Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201031568 nr. 55

31 568
Staatkundig proces Nederlandse Antillen

nr. 55
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2009

Van 28 september tot 2 oktober heb ik een werkbezoek gebracht aan Curaçao en Bonaire. Op Curaçao heb ik over verschillende onderwerpen besprekingen gevoerd en deelgenomen aan de vergadering van de Politieke Stuurgroep Staatkundige Veranderingen. Op Bonaire heb ik gesproken met het Bestuurscollege en heb ik onder andere een bezoek gebracht aan het Regionaal Servicecentrum. Met deze brief informeer ik u hierover.

Bonaire

Op maandag 28 september heb ik een bezoek gebracht aan Bonaire. Het doel was om met de politiek leiders van de coalitie en met het Bestuurscollege van het eilandgebied te spreken over de voorbereiding van de politieke stuurgroep, over de nadere uitwerking van de taakverdeling tussen het eiland en het Rijk na de transitie, en het voornemen om een referendum te organiseren. Via de Vertegenwoordiging in Willemstad bereikte mij die ochtend in afschrift een brief van het Bestuurscollege aan twee ambtenaren van het ministerie van Justitie in reactie op het concept-nader rapport op het nog vertrouwelijke advies van de Raad van State op het ontwerp-Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen. In de brief verzocht het Bestuurscollege om de behandeling van de beoogde wijziging van het Statuut aan te houden tot na het referendum op Bonaire. Voorts stelde het Bestuurscollege reeds gemaakte afspraken, waaronder die uit de Slotverklaring van 2006, ter discussie. Ik acht dit niet aanvaardbaar en heb dat ook aan de bestuurders op Bonaire en hun adviseurs uiteengezet. De afspraken uit de Slotverklaring van 2006 zijn geratificeerd door de Eilandsraad en vormen de basis voor de opeenvolgende stappen van uitwerking die de afgelopen jaren zijn gezet op weg naar de transitie. Dit werd ook bevestigd in het gesprek bij het Bestuurscollege, waar mij door de gedeputeerden werd uiteengezet hoe Nederland en Bonaire samen op een positieve, constructieve wijze uitvoering geven aan de gemaakte afspraken.

Ik ben vanzelfsprekend van mening dat het Bonaire vrij staat om een referendum te organiseren, maar ik ben ook van mening dat wel consistent beleid gevoerd moet worden. In het transitieproces is een pakket samenhangende afspraken gemaakt. De wetgeving die bij u voorligt, de inspanningen van de Nederlandse departementen ter plekke opdat zij hun verantwoordelijkheid kunnen gaan nemen vanaf de datum van transitie, de sanering van de overheidsfinanciën, de begrotingssteun, de sanering van de betalingsachterstanden, de technische ondersteuning, de extra investeringen op de terreinen onderwijs, volksgezondheid, jeugd en gezin, en veiligheid, de sociaal-economische initiatieven en de oprichting van het Regionaal Service Centrum hangen allemaal samen met de gemaakte afspraken. Indien men de grondslag voor de gemaakte afspraken – Bonaire wordt openbaar lichaam van Nederland – ter discussie stelt, dan stelt men het gehele pakket ter discussie. In mijn optiek is dit niet in het belang van de bevolking van Bonaire, die na jaren gewacht te hebben nu verbetering van overheidsvoorzieningen kan verwachten. Het is in mijn ogen in het belang van de bevolking van Bonaire en in overeenstemming met de afspraken nu door te gaan op de ingeslagen weg. Daarbij merk ik op dat de keuzes voor Bonaire niet geïsoleerd kunnen worden van die voor de andere vier betrokken eilanden. De afspraken met de andere eilanden kunnen uitsluitend binnen afzienbare tijd worden nagekomen, indien op de ingeslagen weg wordt voortgegaan.

Overigens zie ik de brief van het Bestuurscollege wel als een duidelijk signaal dat Bonaire ruimere beleidsvrijheid wenst. Dat kan in de gesprekken (zoals die nog zullen plaatsvinden 6, 13 en eind oktober 2009) over de eerder genoemde taakverdeling tussen Rijk en eiland aan de orde komen.

Ter voorbereiding op de politieke stuurgroep heb ik ook gesproken met vertegenwoordigers van Sint Eustatius en Saba. In die gesprekken gaven zij aan grote zorgen te hebben over het referendum van Bonaire en drongen zij er bij mij op aan vooral het proces voortvarend voort te zetten. Ik heb in hun richting aangegeven dat vertraging van het traject wat mij betreft niet aan de orde is en de behandeling van de wetgeving met betrekking tot de voorbereiding van de status van openbaar lichaam voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de planning zal moeten blijven volgen.

Minister van Justitie, mevrouw Jacoba

Met de recente benoemde minister van justitie van de Nederlandse Antillen, mevrouw Jacoba, heb ik een prettig en constructief kennismakingsgesprek gevoerd. Zij heeft hierin vooral aangegeven welke accenten zij in de uitvoering van haar portefeuille zal aanbrengen, mede gezien de korte periode die haar als minister van het in het ontmanteling verkerende land nog rest. Daarnaast hebben we goede afspraken gemaakt over de wederzijdse betrokkenheid van Nederland en het land als het gaat om de invulling van vacatures die ontstaan op de eilanden die binnen afzienbare tijd onderdeel van Nederland zullen gaan uitmaken. Mevrouw Jacoba en ik hebben teruggeblikt op de vergadering van het presidium verbetertraject politie van de dag ervoor, en hebben in het bijzonder gesproken over de inrichtingsplannen voor de Gemeenschappelijke Voorziening Politie en de subwerkgroep onderwijs. Ik heb hierbij mijn zorgen geuit over de voortgang met betrekking tot deze onderwerpen, in het bijzonder vanwege het garanderen van een adequate bestijding van grensoverschrijdende en georganiseerde criminaliteit ook na de transitie.

Ten aanzien van de ontwikkelingen in de Bon Futuro gevangenis gaf de minister aan dat ze de voorafgaande avond het gezamenlijke integrale plan van aanpak, dat naar aanleiding van de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst verbetertraject Bon Futuro (kamerstuk 31 568, nr. 47) is opgesteld, heeft geaccordeerd. Dit plan van aanpak is door de directeur van Bon Futuro en de drie managers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in overleg met de vakbonden opgesteld en is dan ook breed gedragen.

Tijdens ons overleg meldde de minister dat zij nog in gesprek was met de vakbonden over de Nederlandse inzet van DJI, en met name de inzet van de DJI-middenkaderleden. Zij sprak de verwachting uit daar deze week met de vakbonden overeenstemming over te bereiken. Inmiddels kan ik u melden dat heden de door Nederland beschikbaar gestelde DJI-managers en middenkaderleden aan het werk zijn de gevangenis. Zij zullen, samen met hun Antilliaanse counterparts, uitvoering gaan geven aan het gezamenlijke, integrale plan van aanpak en zo de gewenste verbeteringen in de Bon Futuro gevangenis realiseren.

Toen ik de samenwerkingsovereenkomst in juni ondertekende, was de verwachting dat snel van start gegaan zou kunnen worden met het verbetertraject. Dat dit iets langer heeft geduurd dan verwacht, betreur ik, maar tegelijkertijd staat het belang van een breed gedragen plan van aanpak voorop. Alleen met een breed draagvlak zijn de noodzakelijke fundamentele verbeteringen te realiseren. Zoals ik u reeds in mijn brief van 29 juni jl. (Kamerstuk 31 568, nr. 47) heb vermeld, zal ik uw Kamer in december uitgebreider informeren over de voortgang van het verbetertraject.

Politieke Stuurgroep

Op woensdag 30 september jl. heeft er een vergadering plaatsgevonden van de Politieke Stuurgroep Staatkundige Verandering, waarin naast Nederland en land Nederlandse Antillen, ook Curaçao en Sint Maarten zijn vertegenwoordigd. Aruba, Bonaire, Sint Eustatius en Saba waren uitgenodigd de vergadering bij te wonen. Gezien de recente verkiezingen was het begrijpelijk dat Aruba niet aanwezig was. U treft de besluitenlijst van deze vergadering als bijlage bij deze brief.1

Aan de orde bij dit overleg was een aantal afspraken met betrekking de verbeteringen op politiegebied en de inrichting van de toekomstige politiekorpsen en de samenwerking daartussen. Geconstateerd is dat er onvoldoende voortgang is geboekt met de gemeenschappelijke voorziening politie (GVP). Hierin gaan de nieuwe korpsen samenwerken vooral met het oog op de bestrijding van de zware, georganiseerde- en grensoverschrijdende criminaliteit en kan operationele ondersteuning worden geboden. Omdat ik het van belang acht een goede aanpak van georganiseerde- en grensoverschrijdende criminaliteit blijvend te verzekeren, is afgesproken dat een gezamenlijke commissie wordt gevormd die uiterlijk 1 november 2009 met een voorstel komt voor de inrichting van de GVP zoals deze in de de concept-CRW is geregeld. Het resultaat dient zodanig te zijn dat een inrichtingsplan voor de GVP aan de politieke stuurgroep van december 2009 kan worden voorgelegd. Voorts is op mijn initiatief besloten de reeds bestaande en succesvolle samenwerking binnen het RST tijdelijk te verlengen. Dit betekent concreet dat het bestaande Protocol RST zal blijven gelden tot twee jaar na de transitie. Op het moment dat de korpsen en de GVP kwalitatief voldoende functioneren kan het RST geleidelijk worden afgebouwd.

In vervolg op de conclusies van de politieke stuurgroep van 24 juni 2009 kon nu een datum voor de transitie worden vastgesteld; dat is 10 oktober 2010 geworden. Deze transitiedatum is echter alleen aan de orde indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo zullen het Statuut, alle relevante Rijkswetgeving (met inbegrip van de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving), de wetgeving voor de nieuwe openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Staatsregelingen en organieke wetten van de nieuwe landen moeten zijn afgerond. Tevens zal dan de algemene maatregel van rijksbestuur waarborging landstaken Curaçao en Sint Maarten gereed moeten zijn. Over de inhoud van deze maatregel is overeenstemming bereikt, zij het dat een tweetal punten nog nader moet worden uitgewerkt zoals uit de besluitenlijst blijkt.

Deze algemene maatregel van rijksbestuur bedoelt te waarborgen dat de taken die Curaçao of Sint Maarten op de dag van transitie nog niet volgens de afgesproken criteria kunnen verrichten, toch naar behoren worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door middel van samenwerkingsafspraken, en op termijn zelfstandig kunnen worden verricht. Of en zo ja, voor welke taken dit geldt moet blijken uit de afgesproken toetsing aan de criteria. Voor deze taken worden door de eilandgebieden plannen van aanpak opgesteld. Deze plannen zullen worden vastgesteld door de slot-Ronde Tafel Conferentie, waarna een voortgangscommissie toeziet op de uitvoering van de plannen van aanpak. De commissie kan aanbevelingen doen aan de verantwoordelijke minister van het desbetreffende land en rapporteert regelmatig aan het ministerieel overleg, bestaande uit de minister-president van het nieuwe land en de Nederlandse bewindspersoon verantwoordelijk voor Koninkrijksrelaties. Dit ministerieel overleg kan eveneens aanbevelingen doen bijvoorbeeld tot wijziging van het plan van aanpak of tot wijziging van de uitvoering daarvan. Blijkt het niet mogelijk om in dit overleg tot overeenstemming te komen of wordt onvoldoende gevolg gegeven aan de uitkomsten van het ministerieel overleg, dan is het aan de Rijksministerraad om een voorziening te treffen. De overeenkomst waarin de afspraken over de transitiedatum zijn vastgelegd en de concept-algemene maatregel van rijksbestuur, is bijgevoegd.1

Isla

Zoals bij elke gelegenheid die zich voor doet, heb ik ook dit keer met het bestuur van het eilandgebied Curaçao gesproken over de milieuproblematiek van de Isla-raffinaderij. Deze keer waren bij het gesprek ook de directeuren aanwezig van Personeel en Organisatie, de Milieudienst en van de overheidsbedrijven Refineria di Kòrsou, Aqualectra en Curoil. Dit gaf mij een goed inzicht in het brede pallet van Curaçaose inspanningen op milieuterrein.

Het bestuur verzekert mij dat het – onverlet het lopende civiele en bestuursrechtelijke proces – hard op weg is om per 1 januari 2010 de uitstoot van de raffinaderij daadwerkelijk te meten en op basis daarvan handhavend op te treden. Verschillende activiteiten, die ik hierna op zal sommen, moeten dit tot stand brengen.

Op basis van een overeenkomst met de GGD Amsterdam, met financiering uit het Sociaal Economisch Initiatief (SEI), wordt thans meetapparatuur aangeschaft. Ook worden voorbereidingen getroffen om deze apparatuur op locatie te plaatsen. GGD Amsterdam heeft een medewerker van de Milieudienst Curaçao opgeleid, zodat de meetgegevens kunnen worden geïnterpreteerd en er op basis daarvan kan worden gehandhaafd.

Het bestuurscollege heeft ingestemd met een eerste fase van één jaar voor de ondersteuning door DCMR Milieudienst Rijnmond. Met mijn instemming zijn hiervoor extra gelden binnen het SEI vrijgemaakt door reallocatie, zodat USONA op korte termijn een financieringsvoorstel kan beoordelen. Het bestuur wil voorafgaand aan de ondersteuning door DCMR reeds extra capaciteit van het noodzakelijke niveau aantrekken, zodat de advisering beklijft en handhaving ook op langere termijn gewaarborgd wordt. Hiertoe hoopt het bestuur op zeer korte termijn medewerkers aan te trekken, waaronder een turn around manager. Ook wordt in de plannen werk gemaakt van het verder opleiden van het zittende personeel.

Een commissie is verantwoordelijk gesteld voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten behorend bij de Hinderwetvergunning 1994, waarmee het onder andere mogelijk wordt om dwangsommen op te leggen.

In het SEI is ook de ontwikkeling opgenomen van een lange termijn visie op de raffinaderij. Het bestuurscollege heeft mij toegezegd dat deze visieontwikkeling nadrukkelijk onderdeel wordt van een breder uit te voeren economisch onderzoek. Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van de gedeputeerde van Economische Zaken en Toerisme. In samenhang daarmee zal een aanvang worden gemaakt met een onderzoek naar de sociaal-economische gevolgen van verschillende toekomstscenario’s van de raffinaderij, waaronder sluiting. Belangrijk daarbij is dat een dialoog ontstaat met de operator van de raffinaderij, het Venezolaanse PdVSA. Naar ik begrijp komt deze dialoog niet tot stand en ik heb om die reden aangeboden na te gaan wat de Nederlandse ambassade in Venezuela hier kan betekenen.

Ik ben positief over bovengenoemde ontwikkelingen die de directe afspraken tussen het bestuurscollege en mij betreffen. Maar ook ben ik verheugd over de ontwikkelingen op milieuterrein. Zo richt de Milieudienst zich niet enkel op de luchtkwaliteit, maar wordt vanaf volgend jaar met de toegenomen capaciteit ook geïnvesteerd in water- en bodemonderzoek. Daarnaast is de meest milieubelastende benzine afgeschaft, wat eind oktober ook gebeurt met de meest belastende diesel nadat de benodigde opslagcapaciteit is gerealiseerd. Op termijn zullen ook installaties van Aqualectra op schonere diesel draaien waardoor de milieubelasting verder vermindert.

Tenslotte kan ik u melden dat er een ambitieus energiebeleid is geaccordeerd dat tot doel heeft in 2020 een energiebesparing van 40% te realiseren alsmede een maximale inzet op alternatieve energie. Wat dat laatste betreft wordt vooral ingezet op windenergie dat nu 6% van de capaciteit opwekt, en met de bouw van een tweetal windmolenparken tot 15% moet uitgroeien. Daarnaast wordt samen met de hotelsector de mogelijkheden voor koeling met zeewater uitgewerkt, en wordt een energiecentrale op basis van afval (waste to energy powerplant) voorbereid. Zonne-energie blijkt nog geen economisch rendabele optie. Curaçao is daarom voornemens de Europese Commissie te benaderen om de subsidiemogelijkheden te onderzoeken.

Gedeputeerde Davelaar heeft mij een voortgangsverslag toegezegd, dat ik u na ontvangst zal doorzenden.

Regionaal Service Centrum

In het kader van de transitie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot onderdeel van het Nederlands staatsbestel, vindt een voortdurende intensivering plaats van de activiteiten van de Haagse departementen op de eilanden. Inmiddels hebben alle relevante departementen een kwartiermaker op de vestiging van het Regionaal Service Centrum (RSC) op Bonaire geplaatst. Daarnaast zijn ook op Sint Eustatius en Saba kwartiermakers aangesteld die werken vanuit de RSC’s op die eilanden. Deze kwartiermakers geven vorm aan de toekomstige uitoefening van Rijkstaken op de eilanden. Ik kan u tevens melden dat met ingang van oktober een permanente voorlichter op het RSC geplaatst is, onder meer ten behoeve van het informeren van de burgers van de drie eilanden over het staatkundig proces. Ik heb een bezoek gebracht aan het RSC en daar gesproken met de staf en de kwartiermakers.

Ik ben er van overtuigd dat er goed werk geleverd wordt, dat de samenwerking tussen de departementen binnen het RSC goed werkt, en dat voortvarend invulling wordt gegeven aan de voorbereidingen die nodig zijn om de eilanden op een soepele wijze onderdeel van Nederland te laten worden.

Aruba

De verkiezingen op Aruba hebben een duidelijke uitslag opgeleverd. De AVP zal met twaalf zetels een meerderheid in de Staten innemen. Een van de uitgangspunten van de AVP voor de verkiezingen is het bouwen aan een betere relatie met Nederland. Ik hoop op een positieve en constructieve samenwerking met de nieuwe regering van Aruba. Ik zal snel met de nieuwe regering om tafel gaan om te kijken hoe kunnen werken aan een goede relatie. Dit is onder meer belangrijk voor het staatkundig proces en voor tal van samenwerkingsprojecten, bijvoorbeeld op het terrein van de rechtshandhaving.

Zoals ik uw Kamer heb medegedeeld zal er een onderzoek naar de Staat van bestuur van Aruba worden gestart. Het beste resultaat kan behaald worden wanneer Aruba en Nederland in gezamenlijkheid de opdracht verstrekken aan het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum. Ik had hierover al overleg met de vorige regering. Gezien de wens van Aruba tot een betere relatie met Nederland te komen, verwacht ik hierover op korte termijn tot overeenstemming te komen.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.