30 991 Beleidsdoorlichting Economische Zaken

Nr. 30 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 22 maart 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 24 december 2015 inzake de Beleidsdoorlichting artikel 18 Natuur en Regio (Kamerstuk 30 991, nr. 29).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 maart 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De adjunct-griffier van de commissie, Konings

1

Kunt u uw conclusie in de begeleidende brief dat het eindelijke oordeel van de beleidsdoorlichting redelijke positief is nader toelichten, omdat in de beleidsdoorlichting wordt geconcludeerd dat over het beleid van artikel 18 Regio en Natuur, nauwelijks tot geen conclusies over doelmatigheid en doeltreffendheid kunnen worden getrokken?

Antwoord

De uitspraak is gebaseerd op het rapport van Berenschot en Ecorys, dat over artikel 18.1 concludeert dat de doelmatigheid en doeltreffendheid «positief beoordeeld kunnen worden» (blz. 2), en over artikel 18.3 dat «het doelbereik van het beleid als redelijk positief beoordeeld (wordt) als die vergeleken wordt met de situatie van de natuur in het nabije verleden» (blz. 3).

2

Kunt u nader onderbouwen waarom u extensivering van beleid ongewenst en onrealistisch acht?

Antwoord

Ik acht extensivering ongewenst, omdat dit beleidsartikel een omvangrijke transitie ondergaat. Daarbij is sprake van forse bezuinigingen en van decentralisatie van natuur en regionaal economisch beleid. Het budget op de Rijksbegroting is in de onderzoeksperiode daardoor gedaald van € 1.028 miljoen in 2010 naar € 337 miljoen in 2014 en daalt daarna door tot € 159 miljoen in 2020. Deze middelen worden voornamelijk ingezet voor uitvoering van handhaving en regelgeving, afwikkeling van harde juridische verplichtingen, versoberde bijdrage aan SBB en de cofinanciering EFRO (Europees Fonds Regionale Ontwikkeling).

De rijksrol is na deze transitie vooral geconcentreerd op de stelselverantwoordelijkheid van het Rijk. Zo is het Rijk onder andere lidstaatverantwoordelijk, is het verantwoordelijk voor wet-, en regelgeving, stelt het anderen in staat om natuurdoelen te realiseren en zorgt het voor een rijksnatuurvisie en dat deze wordt uitgevoerd. Dit is noodzakelijk, omdat de natuur nog steeds onder druk staat. Verbeteringen van de natuur vergen een lange adem en vragen een stabiele aanpak. Naast de ontwikkeling van nieuwe natuur zoals in het Natuurpact is afgesproken, zijn extra inspanningen nodig gericht op duurzaam gebruik en behoud van biodiversiteit om de internationaal afgesproken doelen en acties te realiseren.

3

Waarom sluit u extensivering uit wanneer er nog geen goed inzicht is in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 en 2.

4

Hoe gaat u de samenhang tussen innovatief ondernemerschap en clustervorming versterken?

Antwoord

Daar zet ik op in de samenwerkingsagenda Rijk-Regio en de inzet op city deals in het kader van Agenda Stad. Via het bedrijfslevenbeleid en instrumentarium wordt eveneens samenhang tussen clusters en ondernemerschap bevorderd. Bijvoorbeeld via de inzet van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), door het stimuleren van publiek-private samenwerking via de TKI-toeslag (Topconsortia voor Kennis en Innovatie), de inzet van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en met de ROM’s (Regionale Ontwikkel Maatschappijen) die een belangrijke rol vervullen in de verbinding van topsectoren met regionale economische clusters. Ten algemene is er veelvuldig contact tussen mijn ministerie en economische clusters verspreid over het land, waarin kennis en informatie wordt uitgewisseld over beschikbaar instrumentarium en beleidsontwikkeling gerelateerd aan clusters en innovatief ondernemerschap.

5

Wilt u middelen beschikbaar stellen om versterking van de samenhang tussen innovatief ondernemerschap en clustervorming te versterken?

Antwoord

Clusterversterking is mogelijk door goed gebruik te maken van het bestaande instrumentarium van Rijk en regio’s. Via ons netwerk spannen we ons ook in om waar nodig clusters over dit instrumentarium te informeren en waar mogelijk instrumenten van Rijk en regio te combineren en te matchen. Zie ook mijn antwoord op vraag 4.

6

Zo ja, wanneer zal deze versterking plaatsvinden en hoe wordt de Tweede Kamer op de hoogte gehouden?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 5.

7

Bent u voornemens een ex-post onderzoek te doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van een aantal hoofdinstrumenten van het natuurbeleid?

Antwoord

De beleidsdoorlichting noemt het Natuurpact en de Natuurvisie als de twee hoofdproducten van het huidige beleid. Voor beide producten staan onderzoeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid (ex post) in de begroting gepland. Ook voor de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) staat een onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid (ex post) in de begroting gepland.

8

Bent u bereid het huidige natuurbeleid nader te concretiseren, ook op de samenhang tussen ecologie en economie? Zo ja, op welke manier?

Antwoord

In het huidige natuurbeleid zet ik in op versterking van de samenhang tussen ecologie en economie. In de Rijksnatuurvisie 2014 («Natuurlijk verder») zijn hiertoe verschillende speerpunten opgenomen, waaronder «Groen ondernemerschap; motor van de economie», «Natuurinclusieve landbouw», «Gebiedsontwikkeling met natuurcombinaties», en «Groen wonen en werken». Verschillende activiteiten in de periode 2010–2014 hebben bijgedragen aan versterking van de relatie tussen economie en ecologie. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • Ter uitvoering van de voorstellen van de Taskforce Natuurlijke Hulpbronnen en Biodiversiteit is voor de periode 2012–2016 een Green Deal gesloten met het Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie (BEE). Dit is een samenwerking tussen het bedrijfsleven (onder aanvoering van VNO-NCW) en natuurorganisaties (onder aanvoering van IUCN Nederlands Comité). Het Platform BEE heeft de afgelopen jaren in het kader van deze Green Deal, bedrijven gestimuleerd en ondersteund die stappen willen zetten om natuur in hun bedrijfsvoering te verankeren.

  • In het kader van de uitvoering van «TEEB-Nederland» is een zogenoemde TEEB-Stad tool opgeleverd, waarmee steden de waarde van hun natuurlijk kapitaal inzichtelijk kunnen maken. TEEB staat voor «The Economics of Ecosystems and Biodiversity», een internationaal onderzoek naar de waarde van natuur, dat in verschillende landen, waaronder Nederland, heeft geleid tot het uitvoeren van eigen studies.

  • Een subsidie aan de Vereniging Beleggers Duurzame Ontwikkeling (VBDO) heeft bijgedragen aaneen «Guide on Natural Capital & Financial Institutions» en een interactieve tool, waarmee financiële instellingen natuurlijk kapitaal kunnen incorporeren in hun investeringsbeleid.

Ik zal mij, mede in het kader van de implementatie van de Sustainable Development Goals in Nederland en voortbouwend op de resultaten van de afgelopen jaren, blijven inzetten om de samenhang tussen ecologie en economie te versterken.

9

Waarom kiest u ervoor om de integratie van landbouw en natuur anders vorm te geven dan de aanbevelingen in de beleidsdoorlichting?

Antwoord

De integratie van landbouw en natuur, zoals aanbevolen in de beleidsdoorlichting, heeft een smallere reikwijdte dat ik voor ogen heb. De verbinding tussen landbouw en natuur kan niet alleen plaatsvinden door agrarisch natuurbeheer (zorgen voor de natuur), maar ook door het gebruiken van natuurlijke processen en systemen in de bedrijfsvoering (ecosysteemdiensten, benutten van de natuur). Het is aan de ondernemer om te bepalen op welke manier hij landbouw en natuur in zijn bedrijfsvoering wil integreren. Mijn inzet is gericht op kennisontwikkeling, kennisverspreiding en inspireren van boeren. Dat doe ik door onderzoek, meer aandacht in het onderwijs voor de relatie tussen landbouw en natuur en het ondersteunen van aansprekende en veelbelovende initiatieven.

Belangrijke vraag daarbij is hoe een natuurinclusieve bedrijfsvoering rendabel kan zijn. Daarin hebben niet alleen de boer zelf (inrichting van de bedrijfsvoering) en de consument (welke prijs is zij bereid te betalen) een rol. Ook de zakelijke omgeving van de boer – ketenpartijen, financiële instellingen, adviseurs, leveranciers – hebben een belangrijke rol om de boer in staat te stellen om de keuze voor een natuurinclusieve bedrijfsvoering te maken. Ook op het betrekken en ondersteunen van die partijen is mijn inzet gericht.

10

Wat zijn precies de verschillen tussen uw aanpak en de aanbevelingen van de onderzoekers met betrekking tot de integratie van landbouw en natuur?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 9.

11

Kunt u onderbouwen waarom u een andere keuze maakt bij de integratie van landbouw en natuur?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 9.

12

Wat is voor u de waarde van de samenhang tussen economie en ecologie?

Antwoord

Economie en ecologie zijn onlosmakelijk verbonden. De natuur is een belangrijke randvoorwaarde voor de economie en tegelijkertijd hebben economische activiteiten effect, zowel positief als negatief, op natuur.

13

Hoe wordt deze waarde van economie en ecologie inzichtelijk?

Antwoord

In de Monitor Duurzaam Nederland presenteert het CBS samen met de Planbureaus kerngegevens over duurzaamheid in hun onderlinge samenhang. Daarbij onderscheiden ze economisch, menselijk, natuurlijk en sociaal kapitaal. De waarde van economie en ecologie wordt ook afzonderlijk inzichtelijk gemaakt door het monitoren van voorraden en stromen, zowel op nationaal als op bedrijfsniveau. Bij de economie gaat het dan op nationaal niveau om het Systeem van Nationale Rekeningen en op bedrijfsniveau om de jaarrekeningen met bijbehorende balansen en verlies- en winstrekeningen. Deze monitoringssystemen zijn goed ingeburgerd. Bij de ecologie staan de monitoringssystemen nog in de kinderschoenen, maar worden belangrijke vorderingen geboekt. Zo is op nationaal niveau een experimenteel systeem voor ecosysteemaccounting geadopteerd, als aanvulling op het VN-framework voor Milieurekeningen (UN-SEEA). Het CBS heeft voor de provincies Limburg verkend hoe dit experimentele systeem kan worden geïmplementeerd en onderzoekt wat nodig is om dit voor Nederland te implementeren. Op bedrijfsniveau doen steeds meer bedrijven ervaring op met het in hun jaarverslag inzichtelijk maken van hun invloed op en afhankelijkheid van natuurlijk kapitaal.

14

Hoe gaat u de maatschappelijke betrokkenheid van zowel ondernemers als de Nederlandse bevolking vergroten voor het natuurbeleid?

Antwoord

Er bestaat een grote betrokkenheid binnen het bedrijfsleven voor natuurbeleid. Deze betrokkenheid is ook terug te zien bij de inzet van vele vrijwilligers en donateurs. Met de provincies en met natuurorganisaties werk ik aan het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het natuurbeleid, bijvoorbeeld door de wettelijke kaders eenvoudiger en daardoor hanteerbaarder te maken, door vernieuwende maatschappelijke initiatieven te ondersteunen en door ondernemers, zoals bouwondernemers en agrariërs, te stimuleren meer oog te hebben voor natuur bij het maken van hun afwegingen.

15

Bestaat er een Europese vergelijking naar het percentage natuur in verhouding tot het oppervlak, inwoneraantal en bevolkingsdichtheid?

Antwoord

Nee, wel zijn er in het kader van de State of the Environment 2015 door het Europees milieuagentschap overzichten gemaakt van de hoeveelheid natuur (hectare beschermde natuurgebieden) in de Europese landen in verhouding tot het landoppervlak. De publicaties van het Europees Milieuagentschap zijn openbaar toegankelijk. Hierbij treft u een hyperlink aan naar de rapportage.

http://www.eea.Europa.eu/soer-2015/countries-comparison/biodiversity

16

Als er een Europese vergelijking bestaat naar het percentage natuur in verhouding tot het oppervlak, inwoneraantal, bevolkingsdichtheid, wilt u deze dan delen?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 15.

17

Wat is de ontwikkeling van het areaal natuur in Nederland over de periode 2000–2015?

Antwoord

Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Natuurnetwerk Nederland, voorheen EHS (Kamerstuk 30 825, nrs. 212 en 214). Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid ontvang ik hierover de gegevens van de provincies. De eerste voortgangsrapportage Natuurpact van de provincies is in 2015 uitgekomen en bevat de voortgang van het Natuurnetwerk op land in de periode 1 januari 2011 tot 1 januari 2015. In die periode is 11.508 ha verworven en 25.294 ha natuur ingericht. Uit deze voortgangsrapportage blijkt dat per 1 januari 2015 het door de provincies beheerde areaal van het Nationale Natuurnetwerk ongeveer 583.000 ha bedraagt.

18

Wat is de ontwikkeling van het aantal Natura 2000-gebieden over de afgelopen 5 jaar?

Antwoord

Nederland heeft in totaal 160 gebieden gemerkt als Natura2000-gebied. Hiervan zijn 154 gebieden definitief aangewezen: 60 in de periode 2008–2012, 92 in de periode 2013–2014 en 2 in 2015.

19

Hoeveel natuurgebieden zijn er in Nederland?

Antwoord

De kwantitatieve voortgang van het areaal natuur wordt jaarlijks gerapporteerd in hectares Natuurnetwerk, die zijn verworven en ingericht en in beheer zijn. De provincies hebben in hun eerste voortgangsrapportage van het Natuurpact een kaart opgenomen van het Natuurnetwerk Nederland. Ik verwijs u ook naar mijn antwoord op vraag 17. Ik beschik niet over informatie waaruit blijkt uit hoeveel natuurgebieden het Natuurnetwerk is opgebouwd en over het aantal natuurgebieden buiten dit Natuurnetwerk.

20

Kunt u een overzichtskaart geven van alle natuurgebieden naar de verschillende natuurorganisaties?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 19.

21

Hoeveel hectare natuur in Nederland is in handen van particulieren?

Antwoord

In de eerste voortgangsrapportage Natuurpact van de provincies zijn geen gegevens opgenomen over hoeveel hectare natuur in handen is van particulieren. Ik verwijs u verder naar mijn antwoord op vraag 17.

22

Wat is de ontwikkeling van het aantal hectare natuur in particuliere handen over de periode 2000–2015?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 21.

23

Wat is de ontwikkeling van het aantal natuurgebieden over de periode 2000–2015?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 19.

24

Wat is de ontwikkeling van de totale oppervlakte van de natuurgebieden over de periode 2000–2015?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 17.

25

Waarom is een beleidstheorie niet voorhanden? Onderschrijft u de reconstructie van de beleidstheorie die de onderzoekers hebben opgesteld? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De door mij onderschreven beleidsreconstructie die de onderzoekers hebben opgesteld betreft de beleidstheorie, die gold voor de evaluatieperiode. De rijksnatuurvisie, die leidend is voor het huidige beleid, biedt een meer actuele en toekomstbestendige weergave.

26

Welke beleidstheorie is vanaf nu leidend voor het beleid van artikel 18?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 25.

27

Artikel 18.2 heeft geen overkoepelende indicator, gaat u deze in de toekomst wel gebruiken?

Antwoord

Zoals aangegeven in de brief over de beleidsdoorlichting artikel 18 (Kamerstuk 30 991, nr. 29) staat dat het rapport terecht stelt dat voor de beleidsinspanningen gericht op sterkere integratie tussen natuur en economie (artikel 18.2) een indicator ontbreekt aan de hand waarvan onder andere bepaald kan worden welke winst dit oplevert voor natuur. Binnen het programma Natuurlijk Kapitaal wordt hier aan gewerkt. Het is dan ook mijn voornemen om voor artikel 18.2, gericht op de duurzame benutting van biodiversiteit, indicatoren of kengetallen te ontwikkelen en te bezien of een overkoepelende indicator mogelijk is.

28

Hoe komt u tot uw conclusie «het uiteindelijke oordeel is redelijk positief over de effectiviteit en efficiency van het beleid», terwijl in de beleidsdoorlichting wordt geconcludeerd dat over het beleid van artikel 18 Regio en Natuur, nauwelijks tot geen conclusies over doelmatigheid en doeltreffendheid kunnen worden getrokken?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1.

29

Hoe gaat u de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid van beleidsartikel 18 beter inzichtelijk maken?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord opvraag 27.

30

In hoeverre bent u bereid bij het beleid van beleidsartikel 18 alsnog gebruik te maken van het Integraal Afwegingskader, zodat u bij de volgende beleidsdoorlichting wel beschikt over gegevens over doelmatigheid en doeltreffendheid? Wilt u het antwoord toelichten?

Antwoord

Het Integraal Afwegingskader wordt gebruikt bij nieuwe belangrijke financiële en wetgevingsinstrumenten. Zo is dit afwegingskader gebruikt bij de nieuwe wet Natuurbescherming. In de onderzoeksperiode was er echter vooral sprake van afbouw of decentralisatie van al bestaande instrumenten. Het Integraal Afwegingskader is dan niet van toepassing.

31

Waarom zijn de factsheets die zijn gebruikt om de afzonderlijke instrumenten te typeren en in onderlinge samenhang te beschouwen, niet opgenomen in het rapport, om zo de transparantie van de analyse te vergroten? Kunnen deze factsheets alsnog aan de rapportage worden toegevoegd?

Antwoord

De factsheets zijn niet in het rapport opgenomen, omdat het werkdocumenten van de onderzoeksbureaus betreft die naast feiten ook opmerkingen en suggesties van derden bevatten die daarna door het onderzoeksbureau geanalyseerd en gewogen zijn. Het eindresultaat daarvan is opgenomen in de rapportage die naar uw Kamer is gestuurd.

32

Waarom is een aantal evaluaties betrokken die geen betrekking hadden op tijdvak 2010–2014?

Antwoord

In het onderzoek zijn alle evaluaties meegewogen die betrekking hebben op de actuele instrumenten in de rijksbegroting, ook als de meest recente evaluatie van een instrument is afgerond buiten de onderzoeksperiode.

33

Komt er minder geld beschikbaar voor artikel 18, na de herschikking van middelen? Komt er meer beschikbaar op artikel 12 en 13 na de herschikking?

Antwoord

De herschikking van de begrotingsartikelen om de beleidsmatige samenhang te versterken – één van de aanbevelingen uit de doorlichting – zou leiden tot een beleidsneutrale verschuiving tussen artikel 18 en 12/13 doordat de middelen voor het regionale economische beleid in samenhang met de middelen voor innovatie en ondernemerschap worden gepresenteerd. De omvang van artikel 18 wordt daarmee kleiner, de omvang van het geïntegreerde artikel 12/13 navenant groter. In 2017 zou het om een verschuiving van ca. € 35 miljoen gaan.

34

Bent u bereid om te laten onderzoeken waarom het beleid op het ministerie slecht evalueerbaar is en nauwelijks beoordeeld kan worden op doelmatigheid en doeltreffendheid en hoe dit verbeterd kan worden?

Antwoord

Het is in algemene zin lastig om de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid concreet te maken omdat er altijd veel externe factoren een rol spelen. Het natuurbeleid vormt hierop geen uitzondering. Met de doorlichting kon het beleid in algemene zin op doelmatigheid en doeltreffendheid worden beoordeeld. Het onderzoek heeft daarbij gebruik gemaakt van bestaande evaluaties aangezien een beleidsdoorlichting het karakter dient te hebben van een syntheseonderzoek. Aanvankelijk ontbraken op onderdelen of specifieke instrumenten nog wel evaluaties. Inmiddels werkt het Ministerie van Economische Zaken (EZ) sinds enkele jaren met een dekkende programmering van beleidsevaluaties. De begroting maakt elk jaar inzichtelijk voor welke instrumenten evaluaties zijn gepland. EZ heeft daarnaast de afgelopen jaren geïnvesteerd in het verder verbeteren van de kwaliteit van ex post evaluatieonderzoek, onder andere door het instellen van een Beleidskwaliteit- en evaluatiecommissie (BEC) waarin experts van binnen en buiten de overheid adviseren over de opzet van evaluaties.

35

Waarom wordt Staatsbosbeheer ontzien bij het «schaven»? (Bijlage 6)

Antwoord

Er is de afgelopen jaren aanzienlijk gekort op het budget van Staatsbosbeheer. Zo is de rijksbijdrage vanaf 2014 met € 12 miljoen (30%) gedaald in verband met het niet meer vergoeden van educatie- en voorlichtingsactiviteiten en het beheer buiten het Natuurnetwerk Nederland. Ook heeft het kabinet Rutte-I een inkomstentaakstelling van € 100 miljoen opgelegd aan Staatsbosbeheer, waarvan Staatsbosbeheer in de jaren 2016–2018 nog € 40 miljoen moet invullen door verkoop van gronden. Daarnaast resulteert de rijksbrede bezuinigingstaakstelling van het kabinet Rutte-II in een daling van de rijksbijdrage aan Staatsbosbeheer van € 26,4 miljoen in 2014 naar € 24,5 miljoen in 2018 en verder.

36

Kunt u per post aangeven wat de concrete maatschappelijke effecten zijn bij de voorgestelde mogelijke bezuinigingen? (Bijlage 6)

Antwoord

De concrete maatschappelijke effecten zijn door de onderzoekers niet per afzonderlijke post onderzocht.

37

Waarom staat Caribisch Nederland tweemaal genoemd als mogelijke bezuinigingspost? (Bijlage 6)

Antwoord

Het betreft twee afzonderlijk begrotingsonderdelen. Het ene onderdeel gaat over een tijdelijke bijdrage aan de openbare lichamen Caribisch Nederland in de vorm van een bijzondere uitkering voor onder andere achterstallig onderhoud van natuur. Het andere onderdeel heeft betrekking op procesmanagement en projecten in het kader van het realiseren van het Natuurbeleidsplan Caribisch Nederland inclusief, nationale en internationale verplichtingen.

38

Kunt u gedetailleerd uiteenzetten welke middelen op welke wijze worden ingezet voor de natuur op Caribisch Nederland?

Antwoord

In het kader van het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland en de Nederlandse en internationale verplichtingen is er jaarlijks € 495.000 ter beschikking voor procesondersteuning en- financiering, evenals voor kleine voorbeeldprojecten. Dit in aansluiting op de meerjarenprogramma’s tussen Rijk en openbare lichamen.

Daarnaast is voor de periode 2013–2017 een eenmalige bijzondere uitkering «Verbetering natuur Caribisch Nederland» ter hoogte van 7,5 miljoen beschikbaar gesteld. Doelstelling hiervan is onder andere het achterstallig onderhoud van de natuur in Caribisch Nederland aan te pakken.

Jaarlijks wordt uit de middelen voor beleidsondersteunend onderzoek natuur een aantal onderzoeksprojecten gefinancierd voor Caribisch Nederland. Dit wordt gedaan op basis van een brede afweging binnen het hele natuurdomein.

39

Kunt u gedetailleerd uiteenzetten welke extra stappen gezet gaan worden, boven op de al genoemde stappen, nu blijkt dat Nederland onvoldoende op weg is om de biodiversiteitsdoelen te halen?

Antwoord

De Rijksnatuurvisie zet de werkwijze uiteen met als kern de natuur versterken met en door de samenleving. Rijk en provincies werken aan versterking van het fundament voor een sterke natuur, door te blijven investeren in het Natuurnetwerk Nederland, door vereenvoudiging en verduidelijking van de wettelijke kaders, door het stelsel van agrarisch natuurbeheer te herzien, en door natuur inclusief opdrachtgeverschap te bevorderen. Samen met maatschappelijke partijen werken provincies en Rijk aan een betere omgang met natuur, door ondersteuning te bieden aan initiatieven voor groen ondernemerschap, natuur inclusieve landbouw, natuur-gerichte gebiedsontwikkeling, en groenere woon- en werkomgeving (Kamerstuk 26 407, nrs. 99 en 100).

40

Kunt u gedetailleerd uiteenzetten welke middelen op welke wijze worden ingezet om de internationale biodiversiteit te verbeteren?

Antwoord

In de beleidsdoorlichting staat dat op de begroting van mijn ministerie ca. € 1 miljoen is opgenomen voor kosten die samenhangen met lidmaatschap aan internationale verdragen. Tevens staat hier vermeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken jaarlijks ca. € 60 miljoen uitgeeft aan biodiversiteit via de inzet op klimaatmitigatie en handel, klimaatadaptatie en het centraal stellen van biodiversiteit bij de inzet op water en voedsel.

Verder dragen de middelen op de begroting die samenhangen met het verdrag over de internationale handel in bedreigde soorten, CITES, bij aan het behoud van de internationale biodiversiteit. Deze middelen betreffen de personele inzet van uitvoerende diensten en zijn niet per thema gespecificeerd.

Tevens financiert het Ministerie van EZ het internationale biodiversiteitprogramma van het Planbureau van de Leefomgeving. PBL heeft o.a. bijgedragen aan de Global Biodiversity Outlook (midterm review van de Convention on Biological Diversity).

41

Kunt u uiteenzetten hoe individuele instrumenten van artikel 18.3 bijdragen aan het behoud van biodiversiteit?

Antwoord

De bijdrage van de individuele instrumenten van artikel 18.3 aan het behoud van de biodiversiteit is met de beleidstheorie of -reconstructie inzichtelijk gemaakt, (figuur 3.2 uit het onderzoek) maar is, zoals de onderzoekers betogen, lastig aan te tonen als er geen evaluaties voorhanden zijn. De wel beschikbare evaluaties zijn gebruikt en op basis daarvan werd het doelbereik van het beleid als redelijk positief beoordeeld.

42

In hoeverre bent u voornemens om de intensiveringssuggesties op het gebied van weidevogels toe te passen?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar mijn brief van 30 november 2015 (Kamerstuk 33 576, nr. 56), waarin staat dat ik in overleg met een groot aantal stakeholders een Plan van Aanpak weidevogels opstel. Ik zal uw Kamer over de voortgang daarvan informeren.

43

Bent u voornemens meer middelen beschikbaar te stellen om de samenhang tussen innovatief ondernemerschap en clustervorming te versterken, gezien uw positieve reactie op de beleidsintensiveringssuggesties van de onderzoekers?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 5.

44

Wat vindt u van de aanbeveling van de onderzoekers om het huidig natuurbeleid nader te concretiseren en in te kleuren?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar de reactie op de aanbevelingen die zijn opgenomen bij het aanbieden van de beleidsdoorlichting artikel 18 (Kamerstuk 30 991, nr. 29). De hoofdinstrumenten van het beleid zijn weergegeven in de Rijksnatuurvisie en het Natuurpact. De Rijksnatuurvisie is en wordt verwezenlijkt met concrete acties en in de uitvoeringsagenda van Rijk en provincies ter stimulering van maatschappelijke initiatieven rond natuurcombinaties. Het Natuurpact bevat de gezamenlijke ambities en afspraken tussen rijk en provincies over de uitwerking van natuurbeleid door provincies.

45

Hoe beoordeelt u de aanbeveling van de onderzoekers om ex-post onderzoek te doen naar doeltreffendheid en doelmatigheid van een aantal hoofdinstrumenten van natuurbeleid?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.

46

Bent u van plan om een duidelijke beleidstheorie voor natuurbeleid op te stellen, waarbij behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in onderlinge samenhang worden beschouwd? Gaat u de Rijksnatuurvisie nader uitwerken in concrete acties met budget, verantwoordelijkheden en stappenplannen, en de samenhang tussen verschillende uitvoeringsagenda’s zichtbaar maken en waar nodig versterken?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoorden op de vragen 25 en 44.

47

Waarom kiest u ervoor om de integratie van landbouw- en natuurbeleid op een andere manier uit te voeren dan de onderzoekers aanbevelen?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 9.

48

Wat is het verschil in de aanpak voor integratie van landbouw- en natuurbeleid die u en de onderzoekers voorstaan?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 9.

49

Hoe gaat u goede (financiële) afspraken maken met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu/Rijkswaterstaat over het borgen van natuurbelangen bij beheer en onderhoud van grote wateren en bij de uitvoering van aanlegprojecten, aangezien integratie bij de uitvoering niet vanzelfsprekend is volgens de onderzoekers?

Antwoord

In de brief van 18 januari 2016 (Kamerstuk 31 710, nr. 46) heb ik aangegeven hoe de Ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en EZ samenwerken aan het concretiseren van de Natuurambitie grote wateren in acties en die vertalen naar het waterbeleid. In de praktijk worden natuurambities al gekoppeld aan waterveiligheidsmaatregelen, conform de integrale aanpak van het Deltaprogramma. Het Deltafonds biedt mogelijkheden voor financiering van rivierverruimingsmaatregelen (als dat tot besparingen op dijkversterkingen leidt) en landschappelijke inpassingen en ruimtelijke kwaliteit van waterveiligheidsmaatregelen. Het Rijk heeft € 200 miljoen gereserveerd voor meerkosten bij rivierverruimingsmaatregelen.

Het Ministerie van EZ ondersteunt met menskracht en onderzoek de gebiedspartners bij de concretisering van natuurambities in de grote wateren naar inhoud en acties. Die acties worden geagendeerd in integrale gebiedsagenda’s voor de grote wateren. Het Ministerie van IenM is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze gebiedsagenda’s, waarbij de Ministeries van IenM en EZ deze uitvoering borgen in het MIRT.

Voor de grote wateren heb ik in totaal € 12 miljoen toegezegd aan projecten in het kader van de grote wateren en ten behoeve van de ontwikkeling van kennis en kennisproducten.

In het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016–2021 (Kamerstuk 31 710, nr. 45) is opgenomen dat RWS met de uitvoering van het Kaderrichtlijn Water maatregelenprogramma, zorgt voor ecologisch herstel van de Rijkswateren.

50

Hoe gaat u samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu inhoud geven aan de gezamenlijke internationale strategie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, duurzaamheid en biodiversiteit?

Antwoord

De eind november 2015 vastgestelde doelen van de universele agenda voor duurzame ontwikkeling zijn van toepassing op (inter)nationaal beleid van Nederland. De indicatoren om het doelbereik te monitoren, worden in maart 2016 vastgesteld door de VN. Daarna ga ik in gesprek met de Minister en Staatssecretaris van BZ en IenM over wat deze agenda voor het Nederlands (inter)nationaal beleid betekent.

51

Kunt u aangeven waarom het beleid zoals de Kaderrichtlijn Water of beleid gericht op het beperken van emissies niet worden betrokken bij de beleidsdoorlichting als ze wel degelijk invloed hebben op het natuurbeleid?

Antwoord

De beleidsdoorlichting betreft een syntheseonderzoek over bestaande evaluaties die betrekking hebben op de instrumenten die onderdeel uit maken van beleidsartikel 18. Aanpalende beleidsdomeinen die invloed hebben op het realiseren van natuurdoelen, worden meegewogen in de beleidsdoorlichtingen van de begrotingsartikelen waar zij onderdeel van uitmaken.

52

In 2014 werden twee van de beoogde 40 beheerplannen gerealiseerd. Zijn de beoogde 40 beheerplannen van de Natura 2000-gebieden inmiddels in 2015 wel gerealiseerd?

Antwoord

Tot en met 2015 zijn zes beheerplannen definitief vastgesteld. De realisatie van de overige beheerplannen is opgehouden vanwege de inwerkingtreding van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

53

Wat zijn de inkomsten van Staatsbosbeheer?

Antwoord

Zoals blijkt uit het Jaarverslag 2014 van Staatsbosbeheer bedroegen de inkomsten in 2014 € 152,6 miljoen (Kamerstuk 29 659, nr. 140).

54

Wat is de marktwaarde van Staatsbosbeheer?

Antwoord

De marktwaarde van Staatsbosbeheer is niet objectief te bepalen. De gronden van Staatsbosbeheer zijn onttrokken aan het economisch verkeer omwille van wettelijk vastgelegde functievervulling (natuur, landschap, recreatie, educatie). De waarde van natuurgrond (net zoals grond onder infrastructuur) krijgt geen waarde toegerekend in de Overheidsbalans en de gronden staan ook voor nul op de balans van Staatsbosbeheer.

55

Hoeveel fte's zijn er in dienst van Staatsbosbeheer?

Antwoord

Volgens het Jaarverslag 2014 bedroeg het aantal fte’s ultimo 2014 905 (Kamerstuk 29 659, nr. 140).

56

Kunt u uitleggen waarom Staatsbosbeheer gefinancierd wordt en waarom geen andere organisaties?

Antwoord

Staatsbosbeheer maakt als zelfstandig bestuursorgaan, tevens rechtspersoon met een wettelijke taak, onderdeel uit van de rijksoverheid. Deze positie is in 2014 nogmaals bevestigd (Kamerstuk 29 659, nr. 122). Als overheidsorganisatie is Staatsbosbeheer beperkt in het verkrijgen van marktinkomsten (geen bijdragen leden, goede doelen). Vanuit die positie is het voor de uitvoering van de wettelijke taken gerechtvaardigd dat Staatsbosbeheer een rijksbijdrage ontvangt ten behoeve van organisatiekosten en enkele specifieke projecten. Voor een bijdrage ten behoeve van het natuurbeheer moet Staatsbosbeheer, net als andere natuurbeheerders, een beroep doen op de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) van de provincies.

57

Kunt u een indicatie geven van de terugdringende uitgaven aan apparaatskosten aangezien het natuurbeleid wordt gedecentraliseerd?

Antwoord

De taakstelling die voortvloeit uit de decentralisatie van het natuurbeleid is vanaf 2012 in de apparaatsbudgetten van het Ministerie van EZ verwerkt. Het gaat om indicatief € 7,5 miljoen, ongeveer een halvering van het apparaatsbudget voor natuurbeleid.

58

Kunt u een overzicht geven, uitgesplitst per provincie, wat de provincies tot nu toe hebben begroot voor het natuurbeleid? Kunt u dit uitsplitsen in geld vanuit het provinciefonds en andere gelden?

Antwoord

De verantwoordelijkheid voor de provinciale begroting voor natuur ligt bij provinciale staten. De provinciale begroting valt niet onder de reikwijdte van deze beleidsdoorlichting die betrekking heeft op één beleidsartikel uit de rijksbegroting. Er is daarom geen onderzoek gedaan naar de provinciale begrotingen voor natuur en ik beschik ook niet over deze informatie.

59

Wat is de ontwikkeling van het areaal agrarische natuur sinds de invoering van agrarisch natuurbeheer?

Antwoord

Uit de rapportages Natuurmeting op Kaart, die sinds 2007 aan uw Kamer gestuurd zijn, blijkt dat het areaal agrarisch natuurbeheer de laatste 10 jaar rond de 60.000 hectare schommelt. Daarbij dient opgemerkt dat het areaal waarop beheeractiviteiten plaatsvinden groter is, omdat een omrekenfactor wordt gebruikt voor het beheer van lijn- en puntelementen en voor hectares waarop aan nestbescherming wordt gedaan. In de areaalcijfers die in het nieuwe stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden gebruikt, zal niet meer een dergelijk omrekenfactor worden gehanteerd.

60

In hoeverre is zijn de middelen voor agrarisch natuurbeheer bij de agrarische ondernemer terecht gekomen?

Antwoord

Tot en met 2015 is de agrarische ondernemer op basis van een individuele subsidie altijd direct begunstigde geweest van de subsidie voor agrarisch natuurbeheer. De middelen gingen voorheen dus altijd rechtstreeks naar de ondernemer toe.

Vanaf 2016 wordt de subsidie verstrekt op basis van collectieve gebiedsaanvragen. Een collectief van agrariërs dient deze gebiedsaanvraag in. Dit collectief maakt met de individuele agrariërs afspraken over beheermaatregelen en de bijbehorende vergoeding.

61

Kunt u een overzicht geven van de overige bijdragen van de provincies?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 58.

62

Wat verklaart het grote verschil in uitgaven aan natuur- en regionaal economische beleid in 2011 ten opzichte van 2010 en 2012?

Antwoord

In de jaren tot en met 2013 is het Investeringsbudget Landelijk Gebied afgerond, waarvan de piek in 2012 lag. In de jaren 2010–2012 is hiervoor respectievelijk ca. € 500 miljoen, € 685 miljoen en € 101 miljoen aan de provincies betaald. Verder was sprake van decentralisatie van de budgetten naar gemeenten en provincies voor regelingen die geen structurele budgetten kenden, vooral projecten die oorspronkelijk gefinancierd zijn uit het Fonds Economische Structuurversterking.

63

Kunt u toezeggen dat u in de volgende beleidsdoorlichting over artikel 18 wel uitspraken kan doen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, omdat er dan wel voldoende evaluatieonderzoeken beschikbaar zullen zijn?

Antwoord

In aanvulling op mijn antwoord bij vraag 1 verwacht ik met de toegezegde evaluaties van de huidige hoofdbeleidsinstrumenten – de Rijksnatuurvisie en het Natuurpact, waarvan de eerste eind 2016 zal verschijnen (Natuurpact) -meer uitspraken te kunnen doen over doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid.

64

Wat vindt u ervan dat de heer De Snoo een aantal fouten signaleert in het oordeel van de onderzoekers; zo krijgt de realisatie van de beheerplannen van Natura 2000-gebieden een «+»-score« terwijl dit volgens Snoo eerder een «+/–»-score moeten zijn, omdat dit oordeel op slechts 2 van de 40 gebieden gebaseerd is?

Antwoord

De reactie van de heer De Snoo geeft de meerwaarde aan van het inschakelen van een externe deskundige. Het onderdeel waarnaar in vraag 64 wordt gerefereerd betreft een kwalitatief oordeel van de onderzoekers. Juist in die gevallen is een toets door een externe deskundige van belang. De positieve score van de doelmatigheid van het Natuurnetwerk Nederland is (her)bevestigd in de Balans van de Leefomgeving 2014 en de ex ante evaluatie van het Natuurpact (2013) en valt daarmee binnen de reikwijdte van deze beleidsdoorlichting.

65

Wat vindt u ervan dat de heer De Snoo een aantal fouten signaleert in het oordeel van de onderzoekers; de positieve score van de doelmatigheid van het Natuurnetwerk Nederland heeft betrekking op de periode 2007–2010 en valt daardoor buiten de reikwijdte van deze beleidsdoorlichting?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 64.

66

In hoeverre acht u het kengetal van beleidsartikel 18.1 passend om aan te geven dat de inzet van uw beleid bijdraagt aan het niveau clusterontwikkeling en internationale concurrentiepositie van Nederland, aangezien de onderzoekers in de beleidsdoorlichting aangeven dat deze inzet niet meetbaar is?

Antwoord

Ik ben het met de onderzoekers eens dat regionaal economisch beleid slechts één van de factoren is waarmee wordt bijgedragen aan de economische concurrentiepositie van regio’s. De samenhang van beleidsinzet en instrumentarium is ook van belang voor de concurrentiepositie van Nederland als geheel. Het kengetal in artikel 18.1 levert niettemin een beeld over hoe de clusterontwikkeling in Nederland er internationaal voor staat.

67

Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze inzet van het beleid in het nieuw te vormen beleidsartikel afkomstig uit huidige artikelen 12, 13 en 18.1 wél meetbaar is? Gaat u hiervoor een nieuwe indicator ontwikkelen met gebruikmaking van het IAK?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 66.

68

De onderzoekers concluderen dat de ingezette instrumenten voor sub artikel 18.2 weinig handvatten bieden om goede uitspraken te kunnen doen over doeltreffendheid (en ook doelmatigheid) van afzonderlijke instrumenten en van het gevoerde beleid als geheel (Beleidsdoorlichting, p.66); hoe gaat u er voor zorgen dat bij een volgende beleidsdoorlichting wel voldoende gegevens beschikbaar zijn om hier uitspraken over te doen, waarbij tevens aan de door de onderzoekers genoemde bezwaren tegemoet wordt gekomen?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoorden op vragen 27 en 34.

69

Kunt u de gezamenlijke prioriteiten binnen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) uiteenzetten?

Antwoord

In mei 2013 is uw Kamer geïnformeerd over de beleidsprioriteiten van EFRO 2014–2020 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 461). Uitgangspunt hierbij is dat met EFRO wordt bijgedragen aan de nationale doelen in het kader van de Europa2020 strategie. Op basis van deze EU-kaders heb ik met de regio’s afgesproken dat de gezamenlijke hoofddoelen van Rijk en regio voor EFRO in 2014–2020 innovatie en koolstofarme economie zijn. Binnen deze hoofddoelen is focus aangebracht. Bij innovatie gaat het om het laten aanhaken van het MKB bij de topsectoren via samenwerkingsprojecten en valorisatie. Met het thema koolstofarme economie wordt ingezet op het verhogen van het aandeel duurzame energie, op energie-efficiëntie en innovatie op deze terreinen.

Rijk en regio hebben aanvullend hierop afgesproken dat in alle EFRO-programma’s in Nederland, de regionaal relevante topsectoren en topclusters centraal staan, evenals het stimuleren van cross-overs tussen topsectoren. Uw Kamer is in augustus 2014 geïnformeerd over deze inzet (Kamerstuk 21 501-08, nr. 525). Deze inzet is gebaseerd op de regionale Slimme Specialisatie Strategieën van de vier landsdelen die in samenwerking met overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven zijn opgesteld.

70

Op welke onderdelen in de procesgang van ontwikkeling, beoordeling en besluitvorming en de monitoring zijn nog verbeteringen mogelijk?

Antwoord

De kwalitatieve beoordeling van de doelmatigheid van EFRO in tabel 4.4. van de beleidsdoorlichting is gebaseerd op de mid-term evaluatie van regionale overheden en het Ministerie van EZ uit 2011. Conclusie van deze evaluatie was dat de EFRO-programma’s 2007–2013 als geheel goed worden benut en effectief functioneren. Ook het proces van ontwikkeling, beoordeling, besluitvorming en monitoring functioneerde in algemene zin redelijk goed. De aanbevelingen voor de nieuwe programmaperiode waren vooral gericht op een sterkere betrokkenheid van externe (private) partijen bij het beoordelingstraject, meer sturing op kwaliteit van projecten, en versimpeling van de beheer- en controlestructuur in verband met de hoge controledruk.

Aan de eerste twee aandachtspunten is invulling gegeven door met de decentrale overheden voor de periode 2014–2020 afspraken te maken over een onafhankelijke beoordeling van projecten door externe deskundigencommissies, eenduidige toetsingscriteria, zoals de mate van innovativiteit, en kwaliteit van de business case en beoordeling op kwaliteit. Hierover is uw Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-08, nr. 528).

Het derde punt, het terugdringen van administratieve lasten voor bedrijven en uitvoeringskosten voor overheden, was één van de speerpunten van de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over de inhoud van het cohesiebeleid 2014–2020 (Kamerstuk 21 501-08, nrs. 392 en 493). Met de bestuurders van decentrale overheden zijn voor deze periode afspraken gemaakt over nauwere samenwerking, kennisdeling en het hanteren van een uniforme werkwijze en één ICT systeem tussen de landsdelige beheersautoriteiten. Daarnaast spant dit kabinet zich samen met de regio en de Europese Commissie in voor verdere vereenvoudiging en optimalisatie van het beheer- en controleproces.

71

De onderzoekers concluderen dat over het algemeen de indruk bestaat dat de natuur er zonder natuurbeleid slechter aan toe zou zijn, ze constateren echter ook dat deze indruk op de oude wetgeving is gebaseerd. Hoe gaat u bij de nieuwe Wet Natuurbescherming inzicht geven in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het natuurbeleid?

Antwoord

Natuurwetgeving als zodanig is niet gericht op het inzicht geven in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid, maar stelt wel kaders voor het beleid. Zo schrijft de nieuwe wet natuurbescherming voor dat de overheid een natuurvisie vaststelt met de hoofdlijnen van het rijksbeleid en dat monitoring van het natuurbeleid plaatsvindt door het Planbureau voor de Leefomgeving.

72

Waarom is er niet vanuit internationaal perspectief gekeken, zodat benchmarking met andere Europese landen mogelijk is?

Antwoord

Het internationale perspectief is bij een aantal instrumenten geëvalueerd, zoals de bijdrage van het Natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000-gebieden aan Europese doelen. De doorlichting betreft echter de uitwerking ervan op Nederlands grondgebied en is gebaseerd op bestaande evaluaties. Benchmarking met andere Europese landen vindt plaats in Europese studies zoals de State of the Environment van het Europees Milieuagentschap en de Tussentijdse evaluatie (MTR) van de EU Biodiversiteitsstrategie 2020 van de Europese Commissie. In de MTR heeft het Milieuagentschap gebruik gemaakt van de 5de nationale rapportages van het mondiale Verdrag van de Biologische Diversiteit van de lidstaten.

73

Waarom kijkt de Rode Lijst Indicator naar de periode 2005–2014 en niet alleen naar de periode 2010–2014? Gaat u voortaan de Rode Lijst Indicator voor de juiste periode instellen en kunt u alsnog voor de afgelopen jaren de indicator voor de juiste periode weergeven?

Antwoord

De beleidsdoorlichting gaat over de periode 2010 – 2014. De Rode Lijststatus van soorten wordt over een langere periode berekend. Het duurt vrij lang voordat een soort een andere bedreigingsstatus op de Rode Lijst krijgt. Het percentage niet-bedreigde soorten verandert daardoor ook vrij langzaam. Het is daarom weinig zinvol een indicator over dier- en plantensoorten over een periode van vier jaar te bekijken.

74

Wanneer en hoe vaak gaan de evaluaties en monitoring van de natuurwetgeving plaatsvinden?

Antwoord

Ik heb uw Kamer over de geplande datum van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 geïnformeerd (Kamerstuk 33 348, nr. 176). Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heb ik, net als mijn voorganger, aangegeven dat ik evaluatie van de wet van belang vind wanneer die zinvol is. Dat zou het moment kunnen zijn waarop het Aanvullingsbesluit ter consultatie wordt voorgelegd, naar verwachting in 2017. Op dat moment hebben stakeholders, koepelorganisaties en deskundigen gelegenheid te reageren op basis van hun ervaringen met de nieuwe Wet natuurbescherming. Met het Aanvullingsbesluit wordt de inhoud van de Wet Natuurbescherming gekoppeld aan het stelsel van de Omgevingswet en is gelegenheid de ervaringen met de nieuwe natuurwetgeving daarin mee te nemen.

75

Hoe gaat in de nieuwe aanpak agrarisch natuurbeheer geborgd worden dat het beleid doeltreffend en doelmatig is?

Antwoord

Het nieuwe stelsel van agrarisch natuurbeheer is onderdeel van de driejaarlijkse evaluatie die het PBL uitvoert in het kader van het Natuurpact. Daarmee wordt periodiek de effectiviteit en doelmatigheid van het beleid onderzocht.

76

Hoe heeft het beleid over de periode 2010–2014 bijgedragen aan een versterking van economie en ecologie?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 8.

77

Hoe gaat u ervoor zorgen dat u kunt aantonen dat het gevoerde beleid doeltreffend is geweest en zal zijn?

Antwoord

In principe dient elk instrument met enige substantiële budgettaire omvang dat is vermeld in de begroting, met regelmaat geëvalueerd te worden. De planning hiervan wordt jaarlijks in de begroting opgenomen. Verder dient het gehele begrotingsartikel met regelmaat geëvalueerd te worden zoals de huidige beleidsdoorlichting. Daarnaast kunnen evaluaties ook integraal onderdeel zijn van belangrijke nota’s zoals het geval bij het Natuurpact en de Natuurvisie.

78

Hoe gaat u ervoor zorgen dat inzichtelijk wordt dat de gebruikte instrumenten doeltreffend en doelmatig zijn?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 77.

79

Om welke instrumenten gaat het hier?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 77.

80

Hoe gaat u de gebruikte instrumenten voortaan verantwoorden?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 77.

81

Kunt u de synergiekansen die liggen tussen de Kaderrichtlijn Water en de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn uiteenzetten?

Antwoord

Zowel de Kaderrichtlijn Water (KRW) als de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) streven naar duurzame en gezonde ecosystemen. De KRW draagt bij aan het realiseren van de VHR doelstellingen en andersom. Circa 60% van de oppervlakte Natura 2000-gebieden (inclusief marien) ligt in wateren.

Maar ook Natura 2000-gebieden die op land liggen, bevatten veel water in hun bodems of in de inliggende wateren.

De stroomgebied-beheerplannen voor de Kaderrichtlijn Water bevatten watermaatregelen die bijdragen aan de gunstige staat van instandhouding van Natura 2000-gebieden. De beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden bevatten maatregelen die bijdragen aan duurzame watersystemen door onder meer het ecologisch zuiveren van water, het vasthouden en (tijdelijk) bergen van water en het bieden van broed- en paaiplaatsen voor vissen.

82

Waarom heeft in de periode 2010–2014 geen onderzoek plaatsgevonden naar de internationale dimensie van het natuurbeleid, terwijl er wel financiële middelen beschikbaar worden gesteld aan lidmaatschappen en bijdragen van Nederland aan internationale verdragen en programma’s?

Antwoord

Zie beantwoording vragen 40 en 72

83

Wat behelst de herbezinning van taken bij Staatsbosbeheer?

Antwoord

Op basis van een afspraak in het regeerakkoord is de positie van Staatsbosbeheer opnieuw bezien. De uitkomst van deze exercitie is dat de formele wettelijke positie van Staatsbosbeheer als zelfstandig bestuursorgaan (tevens rechtspersoon met een wettelijke taak) nog steeds naar tevredenheid functioneert en wordt voortgezet (Kamerstuk 29 659, nr. 122). Ook is geconcludeerd dat de verhouding tussen overheidsfinanciering en marktinkomsten moet worden bijgesteld, de maatschappelijke betrokkenheid van Staatsbosbeheer versterkt en het aandeel private financiering vergroot. Deze koers is vastgelegd in het convenant tussen EZ en Staatsbosbeheer uit 2014 (Kamerstuk 29 659, nrs. 123, 125 en 139) en in het ondernemingsplan van Staatsbosbeheer voor de jaren 2015–2020 «Staatsbosbeheer 2020. Ziel en zakelijkheid». Ik verwijs u ook mijn antwoord op vraag 56.

84

Hoeveel fte van Staatsbosbeheer is actief werkzaam in natuurbeheer?

Antwoord

Van de 905 fte’s zijn 769 fte (85%) direct werkzaam in of voor het natuurbeheer. De overige 136 fte is gekoppeld aan concernzaken en management. Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 55.

85

Kunt u de inkomsten van Staatsbosbeheer uitsplitsen in een overzicht?

Antwoord

Voor de uitsplitsing van de inkomsten van Staatsbosbeheer verwijs ik u naar het overzicht op pagina  26 van het Jaarverslag 2014 (Kamerstuk 29 659, nr. 140).

86

Hoeveel natuurorganisaties zijn er actief in Nederland?

Antwoord

Er zijn in Nederland vele en uiteenlopende natuurorganisaties actief, opererend op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau. Ik beschik niet over een overzicht van alle natuurorganisaties, actief in Nederland.

87

Hoeveel subsidie gaat er naar deze organisaties?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 86.

88

Kunt u aangeven of er nog duidelijke doelen geformuleerd worden waardoor een meetlat ontstaat om te bepalen of men op de goede weg is naar het stimuleren van wederzijdse versterking van ecologie en economie en de maatschappelijke betrokkenheiden bij natuur?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 27.

89

In de kabinetsreactie staat op pagina 6 dat er bruikbare intensiveringssuggesties worden genoemd in de beleidsdoorlichting. Bent u voornemens om (een van) deze suggesties te gaan invoeren? Zo ja, welke en wanneer? Zo nee, waarom niet, aangezien u ze wel bruikbaar noemt?

Antwoord

De onderwerpen die de onderzoekers aanhalen bij de intensiveringssuggesties zijn actueel. De suggesties gaan over het beleid voor weidevogels, het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de integratie van natuur en water. Deze onderwerpen hebben mijn nadrukkelijke aandacht.

90

Welke intensiveringssuggesties bent u bereid over te nemen?

Antwoord

Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 89.

91

Bent u voornemens beter de integratie van natuurbeleid met andere beleidsterreinen in beeld te brengen?

Antwoord

Zoals aangegeven in de Kamerbrief over de beleidsdoorlichting van artikel 18 (Kamerstuk 30 991, nr. 29) ben ik voornemens in de toegezegde voortgangsrapportages over natuurbeleid hier aandacht aan te besteden.

92

Welke doelstellingen zijn geformuleerd voor agrarisch natuurbeheer?

Antwoord

In mijn brief over het nieuwe stelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer van 30 november 2015 (Kamerstuk 33 576, nr. 56) heb ik de doelen voor agrarisch natuurbeheer toegelicht. Het nieuwe stelsel beoogt drie doelen:

  • Een effectiever agrarisch natuurbeheer dat zich richt op het voldoen aan internationale natuurdoelen.

  • Breed draagvlak in de streek, waardoor maatschappelijke doelen (natuur, water, recreatie) effectiever zullen worden verwezenlijkt in aansluiting op de wensen van de betrokken maatschappelijke partijen.

  • Een grotere efficiëntie, die tot uitdrukking komt in lagere uitvoeringskosten.

93

Hoe staat het met natuurcompensatie bij grote infrastructurele projecten?

Antwoord

Initiatiefnemers van grote infrastructurele projecten dienen zelf zorg te dragen voor natuurcompensatie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (ruimtelijke ordening) of Natura 2000-gebieden. Het bevoegd gezag ziet toe op naleving. Voor natuurcompensatie in het kader van het Natuurnetwerk Nederland op land zijn veelal de provincies het bevoegd gezag. Voor Natura 2000-gebieden zijn dat provincies of Rijk, afhankelijk van de aard van het project.

94

Gaat u opvolging geven aan de aanbeveling om de samenhang tussen innovatief ondernemerschap en clustervorming te versterken?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.

Naar boven