Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201834775 nr. 2

34 775

Nr. 2 NOTA OVER DE TOESTAND VAN ’S RIJKS FINANCIËN

19 september 2017

Bijlagen

   

Blz.

1.

Uitgaven en niet-belastingontvangsten

4

2.

De Belasting- en premieontvangsten

16

3.

EMU-saldo

30

4.

EMU-schuld

34

5.

Overheidsbalans

37

6.

Fiscale regelingen

39

7.

Overzicht risicoregelingen van het Rijk

57

8.

Normeringssystematiek gemeente- en provinciefonds

63

9.

Horizontale toelichting

67

10.

Verticale toelichting

130

11.

Toelichting op de fiscale regelingen

242

12.

Toelichting op de belastingontvangsten

277

13.

Overzicht interventies financiële sector

300

1. Uitgaven en niet-belastingontvangsten

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende manieren waarop de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de overheid worden weergegeven. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden transacties geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd: welke bedragen worden van de bankrekeningen van het Rijk afgeschreven. Bij het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt niet uitgegaan van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis: de uitgaven worden geboekt in de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.

Tabel 1.1 Netto-uitgaven naar type en kader (in miljoenen euro)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

               

kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

Tabel 1.5

kader SZA

20.412

21.050

21.547

21.910

22.507

23.145

23.650

Tabel 1.6

kader BKZ

7.299

7.286

7.437

7.430

7.359

7.430

7.374

Tabel 1.7

Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

Tabel 1.8

Totaal begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

150.369

151.629

161.900

168.098

174.736

180.988

187.771

Tabel 1.4

Premiegefinancierde netto-uitgaven

               

kader SZA

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

Tabel 1.6

kader BKZ

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

Tabel 1.7

Totaal premiegefinancierde netto-uitgaven

115.001

117.880

122.037

128.115

134.378

140.362

147.364

 

Totaal netto-uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

 
                 

kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

Tabel 1.5

kader SZA

76.607

77.388

78.464

80.568

82.727

84.480

86.909

Tabel 1.6

kader BKZ

66.105

68.828

72.557

76.887

81.517

86.457

91.478

Tabel 1.7

Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenkader

253.287

253.211

266.433

276.559

286.089

295.028

305.470

 

Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

Tabel 1.8

Totaal netto-uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

 

Tabel 1.1 bevat alle netto-uitgaven van de rijksoverheid: de optelsom van de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een uitgavenkader. De uitgaven onder het uitgavenkader mogen het uitgavenplafond niet overschrijden. Het uitgavenkader is op zijn beurt gesplitst in drie verschillende deelkaders: het kader Rijksbegroting in enge zin, het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid en het Budgettair Kader Zorg. De meeste netto-uitgaven vallen onder een van de drie kaders. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder een kader vallen, deze worden de niet-kaderrelevante uitgaven genoemd.

In het bovenste deel van de tabel zijn de uitgaven uitgesplitst in de begrotingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden betaald uit belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinancierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit de sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven per kader opgeteld.

Tabel 1.2 Uitgaven begrotingen (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

143

150

144

142

142

147

144

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

115

120

113

112

112

112

112

3

Algemene Zaken

59

64

63

63

63

65

67

4

Koninkrijksrelaties

297

317

294

139

138

138

125

5

Buitenlandse Zaken

10.106

8.440

9.534

10.349

10.548

10.428

10.719

6

Veiligheid en Justitie

13.192

13.164

12.081

12.032

11.905

11.730

11.341

7

Binnenlandse Zaken

903

891

759

734

717

716

713

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

38.696

38.171

38.870

38.731

38.675

38.851

39.054

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

9.094

8.419

7.918

7.450

7.266

7.203

9.435

9B

Financiën

9.968

6.745

7.118

6.817

6.418

6.227

6.322

10

Defensie

8.242

8.956

9.204

9.133

9.096

8.960

8.872

12

Infrastructuur en Milieu

7.891

7.461

8.431

8.736

8.776

8.947

8.997

13

Economische Zaken

5.056

5.232

5.254

5.755

6.391

6.295

6.410

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

31.664

32.236

32.090

32.577

32.603

32.760

32.951

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

15.193

14.720

15.231

15.383

15.734

16.329

16.767

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.885

2.831

2.466

2.412

2.500

2.720

2.716

18

Wonen en Rijksdienst

4.209

4.470

4.526

4.641

4.583

4.727

4.908

50

Gemeentefonds

28.125

27.822

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

5.238

5.779

6.243

6.410

6.452

6.422

6.500

58

Diergezondheidsfonds

32

44

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

1.147

983

1.119

1.164

1.210

1.369

1.248

AP

Aanvullende posten

0

– 1.471

2.711

5.679

8.781

11.771

15.087

90

Consolidatie1

– 6.026

– 5.337

– 6.595

– 6.959

– 7.015

– 7.132

– 7.179

HGIS

Internationale Samenwerking2

(5.342)

(4.709)

(4.662)

(4.569)

(4.634)

(4.820)

(4.898)

Totaal

188.806

182.702

188.161

191.941

195.369

198.868

205.211

X Noot
1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

X Noot
2

In deze tabel zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.2 geeft alle uitgaven zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleids- en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begrotingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de uitgaven en verderop in bijlage 3 het saldo van de overheid, zijn de uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 1.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

0

0

0

0

0

0

0

2A

Staten-Generaal

5

4

4

4

4

4

4

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

6

6

6

6

6

6

6

3

Algemene Zaken

7

7

7

7

7

7

7

4

Koninkrijksrelaties

58

57

48

39

37

35

35

5

Buitenlandse Zaken

1.239

3.829

752

765

779

794

806

6

Veiligheid en Justitie

2.375

1.896

1.714

1.662

1.675

1.632

1.593

7

Binnenlandse Zaken

206

155

51

66

66

65

65

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.318

1.338

1.381

1.415

1.488

1.554

1.633

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

15.335

10.392

12.428

9.648

5.653

3.107

2.574

9B

Financiën

9.217

5.643

2.161

2.148

2.218

2.080

2.078

10

Defensie

373

422

420

311

268

273

275

12

Infrastructuur en Milieu

210

276

248

243

242

242

242

13

Economische Zaken

3.197

3.393

3.540

4.083

4.652

4.555

4.658

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.872

1.903

1.886

1.919

1.957

1.949

1.952

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

1.011

159

100

94

94

94

94

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

252

90

79

76

76

73

72

18

Wonen en Rijksdienst

955

724

609

647

637

586

573

50

Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

0

51

Provinciefonds

             

55

Infrastructuurfonds

5.581

5.228

6.243

6.410

6.452

6.422

6.500

58

Diergezondheidsfonds

30

33

35

35

35

35

35

64

BES-fonds

             

65

Deltafonds

1.215

856

1.119

1.164

1.210

1.369

1.248

AP

Aanvullende posten

0

0

28

61

95

130

168

90

Consolidatie1

– 6.026

– 5.337

– 6.595

– 6.959

– 7.015

– 7.132

– 7.179

HGIS

Internationale Samenwerking2

(401)

(160)

(155)

(135)

(135)

(134)

(134)

Totaal

38.437

31.074

26.261

23.843

20.633

17.880

17.441

X Noot
1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

X Noot
2

In deze tabel zijn de niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Dit betreft alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, het terugbetalen van studieschulden of de opbrengst van boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de niet-belastingontvangsten en verderop in bijlage 3 het saldo van de overheid, worden de ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld niet meegeteld.

Tabel 1.4 Netto-uitgaven begrotingen (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

138

146

140

138

138

143

140

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

109

114

108

106

106

106

106

3

Algemene Zaken

53

57

56

56

56

58

60

4

Koninkrijksrelaties

239

260

246

100

101

102

90

5

Buitenlandse Zaken

8.867

4.611

8.783

9.583

9.769

9.634

9.913

6

Veiligheid en Justitie

10.817

11.268

10.367

10.370

10.231

10.097

9.748

7

Binnenlandse Zaken

697

736

708

668

651

651

648

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

37.377

36.833

37.489

37.316

37.188

37.297

37.421

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

– 6.241

– 1.973

– 4.511

– 2.198

1.613

4.095

6.861

9B

Financiën

751

1.102

4.956

4.669

4.200

4.147

4.244

10

Defensie

7.870

8.534

8.784

8.822

8.828

8.687

8.596

12

Infrastructuur en Milieu

7.681

7.185

8.183

8.493

8.534

8.705

8.755

13

Economische Zaken

1.859

1.839

1.714

1.671

1.740

1.740

1.752

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

29.792

30.333

30.205

30.659

30.646

30.810

30.999

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

14.181

14.561

15.131

15.289

15.640

16.235

16.674

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.633

2.741

2.387

2.336

2.424

2.647

2.644

18

Wonen en Rijksdienst

3.253

3.746

3.917

3.994

3.946

4.141

4.335

50

Gemeentefonds

28.125

27.822

28.282

28.165

28.015

27.902

27.724

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

– 343

551

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

2

12

0

0

0

0

0

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

– 68

127

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

– 1.471

2.683

5.618

8.686

11.640

14.919

HGIS

Internationale Samenwerking1

(4.940)

(4.549)

(4.507)

(4.434)

(4.499)

(4.685)

(4.764)

Totaal

150.369

151.629

161.900

168.098

174.736

180.988

187.771

X Noot
1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het «bruto-boeken» van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt. Het gaat voornamelijk om bijdragen via de begroting van Infrastructuur en Milieu aan het Infrastructuurfonds en het Deltafonds.

Tabel 1.4 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer, oftewel de uitgaven (tabel 1.2) minus de niet-belastingontvangsten (tabel 1.3).

De volgende tabellen (1.5 tot en met 1.7) geven per deelkader aan welke uitgaven er onder vallen, op welk begrotingshoofdstuk deze staan, en of de uitgaven begrotings- of premiegefinancierd zijn.

Tabel 1.5 Netto-uitgaven kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

De Koning

41

42

42

42

42

42

44

2A

Staten-Generaal

138

146

140

138

138

143

140

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

109

114

108

106

106

106

106

3

Algemene Zaken

53

57

56

56

56

58

60

4

Koninkrijksrelaties

89

93

87

80

80

81

68

5

Buitenlandse Zaken

8.867

4.611

8.783

9.583

9.769

9.634

9.913

6

Veiligheid en Justitie

10.817

11.268

10.367

10.370

10.231

10.097

9.748

7

Binnenlandse Zaken

747

736

708

668

651

651

648

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

35.460

34.971

35.448

35.305

35.029

34.952

34.913

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

11

17

19

19

19

19

19

9B

Financiën

4.968

4.707

4.853

4.707

4.573

4.544

4.642

10

Defensie

7.755

8.427

8.684

8.735

8.750

8.619

8.640

12

Infrastructuur en Milieu

7.831

7.409

8.407

8.717

8.758

8.929

8.979

13

Economische Zaken

4.455

4.671

4.825

5.345

5.988

5.961

6.098

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

448

587

518

452

394

395

391

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.260

2.480

2.605

2.531

2.473

2.419

2.409

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.649

2.759

2.403

2.349

2.437

2.657

2.654

18

Wonen en Rijksdienst

3.253

3.746

3.917

3.994

3.946

4.141

4.335

50

Gemeentefonds

18.499

18.409

18.911

18.907

18.843

18.713

18.583

51

Provinciefonds

2.494

2.410

2.188

2.167

2.148

2.075

2.065

55

Infrastructuurfonds

– 343

551

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

0

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

0

159

276

796

1.316

1.777

2.322

61

Accres Provinciefonds

0

21

39

107

175

235

304

64

BES-fonds

42

42

41

33

33

33

33

65

Deltafonds

– 68

127

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

0

521

1.069

1.634

2.277

2.957

81

Arbeidsvoorwaarden

0

0

1.201

2.518

3.961

5.281

6.758

86

Algemeen

0

– 1.564

264

309

292

252

252

HGIS

Internationale Samenwerking1

(4.940)

(4.510)

(4.469)

(4.396)

(4.499)

(4.685)

(4.764)

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

                 

Totaal netto-uitgaven kader RBG-eng

110.575

106.995

115.412

119.104

121.845

124.091

127.082

X Noot
1

In deze tabel zijn de niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale niet-belastingontvangsten voor Internationale Samenwerking zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 1.6 Netto-uitgaven kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

17.650

18.501

18.721

18.780

19.026

19.255

19.345

50

Gemeentefonds

2.761

2.636

2.483

2.386

2.296

2.246

2.201

AP

Aanvullende posten

0

– 87

343

744

1.186

1.644

2.104

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

20.412

21.050

21.547

21.910

22.507

23.145

23.650

40

Sociale verzekeringen

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

56.195

56.338

56.917

58.659

60.220

61.335

63.259

                 
 

Totaal netto-uitgaven kader SZA

76.607

77.388

78.464

80.568

82.727

84.480

86.909

Tabel 1.7 Netto-uitgaven Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

434

509

540

539

454

449

385

50

Gemeentefonds

6.865

6.777

6.888

6.872

6.877

6.943

6.940

AP

Aanvullende posten

0

0

9

19

27

38

49

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

7.299

7.286

7.437

7.430

7.359

7.430

7.374

41

Zorg

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

58.806

61.542

65.120

69.457

74.158

79.027

84.104

                 
 

Totaal netto-uitgaven kader Budgettair Kader Zorg

66.105

68.828

72.557

76.887

81.517

86.457

91.478

Tabel 1.8 geeft per begrotingshoofdstuk de uitgaven weer die buiten het uitgavenkader vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het begrotingstekort (het EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen (waaronder studieleningen), de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenkader zijn geplaatst, zoals de rente op de staatsschuld, de ontvangsten uit aardgaswinning of de uitgaven aan de zorgtoeslag.

Evenals bij tabellen 1.2 tot en met 1.4 geldt dat de genoemde bedragen in tabel 1.8 op kasbasis zijn, behalve het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld dat deels op transactiebasis wordt opgesteld en zijn de uitgaven aan het aflossen van en de ontvangsten uit het uitgaven van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 1.8 Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader (in miljoenen euro)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

4

Koninkrijksrelaties

150

168

159

20

21

21

22

7

Binnenlandse Zaken

– 50

0

0

0

0

0

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.917

1.862

2.041

2.012

2.158

2.344

2.507

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

– 6.252

– 1.990

– 4.530

– 2.217

1.594

4.076

6.842

9B

Financiën

– 4.217

– 3.605

103

– 38

– 373

– 397

– 398

10

Defensie

114

108

99

87

77

68

– 44

12

Infrastructuur en Milieu

– 150

– 224

– 224

– 224

– 224

– 224

– 224

13

Economische Zaken

– 2.596

– 2.831

– 3.111

– 3.673

– 4.248

– 4.222

– 4.347

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

11.693

11.245

10.965

11.427

11.226

11.160

11.263

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

11.488

11.572

11.986

12.219

12.713

13.367

13.879

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

– 16

– 18

– 16

– 13

– 13

– 10

– 10

58

Diergezondheidsfonds

2

12

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

0

30

57

95

137

173

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven buiten het kader

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

                 
 

Totaal netto-uitgaven

12.083

16.298

17.504

19.654

23.025

26.322

29.664

In de tabellen 1.9 tot en met 1.12 worden de uitgaven onder de verschillende deelkaders getoetst aan de hoogte van de deelkaders, zoals het kabinet die aan het begin van de kabinetsperiode heeft vastgesteld.

Tijdens de kabinetsperiode worden de deelkaders geïndexeerd met de prijsontwikkeling van de Nationale Bestedingen (NB-deflator). Om de actuele hoogte van elk kader te bepalen wordt het vastgestelde kader daarom eerst teruggerekend tot een uitgavenniveau in reële prijzen. Dit uitgavenniveau wordt vervolgens aangepast aan de huidige raming van de prijsontwikkeling van de Nationale Bestedingen. Daarnaast wordt gecorrigeerd voor overboekingen die hebben plaatsgevonden tussen de verschillende deelkaders. Ook worden de kaders soms aangepast voor statistische correcties.

Vervolgens wordt weergegeven hoe de actuele raming van de uitgaven zich verhoudt tot het uitgavenkader in lopende prijzen. Als de daadwerkelijk geraamde uitgaven hoger zijn dan het uitgavenkader dan is er sprake van een overschrijding (+); vice versa van een onderschrijding van het uitgavenkader (–).

Tabel 1.9 Uitgaventoetsing kader Rijksbegroting in enge zin (in miljoenen euro, – is onderschrijding)
 

2016

2017

1. Raming uitgaven bij Regeerakkoord 2012/Begrotingsafspraken 2014

108.554

109.610

2. pNB ten tijde van MLT 2013–2017/Begrotingsafspraken 2014

1,0680

1,0811

3. Reëel kader

101.642

101.385

4. NB-deflator

1,0378

1,0550

5. Overboekingen

362

398

6. Statistisch

3.198

– 1.273

7. Uitgavenkader RBG-eng in lopende prijzen

109.046

106.092

8. Actuele ramingen uitgaven

110.575

106.995

9. Over/onderschrijding kader RBG-eng (9=8–7)

1.530

904

Tabel 1.10 Uitgaventoetsing kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid (in miljoenen euro, – is onderschrijding)
   

2016

2017

1.

Raming uitgaven bij Regeerakkoord 2012/Begrotingsafspraken 2014

84.251

84.737

2.

pNB ten tijde van MLT 2013–2017/Begrotingsafspraken 2014

1,0680

1,0811

3.

Reëel kader

78.886

78.379

4.

NB-deflator

1,0378

1,0550

5.

Overboekingen

– 168

– 147

6.

Statistisch

– 4.314

– 4.299

7.

Uitgavenkader SZA in lopende prijzen

77.387

78.248

8.

Actuele ramingen uitgaven

76.607

77.388

 

wv begrotingsgefinancierd

20.412

21.050

 

wv premiegefinancierd

56.195

56.338

9.

Over/onderschrijding kader SZA (9=8–7)

– 780

– 859

Tabel 1.11 Uitgaventoetsing Budgettair Kader Zorg (in miljoenen euro, – is onderschrijding)
   

2016

2017

1.

Raming uitgaven bij Regeerakkoord 2012/Begrotingsafspraken 2014

70.105

72.029

2.

pNB ten tijde van MLT 2013–2017/Begrotingsafspraken 2014

1,0680

1,0811

3.

Reëel kader

65.641

66.624

4.

NB-deflator

1,0378

1,0550

5.

Overboekingen

– 194

– 251

6.

Statistisch

0

512

7.

Uitgavenkader BKZ in lopende prijzen

67.929

70.552

8.

Actuele ramingen uitgaven

66.105

68.828

 

wv begrotingsgefinancierd

7.299

7.286

 

wv premiegefinancierd

58.806

61.542

9.

Over/onderschrijding kader BKZ (9=8–7)

– 1.825

– 1.725

Tabel 1.12 Uitgaventoetsing totaalkader (in miljoenen euro, – is onderschrijding)
 

2016

2017

1. Reëel kader

246.170

246.389

2. NB-deflator

1,0378

1,0550

3. Overboekingen

0

0

4. Statistisch

– 1.116

– 5.060

5. Uitgavenkader in lopende prijzen

254.362

254.891

6. Actuele raming uitgaven

253.287

253.211

7. Over/onderschrijding (7=6–5)

– 1.075

– 1.680

Tabel 1.13 geeft de aardgasbaten weer. De aardgasbaten worden met name beïnvloed door de productie van aardgas, de hoogte van de olieprijs, de prijs van gas die op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen (beursprijs TTF-gas) en de euro/dollarkoers. De olieprijs is van belang, omdat de prijs van aardgas mede is gerelateerd aan de prijs van olie in dollars. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de aardgasbaten. De tabel laat zien dat de aardgasbaten niet alleen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. Dit wordt gedaan omdat het EMU-saldo – volgens Europese methodiek – wordt berekend op transactiebasis, terwijl de rijksbegroting op kasbasis wordt opgesteld.

Tabel 1.13 Aardgasbaten (in miljoenen euro)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Olieprijs (in dollars)

44

50

50

51

53

54

54

Beursprijs TTF-gas (in eurocent per kubieke meter)

14

16

16

16

16

16

16

Euro/dollarkoers (in dollars)

1

1

1

1

1

1

1

Productie (x miljard kubieke meter)

49

40

39

38

37

36

34

               

Niet-belastingontvangsten

1.927

2.100

1.950

1.850

1.850

1.850

1.850

Vennootschapsbelasting

200

200

150

150

150

200

200

Totaal kasbasis

2.127

2.300

2.100

2.000

2.000

2.050

2.050

               

Niet-belastingontvangsten

– 273

– 100

50

– 50

0

0

0

Vennootschapsbelasting

50

0

50

0

– 50

0

0

Totaal kas-transverschil (ktv)

– 223

– 100

100

– 50

– 50

0

0

               

Niet-belastingontvangsten

2.200

2.200

1.900

1.900

1.850

1.850

1.850

Vennootschapsbelasting

150

200

100

150

200

200

200

Totaal transactiebasis

2.350

2.400

2.000

2.050

2.050

2.050

2.050

2. De Belasting- en premieontvangsten

2.1 Inleiding

Deze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belasting- en premieontvangsten gezamenlijk gepresenteerd.

Net als in hoofdstuk 3 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. Vanzelfsprekend zijn voor het EMU-saldo de belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis1 relevant. Daarnaast worden in overeenstemming met de Comptabiliteitswet de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabel aan het einde van deze bijlage. In deze tabel wordt tevens de aansluiting van de ontvangsten op kasbasis naar EMU-basis gemaakt.

De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI). In de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een nadere toelichting opgenomen van de ramingen voor de WLZ en de ZVW. De overige fondsen worden toegelicht in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In paragraaf 2.2 worden de ramingen van de belasting- en premieontvangsten van 2017 (de Vermoedelijke Uitkomsten) vergeleken met de stand van het vorige ramingsmoment (Voorjaarsnota 2017), waarbij de belangrijkste ramingsbijstellingen worden toegelicht. Paragraaf 2.3 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2018 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Voor een verdere toelichting op de raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 12 van deze Miljoenennota. Paragraaf 2.4 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2021. Tot slot geeft paragraaf 2.5 een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2017 en 2018 op EMU-basis en op kasbasis.

2.2 De belasting- en premieontvangsten in 2017

In tabel 2.2.1 wordt de nieuwe raming voor 2017 vergeleken met de stand bij Voorjaarsnota 2017. De nieuwe raming voor 2017 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2018 van het CPB en de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten tot en met juli 2017. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017 is de raming van de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis met 1,9 miljard euro opwaarts bijgesteld.

De raming in de Voorjaarsnota 2017 was gebaseerd op het economisch beeld dat volgde uit het CEP 2017 van het CPB. Ten opzichte van het CEP 2017 is de verwachte waardeontwikkeling van het bbp in 2017 met 1,1 procent opwaarts bijgesteld. Deze hogere economische groei is onder andere een gevolg van een zeer stevige economische groei in het tweede kwartaal van 2017. Het bijgestelde economische beeld en de realisaties tot en met juli 2017 leiden tot een opwaartse bijstelling van de totale belasting- en premieontvangsten voor 2017.

Tabel 2.2.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2017 op EMU-basis (in miljoenen euro's)
 

Voorjaarsnota 2017

Vermoedelijke uitkomsten 2017

Verschil

Indirecte belastingen

83.525

83.757

232

Invoerrechten

3.211

3.209

– 2

Omzetbelasting

50.187

50.197

10

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.701

1.876

175

Accijnzen

11.666

11.709

43

Overdrachtsbelasting

2.746

2.748

2

Assurantiebelasting

2.465

2.414

– 51

Motorrijtuigenbelasting

4.034

4.026

– 8

Belastingen op een milieugrondslag

4.949

5.008

60

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

263

0

Belasting op zware motorrijtuigen

166

170

3

Verhuurderheffing

1.664

1.664

0

Bankbelasting

473

473

0

       

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

124.426

125.645

1.219

Loon- en inkomensheffing

98.193

98.787

595

Dividendbelasting

3.079

3.212

133

Kansspelbelasting

502

503

1

Vennootschapsbelasting

20.823

21.292

469

Erf- en schenkbelasting

1.829

1.850

21

       

Overige belastingontvangsten

194

194

0

       

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

208.145

209.597

1.451

       

Premies werknemersverzekeringen

60.145

60.587

441

 

waarvan zorgpremies

38.333

38.547

214

       

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

268.291

270.184

1.893

De raming van de totale indirecte belastingen is met 0,2 miljard euro opwaarts bijgesteld opzichte van de Voorjaarsnota 2017. De geraamde btw-ontvangsten zijn vrijwel ongewijzigd ten opzichte van de raming in de Voorjaarsnota 2017. Onderliggend neemt de waarde van de consumptie van huishoudens in 2017 harder toe dan geraamd in het CEP 2017, terwijl binnen de particuliere consumptie het aandeel van duurzame goederen minder sterk toeneemt dan in het CEP 2017 verondersteld. De raming van de bpm is met 0,2 miljard euro opwaarts bijgesteld omdat het aantal verkochte nieuwe auto’s en de gemiddelde bpm die daarover wordt geheven hoger uitvallen. Ook de ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag (voornamelijk de energiebelasting) worden hoger geraamd (+ 0,1 miljard euro). Tot slot is de raming van de assurantiebelasting met 0,1 miljard euro neerwaarts bijgesteld.

De ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen zijn voor 2017 met 1,2 miljard euro omhoog bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017. De raming van de loon- en inkomensheffing is met 0,6 miljard euro opwaarts aangepast. De contractlonenstijging en de werkgelegenheidsstijging zijn iets minder sterk dan eerder geraamd, terwijl de verwachte winsten van IB-ondernemers flink sterker groeien. De bijstelling van de raming is in lijn met de gerealiseerde ontvangsten over de eerste helft van het jaar.

De raming van de vpb-ontvangsten in 2017 is met 0,5 miljard euro opwaarts bijgesteld. Het aanslagniveau over het winstjaar 2017 ligt flink hoger dan eerder ingeschat als gevolg van hogere winsten. Dat minder verliezen uit het verleden verrekend worden met de winst van 2017 is hierop ook van invloed. Bij de dividendbelasting geven de realisaties over het eerste halfjaar van 2017 aanleiding tot een positieve aanpassing van de raming (+ 0,1 miljard euro).

Ten slotte komen de ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen 0,4 miljard euro hoger uit. Dat komt vooral door hogere ontvangsten uit de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en arbeidsongeschiktheidspremies als gevolg van een sterkere grondslagontwikkeling.

2.3 De belasting- en premieontvangsten in 2018

In figuur 2.3.1 zijn de voor 2017 en 2018 geraamde belasting- en premieontvangsten opgenomen. De ontvangsten uit de meeste belastingsoorten nemen toe in 2018 ten opzichte van 2017.

Figuur 2.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis

Figuur 2.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis

Tabel 2.3.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde belasting- en premieontvangsten in 2018. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het directe effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten tussen 2017 en 2018 en de endogene ontwikkeling, dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die vooral samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.

Tabel 2.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2018 op EMU-basis (in miljoenen euro's)
 

Vermoedelijke uitkomsten 2017

Maatregelen

Endogeen

Endogeen in %

2018

Indirecte belastingen

83.757

189

3.240

3,9%

87.186

Invoerrechten

3.209

0

180

5,6%

3.389

Omzetbelasting

50.197

27

2.590

5,2%

52.814

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.876

– 46

– 37

– 2,0%

1.793

Accijnzen

11.709

– 1

184

1,6%

11.891

Overdrachtsbelasting

2.748

0

7

0,3%

2.755

Assurantiebelasting

2.414

0

95

3,9%

2.510

Motorrijtuigenbelasting

4.026

10

107

2,6%

4.143

Belastingen op een milieugrondslag

5.008

198

22

0,4%

5.228

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

0

4

1,4%

267

Belasting op zware motorrijtuigen

170

0

4

2,3%

174

Verhuurderheffing

1.664

0

85

5,1%

1.750

Bankbelasting

473

0

0

0,0%

473

           

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

125.645

– 1.173

5.566

4,4%

130.038

Loon- en inkomensheffing

98.787

– 1.054

4.816

4,9%

102.549

Dividendbelasting

3.212

– 47

85

2,6%

3.250

Kansspelbelasting

503

20

17

3,3%

540

Vennootschapsbelasting

21.292

– 80

555

2,6%

21.768

Erf- en schenkbelasting

1.850

– 12

93

5,0%

1.931

           

Overige belastingontvangsten

194

– 1

– 10

– 5,2%

183

           

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

209.597

– 986

8.796

4,2%

217.407

           

Premies werknemersverzekeringen

60.587

1.773

2.758

4,6%

65.117

waarvan zorgpremies

38.547

1.713

943

2,4%

41.203

           

Totaal belasting- en premieontvangsten (EMU-basis)

270.184

787

11.554

4,3%

282.525

In 2018 bedragen de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis naar verwachting 282,5 miljard euro. Ten opzichte van de meest actuele raming van de ontvangsten voor 2017 stijgen de ontvangsten in 2017 daarmee met 12,3 miljard euro. Beleidsmaatregelen zorgen voor 0,8 miljard euro hogere ontvangsten in 2017 ten opzichte van het jaar daarvoor. Het gaat om zowel maatregelen waartoe dit kabinet en vorige kabinetten eerder hebben besloten als maatregelen die het kabinet met deze Miljoenennota voorstelt. De verwachte endogene groei van de belasting- en premieontvangsten in 2017 bedraagt 11,6 miljard euro (4,3 procent). In de volgende paragrafen wordt nader op de endogene ontwikkeling ingegaan. In bijlage 12 van deze Miljoenennota staat een uitgebreidere toelichting voor de grootste belastingsoorten.

2.3.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2018

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2018. Voor 2018 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 4,2 procent. De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten bedraagt in 2018 naar verwachting 4,3 procent. Daarmee ligt de groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2018 in lijn met de waardegroei van het bbp. Zoals in hoofdstuk 3 van deze Miljoenennota is toegelicht, is de ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten gerelateerd aan de samenstelling van de economische groei. Elke belasting kent zijn eigen grondslag, waarbij de verschillende belastinggrondslagen niet één-op-één en op dezelfde manier gerelateerd zijn aan de ontwikkeling van het totale bbp. De ontwikkeling van de ontvangsten uit de ene belastingsoort verschilt dus van de ontwikkeling van de ontvangsten van een andere belastingsoort.

De endogene groei van de inkomsten uit de indirecte belastingen in 2018 bedraagt 3,9 procent. Deze ontwikkeling wordt voor een groot deel bepaald door de btw-ontvangsten, verreweg de grootste post bij de indirecte belastingen. De btw-ontvangsten hangen vooral af van de consumptieve bestedingen, de investeringen in woningen en de overheidsinvesteringen. De waardeontwikkeling van de particuliere consumptie is in 2018 met 3,9 procent vergelijkbaar met de totale economische groei in waardetermen. Binnen de particuliere consumptie neemt het aandeel van duurzame goederen toe, wat leidt tot hogere ontvangsten omdat deze goederen belast worden tegen het algemene btw-tarief. De investeringen in woningen nemen met 8,3 procent toe, terwijl de overheidsinvesteringen toenemen met 2,3 procent. Daarmee komt de endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten naar verwachting uit op 5,2 procent in 2018.

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten uit de bpm is met – 2 procent negatief in 2018. De bpm-ontvangsten hangen af van het aantal autoverkopen en het aandeel van kleinere en/of zuinige auto’s daarin. De verwachting is dat het aantal verkopen in 2018 wat afneemt als gevolg van een verschuiving van de verkopen van 2016 naar 2017 vanwege anticipatie op de verlaging van het algemene bijtellingstarief voor de inkomstenbelasting. De ontvangsten uit de motorrijtuigenbelasting – waarvoor het gewicht van de in Nederland geregistreerde auto’s de grondslag vormt – nemen naar verwachting met 2,6 procent toe in 2018 door een groter wagenpark. De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting blijven in 2018 ongeveer gelijk met een verwachte kleine toename van 0,3 procent toe. Deze lichte stijging volgt uit een verwachte daling van het aantal verkopen van bestaande woningen in 2018 met 4,3 procent ten opzichte van 2017, in combinatie met een prijsstijging van 5,0 procent. De totale WOZ-waarde van sociale huurwoningen vormt de grondslag van de verhuurderheffing. Voor 2018 nemen de ontvangsten uit de verhuurderheffing naar verwachting met 5,1 procent toe. Een groei van zowel het volume als de prijs van ingevoerde goederen zorgen voor een toename van de ontvangsten uit invoerrechten. De ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag nemen met 0,4 procent toe. Deze ontwikkeling wordt gedomineerd door de energiebelasting die voor meer dan 90 procent bijdraagt aan de totale ontvangsten uit belastingen op een milieugrondslag. De grondslag van de energiebelasting is het elektriciteits- en gasverbruik. Tot slot nemen de ontvangsten uit de accijnzen in 2018 met 1,6 procent toe.

De endogene ontwikkeling van de directe belastingen en de premies volksverzekeringen – de belastingen op inkomen en vermogen – bedraagt 4,4 procent in 2018. De qua omvang belangrijkste directe belastingsoort is de loon- en inkomensheffing2. Voor de ontwikkeling van de ontvangsten uit deze belastingsoort zijn vooral de verwachte loonontwikkeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van winsten van zelfstandigen van belang. De grondslag van de loon- en inkomensheffing wordt daarnaast ook beïnvloed door de omvang van de hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies. De ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing groeien in 2018 met 4,9 procent. Dat is met name het gevolg van een toename van de werkgelegenheid met 1,6 procent en hogere lonen (contractlonen + 2,0 procent, incidenteel loon + 0,9 procent). Ook groeien de ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing in 2018 door een lagere hypotheekrenteaftrek en hogere winsten van IB-ondernemers (dat zijn ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting). De vpb-ontvangsten komen in 2018 2,6 procent hoger uit dan in 2017 in lijn met geraamde groei van de bedrijfswinsten. In lijn met de hogere winsten in 2018 nemen de ontvangsten uit de dividendbelasting met 2,6 procent toe. Tot slot nemen de ontvangsten uit de schenk- en erfbelasting naar verwachting met 5,0 procent toe met name door stijgende huizenprijzen.

De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen – waar ook de zorgpremies onder vallen – nemen met 4,6 procent toe in 2018. Onderliggend gaat het om een positieve ontwikkeling van de grondslag door hogere lonen en meer werkgelegenheid in combinatie met de ontwikkeling van de aan de zorguitgaven gekoppelde zorgpremies.

2.3.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten

In 2018 nemen de belasting- en premieontvangsten met 0,8 miljard euro toe als gevolg van beleidsmaatregelen. In tabel 2.3.1 wordt het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2018 per belastingsoort getoond. Dit is zowel beleid van vorige kabinetten met in 2018 nog een op- of neerwaarts effect op de inkomsten ten opzichte van 2017, als (nieuw) beleid van het huidige kabinet.

Bij de indirecte belastingen is de beleidsmatige mutatie per saldo 0,2 miljard euro. Het gaat om het saldo van een groot aantal maatregelen. Bij de belastingen op een milieugrondslag zorgt de in het Energieakkoord overeengekomen tariefsverhoging van de energiebelasting voor hogere ontvangsten in 2018 (+ 0,2 miljard euro). De aanscherping van de definitie van geneesmiddelen maakt onder andere onderdeel uit van het beleidsmatige effect bij de btw. Verschillende maatregelen uit de (budgetneutrale) Autobrief II zorgen voor beleidsmatig lagere ontvangsten uit de bpm en iets hogere ontvangsten uit de MRB.3

Als gevolg van beleidsmaatregelen nemen de ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen met 1,2 miljard euro af in 2018. Het gaat om een saldo van vele maatregelen, voor een groot deel binnen de loon- en inkomensheffing. De beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing komt uit op – 1,1 miljard euro. Deze mutatie wordt vooral bepaald door het kaseffect (– 1,3 miljard euro) van het afschaffen en de mogelijkheid tot afkoop van het pensioen in eigen beheer (PEB). Na incidenteel fors hogere ontvangsten als gevolg deze maatregel in 2017 is vanaf 2018 sprake van het omgekeerde. Ook het koopkrachtpakket 2018 (– 0,1 miljard euro) met een verhoging van de ouderenkorting, een verlaging van de algemene heffingskorting en een verlaging van de alleenstaande-ouderenkorting maakt onderdeel uit van de beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing.

Beleidsmaatregelen zorgen voor een afname van de ontvangsten bij de vennootschapsbelasting in 2018 van – 0,1 miljard euro. Deze afname is een saldo van diverse maatregelen waaronder het effect van het aflopen van de liquiditeitsverruimende maatregelen voor bedrijven die in het verleden zijn genomen (– 0,3 miljard euro) en de al genoemde PEB-maatregel (+ 0,2 miljard euro). Onderdelen van het vpb-pakket ter invulling van de BEPS-taakstelling, met effecten in 2018, zijn onder andere de schijfverlenging van het de eerste tariefsschijf, het wijzigen van specifieke renteaftrekbeperkingen in de vpb en de aanpassing van de Innovatiebox.

Beleid met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen leidt per saldo tot 1,8 miljard euro hogere ontvangsten in 2018. Daarvan betreft 1,7 miljard euro het effect van hogere zorgpremies die voor 2018 worden voorzien. De overige premies werknemersverzekeringen leiden in 2018 per saldo tot 0,1 miljard hogere ontvangsten.

In tabel 2.3.2 wordt de totale beleidsmatige mutatie in 2017 van 0,8 miljard uitgesplitst naar de opeenvolgende momenten waarop tot beleidmaatregelen is besloten zoals het Regeerakkoord, opeenvolgende Miljoenennota’s en tussentijdse beleidspakketten. Dit noemen we ook wel de «verticale mutaties» van de beleidsmatige ontwikkeling van de ontvangsten in 2018. Ook wordt zo inzichtelijk dat ook beleid van vòòr deze kabinetsperiode in 2018 nog budgettaire effecten heeft. Zo werkt bijvoorbeeld het effect van het aflopen van de verschillende liquiditeitsverruimende maatregelen voor bedrijven die in de jaren 2009, 2010 en 2011 zijn genomen nog door in 2018. Verder leidt het Begrotingsakkoord 2012 tot hogere ontvangsten in 2018 door maatregelen gericht op de woningmarkt en pensioenen.

Tabel 2.3.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2018 (op EMU-basis, in miljoenen euro's)

Beleid vorige kabinetten

– 189

 

waarvan liquiditeitsverruiming bedrijven

– 325

 

waarvan begrotingsakkoord 2012 (Lenteakkoord)

130

 

waarvan overig

6

Beleid Regeerakkoord Rutte II

78

(ander) beleid nieuw meegenomen in MN2014

191

 

waarvan energieakkoord

200

 

waarvan overig

– 9

Beleid nieuw meegenomen in MN2015

– 93

Beleid nieuw meegenomen in MN2016

– 71

Beleid nieuw meegenomen in MN2017

2.545

 

waarvan kaseffecten Pensioen in eigen beheer

– 1.075

 

waarvan arbeidsmarktpakket

932

 

waarvan aanpassingen kamerbehandeling BP2016

126

 

waarvan aanpassingen kamerbehandeling BP2017

111

 

waarvan vereenvoudigingswestsvoorstel 2017

– 131

 

waarvan zorgpremies

2.592

 

waarvan overig

– 11

Beleid nieuw meegenomen in MN2018

– 1.673

 

waarvan uitstel arbeidsmarktpakket

– 787

 

waarvan koopkrachtpakket 2018

– 92

 

waarvan dekking zorgpremies bedrijfsleven

99

 

waarvan zorgpremies

– 718

 

waarvan overig

– 175

Totaal

787

Het Regeerakkoord zorgt voor 0,1 miljard euro hogere ontvangsten in 2018. Het gaat om de optelsom van een aantal kleinere maatregelen. Daar maken het beperken van het tarief van de hypotheekrenteaftrek en de terugsluis daarvan onderdeel van uit. Beleid verwerkt in de Miljoenennota’s van de jaren daarna heeft (ook) geen substantiële effecten op de ontvangsten in 2018, uitgezonderd de in het Energieakkoord opgenomen verhoging van de tarieven in de energiebelasting die verwerkt is in Miljoenennota 2014 (opgenomen in Belastingplan 2018).

Het beleid dat onder het kopje Miljoenennota 2017 is meegenomen bestaat onder andere uit de kaseffecten van het afschaffen en afkoop van het PEB (– 1,1 miljard) en mutaties bij de premies werknemersverzekeringen die onderdeel uitmaakten van het arbeidsmarktpakket (0,9 miljard euro)4. De aanpassingen van de oorspronkelijke Belastingplannen 2016 en 2017 leiden in 2018 leiden tot 0,2 miljard hogere ontvangsten. Het vereenvoudigingswetsvoorstel dat onderdeel uitmaakte van pakket Belastingplan 2017 zorgt in 2018 voor lagere ontvangsten (– 0,1 miljard euro) door verschillende kasschuiven. Ten slotte is in Miljoenennota 2017 de verwachte beleidsmatige ontwikkeling van de zorgpremies in 2018 geraamd op 2,6 miljard euro.

Beleid dat voor het eerst tot uiting komt in Miljoenennota 2018 is onder meer het (gedeeltelijke) uitstel van het arbeidsmarktpakket door het controversieel verklaren van de maatregel compensatie transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Daardoor komen de premies werknemersverzekeringen beleidsmatig lager uit (– 0,8 miljard euro). Het koopkrachtpakket 2018 zorgt per saldo voor 0,1 miljard euro lagere ontvangsten. Ten slotte is de verwachte ontwikkeling van de zorgpremies in 2018 met 0,7 miljard euro neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de verwachting daarover bij de vorige Miljoenennota.

Tabel 2.3.3 Budgettair effect van belasting- en premiemaatregelen 2018 (in miljoenen euro's)
 

Belastingen en premies op EMU-basis

Belastingen en premies op transactiebasis

Lastenontwikkeling

Zorgpremies (nominale premie + IAB)

1.713

1.713

1.713

Zorgtoeslag

0

0

– 635

Sectorfondspremies

60

60

60

Totaal PEB

– 1.084

– 1.668

– 6

Liquiditeitsverruimende maatregelen

– 327

– 346

– 2

Participatie- en inkomensbeleid

– 10

– 10

– 10

Milieu- en autobelastingen

206

207

207

Pensioengerelateerde maatregelen

96

96

96

btw

27

27

– 16

Budgetsystematiek WBSO

42

42

0

SDE+

0

0

396

Overig

64

– 102

– 141

Totaal

787

19

1.662

In tabel 2.3.3 wordt een relatie gelegd tussen het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis5, het effect daarvan op transactiebasis en het effect op de lastenontwikkeling zoals relevant voor het inkomstenkader in 20186. Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, die relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het voor de meeste belastingsoorten om de één-maands-verschoven-kasontvangsten. Bij de ontvangsten op transactiebasis wordt – in dit geval – het beleid toegerekend aan het jaar waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit het effect op de ontvangsten volgt zich voordoet. Daarop sluit het op de lastenontwikkeling gebaseerde inkomstenkader zoveel mogelijk aan. Een van de uitzonderingen daarop vormen maatregelen met intertemporele (kas)effecten. Daar is bijvoorbeeld sprake van bij het afschaffen (in combinatie met afkoop) van het pensioen in eigen beheer. De incidenteel hogere ontvangsten in 2017 leiden tot een neerwaartse mutatie in 2018 op EMU- en transactiebasis, maar beïnvloeden de beleidsmatige lastenontwikkeling in 2018 niet.7 Voor liquiditeitsverruimende maatregelen voor bedrijven uit de jaren 2009 tot en met 2011 – die in 2018 tot lagere belastingontvangsten leiden – geldt hetzelfde.8 Een ander verschil ontstaat door de zorgtoeslag. Vanwege de directe koppeling met de nominale premie is de zorgtoeslag wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, terwijl dit geen belasting- en premieontvangsten betreft. Dat geldt ook voor de SDE+. Verschillen tussen de effecten op EMU- en transactiebasis ontstaan hoofdzakelijk door de duur van het aanslag- en aangifteproces van sommige belastingsoorten. Daardoor ontstaat een vertraging bij de ontvangsten op EMU-basis.

2.4 Meerjarige ontvangstenraming

De ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten voor de periode 2017–2021 is weergegeven in tabel 2.4.1. De ramingen voor 2017 en 2018 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht.

Tabel 2.4.1. Meerjarige belasting- en premieraming (in miljarden euro's)
 

2017

2018

2019

2020

2021

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

270,2

282,5

294,9

306,3

317,5

 

waarvan belastingen op kasbasis

166,8

169,4

178,6

187,3

194,3

2.5 De belastingraming 2017-2018

Tabel 2.5.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op EMU-basis.

Tabel 2.5.1 Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2017 – 2018 (in miljoenen euro's)
 

Vermoedelijke uitkomsten 2017

Ontwerpbegroting 2018

Indirecte belastingen

83.757

87.186

Invoerrechten

3.209

3.389

Omzetbelasting

50.197

52.814

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.876

1.793

Accijnzen

11.709

11.891

– Accijns van lichte olie

4.291

4.322

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.874

3.968

– Tabaksaccijns

2.442

2.487

– Alcoholaccijns

313

310

– Bieraccijns

441

449

– Wijnaccijns

348

355

Belastingen van rechtsverkeer

5.162

5.265

– Overdrachtsbelasting

2.748

2.755

– Assurantiebelasting

2.414

2.510

Motorrijtuigenbelasting

4.026

4.143

Belastingen op een milieugrondslag

5.008

5.228

– Afvalstoffenbelasting

87

90

– Energiebelasting

4.643

4.857

– Waterbelasting

278

282

– Brandstoffenheffingen

0

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

267

Belasting op zware motorrijtuigen

170

174

Verhuurderheffing

1.664

1.750

Bankbelasting

473

473

     

Directe belastingen

83.701

82.922

Inkomstenbelasting kas

– 2.315

– 3.510

Loonbelasting kas

59.157

58.944

Dividendbelasting

3.212

3.250

Kansspelbelasting

503

540

Vennootschapsbelasting

21.292

21.768

– Gassector kas

200

150

– Niet-gassector kas

21.092

21.618

Erf- en schenkbelasting

1.850

1.931

     

Overige Belastingontvangsten

194

183

– Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

     

Totaal belastingen

167.652

170.291

     

Premies volksverzekeringen (EMU)

41.945

47.116

Premies werknemersverzekeringen

60.587

65.117

– waarvan zorgpremies

36.680

38.547

     

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

270.184

282.525

Tabel 2.5.2 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2017 en 2018 op kasbasis met op de laatste regels de aansluiting naar de totaalraming op EMU-basis.

Tabel 2.5.2. Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2017 – 2018 (in miljoenen euro's)
 

Vermoedelijke uitkomsten 2017

Ontwerpbegroting 2018

Indirecte belastingen

83.296

86.443

Invoerrechten

3.195

3.375

Omzetbelasting

49.757

52.133

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.888

1.798

Accijnzen

11.711

11.875

– Accijns van lichte olie

4.283

4.318

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.880

3.962

– Tabaksaccijns

2.440

2.482

– Alcoholaccijns

314

311

– Bieraccijns

446

449

– Wijnaccijns

349

355

Belastingen van rechtsverkeer

5.123

5.246

– Overdrachtsbelasting

2.700

2.743

– Assurantiebelasting

2.423

2.503

Motorrijtuigenbelasting

4.039

4.129

Belastingen op een milieugrondslag

5.015

5.224

– Afvalstoffenbelasting

86

89

– Energiebelasting

4.651

4.853

– Waterbelasting

278

282

– Brandstoffenheffingen

0

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

263

266

Belasting op zware motorrijtuigen

167

173

Verhuurderheffing

1.664

1.750

Bankbelasting

473

473

     

Directe belastingen

83.345

82.812

Inkomstenbelasting kas

– 2.315

– 3.510

Loonbelasting kas

58.805

58.836

Dividendbelasting

3.212

3.250

Kansspelbelasting

500

538

Vennootschapsbelasting

21.292

21.768

– Gassector kas

200

150

– Niet-gassector kas

21.092

21.618

Erf- en schenkbelasting

1.850

1.931

     

Overige Belastingontvangsten

184

183

– Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

     

Totaal belastingen

166.826

169.438

     

Premies volksverzekeringen kas

41.920

46.909

Premies werknemersverzekeringen

60.587

65.117

– waarvan zorgpremies

36.680

38.547

Aansluiting naar EMU-basis

851

1.060

     

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

270.184

282.525

3. EMU-saldo

Tabel 3.1 EMU-saldo (in miljoenen euro, + is overschot)
   

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

1

Belasting- en premieontvangsten

258.829

270.184

282.525

294.872

306.318

317.507

329.111

Tabel 2.4.1

2

Totale netto-uitgaven

265.370

269.509

283.937

296.213

309.114

321.350

335.134

Tabel 1.1

3

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

– 5.399

– 9.827

– 10.572

– 12.852

– 16.786

– 19.799

– 22.802

Tabel 3.2

4

Bij: Kas-transverschillen en overige posten

3.176

– 4.647

– 1.369

– 743

– 890

– 1.086

– 1.123

Tabel 3.3

5

Bij: EMU-saldo decentrale overheden

539

– 1.819

– 1.719

– 1.564

– 1.564

– 1.564

– 1.629

Tabel 3.7

6

EMU-saldo collectieve sector (1-2-3+4+5)

2.573

4.036

6.072

9.205

11.537

13.307

14.027

 

Tabel 3.1 geeft het EMU-saldo van de hele collectieve sector weer. Dit EMU-saldo (ook wel begrotingssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in bijlage 1 en bijlage 2. Om tot het EMU-saldo te komen moeten hier nog een paar correcties op worden toegepast: sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo (zie tabel 3.2) en voor sommige posten telt een ander bedrag mee voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen (zie tabel 3.3).

Tabel 3.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo (in miljoenen euro, + is uitgave)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Rente-ontvangsten swaps

– 1.086

– 1.217

– 1.534

– 1.832

– 1.817

– 1.697

– 1.304

Opbrengst beëindigen renteswaps

– 5.371

– 1.317

0

0

0

0

0

Studieleningen

1.917

1.862

2.041

2.012

2.158

2.344

2.507

Netto-verkoop staatsbezit

– 3.233

– 3.182

350

280

0

0

0

Diverse leningen

212

290

275

129

83

77

– 31

Rijksbijdragen aan de sociale fondsen

20.098

19.329

18.446

18.299

18.426

18.645

18.995

Rente sociale fondsen

0

– 14

– 27

7

66

131

118

Kasbeheer

– 7.010

– 5.883

– 8.970

– 6.038

– 2.127

300

2.520

Overig

– 129

– 41

– 11

– 5

– 2

– 2

– 3

Totaal

5.399

9.827

10.572

12.852

16.786

19.799

22.802

De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan, maar die niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in tabel 3.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit zijn meestal niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente ontvangen op renteswaps en de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage en rente van het Rijk aan de sociale fondsen zijn niet relevant, omdat dit een transactie is tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector, deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan schatkistbankieren bij het Rijk aanhouden.

Tabel 3.3 Kas-transverschillen en overige posten (in miljoenen euro, + is EMU-saldoverbeterend)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

KTV gasbaten

273

100

– 50

50

0

0

0

KTV EU-afdrachten

2.651

– 3.094

0

0

0

0

0

KTV LIV/LKV

0

– 493

– 441

0

0

0

0

KTV OV-jaarkaart

791

– 747

– 44

0

0

0

0

KTV Defensie

– 51

0

0

0

0

0

0

Overige kas-transverschillen

– 489

– 379

– 99

– 64

72

35

31

Mutatie begrotingsreserves

– 34

– 334

– 166

0

0

0

0

EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid

150

0

0

0

0

0

0

Overig

21

0

0

0

0

0

0

Subtotaal Rijk

3.312

– 4.947

– 800

– 14

72

35

31

Eigen risico dragers WGA/ZW

328

365

370

391

413

434

456

Zorgbemiddelingskosten

– 246

– 65

– 939

– 1.120

– 1.374

– 1.555

– 1.610

Overig

– 217

0

0

0

0

0

0

Subtotaal sociale fondsen

– 136

300

– 569

– 729

– 962

– 1.121

– 1.154

Totaal

3.176

– 4.647

– 1.369

– 743

– 890

– 1.086

– 1.123

Tabel 3.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog een kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen, en de kosten van zorgverzekeraars.

Tabel 3.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector (in miljoenen euro, – is tekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-saldo Rijk

– 5.357

1.589

– 256

5.791

11.713

15.177

18.344

EMU-saldo sociale fondsen

7.391

4.266

8.047

4.977

1.388

– 306

– 2.689

EMU-saldo decentrale overheden

539

– 1.819

– 1.719

– 1.564

– 1.564

– 1.564

– 1.629

EMU-saldo collectieve sector

2.573

4.036

6.072

9.205

11.537

13.307

14.027

EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)

0,4

0,6

0,8

1,2

1,4

1,6

1,6

Tabel 3.4 geeft de verdeling van het EMU-saldo over de verschillende onderdelen van de collectieve sector. In tabel 3.5 tot en met tabel 3.7 wordt het EMU-saldo per onderdeel verder toegelicht.

Tabel 3.5 EMU-saldo Rijk (in miljoenen euro, – is uitgave / tekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Belastingontvangsten

156.399

167.652

170.291

179.357

188.082

195.107

202.395

 

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

– 150.369

– 151.629

– 161.900

– 168.098

– 174.736

– 180.988

– 187.771

Tabel 1.1

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

5.399

9.827

10.572

12.852

16.786

19.799

22.802

Tabel 3.2

Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen

– 20.098

– 19.315

– 18.419

– 18.306

– 18.492

– 18.777

– 19.113

Tabel 3.2

Kas-transverschillen en overige posten Rijk

3.312

– 4.947

– 800

– 14

72

35

31

Tabel 3.3

EMU-saldo Rijk (centrale overheid)

– 5.357

1.589

– 256

5.791

11.713

15.177

18.344

 
Tabel 3.6 EMU-saldo sociale fondsen (in miljoenen euro, – is uitgave / tekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Premie-ontvangsten

102.429

102.531

112.233

115.515

118.236

122.400

126.716

 

Ontvangen rijksbijdragen en rente

20.098

19.315

18.419

18.306

18.492

18.777

19.113

Tabel 3.2

Premiegefinancierde uitgaven

– 115.001

– 117.880

– 122.037

– 128.115

– 134.378

– 140.362

– 147.364

Tabel 1.1

Eigen risico dragers WGA/ZW

328

365

370

391

413

434

456

Tabel 3.3

Zorgbemiddelingskosten

– 246

– 65

– 939

– 1.120

– 1.374

– 1.555

– 1.610

Tabel 3.3

Overige uitgaven

– 217

0

0

0

0

0

0

Tabel 3.3

EMU-saldo sociale fondsen

7.391

4.266

8.047

4.977

1.388

– 306

– 2.689

 
Tabel 3.7 EMU-saldo decentrale overheden (in miljoenen euro, – is uitgave / tekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Belastinginkomsten

9.812

10.110

10.412

10.694

11.005

11.314

11.624

Rijksbijdragen

74.469

73.047

75.017

76.836

79.012

81.363

83.714

Overige inkomsten

13.930

13.937

14.120

14.272

14.447

14.594

14.675

Uitgaven decentrale overheden

– 97.672

– 98.913

– 101.267

– 103.365

– 106.028

– 108.835

– 111.642

EMU-saldo decentrale overheden

539

– 1.819

– 1.719

– 1.564

– 1.564

– 1.564

– 1.629

Tabel 3.8 Historisch overzicht EMU-saldo (in miljarden euro, – is tekort)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

EMU-saldo

– 1,7

– 10,3

– 15,3

– 9,0

– 1,4

1,2

1,3

BBP

477

495

507

524

546

579

613

EMU-saldo (in procenten bbp)

– 0,3

– 2,1

– 3,0

– 1,7

– 0,3

0,2

0,2

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-saldo

1,4

– 33,5

– 31,5

– 27,6

– 25,1

– 15,5

– 15,0

BBP

639

618

632

643

645

653

663

EMU-saldo (in procenten bbp)

0,2

– 5,4

– 5,0

– 4,3

– 3,9

– 2,4

– 2,3

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-saldo

– 14,0

2,6

4,0

6,1

9,2

11,5

13,3

BBP

683

703

733

764

789

816

844

EMU-saldo (in procenten bbp)

– 2,1

0,4

0,6

0,8

1,2

1,4

1,6

4. EMU-schuld

Tabel 4.1 Financieringssaldo rijksoverheid (in miljoenen euro, – is kasuitgave / kastekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

Belastinginkomsten (kasbasis)

154.708

166.826

169.438

178.560

187.275

194.284

201.532

Tabel 2.4.1

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

– 150.369

– 151.629

– 161.900

– 168.098

– 174.736

– 180.988

– 187.771

Tabel 1.1

Af: kas-transverschil rentelasten

– 1.183

– 1.110

– 960

– 940

– 730

– 630

– 470

 

Mutatie begrotingsreserves

– 34

– 334

– 166

0

0

0

0

 

Mutatie derdenrekeningen

1.724

0

0

0

0

0

0

 

Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro

950

0

0

0

100

250

0

 

Financieringssaldo rijksoverheid

5.796

13.753

6.413

9.522

11.909

12.916

13.291

 

Tabel 4.1 geeft het financieringstekort van het Rijk. Het financieringstekort is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt, of over heeft. Het financieringstekort is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo een begrip op transactiebasis is, is het financieringstekort dus op kasbasis. Dat betekent dat naast de belastingontvangsten en de uitgaven op de begrotingen er nog een tweetal correcties moet worden toegepast. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringstekort alleen de kasuitgaven meetellen. Daarnaast wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt.

Tabel 4.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector (in miljoenen euro, – is kasuitgave / kastekort)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bron

EMU-schuld begin jaar

441.401

434.205

421.371

415.777

406.920

396.574

385.222

 

Financieringssaldo rijksoverheid

– 5.796

– 13.753

– 6.413

– 9.522

– 11.909

– 12.916

– 13.291

Tabel 4.1

EMU-saldo decentrale overheden

– 539

1.819

1.719

1.564

1.564

1.564

1.629

Tabel 3.4

EMU-saldo rest centrale overheid

164

0

0

0

0

0

0

 

Schatkistbankieren decentrale overheden

162

– 900

– 900

– 900

0

0

0

 

SNS/Propertize

– 2.350

0

0

0

0

0

0

 

Overig

1.163

0

0

0

0

0

0

 

EMU-schuld einde jaar

434.205

421.371

415.777

406.920

396.574

385.222

373.560

 

EMU-schuldquote (in procenten bbp)

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

42,8

 

Het financieringssaldo werkt een-op-een door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 4.2 geeft de ontwikkeling van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld betreft de hele collectieve sector, dus ook het tekort van decentrale overheden heeft invloed op de EMU-schuld.

Tabel 4.3 Opbouw EMU-schuldquote (in procenten bbp)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EMU-schuldquote begin jaar

64,6

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

Noemereffect bbp

– 1,8

– 2,6

– 2,3

– 1,7

– 1,7

– 1,6

– 1,5

Financieringssaldo rijksoverheid

– 0,8

– 1,9

– 0,8

– 1,2

– 1,5

– 1,5

– 1,5

EMU-saldo decentrale overheden

– 0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

EMU-saldo rest centrale overheid

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Schatkistbankieren decentrale overheden

0,0

– 0,1

– 0,1

– 0,1

0,0

0,0

0,0

SNS/Propertize

– 0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

EMU-schuldquote einde jaar

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

42,8

Tabel 4.3 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuldquote (de EMU-schuld in verhouding tot het bbp). Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote, dit is weergegeven als het noemereffect.

Tabel 4.4 Historisch overzicht EMU-schuld (in miljarden euro)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

EMU-schuld

234

240

251

261

268

259

262

BBP

477

495

507

524

546

579

613

EMU-schuld (in procenten bbp)

49,1

48,4

49,6

49,8

49,2

44,7

42,7

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

EMU-schuld

350

351

374

396

428

443

451

BBP

639

618

632

643

645

653

663

EMU-schuld (in procenten bbp)

54,7

56,8

59,3

61,6

66,3

67,8

68,0

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

EMU-schuld

441

434

421

416

407

397

385

BBP

683

703

733

764

789

816

844

EMU-schuld (in procenten bbp)

64,6

61,8

57,5

54,4

51,6

48,6

45,6

5. Overheidsbalans

Tabel 5.1 Overheidsbalans (in miljarden euro’s)1
 

2013

2014

2015

2016

Activa

838

816

785

728

 

Niet-financiële activa

599

568

545

484

   

Vaste activa

405

407

406

407

   

Olie- en gasreserves

155

124

103

41

   

Grond

39

36

37

35

 

Financiële activa

239

248

240

244

   

Aandelen en overige deelnemingen

90

89

95

100

   

Leningen

68

68

63

58

   

Handelskredieten, transitorische posten

45

47

45

52

   

Schuldbewijzen

14

10

9

8

   

Chartaal geld en deposito's

11

10

10

10

   

Financiële derivaten

10

24

18

16

             

Passiva

838

816

785

728

 

Financiële passiva

500

538

529

529

   

Schuldbewijzen

378

417

403

404

   

Leningen

93

92

92

89

   

Handelskredieten, transitorische posten

28

29

33

32

   

Deposito's

1

1

2

4

 

Vermogenssaldo

337

277

255

199

X Noot
1

Bron: StatLine website CBS (2016 betreft voorlopige cijfers). Op de StatLine website van het CBS is ook informatie te vinden over de waardering van de posten.

De overheidsbalans geeft de balans van de collectieve sector weer en biedt zo inzicht in het totaal van bezittingen, schulden en het vermogen van de centrale overheid, decentrale overheden en de sociale verzekeringsinstellingen als geheel. De bezittingen, de zogenoemde activa, bestaan uit financiële activa zoals uitgezette leningen en niet-financiële activa zoals wegen en gebouwen. De passivazijde van de balans bestaat uit de schulden en het vermogen.

De overheidsbalans is een foto van het nettovermogen van de overheid op een bepaalde datum. Toekomstige rechten en verplichtingen als toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen ontbreken.

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) bevatte tot en met de terugblik op 2012 een staatsbalans. Deze staatsbalans presenteerde voor de meeste jaren een negatief vermogen. De rijksoverheid gaat namelijk vaak schulden aan, maar de daaruit volgende bezittingen zijn voor een groot deel elders in de collectieve sector ondergebracht, zoals bij decentrale overheden, zelfstandige bestuursorganen en scholen. De staatsbalans gaf daarmee een onvolledig beeld van de positie van de overheid. In tegenstelling tot de staatsbalans laat de overheidsbalans wel een volledig beeld zien.

In de overheidsbalans is te zien dat er tussen 2013 en 2016 een dalend positief vermogen is.

Toelichting posten overheidsbalans

Activa

De activa, oftewel bezittingen, bestaan uit niet-financiële activa en financiële activa. De niet-financiële activa zijn objecten die een economische waarde hebben. In de praktijk komt dit neer op alle (niet-financiële) objecten die verkocht kunnen worden.

In de schuldcijfers die elders in de Miljoenennota zijn opgenomen, zijn de bezittingen niet verwerkt. De overheidsschuld is namelijk een brutoschuldbegrip. Dit betekent dat (financiële) bezittingen van de overheid – bijvoorbeeld de staatsdeelnemingen in Schiphol of de Nederlandse Spoorwegen – niet in mindering worden gebracht op de uitstaande schulden. De achterliggende reden voor het hanteren van een brutoschuldbegrip is dat het arbitrair is welke bezittingen wel en welke niet moeten worden meegeteld. Ook is het moeilijk om de exacte waarde van bezittingen op een eenduidige manier vast te stellen en bovendien zijn veel bezittingen niet of slecht liquide te maken.

De grootste niet-financiële post bestaat uit de vaste activa. Hierbinnen vormen de grond-, weg- en waterbouwkundige werken van Nederland veruit de grootste post. Een andere grote post zijn de olie- en gasreserves. Dit betreft zowel reserves die nog niet zijn gewonnen als gewonnen reserves die zijn opgeslagen. Deze reeks is voornamelijk in waarde gedaald door de lagere marktprijs voor gas waardoor de huidige gasreserves minder waard zijn. Daarnaast wordt gas ook over een langere periode gewonnen. Doordat toekomstige aardgasbaten lager worden gewaardeerd dan huidige, vermindert dit ook de waarde van de huidige gasreserves.

De post financiële activa bestaat uit alle financiële bezittingen van de overheid. Het gaat bijvoorbeeld om aandelen van de overheid in ondernemingen en leningen aan financiële instellingen.

Passiva

De passivakant van een balans laat zien hoe de bezittingen zijn gefinancierd en hoe groot het vermogen is. De waarde van de financiële passiva is in 2016 vrijwel gelijk gebleven.

Het vermogen is het saldo van bezittingen (activa) en schulden (financiële passiva). Bij een positief vermogen zijn de bezittingen groter dan de schulden. In 2016 is er sprake van een positief vermogen van 199 miljard euro. Wel is het vermogen in dit jaar gedaald. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door de eerder genoemde lagere huidige waarde van gasreserves.

6. Fiscale regelingen

6.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.9 Tot vorig jaar werden in deze bijlage alleen de fiscale regelingen opgenomen die voldeden aan de strikte definitie van een belastinguitgave. Met ingang van deze Miljoenennota vervalt het begrip «belastinguitgave». In het rapport van de studiegroep Begrotingsruimte is aandacht besteed aan de fiscale regelingen.10 Het rapport bevat de aanbeveling om voortaan geen onderscheid meer te maken tussen belastinguitgaven en andere inkomstenbeperkende regelingen. Niet de exacte definitie van een belastinguitgave, maar het budgettaire en beleidsmatige belang van een regeling is relevant. In lijn met dit advies zijn vorig jaar in de Miljoenennota in een aparte tabel in deze bijlage ruim twintig extra fiscale regelingen opgenomen die voldoen aan de criteria van budgettaire en beleidsmatige relevantie. Dit jaar zijn opnieuw circa twintig regelingen op grond van deze criteria toegevoegd aan het overzicht. Met ingang van deze Miljoenennota 2018 zijn de tabellen geïntegreerd. Ook worden vanaf dit jaar, uit het oogpunt van budgettaire en beleidsmatige relevantie, regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, niet meer in het budgettaire overzicht opgenomen.11 Deze regelingen blijven wel opgenomen in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij de Miljoenennota. De essentie van de nieuwe opzet is dat enerzijds transparantie wordt geboden en verantwoording wordt afgelegd, en anderzijds de beschikbare capaciteit gericht wordt ingezet om in te spelen op de informatiebehoefte van het parlement.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van de fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht van de fiscale regelingen is opgenomen in paragraaf 6.3. De drie daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 6.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2018 worden aangekondigd en de overige maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 6.5 behandelt de belangrijkste endogene ontwikkelingen in het gebruik van regelingen. Paragraaf 6.6 licht toe welke technische ramingsbijstellingen zijn gemaakt ten opzichte van de vorige Miljoenennota. Tot slot worden in paragraaf 6.7 de evaluaties in het fiscale domein gemeld die sinds de Miljoenennota 2017 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2017–2021.

Een toelichting op de regelingen – bestaande uit een beschrijving van de regeling en een weergave van de doelstelling, de ramingsgrond, het Ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie – is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». Daarin staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2017 en 2018 in een beleidsmatig deel en een endogeen deel.

6.2 Belangrijkste ontwikkelingen in het budgettaire belang van fiscale regelingen

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van de fiscale regelingen tussen 2013 en 2018. Hierop zijn enkele uitzonderingen, op het gebied van de eigen woning, de innovatiebox, de 30%-regeling, de salderingsregeling in de energiebelasting en de fiscale regelingen voor nulemissievoertuigen (zie paragraaf 6.5). Bij de fiscale regelingen voor de eigen woning spelen meerdere factoren een rol, maar daalt per saldo het budgettaire belang, met name doordat de hypotheekrenteaftrek € 3,7 miljard krimpt als gevolg van de dalende rente. Het geraamde budgettaire belang van de innovatiebox neemt sterk toe, deels doordat uit de aangiftecijfers een grondslagstijging blijkt en deels doordat grotendeels dezelfde ontwikkeling wordt verondersteld als de ontwikkeling van de vennootschapsbelastingopbrengsten, die door de economische groei met name in 2016 aanzienlijk groeien. Het gebruik van de 30%-regeling neemt sterk toe en de regeling is afgelopen jaar geëvalueerd (zie paragraaf 6.7). De 30%-regeling is volgens de onderzoekers doeltreffend en doelmatig en eventuele beleidsconclusies zijn aan het volgende kabinet gelaten. Ook de salderingsregeling in de energiebelasting kent een aanzienlijk groeiend aantal gebruikers en is recent geëvalueerd. De salderingsregeling blijkt een relatief dure regeling per ton vermeden CO2-uitstoot en naar aanleiding daarvan heeft het kabinet in juli een onderzoek naar verschillende varianten van stimulering van lokale hernieuwbare energie naar de Tweede Kamer gestuurd. Het budgettaire belang van de fiscale regelingen ter stimulering van nulemissievoertuigen loopt op door het stijgende aantal van deze voertuigen. De Wet uitwerking Autobrief II, waarin deze stimulering is vormgegeven, wordt in 2018 geëvalueerd.

6.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 6.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2013 tot en met 2018. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2013 en 2018. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen in het gebruik van de regeling.

Tabel 6.3.1. Fiscale regelingen 2013–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Gemiddeld % groei ’13-’182

 

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

225

237

228

206

212

218

– 0,6%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

345

339

339

356

362

367

1,2%

Aftrek specifieke zorgkosten

330

284

282

282

282

282

– 3,1%

Aftrek kosten monumentenpanden

54

58

56

56

57

58

1,3%

Onderhoudsverplichtingen aftrek

nb

338

336

336

336

336

– 0,1%

Belaste ontvangen alimentatie

nb

– 198

– 201

– 201

– 201

– 201

0,4%

 

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

19.909

19.745

17.390

17.423

19.178

19.686

– 0,2%

Pensioen belaste uitkering

– 11.732

– 12.317

– 12.941

– 12.797

– 13.175

– 13.449

2,8%

Pensioen vrijstelling box 3

5.767

5.961

7.185

7.183

7.288

7.427

5,2%

FOR aftrek

159

165

157

159

160

162

0,3%

FOR belaste uitkering

– 114

– 111

– 108

– 104

– 101

– 100

– 2,6%

Lijfrente premieaftrek

nb

532

496

501

549

565

1,5%

Lijfrente belaste uitkering

nb

– 348

– 387

– 383

– 394

– 402

3,7%

Lijfrente vrijstelling box 3

nb

168

215

215

218

222

7,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

nb

536

521

524

574

591

2,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

nb

– 417

– 406

– 414

– 460

– 476

3,3%

Reisaftrek OV

nb

10

9

10

10

10

0,0%

Middelingsregeling3

83

93

92

86

86

86

0,7%

 

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

13.818

13.492

12.989

11.944

10.648

10.121

– 6,0%

Aftrek financieringskosten eigen woning

103

139

212

256

280

250

19,6%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

25

27

28

29

31

32

5,0%

Aftrek rente en kosten van geldleningen restschuld vervreemde eigen woning

23

23

25

26

27

27

3,1%

Eigenwoningforfait

– 2.658

– 2.946

– 3.069

– 3.124

– 3.280

– 3.283

4,3%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

412

513

556

585

631

649

9,5%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

317

782

32

34

190

190

– 9,7%

OVB Verlaagd tarief woning

1.214

1.723

1.949

2.521

2.944

2.946

19,4%

 

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing3

0

2

28

16

23

60

nvt

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

10

10

10

10

0,0%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

892

896

946

978

979

971

1,7%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

23

25

25

26

27

28

4,3%

Vrijstelling groen beleggen box 3

54

49

45

43

41

39

– 6,5%

Heffingskorting groen beleggen

35

31

29

28

27

26

– 5,8%

Heffingvrij vermogen box 3

1.393

1.407

1.449

1.588

1.160

1.051

– 5,5%

 

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

1.733

1.660

1.720

1.720

1.720

1.720

0,9%

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

106

108

108

108

108

0,5%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

1,0%

Stakingsaftrek

16

15

15

14

14

14

– 2,5%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

0,0%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

– 0,7%

Doorschuiving stakingswinst

220

232

245

250

262

273

4,4%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

94

96

98

100

102

104

2,0%

MKB-winstvrijstelling

1.364

1.520

1.565

1.590

1.635

1.675

4,2%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

18

17

17

17

17

17

– 1,1%

Innovatiebox

883

1.081

1.287

1.708

1.687

1.679

13,7%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

393

359

386

395

405

410

0,9%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

139

124

107

144

164

147

1,1%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

169

58

102

108

97

99

– 10,1%

VAMIL

56

25

30

20

40

40

– 6,5%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

120

120

0,0%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.262

1.109

1.109

1.109

1.109

1.109

– 2,5%

Bosbouwvrijstelling

4

5

5

5

5

6

7,8%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

6

6

6

6

0,0%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

110

104

110

114

118

123

2,3%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

13

16

16

16

16

16

4,7%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

480

308

383

383

383

383

– 4,4%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

195

199

203

207

211

215

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

5

5

6

6

7

7

7,7%

 

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

766

780

769

1.208

1.205

1.163

8,7%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

– 

– 

– 

– 

29

29

0,0%

30%-regeling

651

699

806

850

901

955

8,0%

Afdrachtvermindering zeevaart

110

113

113

112

111

111

0,2%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

107

110

114

117

121

124

3,1%

 

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

22.889

21.908

22.694

20.133

20.163

20.193

– 2,5%

Arbeidskorting

9.644

11.664

12.868

17.134

18.207

18.657

14,1%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.621

1.597

1.623

1.952

2.003

2.056

4,9%

Jonggehandicaptenkorting

169

177

178

177

178

178

1,1%

Alleenstaande ouderenkorting

502

508

522

518

510

482

– 0,8%

Ouderenkorting

2.426

2.430

2.482

2.749

2.971

3.237

5,9%

 

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

84

83

106

126

121

124

8,2%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

34

31

26

25

24

23

– 7,6%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

7

4

6

6

6

7

1,9%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

0

0

0

1

nvt

Salderingsregeling

33

55

80

94

120

166

38,0%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

55

55

63

71

71

76

6,7%

Belastingvermindering per aansluiting

2.379

2.449

2.471

2.493

2.493

2.511

1,1%

 

Omzetbelasting

Laag tarief voedingsmiddelen en water

6.925

7.075

7.439

7.744

8.069

8.408

4,0%

Laag tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.630

1.662

1.802

1.794

1.830

1.804

2,0%

Laag tarief culturele goederen en diensten

1.222

1.228

1.416

1.494

1.568

1.647

6,1%

Laag tarief arbeidsintensieve diensten

882

981

931

641

660

680

– 5,1%

Laag tarief overig

1.579

1.620

1.660

1.797

1.877

1.957

4,4%

Kleine ondernemersregeling

124

130

141

150

160

170

6,5%

Landbouwregeling

19

19

19

18

18

0

– 100,0%

 

Auto

             

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

0

2

3

4

6

46,6%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

1

3

5

8

12

18

74,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

16

30

46

69

86

127

51,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's overgangsrecht

554

654

829

741

529

367

– 7,9%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

46

44

37

53

51

46

– 0,3%

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

51

50

49

46

48

47

– 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

15

11

12

15

16

16

1,2%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

23

24

25

25

25

25

2,1%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

713

738

765

804

834

868

4,0%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

14

14

15

15

15

15

2,2%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

207

45

48

51

58

65

– 20,7%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

– 

32

25

22

19

16

– 15,5%

MRB Kwarttarieven

106

118

125

132

142

153

7,6%

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

– 

– 

– 

31

38

43

17,3%

X Noot
1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

Als de regeling nog niet bestond in 2013 of het budgettair belang van 2013 niet bekend is, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het eerst bekende jaar in de reeks. Bij de zelfstandigenaftrek en de extra zelfstandigenaftrek starters is de gemiddelde jaarlijkse groei vanaf 2014 gegeven, vanwege de reeksbreuk tussen 2013 en 2014 (zie paragraaf 6.6).

X Noot
3

Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cijfers in cursief zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2014 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat – deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2014 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2015 gemaakt – deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtsverminderingen in de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen enkele informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom feitelijk niet optelbaar.12 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

6.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 6.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota en zoals opgenomen in het pakket wetsvoorstellen Belastingplan 2018. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar die wetsvoorstellen.

Tabel 6.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

structureel

Beleid sinds Miljoenennota 2017

       

Amendementen EIA

12

14

14

12

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek voor scholingsuitgaven

 

– 218

– 218

– 218

Aanhouden wetsvoorstel afschaffen aftrek kosten monumentenpanden

– 57

– 57

– 57

– 57