Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2016, 86AMvB

Besluit van 17 februari 2016 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het zoekjaar voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd of wetenschappelijk onderzoek hebben verricht en in verband met enkele andere wijzigingen en het herstel van enkele technische omissies en van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen in verband met voornoemd zoekjaar

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 november 2015, nr. 701875;

Gelet op de artikelen 14, derde en vierde lid, 37, eerste lid, onder b, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 66b, tweede lid, en 112 van de Vreemdelingenwet 2000 en de artikelen 3 en 4, tweede lid, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 januari 2016, no. W03.15.0399/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 17 februari 2016, nr. 734883;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In de artikelen van dit besluit wordt de in kolom A opgenomen tekst telkens vervangen door de in kolom B opgenomen tekst:

A (huidige tekst)

B (nieuwe tekst)

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet,

verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet,

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet

verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet,

verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de wet,

verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet

verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd

verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet,

verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet

verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 20 van de Wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet,

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet

verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet,

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet

verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Wet,

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet,

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Wet

verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of 28 van de Wet

verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 of 28 van de Wet

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a van de Wet

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet,

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet

bij regeling van Onze Minister

bij ministeriële regeling

Bij regeling van Onze Minister

bij regeling van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

B

Artikel 1.1 wordt gewijzigd als volgt:

1. In de definitie van «Europese blauwe kaart» wordt een komma ingevoegd voor «afgegeven ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn 2009/50/EG».

2. Met inachtneming van de alfabetische volgorde worden de volgende definities ingevoegd:

EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen:

de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, bedoeld in artikel 45a van de Wet;

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd:

de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet;

verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd:

de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet;

verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd:

de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet;

verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd:

de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 20 van de Wet;

C

In artikel 1.3 wordt «artikel 4.29, eerste lid, onder i» vervangen door: artikel 4.29, eerste lid, onder g.

D

In artikel 1.28, onder d, wordt «en de aanvraag» vervangen door: indien de aanvraag.

E

Artikel 3.4 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt «artikel 14, tweede lid» vervangen door: artikel 14, derde lid.

2. In het eerste lid, onder m, wordt «het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst» vervangen door: het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

3. In het derde lid wordt «aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet» vervangen door: aanvraag van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4. In het vierde lid wordt «beroep op de publieke middelen» vervangen door: beroep op de algemene middelen.

F

In artikel 3.5, tweede lid, onder f, wordt «het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst» vervangen door: het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

G

In artikel 3.6b, onder b, wordt «drie maanden» telkens vervangen door: 90 dagen.

H

Artikel 3.7, eerste lid, onder c, komt te luiden:

  • c. het beschikken over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

I

In artikel 3.30a, eerste lid, wordt «, tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is» vervangen door: tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is.

J

In artikel 3.31b wordt «het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst» vervangen door: het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

K

Artikel 3.42 komt te luiden:

Artikel 3.42

  • 1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst aan een vreemdeling die in de drie jaar direct voorafgaand aan de aanvraag:

    • a. aan een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs met goed gevolg een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding heeft afgerond;

    • b. wetenschappelijk onderzoek heeft verricht op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG of onder de beperking arbeid als kennismigrant;

    • c. in Nederland een postdoctorale opleiding van ten minste twaalf maanden heeft afgerond;

    • d. een opleiding heeft afgerond in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid of een opleiding die wordt verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of een Erasmus Mundus Masters Course heeft afgerond;

    • e. aan een bij ministeriële regeling aangewezen buitenlandse onderwijsinstelling een masteropleiding of een postdoctorale opleiding van ten minste twaalf maanden heeft afgerond of is gepromoveerd en:

      • 1°. een minimale score heeft behaald van 6.0 bij het International English Language Testing System,

      • 2°. een vergelijkbare minimale score heeft behaald in een Engelse taaltest zoals opgenomen in de Gedragscode internationale student hoger onderwijs,

      • 3°. beschikt over een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit inburgering, of

      • 4°. zijn masteropleiding of postdoctorale opleiding heeft genoten in het Engels of het Nederlands;

    • f. een bij ministeriële regeling aangewezen hoger onderwijsopleiding heeft afgerond.

  • 2. De verblijfsvergunning wordt niet opnieuw verleend indien de vreemdeling op grond van het afronden van diezelfde opleiding of het verrichten van datzelfde onderzoek eerder houder is geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.

  • 3. De aanvraag wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder k, van de Wet.

L

Artikel 3.43, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De aanvraag wordt niet afgewezen op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder a, indien er sprake is van werkzaamheden in het kader van een Working Holiday Scheme of een Working Holiday Programme, dat in een memorandum van overeenstemming is goedgekeurd door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

M

In artikel 3.48, eerste lid, onder g, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: , of, indien dat opsporings- of vervolgingsonderzoek reeds is afgerond, voor zover sprake is van een loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.

N

Artikel 3.58 komt te luiden:

Artikel 3.58

  • 1. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I kan in eerste instantie worden verleend voor de geldigheidsduur, bedoeld in kolom II, en kan worden verlengd, voor zover dat is bepaald in kolom III.

    I. Verblijfsdoel

    II. Geldigheidsduur

    III. Verlengbaar

    a. «Verblijf als familie- of gezinslid»

    Voor de duur van het verblijfsrecht of de geprivilegieerde status van de hoofdpersoon, maar niet langer dan vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    b. «Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling»

    Ten hoogste vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    c. «Arbeid als zelfstandige»

    Ten hoogste twee jaar of voor ten hoogste één jaar indien de verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.30, zesde lid

    Telkens met ten hoogste vijf jaar, maar niet verlengbaar na één jaar indien de verlenging wordt gebaseerd op artikel 3.30, zesde lid

    d. «Arbeid als kennismigrant»

    De duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    e. «Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart»

    De duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.30b, eerste lid, onder a, aangevuld met drie maanden, maar tezamen niet langer dan vier jaar

    Telkens met ten hoogste vier jaar

    f. «Seizoenarbeid»

    Ten hoogste 24 weken

    Niet verlengbaar na 24 weken

    g. «Arbeid in loondienst»

    De geldigheidsduur, genoemd in artikel 14, vijfde lid, van de Wet

    Telkens verlengbaar voor ten hoogste:

    – één jaar,

       

    – drie jaar indien met toepassing van artikel 8, derde lid, onder b en c, van de Wet arbeid vreemdelingen, of

       

    – vijf jaar, indien de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt of een verdrag daartoe verplicht

    h. «Grensoverschrijdende dienstverlening»

    De duur van de werkzaamheden als vermeld in de krachtens artikel 1e, tweede lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen door de dienstverrichter verstrekte verklaring, met een maximum van twee jaar

    Niet verlengbaar na twee jaar

    i. «Wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG»

    De duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    j. «Lerend werken»

    Ten hoogste één jaar

    Niet verlengbaar na één jaar

    k. «Arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel»

    De duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    l. «Studie»

    De duur van de studie met inbegrip van de voorbereiding daarop en de afronding daarvan, maar niet langer dan vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

    m. «Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst»

    Ten hoogste één jaar, en, indien het de vergunning, bedoeld in artikel 3.31b, betreft, zoveel langer als de vreemdeling wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen toegang tot de arbeidsmarkt had

    Niet verlengbaar na één jaar

    n. «Uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag»

    Ten hoogste één jaar

    Niet verlengbaar na één jaar

    o. «Medische behandeling»

    Ten hoogste één jaar of voor vijf jaar, indien de medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister blijvend aan Nederland gebonden is

    Telkens met ten hoogste één jaar

    p. «Tijdelijke humanitaire gronden»

    Ten hoogste één jaar

    Telkens met ten hoogste één jaar

    q. «Het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap»

    Ten hoogste één jaar

    Telkens met ten hoogste één jaar

    r. «Niet-tijdelijke humanitaire gronden»

    Ten hoogste vijf jaar

    Telkens met ten hoogste vijf jaar

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder p, kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend voor de duur van vijf jaar aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling:

    • a. die jonger was dan vijftien jaar ten tijde van de eerste verblijfsaanvraag in Nederland, en

    • b. voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, dan wel deze adequate opvang buiten zijn schuld niet gerealiseerd kan worden binnen drie jaar na de eerste verblijfsaanvraag.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onder o en p, kan de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische behandeling onderscheidenlijk tijdelijke humanitaire gronden worden verleend of verlengd voor een langere geldigheidsduur dan één jaar indien tussen de aanvraag en de beschikking ten minste één jaar verstreken is. In dat geval bedraagt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning de periode tussen de aanvraag en de beschikking, aangevuld met één jaar.

O

De artikelen 3.59 en 3.59d vervallen.

P

In artikel 3.71a, tweede lid, onder a, wordt «een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 8, onder d, van de Wet» vervangen door: een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Wet is geplaatst.

Q

Artikel 3.77, negende lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel a wordt «echtgenoot of minderjarig kind» vervangen door: echtgenoot, partner of minderjarig kind.

2. In onderdeel e wordt «artikel 3.71, vierde lid» vervangen door: artikel 3.71, derde lid.

R

Het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4, komt te luiden: Paragraaf 4. Wijziging en verlenging.

S

In artikel 3.80a, eerste lid, wordt «artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°» vervangen door: artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, subonderdeel 1°, en tweede lid.

T

In de artikelen 3.87a, eerste lid, aanhef, 3.89, eerste lid, 3.89a, 3.91a, 3.91b, eerste lid, aanhef, en 3.91d, eerste lid, wordt «verleend» vervangen door: die is verleend.

U

In artikel 3.97 wordt «artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet» vervangen door: artikel 22, tweede lid, onder b, van de Wet.

V

In artikel 3.98, eerste lid, wordt «artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet» vervangen door: artikel 22, tweede lid, onder c, van de Wet.

W

Artikel 3.98b, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Bij ministeriële regeling worden de kosten bepaald, bedoeld in het eerste lid, onder a.

X

Artikel 3.99 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, wordt «aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet,» vervangen door: aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

2. In het tweede lid wordt «aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet» vervangen door: aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Y

In artikel 3.99a, tweede lid, wordt «drie maanden» vervangen door: 90 dagen.

Z

In artikel 3.101 wordt «een aanvraag als bedoeld in de artikelen 14, 20 en 45a, van de Wet» vervangen door: een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

AA

In artikel 3.102b, vierde lid, wordt «verband houdend» vervangen door: die verband houdt.

BB

Artikel 3.109, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Van de vreemdeling die de in het eerste lid bedoelde aanvraag heeft ingediend, wordt door Onze Minister een gezichtsopname gemaakt en worden vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.

CC

In artikel 3.109d, derde lid, wordt «in het eerste lid» vervangen door: in het tweede lid.

DD

In artikel 3.129, derde lid, wordt «uiterlijk drie maanden» vervangen door «binnen drie maanden».

EE

In artikel 3.130, eerste lid, wordt een komma ingevoegd voor «wordt de aanvrager meegedeeld».

FF

Artikel 4.21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt de zinsnede «dat is voorzien van een inlegvel» vervangen door «dat kan worden voorzien van een inlegvel».

2. In het vierde lid wordt «de publieke middelen» vervangen door: de algemene middelen.

GG

In artikel 4.23, eerste lid, onder a, wordt «artikel 4.35» vervangen door: artikel 4.35a.

HH

Artikel 4.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder c, wordt «artikel 54, tweede lid» vervangen door: artikel 54, derde lid.

2. In het derde lid wordt «, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld» vervangen door: kan een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad worden gesteld.

II

In artikel 4.31, eerste lid, wordt «artikel 4.29, eerste lid, onder g» vervangen door: artikel 4.29, eerste lid, onder e.

JJ

In artikel 4.33, eerste lid, wordt «artikel 4.29, eerste lid, onder e» vervangen door «artikel 4.29, eerste lid, onder c,» en wordt «artikel 54, tweede lid» vervangen door: artikel 54, derde lid.

KK

In artikel 4.34, eerste lid, aanhef, wordt «artikel 4.29, eerste lid, onder g» vervangen door: artikel 4.29, eerste lid, onder e.

LL

In artikel 4.35, eerste lid, wordt «artikel 4.29, eerste lid, onder h» vervangen door: artikel 4.29, eerste lid, onder f.

MM

In artikel 4.42, tweede lid, onderdeel b, wordt «drie maanden» vervangen door: 90 dagen.

NN

Artikel 4.46, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen, langdurig ingezetene is dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie is toegelaten.

OO

Artikel 4.52, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «, en» aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • c. indien aan de vreemdeling een nieuw verblijfsdocument is verleend;

  • d. indien aan de vreemdeling het Nederlanderschap wordt verleend.

PP

Artikel 4.52a, derde lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. de overlegging van bewijs van het beschikken over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

QQ

Artikel 5.1b, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel i wordt «of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; dan wel» vervangen door een puntkomma.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

  • l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken, dan wel

  • m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

RR

In artikel 6.5, tweede lid, onder d, wordt «echtgenoot of minderjarig kind» vervangen door: echtgenoot, partner of minderjarig kind.

SS

In artikel 8.2, tweede lid, lid wordt «beroep op de publieke middelen» vervangen door: beroep op de algemene middelen.

TT

Artikel 8.3, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel a vervalt onder verlettering van onderdelen b tot en met e tot onderdelen a tot en met d.

2. Onderdeel d (nieuw) komt te luiden:

  • d. artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000.

UU

In artikel 8.6, eerste, tweede en derde lid, wordt «ingediend» vervangen door: die is ingediend.

VV

In artikel 8.12, vierde lid, wordt «langer drie maanden» vervangen door: langer dan drie maanden.

WW

Artikel 8.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid, onder d, komt te luiden:

  • d. indien bijzonder schrijnende situaties zulks rechtvaardigen, bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld.

2. Het vijfde lid, aanhef, komt te luiden:

  • 5. In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, blijft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit van een staat bezit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, onderworpen aan de voorwaarde dat hij voor zichzelf en zijn familieleden over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat zij ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, tenzij hij het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 8.17 heeft verkregen, of is aangetoond dat hij:.

XX

Artikel 8.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij de berekening van het vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, bedoeld in het eerste lid, blijft buiten beschouwing de periode die is doorgebracht gedurende de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, terbeschikkingstelling, jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

2. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot vierde tot en met achtste lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door: vierde lid.

4. In het zesde lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door: vierde lid.

5. In het zevende lid (nieuw) wordt «derde lid» telkens vervangen door: vierde lid.

6. In het achtste lid (nieuw) wordt «derde tot en met zesde lid» telkens vervangen door: vierde tot en met zevende lid.

YY

Aan artikel 8.22 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij de berekening van de tien jaar, bedoeld in het derde lid, onder a, blijft buiten beschouwing de periode die is doorgebracht gedurende de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, terbeschikkingstelling, jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

ZZ

In artikel 8.24, eerste lid, aanhef, wordt «geweigerd» vervangen door: ontzegd.

AAA

In artikel 8.25 wordt «geweigerd» vervangen door «ontzeggen» en wordt na «beëindigen,» ingevoegd: in geval van rechtsmisbruik of.

BBB

Aan artikel 8.26 worden de volgende onderdelen toegevoegd, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel k door een puntkomma:

  • l. de Economische Partnerschapsovereenkomst tussen de CARIFORUM-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (Trb. 2009, 18);

  • m. de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (Trb. 2012, 178);

  • n. het Associatieakkoord tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (Trb. 2014, 210);

  • o. de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, anderzijds (Trb. 2014, 160);

  • p. de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (Trb. 2014, 207).

ARTIKEL II

Het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1d, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt «die binnen een jaar voorafgaand aan de tewerkstelling een geaccrediteerde opleiding aan een hoger onderwijsinstelling in Nederland heeft afgerond» vervangen door: die voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst» op grond van artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

B

Artikel 2, onder f, komt te luiden:

  • f. een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking «het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst» die is verleend op grond van artikel 3.42 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

ARTIKEL III

De volgende besluiten worden ingetrokken:

  • a. Besluit van 30 december 1993, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit (herziening Vreemdelingenwet) (Stb. 1994, 8);

  • b. Besluit van 5 juli 2002 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Stb. 2002, 371);

  • c. Besluit van 10 september 2003 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met het vervallen van het driejarenbeleid en enkele andere onderwerpen (Stb. 2003, 364);

  • d. Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEG L 251) en enkele andere onderwerpen betreffende gezinshereniging, gezinsvorming en openbare orde (Stb. 2004, 496);

  • e. Besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met inburgering in het buitenland (Stb. 2006, 94);

  • f. Besluit van 9 april 2008 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg ter implementatie van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PbEU L 304) (Stb. 2008, 116);

  • g. Besluit van 23 juni 2010 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure (Stb. 2010, 244);

  • h. Besluit van 20 december 2012, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van de vooraf door de luchtvervoerder te verstrekken passagiersgegevens (standaard API-set) (Stb. 2012, 688);

  • i. Besluit van 18 december 2013, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitvoering van de Dublinverordening en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht ter uitvoering van de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013, L 180) (Stb. 2013, 550) (Stb. 2013, 586);

  • j. Besluit van 21 januari 2014, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 ter implementatie van de Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens en tot intrekking van de Richtlijn 2002/6/EG (PbEU 2010, L 283) (Stb. 2014, 45).

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2016, met dien verstande dat artikel I, onderdeel W, in werking treedt met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 9 juli 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 februari 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff

Uitgegeven de vierentwintigste februari 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit regelt diverse wetstechnische of kleine inhoudelijke aanpassingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). Deze worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting. Daarnaast bevat het besluit een grotere inhoudelijke wijziging: namelijk de fusie en uitbreiding van het zoekjaar afgestudeerden en de regeling hoogopgeleiden. In dit geval is gekozen voor het combineren van de verschillende wijzigingen omdat deze qua omvang en complexiteit geen van alle een afzonderlijk voorstel rechtvaardigen, terwijl alle punten samenhangen met het Vb.1

Fusie zoekjaar afgestudeerden en regeling hoogopgeleiden (art. 3.42 Vb)

Hoogopgeleiden zijn welkom in Nederland ter versterking van onze concurrentiepositie en kenniseconomie. Nederland kende voorheen twee regelingen voor hoogopgeleide, recent afgestudeerde vreemdelingen: het zoekjaar afgestudeerden (het oude artikel 3.42, eerste lid, Vb) en de regeling hoogopgeleiden (het oude artikel 3.42, tweede lid, Vb).

Met het zoekjaar afgestudeerden wilde Nederland hoogopgeleide vreemdelingen behouden voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Vreemdelingen die een bachelor- of masteropleiding hebben afgerond aan een in Nederland geaccrediteerde opleiding, hadden met het zoekjaar direct na het afstuderen een jaar de tijd om een baan te vinden als kennismigrant of als zelfstandige aan de slag te gaan. De regeling hoogopgeleiden was bedoeld om toptalent van buitenlandse universiteiten aan te trekken ten bate van de Nederlandse kenniseconomie. Deze mogelijkheid stond ook open voor vreemdelingen die in Nederland zijn gepromoveerd of direct na hun studie zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Voor de laatste categorie was terugkeer mogelijk als zij binnen drie jaar na afstuderen alsnog in Nederland op zoek wilden naar een baan als kennismigrant of arbeid als zelfstandige wilden verrichten.

Nederland slaagt er onvoldoende in om hoogopgeleiden aan te trekken. Dit blijkt onder andere uit de evaluatie van de regeling Hoogopgeleiden die in 2014 door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) is uitgevoerd.2 Het WODC constateerde dat vooral hoogopgeleiden die reeds op basis van een verblijfsvergunning in Nederland verbleven, gebruikmaakten van de regeling. Dit betekent dat de regeling er vooral in slaagde hoogopgeleiden voor de Nederlandse arbeidsmarkt te behouden in plaats van ze aan te trekken. Uit de evaluatie bleek daarnaast dat er geen signalen waren van oneigenlijk gebruik. Het WODC constateerde twee belangrijke knelpunten in de regeling hoogopgeleiden: het vereiste dat de werkgever moet beschikken over een tewerkstellingsvergunning als de vreemdeling gedurende het jaar wil werken om in levensonderhoud te voorzien, en onvoldoende bekendheid van de regeling in het buitenland. Voor personen die wel bekend waren met de regeling hoogopgeleiden, was het niet altijd duidelijk wat de verschillen waren tussen de regeling hoogopgeleiden en het zoekjaar afgestudeerden.

Het laten voortbestaan van twee regelingen die hetzelfde beogen heeft geen toegevoegde waarde. Daarom is bij brief van 1 juli 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 29 861, nr. 36) aangekondigd het Vb te wijzigen met als doel meer hoogopgeleiden aan te trekken en te behouden. Dit gebeurt door wijziging van artikel 3.42 Vb en artikel 2, onder f, Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

De wijziging houdt in dat de doelgroepen uit de regeling hoogopgeleiden worden samengevoegd met het zoekjaar afgestudeerden. De samengevoegde regeling krijgt daarmee de naam «zoekjaar hoogopgeleiden». De nieuwe bepaling zal na 3 jaar worden geëvalueerd.

De nieuwe regeling «zoekjaar hoogopgeleiden» lost hiermee de twee belangrijkste knelpunten op. De eis van de tewerkstellingsvergunning is voor alle deelnemers aan de nieuwe regeling verdwenen. Daarnaast is het onderscheid tussen de verschillende regelingen verdwenen, hetgeen onduidelijkheid bij aanvragers kan wegnemen.

Om hoogopgeleide vreemdelingen nog meer te binden aan en aan te trekken naar Nederland, is bovendien uitbreiding van het zoekjaar nodig. Naast de tot nu toe al bestaande doelgroep (hoogopgeleide vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd met een bachelor- of mastergraad of in het buitenland zijn afgestudeerd of gepromoveerd aan een top 200-universiteit), wordt het zoekjaar uitgebreid met de volgende groepen:

  • vreemdelingen die in Nederland een postdoctorale opleiding hebben afgerond of aan een buitenlandse top 200-universiteit;

  • vreemdelingen die in Nederland wetenschappelijk onderzoek hebben verricht;

  • vreemdelingen die een mastergraad hebben behaald in het kader van een Erasmus Mundus Masters Course of die een opleiding hebben afgerond in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid of een opleiding die wordt verzorgd in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • vreemdelingen die een bij ministeriële regeling aangewezen hoger onderwijsopleiding hebben afgerond.

Ook voor al deze groepen geldt de verruiming dat het afstuderen, promoveren of afronden van het wetenschappelijk onderzoek tot drie jaar vóór de aanvraag mag hebben plaatsgevonden.

Verder maakt dit besluit het mogelijk dat vreemdelingen op een later moment opnieuw een zoekjaar kan worden verleend, mits zij op een andere grond het zoekjaar aanvragen dan de vorige keer (zie artikel 3.42, tweede lid, Vb nieuw). Te denken valt aan de vreemdeling die in Nederland een masteropleiding heeft afgerond, op grond daarvan het zoekjaar wordt verleend en in het zoekjaar besluit te gaan promoveren. Na het behalen van de doctorgraad kan de vreemdeling dan op grond van de doctorgraad opnieuw in aanmerking komen voor het zoekjaar om een baan te vinden als kennismigrant of arbeid als zelfstandige te verrichten. Het is niet mogelijk om een tweede zoekjaar te verlenen als de omstandigheden van de aanvrager ongewijzigd zijn.

Onder de oude bepaling werd de doelgroep van de hoogopgeleiden bovendien getoetst aan de hand van een puntensysteem. Hierbij werd getoetst op opleiding, op leeftijd en op indicatoren voor het welslagen in Nederland. Dit puntensysteem is vervallen in de nieuwe bepaling. Daarvoor in de plaats wordt wel een minimaal niveau van kennis van de Engelse of Nederlandse taal gevraagd. Deze eis geldt voor de groep aan een buitenlandse onderwijsinstelling afgestudeerden of gepromoveerden (art. 3.42, eerste lid, onder e, Vb). Hiermee wordt een belangrijke indicator voor succes behouden. De overige eisen die in lagere regelgeving zijn uitgewerkt, blijven gehandhaafd.

Houders van een zoekjaarvergunning dienen over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Indien zij daarover niet beschikken en een beroep doen op de algemene middelen, dan kunnen zij hun verblijfsrecht verliezen (d.w.z. een beroep op de bijstand of een andere inkomensvervangende uitkering waarvoor geen premies zijn afgedragen; een beroep op toeslagen kan wel). Het middelenvereiste wordt aldus vormgegeven in die zin dat de IND de verblijfsvergunning intrekt als een beroep wordt gedaan op de algemene middelen. De IND gaat niet op voorhand bezien of de vreemdeling over middelen beschikt. In die zin blijft de huidige regelgeving ongewijzigd.

Tot slot wordt opgemerkt dat de vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben gehad als startende ondernemer, maar niet doorstromen in de zelfstandigenregeling, het zoekjaar kan worden verleend mits zij aan de voorwaarden van het zoekjaar voldoen. Hiermee wordt bedoeld dat startende ondernemers voor een zoekjaar in aanmerking komen als zij ten hoogste drie jaar geleden een opleiding hebben afgerond die is bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Vb, of een verblijfsvergunning voor wetenschappelijk onderzoek hebben gehad.

De wijzigingen maken de uitvoering efficiënter en de promotie van Nederland als aantrekkelijk vestigingsland makkelijker. Dit sluit aan bij het actieplan «Make it in the Netherlands»3 en het kabinetsbeleid om internationale studenten te binden en behouden voor Nederland.

Consultatieverslag

Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft een ontwerp van dit besluit in de periode van 31 juli tot en met 14 september 2015 opengesteld voor internetconsultatie. Doel van deze consultatie was burgers, bedrijven en branche te vragen naar hun zienswijze op het ontwerpbesluit. De internetconsultatie heeft 21 reacties opgeleverd, waarvan 9 openbaar. De ingediende reacties zijn overwegend afkomstig van organisaties en particulieren die ervaring hebben met het zoekjaar, zoals universiteiten, advocatenkantoren en consultancybureaus. Er zijn vooral (positieve) opmerkingen gemaakt over de versoepeling van het zoekjaar, niet zozeer over de andere onderdelen van het ontwerpbesluit. Het ontwerp is voor advies tevens voorgelegd aan de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ), die op 22 september 2015 advies uitbracht.

Zoekjaar

Enkele respondenten hebben opgemerkt dat de leges voor het zoekjaar te hoog zijn. In reactie hierop wordt opgemerkt dat de hoogte van de leges mede afhangt van de kosten die de IND maakt voor het afhandelen van een aanvraag. De kostprijzen van de IND worden opnieuw berekend. Indien de nieuw vastgestelde kostprijzen van specifieke producten van de IND daar aanleiding toe geven, wordt de hoogte van de leges voor die producten mogelijk aangepast. Vooralsnog is geen besluit genomen de leges voor deze categorie aan te passen.

Verder heeft een aantal respondenten gepleit om de periode tussen het afstuderen/promoveren en het in aanmerking komen voor het zoekjaar te verruimen naar vijf jaar. In reactie hierop het volgende. De termijn wordt met het huidige voorstel verruimd van één jaar naar drie jaar. Een verdere verruiming wordt niet wenselijk geacht. Reden hiervoor is dat bij degenen die in Nederland zijn afgestudeerd of onderzoek hebben verricht, verwacht mag worden dat de relatie met Nederland vermindert naarmate het verblijf buiten Nederland langer is. Een termijn van drie jaar wordt ook voor in het buitenland afgestudeerden of gepromoveerden als redelijk beschouwd.

Een respondent merkte op dat onduidelijk is of na afronding van meerdere masters na elke master een zoekjaar kan worden aangevraagd. Om dit te verhelderen is het tweede lid van artikel 3.42 van het ontwerpbesluit aangepast. Een respondent adviseert om aan het zoekjaar enkele eisen toe te voegen om studenten aan te moedigen beter te presteren. Zo zouden bijvoorbeeld studenten moeten afstuderen zonder vertraging, tenzij die te wijten is aan gezondheidsredenen. Het wordt niet nodig geacht nadere eisen te stellen aan het verkrijgen van een zoekjaar na afstuderen. Aan de verblijfsvergunning voor studie is al het vereiste verbonden dat een student voldoende studievoortgang boekt. Daarbij stellen universiteiten en hogescholen ook zelf nadere eisen. Het stellen van nadere eisen in het kader van de verblijfsvergunning voor een zoekjaar heeft derhalve geen meerwaarde en leidt tot een complexere uitvoering door de IND en is daarom niet wenselijk.

Een respondent adviseert het onderscheid te laten vervallen tussen postdoctorale onderzoekers en wetenschappelijk onderzoekers. Inderdaad bevatte het ontwerpbesluit zowel een grondslag voor het zoekjaar voor gepromoveerden en een grondslag voor het zoekjaar voor overige wetenschappers. Omwille van de eenvoud zijn deze beide grondslagen samengevoegd tot een grondslag voor degene die «wetenschappelijk onderzoek heeft verricht op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG of onder de beperking arbeid als kennismigrant».

Een respondent vraagt of een zoektermijn van één jaar voldoende is. De verwachting is dat iemand die een opleiding op het niveau van hoger onderwijs heeft afgerond binnen een jaar een baan moet kunnen vinden in Nederland met een salarisniveau waardoor men in aanmerking komt voor de regeling voor kennismigranten.

Een respondent adviseert om de versoepeling van het zoekjaar met terugwerkende kracht in te laten gaan, omdat het nu enige tijd zou duren voordat de wijzigingen effectief ingaan. Opgemerkt wordt dat de wijzigingen onmiddellijk effectief ingaan zodra het besluit in werking treedt.

Een respondent merkt op dat het in de praktijk vaak lastig is om helder te krijgen dat een vreemdeling aan een bepaalde instelling ook daadwerkelijk is afgestudeerd. Bewijs van afstuderen is echter noodzakelijk, dat is de verantwoordelijkheid van de afgestudeerde.

De ACVZ heeft opgemerkt dat de passage in de toelichting over startende ondernemers (aan het slot van de paragraaf «Fusie zoekjaar afgestudeerden en regeling hoogopgeleiden») niet overeenkomt met de tekst van het besluit. Met de passage wordt bedoeld dat startende ondernemers voor een zoekjaar in aanmerking komen als zij ten hoogste drie jaar geleden een opleiding als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Vb hebben afgerond, of een verblijfsvergunning voor wetenschappelijk onderzoek hebben gehad. De passage is in deze zin aangevuld.

De ACVZ verzoekt om voor de doelgroep van het zoekjaar de mogelijkheid te creëren dat de aanvraag bij de loketten van de expatcenters kan worden ingediend, aangezien deze nu voorlichting geven aan de doelgroep en de verblijfsvergunning daar kan worden afgehaald. Recent is het mogelijk gemaakt voor afgestudeerden om hun verblijfsdocument af te halen bij het expatcenter. Omdat de aanvraag wordt ingediend per post hoeft de doelgroep van het zoekjaar dus niet naar een IND-loket voor het indienen van de aanvraag maar ook niet noodzakelijkerwijs naar een expatcenter. Het formulier kan overal worden ingevuld (ook op een expatcenter) en worden opgestuurd aan de IND.

Een respondent merkt op dat het wenselijk zou zijn als er direct een kennismigrantenvergunning kan worden aangevraagd vanuit het buitenland (als er een baan is gevonden) in plaats van dat er eerst een zoekjaar moet worden aangevraagd, die vervolgens in Nederland moet worden omgezet naar de kennismigrantenvergunning. Het ontwerpbesluit is aangepast, zodat ook degene die in aanmerking komt voor een zoekjaar, maar al meteen beschikt over een baan, in aanmerking komt voor het verlaagde salariscriterium uit de kennismigrantenregeling. Zodoende hoeft niet onnodig het zoekjaar te worden aangevraagd.

Een respondent adviseert om een versnelde beslistermijn te hanteren bij het zoekjaar, in plaats van de reguliere beslistermijn van drie maanden. Er is geen reden om de wettelijke beslistermijn voor een vergunning zoekjaar hoogopgeleiden aan te passen. Het betreft hier een maximale beslistermijn en dat sluit niet uit dat de daadwerkelijk beslistermijnen lager liggen.

Een respondent vraagt of een schriftelijke diplomawaardering van het Nuffic vereist blijft indien de vreemdeling is afgestudeerd aan een aangewezen buitenlandse onderwijsinstelling. Een diplomawaardering door EP/Nuffic blijft relevant om er zo zeker van te zijn dat diploma’s op juistheid worden gewaardeerd.

Salariscriterium kennismigrantenregeling

Enkele respondenten merken op dat het salariscriterium in de kennismigrantenregeling te hoog is voor bepaalde categorieën personen, terwijl een andere respondent opmerkt dat het te laag is en daardoor discriminerend werkt ten opzichte van Nederlandse hoogopgeleiden, mede doordat het verlaagde salariscriterium altijd van toepassing zou blijven op degenen die een zoekjaar hebben gehad. In reactie hierop wordt het volgende opgemerkt. De salariseis is in de kennismigrantenregeling vastgesteld op een bepaald bedrag dat voor iedere kennismigrant geldt. Wanneer dit bedrag gedifferentieerd zou worden naar verschillende functies wordt de regeling voor de IND onuitvoerbaar.

De ACVZ adviseert de wijziging van het marktconformiteitscriterium uit de kennismigrantenregeling te heroverwegen (betreft wijziging artikel 3.30a Vb). Twee respondenten adviseren af te zien van deze wijziging. Dit advies is niet overgenomen.

Doel van de kennismigrantenregeling is dat werknemers met een extra toegevoegde waarde tot Nederland worden toegelaten. Die extra toegevoegde waarde blijkt uit het salaris. Wanneer de werkgever het salaris echter te hoog vaststelt om daarmee toelating te bewerkstelligen van een arbeidsmigrant die die toegevoegde waarde niet heeft, wordt oneigenlijk gebruik van de regeling gemaakt. Wat betreft de uitvoering en rechtszekerheid is van belang dat dankzij de aansluiting bij de marktconformiteitstoets uit artikel 1d, vierde lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, gebruik kan worden gemaakt van de marktconformiteitstoets, waarmee in de uitvoeringspraktijk van het UWV veel ervaring is opgedaan.

De opmerking dat van een aanscherping sprake is, is te relativeren. Volgens de Afdeling is het criterium «sterk afwijken van het gebruikelijke loon» een zwaardere norm dan «een niet-marktconform loon». Dit verschil is betrekkelijk, maar gelet op de uitspraak van de Afdeling is het inderdaad strikt genomen een lichte aanscherping: de verblijfsvergunning zal iets sneller geweigerd kunnen worden, omdat al bij een lichtere afwijking van het gebruikelijke loon kan worden geoordeeld dat het loon niet marktconform is. Niet zozeer is beoogd om de toetsing te wijzigen, maar veeleer is beoogd om dezelfde terminologie te gebruiken in het Vreemdelingenbesluit als in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

Verblijfsregeling slachtoffers arbeidsgerelateerde uitbuiting

De ACVZ heeft opgemerkt dat niet duidelijk is waarom de vreemdeling geen verblijfsrechtelijke bescherming wordt geboden indien gekozen wordt voor een bestuursrechtelijke aanpak van arbeidsgerelateerde uitbuiting. De reden hiervoor is dat artikel 3.48, eerste lid, onder g, de implementatie is van artikel 13, vierde lid, van richtlijn 2009/52/EG. Deze richtlijnbepaling is gekoppeld aan artikel 9 van de richtlijn, dat gaat over strafbare feiten, en niet gekoppeld aan artikel 5, dat gaat over (bestuursrechtelijke) financiële sancties. Voor de aanpak van arbeidsgerelateerde uitbuiting is verblijfsrechtelijke bescherming overigens geen condicio sine qua non voor een loonvordering. Artikel 23 van de Wet arbeid vreemdelingen geeft de grondslag voor een vordering tot nabetalingen in de zin van de richtlijn. Ook vanuit het buitenland kan een vordering worden ingesteld. In dat geval zal worden aangegeven waar de nabetalingen naartoe moeten worden overgeboekt. Een dergelijke overboeking kan dan worden uitgevoerd. De Verordening 1215/20124 maakt het bovendien voor de niet EU-burger mogelijk om voor de Nederlandse rechter te procederen tegen een in Nederland gevestigde werkgever. Overigens is in geval van een strafrechtelijk onderzoek denkbaar dat betrokkene tijdelijk in Nederland moet zijn om als getuige op te treden bij verhoren of bij de rechter.

Verblijfsbeëindiging conform richtlijn vrij verkeer

De ACVZ heeft opgemerkt dat in het ontwerpbesluit onvoldoende is gemotiveerd waarom de periode waarin een terbeschikkingstelling ten uitvoer wordt gelegd, niet meetelt voor de berekening van de tienjaarstermijn (wijziging artikel 8.22 Vb). Het gaat hier om de termijn van tien jaar waarna geen besluit tot verwijdering van een EU-burger meer mag worden genomen, anders dan om dwingende redenen van openbare veiligheid (artikel 28, derde lid, richtlijn 2004/38/EG). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een periode in de gevangenis de opbouw van de tien jaar verblijf in beginsel doorbreekt, omdat hiermee de met het gastland opgebouwde banden van integratie worden verbroken. Ook bij terbeschikkingstelling moet een dergelijke integratie in beginsel doorbroken worden geacht.

Geldigheidsduur tijdelijke humanitaire gronden en medische behandeling

Een respondent heeft gevraagd naar artikel 3.58, derde lid, Vb, welke bepaling het mogelijk maakt om de verblijfsvergunning voor tijdelijke humanitaire gronden en voor medische behandeling te verlenen of verlengen voor een langere geldigheidsduur indien tussen de aanvraag en de beschikking minstens één jaar is verstreken. Respondent vraagt of deze afwijkende, langere geldigheidsduur niet reeds mogelijk kan worden gemaakt als er zes maanden zijn verstreken tussen de aanvraag en de beschikking.

In reactie hierop wordt het volgende opgemerkt. Het gaat hier slechts om het gedeeltelijk herstellen van het voormalige artikel 3.67, tweede lid, Vb, zoals dat luidde tot het Besluit modern migratiebeleid. Wat betreft de termijn van één jaar: daarvoor is gekozen omdat de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor tijdelijke humanitaire gronden of voor medische behandeling één jaar bedraagt. Aangezien deze vergunningen – conform de hoofdregel – worden verleend met terugwerkende kracht tot de aanvraagdatum, kan het voorkomen dat de geldigheidsduur van de vergunning reeds is verstreken als pas één jaar na de aanvraag de beschikking wordt verleend. Bij een duur van zes maanden tussen de aanvraag en de beschikking is de geldigheidsduur nog niet verstreken. Om die reden wordt geen aanleiding gezien om af te wijken van de gebruikelijke geldigheidsduur van één jaar.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1 Vb

Omwille van een betere leesbaarheid, wetseconomie en consistentie zijn de verschillende typen verblijfsvergunningen gedefinieerd en door het gehele Vb op dezelfde manier aangehaald.

Daarnaast is omwille van de consistentie gekozen voor de term «bij ministeriële regeling» en is de variant «bij regeling van Onze Minister» geschrapt.

Artikel 1.3 en 1.28 Vb

Dit zijn redactionele correcties.

Artikel 3.4 en 3.5 Vb

In artikel 3.4, vierde lid, is de term «publieke middelen» vervangen door «algemene middelen» om redenen van consistentie, zodat er geen verschillende termen meer worden gebruikt voor hetzelfde begrip. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Met algemene middelen wordt gedoeld op een beroep op de bijstand of een andere inkomensvervangende uitkering waarvoor geen premies zijn afgedragen. Verder zijn enkele redactionele verbeteringen opgenomen.

Artikel 3.6b Vb

Artikel I, onderdeel E, van de wijziging van het Vb van 3 oktober 2014 (Stb. 2014, 401) wijzigde abusievelijk artikel 3.6 in plaats van artikel 3.6b. Die wijzigingsopdracht was onuitvoerbaar. Met het onderhavige besluit is alsnog de correcte wijziging doorgevoerd.

Artikelen 3.7 en 4.52a Vb

De tot nu toe gehanteerde formulering maakte het mogelijk om een voorschrift aan de verblijfsvergunning te verbinden dat de vreemdeling voldoende verzekerd is tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. Aangezien laatstgenoemde kosten deels onder de Wet langdurige zorg verzekerd zijn (voorheen: AWBZ) en deels onder het basispakket vallen, is volstaan met een verwijzing naar de ziektekostenverzekering. Het betreft hier de verplichte zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet. Als de vreemdeling niet verzekeringsplichtig is in het kader van de Zorgverzekeringswet dan geldt dat deze een (particuliere) ziektekostenverzekering moet hebben die de ziektekosten in Nederland dekt voor de duur dat in Nederland wordt verbleven. De nieuwe formulering is ontleend aan artikel 8.12, eerste lid, onderdeel b, Vb.

Artikel 3.30a, eerste lid, Vb

Deze wijziging vindt plaats naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2014 (201402257/1/V1), waarin werd geoordeeld dat het criterium «niet marktconform loon» uit paragraaf B6/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000 in strijd is met artikel 3.30a Vb, dat uitging van «loon dat sterk afwijkt van wat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is». Het gaat hier om criteria om oneigenlijk gebruik van de kennismigrantenregeling te voorkomen, die niet is bedoeld voor laag- en ongeschoold werk. Beoogd is om gebruik te kunnen maken van de marktconformiteitstoets, waarmee in de uitvoeringspraktijk van het UWV veel ervaring is opgedaan. De voorheen in artikel 3.30a opgenomen term «sterk afwijkend loon» is daarom vervangen door het marktconformiteitscriterium. Hiermee is tevens aangesloten bij de formulering uit artikel 1d, vierde lid, Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

Of sprake is van «marktconformiteit» in de zin van artikel 3.30a Vb hangt af van het antwoord op de vraag of het salaris in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is.

Dit element kan mutatis mutandis naar analogie worden toegepast uit artikel 8, eerste lid, onder d, van de Wet arbeid vreemdelingen, dat regelt dat een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid wordt afgewezen indien van de te vervullen arbeidsplaats de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden beneden het niveau liggen dat wettelijk is vereist of in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is. UWV toetst daarbij of de geboden beloning gebruikelijk is voor de functie, gelet op de taken binnen een functie en de gestelde eisen t.a.v. de kwalificaties van de vreemdeling.

Inhoudelijk verschilt de marktconformiteitstoets voor een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning immers niet van een advies over de beloning van een kennismigrant; wel is het doel van de toets anders: de toets aan artikel 8 Wav leidt tot een afwijzing wanneer het loon te laag is (omdat het doel van de Wav het tegengaan is van oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden), en bij kennismigranten heeft het juist tot doel om oneigenlijk gebruik van de regeling te voorkomen, wanneer de beloning te hoog is.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de betreffende subparagraaf in het consultatieverslag hiervoor («Salariscriterium kennismigrantenregeling»).

Artikel 3.31b Vb

Deze wijziging is doorgevoerd omwille van redactionele consistentie met artikel 3.42 Vb.

Artikel 3.42 Vb

Deze wijziging is reeds toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 3.43 Vb

Deze wijziging introduceert een dynamische vrijstelling van een bepaald vereiste voor de toelating van uitwisselingsjongeren – het goedgekeurde uitwisselingsprogramma – ter aanvulling op de huidige handmatige vrijstellingsmogelijkheid uit artikel 3.43, derde lid, onder b, waarbij per nationaliteit vrijstelling kan worden verleend in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV).

Artikel 3.48 Vb

Dit betreft een implementatie achteraf, van artikel 6, vijfde lid, van de richtlijn illegale tewerkstelling5, op verzoek van de Europese Commissie. Geregeld wordt het verblijfsrecht voor slachtoffers van illegale tewerkstelling gedurende de loonvorderingsprocedure, voor de periode dat deze procedure is afgelopen, maar de nabetaling nog niet is ontvangen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de betreffende subparagraaf in het consultatieverslag hiervoor («Verblijfsregeling slachtoffers arbeidsgerelateerde uitbuiting»).

Artikel 3.58, 3.59 en 3.59d Vb

Omwille van de leesbaarheid zijn de drie artikelen over de geldigheidsduur van de verleende en verlengde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, opgenomen in tabelvorm. Verder is in artikel 3.58, derde lid, het voormalige artikel 3.67, tweede lid, Vb teruggekeerd zoals dat gold tot het Besluit modern migratiebeleid. Omdat het ingevolge artikel 26 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) voorkomt dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend met terugwerkende kracht tot het moment waarop de aanvrager voldeed aan de voorwaarden, kan het bij een lange beslis-, bezwaar- en beroepsprocedure voorkomen dat de verblijfsvergunning wordt verleend ten behoeve van een periode die inmiddels is verstreken. Voor die situatie treft artikel 3.58, derde lid, een voorziening. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de betreffende subparagraaf in het consultatieverslag hiervoor («Geldigheidsduur tijdelijke humanitaire gronden en medische behandeling).

Bij de formulering van artikel 3.58, rij e, (verblijf als houder van de Europese blauwe kaart) is aangesloten bij artikel 7, tweede lid, van de richtlijn blauwe kaart:6 «De lidstaten stellen een standaardgeldigheidsduur voor de Europese blauwe kaart vast, die ligt tussen één en vier jaar. Indien de arbeidsovereenkomst een kortere looptijd heeft, wordt de Europese blauwe kaart afgegeven voor of verlengd met de duur van de arbeidsovereenkomst plus drie maanden.»

De inhoud van de bestaande bepalingen over de geldigheidsduur en verlenging van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland is niet overgenomen in de tabel van het nieuwe artikel 3.58, eerste lid, van het Vb. De reden hiervoor is dat deze beperking niet meer bestaat sinds het Besluit modern migratiebeleid.

Artikel 3.71a Vb

Dit is een redactionele wijziging vanwege de opname van de definities van de verschillende typen verblijfsvergunningen in artikel 1.1 Vb.

Artikel 3.77 Vb

Dit betreft het herstel van technische omissies.

Artikel 3.80a Vb

Dit is een redactionele correctie, in lijn met de formulering van artikel 3.51, vijfde lid, Vb.

Artikelen 3.87a tot en met 3.98, eerste lid, 3.99 tot en met 3.102b, 3.130 en 8.6 Vb

Deze redactionele wijzigingen zijn nodig als gevolg van de inkorting van de verwijzingen naar de diverse soorten verblijfsvergunningen, die is bedoeld om het Vb leesbaarder te maken.

Artikel 3.98b, tweede lid, Vb

Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van 9 juli 2015 (C-153/14, Minister van Buitenlandse Zaken / K en A) is aanleiding gezien om te bepalen dat de kosten van het basisexamen inburgering bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Gelet op overwegingen 69 en 70 van deze uitspraak moeten de kosten worden verlaagd.

Artikel 3.109 Vb

Dit betreft de wetstechnische correctie van een niet geheel juist geformuleerde wijzigingsopdracht van dit artikel. In de wijziging van het Vb van 21 januari 2014 (Stb. 2014, 44) was artikel I, onderdeel E, abusievelijk geformuleerd als een wijziging van artikel 3.109, vierde lid, in plaats van artikel 3.109, vijfde lid, Vb.

Artikel 3.129, derde lid, Vb

Deze wijziging betreft een redactionele correctie.

Artikelen 4.21 en 4.29, derde lid, Vb

Omdat het zogenaamde inlegvel bij W-documenten («wacht-documenten») niet langer nodig is, is dat hiermee niet langer verplicht. In plaats daarvan wil de IND de mogelijkheid bieden om online bij de IND na te gaan op basis van het documentnummer of het W-document nog geldig is.

In artikel 4.21, vierde lid, is de term «publieke middelen» omwille van consistentie met artikel 3.4, vierde lid, vervangen door «algemene middelen».

Artikelen 4.23, 4.31, 4.33, 4.34 en 4.35 Vb

Deze wijzigingen bevatten redactionele correcties.

Artikel 4.46 Vb

Artikel 3.79 Vb regelt dat een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is mee te werken aan een TBC-onderzoek. Artikel 4.46 Vb bevat de hierbij behorende verplichting om mee te werken aan een TBC-onderzoek. De vrijgestelde herkomstlanden waren voorheen verschillend geregeld. In het geval van artikel 3.79 Vb is dit uitgewerkt in artikel 3.18 VV, terwijl in het geval van artikel 4.46 Vb de vrijgestelde herkomstlanden in het artikel zelf werden genoemd.

Met de onderhavige wijziging van artikel 4.46, tweede lid, wordt het systeem van artikel 3.79 Vb een op een gekopieerd, zodat de vrijgestelde herkomstlanden weer synchroon lopen. In het VV zal daartoe het systeem van artikel 3.18 VV van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de medewerkingsplicht. Hierbij wordt uitgegaan van artikel 3.18 VV, zoals dat is gewijzigd bij Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 december 2014, nummer 593764, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdtweeëndertigste wijziging) (Stcrt. 2014, 36739). Daarbij is een dynamische vrijstelling geïntroduceerd, waarbij wordt uitgegaan van de actuele landenlijst van het KNCV Tuberculosefonds.

Artikel 4.52 Vb

Vastlegging van de plicht tot inname verblijfsdocumenten bij verlening van een vervangend document in het Vb strekt tot codificatie van de praktijk, waarin een vreemdeling als gevolg van artikel 3.104, derde lid, Vb slechts één verblijfsdocument tegelijkertijd kan bezitten.

Artikel 4.52a Vb

Deze wijziging is hierboven toegelicht bij de wijziging van artikel 3.7 Vb.

Artikel 5.1b Vb

In een recente uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, kort gezegd, overwogen dat niet kan worden aangenomen dat voor een vreemdeling de verplichting bestaat uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. In de betreffende uitspraak van 30 juli 2015 in zaak nr. 201406763/1/V3 (www.raadvanstate.nl), oordeelde de Afdeling dat uit de bepalingen van de Dublinverordening7 voortvloeit dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust. Weliswaar wordt, zo overweegt de Afdeling, een asielzoeker gelet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening8 daarnaast de mogelijkheid geboden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld waarbinnen hij zich in de verantwoordelijke lidstaat moet melden. Dit gebeurt echter slechts op diens initiatief. De Afdeling acht de in artikel 44a, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 62c, eerste lid, van de Vw opgenomen algemene verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten hiermee niet in overeenstemming en beoordeelt deze bepalingen als in zoverre onverbindend wegens strijd met artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening. De Afdeling oordeelt voorts dat het gegeven dat een vreemdeling Nederland niet binnen vier weken uit eigen beweging heeft verlaten en te kennen heeft gegeven niet te zullen vertrekken naar de verantwoordelijke lidstaat, hem niet kan worden tegengeworpen en niet aan een maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd nu een verplichting in die zin ten onrechte is aangenomen.

Er is geen reden om aan te nemen dat deze uitspraak eraan in de weg staat om, net als in het verleden, het gegeven dat een vreemdeling niet uit eigen beweging binnen een gestelde termijn is vertrokken, te betrekken bij de beantwoording van de vraag of wegens een significant risico op onttrekking aan het toezicht bewaring gerechtvaardigd kan worden geacht. Om dit zeker te stellen zijn enkele wijzigingen in artikel 5.1b, derde lid, doorgevoerd. Deze wijzigingen addresseren niet het vraagstuk inzake artikel 44a en 62c Vw, maar voorkomen slechts de negatieve effecten van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak voor de mogelijkheid een Dublinclaimant in bewaring te stellen.

Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening kan overdracht plaatsvinden op initiatief van de asielzoeker of door tussenkomst van de staat (gecontroleerd vertrek, of vertrek onder geleide).

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen rust de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat. Uit de omstandigheid dat een vreemdeling niet kiest voor zelfstandig vertrek kan op zichzelf nog niet worden afgeleid dat een significant risico op onttrekking aan het toezicht, als bedoeld in artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb, bestaat. Een Dublinclaimant kan ook om praktische redenen de voorkeur geven aan gecontroleerd vertrek of vertrek onder geleide. Zodra echter blijkt dat hij geen medewerking verleent aan de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, doet zich een zware grond voor bewaring voor. Dit is neergelegd in het nieuwe onderdeel k van artikel 5.1b, derde lid.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt voorts dat het een Dublinclaimant in het kader van de inbewaringstelling alleen kan worden tegengeworpen dat hij niet binnen een gestelde termijn is vertrokken, indien deze termijn hem op zijn eigen initiatief om zelfstandig te vertrekken is geboden. Indien de vreemdeling voorafgaand aan het overdrachtsbesluit heeft aangegeven zelfstandig te zullen vertrekken, kan deze termijn in het overdrachtsbesluit worden vervat. Ook is denkbaar dat reeds een overdrachtsbesluit is genomen en nadien op initiatief van de vreemdeling de gelegenheid tot zelfstandig vertrek is geboden en daartoe een termijn is gesteld. Indien de termijn is verstreken zonder dat de betrokkene is vertrokken zal in beide gevallen kunnen worden aangenomen dat sprake is van gezagsontwijkend gedrag en is sprake van een zware grond voor bewaring. Dit blijkt uit het nieuwe onderdeel l van artikel 5.1b, derde lid.

Het nieuwe onderdeel m van artikel 5.1b, derde lid, is niet opgenomen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het ziet op de situatie dat onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is om tijdige overdracht onder de Dublinverordening te realiseren. Ook in deze situatie kan worden aangenomen dat sprake is van een zware grond voor bewaring. Redengevend daarvoor is dat onttrekking aan de overdracht naar verwachting steeds tot gevolg zal hebben dat deze definitief illusoir wordt. Het gegeven dat de overdrachtstermijn bijna is verstreken hoeft niet het gevolg te zijn van omstandigheden die zijn gelegen in verwijtbaar gedrag van de desbetreffende vreemdeling. Bewaring zal in deze situatie reeds uit de aard der zaak van zeer korte duur zijn. De maximale termijn zal in de Vreemdelingencirculaire 2000 worden neergelegd.

Artikel 6.5 Vb

Dit betreft het herstel van een omissie.

Artikel 8.2 Vb

In artikel 8.2, tweede lid, is de term «publieke middelen» omwille van consistentie met de artikelen 3.4, vierde lid, en 4.21, vierde lid, vervangen door «algemene middelen».

Artikel 8.3, eerste lid, Vb

Hiermee vervalt een verwijzing naar een vervallen wet en wordt een verwijzing geactualiseerd nu een bepaling binnen de Wet personenvervoer 2000 is verhuisd.

Artikel 8.15 Vb

Met de wijziging van het vierde lid is letterlijk aangesloten bij artikel 13, tweede lid, onder c, van de richtlijn vrij verkeer.9 De wijziging van het vijfde lid dient om beter aan te sluiten bij de bewoordingen van artikel 13, tweede lid, slotalinea’s, van de richtlijn.

Artikel 8.17, derde lid, Vb

Dit betreft de codificatie van de regel uit jurisprudentie van het Hof van Justitie dat gevangenisstraf niet meetelt voor de periode van vijf jaar die nodig is voor een EU-burger voor verkrijging van duurzaam verblijfsrecht.

In de zaak C-378/12 stelde (een familielid van) een EU onderdaan na vijf jaar het duurzame verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van de richtlijn vrij verkeer, te hebben verworven. Het Hof oordeelde echter dat de periode van gevangenisstraf die was opgelegd in die periode van vijf jaar maakte dat de noodzakelijk aaneengesloten periode van vijf jaar was doorbroken.

Artikel 8.22, zevende lid, Vb

Dit betreft de codificatie van de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-400/12, waarin het Hof oordeelde over de toekenning van de extra bescherming tegen verblijfsbeëindiging van EU-burgers die tien jaar in een gastlidstaat verblijven (artikel 28, derde lid, richtlijn vrij verkeer). Uit deze uitspraak vloeit voort dat een periode van gevangenisstraf niet meetelt bij de berekening of een EU-burger meer dan tien jaar in de gastlidstaat woont.

Artikelen 8.24 en 8.25 Vb

Met deze wijziging is aangesloten bij de terminologie van artikel 35 van de richtlijn vrij verkeer. In het Handboek aanpak schijnhuwelijken van de Europese Commissie (SWD(2014) 284) staat op blz. 9: «Abuse should be distinguished from fraud». Uit dit Handboek blijkt dus dat misbruik en fraude niet hetzelfde zijn. Volgens de definitie van misbruik wordt formeel aan de voorwaarden uit de richtlijn vrij verkeer voldaan, maar niet aan het doel van die voorwaarden: «For the purposes of Directive 2004/38/EC, the notion of abuse refers to an artificial conduct entered into solely with the purpose of obtaining the right of free movement and residence under EU law which, albeit formally observing the conditions laid down by EU rules, does not comply with the purpose of those rules.» (blz. 8)

Artikel 8.26 Vb

Deze wijziging geeft een delegatiegrondslag voor uitvoering aan een vijftal verdragen die verblijfsrechten toekennen aan beoefenaars van vrije beroepen.

Het CARIFORUM-verdrag is nog niet in werking maar wordt voorlopig toegepast conform het voorlopige toepassingsbesluit dat is verschenen in PbEU 2008, L 289.

Het handelsverdrag met Colombia en Peru is in werking getreden op 1 maart 2013.

Het associatieverdrag met Georgië is nog niet in werking maar moet voor een (ook verblijfsrechtelijk relevant) deel voorlopig worden toegepast vanwege het voorlopige toepassingsbesluit (2014/494/EU) van de Raad van de EU van 16 juni 2014 dat is verschenen in PbEU 2014, L 261, blz. 1.

Voor het associatieverdrag met Oekraïne geldt hetzelfde wegens het voorlopige toepassingsbesluit (2014/668/EU) van de Raad van de EU van 23 juni 2014 (PbEU 2014, L 278, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 2014/691/EU (PbEU 2014, L 289).

Ook voor het associatieverdrag met Moldavië geldt dit, wegens het voorlopige toepassingsbesluit (2014/492/EU) van de Raad van de EU van 16 juni 2014 (PbEU 2014, L 260, blz. 1).

Artikel II

Deze wijziging is gedeeltelijk reeds toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting. De wijziging van artikel 1d regelt dat het verlaagde salariscriterium uit de kennismigrantenregeling geldt voor de gehele doelgroep van het nieuwe zoekjaar hoogopgeleiden.

Artikel III

Deze besluiten zijn uitgewerkt en kunnen vervallen.

Artikel IV

Er wordt afgeweken van de vaste verandermomenten gelet op publieke voordelen van eerdere inwerkingtreding dan het eerstvolgende vaste verandermoment (Aanwijzing 174, vierde lid, onder a, Aanwijzingen voor de regelgeving).

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, K.H.D.M. Dijkhoff


X Noot
1

Vgl. het kabinetsstandpunt inzake verzamelwetgeving: Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 29 861, nr. 36.

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstukken II 2013/14, 22 452, nr. 35.

X Noot
4

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEU 2012, L 351).

X Noot
5

Richtlijn nr. 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PbEU 2009 L 168).

X Noot
6

Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU 2009, L 155).

X Noot
7

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013 L 180).

X Noot
8

Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 222).

X Noot
9

Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (...) (PbEU 2004, L 229).

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.