Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032019-(R1886) nr. 10

32 019 (R1886) Regeling van de inrichting, de organisatie, het gezag en het beheer van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de onderlinge samenwerking tussen de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

Nr. 10 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID REMKES C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 9

Ontvangen 15 april 2010

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

Na artikel 57 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 57a

  • 1. In de landen is het protocol inzake gespecialiseerde recherchesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk van 30 november 2001 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. in plaats van de korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten, de teamchef en de directeur van de gemeenschappelijke voorziening politie deel uitmaken van de adviesgroep;

    • b. Nederland, Curaçao en Sint Maarten er zorg voor dragen dat de personele inzet van elk van de landen ten behoeve van het recherchesamenwerkingsteam evenredig is.

  • 2. De door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen ambtenaren die deel uitmaken van het recherchesamenwerkingsteam beschikken in elk van de landen over de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13. De ambtsinstructie is van toepassing.

  • 3. Het recherchesamenwerkingsteam heeft uitsluitend tot taak zorg te dragen voor het verrichten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 8, eerste lid. De ambtenaren, bedoeld in het tweede lid, zijn in elk van de landen bevoegd tot de opsporing van strafbare feiten, met inachtneming van de wettelijke voorschriften van de landen.

  • 4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid kunnen de landen in onderling overleg wijzigingen in het protocol aanbrengen.

  • 5. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze rijkswet en daarna na twee jaar beoordelen Onze Ministers of de korpsen van de landen voldoende in staat zijn invulling te geven aan artikel 8, derde lid, aan de hand van daartoe door Onze Ministers vastgestelde objectieve criteria.

  • 6. Indien na toepassing van het vijfde lid naar het oordeel van Onze Ministers de landen nog niet voldoende in staat zijn invulling te geven aan artikel 8, derde lid, wordt een voorziening getroffen als bedoeld in artikel 52.

  • 7. De artikelen 8, derde en vierde lid, artikel 20, tweede lid, en artikel 30 blijven buiten toepassing.

II

Aan artikel 58 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Artikel 57a vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De voordracht voor het koninklijk besluit wordt niet eerder gedaan dan acht weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten is overgelegd.

Toelichting

Een effectieve politieorganisatie is een essentiële schakel in de rechtshandhavingsketen. Met name voor de bestrijding van zware, internationaal georganiseerde criminaliteit is een kwalitatief hoogwaardige politiesamenwerking tussen de landen van het Koninkrijk en een eenduidige aansturing van het opsporingsapparaat nodig. Daartoe bestaat thans het recherchesamenwerkingsteam (RST). De indieners van onderhavig amendement hebben grote twijfel of de in het wetsvoorstel voorgestelde gemeenschappelijke voorziening politie (GVP), die taak binnen afzienbare termijn adequaat over kan nemen. Zonder verbetering van de huidige politieorganisatie op Sint Maarten en op Curaçao, zowel in kwantitatieve en kwalitatieve zin, is het gevaar groot dat de RST-taken verdrongen worden door de bestrijding van «lokale» criminaliteit door de landelijke korpsen. Dit maakt ook Nederland als onderdeel van het Koninkrijk internationaal kwetsbaar en zou de verantwoordelijkheid van de procureur-generaal voor de opsporing van zware, internationaal georganiseerde criminaliteit ondermijnen.

Onderhavig amendement strekt ertoe die artikelen over de gemeenschappelijke voorziening politie waarbij is geregeld dat in de korpsen de RST-taken worden uitgeoefend met behulp van personeel dat is beschikbaar gesteld door de GVP (art.8, derde en vierde lid, artikel 20, tweede lid, en artikel 30) vooralsnog buiten toepassing te laten en het protocol waarin het RST is geregeld te continueren. Dit betekent dat er vooralsnog buiten de korpsen een recherchesamenwerkingsteam bestaat dat onder leiding van een eigen teamchef functioneert. Het RST heeft uitsluitend tot taak zorg te dragen voor het verrichten van de onderzoeken, bedoeld in artikel 8, eerste lid. De leden van het RST worden dus alleen voor die onderzoeken ingezet. Vier jaar na inwerkingtreding van deze rijkswet vindt een toetsing plaats aan de hand van objectieve criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of de korpsen voldoende in staat zijn binnen de korpsen door een samenwerkingsteam bedoelde onderzoeken te verrichten. De objectieve criteria worden vastgesteld door de betrokken ministers. Uitgangspunt is dat dat reeds is gebeurd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze rijkswet en dat daarbij ervaringen uit de politiepraktijk zijn betrokken. Indien vier jaar na inwerkingtreding van de rijkswet niet wordt voldaan aan de objectieve criteria vindt na twee jaar opnieuw een toetsing plaats. Mocht dan blijken dat nog steeds niet aan de criteria is voldaan, dan bestaat de mogelijkheid voor de koninkrijksregering een voorziening te treffen. Het ligt in de rede dat die voorziening inhoudt dat het RST wordt gecontinueerd, maar het is niet uitgesloten een andere voorziening te treffen. De landen zelf hebben een belangrijke eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het mogelijk wordt de RST-taken geheel binnen de korpsen te verrichten. Parlementaire medebetrokkenheid bij die besluitvorming is wenselijk en nodig.

Het amendement regelt een aantal afwijkingen ten opzichte van het huidige protocol. Deze hebben betrekking op de samenstelling van de adviesgroep en het RST. Voorts kent de voorgestelde bepaling politie- en opsporingsbevoegdheden toe aan de leden van het RST. De ambtenaren die deel uitmaken van het RST kunnen uitsluitend worden ingezet voor de RST-taken.

Dit protocol doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de korpsen onderzoeken naar welk vorm van criminaliteit ook, te verrichten, dus ook onderzoeken naar georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit.

Indien na toetsing aan objectieve criteria is vastgesteld dat de korpsen in staat zijn invulling te geven aan artikel 8, derde lid, wordt bij koninklijk besluit artikel 57a vervallen verklaard. Daarmee vervalt tevens de buiten toepassingverklaring van de artikelen 8, derde lid, 20, tweede lid, en artikel 30. Het ontwerp-besluit wordt voorgelegd aan de parlementen van de betrokken landen.

Het onderhavige amendement impliceert niet dat de GVP niet tot ontwikkeling komt. Zo kunnen de landen voluit gebruik maken van hun bevoegdheid bedoeld in artikel 26 om door middel van de GVP ondersteunende en specialistische diensten aan de politiekorpsen van de landen beschikbaar te stellen. Ook kunnen zij bijvoorbeeld het instrument van de GVP gebruiken om onderwijs te verzorgen en inkopen te doen. De RST-taken kunnen echter niet door middel van de GVP worden verricht.

Indien daadwerkelijk wordt gezorgd voor evenredige samenstelling van het RST in kwantitatieve en kwalitatieve zin – dus bijvoorbeeld een evenredige inbreng van politieambtenaren van Curaçao – dan is het op termijn eenvoudig de teams te laten indalen in de korpsen, zodat kan worden voldaan aan artikel 8, derde lid.

Remkes

Van Bochove

Leerdam