Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2014, 44AMvB

Besluit van 21 januari 2014 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 juni 2013, nr. 391646;

Gelet op de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b, 54, eerste lid, onderdeel c, 106a, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid en 107, negende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, alsmede artikel III van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2);

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 juli 2013, nr. W03.13.0163/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 januari 2014, nr. 471510;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel v in artikel 1.1 door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

w. vreemdelingenadministratie:

de vreemdelingenadministratie, bedoeld in artikel 107 van de Wet.

B

In artikel 1.31, onderdeel b, vervalt de zinsnede «, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat».

C

In artikel 3.98b, derde lid, wordt «het laten nemen van digitale vingerafdrukken» vervangen door: het digitaal laten afnemen van vingerafdrukken.

D

Artikel 3.102a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «onderdeel c» vervangen door: onderdeel b.

2. In onderdeel b vervalt de zinsnede «, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat».

E

In artikel 3.109, vierde lid, eerste volzin, wordt «identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt» vervangen door: een gezichtsopname gemaakt en vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen.

F

In artikel 4.45, onderdeel b, vervalt de zinsnede «, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister, de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat».

G

In de artikelen 8.1 en 8.2 wordt «artikel 107, achtste lid» telkens vervangen door: artikel 107, tiende lid.

H

In hoofdstuk 8 wordt na Afdeling 2 Afwijking op grond van verdragen een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3 Biometrische gegevens

Artikel 8.27

De bevoegdheid om vingerafdrukken af te nemen en te verwerken als bedoeld in artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet, geldt niet ten aanzien van:

  • a. vreemdelingen die nog niet de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, en

  • b. vreemdelingen bij wie het afnemen van alle vingerafdrukken blijvend fysiek onmogelijk is.

Artikel 8.28

Voor het vaststellen van de identiteit of de verificatie van de identiteit, op grond van artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Wet, worden digitaal platte vingerafdrukken afgenomen.

Artikel 8.29
  • 1. De vingerafdrukken die zijn afgenomen voor het vaststellen van de identiteit worden opgeslagen in een daartoe door Onze Minister aangewezen bestand in de vreemdelingenadministratie.

  • 2. Het wijzigen en vernietigen van de vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie vindt plaats vanuit het bestand, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Bij het verifiëren van de authenticiteit van het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, of de verificatie van de identiteit van de vreemdeling worden de vingerafdrukken slechts opgeslagen en verwerkt voor de duur van de verificatie.

  • 4. Van de vingerafdrukken kunnen in andere bestanden in de vreemdelingenadministratie dan het bestand, bedoeld in het eerste lid, slechts kopieën worden opgenomen.

Artikel 8.30
  • 1. Indien naar het oordeel van de ambtenaar die de vingerafdrukken afneemt, het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de vreemdeling te verlangen dat bij hem vingerafdrukken worden afgenomen, worden in ieder geval de vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen van de vingers waarbij dit volgens de ambtenaar wel mogelijk is. Van de vingers waarvan geen vingerafdrukken zijn afgenomen, wordt met opgave van reden een aantekening gemaakt in de vreemdelingenadministratie.

  • 2. De vreemdeling van wie de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, wordt uitgenodigd om op een bij regeling van Onze Minister bepaald moment opnieuw zijn vingerafdrukken af te laten nemen.

Artikel 8.31
  • 1. Een gezichtsopname als bedoeld in artikel 106a, eerste lid, van de Wet wordt in ieder geval opnieuw gemaakt en opgeslagen en tien vingerafdrukken worden in ieder geval opnieuw afgenomen en opgeslagen van vreemdelingen die de leeftijd van twaalf jaar en van vreemdelingen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

  • 2. Een gezichtsopname kan opnieuw worden gemaakt en opgeslagen en vingerafdrukken kunnen opnieuw worden afgenomen en opgeslagen in het geval een gezichtsopname onvoldoende gelijkenis toont of een gezichtsopname of vingerafdrukken van onvoldoende kwaliteit zijn.

Artikel 8.32
  • 1. Bij regeling van Onze Minister kunnen, onverminderd het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU L 157), documenten als bedoeld in artikel 9 van de Wet worden aangewezen, waarop de vingerafdrukken van de linker- en rechterwijsvinger worden opgenomen.

  • 2. Indien de kwaliteit van de afdrukken van de wijsvingers ontoereikend is voor opname op het document, worden vingerafdrukken van de middelvingers, ringvingers of duimen opgenomen.

  • 3. Indien van slechts één vinger een afdruk van voldoende kwaliteit kan worden afgenomen, wordt uitsluitend de afdruk van die vinger opgenomen in het document.

Artikel 8.33

In het geval dat bij de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken wordt, indien dat noodzakelijk is voor de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit, een onderzoek door een dactyloscopisch deskundige uitgevoerd.

Artikel 8.34
  • 1. De ambtenaren die het beheer voeren over de vreemdelingenadministratie, hebben rechtstreekse toegang tot de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.

  • 2. Van de beschikbaarstelling van gezichtsopnames en vingerafdrukken aan derden wordt een aantekening gemaakt van de datum waarop en de organisatie waaraan de gegevens zijn verstrekt. Deze aantekening wordt bewaard voor de duur van vijf jaar.

  • 3. De ambtenaren die met de uitvoering van de Wet zijn belast, kunnen de gezichtsopnames en vingerafdrukken rechtstreeks langs geautomatiseerde weg raadplegen, voor zover zij die gegevens nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.

Artikel 8.35

De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopnames en vingerafdrukken worden niet langer bewaard dan:

  • a. vijf jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen;

  • b. in geval van rechtmatig verblijf: vijf jaar nadat de betrokken vreemdeling, wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten; of

  • c. indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard: vijf jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring.

Artikel 8.36

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over:

  • a. het bewaken van de juistheid en volledigheid van de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie en op de documenten, bedoeld in artikel 9 van de Wet;

  • b. de beveiliging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken tegen verlies of onrechtmatige verwerking;

  • c. de wijze waarop de gezichtsopnames en vingerafdrukken, op grond van artikel 107, vijfde lid, van de Wet beschikbaar worden gesteld;

  • d. de vernietiging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na afloop van de bewaartermijn, bedoeld in artikel 8.35, en

  • e. de verwijdering en vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft verkregen van gemeenschapsonderdaan anders dan door verkrijging van het Nederlanderschap.

ARTIKEL II

De Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2) en dit besluit treden in werking met ingang van 1 maart 2014.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 21 januari 2014

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

Uitgegeven de eenendertigste januari 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Dit besluit geeft regels ter uitvoering van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2).

In genoemde wet is de bevoegdheid voor de Minister van Veiligheid en Justitie, de ambtenaren belast met de grensbewaking, de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen en de Minister van Buitenlandse Zaken opgenomen om een gezichtsopname te maken en tien vingerafdrukken af te nemen en te verwerken voor het vaststellen van de identiteit of de verificatie daarvan met het oog op de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000). Tevens is bepaald dat deze biometrische gegevens worden opgeslagen in de vreemdelingenadministratie en voor welk doel. Tot slot zijn regels gegeven over de bevoegdheid tot het verstrekken van die gegevens aan derden en de bewaartermijn.

Noodzaak tot uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken

De uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen is noodzakelijk om de betrouwbaarheid van de identiteitsvaststelling in de vreemdelingenketen te optimaliseren. Van vrijwel alle vreemdelingen en binnen alle processen binnen de vreemdelingenketen zullen voor de vaststelling en verificatie van de identiteit van de vreemdeling een gezichtsopname en vingerafdrukken worden afgenomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze gegevens bij het eerste contact met de vreemdeling zullen worden afgenomen en dat deze gegevens vervolgens centraal worden opgeslagen en door alle ketenpartners kunnen worden gebruikt. Aangezien bij verschillende processen in de vreemdelingenketen regelmatig blijkt dat vreemdelingen niet beschikken over (behoorlijke) identiteitsdocumenten, en zorgvuldige identiteitsvaststelling bij vreemdelingen dan ook een veel groter probleem is dan bij Nederlanders, moet niet alleen verificatie van een beweerde identiteit aan de hand van documenten kunnen plaatsvinden, maar moet het ook mogelijk zijn de identiteit van een vreemdeling vast te stellen of te verifiëren door middel van het zoeken in een database. Om dit met een zo groot mogelijke nauwkeurigheid te kunnen doen, en daarbij onterechte treffers te voorkomen, is de verwerking van tien vingerafdrukken noodzakelijk. Door de sterk toenemende mogelijkheden van de techniek en de automatisering zijn biometrische kenmerken steeds breder en beter toepasbaar.

Het gebruik van biometrische kenmerken binnen de vreemdelingenketen is al mogelijk in Europees verband ten aanzien van asielzoekers (Eurodac1), aanvragers van een visum kort verblijf (Visumcode en VIS-verordening2). Verder is het op grond van de VIS-verordening mogelijk om met afgenomen vingerafdrukken van een asielzoeker in het VIS te zoeken om na te gaan of aan de betrokkene een visum is verleend. In het geval van een treffer kan vervolgens bij de lidstaat van visumverlening een claim worden gelegd om het asielverzoek te behandelen. Met ingang van 9 april 2013 is het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) operationeel3. In het SIS II worden foto’s en tien vingerafdrukken opgeslagen van onder meer vreemdelingen die door de autoriteiten worden gezocht en vreemdelingen die de toegang tot het Schengengebied is geweigerd4.

Voorts is het gebruik van biometrische kenmerken mogelijk ten aanzien van onderdanen van derde landen die een verblijfstitel krijgen5. Van onderdanen van derde landen worden de gezichtsopname en twee vingerafdrukken in een chip op het verblijfsdocument opgenomen. Voor deze groep van vreemdelingen heeft de uitbreiding van de bevoegdheid om tien vingerafdrukken af te nemen met name gevolgen. Bij asielzoekers vinden de afname en opslag in de vreemdelingenadministratie (het zogenaamde biometrieregister) van tien vingerafdrukken al langer plaats op grond van artikel 3.109, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb2000). Ook voor degenen die verplicht zijn een inburgeringsexamen in het buitenland af te leggen, geldt vanwege artikel 3.98b van het Vb2000, al de verplichte medewerking aan het zich digitaal te laten fotograferen en het laten nemen van digitale vingerafdrukken. Voor de machtiging tot voorlopig verblijf is de medewerking aan het afnemen van vingerafdrukken geregeld in artikel 1.32 van het Vb2000 en voor een verblijfsvergunning regulier is dit geregeld in artikel 3.102a van het Vb2000. Tot slot bestaat ook in het kader van toezicht, op grond van artikel 4.45 van het Vb2000, de verplichting voor de vreemdeling om medewerking te verlenen aan het maken van een foto en de afname van vingerafdrukken. Deze bepalingen zijn (deels aangepast) in stand gebleven, omdat daarin de verplichte medewerking van de vreemdeling is geregeld. In artikel I, onderdelen A tot en met E van dit besluit zijn enkele aanpassingen aangebracht. Deze wijzigingen zijn toegelicht in het artikelsgewijs deel van deze toelichting.

Grondrechten

Bij de voorgestelde maatregelen zijn twee grondrechten in het geding. In de eerste plaats is het recht op onaantastbaarheid van het lichaam aan de orde waar het gaat om het maken van gezichtsopnames en afnemen van vingerafdrukken. Dit grondrecht is neergelegd in artikel 11 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het EU-Handvest. In de tweede plaats is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, inclusief het recht op bescherming van persoonsgegevens, in het geding voor zover het gaat om het maken van gezichtsopnames en afnemen van vingerafdrukken, het verwerken en bewaren ervan, en het tonen van het verblijfsdocument. Dit grondrecht is voorzien in artikel 10 van de Grondwet, artikel 17 IVBPR, artikel 8 van het EVRM, en artikelen 7 en 8 van het EU-Handvest van de grondrechten.

Het EHRM heeft in het arrest Marper6 bepaald dat vingerafdrukken onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM vallen, ook al vormen deze «neutraal, objectief en onweerlegbaar» materiaal. Vingerafdrukken geven unieke informatie over de betreffende persoon en maken het mogelijk hem of haar precies en in een breed veld van omstandigheden te identificeren. Daarom beschouwt het EHRM deze gegevens als geschikt om zijn of haar privéleven te beïnvloeden en is het van oordeel dat de bewaring van deze informatie zonder toestemming van betrokkenen niet als neutraal of onbeduidend kan worden aangemerkt.

Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam

Bij het maken van gezichtsopnames en afnemen van vingerafdrukken vindt een inperking plaats van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Volgens artikel 8, tweede lid, van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie wordt een inbreuk rechtens aanvaard indien deze bij de wet wordt voorzien, een legitiem doel dient en de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermt het recht van een ieder op lichamelijke en geestelijke integriteit. Voor wat betreft de toetsing van dit recht volgt deze, gelet op artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dezelfde lijnen als de toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Ingevolge artikel 11 van de Grondwet heeft een ieder recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Een inperking van dit recht is rechtens toegestaan indien hierin bij of krachtens wet is voorzien. Aan de eis van een wettelijke grondslag voor het maken en verwerken van een gezichtsopname en afnemen en verwerken van vingerafdrukken wordt voldaan door het bepaalde in artikel 106a, eerste en tweede lid, van de Vw2000, waarin de bevoegdheid is opgenomen voor het maken en verwerken van een gezichtsopname en het afnemen en verwerken van vingerafdrukken voor zover dat noodzakelijk is voor het vaststellen van de identiteit en de verificatie van de identiteit met het oog op de uitvoering van de Vw2000. Deze bevoegdheid geldt ook voor het verifiëren van de authenticiteit van het verblijfsdocument. De bevoegdheid is toegekend aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Buitenlandse Zaken en de ambtenaren belast met de grensbewaking en met het toezicht. De rechtvaardiging voor de inperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam komt hierna aan de orde. Ook artikel 8 van het EVRM staat een inperking toe van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam indien deze bij of krachtens de wet is voorzien, een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Bij wet voorzien houdt volgens artikel 8, tweede lid, van het EVRM in dat de wet voorzienbaar en toegankelijk is. Dit betekent dat de wet zo precies mogelijk de voorwaarden dient te omschrijven onder welke in de persoonlijke levenssfeer kan worden ingegrepen. In de wet is het maken van gezichtsopnames en de afname van vingerafdrukken met oog op de uitvoering van de Vw2000 toegestaan aan de minister van Veiligheid en Justitie, de minister van Buitenlandse Zaken en de in de artikelen 46 en 47 van de Vw2000 aangewezen ambtenaren. Het gaat daarbij om afname voor identiteitsvaststelling en voor verificatie. De afname van tien vingerafdrukken voor identiteitsvaststelling geschiedt bij het eerste contact van de vreemdeling met de vreemdelingenketen. Van een eerste contact kan sprake zijn bij de volgende processen: aanvraag asiel, aanvraag visum voor kort verblijf, aanvraag mvv, verlenging van een visum dat is afgegeven door een ander Schengenland, inburgeringstoets buitenland, aanvraag van een reguliere verblijfsvergunning (zonder mvv), grensbewaking en toezicht. Bij of krachtens dit besluit worden regels gegeven over de wijze van afname en verwerken van de gezichtsopnames en vingerafdrukken. Artikel 8 van het EVRM stelt verder de eis dat met de inperking een legitiem doel wordt nagestreefd. Legitieme doelen zijn volgens het tweede lid van artikel 8 van het EVRM het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het gerechtvaardigde doel van de voorgestelde maatregel is gelegen in het beschermen van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Meer specifiek wordt met de maatregel een verbetering van de identiteitsvaststelling van vreemdelingen en tevens bestrijding van identiteitsfraude en fraude met documenten en het tegengaan van identiteitsdiefstal beoogd. Als voorbeeld van identiteitsfraude kan worden genoemd de situatie waarin iemand, die op een legaal in ons land verblijvende vreemdeling lijkt (look-a-like), gebruik maakt van diens reis-, identiteits- of verblijfsdocument, dat van de werkelijk legaal verblijvende is geleend, gekocht of gestolen. Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin een reis-, identiteits- of verblijfsdocument van een legaal in ons land verblijvende vreemdeling is nagemaakt, waarbij de gezichtsopname is vervangen of de situatie waarin een reis-, identiteits- of verblijfsdocument weliswaar is gemaakt met biometrische gegevens van de werkelijke houder ervan, maar waarbij de personalia van iemand anders zijn vermeld.

Verder eist artikel 8 EVRM dat beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Dit houdt in dat voor de inbreuk op het grondrecht een dringend maatschappelijk belang («pressing social need») aanwezig is. Bovendien moet worden aangetoond dat de verwerking van de gegevens in een evenredige verhouding staat met het te verwezenlijken doel, en dat de beperking effectief bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel, terwijl steeds nagegaan behoort te zijn of er eventueel minder ingrijpende maar even effectieve, alternatieve middelen bestaan om het doel te bereiken. Het maatschappelijk belang, maar ook het belang van de vreemdeling zelf, bij het vaststellen van de juiste identiteit en het tegengaan van identiteitsfraude is gelegen in het met zekerheid kunnen vaststellen dat degene die wordt toegelaten als vreemdeling ook het recht heeft om toegelaten te worden tot Nederland. Deze zekerheid kan uiteindelijk ook bijdragen aan een groter vertrouwen in en een positief beeld van vreemdelingen. De overheid draagt er zorg voor dat alleen vreemdelingen die recht hebben op een rechtmatig verblijf in Nederland toegang krijgen en kunnen verblijven. Hiervoor is een goede en betrouwbare identiteitsvaststelling van essentieel belang. Het identificatieproces bij vreemdelingen is in die zin anders dan bij Nederlandse burgers dat identificatie aan de hand van (buitenlandse) documenten niet uitsluit dat men op een ander moment onder een andere identiteit wederom een aanvraag voor verblijf doet wat niet door de Nederlandse autoriteiten getoetst kan worden. Vingerafdrukken en gezichtsopnames geven unieke informatie over de betreffende persoon en dragen in die zin bij aan het achterhalen van de eerder vastgelegde identiteit van een vreemdeling. Dit geldt ook bij de processen van toezicht, bewaring of uitzetting. Het gebruik van gezichtsopnames en vingerafdrukken bij identiteitsvaststelling draagt om die reden bij aan een grotere betrouwbaarheid van de identiteitsvaststelling. Door de koppeling van de biometrische gegevens aan het vreemdelingennummer en de overige identiteitsgegevens kunnen partners in de vreemdelingenketen altijd handelen op basis van dezelfde identiteitsgegevens van een vreemdeling. Zonder biometrische gegevens is het voor de vreemdeling mogelijk om zich in verschillende procedures voor te doen onder verschillende identiteiten. In het in mei 2010 verschenen rapport «Het topje van de ijsberg» heeft de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) geconcludeerd dat identiteit- en documentfraude in de vreemdelingenketen in het hele toegangs- en verblijfstraject voorkomt. Over de omvang van het probleem kan de ACVZ geen informatie geven omdat niet bekend is hoeveel zaken de ketenpartners hebben ontdekt. Dit komt omdat fraude niet wordt geregistreerd. De ACVZ concludeert in voornoemd rapport dat het gaat om een serieus probleem. De ACVZ merkt daarbij op dat buitenlandse brondocumenten boven aan de lijst staan van valse en vervalste documenten. Daarbij constateert de ACVZ dat ketenpartners zichzelf en elkaar onvoldoende in staat achten om fraude met die brondocumenten te onderkennen. Hierdoor kan een vreemdeling onder verschillende identiteiten verblijfs- en andere rechten verwerven. Een vreemdeling kan verschillende identiteiten aannemen door steeds een ander brondocument te gebruiken. Wanneer fraude met brondocumenten onopgemerkt blijft, zal de vreemdeling ermee wegkomen. Vooral vreemdelingen die de toegang tot Nederland is ontzegd, die een illegaal of die een crimineel verleden hebben, kunnen op deze manier een voor de vreemdelingenketen onherkenbare identiteit aannemen en zo met een schone lei opnieuw beginnen. In het geval dat een reguliere verblijfsaanvraag van een vreemdeling is afgewezen is het mogelijk dat de vreemdeling met een andere identiteit naar Nederland komt en hier een nieuwe reguliere aanvraag indient of asiel aanvraagt zonder dat de afgewezen reguliere aanvraag in beeld komt. Daarnaast komt het voor dat vreemdelingen gebruik maken van een andere identiteit omdat hun tijdelijke vergunning voor bijvoorbeeld studie of werk is verlopen en zij het land niet willen verlaten. Vreemdelingen die veroordeeld worden voor een misdrijf lopen eveneens het risico hun verblijfsvergunning te verliezen. Ook dit vooruitzicht maakt het soms verleidelijk om zich te onttrekken aan het toezicht of een valse identiteit aan te nemen. Het gebruik van een vals document kan daarbij helpen de schijn van legaliteit op te houden. Het gebruik van gezichtsopnames en vingerafdrukken sluit verder aan bij de Europese ontwikkelingen. Het is al mogelijk om tien vingerafdrukken af te nemen van asielzoekers ingevolge Verordening (EG) 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 (Pb EU L 316) betreffende de instelling van «Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (Eurodac-verordening). Vanaf 11 oktober 2011 worden bovendien op grond van de Verordening (EG) 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 (Pb EU L 218) betreffende het visuminformatiesysteem (VIS-verordening) gefaseerd van alle aanvragers van een Europees visum tien vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen in een Europees systeem en vanaf mei 2012 worden ingevolge Verordening (EG) 380/2008 ook van alle aanvragers van een verblijfsdocument twee vingerafdrukken opgeslagen in een chip op het verblijfsdocument. Sinds eind mei 2011 wordt al een gezichtsopname in een chip op het verblijfsdocument opgenomen en met ingang van 9 april 2013 is het SIS II operationeel waarin onder meer een foto en tien vingerafdrukken worden opgeslagen van vreemdelingen die door de autoriteiten worden gezocht en vreemdelingen die de toegang tot het Schengengebied is geweigerd7. Met het oog op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is gestreefd naar een zo beperkt mogelijke inperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Het opnemen van twee vingerafdrukken in een chip op het verblijfsdocument voor onderdanen van derde landen biedt geen oplossing voor het probleem dat iemand op een ander moment onder een andere identiteit (met een ander buitenlands paspoort of brondocument) een aanvraag voor verblijf kan doen, omdat het daarbij gaat om de één-op-één vergelijking van twee vingerafdrukken en het gezicht met de biometrische gegevens op het document. De vreemdeling die wil verbergen dat hij al eerder onder een andere verblijfstitel in Nederland heeft verbleven, zal geen verblijfsdocument tonen.

Het doel van de opname van biometrische kenmerken (gezichtsopname en twee vingerafdrukken) op het verblijfsdocument is volgens de verordening dan ook slechts gericht op het realiseren van een betrouwbaarder verband tussen houder en verblijfsdocument en op de beveiliging van het verblijfsdocument tegen frauduleus gebruik. Dit is beperkter dan wat met de gewijzigde wet wordt beoogd. De belangrijkste overweging om tien vingerafdrukken van in beginsel alle vreemdelingen af te nemen is dat bij tien vingerafdrukken de betrouwbaarheid van een treffer groter is. De onderscheidende informatie in het digitale kenmerk van een vingerafdruk is namelijk beperkt: minder informatie leidt tot een grotere kans op fouten. Bij een vergelijking van de vingerafdruk van een persoon met een vingerafdruk op het document (1:1 vergelijking) is het gebruik van één of twee vingers veelal voldoende. De kans dat een 1:1 verificatie onterecht herkenning oplevert voor een willekeurig iemand is klein. Voor het zoeken met vingerafdrukken in de vreemdelingenverzameling met meer dan één miljoen registraties, is het noodzakelijk om meer onderscheidende informatie te gebruiken om de kans op fouten in het herkenningsproces voldoende te beperken. Bij het zoeken met slechts één vingerafdruk is de kans groot dat dit een onterechte treffer oplevert. Het gebruik van meer onderscheidende informatie reduceert de kans op dit soort fouten. Bij het zoeken met twee of vier vingerafdrukken neemt de kans op een onterechte treffer al (verder) af. Door te zoeken met tien vingerafdrukken wordt de onderscheidende informatie gemaximaliseerd en de kans op onterechte treffers zo klein mogelijk gemaakt, met andere woorden: de betrouwbaarheid van een treffer gemaximaliseerd. Daarom is in de Vw2000 bepaald dat bij een eerste contact van de keten met een vreemdeling tien vingerafdrukken worden afgenomen. Bij de verificatie van de identiteit – in het geval de vreemdeling al is geregistreerd – zal over het algemeen kunnen worden volstaan met het gebruiken van één of twee vingerafdrukken. Vingerafdrukken die worden afgenomen in het kader van verificatie zullen niet worden opgeslagen. De aanwezigheid van controlemechanismen is in het licht van de proportionaliteit eveneens van belang. Het geautomatiseerde niet treffen van vingerafdrukken wanneer dat wordt verwacht of het treffen op een andere identiteit dan verwacht, kan een vreemdeling niet zondermeer worden tegengeworpen. In verband daarmee zal bij de inrichting van het proces van afname waar nodig worden voorzien in de inzet van experts op het gebied van vingerafdrukken; deze experts worden dactyloscopen genoemd. Dactyloscopen kunnen worden ingeschakeld bij een vermoeden van fraude met vingerafdrukken of bij vermeende identiteitsdiefstal. Ook zullen dactyloscopen worden ingezet indien bij verificatie geen treffer optreedt terwijl de vreemdeling aangeeft dat er wel sprake is van legaal verblijf. Er is daarom naast alle digitale waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens telkens ook sprake van een menselijke schakel in het besluitvormingsproces. Er wordt pas een besluit genomen nadat er ook een professionele persoonlijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Een andere voorziening die van belang is voor de bescherming van de vreemdeling bij identiteitsdiefstal is het centraal meldpunt identiteitsfraude van de rijksoverheid, waar slachtoffers van identiteitsfraude terecht kunnen voor hulp en informatie. De ketenpartner die de gegevens afneemt zou de vreemdeling daarop kunnen wijzen. Tot slot wordt ingegaan op de subsidiariteit van de voorgestelde maatregelen. Dit betreft de vraag of de beperking effectief bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel, terwijl steeds nagegaan behoort te zijn of er eventueel minder ingrijpende maar even effectieve, alternatieve middelen bestaan om het doel te bereiken. Zoals hiervoor al is beschreven bieden biometrische kenmerken meerwaarde voor identificatie omdat het gaat om lichaamseigen kenmerken met het gebruik waarvan een betrouwbare koppeling kan worden gelegd tussen een persoon en de van hem vastgelegde gegevens. Het identificeren van een vreemdeling met behulp van biometrische kenmerken geeft daardoor betere waarborgen voor een juiste identificatie. Identificatie aan de hand van brondocumenten of alleen persoonsgegevens als naam, adres, geboortedatum en geboorteplaats, is minder ingrijpend maar biedt minder zekerheid, omdat deze gefalsificeerd kunnen zijn zoals blijkt uit het hiervoor aangehaalde rapport van de ACVZ «Het topje van de ijsberg?». Het gebruik van vingerafdrukken voor identiteitsvaststelling en verificatie van identiteit vindt al langere tijd plaats bij asielzoekers en ongedocumenteerden en bij het inburgeringsexamen buitenland. In het kader van toezicht kunnen eveneens vingerafdrukken worden afgenomen ter verificatie. Ook binnen Europa wordt voor identificatieprocessen steeds meer gebruik gemaakt van biometrische kenmerken (Eurodac, EU-VIS en verblijfsdocumenten onderdanen van derde landen). Van begin 2008 tot en met september 2011 heeft Nederland bij iets minder dan 44.000 asielaanvragen de vingerafdrukken succesvol in Eurodac geregistreerd. In ongeveer 7.500 gevallen bleek dat de betreffende asielzoeker al eerder in Nederland verbleef en in Eurodac was geregistreerd. In bijna 16.000 gevallen bleek de betreffende asielzoeker reeds eerder door een of meerdere andere Dublin-landen in Eurodac te zijn geregistreerd. Door andere Europese lidstaten zijn in diezelfde periode circa 1.700 asielzoekers succesvol geïdentificeerd voor een claim bij Nederland. Deze cijfers zijn slechts van relatieve waarde, omdat onder de asielzoekers ook personen aanwezig kunnen zijn die eerder op een andere verblijfsgrond in Nederland zijn geweest zonder dat dit momenteel is aan te tonen. Om meer inzicht te geven in de problemen met identiteitsvaststelling is in de BVV een steekproef naar het gebruik van aliassen gedaan. Op het moment van meting (november 2011) waren in het totaal asielzoekers, ongedocumenteerden en illegalen ruim 519 duizend registraties met vingerafdrukken in de BVV opgenomen waarbij van twintig procent sprake was van meerdere registraties van een persoon. Een beperkte steekproef onder personen met twee of meer registraties laat zien dat ongeveer 54 procent aliassen gebruikten.

Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

Voor de beoordeling van de afname en het gebruik van gezichtsopnames en vingerafdrukken bij vreemdelingen in het licht van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM, artikel 7 van het EU Handvest voor de grondrechten en artikel 17 van het IVBPR, geldt voor een aantal aspecten (legitieme doelen; noodzakelijk in een democratische samenleving) hetzelfde als hiervoor bij het recht op onaantastbaarheid van het lichaam is gesteld. Ter uitwerking van artikel 8 van het EVRM is het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van personen met het oog op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (Trb. 1988, 7) tot stand gekomen dat in artikel 4 aan iedere Verdragspartij de verplichting oplegt om in de nationale wetgeving een niveau van gegevensbescherming te verwezenlijken dat ten minste gelijk is aan het niveau dat voortvloeit uit de verwezenlijking van de algemene beginselen van gegevensbescherming die zijn neergelegd in het verdrag. Artikel 8 van het EU Handvest voor de grondrechten betreft het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Volgens dit artikel moeten de gegevens eerlijk worden verwerkt voor bepaalde doeleinden. Daarnaast dient er sprake te zijn van toestemming van de betrokkene of de verwerking dient plaats te vinden op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Ten slotte heeft volgens het Handvest een ieder het recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. Dit artikel is gebaseerd op artikel 8 van het EVRM en de richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG van 24 oktober 1995, L 81). Deze richtlijn bouwt voort op het genoemde verdrag van de Raad van Europa en kent soortgelijke algemene beginselen van gegevensbescherming als die het verdrag noemt. Het verdrag en de EU-privacyrichtlijn zijn geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Op welke wijze invulling wordt gegeven aan de eisen uit de Wbp is ingegaan in paragraaf 6 van de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 192, nr. 3, p. 26 e.v.). Aan de eis van een wettelijke grondslag wordt voldaan door het bepaalde in de artikelen 106a, eerste lid, en artikel 107, eerste en tweede lid, van de Vw2000 waarin de bevoegdheid tot afname, verwerken en opslag van de biometrische gegevens is opgenomen. In de Wbp zijn de algemene regels voor het verwerken van de gegevens gesteld. Zie hierover ook bedoelde paragraaf 6. Voor de verwerking van de gegevens is de minister van Veiligheid en Justitie de verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onder d, van de Wbp (zie artikel 107, elfde lid nieuw, Vw2000). In aanvulling op de Wbp bevat de Vw2000 waarborgen voor een zorgvuldige verwerking van de biometrische gegevens. In de eerste plaats bevatten artikel 106a, vijfde lid, en artikel 107, negende lid, Vw2000 het voorschrift dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels (kunnen) worden gegeven over de wijze van afname en het verwerken van de gezichtsopnames en vingerafdrukken, respectievelijk over de vastlegging, doorlevering en de vernietiging van de gegevens. In artikel 107, negende lid, onderdeel b, is bepaald dat biometrische gegevens nooit langer dan tien jaar mogen worden bewaard en daarna moeten worden vernietigd. Met dit laatste wordt uitwerking gegeven aan de artikelen 10 en 11 van de Wbp. Op de afweging die is gemaakt bij de keuze voor vernietiging van de gegevens na ten hoogste tien jaar is ingegaan in paragraaf 6.1 in de bedoelde Memorie van toelichting. In artikel 8.35 van dit besluit is de bewaartermijn van de biometrische gegevens overigens teruggebracht tot vijf jaar, zulks naar aanleiding van een in de Eerste Kamer aangenomen motie van die strekking (zie de artikelsgewijze toelichting). In de tweede plaats is het gebruik van de biometrische gegevens in beginsel slechts mogelijk voor het in artikel 107, tweede lid, onder a, van de Vw2000 genoemde doel. Dat is de verwerking voor de uitvoering van de Vw2000 en de Rijkswet op het Nederlanderschap en de daarop gebaseerde regelgeving. Daarnaast is het op grond van artikel 107, vijfde lid, toegestaan dat de gegevens uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op het verstrekken van een reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging ten behoeve van terugkeer, de identificatie van slachtoffers bij rampen en ongevallen, de opsporing en vervolging van strafbare feiten, de toepassing van artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering en de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002. In paragraaf 6.4 van meer bedoelde Memorie van toelichting is ingegaan op de overwegingen die aan deze verstrekkingen ten grondslag liggen en de afweging die is gemaakt vanuit een oogpunt van proportionaliteit. Het verwerken van de gegevens voor andere doelen dan genoemd in artikel 107, vijfde lid, Vw2000, is niet mogelijk, ook niet indien dat andere doel verenigbaar is met het oorspronkelijke doel waarvoor de gegevens zijn verkregen.

Doelstelling

Het doel van dit besluit is de afname van de vingerafdrukken en het maken van de gezichtsopname en de verwerking van de biometrische gegevens op een eenduidige wijze te laten plaatsvinden voor een effectief en efficiënt gebruik van deze gegevens door de ketenpartners. Met de regels over de wijze van afname en het verwerken van de gegevens en het regelen van de procedure bij het niet kunnen afnemen van vingerafdrukken wordt ook rechtszekerheid aan de vreemdeling geboden. In hoofdstuk 8 van het Vb2000 is daartoe een nieuwe afdeling 3 «Biometrische gegevens» ingevoegd.

Op grond van artikel 106a, vierde lid, onder b, van de Vw2000, zijn in artikel 8.27 Vb2000 vreemdelingen aangewezen van wie geen vingerafdrukken worden afgenomen. Dat zijn vreemdelingen tot de leeftijd van zes jaar en vreemdelingen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is. In artikel 106a, vierde lid, onder a, van de Vw2000 zijn al gemeenschapsonderdanen uitgezonderd (EU-onderdanen, onderdanen van EER-landen en van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit).

In artikel 106a, vijfde lid, van de Vw2000 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over het afnemen en verwerken van de gezichtsopnames en de vingerafdrukken en over de maatregelen die kunnen worden getroffen in het geval geen vingerafdrukken kunnen worden verkregen van een vreemdeling. Deze nadere regels worden gegeven in de artikelen 8.28 (wijze van afname), 8.29 (opslag), 8.30 (fysieke verhindering), 8.31 (herhaald afnemen), 8.32 (opname op document), 8.33 (inzet dactyloscoop), 8.34 (beheer en toegang) en 8.35 (de termijn voor de vernietiging van biometrische gegevens) van het Vb2000.

Over de vernietiging van de biometrische gegevens, anders dan over de termijn, zullen, op grond van artikel 8.36 Vb2000, in een regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie regels worden gesteld. Hierin zullen ook overige regels met betrekking tot het beheer van de gegevens worden gesteld die zien op het bewaken van de juistheid en volledigheid van de gezichtsopnames en vingerafdrukken, de beveiliging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken tegen verlies of onrechtmatige verwerking en de wijze waarop de gegevens aan derden beschikbaar worden gesteld.

Wet bescherming persoonsgegevens

Op de verwerking van de biometrische gegevens in de vreemdelingenadministratie is de Wbp van toepassing. Ingevolge artikel 33 Wbp is de verantwoordelijke (dat is op grond van artikel 107, eerste lid, Vw2000, de Minister van Veiligheid en Justitie) verplicht om de betrokkene voorafgaand aan het afnemen van de gegevens in te lichten over de identiteit van de afnemer en de doeleinden waarvoor de gegevens worden afgenomen. Tevens wordt de verantwoordelijke geacht nadere informatie te verstrekken voor zover dat nodig is, gelet op de aard van de gegevens en de omstandigheden, om een zorgvuldige en behoorlijke verwerking te waarborgen. Artikel 35, eerste lid, Wbp geeft een betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke voor de verzameling van gegevens te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Een dergelijk verzoek zal kunnen worden gedaan bij de registrerende ketenpartner. Artikel 36, eerste lid, Wbp regelt voorts dat de betrokkene, aan wie overeenkomstig artikel 35 Wbp kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke kan verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

Privacy impact assessment

Het toenmalige kabinet heeft de beide Kamers der Staten-Generaal in een brief van 29 april 2011 bericht over de invulling van het voornemen uit het regeerakkoord «Vrijheid en verantwoordelijkheid» van 30 september 2010 dat op verschillende plaatsen krachtig wordt ingezet op meer aandacht voor de informatiebeveiliging en de bescherming van persoonsgegevens8. In deze kabinetsbrief staat o.a. dat «voorgenomen wettelijke maatregelen die gericht zijn op de invoering en rechtvaardiging van grootschalige verwerkingen van persoonsgegevens door de overheid nadrukkelijker dan voorheen het geval is, moeten worden getoetst op effectiviteit. Over de technische en informationele effectiviteit moet op transparante wijze verantwoording worden afgelegd». Verder is in een motie Franken c.s. door de Eerste Kamer der Staten-Generaal opgeroepen tot toetsing van wetsvoorstellen aan noodzaak, effectiviteit en hanteerbaarheid, proportionaliteit en aan de resultaten van een privacy impact assessment9. Naar aanleiding van bovengenoemde brief en genoemde motie is bij de totstandkoming van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2) een privacy impact assessment uitgevoerd. De voorgestelde verwerking van biometrische gegevens is in dat verband getoetst aan de universele beginselen van gegevensbescherming: rechtmatige grondslag, doelbinding, toereikendheid en gegevensminimalisering, juistheid en nauwkeurigheid, beperkt bewaren (niet langer dan noodzakelijk), rechten van betrokkenen, gegevensbeveiliging en gegevensverkeer met derde landen. In algemene zin kan uit het privacy impact assessment worden opgemaakt dat in voornoemde wet voldoende waarborgen zijn gegeven voor de bescherming van de privacy. Zo zijn de doelen waarvoor de biometrische gegevens mogen worden verzameld en verwerkt in voornoemde wet uitdrukkelijk omschreven, zijn de gronden voor verstrekking limitatief bepaald en is de bewaartermijn gerelateerd aan en noodzakelijk voor het doel waarvoor de gegevens worden verzameld en verwerkt. In het kader van beheer is voldoende voorzien in maatregelen voor de beveiliging en het bewaken van de juistheid en nauwkeurigheid van de gegevens. Ten behoeve van de afstemming van het beheer waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk is, zal een interne instructie tot stand worden gebracht, zodat alle ketenpartners op gelijke wijze zullen omgaan met de vereiste maatregelen voor het beheer van de gegevens en de rechten van betrokkenen, op grond van de Wbp. Verder zijn bij of krachtens dit besluit nadere regels gegeven over de wijze van afname en verwerken van de biometrische gegevens. Ook is van belang dat binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie een functionaris voor de gegevensbescherming is aangesteld die ook van betekenis is voor en een rol heeft in het kader van het toezicht op de gegevensverwerking. Daarnaast worden, op grond van artikel 7.1d van het Voorschrift vreemdelingen 2000, integriteits- en kwaliteitsaudits uitgevoerd. Hierbij zullen ook de biometrische gegevens worden betrokken. Tot slot zal binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van voornoemde wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk worden uitgebracht.

Consultatie

In het kader van de voorbereiding van onderhavig besluit is advies gevraagd aan de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) en het College bescherming persoonsgegevens (CBP). De ACVZ heeft op 25 februari 2013 advies uitgebracht. Het CBP heeft op 7 maart 2013 geadviseerd. De adviezen van beide adviesinstanties zijn waar nodig op de daartoe geëigende plaatsen verwerkt in het besluit en de toelichting.

Overeenkomstig het daartoe strekkende advies van de ACVZ is in artikel 8.27 het onderdeel geschrapt waarin was voorzien in het afnemen van vingerafdrukken van jeugdige vreemdelingen vanaf de leeftijd van vier jaar. Als gevolg daarvan bedraagt de minimum leeftijdsgrens nu zes jaar. Op grond van de Verordening (EG) nr. 380/2008 van de Raad van de Europese Unie van 18 april 2008 (Pb EU L 115) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 (biometrische kenmerken op verblijfsdocumenten van onderdanen van derde landen) moeten immers alle toegelaten vreemdelingen, ongeacht hun leeftijd, worden voorzien van een verblijfsdocument en de leeftijdsgrens, vanaf welke de verplichting geldt om in dat kader vingerafdrukken te nemen, is daarin gesteld op zes jaar. Voor de keuze om daarbij aan te sluiten en niet bij de leeftijdsgrenzen van 12 jaar en 14 jaar voor aanvragers, voorzien in de Visumcode respectievelijk de EURODAC-verordening, is enerzijds redengevend geweest het belang van het kind bij het tegengaan van kinderhandel en -misbruik en anderzijds dat in Europees verband is vastgesteld dat vingerafdrukken vanaf de leeftijd van zes jaar van voldoende kwaliteit zijn om een identiteit vast te leggen en te verifiëren. Die vaststelling is gebaseerd op onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken door verschillende EU-lidstaten. Daarbij is tevens van belang dat het proces van het digitaal afnemen van platte vingerafdrukken een zodanig kindvriendelijke en geringe fysieke en emotionele belasting vormt dat een kind vanaf de leeftijd van zes jaren dat proces redelijkerwijs zonder bezwaren kan ondergaan.

Niet is overgenomen het advies van het CBP om in artikel 8.35 (thans artikel 8.36) op te nemen dat de vernietiging en verwijdering van de gezichtsopname en vingerafdrukken van een vreemdeling die inmiddels het Nederlanderschap of de hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan heeft verkregen moet plaatsvinden, omdat daarvoor overeenkomstig eerdere adviezen van de ACVZ en het CBP (in het kader van hun adviezen over het toenmalige wetsvoorstel) al een voorziening in de wet is opgenomen, waar in artikel 107, negende lid, aanhef en onder b (nieuw), is bepaald dat deze gegevens in ieder geval worden vernietigd zodra aan de Minister van Veiligheid en Justitie bekend is dat de betrokkene niet langer behoort tot de categorie vreemdelingen waarvan deze kunnen worden afgenomen.

Regeldruk
Gevolgen voor burgers en overheid

Dit besluit heeft gevolgen voor vreemdelingen en de ketenpartners in de vreemdelingenketen. De administratieve lasten voor vreemdelingen die voortvloeien uit dit besluit zijn beperkt. Het gaat dan vooral om de informatieverplichtingen voor vreemdelingen die geen of beperkt vingerafdrukken kunnen afgeven en in het geval er sprake is van een onterechte treffer. De administratieve lasten die voortvloeien uit de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2) zijn voor wat betreft de vingerafdrukken additioneel aan die welke (rechtstreeks) voortvloeien uit de Verordening (EG) 380/2008. Deze verordening verplicht de lidstaten tot het maken van een gezichtsopname en het afnemen van twee vingerafdrukken voor opname op het verblijfsdocument van onderdanen van derde landen. De afname van de overige acht vingerafdrukken lijkt een administratieve lastenvermeerdering met zich mee te brengen. De eenmalige afname bij de identiteitsvaststelling leidt echter tot meermalig gebruik bij o.a. verlenging van de verblijfsvergunning regulier door de mogelijkheid van hergebruik vanwege de opslag van vingerafdrukken.

De gevolgen van dit besluit voor de ketenpartners doen zich vooral voor bij de volgende situaties. Bij het tijdelijk niet kunnen afnemen van vingerafdrukken dient hiervan een aantekening te worden gemaakt. Bovendien zal de vreemdeling op een bij ministeriële regeling nader te bepalen moment alsnog zijn vingerafdrukken moeten laten afnemen. Verder kan in het geval bij de identiteitsvaststelling of verificatie onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken een onderzoek door een dactyloscopisch deskundige worden uitgevoerd. Tot slot worden twee vingerafdrukken op een W- of W2-document opgenomen. De extra lasten die dit voor de ketenpartners met zich mee zal brengen, worden (grotendeels) gecompenseerd door de vereenvoudiging van de verificatie van de identiteit van de vreemdeling door digitale vergelijking.

Financiële consequenties

Voor de bekostiging van de uitbreiding van de toepassing van biometrie in de diverse processen van de vreemdelingenketen op basis van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2) is bij voorjaarsnota een meerjarige financiering beschikbaar gesteld. Het gaat om € 7,7 miljoen voor 2010, € 6,7 miljoen voor 2011 en € 2,0 miljoen voor 2012 en volgende jaren. Deze bedragen zijn gebaseerd op ramingen van de verschillende ketenpartners. Toewijzing van middelen is geschied op basis van een nader uitgewerkt implementatieplan dat is gericht op het realiseren van de uitbreiding van de toepassing van biometrie in de belangrijkste processen van de vreemdelingenketen per 20 mei 2011 teneinde te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening EG Nr. 380/2008. Dit besluit heeft geen positieve of negatieve gevolgen voor de rijksbegroting dan de gevolgen die al eerder daarin zijn verwerkt.

Vaste verandermomenten

Het systeem van vaste verandermomenten (VVM) is in dit geval niet van toepassing, omdat de voorbereiding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2), waarop dit besluit berust, is gestart in 2007.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen B tot en met F

In de onderdelen B tot en met F zijn verschillende artikelen in het Vb2000 aangepast waarin al de verplichte medewerking van de vreemdeling was geregeld bij het afnemen van vingerafdrukken en het maken van een gezichtsopname. In artikel 1.31 Vb2000 gaat het om de aanvragers van een machtiging tot voorlopig verblijf. In artikel 3.102a Vb2000 gaat het om de aanvragers van een verblijfsvergunning regulier. Artikel 4.45 Vb2000 betreft de verplichte medewerking in het kader van toezicht. Anders dan voor de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, nr. 2), is het vereiste van een gegronde reden niet meer van toepassing. Uit artikel 106a Vw2000 vloeit namelijk voort dat vingerafdrukken kunnen worden afgenomen voor de uitvoering van de Vw2000. Zodra hiervan sprake is zal de vreemdeling zijn medewerking moeten verlenen. In de artikelen 3.98b Vb2000 (toelating basisexamen inburgering) en 3.109 Vb2000 (dactyloscopisch signalement asielzoekers) gold deze onvoorwaardelijke medewerking al, zodat aanpassing van deze artikelen niet nodig is gebleken, met dien verstande dat de tekst van artikel 3.109, vierde lid, eerste volzin, wel wat betreft de terminologie is aangepast aan de tekst van artikel 106a van de Vw2000, doordat «identificatiefoto’s vervaardigd en wordt een dactyloscopisch signalement opgemaakt» is vervangen door: een gezichtsopname gemaakt en vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen.

Ook in artikel 3.98b, derde lid, is niettemin nog een taalkundige correctie aangebracht. In artikel 3.102a Vb2000 is verder een kleine technische aanpassing aangebracht zodat verwijzing naar het juiste onderdeel van artikel 24 Vw2000 is opgenomen.

Onderdeel G

De wijziging van de artikelen 8.1 en 8.2 Vb2000 zorgt voor een correcte verwijzing naar artikel 107 Vw2000 waarvan de leden zijn vernummerd door de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2).

Onderdeel H
Artikel 8.27

In artikel 8.27 zijn de categorieën van vreemdelingen aangewezen ten aanzien van wie de bevoegdheid tot het afnemen en verwerken van vingerafdrukken niet geldt.

Voor de leeftijd van zes jaar is aangesloten bij de leeftijdsgrens van zes jaar die is bepaald in Verordening (EG) nr. 380/2008 van de Raad van de Europese Unie van 18 april 2008 (Pb EU L 115) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 (biometrische kenmerken op verblijfsdocumenten van onderdanen van derde landen).

In deze verordening zijn ook de vreemdelingen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is, uitgesloten. In de nationale regelgeving is dit beperkt tot de vreemdelingen van wie het fysiek onmogelijk is om alle vingerafdrukken af te nemen. In artikel 8.30 is een nadere regeling gegeven voor de gevallen waarin het gaat om de fysieke onmogelijkheid om van een aantal vingers vingerafdrukken te nemen of om een tijdelijke verhindering.

Artikel 8.28

De afname van vingerafdrukken gebeurt op dezelfde manier met gebruikmaking van dezelfde apparatuur als voor de visa kort verblijf op grond van de Visumcode en de VIS-verordening. Dat wil zeggen dat platte vingerafdrukken worden afgenomen overeenkomstig de technische specificaties in de Beschikking 2006/648/EG van de Commissie tot vaststelling van de technische specificaties betreffende de normen voor biometrische kenmerken in verband met de ontwikkeling van het visuminformatiesysteem10. Daarbij wordt voldaan aan internationale ISO standaard en de standaard van ANSI/NIST die internationaal leidend zijn voor de ontwikkeling van apparatuur en programmatuur. Ook in de strafrechtketen worden bij de afname van vingerafdrukken voor de identiteitsvaststelling deze eisen gevolgd.

Artikel 8.29

De opslag van de biometrische gegevens bij de identiteitsvaststelling is geregeld in artikel 107 Vw2000. Daarbij zijn tevens regels gegeven over het doel van verwerking, de verstrekking aan derden en de bewaartermijn. In artikel 8.29, eerste lid, is bepaald dat de vingerafdrukken die zijn afgenomen voor het vaststellen van de identiteit worden opgeslagen in een daartoe door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen bestand in de vreemdelingenadministratie. Dat is de Basisvoorziening vreemdelingen (hierna: BVV) waarin een apart biometrieregister is ingericht waarin al langer de vingerafdrukken van asielzoekers en ongedocumenteerden worden opgeslagen. Daarnaast is het mogelijk dat kopieën van de vingerafdrukken in andere systemen die onderdeel uitmaken van de vreemdelingenadministratie, zoals INDiGO, worden opgenomen. Daartoe is in het vierde lid bepaald dat van vingerafdrukken in andere bestanden dan het bestand, bedoeld in het eerste lid, slechts kopieën kunnen worden opgenomen.

In het tweede lid is bepaald dat het wijzigen en vernietigen van de vingerafdrukken vanuit de BVV plaatsvindt. Als zich kopieën van de gegevens ook in een ander systeem bevinden, worden de wijziging en vernietiging daarvan vanuit de BVV bewerkstelligd. Hiermee wordt voorzien in een gestuurd en eenduidig beheer van de gegevens.

Bij de afname van de vingerafdrukken in het kader van de verificatie van de identiteit van een vreemdeling is er geen noodzaak om de gegevens langer op te slaan dan voor de duur van het verificatieproces. In artikel 8.29, derde lid, is daarom bepaald dat de vingerafdrukken slechts opgeslagen en verwerkt kunnen worden voor de duur van de verificatie.

Artikel 8.30

Voor de gevallen waarin er sprake is van een fysieke verhindering om vingerafdrukken af te nemen, is gedeeltelijk aangesloten bij de regeling die voor de paspoorten geldt in artikel 28a van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland. Voor de vreemdeling van wie de vingers niet blijvend fysiek beschadigd zijn, geldt dat zij op een later moment alsnog vingerafdrukken zullen moeten laten afnemen. Welk moment dit is, zal worden geregeld bij ministeriële regeling, waarbij zal worden aangesloten bij de bestaande procedures. Hierbij kan worden gedacht aan het moment waarop een verblijfsvergunning wordt verlengd of waarop een nieuwe aanvraag wordt ingediend.

Artikel 8.31

Bij kinderen vindt door de groei niet alleen een geleidelijke verandering in het uiterlijk, maar ook van de vingertoppen plaats. Voor een betrouwbare vergelijking met de biometrische gegevens is het daarom noodzakelijk om na een bepaalde tijd opnieuw een gezichtsopname te maken en vingerafdrukken af te nemen. Gekozen is voor de leeftijden van 12 en 18 jaar.

Daarnaast is het mogelijk om opnieuw een gezichtsopname te maken en vingerafdrukken af te nemen en op te slaan in het geval een gezichtsopname onvoldoende gelijkenis toont of een gezichtsopname of vingerafdrukken van onvoldoende kwaliteit blijken te zijn. De biometrische gegevens in de vreemdelingenadministratie worden in die gevallen vervangen door de nieuw verkregen gegevens. Deze nieuwe gegevens kunnen ook gebruikt worden voor opname op het verblijfsdocument indien dit opnieuw wordt afgegeven.

Artikel 8.32

Voor de biometrische kenmerken op de verblijfsdocumenten van onderdanen van derde landen geldt het bepaalde bij of krachtens Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002. Artikel 8.32 voorziet er in dat de Minister van Veiligheid en Justitie documenten kan aanwijzen waarop op eenzelfde wijze biometrische kenmerken worden opgenomen als op de verblijfsdocumenten van onderdanen van derde landen. De vingerafdrukken en de gezichtsopname en de opname ervan op het document voldoen eveneens aan de technische specificaties die zijn gesteld bij of krachtens Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002.

De documenten die de Minister van Veiligheid en Justitie zal aanwijzen zijn de zogenaamde W- en W2-documenten. Het W-document is bestemd voor vreemdelingen die niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en die asiel hebben aangevraagd en nog geen (definitieve) beslissing op hun aanvraag hebben ontvangen. Een W2-document is bestemd voor vreemdelingen die niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding en die:

  • op grond van artikel 8, onder j, Vw2000 rechtmatig verblijven omdat tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw2000, en vreemdelingen die rechtmatig verblijven vanwege een vertrekmoratorium;

  • (vermoedelijke) slachtoffers van mensenhandel zijn en die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder k, Vw2000 hebben;

  • alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn en die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van de eerder onder die beperking verleende verblijfsvergunning;

  • in afwachting zijn van een besluit of rechterlijke uitspraak omtrent een aanvraag tot verlening, verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw2000 en die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g of h, Vw2000 hebben en in het verleden een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw2000 hebben ingediend.

Voor veel asielzoekers is het W- of W2-document, bij gebrek aan overige geldige identiteitsdocumenten, het enige identiteitsdocument dat zij gedurende de asielprocedure bezitten en waarmee zij hun rechtmatig verblijf kunnen aantonen. Evenals bij de verblijfsdocumenten voor onderdanen van derde landen, is het de bedoeling ook deze documenten zoveel mogelijk te beveiligen tegen vervalsing en frauduleus gebruik. Met de opname van biometrische gegevens op het W- en W2-document wordt verder beoogd dat de verificatie van de identiteit op een efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Gedurende de asielprocedure zal immers aan de hand van de biometrische gegevens op het document relatief eenvoudig kunnen worden geverifieerd of de asielzoeker die het document aanbiedt, ook daadwerkelijk de asielzoeker is die bijvoorbeeld is uitgenodigd voor een gehoor.

Artikel 8.33

Dactyloscopen spelen een belangrijke rol bij het bewaken van de juistheid en volledigheid van de vingerafdrukken. Het zijn functionarissen die gespecialiseerd zijn in het uitlezen van vingerafdrukken en die vooral worden ingezet in die gevallen waarin er bij digitale vergelijking onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken of de digitale vergelijking van de vingerafdrukken.

Om de kwaliteit van het proces van de vergelijking met vingerafdrukken te kunnen waarborgen, zullen dactyloscopen worden ingezet indien dit noodzakelijk is in het geval bij de identiteitsvaststelling, het verifiëren van de authenticiteit van het document of de verificatie van de identiteit onduidelijkheid bestaat over de juistheid van vingerafdrukken. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie dat bij de identiteitsvaststelling de vingerafdrukken van de vreemdeling al voorkomen in de vreemdelingenadministratie en de overige persoonsgegevens niet overeenkomen met die in de vreemdelingenadministratie. Ook indien bij de verificatie de vingerafdrukken niet overeenkomen met die op het verblijfsdocument of in de vreemdelingenadministratie of indien bij de verificatie de vingerafdrukken overeenkomen met die in de vreemdelingenadministratie, maar de overige persoonsgegevens op het verblijfsdocument niet overeenkomen met die in de vreemdelingenadministratie, zou een dactyloscoop kunnen worden ingezet. In het Protocol identiteitsvaststelling en labeling zal de inzet van de dactyloscoop verder worden uitgewerkt. Die uitwerking dient als middel om professioneel, betrokken en verantwoord handelen te ondersteunen, met oog voor de vreemdeling.

Artikel 8.34

De verantwoordelijkheid voor de vreemdelingenadministratie ligt bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Deze verantwoordelijkheid wordt voor hem uitgeoefend door de directeur-generaal Vreemdelingenzaken als beheerder van deze administratie. In artikel 8.34 Vb2000 is geregeld dat alleen daartoe aangewezen ambtenaren geautoriseerd worden om gegevens te verwerken in de vreemdelingenadministratie. Alleen deze ambtenaren zijn bevoegd alle handelingen met betrekking tot de biometrische gegevens uit te voeren, zoals het invoeren, wijzigen en vernietigen van gegevens. Deze beperking van personen die rechtstreeks toegang hebben tot de biometrische gegevens is mede noodzakelijk vanuit veiligheidsoverwegingen. Ook voor de beschikbaarstelling van biometrische gegevens aan derden is een autorisatie nodig. Deze laatste handeling wordt uitgevoerd door een zeer beperkt aantal ambtenaren.

Van de beschikbaarstelling van biometrische gegevens aan derden dient ingevolge het tweede lid een notificatie te worden gemaakt. In de aantekening worden de datum waarop en de organisatie waaraan de gegevens beschikbaar zijn gesteld opgenomen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak Rijkeboer (EU Hof van Justitie. Arrest van 7 mei 2009, C-553/07). Uit deze uitspraak volgt dat de betrokkene het recht heeft op informatie over de ontvangers van de op hem betrekking hebbende gegevens. De verantwoordelijke dient de gegevens omtrent de verstrekking gedurende een redelijke termijn te bewaren. In dit besluit is deze termijn op vijf jaar gesteld, waarmee wordt aangesloten bij de bewaartermijn die voor de biometrische gegevens geldt.

De ambtenaren die met de uitvoering van de wet zijn belast en voor een goede vervulling van hun taak rechtstreeks langs geautomatiseerde weg de biometrische gegevens moeten kunnen raadplegen, kunnen dit, op grond van artikel 8.34, derde lid, slechts indien zij daartoe gemachtigd zijn. Zij zijn, anders dan de daartoe geautoriseerde ambtenaren, niet bevoegd handelingen uit te voeren met betrekking tot de biometrische gegevens.

Artikel 8.35

Dit artikel dient ter uitvoering van de op 10 december 2013 door de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanvaarde motie (Kamerstukken I, 2013–2014, 33 192, H) waarbij de regering is verzocht om de bewaartermijn voor biometrische gegevens van tien jaar naar vijf jaar terug te brengen.

Ingevolge artikel 107, negende lid, aanhef en onderdeel b, van de Vw2000 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de vernietiging van de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, waarbij geldt dat gezichtsopnames en vingerafdrukken nooit langer worden bewaard dan tien jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen, of, in geval van rechtmatig verblijf, de betrokken vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten, dan wel, indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard, tien jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring. Het is derhalve mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur een bewaartermijn korter dan tien jaar vast te stellen.

Met het artikel 8.35 zijn zoveel mogelijk de formulering en volgorde van de opsomming in artikel 107, negende lid, onderdeel b, van de Vw2000 aangehouden.

Artikel 8.36

In de Memorie van toelichting bij meer bedoeld wetsvoorstel is op p. 14 vermeld dat, indien van een vreemdeling in het kader van de uitvoering van de Vw2000 biometrische kenmerken zijn afgenomen en de aldus verkregen biometrische kenmerken zijn opgeslagen in de BVV, geldt dat deze gegevens uit de BVV worden verwijderd nadat de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De noodzaak om de desbetreffende gegevens ten behoeve van de vreemdelingenketen nog langer te bewaren is immers komen te vervallen. Het CBP en de ACVZ hebben (in het kader van hun adviezen over het toenmalige wetsvoorstel) voorgesteld te regelen dat gegevens van personen die niet langer vallen onder de categorie vreemdelingen waarvan biometrische kenmerken afgenomen mogen worden, ook daadwerkelijk worden verwijderd uit de Vreemdelingenadministratie. In het licht daarvan is in het artikel 107, negende lid, aanhef en onder b (nieuw), van de wet uitdrukkelijk een voorziening met deze strekking opgenomen. Het zal daarbij – vrijwel steeds – gaan om personen die de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.

Op p. 15 van bedoelde Memorie van toelichting is voorts vermeld dat de regelgeving er niet in voorzag om personen die in een andere lidstaat van de Unie, de EER of in Zwitserland worden genaturaliseerd en op enig moment in de Nederlandse vreemdelingenadministratie zijn geregistreerd, uit de BVV te verwijderen. De Nederlandse autoriteiten krijgen hierover alleen bericht, in het geval de genaturaliseerde op het moment van naturalisatie nog voorkomt in het VIS. In dat geval stelt die lidstaat de bevoegde lidstaat/lidstaten op grond van artikel 25, tweede lid, van de VIS-verordening onverwijld van die naturalisatie in kennis. Een dergelijke kennisgeving kan via de infrastructuur van het VIS worden toegezonden.

Aangenomen mag worden dat dit in de praktijk voor de betrokkenen geen problemen zal opleveren. Zij zullen zich in Nederland immers met hun – eveneens van biometrische kenmerken voorziene – identiteitsbewijs van de andere lidstaat kunnen legitimeren. Bovendien kunnen zij, indien gewenst, verzoeken om aanpassing of verwijdering van hun gegevens. Zekerheidshalve zou in het Vb2000 worden neergelegd dat gegevens van vreemdelingen die de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen, op verzoek van de betrokken vreemdeling zullen worden verwijderd.

In artikel 8.36 is bepaald dat bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie regels worden gesteld over het bewaken van de juistheid en volledigheid van de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie en op de documenten, bedoeld in artikel 9 Vw2000 (onder a), de beveiliging van de gezichtsopnames en vingerafdrukken tegen verlies of onrechtmatige verwerking (onder b), de wijze waarop de gezichtsopnames en vingerafdrukken, op grond van artikel 107, vijfde lid, Vw2000 beschikbaar worden gesteld (onder c), het vernietigen van de gezichtsopnames en vingerafdrukken na beëindiging van de bewaartermijn, bedoeld in artikel 107, negende lid, onderdeel b, Vw2000 (onder d), en de verwijdering en vernietiging van de gezichtsopname en vingerafdrukken op verzoek van de vreemdeling, op grond dat deze de hoedanigheid heeft verkregen van gemeenschapsonderdaan (onder e). Met de term «gemeenschapsonderdaan» is aangesloten bij artikel 106a, vierde lid, onder a, van de Vw2000.

In dit artikel is niet opgenomen dat de vernietiging en verwijdering van de gezichtsopname en vingerafdrukken van een vreemdeling die inmiddels het Nederlanderschap of de hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan heeft verkregen moet plaatsvinden, omdat in artikel 107, negende lid, van de Vw2000 al is bepaald dat deze gegevens in ieder geval worden vernietigd zodra aan de Minister van Veiligheid en Justitie bekend is dat de betrokkene niet langer behoort tot de categorie vreemdelingen waarvan deze kunnen worden afgenomen.

Omdat de Minister van Veiligheid en Justitie (feitelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst) van de verkrijging van het Nederlanderschap ambtshalve kennis draagt, doordat de betrokkene ophoudt vreemdeling te zijn, bestaat geen grond om te bepalen dat bij regeling regels worden gesteld over de verwijdering en de vernietiging van meer bedoelde gegevens op verzoek van een vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verkregen.

Van de verkrijging van de hoedanigheid van gemeenschapsonderdaan anders dan via de verkrijging van het Nederlanderschap zal de Minister van Veiligheid en Justitie als regel niet op de hoogte zijn. Daarom is onderdeel e beperkt tot regels over de situatie waarin een verzoek om verwijdering en vernietiging van de gegevens wordt gedaan door een vreemdeling die de hoedanigheid heeft verkregen van gemeenschapsonderdaan anders dan via de verkrijging van het Nederlanderschap.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Verordening (EG) 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van «Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (PbEU L316).

X Noot
2

Verordening (EG) 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (PbEU L218) en Verordening (EG) 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Pb EU L 243).

X Noot
3

Besluit van de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2013 tot vaststelling van de datum van toepassing van Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PbEU 2006, L381) (PbEU 2013, L87).

X Noot
4

Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PbEU 2006, L381).

X Noot
5

Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU 2002, L157).

X Noot
6

Arrest van het EHRM van 4 december 2008, zaak nr. 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper tegen Verenigd Koninkrijk), EHRC 2009/13 m.nt. B.J. Koops.

X Noot
7

Zie noot 3.

X Noot
8

Kamerstukken I 2010/11, 32 761, nr. 1.

X Noot
9

Kamerstukken I 2010/11, 31 051, nr. D.

X Noot
10

PN L 267 van 27 9 2006, blz. 41.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.