nr. 22
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 februari 2010
De vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken (NAAZ)
heeft mij verzocht om een reactie op het rapport «Kiezen voor het Koninkrijk»
van de Commissie Democratisch Deficit (CDD) (2009D56280 en 2009D56283), voor
zover de aanbevelingen mij aangaan en niet de parlementen betreffen.
De CDD heeft het rapport uitgebracht op verzoek van het Parlementair Overleg
Koninkrijksrelaties (POK). Ik ga er vanuit dat het POK en de parlementen van
de landen nog uitgebreid van gedachten zullen wisselen over alle aanbevelingen
van de CDD en hierover een standpunt zullen bepalen. Om niet vooruit te lopen
op deze discussie zal ik mij in deze reactie beperken tot enkele algemene
opmerkingen over de aanbevelingen, zoals door u verzocht. Een reactie van
de Koninkrijksregering is op dit moment niet opportuun. Hiervoor zullen eerst
de regeringen van de (nieuwe) Caribische landen een standpunt moeten bepalen
over de aanbevelingen. Ik neem aan dat zij dan ook eerst het standpunt van
hun parlement willen vernemen.
In overeenstemming met het verzoek van de commissie NAAZ ga ik in deze
brief, mede namens de minister van Justitie, alleen in op de aanbevelingen
over de zogenoemde Staat van het Koninkrijk, het inter-institutioneel akkoord
over consensusrijkswetgeving, de zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur
en de toekenning van het actieve kiesrecht aan alle Nederlanders woonachtig
op Aruba, Curaçao en Sint Maarten van 18 jaar en ouder.
De Staat van het Koninkrijk
Volgens de CDD dient de Rijksministerraad jaarlijks een strategisch beleidsdocument
te publiceren: de Staat van het Koninkrijk. Dit beleidsdocument dient onderwerp
van beraadslaging te zijn tussen de Tweede Kamer en de Rijksministerraad in
aanwezigheid en met deelname van ten minste twee volksvertegenwoordigers
van ieder Caribisch land in het Koninkrijk en van de Gevolmachtigde Ministers
van deze landen. Er wordt een vergelijking getrokken met de Staat van de Unie.
Ik vind dit in beginsel een interessant idee. Een dergelijk beleidsdocument
en de beraadslaging daarover biedt de mogelijkheid om gezamenlijk en periodiek
te focussen op de gemeenschappelijke doeleinden van het Koninkrijk. Het kan
het gevoel van gemeenschappelijkheid binnen het Koninkrijk versterken en de
onderlinge band verdiepen.
Nadere studie en overleg zou nodig zijn, onder meer over de vraag welke
onderwerpen zich precies lenen voor een dergelijk beleidsdocument, of dit
document jaarlijks zou moeten worden opgesteld, en of dit zich dan kan toespitsen
op één of meerdere thema’s. Presentatie van het strategisch
beleidsdocument als bijlage bij het wetsvoorstel tot vaststelling van de begroting
van Koninkrijksrelaties (IV), zoals in het rapport wordt voorgesteld, ligt
overigens niet voor de hand nu deze begroting als begroting van het land Nederland
bij de Staten-Generaal wordt ingediend door de Nederlandse ministerraad.
Consensusrijkswetgeving
De CDD beveelt de landsregeringen en de koninkrijksregering aan afspraken
te maken in een zogenoemd «interinstitutioneel akkoord» tot uitleg
van het Statuut ten einde iedere onduidelijkheid weg te nemen over bepaalde
aspecten met betrekking tot consensus rijkswetgeving. Dit akkoord zou in het
bijzonder afspraken moeten bevatten ten aanzien van:
1. de toepassing van de artikelen 12 en 18 Statuut,
2. het niet langer vermengen van regels met betrekking tot Koninkrijksaangelegenheden
en regels met betrekking tot landsaangelegenheden in een en dezelfde rijkswet,
3. het uitgangspunt dat in (ontwerp)consensuswetgeving wordt bepaald hoe
deze kan worden gewijzigd of beëindigd.
In het verleden is er sporadisch gebruik gemaakt van de mogelijkheid om
op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut, onderlinge regelingen
vast te stellen bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur. Dit soort
rijkswetten en algemene maatregelen van rijksbestuur worden ook wel aangeduid
als consensusrijkswetten respectievelijk consensus-algemene maatregelen van
rijksbestuur aangezien de inhoud van de regeling door de betrokken landen
gezamenlijk wordt bepaald.
In het kader van de staatkundige hervorming zijn afspraken gemaakt over
regeling van bepaalde landsaangelegenheden in een consensusrijkswet of een
consensus-algemene maatregel van rijksbestuur. Nederland, de Nederlandse Antillen,
het eilandgebied Curaçao en het eilandgebied Sint Maarten hebben in
verband hiermee een verklaring ondertekend over onder meer de betrokkenheid
van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten bij de totstandkoming
van de desbetreffende consensusrijkswetten en consensus-algemene maatregelen
van rijksbestuur. Volgens deze verklaring verzekeren de partijen zich ervan
dat gedurende het gehele proces van totstandkoming van een rijkswet of algemene
maatregel van rijksbestuur tot en met de behandeling in de raad van ministers
van het Koninkrijk is voldaan aan het consensusvereiste met betrekking tot
Curaçao en Sint Maarten.
Voordat bezien wordt of er behoefte bestaat aan verdere verduidelijking
van de procedure van consensusrijkswetgeving, is het van belang dat eerst
bekeken wordt hoe de behandeling van de thans aanhangige voorstellen van consensusrijkswet
verloopt. Bij de aanstaande parlementaire behandeling van deze consensusrijkswetsvoorstellen
in het kader van de staatkundige hervorming zal blijken of er
in de praktijk daadwerkelijk onduidelijkheden bestaan die verheldering behoeven.
Zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur
Volgens de CDD zou de Koninkrijksregering de Staten-Generaal moeten verzekeren
dat zij voor het uitvaardigen van zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur
dezelfde maatstaven hanteert als de Nederlandse regering doet voor zelfstandige
algemene maatregelen van bestuur.
De aan de Koninkrijksregering gevraagde verzekering kan in deze brief
niet worden geboden aangezien deze brief, zoals gezegd, geen reactie is van
de Koninkrijksregering.
Het Statuut opent de mogelijkheid tot het vaststellen van een zelfstandige,
dus niet op een rijkswet gebaseerde, algemene maatregel van rijksbestuur.
Dat geldt zowel ten aanzien van Koninkrijksaangelegenheden als voor het vastleggen
van onderlinge regelingen, bedoeld in artikel 38 van het Statuut. Van het
instrument zelfstandige algemene maatregel van bestuur wordt overigens uiterst
spaarzaam gebruik gemaakt.
Kiesrecht
Ten slotte beveelt de CDD aan om naast het passieve kiesrecht ook het
actieve kiesrecht voor de Tweede Kamerverkiezingen toe te kennen aan (alle)
Nederlanders woonachtig op Aruba, Curaçao en Sint Maarten van 18 jaar
en ouder.
In reactie hierop wil ik verwijzen naar de notitie die ik op verzoek van
de vaste commissie NAAZ bij brief van 13 december 2007 aan de Tweede
Kamer heb gezonden (Kamerstukken II, 2007/08, 30 945, nr.8). In deze
notitie wordt onder meer gewezen op de mogelijke effecten van toekenning van
het kiesrecht.
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Th. B. Bijleveld-Schouten