2009 is dat 0,94%) zo goed mogelijk wordt benaderd. De minimale periode is, met inachtneming van actuarieel geldende normen, afhankelijk gesteld van de leeftijd van de gerechtigde tot de uitkeringen in leeftijdscohorten van vijf jaar. Het staat de gerechtigde in principe vrij termijnen bijvoorbeeld maandelijks, per kwartaal of jaarlijks te laten plaatsvinden, zolang maar wordt voldaan aan het vereiste in artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964. In het tweede lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de uitzondering op de hoofdregel, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 2° van de Wet LB 1964, opgenomen. Voor kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt de periode tussen de eerste en de laatste uitkering nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Hiermee is aangesloten bij het op dit punt voor periodieke uitkeringen geldende artikel 11, vierde lid, van de Wet LB 1964

Ter illustratie zijn onderstaand twee voorbeelden opgenomen.

Voorbeeld 1

Een werknemer overlijdt terwijl de uitkeringen nog niet zijn ingegaan. Op dat moment is de leeftijd van zijn twee kinderen 26 en 31 jaar. In de stamrechtbankspaarovereenkomst is geregeld dat bij het overlijden van de werknemer de uitkeringen toekomen aan zijn twee kinderen, elk voor 50%. In de tabel is af te lezen dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering bij een gerechtigde die bij ingang van de uitkeringen een leeftijd van 26 jaar heeft, ten minste 14 jaar bedraagt. Echter, volgens het tweede lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, in samenhang met artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wet LB 1964, bedraagt de periode dan nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Voor het jongste kind bedraagt de periode dus ten hoogste 4 jaar.

Met betrekking tot het deel voor het kind van 31 jaar is het vijfde lid van artikel 11a van de Wet LB 1964 van toepassing, en wordt dat deel (50%) van het tegoed op het onmiddellijk aan het overlijden voorafgaande tijdstip bij de werknemer aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Voorbeeld 2

Een werknemer laat de uitkeringen uit zijn stamrechtbeleggingsrecht in gaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 64 jaar bereikt. Voor dat geval valt in de tabel af te lezen dat er minimaal 1 jaar tussen de eerste en de laatste termijn moet zitten.

Artikel III, onderdeel C (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel 13bis van de Wet LB 1964 die op 1 januari 2008 heeft plaatsgevonden, is de verwijzing in artikel 21c, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tiende lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964 met ingang van die datum niet meer juist. Daarom wordt deze verwijzing met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2008 gewijzigd in een verwijzing naar het elfde lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel III, onderdeel D (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel 13bis van de Wet op de Wet LB 1964 die op 1 januari 2009 heeft plaatsgevonden, zijn de verwijzingen in artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tweede lid, naar het eerste lid en (sinds de in artikel III onderdeel C, opgenomen wijziging) naar het elfde lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964 met ingang van die datum niet meer juist. Daarom worden deze verwijzingen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 gewijzigd in verwijzingen naar respectievelijk het vierde lid en dertiende lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel III, onderdeel E (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing en energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week terzake van bewassing en voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de eveneens in dit artikel opgenomen bedragen voor water ongewijzigd.

Artikel III, onderdeel F (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel G (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel H (artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

Artikel III, onderdeel I (artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

Artikel III, onderdeel J (artikel 60 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 is artikel 19a van Wet op de loonbelasting 1964 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge dit artikel kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van dit artikel op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met het ingevolge deze wijzigingsregeling in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 in te voeren artikel 60a wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.

Artikel III, onderdeel K (artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Voor de toelichting op de wijziging van artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verwezen naar de in artikel III, onderdeel J, opgenomen toelichting die mutatis mutandis eveneens geldt voor artikel 19g van de Wet LB 1964 juncto artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Artikel III, onderdeel L (artikel 68 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de daar genoemde uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen die door hem niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend. Genoemd onderdeel b is verouderd. De daarin genoemde onderdelen l (de vrijstelling voor vergoedingen van bijzondere ziektekosten) en p (de computervrijstelling) van artikel 11, eerste lid, van de Wet LB 1964 zijn vervallen, zodat ook de verwijzingen naar deze bepalingen kunnen vervallen. Omdat tevens enkele redactionele aanpassingen nodig bleken te zijn, wordt artikel 68, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 opnieuw vastgesteld.

Artikel III, onderdeel M (artikel 91 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Als een inhoudingsplichtige loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, wordt hij op grond van artikel 91, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geacht het totale bedrag te verstrekken uit een vroegere dienstbetrekking. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor afkoopsommen als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 die met ingang van 1 januari 2010 onder de loonbelasting worden gebracht. Doordat de afkoopsom als loon uit een afzonderlijke (vroegere) dienstbetrekking wordt verantwoord, met een speciale code in de aangifte loonheffingen, kan bij de heffing van inkomstenbelasting worden vastgesteld in hoeverre artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (revisierente) van toepassing is. Deze uitzondering op de regel dat samenvoeging moet plaatsvinden, wordt per 1 januari 2010 opgenomen in artikel 91, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. De tekst van het tweede lid wordt in dat kader opnieuw vastgesteld. De al bestaande uitzondering op de regel tot samenvoeging (bij een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt) is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in de aanhef en onderdeel a van dit tweede lid.

Artikel IV, onderdeel A (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De bedragen zoals opgenomen in de tabel van artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn geactualiseerd voor 2010.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 12c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In het nieuwe artikel 12c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering zijn bepalingen opgenomen ter nadere invulling van de ingevolge het Belastingplan 2010 in artikel 4, eerste lid, onderdeel i, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen opgenomen tijdelijke uitbreiding van de afdrachtvermindering onderwijs. In het eerste lid van artikel 12c van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering is geregeld dat de opleiding moet zijn opgenomen in het centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, het zogeheten Crebo-register, dan wel in het centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, het zogeheten Croho-register. Uit de informatie over de instelling en de opleiding, opgenomen in deze registers, valt het beoogde opleidingsniveau af te leiden. De aanwijzing van de opleiding betekent overigens niet zonder meer dat de afdrachtvermindering van toepassing is; daarvoor is vereist dat ook aan de overige voorwaarden is voldaan die bij of krachtens artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen worden gesteld.

Artikel V, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 14a, 14b en 23c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Daarom is artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.

Artikel V, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen mogen ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij het bepalen van de winst een redelijke rente in aftrek brengen over het vermogen bij het begin van het jaar. Het percentage van die redelijke rente wordt aangepast aan de renteontwikkelingen van de laatste jaren. Dit percentage is berekend aan de hand van het gemiddelde effectieve rendement van staatsleningen gedurende de laatste 15 jaar, waarbij voor de jaren na 2003 alleen het effectieve rendement van de jongste tienjarige staatslening is meegenomen. Op grond van deze berekening wordt het percentage per 1 januari 2010 verlaagd van 5% naar 4,5%.

Artikel V, onderdeel C (artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

De aangepaste verwijzing in de aanhef van het eerste lid van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 hangt samen met de wijzigingen van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals opgenomen in Overige fiscale maatregelen 2010. In de in het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 opgenomen 20%-extern-vreemdvermogeneis is de term ‘doorgaans’ opgenomen. Met het opnemen van de term doorgaans wordt bereikt dat de werkzaamheden van een concernfinancieringslichaam ook als actief worden aangemerkt als gedurende een korte periode niet aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. Dit moet wel het gevolg zijn van omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van het concern liggen.

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie waarin een concernfinancieringslichaam een US-dollarschuld aan een derde partij heeft waardoor aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. Als door een wisselkoersdaling van de dollar op enig moment niet aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis zou worden voldaan, blijft het concernfinancieringslichaam actief. Wel moet het concern maatregelen nemen zodat na enige tijd weer aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. Een ander voorbeeld betreft een externe schuld die als gevolg van de kredietcrisis tijdelijk niet geherfinancierd kan worden. Ook hier geldt dat het concern maatregelen moet nemen zodat na enige tijd weer aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis wordt voldaan. In artikel 2a, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is een uitzondering op de 20%-extern-vreemdvermogeneis opgenomen. Onderdeel van deze uitzondering is dat de concernlichamen waarvoor het lichaam financieringswerkzaamheden verricht zelf geen vreemd vermogen van derden hebben aangetrokken, behoudens vanwege specifieke zakelijke redenen.

In de praktijk is gebleken dat er naast de drie in de tweede volzin van het tweede lid van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 genoemde redenen meer specifieke zakelijke redenen kunnen worden onderkend. Door de limitatieve opsomming kwalificeren die redenen echter niet. Om die reden is in de slotzin van het tweede lid de term ‘in ieder geval’ opgenomen. De opsomming van specifieke zakelijke redenen van dit lid is hierdoor niet langer limitatief. Bij specifieke zakelijke redenen zal het normaal gesproken gaan om bepalende omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van het concern liggen. Zo kan in een geval waarbij nationale wetgeving financiering via een lokale bank eist, sprake zijn van een specifieke zakelijke reden. Concernbeleid en -richtlijnen kwalificeren normaal gesproken echter niet, ook niet als ze om niet fiscale redenen zijn vormgegeven (behalve als ze het gevolg zijn van omstandigheden die buiten de directe invloedssfeer van het concern liggen). In het nieuwe derde lid van artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is een bepaling opgenomen die regelt dat voor de 20%-extern-vreemdvermogeneis van het eerste lid, onderdeel b, ook het vreemde vermogen meetelt dat van een andere concernmaatschappij is verkregen, waarvan de functie is om extern geld aan te trekken. Deze uitbreiding geldt alleen als het concernfinancieringslichaam om zakelijke redenen via een ander lichaam (een deel van) het door het concern benodigde externe vreemd vermogen aantrekt. Van een zakelijke reden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het concern om zwaarwegende commerciële redenen via een ander lichaam dan het 2a-lichaam het door het concern benodigde externe vreemd vermogen aantrekt. Verder wordt er een verband geëist tussen de lening aan het concernfinancieringslichaam en de externe lening. Met de term 'verband' wordt bereikt dat het vreemde vermogen historisch terug te voeren is naar extern aangetrokken vreemd vermogen. Het hoeft niet om een ‘direct verband’ te gaan omdat een dergelijke parallelliteit te strak zou kunnen zijn, bijvoorbeeld in geval de concernvennootschap een commercial paper programma heeft waarin dagelijks mutaties plaatsvinden.

Artikel V, onderdeel D (artikel 2b van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling is van belang of een dochtermaatschappij die zich bezig houdt met concernfinanciering en/of het ter beschikking stellen van activa dit al dan niet actief doet. In artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is geregeld wanneer sprake is van actieve concernfinanciering. Hoewel deze bepaling niet is toegesneden op de beantwoording van de vraag of sprake is van actieve terbeschikkingstelling binnen concern, geldt die tot nu toe ook daarvoor. In de memorie van toelichting op het in Overige fiscale maatregelen 2010 opgenomen nieuwe artikel 13, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, staat daarom dat in de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 zal worden bepaald wat onder actieve terbeschikkingstellingswerkzaamheden moet worden verstaan. Het nieuwe artikel 2b van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 is gebaseerd op het nieuwe artikel 13, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en regelt met ingang van 1 januari 2010 wat onder actieve terbeschikkingstellingswerkzaamheden moet worden verstaan. De tekst is ontleend aan artikel 2a, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 maar is op onderdelen toegespitst op terbeschikkingstellingswerkzaamheden. Hierna worden de verschillen voor zover nodig toegelicht.

20%-extern-vreemdvermogeneis

Eén van de kenmerken van lichamen die actief bedrijfsmiddelen ter beschikking stellen, is dat zij een zekere mate van beslissingsbevoegdheid hebben over de wijze van financiering van de bedrijfsmiddelen. Daarbij ligt het niet voor de hand dat zij hun niet zelf ontwikkelde bedrijfsmiddelen volledig met eigen vermogen zullen financieren. Omdat voorts vrijwel geen enkel concern volledig met eigen vermogen is gefinancierd, is in het eerste lid, onderdeel b, een extern-vreemdvermogeneis opgenomen. Deze 20%-extern-vreemdvermogeneis grijpt aan bij de aanschaffingskosten van de ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen. Dit sluit beter aan bij bedrijfsmiddelen waarop moet worden afgeschreven dan de 20%-extern-vreemdvermogeneis van artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 die aangrijpt bij de actiefzijde van de balans. Er is bewust voor gekozen om de 20%-extern-vreemdvermogeneis te beperken tot de aanschaffingskosten. Dit betekent dat er geen 20%-extern-vreemdvermogeneis geldt als een ter beschikking te stellen bedrijfsmiddel door het lichaam zelf wordt voortgebracht. Hiermee wordt recht gedaan aan risicovolle ontwikkeltrajecten, bijvoorbeeld in de sfeer van medicijnontwikkeling, die juist vanwege het grote risico met eigen vermogen worden gefinancierd. Via het tweede lid is geregeld dat indien een terbeschikkingstellingslichaam niet aan de 20%-extern-vreemdvermogeneis voldoet, dit lichaam geacht wordt hier toch aan te voldoen als het lichaam ten minste evenveel extern vreemd vermogen heeft als het concern als geheel. Het begrip extern vreemd vermogen (feitelijk van derden aangetrokken vreemd vermogen) is via het derde lid op dezelfde wijze ingevuld als bij artikel 2a van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971. Voor een toelichting wordt dan ook verwezen naar de toelichting op het nieuwe derde lid van genoemd artikel 2a.

Substance

Bij de substance-eisen van het eerste lid, onderdeel c, is onderscheid gemaakt tussen het ter beschikking stellen van materiële vaste activa en het ter beschikking stellen van immateriële vaste activa. De reden hiervoor is dat dit naar hun aard wezenlijk andere activiteiten betreffen.

Artikel V, onderdeel D (artikel 2c van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

Bij Overige fiscale maatregelen 2010 zijn de artikelen de artikelen 14a, elfde lid, 14b, achtste lid, en 23c, derde en vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepalingen kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van deze artikelen worden aangewezen,in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van deze artikelen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met het ingevolge deze wijzigingsregeling in de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 in te voegen artikel 2c wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.

Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

De Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 4, tweede lid, 4e en 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965. Daarom is artikel 1 van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.

Artikel VI, onderdeel B (artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

De artikelen 4, tweede lid, en 10, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 zijn ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepalingen kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van deze artikelen worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van deze artikelen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met het ingevolge deze wijzigingsregeling in te voegen artikel 1a van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.

Artikel VI, onderdeel C (1artikelen 1ab en 1ac van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965)

Met ingang van 1 januari 2010 worden in de artikelen 4e en 4f van de Wet op de dividendbelasting 1965 twee nieuwe inhoudingsvrijstellingen dividendbelasting opgenomen. In de artikelen 1ab en 1ac van de Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 is in dat kader geregeld dat die inhoudingsvrijstellingen kunnen worden toegepast, voor zover de opbrengstgerechtigde voor het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld jegens de inhoudingsplichtige schriftelijk verklaart dat zich een situatie voordoet waarop de vrijstelling ziet. De Belastingdienst kan (op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) desgewenst vragen die schriftelijke verklaring te overleggen.

Artikel VII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan artikel 38, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarom is artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 aangevuld met een verwijzing naar artikel 38 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel VII, onderdeel B en C (artikelen 2 en 21 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De wijzingen van de artikelen 2, tweede lid, en 21, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Algemenen wet inzake rijksbelastingen 1994 betreffen een technische aanpassing in verband met de wijziging van de Successiewet 1956 ingevolge de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).

Artikel VII, onderdeel D (artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Met de introductie van artikel 9.5 van de Wet IB 2001 wordt met ingang van belastingjaar 2010 beoogd om in het proces van voorlopige aanslagen een duidelijker onderscheid te maken tussen de fase waarin louter sprake is van het verzamelen en actualiseren van gegevens (herzieningsfase) en de fase waarin sprake is van een geschil tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst. Een en ander is geregeld bij de Fiscale vereenvoudigingswet 2010. In dit verband wordt in artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 bepaald dat de mededeling, bedoeld in voornoemd artikel, wordt geacht een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, van de Wet IB 2001 te zijn. Hiermee wordt geborgd dat er rechtsbescherming is als de belastingplichtige relevante wijzigingen doorgeeft en de inspecteur deze niet volgt. Naast de mogelijkheid van het doorgeven van mutaties via een formulier, komt er in de loop van 2010 ook de mogelijkheid van telefonisch muteren. De precieze vormgeving van het telefonisch wijzigen van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt thans onderzocht, zodat in het voorjaar van 2010 daarover op basis van de resultaten van het onderzoek wordt besloten. Dan zullen ook die wijzigingen in de onderhavige uitvoeringsregeling hun beslag krijgen. De thans reeds opgenomen wijziging van artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is voor het eerst van toepassing met betrekking tot belastingaanslagen inkomstenbelasting ter zake van de tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010. Hiermee is geborgd dat de inwerkingtreding samenvalt met de inwerkingtreding van de artikelen in de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 waaruit de wijzigingen voortvloeien.

Artikel VII, onderdeel E (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De regels voor ambtshalve vermindering van het verzamelinkomen behoren dezelfde te zijn als de regels die gelden voor ambtshalve vermindering van de belastingaanslagen inkomstenbelasting, zeker nu in artikel 21k, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is geregeld dat het met de belastingaanslag inkomstenbelasting samenhangende verzamelinkomen voor de toepassing van dat artikel wordt geacht onderdeel uit te maken van die belastingaanslag. De wijzigingen van artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 hangen dan ook samen met het nieuwe artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en het Beleidsbesluit ambtshalve verminderen of teruggeven, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt (Stcrt. 2009, 19523). Zo is gebleken is dat er meer momenten wettelijk zijn voorgeschreven waarop een beroep op een fiscale faciliteit moet worden gedaan dan bijvoorbeeld bij de aangifte of vóór de inhouding. Te denken valt aan artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 waarin is geregeld dat er een keuzerecht is voor in het buitenland geworven deskundigen zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat. Daarom is onderdeel d van artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964, in lijn met voornoemd Beleidsbesluit, aangepast. Ook is gebleken dat onderdeel e van voornoemd artikel te beperkt was geredigeerd doordat daarin voor de beperking van de ambtshalve vermindering alleen werd gerept over navordering en naheffing, terwijl het ook kan gaan om het opleggen van een aanslag. Daarom wordt genoemd onderdeel e ruimer geformuleerd in die zin dat het geldt als er niet is geheven en ook niet meer kan worden geheven. Deze wijzigingen zijn voor het eerst van toepassing met betrekking tot inkomensgegevens over het kalenderjaar 2010.

Artikel VII, onderdeel F (artikel 42 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bij Overige fiscale maatregelen 2010 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge deze bepaling kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met de onderhavige wijziging worden Noorwegen en IJsland als zodanige staten aangewezen.

Artikel VII, onderdeel G (artikel 43c van de Uitvoeringregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 regelt de gegevensverstrekking door de Belastingdienst aan andere bestuursorganen ten behoeve van de goede vervulling van hun publiekrechtelijk taak. Artikel VII, onderdeel G,voegt enkele (taken van) bestuursorganen aan die lijst toe op basis van nieuwe verzoeken om structurele gegevensverstrekking door de Belastingdienst.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook het afsprakendocument met de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit – dat invulling geeft aan de ontheffing van artikel 43c, eerste lid, onderdeel p – is aangevuld. Een afschrift van dit afsprakendocument ligt ter inzage op het Ministerie van Financiën.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel b

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft loonheffingennummers van de Belastingdienst nodig om overheidswerkgevers te kunnen indelen in de 14 arbeidsvoorwaardelijke sectoren. Deze indeling draagt bij aan het adequaat uitvoeren van beleidsonderzoek. Daarnaast heeft Tweede Kamer om dit onderscheid gevraagd. De toevoeging van het nieuwe subonderdeel aan artikel 43c, eerste lid, onderdeel b, voorziet in deze gegevensverstrekking.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel d

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel d, wordt opgedeeld in subonderdelen. Subonderdeel 1 is inhoudelijk gelijk met de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel d. Aan subonderdeel 2 wordt een gegevenscategorie toegevoegd. Het betreft een overzicht van bedrijven die bepaalde categorieën aardolieproducten per jaar uitslaan uit een accijnsgoederenplaats. Dit overzicht wordt door het Ministerie van Economische Zaken gebruikt bij het uitvoeren van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel h

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel h, wordt opgedeeld in subonderdelen. Subonderdeel 1 is inhoudelijk gelijk met de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel h. Subonderdeel 2 ziet op gegevens ten behoeve van het toezicht op woningcorporaties. De VROM-Inspectie heeft voor een goede taakuitoefening van haar publiekrechtelijke taak een verificatie van de bij haar aanwezige gegevens nodig. De Belastingdienst beschikt over gegevens die ter verificatie kunnen dienen. De gegevensverstrekking geldt niet voor gegevens die afkomstig zijn uit opsporingsonderzoeken. De gegevensverstrekking uit subonderdeel 3 draagt bij aan een effectief en efficiënt toezicht op vuurwerkbedrijven door de VROM-Inspectie.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel j, onder 6° (nieuw)

Onderhavige wijziging voegt een zesde subonderdeel toe aan artikel 43c, eerste lid, onderdeel j. Dit nieuwe subonderdeel regelt de verstrekking van de naam, adres- en woonplaatsgegevens van erfgenamen die de gemeente gebruikt om openstaande gemeentelijke belastingschulden van de overledene te kunnen innen. Deze specifieke gegevenscategorie ontbreekt thans nog in onderdeel j, subonderdeel 2, en wordt vanwege het specifieke karakter van de gegevens als afzonderlijk subonderdeel toegevoegd.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel m

De omschrijving van artikel 43c, eerste lid, onderdeel m, wordt aangepast. Destijds is de onderhavige omschrijving opgenomen om fiscale informatie te kunnen verstrekken aan samenwerkingsverbanden die integraal bestuurlijk toezicht tot doel hebben. In eerste instantie ging het voornamelijk om de bestuurlijke aanpak van handhavingsknelpunten (waaronder de zogenoemde vrijplaatsen). Inmiddels zijn er meer samenwerkingsverbanden die voor het integraal bestuurlijk toezicht fiscale informatie nodig hebben. Het betreft de onlangs gestarte Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC), waarin de verschillende regiokantoren van de Belastingdienst participeren. De term ‘handhavingsknelpunten’ is te beperkend om dit soort samenwerkingsverbanden onder de werking van onderdeel m te kunnen brengen. Daarom wordt de omschrijving aangepast.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel u

Het Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Stcrt. 2009, 71) vervangt het Convenant herstructurering FEC. De onderhavige wijziging brengt het eerste lid, onderdeel u, daarmee in overeenstemming.

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel y tot en met aa (nieuw)

Onderhavige wijziging voegt 3 onderdelen aan artikel 43c, eerste lid, toe, die hieronder afzonderlijk worden toegelicht.

Onderdeel y: de Douane heeft gegevens beschikbaar vanuit het toezicht in het kader van de Wet op de accijns. Deze gegevens heeft DCMR Milieudienst Rijnmond nodig voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van de gemeentelijke en provinciale taken in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder.

Onderdeel z: op grond van artikel 4:9, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling LNV-subsidies kunnen vissers die vroegtijdig uittreden aanspraak maken op een financiële tegemoetkoming. De Minister van LNV heeft de inkomensgegevens van die vissers nodig om te controleren of een juiste tegemoetkoming is verstrekt.

Onderdeel aa: op grond van artikel 11a, eerste en vierde lid, van de Tabakswet dient de Voedsel en Waren Autoriteit in het kader van het rookvrij maken van de horeca onderscheid te maken tussen horecabedrijven mét personeel en horecabedrijven zonder personeel. Deze taak kan slechts effectief worden uitgevoerd indien de Voedsel en Waren Autoriteit gegevens van de Belastingdienst kan gebruiken om te onderzoeken of personeel aanwezig is. Daartoe levert de Belastingdienst de periodieke loonaangifte.

Artikel VIII onderdeel A tot en met T (de artikelen 1, 3, 3a, 4, 5, 5a, 6, 6a, 7, 8, 9, 9a 11, 19, 20, 23 en 24 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

In het eerste hoofdstuk van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: UrBD 2003) is de organisatie van de Belastingdienst omschreven. Niet alleen de verschillende organisatieonderdelen van de Belastingdienst, maar ook de taken die worden uitgevoerd, zijn omschreven in artikel 3 van de UrBD 2003. Daarbij zijn ook de taken van de organisatieonderdelen van Belastingdienst/Douane omschreven in artikel 3, derde lid, van de UrBD 2003. Voor zover het de rijksbelastingen betreft, bedoeld in de onderdelen b tot en met f van artikel 3, derde lid, van de UrBD 2003, is aan de voorzitters van de managementteams van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a, b en c1, genoemde organisatieonderdelen de bevoegdheid om de heffings- en invorderingstaken uit te voeren gegeven in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en artikel 5, eerste lid, van de UrBD 2003. Op 1 januari 2010 wordt de organisatie van de onderdelen van de Belastingdienst/Douane aangepast. De vier douaneregio’s gaan op in één landelijk werkend organisatieonderdeel, Belastingdienst/Douane. Dit organisatieonderdeel kent een onderverdeling in negen douaneregio’s. De Belastingdienst/Douane staat onder leiding van een algemeen directeur. De algemeen directeur is landelijk bevoegd als inspecteur, ontvanger en directeur in de zin van de Algemene wet rijksbelastingen en de Algemene douanewet. De wijzigingen van de UrBD 2003 in de artikelen 1, 3, 4, 5, 5a, 6, 7, 8, 9, en 23 houden hiermee verband. Om de belastingplichtigen inzicht te geven binnen welke douaneregio zij in de eerste plaats voor hun douaneaangelegenheden terecht kunnen, zijn in de UrBD 2003 zogenoemde ressorteerbepalingen opgenomen. Als hoofdregel geldt daarbij dat, evenals voorheen, de woon- of vestigingsplaats van de belastingplichtige of entiteit bepalend is. Artikel 11 van de UrBD 2003 en de Bijlage zijn hierop aangepast. De Belastingdienst/Douane zal verder op de gebruikelijke wijze informatie verstrekken aangaande de nadere uitwerking van de ressorteerbepalingen. Het op aangifte voldoen van de belasting van personenauto's en motorrijtuigen alsmede, in voorkomend geval, van de omzetbelasting als bedoeld in artikel 17h, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan met ingang van 1 januari 2010 niet meer geschieden bij de Belastingdienst/Douane maar moet geschieden bij de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de UrBD genoemde organisatieonderdelen. De aanpassing van artikel 24 UrBD 2003 voorziet daarin. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt de ressorteringsbepaling ten aanzien van enkele internationale instellingen te verduidelijken (en enkele redactionele wijzigingen aan te brengen).

Onderdeel N

De in onderdeel N opgenomen wijziging van artikel 14 van de UrBD betreft een technische aanpassing in verband met de wijziging van de Successiewet 1956ingevolge de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).

Onderdeel O

De in onderdeel O opgenomen wijziging van artikel 16 van de UrBD betreft een redactionele aanpassing als gevolg van de in de Fiscale vereenvoudigingwet 2010 opgenomen vereenvoudiging van de belastingheffing op minerale oliën. De minerale oliën worden voortaan alleen belast met accijns.

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW 1990) is met ingang van 1 november 2009 gewijzigd3. Er is een nieuw hoofdstuk 1A ingevoegd dat ziet op de overheidsvordering. Abusievelijk is de verwijzing in artikel 1b, tweede lid, UR IW 1990 hier nog niet op aangepast. Met de onderhavige regeling wordt dit hersteld. Voorts is de verwijzing in het derde lid naar de artikelen van de UR IW 1990 die de verschillende situaties van uitstel van betaling regelen aangepast aan de bestaande situatie waarbij een nieuw artikel 3a is toegevoegd en artikel 6 is vervallen.

Artikel IX, onderdeel B, onder 1 (artikel 1e van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet op het financieel toezicht in werking getreden. Bij de inwerkingtreding van deze wet is onder andere de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ingetrokken4. In dat kader wordt de verwijzing in artikel 1e, tweede lid, onderdeel a, UR IW 1990 naar de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vervangen door een verwijzing naar de Wet op het financieel toezicht.

Artikel IX, onderdeel B, onder 2, en onderdeel C (artikelen 1e en 1g van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 1e, tweede lid, en artikel 1g, eerste lid, UR IW 1990 zijn in overeenstemming gebracht met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Commissie tegen Nederland5. In artikel 1g is geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling niet alleen achterwege blijven in geval van emigratie van de belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie, maar ook bij een emigratie naar Noorwegen of IJsland. In artikel 1e is geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling achterwege blijven in geval de verzekeraar in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd of in Noorwegen of IJsland.

Artikel IX, onderdeel D (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 2 UR IW 1990 wordt aangepast aan de aanpassingen van de verwijzingen in van artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) naar de Wet IB 2001. In artikel 25, achtste lid, IW 1990 is de bestaande betalingsfaciliteit uitgebreid met een conserverende aanslag die wordt opgelegd wegens een schenking van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan een verkrijger die niet in Nederland woont. Voorts is er een conserverende aanslag geïntroduceerd voor een vervreemding van een aanmerkelijk belang wegens een verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap indien de verkrijger niet in Nederland woont.

Voor conserverende aanslagen opgelegd door toepassing van artikel 2.8, vierde, vijfde, zesde of zevende lid, van de Wet IB 2001 wordt in het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2 UR IW 1990 geregeld hoe om uitstel moet worden verzocht. In het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2 UR IW 1990 is geregeld dat het schriftelijk verzoek en de zekerheidstelling achterwege kunnen blijven indien de verkrijger van de aandelen of winstbewijzen in een lidstaat van de Europese Unie woonachtig is. Een schriftelijk verzoek en het stellen van zekerheid zijn wel vereist als de verkrijger niet in een lidstaat van de Europese Unie woonachtig is. Voorts is in het nieuwe tweede lid van artikel 2 UR IW 1990 geregeld dat in het geval van een conserverende aanslag opgelegd met toepassing van artikel 2.8, zevende lid, van de Wet IB 2001, partijen een gezamenlijk schriftelijk verzoek dienen in te dienen om voor uitstel van betaling in aanmerking te komen indien de verkrijger niet in een lidstaat van de Europese Unie woonachtig is.

In het vijfde lid (nieuw) is geregeld dat het uitstel van betaling onder nadere voorwaarden kan worden voortgezet als de aandelen of winstbewijzen worden vervreemd in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet IB 2001. De verkregen aandelen of winstbewijzen worden geacht aan het uitstel van betaling ten grondslag te liggen. Dit betekent dat bij een vervreemding van de verkregen aandelen of winstbewijzen het uitstel van betaling op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 wordt beëindigd. Ook geldt de meldingsplicht van artikel 2, negende lid (nieuw), UR IW 1990 ten aanzien van de verkregen aandelen of winstbewijzen.

De uitbreiding van de bestaande betalingsfaciliteit van artikel 25, achtste lid, met conserverende aanslagen opgelegd met toepassing van artikel 2.8, vierde tot en met zevende lid, van de Wet IB 2001 geeft ook aanleiding om, naast de bestaande situaties, ook voor deze gevallen de situaties te beschrijven waarin een verleend uitstel van betaling ondanks een vervreemding van verkregen aandelen of winstbewijzen kan worden voortgezet. Het nieuwe zesde en achtste lid beschrijven die situaties alsmede de voorwaarden waaronder het verleende uitstel kan worden voortgezet. Dit kan bijvoorbeeld in geval van een schenking van de aandelen. Onder een schenking valt ook de materiële schenking, ofwel de gift. Aangezien de term ‘schenking’ – als verzamelbegrip van formele schenking en materiële schenking – meer is ingeburgerd dan de term ‘gift’, is de term schenking gebezigd. Van belang is dat het ‘doorschenken’ door de verkrijger in het buitenland ook gevolgen heeft voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 45 IW 1990. De opvolgende verkrijger kan aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 45 IW 1990.

In het zesde en achtste lid worden voor wat betreft de mogelijkheid om het verleende uitstel voort te zetten restricties gehanteerd die aansluiten op de binnenlandse situaties waarin de vervreemdingsvoordelen wel tot een afrekening zouden leiden ingevolge artikel 4.17a of 4.17c van de Wet IB 2001. In binnenlandse situaties kan een doorschuifregeling worden gebruikt wanneer aandelen of winstbewijzen worden geschonken aan of geërfd door een verkrijger die binnen Nederland woont. Woont de verkrijger in het buitenland, dan wordt er een conserverende aanslag opgelegd voor de inkomstenbelasting over het vervreemdingsvoordeel waarvoor op grond van artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling wordt verleend. De doorschuifregeling wordt slechts toegepast voor het in de vennootschap, waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, aanwezige ondernemingsvermogen. De vervreemder dient af te rekenen over het aanwezige beleggingsvermogen. De conserverende aanslag wordt opgelegd voor het volledige vervreemdingsvoordeel, inclusief eventueel aanwezig beleggingsvermogen. Voorzover er beleggingsvermogen aanwezig is in de vennootschap kan het uitstel van betaling niet worden voortgezet bij een vervreemding.

Voorbeeld 1 werking artikel 2, zesde lid, UR IW 1990 in een situatie met ook beleggingsvermogen

A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV. Dit aandelenbezit vormt een aanmerkelijk belang. De aandelen zijn destijds gekocht voor 5 per stuk. A emigreert naar het buitenland en krijgt een conserverende aanslag voor een bedrag van 125, te weten de belasting van 25% over de waardestijging van de aandelen. Voor het bedrag van de conserverende aanslag wordt op grond van artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling verleend.

Vijf jaar na emigratie overlijdt A en worden de aandelen geërfd door F. De waarde van een aandeel is inmiddels gestegen naar 12 en is voor 40% toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van X-BV. Op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 kan het uitstel dan onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet. Op grond van artikel 2, zesde lid, UR IW 1990 dient hiertoe een schriftelijk verzoek te worden ingediend bij de ontvanger. Op grond van het zesde lid, tweede volzin, zal het verzoek slechts gedeeltelijk kunnen worden ingewilligd.

Als ten tijde van de vererving A en F in Nederland zouden hebben gewoond, zou de vervreemding hebben geleid tot een in aanmerking te nemen overdrachtsprijs van 100x12x60/100=720. Na aftrek van de verkrijgingsprijs ad 100x5=500, leidt dit tot een ab-winst van 220. De hierover verschuldigde belasting bedraagt 55 (25%). Dit leidt er toe dat op de conserverende aanslag 55 moet worden betaald, zodat slechts voor een bedrag van 125–55=70 het uitstel van betaling kan worden voortgezet bij de erfgenaam.

De uitwerking is niet anders wanneer F bij het overlijden van A reeds in Nederland zou wonen.

Voorbeeld 2 werking artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 in een situatie met alleen ondernemingsvermogen

A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV; de BV heeft alleen ondernemingsvermogen. Dit aandelenbezit vormt een aanmerkelijk belang. De aandelen zijn destijds gekocht voor 5 per stuk. A emigreert naar het buitenland en krijgt een conserverende aanslag voor een bedrag van 125, te weten de belasting van 25% over de waardestijging van de aandelen. Voor het bedrag van de conserverende aanslag wordt op grond van artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling verleend.

Na vijf jaar schenkt A de aandelen aan F. F is reeds gedurende 36 maanden die voorafgaan aan de schenking in dienstbetrekking van X-BV; de BV heeft nog steeds alleen ondernemingsvermogen. Op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 kan het uitstel onder nader te stellen voorwaarden voor het gehele bedrag worden voortgezet. Op grond van artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 dienen A en F daartoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij de ontvanger.

Voorbeeld 3 werking artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 in een situatie met ook beleggingsvermogen

A heeft 100 aandelen met een waarde van 10 in X-BV. Dit aandelenbezit vormt een aanmerkelijk belang. De aandelen zijn destijds gekocht voor 5 per stuk. A emigreert naar het buitenland en krijgt een conserverende aanslag voor een bedrag van 125, te weten de belasting van 25% over de waardestijging van de aandelen. Voor het bedrag van de conserverende aanslag wordt op grond van artikel 25, achtste lid, IW 1990 uitstel van betaling verleend.

Vijf jaar na emigratie schenkt A de aandelen aan F. De waarde van een aandeel is inmiddels gestegen naar 12 en is voor 40% toe te rekenen aan het ondernemingsvermogen van X-BV. F is reeds gedurende 36 maanden voorafgaand aan de schenking in dienstbetrekking van X-BV. Op grond van artikel 25, achtste lid, onderdeel a, IW 1990 kan het uitstel dan onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet ondanks de vervreemding aan F. Op grond van artikel 2, achtste lid, UR IW 1990 dienen A en F daartoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij de ontvanger. Op grond van het achtste lid, tweede volzin, zal het verzoek slechts gedeeltelijk kunnen worden ingewilligd.

Als ten tijde van de schenking A en F in Nederland zouden hebben gewoond, zou de schenking hebben geleid tot een in aanmerking te nemen overdrachtsprijs van 100x12x60/100=720. Na aftrek van de verkrijgingsprijs ad 100x5=500, leidt dit tot een ab-winst van 220. De hierover verschuldigde belasting bedraagt 55 (25%). Dit leidt er toe dat op de conserverende aanslag 55 moet worden betaald, zodat slechts voor een bedrag van 125–55=70 het uitstel van betaling kan worden voortgezet.

In het negende lid (nieuw) van artikel 2 UR IW 1990 is onderdeel c van artikel 25, achtste lid, IW 1990 aan de opsomming toegevoegd. Abusievelijk is onderdeel c, toen dit onderdeel in de wet is opgenomen6, niet toegevoegd aan de opsomming7.

Tot slot is artikel 2 UR IW 1990 in overeenstemming gebracht met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Commissie tegen Nederland8. In het tiende lid is geregeld dat in alle gevallen waarin in artikel 2 UR IW 1990 wordt gesproken van een lidstaat van de Europese Unie, hieronder mede wordt verstaan Noorwegen en IJsland.

Artikel IX, onderdeel E (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 3, derde lid, UR IW 1990 is geregeld dat de belastingschuld in tien jaarlijkse termijnen dient te worden voldaan. De termijn waarbinnen de eerste termijn moet worden gedaan is van twee maanden gewijzigd in zes weken. Dit hangt samen met de wijziging van de betalingstermijn in artikel 9, eerste lid, IW 1990 als gevolg van de Aanpassingswet vierde tranche Awb.

In artikel 3, vierde lid, onderdeel a, UR IW 1990 is de term ‘overdrachtsprijs’ vervangen door de term ‘tegenprestatie’. Op die manier wordt aangesloten bij de wettekst van artikel 25, negende lid, IW 1990.

In artikel 3, vierde lid, UR IW 1990 worden de regels gegeven over vermindering van het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend. Deze regels zouden ertoe leiden dat bijvoorbeeld een regulier voordeel dat wordt gebruikt als aflossing op de schuldig gebleven tegenprestatie tot tweemaal toe leidt tot een vermindering van het bedrag waarvoor uitstel van betaling is verleend. Geregeld is in het nieuwe vijfde lid dat in een dergelijk geval slechts éénmaal een vermindering wordt toegepast, namelijk alleen voor het bedrag van de aflossing.

Tot slot is er een nieuw zevende lid toegevoegd waarin uitvoering wordt gegeven aan de delegatiegrondslag opgenomen in artikel 25, negende lid, tweede volzin, IW 1990. Op grond van dat zevende lid wordt voor de toepassing van artikel 25, negende lid, IW 1990 vestiging in IJsland of Noorwegen gelijkgesteld aan vestiging in een lidstaat van de Europese Unie.

Artikel IX, onderdeel F (artikel 3a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In het nieuw ingevoegde artikel 3a UR IW 1990 zijn regels gegeven over het uitstel van betaling verleend op grond van artikel 25, elfde lid, IW 1990. Zoals in de memorie van toelichting9 op artikel 25, elfde lid, IW 1990, zoals dat met ingang van 1 januari 2010 luidt, is aangegeven, worden bij het uitstel van betaling de uitgangspunten van artikel 25, negende lid, IW 1990 gevolgd. Artikel 3a UR IW 1990 is daarom geënt op artikel 3 UR IW 1990. Uitstel van betaling wordt verleend gedurende ten hoogste tien jaren waarbij jaarlijks een termijn moet worden voldaan. De ontvanger vermindert het bedrag waarvoor uitstel van betaling wordt verleend ingeval van een vervreemding van aandelen of winstbewijzen en ingeval reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten.

Artikel IX, onderdeel G (artikel 4a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In het nieuw ingevoegde artikel 4a, derde lid, UR IW 1990 is geregeld dat het uitstel van betaling gedeeltelijk wordt beëindigd indien aflossingen plaatsvinden op de schuldig gebleven overdrachtsprijs. Het uitstel wordt beëindigd voor het bedrag van de helft van de aflossing.

In de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 4a, vierde lid, UR IW 1990 werd verwezen naar artikel 25, veertiende lid, vierde volzin, IW 1990. In verband met een wijziging van artikel 25, veertiende lid, IW 1990 bij Overige fiscale maatregelen 2010 is deze verwijzing aangepast.

Artikel IX, onderdeel H (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In de tot 1 januari 2010 geldende tekst van artikel 5, derde lid, UR IW 1990 wordt verwezen naar artikel 25, zestiende lid, derde volzin, IW 1990. In verband met een wijziging van artikel 25, zestiende lid, IW 1990, op grond van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 is deze verwijzing aangepast.

Artikel IX, onderdeel I (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 6 van de UR IW 1990 vervalt. Als gevolg van de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564) vervalt artikel 25, elfde lid, IW 1990 met ingang van 1 januari 2010. Aangezien artikel 6 UR IW 1990 is gebaseerd op artikel 25, elfde lid, IW 1990, vervalt met ingang van 1 januari 2010 artikel 6 UR IW 1990 ook.

Artikel IX, onderdelen J en K (artikelen 6a en artikel 6b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 6a, eerste lid, en in artikel 6b, eerste lid, UR IW 1990 is ‘de rechten van successie en schenking’ vervangen door: de schenk- of erfbelasting. Deze wijzigingen hangen samen met de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb. 564).

Artikel IX, onderdeel L (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet inrichting landelijk gebied in werking getreden10. Bij de inwerkingtreding van deze wet zijn onder andere de Herverkavelingswet Walcheren 1947 en de Landinrichtingswet ingetrokken. De in artikel 8 UR IW 1990 opgenomen verwijzingen naar deze wetten kunnen derhalve ook vervallen.

Artikel IX, onderdeel M (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 15, eerste lid, onderdeel f, UR IW 1990 is een standaardbedrag per dag voor kostgangers opgenomen voor de bepaling van de uitgaven in verband met het recht op kwijtschelding van belastingen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor het jaar 2010 wordt het bedrag gesteld op € 10,10.

Artikel IX, onderdeel N (artikel 28b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De inhoud van artikel 28b UR IW 1990 is vervangen door een nieuwe tekst. In artikel 28b UR IW 1990 worden regels gesteld voor de berekening van de te verlenen en de terug te nemen betalingskorting. De nieuwe tekst van artikel 28b UR IW 1990 hangt samen met de wijziging van artikel 27a IW 1990 met ingang van 1 januari 2010. De wijziging van artikel 27a van de IW 1990 houdt weer verband met de aanpassing van het tijdvak voor berekening van heffingsrente in artikel 30f, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Inhoudelijk komt een en ander er op neer dat wordt teruggekeerd naar de systematiek van berekening van betalingskorting zoals die luidde tot en met 31 december 2005. De tekst van artikel 28b UR IW 1990 is daarmee in overeenstemming gebracht.

Artikel X (Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente)

Ingevolge artikel 30f, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 29 IW 1990 is het rentepercentage van de heffingsrente, onderscheidenlijk de invorderingsrente, in een kalenderkwartaal gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal gegolden hebbende door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet, dan wel, indien dit lager is, het naar de gemiddelde koers van die dag door de Minister van Financiën berekende, ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven, aan Euronext effectenbeurs te Amsterdam genoteerde staatsleningen waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdste procenten en vervolgens wordt verminderd met 0,5 procentpunt, met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffings- en invorderingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt.

Gelet op het feit dat de door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet op 2 november 2009 1% bedroeg terwijl het hiervoor bedoelde gecorrigeerde rendement van staatsleningen op die dag 2,05% bedroeg, wordt het voor het eerste kwartaal 2010 te hanteren percentage van de heffingsrente en de invorderingsrente – net als voor het laatste kwartaal van 2009 – vastgesteld op 2,50%.

Artikel XI (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Op grond van artikel 17 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is de belanghebbende gehouden relevante wijzigingen die optreden in de omstandigheden die van belang zijn voor de aanspraak op of de hoogte van de tegemoetkoming te melden aan de Belastingdienst/Toeslagen. De wijzigingen kunnen niet alleen door de belanghebbende zelf maar ook door zijn partner of door een medebewoner worden gemeld. In artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling Awir) is nader uitgewerkt welke wijzigingen in omstandigheden aanleiding geven voor een melding en op welke wijze dat dient te gebeuren. Om het melden van wijzigingen in de omstandigheden te vergemakkelijken, is de mogelijkheid geschapen om bepaalde, veel voorkomende, wijzigingen niet alleen schriftelijk of elektronisch maar ook telefonisch (via de BelastingTelefoon) of anderszins mondeling (via de klantenbalie) aan de Belastingdienst/Toeslagen door te geven. Het moet dan gaan om wijzigingen die betrekking hebben op de hoogte van het inkomen lopende het berekeningsjaar en om wijzigingen die leiden tot het stopzetten van het voorschot.

Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Awir is hiermee in overeenstemming gebracht.

Artikel XII (Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken)

De Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken omvat eisen voor de vakbekwaamheid ten aanzien van taxateurs ter zake van algemene taxatietechnische kennis en praktijkvaardigheden alsmede specifieke kennis en vaardigheden met betrekking tot de Wet waardering onroerende zaken. Voor makelaars en taxateurs is er inmiddels een door de branche zelf georganiseerd systeem van persoonscertificering met registratie van de gecertificeerde deskundigen. Een certificatiesysteem voor WOZ-taxateurs maakt ook deel uit van het goed werkende systeem van persoonscertificering. Het belang van vastlegging van eisen in een publiekrechtelijke regeling is daarmee overbodig geworden. De Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken wordt daarom ingetrokken.

Artikel XIII (artikelen 1 en 7 van de Uitvoeringsregeling Wob Financiën)

Als gevolg van de aanpassingen in de organisatie van de Belastingdienst/Douane moeten de relevante bepalingen in de Uitvoeringsregeling WOB Financiën worden aangepast. Daartoe worden de artikelen 1 en 7 van de Uitvoeringsregeling WOB Financiën aangevuld met een verwijzing naar de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane. De aanpassing in art. 7, tweede lid, is gewenst om de ondermandatering aan de overige directeuren Douane mogelijk te maken.

Artikel XIV, onderdeel D (artikel 33a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Deze wijziging voorziet in het opnemen van een nieuw artikel 33a in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dit artikel ziet op de verplichtingen die van toepassing zijn op de teruggaafverzoeken die door niet in Nederland gevestigde ondernemers uit andere EU-lidstaten via de daar bestaande elektronische portalsites in Nederland worden ingediend op grond van artikel 32b van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Zo wordt in het eerste lid van artikel 33a uitvoering gegeven aan artikel 32f, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Bepaald is dat het teruggaafverzoek alle informatie moet bevatten die is voorgeschreven in de artikelen 8 en 9, lid 1, van Richtlijn 2008/9/EG. Deze informatieverplichting is dezelfde als die welke voor Nederlandse ondernemers is neergelegd in de artikelen 32c, tweede lid, en 33d, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Verder wordt uitvoering gegeven aan artikel 32h van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het gaat er daarbij om dat in het teruggaafverzoek van de niet in Nederland gevestigde ondernemer, naast de informatie die daarin ingevolge artikel 32f van de Wet op de omzetbelasting 1968 moet zijn opgenomen, ook de beroepsactiviteit van de buitenlandse ondernemer aan de hand van geharmoniseerde codes moet worden omschreven. Hiermee wordt zowel voor de ondernemer als voor de Belastingdienst duidelijkheid geboden en kan deze code mogelijke taalproblemen voor zijn. Het betreft de zogenaamde nace-code. Ook onder de huidige teruggaafprocedures van btw aan buitenlandse ondernemers moet deze de aard van de bedrijfsuitoefening op het voor alle lidstaten geldende formulier aangeven.

Het derde lid geeft uitvoering aan artikel 32i van de Wet op de omzetbelasting 1968. Tot 2010 is de gebezigde taal Nederlands geweest voor de afwikkeling van teruggaafverzoeken op grond van de Achtste richtlijn. Na 1 januari 2010 wordt het ook mogelijk daarvoor gebruik te maken van de Duitse en de Engelse taal.

Artikel XV, onderdeel A (Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling BPM bevat een opsomming van delegatiegrondslagen waaraan de regeling uitvoering geeft. Door de wijzigingen in de Wet BPM per 1 januari 2010 die voorvloeien uit het Belastingplan 2009 en de Wet overige fiscale maatregelen 2010 wijzigt de grondslag van twee artikelen in de Uitvoeringsregeling BPM. Hieraan wordt artikel 1 van de Uitvoeringsregeling aangepast. Omdat de wijziging van deze grondslagen helder uit dit artikel 1 blijkt, is het niet noodzakelijk om de wijziging van de grondslag in een wetsartikel vast te leggen.

Artikel XV, onderdeel B (Artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In het Belastingplan 2009 worden de artikelen die de delegatiegrondslagen bevatten waaraan artikel 6a van de Uitvoeringsregeling BPM uitvoering geeft herschikt per 1-1-2010. De aanhef van dit artikel wordt hieraan aangepast. Het gaat om de wijze waarop de CO2-uitstoot van een voertuig wordt aangetoond als deze niet op officiële wijze is vastgesteld.

Artikel XV, onderdeel C (Artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In de wet Overige fiscale maatregelen 2010 wordt een aanvullende delegatiegrondslag voor het in de Uitvoeringsregeling BPM reeds bestaande artikel 8, vijfde lid in het leven geroepen. De tekst van dit artikel wordt hieraan aangepast. Het gaat om de toepassing van de afschrijvingstabel bij het in de heffing betrekken van een gebruikt voertuig.

Verder wordt in verband met de wijziging per 1 januari 2010 van het afschrijvingsregime voor gebruikte voertuigen, opgenomen in artikel 10, tweede lid, van de wet, ook de Uitvoeringsregeling BPM aangepast. Vóór de wijziging was het uitgangspunt van de wettelijke regeling dat de afschrijving voor een gebruikt motorrijtuig werd bepaald aan de hand van de consumentenwaarde in gebruikte staat. De afschrijving werd dan uitgedrukt in een percentage van de consumentenprijs in nieuwstaat. Ingevolge twee arresten van de Hoge Raad11 is echter de inkoopwaarde voor een wederverkoper in Nederland de basis voor de berekening. De wet is daarom zodanig aangepast dat de afschrijving wordt uitgedrukt in een percentage van de inkoopwaarde in nieuwstaat. Bij voorliggende wijziging van de Uitvoeringsregeling BPM worden, zoals aangekondigd in de toelichting bij de wet Overige fiscale maatregelen 2010, nu ook de in de regeling opgenomen forfaitaire afschrijvingslijnen voor gebruikte motorrijtuigen op dit punt aangepast. Het betreft de facultatieve afschrijvingstabel voor heffing bij invoer en de tabel voor de berekening van de teruggave bij uitvoer. De wijziging van de tabel in artikel 8, vijfde lid, strekt ertoe de daarin genoemde percentages te verhogen met het verschil tussen de afschrijving over de verkoopprijs en de afschrijving over de inkoopprijs. De afschrijving over de inkoopprijs is gemiddeld namelijk iets groter dan die over de verkoopprijs. Een vergelijkend onderzoek aan de hand van in de branche gebruikelijke koerslijsten laat zien dat dit verschil bij auto’s jonger dan ongeveer 40 maanden tussen de 0 en 1 procent bedraagt. Bij auto’s ouder dan 40 maanden ligt dat tussen de 1 en 2 procent. Deze verschillen zijn in de tabel afgerond op hele procenten naar boven. Het gevolg van de wijziging van de tabel is dat een importeur van een tweedehands auto die gebruik maakt van de facultatieve tabel een wat grotere afschrijving mag toepassen op de verschuldigde belasting, waardoor er wat minder belasting hoeft te worden betaald.

Artikel XV, onderdeel D (artikel 8d Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De tabel in artikel 8d, eerste lid, waarmee de teruggave bij export wordt berekend, wordt aangepast. Deze wijziging is gekoppeld aan de wijziging van de tabel in artikel 8, vijfde lid van de Uitvoeringsregeling BPM. Deze wijziging wordt toegelicht bij de toelichting op artikel XV, onderdeel C. De beide tabellen hanteren dezelfde afschrijving bij dezelfde leeftijd. De teruggaafregeling is destijds in de wet opgenomen om een tijdselement in de heffing van BPM in te brengen voor voertuigen die niet langdurig in Nederland worden gebruikt. Bij deze voertuigen wordt eerst de BPM geheven bij import, waarna bij export de BPM, verminderd met de afschrijving, weer wordt teruggegeven. De forfaitaire afschrijving bij import en bij export wordt op gelijke voet berekend, zodat per saldo alleen de afschrijving over de gebruiksperiode in Nederland wordt belast.

Artikel XV, onderdeel E (artikel 10 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Door middel van dit onderdeel wordt het materieel uitgewerkte artikel 10 van de Uitvoeringsregeling BPM geschrapt.

Artikel XVI, onderdelen C, D, E, BB en CC (artikelen 1:4, 1:5 en 1:10, bijlagen III en IV bij de Algemene douaneregeling)

Heffing van rechten bij invoer en rechten bij uitvoer vindt plaats op grond van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Volgens het CDW is de douaneautoriteit belast met de uitvoering. Op grond van artikel 4, derde lid, van het CDW in samenhang met artikel 1:3, eerste lid, onderdelen c en d, van de Algemene douanewet is in Nederland de inspecteur en ontvanger belast met de uitvoering. Met de reorganisatie van de Belastingdienst/douane komt er een wijziging in de aanwijzing van de functionarissen als inspecteur en ontvanger en een wijziging in onder meer de aanduiding van de regio’s en kantoren. De onderhavige artikelen strekken ertoe de Algemene douaneregeling, in lijn met de aanpassingen van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, aan te passen aan de nieuwe organisatie.

Artikel XVI, onderdeel F (artikel 1:14 van de Algemene douaneregeling)

Ingevolge het vierde lid van artikel 1:14 is het verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken aan de kamer bij een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong. Het verbod geldt ook voor een derde die aan de aanvrager van een dergelijk certificaat onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Degene die het in artikel 1:14 omschreven verbod overtreedt maakt zich op grond van artikel 11:3 schuldig aan het plegen van een strafbaar feit en kan met toepassing van artikel 10:11 van de Algemene douanewet gestraft worden met geldboete van de tweede categorie.

Artikel XVI, onderdeel G (artikel 1:16 van de Algemene douaneregeling)

Dit artikel houdt het verbod in om onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken bij een aanvraag om afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer. Zie voor een nadere toelichting artikel 1:14.

Artikel XVI, onderdeel H (artikel 1:17 van de Algemene douaneregeling)

De technische aanpassing in het eerste lid van artikel 1:17 houdt een nadere precisering in van de feitelijke werkzaamheden van de commissie. De commissie besluit op beleidsvragen op het terrein van de preferentiële en niet-preferentiële oorsprong in de meest brede zin, die uit de dagelijkse praktijk afkomstig zijn.

Artikel XVI, onderdeel I (artikel 5:6)

In 2005 is Verordening (EG) Nr. 1084/2005 van de Commissie van 8 juli 2005 tot wijziging van de bijlagen II, III en V bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen gepubliceerd. Uit die verordening komt naar voren dat er met ingang van 1 januari 2008 geen vergunning meer van toepassing is op het in het vrije verkeer brengen van textielproducten uit China. Om die reden kan de bepaling in de Algemene douaneregeling, die het brengen in het vrije verkeer van dergelijke producten zonder vergunning verbiedt, vervallen.

Artikel XVI, onderdeel O (artikel 7:9)

Artikel 7:9 bevat de vrijstelling van belastingen bij invoer van personenvoertuigen door leden van het administratief, technisch en bedienend personeel van bepaalde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen. Om onduidelijkheden omtrent de toepassing van de bepaling weg te nemen wordt deze aangepast.

Artikel XVI, onderdeel P (artikel 7:17 van de Algemene douaneregeling)

In artikel 7:17 van de Algemene douaneregeling zijn forfaitaire accijnstarieven opgenomen die van toepassing zijn voor reizigersbagage en kleine zendingen die in Nederland worden ingevoerd en waarvoor geen vrijstelling van accijns kan worden verleend.

In onderhavige regeling wordt het forfaitaire accijnstarief voor rooktabak overeenkomstig de wijziging van de accijnstarieven voor rooktabak in artikel 35 van de Wet op de accijns aangepast. Dit forfaitaire accijnstarief is uitgedrukt als een percentage van de kleinhandelsprijs. Voor rooktabak zal het percentage per 1 maart 2010 50,4 bedragen.

Artikel XVI, onderdeel Y (artikel 10:1 van de Algemene douaneregeling)

Op grond van het tweede lid van artikel 10:1 heeft de inspecteur bij het constateren van een overtreding van een verbod de mogelijkheid aan de overtreder een bestuurlijke boete op te leggen. Het overleggen van onjuiste of onvolledige gegevens ter verkrijging van een certificaat van oorsprong is geen exclusieve zaak voor de kamer, maar ook voor de inspecteur die met het douanetoezicht is belast. De verstrekking van onjuiste informatie kan schadelijke gevolgen hebben voor het handelsverkeer met derde landen omdat hiermee het vertrouwen in een correcte afgifte van certificaten waarmee de oorsprong dient te worden aangetoond, wordt ondergraven.

Bij de behandeling van een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer of bij een nacontrole nadat de goederen zijn uitgevoerd kan aan het licht komen dat er onjuiste of onvolledige gegevens door de belanghebbende zijn verstrekt. Ook in dit geval heeft de inspecteur de bestuurlijke boete als instrument om bestraffend op te kunnen treden.

Degene die een van de in artikel 1:16 omschreven verboden overtreedt maakt zich op grond van artikel 11:3 schuldig aan het plegen van een strafbaar feit en kan met toepassing van artikel 10:11 van de Algemene douanewet gestraft worden met geldboete van de tweede categorie.

Artikel XVI, onderdeel Z (artikel 10:2 van de Algemene douaneregeling)

Het betreft hier een technische aanpassing van artikel 10:2 om een omissie te herstellen. De inspecteur kan nu ook in gevallen waarin een leveranciersverklaring is opgemaakt op basis van onvolledige of onjuiste gegevens of zonder dat het bewijs daarvoor in de administratie aanwezig is een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel XVI, onderdeel AA (artikel 10:5 van de Algemene douaneregeling)

De wijziging in de Algemene douaneregeling, voor zover het betreft de hoogte van de bedragen van de bestuurlijke boeten, wordt aangebracht naar aanleiding van de herijking van het boetebeleid, waarbij onder meer in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene douanewet de boetebedragen worden geïndexeerd. In het nieuwe artikel 10:5 van de Algemene douaneregeling wordt geregeld dat de bedragen van de in dat artikel genoemde verzuimboeten voortaan elke vijf jaar worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 9:6a van de Algemene douanewet en daarmee overeenkomstig de artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De eerste indexatie zal plaatsvinden op 1 januari 2015.

Artikel XVII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Dit artikel is in overeenstemming gebracht met de wijzigingen in de delegatiebepalingen van de Wet op de accijns en het Uitvoeringsbesluit accijns.

Artikel XVII, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard.

Artikel XVII, onderdeel C (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard.

Artikel XVII, onderdeel D (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging is van redactionele aard. De in het tweede lid van artikel 15 genoemde verordening is vervallen.

Artikel XVII, onderdeel E (artikel 16 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen zijn van redactionele aard.

Artikel XVII, onderdeel F (artikel 20d van de Uitvoeringsregeling accijns)

Op grond van artikel 42a, vierde lid, van de wet bepaalt artikel 20d welke gegevens in ieder geval moeten worden vermeld in het verzoek om een vergunning voor een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 42a van de wet (de zogenoemde fictieve accijnsgoederenplaats).

Artikel XVII, onderdelen G, L en N (artikelen 27 en 37 en bijlage A.2 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen zijn noodzakelijk in verband met aanpassingen in de organisatie van de Belastingdienst/Douane.

Artikel XVII, onderdeel H (artikel 33 van de Uitvoeringsregeling accijns)

De wijziging van artikel 33, eerste lid, vloeit voort uit de wijziging van artikel 70, eerste lid, onderdeel e, van de wet. De in laatstbedoeld onderdeel opgenomen teruggaafregeling ziet met ingang van 1 januari 2010 niet langer op vloeibaar gemaakt petroleumgas, maar op minerale oliën waarvoor op de voet van artikel 67 van de wet aanspraak op vrijstelling zou bestaan.

In het huidige artikel 33, vijfde lid, wordt verwezen naar artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit. Laatstbedoelde bepaling is met ingang van 1 juli 2008 is vervallen. Artikel 33, vijfde lid, bevat nu nadere regels met betrekking tot de verklaring, bedoeld in artikel 27a van het Uitvoeringsbesluit (tekst met ingang van 1 januari 2010).

Artikel 33, zesde lid, kan vervallen, aangezien artikel 27a van het Uitvoeringsbesluit, waarnaar in eerstgenoemde bepaling wordt verwezen, met ingang van 1 januari 2010 niet langer betrekking heeft op vloeibaar gemaakt petroleumgas, maar op minerale oliën waarvoor op de voet van artikel 67 van de wet aanspraak op vrijstelling zou bestaan.

Artikel XVII, onderdelen I, J en K (artikelen 35a, 35b en 35c van de Uitvoeringsregeling accijns)

De Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 voorziet erin dat halfzware olie, gasolie en LPG voortaan alleen nog worden belast met accijns; de energiebelasting op deze producten wordt ingebouwd in het accijnstarief. De Wet belastingen op milieugrondslag kent een aantal teruggaafregelingen voor vorenbedoelde minerale oliën. Deze teruggaafregelingen worden overgeheveld naar de Wet op de accijns (de artikelen 71e, 71f en 71g). Artikel 35a en 35b van de Uitvoeringsregeling accijns komen overeen met de vervallen artikelen 18

onderscheidenlijk 23 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Artikel 35c verklaart artikel 26 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag van overeenkomstige toepassing. In laatstbedoeld artikel, dat betrekking heeft op de teruggaafregeling voor kerken en non-profitinstellingen, wordt het begrip ‘eindfactuur’ gebruikt. Dit ziet op de levering van aardgas en elektriciteit. Voor de in artikel 71g van de wet juncto artikel 35c van de Uitvoeringsregeling accijns bedoelde minerale oliën gaat het om de aankoopfactuur.

Artikel XVII, onderdeel M (artikel 43 van de Uitvoeringsregeling accijns)

Zoals gebruikelijk worden door de gewijzigde tarieven voor de accijns voor sigaretten en rooktabak nieuwe accijnszegels uitgegeven. De nieuwe accijnszegels voor sigaretten en rooktabak zijn met ingang van 1 maart 2010 voorzien van een andere code.

De zegels voor sigaretten worden bedrukt met de code AY02. De zegels voor rooktabak worden bedrukt met de code BY02. De zegels voor pijptabak worden bedrukt met de code CY02. Aangezien het tarief voor sigaren niet wordt gewijzigd, is voor deze accijnszegel nog geen code vastgesteld.

Artikel XVIII, onderdelen A en B (artikelen 1 en 8 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen zijn van redactionele aard.

Artikel XVIII, onderdeel C (artikel 12 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

Het huidige artikel 12, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling verwijst naar artikel 2, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit. De in artikel 2, vijfde lid, opgenomen regeling is met ingang van 1 juli 2008 opgenomen in artikel 2, zesde tot en met dertiende lid, van het Uitvoeringsbesluit. In verband hiermee is vorenbedoelde verwijzing aangepast.

Artikel XVIII, onderdeel D (artikel 24 van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten)

De in dit onderdeel opgenomen wijziging is noodzakelijk in verband met aanpassingen in de organisatie van de Belastingdienst/Douane.

Artikel XIX, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Het eerste lid van dit artikel is in overeenstemming gebracht met de wijzigingen in de delegatiebepalingen van de Wet belastingen op milieugrondslag en het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

Artikel XIX, onderdelen B, C, D en E (artikelen 13, 18, 23 en 28 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

De Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 voorziet erin dat halfzware olie, gasolie en LPG voortaan alleen nog worden belast met accijns; de energiebelasting op deze producten wordt ingebouwd in het accijnstarief. Artikel 13 kan in verband daarmee vervallen. De Wet belastingen op milieugrondslag kent een aantal teruggaafregelingen voor vorenbedoelde minerale oliën. Deze teruggaafregelingen worden overgeheveld naar de Wet op de accijns (de artikelen 71e, 71f en 71g). De nieuwe artikelen 35a en 35b van de Uitvoeringsregeling accijns komen overeen met de artikelen 18 onderscheidenlijk 23 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. Laatstbedoelde artikelen komen eveneens te vervallen. De wijziging van artikel 28 is van redactionele aard.

ArtikelXIX, onderdeel F (artikel 32 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Artikel 80, onderdeel a, onder 4, van de Wet belastingen op milieugrondslag, biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling producten aan te wijzen die wel voldoen aan de definitie van verpakking, maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben, en mitsdien niet als verpakking worden beschouwd.Het gaat hierbij om producten die naar het spraakgebruik niet echt als verpakkingen worden aangemerkt, maar die door de oorspronkelijk brede definitie van het begrip 'verpakkingen' in art. 80, onderdeel a, Wet belastingen op milieugrondslag, wel een verpakking zijn en aldus belastingobject waren voor de verpakkingenbelasting. Als een product (de verpakking) aldus bij ministeriële regeling als ‘exoot’ wordt aangewezen, valt het product buiten de verpakkingendefinitie en wordt het product niet in de heffing betrokken. Deze ‘exoten’ zijn vermeld in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag.

In artikel II, onderdeel B, worden toner- en inktcartridges toegevoegd aan de opsomming in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag. In aanvulling op de producten die al genoemd worden in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag zijn ook deze cartridges verpakkingen die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben en worden mitsdien niet langer als een verpakking beschouwd. Van belang is dat zogenaamde 'tonerflessen' hier niet onder vallen, deze zullen als verpakking van toner gewoon belast blijven.

De maatregel zal terugwerkende kracht krijgen tot en met 1 januari 2008. Dit sluit aan bij de datum waarop artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag, in werking is getreden.

Artikel XIX, onderdelen G en H (artikel 32b en bijlage bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Artikel XIX, onderdeel G, bewerkstelligt dat na artikel 32avande Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslageen artikel 32b wordt ingevoegd. In artikel 32b wordt een rechtsgrondslag gecreëerd voor een bijlage bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag waarin producentenorganisaties, bedoeld in artikel 28i van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag, worden aangewezen.

Artikel XIX, onderdeel H, betreft de in onderdeel B aangekondigde bijlage waarin de erkende producentenorganisaties zijn opgenomen voor wie de verleggingsregeling van artikel 28i van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag geldt. In artikel 28i, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag is de mogelijkheid voor de groente- en fruitsector neergelegd dat, ingeval een teler van groente of fruit deze producten verpakt ter beschikking stelt aan een producentenorganisatie, de heffing van verpakkingenbelasting met betrekking tot die terbeschikkingstelling wordt verlegd naar deze producentenorganisatie.

Een van de redenen voor deze mogelijkheid tot verlegging is dat deze producentenorganisaties vaak voorschrijven in welke soort verpakkingen en hoe de producten verpakt dienen te worden. In veel gevallen worden de verpakkingsmaterialen zelfs door deze producentenorganisaties ingekocht en geleverd aan de kwekers en importeurs. Voor de producentenorganisaties is het aldus administratief eenvoudiger aan de verplichtingen van de verpakkingenbelasting te voldoen. De producentenorganisaties op wie deze verlegging van toepassing is, zijn vermeld in de betreffende bijlage, behorende bij de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag.

Artikel XX (Overgangsrecht)

In artikel XXI is geregeld dat artikel 3 UR IW 1990, zoals dat artikel luidde op 31 december 2009, van toepassing blijft met betrekking tot belastingaanslagen ter zake van inkomstenbelasting wegens een schenking die heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010. Op die manier is gewaarborgd dat de regels over het verzoeken om uitstel van betaling en de beëindiging van het uitstel van betaling blijven gelden voor lopende gevallen. Voorts is geregeld dat het nieuwe vijfde lid van artikel 3 UR IW 1990 ook van toepassing is voor gevallen waarin de schenking heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2010. In het vijfde lid is namelijk een versoepeling opgenomen voor de beëindiging van het uitstel van betaling.

Artikel XXI (Overgangsrecht)

In het onderhavige artikel zijn bepalingen van overgangsrecht opgenomen die bewerkstelligen dat de overgang van de oude naar de nieuwe functionaris in verband met de reorganisatie van met name de douane naadloos verloopt. Dit kan van belang zijn in de situatie dat een belanghebbende in bezwaar komt tegen een vóór inwerkingtreding van onderhavige regeling opgelegde beschikking. Een voorbeeld van toepassing van het tweede lid is de situatie dat een beslissing wordt genomen door een vóór inwerkingtreding van deze regeling bevoegde functionaris die is gedateerd na inwerkingtreding van deze regeling. In dat geval treedt de nieuwe aangewezen functionaris in de plaats van de oude. Een voorbeeld van toepassing van het derde lid is de situatie dat een beschikking wordt afgegeven waarbij er nog wordt verwezen naar oude organisatieonderdelen op bijvoorbeeld het gebruikte briefpapier.

Artikel XXII (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze regeling. De regeling treedt met ingang van 1 januari 2010 in werking, met dien verstande dat een aantal bepalingen terugwerken of eerst op een later tijdstip voor het eerst toepassing vinden. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichting op de desbetreffende bepalingen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager.


XNoot
2

Kamerstukken II 2008/09, 32 128, nr. 3, blz. 13.

XNoot
5

HvJ EG 11 juni 2009, C-512/07.

XNoot
8

HvJ EG 11 juni 2009, C-512/07.

XNoot
9

Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, pagina 86.

XNoot
11

HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ2012, en HR 10 juli 2009, LJN-nr. BJ1971.