Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
onbekende auteur nr.

32 017 (R1884) Regeling van taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie)

32 018 (R1885) Regeling van de inrichting, de organisatie en het beheer van de openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de samenwerking daartussen (Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

32 019 (R1886) Regeling van de inrichting, de organisatie, het gezag en het beheer van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

32 020 (R1887) Regeling van de instelling, taken en bevoegdheden van de Raad voor de rechtshandhaving van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving)

32 026 (R1888) Regels voor het financieel toezicht op de landen Curaçao en Sint Maarten (Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten)

32 041 (R1890) Vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba

32 178 (R1898) Reglement voor de Gouverneur van Curaçao

32 179 (R1899) Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten

32 186 (R1901) Wijziging van verschillende rijkswetten in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel (Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen)

32 213 (R1903) Wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in verband met de wijziging van de staatkundige hoedanigheid van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen (Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen)

C1 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 juni 2010

Inleiding en algemene vragen

Over de tien hiervoor genoemde voorstellen van rijkswet heeft de Vaste Commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken van de Eerste Kamer op 15 juni jl. verslag uitgebracht.

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD, de SP, de CU en de SGP, D66 en het lid van de fractie van OSF. Zij volgt in de beantwoording de volgorde en indeling van het verslag.

De leden van de fractie van het CDA tonen zich verheugd met de vooruitzichten dat de staatkundige hervorming van het Koninkrijk met deze voorstellen een stap naderbij komt en dat de beoogde transitiedatum van 10 oktober 2010 een realistisch vooruitzicht is. De leden van de fractie van de VVD hebben met belangstelling kennis genomen van de voorstellen met uitzondering van het voorstel tot wijziging van het Statuut waarvan ze met gemengde gevoelens kennis hebben genomen. De leden van de fractie van de PvdA concentreren zich gezien de uitvoerige behandeling in de Tweede Kamer op de voorgestelde wijziging van het Statuut.

De leden van de fractie van de SP stellen enkele algemene vragen. Deze leden wijzen erop dat de stichting AWOR T'E ORA aangeeft dat ruim 2500 inwoners van Bonaire zich zorgen maken over het staatkundig proces en een nieuw referendum hierover wensen. Graag vernemen de leden van de SP-fractie een reactie van de regering op voornoemde zorgen van de mensen van AWOR T’E ORA. In de huidige constellatie maakt het eilandgebied Bonaire onderdeel uit van het Land Nederlandse Antillen. Het organiseren van een referendum is een autonome aangelegenheid waarover de Nederlandse regering zich niet uitspreekt. De eilandsraad van Bonaire heeft 31 mei jl. unaniem een motie aangenomen die het eilandbestuur oproept om een referendumverordening op te stellen. De motie vraagt om een referendum op Bonaire vóór 1 oktober dit jaar. Als dit referendum er inderdaad komt, zou dat een kans zijn voor de Bonairiaanse bevolking om zich uit te spreken over de inhoud en het eindresultaat van de onderhandelingen vanaf 15 juni 2009 (moment van wisseling van bestuurscollege) over de staatkundige toekomst van Bonaire.

Deze leden verwijzen voorts naar een publicatie in de Staatscourant van 21 april 2010 waarin als grote hobbels voor het staatkundig proces worden genoemd de opheffing van het Land Nederlandse Antillen door de Staten van de Nederlandse Antillen en de goedkeuring van de tien rijkswetten door de eilandsraden van Curaçao en Sint Maarten. Wat eerstgenoemde «hobbel» betreft merken we op dat er niet een apart besluit van de Staten tot opheffing van het Land Nederlandse Antillen nodig is. Zodra de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen en de Staatsregelingen van Curaçao en Sint Maarten in werking treden houdt het Land Nederlandse Antillen op te bestaan als staatkundige entiteit en ontstaan twee nieuwe landen, Curaçao en Sint Maarten. De tien rijkswetten die hier aan de orde zijn behoeven op grond van het Statuut niet te worden goedgekeurd door de eilandsraden van Curaçao en Sint Maarten. In het algemeen is goedkeuring door de Staten of eilandsraden geen constituerend vereiste voor een rijkswet. Een uitzondering vormt het Statuut. Een wijziging daarvan kan pas in werking treden na goedkeuring daarvan bij landsverordening door de Nederlandse Antillen en Aruba. Voor de rijkswetten die zijn gebaseerd op artikel 38, tweede lid, van het Statuut, de zogenoemde consensusrijkswetten, is wel afgesproken dat er overeenstemming moet zijn met de regering van de betrokken landen en de eilandsbesturen. In een politieke verklaring van 12 november 2007 is overeengekomen dat de bestuurscolleges een dergelijk voorstel van rijkswet voorleggen aan de eilandsraden voordat het voorstel wordt behandeld in de raad van ministers van het Koninkrijk. Dit is gebeurd en de eilandsraden hebben met de voorstellen ingestemd. Over de amendementen heeft als afgesproken politiek overleg plaatsgevonden. De bijzondere gedelegeerden, waarvan leden van de eilandsbesturen deel uitmaakten, hebben bij de behandeling van de consensusrijkswetten in de Tweede Kamer geen gebruik gemaakt van de in artikel 18 van het Statuut geboden bevoegdheid om zich voor de eindstemming tegen de voorstellen te verklaren.

De leden van de fractie van de CU, mede namens de leden van de SGP-fractie, geven aan met belangstelling te hebben kennisgenomen van de wetsvoorstellen. De leden van de fractie van D66 hebben met de grootst mogelijke belangstelling van de voorstellen kennisgenomen en uiten tot genoegen van de regering hun grote waardering voor de inspanningen aan beide zijden van de oceaan.

Het lid van de fractie van de OSF heeft met genoegen kennisgenomen van de voorstellen. Hij vraagt naar het overleg met Aruba over aansluiting bij de rijkswetten inzake de openbare ministeries, de politie en de Raad voor de rechtshandhaving. Deze vraag geeft ons aanleiding het volgende op te merken. Wij onderschrijven het belang van samenwerking op het terrein van de rechtshandhaving binnen het Koninkrijk. Aansluiting bij de consensusrijkswetten op dat terrein is een van de mogelijkheden om die samenwerking vorm te geven. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister-President van Aruba hebben in een gezamenlijke agenda verklaard: «In het belang van een goede samenwerking binnen het Koninkrijk is het wenselijk dat Aruba zo veel mogelijk aansluiting heeft bij de consensusrijkswetten die tot stand komen in het kader van het staatkundige proces van de Nederlandse Antillen. De aansluiting kan het beste bereikt worden ná de transitiedatum via een consensusrijkswet tot wijziging van de consensusrijkswetten. Aruba onderzoekt de wenselijkheid van aansluiting bij diverse consensusrijkswetgeving.» Dit onderzoek is op Aruba nog niet afgerond.

Voorts vraagt het lid van de OSF-fractie naar deelname van Nederland in een eventuele taalunie voor Papiamentu. De regering ziet voordelen in samenwerking op het gebied van de gemeenschappelijke talen die in het Koninkrijk worden gesproken. Dat betreft zowel het Nederlands als het Papiaments. Die samenwerking is voorwerp van gesprek met Bonaire, maar ook met Curaçao en Aruba. Deze samenwerking zal zijn neerslag kunnen vinden in samenwerkingsprotocollen. Welke vorm die samenwerking op het gebied van het Papiaments kan krijgen zou daarbij nader moeten worden bezien.

Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (32 017 (R1884))

Checks and balances

De leden van de fractie van het CDA merken op dat op een groot aantal punten checks and balances zijn ingebouwd in de wetsvoorstellen die beogen een compensatie te bieden voor de kleinschaligheid, maar dat soms aan praktische overwegingen voorrang is gegeven. Zij wijzen erop dat de onverenigbare betrekkingen niet gelden voor rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg en plaatsvervangend leden en op de mogelijkheid rechters-plaatsvervanger aan te stellen die niet beschikken over een voltooide academische opleiding in de rechtsgeleerdheid. Gepoogd is het functioneren van de rechterlijke macht in de kleinschalige gemeenschappen zo goed mogelijk te garanderen. Dat betekent ook dat de rechterlijke macht in praktijk moet kunnen functioneren waarvoor soms op die praktijk toegespitste keuzes nodig zijn. Daarbij zijn in onze ogen geen concessies gedaan die een bedreiging vormen voor de onafhankelijkheid en deskundigheid van de rechtspraak. Wat de onverenigbare betrekkingen betreft wijzen we erop dat naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer bij nota van wijziging alsnog is bepaald dat deze ook gelden voor de plaatsvervangers met enkele uitzonderingen waaronder het lidmaatschap van de Raad van State. Voor deze uitzondering tonen de leden van de aan het woord zijnde fractie begrip.

De mogelijkheid niet-juristen te benoemen als rechter-plaatsvervanger is uitsluitend ten behoeve van de kleine bovenwindse eilanden gehandhaafd. De rechtspleging op beide eilanden geschiedt in hoofdzaak vanaf Sint Maarten. Dat zal ook in de toekomst niet anders zijn. Er is onvoldoende rechterlijk werk op Saba en Sint Eustatius om de permanente aanwezigheid van een lid van het Hof te rechtvaardigen. Gezien de bijzondere geografische en klimatologische omstandigheden is het echter wel noodzakelijk dat op beide eilanden permanent een magistraat aanwezig is. De taken van deze rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg zijn beperkt. Zij verrichten rechterlijke handelingen die geen uitstel dulden. Gestreefd wordt naar de benoeming van een persoon met een afgeronde universitaire juridische opleiding op beide eilanden. In artikel 25, eerste lid, van het voorstel is neergelegd dat benoeming van een jurist de voorkeur verdient. Het voorstel van het bestuur van het Hof voor benoeming van een niet-jurist tot rechter-plaatsvervanger, moet expliciet worden gemotiveerd (artikel 25, derde lid). Het staat niet vast dat het altijd mogelijk zal zijn een jurist te benoemen tot rechter-plaatsvervanger op Saba en Sint Eustatius. Er moet dan immers niet alleen een jurist op het desbetreffend eiland wonen en daar min of meer permanent aanwezig zijn, maar ook een jurist die geschikt is voor en bereid is tot het vervullen van de functie van rechter-commissaris.

Wat het streven naar Caribisering betreft is het inderdaad zaak een goede balans te vinden tussen aan de ene kant de wenselijkheid van Caribisering en aan de andere kant de wenselijkheid van regelmatige vernieuwing en verjonging van het rechtersbestand, zoals de leden van de fractie van CDA reeds veronderstellen. Dit vergt dat een deel van de rechters uit tijdelijk uitgezonden rechters blijft bestaan.

Het begrip salaris in artikel 29

De leden van de VVD-fractie vragen of in artikel 29, zesde lid, het begrip «salaris» moet worden vervangen «door inkomsten uit deze dienstbetrekking», nu bij Nota van wijziging eenzelfde wijziging is door gevoerd in het vijfde lid van artikel 29.

Artikel 29, vijfde lid, van het voorstel van rijkswet ziet op de beslissing van de Hoge Raad tot schorsing van een rechter en de mogelijkheid om daarbij te bepalen dat gedurende de duur van de schorsing geen of slechts een gedeelte van de inkomsten uit dienstbetrekking worden genoten. Indien de schorsing eindigt kan de Hoge Raad op grond van het zesde lid besluiten tot (gedeeltelijke) uitbetaling van de op grond van het vijfde lid ingehouden inkomsten. Wij zijn het met de leden van de VVD-fractie dan ook eens dat het begrip salaris in het zesde lid moet worden vervangen door inkomsten uit deze dienstbetrekking. Bij een eerstkomende wijziging van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zal dit worden meegenomen. Overigens levert het verschil in terminologie tussen het vijfde en zesde lid geen problemen op voor de toepassing van het artikel in de praktijk.

Incompatibiliteiten

In antwoord op de vraag van de leden van deze fractie naar de onverenigbaarheid van het lidmaatschap van de Staten-Generaal met die van rechter in het Hof, merken we op dat er in de specifieke context van het Caribische deel van het Koninkrijk voor is gekozen het lidmaatschap van het Hof niet verenigbaar te achten met het lidmaatschap van het (landelijk) algemeen vertegenwoordigend lichaam. Hiermee is niet beoogd vooruit te lopen op een nieuwe onverenigbaarheid voor rechters in het Europese deel van Nederland.

Behandeling achter gesloten deuren

De leden van de fracties van de SP, de CU en de SGP wijzen op het belang van behandeling achter gesloten deuren van zaken waarbij minderjarigen zijn betrokken. Zij verwijzen naar de regeling in Nederland terzake in artikel 495b van het Wetboek van Strafvorderingen en artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In het voorstel van rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie is geregeld dat tenzij bij landsverordening of wet anders is bepaald, de zittingen van de Gerechten in eerste aanleg en het Hof openbaar zijn. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de Nederlandse Wet op de rechterlijke organisatie. De landen kunnen dus zelf in hun wetboeken van procesrecht bepalen dat bepaalde zittingen achter gesloten deuren worden gehouden. Dat doen ze ook. Artikel 488 Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen bepaalt dat zittingen in beginsel openbaar zijn tenzij de verdachte de leeftijd van 16 jaar nog niet bereikt heeft. Zowel voor de BES-eilanden als in Sint Maarten en Curaçao zal deze bepaling blijven gelden en vinden strafzaken met verdachten jonger dan zestien jaar dus steeds achter gesloten deuren plaats. Artikel 803 van het Nederlands-Antilliaanse Wetboek van Rechtsvordering regelt behandeling achter gesloten deuren van kort gezegd personen- en familiezaken. Ook deze bepaling blijft gelden in Curaçao, Sint Maarten en op de BES-eilanden.

Betrokkenheid van Aruba

De leden van de fracties van de CU en de SGP nemen terecht aan dat de huidige regering van Aruba bereid is afspraken te maken over samenwerking in de rechtshandhaving. Aansluiting bij de consensusrijkswetten op dat terrein is, zoals hiervoor al is opgemerkt, een van de mogelijkheden om die samenwerking vorm te geven. In de inleiding is naar aanleiding van een vraag van het lid van de fractie van de OSF ingegaan op de eventuele aansluiting van Aruba bij de consensusrijkswetten openbare ministeries, politie en Raad voor de rechtshandhaving, waarnaar ook de leden van de fracties van de CU en de SGP vragen.

Koninkrijkscommissie

De leden van de fracties van de CU en de SGP vragen voorts naar de stand van zaken met betrekking tot de Koninkrijksbrede commissie die onderzoek moet doen naar een samenhangende regeling voor de zittende en staande magistratuur voor het hele Koninkrijk. In het overleg tussen de Ministers van Justitie van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba van 23 juni 2008 is als deel van een reeks afspraken overeengekomen dat er een Koninkrijksbrede commissie zou worden ingesteld die onderzoek zou doen naar kort gezegd een samenhangende regeling voor de zittende en staande magistratuur voor het hele Koninkrijk. Deze afspraak is destijds op voorstel van Aruba gemaakt, dat graag de mogelijkheden van een regeling van de rechterlijke macht voor het gehele Koninkrijk wilde onderzoeken. De instelling van deze commissie staat ook wat Aruba betreft los van de totstandkoming van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Het ligt voor de hand dat de komende jaren eerst ervaring wordt opgedaan met het Gemeenschappelijk Hof nieuwe stijl. Binnen vijf jaar wordt de werking van de rijkswet geëvalueerd. Bij de (tijdige) voorbereiding van de evaluatie van de Rijkswet, kan een Koninkrijksbrede commissie rechterlijke macht hierbij een rol te laten spelen. De vraag van de leden van deze fracties over het achter gesloten deuren plaatsvinden van zaken waarbij jeugdigen zijn betrokken is hiervoor reeds beantwoord.

Verschoningsrecht voor rechters

De leden van de fracties van de CU en de SGP vragen naar de bereidheid om in artikel 6 het verschoningsrecht op te nemen. De mogelijkheid voor rechters om een verzoek tot verschoning in te dienen is in de Nederlandse Antillen, evenals in Nederland, niet geregeld in de regelingen die zien op de rechterlijke organisatie, maar in de diverse proceswetten (zie de artikelen 36 van het Nederlands Antilliaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 504 e.v. van het Nederlands-Antilliaanse Wetboek van Strafvordering, 517 Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In genoemde artikelen is eveneens voorzien in het door de leden van deze fracties genoemde voorbeeld dat de rechter eerst tijdens de behandeling ter terechtzitting erachter komt dat hij een partij kent. Het onderzoek ter terechtzitting wordt op dat moment namelijk geschorst (zie onder andere de artikelen 36, derde lid, van het Nederlands-Antilliaanse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 507, tweede lid van het Nederlands-Antilliaanse Wetboek van Strafvordering). Op Aruba is het op gelijke wijze geregeld. Nu in de diverse proceswetten al is voorzien in het verschoningsrecht zien wij geen noodzaak tot opname hiervan in artikel 6. De Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Kamerstukken I 2009/10, 31959) brengt geen wijziging in genoemde artikelen. Dus ook voor de BES-eilanden is de mogelijkheid van verschoning geregeld.

Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (32 018 (R1885))

Een adequaat niveau van rechtshandhaving

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de regering aangeeft dat de rijkswetten op het gebied van rechtshandhaving en rechtspleging de basis bieden voor een adequaat niveau van rechtspleging en rechtshandhaving. Zij vragen een toelichting op de aanduiding «adequaat». Het begrip adequaat is gehanteerd in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis van dit begrip, namelijk: geschikt voor het beoogde doel. Het doel van de consensusrijkswetten voor rechtspraak, openbaar ministerie, politie en de inspectie van de rechtshandhaving is het bieden van een structuur die de basis kan bieden voor een goede rechtshandhaving en rechtspleging in de nieuwe landen en op de BES-eilanden. Het belang van een goede rechtspleging en rechtshandhaving in alle delen van het Koninkrijk ligt ten grondslag aan de afspraken die over de rechtspraak, het openbaar ministerie, de politie en het toezicht op de rechtshandhaving zijn gemaakt in de Slotverklaring.

Betrokkenheid Aruba

De leden van de fractie van CDA vragen of de regering van Aruba al interesse heeft getoond in aansluiting bij de consensusrijkswet openbare ministeries. Zoals in de inleiding en de vorige paragraaf is opgemerkt naar aanleiding van een vraag van het lid van de fractie van OSF respectievelijk van de leden van de fracties van de CU en de SGP over aansluiting van Aruba bij onder meer de consensusrijkswet openbare ministeries is dit onderwerp van gesprek met Aruba. Wij verwijzen naar de hiervoor gegeven antwoorden.

Roulatie en onderlinge inzetbaarheid leden openbaar ministerie

Naar aanleiding van het beleid van Caribisering geven de leden van de fractie van het CDA aan zich goed te kunnen voorstellen dat het vanwege de kleinschaligheid belangrijk is om enige roulatie tussen de eilanden en met Nederland te laten plaatsvinden. Zij vragen of de regering dit standpunt deelt en of er in het kader van opleiding en bijscholing in uitwisseling met Nederland is voorzien. Het streven naar Caribisering van de rechterlijke macht vinden wij een belangrijk uitgangspunt. Evenwel mag niet uit het oog worden verloren dat mede vanwege de kleinschaligheid volledige Caribisering niet mogelijk is. Dit betekent dat een deel van de functies binnen de rechterlijke macht vervuld worden door uitgezonden leden van de rechterlijke macht in Nederland. Een groot deel van de Antilliaanse leden van de rechterlijke macht heeft zijn opleiding in Nederland gehad. Op deze wijze is in de praktijk reeds sprake van een vorm van roulatie. Een andere vorm van roulatie is de stage in Nederland die onderdeel uit maakt van de opleiding tot rechterlijk ambtenaar in opleiding.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts of het de verwachting is dat regelmatig gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid een officier van justitie in te zetten in een ander land dan het land van standplaats.

Het is inderdaad mogelijk dat officieren van justitie en andere medewerkers van het openbaar ministerie worden ingezet in een ander land dan dat van de standplaats. De inzet zal moeten passen binnen de afspraken die de procureur-generaal maakt met de ministers van Justitie van de landen. De mate waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van onderlinge inzetbaarheid is afhankelijk van de behoefte en de praktische mogelijkheden. De verwachting is wel dat er met enige regelmaat sprake zal zijn van inzet van officieren buiten het land van standplaats. Aanleiding voor deze veronderstelling is onder meer dat het gelet op de omvang van de (ei)landen niet goed mogelijk is in elk van de landen te beschikken over alle noodzakelijke specialismen. Dit kan enerzijds niet vanwege de onaanvaardbaar hoge kosten die dat met zich zou brengen en anderzijds niet omdat een specialisme zich alleen kan ontwikkelen en in stand kan worden gehouden bij een voldoende aanbod van zaken waarvoor het specialisme is vereist. De onderlinge inzetbaarheid geeft de mogelijkheid specifieke deskundigheden te ontwikkelen tegen aanvaardbare kosten. Het antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SP of van de onderlinge inzetbaarheid gebruik wordt gemaakt om specialismen van officieren te ontwikkelen, is dus bevestigend.

Bevoegdheden Raad voor de rechtshandhaving

Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie of de Raad voor de rechtshandhaving ook bevoegd is de institutionele vormgeving van het openbaar ministerie te betrekken in zijn beoordeling in het kader van effectiviteit, kwaliteit van de taak uitvoering en beheer. Tevens vragen deze leden of de Raad ook het functioneren van de institutionele structuur van de politie in zijn oordelen kan betrekken.

De Raad voor de rechtshandhaving is belast met de algemene inspectie van het openbaar ministerie en de politie. Deze inspectie wordt uitgevoerd met betrekking tot de effectiviteit, de kwaliteit van de taakuitvoering en het beheer. Voorts oordeelt de Raad over de kwaliteit en de effectiviteit van de justitiële samenwerking tussen de landen. De structuur van de openbare ministeries alsmede die van de politieorganisatie als zodanig zijn niet onderhevig aan de inspectie. Dit laat onverlet dat in het geval uit de inspectie blijkt dat de structuur aan een goed functioneren van de openbare ministeries dan wel de politie in de weg staat dit aanleiding kan zijn voor de Raad de betrokken Ministers daarop te wijzen.

Tweede advocaat-generaal

Naar aanleiding van de vraag van de fractie van de SP over de wenselijkheid van een wettelijke regeling van benoeming van een tweede advocaat-generaal, merken wij op dat daaraan geen behoefte bestaat. De precieze inrichting van het parket van de procureur-generaal is welbewust opengelaten om afhankelijk van de behoeften in praktijk het parket optimaal te kunnen samenstellen. Dit biedt onder meer de ruimte de tweede advocaat-generaal aan te stellen met standplaats Sint Maarten waaraan in praktijk behoefte bestaat.

Bijzondere aanwijzingen

In antwoord op de vragen van de leden van de SP over de artikelen 12 en 13 van het voorstel (de relatie tussen de bevoegdheid van de Minister van Justitie en het Hof om een bevel tot vervolging te geven) het volgende. De minister kan de procureur-generaal een bijzondere aanwijzing geven. Dat kan ook een aanwijzing zijn af te zien van een vervolging, zoals de leden van de fractie van de SP veronderstellen. Het voornemen een dergelijke aanwijzing te geven dient echter op grond van artikel 13, tweede lid, van het voorstel van rijkswet ter toetsing aan het Hof te worden voorgelegd. Een bijzondere aanwijzing kan alleen worden gegeven nadat het Hof heeft geoordeeld dat de aanwijzing rechtmatig is. Het is dus niet mogelijk dat het Hof niet op de hoogte is van een aanwijzing van de minister om af te zien van vervolging. Los van de bevoegdheid van de Minister van Justitie staat de bevoegdheid van het Hof op eigen initiatief een bevel tot vervolging te geven (artikel 12 van het voorstel). Het doet er daarbij niet toe wat de aanleiding voor het Hof is een dergelijk bevel te geven.

Opleidingseisen en onverenigbare familiebetrekkingen

De leden van de SP-fractie vragen zich af of bovenop de in artikel 18, tweede lid, genoemde graad, een Master als bedoeld in het eerste lid is vereist. De leden van de SP-fractie hebben goed begrepen dat bovenop de in artikel 18, tweede lid, genoemde graad, een Master als bedoeld in artikel 18, eerste lid, vereist is. Het opleidingsvereiste is daarmee gelijk aan die van de leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (vergelijk artikel 24 van het voorstel van Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie). Artikel 18 is grotendeels gebaseerd op artikel 1d, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (zie ook artikel 38 ca, eerste en tweede lid, Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren).

Voorts vragen de leden van de SP-fractie of het mogelijk is dat iemand officier van justitie in een van de landen is, terwijl zijn echtgenoot lid is van het Gemeenschappelijk Hof. Artikel 19b van het onderhavige voorstel sluit dit niet uit. Dit geldt eveneens voor artikel 27 van het voorstel van rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie. De onverenigbare familiebetrekkingen beperken zich tot de organisatie zelf.

De gemeenschappelijke procureur-generaal

De leden van de fracties van de CU en de SGP geven aan dat het hen bevreemdt dat er is gekozen voor één procureur-generaal in drie landen. Zij vragen welke aanwijzing van welke minister de procureur-generaal moet opvolgen. Naar aanleiding hiervan merken we op dat de aanwijzingsbevoegdheid van elk van de ministers zich beperkt tot de opsporing en vervolging in het eigen land. De procureur-generaal zal dus de aanwijzingen van elk van de ministers kunnen opvolgen. Indien de procureur-generaal van mening is dat een aanwijzing betrekking heeft op het gezamenlijk beleid van de landen – gedacht kan worden aan het gezamenlijk beleid voor de bestijding van grensoverschrijdende criminaliteit – dan legt hij de aanwijzing voor aan de ministers van Justitie gezamenlijk. Overigens mag worden aangenomen dat indien een minister voornemens is een aanwijzing te geven die betrekking heeft op gezamenlijk beleid hij hierover eerst overleg voert met de andere ministers van Justitie.

De leden van de hiervoor genoemde fracties vragen nog eens de keuze voor één gemeenschappelijke procureur-generaal toe te lichten. De Nederlandse Antillen, Curaçao, Sint Maarten en Nederland hebben besloten tot samenwerking op het terrein van het openbaar ministerie. Bij de totstandkoming van de samenwerkingsafspraken zoals neergelegd in de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige positie van Curaçao en Sint Maarten is gezocht naar een manier om zowel eenheid in organisatie als lokale inbedding en betrokkenheid te verzekeren. Een voor betrokkenen acceptabele manier daarvoor is dat ieder land een eigen openbaar ministerie heeft dat werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie van het desbetreffende land, maar dat de drie openbare ministeries worden geleid door één gezamenlijke procureur-generaal die over voldoende bevoegdheden en middelen beschikt om daadwerkelijk uitvoering te kunnen geven aan zijn taken: de leiding over en het beheer van de openbare ministeries van de Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Wij zijn van opvatting dat een gezamenlijke leiding van de openbare ministeries de noodzakelijke samenwerking in de opsporing en vervolging van strafbare feiten eenvoudiger maakt. Door de organisatie van een parket in eerste aanleg per land is verzekerd dat elk land een herkenbaar eigen openbaar ministerie heeft, geworteld in de eigen samenleving. Het is immers niet alleen de procureur-generaal die het openbaar ministerie maakt. In belangrijke mate gebeurt dat door de officieren van justitie die werkzaam zijn in de eerste lijn. De keuze voor een openbaar ministerie per land brengt met zich dat in ieder land een relatief kleine eenheid is belast met de taken van het openbaar ministerie in eerste lijn. Deze taken beslaan een breed scala aan werkzaamheden. Door instelling van een gezamenlijke procureur-generaal die naast zijn werkzaamheden in de tweede lijn leiding geeft aan de openbare ministeries en het beheer daarvan doet, worden de krachten van de relatief kleine openbare ministeries tot op zekere hoogte gebundeld. In gezamenlijkheid dragen de landen zorg voor een voldoende bestaft parket. Het parket van de procureur-generaal kan een bijdrage leveren aan de professionaliteit van de organisatie van de drie openbare ministeries. Het kan dienen als kenniscentrum, het uitwisselen van ervaringen ondersteunen en bevorderen en ervoor zorgen dat alle parketten op de hoogte zijn van behandeling van zaken in hoger beroep, ook als ze betrekking hebben op een ander land. Aldus kunnen de drie openbare ministeries op elkaar steunen en van elkaars ervaringen leren. De leden van de fracties van de CU en de SGP vragen waarom er niet voor is gekozen de hoofdofficier eindverantwoordelijk te laten zijn. Het is niet mogelijk dat de procureur-generaal leiding geeft aan het openbaar ministerie indien de hoofdofficier eindverantwoordelijk zou zijn voor het openbaar ministerie in eerste lijn. De leiding van het parket in eerste aanleg is op grond van het voorstel in handen van de hoofdofficier van justitie. De hoofdofficier verricht zijn werkzaamheden op zijn beurt onder leiding van de procureur-generaal die het aanspreekpunt is voor de Ministers van Justitie. Deze relatie tussen eerste- en tweedelijnsparket zorgt ook voor checks and balances in de organisatie van het openbaar ministerie zelf en houdt de hoofdofficier zo nodig uit de politieke wind.

De leden van de fractie van D66 tonen zich bezorgd over de bescherming van legaliteit en integriteit van bestuur na schrapping van de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Justitie van het Koninkrijk. Het onderzoek naar schendingen van de integriteit is van het begin af aan voor alle betrokken partijen een belangrijk punt van aandacht geweest bij de totstandkoming van de rijkswetten openbare ministeries en politie, los van de discussie over de aanwijzingsbevoegdheid. Daarom voorziet het voorstel van rijkswet inzake de politie in de inrichting van een landsrecherche waaraan de procureur-generaal integriteitsonderzoeken kan opdragen en het voorstel van rijkswet inzake de openbare ministeries in de verplichting van de korpsen op vordering van de procureur-generaal door hem aangewezen ambtenaren van politie voor dergelijke onderzoeken beschikbaar te stellen en de bevoegdheid van de procureur-generaal een beroep te doen op de rijksrecherche. Eerder is al opgemerkt dat – anders dan in Nederland – het Hof ambtshalve een bevel tot vervolging kan geven. Dit alles biedt voldoende garanties dat dergelijke onderzoeken kunnen en zullen plaatsvinden als daartoe aanleiding is. Het Koninkrijk kan in een uiterst geval in het kader van de waarborgfunctie maatregelen treffen op grond van artikel 43, tweede lid, en artikel 51 van het Statuut, ter verzekering van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur.

Vergelijking met het Arubaanse openbare ministerie

Naar aanleiding van de vraag van het lid van de fractie van de OSF wat per saldo het verschil zal zijn in de regelingen voor het openbaar ministerie van Aruba en die van de nieuwe landen wordt opgemerkt dat het verschil voornamelijk is gelegen in het gegeven dat Aruba een eigen parket van de procureur-generaal en een eigen procureur-generaal heeft en Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba gemeenschappelijk een parket van de procureur-generaal en een procureur-generaal hebben. Voor zowel Aruba als Sint Maarten en Curaçao geldt dat er een parket in eerste aanleg is onder leiding van een officier van justitie en dat de procureur-generaal het openbaar ministerie bij het Hof uitoefent. Verder is een verschil dat de rijkswet openbare ministeries gezamenlijk beleid bij de bestijding van grensoverschrijdende criminaliteit regelt. Dit wil echter niet zeggen dat op dat terrein niet wordt samengewerkt met Aruba.

Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (32 019 (R1886))

Aansturing politiekorps BES en inzetbaarheid eigen standplaats

De leden van de fractie van de CU, mede namens die van de SGP-fractie, vragen naar de reactie van de regering op het advies van de Raad van State van het Koninkrijk dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het politiekorps in de openbare lichamen niet heel krachtig is vormgegeven. Hoe kan de samenhang binnen het korps, met name gelet op de geografische afstand tussen Bonaire en de twee andere eilanden, worden gehandhaafd?

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de opvatting deelt dat voor het politiekorps op Bonaire, Sint Eustatius en Saba het actief zijn op een grote geografische afstand, in de praktijk problematisch kan zijn in termen van aansturing en dat de werking in de praktijk van de inzetbaarheid buiten de eigen standplaats moeilijk in te schatten is.

In zijn advies heeft de Raad van State van het Koninkrijk ten aanzien van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het politiekorps van de BES-eilanden gewezen op de positie van de drie gezaghebbers van de openbare lichamen in relatie tot het beheer van het politiekorps. Dit beheer is in het voorstel van rijkswet neergelegd bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dit staat overigens los van de verantwoordelijkheid van de gezaghebbers voor het beleid inzake de handhaving van de openbare orde en hun rol in het zogeheten driehoeksoverleg.

De Raad heeft er begrip voor dat gekozen is voor één politiekorps voor de drie openbare lichamen, maar signaleert dat het met de geografische afstand tussen Bonaire en de andere openbare lichamen moeilijk wordt om de samenhang in het korps te handhaven. Zoals wij eerder hebben aangegeven, is de staatkundige structuur leidend voor de organisatie van de politie. De samenhang binnen het politiekorps van de BES-eilanden zal in de praktijk worden bevorderd door het hebben van één korpsbeheerder, één korpschef, één meldkamer, een eigen politie-uniform, maar ook door bijvoorbeeld het rouleren van personeel en een goede communicatie tussen de verschillende onderdelen van het korps. Dit niettegenstaande het feit dat de dagelijkse operationele aansturing primair de taak is van de lokaal leidinggevende officier onder leiding van de korpschef. Overigens zal de mogelijkheden van inzet van personeel op de verschillende eilanden binnen het korps op grond van rechtspositionele regelingen wel enige beperkingen kennen. De regelingen zullen roulatie wel faciliteren. De grote geografische afstand ten opzichte van het Europese deel van Nederland zal verder worden ondervangen door het feitelijke beheer van het politiekorps zo veel mogelijk op de BES-eilanden zelf te laten plaatsvinden (middels enigerlei mandaatvorm aan de Rijksvertegenwoordiger). Dit is van belang vanwege de benodigde afstemming met de gezaghebbers en andere ketenpartners.

Verschil in taal op de BES

Het lid van de OSF-fractie stelt dat de instelling van één politiekorps voor de BES-eilanden natuurlijk logistiek een probleem oplevert, maar is ook het verschil in taal tussen Bonaire en de twee Bovenwinden niet beperkend in de inzet van personeel? Is bijvoorbeeld roulatie van standplaats niet maar beperkt mogelijk, omdat beheersing van de plaatselijke omgangstaal noodzakelijk is voor een agent van politie?

In de praktijk is een groot deel van het personeel meertalig en beheerst men niet alleen het Nederlands, maar ook het Papiaments en Engels. Voor zover roulatie van standplaats beperkt mogelijk zou zijn vormt de taal daarbij niet het grootste probleem, maar veeleer de sociale verbondenheid met een eiland, bij voorbeeld door de baan van echtgenoten of de zorg voor overige familie.

Omvang korpsen en GVP

De leden van de CDA-fractie vragen of de verwachte omvang van de korpsen, alsmede van de relatieve omvang daarvan in relatie tot de gemeenschappelijke voorziening politie (GVP) kan worden aangegeven.

De inrichtingsplannen van de nieuwe politiekorpsen van Curaçao, Sint Maarten en de BES geven inzicht in de gewenste omvang. Voor het korps Curaçao zal de totale formatie 847 fte dienen te zijn, het korps Sint Maarten zal volgens het inrichtingsplan 380 fte moeten hebben en het korps van de BES-eilanden heeft volgens het inrichtingsplan een formatie van 164 fte. De komende jaren zal worden gewerkt aan een nadere invulling van de GVP. Door het amendement Remkes c.s. (TK 2009/10, 32 019 (R1886), nr. 10) is de GVP vooralsnog niet belast met het ter beschikking stellen van de ambtenaren van politie, materieel en middelen aan de korpsen voor de bestrijding van de zware, georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit. Het recherchesamenwerkingsteam, dat bestaat uit ambtenaren van politie van Nederland, Curaçao en Sint Maarten, zal immers vier jaar lang, naast de korpsen zelf, belast zijn met onderzoeken zoals beschreven in artikel 8 van de Rijkswet politie. De landen zullen in overleg moeten bepalen op welke andere wijze door middel van de GVP kan worden samengewerkt. Het moge duidelijk zijn dat in ieder geval de Nederlandse bijdrage, en ook die van de andere landen, aan de GVP beperkt zal zijn zolang ook het recherchesamenwerkingsteam operationeel zal zijn.

Bekostiging GVP

De leden van de CDA-fractie vragen of voor de GVP de koninkrijksbegroting leidend is en dat de landen bijdragen aan de kosten op basis van een vast te stellen verdeelsleutel.

Voorts vragen zij hoe de situatie is wanneer de betrokken bewindspersonen in de landen of de betrokken begrotingsautoriteiten in de landen andere opvattingen hebben over de gewenste sterkte van het GVP en over de daaraan verbonden kosten.

De leden van de D66-fractie vragen wie nu over welke bevoegdheden beschikt om de Staten zo nodig te dwingen bepaalde budgetten voor de gemeenschappelijke voorziening politie ter beschikking te stellen. Het is immers voorgekomen dat het huidige recherchesamenwerkingsteam voor een land onwelgevallige onderzoeken heeft moeten instellen, bijvoorbeeld naar bestuurlijke integriteitschendingen. Men kan in dat licht de vraag stellen of de Staten van zo een land onder dergelijke omstandigheden financiële middelen ter beschikking zullen blijven stellen van de gemeenschappelijke voorziening, aldus deze leden. Voorts vragen de leden van de D66-fractie of de raad van ministers van het Koninkrijk in dat kader beschikken over statutaire bevoegdheden.

Een koninkrijksbegroting is er niet, ook niet voor de in verschillende rijkswetten voorziene gezamenlijke diensten en instituties. In de Rijkswet politie is geen verdeelsleutel opgenomen voor de kosten die zijn verbonden aan de GVP. De raad van ministers van het Koninkrijk besluit over de bijdragen van de landen aan de kosten van de GVP. Die kosten komen ten laste van de eigen begrotingen van de landen. De besluitvorming over de begroting in de raad van ministers van het Koninkrijk vindt plaats op basis van consensus tussen de drie landen. De besluitvorming in de raad vindt overigens plaats volgens de gebruikelijke bepalingen in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. De raad van ministers van het Koninkrijk beschikt niet over bijzondere of nieuwe statutaire bevoegdheden om de Staten van een land te dwingen financiële middelen te begroten ten behoeve van de GVP. Elk van de Ministers van Justitie zal het overeengekomen bedrag op zijn begroting moeten opnemen. Het kan voorkomen dat één van de volksvertegenwoordigingen in de uitoefening van het budgetrecht oordeelt dat het op de begroting opgevoerde bedrag te hoog is. In dat geval is er sprake van een geschil tussen de landen dat gezamenlijk moet worden opgelost. Die situatie verschilt niet van bijvoorbeeld de kustwacht of de huidige samenwerking tussen Aruba en de Nederlandse Antillen in het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Positie Aruba

Voor wat betreft de vragen van de leden van de fracties van de CU en de SGP naar een reactie op hun opvatting dat dit het moment is om Aruba te betrekken bij de consensusrijkswetten over de politie en het openbaar ministerie. Deze vraag is reeds in de inleiding beantwoord naar aanleiding van een vergelijkbare vraag van het lid van de OSF-fractie.

Raad voor de rechtshandhaving en beoordelen institutionele structuur

De vraag van de leden van de CDA-fractie of de Raad voor de rechtshandhaving ook het functioneren van de institutionele structuur in zijn oordelen kan betrekken is beantwoord in de paragraaf over de Rijkswet openbare ministeries.

Amendement Remkes

De leden van de SP-fractie vragen of de regering het standpunt deelt dat, nu in artikel 57a, zevende lid, aan het buiten toepassing blijven van de artikelen 8, derde en vierde lid, 20, tweede lid, en 30 geen termijn of horizon is verbonden, die artikelen geschrapt dienen te worden.

Wij wijzen erop dat als gevolg van het aangenomen amendement van het lid Remkes c.s. niet alleen artikel 57a, maar ook een derde lid in artikel 58 in het voorstel is ingevoegd. Artikel 58, derde lid, eerste volzin, bepaalt dat artikel 57a vervalt bij een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Na de bekendmaking van het koninklijk besluit zal de buiten toepassing verklaring van de desbetreffende artikelen vervallen en zullen de artikelen 8, derde en vierde lid, 20, tweede lid, en 30 van toepassing zijn.

Criteria als bedoeld in art 57a, vijfde lid

De leden van de fracties van de CU en de SGP zijn verheugd over het aangenomen gewijzigde amendement van het lid Remkes c.s. Uitgangspunt is dat vier jaar na inwerkingtreding van de rijkswet aan de hand van objectieve criteria wordt getoetst of de korpsen voldoende in staat zijn invulling te geven aan artikel 8, derde lid. Deze leden vragen wat de stand van zaken is met betrekking tot het vaststellen van deze criteria. Lukt het deze criteria voor 10 oktober 2010 vast te stellen? De leden achten het wenselijk dat Aruba hierbij wordt betrokken en vragen hoe de regering hierover denkt.

De criteria waar de politiekorpsen over vier jaar aan moeten voldoen, worden uitgewerkt in overleg tussen de landen. Deze criteria zullen samen met de plannen van aanpak voor de politiekorpsen van Curaçao en van Sint Maarten worden vastgesteld tijdens de Slot Ronde Tafel Conferentie. Daarover vindt inmiddels al overleg plaats in opdracht van de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen. Betrokkenheid van Aruba bij het vaststellen van deze criteria is vooralsnog niet aan de orde. De Rijkswet politie geldt immers niet voor Aruba. De criteria dienen om te beoordelen of de korpsen zodanig functioneren dat volledige taakuitvoering zoals voorzien in deze rijkswet in artikel 8 en de daarmee samenhangende inzet van personeel en middelen door middel van de GVP verantwoord is.

Beëindiging consensuswet en autonomie van de landen

De leden van de SP-fractie vragen of het volkenrechtelijk houdbaar is dat een consensuswet met betrekking tot autonome bevoegdheden van de landen uitsluitend op basis van consensus kan worden opgezegd.

Het volkenrecht staat er niet aan in de weg dat landen gebonden zijn aan afspraken die zij met andere landen hebben gemaakt. Los van de vraag of het volkenrecht van toepassing is op de afspraken die in koninkrijksverband worden gemaakt, is het een fundamenteel beginsel in het volkenrecht dat «pacta servanda sunt» (verdragen moeten worden nageleefd). Deze regel is ook vastgelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, waarin verder wordt bepaald dat eenzijdige opzegging of terugtrekking in beginsel niet mogelijk is tenzij het verdrag daarin voorziet.

Treffen van een onderlinge regeling (artikel 14)

De leden van de SP-fractie vragen onder verwijzing naar artikel 14 van het voorstel van rijkswet of het mogelijk is dat twee van de drie landen een in het voorstel van rijkswet voorgeschreven onderlinge regeling aangaan waar het derde land buiten staat en zo ja, of dit tot problemen kan leiden en hoe dit voorkomen kan worden.

Het voorstel van rijkswet schrijft in verscheidene artikelen, waaronder artikel 14, eerste lid, voor dat de landen onderling een regeling treffen. Uit artikel 1, eerste lid, onder g, van het voorstel volgt dat onder «landen» wordt verstaan Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor wat betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De in het voorstel voorgeschreven onderlinge regelingen worden derhalve door de drie landen gezamenlijk getroffen en laten geen ruimte voor een afwijkende regeling door twee van de drie landen. Dit laat onverlet dat de afzonderlijke landen op grond van artikel 14, tweede lid, aanvullende regels kunnen stellen ter uitvoering van de artikelen 12 en 13, maar die regels mogen niet in strijd zijn met hetgeen in de onderlinge regeling op grond van artikel 14, eerste lid, is overeengekomen.

Artikel 13, tweede lid, en binnentreden van woningen

De leden van de SP-fractie wijzen erop dat de Raad van State van het Koninkrijk ten aanzien van artikel 13, tweede lid, heeft aangegeven dat dat artikellid geen uitzondering maakt voor het binnentreden in woningen. In het nader rapport heeft de regering aangegeven dat de artikelen over binnentreden in woningen uit de Wetboeken van Strafvordering van de landen van overeenkomstige toepassing zijn en dat voor wat betreft Curaçao en Sint Maarten aldus is voldaan aan de eisen die naar het zich laat aanzien in de Staatsregelingen zullen worden gesteld aan het binnentreden in woningen. De leden van de SP-fractie vragen welke mogelijkheid Nederland heeft erop toe te zien dat dit wordt geregeld in de Staatsregelingen en of het niet beter was dit in het voorstel van rijkswet zelf te regelen.

Artikel 60a van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederland zoals dat door het voorstel van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen wordt ingevoegd, voorziet in de procedure van totstandkoming van de Staatsregeling van Curaçao en de Staatsregeling van Sint Maarten. Zo dient het gevoelen van de regering van het Koninkrijk te zijn ingewonnen voordat het ontwerp aan de betrokken eilandsraad is aangeboden, onderscheidenlijk voordat een initiatiefontwerp door de betrokken eilandsraad in onderzoek is genomen en dient de regering van het Koninkrijk met het door de betrokken eilandsraad vastgestelde ontwerp in te stemmen. Aldus kan de regering van het Koninkrijk hierop toezien.

Uitwisseling politiegegevens

De leden van de SP-fractie vragen in verband met de uitwisseling van politiegegevens of privacybescherming mag worden geregeld in de vorm van onderlinge afspraken.

Artikel 39, eerste lid, van het voorstel van rijkswet voorziet in de grondslag voor de uitwisseling van politiegegevens tussen de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Artikel 39, vierde en vijfde lid, voorziet in de uitwisseling van politiegegevens tussen de politie van het Europese deel van het Koninkrijk en de politie van Curaçao en van de politie van Sint Maarten. De regels omtrent de verwerking van de uit te wisselen en uitgewisselde gegevens zijn of worden vastgelegd in de nationale regelgeving van elk van de landen. Het voorstel van rijkswet ziet met het oog op de bescherming van politiegegevens en de bescherming van de belangen van de burgers wier gegevens het betreft, in het vaststellen van een onderlinge regeling waarin de landen een minimumniveau van bescherming afspreken. Deze afspraken worden vervolgens uitgewerkt en vastgelegd in nationale regelgeving zodat daarop door burgers een beroep kan worden gedaan. Over de onderlinge regeling betreffende de verwerking van persoonsgegevens is in het Bestuurlijk Overleg van 20 april 2010 overeenstemming bereikt (Kamerstukken II 2009/10, 31 568, nr. 70).

Stand van zaken verbetertraject

De leden van de fractie van de CU, mede namens die van de SGP-fractie, vragen naar de stand van zaken van het verbetertraject.

Wij benadrukken dat overeenkomstig de afspraak in de Slotverklaring een verbetertraject voor de politie is gestart en dat het reeds lopende verbetertraject in het kader van het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen daarop is aangepast. Ten aanzien van het politiekorps van de BES-eilanden is in de nota naar aanleiding van het verslag, tevens nota naar aanleiding van verslag van de Staten van de Nederlandse Antillen, aangegeven wat de stand van zaken is voor wat betreft de realisering van de PVNA-projecten, het behalen van een aantal noodzakelijke «quick wins» en het verbetertraject dat onder regie van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond wordt uitgevoerd. Wij verwijzen voor het BES-korps naar de desbetreffende passage in de nota.

In samenwerking tussen de korpsen Curaçao, Sint Maarten, BES en het Nederlandse politiekorps Rotterdam Rijnmond zijn inrichtingsplannen voorzien van formatie-overzichten en financiële paragrafen opgesteld. Momenteel worden voor Curaçao en Sint Maarten deze plannen gebruikt voor het schrijven van de plannen van aanpak die naar wordt verwacht onder het regime van de algemene maatregel van rijksbestuur (amvrb)

«Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak Curaçao en Sint Maarten» komen te vallen. In het kader van het zogenoemde «kwaliteitstraject» worden de korpsen van Sint Maarten en de BES-eilanden bijgestaan door Nederlandse politiefunctionarissen die, onder leiding van de desbetreffende korpschefs de implementatie van de nieuwe inrichtingsplannen moeten begeleiden.

Politiekorpsen gereed op 10-10-2010

De leden van de fractie van de CU, mede namens die van de SGP-fractie, vragen of voorzienbaar is dat de politiekorpsen van de nieuw te vormen landen op 10-10-2010 daadwerkelijk in staat zijn hun politietaken te vervullen.

Door de zogenoemde toetsingscommissie is geadviseerd ten behoeve van de realisering van de inrichtingsplannen plannen van aanpak onder het regime van de amvrb te maken voor de politiekorpsen van Curaçao en van Sint Maarten. Inmiddels is ambtelijk overeengekomen dat voor beide korpsen een plan van aanpak zal worden gemaakt onder het regime van de amvrb. Dit zal op bestuurlijk niveau tijdens de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen van 21 juni a.s. worden vastgelegd. Met name voor Sint Maarten geldt dat het genoemde plan van aanpak moet waarborgen dat het Korps Politie Sint Maarten samen met het recherchesamenwerkingsteam kan voorzien in de uitvoering van alle voorkomende politietaken.

Bestuurlijke verantwoordelijkheid Ministers van Justitie Curaçao en Sint Maarten

De leden van de fractie van D66 staan uit een oogpunt van de noodzakelijke spreiding van macht zeer aarzelend ten opzichte van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de politie in de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten bij de Minister van Justitie van het nieuwe land voor wat betreft het beheer en het gezag over de politie in het kader van de openbare orde, en de procureur-generaal voor wat betreft de strafrechtelijke handhaving. Deze leden geven in overweging in het voorstel van rijkswet toch de spreiding van macht op te nemen in die zin, dat de openbare orde taken en de strafrechtelijke handhavingstaken in handen van verschillende ministers worden gelegd.

Wij onderkennen dat voor de nieuwe landen de genoemde bevoegdheden in belangrijke mate geconcentreerd liggen bij de betrokken Ministers van Justitie. Het voorstel van de leden van de fractie van D66 komt overeen met de verdeling van bevoegdheden zoals geregeld in de Arubaanse Landsverordening Politie. Hoewel er sprake is van een concentratie van bevoegdheden is er geen aanleiding te veronderstellen dat door deze concentratie van bevoegdheden onverantwoorde risico’s ontstaan. Daarbij moet worden bedacht dat de procureur-generaal die het strafrechtelijk gezag over de politie uitoefent door de bijzondere positie van het Hof tot op zekere hoogte aan de directe invloed van de Minister van Justitie is onttrokken. De Minister van Justitie legt bovendien verantwoording af aan het parlement. De in het voorstel opgenomen verdeling van bevoegdheden maakte overigens al deel uit van de afspraken in de Slotverklaring.

Verschil Korpspolitie Aruba en KPNA in relatie tot bijstand

Het lid van de OSF-fractie vraagt of er aanwijsbare verschillen in organisatie zijn tussen het politiekorps van Aruba en de huidige Antilliaanse politie, die het voor Aruba moeilijk zouden kunnen maken om straks te participeren in de regeling voor onderlinge bijstand van de nieuwe korpsen of in de op te zetten politieschool en in de door de nieuwe korpsen gezamenlijk te stellen regels over kwaliteits-, opleidings- en trainingsvereisten, uitrusting en rangenstelsel.

In welke mate de toekomstige korpsen van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zullen verschillen van het Arubaanse politiekorps is niet bekend. Dat is deels het geval omdat regelingen en voorzieningen op grond van de Rijkswet politie over kwaliteit en vooral opleidingen nog in ontwikkeling zijn. Of in het verlengde daarvan een gezamenlijk politie-opleidingsinstituut wordt ingericht is bovendien geen verplichting die uit de wet volgt. Met de invoering van de Rijkswet politie en de daarop gebaseerde lagere regelingen voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van de BES-eilanden wordt zoveel mogelijk vergelijkbaarheid in functies en opleidingen gewaarborgd. Toepasselijkheid van de Rijkswet politie op Aruba zal naar verwachting betekenen dat Aruba op sommige punten aanpassingen zal moeten doen.

Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving (32 020 (R1887))

Aansluiting Aruba

De leden van de fractie van het CDA vragen naar deelname van Aruba bij de Raad voor de rechtshandhaving. Eerder in het verslag is naar aanleiding van vergelijkbare vragen over aansluiting van Aruba bij de consensusrijkswetten openbare ministeries en politie ingegaan op de nadere afspraken die met Aruba zijn gemaakt over aansluiting en de voortgang daarvan. Naar aanleiding van de vraag van het lid van de OSF-fractie over Aruba wordt opgemerkt dat op Aruba thans geen algemene inspectie voor de rechtshandhaving bestaat. In die zin is er geen complicatie voor aansluiting bij de Raad.

Benoembaarheid leden

De leden van de fractie van het CDA vragen of gezien de combinatie van eisen die gesteld wordt aan de leden voor de Raad voor de rechtshandhaving en de omstandigheid dat het geen hoofdfunctie zal zijn, voldoende geschikte kandidaten gerekruteerd kunnen worden in Nederland of van de eilanden.

In de voorstellen van de vier kwartiermakers voor de Raad met betrekking tot de inrichting, de werkwijze en een conceptbedrijfsplan wordt uitgegaan van een aanstelling van elk van de drie leden van de Raad voor 0,5 fte. De omvang van deze aanstelling lijkt ons in ieder geval gedurende de eerste twee jaar redelijk gelet op de taken die moeten worden verricht. Bijkomend voordeel is dat een dergelijke omvang de functie aantrekkelijk genoeg maakt voor goede kandidaten.

Wij zijn ermee ingenomen dat de leden van de fractie van het CDA instemmen met de eisen ten aanzien van deskundigheid, incompatibiliteit en de regeling ten aanzien van nevenfuncties van de leden van de Raad. Deze eisen hebben tot doel de onafhankelijkheid van de leden te waarborgen. Ondanks het feit dat door deze combinatie van eisen en omstandigheden de «pool» van personen waaruit raadsleden kunnen worden gerekruteerd relatief klein is, verwachten wij dat voldoende gekwalificeerde kandidaten beschikbaar zijn.

Toetsingskader

De leden van de fractie van de VVD vragen naar het toetsingskader dat bij de inspecties gehanteerd zal worden en de kwaliteitscriteria die daarbij worden gehanteerd en verwijzen daarbij naar het ontbreken van wettelijke geregelde inspecties op de Nederlandse Antillen.

Het toetsingskader dat de Raad gaat gebruiken moet nog worden ontwikkeld en zal afhankelijk zijn van de organisatie waarop de inspectie betrekking heeft. In de beginfase is het ontwikkelen daarvan één van de belangrijkste taken van de Raad. Uit een oogpunt van voortvarendheid ligt het daarbij voor de hand dat kennis wordt genomen van normen en criteria die door terzake doende Nederlandse inspecties zijn ontwikkeld. In een enkel geval zullen internationale normen leidend zijn. Hierbij kan worden gedacht aan de aanbevelingen die het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa (CPT) heeft opgesteld met betrekking tot verbetering van de detentieomstandigheden. Verwacht wordt dat het toetsingskader na verloop van tijd wordt verfijnd.

Bevoegdheden Raad voor de rechtshandhaving

De leden van de fracties van de CU en de SGP vragen waarom er niet voor is gekozen de Raad voor de rechtshandhaving als beroepsrechter de beslissingen die zijn genomen over gedetineerden te laten toetsen. Tevens vragen zij welke instantie wel is belast met deze toets. In de landsverordening Beginselen gevangeniswezen is in artikel 16 bepaald dat elke gevangenis een Commissie van Toezicht heeft met onder andere tot taak het kennis nemen van door gedetineerden naar voren gebrachte grieven en het zorgdragen voor de behandeling van klaagschriften door gedetineerden. Met het oog op het uitgangspunt dat zoveel mogelijk de Nederlands-Antilliaanse regelgeving blijft gehandhaafd na de datum van transitie is deze procedure in stand gehouden in de Wet beginselen gevangeniswezen BES.

Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (32 026 (R1888))

De leden van de SP-fractie stellen enkele vragen over de betekenis van de waarborgfunctie in artikel 43 van het Statuut en de mogelijkheden tot ingrijpen die dat artikel biedt als Curaçao of Sint Maarten zou weigeren gevolg te geven aan maatregelen in het kader van het financiële toezicht en daardoor in financiële problemen dreigt te komen. Zij vragen of Nederland kan ingrijpen op grond van de artikelen 50 en 51 van het Statuut of op grond van artikel 43, of Nederland daartoe ook verplicht kan worden en of Nederland dan zelf een begroting kan opstellen voor Curaçao of Sint Maarten. Zij vragen verder of het in dat geval dan toch niet beter zou zijn om de Rijkswet financieel toezicht voort te laten bestaan.

De landen behartigen zelfstandig hun eigen aangelegenheden (artikel 41 Statuut). Daarbij dragen zij zelf zorg voor de verwezenlijking van mensenrechten, rechtszekerheid en deugdelijk bestuur (artikel 43, eerste lid, Statuut). Het waarborgen van de mensenrechten, rechtszekerheid en deugdelijkheid van bestuur is aangelegenheid van het Koninkrijk (artikel 43, tweede lid, Statuut). De mogelijkheid tot ingrijpen op grond van de bepalingen van het Statuut door de Koninkrijksregering, dus niet Nederland, is bovendien een ultimum remedium. In de gevallen waarin de zorgplicht van de Caribische landen bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het Statuut in het geding is, moet eerst worden getracht de situatie te verbeteren door het betrokken land daartoe gelegenheid te geven, al dan niet met behulp van samenwerking, zoals voorgeschreven in artikel 36 van het Statuut. De intentie tot samenwerking dient steeds aanwezig te zijn. De bereidheid tot die samenwerking moet dan wel aan twee kanten bestaan. Samenwerking binnen het Koninkrijk impliceert dus niet de verantwoordelijkheid voor een of meerdere landen om eenzijdig de problemen van een ander land op te lossen.

Als de Koninkrijksregering tot de conclusie komt dat in een concreet geval het Koninkrijk zijn verantwoordelijkheid moet nemen en in een van de landen moet ingrijpen teneinde de deugdelijkheid van bestuur te waarborgen kan het Koninkrijk gebruik maken van de instrumenten van artikel 50 of 51 van het Statuut. Artikel 50 geeft de Koninkrijksregering de bevoegdheid tot het schorsen en vernietigen van wetgevende en bestuurlijke maatregelen als die in strijd zijn met onder meer het Statuut of met belangen, welker verzorging of waarborging aangelegenheid van het Koninkrijk zijn. Artikel 51 biedt de bevoegdheid om bij algemene maatregel van rijksbestuur een voorziening te treffen als een orgaan van de Nederlandse Antillen (straks: Curaçao of Sint Maarten) of Aruba niet of niet voldoende voorziet in hetgeen het ingevolge onder meer het Statuut, een rijkswet of een algemene maatregel van rijksbestuur moet verrichten. Dat zou in het uiterste geval zelfs kunnen betekenen dat de begroting van een land op Koninkrijksniveau wordt vastgesteld. Wij vertrouwen er op dat het zo ver niet zal behoeven te komen.

Samenwerking tussen de landen staat dus altijd voorop. Dat is ook de grondslag voor het financiële toezicht zoals dat nu functioneert en is vastgelegd in het thans voorliggende consensusrijkswetsvoorstel. Naar ons oordeel biedt het wetsvoorstel voldoende instrumenten om zonodig in te kunnen grijpen. In het uiterste geval kan de Koninkrijksregering een land aanwijzingen geven om de begroting aan te passen. Mocht het desbetreffende land die aanwijzingen niet opvolgen, dan biedt deze rijkswet echter geen verdergaande instrumenten. Naar ons oordeel zou dan, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, sprake kunnen zijn van een situatie als bedoeld in de artikelen 50 en 51.

Het is naar onze mening geen goed idee om de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten permanent te laten bestaan. Curaçao en Sint Maarten zullen binnenkort autonome landen zijn binnen het Koninkrijk. Naar het oordeel van de regering past daarbij geen structureel financieel toezicht. Elk land is zelf verantwoordelijk voor de deugdelijkheid van bestuur. Het wetsvoorstel is er op gericht zeker te stellen dat Curaçao en Sint Maarten structureel zullen voldoen aan de normen, genoemd in artikel 15 van het voorstel. Zodra de Koninkrijksregering concludeert dat daarvan sprake is kan het toezicht vervallen.

Uiteraard is het mogelijk dat een van de landen later opnieuw in financiële problemen komt. Door uitvoering van de motie Leerdam c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 32 213, nr. 37). zal de regering op de hoogte blijven van de financiële situatie in Curaçao en Sint Maarten. Als de Koninkrijksregering tot de conclusie komt dat er goede redenen zijn het toezicht opnieuw in te stellen dan is de eerste optie natuurlijk weer een vorm van samenwerking: een onderlinge regeling op basis van artikel 38 van het Statuut. Die regeling zou dan kunnen inhouden dat het toezicht zoals dat in het nu voorliggende voorstel is vervat opnieuw, geheel of gedeeltelijk, wordt ingevoerd. Zonodig, als het betrokken land niet wil meewerken en naar het oordeel van de Koninkrijksregering de deugdelijkheid van het bestuur in gevaar is, en er geen minder vergaande middelen zijn om het doel te bereiken, zou zo’n wettelijke regeling op basis van artikel 51 van het Statuut tot stand kunnen komen. Ook dan is er echter geen ruimte voor structureel financieel toezicht. Elk land blijft zelf verantwoordelijk voor de deugdelijkheid van bestuur.

De leden van de fractie van de SP vragen of kan worden aangegeven of de fiscale stelsels van de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten gereed zijn en, als die vraag bevestigend wordt beantwoord, of daarover nadere informatie kan worden verschaft. Indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, vragen deze leden voorts wanneer dit fiscale stelsel wel gereed kan zijn en of de regering kan toezeggen direct informatie aan de Kamer te verschaffen zodra er meer informatie beschikbaar is.

In reactie op de vragen van deze leden wijzen wij er allereerst op dat de fiscaliteit geen in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden opgesomde Koninkrijksaangelegenheid is. Hierdoor behoort de inrichting van het fiscale stelsel tot de exclusieve bevoegdheid van de landen. Curaçao en Sint Maarten gaan dan ook zelf over de inrichting en uitvoering van de eigen fiscale stelsels. Behoudens de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en het belang van het Koninkrijk voortvloeiend uit internationale verdragen, respecteert de Koninkrijksregering dat principe.

Vanwege het principe van fiscale autonomie is de Koninkrijksregering niet betrokken bij en op generlei wijze verantwoordelijk voor de opstelling van het fiscale stelsel voor de nieuwe landen Curaçao of Sint Maarten. Vanuit praktische overwegingen – bepaalde belastingen hebben immers een belastingtijdvak van een kalenderjaar – ligt een voortzetting van het huidige fiscale stelsel met ingang van de transitiedatum zeer voor de hand. Navraag naar aanleiding van deze vragen van de leden van de fractie van de SP leert dat voor wat betreft zowel Curaçao als Sint Maarten het voornemen bestaat om vanaf de transitiedatum vooralsnog het huidige fiscale stelsel van de Nederlandse Antillen voort te zetten. Het streven is overigens wel om te zijner tijd een modernisering van het fiscale stelsel door te voeren waarbij het nieuwe stelsel in ieder geval voldoende middelen op zal moeten brengen om de overheidsuitgaven te kunnen dekken.

Ten slotte zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dit in reactie op de vraag van deze leden, indien zij nadere informatie ontvangt van de regering van het Land Nederlandse Antillen, het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao of het bestuurscollege van het eilandgebied Sint Maarten omtrent de toekomstige fiscale stelsels voor de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten, uw Kamer hieromtrent informeren.

De SP-fractie vraagt verder of de nieuwe landen, en dan met name Sint Maarten, gezien hun omvang niet opnieuw in de problemen zullen komen, ondanks het financiële toezicht. Ten eerste dient erop gewezen te worden dat de nieuwe landen geen soevereine landen worden, maar autonome landen binnen het Koninkrijk. Dit betekent onder meer dat de kosten voor de taken van het ministerie van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken bij Nederland blijven liggen. Vervolgens betekent het opheffen van het Land Nederlandse Antillen ook het verdwijnen van een bestuurslaag. Tot slot laten de meerjarenramingen voor de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten zien dat zij zeer wel in staat moeten worden geacht de kosten van de landstatus zelf te dragen.

De leden van de SP-fractie herhalen de vraag van de CDA fractie in de Tweede Kamer waarom er geen sprake is van verdeling van de kosten van het College financieel toezicht (Cft) over Curaçao, Sint Maarten en Nederland (vanwege de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en vragen daarbij of dit overeenstemt met soortgelijke afspraken over verrekening van het financieel toezicht binnen de EU.

Het toezicht op de overheidsfinanciën zoals dit door het Cft wordt uitgeoefend laat zich niet goed vergelijken met het toezicht op de overheidsfinanciën binnen de EU zoals vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). De vergelijking gaat op verschillende belangrijke punten mank. Zo toetst binnen de EU de Raad van Ministers de door de lidstaten ingediende begrotingsplannen op basis van een assessment van de Europese Commissie. Wellicht zou je met enige goede wil de rol van de Europese Commissie kunnen vergelijken met die van het Cft. Het ligt echter niet voor de hand om de apparaatskosten van de Europese Commissie en de financiering hiervan via de Europese begroting te vergelijken met de financiering van het Cft.

In de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2009/10, 32 026, nr. 7, pagina 5) werd reeds aangegeven dat de verdeling van de kosten naar evenredigheid niet eenvoudig is te bepalen en vermoedelijk meer kosten aan administratieve lasten zal opleveren. Bovendien heeft het merendeel van de werkzaamheden van het Cft betrekking op het toezicht op de BES-eilanden.

De OSF-fractie vraagt wat momenteel geregeld is om te komen tot een centrale bank van Curaçao en van Sint Maarten en hoe deze bank gezien moet worden in verhouding tot de nu bestaande Bank van de Nederlandse Antillen.

De nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten hebben, conform de Slotverklaring van 2 november 2006, afgesproken om een gezamenlijke geldeenheid te hebben, een monetaire unie te vormen, een gezamenlijk beleid inzake toezicht op de financiële markten te ontwikkelen en uit te voeren, en daartoe één Centrale Bank in te stellen. Een commissie heeft voorstellen gedaan voor het Statuut van de nieuwe Centrale Bank, waarin onder meer de pariteit in het bestuur is geregeld. De nieuwe Centrale Bank zal gevestigd zijn op Curaçao en zal tevens kantoor houden op Sint Maarten. De vestiging op Sint Maarten zal substantiële taken en bevoegdheden hebben, die in het Statuut van de nieuwe Centrale Bank worden neergelegd.

De nieuwe Centrale Bank is de facto op hoofdlijnen een voortzetting van de huidige Bank Nederlandse Antillen (BNA), met dat verschil dat momenteel slechts een miniem bijkantoor is gevestigd op Sint Maarten. Daarenboven is momenteel één Minister van Financiën verantwoordelijk voor het beleid en functioneren van de BNA. In de nieuwe situatie zullen er twee Ministers van Financiën verantwoordelijk zijn en verantwoording af moeten leggen richting twee parlementen.

De toetreding van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen tot het Nederlandse staatsbestel heeft tot gevolg dat de functionaliteiten van de BNA ter zake van die eilandgebieden worden overgenomen door het Nederlandse ministerie van Financiën (inzake het beleid en de wet- en regelgeving) en de Nederlandse toezichthouders: De Nederlandse Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens zal per 1 januari 2011 de Amerikaanse dollar als valuta op Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden ingevoerd. Deze overdracht aan het ministerie van Financiën en de toezichthouders DNB en AFM leidt er toe dat een deel van het vermogen van de BNA wordt overgedragen aan Nederland.

In antwoord op een andere vraag van het lid van de OSF-fractie kunnen wij meedelen dat de ontwikkeling van de overheidsfinanciën op de eilanden sinds 2005 zodanig is geweest dat, bij het in werking treden van het Besluit, het totaal van de rentelasten van de schulden van de collectieve sector die niet voor sanering in aanmerking komen binnen de rentelastnorm is gebleven. Er zijn tot nu toe geen extra schulden bijgekomen zodanig dat extra bezuinigingen nodig waren om binnen de rentelastnorm te blijven. Voor zover nu is te overzien is de restschuld van het land de Nederlandse Antillen ook niet zodanig dat de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten met een inhaalslag van bezuinigingen moeten beginnen. Het ziet er daarom naar uit dat bij zowel het land Curaçao als bij het land Sint Maarten in het jaar waarin de nieuwe landen van start gaan het totaal van de rentelasten van schulden van de collectieve sector binnen de dan geldende rentelastnorm zal liggen. Het meerjarig perspectief ziet er op dit moment in dit opzicht ook gunstig uit. De ruimte onder de rentelastnorm lijkt zelfs de mogelijkheid te bieden om nieuwe leningen aan te gaan voor investeringen in noodzakelijke kapitaalgoederen.

Hetzelfde lid vraagt verder wat de oorzaak is van het feit dat Sint Maarten er nog niet in geslaagd is een goedgekeurde begroting voor het jaar 2010 te realiseren. Hij wil graag weten hoe groot daarbij de invloed is van het feit dat Sint Maarten zijn politiekorps volgens het concept-inrichtingsplan moet uitbreiden van 190 naar 385 fte, naast de noodzakelijke andere investeringen in de andere overheidsorganen waarmee na 10 oktober het land gerund moet worden.

Sint Maarten had in eerste instantie een begroting vastgesteld die sluitend was gemaakt door middel van inkomsten voortvloeiend uit de overdracht van taken vanuit het Land. Aangezien omtrent de financiële gevolgen van die overdracht nog geen afspraken waren gemaakt met de betrokken partijen, heeft het College financieel toezicht deze inkomsten als onvoldoende solide beschouwd en Sint Maarten opgeroepen het aldus ontstane gat van een alternatieve dekking te voorzien; een begroting derhalve als ware Sint Maarten eilandgebied. Gevolgen van de taakoverdracht kunnen dan via begrotingswijzigingen in de begroting worden verwerkt, ook voor zover de capaciteitsuitbreiding van het politiekorps al in 2010 financiële gevolgen heeft. Dit heeft enige tijd in beslag genomen. Naar het zich nu laat aanzien schiet het Land het eilandgebied Sint Maarten te hulp door, vooruitlopend op de boedelscheiding, nu reeds een deel van het bedrag uit die boedelscheiding waar Sint Maarten recht op heeft ter beschikking te stellen. Daarmee kan de begroting voor 2010 sluitend worden gemaakt.

De OSF-fractie vraagt verder of er reden is om te veronderstellen, nu de kosten van opbouw naar zijn oordeel duidelijk beginnen te worden, dat de kosten om als autonoom land te kunnen functioneren, ook structureel erg hoog zijn voor een kleine gemeenschap als Sint Maarten.

Op dit moment is nog onduidelijk hoe de overheidsorganisatie er exact uit zal komen te zien na ingang van de nieuwe landstatus. Het is daarom op dit moment ook niet mogelijk te zeggen hoe de kosten van een dergelijke organisatie zich verhouden tot de omvang van het nieuwe land.

Het lid van de OSF-fractie wijst op het tijdelijke karakter van het financieel toezicht. Het is de bedoeling dat de landen Curaçao en Sint Maarten in eigen wetgeving de normeringen opnemen die in het nu voorliggende voorstel voor een rijkswet worden gesteld. Voorts is het de bedoeling dat die landen door verbetering van hun financieel beheer naleving van die vastgelegde normeringen mogelijk maken. Hij vraagt welke financiële normen in de concept-staatsregelingen zullen worden opgenomen en welke hierop gerichte wetgeving er verder nog nodig is.

De financiële norm voor een sluitende begroting en de rentelastnorm zullen in de staatsregelingen van de nieuwe landen worden verankerd. Die normen zullen – de desbetreffende staatsregelingen schrijven dat voor – in de onderscheiden comptabiliteitslandsverordeningen worden neergelegd en verder uitgewerkt. Voor wat die normen betreft, wordt aangesloten bij de financiële normen neergelegd in artikel 15 van het nu voorliggende voorstel van rijkswet.

Ook andere bepalingen in de nieuwe comptabiliteitslandsverordeningen op het gebied van de begroting sluiten aan bij die het in voorliggende voorstel van rijkswet, zoals bepalingen over de frequentie van de uitvoeringsrapportages en over de begrotingsuitputting. Die rapportages zullen driemaal per jaar geschieden, gekoppeld aan de suppletoire begrotingen en worden aan de Staten gezonden. Zaken die betrekking hebben op de verbetering van het financieel beheer zullen worden geregeld in de Verordening Financieel Beheer.

Vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire, en tussen Sint Maarten en Saba (32 041 (R1890))

Inwerkingtreding Rijkswet instelling exclusieve economische zone

De leden van de SP-fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de inwerkingtreding van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone.

De Raad van State van het Koninkrijk heeft op 12 mei 2010 een blanco advies uitgebracht over het ontwerpbesluit grenzen Caribische exclusieve economische zone. Na vaststelling en publicatie van het besluit zal de Rijkswet instelling exclusieve economische zone voor de Nederlandse Antillen en Aruba in werking treden met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het Besluit grenzen Caribische exclusieve economische zone wordt geplaatst. Deze plaatsing zal nog deze zomer plaatsvinden.

Consequenties van aanwezigheid van Nederland in Caribische deel van Koninkrijk

De aan het woord zijnde leden wijzen erop dat Nederland na de transitie één van de aanwezige landen in het Caribische deel van het Koninkrijk zal worden. Deze leden menen dat dit tot andere verhoudingen binnen het Koninkrijk kan leiden en stellen een passage uit de nota naar aanleiding van het verslag van de Staten van de Nederlandse Antillen aan de orde waarin wordt geschetst dat twee staten, bijvoorbeeld in geval van grensoverschrijdende reservoirs van olie of andere bodemrijkdommen, tot samenwerking komen en in die situatie gezamenlijke afspraken maken. Zij vragen of dit gevolgen kan hebben voor de (eventuele noodzaak van) uitoefening van de waarborgfunctie. Tevens vragen zij of de regering kan toelichten of aan deze mogelijke veranderende verhoudingen binnen het Koninkrijk en de eventuele gevolgen daarvan aandacht zal worden besteed in de toegezegde notitie over de visie op het Koninkrijk.

De geografische feiten dat een onderdeel van Nederland in het Caribische deel van het Koninkrijk zal liggen en het land Nederland een zeegrens zal hebben met de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten leiden als zodanig niet tot een wijziging van de staatkundige verhoudingen tussen de landen van het Koninkrijk of de verhouding van het Koninkrijk tot de landen. Het heeft dan ook geen gevolgen voor de uitoefening van de waarborgfunctie en in de notitie over de toekomstvisie voor het Koninkrijk zal dan ook niet op dit aspect worden ingegaan. Net als over andere onderwerpen, kunnen de landen overigens bij onderlinge regeling op grond van artikel 38 van het Statuut afspraken maken over de eventuele rijkdommen in de territoriale zeeën.

Reglement voor de Gouverneur van Curaçao (32 178 (R1898)) en Reglement voor de Gouverneur van Sint Maarten (32 179 (R1899))

Staat van het Koninkrijk

De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe de functie en de rol van de Gouverneur, respectievelijk het periodieke Gouverneursoverleg bij de totstandkoming en behandeling van de door de Commissie Democratisch Deficit voorgestelde jaarlijkse Staat van het Koninkrijk zou kunnen zijn.

In de brief van de Staatssecretaris van 17 februari 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 IV, nr. 22) heeft de Staatssecretaris ten aanzien van het voorstel van de genoemde Commissie om jaarlijks een strategisch beleidsdocument te publiceren (de Staat van het Koninkrijk) aangegeven dat dit voorstel in beginsel een interessant idee is, maar nog nadere studie en overleg vergt. Indien zou worden besloten tot publicatie van de Staat van het Koninkrijk, is de rol van de Gouverneur of het Gouverneursoverleg afhankelijk van het thema of de thema's die in het beleidsdocument aan de orde komen. Indien een thema verband zou houden met de functie of rol van de Gouverneur als vertegenwoordiger van de Koninkrijksregering zal het beleidsdocument, in de fase van totstandkoming, aan de orde kunnen komen in het Gouverneursoverleg. Wij zien echter geen rol voor de Gouverneur weggelegd bij de beraadslagingen over de Staat van het Koninkrijk tussen de Tweede Kamer en de rijksministerraad, noch in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de landsregering, noch in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de Koninkrijksregering. Als vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van de landsregering is hij onschendbaar en zijn de landsministers verantwoordelijk. De Gevolmachtigde Minister, die deel uitmaakt van de raad van ministers van het Koninkrijk, handelt namens de landsregering. Bij deelname van de rijksminsterraad aan de beraadslagingen over de Staat van het Koninkrijk past geen rol voor de Gouverneur als vertegenwoordiger van de Koninkrijksregering. Als zodanig is hij verantwoording schuldig aan de regering van het Koninkrijk.

Inzet krijgsmacht

De leden van de D66-fractie vragen de regering voorts nog aandacht te willen schenken aan de regeling en procedure op grond waarvan de Gouverneurs van de nieuwe landen de beschikking kunnen krijgen over de krijgsmacht ter bestrijding van natuurrampen, zoals verwoestende orkanen. De noodzaak het openbaar bestuur in dergelijke situatie ter zijde te staan is meestal zeer urgent. In de huidige situatie dient de Gouverneur op grond van het Reglement van de Gouverneur en de Defensiewet voor militaire inzet in rampgebieden een ingewikkelde procedure te volgen. Graag vragen deze leden de regering of in de komende toepasselijke rijkswetgeving voorzien kan worden in een meer eenvoudige en slagvaardige procedure.

Anders dan deze leden menen behoeft geen ingewikkelde procedure te worden gevolgd om de krijgsmacht ingezet te krijgen in het rampgebied. De inzet van de krijgsmacht door de Gouverneurs is geregeld in het koninklijk besluit van 3 juli 1987, houdende aanwijzingen inzake de inzet van de krijgsmacht in de Nederlandse Antillen en Aruba (Stcrt. 155). In dit besluit is bepaald dat de Gouverneurs in geval van rampen, ongevallen en storingen in het verkeer of de verbindingen, welke geen samenhang vertonen met andere storingen van de inwendige veiligheid of de openbare orde, bevoegd zijn delen van de krijgsmacht ter beschikking te stellen van de regering van de landen. Instemming van de Koninkrijksregering, of van de minister van Defensie, is voor het uitoefenen van deze bevoegdheid niet vereist. Deze procedure loopt in de praktijk goed en blijft van toepassing.

Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen (32 186 (R1901))

Wijziging bij ministeriële regeling

In verband met artikel 8.1 vragen de leden van de CDA-fractie of de regering kan bevestigen dat zij voornemens is te bevorderen dat de wijzigingen bij ministeriële regeling vervolgens via wetswijziging formeel beslag krijgen.

In de op grond van artikel 8.1 nog vast te stellen ministeriële regeling kunnen de in het rijkswetsvoorstel genoemde bedragen in Nederlands-Antilliaanse guldens worden omgezet in bedragen in een eventuele andere munteenheid van Curaçao en Sint Maarten. Hiernaast kunnen de in het rijkswetsvoorstel opgenomen verwijzingen naar Nederlands-Antilliaanse landsverordeningen worden omgezet in dienovereenkomstige verwijzingen naar landsverordeningen van Curaçao en Sint Maarten. Andersoortige wijzigingen zijn niet mogelijk. Het betreft dus wijzigingen van een zodanig technische aard, dat de regering het niet nodig acht om de wijzigingen op wetsniveau te bekrachtigen.

Verblijfsvergunningen

In verband met de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in artikel 2.1 van het voorstel stellen de leden van de VVD-fractie dat het toekennen van een verblijfsvergunning een opmaat is tot het verkrijgen van het Nederlanderschap. Zij vragen hoeveel zicht de Koninkrijksregering heeft, na het ingaan van de gewijzigde staatkundige verhoudingen, op de aantallen afgegeven verblijfsvergunningen en de motivatie die ten grondslag ligt aan het toekennen van de verblijfsvergunningen op de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Zij vragen of de regering op de hoogte is van het gerucht dat verblijfsvergunningen in het Caribische deel van het Koninkrijk «te koop» zouden zijn en of hier ooit onderzoek naar gedaan is.

Het vreemdelingenbeleid van Aruba en nu nog van het land de Nederlandse Antillen is primair een landsaangelegenheid van die landen. Dit jaar is het Foreign Management Systeem (FMS) op de Nederlandse Antillen ingevoerd, hierdoor is er een degelijke controle op de afgifte en afwijzing van aanvragen voor verblijfsvergunningen mogelijk.

Na het ingaan van de gewijzigde staatkundige verhoudingen valt de afgifte van verblijfsvergunningen op de BES-eilanden onder verantwoordelijkheid van de regering van het land Nederland. Na de transitiedatum zal de Nederlandse Minister van Justitie zicht hebben op de aantallen vanaf die datum afgegeven verblijfsvergunningen en de gronden waarop die verblijfsvergunningen worden verleend.

Het aantal verblijfsvergunningen dat op Aruba is toegekend is op dit moment niet bij ons bekend.

Voor wat betreft de Nederlandse Antillen zijn onderzoeken naar de rechtmatigheid van verlening van verblijfsvergunningen verricht door onder andere de Caribbean Forensic Services. Naar aanleiding van deze onderzoeken zijn maatregelen getroffen ter verbetering van het vreemdelingenproces in de Nederlandse Antillen, met name op Curaçao en Sint Maarten. Waar nodig zijn nieuwe personeelsleden aangesteld en achterstanden zijn weggewerkt. Het FMS is ingevoerd en er is een scheiding van functies binnen de organisaties aangebracht, het administratief gedeelte is gescheiden van het toezichtgedeelte dat nu volledig onder de politie ressorteert.

Tevens zijn in het kader van het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen in de afgelopen periode maatregelen genomen die ertoe moeten leiden dat het vreemdelingenproces wordt geoptimaliseerd en gestroomlijnd. Op Curaçao en Sint Maarten worden de nieuwe toelatingsorganisaties ingericht. In dit kader is ook aandacht besteed aan de integriteit, professionaliteit en kwaliteit van de vreemdelingenautoriteiten.

Ten aanzien van Aruba zal in het onderzoek naar de staat van bestuur van Aruba (o.a. onderzoek naar het proces van optimalisatie van de vreemdelingenketen), aandacht worden besteed aan de integriteit van de rechtshandhavende instellingen.

Consensus

De leden van de fractie van D66 stellen vast dat zowel obligatoire rijkswetten als consensusrijkswetten en rijkswetten die zowel Koninkrijksaangelegenheden als landsaangelegenheden betreffen, in de Raron worden gewijzigd, terwijl het lijkt alsof uitsluitend de procedure voor de totstandkoming van obligatoire rijkswetten is gevolgd. Deze leden menen dat het goed zou zijn als de regering op deze mogelijke inconstitutionaliteit zou reageren.

De Raron is inderdaad gedeeltelijk een consensusrijkswet. Bij de totstandkoming van het voorstel van rijkswet is artikel 38 van het Statuut dan ook in acht genomen. Er is consensus bereikt tussen Nederland, de Nederlandse Antillen, Aruba, Curaçao en Sint Maarten over de wijziging van zowel obligatoire rijkswetten als consensusrijkswetten en gemengde rijkswetten door middel van één rijkswet: de Raron. Over de wijzigingen in de Raron, die hoofdzakelijk technisch van aard zijn, bestaat consensus. Er is dus geen sprake van een inconstitutionaliteit.

Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen (32 213 (R1903))

Proces van staatkundige hervormingen

De leden van de VVD-fractie vragen wat de gevolgen zijn als dit wetsvoorstel tot wijziging van het Statuut in de Eerste Kamer wordt afgestemd, en welke mogelijkheden er zijn om in de dan ontstane situatie het proces van de herziening van de staatkundige verhoudingen weer op de rails te krijgen.

Indien het rijkswetsvoorstel tot wijziging van het Statuut niet door de Eerste Kamer wordt aangenomen zal de staatkundige hervorming geen doorgang kunnen vinden. Het land de Nederlandse Antillen wordt dan niet opgeheven, de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten krijgen niet de status van land in het Koninkrijk en de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden geen openbare lichamen van Nederland. Wijziging van het Statuut is een conditio sine qua non voor de beoogde herziening van de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk. Indien het rijkswetsvoorstel niet wordt aangenomen is het indienen van een nieuw rijkswetsvoorstel tot wijziging van het Statuut de enige mogelijkheid om het proces van herziening van de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk te realiseren.

Het lid van de OSF-fractie vraagt wat de consequenties zijn voor het hele proces van veranderingen als een referendum op Bonaire negatief uitpakt. Verder vraagt dit lid of er substantiële verschillen van mening zijn tussen het eilandbestuur en de regering over de mate van autonomie voor Bonaire, over de taakverdeling of anderszins, die aanleiding zouden kunnen worden voor een negatieve houding van de bevolking.

In de eilandsraad van Bonaire is inderdaad een motie van die strekking aangenomen. Het is nu aan het eilandbestuur om een referendumverordening op te stellen en – als die aangenomen wordt – vervolgens voor 1 oktober 2010 een referendum te organiseren. De bevolking zal in dat geval waarschijnlijk worden gevraagd om haar oordeel te geven over de inhoud en het eindresultaat van de onderhandelingen vanaf 15 juni 2009 over de staatkundige toekomst van Bonaire. Dit levert geen vertraging op voor het staatkundige proces. Als het voorstel van rijkswet tot wijziging van het Statuut wordt aangenomen zal Bonaire op de transitiedatum als openbaar lichaam toetreden tot het Nederlands staatsbestel.

Er zijn geen substantiële verschillen van mening tussen het eilandbestuur van Bonaire en de Nederlandse regering. Op 22 april jl. zijn met het eilandbestuur afspraken gemaakt over zaken als de toekomstige taakverdeling en de hoogte van de vrije uitkering. Wij vertrouwen erop dat het eilandbestuur de gemaakte afspraken richting de bevolking positief zal uitdragen in de periode voor het nog te organiseren referendum.

Algemene maatregel van rijksbestuur waarborging plannen van aanpak Curaçao en Sint Maarten

De leden van de CDA-fractie vragen naar het overleg dat wordt gevoerd over maatregelen tussen de betrokken landen en eilandgebieden voor het geval landstaken op het beoogde moment van transitie niet volgens de criteria kunnen worden uitgevoerd door een van de nieuwe landen. De leden van de fracties van de PvdA, de SP en de VVD vragen of de tekst van de concept-amvrb inmiddels is aangepast aan de in de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Leerdam c.s. en of Curaçao en Sint Maarten akkoord zijn gegaan met de gewijzigde tekst.

Tussen de landen en de eilandgebieden heeft hierover overleg plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in een concept-amvrb «Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak Curaçao en Sint Maarten». Over dit concept is in de Politieke Stuurgroep Staatkundige Verandering op 30 september 2009 overeenstemming bereikt. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een ontwerp-amvrb bij brief van 5 oktober 2009 aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 2009/10, 31 568, nr. 55). Tijdens de behandeling van de consensusrijkswetten in de Tweede Kamer is de motie van het lid Leerdam c.s. aangenomen (Kamerstukken II 2009/10, 32 213 (R1903), nr. 25). Op 28 april 2010 heeft de Raad van State van het Koninkrijk een beknopt advies over de ontwerp-amvrb uitgebracht. Thans vindt overleg plaats met Curaçao en Sint Maarten over het nader rapport en de wijze waarop de motie van het lid Leerdam c.s. in de amvrb zal worden verwerkt. Wij verwachten hierover uiterlijk medio juni overeenstemming te hebben bereikt zodat de tekst van de regeling tijdig geagendeerd kan worden voor behandeling in de laatste rijksministerraad voor het zomerreces.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering zich vastlegt op de datum van 10 oktober 2010 voor het ingaan van de gewijzigde staatkundige verhoudingen, terwijl de status van land pas zou worden toegekend nadater aan de gestelde voorwaarden voor het toekennen van deze status zou zijn voldaan. De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen of er op dit moment voldoende vertrouwen bestaat dat zowel Curaçao als Sint Maarten op 10 oktober 2010 in staat zullen zijn om daadwerkelijk als land te functioneren.

Met Curaçao en Sint Maarten is afgesproken dat zij op 10 oktober land kunnen worden als ze aan de criteria voldoen. Het oordeel of een land met ingang van 10 oktober 2010 voldoende in staat is een taak uit te oefenen, wordt door de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen gebaseerd op de uitkomsten van de toetsing van de nieuwe landsorganisaties die is verricht onder verantwoordelijkheid van de voorbereidingscommissie van de Ronde Tafel Conferenties.

Bij amvrb (de Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten) worden waarborgen gecreëerd om te verzekeren dat overheidstaken in de nieuwe landen adequaat worden uitgevoerd. Uitgangspunt van de werking van de AMvRB zijn de plannen van aanpak, die door de toekomstige landen opgesteld dienen te worden voor die landsdiensten, die door de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen worden aangewezen. In de bijlage van de amvrb zijn de onderwerpen opgenomen waarop de plannen van aanpak betrekking kunnen hebben. Het gaat om de volgende terreinen:

Rechtshandhaving en rechtspleging

  • politie, inclusief gemeenschappelijke voorziening politie

  • landsrecherche

  • gevangeniswezen

  • openbaar ministerie

  • Gemeenschappelijk Hof van Justitie

  • Raad voor de rechtshandhaving

  • Vreemdelingenketen

Goed bestuur

  • Raad van Advies

  • Rekenkamer

  • Ombudsman

  • bevolkingsadministratie

  • hoofdstembureau/electorale raad

  • volledigheid en samenhang van de nieuwe bestuurlijke organisatie

  • kadaster

Financiën

– interne controletaak

Het plan van aanpak geeft niet alleen aan op welke wijze de geconstateerde tekortkomingen ondervangen worden, maar ook op welke wijze gedurende de looptijd van het plan van aanpak de taak wordt verricht. Dit laatste aspect ziet met name op de wijze van taakuitoefening direct na de transitie. Dat is vooral van belang bij die onderdelen van de nieuwe organisatie van het land die noodzakelijk zijn in verband met de verwerving van status van land en dus voor Sint Maarten geheel nieuw zijn. Daar kan immers niet worden volstaan met aanvullende maatregelen om een voldoende niveau van functioneren te waarborgen maar dient een geheel nieuwe organisatie ingericht te zijn. Eventueel wordt tijdelijk op een andere wijze in delen van de taakuitvoering voorzien. Het plan van aanpak dient daarover duidelijkheid verschaffen.

Een plan van aanpak wordt op de Slot Ronde Tafel Conferentie bekrachtigd, waarbij rekening wordt gehouden met de feitelijke situatie van dat moment.

Met de bewaking van de voortgang is een voortgangscommissie belast die per kwartaal rapporteert aan het ministerieel overleg bestaande uit de bewindspersoon belast met Koninkrijksrelaties en de Minister-president van het betreffende land. Het ministerieel overleg dient elke wijziging van een plan van aanpak te bekrachtigen en kan ook zelf aanbevelingen doen aan de verantwoordelijke minister van een plan van aanpak. Indien de bewindspersonen niet tot overeenstemming komen, kan de bewindspersoon belast met Koninkrijksrelaties de kwestie voorleggen aan de raad van ministers van het Koninkrijk, die daarop een voorziening kan treffen. Die voorziening kan verschillende maatregelen inhouden, waarbij overigens wel de Staatsregeling van het betrokken land in acht dient te worden genomen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgenomen algemene maatregel van rijksbestuur inhoudt dat Sint Maarten en eventueel ook Curaçao weliswaar de status van land krijgen maar vervolgens onder een vorm van hoger toezicht worden geplaatst.

De voorgenomen amvrb is geen vorm van hoger toezicht maar regelt de samenwerking tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten voor zover nodig om te verzekeren dat de nieuwe landen na de statuswijziging hun verantwoordelijkheden als landen kunnen waarmaken.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de bevoegdheid van de raad van ministers van het Koninkrijk om in te grijpen als de uitvoering van de plannen van aanpak tekortschiet.

De rijksministerraad kan bij geconstateerde tekortkomingen in de uitvoering van de plannen van aanpak die aan de Raad zijn voorgelegd besluiten nemen om tot redres van bepaalde situaties te komen. De rijksministerraad kan in het uiterste geval op basis van artikel 51 beslissen dat hoger toezicht noodzakelijk is. Dat maakt dat de uitvoering van de plannen van aanpak zeker niet vrijblijvend is. Het grote belang dat wij daaraan hechten onderstrepen wij door vanuit Nederland een coördinator met de nodige bestuurlijke ervaring aan Sint Maarten ter beschikking te stellen voor de bewaking en aansturing van het voortgangsproces. Met deze maatregelen menen wij waarborgen te hebben geschapen om vertrouwen te hebben in dit proces en het resultaat.

De leden van de fracties van de PvdA en de VVD vragen of de Nederlandse regering verlenging van de amvrb kan afdwingen tegen de zin van Curaçao en Sint Maarten, en zo ja, wat de grondslag zou zijn voor een dergelijke verlenging. De leden van de SP-fractie vragen wat er moet gebeuren als de landstaken na vier jaar nog niet goed kunnen worden uitgevoerd door de landen zelf.

De plannen van aanpak dienen te leiden tot het adequaat oplossen van de tijdens de toetsing geconstateerde tekortkomingen van landsdiensten binnen een termijn van in beginsel twee jaren. Er wordt overlegd met de Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten over door Nederland voorgestelde aanpassingen van de ontwerp-amvrb als gevolg van de motie-Leerdam. De regering acht het, gelet op de ruime voorzieningen die de amvrb biedt, niet waarschijnlijk dat nadat de amvrb is uitgewerkt een land niet in staat blijkt de betreffende taak zelfstandig en naar behoren uit te voeren. Overigens kan het Koninkrijk altijd gebruik maken van de bevoegdheden die het Statuut hem biedt.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en de VVD vragen of de toetsing al is afgerond, welke criteria er zijn gehanteerd en hoe die zijn vastgesteld. Deze leden vragen verder of de resultaten van de toetsing al bekend zijn, en of al is vastgesteld welke landstaken door de toekomstige landen niet naar behoren kunnen worden vervuld.

In de brief van de Algemeen Secretaris van de RTC van 7 maart (bijlage bij brief van 31 maart 2008, Kamerstukken II 2007/08, 31 200 IV, nr. 34) zijn de criteria vastgelegd. Tezamen met de afspraken die gemaakt zijn in de Conclusies van de toetsings-RTC van 15 december 2008 vormden deze criteria het kader voor de toetsing van de overheidsapparaten van de beoogde nieuwe landen.

Een gemengde commissie heeft de afgelopen maanden de toetsing uitgevoerd. Op basis van de rapportage van de commissie zal de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen eind juni besluiten voor welke organisaties plannen van aanpak (zoals bedoeld in de amvrb «Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten») moeten worden opgesteld. Wij zullen u informeren over de resultaten van de Politieke Stuurgroep en u dan ook de rapportage van de toetsingscommissie doen toekomen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om een artikel op te nemen in het Statuut dat, met verwijzing naar de amvrb, de daadwerkelijke situatie weergeeft, en dat geschrapt kan worden zodra Sint Maarten en Curaçao voldoen aan de voorwaarden.

Curaçao en Sint Maarten worden landen in de zin van het Statuut op het moment dat de artikelen I en II van het onderhavige voorstel tot wijziging van het Statuut in werking treden. Gedurende een overgangsperiode wordt in samenwerking tussen de landen gewaarborgd dat de nieuwe landen kunnen voldoen aan de verantwoordelijkheid die zij op basis van het Statuut krijgen. De amvrb die in dit kader wordt vastgesteld, wordt gebaseerd op artikel 38, eerste en tweede lid, van het Statuut. De regering is van mening dat een nieuwe bepaling in het Statuut niet noodzakelijk is als (aanvullende) grondslag voor deze amvrb, en dat een dergelijke Statuutbepaling ook geen toegevoegde waarde zou hebben.

Toekomst van het Koninkrijk

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering na de staatkundige hervormingen nog mogelijkheden ziet om een fundamentele wijziging van het Statuut tot stand te brengen. De leden van de fracties van de CU en de SGP vragen wanneer de Staten-Generaal een wetsontwerp inhoudend een nieuw Statuut, dan wel een algehele modernisering van het Statuut, tegemoet kan zien.

In het kader van de aangekondigde visie op de toekomst van het Koninkrijk zal bezien worden op welke punten het Statuut eventueel aanpassing behoeft. De regering ziet de toekomstvisie als een belangrijke en noodzakelijke stap, voordat wordt besloten tot een eventuele actualisering van het Statuut. Eerst is een gedegen analyse van de knelpunten en oplossingsrichtingen noodzakelijk. Naar aanleiding van de motie van het lid Van Bochove (Kamerstukken II 2009/10, 32 213 (R1903), nr. 24) heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erop gewezen dat een traject is ingezet, dat erop gericht is een toekomstvisie te ontwikkelen, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de waarborgfunctie van het Koninkrijk en de vraag of een fundamentele wijziging van het Statuut noodzakelijk is. De Staatssecretaris zal de Kamer informeren over de vervolgstappen en het tijdspad richting de voltooiing van een toekomstvisie begin volgend jaar.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het wenselijk is dat in het Koninkrijk besluitvorming op basis van consensus blijft gelden terwijl in de Europese Unie, om de slagkracht te vergroten, de eis van unanimiteit wordt verlaten. Deze leden vragen welke mogelijkheden de regering ziet om deze situatie te veranderen.

Het Koninkrijk der Nederlanden valt in vele opzichten niet goed te vergelijken met de Europese Unie. De EU bestaat uit 27 onafhankelijke Europese staten die een gemeenschappelijke markt hebben gecreëerd en die via een intergouvernementele organisatie gezamenlijk beleid voeren op een groot aantal terreinen. Het Koninkrijk heeft wel gemeen met de EU dat het voor elk van de landen belangrijk is dat de gemeenschappelijke aangelegenheden effectief behartigd worden. Een andere overeenkomst is dat een gemeenschappelijk verband als het Koninkrijk of de EU alleen naar tevredenheid kan functioneren op basis van goed overleg tussen de constituerende delen, waarbij rekening moet worden gehouden met de legitieme belangen van elk van de partners. In hoeverre de besluitvormingsprocedures binnen het Koninkrijk aangepast moeten worden om de slagkracht te vergroten, is een vraag die verband houdt met de visie op de toekomst van het Koninkrijk in bredere zin, die begin 2011 zal worden aangeboden.

De Grondwet

De leden van de VVD-fractie vragen of door middel van deze wijziging van het Statuut een voorschot wordt genomen op de wijziging van de Grondwet, en of op deze wijze de eis van een tweederde meerderheid bij een herziening van de Grondwet wordt ontkracht. De leden van de PvdA-fractie vragen of de voorgestelde Statuutwijziging geen geweld doet aan de waarborgen waarmee een grondwetswijziging is omgeven, te meer omdat voor de inwerkingtreding van de bepaling om de Eerste Kamer voortaan mede te laten verkiezen door de leden van de eilandsraden van de drie BES-eilanden een grondwetswijziging nodig is. Deze leden vragen wanneer het concept van deze grondwetswijziging aan de beide Kamers wordt voorgelegd.

Er is geen sprake van dat geweld wordt gedaan aan de waarborgen waarmee een Grondwetswijziging is omgeven. In de onderhavige wijziging van het Statuut wordt geen voorschot genomen op de door de Nederlandse regering aangekondigde herziening van de Grondwet ten behoeve van de positie van de BES-eilanden binnen het Nederlandse staatsbestel. De onderhavige Statuutwijziging wijkt ook niet af van de Grondwet en de verzwaarde procedure van artikel 55, derde lid, van het Statuut is niet van toepassing. Op aandringen van de Tweede Kamer is de regering begonnen met de voorbereiding van een voorstel tot herziening van de Grondwet in verband met de nieuwe staatkundige positie van de BES-eilanden. Het is ons streven het voorontwerp volgende week te publiceren op internet. Deze herziening van de Grondwet zal verlopen via de procedure van artikel 137 tot en met 139 van de Grondwet. Het is derhalve aan de Grondwetgever, dat wil zeggen de regering en de Staten-Generaal in twee lezingen, waarbij in tweede lezing een meerderheid van tweederden van de uitgebrachte stemmen vereist is, om te bepalen welke regeling in de Grondwet wordt opgenomen ten aanzien van de BES-eilanden.

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatscommissie Grondwet zich met de staatkundige vernieuwing met betrekking tot de BES-eilanden zal bezighouden.

De Staatscommissie is niet verzocht om te adviseren over de regeling in de Grondwet van de staatkundige positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De regering heeft na overleg met vooral de Tweede Kamer bewust gekozen voor een beperkte taakopdracht.

De regering is er tot voor kort van uitgegaan dat voorlopig kon worden volstaan met de wijziging van het Statuut. Pas na de evaluatie van de Wet openbare lichamen BES (binnen 6 jaar na de transitiedatum) zou besluitvorming plaatsvinden over het staatkundig eindmodel en dan pas zou worden bezien of wijziging van de Grondwet noodzakelijk is. De Tweede Kamer heeft aangedrongen op snelle indiening van een voorstel tot wijziging van de Grondwet dat de staatkundige positie van de eilanden regelt en de eilandsraden het grondwettelijk recht geeft de leden van de Eerste Kamer te kiezen.

De leden van de SP-fractie vragen naar het traject voor de aanpassing van de Grondwet na publicatie van het voorontwerp op internet.

Ons streven is erop gericht het voorontwerp vóór de plenaire behandeling van de Statuutwijziging door de Eerste Kamer op internet te publiceren. Na de consultatie van de BES-eilanden en de internetconsultatie zal de regering een wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State voorleggen. Het nieuwe kabinet zal dan beslissen over indiening van het voorstel bij de Tweede Kamer.

Terecht werpen de leden van de SP-fractie de vraag op hoe de (chronologische) samenhang zal zijn tussen de indiening van het tweede-lezingsvoorstel en de evaluatie van de nieuwe staatkundige structuur. Om die reden gaf het kabinet er aanvankelijk ook de voorkeur aan de procedure tot wijziging van de Grondwet pas in te zetten na de evaluatie. Een beslissing over het tijdstip van indiening van het voorstel in tweede lezing zal genomen moeten worden door een volgend kabinet. Na de evaluatie kan het dan zittende kabinet uiteraard ook overwegen om een nieuw eerste-lezingsvoorstel in te dienen.

De leden van de SP-fractie vragen of de wijziging van de Grondwet ten behoeve van de regeling van het kiesrecht voor de Eerste Kamer wordt ingediend voordat deze Kamer wordt ontbonden, en of de BES-eilanden meedoen aan de verkiezing van de Eerste Kamer bij een ongewijzigde Grondwet.

Op aandringen van de Tweede Kamer is – bij nota van wijziging op het voorstel tot wijziging van de Kieswet i.v.m. de nieuwe positie van de BES-eilanden (Kamerstukken 2009/10, 31 956, nr. 12) – bepaald dat de wijziging van de Kieswet op het punt van het kiesrecht van de eilandsraden voor de Eerste Kamer pas in werking kan treden als de Grondwet hierin voorziet. Dit betekent dat de leden van de eilandsraden van de BES-eilanden pas kunnen deelnemen aan de verkiezingen van de Eerste Kamer, als de Grondwet is gewijzigd. Ervan uitgaande dat de eerstvolgende verkiezing van de Tweede Kamer in 2015 plaatsvindt, betekent dit dat de BES-eilanden op zijn vroegst bij de verkiezing in 2019 van de Eerste Kamer hun invloed kunnen uitoefenen.

De leden van de SP-fractie vragen naar de verhouding van de Grondwet tot het Statuut en naar de toepasselijkheid van de Grondwet in de andere landen van het Koninkrijk.

Het Statuut regelt de verhouding tussen de landen van het Koninkrijk. Artikel 5 van het Statuut bepaalt dat de Grondwet voorziet in de regeling van een aantal met name genoemde onderwerpen, voor zover het Statuut daarin niet voorziet. Het gaat om het koningschap met de troonopvolging, de in het Statuut genoemde organen van het Koninkrijk, de uitoefening van de Koninklijke en wetgevende macht in aangelegenheden van het Koninkrijk. De onderwerpen van de Grondwet die dus ook op koninkrijksniveau moeten worden toegepast, zijn bij rijkswet vastgesteld en worden zo nodig bij rijkswet gewijzigd. De Grondwet noemt het Statuut wel (zie artikel 142 van de Grondwet), maar gezien artikel 5 van het Statuut is het niet noodzakelijk om in de Grondwet te vermelden welke bepalingen op koninkrijksniveau gelden. Overigens wordt de staatsinrichting van de Caribische landen geregeld in de Staatsregelingen van deze landen.

De leden van de D66-fractie vragen de regering nog eens precies aan te geven waarom er naar haar oordeel geen reden is voor bezorgdheid over mogelijke inconstitutionaliteit in relatie tot de betekenis van artikel 1 Grondwet, en of een verduidelijking in het Statuut van artikel 1 van de Grondwet in de rede ligt.

Artikel 1 van de Grondwet zal van toepassing zijn op de BES-eilanden. Gelijke gevallen zullen gelijk behandeld worden. Noch de wijziging van het Statuut, noch de overige wetsvoorstellen die voortvloeien uit de staatkundige hervormingen beogen hierin verandering aan te brengen. Het voorgestelde artikel 1, tweede lid, van het Statuut maakt geen uitzondering op het gelijkheidsbeginsel. De voorgestelde bepaling beoogt een precisering te geven van het toetsingskader voor het gelijkheidsbeginsel in verband met de toetreding van de BES-eilanden tot het staatsbestel van Nederland. Dat het Statuut in de wetgevingshiërarchie boven de Grondwet gaat, staat hier niet aan in de weg. De bepaling biedt immers geen grondslag om af te wijken van de Grondwet. De regels en andere maatregelen die worden getroffen voor de BES-eilanden dienen in overeenstemming te zijn met de Grondwet. Er is dus ook geen reden voor bezorgdheid over mogelijke inconstitutionaliteit. Door deze bepaling nu in het Statuut op te nemen, wordt bij de toetreding van de eilanden tot het Nederlandse staatsbestel in constitutioneel opzicht duidelijkheid geschapen over de mogelijkheid om specifieke maatregelen te treffen. Het Statuut maakt immers onderdeel uit van het constitutionele recht van Nederland.

Sint Maarten

De fracties van de PvdA en de VVD vragen welke stappen er na het rapport van het WODC zijn ondernomen om de invloed van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit op Sint Maarten een halt toe te roepen.

De volgende stappen zijn genomen na het verschijnen van het WODC rapport in 2007.

Nederland heeft bijgedragen aan de versterking van het grenstoezicht door het ter beschikking stellen van personeel van de Koninklijke marechaussee. Hiermee wordt gewerkt aan de totstandbrenging van een adequate controle van in- en uitgaande vervoers- en reizigersstromen.

In het kader van het Plan Veiligheid Nederlandse Antillen (PVNA) wordt hiernaast zowel op Curaçao als Sint Maarten en de BES-eilanden een Nieuwe Toelatingsorganisatie opgezet.

Het verbetertraject van de politie met behulp van het politiekorps Rotterdam Rijnmond heeft inmiddels geresulteerd in een nieuw inrichtingsplan voor het korps Sint Maarten. Recent is een nieuwe korpschef aangesteld op Sint Maarten. Deze wordt bovendien ondersteund door 5 kwaliteitsmanagers die door Nederland ter beschikking zijn gesteld aan Sint Maarten voor een periode van 3 jaar. Gezamenlijk leveren zij een bijdrage aan de implementatie van het nieuwe inrichtingsplan.

Gelet op de aard van de te bestrijden criminaliteit is ervoor gekozen een inhoudelijke versterking van het recherchesamenwerkingsteam aan te brengen. De capaciteit van de financiële en technische recherche is vergroot.

In het kader van het PVNA heeft verregaande automatisering van de rechtshandhavingsketen plaatsgevonden.

In een grondslag voor samenwerking tussen verschillende rechtshandhavingsdiensten op het Franse deel van Sint Maarten en het Nederlandse deel wordt voorzien door bijvoorbeeld het ontwerpverdrag over politiesamenwerking en het Personencontroleverdrag (Trb. 1994, 144).

Voor de komende jaren zijn de volgende stappen voorzien.

In het kader van de staatkundige vernieuwing wordt het Openbaar Ministerie versterkt. Het verbetertraject politie zal leiden tot een politieorganisatie die beter is toegerust voor de uitvoering van haar taken. Het recherchesamenwerkingsteam zal bovendien voor een periode van in ieder geval vier jaar na transitie blijven voortbestaan.

De leden van de VVD-fractie vragen of door middel van de wijziging van het Statuut een situatie wordt geformaliseerd die niet spoort met de werkelijkheid. Deze leden vragen of er geen sprake zal zijn van een schijnautonomie die door goedkeuring van dit wetsvoorstel in de hoogste staatsregeling van het Koninkrijk wordt gesanctioneerd.

Wij hebben eerder al met name in relatie tot Sint Maarten gewezen op het feit dat er twee zwaarwegende argumenten zijn die naar ons oordeel pleiten voor de verlening van status van land zoals voorgesteld.

Het eerste argument is gelegen in de omstandigheid dat de opbouw van het land Sint Maarten nu juist bemoeilijkt wordt door het (voort-)bestaan van het land Nederlandse Antillen. Als gevolg daarvan beschikt Sint Maarten, als eilandgebied, noch over de formele bevoegdheden noch over de middelen om de nieuwe landsorganisatie naar behoren op te bouwen. Veel taken worden immers tot aan transitie onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Antillen door op Curaçao gevestigde landsdiensten uitgevoerd. Een groot deel van de belastingopbrengsten van Sint Maarten over het jaar 2010 komen ten goede aan de landsbegroting van de Nederlandse Antillen, terwijl het tegelijkertijd en daarnaast opzetten van een volledig ingericht overheidsapparaat van het nieuwe land de mogelijkheden van Sint Maarten bij de opbouw van het land beperken.

Een tweede argument is gelegen in het feit dat het voortbestaan van de dubbele bestuurslaag (land en eilandgebied) allerminst bevorderlijk is voor de opbouw van het nieuwe land.

Tot slot willen wij de leden van de genoemde fracties wijzen op de staatsrechtelijk en bestuurlijk buitengewoon complexe situatie die zou ontstaan wanneer het land Nederlandse Antillen wordt opgeheven zonder dat Sint Maarten de status van land verwerft. Het huidige eilandgebied zal dan toch op een of andere wijze deel uit moeten van een andere (overkoepelende) staatkundige entiteit binnen het Koninkrijk. Het alleen om deze reden laten voortbestaan van de Nederlandse Antillen is naar ons oordeel, zeker gezien de fase waarin het traject van staatkundige vernieuwing zich nu inmiddels bevindt, niet de juiste keuze. We zijn ons er terdege van bewust dat dit niet alleen voor de bestuurders van Sint Maarten maar zeker ook voor de regering van het Koninkrijk, de verplichting met zich meebrengt erop toe te zien en te bewerkstelligen dat Sint Maarten er met alle mogelijke middelen aan werkt om zo snel mogelijk in de situatie te komen dat het de taken die voortvloeien uit de status van land binnen het Koninkrijk naar behoren kan vervullen.

Aruba

De leden van de VVD-fractie vragen of het de regering bekend is dat de begroting van Aruba een fors tekort laat zien. De PvdA-fractie vraagt of de regering de zorgen deelt over de begroting van Aruba en of de regering hierover in gesprek is met de regering van Aruba. De VVD-fractie vraagt of de Arubaanse regering Nederland om hulp gevraagd heeft om dit tekort op te lossen, en welke oplossingen de regering voor ogen staan.

Het is de regering bekend dat de begroting van Aruba een groot tekort laat zien. De Arubaanse regering heeft Nederland niet verzocht om financiële steun om dit tekort te helpen oplossen. Wel heeft Nederland de afgelopen jaren expertise beschikbaar gesteld op het terrein van de openbare financiën. Voorts bestaat de afspraak dat Aruba de raad van ministers van het Koninkrijk periodiek financiële rapportages aanbiedt. Dit is de afgelopen jaren niet met de afgesproken regelmaat gebeurd. De regering deelt uw zorgen en zal Aruba verzoeken dit jaar nog een actuele financiële rapportage aan de rijksministerraad te doen toekomen. Tevens zal er de komende jaren op worden toegezien dat deze afspraak wordt nagekomen. Op basis van deze rapportages zal met Aruba overleg worden gevoerd.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering op de hoogte is van de inhoud van het rapport van de Comision di Berdad («De Waarheidscommissie») van Aruba, wat er met de aanbevelingen in dit rapport is gedaan, en of dit rapport wordt meegenomen in het lopende onderzoek.

De regering kent het rapport van de Comision di Berdad uit 2002. Er zijn indertijd door de Tweede Kamer (lid Rosenmöller) vragen gesteld over dit onderzoek. Deze zijn op 21 augustus 2002 beantwoord. Hieruit kunt u ondermeer opmaken dat de weinig zorgvuldige juridische gang van zaken bij de instelling van de Commissie, de (politieke) samenstelling van de Commissie en het feit dat de rapportage alleen over de twee vorige regeerperiodes ging, indertijd vragen opriepen over de onafhankelijkheid van de Commissie. De instelling van de Comision di Berdad was een zelfstandig besluit van de Arubaanse regering. Over de mate waarin aanbevelingen van deze Commissie daadwerkelijk zijn uitgevoerd heeft de regering van het Koninkrijk of Nederland geen informatie van de Arubaanse regering ontvangen. Aan de vraag in hoeverre de aanbevelingen indertijd zijn overgenomen – en in hoeverre dit een effect heeft gehad op de organisatie en kwaliteit van de Arubaanse overheid – zal naar onze verwachting aandacht worden besteed in het onderzoek naar de «Staat van bestuur van Aruba» dat op dit moment door het WODC wordt uitgevoerd.

Waarborgfunctie

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering van mening is dat het gewijzigde Statuut, zoals voorzien in het voorliggende wetsvoorstel, voldoende ruimte biedt voor een effectieve uitvoering van de waarborgfunctie. De CU- en de SGP-fractie vragen of de regering al een notitie over de waarborgfunctie aan de Tweede Kamer heeft aangeboden.

Dit jaar wordt gewerkt aan een toekomstvisie op het Koninkrijk, waarbij ook gekeken wordt naar het functioneren van de waarborgfunctie en de vraag of een fundamentele wijziging van het Statuut noodzakelijk is.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de koninkrijksregering artikel 43 van het Statuut nooit heeft ingezet, met uitzondering van de beslissing over de vestigingsplaats van het Gemeenschappelijk Hof, of de Koninkrijksregering daarmee haar waarborgfunctie niet heeft verzaakt, en of de regering van plan is de waarborgfunctie in de nieuwe staatkundige verhouding serieus te nemen.

De toepassing van de waarborgfunctie van het Koninkrijk is een ultimum remedium. Daarom wordt in gevallen waarin de zorgplicht van de Caribische landen bedoeld in artikel 43, eerste lid, van het Statuut in het geding is, eerst getracht de situatie te verbeteren door middel van samenwerking, zoals voorgeschreven in artikel 36 van het Statuut. De regering is van oordeel dat het in de door de PvdA fractie beschreven situaties op Aruba en Sint Maarten niet opportuun is om het zware middel van een algemene maatregel van rijksbestuur als bedoel in artikel 51 van het Statuut in te zetten. Eerst zal moeten blijken dat samenwerking geen vruchten (meer) afwerpt. Bovendien zijn in het kader van de staatkundige hervorming afspraken gemaakt ter verbetering van de rechtshandhaving en het financieel toezicht. Deze afspraken zijn neergelegd in de onderhavige rijkswetsvoorstellen. Met het nieuwe Arubaanse kabinet is overeengekomen dat in het belang van een goede samenwerking binnen het Koninkrijk het wenselijk is dat Aruba zo veel mogelijk aansluiting heeft bij de consensusrijkswetten die tot stand komen in het kader van het staatkundige proces van de Nederlandse Antillen. Afgesproken is dat Aruba de wenselijkheid van aansluiting bij de diverse consensusrijkswetgeving zal onderzoeken. Op dit moment geldt alleen de consensusrijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie ook voor Aruba. Zoals eerder gezegd zal de regering er de komende jaren op toezien dat Aruba periodiek financiële rapportages aan de raad van ministers van het Koninkrijk zal aanbieden. Overigens is er in 1993 via een algemene maatregel van rijksbestuur (op grond van art. 93 van de Staatregeling van de Nederlandse Antillen) ingegrepen in het bestuur van Sint Maarten.

Ook in de nieuwe staatkundige verhouding zal de regering de waarborgfunctie serieus nemen. Indien er geen consensus bereikt wordt over het opnemen in de amvrb van de mogelijkheid de werkingsduur van de amvrb steeds met twee jaar te verlengen is de regering bereid, indien nodig, artikel 51 van het Statuut toe te passen in het kader van de waarborgfunctie bedoeld in artikel 43, tweede lid van het Statuut. De Staatssecretaris heeft dit al diverse malen meegedeeld aan de Tweede Kamer.

Rijkswet personenverkeer en Rijksvisumwet

De leden van de VVD-fractie vragen naar het ontwerp voor een Rijkswet personenverkeer en een Rijksvisumwet.

Het voorstel voor een Rijksvisumwet is inmiddels bij de Tweede Kamer ingediend. Het overleg met de landen, respectievelijk de toekomstige landen, over een ontwerp voor een Rijkswet personenverkeer, is nog niet afgerond. Op verzoek van onze Antilliaanse collega’s hebben wij besloten om de afronding van de staatkundige hervormingen niet afhankelijk te maken van het overleg over deze ontwerprijkswet.

Voor de BES-eilanden moest daarom een andere – tijdelijke – oplossing gezocht worden in de vorm van een overgangsregeling, zoals ook door de Raad van State werd gesuggereerd. In de toekomstige landen Curaçao en Sint Maarten gaat een landsverordening toelating en uitzetting gelden die voor de toelating van Nederlanders een vergelijkbaar regime kent als de huidige landsverordening toelating en uitzetting van het Land Nederlandse Antillen (LTU-NA). Wij hebben ervoor gekozen om op de BES-eilanden voorlopig het bestaande regime van de LTU-NA te handhaven, in overeenstemming met het uitgangspunt dat op de BES-eilanden voorlopig nog de Nederlands-Antilliaanse regelgeving van toepassing blijft. Daarmee is er in ieder geval sprake van wederkerigheid in het toelatingsregime van alle Caribische delen van het Koninkrijk. Ook betekent dit dat alle Nederlanders van buiten de BES-eilanden op dezelfde wijze worden behandeld.

Het op dit moment eenzijdig en zonder nadere voorwaarden toelaten van Nederlanders uit andere delen van het Koninkrijk tot de BES-eilanden brengt het risico met zich mee van een te grote toestroom van Nederlanders naar de BES-eilanden zonder de mogelijkheid die toestroom te reguleren. Dat risico kunnen we niet nemen, gezien de geringe (bevolkings)omvang van de BES-eilanden. De toelating van Nederlanders tot het Europese deel van het Koninkrijk is niet op een lijn te stellen met de toelating van Nederlanders tot de Caribische delen die immers vele malen kleiner zijn en dientengevolge een veel beperkter absorptievermogen kennen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat het recht op vrije toelating van Europese Nederlanders tot de BES-eilanden niet is geregeld.

Het is inderdaad juist dat er geen sprake is van een recht op onvoorwaardelijke en vrije toelating tot de BES-eilanden. Dat wil echter niet zeggen dat Europese Nederlanders niet zouden worden toegelaten tot de BES-eilanden. Bepaalde categorieën Nederlanders hebben van rechtswege toelating tot verblijf, bijvoorbeeld zij die in dienst van de overheid zijn. Eveneens hebben van rechtswege toelating tot verblijf Nederlanders die beschikken over een recent afgegeven verklaring van goed gedrag en over huisvesting en voldoende middelen van bestaan voor hun levensonderhoud. Anderen kunnen een verblijfsvergunning aanvragen.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het eenvoudiger is om met een Nederlands paspoort vrij te reizen in de EU dan binnen het eigen Koninkrijk.

In reactie daarop kunnen wij deze leden mededelen dat iedere Nederlander die in het bezit is van een paspoort in beginsel vrij kan reizen binnen het Koninkrijk. Ook heeft iedere Nederlander toegang tot de BES-eilanden, zoals hiervoor is toegelicht. Toeristen mogen gedurende drie maanden op de BES-eilanden blijven zonder vergunning. Onder een toerist wordt verstaan eenieder, derhalve ook Nederlanders, die niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht.

De VVD vraagt of de regering verwacht dat het nog mogelijk is om consensus over de Rijkswet personenverkeer te bereiken als Curaçao en Sint Maarten eenmaal land zijn geworden.

De betrokkenheid van Curaçao en Sint Maarten bij de besprekingen over de Rijkswet personenverkeer wordt op zich niet beïnvloed door de staatkundige hervormingen. Het personenverkeer binnen het Koninkrijk is een aangelegenheid die elk van de delen van het Koninkrijk aangaat. Het is daarom van belang dat een regeling over dit onderwerp totstandkomt op basis van goed overleg tussen de delen van het Koninkrijk. Er kan op dit moment nog niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van dit overleg.

Artikelen 12 en 12a (geschillenregeling)

De leden van de CDA-fractie vragen naar de aangekondigde geschillenregeling en of de afwezigheid van overeenstemming bij het nemen van bepaalde besluiten op basis van de voorstellen van consensusrijkswet ook onder de bedoelde geschillen vallen. De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde bepalingen in het Statuut een voldoende basis bieden voor een in de praktijk hanteerbare regeling ten behoeve van een adequate beslechting van geschillen. De leden van de D66-fractie vragen naar de verhouding tussen artikel 12 van het Statuut en het voorgestelde artikel 12a. Ook vragen deze leden of voldoende duidelijkheid wordt geschapen over de vraag hoe met geschillen moet en zal worden omgegaan. Verder vragen deze leden hoe de relatie is tussen deze conflictregelingen en de consensusrijkswetten en wat de gevolgen zijn voor de wijze waarop meningsverschillen in de rijksministerraad worden opgelost. Het lid van de OSF-fractie vraagt een reactie van de regering op de voorstellen van Curaçao om artikel 12 van het Statuut aan te passen.

Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de regering uiterlijk op 1 januari 2011 met een voorstel zal komen voor een geschillenregeling. Ten behoeve van deze geschillenregeling wordt voorlichting gevraagd aan de Raad van State van het Koninkrijk. De regering is van mening dat de voorgestelde artikelen 12a en 38a voldoende basis bieden voor een in de praktijk hanteerbare regeling ten behoeve van een adequate beslechting van geschillen tussen het Koninkrijk en de landen en tussen de landen onderling.

Het voorgestelde artikel 12a, zoals geamendeerd door de Tweede Kamer, creëert een verplichting voor de rijkswetgever om een regeling tot stand te brengen over de behandeling van geschillen tussen het Koninkrijk en de landen. Deze regeling zal moeten passen binnen de bestaande structuur van het Koninkrijk, inclusief de procedure voor voortgezet overleg die is geregeld in artikel 12 van het Statuut. Artikel 12 biedt de mogelijkheid voor een Gevolmachtigde Minister om te verklaren dat een voorgenomen voorziening niet voor zijn land dient te gelden. Een dergelijke verklaring kan onder omstandigheden aanleiding geven tot een voortgezet overleg in de zin van de leden 2 tot en met 5 van artikel 12. De rijkswet op grond van artikel 12a kan geen wijziging aanbrengen in de bevoegdheden die de Gevolmachtigde Ministers op grond van artikel 12 bezitten. De besluitvorming in de rijksministerraad zal zich moeten voltrekken in overeenstemming met artikel 12 en de overige bepalingen van het Statuut. Naar de mening van de regering laat dit echter onverlet dat een regeling kan worden getroffen die voorziet in een adequate beslechting van geschillen. Bij het opstellen van deze regeling zal uiteraard bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de verhouding tot artikel 12 van het Statuut.

In het verslag van de Staten van de Nederlandse Antillen over de onderhavige wijziging van het Statuut zijn door verschillende fracties wijzigingen voorgesteld in de regeling voor besluitvorming in de raad van ministers van het Koninkrijk, die onder meer in artikel 12 van het Statuut is vastgelegd. In de nota naar aanleiding van de verslagen van de Staten van de Nederlandse Antillen en Aruba is opgemerkt dat deze voorstellen niet passen bij het uitgangspunt om op dit moment geen fundamentele wijziging van het Statuut te entameren, maar is ook gewezen op de opvatting van de regering dat artikel 12 primair gericht is op het bereiken van consensus binnen de raad van ministers van het Koninkrijk. Daarnaast is de regering van mening dat bij de behartiging van de aangelegenheden van het Koninkrijk de belangen van het Koninkrijk als geheel dienen te prevaleren, zoals de officiële toelichting bij artikelen 7 tot en met 12 van het Statuut ook stelt (3517, nr. 3, blz. 11).

De leden van de SP-fractie vragen naar de geschillenregeling op basis van artikel 12a van het Statuut.

Het voorgestelde artikel 12a ziet alleen op geschillen tussen het Koninkrijk en de landen. Voor geschillen tussen de landen onderling wordt voorgesteld om een artikel 38a in het Statuut op te nemen. Vanwege de gedeeltelijke samenval van de organen van het Koninkrijk en het land Nederland zal een regeling op grond van artikel 12a in de praktijk met name zien op eventuele geschillen tussen het Koninkrijk en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. In dit kader wordt het Koninkrijk vertegenwoordigd door de regering van het Koninkrijk. Voor het overige wordt verwezen naar het antwoord hierboven op de vraag van de leden van de CDA-fractie over hetzelfde onderwerp.

Artikel 27 (verdragen)

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader inzicht kan geven in de mogelijke aard van de maatregelen als bedoeld in artikel 27, derde lid van dit wetsvoorstel en voor wiens rekening de kosten komen.

De aard van de maatregelen bedoeld in artikel 27, derde lid, van het Statuut zijn afhankelijk van de inhoud van het betreffende verdrag en de vraag welke maatregelen het verdrag in het betreffende land vereist voordat het bekrachtigd kan worden voor dat land. Het derde lid van artikel 27 bepaalt dat er een algemene maatregel van rijksbestuur of een rijkswet vastgesteld kan worden indien de belangen van het Koninkrijk geraakt worden door het uitblijven van de noodzakelijke wetgeving of andere maatregelen. Het is afhankelijk van de inhoud van het verdrag, in samenhang met de verdeling van verantwoordelijkheden binnen het Koninkrijk en de landen, voor wiens rekening de kosten van de implementatie komen. De wijziging van artikel 27 beoogt geen verandering aan te brengen in deze verdeling van verantwoordelijkheden.

De leden van de SP-fractie vragen naar de onderlinge regeling over de samenwerking bij de implementatie van verdragen.

De aangekondigde regeling betreft een onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut. Het voorgestelde tweede lid van artikel 27 van het Statuut draagt de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op om een dergelijke regeling te treffen. Het is de bedoeling om in deze regeling afspraken te maken over de samenwerking tussen de landen bij het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn voordat een verdrag bekrachtigd kan worden door het Koninkrijk. Over een ontwerp voor deze regeling vindt op dit moment ambtelijk overleg plaats tussen de landen in het kader van de Projectgroep rechtspleging, rechtshandhaving en constitutionele zaken (PRRC). Het streven is erop gericht om door middel van onderlinge werkafspraken te bewerkstelligen dat verdragen sneller geïmplementeerd kunnen worden in elk van de landen. Het is in dit kader zinvol als de verschillende landen onderling kennis uitwisselen die relevant is voor de implementatie van een verdrag. Er kan bijvoorbeeld over en weer meer gebruik gemaakt worden van reeds bestaande wetteksten. De Nederlandse Antillen en Aruba worden door Nederland overigens ook nu reeds op verschillende wijzen ondersteund bij de uitvoering van hun verplichting om verdragen juist en tijdig te implementeren.

Artikelen 58 tot en met 60 (procedure voor onafhankelijkheid)

Het lid van de OSF vraagt of de regering er opzettelijk voor heeft gekozen om voor Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden niet een regeling op te nemen als die voor Aruba is vastgelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van het Statuut.

De artikelen 58 tot en met 60 zijn in 1995 op verzoek van Aruba in het Statuut opgenomen, toen de eerder overeengekomen datum van onafhankelijkheid van Aruba (1 januari 1996) uit het Statuut werd geschrapt. In de besprekingen over de onderhavige wijziging van het Statuut hebben de andere eilanden niet de wens geuit om deze artikelen ook op hen van toepassing te verklaren. Dit neemt niet weg dat de regering het recht van elk van de eilanden erkent om voor onafhankelijkheid te kiezen.

Artikelen 60a tot en met 60c (voorbereidingen Curaçao en Sint Maarten op landstatus)

De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet een vervallenverklaring is opgenomen ten aanzien van de artikelen 60a tot en met 60c van het Statuut zoals ook voor artikel 54 is opgenomen.

De artikelen 60a tot en met 60c verlenen vanaf het moment van inwerkingtreding van de artikelen I en II van het onderhavige voorstel tot wijziging van het Statuut een juridische status aan handelingen die zijn verricht ter voorbereiding op de landstatus van Curaçao en Sint Maarten. Deze bepalingen zijn in zekere zin vergelijkbaar met de artikelen 57 en 61 van het Statuut, die ook niet zijn vervallen nadat zij het beoogde rechtsgevolg hadden gerealiseerd. De gedachte hierachter is dat deze bepalingen noodzakelijk blijven zolang het gerealiseerde rechtsgevolg moet blijven voortduren. Zij hebben daardoor een blijvende betekenis. Ten aanzien van het voorgestelde artikel 54 is wel een vervallenverklaring opgenomen. Het gaat hier om een bevoegdheid die slechts eenmalig gebruikt kan worden door de Grondwetgever. Nadat gebruik is gemaakt van artikel 54, heeft deze bepaling geen betekenis meer en kan zij vervallen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

De letter C heeft alleen betrekking op de wetsvoorstellen 32 017 (R1884), 32 018 (R1885), 32 019 (R1886), 32 020 (R1887), 32 026 (R1888) en 32 213 (R1903).