35 300 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020

Nr. 15 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 30 oktober 2019

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 7 oktober 2019 voorgelegd aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Bij brief van 25 oktober 2019 zijn ze door de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, La Rocca

1

Welke investeringen kunnen er niet gedaan worden als de OCW-begroting niet wordt aangenomen?

Als het voorstel van wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van OCW niet wordt aangenomen, dan bepaalt artikel 2.25 van de comptabiliteitswet dat:

  • Lopend beleid met terughoudendheid in uitvoering wordt genomen

  • Nieuw beleid niet in uitvoering wordt genomen, tenzij Onze Minister die het aangaat van oordeel is dat uitstel niet in het belang van het Rijk is en de Staten-Generaal hierover is geïnformeerd.

Belangrijke kanttekeningen hierbij zijn dat technische mutaties (bijvoorbeeld schuiven binnen artikelen en toevoeging van lpo) wel mogelijk zijn en dat een Minister nooit verplicht is om de begrote uitgaven te realiseren. Hij/zij mag alleen niet meer realiseren dan de begroting, of schuiven tussen artikelen.

Dit betekent in de praktijk dat een aantal intensiveringen die vanaf de OCW-begroting 2020 start waarschijnlijk geen doorgang kan vinden, te weten:

  • de toevoeging van € 27,3 miljoen regeerakkoordmiddelen voor cultuur en historisch democratisch bewustzijn;

  • € 15 miljoen extra voor lokale en regionale publieke omroepen;

  • € 10,6 miljoen extra voor de regeling praktijkleren voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie;

  • de kasschuif op de werkdrukmiddelen waarmee aanvullend € 56 miljoen beschikbaar komt voor basisscholen in 2020.

Bovendien zal de incidentele korting op de lumpsum ho in 2019 ook door moeten worden getrokken in 2020. Per saldo zijn de bewindslieden van OCW tot minder uitgaven geautoriseerd bij een afgekeurde begroting dan wanneer de begroting 2020 wordt aangenomen.

2

Hoe vaak in het afgelopen decennium zijn de leerling- en studentenaantallen onderschat, en hoe vaak zijn ze overschat? Klopt het dat er een trend is dat de aantallen vaker worden onderschat, waardoor er meer middelen vanuit de eigen begroting moeten worden vrijgemaakt?

Over de nauwkeurigheid van de Referentieraming (raming van het aantal leerlingen en studenten) en de afwijkingen de afgelopen 10 jaar bent u in de Kamerbrief over de verkenning naar de systematiek rondom de OCW-ramingen van 29 oktober 2018 geïnformeerd. Hieruit blijkt dat de afwijking van de raming tussen 2007 en 2017 evenwichtig gespreid was: er is geen sprake van een structurele overraming of onderraming. In de Referentieraming 2018 en de Referentieraming 2019 bleek beide sprake van een hoger dan geraamd aantal leerlingen en studenten. De afgelopen 10 jaar (2010 t/m 2019) was drie keer sprake van een overschatting en zeven keer sprake van een onderschatting (gemiddeld genomen over de betreffende begrotingshorizon).

Dat de raming meerdere jaren achter elkaar te laag of te hoog bleek betekent niet per definitie dat de raming beter kan. De ramingssystematiek is gebaseerd op statistische analyse van data van de afgelopen jaren over hoe leerlingen en studenten door het onderwijssysteem stromen. Door elk jaar de meest recente data te gebruiken, krijgt de raming een zelflerend vermogen. Door de trends te baseren op data over 12 jaar wordt de invloed van onverwachte veranderingen in trends en eenmalige uitschieters gedempt. Het voordeel daarvan is dat eenmalige uitschieters een beperkt effect op de verwachte toekomstige ontwikkelingen hebben. Een nadeel is dat een trendbreuk met vertraging wordt waargenomen (bijvoorbeeld de sneller dan geraamde verschuiving van vmbo naar havo- en vwo-deelname (havoïsering), die enkele jaren tot meer leerlingen dan geraamd in het vo hebben geleid).

De budgettaire gevolgen van de Referentieraming voor de OCW-begroting zijn mede afhankelijk van de uitkomst van de studiefinancieringsraming en andere mee- of tegenvallers op de OCW-begroting. Normaal gesproken wordt een per saldo tegenvaller conform de begrotingsregels van het kabinet binnen de OCW-begroting gedekt, maar dit jaar is de per saldo tegenvaller op de ramingen 2019 generaal gedekt.

In de verkenning naar de systematiek rondom de OCW-ramingen heeft OCW kans gezien om de onrust in de begrotingscyclus te verminderen. Een afwijking van het geraamde aantal studenten wordt voortaan in het ho met één jaar vertraging doorgerekend naar de ho-budgetten en de budgetten in het lopende begrotingsjaar worden niet aangepast. Hierdoor hoeft er niet meer in het lopende jaar onder tijdsdruk te worden omgebogen als er sprake is van een tegenvaller. Dit sluit aan bij de wijze waarop de leerlingenaantallen budgettair worden verwerkt in het mbo (de «mbo-systematiek»). Dit heeft als gevolg dat er in het lopende jaar voor het ho geen mee- of tegenvaller op de OCW-begroting plaatsvindt. Om te voorkomen dat de ho-sectoren nadeel ondervinden door invoering van deze nieuwe werkwijze wordt eenmalig alsnog de tegenvaller in het lopende jaar (2019) gecompenseerd.

3

Waarom komt het groot investeringsfonds voor onder andere het stimuleren van kennisinnovatie en infrastructuur, waarover de Koning heeft gesproken in de troonrede, niet voor in de begroting OCW 2020? Betekent dit dat het in de troonrede aangekondigde investeringsfonds niet ten goede komt aan het onderwijs? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat het onderwijs alsnog kan profiteren van het investeringsfonds? Zo nee, waarom wordt het investeringsfonds niet genoemd in de begroting van OCW 2020?

Op dit moment vindt er een onderzoek plaats naar de wijze waarop een investeringsfonds bij kan dragen aan het verdienvermogen van Nederland. De Tweede Kamer wordt in de Groeibrief van de Minister van EZK geïnformeerd over de kabinetsvisie op het versterken van het duurzaam verdienvermogen van Nederland. Het kabinet verwacht de Kamer vervolgens, begin 2020, over de bevindingen van het onderzoek naar een investeringsfonds ten behoeve van het duurzame verdienvermogen te informeren. Als er uit het investeringsfonds investeringen voortkomen op de beleidsterreinen van OCW, dan zal hier in de volgende OCW-begrotingen op in gegaan worden.

4

Kunt u een overzicht maken van subsidies en bestuursbeurzen die jongerenorganisaties ontvangen vanuit OCW en andere ministeries?

In het hoger onderwijs is een financiële relatie met de volgende jongerenorganisaties:

 

afkorting

uitgebreide naam

1

LSvB

Landelijk Studenten Vakbond

2

ISO

Interstedelijk Studenten Overleg

3

Morgen

MORGEN (voorheen LHUMP)

4

SOM

Stichting Studenten Overleg Medezeggenschap

5

Integrand Ned

Integrand Nederland

6

LkvV

Landelijke Kamer van Verenigingen

7

LSR

Landelijk Studenten Rechtsbureau

8

LOF

Stichting Landelijk Overleg Fracties

9

Studentensport (= SSN)

Studentensport Nederland, Sportcentrum Olympos

10

KNPSV

Koninklijke Nederlandse Pharmaceutische Studenten

Vereniging

11

Dwars

Dwars, GroenLinkse Jongerenorganisatie

12

CDJA

Christen Democratisch Jongeren Appèl

13

Elsa the Neth.

ELSA the Netherlands

14

Jason

Stichting Jason

15

JS

Jonge Socialisten in de PvdA

16

JD

Jonge Democraten (D66)

17

SIB-NED

Studentenverenigingen voor Internationale Betrekkingen

18

SPS-NIP

Nederlands Instituut van Psychologen SPS-NIP

19

IFMSA-NL

IFMSA-NL (Internal Fed. of Med. Stud. Assoc. The Netherlands)

20

NJN

Nederlandse Jeugdbond van Natuurstudie

21

CSFR

Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato

22

Pink!

Pink!, politieke jongerenorganisatie Partij voor de Dieren

23

VCS Ichthus

Ichtus Landelijk Verenigde Christenstudenten

24

Unipartners

Stichting Unipartners Nederland

25

JOVD

Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie

26

Perspectief

Perspectief Christenunie jongeren

27

ESN

ESN Nederland (Erasmus Student Network NL)

28

SGP-jongeren

SGP-Jongeren

29

AIESEC

Stichting AIESEC Nederland

30

CNV jongeren

CNV Jongeren

31

JNM

Jongeren in de Natuur

32

Debatbond

Nederlandse Debatbond

33

JMA

Jongeren Milieu Actief

34

KIVI

KIVI Engineering Society

35

VCMS

Vereniging Chirurgie voor Medisch Studenten

De bestuursleden van de ISO en LSVb (elk maximaal 5) en die van de overige 33 organisaties uit de tabel (elk maximaal 1) hebben per jaar recht op een bestuursbeurs van ongeveer € 22.700 per jaar. In totaal wordt in het hoger onderwijs daarmee € 1 miljoen per jaar aan bestuursbeurzen verstrekt.

De ISO en de LSVb ontvangen daarnaast elk een reguliere subsidie van € 249.000 per jaar (zie ook antwoord op vraag 229), de overige organisaties ontvangen geen subsidie van OCW. In het middelbaar beroepsonderwijs ontvangt het JOB op jaarbasis een reguliere subsidie van circa € 371.000. In het voortgezet onderwijs ontvang het Laks jaarlijks een reguliere subsidie van € 104.000 en het Combo, als uitvoeringsorganisatie van Laks, € 243.000. Bij OCW is niet bekend of en in hoeverre andere ministeries subsidies of bestuursbeurzen aan bovengenoemde of andere jongerenorganisaties verstrekken.

5

Hoe is het te verklaren dat de meevaller in opbrengsten vanuit het leenstelsel voornamelijk uit het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) afkomstig is?

Het leenstelsel is alleen ingevoerd voor het hoger onderwijs en niet voor het mbo. Waarschijnlijk wordt met de vraag bedoeld hoe het te verklaren is dat de meevaller op de uitgaven studiefinanciering voornamelijk uit het mbo afkomstig is. Het betreft een meevaller die wordt veroorzaakt door lagere uitgaven aan omzettingen van prestatiebeurs in gift. De oorzaken hiervoor kunnen met de beschikbare informatie niet volledig inzichtelijk worden gemaakt. Wat hier waarschijnlijk een rol speelt, is dat een aantal jaar geleden het overgrote deel van de mbo-opleidingen is ingekort van vier naar drie jaar. Het is lastig te ramen hoe deze verkorting doorwerkt op de omzettingen en in welk jaar. Uit de realisatie blijkt dat deze verkorting vooral heeft geleid tot hogere omzettingen in het mbo voor 2018. Als gevolg daarvan zijn de omzettingen voor de jaren na 2018 naar beneden bijgesteld.

6

Zijn er cijfers beschikbaar over studievertraging en/of uitval ten gevolge van stagediscriminatie?

Nee, er zijn geen harde cijfers beschikbaar over studievertraging en/of uitval ten gevolge van stagediscriminatie. Wel zijn er diverse onderzoeken naar stagediscriminatie in het mbo beschikbaar. Zo laat onderzoek van het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) zien dat mbo-studenten met een migratieachtergrond meer sollicitatiebrieven moeten versturen en langer op zoek zijn naar een stageplek.

Dit wordt onderschreven door cijfers van Research Centre for Education and Labour Market (ROA) waaruit blijkt dat van de mbo-studenten met een Nederlandse achtergrond 70% na één keer solliciteren een stageplaats vindt. Voor studenten met een migratieachtergrond geldt dit voor 50%. Dit brengt met zich mee dat studenten met een migratieachtergrond vaker moeten solliciteren, zo moet 24% meer dan vier keer sollicteren en 8,5% meer dan 10 keer. Onder studenten met een Nederlandse achtergrond is dit respectievelijk slechts 11% en 3%.

Ingevolge artikel 7.2.9 van de WEB draagt de school zorg voor de beschikbaarheid van de praktijkplaats. Het is een inspanningsverplichting, geen resultaatverplichting. Het is ook een gedeelde verantwoordelijkheid van de school en de student om een praktijkplaats te vinden, maar niemand is aan het onmogelijke gehouden. Wel moet de school bij een structureel tekort aan leerwerkplekken voor een bepaalde opleiding in een regio de instroom zoveel als mogelijk afstemmen op de beschikbaarheid van leerwerkplekken.

7

Op welke manier(en) komt de herijking van de structurele onderwijsbekostiging concreet ten goede aan duurzame en groene onderzoekstrajecten?

Met de herziening van de bekostiging heeft het kabinet wijzigingen aangebracht in de verdeling van de onderwijsbekostiging over hogescholen en universiteiten. In welke mate de onderwijsbekostiging ten goede komt aan duurzame en groene onderzoekstrajecten kan het kabinet niet aangeven. Dit valt onder de bestedingsvrijheid van instellingen.

8

Hoe wordt het bedrag van de loon- en prijsbijstelling vastgesteld en op welk moment?

Het bedrag van de loon- en prijsbijstelling wordt vastgesteld door het loon- en prijsgevoelige deel van de begrotingsuitgaven te vermenigvuldigen met de percentages van de loon- en prijsbijstelling. Er zijn verschillende categorieën loon- en prijsgevoelige uitgaven waaraan verschillende percentages verbonden zijn. Het kabinet beslist bij voorjaarsbesluitvorming over het uitkeren van de loon- en prijsbijstelling.

9

Kunt u bevestigen dat de begrote uitgaven voor initieel onderwijs worden gekwalificeerd als consumptieve overheidsuitgaven, terwijl het in feite investeringen in mensen betreft, die gemiddeld minstens 40 jaar renderen? Kunt u toelichten waarom deze uitgaven niet als «overheidsinvesteringen» gekwalificeerd worden?

Ja, de begrote uitgaven voor initieel onderwijs worden gekwalificeerd als consumptieve overheidsuitgaven. De classificatie van overheidsuitgaven in consumptieve uitgaven en investeringen volgt de bindende internationale richtlijnen van Eurostat.

10

Wat is het verschil tussen subsidies en opdrachten?

Bij subsidies verstrekt de overheid een financiële bijdrage waarvoor de ontvanger activiteiten moet verrichten die bijdragen aan de beleidsdoelen. Bij opdrachten is er sprake van inkoop van goederen of diensten waarvoor de overheid betaalt.

11

Hoeveel JOGG-gemeenten (Jongeren Op Gezond Gewicht) zijn er momenteel?

Op de website jongerenopgezondgewicht.nl wordt vermeld dat er 142 deelnemende gemeenten zijn per oktober 2019.

12

Hoeveel procent van het aantal scholen heeft een gezonde schoolkantine?

Een recente peiling van het voedingscentrum (maart 2019) laat zien dat 57% van de middelbare en mbo-scholen aangeeft dat ze momenteel voldoen aan de Richtlijnen Gezondere Kantines van het Voedingscentrum.

13

Hoeveel procent van het aantal scholen heeft een rookvrij schoolplein?

Uit het rapport Op weg naar rookvrije schoolterreinen (Mulier Instituut, 2019) blijkt dat in 2018 80% van de scholen in het primair onderwijs een geheel rookvrij terrein had, in het voortgezet onderwijs was dit 62%. In datzelfde jaar had 16% van de scholen in het primair onderwijs een gedeeltelijk rookvrij schoolterrein, dit geldt voor 37% van de scholen in het voortgezet onderwijs. Dit kabinet is voornemens om per augustus 2020 wettelijk te verplichten dat alle schoolpleinen (po, vo, mbo en ho) rookvrij zijn.

14

Kunt u een overzicht geven van de totale middelen beschikbaar voor al het onderwijs, inclusief een uitsplitsing naar techniek, voor en na de «Van Rijnschuif»?

Het onderwijsdeel wo bedraagt € 2,4 miljard in 2020 (inclusief studievoorschotmiddelen). Daarvan gaat € 543 miljoen naar de vier technische universiteiten (dit zijn voorlopige cijfers; de Rijksbijdrage 2020 is nog niet definitief). Zonder de herziening van de bekostiging zou dit in 2020 € 28 miljoen minder zijn geweest voor de vier technische universiteiten. Voor de overige universiteiten, met een breed opleidingsaanbod waaronder technische opleidingen, is het voor het kabinet niet mogelijk om aan te geven hoeveel middelen er naar bètatechniek gaan omdat dit binnen de bestedingsvrijheid van de lumpsum valt en afhankelijk is van het interne verdeelmodel van instellingen.

Het onderwijsdeel hbo bedraagt € 3,2 miljard in 2020 (inclusief studievoorschotmiddelen).

15

Klopt het dat niet alles wat in de sectorwetten staat waar de inspectie toezicht op houdt, verwerkt is in de Wet op het onderwijstoezicht? Zo ja, wat is de reden hiervoor en hoe is beslist wat er in de Wet op het onderwijstoezicht thuishoort?

De Wet op het onderwijstoezicht (WOT) regelt de taken en bevoegdheden van de Inspectie van het onderwijs. Met een eigen wet heeft de wetgever destijds beoogd om de onafhankelijke rol van deze inspectie te versterken. In artikel 3 van de WOT zijn de taken van de inspectie vastgelegd. Een van haar kerntaken is het toezien op de naleving van de aan de onderwijsinstellingen gestelde wettelijke eisen (deugdelijkheidseisen). Deze eisen staan in de sectorwetten.

16

Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van de hoogte van de bovenwettelijke uitkeringen, uitgesplitst naar onderwijssector en uitgesplitst naar de aard van de bovenwettelijke regeling?

De hoogte en duur van bovenwettelijke uitkeringen zijn voor de verschillende onderwijssectoren vastgelegd in de sector cao’s. Aangezien de aard van de bovenwettelijke regelingen verschilt, is er geen overzicht opgenomen. De cao teksten zijn openbaar en te vinden op de site van de desbetreffende onderwijsraden.

17

Welke kosten van Leven Lang Ontwikkelen vallen onder de OCW-begroting en welke kosten onder de SZW-begroting?

Voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO) voeren de ministeries van SZW, EZK en OCW gezamenlijk een meerjarig actieprogramma LLO uit. Van de kosten voor dit actieprogramma is in de OCW-begroting voor 2020 € 11,75 miljoen beschikbaar. Op de SZW-begroting is € 1,5 miljoen beschikbaar voor versterking van de regionale ondersteuningsstructuur. Op de EZK-begroting staat € 2,7 miljoen voor versterking van de leercultuur in het MKB. Naast het meerjarig actieprogramma LLO lopen er meer activiteiten die Leven Lang Ontwikkelen stimuleren. Zo is het kabinet voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling, het STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarktpositie), dit bedraagt in totaal € 218 miljoen en staat op artikel 4 en artikel 95. Zie voor een compleet overzicht de bijlage bij de brief aan de Tweede Kamer van 27 september 2018.

18

Hoe had de «taakstelling OCW» uitgepakt per beleidsartikel als deze niet was teruggedraaid in het regeerakkoord? Was deze taakstelling al in mindering gebracht op onderwijsinstellingen of moesten instellingen hier nog op gekort worden?

De taakstelling OCW stond op artikel 91 Nog onverdeeld en was nog niet verdeeld over de beleidsartikelen. Er waren daarom ook nog geen kortingen opgelegd aan instellingen.

19

Welke bewindspersonen waren verantwoordelijk voor de «taakstelling OCW» tijdens Rutte II?

De bewindslieden van OCW in het kabinet Rutte II waren Minister Jet Bussemaker en Staatssecretaris Sander Dekker.

20

Kunt u de Kamer voorzien van een tabel van de totale publieke onderwijsbekostiging van NUFFIC in de afgelopen vijf jaar?

Onderstaand een overzicht van de totale publieke onderwijsbekostiging vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De bedragen variëren over de jaren als gevolg van wijzigingen in beleidsvragen aan Nuffic en als gevolg van loon- en prijsbijstellingen.

bedragen x € 1.000

Jaar

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal

23.569

22.037

23.064

22.979

23.506

21

Hoeveel subsidie ontvangt het project «versterking medezeggenschap» in het funderend onderwijs van het Ministerie van OCW?

Het project versterking medezeggenschap in het funderend onderwijs ontvangt voor 2019 een subsidie van € 300.000 van OCW. Met ingang van 2020 wordt de versterking medezeggenschap in de vorm van een opdracht uitgevoerd. Het aanbestedingstraject is reeds gestart.

22

Welke kosten heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2018 en 2019 gemaakt ten behoeve van (leden van) het Koninklijk Huis? Welk bedrag is hiervoor precies gereserveerd in de begroting van 2020?

Er is sprake van uitgaven voor kosten op de begroting van dit ministerie voor activiteiten die verband houden met de beleidsdoeleinden en/of uitvoering van regelgeving van dit ministerie en waarbij in dit kader een persoon is betrokken die tevens lid is van het Koninklijk Huis.

Prinses Laurentien is sinds 2009 Speciaal Gezant Geletterdheid voor UNESCO. Als verantwoordelijk ministerie voor Unesco ondersteunt OCW dit gezantschap met een subsidie:

2018

€ 48.225

2019

€ 47.939

2020

€ 49.680 (aanvraag)

Deze subsidie wordt o.a. aangewend voor het dekken van de kosten van een ondersteunend medewerker, reis- en verblijfkosten en een vacatievergoeding

23

Kunt u aangeven wat de uitkomst is van de gesprekken met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) over het meenemen van studenten in de berekening van de koopkracht?

OCW heeft inderdaad met Nibud gesproken over het meenemen van studenten in de koopkrachtplaatjes. Hieruit volgde dat het Nibud studenten niet meeneemt in de koopkrachtberekeningen van 100 voorbeeldhuishoudens. De reden hiervoor is dat het Nibud statische koopkrachtplaatjes maakt, waarbij er vanuit wordt gegaan dat er niets verandert in de situatie. De situatie van studenten verandert vaak en ook nog eens in korte tijd. Dat heeft ten eerste te maken met de korte periode waarin iemand studeert. Na afstuderen is de koopkrachtverandering veel groter als een oud-student gaat werken. Daarnaast heeft de verandering voor thuiswonende studenten die uit huis gaan tijdens de studietijd een grote impact. Tot slot kunnen de inkomsten nogal wisselen per jaar tijdens de studententijd, doordat studenten hun leenbedrag aan kunnen passen.

24

Wat klopt er van de constateringen in het OESO-rapport (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) «Education at a Glance» dat leraren in het voortgezet onderwijs in Nederland gemiddeld 29% méér leerlingen hebben dan hun collega’s in de EU, het maximaal aantal lesuren van een leraar in Nederland 750 is, wat 41 uur meer is dan het OESO-gemiddelde voor leraren in de onderbouw en 83 uur meer dan het OESO-gemiddelde voor bovenbouwleraren? Is het voorzien dat dit allemaal ook zo blijft, met alle gevolgen van dien voor de werkdruk van leraren?

Inderdaad constateert de OESO in Education at a Glance 2019 dat het maximaal aantal lesuren van een leraar in Nederland hoger is dan het OESO-gemiddelde, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van het vo. We tekenen hierbij aan dat de genoemde OESO-cijfers uit het schooljaar 2017–2018 zijn. Hierin zijn dus de afspraken nog niet verwerkt die de sociale partners in het voortgezet onderwijs recent hebben gemaakt over extra ontwikkeltijd. Leraren kiezen zelf in overleg met elkaar en hun leidinggevenden, waar ze de vrijgekomen tijd aan gaan besteden.

Wij veronderstellen dat de vraagsteller het verschil van 29% met het EU-gemiddelde baseert op gegevens over leerling-leraar ratio’s in het voortgezet onderwijs. Het klopt dat de leerling-leraar ratio in Nederland in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs hoger is dan het gemiddelde in de OESO landen. Het is goed hierbij te beseffen dat er geen één-op-één-relatie is tussen deze ratio en de feitelijke groepsgrootte. De leerling-leraar ratio is slechts het aantal leraren gedeeld door het aantal leerlingen. Er kunnen op basis van deze OESO-cijfers niet zonder meer conclusies worden getrokken over de groepsgrootte in Nederland in vergelijking met andere landen. De feitelijke groepsgrootte per leraar hangt van veel factoren af, zoals aard en omvang van het vak en de onderwijskundige visie van de school. Ook bijvoorbeeld de inzet van ondersteunend personeel kan per land verschillen. In Nederland staat de eigen visie en werkwijze van scholen voorop: vanuit de overheid sturen we niet op de groepsgrootte.

25

Kunt u een meer specifieke streefwaarde geven van het «succes eerstejaars mbo» en «succes doorstromers in eerste jaar hbo»?

Bij de aanvang van dit kabinet is het streven vastgesteld om het succes eerstejaars mbo te willen verhogen ten opzichte van het basisjaar 2012–2013. Destijds was dat percentage 82,9%. Het streven is dus om in 2020 minimaal boven dit percentage uit te komen. In 2017–2018 bedroeg het percentage iets meer dan 84%.

Voor het hbo is een soortgelijk streven bepaald. In 2012–2013 bedroeg het percentage doorstromers in het eerste jaar van het hbo 78%. Het kabinet streeft er naar dat dit percentage in 2020 in ieder geval hoger zal zijn. In 2017–2018 bedroeg dit percentage 79%.

26

Welke voorwaarden mogen scholen voor voortgezet onderwijs stellen aan havisten die hun havodiploma hebben behaald en willen instromen in atheneum 5? In hoeverre verschillen deze voorwaarden van de voorwaarden die scholen mogen stellen aan vmbo'ers die hun vmbo-t-diploma hebben behaald, die willen instromen in havo 4?

Het bevoegd gezag van de havo- en vwo-scholen beslist over de toelating van leerlingen die na het behalen van hun vmbo-gl/tl- of havodiploma willen doorstromen naar een ander schoolniveau. Die toelating is bijna altijd afhankelijk van voorwaarden waaraan de gediplomeerde vmbo’er of havist moet voldoen. Scholen hanteren verschillende toelatingsvoorwaarden, maar er zijn geen specifieke verschillen tussen de voorwaarden die respectievelijk havo- en vwo-scholen stellen. De doorstroomvoorwaarden die havo- en vwo-scholen stellen, zijn onderzocht (zie het wetsvoorstel op: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/04/18/voorstel-van-wet-wijziging-wet-geljke-kan-op-doorstroom-vmbo-havo). Uit deze onderzoeken blijkt dat het gaat om voorwaarden zoals dat de leerling een positief advies van de mentor moet hebben, aan een bepaalde cijfereis moet voldoen, een motivatiegesprek moet voeren, een goede werkhouding moet laten zien en dat de leerling een in een bepaald vakkenpakket eindexamen moet hebben gedaan. De regering heeft inmiddels bij uw Kamer een wetvoorstel ingediend waarmee wordt beoogd deze toelating wettelijk te regelen, zodat elke leerling een gelijke en eerlijke kans op doorstroom heeft.

27

Kunt u uiteenzetten hoe u gaat bepalen welke kinderen een risico op een onderwijsachterstand hebben?

Het CBS heeft een indicator ontwikkeld waarmee op basis van centraal beschikbare data bepaald wordt welke kinderen een risico op een onderwijsachterstand hebben. In deze indicator wordt gekeken naar de volgende kenmerken: het opleidingsniveau van de ouders, het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op school, het land van herkomst, de verblijfsduur in Nederland en of de ouders in de schuldsanering zitten.

28

Kunt u specificeren wat de verwachte inhoud van de meerjarige agenda’s wordt, die opgesteld worden naar aanleiding van de Gelijke Kansen Alliantie?

De eerste 30 agenda’s zijn inmiddels opgesteld en te vinden op https://www.gelijke-kansen.nl/.

29

Hoe is het te verklaren dat het aantal vroegtijdige schoolverlaters in het mbo tussen 2016–2017 en 2017–2018 gestegen is?

Gemeenten en scholen geven aan dat de oorzaken voor het stijgende aantal jaarlijkse vsv’ers liggen in de aantrekkende arbeidsmarkt, toenemende multiproblematiek onder jongeren en een toenemend aantal verkeerde studiekeuzes. Uit een verdiepende cijferanalyse van de oorzaken van de stijging van het aantal vsv’ers in de afgelopen twee jaar blijkt dat jongeren zonder startkwalificatie de afgelopen jaren steeds vaker aan het werk zijn.

30

Wat gaat u anders doen dan in de afgelopen jaren om het aantal voortijdige schoolverlaters terug te dringen naar 20.000 in 2019–2020, nu zich in 2017–2018 bij de realisatie juist een stijging aftekende?

In de kabinetsreactie van 4 oktober jl. heeft het Kabinet benadrukt dat – ondanks de stijging van het aantal nieuwe vsv’ers – zoveel mogelijk jongeren een diploma zouden moeten halen op het niveau van een startkwalificatie. Daarom wordt de aanpak onverminderd voortgezet. In elke RMC-regio wordt een vierjarig regionaal plan (2020–2024) gemaakt met maatregelen om vsv tegen te gaan en om uitgevallen jongeren te begeleiden. Voor uitvoering van deze regionale programma’s stelt de Minister van OCW voor de komende vier jaar opnieuw in totaal bijna € 200 miljoen beschikbaar. Om de stijging tegen te gaan, gaat OCW met werkgevers in gesprek zodat jongeren die gaan werken zonder startkwalificatie alsnog via een bbl-opleiding een startkwalificatie kunnen halen. De Minister van OCW wil daarnaast onderzoeken met welke maatregelen uitval onder jongeren verder verminderd kan worden. Het CBS gaat daarom in 2019 onderzoek doen naar de stijging van het aantal jongeren met multiproblematiek en in hoeverre dit verband houdt met de stijgende vsv-cijfers.

31

Waar komen de nieuwe streefcijfers voortijdig schoolverlaten (vsv) vandaan? Met wie maakt u afspraken hierover? Hoe worden de streefcijfers bereikt?

Het streefcijfer van 20.000 nieuwe vsv’ers is door DUO berekend op basis van een extrapolatie van de historische trend in het aantal vsv’ers. In deze extrapolatie is rekening gehouden met het relatieve aandeel vsv’ers en de prognose van het aantal leerlingen en studenten in het vo en het mbo. Verdere afspraken over deze streefcijfers worden gemaakt met de MBO Raad, VNG en Ingrado. Dit streefcijfer van maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers is niet nieuw. Dit cijfer is namelijk vastgesteld in de huidige regeling vsv (regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017) die tot en met 2020 loopt. Voor de nieuwe regeling – die loopt tot en met 2024 – blijft het streefcijfer van jaarlijks maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers onveranderd. We zien dat de aantallen vsv’ers stijgen. De problematiek is zo hardnekkig, dat we deze doelstelling in de huidige periode (tot en met augustus 2020) niet gaan halen. Het Kabinet wil de urgentie van de aanpak echter behouden en houdt daarom vast aan de huidige ambitie van maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar.

32

Heeft u ook overwogen om ondanks de dalende leerlingenaantallen in het voortgezet onderwijs, het betrokken budget voor de sector te handhaven op hetzelfde niveau, zoals ook in 2014 gebeurde bij het Nationaal Onderwijsakkoord? Op grond van welke overwegingen heeft u besloten deze weg niet in te slaan?

Tijdens de begrotingsvoorbereiding van de OCW-begroting 2014 bleek sprake van een per saldo meevaller op de totale OCW-begroting. Deze meevaller is gereserveerd voor investering in de kwaliteit van het onderwijs in het kader van het Nationaal Onderwijs Akkoord. Het onderwijsbudget is dus in 2014 niet gehandhaafd op hetzelfde niveau, maar de meevaller is ingezet ten behoeve van een intensivering in het onderwijs.

Dit voorjaar was niet sprake van een vergelijkbare situatie met 2014. Hoewel er in het vo sprake was van een lager dan geraamd aantal leerlingen, was in alle andere sectoren sprake van een hoger dan geraamd aantal leerlingen en studenten. Op totaalniveau was er daarom sprake van een tegenvaller op de begroting.

33

Wat hebben de maatregelen om het passend onderwijs voor kwetsbare leerlingen te versterken, die u aankondigde in de onderwijszorgbrief en de Kamerbrief Stand van zaken thuiszitters, inmiddels opgeleverd in termen van vermindering van het aantal thuiszitters? Welke maatregelen zijn effectief gebleken en welke in mindere mate?

We zitten in het laatste jaar van het Thuiszitterspact. Door alle partners wordt hard gewerkt aan het terugdringen van het aantal thuiszitters. Zoals ook in de onderwijszorg-brief van november 2018 en de Kamerbrief over de stand van zaken thuiszitters van februari 2019 staat, zijn er verschillende maatregelen getroffen om het aantal thuiszitters dat langer dan drie maanden thuiszit zonder een passend aanbod van onderwijs en/of zorg naar beneden te brengen. Een overzicht hiervan is te vinden bij vraag 135. De maatregelen hebben allemaal als uiteindelijk doel om het aantal thuiszitters terug te dringen. Welke maatregel specifiek voor een vermindering zorgt valt niet te meten aangezien deze maatregelen in samenhang bijdragen aan een oplossing voor dit complexe vraagstuk. Hierdoor is een causale relatie per maatregel niet vast te stellen.

Aangezien de maatregelen daarnaast sinds november 2018 en februari 2019 zijn opgestart, zullen de effecten (waarschijnlijk) nog niet terug te zien zijn in de aankomende thuiszitterscijfers. Om het aantal thuiszitters en een eventuele vermindering hiervan in beeld te brengen wordt de jaarlijkse leerplichtenquête gebruikt. Op dit moment vindt deze enquête plaats onder de gemeenten. Gemeenten leveren het aantal verzuimgevallen over het schooljaar 2018–2019 aan. Uw Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2020 geïnformeerd over de uitkomsten van deze enquête. Dan zal uw Kamer ook worden geïnformeerd over het verloop van het aantal thuiszitters gedurende het Thuiszitterspact en over het vervolg op de thuiszittersaanpak.

34

Hoe hoog zijn de bedragen die beschikbaar komen voor de maatwerkregeling voor krimpscholen in het voortgezet onderwijs (vo) en voor de structurele regeling waaruit geïsoleerde kleine vo-scholen extra geld kunnen ontvangen? Zijn deze bedragen ook structureel beschikbaar in de begroting? Zo ja, waar staan deze bedragen? Zo nee, op welke wijze gaat u structureel hiervoor geld vrijmaken?

Voor de incidentele maatwerkregeling stelt het kabinet in 2020 en 2021 € 10 respectievelijk € 15 miljoen extra beschikbaar. Deze middelen staan op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën (bijlage 17 bij de Miljoenennota (Verticale toelichting, Algemeen) op blz. 322). Daarnaast mag een mogelijke meevaller bij de leerlingraming in het voortgezet onderwijs komend voorjaar voor de periode 2020 t/m 2024 eerst worden ingezet om de regio’s bij deze transitie te ondersteunen. De genoemde bedragen mogen dan worden aangevuld tot maximaal € 48 miljoen per jaar.

De structurele regeling voor geïsoleerde vo-scholen maakt onderdeel uit van de nieuwe bekostigingssystematiek in het vo. Bij de aanbieding van het wetsvoorstel vereenvoudiging bekostiging vo ontvangt uw Kamer een brief waarin uitgebreid op deze aanvullende bekostigingsregeling wordt ingegaan.

35

Welke andere landen hebben ook een systeem dat vergelijkbaar is met het passend onderwijs in Nederland? Wat zijn de knelpunten die in deze landen ervaren worden?

Het is lastig om de Nederlandse systematiek voor passend onderwijs te vergelijken met andere landen, omdat ieder land binnen zijn eigen onderwijssysteem het regulier, speciaal of gespecialiseerd onderwijs weer anders gepositioneerd heeft, met andere bestuursstructuren en geldstromen. Wel spelen in veel landen vergelijkbare discussies, zoals: hoe kunnen we leerlingen met een ondersteuningsbehoefte het beste ondersteunen en welke organisatiestructuren passen daarbij, hoe zorgen we ervoor dat leraren deskundig genoeg zijn, hoe kunnen we de expertise van speciaal of gespecialiseerd onderwijs benutten voor het regulier onderwijs? Nederland participeert daarom in internationale netwerken, om kennis uit te wisselen, maar ook om deel te nemen aan vergelijkende studies. In dergelijke studies worden geen landen met elkaar vergeleken, maar wordt gezocht naar mechanismen die binnen de verschillende onderwijssystemen kunnen zorgen voor betere ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben. De Onderwijsraad zal in zijn eindadvies over de implementatie van passend onderwijs ook het internationale perspectief betrekken. Dit advies wordt aankomend voorjaar verwacht.

36

Hoeveel kinderen die hoogbegaafd zijn kunnen van dit onderwijs- en/of ondersteuningsaanbod gebruikmaken?

Bij passend onderwijs wordt uitgegaan van de ondersteuningsbehoefte van een leerling. De school kan de benodigde ondersteuning bieden zonder dat een diagnose of label nodig is. Dit leidt ertoe dat kinderen sneller de juiste ondersteuning krijgen met minder administratieve lasten, maar ook dat er niet meer wordt geregistreerd. Er is daarom geen landelijk zicht op het aantal (hoog)begaafde leerlingen.

37

Hoeveel hoogbegaafde kinderen hebben extra onderwijs- en/of ondersteuningsaanbod nodig?

Zie vraag 36.

38

In welke regio’s in Nederland is er een goed aanbod van onderwijs aan hoogbegaafde kinderen?

Samenwerkingsverbanden zijn verantwoordelijk voor een dekkend aanbod in de regio in het primair en voortgezet onderwijs. Indien een (hoog)begaafde leerling specifieke ondersteuning nodig heeft moet de school in samenwerking met het samenwerkingsverband hierin voorzien. Het aanbod kan hierin per regio verschillen, afhankelijk van de ondersteuningsvragen van leerlingen uit de regio. Nog niet in alle regio’s is er een dekkend aanbod voor (hoog)begaafde leerlingen. Zie hiervoor Kamerbrief over de uitvoering van de middelen voor (hoog)begaafdheid. Met de subsidieregeling begaafdheid worden samenwerkingsverbanden en scholen gestimuleerd een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor begaafde leerlingen in te richten. Dit aanbod kan bestaan uit nieuwe activiteiten, het aantrekken of ontwikkelen van meer expertise, maar ook uit het uitbouwen van bestaande arrangementen of voorzieningen.

39

Wat is de hoogte van de hoogbegaafdensubsidie per hoogbegaafd kind?

Het subsidieplafond van € 14 miljoen per schooljaar is verdeeld op basis van het totaal aantal leerlingen dat stond ingeschreven op de scholen binnen een samenwerkingsverband op teldatum 1 oktober 2017. In de toelichting op de subsidieregeling is een tabel opgenomen met de leerlingaantallen op teldatum 1 oktober 2017 en zijn de maximumbedragen weergegeven per samenwerkingsverband.

40

Wat is de hoogte van de ouderbijdrage per school die ouders met hoogbegaafde kinderen aan ouderbijdrage moeten betalen?

Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet net als voor andere leerlingen vrij toegankelijk en kosteloos zijn. Scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs moeten gezamenlijk voorzien in een passend aanbod voor elke leerling, ook voor (hoog)begaafde leerlingen. Indien aparte voorzieningen nodig zijn om in de ondersteuningsbehoefte van een leerling te voorzien, dan dient daarin te worden voorzien door de eigen school of samenwerkingsverband. De toelating hiertoe mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Zolang de bijdrage expliciet vrijwillig is mag een school de hoogte van de bijdrage in overleg met de medezeggenschapsraad zelf bepalen.

41

Wat zijn in meerjarenperspectief de afrekenbare doelen van de samenwerking met onder meer de sector- en vakorganisaties aan de landelijke tafel lerarentekort om de instroom in de lerarenopleidingen te verhogen, van de subsidieregeling voor de regionale aanpak van het lerarentekort en van de plannen om werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken in termen van reductie van het lerarentekort?

Er zijn geen vooraf afrekenbare doelen gesteld aan de samenwerking. Alle partijen die deelnemen aan de landelijke tafel doen dat vanuit het besef en commitment dat een brede, gemeenschappelijke inspanning op landelijk en regionaal niveau nodig is om alle actielijnen maximaal te benutten.

42

Wat is de omvang van het oplopende lerarentekort in het po, vo en mbo in 2020? Kunt u deze specificeren voor het basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs? Kunt u deze tevens specificeren per regio?

OCW laat jaarlijks ramingen opstellen wat de verwachte tekorten in de toekomst zullen zijn. Ook worden er jaarlijks andere arbeidsmarktonderzoeken gepubliceerd, onder andere naar vacatures die door scholen online worden gezet. De gegevens van deze en andere onderzoeken worden aan de Kamer toegezonden in de Arbeidsmarktbrief, die eind dit kalenderjaar weer zal worden verzonden. De exacte omvang van het lerarentekort is niet bekend. Om dit in kaart te brengen zouden alle scholen een uitgebreide administratie moeten voeren. Zie ook het antwoord op vraag 325.

43

Wat klopt er van de stelling van de Algemene Onderwijsbond (Onderwijsblad, oktober 2019, blz. 15) dat uw maatregelen om het lerarentekort aan te pakken, weinig effectief zijn? Kunt u specifiek ingaan op de effectiviteit van: de stille reserve benutten; werkloze leraren terugbrengen; zijinstromers verleiden; parttimers overhalen; ouderen laten doorwerken;

jongeren interesseren?

Deze stelling onderschrijven wij niet. In de Kamerbrief van 8 oktober 2019 inzake de aanpak tekorten in het funderend onderwijs op korte en lange termijn wordt ingegaan op deze aspecten en zijn de eerste positieve resultaten gemeld. Zo is er afgelopen jaar 3000 fte onderwijspersoneel bijgekomen in het primair onderwijs. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/10/08/reactie-op-brief-commissie-voor-onderwijs-cultuur-en-wetenschap-met-verzoek-om-langetermijnvisie-aanpak-lerarentekort

Daarbij is aangegeven dat het bij een duurzame aanpak ook gaat om andere manieren van opleiden, werken en organiseren. Het stimuleren van de regionale aanpak in combinatie met het landelijke overleg blijft daarbij onverminderd belangrijk.

44

Kunt u nader specificeren hoe u de «stille reserve» gaat aanwenden? Kunt u specifiek aangeven hoe u gaat voorkomen dat personeelstekorten in andere sectoren, zoals de zorg (een derde van de «stille reserve»), verder oplopen door deze maatregel?

Het onderwerp is onderdeel van de regio-aanpak. Er is een subsidieregeling voor schoolbesturen voor de ondersteuning van herintredende mensen met een onderwijsbevoegdheid die zij in dienst nemen. Sinds oktober 2017 hebben bijna 200 herintreders hiervan gebruik gemaakt.

Er is sprake van een gerichte inspanning voor mensen met een werkloosheidsuitkering vanwege een werkverleden in het primair onderwijs. Deze zogenoemde stille WW-reserve wordt sinds september 2018 door het Participatiefonds actiever benaderd en begeleid om weer aan de slag te gaan. Per 1 oktober 2019 heeft dit geleid tot 660 werkhervattingen.

We kunnen vanwege privacyregels beperkt maatregelen nemen om elders werkende mensen met een slapende onderwijsbevoegdheid te bewegen (weer) in het onderwijs te gaan werken. De overheid moet daarbij ook niet willen concurreren met andere tekortsectoren zoals de zorg, waar een groot deel van de onderwijsreserve werkzaam is.

45

Wat wordt er precies gedaan om de (zij)instroom in de lerarenopleidingen te verhogen? Wat zijn de resultaten hiervan per sector?

We stimuleren de instroom via een scala aan maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn de twee jaar halvering collegegeld voor studenten aan lerarenopleidingen, de nog te publiceren regeling tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (najaar 2019); de Regionale aanpak lerarentekort, het stimuleren van aantrekkelijker opleidingsroutes zoals via de experimenten met de educatieve module en leeruitkomsten. Voor de Pabo geven we onder andere subsidie voor onderwijsassistenten om leraar te worden, ondersteunen we het initiatief «goed voorbereid naar de pabo» voor mbo’ers die de pabo willen doen en hebben we de mogelijkheid gecreëerd voor pabo-studenten met een ho-achtergrond om vervroegd aan de slag te kunnen. Ten slotte werken de universiteiten met steun van OCW onder andere aan betere en flexibelere toelatingsprocedures en schakelprogramma’s om deficiënties weg te werken. Voor de pabo zien we een stijgende trend in de instroom, met een stijging van 11% in 2018–2019, en ook dit jaar verwachten we weer een stijging. Het aantal zijinstromers is afgelopen jaren ook boven verwachting toegenomen. De instroom bij de universitaire opleidingen is vrij stabiel en de instroom bij de tweedegraadsopleidingen blijft helaas achter. Daarnaast is het sinds dit jaar ook mogelijk voor onderwijsassistenten die de potentie hebben om leraar te worden, dat met subsidie te doen. Er was dit jaar ruimte voor 50 assistenten. Begin september stond de teller op 24. In de weken erna is het aantal opgelopen tot 328 aanvragen op de sluitingsdatum 15 oktober. Deze worden nu door de uitvoeringsorganisatie beoordeeld. Aanvragen die dit jaar niet toegekend kunnen worden, schuiven door naar volgend jaar. Onderzocht wordt of het budget voor volgend jaar kan worden verhoogd

We zijn in gesprek met de VH en de VSNU over aanvullende maatregelen om in- en doorstroom bij lerarenopleidingen te vergroten. Om zijinstroom verder te bevorderen, wordt daarnaast onder andere via het Participatiefonds gewerkt aan versterking van de begeleiding van zijinstromers en wordt de informatie voor potentiële leraren gebundeld en toegankelijk gemaakt via één centrale website en een loket om vragen te stellen.

46

Op welke manier trekt u mensen met een lesbevoegdheid aan voor het onderwijs? Wat is hiervan het resultaat geweest qua instroom?

De herintreding van mensen met een onderwijsbevoegdheid wordt niet apart geregistreerd. Wel bekend is de ontwikkeling van het aantal fte onderwijspersoneel. Zo is er afgelopen jaar 3000 fte onderwijspersoneel bijgekomen in het primair onderwijs. Zie verder het antwoord op vraag 44.

47

Welke redenen zijn er volgens u voor het vele parttime werken in het onderwijs? Ziet u hier een link met de hoge werkdruk in het onderwijs? Op welke manier denkt u leraren te verleiden meer te gaan werken als de arbeidsomstandigheden in het onderwijs niet verbeteren?

Dit is waarschijnlijk mede afhankelijk van het aandeel vrouwen in het primair onderwijs. Vrouwen werken in Nederland vaker in deeltijd dan mannen: 70% van de vrouwen versus 20% van de mannen. Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Deeltijdwerk – welk rond het kerstreces aan de Kamer wordt gestuurd – zal verder in den brede kijken naar de historische situatie en hoe Nederland een deeltijdland geworden is.

De link tussen deeltijdwerk en een hoge werkdruk in het primair onderwijs is onduidelijk. Er zijn diverse factoren die werkdruk veroorzaken. Het is belangrijk dat werkgevers het mogelijk maken voor hun personeel om meer te gaan werken. Met de werkgevers blijven wij hierover in gesprek. Niet alleen om tekorten aan te pakken maar ook als impuls in de kwaliteit. Het IBO zal daarnaast beleidspakketten presenteren voor verschillende visies omtrent deeltijd. Er zal hierbij ook gekeken worden naar maatregelen die meer uren werken aantrekkelijker maken.

48

Hoe gaat u bijdragen aan de verbeteringen van de werkomstandigheden in onder andere het voortgezet onderwijs, aangezien u al € 270 miljoen in het primair onderwijs heeft geïnvesteerd?

We nemen een aantal maatregelen die bijdragen aan de werkomstandigheden in het voortgezet onderwijs. Zo hebben

hebben 25 regio’s een aanvraag ingediend in het kader van de regionale aanpak lerarentekort. Deze middelen worden ingezet voor thema’s als begeleiding van startende leraren, anders organiseren en persoonlijke ontwikkeling. De verwachting is dat deze projecten bijdragen aan vermindering van de werkdruk en verhoging van het werkplezier. Een groot deel van de scholen voor voortgezet onderwijs is hierbij betrokken.

Daarnaast zetten wij ons in op professionalisering van schoolleiders en versterking van strategisch personeelsbeleid zodat goed werkgeverschap wordt gestimuleerd. Hierover zijn afspraken gemaakt in de sectorakkoorden en middelen beschikbaar gesteld. Dit beleid wordt versterkt door in de wet kwaliteitseisen op te nemen over strategisch personeelsbeleid en professionalisering. De verwachting is dat deze maatregel leidt tot een professionele schoolorganisaties waarin goed werkgeverschap, duurzame inzetbaar een positief effect heeft op de werkdruk.

49

Is er volgens u behoefte aan het uitbreiden van het lerarenportfolio? Hoeveel leraren maken op dit moment actief gebruik van het lerarenportfolio? Hoeveel geld kost dit jaarlijks?

Het lerarenportfolio is een webapplicatie die als belangrijkste doel heeft het ondersteunen en faciliteren van leraren bij het onderhouden en vergroten van hun professionaliteit. Inmiddels maken ruim 9.500 leraren van het portfolio gebruik. Dit aantal groeit gestaag.

De kosten voor het beheer en de beperkte doorontwikkeling van het lerarenportfolio bedragen jaarlijks rond de € 3,6 miljoen.

Het lerarenportfolio wordt op dit moment (in overleg met leraren) nog verder doorontwikkeld om het een groeiende meerwaarde te laten hebben voor leraren. Zo is er een behoefte aan de mogelijkheid om desgewenst verbinding te leggen met andere leraren, kennis te delen en informatie uit te wisselen binnen het portfolio. Die functionaliteit wordt op dit moment gebouwd.

50

Wat wordt bedoeld met de Wet beroep leraar? Is dit een nieuwe wet? Wat is het doel van dit wetsvoorstel? Wanneer gaat de Kamer daar meer over horen?

De Wet Beroep Leraar (WBL) is op 1 augustus 2017 in werking getreden. Doel van de WBL is versterken van de positie van de leraar in het po, vo mbo en speciaal onderwijs, en het waarborgen van de beroepskwaliteit.

De WBL bestaat uit drie samenhangende onderdelen:

  • de omschrijving van het beroep van leraar met bijbehorende verantwoordelijkheden,

  • de professionele ruimte en zeggenschap van de leraar (waarover tussen leraren en schoolbesturen afspraken worden vastgelegd in een professioneel statuut) en – als sluitstuk -

  • een lerarenregister, waarmee de leraar zijn kwaliteit kan laten zien, en waarvan vorm en inhoud door de beroepsgroep zelf worden bepaald.

Dit laatste onderdeel van de wet is niet in werking getreden, aangezien draagvlak bij de beroepsgroep voor dit onderdeel ontbreekt.

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/werken-in-het-onderwijs/documenten/kamerstukken/2019/01/16/kamerbrief-over-de-versterking-van-de-leraar

51

Kunt u een meer specifieke streefwaarde geven van het «aandeel afgestudeerden bèta-techniek» in het hbo, wo en van het «aandeel mbo-studenten techniek»?

Bij de aanvang van dit kabinet is de ambitie uitgesproken om het aandeel afgestudeerden beta-techniek in het hbo, wo en van het «aandeel mbo-studenten techniek» op een hoger percentage uit te laten komen dan in het basisjaar 2012 voor hbo en wo en ten opzichte van het basisjaar 2011 voor het mbo. Dit betekent dat de streefwaarden voor 2020 voor hbo, wo en mbo respectievelijk 18,1%, 21,1% en 28,1% bedraagt.

52

Waarom zijn er geen rendements- of studiesuccescijfers opgenomen in de begroting? Kunnen deze alsnog worden gepubliceerd?

In de begroting wordt op een aantal plekken indicatoren die de mate van aansluiting op de arbeidsmarkt weergeven of het succes van de doorstroom van bijvoorbeeld mbo-leerlingen representeren. Zo zijn er indicaoren over het succes van de eerstejaars in het mbo, de doorstroom van eerstejaars in het hbo, arbeidsmarktrendement per opleidingsniveau van mbo studenten. In het onderdeel «opleiden voor de samenleving van de toekomst» is een tabel opgenomen met indicatoren over de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt.

53

Kunt u aangeven wat het percentage mbo/hbo/wo-afgestudeerden is dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is wanneer niet een ondergrens van 12 uur per week wordt gehanteerd maar het aantal uren van een gemiddelde werkweek à 31 uur?

Het is niet mogelijk om het gevraagde percentage te bepalen op basis van de beschikbare informatie. De percentages zijn gebaseerd op een grens van 12 uur per week omdat daarmee wordt aangesloten bij de nationale definitie van de beroepsbevolking.

54

Op welke concrete manier gaan brede universiteiten die ook bètatechnische studies aanbieden profiteren van de herijking van de structurele onderwijsbekostiging?

Het kabinet ziet acute knelpunten bij bètatechniek en wil daar iets aan doen in de bekostiging. Universiteiten ontvangen de bekostiging via de lumpsum, waarbij bestuurders eigen keuzes kunnen maken in het intern toedelen van middelen aan opleidingen. Instellingen hoeven de verdeelsleutel die de rijksoverheid hanteert, niet over te nemen en hoeven dus ook niet te realloceren van alfa, gamma en medisch naar bètatechniek. De regering heeft er begrip voor dat brede universiteiten deze verschuiving niet één op één doorvoeren in de interne allocatie omdat zij het belang van de verschillende wetenschapsgebieden in balans willen houden.

Iedere instelling heeft haar eigen profiel en kan dus ook in de interne verdeelsystematiek eigen keuzes maken. Daarnaast heeft het kabinet met de Kamerbrief van 12 september 2019 aangegeven de motie Van Meenen uit te voeren en de sectorplanmiddelen bètatechniek (€ 18 miljoen), die worden overgeheveld van de tweede geldstroom naar de eerste geldstroom, volledig bij de bètatechniek van algemene universiteiten te laten landen. (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/09/13/Kamerbrief-over-herverdeling-sectorplanmiddelen-betatechniek-naar-algemene-universiteiten)

55

In hoeverre zal de vervanging van schoolvakken door leergebieden nog uitgangspunt vormen van de herziening van het curriculum voor het po en het vo? In hoeverre is zo'n uitgangspunt verenigbaar met een streven naar een betere aansluiting op de samenleving, arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs?

De herziening heeft tot doel om tot geactualiseerde kerndoelen en eindtermen te komen voor het po en het vo. Er is geen sprake van vervanging van schoolvakken door leergebieden. In de reactie op voorstellen van de ontwikkelteams curriculum.nu ga ik nader in op hoe de herziening aansluit op de samenleving, arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Deze brief ontvangt uw Kamer naar verwachting in november 2019.

56

Wanneer is de genoemde «brede verkenning aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt» beschikbaar? Wanneer wordt de onderzoeksopzet met de Kamer gedeeld? Heeft de Kamer inspraak in die opzet?

De evaluatie van het Techniekpact wordt uitgevoerd door EZK, samen met OCW en SZW. We verwachten deze te kunnen publiceren tijdens de jaarconferentie Techniekpact in juni 2020. De partners van het Techniekpact worden betrokken bij de opzet en uitvoering van de evaluatie.

57

Kunt u uiteenzetten wat de verwachte kosten worden voor het stellen en bewaken van strakke kaders voor onderwijskwaliteit naar aanleiding van het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen?

De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de onderwijskwaliteit en adviseert de Minister hierover. De verwachte lichte toename van de benodigde capaciteit wordt meegenomen in de begroting van de inspectie na invoering van het wetsvoorstel.

58

Wat heeft de financiering met een verschuiving van 2021 naar 2020 tot gevolg voor het vervolg in 2021 van de verkenning van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden voor volwassenen en een programma flexibilisering in het mbo?

In het jaar 2021 (en 2022) is voor de verkenning van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden voor volwassenen beide jaren € 1,4 miljoen beschikbaar. Voor de subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg is voor de periode 2019 – 2022 in totaal € 20 miljoen beschikbaar. Daarvan is er in 2019 € 0,4 miljoen beschikbaar, in 2020 € 9,6 miljoen en in 2021 en 2022 € 5 miljoen per jaar.

59

Wat is het beoogde doel van de begrote € 11,75 miljoen voor het actieprogramma Leven Lang Ontwikkelen? Kunt u specificeren waaraan dit bedrag precies wordt besteed? Hoeveel van dit bedrag is al juridisch vastgelegd?

Voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor Leven Lang Ontwikkelen voeren de ministeries van SZW, EZK en OCW gezamenlijk een meerjarig actieprogramma LLO uit. Van de kosten voor dit actieprogramma is in de OCW-begroting voor 2020 € 11,75 miljoen beschikbaar: € 9,6 miljoen voor de subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg, € 1,4 miljoen voor het digitaal scholingsoverzicht en € 0,75 miljoen voor wetenschappelijke inbedding van het gehele interdepartementale actieprogramma LLO. De eerder genoemde subsidieregeling is in september 2019 gepubliceerd. De deadline voor het aanvragen van een subsidie in de eerste aanvraagronde is midden oktober 2019. Op basis hiervan worden juridische verplichtingen aangegaan.

60

Wat is er bekend over het zogenoemde succesvolle experiment van de Dienst uitvoering onderwijs (DUO) met betrekking tot aantallen debiteuren, openstaand debiteurenbedrag, voldaan bedrag en succesvolle betalingsregelingen?

DUO heeft in het najaar van 2017 met drie experimenten onderzocht hoe bij forse betalingsachterstanden sneller tot een passende oplossing gekomen kan worden door meer persoonlijk contact. Een eerste groep is uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op een servicekantoor van DUO, een tweede voor een telefoongesprek met een DUO-medewerker en een derde groep heeft een maatwerkbrief ontvangen. De respons op deze extra inspanningen van DUO was relatief hoog. De experimenten hebben er per saldo toe geleid dat voor een derde van de betrokken debiteuren een oplossing is gevonden voor de betalingsachterstand. Deze vorderingen zouden anders zijn overgedragen aan een deurwaarder. DUO heeft bovendien met meer debiteuren die onderdeel uitmaakten van het experiment een regeling getroffen, wat tot meer tevreden oud-studenten en extra ontvangsten heeft geleid. DUO heeft hier in 2019 een gevolg aan gegeven door deze meer persoonsgerichte manier van het innen van schulden breder in te zetten.

61

Kunt u een overzicht geven van de gevolgen voor de geldstromen tussen overheid en wetenschap wanneer alle wetenschappelijke publicaties voor iedereen gratis toegankelijk zijn?

In de geldstromen tussen overheid en wetenschap zit geen geoormerkt geld voor (open science en) open access van publicaties.

In die geldstromen zal feitelijk dan ook niets veranderen wanneer alle wetenschappelijke publicaties voor iedereen gratis toegankelijk zijn.

62

Wanneer is het specifieke plan van aanpak met betrekking tot open access beschikbaar?

Voor open access (en open science) hebben we het «Nationaal Plan Open Science». Binnen het «Nationaal Programma Open Science» geven we, samen met de veldpartijen, uitvoering aan dat plan om open access (en open science) de norm te laten worden in wetenschappelijk onderzoek. Deze zomer is onder de vlag van dit programma een aantal projecten gestart rondom open access boeken, Nederlandse tijdschriften, alternatieve publicatieplatforms en mogelijke opschaling van de «pilot Taverne». Daarnaast is in mei het aangepaste Europese «Plan S» voor versnelling van open access verschenen. NWO werkt momenteel aan de implementatie van «Plan S» in de Nederlandse context.

63

Kunt u specificeren hoeveel extra geld er vrijkomt voor de toegankelijkheid van cultuur voor kinderen uit arme gezinnen en personen met een handicap? Hoe u dit geld gaat inzetten ter bevordering van de toegankelijkheid?

In de brief Cultuur in een Open Samenleving is benadrukt dat cultuur van en voor iedereen is, ongeacht de plek waar je woont, uit welk gezin je komt of welke culturele achtergrond je hebt, en ongeacht leeftijd, geslacht, beperking of opleiding. Het programma cultuurparticipatie heeft als doel de cultuurdeelname van zoveel mogelijk verschillende groepen te bevorderen. Het Rijk wil hiervoor in de periode 2021–2024 samenwerken met de andere overheden, op basis van matching. Hiervoor is € 5,08 miljoen per jaar beschikbaar.

Vooruitlopend op de nieuwe periode zijn er de volgende maatregelen:

  • Vanaf 2019 een structurele investering in de toegankelijkheid van cultuur voor kinderen en jongeren uit gezinnen met armoede via het Jeugdfonds Sport & Cultuur. € 350.000 per jaar.

  • Extra investering in de Brede Regeling Combinatiefuncties. € 1,0 miljoen per jaar. Hiermee kunnen 50 extra cultuurcoaches in het hele land worden ingezet. Zij stimuleren (talent)ontwikkeling van jongeren op en rond scholen, cultuurdeelname in de wijk en leggen lokaal verbindingen tussen cultuur en onderwijs, sport, welzijn en zorg.

  • Een investering in de verbinding tussen cultuur en het sociale domein. € 1,0 miljoen per jaar. Dit bedrag is voor een de helft bestemd voor het vergroten van de toegankelijkheid van cultuur in het kader van het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap dat Nederland heeft geratificeerd. Het fonds voor cultuurparticipatie ontwikkelt hiervoor een regeling, deze wordt voor het eind van dit jaar gepubliceerd.

  • Ook via het fonds voor cultuurparticipatie een investering in goede voorbeelden om de toegankelijkheid te vergroten. € 500.000 per jaar.

64

Kunt u specificeren hoeveel geld er gaat naar het bereiken van een gelijke verdeling van zorg, zodat vrouwen meer uren kunnen werken?

Er zijn rijksbreed een aantal instrumenten die zich onder andere richten op het bevorderen van een goede verdeling van arbeid en zorg ten einde de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten. Deze instrumenten zijn de Kinderopvang Toeslag (KOT), de Inkomensafhankelijke Combinatiekorting (IACK) en de vijf weken aanvullend geboorteverlof die per 1 juli 2020 zal worden aangeboden. Ook zijn er een aantal communicatie inspanningen ter ondersteuning van deze instrumenten, denk aan de Werkzorgberekenaar, Hoewerktnederland.nl en zijnjullieeraluit.nl. In totaal is er met alle bovenstaande instrumenten en communicatie inspanningen in 2020 naar verwachting een bedrag van € 5 miljard gemoeid.

65

Klopt het dat zonder wetswijziging het streefcijfer uit de Wet bestuur en toezicht zal vervallen?

Dit klopt. De streefcijferregeling uit de Wet Bestuur en Toezicht is in 2017 verlengd tot en met 31 december 2019. Op 20 september jongstleden heeft de SER een advies uitgebracht over meer diversiteit in de top van het bedrijfsleven. Het kabinet bestudeert dit advies en komt voor het einde van het jaar met een kabinetsreactie. In deze kabinetsreactie zal het Kabinet weergeven welke maatregelen zij neemt om meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven te bevorderen en op welke wijze wordt omgegaan met het verlopen van de huidige streefcijferregeling uit de Wet Bestuur en Toezicht.

66

Op welke punten voldoet Nederland nog niet aan het CEDAW1-verdrag?

De Nederlandse regering neemt bij de vorming en uitvoering van haar beleid internationale verplichtingen zoals het CEDAW-verdrag als uitgangspunt. Iedere vier jaar rapporteert de regering aan het CEDAW-comité over haar inspanningen en de voortgang. Het Comité heeft voor het laatst in november 2016 aanbevelingen aan Nederland gedaan. Daarin staat een appreciatie van de vooruitgang die geboekt is in onder andere de wetgeving binnen het Koninkrijk. Ook staat dat er ondanks het feit dat het Koninkrijk een constitutionele aanpassing heeft doorgevoerd waarbij Curaçao en Sint Maarten nu de status van een land hebben binnen het koninkrijk, dat de het koninkrijk inclusief de nieuwe landen nog steeds gebonden zijn aan de conventie. Voor de volledige tekst wordt de Kamer verwezen naar: https://tbinternet.ohchr.org/_layouts/15/treatybodyexternal/SessionDetails1.aspx?SessionID=1027&Lang=en

67

Welke acties worden ondernomen om wel aan het CEDAW-verdrag te voldoen?

Voor Nederland zijn de internationale verplichtingen mede leidend bij de vorming van het emancipatiebeleid. De kern van dit beleid is uiteengezet in de emancipatienota en de stand van zaken hiervan is terug te lezen in de voortgangsrapportage emancipatie. Een belangrijk beleidsinitiatief in het kader van het CEDAW verdrag is de aanpak «discriminatie op de arbeidsmarkt» die door het Ministerie van SZW wordt uitgevoerd. Daarin heeft onder meer het bestrijden van zwangerschapsdiscriminatie een plek gekregen. Om de vier jaar rapporteert Nederland over de geboekte voortgang aan het comité. De laatste tussentijdse rapportage vond in mei jl. plaats waarin is ingegaan op de vier aanbevelingen van CEDAW.

De volgende rapportage zal eind 2020 opgeleverd worden.

68

In hoeverre dragen de investeringen in de ICT-systemen van DUO bij aan de meer persoonsgerichte manier van het innen van schulden?

De bestaande systemen voor het treffen van betalingsregelingen en de dwanginvordering via de deurwaarder zullen worden vervangen. Vervanging van deze systemen is mede ingegeven om te kunnen voldoen aan de wens om een meer op de klant toegesneden betalingsregelingen te treffen waarbij meer rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van de debiteur.

69

Wat is de achterliggende reden dat er lagere uitgaven zijn op de omzetting van lening naar gift bij mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol), waardoor er een meevaller in de studiefinancieringsraming is? Is het zo dat er meer mbo-bol-studenten met een lening blijven zitten?

Het betreft een meevaller die wordt veroorzaakt door lagere uitgaven aan omzettingen van prestatiebeurs in gift. Wat hier waarschijnlijk een rol speelt, is dat een aantal jaar geleden het overgrote deel van de mbo-opleidingen is ingekort van vier naar drie jaar. Uit de realisatie blijkt dat deze verkorting vooral heeft geleid tot hogere omzettingen in het mbo voor 2018. Als gevolg daarvan zijn de omzettingen voor de jaren na 2018 naar beneden bijgesteld. Dit betekent dus niet dat er sprake is van een «tegenvaller» voor betrokken mbo-studenten en er dus niet meer mbo-studenten met een lening blijven zitten.

70

Hoe werkt de tegenvaller op de leerlingen- en studentenraming en studiefinancieringsraming door op de rest van de OCW-begroting? Welke artikelen vangen dit bedrag op?

De per saldo tegenvaller op de leerlingen- en studentenraming en de studiefinancieringsraming is generaal gedekt. Deze tegenvaller heeft dus geen negatieve gevolgen gehad voor andere artikelen op de OCW-begroting.

71

Waarom moeten onderwijsinstellingen de rekening betalen van het achterstallig onderhoud bij DUO?

Om de taken van DUO uit te kunnen blijven voeren, onder meer voor de bekostiging van de onderwijsinstellingen, zijn investeringen nodig in onderhoud en vervanging van de ICT-systemen. Conform de begrotingsregels van dit kabinet dient een dergelijke toevoeging van budget aan DUO gedekt te worden binnen de OCW-begroting. Dit is gedekt door het inzetten van een deel van de lpo op onderwijs, onderzoek en apparaat. Hiermee is het beschikbare budget voor onderwijsinstellingen niet verlaagd, maar is slechts minder verhoogd dan zonder deze inhouding mogelijk was. Overigens is de loonbijstelling wel gewoon toegevoegd.

72

Wat wordt bedoeld met de term «intertemporele compensatie», die is toegepast omdat het kasritme van de problematiek (ICT-systemen bij DUO tussen 2019 en 2024) niet aansluit bij dat van de dekking, en wat zijn de financiële gevolgen en effecten van deze compensatie over de jaren heen?

Een intertemporele compensatie wordt toegepast wanneer de dekking voor een budgettair probleem niet in de juiste begrotingsjaren staat. Hiermee wordt de begroting in elk jaar sluitend gemaakt. Over de jaren heen is het saldo van de intertemporele compensatie nul.

73

Hoeveel incidenteel geld is er beschikbaar voor het basisonderwijs, zodra er afspraken gemaakt zijn over hoe de € 285 miljoen voor arbeidsvoorwaarden in het basisonderwijs moeten worden besteed?

De Minister-President heeft tijdens de Algemene Politieke beschouwingen aangegeven dat het kabinet de komende weken zal bezien of er voor 2020 nog extra incidenteel geld beschikbaar is voor het oplossen van urgente knelpunten met betrekking tot het lerarentekort.

74

Waarom is er, ondanks het feit dat instellingen die lesmateriaal voor mensen met een visuele beperking maken te maken hebben gehad met forse kostenstijgingen, al sinds 2009 geen loon- en prijsbijstelling in het subsidiebedrag voor deze instellingen opgenomen?

Het kabinet beslist jaarlijks bij de voorjaarsbesluitvorming over de uitkering van loon- en prijsbijstelling. De afgelopen jaren is regelmatig de loon- en prijsbijstelling over subsidies en opdrachten ingezet voor OCW-brede of rijksbrede problematiek en niet uitgekeerd aan instellingen.

75

Is er voor instellingen die lesmateriaal voor mensen met een visuele beperking maken zicht op een loon- en prijsbijstelling vanaf 2020, gezien de toenemende kosten die deze instellingen ervaren?

Het kabinet beslist jaarlijks bij de voorjaarsbesluitvorming over de uitkering van loon- en prijsbijstelling; daarop kan niet vooruit worden gelopen.

76

Waaruit wordt het incidentele geld dat vrijkomt voor het basisonderwijs na het sluiten van een cao betaald?

Zie het antwoord op vraag 73.

77

Onder welk artikel in de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de € 285 miljoen voor de arbeidsvoorwaarden in het basisonderwijs te vinden?

Het gaat om de loonbijstelling op de bekostiging van het primair onderwijs, die bij eerste suppletoire begroting is toegevoegd aan artikel 1 van de OCW-begroting.

78

Waar kan het lpo2-geld nu niet aan besteed worden, nu het wordt gebruikt ten behoeve van de dekking van de taakstelling? Wie heeft hier nadeel van?

Van de € 145 miljoen ingehouden lpo zou ongeveer de helft (€ 74 miljoen) naar onderwijsinstellingen zijn gegaan als prijsbijstelling. Instellingen worden wel volledig gecompenseerd voor stijgende lonen, maar niet volledig voor stijgende prijzen van materieel. Op het totale onderwijsbudget komt dit neer op gemiddeld een kwart procentpunt minder stijging. Bijvoorbeeld: een school in het voortgezet onderwijs krijgt dit jaar 2,7% meer budget, en dat is 0,2%-punt minder dan ze hadden gekregen als de ingehouden prijsbijstelling wel was uitgekeerd, namelijk 2,9%.

In het po wordt conform de wet op het primair onderwijs zowel alle loon- als alle prijsbijstelling op de bekostiging uitgekeerd.

Het andere deel (€ 71 miljoen) van de ingehouden lpo bevat lpo op onderzoek (behalve de loonbijstelling op de apparaatskosten van de KNAW, NWO en de KB; deze is wel uitgekeerd), de prijsbijstelling op het eigen apparaat, DUO en het Nationaal Archief, en de meeste lpo op internationaal beleid. Ook zit hier lpo in van de onderwijsartikelen op subsidies, opdrachten en bijdrage aan medeoverheden of internationale organisaties.

79

Wat zijn de gevolgen in de bekostiging, nu er een tegenvaller op de leerlingen- en studentenraming en studiefinancieringsraming staat?

De per saldo tegenvaller op de OCW-ramingen is generaal gedekt. Dit betekent dat de onderwijsbekostiging is verhoogd ter compensatie van de hoger dan geraamde aantallen leerlingen en studenten, zonder dat dit negatieve gevolgen heeft voor andere artikelen op de OCW-begroting. Zie ook het antwoord op vraag 70.

80

Hoeveel betreft de overboeking naar het Ministerie van Financiën als het gaat om het continueren van de fiscale scholingsaftrek?

Er wordt € 218 miljoen overgeboekt naar het Ministerie van Financiën voor het continueren van de fiscale scholingsaftrek.

81

Wat zijn de criteria voor de zogenoemde «scherper afgebakende kern» in het curriculum van het funderend onderwijs?

In de kabinetsreactie op de voorstellen van de ontwikkelteams en het adviesrapport van de Coördinatiegroep zal nader ingegaan worden op de wijze waarop overladenheid in het curriculum wordt tegengegaan. Deze kabinetsreactie volgt later dit najaar.

82

Kunt u bevestigen dat de aanvullende middelen uit de mediavisiebrief van € 40 miljoen ook wel opgevat kunnen worden als het structureel maken van de incidentele compensatie van € 40 miljoen naar aanleiding van de motie-Pechtold c.s.3 tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen (APB) van 2018?

De eenmalige compensatie in 2019 is beschikbaar gesteld naar aanleiding van de motie-Pechtold c.s. Vanaf 2020 wordt in het kader van de kabinetsvisie op de landelijke publieke omroep de rijksmediabijdrage structureel met € 40 miljoen verhoogd.

83

Kun u nader ingaan op de verschillen in de reeks «aanpak werkdruk primair onderwijs» bij de voorjaarsnota (schooljaar) en de begroting (kalenderjaar)?

   

18/19

19/20

20/21

21/22

22/23

23/24

Reeks voorjaarsnota

237000

333.500

333.500

333.500

333.500

430.000

               
   

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Reeks begroting 2020

277.500

333.500

333.500

333.500

374.000

430.000

In de Voorjaarsnota worden de regeerakkoordmiddelen voor werkdruk in schooljaren gepresenteerd en in de Begroting van 2020 in kalenderjaren. Beide weergaven zijn relevant, de bekostiging wordt per schooljaar uitgekeerd, de rijksbegroting is ingedeeld naar budgetten per kalenderjaar. Een kalenderjaar bestaat voor 7 maanden uit een bepaald schooljaar en 5 maanden uit het daarop volgende schooljaar. Bij het omrekenen van de reeksen van schooljaar naar kalenderjaar wordt daarom een verhouding van circa 7/12 en 5/12 toegepast. De werkdrukmiddelen voor bijvoorbeeld kalenderjaar 2019 bestaan dan voor circa 7/12 deel uit de middelen die voor schooljaar 2018/2019 beschikbaar zijn voor werkdruk en voor circa 5/12 deel uit middelen die voor schooljaar 2019/2020 beschikbaar zijn.

84

Welke projecten vinden er plaats door de inzet van middelen voor aandacht voor hoogbegaafde kinderen?

De subsidieregeling stimuleert expertiseontwikkeling, kennisdeling en samenwerking op regionaal niveau. Er is hierdoor sprake van een grote diversiteit aan keuzes voor doelgroepen en doelstellingen bij de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, omdat de ingediende plannen moeten aansluiten op de huidige stand van zaken, werkwijzen en ontwikkelingen in de regio. Uit de ingediende voorstellen blijkt dat de verschillen tussen samenwerkingsverbanden hierin groot zijn. Naast de subsidieregeling loopt een monitoringsonderzoek welke alle interventies in beeld brengt.

85

Hoeveel hoogbegaafde kinderen hebben op dit moment geen passend onderwijs?

Bij passend onderwijs wordt uitgegaan van de ondersteuningsbehoefte van een leerling. De school kan de benodigde ondersteuning bieden zonder dat een diagnose of label nodig is. Dit leidt ertoe dat kinderen sneller de juiste ondersteuning krijgen met minder administratieve lasten, maar ook dat er niet meer wordt geregistreerd. Er is daarom geen landelijk zicht op het aantal (hoog)begaafde leerlingen zonder passend aanbod.

86

Welke scholen experimenteren met onderwijsvormen die aansluiten bij de creativiteit, het denkproces en capaciteiten van hoogbegaafde kinderen?

Er is momenteel geen compleet beeld van het aantal scholen dat experimenteert met onderwijsvormen. Naast de subsidieregeling begaafdheid vindt een monitorsonderzoek plaats waarin alle deelnemende samenwerkingsverbanden in beeld worden gebracht. De monitor loopt gedurende de subsidieregeling (2019–2023). In december 2023 zal het eindrapport worden opgeleverd. Kennisdeling is een belangrijk onderdeel van de subsidieregeling en daarom zullen tussentijds opgedane ervaringen gedeeld worden. Ook loopt er een onderzoek waarbij een aantal (groepen van) interventies diepgaander op impact worden onderzocht. Hierdoor wordt een beter beeld verkregen van onder andere het aantal scholen dat al dan niet experimenteert met onderwijsvormen die aansluiten bij de creativiteit, het denkproces en capaciteiten van (hoog)begaafde kinderen.

87

Hoeveel hoogbegaafde kinderen zijn thuiszitters?

Bij passend onderwijs wordt uitgegaan van de ondersteuningsbehoefte van een leerling. De school kan de benodigde ondersteuning bieden zonder dat een diagnose of label nodig is. Dit leidt ertoe dat kinderen sneller de juiste ondersteuning krijgen met minder administratieve lasten, maar ook dat er niet meer wordt geregistreerd. Er is daarom geen landelijk zicht op het aantal (hoog)begaafde kinderen die thuiszitten.

88

Klopt het dat het bij de «ombuigingen» die tabel 4 vanaf 2020 vermeldt als twee structurele lumpsumkortingen, namelijk een korting op de lumpsum mbo van circa € 2,5 miljoen per jaar en een korting op de lumpsum hoger onderwijs van circa € 3,1 miljoen, om nieuwe additionele ombuigingen gaat?

Dat klopt, tot deze ombuigingen is dit voorjaar besloten ter dekking van problematiek op de OCW-begroting. Het gaat in 2020 voor het mbo om een bezuiniging van € 2,5 miljoen op een totaalbudget van 4,7 miljard (0,07%) en voor ho om een bezuiniging van € 3,1 miljoen op een totaalbudget van € 8,6 miljard (0,04%).

89

Kunt u bevestigen dat bij het saldo intensiveringen en ombuigingen per sector op beleidsartikel 6 en 7 post G49 is opgenomen, te weten «Halvering collegegeld eerstejaars HO»? Kunt u een tabel maken van het saldo intensiveringen en ombuigingen per sector voor beleidsartikel 4, 6 en 7, waarbij de intensiveringen enkel bestaan uit onderwijsgelden aan onderwijsinstellingen?

In de tabellen over intensiveringen en ombuigingen per sector in de OCW-begroting is de reeks G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO opgenomen. In onderstaande tabel zijn die reeks en de reeks Intensivering praktijkleren weggelaten, zodat de intensiveringen enkel bestaan uit onderwijsgelden aan onderwijsinstellingen.

90

Wat is de reden dat intensiveringen in cultuur de komende jaren afnemen (blz. 30), maar dit voor 2020 niet blijkt uit de tabellen op blz. 99 en 100?

Dit kan voornamelijk worden verklaard doordat het budget 2019 lager is ten opzichte van het budget 2020 als gevolg van enkele begrotingsoverboekingen naar andere beleidsartikelen zoals die voor de uitvoering van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

91

Wat betekent «nog nader in te vullen subsidies» en «opdrachten»? Waaraan wordt gedacht, waaruit bestaan ze, wat zijn de plannen? Is dit geld nog beschikbaar voor bestedingen? Wat gaat er mis als dit geld wordt besteed aan in de begroting nog niet genoemde doelstellingen?

Bij nader in te vullen subsidies en opdrachten gaat het om subsidies en opdrachten waarvan het beleidsdoel bekend is, maar nog niet de specifieke invulling of de specifieke ontvanger. Bij opdrachten gaat het vaak om beleidsonderzoek waarvoor (aanbestedings)procedures moeten worden gevolgd. Daarom is er nog geen juridische verplichting aangegaan. Als dit geld wordt besteed aan andere doelstellingen zullen geplande subsidies en opdrachten niet door kunnen gaan.

92

Hoeveel niet-juridisch verplichte middelen in euro’s zijn nog niet bestemd voor bepaalde doeleinden?

Alle uitgaven en verplichtingen op de begroting van OCW zijn reeds voor bepaalde doeleinden bestemd. De niet-juridisch verplichte middelen hebben dus ook al een bestemming, er is alleen nog geen juridische verplichting aangegaan.

93

Wat is het doel van het genoemde «digitaal overzicht scholingsmogelijkheden»? Hoe wordt dat gemeten?

In de Kamerbrief van 27 september 2018 over Leven Lang Ontwikkelen is aangekondigd dat er een verkenning wordt gedaan naar de haalbaarheid van een digitaal overzicht van individuele scholingsmogelijkheden. Het beoogde doel van dit overzicht is tweeledig. In de eerste plaats het beschikbaar stellen aan de burger van betrouwbare informatie over het totale opleidings- en scholingsaanbod en de daarvoor beschikbare financieringsmogelijkheden. In de tweede plaats en in het verlengde van de eerste doelstelling: het vergroten van het inzicht in de eigen ontwikkelmogelijkheden en het bevorderen van de eigen regie van burgers op hun professionele en persoonlijke ontwikkeling.

Het haalbaarheidsonderzoek wordt dit najaar afgerond. Op basis daarvan wordt besloten wat de vervolgstappen kunnen zijn. Uw Kamer wordt hierover nog geïnformeerd. In deze fase van het onderzoek is het nog te prematuur om uitspraken te doen over de wijze van meten.

94

Kunt u inzicht geven in het aantal uur dat in het basisonderwijs besteed wordt aan lessen gericht op gezonde leefstijl, zowel inclusief als exclusief gymlessen? Om welke lessen gaat dit en welke lessen zijn scholen verplicht te geven?

De urenbesteding van scholen wordt niet centraal geregistreerd. Vanuit het programma «Gezonde School» wordt structureel aandacht besteed aan gezondheid op scholen aan de hand van de leefstijlpijlers van het programma. Er zijn op dit moment 1231 basisscholen en 347 vo-scholen met een vignet Gezonde School (stand september 2019). Hiernaast dienen alle po-scholen te voldoen aan de kerndoelen, waaronder kerndoel 34, dat leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen. Bij vraag 118 wordt antwoord gegeven op de vraag hoeveel uren bewegingsonderwijs er worden gegeven.

95

Wat is de reden dat het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod, opnieuw is gestegen in 2018?

In de brief die afgelopen februari naar de Kamer is gestuurd over de stand van zaken thuiszitters is aangegeven welke acties en maatregelen er in het laatste jaar van het Thuiszitterspact worden ingezet om het aantal thuiszittende leerlingen terug te brengen. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/02/15/kamerbrief-stand-van-zaken-thuiszitters

96

Op welke manier(en) zet u in op het terugbrengen van het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod in het primair onderwijs?

In de brief die afgelopen februari naar de Kamer is gestuurd over de stand van zaken thuiszitters is aangegeven welke acties en maatregelen er in het laatste jaar van het Thuiszitterspact worden ingezet om het aantal thuiszittende leerlingen terug te brengen. Dit zijn extra maatregelen waarmee bestaande acties worden geïntensiveerd. Een voorbeeld van deze acties is het onderzoek van Ingrado naar de aanwezigheid van een doorbraakprojectleider binnen de regio’s en de daaruit volgende versnellingsgemeenten. Momenteel worden met de versnellingsgemeenten gesprekken gevoerd om de concrete ondersteuningsvraag naar boven te halen. Ter preventie van thuiszitten werken de ministeries van OCW en VWS gezamenlijk aan een breed pakket van maatregelen om meer maatwerk en adequate ondersteuning te kunnen bieden, om kinderen op voor hen passende wijze op school te houden

97

Hoe verklaart u de stijging van het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs, terwijl er juist een daling is van het aantal leerlingen in het primair onderwijs? Wat zegt dit volgens u over de werking van het passend onderwijs?

De groei van het aantal leerlingen op so zit vooral in een toenemend aantal leerlingen met een lage bekostigingscategorie. We weten we dat deze groep leerlingen vooral vanuit buiten het onderwijs instroomt en dat het om jonge kinderen gaat. Over oorzaken van de stijging in het speciaal onderwijs na jarenlange daling kan op basis van de huidige data nog geen zekerheid gegeven worden. Zowel in absolute als relatieve zin is de stijging niet groot en er is na twee jaar nog geen sprake van een trend. Uit de evaluatie van het passend onderwijs kan blijken wat hiervoor de mogelijke oorzaken zijn.

98

Wat is het aandeel thuiszittende leerlingen dat tussen de een en drie maanden thuiszit zonder passend onderwijsaanbod?

Jaarlijks geven gemeenten een overzicht van het verzuim in het afgelopen schooljaar, zoals voorgeschreven in de Leerplichtwet. Zij doen opgave van het aantal meldingen van verzuim, het aantal vrijstellingen van de leerplicht en het aantal thuiszitters in hun gemeente. Deze informatie wordt ook jaarlijks met de Tweede Kamer gedeeld. Deze aantallen zijn uit te splitsen naar langer of minder lang dan drie maanden, maar niet naar de aan- of afwezigheid van een passend onderwijsaanbod.

99

Hoeveel beginnende leraren in primair en voortgezet onderwijs vallen de eerste jaren uit?

Van de leraren die in 2017 in het po waren gestart had 8 procent een jaar later de sector weer verlaten. Vijf jaar eerder was dat nog 24 procent. De uitval van startende leraren in het po nam tot 2013 toe, daarna is het percentage dat uitstroomt afgenomen. Er is een positieve trend zichtbaar. Van de leraren die in 2017 in het vo waren gestart had 20 procent een jaar later de sector weer verlaten. Vijf jaar eerder was dat 19 procent. De uitval van startende leraren in het vo is te hoog. Met onze ambities rondom Samen Opleiden voor 100% van de studenten streven we ernaar om dit hoge uitvalpercentage te laten dalen. Ook de inzet op versterken van het strategisch personeelsbeleid op scholen kan hier een bijdrage aan leveren.

Deze cijfers komen van DUO en zijn te vinden op Onderwijs in cijfers, zie: Onderwijs in cijfers: uitval startende leraren po via https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/po/personeel-po/uitval-startende-leraren-po

Ook de cijfers over uitval van startende leraren in het vo komen van DUO: https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/vo/personeel-vo/uitval-startende-leraren-vo

100

Is het mogelijk een andere indicator in te voeren voor leerlingen met een onderwijsachterstand, nu de schoolgewichten niet meer worden gebruikt?

Zie het antwoord op vraag 27 en de brief hierover die in 2018 naar de Kamer is gestuurd: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/04/26/kamerbrief-nieuwe-verdeling-middelen-onderwijskansenbeleid-scholen-en-gemeenten

101

Hoeveel leerlingen werden er sinds de invoering van passend onderwijs per jaar doorverwezen naar het (voortgezet) speciaal onderwijs, uitgesplitst per samenwerkingsverband en naar zowel positieve als negatieve verevening? Kunt u dit in tabelvorm weergeven?

In onderstaande tabel staat het aantal ingeschreven leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs per samenwerkingsverband. Hierbij worden leerlingen in een gesloten instelling (GJI of JJI) en leerlingen in een instelling behorende bij cluster 1 en 2 niet meegeteld. Samenwerkingsverbanden spelen hier namelijk geen rol. Het weergeven aantal leerling in een bepaald jaar betreft steeds het aantal leerlingen op teldatum 1 oktober van dat jaar. Het aantal leerlingen op 1 oktober 2019 is nu nog niet bekend. In de laatste kolom wordt aangegeven of er sprake is van positieve of negatieve verevening.

SWV

2014

2015

2016

2017

2018

Verevening

PO0001

356

380

407

416

429

Positief

PO2001

661

580

570

570

627

Positief

PO2101

971

878

846

822

807

Positief

PO2201

139

118

121

121

112

Positief

PO2202

106

104

111

114

107

Positief

PO2203

233

219

197

209

149

Negatief

PO2301

495

453

458

449

455

Negatief

PO2302

790

716

692

682

677

Negatief

PO2303

193

187

184

127

125

Negatief

PO2304

119

105

92

93

100

Positief

PO2305

504

440

429

438

500

Negatief

PO2401

176

203

224

237

264

Positief

PO2402

171

160

136

116

109

Negatief

PO2403

308

257

250

245

239

Negatief

PO2501

271

227

192

194

208

Negatief

PO2502

70

63

55

47

46

Negatief

PO2503

242

226

215

194

204

Negatief

PO2504

162

160

167

152

159

Positief

PO2505

179

173

166

187

216

Negatief

PO2506

503

465

482

510

525

Negatief

PO2507

709

690

674

650

662

Negatief

PO2508

249

246

266

264

264

Negatief

PO2509

432

393

381

356

372

Negatief

PO2510

443

395

369

401

451

Negatief

PO2601

413

428

448

489

480

Positief

PO2602

464

459

472

440

412

Positief

PO2603

253

247

241

250

266

Positief

PO2604

168

160

146

175

170

Positief

PO2605

187

178

177

192

183

Positief

PO2701

183

190

196

226

227

Negatief

PO2702

194

188

178

175

195

Positief

PO2703

332

310

330

373

387

Negatief

PO2704

233

227

216

255

266

Positief

PO2705

208

192

181

169

177

Positief

PO2706

168

165

151

166

172

Positief

PO2707

898

862

821

846

836

Positief

PO2708

126

110

118

123

117

Positief

PO2709

221

218

258

257

269

Positief

PO2710

135

129

132

123

135

Positief

PO2711

256

254

274

299

321

Negatief

PO2801

332

326

320

343

352

Positief

PO2802

277

271

264

273

281

Positief

PO2803

97

92

103

122

131

Positief

PO2804

58

60

50

46

48

Positief

PO2805

162

158

161

168

161

Positief

PO2806

1.017

1.064

1.095

1.166

1.233

Positief

PO2807

281

283

280

277

262

Positief

PO2808

367

337

313

309

331

Negatief

PO2809

160

152

160

170

187

Positief

PO2810

173

163

167

165

189

Positief

PO2811

42

43

38

30

27

Positief

PO2812

320

312

319

319

327

Positief

PO2813

180

164

156

155

143

Positief

PO2814

227

238

239

272

295

Positief

PO2815

737

741

753

835

882

Positief

PO2816

156

131

122

115

110

Positief

PO2817

183

161

176

180

193

Positief

PO2818

239

229

202

194

181

Negatief

PO2902

317

340

338

335

332

Negatief

PO2903

85

92

95

87

90

Positief

PO3001

183

171

173

180

191

Negatief

PO3002

266

239

238

269

295

Negatief

PO3003

743

726

730

724

782

Negatief

PO3004

427

405

357

378

373

Negatief

PO3005

487

481

539

552

581

Negatief

PO3006

463

470

499

497

512

Negatief

PO3007

366

370

374

388

419

Negatief

PO3008

456

420

444

451

500

Negatief

PO3009

246

243

230

246

256

Negatief

PO3010

128

122

130

136

155

Negatief

PO3101

534

495

446

421

397

Negatief

PO3102

352

334

332

318

336

Negatief

PO3103

124

109

107

96

102

Negatief

PO3104

293

270

259

244

232

Negatief

PO3105

369

345

297

287

293

Negatief

PO3106

520

520

497

495

503

Negatief

VO0001

364

410

420

445

456

Positief

VO2001

289

301

286

272

264

Positief

VO2002

581

557

561

564

597

Positief

VO2101

462

457

473

501

464

Positief

VO2102

623

605

576

528

584

Negatief

VO2103

175

176

162

159

166

Positief

VO2201

248

228

228

240

256

Negatief

VO2202

285

280

301

322

352

Positief

VO2203

432

378

361

249

268

Negatief

VO2301

683

686

663

617

574

Negatief

VO2302

1029

993

931

900

890

Negatief

VO2303

354

311

266

246

259

Negatief

VO2305

1258

1153

1032

991

967

Negatief

VO2307

203

186

165

171

175

Negatief

VO2401

569

529

504

525

582

Negatief

VO2402

283

256

248

232

245

Negatief

VO2403

334

335

336

339

332

Negatief

VO2501

330

325

337

349

336

Negatief

VO2502

699

567

497

482

458

Negatief

VO2503

419

438

440

469

442

Negatief

VO2504

277

261

240

248

231

Negatief

VO2505

837

737

658

594

593

Negatief

VO2506

806

789

705

657

677

Negatief

VO2507

975

910

847

859

826

Negatief

VO2508

359

344

361

344

325

Negatief

VO2509

719

611

513

443

432

Negatief

VO2510

370

348

343

362

360

Negatief

VO2511

280

299

282

281

308

Positief

VO2601

558

579

608

583

602

Positief

VO2602

604

572

557

575

636

Positief

VO2603

442

454

437

399

404

Negatief

VO2604

164

168

185

169

180

Positief

VO2605

334

346

352

318

322

Positief

VO2701

290

287

318

322

316

Positief

VO2702

417

451

511

524

527

Negatief

VO2703

485

493

469

494

485

Positief

VO2704

275

285

299

281

286

Positief

VO2705

484

489

498

508

500

Positief

VO2706

316

338

323

341

366

Positief

VO2707

270

240

234

245

206

Positief

VO2708

1.171

1.191

1.248

1.274

1.298

Positief

VO2709

394

413

413

431

449

Positief

VO2710

381

376

361

422

461

Positief

VO2801

377

375

364

359

381

Positief

VO2802

539

517

577

593

638

Positief

VO2803

376

348

336

351

366

Positief

VO2804

228

249

281

281

290

Positief

VO2805

47

41

43

42

47

Positief

VO2806

963

949

912

929

954

Positief

VO2807

244

253

278

301

273

Positief

VO2808

181

172

160

175

177

Positief

VO2809

216

213

226

230

222

Positief

VO2810

1.849

1.782

1.854

1.917

1.870

Positief

VO2811

296

305

365

404

442

Positief

VO2812

319

308

340

349

334

Positief

VO2813

197

199

236

232

235

Positief

VO2814

234

231

234

232

228

Positief

VO2815

90

160

107

104

78

Positief

VO2901

218

203

215

225

241

Positief

VO2902

237

199

198

195

188

Positief

VO2903

216

220

221

237

226

Positief

VO3001

291

270

266

252

251

Negatief

VO3002

285

288

284

272

241

Positief

VO3003

773

785

782

805

784

Positief

VO3004

603

606

662

697

739

Negatief

VO3005

820

775

762

788

759

Negatief

VO3006

533

543

572

609

640

Negatief

VO3007

1.046

990

1.049

1.067

1.056

Negatief

VO3008

759

705

683

700

663

Negatief

VO3009

242

232

230

240

239

Positief

VO3101

591

582

539

493

452

Negatief

VO3102

471

441

410

410

398

Negatief

VO3103

218

195

179

177

159

Negatief

VO3104

392

347

325

318

319

Negatief

VO3105

454

438

396

403

386

Negatief

VO3106

679

630

578

596

582

Negatief

102

Hoeveel startende leraren die geen begeleidingsprogramma hebben gevolgd, stoppen?

Hierover zijn geen data bekend. Wel weten we uit onderzoek dat een goede begeleiding van startende leraren voor minder uitval zorgt. In de Loopbaanmonitor 2018 is meer informatie te vinden over de arbeidsmarktpositie en begeleiding van pas afgestudeerde leraren.

103

Hoeveel startende leraren die wel een begeleidingsprogramma hebben gevolgd, stoppen?

Hierover zijn geen data bekend. Wel weten we uit onderzoek dat een goede begeleiding van startende leraren voor minder uitval zorgt. In de Loopbaanmonitor 2018 is meer informatie te vinden over de arbeidsmarktpositie en begeleiding van pas afgestudeerde leraren.

104

Blijft de bekostiging per leerling gelijk bij dalende leerlingaantallen?

Ja, de bekostiging per leerling blijft gelijk. Het beschikbare budget op de begroting stijgt of daalt bij hogere of lagere aantallen leerlingen met een vast bedrag per leerling. Daarnaast zijn er in de bekostiging vaste voeten die minder afhankelijk zijn van de ontwikkeling van het aantal leerlingen.

105

Welke middelen uit de prestatiebox worden niet ingezet in de vorm van ondersteuning in de school, zoals een conciërge, rekenexpert of remedial teacher?

Hoe scholen uitvoering geven aan de doelen van de prestatiebox is aan de scholen zelf. Besturen hebben bestedingsvrijheid bij de inzet van middelen uit de prestatiebox. Komend jaar worden de sectorakkoorden geëvalueerd.

106

Hoeveel middelen krijgen scholen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden? Kunt u een reeks geven van de afgelopen tien jaar en de komende vijf jaar?

Hieronder is de reeks weergegeven van de (verwachte) uitgaven voor het bestrijden van onderwijsachterstanden vanaf 2009 voor het basisonderwijs. De uitgaven zijn de afgelopen jaren autonoom afgenomen als gevolg van een daling van het aantal gewichtenleerlingen. Dit kwam door de stijging van het opleidingsniveau en de leerlingendaling. In de begroting was er een hoger budget beschikbaar, maar dit werd niet volledig uitgeput doordat het aantal schoolgewichten afnam en het bedrag per schoolgewicht niet mee veranderde.

107

Wat gebeurt er met de middelen voor brede scholen?

De «Impuls Brede Scholen» is sinds 2012 onderdeel van de «Brede Impuls Combinatiefuncties». Hierbinnen stellen VWS en OCW jaarlijks € 58 miljoen aan gemeenten beschikbaar om onderwijs, sport en cultuur meer in samenhang aan te bieden. Met deze middelen stellen gemeenten combinatiefunctionarissen aan: deze mensen zijn in meerdere werkvelden of sectoren aan de slag, bijvoorbeeld op een school en bij een sportvereniging. Per 1 september 2017 zijn 2.911 formatieplaatsen gerealiseerd: het gaat in totaal om 5.059 mensen.

108

Wanneer zijn de resultaten voldoende om de tweede tranche werkdrukmiddelen volledig uit te keren?

De tweede tranche werkdrukmiddelen is dit voorjaar beschikbaar gekomen. Op basis van de uitkomsten van de tussenevaluatie in 2020 wordt bekeken of bijsturing binnen de laatste tranche van de werkdrukmiddelen nodig is. Deze tussenevaluatie heeft tot doel om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van hoe de werkdruk in de praktijk wordt tegengegaan. Er wordt gekeken of het beschikbare geld is besteed aan een aanpak voor werkdruk, of het afgesproken proces is gevolgd en of de aanpak merkbaar effect heeft gehad. De onderzoekers kijken onder meer naar de verantwoording in de jaarverslagen en nemen enquêtes en interviews af. Begin 2021 wordt de Kamer over de uitkomsten van de evaluatie geïnformeerd.

109

Wat gebeurt er met de werkdrukmiddelen als scholen niet aan de voorwaarden voldoen voor het uitkeren van de tweede tranche?

Op basis van de uitkomsten van de tussenevaluatie die in 2020 plaatsvindt, wordt bekeken of bijsturing voor de laatste tranche nodig is. De tweede tranche werkdrukmiddelen is dit voorjaar beschikbaar gekomen en toegevoegd aan de lumpsum.

110

Hoeveel extra gymdocenten zijn aangenomen van het geld bestemd voor werkdrukverlichting?

Het aantal (extra) vakleerkrachten dat is aangesteld met de werkdrukmiddelen wordt niet centraal geregistreerd. Wel is in juni 2019 een peiling uitgevoerd onder schoolbestuurders in opdracht van de PO-Raad. Hieruit blijkt dat 49 procent van de scholen de werkdrukmiddelen (deels) gebruikt om een vakleerkracht aan te stellen. Het is niet bekend welk aandeel vakleerkrachten bewegingsonderwijs hier in hebben.

111

Hoeveel scholen geven inmiddels drie uur gym? Hoeveel door een ALO4-opgeleide docent?

Uit het rapport Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting (Mulier Instituut, 2017) is gebleken dat voor de groepen 1–2 in totaal 23% ALO opgeleide leerkracht is. Voor de groepen 3–8 is dat 59% in het basisonderwijs. Voor het geven van bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs is een ALO-opleiding een vereiste.

Voor het aantal uren dat scholen bewegingsonderwijs geven, zie vraag 118,

112

Wat kost het om op alle basisscholen drie uur gymles te geven?

Er is bij benadering € 180 miljoen nodig om het mogelijk maken dat alle scholen drie lesuren bewegingsonderwijs geven, blijkt uit de berekeningen uit het onderzoek Bewegingsonderwijs en vakleerkrachten (Regioplan 2017. Dit betreft zowel structureel (extra vakleerkrachten en gymlokalen) als incidenteel kosten (opleidingskosten, omscholing en wervingskosten).

113

Hoe is de verhouding tussen private en publieke bekostiging in het primair onderwijs?

Op basis van de jaarrekeninggegevens van de afgelopen jaren blijkt dat van de totale baten van besturen in het bekostigde primair onderwijs circa 0,7% afkomstig is van schenkingen, sponsoring en ouderbijdragen.

114

klopt het dat per schooljaar 2023/2024 het bedrag voor werkdrukmiddelen kan worden verhoogd naar structureel € 430 miljoen, terwijl op pagina 27 een ander bedrag weergegeven wordt? Wat is de reden voor dit verschil?

Het klopt dat het bedrag voor aanpak van werkdruk in het primair onderwijs kan worden verhoogd naar structureel € 430 per schooljaar 2023/2024. Deze laatste verhoging van de werkdrukmiddelen staan nog op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën en zijn daarom nog niet opgenomen in de werkdrukreeks in de begroting van OCW.

115

Als er na de evaluatie niet wordt voldaan aan de bepaalde voorwaarden, wat gebeurt er dan met het bedrag van € 76,5 miljoen, waar nu rekening mee wordt gehouden?

Zie het antwoord op vraag 109.

116

Kunt u het aantal scholen en schoollocaties voor speciaal basisonderwijs sinds de invoering van passend onderwijs, in tabelvorm aangeven? Kunt u dit tevens uitsplitsen naar samenwerkingsverband met daarbij de positieve of negatieve verevening als gegeven?

Zie antwoord vraag 117.

117

Kunt u het aantal scholen en schoollocaties voor (voortgezet) speciaal onderwijs sinds de invoering van passend onderwijs, in tabelvorm aangeven? Kunt u dit tevens uitsplitsen naar samenwerkingsverband met daarbij de positieve of negatieve verevening?

In de eerste tabel wordt getoond hoeveel scholen en schoollocaties er binnen het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs zijn sinds de invoering van het passend onderwijs. Het gaat hier alleen om hoofd- of nevenvestigingen. Eventuele dislocaties worden buiten beschouwing gelaten. In de tweede tabel wordt per samenwerkingsverband aangegeven naar hoeveel verschillende hoofd- of nevenvestigingen het samenwerkingsverband een leerling heeft doorverwezen. Bij het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gesloten instellingen (GJI of JJI) en instellingen behorende bij cluster 1 en 2 niet meegeteld. Voor het speciaal basisonderwijs is er geen rekening gehouden met grensverkeer. Dit wordt door scholen onderling geregeld en verrekend. Voor deze tabel is gebruik gemaakt van teldatum 1 oktober 2018.

 

Aantal vestigingen (v) so

Aantal vestigingen so

Verevening

PO0001

47

8

Positief

PO2001

28

11

Positief

PO2101

41

11

Positief

PO2201

15

2

Positief

PO2202

11

2

Positief

PO2203

17

4

Negatief

PO2301

19

4

Negatief

PO2302

23

5

Negatief

PO2303

16

1

Negatief

PO2304

16

3

Positief

PO2305

22

6

Negatief

PO2401

22

3

Positief

PO2402

7

1

Negatief

PO2403

21

3

Negatief

PO2501

23

2

Negatief

PO2502

13

3

Negatief

PO2503

14

2

Negatief

PO2504

13

1

Positief

PO2505

18

3

Negatief

PO2506

28

5

Negatief

PO2507

32

8

Negatief

PO2508

22

2

Negatief

PO2509

34

4

Negatief

PO2510

29

4

Negatief

PO2601

23

4

Positief

PO2602

34

6

Positief

PO2603

33

3

Positief

PO2604

35

2

Positief

PO2605

23

4

Positief

PO2701

18

3

Negatief

PO2702

17

5

Positief

PO2703

17

3

Negatief

PO2704

24

5

Positief

PO2705

19

3

Positief

PO2706

19

3

Positief

PO2707

43

12

Positief

PO2708

18

3

Positief

PO2709

25

5

Positief

PO2710

21

4

Positief

PO2711

24

2

Negatief

PO2801

21

1

Positief

PO2802

30

2

Positief

PO2803

16

1

Positief

PO2804

9

2

Positief

PO2805

22

1

Positief

PO2806

43

13

Positief

PO2807

25

3

Positief

PO2808

27

3

Negatief

PO2809

12

2

Positief

PO2810

16

2

Positief

PO2811

7

2

Positief

PO2812

21

3

Positief

PO2813

16

1

Positief

PO2814

40

3

Positief

PO2815

35

12

Positief

PO2816

19

2

Positief

PO2817

31

2

Positief

PO2818

18

3

Negatief

PO2902

18

5

Negatief

PO2903

7

2

Positief

PO3001

10

1

Negatief

PO3002

15

2

Negatief

PO3003

24

3

Negatief

PO3004

16

4

Negatief

PO3005

29

4

Negatief

PO3006

31

3

Negatief

PO3007

22

4

Negatief

PO3008

26

5

Negatief

PO3009

23

3

Negatief

PO3010

13

2

Negatief

PO3101

28

7

Negatief

PO3102

23

3

Negatief

PO3103

16

1

Negatief

PO3104

17

2

Negatief

PO3105

18

2

Negatief

PO3106

17

4

Negatief

VO0001

53

n.v.t.

Positief

VO2001

20

n.v.t.

Positief

VO2002

32

n.v.t.

Positief

VO2101

21

n.v.t.

Positief

VO2102

41

n.v.t.

Negatief

VO2103

17

n.v.t.

Positief

VO2201

26

n.v.t.

Negatief

VO2202

27

n.v.t.

Positief

VO2203

33

n.v.t.

Negatief

VO2301

34

n.v.t.

Negatief

VO2302

33

n.v.t.

Negatief

VO2303

34

n.v.t.

Negatief

VO2305

57

n.v.t.

Negatief

VO2307

27

n.v.t.

Negatief

VO2401

35

n.v.t.

Negatief

VO2402

21

n.v.t.

Negatief

VO2403

26

n.v.t.

Negatief

VO2501

30

n.v.t.

Negatief

VO2502

44

n.v.t.

Negatief

VO2503

21

n.v.t.

Negatief

VO2504

18

n.v.t.

Negatief

VO2505

39

n.v.t.

Negatief

VO2506

41

n.v.t.

Negatief

VO2507

40

n.v.t.

Negatief

VO2508

48

n.v.t.

Negatief

VO2509

42

n.v.t.

Negatief

VO2510

31

n.v.t.

Negatief

VO2511

40

n.v.t.

Positief

VO2601

36

n.v.t.

Positief

VO2602

44

n.v.t.

Positief

VO2603

45

n.v.t.

Negatief

VO2604

37

n.v.t.

Positief

VO2605

31

n.v.t.

Positief

VO2701

27

n.v.t.

Positief

VO2702

29

n.v.t.

Negatief

VO2703

30

n.v.t.

Positief

VO2704

21

n.v.t.

Positief

VO2705

31

n.v.t.

Positief

VO2706

31

n.v.t.

Positief

VO2707

29

n.v.t.

Positief

VO2708

56

n.v.t.

Positief

VO2709

47

n.v.t.

Positief

VO2710

35

n.v.t.

Positief

VO2801

21

n.v.t.

Positief

VO2802

52

n.v.t.

Positief

VO2803

28

n.v.t.

Positief

VO2804

32

n.v.t.

Positief

VO2805

17

n.v.t.

Positief

VO2806

61

n.v.t.

Positief

VO2807

32

n.v.t.

Positief

VO2808

24

n.v.t.

Positief

VO2809

27

n.v.t.

Positief

VO2810

74

n.v.t.

Positief

VO2811

45

n.v.t.

Positief

VO2812

38

n.v.t.

Positief

VO2813

32

n.v.t.

Positief

VO2814

42

n.v.t.

Positief

VO2815

15

n.v.t.

Positief

VO2901

13

n.v.t.

Positief

VO2902

19

n.v.t.

Positief

VO2903

12

n.v.t.

Positief

VO3001

19

n.v.t.

Negatief

VO3002

15

n.v.t.

Positief

VO3003

31

n.v.t.

Positief

VO3004

32

n.v.t.

Negatief

VO3005

42

n.v.t.

Negatief

VO3006

39

n.v.t.

Negatief

VO3007

41

n.v.t.

Negatief

VO3008

32

n.v.t.

Negatief

VO3009

25

n.v.t.

Positief

VO3101

29

n.v.t.

Negatief

VO3102

26

n.v.t.

Negatief

VO3103

15

n.v.t.

Negatief

VO3104

18

n.v.t.

Negatief

VO3105

21

n.v.t.

Negatief

VO3106

23

n.v.t.

Negatief

118

Kunt u een overzicht sturen van het aantal scholen dat een uur, twee uur of drie uur gymonderwijs geeft, zowel voor het basis- als voortgezet onderwijs?

Het aantal gegeven uren bewegingsonderwijs wordt niet centraal geregistreerd bij OCW of DUO.

Wel is er in 2017 een peiling uitgevoerd door het Mulier Instituut. Uit het rapport Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting blijkt het volgende:

Uit het rapport «Lichamelijke opvoeding en sport in het voortgezet onderwijs november 2018: 1-meting» eveneens van het Mulier Instituut blijkt dat meer dan de helft van het voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo) twee of drie tot vijf lesuren per week geeft.

119

Hoeveel onbevoegde leerkrachten geven gymlessen op de basisscholen?

Uit de peiling uitgevoerd door Regioplan blijkt dat gemiddeld wordt 79% van de lessen bewegingsonderwijs in 2018 bevoegd gegeven (Monitor Bestuursakkoord PO).

120

Hoeveel basisscholen maken gebruik van ALO-opgeleide leerkrachten voor gymlessen?

Zie het antwoord bij vraag 111.

121

Hoeveel basisscholen en middelbare scholen bieden natte gymlessen (zwemonderwijs) aan?

Scholen zijn vrij in hun keuze om schoolzwemmen aan te bieden en die keuzes worden niet landelijk geregistreerd. Uit de peiling van het Mulier Instituut Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting (2017) blijkt dat 32 procent van de basisscholen een vorm van schoolzwemmen aanbiedt. Bij 43 procent richt zich dit op het behalen van een zwemdiploma, bij 36 procent is het een natte gymles en bij 20 procent op beide. Over de middelbare scholen zijn geen gegevens beschikbaar.

122

Hoeveel en welke basis- en middelbare scholen in Nederland laten hun kinderen dagelijks sporten en bewegen?

Op ruim de helft van de basisscholen worden wekelijks of dagelijks beweegmomenten tussen/in de lessen aangeboden (58%). Zo blijkt uit Bewegingsonderwijs en sport in het primair onderwijs 2017: 1-meting (Mulier Instituut) dat scholen sportactiviteiten tijdens de pauze organiseren, of dans en expressie aanbieden.

Uit de 1-meting Lichamelijke opvoeding en sport in het voortgezet onderwijs door het Mulier Instituut (november 2018) blijkt dat 85% van de vo-scholieren aangeeft elke dag naar school te fietsen en 78% wekelijks te sporten. Ook blijkt dat op bijna de helft van de vo-scholen een buurtsportcoach actief is.

123

Waaraan wordt het bedrag voor aanvullende bekostiging specifiek uitgegeven?

In onderstaande tabel wordt de onderverdeling van het budget voor aanvullende bekostiging PO verstrekt.

124

Hoeveel leerlingen volgden er in schooljaar 2018/2019 een aanvullend onderwijsprogramma, zoals tweetalig onderwijs of technasium, naast het reguliere onderwijsprogramma in zowel basis- als voortgezet onderwijs? Kunt u dit per aanvullend onderwijsprogramma in tabelvorm aangeven?

Het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs houden niet bij hoeveel leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs een «aanvullend onderwijsprogramma» volgen. Dat is ook niet goed mogelijk omdat er geen eensluidend antwoord gegeven kan worden op de vraag wat al dan niet een «aanvullend» programma is. Alle scholen bieden wel lesstof of activiteiten aan die niet tot het verplichte curriculum behoren en zodoende als «aanvullend onderwijsprogramma» aangemerkt kunnen worden.

Specifiek wat betreft de in de vraag genoemde voorbeelden van tweetalig onderwijs (tto) en technasia is weliswaar bekend hoeveel scholen een tto- respectievelijk technasiumstroom aanbieden (volgens nuffic zijn er ruim 130 scholen lid van het netwerk tto en volgens Technasium zijn er zo’n 95 scholen met het predicaat Technasium), maar hoeveel leerlingen in de verschillende leerjaren een dergelijke stroom volgen wordt niet centraal bijgehouden.

125

Hoeveel leerlingen volgen er dit schooljaar een aanvullend onderwijsprogramma, zoals tweetalig onderwijs of technasium, naast het reguliere onderwijsprogramma in zowel basis- als voortgezet onderwijs? Kunt u dit per aanvullend onderwijsprogramma in tabelvorm aangeven?

Zie het antwoord op vraag 124.

126

Hoe ziet de verdeling van de prestatieboxmiddelen eruit? Kunt u hiervan een uitsplitsing geven?

In het bestuursakkoord PO is een overzicht gegeven van de verdeling van het totaal van de middelen over de verschillende actielijnen (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2014/07/10/bestuursakkoord-voor-de-sector-primair-onderwijs). In het sectorakkoord VO is een overzicht gegeven van het totaal van deze middelen over de verschillende actielijnen uit het sectorakkoord (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2014/04/17/sectorakkoord-vo-2014–2017).

127

Klopt het dat de bestuurlijke afspraak is gemaakt dat de prestatieboxmiddelen in de lumpsum zullen gaan?

In het bestuursakkoord PO en sectorakkoord zijn doelstellingen vastgelegd. Op basis van de geboekte voortgang zal bepaald worden of er aanleiding is tot aanpassing van de afspraken en de aanpak en daaraan gekoppeld de inzet van de middelen. Bij voldoende realisatie van de doelstellingen wordt bepaald welk deel van de prestatiebox-middelen aan de reguliere lumpsum wordt toegevoegd.

128

Wat is de hoogte van de totale bekostiging voor hoogbegaafdheid?

Samenwerkingsverbanden ontvangen middelen voor de onderwijsondersteuning aan leerlingen. Daarnaast is er sinds 2015 structureel 29 miljoen extra toegevoegd aan de lumpsum van de samenwerkingsverbanden. Dit extra geld is bedoeld om de brede doelstelling van passend onderwijs vorm te geven: passend onderwijs voor alle leerlingen met een ondersteuningsbehoefte, niet alleen voor leerlingen met een beperking of leerprobleem maar nadrukkelijk ook voor (hoog)begaafde leerlingen. In aanvulling op deze middelen is in het regeerakkoord opgenomen dat er 15 miljoen per jaar structureel beschikbaar komt voor onderwijs(ondersteuning) aan (hoog)begaafde leerlingen.

129

Wat is het totale bedrag binnen de specifieke uitkering voor bewegingsonderwijs? Kan hiermee op elke school in het funderend onderwijs twee uur per klas per week bewegingsonderwijs gegeven worden?

Voor het primair en voortgezet onderwijs is er geen specifieke uitkering voor bewegingsonderwijs, maar worden de lessen betaald uit de lumpsum. Daarnaast kunnen scholen wel de werkdrukmiddelen voor een vakleerkracht inzetten, gebruik maken van de buurtsportcoachregeling en is er een subsidie voor de leergang bewegingsonderwijs.

130

Waaraan wordt het geld voor bewegingsonderwijs uitgegeven?

De subsidie voor de leergang bewegingsonderwijs wordt alleen ingezet voor groepsleerkrachten die hun bevoegdheid voor bewegingsonderwijs willen verkrijgen.

131

Worden er in overleg met werkgevers- en werknemersorganisaties nieuwe sectorakkoorden opgesteld, na afloop van het Bestuursakkoord PO en het Sectorakkoord VO in 2020? Zo ja, is dit proces van opstellen van sectorakkoorden al opgestart? Zo nee, wat gebeurt er met de middelen die nu in de sectorakkoorden staan vermeld? Blijven deze middelen structureel beschikbaar voor het onderwijs of kan het gebeuren dat als de eindevaluatie in 2020 negatief uitvalt deze middelen niet meer beschikbaar komen voor het onderwijs?

Het bestuursakkoord PO loopt einde schooljaar 2019–2020 af. Het sectorakkoord vo verloopt eind 2020. De komende tijd zal dan ook worden gebruikt om met alle betrokkenen toe te werken naar een grondige eindevaluatie. De eindevaluatie bepaalt het vervolg van de sectorakkoorden. Op basis van de eindevaluatie wordt een besluit genomen over de inzet van de middelen die gekoppeld zijn aan de sectorakkoorden. Deze middelen staan structureel op de begroting van OCW.

Mocht uit de eindevaluatie blijken dat het wenselijk is om nieuwe sectorakkoorden op te stellen dan zullen de werkgevers- en werknemersorganisaties worden betrokken. Op dit moment wordt er nog niet toe gewerkt naar het opstellen van nieuwe sectorakkoorden.

132

Kunt u het percentage van het aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare docenten uitsplitsen naar bevoegde leraren en benoembare leraren?

De meest recente cijfers over bevoegdheid gaan over 2017. In totaal werden 87,2% van de lessen in het voortgezet onderwijs bevoegd gegeven, 8,5% van de lessen benoembaar, en 4,3% onbevoegd (IPTO: bevoegdheden en vakken in het vo, 2017 Centerdata).

133

Hoeveel leraren staan dit schooljaar voor de klas die benoembaar zijn? Hoe groot was dit aantal vorig schooljaar?

We hebben geen beeld van het absolute aantal leraren dat benoembaar voor de klas staat. Veel personen die onbevoegd of benoembaar lesgeven beschikken wel over een bevoegdheid, maar dan voor een ander vak of een andere doelgroep (bijvoorbeeld en pabo-gediplomeerde die in het vmbo Nederlands geeft, of een leraar scheikunde die ook natuurkunde doceert). We zouden veel dieper en privacygevoelig onderzoek moeten doen om te weten welke leraren enkel «benoembaar» voor de klas staan.

Wel hebben we cijfers over het aantal lesuren dat benoembaar wordt gegeven. In 2017 waren dat 92.178 uur (8,5% van in totaal 1.084.448 uren), in 2016 92.080 uur (8,3% van in totaal 1.109.395 uren) (IPTO: bevoegdheden en vakken in het vo, 2017 Centerdata; IPTO: bevoegdheden en vakken in het vo, 2016 Centerdata).

134

Hoe verklaart u de terugloop van het aantal startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd in 2017?

De oorzaak van de daling is niet bekend. We bekijken welke nadere analyse mogelijk is.

135

Op welke manier(en) zet u in op het terugbrengen van het aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod in het voortgezet onderwijs?

In de brief die afgelopen februari naar de Kamer is gestuurd over de stand van zaken thuiszitters is aangegeven welke acties en maatregelen er in het laatste jaar van het Thuiszitterspact worden ingezet om het aantal thuiszittende leerlingen terug te brengen. Dit zijn extra maatregelen waarmee bestaande acties worden geïntensiveerd. Een voorbeeld van deze acties is het onderzoek van Ingrado naar de aanwezigheid van een doorbraakprojectleider binnen de regio’s en de daaruit volgende versnellingsgemeenten. Momenteel worden met de versnellingsgemeenten gesprekken gevoerd om de concrete ondersteuningsvraag naar boven te halen. Ter preventie van thuiszitten werken de ministeries van OCW en VWS gezamenlijk aan een breed pakket van maatregelen om meer maatwerk en adequate ondersteuning te kunnen bieden, om kinderen op voor hen passende wijze op school te houden. Naast preventief, werkt OCW ook aan het eind van de escalatieladder.

136

Hoeveel van de 80% van de startende leraren die een begeleidingsprogramma heeft gevolgd, zijn daarna gestopt? Hoeveel van de 20% die het niet gevolgd hebben, stopt?

De loopbaanmonitor is een jaarlijkse monitor waarin aan zittende, startende leraren gevraagd wordt of ze begeleid worden. We maken gebruik van een andere database om de uitval van docenten in kaart te brengen. Het is technisch gezien en vanuit privacy overwegingen moeilijk om een koppeling te maken tussen de gegevens van deze databestanden. We bekijken in overleg met de onderzoekers wat mogelijk is.

137

Wat is de reden dat de uitgaven per leerling de komende jaren gaan dalen?

De reden dat de uitgaven per leerling in het vo licht dalen is het feit dat er een afloop zit in de middelen voor de regeling technisch vmbo. Per saldo zorgt dit voor een iets lager bedrag per leerling.

138

Waarom gaan er meer leerlingen naar het praktijkonderwijs, terwijl we een terugloop zien in het aantal leerlingen dat naar het voortgezet onderwijs gaat? Hoe verklaart u dit?

In het speciaal basisonderwijs is een kleine toename in het aantal leerlingen te zien. Vanuit het sbao stromen relatief veel leerlingen door naar het praktijkonderwijs, daarom laten de prognoses een stijging in het aantal leerlingen op het praktijkonderwijs zien.

139

Klopt het dat po en vo samen in 2024 met 115.000 leerlingen zullen krimpen? Welk percentage van het totaal is dit? Hoeveel leraren zijn hierdoor minder nodig? Is dit aantal reeds verrekend met de cijfers die berekend zijn met betrekking tot het lerarentekort?

In het po en vo samen zullen naar verwachting in 2024 circa 110.000 minder leerlingen zijn door krimp. Dit is ruim 4% van het totaal aantal leerlingen in het po en vo. Uitgaande van de gemiddelde groepsgrootte in het po (23 leerlingen) en de gemiddelde ratio in het vo (1/20) zijn hier ongeveer 5.000 leraren minder voor nodig. Dit is echter een theoretische raming, gebaseerd op gemiddelden. Het is niet mogelijk om met zekerheid te zeggen hoe dit in de praktijk uit pakt. In de ramingen van het lerarentekort wordt rekening gehouden met de leerlingendaling, aangezien de referentieraming onderdeel is van de berekeningen van het verwachte lerarentekort (zie voor berekening lerarentekort Kamerstuk is 27 923, nr. 344).

140

Hoeveel minder schoolgebouwen zijn er nodig bij een daling van de leerlingenpopulatie met 115.000 leerlingen?

Dat is niet in aantallen te zeggen omdat het louter een theoretisch beeld zou geven en weinig zou zeggen over de werkelijkheid. Het hangt immers af van de spreiding van de leerlingendaling, zowel qua regio/locatie, per onderwijssoort als per leeftijdsgroep. Er zullen daarbij grote verschillen zijn. Het is echter wel aannemelijk dat als gevolg van de leerlingendaling niet alle scholen komende jaren in stand gehouden kunnen worden. Dit kan uiteraard ook consequenties hebben voor het aantal schoolgebouwen.

141

Hoe kan gegarandeerd worden dat de kinderen in het praktijkonderwijs de ondersteuning en het onderwijs krijgen die zij nodig hebben, aangezien er geen geld naar de lichte ondersteuning in het praktijkonderwijs gaat terwijl de leerlingenaantallen in het praktijkonderwijs wel stijgen?

Het bedrag dat pro-scholen ontvangen voor een leerling is opgesplitst in een budget voor basisbekostiging en een budget voor ondersteuningsbekostiging (lichte ondersteuning). Dit zijn vaste budgetten. De pro-school ontvangt beide budgetten rechtstreeks van DUO. Voor iedere leerling ontvangt het pro dus altijd de volledige bekostiging, net als alle andere schoolsoorten. Als er meer leerlingen naar het praktijkonderwijs gaan wordt dat in mindering gebracht op het lichte ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband. Dat betekent dat alle scholen in het samenwerkingsverband gezamenlijk de extra kosten dragen voor een stijging van het aantal pro-leerlingen.

142

Wat is de reden dat het budget voor het College voor Toetsen en Examens fors afneemt?

Het budget ten behoeve van het College voor Toetsen en Examens (CvTE) staat op artikel 1, 3 en 4. Gedurende het jaar worden de benodigde middelen vanuit artikel 1 en artikel 4 overgeboekt naar artikel 3 waardoor het budget op artikel 3 nog zal toenemen. Het budget van het CvTE blijft in 2020 nagenoeg gelijk met 2019.

143

Hoe is de verhouding tussen private en publieke bekostiging in het voortgezet onderwijs?

Het aandeel van de Rijksbijdragen in de totale baten van de vo-scholen was eind 2017 93,7 procent. In 2016 was dit aandeel 93,4 procent. Er is dus sprake van een lichte toename van de publieke bekostiging van vo-scholen ten opzichte van de overige baten (waaronder private inkomsten van scholen). Het aandeel van de Rijksbijdrage in de totale baten over het jaar 2018 wordt inzichtelijk gemaakt in de Financiële Staat van het Onderwijs 2018. Dit rapport ontvangt uw Kamer later dit najaar.

144

Kunt u een uitgesplitst overzicht geven van waar de middelen uit de prestatiebox naartoe gegaan zijn?

De middelen uit de prestatiebox worden door besturen en scholen op eigen manieren ingezet om de inhoudelijke doelstellingen de sectorakkoorden te behalen. Een uitgesplitst overzicht waar de middelen uit de prestatiebox naartoe gaan kunnen wij niet geven. Schoolbesturen verantwoorden in hun jaarrekening/jaarverslag over de rechtmatige besteding van de prestatieboxmiddelen. Schoolbesturen worden in hun verantwoording niet gevraagd om aan te geven waar zij specifiek de prestatieboxmiddelen aan besteden. Zij verantwoorden over de gehele lumpsumbekostiging, inclusief prestatiebox.

145

Gaat het bij de verhoging van de subsidieregeling praktijkleren met ruim € 10 miljoen, om de verhoging van € 10,6 miljoen voor de komende vijf jaar om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in scholen van werknemers conform de motie-Pieter Heerma c.s.5? Of gaat het om een verhoging van € 10,1 miljoen conform de bedragen uit de begroting 2020 vergeleken met de begroting OCW 2019, zoals tabel 4.3 vermeldt bij de Subsidieregeling Praktijkleren?

Het gaat hier om de motie Heerma, waarbij er € 10,6 miljoen beschikbaar is voor de komende vijf jaar om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in het opleiden van werknemers. Daarnaast wordt € 0,5 miljoen overgemaakt naar het RVO voor extra uitvoeringskosten.

146

Hoe verklaart u dat, ondanks een aantrekkende economie, het arbeidsmarktrendement van mbo-niveau 1 (entree) afgenomen is?

Een eerste mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het aantal gediplomeerde bbl-studenten in de entree de afgelopen jaren sterk is gedaald. De Inspectie van het Onderwijs beschrijft in het themaonderzoek naar entreeopleidingen dat jongeren met alleen een bol-diploma in de entree aanzienlijk kwetsbaarder zijn op de arbeidsmarkt dan jongeren met een bbl-diploma. Een andere mogelijke verklaring in het themaonderzoek naar entreeopleidingen is dat entreeteams meer en zwaardere complexiteit in de problematiek van de studenten ervaren. Het kan zijn dat dit later op de arbeidsmarkt zorgt voor meer aansluitingsproblemen. Er is geen beeld waar deze jongeren naar toestromen.

Het Kabinet neemt in de reactie op het Interdepartementaal beleidsonderzoek naar jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt van 4 oktober jl. een aantal maatregelen om deze jongeren beter in beeld te houden en zo snel mogelijk terug te geleiden naar het onderwijs of naar een baan.

147

Is er een verklaring voor het feit dat, ondanks alle inspanning ten aanzien van techniek, er geen groei is te zien in het aandeel mbo-studenten techniek?

Er is geen onderzoek of andere informatie beschikbaar, wat dit kan verklaren. Wel zijn er onderzoeken gedaan naar determinanten van de vervolgkeuzen van vmbo-leerlingen in het mbo. Dit onderzoek laat zien dat in de ogen van de leerlingen zelf interesse in vakgebied, het carrièreperspectief (imago van de sector) en beïnvloeding door anderen een rol spelen bij de keuze van een vervolgopleiding. Er is steeds meer twijfel of bij studiekeuze wel sprake is van een rationele afweging van kosten en baten; studiekeuzen zouden veeleer gebaseerd zijn op ervaringen en intuïtie. Dit onderstreept het belang van goed technisch onderwijs en goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) gedurende de gehele onderwijsloopbaan van leerlingen. Dit is dan ook onderdeel van de doelen van het Techniekpact. Dit Kabinet heeft bovendien structureel extra geld beschikbaar gesteld voor een dekkend aanbod van goed technisch vmbo, via de regeling Sterk Techniekonderwijs (€ 100 miljoen per jaar).

148

Is er een verklaring voor het feit dat het arbeidsmarktrendement van mbo-niveau entree daalt? Is het bekend waarnaartoe deze studenten uitstromen?

Zie het antwoord op vraag 146.

149

Waar in de begroting zijn de middelen vrijgemaakt bestemd voor de introductie van het mbo-studentenfonds? Hoe hoog is dit bedrag?

De regeling tegemoetkoming schoolkosten MBO loopt tot en met het studiejaar 2019–2020. Deze regeling is te vinden op artikel 4. De beschikbare middelen, € 10 miljoen per jaar, zijn vanaf 2020 toegevoegd aan de lumpsum bekostiging van de instellingen voor het inrichten van een mbo-studentenfonds.

150

Waar in de begroting is de tijdelijke voorziening leermiddelen ten behoeve van het middelbaar beroepsonderwijs te vinden? Wat is het totaalbedrag voor deze voorziening?

Zie het antwoord op vraag 149.

151

Wat zijn de onderwijsuitgaven per mbo-, hbo- en wo-student in België, Duitsland, Denemarken en Finland?

De uitgaven van de opgegeven landen zijn als volgt.

In USD, zoals in brief aan TK over Education at a Glance 2019
 

mbo

hbo en wo

Nederland

14.530

12.517

België

13.881

11.848

Duitsland

16.323

9.863

Denemarken

m

m

Finland

8.270

10.314

– m: Data over uitgaven in Denemarken zijn niet beschikbaar

– Er is geen uitsplitsing naar hbo en wo gemaakt in het tertiaire onderwijs

– De cijfers zijn afkomstig uit Education at a Glance 2019 tabel c1.1.

152

Wat zijn de onderwijsuitgaven per hbo- en wo-student? Kan er een vergelijkbare tabel voor het mbo (tabel 4.2) voor het hbo en wo aangeleverd worden?

Zie antwoord op vraag 151.

153

Hoe komt het dat er alleen in 2020 een toename is van bbl-studenten (beroepsbegeleidende leerweg) ten opzichte van 2019, maar vanaf 2021 het aantal studenten sterk daalt?

Ten opzichte van de Referentieraming 2018 stijgt het aantal bbl-studenten in de raming van 2019 in alle jaren. De daling van het geraamde aantal bbl-studenten vanaf 2021 heeft twee belangrijke redenen. Ten eerste daalt het aantal mbo-studenten over de hele linie en dus ook in de bbl. Ten tweede is er een duidelijke correlatie tussen de werkloosheid en het aantal bbl-studenten. Als de werkloosheid laag is, dan wordt de bbl-opleiding populairder ten opzichte van de bol-opleiding. Dit wordt in de Referentieraming meegenomen. Vanaf 2020 wordt verwacht dat de werkloosheid gaat stijgen. In de Referentieraming betekent dit dat het aantal bbl-studenten neerwaarts wordt bijgesteld en het aantal bol-studenten opwaarts.

154

Welke criteria zijn benoemd ten behoeve van de pilots praktijkleren? Wanneer zijn de pilots succesvol? Hoeveel pilots zijn voorzien?

De criteria voor deelname aan de pilots praktijkleren betreffen de bereidheid van de partijen in het samenwerkingsverband om rollen en verantwoordelijkheden op zich te nemen voor werving van potentiële deelnemers, werving van leerbedrijven en uitvoering van de opleidingstrajecten. De pilots zijn succesvol als de samenwerking van partijen daadwerkelijk leidt tot realisatie van gewenste opleidingstrajecten en als het volgen van de opleidingstrajecten voor de deelnemers daadwerkelijk de overgang naar duurzaam werk vergroot. Aan de pilots nemen 23 regionale samenwerkingsverbanden en 3 landelijke samenwerkingsverbanden deel.

155

Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de aanvullende bekostiging in verband met gelijke kansen in 2020 omlaaggaat naar € 2 miljoen en er vanaf 2021 niets meer van overblijft, terwijl daaraan in 2018 nog bijna € 19 miljoen werd uitgegeven? Zijn naar verwachting in 2021 voor iedereen gelijke onderwijskansen gerealiseerd?

Deze middelen waren bestemd voor het actieplan Gelijke Kansen dat in oktober 2016 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Conform de toezegging in deze brief zijn de middelen na het aflopen van het actieprogramma in 2020 structureel toegevoegd aan het budget van de nieuwe kwaliteitsafspraken en worden zij niet langer als aparte post genoemd.

156

Klopt het dat er voor het jaar 2020 en verder ca. € 1,5 miljoen extra voor de salarismix Randstadregio’s mbo beschikbaar is?

Vanaf 2019 is er € 1,5 miljoen vanuit de loonbijstelling tranche 2019 structureel toegevoegd aan de salarismix randstadregio’s.

157

Is er bezuinigd op schoolmaatschappelijk werk in het mbo of vallen deze kosten ergens anders onder (bijvoorbeeld lumpsum)?

In 2019 zijn de nieuwe kwaliteitsafspraken tussen de Minister van OCW en de mbo-instellingen gestart. Aan het budget voor de kwaliteitsafspraken zijn vanaf 2019 structureel de middelen van schoolmaatschappelijk werk in het mbo toegevoegd. Deze middelen zijn onderdeel van het investeringsbudget van de kwaliteitsafspraken.

158

Is het verschil tussen 2020 en 2021 voor de subsidie voor Leven Lang Ontwikkelen volledig te verklaren uit het bedrag dat naar het Ministerie van Financiën is gegaan om de fiscale scholingsaftrek te continueren?

Ja, dit verschil wordt grotendeels verklaard door de overboeking naar Ministerie van Financiën voor de fiscale scholingsaftrek. Daarnaast zijn er nog overboekingen geweest naar het Ministerie van EZK en SZW in het kader van de uitvoering van Leven Lang Ontwikkelen.

159

Hoe komt het dat het totaalbedrag voor het actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal in 2021 en verder lager is dan in 2018 en 2019, terwijl er € 5 miljoen extra geïnvesteerd wordt?

In de Kamerbrief Samen aan de Slag voor een Vaardig Nederland 2020–2024 is aangegeven dat de komende jaren een bedrag van € 5 miljoen in 2020 oplopend naar € 7,3 miljoen in 2024 aan gemeenten ter beschikking wordt gesteld voor de regionale aanpak van laaggeletterdheid. Deze middelen worden overgeboekt van de OCW-begroting naar de BZK-begroting. Daardoor neemt het bedrag op de OCW-begroting af. De extra investering van € 5 miljoen uit het Regeerakkoord is reeds in 2018 beschikbaar gekomen en heeft in dat jaar, samen met een eenmalige impuls van € 4 miljoen uit het actieplan Gelijke Kansen, geleid tot uitgaven van € 22,8 miljoen ten opzichte van € 14,1 miljoen in 2017.

160

Wat is de reden dat de LOB-middelen (loopbaanoriëntatie en -begeleiding) voor 2020 bijna gehalveerd zijn ten opzichte van 2019? Bestond de portal «kies mbo» in 2019 ook al? Aan welke projecten worden in 2020 minder middelen uitgegeven dan in 2019?

Het budget op artikel 4 voor LOB blijft hetzelfde; namelijk € 1,3 miljoen. Het bedrag in 2018 en 2019 is inclusief de financiële bijdragen van directie VO en het Ministerie van SZW voor respectievelijk LOB Expertisepunt en LOB gelijke kansen. Dergelijke financiële bijdragen in 2020 en verder zijn nog niet verwerkt in de OCW-begroting. De portal «kies mbo» werd eind 2018 gelanceerd en het LOB Expertisepunt zal met 2,5 jaar worden verlengd en over de voortzetting van LOB gelijke kansen wordt nog een besluit genomen.

161

Klopt het dat € 12.782.000 van de subsidies momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Van de subsidies is 5% nog niet juridisch verplicht voor 2020. Het gaat om € 12.782.000. Dit betekent in veel gevallen echter niet dat dit bedrag geheel vrij besteedbaar is. Er zijn naast juridische verplichtingen ook bestuurlijke toezeggingen, zoals toezeggingen aan de Tweede Kamer waar we rekening mee houden.

162

Klopt het dat € 1.247.000 van de opdrachten momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Van de opdrachten is 25% nog niet juridisch verplicht voor 2020. Het gaat € 1.247.000. Dit betekent in veel gevallen echter niet dat dit bedrag geheel vrij besteedbaar is. Er zijn naast juridische verplichtingen bijvoorbeeld ook bestuurlijke toezeggingen, zoals toezeggingen aan de Tweede Kamer.

163

Kunt u uitleggen of voor het regionaal investeringsfonds circa € 100 miljoen beschikbaar is voor de periode 2019 tot en met 2022, waarvan € 25 miljoen voor het jaar 2020, zoals de begroting vermeldt onder het kopje Aanvullende bekostiging? Of is juist, zoals valt af te lezen uit tabel 4.3: € 89,315 miljoen voor de periode 2019 tot en met 2022, waarvan € 23,075 miljoen voor het jaar 2020? Hoe verhouden deze bedragen zich tot elkaar?

Voor het Regionaal Investeringsfonds (RIF) 2019–2022 is in totaal € 100 miljoen beschikbaar inclusief uitvoerings- en evaluatiekosten. Voor het jaar 2020 is € 25 miljoen beschikbaar inclusief uitvoerings- en evaluatiekosten. De betalingen voor uitvoerings- en evaluatiekosten vinden plaats op andere instrumenten binnen artikel 4 zoals opdrachten en subsidies. Het RIF betreft meerjarige projecten met een looptijd van 4 of 5 jaar. De betalingen voor de RIF-projecten vinden gedurende de looptijd plaats op het instrument aanvullende bekostiging RIF. Hierdoor is de beschikbare € 100 miljoen en € 25 miljoen in 2020 niet herkenbaar in de budgettaire tabel.

In het jaar 2020 is € 23,075 miljoen beschikbaar op het instrument aanvullende bekostiging RIF. Deze middelen zijn bedoeld voor betalingen aan projecten die in 2019 en 2020 gestart zijn op basis van de regeling RIF 2019–2022, betalingen aan de projecten uit de RIF-regeling 2014–2018 die in 2020 nog doorlopen en een gedeelte van de uitvoerings- en evaluatiekosten. In de periode 2019 tot en met 2022 is hiervoor een totaalbedrag beschikbaar van € 89,315 miljoen.

In 2017 was op het budget van het RIF een bedrag van € 7,3 miljoen niet tot besteding gekomen. Dit bedrag werd in de eerste aanvraagperiode van 2018 ingezet ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming op de begroting van OCW. Dit leidt ook tot lagere betalingen in 2019–2022, aangezien de projecten bekostigd worden gedurende de looptijd van het project.

164

Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de daling van de subsidies voor het Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal van nog bijna € 23 miljoen in 2018 naar amper € 14 miljoen in 2024? Wat blijft er per saldo over van de extra impuls die het regeerakkoord aankondigde als een intensivering van € 5 miljoen?

Zie het antwoord op vraag 159.

165

Wat is de totaalomvang van het publiek bekostigd onderwijsbudget van Caribisch Nederland?

De totale omvang van het publiek bekostigd onderwijsbudget Caribisch Nederland bedraagt in 2020 € 43,6 miljoen (zie tabel hieronder). Voor artikel 1 betreft dit inclusief de bekostiging van de onderwijsinstellingen en de bekostiging van aanverwante organisaties zoals Expertisecentra Onderwijszorg (EOZ). Voor artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is dit bedrag inclusief de bijdrage aan de Sociale Kanstrajecten Jongeren (SKJ) en de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN). Zie voor een nadere uitsplitsing ook de begroting Koninkrijksrelaties en BES fonds: http://rijksbegroting.nl/2020/voorbereiding/begroting,kst264828_29.html

Overzicht onderwijsbekostiging Caribisch Nederland (x € 1.000)

Ministerie

Artikelonderdeel

Instrument

2020

VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

   
 

Artikel 1 Primair Onderwijs

Bekostiging

17.981

 

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

Bekostiging

15.921

 

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Bekostiging

7.220

 

Artikel 16 Onderzoek en Wetenschapsbeleid

Bekostiging

2.500

 

Totaal

Bekostiging

43.622

166

In welke mate blijkt de Subsidieregeling praktijkleren effectief, en tot gevolg te hebben dat werkgevers beroepspraktijkvormingsplaatsen aanbieden en dat stagetekorten verdwijnen? In welke mate doen zich nu stagetekorten voor bij mbo-opleidingen?

Uit de evaluatie van de subsidieregeling praktijkleren door Regioplan in 2018 is geconcludeerd dat het aantal praktijkleerplaatsen groeit en het aanbod ervan zou kunnen verminderen wanneer de subsidieregeling zou worden afgeschaft. Regioplan geeft aan dat – hoewel de subsidieregeling niet de belangrijkste reden is om praktijkleerplaatsen aan te bieden – voor de helft van de werkgevers wel van invloed lijkt te zijn op het aantal praktijkleerplaatsen dat zij aanbieden. De mate waarin de subsidieregeling effectief is, laat zich volgens Regioplan echter moeilijk vaststellen vanwege de diversiteit van het veld en de invloed van de conjunctuur op de ruimte voor praktijkleerplaatsen bij werkgevers.

Een algemene uitspraak over stagetekorten is niet te doen. De kansen op een stageplek worden elk jaar door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) per opleiding en voor de afzonderlijke UWV-arbeidsmarktregio's bepaald.

De huidige regeling loopt t/m 2022. Het voornemen is om deze regeling in 2022 te evalueren.

167

Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat de extra € 10,6 miljoen subsidie praktijkleren voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie ook daadwerkelijk in die sectoren terechtkomt?

Voor de bepaling van de leerbedrijven die in aanmerking zullen komen voor deze extra subsidie worden de codes van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gehanteerd. Op deze wijze wordt er voor gezorgd dat de extra € 10,6 miljoen subsidie praktijkleren voor de sectoren landbouw, horeca en recreatie ook daadwerkelijk in die sectoren terecht komt.

168

Waarom gaat er van die extra 10,6 miljoen geen geld naar de sector zorg?

Voor de sector Zorg bestaat al een vergelijkbare subsidieregeling, namelijk het Stagefonds Zorg. Daarnaast is de € 10,6 miljoen vanuit de motie Heerma bestemd voor seizoensarbeid en dus niet gericht op zorg.

169

Waaraan wordt de € 11,75 miljoen in 2020 concreet besteed als het gaat om het verbeteren van de randvoorwaarden voor Leven Lang Ontwikkelen?

Zie het antwoord op vraag 59.

170

Wat is de positie van associatedegree- en hbo-opleidingen bij de flexibilisering van het Leven Lang Ontwikkelen? Wat is de reden dat alleen het mbo wordt genoemd bij dit onderwerp?

Een belangrijke randvoorwaarde voor Leven Lang Ontwikkelen is de beschikbaarheid van een flexibel scholingsaanbod dat aansluit op de vraag van volwassenen. Voor de flexibilisering van het hoger onderwijs bestaan sinds 2015 de subsidieregeling flexibel hoger onderwijs voor volwassenen en sinds 2016 het experiment leeruitkomsten en het experiment vraagfinanciering; AD en andere HBO opleidingen vallen daar onder.

Voor de flexibilisering van het mbo is recent de Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs derde leerweg in werking getreden. Omdat laatstgenoemde regeling alleen betrekking heeft op het mbo, worden AD en andere HBO opleidingen in dit kader niet genoemd.

171

Hoeveel wordt volgend jaar in totaal uitgegeven (interdepartementaal) aan Leven Lang Ontwikkelen?

Zie het antwoord op vraag 17.

172

Kan er een overzicht gegeven worden van de investeringen en kortingen op het hoger onderwijs?

173

Kunt u in een overzicht per begrotingsjaar 2019–2024 aangeven welke taakstellingen ten laste zijn gekomen van de bekostiging van hogescholen (art. 6) en universiteiten (art. 7) sinds het regeerakkoord, uitgesplitst naar doorlopende bezuinigingsmaatregelen van vorige kabinetten, afzonderlijke maatregelen uit het regeerakkoord en nieuwe kortingen, inclusief niet-volledige compensatie van loon- en/of prijsontwikkelingen? Kunt u tevens aangeven welk budget per begrotingsjaar beschikbaar komt via de bekostiging van hogescholen (art. 6) en universiteiten (art. 7) aan studievoorschotmiddelen, plus het saldo hiervan voor het hoger beroepsonderwijs (hbo) respectievelijk het wetenschappelijk onderwijs (wo) ten opzichte van het totaal aan taakstellingen?

In de onderstaande tabellen is conform uw vraag respectievelijk voor het hbo en het wo een overzicht gegeven voor de begrotingsjaren 2019 t/m 2024 van 1) alle ombuigingen en intensiveringen op de bekostiging van instellingen sinds de start van dit kabinet, 2) het deel van de lpo dat niet is uitgekeerd in 2019, 3) de studievoorschotmiddelen en het saldo van 1 t/m 3.

Kanttekening hierbij is dat in dit overzicht niet is meegenomen welke technische verhogingen er zijn toegepast op de onderwijsbudgetten van het hbo en wo, te weten de verhoging van het budget ter compensatie van studentenaantallen (in 2020 resp. € 32 miljoen en € 47 miljoen) en de wel uitgekeerde lpo (in 2020 resp. € 76 miljoen en € 102 miljoen).

174

Kunt u een overzicht geven van het aantal vroegtijdige studieverlaters in zowel het eerste, tweede, derde als vierde jaar op het hbo en wo van de afgelopen tien jaar?

Aantallen

studenten

JAAR

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

soort

hoger

onderwijs

                   

hbo

instroom

90.506

95.535

95.131

93.935

91.935

97.902

93.867

86.154

91.101

96.421

hbo

uitval na 1 jaar

13.579

14.381

14.894

15.586

13.796

15.450

14.918

12.910

13.780

15.692

hbo

uitval na 2 jaar

11.320

11.901

12.418

12.910

11.610

13.118

12.097

10.018

10.720

hbo

uitval na 3 jaar

10.482

11.121

11.546

12.038

10.934

12.313

11.200

9.300

hbo

uitval na 4 jaar

9.998

10.669

11.065

11.612

10.451

11.727

10.701

wo

instroom

36.679

39.865

39.954

41.387

41.859

45.645

44.865

45.957

50.228

54.590

wo

uitval na 1 jaar

1.702

1.769

1.897

2.038

1.897

2.143

2.249

2.413

2.676

3.424

wo

uitval na 2 jaar

1.290

1.387

1.468

1.561

1.589

1.804

1.745

1.882

2.121

wo

uitval na 3 jaar

1.203

1.299

1.360

1.485

1.532

1.700

1.648

1.803

wo

uitval na 4 jaar

1.151

1.256

1.317

1.448

1.492

1.669

1.603

Als % van

instroom 1e jaars

JAAR

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

soort

hoger

onderwijs

                   

hbo

instroom

90.506

95.535

95.131

93.935

91.935

97.902

93.867

86.154

91.101

96.421

hbo

uitval na 1 jaar

15,0%

15,1%

15,7%

16,6%

15,0%

15,8%

15,9%

15,0%

15,1%

16,3%

hbo

uitval na 2 jaar

12,5%

12,5%

13,1%

13,7%

12,6%

13,4%

12,9%

11,6%

11,8%

hbo

uitval na 3 jaar

11,6%

11,6%

12,1%

12,8%

11,9%

12,6%

11,9%

10,8%

hbo

uitval na 4 jaar

11,0%

11,2%

11,6%

12,4%

11,4%

12,0%

11,4%

wo

instroom

36.679

39.865

39.954

41.387

41.859

45.645

44.865

45.957

50.228

54.590

wo

uitval na 1 jaar

4,6%

4,4%

4,7%

4,9%

4,5%

4,7%

5,0%

5,3%

5,3%

6,3%

wo

uitval na 2 jaar

3,5%

3,5%

3,7%

3,8%

3,8%

4,0%

3,9%

4,1%

4,2%

wo

uitval na 3 jaar

3,3%

3,3%

3,4%

3,6%

3,7%

3,7%

3,7%

3,9%

wo

uitval na 4 jaar

3,1%

3,2%

3,3%

3,5%

3,6%

3,7%

3,6%

Bron: DUO, 1cijferHO

In bovenstaand overzicht zijn de studenten gevolgd die in een bepaald jaar voor het eerst in het hoger onderwijs ingeschreven zijn en geen ho-diploma hebben behaald binnen 4 jaar. Vervolgens is gekeken hoeveel van deze studenten (dus zonder diploma) na 1, 2, 3 of 4 jaren niet meer ingeschreven staan in het hoger onderwijs.

Dat betekent dat de uitvalcijfers in de meest recente jaren uiteindelijk lager kunnen uitvallen omdat studenten misschien tijdelijk stoppen maar wel binnen 4 jaar hun diploma kunnen halen. Die gegevens zijn nu nog niet bekend.

Dat betekent dat de uitvalcijfers in de meest recente jaren uiteindelijk lager kunnen uitvallen omdat studenten misschien tijdelijk stoppen maar wel binnen 4 jaar hun diploma kunnen halen. Die gegevens zijn nu nog niet bekend.

175

Hoeveel studenten vielen in het eerste jaar uit in het hbo en wo de afgelopen tien jaar?

Zie het antwoord op vraag 174.

176

Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde telefonische wachttijd bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) per week én per maand van de afgelopen twee jaar?

In onderstaand overzicht is dit per week en maand in minuten aangegeven.

177

Welke effecten zijn er in de eerste drie jaar, zowel absoluut als relatief, zichtbaar van de besluiten die genomen zijn naar aanleiding van het advies van de commissie-Van Rijn?

In de bijlage bij de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Van Rijn zijn de effecten van de herziening van de bekostiging op instellingsniveau weergegeven https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/06/21/Kamerbrief-met-reactie-op-advies-bekostiging-hoger-onderwijs-en-onderzoek). De effecten op instellingsniveau zijn geactualiseerd naar aanleiding van de definitieve gegevens voor het bekostigingsjaar 2020 die gedurende de zomer beschikbaar zijn gekomen. In onderstaande tabellen zijn de actuele cijfers weergegeven:

Tabel 1: effecten reallocatie op instellingsniveau hbo.
 

als % van rijksbijdrage 2019

absoluut bedrag

 

2020 e.v.

2020 e.v.

Hogeschool INHolland

1,89%

€ 3.236.076

Hogeschool Van Hall Larenstein

1,59%

€ 605.025

De Haagse Hogeschool

1,58%

€ 2.510.317

HAS Hogeschool

1,10%

€ 376.980

Hogeschool Utrecht

0,74%

€ 1.693.441

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

0,61%

€ 289.030

Hogeschool Rotterdam

0,60%

€ 1.507.848

Hogeschool Leiden

0,58%

€ 423.007

Hogeschool van Amsterdam

0,19%

€ 562.035

Christelijke Hogeschool Windesheim

0,18%

€ 266.702

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

0,00%

€ 0

Avans Hogeschool

0,00%

€ 0

ArtEZ

0,00%

€ 0

Fontys Hogescholen

0,00%

€ 0

Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar

0,00%

€ 0

Aeres Hogeschool

0,00%

€ 0

NHL Stenden Hogeschool

0,00%

€ 0

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

0,00%

€ 0

Gerrit Rietveld Academie

0,00%

€ 0

Hogeschool der Kunsten Den Haag

0,00%

€ 0

Hanzehogeschool Groningen

0,00%

€ 0

Iselinge Hogeschool

0,00%

€ 0

Saxion Hogeschool

0,00%

€ 0

Christelijke Hogeschool Ede

0,00%

€ 0

Katholieke PABO Zwolle

0,00%

€ 0

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

0,00%

€ 0

Zuyd Hogeschool

0,00%

€ 0

Marnix Academie

0,00%

€ 0

Hogeschool Thomas More

0,00%

€ 0

HZ University of Applied Sciences

0,00%

€ 0

Pedagogische Hogeschool De Kempel

0,00%

€ 0

Breda University of Applied Sciences

0,00%

€ 0

Driestar educatief

0,00%

€ 0

Viaa-Gereformeerde Hogeschool

0,00%

€ 0

Hotelschool The Hague

0,00%

€ 0

Design Academy Eindhoven

0,00%

€ 0

Noot: in de eerste kolom worden de effecten uitgedrukt als percentage van de omvang van de rijksbijdrage per instelling in 2019 (stand 2e rijksbijdragebrief 2019)

Tabel 2: effecten reallocatie op instellingsniveau wo (relatief)
 

als % van rijksbijdrage 2019

 

2020

2021

2022

2023 e.v.

Technische Universiteit Delft

3,13%

3,46%

7,56%

7,56%

Technische Universiteit Eindhoven

2,94%

3,26%

7,12%

7,12%

Wageningen University

1,65%

1,83%

3,99%

3,99%

Universiteit Twente

1,63%

1,80%

3,93%

3,93%

Universiteit Utrecht

0,12%

0,13%

0,29%

0,29%

Theologische Universiteit Apeldoorn

0,07%

0,07%

0,16%

0,16%

Protestantse Theologische Universiteit

0,00%

0,00%

-0,32%

-0,25%

Open Universiteit

0,00%

0,00%

-0,37%

-0,29%

Vrije Universiteit Amsterdam

0,00%

0,00%

-0,50%

-0,40%

Universiteit van Amsterdam

0,00%

0,00%

-0,61%

-0,48%

Universiteit Leiden

0,00%

0,00%

-0,96%

-0,77%

Rijksuniversiteit Groningen

0,00%

0,00%

-1,11%

-0,89%

Universiteit voor Humanistiek

0,00%

0,00%

-1,14%

-0,91%

Radboud Universiteit Nijmegen

0,00%

0,01%

-1,25%

-0,99%

Theologische Universiteit Kampen

0,01%

0,01%

-1,39%

-1,10%

Erasmus Universiteit Rotterdam

0,01%

0,01%

-2,00%

-2,00%

Universiteit Maastricht

0,01%

0,01%

-2,00%

-2,00%

Tilburg University

0,01%

0,01%

-2,00%

-2,00%

Noot 1: in deze tabel worden de effecten uitgedrukt als percentage van de omvang van de rijksbijdrage per instelling in 2019 (stand 2e rijksbijdragebrief 2019)

Noot 2: Het onderzoek naar de toereikendheid en doelmatigheid macrobudget en kosten(-toerekening) mbo, ho en (wetenschappelijk en praktijkgericht) onderzoek wordt in 2020 uitgebracht. Op basis van de resultaten kan een nieuwe herijking van de bekostiging plaatsvinden.

Tabel 3: effecten reallocatie op instellingsniveau wo (absoluut)
 

absoluut bedrag

 

2020

2021

2022

2023 e.v.

Technische Universiteit Delft

€ 13.401.707

€ 14.837.605

€ 32.390.611

€ 32.390.611

Technische Universiteit Eindhoven

€ 6.681.492

€ 7.397.366

€ 16.148.511

€ 16.148.511

Wageningen University

€ 3.633.205

€ 4.022.476

€ 8.781.099

€ 8.781.099

Universiteit Twente

€ 3.527.554

€ 3.905.506

€ 8.525.751

€ 8.525.751

Universiteit Utrecht

€ 622.762

€ 689.486

€ 1.505.154

€ 1.505.154

Theologische Universiteit Apeldoorn

€ 841

€ 931

€ 2.031

€ 2.031

Protestantse Theologische Universiteit

€ 115

€ 127

-€ 30.546

-€ 24.280

Open Universiteit

€ 667

€ 739

-€ 177.591

-€ 141.165

Vrije Universiteit Amsterdam

€ 6.488

€ 7.183

-€ 1.727.210

-€ 1.372.937

Universiteit van Amsterdam

€ 10.547

€ 11.677

-€ 2.807.986

-€ 2.232.031

Universiteit Leiden

€ 13.417

€ 14.855

-€ 3.572.151

-€ 2.839.456

Rijksuniversiteit Groningen

€ 17.379

€ 19.241

-€ 4.626.827

-€ 3.677.805

Universiteit voor Humanistiek

€ 248

€ 274

-€ 65.948

-€ 52.421

Radboud Universiteit Nijmegen

€ 15.158

€ 16.783

-€ 4.035.671

-€ 3.207.902

Theologische Universiteit Kampen

€ 75

€ 82

-€ 19.836

-€ 15.767

Erasmus Universiteit Rotterdam

€ 31.674

€ 35.067

-€ 6.233.335

-€ 6.233.335

Universiteit Maastricht

€ 26.165

€ 28.968

-€ 5.332.271

-€ 5.332.271

Tilburg University

€ 10.508

€ 11.634

-€ 2.723.789

-€ 2.723.789

Naast de hierboven weergegeven effecten naar aanleiding van de herziening van de bekostiging hoger onderwijs heeft het kabinet met de Kamerbrief van 12 september 2019 aangegeven de motie Van Meenen uit te voeren en de sectorplanmiddelen bètatechniek (€ 18 miljoen), die worden overgeheveld van de tweede geldstroom naar de eerste geldstroom, volledig bij de bètatechniek van algemene universiteiten te laten landen. (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/09/13/Kamerbrief-over-herverdeling-sectorplanmiddelen-betatechniek-naar-algemene-universiteiten).

Deze middelen worden verdeeld op basis van dezelfde verdeelsleutel als de verdeling van de sectorplanmiddelen voor bètatechniek via de eerste geldstroom over universiteiten. Omdat niet bekend is welke deel van deze middelen universiteiten in de tweede geldstroom (in competitie) zouden hebben verworven is het niet mogelijk om de herverdeeleffecten per instelling van deze maatregel weer te geven.

178

Waarom zijn er geen extra middelen beschikbaar gesteld voor een zachte landing van het advies van de commissie-Van Rijn?

Voor een zachte landing van het advies van de commissie-Van Rijn is vanaf 2019 structureel € 37 miljoen beschikbaar gesteld in het ho.

179

Waarom wordt er geen investering gedaan om de almaar toenemende werkdruk van docenten in het hoger onderwijs aan te pakken?

In 2020 zal de toereikendheid van het macrobudget in het licht van de veronderstelde kwaliteit worden onderzocht. Beeld is echter dat werkdruk niet eenvoudig en snel met geld op te lossen is. Vele factoren veroorzaken werkdruk. De instellingen zijn als werkgever bezig werkdruk bij docenten aan te pakken. Bij de universiteiten gaat het daarbij bijvoorbeeld om het waarderen en belonen van onderwijs naast onderzoek. VSNU, KNAW en NWO komen op mijn verzoek eind dit jaar ook nog met een gezamenlijk plan om de werkdruk omlaag te brengen.

Een factor is ook het verzorgen van onderwijs bij toenemende studentenaantallen. De overmatige groeiprikkel die voortvloeit uit de studentgebonden bekostiging zal, naar aanleiding van het advies van de commissie Van Rijn, per 2020 gereduceerd worden (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/06/21/kamerbrief-met-reactie-op-advies-bekostiging-hoger-onderwijs-en-onderzoek). Op de werkdrukdiscussie is al eerder ingegaan (bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2018–2019, 31 288, nr. 772).

180

Wat zullen de bezuinigingen van € 226 miljoen op het hoger onderwijs voor (geschat) effect hebben op de lange termijn?

Het tekort dat ontstaan is door het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs is generaal gedekt in 2025. Het tekort loopt na 2025 geleidelijk op tot structureel € 226 miljoen in 2060 en is technisch ingeboekt ten laste van artikel 6 & 7. De dekking van dit structurele tekort kan indien gewenst bij een volgende formatie weer anders worden ingevuld.

181

Hoe gaat voorkomen worden dat investeringen in technische studies niet ten koste gaan van andere wetenschapsgebieden?

Een herziening van de bekostiging binnen het bestaande macrokader brengt herverdeeleffecten met zich mee. Dat is onvermijdelijk. Het kabinet heeft daarom bij de Voorjaarsnota 2019 extra middelen beschikbaar gesteld die worden ingezet ter verzachting van de negatieve herverdeeleffecten. Tevens is in het wo gekozen voor een ingroeipad van 3 jaar (in plaats van 2 jaar zoals de commissie Van Rijn had voorgesteld). Hierdoor zijn er bij de hogescholen geen negatieve herverdeeleffecten op de bekostiging en zijn de negatieve herverdeeleffecten op de bekostiging bij universiteiten stevig gedempt.

Universiteiten ontvangen de bekostiging via de lumpsum, waarbij bestuurders eigen keuzes kunnen maken in het intern toedelen van middelen aan opleidingen. Instellingen hoeven de verdeelsleutel die de rijksoverheid hanteert, niet over te nemen en hoeven dus ook niet te realloceren van alfa, gamma en medisch. De regering heeft er begrip voor dat brede universiteiten deze verschuiving niet één op één doorvoeren in de interne allocatie omdat zij het belang van de verschillende wetenschapsgebieden in balans willen houden. Tegelijkertijd kunnen algemene universiteiten ook hun middelen richten op bijvoorbeeld interdisciplinaire samenwerking. Iedere instelling heeft haar eigen profiel en kan dus ook in de interne verdeelsystematiek eigen keuzes maken. Daarnaast heeft het kabinet met de Kamerbrief van 12 september 2019 aangegeven de motie Van Meenen uit te voeren en de sectorplanmiddelen bètatechniek (€ 18 miljoen), die worden overgeheveld van de tweede geldstroom naar de eerste geldstroom, volledig bij de bètatechniek van algemene universiteiten te laten landen.

182

Kunt u aangeven hoe een bètastudie af te bakenen is?

Het Platform Talent voor Technologie (PTVT) heeft in het kader van de groeiambitie van het techniekpact een definitie van bètatechniek ontwikkeld. Alle opleidingen in het hoger onderwijs die behoren tot de CROHO-sectoren Natuur en Techniek en de opleidingen van buiten de CROHO-sectoren Natuur en Techniek met meer dan 50% bètatechniek vallen onder de definitie van bètatechniek.

Het kabinet heeft zich voor de reallocatie naar aanleiding van het advies van de Commissie Van Rijn gebaseerd op deze definitie van bètatechniek en heeft daar de lerarenopleidingen die betrekking hebben op bètatechniek aan toegevoegd.

183

Zijn volgens u de begrippen «rechtsstaat», «democratie» en «gelijkheidsbeginsel» voortgevloeid uit de alfa-, de gamma-, of de bètawetenschappen?

Deze begrippen verwijzen naar een geheel van waarden en idealen die voortvloeien uit een rijke geschiedenis van politiek-filosofische ideeën en praktijken. Ze vormen belangrijke bouwstenen voor onze moderne samenleving en staatsinrichting. Deze ideeën zijn ouder dan de disciplinaire indeling van de moderne wetenschappen. De hedendaagse wetenschappen hebben een belangrijke rol in het bestuderen van hoe de rechtsstaat, de democratie en het gelijkheidsbeginsel vandaag de dag functioneren en welke betekenis ze hebben voor onze samenleving.

184

Wat is de omvang van de verschuiving van rijksbijdragen per CROHO6-sector per universiteit en per hogeschool in de jaren 2020 t/m 2022 vanwege de verschuiving naar de sectoren bèta en techniek naar aanleiding van het advies van de commissie-Van Rijn?

De herverdeeleffecten tussen universiteiten en hogescholen zijn opgenomen in de bijlage van de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Van Rijn (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/06/21/Kamerbrief-met-reactie-op-advies-bekostiging-hoger-onderwijs-en-onderzoek) en de geactualiseerde cijfers zijn opgenomen in het antwoord op vraag 10. De verschuiving per CROHO-sector kan het kabinet niet geven, omdat dit afhankelijk is van de keuzes van de besturen van universiteiten en hogescholen over de interne herverdeling van de rijksbijdrage.

185

Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen die sinds het kabinet-Rutte II in mindering zijn gebracht op de lumpsum van universiteiten en hogescholen door taakstellingen, niet- of niet geheel uitgekeerde loon- of prijscompensatie, en doelmatigheidskortingen?

In onderstaande tabellen zijn voor het hbo en wo opgenomen 1) alle intensiveringen en ombuigingen weergegeven van het kabinet Rutte II en het huidige kabinet (Rutte III), 2) de ingehouden lpo op de onderwijsbudgetten in 2019, 3) de studievoorschotmiddelen en het saldo van 1 t/m 3.

Sinds Rutte II is, met uitzondering van 2019, de lpo op onderwijsbekostiging in het ho voor elk jaar uitgekeerd. Wel is in een aantal jaren (2016, 2017 en 2018) de lpo op subsidies en opdrachten in het ho ingehouden ter dekking van problematiek op de OCW-begroting, deze zijn in de onderstaande tabellen buiten beschouwing gehouden.

Tevens buiten beschouwing gehouden zijn technische aanpassingen op de onderwijsbudgetten van het hbo en wo, zoals de aanpassing van het budget ter compensatie van studentenaantallen (in 2020 een verhoging van resp. € 32 miljoen en € 47 miljoen) en de wel uitgekeerde lpo (in 2020 resp. € 76 miljoen en € 102 miljoen). Kanttekening hierbij is dat voor de bedragen bij de maatregelen van Rutte II uit is gegaan van het lopende prijspeil, deze bedragen zijn dus niet geïndexeerd naar prijspeil 20197.

186

De voorgenomen maximale tarieven van het instellingscollegegeld voor studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER) en tevens de minimale tarieven voor het instellingscollegegeld voor studenten van buiten de EER zullen dalen door de overheveling van de variabele naar de vaste bekostiging vanwege de invoering van de adviezen van Van Rijn. Wat is – ceteris paribus – de omvang van het verlies aan inkomsten uit instellingscollegegelden voor universiteiten en hogescholen voor beide categorieën studenten? Bent u voornemens de instellingen hiervoor te compenseren?

De maximale tarieven van het instellingscollegegeld voor studenten uit de EER (tweede studies) en de minimale tarieven voor het instellingscollegegeld voor studenten van buiten de EER zullen inderdaad dalen door de overheveling van variabele naar vaste bekostiging. Het uitgangspunt bij de berekening van het maximumbedrag van het instellingscollegegeld voor EER-studenten (en het minimumbedrag voor niet-EER-studenten) zal zijn dat de student op wie het maximumbedrag van toepassing is, geen hoger bedrag aan instellingscollegegeld betaalt dan het bedrag ter hoogte van het volledig wettelijk collegegeld, vermeerderd met het bedrag dat de instelling aan bekostiging ontvangt op basis van het studentafhankelijke bedrag. Op die manier wordt de instelling via de hoogte van het instellingscollegegeld gecompenseerd voor de misgelopen studentgebonden bekostiging. Door de verschuiving van variabele naar vaste bekostiging, en bijbehorende verlaging van de variabele tarieven, zal het maximum instellingscollegegeld voor de student lager vastgesteld kunnen worden. Dat betekent voor instellingen dat inkomsten uit instellingscollegegeld voor EER-studenten zullen dalen. Daar staat echter tegenover dat instellingen door de verlaging van de tarieven ook minder bekostiging mislopen wanneer een student niet voor bekostiging in aanmerking komt. Instellingen zullen hier dan ook niet voor gecompenseerd worden.

187

Hoeveel extern geld halen hogescholen voor praktijkgericht onderzoek op?

Hogescholen halen € 24,3 miljoen (2017) extern geld op voor praktijkgericht onderzoek.

188

Hoeveel geld wordt er door de overheid uitgegeven aan het praktijkgericht onderzoek in het hoger beroepsonderwijs?

Door OCW wordt er € 83,7 miljoen uitgegeven aan praktijkgericht onderzoek op hogescholen via de eerste geldstroom (bekostiging, 2019), en € 48,5 miljoen via de tweede geldstroom (competitieve onderzoeksfinanciering via Regieorgaan SIA, 2019).

Daarnaast ontvangen hogescholen ook middelen via andere competitieve financieringsbronnen, zoals ZonMW, NRO en NWO (bijvoorbeeld door deelname aan de Nationale Wetenschapsagenda), Europese financiering (bijvoorbeeld Interreg en Horzion2020) en innovatiefinanciering (bijvoorbeeld TKI-toeslag en de MIT regeling). Hogescholen geven aan dat deze bronnen gezamenlijk optellen tot € 79,3 miljoen (2017) aan tweede geldstroom, dit is inclusief de bovenstaande € 48,5 miljoen die via het regieorgaan SIA wordt bekostigd.

189

Hoeveel potentiële pabostudenten worden er jaarlijks afgewezen als gevolg van de entreetoets?

In december ontvangt de Tweede Kamer de evaluatie van de toelatingseisen inclusief kabinetsstandpunt. Bij de evaluatie wordt ook uitgebreid ingegaan op de invloed van de toelatingseisen op de in- en doorstroom van studenten op de pabo. Ook het aantal studenten dat niet aan de toelatingseisen voldoet en daardoor niet instroomt krijgt daarbij aandacht.

190

Kunt u specificeren hoeveel geld uit het regeerakkoord direct (eerste geldstroom) naar hogescholen en universiteiten is gegaan?

Zie het antwoord op vraag 89.

191

Kunt u een simulatie delen van wat netto de financiële effecten zijn van «van Rijn» op universiteitsniveau per domein alfa/gamma, bèta/techniek en medisch? Hoeveel fte (fulltime-equivalenten) zullen in 2020 moeten verdwijnen bij alfa-/gamma- en medische faculteiten als de verandering in de rijksbijdrage een-op-een intern wordt doorgevoerd door universiteiten?

De herverdeeleffecten tussen universiteiten zijn opgenomen in de bijlage van de kabinetsreactie op het advies van de Commissie Van Rijn (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/06/21/Kamerbrief-met-reactie-op-advies-bekostiging-hoger-onderwijs-en-onderzoek) en de geactualiseerde cijfers zijn opgenomen in het antwoord op vraag 10. De herverdeeleffecten binnen universiteiten kan het kabinet niet geven, omdat dit een afweging is die bij de bestuurders van instellingen zelf ligt.

In 2020 en 2021 zijn er geen negatieve herverdeeleffecten voor universiteiten. Vanaf 2022 bedragen de negatieve herverdeeleffecten maximaal -2% van de Rijksbijdrage. Daar staan andere investeringen in hoger onderwijs en onderzoek tegenover waardoor de budgetten van alle universiteiten jaarlijks stijgen. Het kabinet kan zich op basis van deze cijfers niet voorstellen dat ontslagen aan de orde zijn. Maar uiteindelijk is dat de verantwoordelijkheid van de universiteiten, die zijn werkgever.

192

Kunt u een inschatting maken van hoeveel het jaarlijks kost als de eerste generatie afgestudeerden uit het hoger onderwijs die geen recht meer had op een basisbeurs, 15 jaar lang geen rente zou betalen op het aflossen van de studielening?

Deze inschatting zou op teveel aannames gebaseerd zijn. De rente wordt in de terugbetaalfase telkens voor 5 jaar vastgezet. Het is niet bekend wat de rente voor deze groep de komende 15 jaar wordt en wat het dus zou kosten. Ook moet bepaald worden wat de definitie is van de eerste generatie afgestudeerden. Overigens heeft deze groep volgens de terugbetaalvoorwaarden 35 jaar de tijd om terug te betalen.

193

Kunt u een overzicht geven van alle investeringen en bezuinigingen die sinds het kabinet-Rutte II in meerdering en mindering zijn gebracht op de lumpsum van universiteiten en hogescholen door taakstellingen, niet- of niet geheel uitgekeerde loon- of prijscompensatie, en doelmatigheidskortingen, waarbij de studievoorschotmiddelen worden uitgesloten?

Zie het antwoord op vraag 185.

194

Hoe hoog is het bedrag dat aan de lumpsum per jaar wordt toegevoegd vanuit de middelen voor studievoorschot, en hoeveel blijft hierdoor per saldo over?

De studievoorschotmiddelen bestaan uit drie componenten: dit zijn de middelen voor kwaliteitsafspraken, middelen voor specifieke landelijke doelstellingen en de middelen voor de studievoorschotvouchers. In de tabellen hieronder is de verdeling van de studievoorschotmiddelen over deze drie reeksen inzichtelijk gemaakt. Over de besteding van de Studievoorschotmiddelen ontvangt de onderwijscommissie nog een aparte brief voor de begrotingsbehandeling.

HBO (artikel 6)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1 Kwaliteitsafspraken

120

141

239

299

315

357

2 Landelijke specifieke doelstellingen

13

16

26

32

34

38

3 Vouchers

0

0

0

1

4

24

Totaal HBO studievoorschotmiddelen

133

156

265

332

354

419

WO (artikel 7)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1 Kwaliteitsafspraken

72

86

146

182

192

217

2 Landelijke specifieke doelstellingen

8

9

16

20

21

24

3 Vouchers

0

0

0

0

0

3

Totaal WO studievoorschotmiddelen

81

95

162

202

213

244

Voor de middelen van de kwaliteitsafspraken (reeks 1) geldt dat deze worden toegevoegd aan de lumpsum van universiteiten en hogescholen op basis van de kwaliteitsafspraken (kwaliteitsbekostiging). De middelen voor 2021 tot en met 2024 worden toegevoegd aan de lumpsum als instellingen voldoen aan de vereisten voor kwaliteitsbekostiging.

Voor de specifieke landelijke doelstelling (reeks 2) geldt dat deze grotendeels ook worden toegevoegd aan de bekostiging. Het gaat met name om de uitkering van Comeniusbeurzen en middelen voor regionale samenwerking op het gebied van doorstroom. In deze bestedingsrichting zitten ook een paar kleine onderdelen die worden betaald via het instrument subsidies/opdrachten: regeling open- en onlineonderwijs, students-4-students, onderzoek door NWO en de Citydeals Kennis Maken.

Voor de studievoorschotvouchers geldt dat deze aan de instelling worden uitgekeerd waar de vouchers worden ingezet.

195

Hoeveel publieke middelen gaan er naar externe accreditatiebureaus (zoals AeQui) in het hoger onderwijs?

Het periodiek laten visiteren van opleidingen door onafhankelijke deskundigen is een wettelijke plicht voor de onderwijsinstellingen. Instellingen kunnen ervoor kiezen om daarbij gebruik te maken van de diensten van een evaluatiebureau ter voorbereiding op de accreditatie. Een verplichting is dit echter niet. In hoeverre instellingen hierbij mede gebruik maken van dienstverlening door private partijen (zoals een evaluatiebureau) wordt niet specifiek gemonitord. Instellingen hebben uiteraard wel een verplichting om de rijksbijdrage doelmatig te besteden. De verantwoording over besteding van publieke middelen wordt afgelegd via onder andere het jaarverslag van de instelling.

196

Kunt u per jaar aangeven welk bedrag aan de bekostiging van hogescholen en universiteiten is toegevoegd vanwege stijgende studentenaantallen?

In onderstaande tabel zijn de uitgavenmutaties verwerkt van de laatste raming (Referentieraming 2019) van de leerlingen- en studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo).

(bedragen x € 1 miljoen)

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

2024

hbo

31,7

31,7

15,8

-4,9

-24,3

-37,4

wo

47,2

47,2

57,6

64,6

67,1

67,3

197

Kunt u een uitsplitsing maken voor hbo- en wo-studenten naar Nederlandse, internationale (EER-) en internationale (niet-EER-)studenten, zowel voor de gerealiseerde aantallen als de ramingen? Kunt u aangeven wat het verschil is tussen de geraamde en gerealiseerde aantallen Nederlandse, internationale (EER-) en internationale (niet-EER-)studenten over de jaren 2018/19 en 2019/20?

Voor het jaar 2019/2020 is een vergelijking van raming en realisatie op dit moment niet mogelijk, omdat cijfers over de realisatie nog niet beschikbaar zijn. Voor het jaar 2018/2019 kan dit wel. Onderstaande tabellen geven de in referentieraming 2018 geraamde aantallen weer en vergelijkt deze met de gerealiseerde aantallen studenten.

hbo:

Aantal studenten x1000

Referentieraming 2018

Realisatie

Verschil (raming-realisatie)

Nederlands

415,2

422,3

-7,2

Internationaal EER

24,2

24,0

+0,3

Internationaal niet-EER

8,4

9,0

-0,6

wo:

Aantal studenten x1000

Referentieraming 2018

Realisatie

Verschil (raming-realisatie)

Nederlands

230,0

235,0

-5,0

Internationaal EER

38,5

41,6

-3,0

Internationaal niet-EER

14,8

16,2

-1,3

198

Kan tabel 6.2 verder uitgesplitst worden naar aantal Nederlandse studenten, aantal EER-studenten en aantal niet-EER-studenten?

Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

 

18/19

19/20

20/21

21/22

22/23

23/24

24/25

hbo Nederlands

422,2

417,0

412,3

407,5

401,4

394,9

386,8

hbo EER

24,0

24,5

25,1

25,7

26,3

26,8

27,4

hbo niet-EER

9,0

9,2

9,4

9,6

9,9

10,1

10,3

 

Totaal hbo

455,2

450,7

446,8

442,8

437,6

431,8

424,5

wo Nederlands

234,9

239,0

242,9

246,6

249,8

252,1

253,7

wo EER

41,6

44,1

46,6

49,1

51,6

54,1

56,6

wo niet-EER

16,2

17,1

18,0

19,0

19,9

20,9

21,8

 

Totaal wo

292,7

300,2

307,5

314,7

321,3

327,1

332,1

199

Betekent de technische inboeking van € 226 miljoen ten laste van de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (artikel 6 & 7) dat studenten alsnog de rekening krijgen gepresenteerd van het intrekken van het wetsvoorstel inzake wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs? Of ziet u mogelijkheden om dit bedrag te dekken zonder dat studenten hiervan de gevolgen zullen ondervinden?

Zie het antwoord op vraag 180.

200

Kunt u specificeren hoe de korting in het hoger onderwijs ten gevolge van het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs van € 226 miljoen die technisch is ingeboekt, oploopt in het jaar 2025, 2026 en de jaren erna, en hoe deze bedragen worden uitgesplitst voor hbo en wo?

 

2026

2027

2028

2029

2030

2031

ART 6

1.170

2.730

6.240

10.140

14.820

19.110

ART 7

1.830

4.270

9.760

15.860

23.180

29.890

 

2032

2033

2034

2035

2036

2037

ART 6

23.400

27.690

31.980

36.270

40.170

44.070

ART 7

36.600

43.310

50.020

56.730

62.830

68.930

 

2038

2039

2040

2041

2042

2043

ART 6

47.970

51.480

54.990

58.110

61.230

64.350

ART 7

75.030

80.520

86.010

90.890

95.770

100.650

 

2044

2045

2046

2047

2048

2049

ART 6

67.470

70.590

74.100

77.220

79.950

83.070

ART 7

105.530

110.410

115.900

120.780

125.050

129.930

 

2050

2051

2052

2053

2054

2055

ART 6

85.410

87.750

90.090

92.430

94.380

95.940

ART 7

133.590

137.250

140.910

144.570

147.620

150.060

 

2056

2057

2058

2059

2060

ART 6

97.500

99.060

100.230

101.400

88.140

ART 7

152.500

154.940

156.770

158.600

137.860

201

Waar zijn in de begroting de budgetmutaties als gevolg van de intrekking van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs, nader toegelicht? Waarom ontbreken deze mutaties en de bijbehorende toelichting bij de desbetreffende tabellen in de verdiepingsbijlage bij artikelnummer 6, 7 en 11?

Het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs was onderdeel van een pakket van maatregelen in het RA met als doel de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op langere termijn te verbeteren. De gevolgen van het intrekken van deze maatregel beginnen in het begrotingsjaar 2025 en lopen daarna geleidelijk op. De begrotingshorizon van de Begroting 2020 reikt tot 2024. Daarom zijn deze gevolgen niet zichtbaar in de vorm van budgetmutaties in de begroting 2020.

202

Hoe is de bezuiniging op het hbo- en wo-budget verdeeld als gevolg van de intrekking van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs? Hoe wordt deze toegelicht?

Zie het antwoord op vraag 200.

203

Kunt u een overzicht geven van de financiële gevolgen van het inboeken van het intrekken van het Wetsvoorstel renteverhoging studievoorschotten voor de artikelen 6 en 7 van de begroting OCW voor de jaren 2025 t/m 2060?

Zie het antwoord op vraag 200.

204

Hoe is de feitelijke rentesubsidie vàn studenten aan de Nederlandse Staat, die voortvloeit uit de huidige negatieve rente op staatsleningen terwijl de rente die studenten moeten betalen volgens de wet niet lager is dan 0%, te rijmen met het inboeken van een bezuiniging op het hoger onderwijs oplopend tot € 226 miljoen? Wat betekent dit voor de gelding van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs8, waarin sprake is van een rentesubsidie áán studenten?

De financiële gevolgen van de maatregel in het regeerakkoord om de rentemaatstaf op de lening hoger onderwijs te wijzigen zijn bij de start van het kabinet ingeschat op basis van het gemiddelde verschil (0,78%) tussen de 5-jaarsrente en de 10-jaarsrente van de afgelopen 10 jaar. Met deze budgettaire inschatting is rekening gehouden bij de afweging over de totale budgettaire gevolgen van het RA en zijn daarmee voor het kabinet taakstellend. De huidige negatieve rentestanden betekenen niet dat dit budgettaire tekort verdwijnt, bovendien zijn deze rentestanden naar verwachting niet structureel van aard.

205

Hoe komt het dat het budget dat beschikbaar is voor de bekostiging van de hogescholen (tabel 6.3) in 2024 in totaal € 130 miljoen hoger is dan in 2019, terwijl er in de reeks studievoorschotmiddelen in diezelfde tabel sprake is van een toename met bijna € 240 miljoen? Kunt u toelichten in hoeverre sprake is van «extra» investeringen in onderwijskwaliteit met deze studievoorschotmiddelen, als er tegelijkertijd kennelijk € 110 miljoen bezuinigd moet worden over dezelfde periode?

Het beschikbare budget voor de totale bekostiging in het hbo is in 2024 circa € 130 miljoen hoger dan 2019. Rekening houdend met de stijgingen van de 90%-studievoorschotmiddelen voor de kwaliteitsafspraken (€ 240 miljoen), de studievoorschotvouchers (€ 24 miljoen) en de 10%-studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering (€ 26 miljoen) daalt de bekostiging per saldo met € 160 miljoen. Dit is nagenoeg geheel toe te schrijven aan de per saldo neerwaartse bijstelling de afgelopen jaren van de studentenaantallen in het hbo in 2024 ten opzichte van 2019 (ca. 25.000 studenten, zie ook tabel in antwoord op vraag 198). Er is derhalve geen sprake van een bezuiniging van € 110 miljoen van 2019 richting 2024, de extra investeringen in onderwijskwaliteit met de studievoorschotmiddelen blijven recht overeind.

206

Hoe verhoudt het inboeken van de niet-gerealiseerde besparing vanwege het intrekken van het wetsvoorstel voor verhoging van de rente op studieleningen zich tot de basisprincipes van het begrotingsbeleid met betrekking tot scheiding van inkomsten- en uitgavenkaders, waarin inkomstentegenvallers niet tot bezuinigingen leiden, maar het EMU-saldo (Economische en Monetaire Unie) belasten?

De renteontvangsten zijn niet-belastingontvangsten en daarom relevant voor het uitgavenplafond van de rijksbegroting en niet relevant voor de inkomstenkant van de begroting. Het principe van automatische stabilisatie (scheiding van inkomsten en uitgaven) heeft daarom geen betrekking op het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs.

207

Hoe verhoudt het inboeken van de niet-gerealiseerde besparing vanwege het intrekken van het wetsvoorstel voor verhoging van de rente op studieleningen zich tot de basisprincipes van het begrotingsbeleid met betrekking tot scheiding van inkomsten- en uitgavenkaders, waarin inkomstentegenvallers niet tot bezuinigingen leiden, maar het EMU-saldo belasten?

Zie het antwoord op vraag 206.

208

Waarom is de begrote besparing van structureel € 226 miljoen vanwege het Wetsvoorstel rentemaatstaf studievoorschot, na intrekking daarvan, ten laste gebracht van de onderwijsbekostiging hoger onderwijs (artikel 6 en 7 van de begroting OCW), terwijl deze besparing niet was toegevoegd aan artikel 6 en 7?

De begrote besparing als gevolg van het wijzigen van de rentemaatstaf op de lening voor het hoger onderwijs was onderdeel van een totaalpakket aan maatregelen in het regeerakkoord. In dit totaalpakket is aanzienlijk geïnvesteerd in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld door de halvering van het collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen).

Het tekort dat ontstaan is door het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs is generaal gedekt in 2025. Het tekort loopt na 2025 geleidelijk op tot structureel € 226 miljoen in 2060 en is technisch ingeboekt ten laste van artikel 6 & 7. De dekking van dit structurele tekort kan indien gewenst bij een volgende formatie weer anders worden ingevuld.

209

Wat is de verklaring voor de richting 2024 steeds lagere uitgaven aan «bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen»?

Het experiment vraagfinanciering, waarbij studenten aanspraak maken op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, is sinds 2016 gefaseerd ingevoerd. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (2024) aanspraak blijven maken op vouchers. De raming is dat de verzilvering van de vouchers, uitgaande van het daarvoor beschikbare budget, in een aflopende reeks tot en met 2024 geschiedt. Vanaf 2025 worden geen uitgaven meer voorzien.

210

Welke andere opties zijn overwogen om het niet doorgaan van de wijziging van de rentemaatstaf te dekken?

De dekking van het ontstane tekort door het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs, zijn bij augustusbesluitvorming integraal afgewogen. Het tekort is generaal gedekt in 2025. Het tekort loopt na 2025 geleidelijk op tot structureel € 226 miljoen in 2060 en is technisch ingeboekt ten laste van artikel 6 & 7. De dekking van dit structurele tekort kan indien gewenst bij een volgende formatie weer anders worden ingevuld.

211

Wat zijn de effecten op het onderwijs en de kwaliteit daarvan van de minus 264 miljoen structureel ten gevolge van het niet doorgaan van de wijziging van de rentemaatstaf?

Zie het antwoord op vraag 180.

212

Klopt het dat € 78.000 van de subsidies momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Ja, voor 2020 is € 78.000 van de subsidies nog niet juridisch verplicht, maar er is wel al een bestemming voor het geld.

213

Hoe komt het dat bekostiging voor flexibel hoger onderwijs voor volwassenen de komende jaren zo terugloopt?

Zie het antwoord op vraag 209.

214

Klopt het dat € 849.000 van de subsidies momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Zoals aangegeven in hoofdstuk 2.3 «overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven» van de begroting van OCW is voor 2020 een bedrag van € 848.000 aan subsidies nog niet juridisch verplicht, maar er is wel al een bestemming voor het geld.

215

Klopt het dat € 758.000 van de opdrachten momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Zoals aangegeven in hoofdstuk 2.3 «overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven» van de begroting van OCW is voor 2020 een bedrag van € 848.000 aan subsidies nog niet juridisch verplicht, maar er is wel al een bestemming voor het geld.

216

Hoeveel middelen gaan er vanuit artikel 7 naar bibliotheken, waar zijn deze middelen voor bedoeld en hoe leggen bibliotheken hierover verantwoording af?

Er zijn op artikel 7 geen middelen geoormerkt voor bibliotheken. Universiteiten kunnen hun bibliotheken naar eigen inzicht financieren uit de lumpsum bekostiging.

217

Hoeveel studenten hebben in 2020 profijt van de post «deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek» in artikel 7? Kan dit uitgesplitst worden naar type opleiding en het jaar van de opleiding waarin zij zitten?

De meest recente cijfers over ingeschreven studenten betreffen collegejaar 2018/2019 (peildatum 1 oktober 2018). De post «deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek» is bedoeld voor studenten in de opleidingen geneeskunde, geneeskunde-klinisch onderzoeker en arts-klinisch onderzoeker. Het aantal ingeschreven studenten aan deze opleidingen, uitgesplitst naar bachelor/master, is als volgt:

Opleiding

Ingeschreven studenten

2018

B Geneeskunde

9.488

M Geneeskunde

9.073

M Geneeskunde, klinisch onderzoeker

185

M Arts – Klinisch Onderzoeker (research)

212

218

Kunt u een overzicht geven van de niet-juridisch verplichte subsidies rond hoger onderwijs?

Het totaal aan niet juridisch verplichte subsidies voor 2020 zijn voor het hbo € 78.000 en voor het wo € 848.000 (zie ook de antwoorden op de vragen 212 en 214). Eventuele aanvragen hierop komen eerst in het jaar 2020 zelf binnen. Ze zijn weliswaar niet juridisch verplicht, maar er is wel al een bestemming voor het geld.

219

Kan het Capgemini-model, waarmee universitaire ziekenhuizen de besteding voor het deel «ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek» van artikel 7 moeten verklaren, naar de Kamer gestuurd worden?

Het model is eind 2017 geëvalueerd en op basis daarvan hebben enkele kleine aanpassingen plaatsgevonden, welke zijn afgestemd binnen NFU en met de VSNU. Vooralsnog wordt er in de toekomst geen evaluatie meer verwacht. Met ingang van het verslagjaar 2017 verantwoorden alle UMC’s op deze wijze in hun jaarverslag.

Het model is in 2010 opgesteld door Capgemini en wordt gebruikt voor de verantwoording van de besteding van het werkplaatsbudget.

Het rapport van Capgemini en de aanbiedingsbrief van de begeleidingscommissie uit 2010 zijn als bijlage bij de beantwoording gevoegd9.

220

Wat is de reden dat het begeleiden van geneeskundestudenten op de werkplek bekostigd wordt uit de OCW-begroting (onder «ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek»), terwijl er voor alle andere sectoren waar studenten stage lopen geen bekostiging voor de begeleiding beschikbaar is?

Het compartiment voor geneeskundig onderwijs en onderzoek is gericht op de werkplaatsfunctie die Universitair Medisch Centra (UMC) vervullen. Deze middelen zijn ter dekking van de kosten die UMC’s maken in hun functie als werkplaats voor de opleiding van basisartsen en voor wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is een deel van het compartiment voor geneeskundig onderwijs en onderzoek bedoeld voor investeringen in huisvesting van UMC’s. Op grond van het convenant Decentralisatie Huisvesting Academische Ziekenhuizen (DHAZ), dat geldt sinds 2004, kunnen de Universitaire Medische Centra (UMC’s) beschikken over een jaarlijks investeringskader (voor instandhoudinginvesteringen en vervangende nieuwbouw). Dit convenant is een overeenkomst tussen VWS, OCW en NFU. Het DHAZ-budget wordt voor ¾ deel bekostigd door VWS en voor ¼ deel door OCW. In andere sectoren is geen sprake van een werkplaatsfunctie die vergelijkbaar is met die van de UMC’s.

221

Met hoeveel plaatsen gaat de capaciteit omlaag van het aantal opleidingen geneeskunde? Met hoeveel plaatsen gaat de capaciteit omhoog van het aantal opleidingen voor tandarts? Kan daarbij onderscheid gemaakt worden in absolute en relatieve aantallen?

Er is geen besluit genomen over het al dan niet verlagen van de capaciteit van de initiële opleiding geneeskunde. Zoals aangegeven in de begroting van OCW voor het jaar 2020 hebben de ministeries van OCW en VWS het advies van het Capaciteitsorgaan over de initiële opleiding geneeskunde nog niet ontvangen. Dat geldt ook voor de eindrapportage van het Capaciteitsorgaan over de initiële opleiding tandheelkunde. Beide adviezen worden aan het eind van 2019 verwacht.

222

Wat is de kostenbesparing van de afname van de capaciteit van de opleidingsplekken geneeskunde?

Zie het antwoord op vraag 221.

223

Op basis van welke redenen is besloten het aantal opleidingsplekken voor geneeskunde te verminderen? Hoe verhoudt deze keuze zich tot de groeiende tekorten aan artsen?

Zie het antwoord op vraag 221.

224

Wat is de impact op de korte, middellange en lange termijn van de afname van de capaciteit op de personeelscapaciteit in de zorg? Was is de impact op de kwaliteit van de geleverde zorg?

Zie het antwoord op vraag 221.

225

Kunt u aangeven wat de budgettaire effecten van het verlagen van de capaciteit van de initiële geneeskunde voor de universitaire medische centra zijn?

Zie het antwoord op vraag 221.

226

Klopt het dat voor het uitvoeren van motie-Van der Molen/Westerveld10 een kasschuif nodig zou zijn die al in de begroting voor 2020 gerealiseerd zou moeten worden? Wat zou de omvang van deze kasschuif moeten zijn om deze motie te kunnen realiseren?

Voor uitvoeren van de motie zou een kasschuif noodzakelijk zijn. Het is niet mogelijk de vouchers naar voren te halen omdat dan een kasschuif noodzakelijk is en omdat DUO dit niet uit kan voeren. In mijn brief van 8 oktober 2019 geef ik uitgebreid reactie op uitvoering van de motie. Daarin geef ik aan dat ik geen mogelijkheid zie de vouchers eerder inzetbaar te maken. Deze conclusie is gemaakt op basis van verschillende factoren. Namelijk dat DUO niet kan garanderen dat de systemen op tijd zijn aangepast, het de vraag is of de wet op tijd aangepast zal zijn en of het financieel haalbaar is.

227

Hoeveel studenten zijn er in de periode 2014–2019 geholpen door de diensten van de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF?

Uit de gegevens van de Stichting voor Vluchteling Studenten UAF komt naar voren dat er in de periode 2014 t/m 2018 in totaal 11.595 mbo- en ho-studenten, die onder de subsidievoorwaarden van OCW vallen, door de diensten van deze stichting geholpen zijn.

228

Kunt u toelichten wat de United Nations University doet voor het verstrekte subsidiebedrag?

De United Nations University, gevestigd in Maastricht, is een onderzoeks- en opleidingsinstituut van de Universiteit van de Verenigde Naties. Het instituut doet onderzoek en training over een reeks sociale, politieke en economische factoren die de economische ontwikkeling in een wereldwijd perspectief sturen. Als uitvloeisel van de gesloten overeenkomst tussen de Nederlandse Staat en de Universiteit van de Verenigde Naties verleent OCW jaarlijks een bijdrage ter dekking van de operationele kosten van het Instituut in Maastricht.

229

Waarom krijgt het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) in 2020 € 53.000 meer subsidie dan de Landelijke Studentenvakbond (LSVb)?

De reguliere subsidie van de ISO is gelijk aan die van de LSVb (€ 249.000).

Daarnaast ontvangt de ISO voor 2020 als coördinator een extra bijdrage voor het gezamenlijk opzetten en onderhouden van een digitaal medezeggenschapsloket met partners uit het hoger onderwijsveld.

230

Klopt het dat € 513.000 van artikel 8 momenteel juridisch nog niet verplicht is?

Bij het opstellen van de begroting was geraamd dat per januari 2020 € 513.000,– juridisch niet verplicht is. Dit betreft vooral middelen voor incidentele subsidies en opdrachten die in het lopende jaar worden aangegaan. Daarnaast blijkt inmiddels dat een opvolgende regeling voor de Internationalisering po en vo(IPV) pas in 2020 gepubliceerd kan worden. Dit betekent dat de programmamiddelen voor deze regeling (€ 800.000,–) in de loop van 2020 juridisch verplicht worden.

231

Wordt er binnen de HGIS11-middelen bij OCW ook begroot op het gebied van mbo?

Nee, er zijn geen HGIS-middelen begroot op het gebied van mbo.

232

Wat is de gemiddelde hoogte van een lerarensalaris per maand? Wat verdient een leraar als startsalaris per maand? Hoe hoog is het salaris in vergelijking met het marktgemiddelde voor mensen met een vergelijkbaar opleidingsniveau?

De hoogte van de gemiddelde beloning12 van leraren in het po incl. speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (so & vso) bedraagt ongeveer € 51.000,– per jaar (2018). Dit komt neer op een beloning van circa € 4.200,– per maand. Voor leraren in het so en vso is de gemiddelde beloning ongeveer € 54.500 per jaar, dat is ongeveer € 4.550 per maand. De hoogte van de gemiddelde beloning13 in het vo bedraagt ongeveer € 61.000 per jaar (2018). Dit komt neer op een beloning van circa € 5.000,– per maand.

Per 1 januari 2019 is het startsalaris van een startende leraar in het po volgens de CAO PO € 2.563,– per maand. Dit komt neer op een beloning van ongeveer € 3.000,– per maand. Per 1 januari 201914 is het startsalaris van een startende leraar in het vo volgens de CAO VO € 2.689,– per maand. Dit komt neer op een beloning van ongeveer € 3.100,– per maand.

Beloning kan op verschillende manieren vergeleken worden. Het OESO-onderzoek «Education at a Glance 2019» is het meest recente onderzoek15. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat de OESO gebruik maakt van realisatiecijfers (actual salaries) uit 2016–2017, waarbij de investering van dit kabinet in lerarensalarissen dus nog niet is meegenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat de beloning van de Nederlandse leraren in de onderbouw van het vo conform het OESO-gemiddelde is, namelijk 89% van het loon van hoogopgeleide werknemers.16 In het basisonderwijs hangt de relatieve beloningspositie samen met het moment in de loopbaan. Starters zitten met 89% vrijwel op het EU-gemiddelde17, gaandeweg wordt deze positie minder goed. Een rol speelt hier dat in Nederland de vergelijkingsgroep van hoogopgeleide werknemers naar verhouding meer masters kent dan de groep leraren basisonderwijs. Over het algemeen verdienen masters meer dan bachelors en het loon van masters neemt ook sneller toe naarmate ze langer werken18.

233

Hoeveel gevallen van burn-out doen zich per jaar voor bij leraren in het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs? Hoeveel leraren hebben daar stressklachten? Hoeveel leraren overwegen de overstap naar een andere sector?

Uitval door burn-out wordt niet geregistreerd. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2018 blijkt wel dat de bedoelde onderwijssectoren hoog scoren op burn-out klachten en dat werkstress daar een belangrijke oorzaak van is.

Het overwegen van de overstap naar een andere sector wordt eveneens niet geregistreerd.

234

Hoeveel fte's en hoeveel personen zijn er in Nederland over de periode 2017–2021 werkzaam als leraar?

In het schooljaar 2017/2018 werkten er ruim 230.000 mensen als leraar in de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Samen vervulden deze personen 175.000 voltijd banen.19

In het schooljaar 2018/2019 werkten in deze onderwijssectoren 236.000 mensen als leraar. Samen vervulden deze personen 179.000 voltijd banen.20

Door de overheveling van «groen onderwijs» naar het Ministerie van OCW, worden in het schooljaar 2018/2019 de leraren van de AOC’s in het mbo ook meegeteld.

235

Kunt u in tabelvorm weergeven hoeveel leraren er werkzaam zijn in het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs en middelbaar beroepsonderwijs?

Schooljaar 2018/2019

BAO

SBAO

SO en VSO

VO (exclusief praktijk

onderwijs)

Praktijk

onderwijs

MBO (inclusief leraren AOC’s)

Aantal personen dat werkzaam is als leraar1

109.684

personen

5.099

personen

13.581

personen

71.797

personen

3.182 personen

32.661

personen

X Noot
1

Op basis van gegevens van DUO, met peildatum 1 oktober 2018.

236

Kunt u in tabelvorm het aantal leraren per salarisschaal weergeven per sector?

Verdeling aandeel leraren op basis van fte per sector21:

Basisonderwijs (exclusief speciaal onderwijs)

Speciaal (basis) onderwijs

VO

MBO

L10

aandeel leraren 72%

L10

aandeel leraren 0,7%

LB

aandeel leraren 42%

LB

aandeel leraren 52%

L11

aandeel leraren 28%

L11

aandeel leraren 85%

LC

aandeel leraren 32%

LC

aandeel leraren 43%

L12

aandeel leraren 0,4%

L12

aandeel leraren 13%

LD

aandeel leraren 26%

LD

aandeel leraren 5%

           

LE

aandeel leraren 0,1%

237

Waarvoor wordt de bijna € 3 miljoen voor de Wet beroep leraar en lerarenregister specifiek gebruikt? Kunt u dit in tabelvorm aangeven?

Met de Wet beroep leraar krijgen leraren meer ruimte en zeggenschap in de uitoefening van hun beroep. We lichten actief voor over het professioneel statuut als hulpmiddel om afspraken over de professionele ruimte van leraren binnen de school vast te leggen. Ook ondersteunen we de professionele ontwikkeling van leraren met behulp van het lerarenportfolio. Leraren krijgen de ruimte om zelf vorm te geven aan de organisatie van de beroepsgroep. Landelijke initiatieven kunnen hierbij financiële ondersteuning krijgen. In de Kamerbrief over vorming beroepsorganisatie voor belangenbehartiging en verbeteren imago leraren bent u hierover geïnformeerd.

Een drietal subsidies zijn reeds juridisch verplicht, zie onderstaande tabel.

238

Hoeveel geld wordt er specifiek uitgetrokken voor ondersteuning van de beroepsgroepvorming? En wie krijgt beschikking over dit geld?

In totaal is ongeveer € 0,5 miljoen beschikbaar voor de ondersteuning van beroepsgroepvorming in het primair en voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.

Initiatieven van leraren voor het vormen van een brede, landelijke beroepsgroep organisatie kunnen aanspraak maken op tijdelijke financiële ondersteuning.

239

Hoeveel leraren zijn niet in loondienst in het primair en voortgezet onderwijs, maar ingehuurd via onder andere uitzendbureaus?

Onderwijsinstellingen leveren via hun jaarverslagen informatie aan bij DUO over de uitgaven aan het Personeel-Niet-In-Loondienst (PNIL). Op basis van de jaarverslagen in 2018 bedragen de PNIL-uitgaven in verhouding tot de totale personeelsuitgaven: 4,2% in het po, 3,7% in het vo en 7,9% in het mbo.

Op dit moment is er geen informatie beschikbaar over het aantal leraren dat niet in loondienst is. Door DUO vindt daarom een pilot plaats over de wijze waarop deze informatie het beste kan worden verkregen.

240

Kunt u in tabelvorm weergeven hoe groot het verwachte lerarentekort is per sector (primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) in zowel absolute cijfers als in percentages van 2019 tot en met 2030 bij gelijkblijvende omstandigheden? Zo niet, kunt u ons dan voorzien van de cijfers die u wel tot uw beschikking heeft?

Zie antwoord 241.

241

Kunt u in tabelvorm weergeven hoe groot het verwachte lerarentekort is voor specifiek het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in zowel absolute cijfers als percentages van 2019 tot en met 2030 bij gelijkblijvende omstandigheden? Zo niet, kunt u ons dan voorzien van de cijfers die u wel tot uw beschikking heeft?

Zie ook vraag 42. OCW laat jaarlijks ramingen uitvoeren naar de verwachte tekorten in de toekomst, gebaseerd op reeds bekende personeelsgegevens uit het verleden. Op verzoek van de Kamer zijn deze gegevens dit jaar nog actueler dan voorheen gemaakt. Deze gegevens zullen eind van het kalenderjaarjaar beschikbaar zijn.

Bij de vorige arbeidsmarktbrief (januari 2019) zijn de gevraagde gegevens in de bijlagen in een rapport opgenomen, gebaseerd op de personeelsbestanden van schooljaar 2016/2017.

242

Kunt u een overzicht geven van de maatregelen die u genomen heeft om het lerarentekort aan te pakken, en daarbij per maatregel aangeven wat de stand van zaken is, wat de resultaten tot nu zijn en de bekostiging daarvan (hoeveel geld is ervoor vrijgemaakt en hoeveel geld is er tot nu toe aan uitgegeven)?

De maatregelen, resultaten en bedragen staan in de brieven over het lerarentekort die uw Kamer op 11 september en 8 oktober jl. heeft ontvangen. Een voorbeeld is dat het kabinet structureel € 270 miljoen investeert in de lerarensalarissen in het primair onderwijs waardoor leraren er gemiddeld 9,5% op vooruit zijn gegaan. Daarnaast is er voor 2019 nog 285 miljoen beschikbaar als loonruimte via de loonbijstelling. Verder investeert dit kabinet structureel in de verlaging van de werkdruk in het primair onderwijs, oplopend tot € 430 miljoen in schooljaar 2023/2024. Scholen kunnen dankzij het extra geld bijvoorbeeld vakdocenten, onderwijsassistenten en conciërges aannemen, waardoor leraren zich meer kunnen richten op lesgeven. Ook zijn de subsidieplafonds voor zijinstroom en de regionale aanpak verhoogd wegens de vele aanvragen. Er gaat dit jaar in totaal € 25,4 miljoen naar de zijinstroomregeling en € 18,7 miljoen naar de regio’s.

243

Hoeveel Nederlandse studenten zijn wel ingeschreven als student, maar ontvangen noch een basisbeurs, noch een aanvullende beurs, noch een studievoorschot?

Hoeveel van die studenten zijn jonger dan 18 jaar?

Voor de beantwoording van deze vraag is alleen gekeken naar voltijd- en duale studenten, omdat deeltijdstudenten geen recht op studiefinanciering hebben. De gegevens betreffen voor het hoger onderwijs het jaar 2017–2018 en zijn gebaseerd op de meest recente monitor beleidsmaatregelen. In het hoger onderwijs kunnen vier groepen worden onderscheiden: studenten die geen studiefinanciering hebben ontvangen (168 duizend), studenten die onder het studievoorschotstelsel vallen, maar wel enige vorm van studiefinanciering hebben ontvangen (384 duizend), studenten in het oude stelsel die basisbeurs ontvangen (110 duizend) en studenten in het oude stelsel die in de leenfase zitten (67 duizend). Van de in totaal 729 duizend studenten ontvingen er 168 duizend (of ongeveer 23%) geen enkele vorm van studiefinanciering. Een uitsplitsing naar 18- en 18+, evenals een uitsplitsing naar Nederlandse en niet Nederlandse studenten, is niet te maken.

In de bol hebben minderjarige studenten recht op een studentenreisproduct. Zodra zij 18 jaar zijn hebben ze ook recht op de overige vormen van studiefinanciering (basisbeurs, eventueel een aanvullende beurs en een lening). In 2020 zijn er naar verwachting 352.700 bol-studenten, waarvan er circa 120.000 minderjarig zijn. Het bezit van het reisproduct geeft in de bol een aardige indicatie van het recht op studiefinanciering, omdat studenten hier het langst recht op hebben van alle studiefinancieringsproducten. In 2020 zijn er naar verwachting 309.800 bol-studenten met een reisvoorziening, waarvan ruim 108.000 minderjarigen. Circa 43.000 bol-studenten ontvangen dus geen studiefinanciering, waarvan er circa 12.000 minderjarig zijn. Deze aantallen zijn niet uit te splitsen naar Nederlandse en niet Nederlandse studenten. Verschillende redenen kunnen ten grondslag liggen aan het verschil, zie daarvoor het antwoord op vraag 245

244

Wat is de reden dat studenten in het hoger onderwijs de aanvullende beurs als gift uitgekeerd krijgen voor de eerste vijf maanden en mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg niveau 3 en 4 de eerste 12 maanden? Betekent deze gift dat als studenten stoppen met hun opleiding ze dit bedrag niet terug hoeven te betalen? Wat zou het kosten als ook studenten in het hoger onderwijs de eerste 12 maanden als gift uitgekeerd zouden krijgen? Kunt u een onderbouwing van deze berekening geven?

In het hoger onderwijs is gekozen voor 5 maanden, zodat de student – in samenhang met de 1 februariregeling, die het mogelijk maakt te stoppen met de studie zonder gevolgen voor de ontvangen prestatiebeurs (deze wordt omgezet in gift) – tegemoet wordt gekomen als hij binnen 5 maanden besluit te stoppen of te switchen. Studenten in het mbo kennen geen 1-februariregeling en kunnen pas na een jaar switchen van opleiding. Daarom is gekozen voor 5 maanden in het ho en 12 in het mbo.

Een beurs als gift verkrijgen betekent inderdaad dat er niet hoeft te worden terugbetaald indien studenten stoppen met hun opleiding. In de begroting voor 2020 wordt er bijna € 275 miljoen direct als gift uitgekeerd. Ongeveer € 220 miljoen hiervan is bestemd voor BOL-studenten, ongeveer € 55 miljoen voor studenten in het ho. Gemiddeld gaat het dus om € 11 miljoen per maand. In 7 maanden zou het om ongeveer € 77 miljoen extra gaan. Hierbij moet wel worden vermeld dat de prestatiebeurzen voor een groot gedeelte bij afstuderen alsnog omgezet worden in gift, waardoor op de langere termijn de extra kosten van een dergelijke maatregel lager zijn.

245

Hoe komt het dat er in 2020 352.700 bol-studenten zijn (pagina 51) en er maar 309.800 (pagina 87) bol-studenten zijn die een vorm van een reisvoorziening gebruiken? Weten die 42.900 bol-studenten bijvoorbeeld niet dat ze aanspraak kunnen maken op een reisvoorziening?

Het verschil kan worden verklaard door verschillende factoren. Zo kan het zijn dat studenten geen recht (meer) hebben op de reisvoorziening. Dit recht vervalt nadat een student het reisrecht gebruikt heeft voor de nominale duur van de studie plus 3 extra jaren. Indien een student langer studeert heeft hij of zij geen recht meer op deze voorziening. Een andere reden kan zijn dat een student pas na de leeftijd van 30 jaar begint en dus geen recht heeft op studiefinanciering in het algemeen. Het kan ook gaan om buitenlandse studenten zonder recht op studiefinanciering. Studenten kunnen er ook voor kiezen om geen gebruik te maken van het recht omdat ze een afweging maken tussen het nut van de voorziening en de kans dat ze niet op tijd afstuderen waardoor ze de kosten van de reisvoorziening terug moeten betalen (dit geldt alleen voor niveau 3 en 4, omdat zij onder de prestatiebeurssystematiek vallen). Het eventuele niet gebruik van verschillende instrumenten wordt momenteel onderzocht in de beleidsdoorlichting Studiefinanciering (de Kamerbrief met daarin de opzet daarvoor is recentelijk verstuurd). Daarnaast is er tussen de twee genoemde aantallen nog een definitieverschil. Het eerste aantal (352.700) betreft het aantal inschrijvingen op 1 oktober. Het tweede aantal (309.800) betreft een jaargemiddelde over het kalenderjaar op basis van maandgegevens.

246

Kunnen alleen voltijdstudenten hoger onderwijs aanspraak maken op een reisvoorziening?

Nee. Het studentenreisproduct is onderdeel van de studiefinanciering, dus iedereen die in aanmerking komt voor studiefinanciering (voltijd- en duale studenten), komt ook in aanmerking voor het studentenreisproduct. Daarnaast kunnen minderjarige BOL-studenten sinds 1 januari 2017 ook aanspraak maken op het studentenreisproduct.

247

Wordt er nog € 200 miljoen bezuinigd via het studentenreisproduct en het programma Beter Benutten?

Zoals in eerdere brieven (1, 2) aan de Kamer is aangegeven22, houdt dit kabinet vooralsnog zowel vast aan het doel van Beter Benutten voor Beter Onderwijs (de bespaarde middelen investeren in de kwaliteit van het (hoger) onderwijs en aan onderwijs gerelateerd onderzoek) als aan de opbrengst van € 200 miljoen in 2025. In deze brieven is ook uitgelegd waarom het niet eenvoudig is een dergelijke besparing te realiseren. Allereerst omdat de Taskforce «Beter Benutten onderwijs en openbaar vervoer» reeds onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om een besparing te realiseren en zij geen alternatieve manieren heeft gevonden (gegeven het uitgangspunt dat het studentenreisproduct in de huidige vorm blijft bestaan). Verder geldt dat, gezien het privaatrechtelijke contract dat het Ministerie van OCW rondom het studentenreis-product heeft met de vervoersbedrijven in Nederland, de benodigde besparing op dit OV-contract niet zomaar eenzijdig af te dwingen is. Deze situatie geldt nog steeds onverminderd.

Op 6 juni jl. is per brief aan de Kamer gemeld dat de resultaten van de Beter Benutten-trajecten van het Ministerie van IenW betrokken worden bij het vervolg van de aanpak Beter Benutten voor Beter Onderwijs.

248

Op welke manier kan er € 200 miljoen uit het programma Beter Benutten worden gehaald om te investeren in de kwaliteit van het onderwijs?

Zie het antwoord op vraag 247.

249

Gaat er in de toekomst bezuinigd worden op het studentenreisproduct en de ov-kaart?

Zoals in de brief van 12 juni 201823 aan de Kamer al is aangegeven, is dit kabinet niet voornemens om alternatieve maatregelen te treffen, waarbij de beoogde besparing wordt gerealiseerd door in te grijpen in het studentenreisrecht. Uiteraard kan elk nieuw kabinet een ander besluit nemen.

250

Op welke wijze wordt de bezuiniging van 200 miljoen uitgewerkt op het studentenreisproduct en het programma Beter Benutten?

Zie het antwoord op vraag 247.

251

Bestaat de mogelijkheid dat de uitwerking van de bezuiniging op studentenreisproduct/Beter Benutten leidt tot verslechtering van de voorwaarden van de ov-studentenkaart?

Zie het antwoord op vraag 249.

252

Wanneer moeten oud-studenten aan wie voor 1986 een studielening is verstrekt, deze lening aflossen?

Deze studenten hebben in principe na het afronden van de studie 15 jaren de tijd gehad om de lening terug te betalen voordat de nog resterende schuld vervolgens werd kwijtgescholden. Toch zijn er nog steeds oud-studenten die een schuld van voor 1986 terugbetalen. Hier kunnen meerdere factoren aan ten grondslag liggen. Allereerst kan het zo zijn dat de oud-student gebruik heeft gemaakt van tijdelijk stopzetten (max 5 jaar) of een opschorting van de terugbetaling omdat hij/zij bijvoorbeeld opnieuw is gaan studeren. Ook kan een oud-student gebruik maken van de draagkrachtregeling. Onder de oude terugbetaalvoorwaarden had de draagkrachtregeling, als er ook een partner aanwezig was, als gevolg dat de aflosperiode werd verlengd. Voor studenten vanaf 2010 geldt dit niet meer. Verder zou het zo kunnen zijn dat deze oud-studenten tijdelijk onvindbaar waren (en daardoor niets terugbetaalden). De jaren waarin zij onvindbaar waren worden opgeteld bij de looptijd van terugbetaling. Tot slot zou het zo kunnen zijn dat er nog oude deurwaarderstrajecten liepen waar deze oud-studenten in zaten.

253

Wat is de reden er in 2020 minder middelen beschikbaar zijn voor het beheer en behoud van collecties?

Dit komt doordat in 2019 € 5,5 miljoen incidenteel meer beschikbaar is gesteld aan Het Nieuwe Instituut ten behoeve van het digitaliseringsproject «Architectuur Dichterbij».

254

Hoe worden de middelen voor beheer en behoud van collecties besteed?

De subsidie vormt een compensatie voor de wettelijke opgedragen zorg voor het beheer van museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen. Die zorg houdt in dat de cultuurgoederen in goede staat zijn, veiligheidsmaatregelen worden getroffen, de administratieve organisatie en registratie op orde zijn en aan de andere wettelijke eisen wordt voldaan, een en ander op basis van planmatig beleid.

Met de subsidie mogen kosten worden gedekt voor huisvesting en klimaatbeheer, beveiliging, restauratie en registratie. De subsidieontvanger dient de werkzaamheden op een zodanige manier uit te voeren dat de subsidie op doelmatige wijze voor de zorgtaak wordt gebruikt.

255

Waarom lopen de middelen voor het verbreden van de inzet cultuur volgend jaar op, daarna weer af en vervolgens weer op?

Oploop van 2019 naar 2020:

Er zijn middelen toegevoegd, op basis van de afspraken in het Regeerakkoord, voor het programma Cultuurparticipatie. Daarnaast is een overboeking naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de cultuurcoach voor 2019 al uitgevoerd maar voor 2020 nog niet (waardoor het budget 2020 hoger lijkt).

Afloop van 2020 naar 2021:

Op basis van de afspraken in het Regeerakkoord zijn voor de jaren 2019 en 2020 middelen toegevoegd voor de digitale toegankelijkheid van erfgoed, archieven en collecties. Omdat deze middelen niet doorlopen vanaf 2021, daalt het budget ten opzichte van 2020.

Oploop van 2021 naar 2022:

Er zijn middelen toegevoegd, op basis van de afspraken in het Regeerakkoord, voor het programma Cultuurparticipatie.

256

Wat is het beleid wat de emancipatie van mensen met een niet-westerse achtergrond betreft?

In het emancipatiebeleid wordt zo veel mogelijk intersectioneel gewerkt. In de aanpak economische zelfstandigheid van vrouwen, is bijvoorbeeld specifieke aandacht voor vrouwen met een migratieachtergrond. Voor wat betreft het bredere integratiebeleid is het Ministerie van SZW coördinerend en wordt de Kamer naar de Minister van SZW verwezen voor verdere uitleg.

257

In hoeverre zal de € 24,6 miljoen die is bestemd voor de arbeidsmarktagenda ertoe leiden dat makers in de cultuursector zeker kunnen zijn van een fatsoenlijke beloning? Kunt u uw antwoord specificeren voor

  • de € 15 miljoen die is bestemd voor permanente professionele ontwikkeling in het kader van verbetering van de arbeidsmarktsituatie van kunstenaars,

  • de € 5 miljoen die is bestemd voor een revolverend productiefonds voor innovatie in de podiumkunsten en

  • de € 2,3 miljoen die is bestemd voor het verstrekken van leningen aan individuen en organisaties uit alle disciplines in de creatieve sector die aantoonbaar een professionele beroepspraktijk hebben?

Werkgevers en werknemers maken afspraken over fatsoenlijke beloning. De Minister kan het maken van deze afspraken bevorderen. Daarom stelt de Minister als subsidievoorwaarden een deelname aan de sociale dialoog en onderschrijving van de principes van de Fair Practice Code.

Daarnaast schept de Minister randvoorwaarden voor een sterke culturele sector.

Permanente professionele ontwikkeling is daarbij van groot belang. Het vergroot het loopbaanperspectief van werkenden in de culturele sector. Door het revolverend productiefonds en leningen wordt de mogelijkheid tot financiering vergroot en verbreed. Dit is nodig om de culturele sector toekomstbestendiger te maken. Dit is een noodzakelijke randvoorwaarde voor een gezonde arbeidsmarkt. Het is niet mogelijk om precies per instrument te bepalen wat het effect gaat zijn op de beloning van makers. Maar juist de mix van maatregelen maakt dat de sector sterker wordt op meerdere punten.

258

Hoe hoog zullen de tekorten van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) in meerjarenperspectief gaan oplopen, nu de STER-inkomsten teruglopen, maar de compensatie die het kabinet daarvoor biedt beperkt blijft tot € 40 miljoen?

Er wordt nu niet vooruit gelopen op mogelijke tekorten bij de landelijke publieke omroep. Zoals in de Visiebrief 2019 en in het debat is aangegeven, zet het Kabinet een eerste betekenisvolle stap richting een reclamevrije omroep. In deze brief is een eerste raming van de mogelijke financiële gevolgen hiervan opgenomen. Ter compensatie van deze inkomstenderving heeft het Kabinet besloten structureel € 40 miljoen extra beschikbaar te stellen uit de mediabegroting. De Visiebrief 2019 bevat ook opties en maatregelen voor de landelijke publieke omroep om inkomsten te verhogen of kosten te verlagen. Uiteindelijk wordt er toegewerkt naar een nieuwe concessieperiode. De gesprekken hierover worden zorgvuldig gevoerd en hierbij zullen de laatste financiële ontwikkelingen worden meegenomen.

259

Wat is de stand van zaken rondom de gesprekken tussen de omroepen en de NPO om de NPO Ombudsman ook een niet-journalistieke taak te geven? Wanneer wordt hier een beslissing over genomen?

Zoals ik in mijn brief (32 827 Nr. 158) van 9 juli 2019 aan uw Kamer heb geschreven, loopt de termijn van de NPO Ombudsman aan het einde van dit jaar af. De omroepen en de Ombudsman hebben geconcludeerd dat dit een natuurlijk moment is om de eerste periode van de Ombudsman te evalueren en het mandaat van de Ombudsman te herzien. Ik heb daar begrip voor, en zal in het voorjaar van 2020 bij uw Kamer terugkomen op dit onderwerp.

260

Klopt het dat de NPO Start-app na de laatste update van de app niet meer werkt met Chromecast? Sinds wanneer is dit bij de NPO bekend? Op welke termijn is dit opgelost?

Ik heb begrepen van de NPO dat het klopt dat de NPO Start-app na de laatste update tijdelijk niet gewerkt heeft omdat er een incompatibiliteit was ontstaan tussen het NPO Start-platform en het Google Chromecast-platform. Volgens de NPO is dit enige tijd geleden al opgelost en werkt sindsdien de NPO Start-app weer via de Google Chromecast.

261

Hoe groot is de gehele mediareserve?

Conform de financiële verantwoording beheer algemene mediareserve van het Commissariaat voor de Media bedroeg de stand van de liquide middelen ultimo 2018 € 3,7 mln. In de mediabegrotingsbrief 2020, die naar verwachting in november 2019 aan u wordt aangeboden, worden zowel de ontwikkeling van de mediareserve in 2019 als de verwachte meerjarige ontwikkelingen weergegeven.

262

Kunt u de Kamer voorzien van een tabel van de nettobezuinigingen op de Nederlandse publieke omroep van de afgelopen tien jaar? Wat zou de totaalomvang van de landelijke en regionale publieke omroep zijn als de bezuinigingen van de afgelopen tien jaar niet zouden zijn doorgevoerd?

De onderstaande tabellen geven de bezuinigingen weer die de afgelopen 10 jaar hebben gespeeld bij zowel de landelijke als de regionale publieke omroepen.

Landelijke publieke omroep

Landelijke publieke omroep

Regionale publieke omroep

Regionale publieke omroep

In de onderstaande tabellen zijn de budgetten van zowel de landelijke als de regionale publieke omroepen weergegeven wanneer de bezuinigingen van de afgelopen tien jaar niet zouden zijn doorgevoerd. Voor de indexering van de taakstellingen is uitgegaan van dezelfde percentages als die gehanteerd zijn bij de budgetten conform de betreffende mediabegrotingsbrieven.

Landelijke publieke omroep

Landelijke publieke omroep

* Geïndexeerd regulier budget landelijke publieke omroep volgens de betreffende mediabegrotingsbrieven. Het gaat hierbij om de optelsom van de volgende uitgaven-posten van de mediabegroting: budget landelijke omroep, dotatie Filmfonds van de Omroep en Telefilm/Teledoc (CoBO), NOB uitzendgereed maken & uitzenden, stichting Beste van Vlaanderen en Nederland (BVN), mediavoorziening Antillen (Caribische mediavoorziening) en de doorwerking printprijsregeling.

Regionale publieke omroep

Regionale publieke omroep

** Geïndexeerd budget regionale publieke omroep volgens de betreffende mediabegrotingsbrief. Het gaat hierbij om de optelsom van de volgende uitgaven-posten van de mediabegroting: regionale publieke omroep en de doorwerking printprijsregeling. De regionale publieke omroepen worden vanaf 2014 niet langer gefinancierd door de provincies, maar door het Rijk.

263

Wat is het verschil tussen fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek?

Hogescholen verrichten praktijkgericht onderzoek. Dit onderzoek is gericht op het verhogen van de kwaliteit van de hbo afgestudeerden, op het responsief houden van het onderwijs en op het innoveren van de beroepspraktijk. Fundamenteel onderzoek wordt primair gedaan om nieuwe kennis te vergaren van de onderliggende grondslagen van fenomenen en observeerbare feiten. Bij toegepast onderzoek gaat het ook om kennis vergaren, maar dan gericht op een specifiek, praktisch doel (OECD, Frascati Manual 2015). De term toegepast onderzoek wordt vaak gebruikt in relatie tot TO2.

Kennis uit fundamenteel, toegepast en praktijkgericht onderzoek kan maatschappelijke impact hebben. Fundamenteel onderzoek is niet direct gericht op praktische toepassing, toch vinden de uitkomsten op langere termijn geregeld hun weg daarnaartoe. Fundamenteel onderzoek kan worden geïnspireerd en uitgelokt door toegepast en praktijkgericht onderzoek en vice versa. Ze versterken elkaar. In de praktijk is de scheidslijn tussen de drie types onderzoek daarom minder eenduidig.24

264

Wat blijft er over van de € 10 miljoen die er aan extra onderzoeksmiddelen beschikbaar komt voor een sectorplan voor Sociale en Geesteswetenschappen (SSH), nu het kabinetsbesluit om meer geld vrij te maken voor de vier technische universiteiten volgens de VSNU leidt tot een bezuiniging van € 100 miljoen op alfa- en gammawetenschappen en potentieel honderden ontslagen?

De middelen voor het sectorplan SSH zijn afkomstig uit de extra middelen voor fundamenteel onderzoek vanuit het regeerakkoord en zullen behouden blijven voor dit sectorplan. Wel is het zo dat alle middelen van de sectorplannen via de eerste geldstroom verstrekt zullen worden, in plaats van een deel via de tweede geldstroom. De herziening van de bekostiging heeft geen invloed op de middelen voor dit sectorplan.

265

Waarom worden er in 2022 opeens meer opdrachten verwacht?

In verband met een tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de Sectorplannen is het budget voor Opdrachten in 2022 verhoogd.

266

Kunt u een overzicht geven van welke subsidies in de paragraaf wetenschappen niet juridisch verplicht zijn?

De subsidies NLBIF, Naturalis, BPRC, NCWT/NEMO, STT en Stichting AAP zijn juridisch verplicht. De subsidies vallend onder Nationale Coördinatie zijn voor het grootste deel juridisch verplicht, maar voor een bedrag van € 2,3 miljoen nog niet juridisch verplicht, maar er is wel al een bestemming voor het geld.

267

Welke stappen heeft het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) de afgelopen maanden gezet om middels geboortebeperking te starten met het verkleinen van de kolonie apen die bestemd is voor dierproeven? Wat is het verdere tijdpad met bijbehorende doelen?

Het BPRC huisvestte in december 2018, 1437 apen. Het geboortebeperkingsprogramma is in 2018 gestart. Zo is een aantal vrouwelijke dieren op Implanon gezet en bij aantal voorheen actieve fokgroepen worden geen geboortes verwacht omdat een volwassen man afwezig is. Het BPRC heeft in haar ambitieplan aangegeven dat de vermindering zorgvuldig dient te gebeuren en het aantal dieren geleidelijk zal worden verminderd tot 1000 dieren in het jaar 2025

268

Hoeveel instellingen in Nederland exporteren laboratoriumapen naar het buitenland?

Eén instelling in Nederland exporteert laboratoriumapen naar het buitenland.

269

Welke instantie controleert de import en export van laboratoriumapen?

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

270

Wordt er geregistreerd hoe vaak een controle op het transport van laboratoriumapen plaatsvindt?

Ja, uitgevoerde controles op het transport van laboratoriumapen worden geregistreerd.

271

Hoeveel controles van het transport van laboratoriumapen zijn er in 2017 en 2018 geweest?

In 2017 is één controle geregistreerd, in 2018 is één controle geregistreerd.

272

Zijn er overtredingen geconstateerd op het transport van laboratoriumapen in 2017 en 2018? Zo ja, welke?

Nee. In 2017 en 2018 zijn er géén overtredingen geconstateerd op het transport van laboratoriumapen.

273

Welke sancties staan er op overtredingen bij het transport van laboratoriumapen?

Geconstateerde overtredingen worden afgehandeld conform het interventiebeleid van de NVWA.

274

Zijn er in 2017 en 2018 sancties opgelegd voor overtredingen bij het transport van laboratoriumapen?

Zie vraag 272.

275

Hoeveel laboratoriumapen zijn er gestorven tijdens het transport in 2017 en 2018?

De NVWA heeft geen gestorven laboratoriumapen tijdens het transport geregistreerd.

276

Zijn er in 2017 en 2018 laboratoriumapen geëxporteerd naar landen buiten Europa?

Hoewel het belangrijk is om bij dierproeven zo transparant mogelijk te zijn, kan deze informatie vanwege de zogenoemde bescherming van bedrijfsgegevens niet verstrekt worden.

277

Zijn er in 2017 en 2018 laboratoriumapen geëxporteerd naar Israël?

Hoewel het belangrijk is om bij dierproeven zo transparant mogelijk te zijn, kan deze informatie vanwege de zogenoemde bescherming van bedrijfsgegevens niet verstrekt worden.

278

Hoeveel apen, uitgesplitst naar soort, zijn er in de apenloods van Hartelust in Tilburg in 2017 en 2018 gestorven?

Hoewel het belangrijk is om bij dierproeven zo transparant mogelijk te zijn, kan deze informatie vanwege de zogenoemde bescherming van bedrijfsgegevens niet verstrekt worden.

279

Welke adviezen heeft de Instantie voor Dierenwelzijn op de apenloods van Hartelust te Tilburg de afgelopen drie jaar gegeven?

De NVWA heeft volgende adviezen geregistreerd:

De standard operating pratices (SOP’s) voor gezondheidscontroles, quarantaine en transport zijn opgesteld en worden minimaal jaarlijks herzien door de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD). Controlelijsten voor de dagelijkse verzorging van de dieren en de dagelijkse gezondheids- en welzijnscontroles van de dieren zijn opgesteld. Regelmatig worden er cursussen georganiseerd voor, of bijgewoond door, al het personeel dat met de dieren omgaat. Alle proefdierverzorgers lopen om de beurt een welzijnscontrole-ronde door het hele bedrijf, en rapporteren hierover aan de IvD.

280

Wie en met welke deskundigheid zitten er in de Instantie voor Dierenwelzijn op de apenloods van Hartenlust te Tilburg?

Tijdens de laatste inspectie is door de NVWA geregistreerd dat de volgende deskundigheid in de Instantie voor Dierenwelzijn op het bedrijf is vertegenwoordigd:

  • 1 proefdierverzorger.

  • 1 dierenarts gespecialiseerd in niet-humane primaten (NHP) die in dierproeven gebruikt worden, tevens art. 9 deskundigheid.

  • 1 dierenarts/proefdierdeskundige.

281

Hoeveel projectvergunningen zijn er in 2015, 2016, 2017 en 2018 verleend aan het Erasmus MC die betrekking hebben op dierproeven op apen, uitgesplitst per jaartal?

De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) heeft de volgende aantallen gegeven:

2015:0, 2016:0, 2017:0, 2018:1

282

Hoeveel projectvergunningen zijn er in 2015, 2016, 2017 en 2018 verleend aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) die betrekking hebben op dierproeven op apen, uitgesplitst per jaartal?

De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) heeft de volgende aantallen gegeven:

2015:0, 2016: 0, 2017:4, 2018:1

283

Hoeveel projectvergunningen zijn er in 2015, 2016, 2017 en 2018 verleend aan het BPRC die betrekking hebben op dierproeven op apen, uitgesplitst per jaartal?

De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) heeft de volgende aantallen gegeven:

2015:0, 2016:2, 2017:6, 2018:7

Het lijkt het er nu op dat er meer vergunningen worden afgegeven. Dat is echter niet het geval. In 2015 trad het nieuwe vergunningsstelsel in werking en mede door het overgangsrecht zijn de oude vergunningen nog drie jaar lang geldig.

284

Zijn er apen gestorven 2017 en 2018 in voorraad in het BPRC, uitgesplitst naar aantal, soort en reden van sterfte?

De gegevens over gestorven dieren in voorraad in 2017 en 2018 wordt gerapporteerd aan de NVWA en is terug te vinden in de jaarregistratie van de NVWA, genaamd «ZoDoende».

 

2017

2017

2018

2018

 

Voor gebruik in fok of dierproef

Na gebruik in fok

Voor gebruik in fok of dierproef

Na gebruik in fok

Resusaap

10

16

22

22

Java-aap

1

10

2

7

Marmoset

6

1

2

7

De dieren zijn gestorven aan natuurlijke dood of aan de hand van een veterinaire interventie.

285

Zijn er in 2017 en 2018 apen in het BPRC die niet langer gebruikt worden voor proeven, uitgesplitst per soort?

Ja. In de Resus-, Java-aap en Marmoset fokkolonies zitten (oudere) dieren in sociale huisvesting die nooit worden of zijn gebruikt voor experimenten. Daarnaast zijn er Resus-, Java-apen en Marmosets die gebruikt zijn in proeven en die teruggaan naar de kolonie en daar in de sociale huisvesting zitten. Die kunnen daar de rest van hun leven blijven. Bijvoorbeeld, van de Java-apen zijn enkele volwassen mannen, nadat ze in een proef zijn geweest, nog ingezet als fokdier in de kolonie. Een groep volwassen vrouwen is, nadat zij in een proef zijn geweest, ingezet als fokdier.

286

Wat gebeurt er met de apen in het BPRC die niet langer gebruikt worden voor proeven?

Een aantal apen dat niet langer gebruikt wordt voor proeven gaat naar de fokkolonie en daar in de sociale huisvesting kunnen zij de rest van hun leven blijven. Bijvoorbeeld, van de Java-apen zijn enkele volwassen mannen, nadat ze in een proef zijn geweest, nog ingezet als fokdier in de kolonie. Een groep volwassen vrouwen is, nadat zij in een proef zijn geweest, ingezet als fokdier.

287

Wie financiert de opvang van apen van het BPRC die niet langer gebruikt worden voor proeven?

Het BPRC.

288

Hoeveel apen zijn er in 2017 en 2018 vanuit het BPRC verhandeld aan andere laboratoria, uitgesplitst per soort?

In 2017 zijn 11 resusapen verkocht aan andere onderzoekscentra.

In 2018 zijn 5 resusapen verkocht aan andere onderzoekscentra.

289

Op welke manieren vormen ook mannen in het algemeen onderdeel van het emancipatiebeleid?

Het lhbti-beleid is vanzelfsprekend op alle genders gericht. Specifiek bij gendergelijkheid geldt het volgende. Er zijn veel onderwerpen waarbij een stereotiepe rolverdeling de individuele keuzevrijheid voor zowel mannen als vrouwen beperkt. Denk aan de verdeling van arbeid en zorg, of de keuzes die jongeren maken in hun onderwijsloopbaan. Het emancipatiebeleid is gericht op vergroten van de keuzevrijheid, ook in het belang van mannen. Daarnaast wordt bij het onderwerp sociale veiligheid gekeken naar de rol van mannen en de opvattingen over mannelijkheid bij gendergerelateerd geweld.

Diverse gesubsidieerde allianties richten zich o.a. op mannen: Samen Werkt Het (het combineren van arbeid en zorg); Werk.en.de.Toekomst (stereotypering in onderwijs en arbeidsmarkt); Iedere patiënt is anders (lhbti- en gendersensitieve zorg); en Act4Respect (slachtoffers en daders van gendergerelateerd geweld). Ook is er subsidie voor White Ribbon, een campagne van mannen die in actie komen tegen geweld tegen vrouwen.

290

Wat is het beleid met betrekking tot gelijkheid in de sport?

De Minister van OCW ondersteunt de activiteiten van de alliantie Gelijk Spelen 4.0. Die activiteiten richten zich op gelijke behandeling en sociale acceptatie van LHBTI-personen in de sport.

Meer informatie over het beleid met betrekking tot gelijkheid in de sport in den brede vindt u in de VWS-begroting en het onderdeel Nationaal Sportakkoord met daarin de deelakkoorden «Inclusief sporten en bewegen» en «Vitale sport- en beweegaanbieders».

291

Op welke andere manieren dan financiële onafhankelijkheid van vrouwen en de evenwichtige representatie van vrouwen en mannen in de media geeft u gestalte aan beleid voor vrouwenemancipatie en gendergelijkheid?

De regering streeft naar gendergelijkheid op alle terreinen. Daarom is in het Integraal Afwegingskader een kwaliteitseis toegevoegd, die verplicht dat bij nieuwe wet- en regelgeving gekeken moet worden naar de effecten op gendergelijkheid. Specifiek in het emancipatiebeleid ligt prioriteit bij de arbeidsmarkt (financiële onafhankelijkheid, arbeidsparticipatie, bestrijden loonkloof, meer vrouwen naar de top, gelijkere verdeling arbeid en zorg); genderdiversiteit (tegengaan stereotypering in media en onderwijs) en gelijke behandeling (bijvoorbeeld tegengaan loondiscriminatie en zwangerschapsdiscriminatie); en sociale veiligheid (bijvoorbeeld lokale aanpak d.m.v. Veilige Steden).

292

Welke steden doen mee aan het programma Veilige Steden?

Almere, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Dordrecht, Groningen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Zaanstad.

293

Wat is de laatste stand van zaken rondom onnodige sekseregistratie?

Op 29 maart jl. heeft de Minister van OCW, mede namens de Staatssecretaris van BZK en de Minister voor Rechtsbescherming, een brief gestuurd naar de Tweede Kamer. https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2019/04/01/kamerbrief-over-onnodige-sekseregistratie/Onnodige+sekseregistratie.pdf Hierin staan maatregelen vermeld gericht op het waar mogelijk beperking van onnodige sekseregistratie. Thans wordt gewerkt aan de uitvoering van de maatregelen binnen de drie actielijnen: opstellen van afwegingskader, bevorderen van bewustwording en uitvoeren onderzoek en ontwikkelen van handreikingen. Zo heeft de Minister van OCW opdracht gegeven voor het opstellen van een afwegingskader om te bepalen wanneer het gerechtvaardigd is om naar geslacht te vragen. Tevens wordt gekeken naar het toevoegen van derde opties en het facultatief maken van m/v. Daarnaast is opdracht gegeven voor het ontwikkelen van een online toolbox met het afwegingskader, handreikingen en goede voorbeelden. Met deze instrumenten kunnen organisaties in de praktijk aan de slag met het beperken van onnodige registratie van geslacht. De toolbox wordt opgeleverd in februari 2020.

294

Klopt het dat er vanaf 2020 geen budget meer beschikbaar is voor subsidies op het gebied van vrouwenemancipatie?

Met ingang van 2017 geldt de Subsidieregeling Gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. Onder deze subsidieregeling kunnen zowel subsidies op het gebied van vrouwenemancipatie als LHBTI worden aangevraagd. Er is onder deze regeling dus budget beschikbaar voor subsidies op het gebied van vrouwenemancipatie. De bedragen die nog onder de noemer «vrouwensubsidies» zijn opgenomen, hebben betrekking op de meerjarige subsidies aangegaan onder de Subsidieregeling emancipatie 2011 vóór 2017. Deze noemer vervalt vanaf 2020.

295

Welke programma’s die onder de subsidie vrouwenemancipatie vallen worden niet gecontinueerd?

Zie antwoord op bovenstaande vraag.

296

Welke gemeenten doen mee aan het project Regenboogsteden?

Alkmaar, Almere, Alphen a/d Rijn, Amersfoort, Amstelveen, Amsterdam, Arnhem, Assen, Breda, Capelle aan den IJssel, Delft, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Dordrecht (Christelijke gemeenschap), Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gouda, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen, Helmond, Hengelo, ’s Hertogenbosch, Hilversum, Hoorn, Leidschendam, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Middelburg, Nijmegen, Nissewaard, Oss, Purmerend, Roermond/Weert, Roosendaal, Rotterdam, Schiedam, Sittard-Geleen, Súdwest-Fryslân, Tilburg, Utrecht, Velsen, Venlo, Vlaardingen, Westland, Zaanstad, Zoetermeer, Zwolle.

297

Wat is de verklaring dat de apparaatsuitgaven voor cultuur beduidend hoger zijn dan voor de andere beleidsartikelen?

Tabel 95.3 geeft een overzicht van de apparaatsuitgaven op artikel 95 die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de beleidsartikelen. In de tabel is geen splitsing gemaakt tussen beleidsartikel 14 (Cultuur) en beleidsartikel 15 (Media). Indien deze splitsing wel wordt toegepast is sprake van apparaatsuitgaven die op het gemiddelde liggen van de overige beleidsartikelen. Het bedrag voor de apparaatsuitgaven opgenomen onder Cultuur is opgebouwd uit het budget van de twee beleidsdirecties Erfgoed & Kunsten (€ 4,5 miljoen) en Media & Creatieve Industrie (€ 5,0 miljoen), totaal € 9,5 miljoen.

298

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van DUO?

Het programmabureau verantwoordelijk voor de fusie stond onder leiding van een DG en werd bemenst door medewerkers van de toenmalige organisaties CFI en de IB-Groep en van OCW. Er werd ondersteuning geleverd door de organisatie advies bureaus Turner, Nolan-Norton en ICT adviesbureau Cap Gemini.

299

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij de ICT-projecten die zijn uitgevoerd voor DUO?

In de huidige kabinetsperiode gaat het om de volgende organisaties en adviesbureaus:

ICTU

Buy It direct

Logius

Capgemini Nederland B.V.

Andriessen & Partners B.V.

De Staffing Groep Nederland B.V.

Get There business solutions B.V.

Scholten Awater BV

COMPAREX Nederland B.V.

KPN Consulting

Protinus IT B.V.

Sogeti Nederland B.V.

SQL-Integrator BV

Ordina

KPN Corporate Market B.V.

Centric Netherlands B.V.

Cimsolutions B.V.

CGI Nederland B.V.

Atos Nederland B.V.

Telindus-ISIT B.V.

Fast Flex BV

IS Group B.V.

Harvey Nash B.V.

Gartner Nederland BV

SAP Nederland B.V.

Brunel Nederland BV

Get There business solutions B.V.

Citrus B.V.

Canon Nederland NV

Vodafone Libertel NV

LinkiT

Tele2 Nederland BV

PCI Nederland b.v.

PBLQ HEC

EIC B.V.

HeadFirst B.V.

Xerox (Nederland) B.V.

Detron Communication Solutions B.V.

Computacenter B.V.

KPMG

300

Welke externe organisaties en adviesbureaus zijn betrokken geweest bij het uitvoeren van andere projecten dan ICT-projecten voor DUO?

Nagenoeg alle projecten binnen DUO kennen een ICT component. Alleen rondom de klassieke HR aangelegenheden is de ICT component minder prominent aanwezig. Bij reorganisaties en medewerker ontwikkeltrajecten is gebruik gemaakt van ECOP van de rijksoverheid en Ardis bij het project «Manager aan Zet».

301

Hoeveel managementfuncties zijn er binnen DUO en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

In de maand september 2019 waren er in totaal 110 fte aan managementfuncties ingevuld binnen DUO tegen in totaal 2.738 fte andersoortige functies. Dit is gemiddeld 25 fte per manager.

302

Hoeveel communicatiefuncties zijn er binnen DUO en hoe staat dit in verhouding tot het aantal uitvoerende functies?

In de maand september 2019 waren er in totaal 26 fte aan communicatiefuncties ingevuld binnen DUO tegen 2.738 andersoortige functies. Per fte communicatiemedewerker zijn er dus gemiddeld 105 fte uitvoerende medewerkers.

303

Hoeveel medewerkers met tijdelijke contracten werken er bij DUO en hoe staat dit in verhouding tot het aantal vaste medewerkers?

Bij DUO werkten in de maand september 2019 2.510 vaste interne medewerkers en hadden 123 interne medewerkers een tijdelijk dienstverband. Deze laatste groep betreft voor een groot deel (ICT-)trainees. Het is de bedoeling deze medewerkers, na een succesvol traineeship, een vast dienstverband aan te bieden.

304

Wat is de stand van zaken rondom het programma Beter Benutten?

Zie het antwoord op vraag 247.

305

Op basis van welke wetgeving hebben commerciële partijen (bijv. Ockto) het recht om gegevens bij DUO op te vragen?

De burger heeft op basis van de AVG het recht om zijn eigen persoonsgegevens bij de overheid digitaal in te zien. Hij hoeft niet nader te motiveren met welk doel hij de gegevens wil inzien. Hij kan vervolgens zelf besluiten om deze gegevens te delen met derden, zoals Ockto. In de meeste gevallen vindt dat ook plaats buiten medeweten van de overheid. Ockto kan dus geen gegevens van burgers bij de overheid opvragen, maar ontvangt deze uitsluitend met toestemming en met tussenkomst van de burger zelf.

306

Hoeveel mensen worden er ingehuurd voor hoeveel fte voor de genoemde € 34.759?

Voor de in de begroting opgenomen € 34,7 miljoen worden 239 fte ingehuurd (waarbij 1 fte gelijk is gesteld aan 1.830 uur).

307

Welke beleidswijzigingen en nieuwe taken worden bedoeld in de zin «tevens is in de begroting € 21,8 miljoen opgenomen voor de implementatie van beleidswijzigingen en € 19,4 miljoen voor nieuwe taken welke nog geen onderdeel zijn van de lumpsum financiering van het basiscontract?

Van de € 21,8 miljoen voor beleidswijzigingen is € 12,9 miljoen toe te reken aan Doorontwikkelen BRON en de overige € 8,9 miljoen aan diverse trajecten waaronder Vereenvoudiging Bekostiging, Levenlanglerenkrediet en Aanmeldmodule Nederlands als Tweede Taal. De € 19,4 miljoen aan nieuwe taken omvat onder andere werkzaamheden ten behoeve van het digitaal afnemen van toetsen (FACET), Persoonsgericht Innen, Intensivering Handhaving en Misbruik Uitwonendenbeurs.

308

Hoe wil DUO het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering aanpakken? Welke concrete acties worden er hiervoor opgepakt?

De inzet externen betreft met name ICT-Inhuur. De externen worden grotendeels ingezet op de ICT-projectenportfolio, VDI OCW en de SSO-taken inzake ICT-hosting.

DUO is bezig de externe inzet af te bouwen en heeft daarvoor een speciaal programma externe inhuur ingericht. Het is gelukt om de externen deels af te bouwen, echter de krapte op de arbeidsmarkt met betrekking tot ICT-personeel speelt DUO parten. De invulling van de ICT-vacatures gaat moeizaam. Niet elke externe wil in dienst komen tegen de arbeidsvoorwaarden van de rijksoverheid. Daarom neemt DUO deel in het Rijks ICT Gilde en worden ook medewerkers vanuit I-Interim Rijk ingezet. Deze medewerkers vallen onder de categorie detacheringen.

309

Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat een deel van de loon-prijsontwikkeling wordt ingehouden ter dekking van de openstaande taakstelling en voor onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen bij DUO? Wat zullen op lange termijn gevolgen zijn voor het primaire proces in het onderwijs en voor de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep?

Om de taken van DUO uit te kunnen blijven voeren, onder meer voor de bekostiging van de onderwijsinstellingen, zijn investeringen nodig in onderhoud en vervanging van de ICT-systemen. Conform de begrotingsregels van dit kabinet dient een dergelijke toevoeging van budget aan DUO gedekt te worden binnen de OCW-begroting. Dit is gedekt door het inzetten van een deel van de lpo op onderwijs, onderzoek en apparaat. Hiermee is het beschikbare budget voor onderwijsinstellingen niet verlaagd, maar is slechts minder verhoogd dan zonder deze inhouding mogelijk was. Op het totale onderwijsbudget komt dit neer op gemiddeld een kwart procentpunt minder stijging.

Bijvoorbeeld: een school in het voortgezet onderwijs krijgt dit jaar 2,7% meer budget, en dat is 0,2%-punt minder dan ze hadden gekregen als de ingehouden prijsbijstelling wel was uitgekeerd, namelijk 2,9%. In het po wordt conform de wet op het primair onderwijs zowel alle loon- als alle prijsbijstelling op de bekostiging uitgekeerd. Lange termijn effecten op het onderwijs liggen niet voor de hand.

310

Waarom ontbreekt in het overzicht met maatregelen uit het Regeerakkoord (tabel 4) maatregel G50? Kunt u alsnog benoemen op welk(e) begrotingsartikel(en) deze maatregel drukt?

De begrote budgettaire gevolgen van maatregel G50 10 jaars rente studievoorschot beginnen in 2025. De begroting 2020 heeft een horizon tot 2024. Daarom is de maatregel G50 niet zichtbaar(geweest) in de tabellen in de begroting.

Het tekort dat ontstaan is door het intrekken van de maatregel is generaal gedekt in 2025. Het tekort loopt na 2025 geleidelijk op tot structureel € 226 miljoen in 2060 en is technisch ingeboekt ten laste van artikel 6 & 7. De dekking van dit structurele tekort kan indien gewenst bij een volgende formatie weer anders worden ingevuld.

311

Waar wordt de € 24,9 miljoen van de kasschuif voor leven lang ontwikkelen aan besteed?

De kasschuif is bedoeld om de beschikbare middelen in overeenstemming te brengen met het (verwachte) betalingsritme. Dit bedrag wordt voor € 4,6 miljoen besteed aan flexibel beroepsonderwijs derde leerweg, het overige deel wordt gebruikt voor de overboeking naar het Ministerie van Financiën voor de fiscale aftrek scholingskosten.

312

Waar komt de € 4,6 miljoen van 2019 bij de kasschuif uit?

Zie het antwoord op vraag 311.

313

Wat ligt ten grondslag aan de kasschuif in de latere jaren?

Zie het antwoord op vraag 311.

314

Welke subsidieregeling of projecten liggen aan de kasschuif ten grondslag?

Zie het antwoord op vraag 311.

315

Hoe verhoudt de verschuiving naar bèta en techniek zich tot de op pagina 32 en 33 van het rapport van de commissie-Van Rijn voorspelde tekorten op de arbeidsmarkt in de sectoren medisch, gedrag en maatschappij en onderwijs? Heeft u het advies van de commissie getoetst op innerlijke consistentie?

In de bètatechniek bestaat een grote en toenemende vraag vanuit de arbeidsmarkt, en tegelijkertijd toenemende aantallen studenten die bereid zijn een opleiding in dit domein te volgen, terwijl de bètatechnische opleidingen deze vraag niet kunnen verwerken. Gezien het belang van digitalisering en technologisering van de samenleving is het van belang om te investeren in bètatechnische opleidingen.

Uit de grafieken op pagina 32 en 33 van het rapport van de commissie Van Rijn blijkt inderdaad dat ook in andere sectoren tekorten op de arbeidsmarkt zijn. Het kabinet is zich daarvan bewust en neemt ook diverse maatregelen om bijvoorbeeld het lerarentekort en de tekorten in de zorg te bestrijden.

De commissie Van Rijn geeft echter ook aan dat in de bètatechniek de beschikbare opleidingscapaciteit achter blijft bij de aanhoudende groei van studentenaantallen en dat de tekorten in zorg en onderwijs van een andere orde zijn (het gaat daar meer om het genereren van meer instroom in plaats van dat de opleidingscapaciteit tegen zijn grenzen aan loopt). De commissie adviseert daarom bij de herziening van de bekostiging in het wo de nadruk de leggen op bètatechniek. Het kabinet heeft dit advies overgenomen en investeert daarnaast ook in het hbo in bètatechniek.

316

Kunt u toelichten hoe aan de motie van het lid Jasper van Dijk over maatregelen tegen ondermijning van basiswaarden25 uitwerking is gegeven?

Bij brief van 18 april 2019 is uw Kamer naar aanleiding van deze motie geïnformeerd (Kamerstukken vergaderjaar 2018–2019, 29 754, nr. 501). Samenvattend: scholen die in strijd handelen met basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden daar door de inspectie op aangesproken. Als sprake is van een wettelijk overtreding geeft de inspectie de school opdracht de tekortkoming op te heffen. Als de school ondanks meerdere mogelijkheden tot herstel in gebreke blijft, zal sprake zijn van sanctionering en zo nodig melding bij de Minister. Zoals al eerder aan de Tweede Kamer gemeld, werkt het kabinet aan de uitbreiding van het wettelijk instrumentarium om in te kunnen grijpen in situaties waarin gehandeld wordt in strijd met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat (Kamerstukken vergaderjaar 2018–2019, 29 614 en 31 289, nr. 11310).

317

Wat is de planning voor het onderzoek naar knelpunten voor transgenderpersonen op de arbeidsmarkt?

Op dit moment vindt hier overleg over plaats met SZW. Uit onderzoek van o.a. het Sociaal Cultureel Planbureau weten we al het nodige over de knelpunten die transgender personen ervaren op de arbeidsmarkt (LHBT-monitor 2018).

Uit signalen, van bijvoorbeeld lokale anti-discriminatievoorzieningen en het College van de Rechten van de Mens, blijkt verder dat angst bij werkgevers voor uitval en ziekteverzuim maakt dat zij minder geneigd zijn transgender personen aan te nemen. Ziekteverzuim blijkt soms ook een reden om contracten niet te verlengen. In het algemeen wordt de positie van transgender personen op de arbeidsmarkt belemmerd door onbekendheid en vooroordelen bij werkgevers. Aan dit punt werkt het Transgender Netwerk Nederland (TNN) met steun van OCW; bijvoorbeeld via voorlichting bij grote bedrijven en de uitreiking van de «Transzoen» voor voorbeeld-werkgevers. Ook stimuleert OCW de positie van transgenderpersonen op de arbeidsmarkt via een project gericht op coaching, arbeidstoeleiding en werkplekbegeleiding van transgenders die, om verschillende redenen, een afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Het overleg met SZW is bedoeld om te bepalen of er naast deze maatregelen nog meer nodig is.

318

In hoeveel gemeenten zijn inmiddels kerkenvisies opgesteld en welke inspanningen worden er gepleegd om dit verder te bevorderen?

Op dit moment stellen 48 gemeenten een kerkenvisie op. Het programma Toekomst Religieus Erfgoed (samenwerkingsverband van overheden, kerkgenootschappen en erfgoedorganisaties) stimuleert het opstellen van kerkenvisies. Dit wordt bereikt door kennisdeling (o.a. een toolkit), draagvlakbevordering en communicatie. Hierbij worden ook de ervaringen van de zes pilotgemeenten gebruikt.

319

Kunt u naar aanleiding van motie van de leden Tielen en Bruins over het profileringsfonds meer bekendheid geven26 toelichten hoe het profileringsfonds nu daadwerkelijk meer bekendheid heeft gekregen en wat daarvan het resultaat is met betrekking tot het aantal studenten die onvrijwillig studievertraging oplopen?

Naar aanleiding van de motie Tielen/Bruins heeft het expertisecentrum Inclusief Hoger Onderwijs meermaals per jaar via het Landelijk Netwerk Studentenwelzijn Hoger Onderwijs de bekendheid van het profileringsfonds bij studentendecanen en studieadviseurs onder de aandacht gebracht. Ook is in de Werkgroep Studentenwelzijn, waarin VH, VSNU, LSVb en ISO onder andere zitting nemen, de noodzaak voor betere voorlichting en de bekendheid van voorzieningen bij studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten. Daarnaast lanceert het Expertisecentrum op 1 november een landelijke website met informatie over studeren met een functiebeperking voor mbo- en ho-studenten en welke voorzieningen er zijn, waaronder het profileringsfonds.

De monitor beleidsmaatregelen 2018–2019 laat geen stijging van het aantal studenten zien die bekend zijn met het profileringsfonds. Wel laat de monitor zien dat de tevredenheid over informatievoorziening is gestegen van 27% naar 37%. De € 2 miljoen structureel voor het fonds is sinds 2018 aan instellingen beschikbaar gesteld. In het najaar van 2020 ontvangt de Tweede Kamer een monitor profileringsfonds waarin de resultaten van deze extra middelen worden weergegeven.

320

Welke acties en activiteiten worden in het komende jaar ontwikkeld om de mentale gezondheid van studenten te bevorderen?

Veel hoger onderwijsinstellingen hebben de begeleiding en ondersteuning van studenten – waaronder studenten met psychische klachten – goed op orde. Er zijn echter ook signalen dat dit bij sommige instellingen nog niet het geval is. De deelnemers van de Werkgroep Studentenwelzijn (Handicap + Studie, ISO, Lsvb, vh, vsnu, UvH en OCW) zullen zich daarom het komende jaar gezamenlijk inzetten om de vele goede voorbeelden die er zijn te verzamelen en te verspreiden. Daarbij zal niet alleen gekeken worden naar interessante initiatieven vanuit instellingen, maar vooral ook naar initiatieven waar studenten zelf tevreden over zijn. Daarnaast werkt het RIVM het komende jaar aan een grootschalige kwantitatieve nulmeting van de mentale gezondheid van studenten. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2020 verwacht.

321

Beschikt u naar aanleiding van de motie van de leden Tielen en Van der Molen over criteria voor de numerus fixus27 over een overzicht van hoeveel en in welke richtingen opleidingen nu gebruik maken van een fixus, maar dan (tegengesteld aan de motie) om juist de instroom te beperken richting opleidingen die een beperkte uitstroom richting het specifieke beroep op de arbeidsmarkt hebben dan wel relatief sneller tot werkloosheid opleiden en kunt u delen wat hier wel/niet over te melden valt?

In deze vraag wordt gerefereerd aan het instrument arbeidsmarktfixus. Het instellen van een arbeidsmarktfixus op een opleiding (numerus fixus om de instroom te beperken vanwege de (verwachte) beperkte arbeidsmarktvraag) is mogelijk op grond van een ministeriële regeling (art. 7.56 in Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek). Er zijn op dit moment geen opleidingen die op deze manier een numerus fixus hanteren. Wel kunnen er opleidingen zijn die kiezen voor een capaciteitsfixus waarbij arbeidsmarktoverwegingen (mede) een rol spelen. Het is niet bekend om welke opleidingen het gaat.

322

Welke indicatoren hanteert u om inzicht te krijgen in de resultaten van de intensiveringen in fundamenteel en toegepast onderzoek?

De intensiveringen in fundamenteel en toegepast onderzoek, via de OCW-begroting, zijn toegelicht in de wetenschapsbrief van 28 januari 2019: Nieuwsgierig en betrokken – de waarde van wetenschap. Het gaat om investeringen in specifieke instrumenten, ieder met eigen doelstellingen en bijbehorende indicatoren. Het grootste deel van de intensiveringen betreft de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De NWA heeft als doelstelling om wetenschappelijke doorbraken te realiseren en maatschappelijke opgaven op te lossen op de 140 geclusterde vragen en de 25 NWA-routes.

NWO coördineert de NWA. Om de resultaten van de NWA te monitoren, gebruikt NWO indicatoren zoals wetenschappelijke publicaties, publicaties voor een breder publiek en intellectuele eigendomsrechten, maar ook indicatoren voor samenwerking. Het betreft de mate waarin de NWA leidt tot samenwerking tussen verschillende partijen in de kennisketen (bijvoorbeeld universiteiten, hogescholen en bedrijven), samenwerking met maatschappelijke partijen (bijvoorbeeld stichtingen en publieke organisaties) en tussen verschillende wetenschappelijke disciplines. Met kwalitatieve indicatoren wordt gemeten hoe de NWA leidt tot maatschappelijke resultaten zoals nieuwe producten en processen die bijdragen aan duurzame landbouw en cybersecurity.

Ook voor de andere instrumenten waar OCW extra in investeert, is een set indicatoren ontwikkeld. Zo wordt bij investeringen in (digitale) onderzoeksinfrastuctuur bijgehouden in welke mate Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij de ontwikkeling en bouw van een onderzoeksinfrastructuur en/of hoeveel organisaties gebruik maken van een onderzoeksinfrastructuur. Ook de set indicatoren voor de sectorplannen is maatwerk. De commissies sectorplannen monitoren of de faculteiten de doelen behalen die ze hebben aangegeven in hun faculteitsplannen zoals het aantal vaste contracten en het percentage aangestelde vrouwen.

323

Hoe staat het met de regionale afspraken over (het beperken van) de inzet van commerciële uitzend- en bemiddelingsbureaus, naar aanleiding van de motie van de leden Kwint en Westerveld over het beperken van het gebruik van uitzendbureaus28?

Op verschillende plekken zijn schoolbesturen bezig om tot gezamenlijke afspraken te komen over de inschakeling van uitzendbureaus. Dit is een positieve ontwikkeling en wordt toegejuicht.

324

Kunt u naar aanleiding van motie van het lid Rudmer Heerema c.s. over het wettelijk mogelijk maken van flexibele onderwijstijden29 uitleg geven hoe deze scholen nu verder gaan?

Zoals aangeven in de brief van 5 juli zal er per schooljaar 2020/2021 een nieuw experiment worden gestart. De scholen uit het huidige experiment kunnen daaraan deelnemen. De voorwaarden en waarborgen uit de motie zullen het uitgangspunt vormen voor het wel of niet mogen afwijken van bestaande wet- en regelgeving. In mijn brief van 18 oktober heb ik mijn voornemens rondom de invulling van de voorwaarden en waarborgen met uw Kamer gedeeld.

325

Wordt op dit moment de problematiek van het lerarentekort al in kaart gebracht door landelijk te registeren, zoals wordt verzocht in de aangenomen motie van het lid Kwint c.s. over het landelijk registreren van het lerarentekort30? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, wanneer en hoe gaat dit wel gebeuren?

Zoals in het AO leraren van 9 oktober medegedeeld, worden er momenteel gesprekken gevoerd over de uitvoering van de motie met onder andere de inspectie, de PO-Raad, initiatiefnemer van lerarentekortisnu.nl, AOb en AVS. In het najaar informeer ik uw Kamer over de uitkomst.

326

In hoeverre biedt deze begroting ruimte om leraren in het voortgezet speciaal onderwijs te laten vallen onder de CAO van het voortgezet onderwijs, wanneer dit ter sprake komt in het gesprek dat u aangaat met sociale partners om ten behoeve van het onderwijs aan de kwetsbare leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs een oplossing voor het lerarentekort te zoeken? Staat daarmee eigenlijk nu al vast wat de inhoud zal zijn van de brief over de motie van het lid Van den Hul c.s. over het lerarentekort in het speciaal onderwijs31 die de Kamer in januari 2020 verwacht te ontvangen?

In deze begroting zit geen ruimte om leraren in het vso onder de cao van het voortgezet onderwijs te laten vallen. Het lerarentekort in het (voortgezet) speciaal onderwijs is een bespreekpunt op de landelijke tafel lerarentekort. Aan de laatste landelijke tafel is afgesproken dat de PO-Raad, op basis van de resultaten en in overleg met de VH, vervolgacties voorstelt.

327

Kunt u specificeren hoeveel er nu nodig zou zijn om het financieel mogelijk te maken dat leraren in het voortgezet speciaal onderwijs voortaan gaan vallen onder de CAO voor het voortgezet onderwijs? Kunt u die berekening inzichtelijk maken? Hoe verhoudt dit zich tot het bedrag dat de Minister-President noemde tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, van € 120 miljoen?

Om alle leraren in het vso met het uitstroomprofiel vervolgonderwijs onder de cao vo te laten vallen is structureel circa € 35 miljoen nodig. Om alle leraren in het (v)so onder de beloning van de cao vo te laten vallen is structureel circa € 120 miljoen benodigd. Idee hierbij is dat (v)so-leraren op basis van de huidige schaal en trede in de cao po worden ingepast in de cao vo. Bij deze bedragen is ervan uitgegaan dat in het po over 2019 nog een vergelijkbare salarisafspraak wordt gemaakt als in het vo is gebeurd (te weten 2,15%).

Verder moet bij het onderbrengen onder de cao vo rekening gehouden worden met het feit dat naast de beloningskosten ook kosten ontstaan doordat ook andere arbeidsvoorwaarden gaan gelden voor (v)so-leraren zoals een ander aantal lesgevende uren.

(v)so diplomagerichte stroom onder cao VO OP

€ 35 mln.

(v)so alle richtingen cao VO OP

€ 120 mln.

(v)so alle richtingen cao VO OP + OOP + schoolleiders

€ 210 mln.

328

Hoe wordt er in de begroting voor 2020 precies uitvoering gegeven aan motie van de leden Van Meenen en Westerveld32 over bestemmingsreserve?

Aan de motie is nog geen uitvoering gegeven. De TK zal, zoals opgenomen in de begroting 2020, over de uitvoering op korte termijn worden geïnformeerd.

329

In hoeverre is er op alle onderwijsinstellingen in het hoger en middelbaar onderwijs laagdrempelige psychische hulpverlening aanwezig en in hoeverre is het aanbod hiervoor toereikend?

In het voorjaar van 2019 heeft Handicap + Studie in opdracht van OCW en naar aanleiding van de motie Bruins een inventarisatie gedaan van het aanbod van laagdrempelige psychische hulpverlening op onderwijsinstellingen in het hoger onderwijs en mbo. De Kamer is eind augustus geïnformeerd over de resultaten in een brief over passend onderwijs in het mbo en studeren met een ondersteuningsbehoefte in mbo en hoger onderwijs. Het aanbod is over het algemeen op orde. Studenten weten het aanbod echter niet altijd te vinden, omdat de informatievoorziening vanuit instellingen achterblijft. OCW overlegt met de Werkgroep Studentenwelzijn over hoe deze informatievoorziening vanuit instellingen verbeterd kan worden. Tegelijkertijd werkt Handicap + Studie in opdracht van OCW en in overleg met studenten aan een landelijke website met informatie over studeren met een ondersteuningsbehoefte voor studenten in het mbo en hoger onderwijs.

330

Waarom is er, ondanks het feit dat instellingen die lesmateriaal voor mensen met een visuele beperking maken te maken hebben gehad met forse kostenstijgingen, al sinds 2009 geen loon- en prijsbijstelling in het subsidiebedrag voor deze instellingen opgenomen?

Zie het antwoord op vraag 74.

331

Is er voor instellingen die lesmateriaal voor mensen met een visuele beperking zicht op een loon- en prijsbijstelling vanaf 2020, gezien de toenemende kosten die deze instellingen ervaren?

Zie het antwoord op vraag 75.

332

Waarom is er, ondanks het feit dat instellingen die lesmateriaal voor mensen met een visuele beperking maken te maken hebben gehad met forse kostenstijgingen, al sinds 2009 geen loon- en prijsbijstelling in het subsidiebedrag voor deze instellingen opgenomen?

Zie het antwoord op vraag 74.

333

Worden er additionele middelen vrijgemaakt om de dienstverlening aan dyslectische en motorisch beperkte scholieren en studenten te kunnen uitbreiden? Zo nee, waarom niet?

Hierover is op 19 juni 2019 naar de TK gecommuniceerd (13e voortgangsrapportage Passend Onderwijs), kenmerk 8987850. Nummer TK 2019212682.

Het verstrekken van additionele middelen is beëindigd. Reden hiervoor is dat de uitgevers het materiaal digitaal beschikbaar moeten stellen op een manier die voor dyslecten toegankelijk is. Die verplichting ligt vast in verdragen. De uitgevers hebben het plan om dat binnen afzienbare tijd te gaan doen. Tot die tijd blijft Dedicon de reeds omgezette leermiddelen beschikbaar stellen. Daarnaast gaat Dedicon de meest gebruikte methoden omzetten voor dyslecten. Daarnaast zijn er vanaf 2017 extra middelen ingezet voor het stimuleringsprogramma Preventieve & Integrale Aanpak Dyslexie & Hulpmiddelen Onderwijs. Dit loopt ook in 2020 door.

334

Waarom rekent u voor godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs (gvo/hvo) met een geraamd gewogen gemiddelde leeftijd met bijbehorende gemiddelde personeelslast (gpl) van 40-jarigen, waar de werkelijke gemiddelde leeftijd bij gvo/hvo ruim 53 jaar bedraagt?

Voor het godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs (gvo/hvo) is er geen sprake van leeftijdsafhankelijke bekostiging. Bij de oorspronkelijke onderbouwing van het budget is uitgegaan van de landelijke GPL.

335

Waarom rekent u voor gvo/hvo geen bedrag voor de factor leiding, daar waar deze sector wel ruim € 1 miljoen besteedt aan de leiding en begeleiding van docenten en ook de lumpsumsystematiek voor het primair onderwijs (po) is ingesteld op deze factor?

De bekostiging voor gvo/hvo voor de factor leiding is onderdeel van de bekostigde overhead.

336

Bent u bereid om de berekening van het bekostigingsbedrag voor gvo/hvo te laten aansluiten bij de praktische werkelijkheid van gvo/hvo, bijvoorbeeld door bij de normbedragen uit de ministeriële regelingen voor de bekostiging en instandhouding van personeel uit te gaan van een juiste weging van de bedragen van schooljaren, om tot een bedrag voor een boekjaar (kalenderjaar) te komen?

Bij het opstellen van het ontwerpbesluit is zorgvuldig gekeken naar de wijze waarop de subsidie moet worden berekend om ervoor te zorgen dat er sprake is van een adequaat bedrag voor de instelling door bij de berekening een maatstaf te hanteren die vergelijkbaar is met de berekening die gebruikt wordt voor de bekostiging van onderwijsinstellingen als bedoeld in de onderwijswetgeving.

337

Waarop is het totaal bedrag voor de regeling voor zij-instromers gebaseerd?

Het budget in 2019 voor de regeling zij-instroom is in november 2018 met het amendement-Rog (35000-VIII nr. 38) gelijk gesteld aan de realisatie in 2018, € 17,2 miljoen. Bij voorjaarsnotabesluitvorming in 2019 is het budget voor de regeling zijinstroom verder opgehoogd met structureel € 4 miljoen. Het budget is daarmee structureel € 21,2 miljoen. Het aantal aanvragen voor de sectoren po en mbo is echter boven verwachting. Om dit jaar nog meer aanvragen te kunnen honoreren, hebben we het subsidieplafond voor 2019 onlangs verhoogd (Kamerbrief 2019D35033) naar € 25,4 miljoen. Met dit budget kunnen 1274 aanvragen worden gehonoreerd. Na 15 oktober zal eventueel de resterende ruimte in het subsidiebudget worden herverdeeld tussen sectoren, zodat nog meer aanvragen po en mbo kunnen worden toegekend. Mochten er toch nog meer aanvragen voor de subsidie zijinstroom binnenkomen dan dat daar nu budget voor is, dan gaan wij ons inzetten om daar bij najaarsnota dekking voor te vinden binnen de middelen voor het lerarenbeleid.

338

Worden met de regeling voor zij-instromers alle kosten gecompenseerd?

Met de subsidieregeling zij-instroom kan er € 20.000 aan subsidie worden aangevraagd. Uit onderzoek blijkt dat de kosten voor een zij-instroomtraject verschilt per sector. De grootste kostenposten vormen het laten volgen van scholing door de zij-instromer, het geven van begeleiding en het geven van studieverlof. De hoogte van de kosten is ook afhankelijk van de keuzes van het schoolbestuur, bijvoorbeeld of de zij-instromers wel of niet meteen de verantwoordelijkheid over een groep dragen en er voor kortere of langere tijd wordt gekozen voor een dubbele bezetting (en daarmee dubbele personeelskosten).


X Noot
1

Convention of the Elimination of All forms of Discrimination against Women

X Noot
2

Loon- en prijsontwikkeling

X Noot
3

Kamerstuk 35 000, nr. 17

X Noot
4

Academie voor Lichamelijke Opvoeding

X Noot
5

Kamerstuk 35 074, nr. 50

X Noot
6

Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs

X Noot
7

Deze ombuigingen en intensiveringen zijn onderdeel geworden van de reguliere budgetten en daarmee wel onderdeel van de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling op de OCW-begroting.

X Noot
8

Kamerstuk 35 007, nr. 3

X Noot
9

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
10

Kamerstuk 31 288, nr. 736

X Noot
11

Homogene Groep Internationale Samenwerking

X Noot
12

Beloning is bruto salaris inclusief toeslagen (zoals vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en overige toelagen)

X Noot
13

Beloning is bruto salaris inclusief toeslagen (zoals vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en overige toelagen)

X Noot
14

In verband met de vergelijking tussen po en vo is de salarisverhoging van 2,15% in het vo per 1 juni 2019 nog niet meegenomen. Het po moet nog salarisafspraken maken over 2019.

X Noot
15

Education at a Glance 2019

X Noot
16

Actual salaries uit 2016–2017. De investering van 270 miljoen en de 70 miljoen vrijgemaakt uit de functiemiddelen zien we hier dus nog niet in terug.

X Noot
17

Het gemiddelde voor alle OESO-landen bij diverse leeftijdscategorieën is niet bekend, alleen het EU-gemiddelde.

X Noot
18

Zie SEO 2017 «Wat verdient een overheids- of onderwijswerknemer ten opzichte van de marktsector?»

X Noot
19

Op basis van gegevens van DUO, met peildatum 1 oktober 2017. Zie ook de Arbeidsmarktbrief 2018.

X Noot
20

Op basis van gegevens van DUO, met peildatum 1 oktober 2018.

X Noot
21

Op basis van gegevens op www.functiemix.nl in het jaar 2018 (de landelijke cijfers).

X Noot
22

Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 23 645, nr. 652; en Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 23 645, nr. 665

X Noot
23

Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 23 645, nr. 665

X Noot
24

De definities over fundamenteel en toegepast onderzoek komen uit: OECD (2015). Frascati Manual 2015:

Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental Development, Paris: OECD Publishing. Daarnaast is de website van de Vereniging Hogescholen geraadpleegd.

X Noot
25

Kamerstuk 29 754, nr. 459

X Noot
26

Kamerstuk 31 288, nr. 644

X Noot
27

Kamerstuk 31 288, nr. 614

X Noot
28

Kamerstuk 27 923, nr. 336

X Noot
29

Kamerstuk 31 293, nr. 469

X Noot
30

Kamerstuk 35 000-VIII nr. 192

X Noot
31

Kamerstuk 31 497, nr. 290

X Noot
32

Kamerstuk 34 638, nr. 5

Naar boven