Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731510 nr. 65

31 510 Energierapport

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 65 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2017

In het Klimaatakkoord van Parijs is afgesproken de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad te realiseren. Met de Energieagenda heeft het kabinet aangegeven op welke wijze Nederland invulling kan geven aan deze afspraken. Hiermee heeft het kabinet het door vele partijen gevraagde perspectief richting een CO2-arme economie in 2050 geschetst. De uitstoot van broeikasgassen zal drastisch moeten worden verminderd. De hiervoor benodigde transitie vraagt inspanningen van bedrijven, overheden en burgers. De energietransitie biedt ook kansen voor de Nederlandse samenleving en economie. Het kabinet heeft aangegeven te willen streven naar een geleidelijke en dus tijdig ingezette transitie, om zo mogelijke schokeffecten voor de economie te voorkomen en tevens de economische kansen die de energietransitie biedt te benutten.

Uw Kamer heeft naar aanleiding van het plenaire debat over het toekomstig energiebeleid van 7 februari jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 49, item 21) en het AO Energieraad van 22 februari jl. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 635) diverse moties aangenomen die aanpassingen vragen ten aanzien van enkele uitgangspunten in de Energieagenda, waarvan de meeste betrekking hebben op het hanteren van nationale doelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie in 2030. Hierbij informeer ik uw Kamer over de wijze waarop het kabinet omgaat met deze moties.

Doelen voor CO2-reductie, hernieuwbare energie en energiebesparing

Uw Kamer heeft diverse moties aangenomen waarmee de regering is verzocht om nationale doelen vast te stellen voor hernieuwbare energie en energiebesparing:

  • Motie Jan Vos en Van Veldhoven (Kamerstuk 30 196, nr. 511) over het stellen van een tussendoel van minimaal 30% duurzame energie in 2030;

  • Motie Jan Vos en Agnes Mulder (Kamerstuk 30 196, nr. 512) over het voortzetten van het beleid met drie separate doelen voor duurzame energie, energiebesparing en CO2-reductie;

  • Motie Agnes Mulder en Van Veldhoven (Kamerstuk 21 501-33, nr. 632) over het inzetten op een vertaling van het Europese winterpakket en energie- en klimaatplan naar drie nationale doelen, waarbij het doel voor CO2-reductie wordt ondersteund door doelen met een bandbreedte voor hernieuwbare energie en energiebesparing;

  • Motie Van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 633) over het niet langer verzetten in Europa tegen de ophoging van het energiebesparingsdoel van 27% naar 30% en tegen het daarvoor benodigde verplichte energiebesparingstempo van 1,5% per jaar;

  • Motie Van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 634) over het niet langer verzetten in Europa tegen het voorstel om de nationale 2020-doelstellingen voor duurzame energie ook na 2020 aan te houden als minimumaandeel duurzame energie.

De transitie naar een CO2-arme economie in 2050 zal grote investeringen vragen van burgers, bedrijven en overheden. Het is, mede met het oog op het behouden van draagvlak voor de transitie, van belang om deze op kosteneffectieve wijze te realiseren. Het kabinet heeft daarom in de Energieagenda aangegeven haar energie- en klimaatbeleid in de toekomst te willen richten op reductie van CO2-emissies. Hiermee wordt het maatschappelijk belang centraal gesteld: het tegengaan van klimaatverandering.

In lijn met de langetermijndoelen voor CO2-reductie zal de komende jaren een forse inzet op energiebesparing en hernieuwbare energie nodig zijn. De optimale verhouding tussen energiebesparing, hernieuwbare energie en de toepassing van andere CO2-reducerende technieken is echter vooraf niet vast te stellen en is onderhevig aan maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen. Flexibiliteit ten aanzien van de invulling van het CO2-reductiedoel op lange termijn is van belang om ruimte te kunnen bieden aan innovatie en andere nieuwe ontwikkelingen die nu nog niet zijn te voorzien.

In het licht van de Energieagenda laat het kabinet momenteel onderzoeken welke aandelen van hernieuwbare energie en energiebesparing passen binnen een kosteneffectief CO2-reductiepad richting 2030 en 2050. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal hierover in juni resultaten opleveren. Vanzelfsprekend zal een nieuw kabinet, mede op basis van deze resultaten, een standpunt innemen over het te voeren energiebeleid en de rol van doelstellingen voor hernieuwbare energie en energiebesparing hierin. Om deze reden laat ik de verdere besluitvorming hierover graag over aan het volgende kabinet.

Ten aanzien van de huidige Europese onderhandelingen over het Winterpakket heeft Nederland in de EU aangegeven dat het ambitieus inzet op emissiereductie, dat de voorgestelde nationale minimumdoelen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie nog bestudeerd worden en dat de energietransitie zo kosteneffectief mogelijk ingevuld dient te worden. Nederland onderstreept het belang van een ambitieus en flexibel governancemodel. Hiermee wordt ook in de Europese besluitvorming ruimte geboden aan het standpunt van een nieuw kabinet. Zie verder mijn brief over het verslag van de Energieraad, die parallel aan uw Kamer wordt aangeboden.

Overige moties ten aanzien van de Energieagenda

Naast bovengenoemde moties raken de volgende moties eveneens aan de Energieagenda:

  • Motie Van Tongeren c.s. (Kamerstuk 30 196, nr. 509) over aanpassing van de Energieagenda overeenkomstig de dicta van een reeks eerder aangenomen moties: [a] een Europese, bindende doelstelling voor duurzame energie per lidstaat (Kamerstuk 33 858, nr. 23); [b] streven naar het louter verkopen van emissieloze (nieuwe) auto’s in 2025 (Kamerstuk 30 196, nr. 449); [c] uitfasering van alle kolencentrales in Nederland (Kamerstuk 34 302, nr. 99); [d] de verstrekking van nieuwe SDE+-subsidie voor de bij- en meestook van biomassa in kolencentrales per direct, dan wel zo snel mogelijk, stopzetten (Kamerstuk 31 239, nr. 230);

  • Motie Van Tongeren en Jan Vos (Kamerstuk 30 196, nr. 510) over het onderzoeken van de vraag of een extra windpark op zee voor 2023 mogelijk is.

Met het Energieakkoord en de daaropvolgende Energieagenda heeft het kabinet samen met maatschappelijke partijen een ambitieuze aanpak richting een CO2-arme economie neergezet. Daarbij staat de realisatie van het Klimaatakkoord van Parijs centraal en zullen de komende jaren in Nederland, aanvullend op de Europese kaders, stappen worden gezet met oog op een economisch verstandige transitie via een gerichte aanpak per functionaliteit. Daarbij zijn de ambities voor de periode tot 2023 middels concrete maatregelen ingevuld en zijn voor de periode na 2023 de kaders geschetst. Gelet op de wijze waarop het Energieakkoord en de Energieagenda tot stand zijn gekomen en de demissionaire status van het kabinet acht ik het niet opportuun om thans over te gaan tot een wijziging, zoals voorgesteld in de bovengenoemde moties. Ten aanzien van de moties die worden aangehaald in de motie Van Tongeren c.s. heb ik eerder al aangegeven hoe het kabinet hiermee omgaat. Ik verwijs daarbij graag naar eerdere brieven aan uw Kamer hierover (zie Kamerstuk 30 196, nr. 505, Kamerstuk 33 043, nr. 68 en Kamerstuk 31 239, nr. 256).

De komende periode blijft het kabinet in gesprek met diverse maatschappelijke partijen over de verdere uitwerking van de Energieagenda.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp